DE WEDDENSCHAP.

Tevreden heeft de vogelman geglimlacht. Hij haalt uit zijn zak een rolletje pruimtabak, steekt er den tip van in zijn mond, knauwt hem af, met een wrong der hand.

- Der es er 'n bende in aontocht," zegt hij stil, op haast mysterieuzen toon. En, turend naar den grijzen hemel, die nog schijnt te verdikken:

- As ze moar komen veur de regen," voegt hij er bezorgd bij.

Plotseling bukt hij weêr ten gronde, doet den trekvogel fladderen, begint opnieuw te tjilpen.

Ja, ja, dáár zijn er nog! Oh! er zijn er!.... er zijn er wel een tiental ditmaal! Zij vervullen de droevige lucht met hun klagend gepiep, zij dwarrelen gejaagd boven het net, vol angst en gretigheid, toch onweerstaanbaar aangelokt door 't eenzaam makkertje, dat zoo vreemd tjilpend fladdert over 't hoopje mulle aarde.

Bijna onmiddellijk laten er zich drie vallen. Het net slaat toe en de knaap komt gesneld, terwijl de andere met schrikgilletjes wegvliegen. Doch zij vliegen niet verre; zij verdwijnen even in de grijze atmosfeer, terwijl de knaap in allerijl het net weêr ogenspant. En dadelijk zijn ze daar weer, met angstiger gilletjes het verdubbeld getjilp van den vogelman beantwoordend. Hun dwarrelende vlucht wordt steeds gejaagder, hun fijne kreetjes zijn vol smart, zij voelen 't gevaar en zeggen 't tot elkander; maar zij zoeken nu ook naar de verdwenen makkertjes, zij zullen zonder hen de lange reis niet voortzetten.

Eén voor éen, een wijltje roerloos hangend op hun uitgestrekte vleugeltjes, als wanhopige schepsels welke de diepte van den afgrond meten alvorens er in te springen, laten zij zich vallen, meteen het tjilpen stakend. Zij moeten er allen komen, geen enkel zal alleen den langen tocht ondernemen. Daar; 't is gedaan; het laatste is gevangen. De jongen opent wêer het net, de neergehurkte vogelman fluit onophoudend door, de rechterhand aan 't koord, de oogen in de lucht, loerend of er nog meer zullen komen.

Maar, over de wijde uitgestrektheid van de weiden, heeft de logge hemel zich eindelijk in een fijnen, ijskouden motregen opgelost. De verre woudenlijn smelt weg onder den nevel, een waas van onuitsprekelijke treurigheid strekt zich over de aarde uit.

De vogelman zwijgt, huiverend; de knaap kruipt onder 't stroohutje, de puntjes zijner witte stekelharen reeds als met een paarlendauw bedekt.

Een kort, fijn gilletje. De vogelman bukt neêr, reikt den hals uit, fluit tegen, doet den trekvogel fladderen.

Twee "pijpelingjes".... maar zij vliegen voorbij. Hunne gestoorde vlucht heeft even een kleinen halven cirkel gemaakt, eene seconde hebben ze roerloos gehangen,.... doch neen, die willen niet, ze zijn verdwenen.

Aanhoudend valt de trage, kille regen.... Hij dringt door de versleten kleederen, doorweekt de knieën en de voeten. De vogelman en de knaap bibberen van koude, de tanden klapperend, den neus rood, de huid, boven de juksbeenderen, paars-blauwend.

Weldra kan de vogelman niet meer tjilpen. Zijn lippen zijn versteven. Met zijn natte bevende rechterhand beweegt hij soms nog het touw van den trekvogel, die van lieverlede ophoudt te fladderen, te huppelen; die eindelijk roerloos blijft, dood op het hoopje mulle aarde.........

Toen staat de vogelman op. 't Is gedaan met de vangst. Geholpen door den knaap breekt hij het net op, stopt het in een korf; met de gevangen vogeltjes er boven. Met langen, stijven tred klimmen zij weer op den dijk, vertrekken in de richting van het verre dorp.........

En in de wei, onder de koude, grijze, o, zoo eindeloos triestige uitgestrektheid van den winterhemel, zijn er geen "pijpelingjes" meer..

1Een soort, in Vlaanderen aldus geheeten leeuwerikjes.

Wij waren om zes uur vertrokken, na de hevigste namiddaghitte....

Wij volgden den eenzamen landweg tusschen de roze, geurende klavers en de hard-groene beetenvelden.

De zon, die achter een gordijn van populieren-kruinen naar het westen neeg, schoot schuins, bij elken stap, onze uitgerekte, vreemd-dansende schaduwen uit. Een dikke zandlaag bedekte den weg; wij vorderden langzaam, met inspanning, in gedachten verzonken.

Dat was ons groot genoegen: te loopen al peinzende, zonder te spreken.

Uren en uren soms wandelden wij samen in de heerlijke velden, zonder twintig woorden met elkaar te wisselen. En ons groot genoegen was ook de gepeinzen van elkanders stilzwijgen te raden.

Wij noemden het: op zijn Edgar Poe's wandelen.... Wij namen beiden zwijgend alles waar wat onze zintuigen trof; en, door een gewisselden blik, door een glimlach voelden wij dat wij elkaar begrepen, dat wij, door éen en zelfde schouwspel, op éene en zelfde manier getroffen werden.

Langs den blonden, door heerlijke landouwen omlijsten landweg, maakten onze schreden een verdoft geluid in het licht opstuivend zand. Van mijne stappen toch was niets verneembaar dan die doffe rhythmus. Maar die van Jean, mijn vriend, werden tevens begeleid door een fijnen, in kadans tikkenden klank van zilver, telkenmale als hij zijn linkerbeen verplaatste: 't gerinkel van vijffrankstukken, die in een van zijn zakken tegen elkaar aanbotsten.

Langzamerhand werd mijn aandacht door dat aanhoudend geluid gestoord, bijna gekweld. Nu en dan wierp ik een schuinschen blik op den zak waarin de stukken rinkelden.

Jean werd het gewaar. Sprakeloos nam hij zijn zakdoek en stopte hem boven de stukken, die ophielden te klinken.

Zonder dat ik een woord gesproken had, door de eenvoudige macht der gewone eenstemmigheid onzer gezwegene gedachten, had hij begrepen dat dit geluid mij verveelde.

Door een oogopslag en een halven glimlach bewees ik hem dat hij mijn onuitgedrukt verlangen goed begrepen had.

Een weinig benauwd onder de drukking van den zwoelen avond zetten wij onzen weg voort.

De zon, laag op den gezichtseinder, flitste rood door het kantwerk der roerlooze bladeren; de laatste zwaluwen achtervolgden elkaar met lange scherpe gilletjes, in de ijle, langzaam verdonkerende lucht, waarin reeds enkele sterren, transparant-rein als kristal begonnen te tintelen. Een om onze hoofden dwarrelende muggenzwerm dreef gonzend met ons mede; hier en daar fladderde, verwilderd-geruischloos, eene vledermuis.

Wij naderden een wit, laag hutje met grauw stroodak, gansch eenzaam, gansch schilderachtig eenzaam staande naast den landweg, in de schaduw van een grootsche, eeuwen-oude, dwars door het land loopende olmendreef.

Vóór de deur stond een knaapje, blootshoofds en barrevoets, enkel gekleed met een grauw hemd en een versleten broekje, hetwelk door kruisvormig over den rug gespannen bretels opgehouden werd. Roerloos, met ronde oogjes, zag het ons komen.

Toen wij slechts op enkele passen afstands meer waren, bemerkten wij dat het hutje eene zoogenaamde tweewoonst was. Er waren twee lage deurtjes en twee kleingeruite venstertjes; en wij wisselden een blik, lezend in elkanders oogen een kleine wederzijdsche verrassing, dat wij zóó dicht hij het gebouwtje hadden moeten komen om te zien dat het een tweewoonst was.

Op dit oogenblik haalde Jean zijn zakdoek uit en veegde er 't zweet van zijn voorhoofd mêe af. Terstond klonk weer het zilvergerinkel der vijffrankstukken in zijn linkerzak, en wij zagen de ronde oogjes van het knaapje met haast eerbiedige bewondering er zich op vestigen. Steeds onbewegelijk, het hoofd achter ons omkeerend, volgde het ons met den blik.

Jean stopte weer zijn zakdoek boven op de stukken, die ophielden te rinkelen.

Halsstarrig zwijgend zetten wij onzen weg voort. Doch ik voelde nu een wondere geestesspanning, een duistere spanning naar een vluchtende gedachte, die zich maar niet helder vormde, die ik maar niet bevatten kon. Aarzelend, schuw haast, richtte ik een schuinschen blik tot Jean, en op zijn ondoordringbare, lichtkens saâmgetrokken gelaatstrekken, las ik dezelfde spanning, dezelfde jacht achter de vluchtende, raadselachtige gedachte.

Eensklaps kon hij niet langer het stilzwijgen uithouden.

- Hebt ge wel ooit geprobeerd," vroeg hij licht-blozend, met iets beschaamds in blik en glimlach, of hij zich wilde verontschuldigen over dien tusschen ons, zoo ongewonen overvloed van woorden, "hebt ge wel ooit geprobeerd eenmaal een groot stuk vleesch te geven aan uw hond, een heel kilo, bij voorbeeld?"

- Jean," antwoordde ik dadelijk, "ik begrijp u nog niet volkomen, maar ik voel dat uwe vraag in verband staat met de verschijning van dat knaapje, daar zooeven, vóór de deur van 't woninkje.

- Ja," sprak hij zonder eenige verwondering. "Gij begrijpt dus wat ik zeggen wil!"

- Misschien wel," antwoordde ik. "Indien ik aan mijn hond een stuk vleesch gaf van een kilo zou hij het niet durven nemen;.... en, indien gij aan dat knaapje van zooeven een hand vijffrankstukken cadeau deed....

- Zou het ze evenmin durven aanvaarden, daar wed ik om!" viel hij mij in de rede.

- Gij zoudt u kunnen vergissen," opperde ik.

- 't Kan gebeuren; laat ons wedden."

- Laat ons wedden."

Wij klopten in elkanders hand en ik keerde mij om met de bedoeling om terug te gaan.

- Neen," sprak hij, "het wordt te laat. Wij zullen het beproeven met het eerste knaapje dat wij nog ontmoeten. Ik zal hem twee vijffrankstukken geven en wij zullen eens zien."

- Maar als het ze nu tòch aanneemt?" vroeg ik.

- Dat zàl het niet, ten minste niet zonder een tamelijk lange aarzeling," sprak hij.

- Ja maar àls het ze toch zou aannemen, zoudt gij hem die laten?"

- N.... een, dat ware te veel; ik zou ze terug nemen en hem éen frank in de plaats geven."

- All right."

Wij hadden veel te lang gepraat; zwijgend zetten wij onzen weg voort, verveeld en misnoegd om al die dwaze woorden, welke wij gesproken hadden.

Nog een hutje aan den rand der baan, een klein wit hutje met grauw stroodak en enkele bloemen langs den gevel; en, vóór het haagje dat het woninkje van den landweg scheidt, onduidelijk zichtbaar in de schemering, een knaapje in lompen, blootshoofds en onbewegelijk. Het trekt zich een weinig achteruit toen het ons hoort of ziet komen; het dringt tegen de haag, in de opening van het vermolmd houten hekje.

- Ziedaar, ventje."

Jean, eensklaps stilhoudend, duwt hem de twee klinkende, blinkende stukken in de hand. Belangstellend-glimlachend zien wij toe.

Maar 't is als een schok, als een slag, welke ons beiden treft.

Vóór ons, opgeheven tot ons, zien wij, in de schemering, een klein gezichtje met een onvergetelijke uitdrukking! Een mager, bleek gezichtje dat plotseling rood wordt van vreugd; een arm, erbarmelijk, in een glimlach van onzeglijke extaze op ons gericht gezichtje; en in die extatische expressie, twee groote, wijd-opene, dofwitte oogen: oogen van een blinde.

Blind! het kind is blind! En in zijn handje, dat het niet durft sluiten, liggen de twee glinsterende stukken roerloos; en in zijn van geluk blozend gezichtje wordt de extatische glimlach levendiger, verhevener; en uit zijne wijd-opene, doode oogen straalt een onbeschrijfelijke uitdrukking: een uitdrukking van stomme dankbaarheid, welke met geen woorden te noemen is.

Wij kunnen het schouwspel niet verdragen. Een vrouw, wellicht de moeder, verschijnt op den drempel van het hutje, nadert, ziet toe en begrijpt, vouwt hare handen samen in een gebaar van schier verslagen dankbaarheid.

-'t Is voor hem, 't is voor u," zegt Jean met verkroppende stem, zelf, met een driftige beweging, de hand van het knaapje op de vijffrankstukken sluitend.

En terwijl de moeder, die weent van ontroering, vruchteloos woorden van dank poogt te stameren, wenschen wij haar "goên avond," vertrekken wij, vluchten wij.

Na enkele passen stop ik Jean sprakeloos een vijffrankstuk in de hand.

Zonder verbazing, met te nauwernood een zweem van vluchtige aarzeling, neemt hij het aan, begrijpend dat ik in zijn ontroerende liefdadigheidsgift ook mijn aandeel wil hebben.

Middag. Het dorpje, blakerend in zonnegloed, is als verlaten. De groene vensterluiken van de lage witte huisjes zijn gesloten, de zonnestralen wemelen op de roode daken. Er is slechts ééne straat, geplaveid met groote grijsachtige keien; zij strekt zich uit in eene lange kromme lijn, langs beide kanten uitloopend in 't groene veld. Links, boven de daken, steekt het puntig kerktorentje uit: een weinig verder, in 't midden der straat, rijst een soort van galg op: de ophaalbrug ván het kanaal, dat het dorp in tweeën scheidt.

Alleen in de stille en verlaten straat komen mij in 't verschiet twee mannen te gemoet. Zij volgen, rechts, het schrale schaduwstreepje langs de huizen. Zij komen langzaam, loom, de blikken rechts en links en in de hoogte starend, of zij iets zochten. Op hun voorbijtocht gaan enkele deuren half open, vertoonen zich, nieuwsgierig-loerend, enkele gezichten.

Toen ze slechts een vijftal passen meer van mij verwijderd zijn, schijnen zij even te aarzelen, blijven een oogenblik stilstaan, en, na een korten groet, vraagt mij de oudste der twee, met een holle, eenigszins vreemd klinkende stem:

- Meneere, es er hier geen sandurmerie[1]in 't durp?"

- Jawel."

- Woar, as 't ou belieft?"

- Daar ginds, over de brug, links, het gele huis met éen verdieping."

- Dank ou wel, meneere."

En voort gaan ze hun weg, terwijl ik me werktuigelijk, vreemd-ontroerd omkeer, om ze na te kijken.

Ik heb te nauwernood hunne gelaatstrekken gezien. Het heeft mij enkel toegeschenen of de oudste een energiek-droevig gezicht had, een hoekig bruingebrand gezicht met donkere oogen en grijzenden knevel, en of er op de houtmagere trekken en in de wijde blauwe oogen van den jongere een uitdrukking van groote smart en wanhoop lag. Doch wat ik wèl gezien heb is dat ze beiden doodmoe en uitgeput zijn.

Zij geraken schier niet meer voort. Hunne in flarden hangende kleeren, hunne gebogene gestalten, hun weifelende gang getuigen van de lange, lange reis, welke zij hebben afgelegd. Men voelt dat ze niet verder zullen gaan, dat ze niet verder kunnen gaan. Indien er in dit dorp voor hen geen stuk brood, geen rustplaats is, dan zullen ze vallen. Hier is de grenspaal hunner krachten.

In de straat, op hun doortocht, gaan de deuren talrijker open, vertonen zich meer en meer nieuwsgierige gezichten. Kleine groepjes vormen zich, woorden, uitroepingen weergalmen; enkele knapen, reeds, ijlen hen na. Ik zelf keer terug op mijn weg, en volg ze langzaam, meer en meer door mijn zonderlinge ontroering aangegrepen.

Loom stappen zij over de houten brug, die in haar hengsels dreunt. Daar komen zij vóór het gendarmerie-gebouw. Zij houden er stil, en de oudste der twee heft een aarzelende hand op en schelt.

Eenige oogenblikken verloopen; toen wordt de deur geopend. Zij treden binnen, hunne pet in de hand houdend.

En terwijl ze binnen de gendarmerie zijn, worden de groepen steeds talrijker en luidruchtiger vóór de opnieuw gesloten deur. Na enkele minuten is dáár de helft van het dorp samengeschoold. Allen hebben het middagdutje of het werk gestaakt. Vrouwen snellen toe, met kleine kinderen op den arm; knapen sluipen tusschen de beenen, gelijk honden. En tegenstrijdige berichten weergalmen, breiden zich uit tot een soort van rumoer: "'t Zijn scheuïers[2]!.... 't zijn voagebonden!.... 't Zijn dieven!.... meurdenoars....!" Iets stelselmatig-vijandigs is in gisting, een dom-boosaardige grijnslach zweeft op de gezichten; uit de gemeenschappelijke ziel der ruwe menigte stijgt de instinctieve haat voor den vreemdeling, de dierlijke drang kwaad te doen aan wien reeds ongelukkig is.

Plotseling gaat de deur weer open en nogmaals verschijnen de vreemdelingen, thans tusschen twee gendarmen in uniform, met het geweer over den schouder. Een lang gemurmel als van voldoening stijgt uit de saamgeschoolde menigte, een woelend gedrang grijpt plaats. Allen willen van nabij de twee gevangenen zien.

Met klinkenden stap leiden de gendarmen hen op. Doch zij houden ze bij den kraag noch bij de armen vast, gelijk ze 't zouden doen met gevaarlijke booswichten: zij leiden ze eenvoudig naast zich op, zeker dat zij hun niet zullen ontsnappen.

Joelend, nu en meer luidruchtig en driftig, zich rechts en links uitbreidend gelijk de vleugels van een klein leger, volgt de menigte. Knapen loopen scherp-gillend den treurigen stoet vooruit, roepen, met sprongen en gebaren, andere bengels bij zich. En plotseling stijgt een woest en lang gegil op: de ruwe menigte, stom-opgehitst, jouwt, uit louter instinct van wreedaardigheid, en zonder te weten wie ze zijn en wat of ze misdaan hebben, de twee ellendigen uit.

Deze doen of ze 't niet hooren. Den moeden blik strak starend vóór zich uit gevestigd, den rug gekromd, stappen zij vlugger door, als uitsluitend met een te bereiken doel bekommerd. Het is werkelijk of ze de woeste kreten en de hatend-schimpende gebaren noch hoorden, noch zagen: halsstarrig blijft hun doffe blik strak vóór zich uit gevestigd, halsstarrig stuwt hun afgematte gang hun evenwijdig-schuinhellende lichaam voort naar het verwachtte doel. Het is of ze verdwaald liepen onder die vijandige menigte, of ze gedompeld waren in een akelige nachtmerrie. De zware knevel van den oudste doorstreept zijn hoekig, bruingebrand gelaat als met een stugge lijn van onderworpenheid aan alles; het bleek, ontvleesd gezicht van den jongere verliest haast alle levensuitdrukking, alsof het zou versteenen in een beeld van smart en wanhoop.

Zij stappen weêr over de houten ophaalbrug, die onder het voetengetrappel davert. De jouwende menigte, door de engte der brug een oogenblik achteraan gehouden, stroomt nogmaals naar voren, overvleugelt opnieuw den stoet, vooruitgeloopen door de krielende jongensbende, voortdurend nog versterkt door nieuwe toevloeiende groepen. En nu weergalmt, door het gejouw heen, een kreet van haat, alom herhaald: "De gevangenen zijn dieven, op heterdaad betrapte dieven, die de gendarmen naar de dorpsgevangenis opbrengen!"

't Is inderdaad daarheen dat zich de stoet met rassche schreden wendt. Dáár staat het, het laag, bouwvallig krot, het "kot", zooals de dorpelingen 't noemen: vuilwit gekalkt, bezoedeld, met grauw leien dak, naast het ingangshek van 't kerkhof, een tiental meters van het kerkje.

Men houdt er stil. Een der gendarmen, de brigadier, steekt een zware sleutel in 't verroeste slot, opent de ruige deur, die in haar hengsels knarst. Het hoofd buigend verdwijnen de ellendigen onder een laatste, nog woester hoongejouw van 't volk, in het zwart-vochtig hok.

De deur is weer dicht, de joelende menigte gaat langzaam uiteen, gestild, tevreden, nog lachend om haar dom vermaak. Enkel een bende knapen blijven er nog even stoeien in het zand, met schrille kreten en uitbundige sprongen.

Toen stijgt me als een walg van verachting en van afkeer in de keel. Ik achterhaal de gendarmen die vertrekken, en, heel stil, heel triestig, tot den brigadier, dien ik ken:

- Wie zijn toch die ellendigen en wat hebben ze misdaan?" vraag ik.

Op een toon vol onverschilligheid antwoordt hij:

- Het zijn twee arbeiders welke van Frankrijk komen en geen geld meer hebben. Te vergeefs, zeggen zij, hebben zij overal naar werk uitgezien. Nergens kon men hen gebruiken. Eindelijk, daar ze volstrekt geen middelen van bestaan meer hadden, en letterlijk van honger stierven, zijn ze zich komen gevangen geven. Zij zullen in de gevangenis verzorgd worden, en morgen zal de kantonrechter een vonnis uitspreken, waarbij zij, voor enkele maanden, in een der bedelaarsgestichten van het land zullen opgesloten worden.... Maar dat kan ze niet schelen,.... daar is geen eergevoel meer in zulk soort van menschen...."

1Gendarmerie.

2Bedelaars.

Om twee uur, na zijn dutje, was de barbier vertrokken....

Jeugdig nog van uiterlijk, ofschoon hij reeds de veertig voorbij was, het koperen scheerbekken met 't wit en blauw geruite doekje onder den arm, het hard stuk witte zeep in een der zakken van zijn grijs-fluweelen vest, en, onder dat vest, den zwart-leeren gordelriem, waaruit de beenen hechten der scheermessen en de stalen oogen van de scharen staken, zoo liep hij, viermaal in de week, met, zijn flinken, vluggen stap van oud-militair, den heelen omtrek der verschillende gehuchten van het dorp af.

Hij ging in bijna alle boerderijen, in bijna alle huisjes waar er mannen waren. Met een vlugge hand zeepte hij ze in, schoor ze, vertelde of hoorde welwillend de praatjes van den dag aan, ontving zijn sou per hoofd, groette, en ging verder.

Somtijds, als zich dat met de verdeeling zijner tochten schikken kon, gebruikte hij 't middagmaal thuis, met zijn gezin; maar meestal stelde hij zich tevreden met een stuk spek op een snee roggebrood, die hij onderweg opat, tusschen twee gehuchten, zonder zelfs stil te houden.

Zijn bezigheid duurde zoo voort, den ganschen middag, soms tot het donker was. Dan keerde hij terug naar zijn hutje, zijn eenzaam klein hutje van leem en van stroo, achter het park van het kasteel verborgen, gaf er te eten aan zijn zwijntje en zijn koe, at zelf met zijne vrouw en kinderen, ging dan nog, onder 't rooken van een pijpje, bij 't schijnsel van een olielampje, zijne scheermessen en scharen slijpen, begaf zich eindelijk ter rust.

Den volgenden morgen, reeds met den dageraad, was hij op zijn akkertje, spittend, maaiend, zaaiend... zwoegend zonder een seconde tijdverlies. En omstreeks negen uur, na een haastig ontbijt, vertrok hij opnieuw, om, in een andere richting, zijn afmattenden tocht weer aan te vangen.

Dien middag moest hij heel heel verre gaan, in een zeer afgezonderd gehucht, waar hij maar eenmaal in de week verscheen.

Het was er, op ongeveer anderhalf uur afstands van zijn hutje, over de wijde uitgestrektheid van de blonde korenvelden, als een oase van witte huisjes met roode daken, onder den lommer van heerlijke boomgaarden. Hij ging er heen langs ingewikkelde wegen, langs smalle krondelpaadjes slingerend tusschen 't hooge koren, welks neerbuigende aren hem in het voorbijgaan over de wangen schampten, langs enge, mosachtige grasstrookjes, meekronkelend met snelle vlietjes, in de schaduw van de elzenstruiken. De Junimiddag was zwaar-broeierig onder een schel-blauwen hemel met schel-witte wolkjes, de grond was dor en stoffig, de leeuwerikken, hoog-drijvend op hun trillende vlerkjes, zongen onvermoeibaar. Over de paars-roze klavervelden, die als honig geurden, fladderden witte, gele en bruine vlinders.

En, wakker van blik en van bewegingen, het lijf kaarsrecht, den rechterarm gelijkmatig zwaaiend, liep de barbier steeds flink door.... Hij dacht nergens aan, hij leed niet te erg onder de drukkende hitte, hij liep werktuigelijk naar zijn gewone doel, de uiterlijke zintuigen als doordrongen door een onbewust gevoel van welzijn, genietend zonder het te beseffen van die zacht-rustige afwezigheid van gedachten, van die gelukkige slaapzucht der hersenen. 't Was of er in hem niets innerlijks meer bestond, 't was of zijn ziel niet meer bestond, of dat ze leeg was, leeg van smart als van vreugd, tijdelijk leeg van leven.

Een onverwacht schouwspel trok hem plotseling uit dien staat van zalige bedwelming, schudde weer in hem wakker de sluimerende kracht van ziel en van gedachte....

Hij had even stil gehouden voor de gedraaide brug van een kanaaltje, en terwijl een schuitje, beladen met aardewerk, voorbijdreef, gingen zijn oogen, als aangetrokken naar links, zich vestigen op een vreemd tafereel, tevens vroolijk en barbaarsch.

Het was, eventjes voorbij de brug, bij den linkeroever van 't kanaaltje, een luidruchtige bende kinderen, in wilde woeling en gestoei. Zij waren een tiental, allen spiernaakt, behalve een rood of blauw zakdoekje, gegordeld om de lendenen, in driehoek naar beneden. Enkelen stonden tot aan 't middel in het water, de anderen, op den lagen oever, woelden rondom een soort van galgetje, vervaardigd uit drie aan elkaar gebonden stokken, geplant tusschen het gras, dichtbij het water.

Aan 't galgetje, vastgebonden met een eindje touw aan een der achterpooten, hing een kikvorsch te spartelen. Een tiental passen achteraan stond een der knapen, door zijn makkers geblinddoekt, een stok in de hand. Vooruitgeduwd in den rug, werd hij, even vóór de galg, weer losgelaten. Hij waagde nog een paar schreden alleen, de beide handen tastend uitgestrekt, metend den afstand met handen en voeten. Dan hield hij stil, haalde den rechterarm achterover, mikte in verbeelding, sloeg, met volle kracht.

Terstond weergalmde wild lawaai van kreten. Als 't kikkertje getroffen was en in 't water gegooid, was de bengel gewonnen, en mocht hij, met een ander slachtoffer, het spel opnieuw beginnen. Als hij 't mankeerde wek' hij zelf in het water gegooid, onder luid-schetterend hoongejouw, bij de anderen. En allen moesten er blijven tot zij er in slaagden een der in het water geslingerde kikkers te bemachtigen en er weer op den oever mee te komen.

Bij elken slag die lukte vlogen zij wild op het slachtoffer af, duikend, buitelend, vechtend om het lillend beest, dat ze soms aan stukken van elkaar trokken. Het water, om hen heen, was heelemaal drabbrig en blond, als door de schroef van een stoomboot omgemalen, af en toe gezonnevlekt als met schubbetjes van weerlichtend goud; en de schrale naakte lichamen rilden ondanks de warmte, met tandengeklapper en paars-gevlekte aangezichten. Op den anderen oever van 't kanaaltje lagen enkele hooiers, plat ten gronde uitgestrekt naast hun in 't gras geboorde vorken, met vroolijke belangstelling het schouwspel waar te nemen.

Het schuitje was voorbij, het bruggetje gesloten, de barbier weer vertrokken. En, uit de menigvuldige sensaties en gedachten, welke nu plotseling zijn geest bevingen, kwam er zich langzaam een ontwikkelen, scherper en duidelijker dan de andere: de gedachte aan zijn jongste zoontje, aan hem dien hij "zijn kleine" noemde, en dien hij, instinctmatig, liever had dan zijn overige kinderen.

Het was een negenjarige knaap, van een zeldzaam vroegrijpe schranderheid. Buitengewoon bedorven en verwend, omdat hij de jongste was, had hij tot dus ver alleen naar zijn zin geleefd, eigenwillig en tuchteloos, als een echt natuurkind. Na enkele maanden van haast dagelijks spijbelen, had hij heelemaal naar school niet meer gewild, en, toen hij, op zevenjarigen leeftijd, evenals zijn oudere broers, naar een boerderij gezonden werd als koewachter, liep hij den derden dag weg, en bedreigingen noch smeekingen konden er hem weer terug doen komen.

Hij voerde niets uit, in 't geheel niets. Hij leefde als een plant, als een boompje, als een beestje, in de langzame en natuurlijke ontwikkeling zijner instinctieve krachten. Maanden lang liep hij doelloos rondom het ouderlijk hutje, heel klein en eenzaam als een kaboutertje onder de hooge sombere gewassen van 't kasteelpark, doelloos maar oplettend voor al de verschijnselen van het hem omringend natuurleven, loopend of hij naar iets zocht of naar iets wachtte, niet wetend nog waaraan zijn ontwakende krachten te besteden.

Plotseling vond hij 't.

Wat sterk de kinderen frappeert is de overvloed van iets in hun directe omgeving. Zij houden van wat hun groot schijnt, van al wat ruim en overtollig is. En de knaap, altijd op zoek in de weiden en rondom de slooten van het groote park, werd getroffen door de overweldigende hoeveelheid kikkers die hij er ontmoette. Hij begon ze ga te slaan, ze te volgen, zich amuseerend, met hun breede sprongen in het gras. Hij plaagde ze met een stokje, bootste met vreugdekreten hunne sprongen na, joeg ze voor zich op naar de donkere slooten om de hagen van het park, om ze te zien duiken en zwemmen. Als de beesten, vermoeid of weerspannig, weigerden te gehoorzamen, dan trapte hij ze dood, ze verpletterend met den hiel, in een gegrinnik van wreedheid en toorn.

Gedurende verscheidene weken vermaakte hij zich aldus buitengewoon, deed hij niets anders meer dan kikkers najagen. Maar, daar er toch in ieder wezen de impulsie en zelfs de behoefte is iets nuttigs te verrichten, zoo spanden zich weldra zijn jeugdige krachten in, om uit die nuttelooze jacht eenig voordeel te trekken. Eens, in de wei, zag hij jonge koewachters kikvorschen vangen, er 't vel aftrekken, er de beentjes van afsnijden, deze braden en opeten. Men liet er hem van proeven. Hij vond het heerlijk. Hij zei niets, maar bleef den ganschen dag bij de koewachtertjes, peinzend in zichzelf teruggetrokken. Den volgenden morgen, reeds met den dageraad, was hij in weiden, een korf om den arm, een stok in de hand. Om twaalf uur kwam hij weer thuis, den korf half vol met kikkerbeentjes, het vel er afgestroopt en heel netjes gewasschen.

Zijn moeder, heel verwonderd, zei hem dat het zeer lekker eten was, maar dat zij geen verstand had om het klaar te maken. Zij raadde hem aan, de opbrengst van zijn vangst in 't dorp te gaan verkoopen. Dadelijk trok hij er heen, en, toen hij terugkwam, had hij twee zilverstukjes in de hand, die hij, zeer getrouw, aan zijn moeder gaf.

Zoo was 't begonnen. En sinds dien dag, zoolang de lente en de zomer duurden, deed hij niets dan kikkers vangen. Hij zuiverde er van de weiden en de slooten in den ganschen omtrek van het groot kasteel, en men hoorde ze niet meer, op zwoele stille zomernachten, tusschen het kroos der vijvers kwakken; hij ging ze zoeken tot verre vandaan, in 't veld, in de boomgaarden, aan den rand der bosschen, overal waar eenige kans was ze te vinden. En aldoor, heel wijs, heel braaf, volkomen onbaatzuchtig, gaf hij de geldelijke opbrengst aan zijn moeder.

Werktuigelijk, met zijn gekadanseerden stap, volgde de barbier nu een der smalle slingerpaadjes tusschen 't hooge koren, ontwarend reeds, over de blonde golving der gebogen aren, het verre gehuchtje van groene boomgaarden en witte hoevetjes met roode daken, einddoel van zijn langen tocht. En, met een vreemde obsessie, achtervolgde hem het tafereel gezien bij het gedraaide bruggetje, gemengd met het beeld van zijn jong zoontje. Ofschoon ongenaakbaar voor overdreven teergevoeligheid, toch ergerde en bedroefde hem het bijgewoonde schouwspel, om zijn wreedaardige ruwheid. En, hij wist niet hoe, maar een sensatie van gevaar kwam er nog bij; 't gevaar waaraan al die jonge knapen, waaronder wellicht velen die niet konden zwemmen, zich in dat te diepe en te breede water blootstelden. En aldoor ook, wat hij ook deed om die kwellende obsessie te verjagen, aldoor kwam 't beeld van zijn jong zoontje zich bij 't akelig schouwspel voegen, in één en dezelfde narigheid van wreedheid en gevaar.

Opnieuw, in zijn onbillijke, maar niet te overwinnen voorliefde voor zijn jongsten bengel, betreurde hij het veel te klein gezag dat hij over hem voerde, en deed hij zich verwijten dat hij hem zoo liet loopen, zonder eenige tucht, gelijk een kind van landloopers of wilden. Wat moest er eindelijk van worden als dat niet veranderde? Waartoe zou hij later deugen als hij niet van jongs af gewend werd aan regelmatig, eerlijk werk? De vader voelde dringend dat dat heelemaal anders moest worden, maar hij had niet de moreele kracht het ernstig te bewerken. Wat hij zonder de minste moeite voor zijn andere kinderen had kunnen doen, werd hem onmogelijk, onmógelijk, zoodra 't den kleine gold. En aldoor loopende, onder de drukking eener toenemende neerslachtigheid, ging zijn gekwelde geest aan 't zoeken en aan 't peinzen, treurig peilend in veronderstellingen de toekomst van 't geliefde kind. Hij zag hem, in verbeelding, ontwend aan alle plichtbesef, van kikkerjager wildstrooper worden, van wildstrooper vagebond, van vagebond dief, van dief moordenaar. Hij zag hem voor de rechtbank, tusschen twee gendarmen; hij zag hem in de gevangenis; hij zag hem op 't schavot. IJzend bleef hij stil bij die gedachte, huiverend poogde hij de toekomst minder somber in te zien. Ach! ondanks al zijn stugge weerspannigheid was de kleine in den grond toch zoo zacht, zoo goed, zoo schrander. Wie weet of hem, integendeel, geen schitterende toekomst was bewaard? Hij zou zich toch niet altijd bezig houden met kikkers na te jagen, met tuchteloos in het wilde te loopen; hij zou op minder barbaarsche wijze zijn levensonderhoud verdienen, hij zou wel eindigen met eerlijk, degelijk werk te doen. Hoeveel waren er niet, die, van koewachters, van straatbengels, van kleine vagebonden, machtig en rijk geworden waren, bewonderd, geëerbiedigd en gevreesd? Wie weet of hij, ondanks alles, dat ook niet worden zou?....

Nu volgde hem de kwellende obsessie als zijn schaduw, zonder hem meer los te laten. Het was als iets dat met hem medeging, iets dat hij even buiten aan de deur liet van de boerderijen waar hij binnentrad, dat hij een oogenblik vergat, terwijl hij, inzeepend en scherend, de praatjes van den dag aanhoorde; maar iets dat dadelijk weer in hem gedrongen kwam zoodra hij buiten was, hem vergezellend naar de volgende hoeve. En aldoor weer rees voor zijn geest 't barbaarsche tafereel aan 't bruggetje, als aanvulling en lijst der knagende gedachte: aldoor zag hij den kikker spartelend hangen aan het touwtje, den naakten knaap uit al zijn macht met den stok slaande, de andere knapen vechtend en ploeterend in 't omgewoelde water, om er 't lillend, van elkaar gescheurde slachtoffer, elkander uit de hand te rukken. En aldoor ook, sarrend-eentonig als een onophoudelijk herhaald deuntje, kwam de gedachte van 't gevaar, 't gevaar voor al die naakte, schrale kinderen, in dat te breed en diepe water.

Droevig-sombere obsessie: nu kwamen weer vóór zijn geest, door 't treurig denkbeeld ingeroepen, al de bittere en smartvolle herinneringen van zijn gansche leven. Zijn jeugd van zwoegen en ontberingen, den slavenarbeid op de hoeven, het sjouwen in brandende hitte, het sjouwen in nijpende koude, het sjouwen met de folterknaging van den honger in de maag. Daarna zijne vier jaar soldaten-slavernij, en, na zijn huwelijk, nog hoe langer hoe erger zwoegen en sjouwen, het sjouwen zonder hoop noch eind, als in levenslangen dwangarbeid. Nooit had hij zich een enkel oogenblik gansch vrij gevoeld, nooit had hij in volle rust mogen genieten van één dier kommerlooze dagen zooals zijn jonge bengel er zoo overvloedig veel had.

En trapsgewijs, onder 't herdenken en 't herleven van al die geledene ontberingen en droefheid, steeg het in hem tot een toornigen wrevel, tot een behoefte te doen deelen door anderen, dát waaronder hij zelf zijn leven lang geleden had. Waarom zou die kleine deugniet moeten gelukkiger zijn dan hij? Waarom zou hij zijn deel niet dragen van den algemeenen last, gelijk zijn ouders en zijn broeders? Waarom zou er voor hem, voor hem alléén, geen plicht te vervullen, geen juk te dragen zijn? Neen, neen, zóó kon het niet langer meer duren. Alles met hem moest anders worden, en zonder uitstel. Hij zou hem eindelijk dwingen tot een regelmatig, dagelijks werk, hij zou het hem verbieden, zijn schandelijk wilde-landloopersleven; hem verbieden, formeel en onverbiddelijk verbieden, al moest het met geweld, die walgelijke, stomme jacht op kikvorschen. Het moest, en 't zou gebeuren. Het handhaven van zijn gezag, zijn geweten, 't besef van zijn vaderlijken plicht geboden 't hem.

Zijn tocht was geëindigd, hij keerde naar zijn woninkje terug, de wenkbrauwen gefronst, ten prooi aan een toenemende ontevredenheid, aan een verscherpende prikkelbaarheid. Langzaam daalde de zon naar het westen, in gouden glans over de wijdgolvende velden, laag onder dofkoperkleurige wolkengevaarten, zwaar van dreigend onweer. Hij had het erg benauwd en warm, nu; het klamme zweet barstte op zijn voorhoofd en zijn handen uit, en van tijd tot tijd staarde hij bezorgd naar 't zuiden, waar soms een dof gerommel dreunde, wijd-echoënd uitstervend in de zwoele, onbewegelijke atmosfeer.

En, onder de logge wolken, ginds aan den verren horizon, tooverde zich nog eens en nog, in steeds scherpere lijnen en vizioenen, verscherpt nog door zijn overprikkelde verbeeldingskracht, de walgwekkende scene van het kikkersslachten, folterend vóór zijn geest. De schrale lichamen der knapen teekenden zich spookachtig als lijken af, in 't donkerder geworden, omgewoelde water, en 't akelig tafereel leek nog barbaarscher, een tafereel van hel en foltering, terwijl de indruk van gevaar nu overweldigend werd, angstwekkend als een nachtmerrie, als de vertigineuse wording van een ramp, die rijp was om uit te barsten.

En plotseling, terwijl hij in 't zicht kwam van de hooge, zwarte kruinen van het park, waarachter zijn klein woninkje verborgen lag, voelde de rampzalige barbier den worggreep van een onuitsprekelijken angst. Dat drukte zich plotseling in zijn hersens, gelijk de drukking van een duim in was; hij hield plotseling stil, de oogen wijd opengesperd; hij voelde, als in een ijzigen ademtocht, een superstitieuzen schrik over hem komen. Dat kwam daar uit die hooge donkere kruinen van het park, uit die sombere wolken-gevaarten, die zich op de aarde schenen neer te drukken, uit die golvende, gebogen korenaren, trillend van fantastisch licht, uit hemzelf, uit de mysterieuze diepten van zijn innig wezen. En zijn hutje, dat hij niet zag, maar dat hij daar voelde, achter die overweldigende zwarte loovermassa's, scheen hem nu erbarmelijk zwak en nietig, zwak van onbekend onheil, van diep verborgen smart.

Met inspanning verdrong hij die zwaarknellende sensatie, en vorderde weer zijn weg, inroepend, om er zich mede te versterken, zijn toorn tegen zijn jongen bengel. Nu stroomde 't zweet in stralen langs zijn magere wangen, hij hijgde in de stikkende atmosfeer, en hij verhaastte den stap, het hart bonzend en de beenen trillend, elk oogenblik opkijkend naar den hoe langer hoe somberder wordenden hemel, als om zijn wilde hollen door de vrees voor 't dreigend onweer te rechtvaardigen.

Zoo kwam hij buiten adem uit de korenvelden, liep dwars over den steenweg, volgde een lange, rechte beukenlaan, langs een der hagen van het park. Op zijn lippen had hij de gebiedende woorden klaar, in zijn oogen schitterde de booze vlam van zijn onwankelbaar besluit. Zoo gauw als hij zijn tuchteloozen bengel zag, zou hij 't hem zeggen, hem ongenadelijk bevelen op staanden voet zijn hatelijke kikkerjacht te staken, en flink en eerlijk aan het werk te gaan, gelijk de anderen. Zóó wilde hij 't, en zóó zou het zijn. Heel zijn lichaam beefde van toorn bij de gedachte dat hij nog langer zulke buitensporigheden zou verdragen.

Maar, voor de tweede maal, terwijl hij links omdraaide, ontwarend eindelijk zijn hutje half verborgen onder boomenkruinen, waggelde hij onder de vernielende sensatie van zijn onheilspellend voorgevoel.... Een ongeluk was voorgevallen, hij voelde 't, hij voelde 't, in een folterende samenkrimping van zijn heele wezen; zijn arm hutteken zag er luguber uit, de zwarte loovermassa's van het park omhulden het in rouw, de zware sombere wolken drukten het ten gronde; er waren bloed, tranen, dood in zijn huisje!....

Hijgend, de oogen troebel en de slapen ruischend, de keel droog en de beenen zoo flauw dat zij haast zijn lichaam niet meer konden dragen, duwde hij het hekje open, kwam waggelend, halfdood van onberedeneerden schrik, over den kleinen boomgaard, in zijn huisje.

Hij hield er een oogenblik stil op den drempel, zijn angstigen blik naar binnen gericht, het lichaam stram-gespannen, als ter plaatse geketend, onbekwaam een stap verder te gaan. Even vielen zijn oogen heel en al dicht, en zijn hart hield op met kloppen. Toen zuchtte hij diep, als van een overweldigende vracht ontlast, murmelde iets als een gesmoord "goên avend," ging even, zich aan de muren vasthoudend, zijn scheerbekken en zeep op 't kastje leggen, naast de ouderwetsche hangklok.

Er wás geen ongeluk, geen bloed, geen dood in zijn huisje: moeder en zoontje zaten in het somber keukentje aan tafel, bezig met avondmalen.

Zij hadden even opgehouden met eten toen zij hem zagen binnenkomen, en de moeder, ondanks de halve duisternis, de ontdane bleekheid zijner gelaatstrekken bemerkend, vroeg hem, met bevende stem:

- Woa schilt er dan? Woa hètte, voader? Zijde ziek?"

- Nie nien ek," antwoordde hij, met inspanning om zijne stem gewoon te doen klinken; "'t en es niets, anders nie of de woarmte."

Hij zei de waarheid. Er was niets meer in hem van de verschrikkelijke emotie. Schrik, angst, toorn, alles was plotseling als een pak van zijn hart gevallen en verdwenen, veranderd in een sensatie van onuitsprekelijke zachtheid en bevrijding, bij die tastbare ongegrondheid van zijn akelig voorgevoel. Hij beefde en hijgde nog slechts werktuigelijk onder de gevolgen van den vreeselijken schok, den adem stokkend in krampachtig hikken.

Hij was naast de anderen aan tafel gaan zitten, hij schepte, als zij, met een groffen houten lepel, uit de gemeenschappelijke papkom, zenuwachtig dikkend, met een trillend geslurp der lippen. Maar hij kon niet eten, hij voelde zich nog te vol van gedachten, gewaarwordingen, ontroeringen. Het was in hem een overstelping van gevoelens die hij niet weerhouden kòn, die hij moèst uitdrukken. En eensklaps, terwijl hij zijn lepel neerlegde, kwamen de woorden als van zelf over zijn lippen: hij boog naar zijn jongen, en, onweerstaanbaar, in plaats der geduchte berisping die hij besloten had hem toe te dienen, sprak hij tot hem, vroeg hij hem, met een streeling van oneindige teederheid in de stem en in de oogen:

- Eiwel, keirelke, hêt ou goed geameseerd, vandoage? Hêtte veel.... veel biestjes gevangen? En goade morge weer beginnen?

De knaap, aardig bruin kopje, met dicht geplante, borstelige zwarte haren, schrikte eventjes op, in een korte trilling van zijn handje dat den lepel hield, en wierp een angstig-gluipenden blik naar zijn vader. Hij schudde zijn hoofd zonder 't eten te staken, hij antwoordde aarzelend, ontwijkend, de oogen op de papteil, een weinig bleek wordend onder zijn bruingebrande huid:

- Nien ek, 'k hê der genoeg van. 'K en wille giene mier vangen.

Er was een korte stilte. Verwonderd staarde de vader zijn zoontje in de vallende duisternis aan. Stilzwijgend bleef de moeder voort eten, als stelde zij geen belang in 't gesprek.

- Woarom? vroeg eindelijk de vader.

De groffe houten lepel beefde sterker in het klein bruin handje; de oogjes, halsstarrig op de papschotel gevestigd, begonnen vreemd te pinken; het mondje, dat de pap niet goed meer slikken kon, kromp als gepijnigd samen, verradend machtelooze pogingen tot het opkroppen eener sterke emotie. En plotseling viel de lepel op de tafel, en 't knaapje barstte uit in overstelpende tranen, heel zijn lichaampje sidderend van angst en schrik, met onduidelijk woordengestotter.

Op haar beurt had de moeder het eten gestaakt, verwilderd starend naar haar man, met smeekende pogen vol tranen.

Hij, doodsbleek, was plotseling opgestaan, in eens weer overweldigd door zijn onheilspellend voorgevoel, door zijn angst, door zijn schrik, door zijn toorn, door alles wat in hem den ganschen middag had gewoed; thans eischend, met een dringende, sidderende, gebiedende stem, bepaalde uitleggingen. 't Was of hij eensklaps gek werd, hij vermenigvuldigde zijn vragen zonder te wachten op de antwoorden, hij schudde ruw het knaapje, dat hoe langer hoe heviger huilde, hij staarde, niet van angst wijd-uitgezette oogen, door de lage, kleingeruite vensterramen, naar den hemel die als inkt werd, soms van elkaar gescheurd door ratelende donderslagen, door flikkerende bliksemschichten, die heel het somber keukentje luguber-blauw verlichtten. Wat was er dan gebeurd? Of wat zou er gebeuren? Was de ramp, die hij over zijn huisje voelde, voorbij, of moest ze nog neerstorten? Zou ze hen nu eerst, nu hij alles voorbij waande, komen verpletteren!....


Back to IndexNext