En toch, naarmate de tijd verstreek, aanbrengend den dageraad der naderende verlossing, werd het helderder en lichter in Mercié's hard beproefde ziel. De langdurige, bange nachtmerrie verzwond, verdween in stillende vergetelheid. De illusie, het geloof aan een herschapen geluk herleefde in hem, doordrong hem langzamerhand met een verzoenende sensatie van vrede en vergiffenis. 't Was als een zachte weergeboorte tot het leven, als een zich steeds verbreedende gezichtseinder van hoop en kalmte, stilrijzend uit weg-nevelenden schijndood. Het was in hem, met een nog schuwe aarzeling, een vrijere ontboezeming met zijne vrouw, een minder beklemde teederheid in de liefkoozingen aan zijn kinderen. Op een avond, eindelijk, een zachten zomeravond, den laatsten zaterdag van Juli, sloeg het uur der volkomene verlossing. De gansche schade was betaald, den volgenden zaterdag zou hij opnieuw zijn volle loon krijgen, als vroeger. En om deze gelukkige gebeurtenis te vieren had hij besloten zijne vrouw en kinderen op een aangename verrassing te onthalen. 's Anderendaags, na den eten, zouden zij allen samen een uitstapje naar buiten maken. Zij zouden een naburig dorp bezoeken, waar er kermis was, en, bij het terugkeeren, ham en paling eten, in het priëeltje van een buitenherberg, aan den oever van het water. Misschien zelfs zouden zij een schuitje huren en een roeitochtje maken op de rivier; en 's avonds, voor de eerste maal sinds meer dan een jaar, zou vader kaart gaan spelen met zijn makkers, in de naast zijn huis gelegen herberg, die hij vroeger soms bezocht.
O, hoe gretig-verlangend zag hij er naar uit, naar dien volgenden dag van herleving, terwijl hij, in de avondschemering, onder het loom draven van zijn oud versleten ros, naar de groote stad terugreed. Hij scheen gerezen van gestalte, zijn oogen blonken met eene geestdriftige strakheid, als aangetrokken, als verlicht door dien schitterenden dageraad van herboren geluk; en uit de diepten van zijn wezen stegen zachte emoties, gewaarwordingen, vizioenen van een eindelooze zachtheid, zóó zoet, zóó zacht-ontroerend, dat hij er een weinig door benauwd werd in de zwoele lucht en dat hem tranen in de oogen kwamen. Reeds in de verte, gehuld in grauwen damp, teekende de reusachtige handelsstad op het purperen westen de ontelbare schoorsteenen harer fabrieken en de hooge donkere torens harer ouderwetsche kerken af.
- 'N beetse wachten, Mercié, loat mij iest kloar zijn mee d' andere."
Mercié had zijn paard uitgespannen en stond op de binnenplaats, vóór het loket waar men betaalde, met nog twee andere, te gelijkertijd met hem binnengekomen voerlui vanDe Veldbloem, toen Médard, de kassier, met iets als een toon van verlegenheid in de stem, zoo tot hem sprak, tevens zijn verflenst oud-bureaucraten-gezichtje een weinig naar de kleine, boogvormige opening van het betraliede loket buigend.
Mercié ging eventjes op zij, deed enkele passen heen en weer over de geplaveide binnenplaats, terwijl de commies de twee andere voerlui betaalde.
Het verzoek van Médard kwam hem zeer billijk en natuurlijk voor. Hij begreep dat 't goedig mannetje hem iets te zeggen had: wellicht, alvoor hem weer in zijn volle loon te herstellen, een laatste,--hoewel thans zoo overbodige--vermaning uit naam van den directeur. En inwendig was hij ontroerd en dankbaar, dat men hem niet zou vernederen in tegenwoordigheid der kameraden.
Hij liep tot aan 't einde van den koer, die rook naar den ammoniak der paardenstallen, ging tot aan de gesloten deur der bakkerij, waar alles reeds stil en verlaten was. Dan, zich omdraaiend op het geluid der stappen zijner vertrekkende makkers, keerde hij naar het loket terug.
Reeds stak Médard het hoofd uit, turend door het boogvormig gat, om hem te roepen. En zoodra hij Mercié ontwaarde, wenkte hij bescheiden, hem even verzoekend langs den binnengang in het kantoor te willen komen.
Mercié, de pet in de hand, trad binnen. Hij bleef stilstaan vóór de houten balustrade, op dezelfde plaats waar hij een jaar te voren verschenen was, toen hij, bleek en ontdaan, aan den gestrengen directeur en de verbaasde commiezen het verschrikkelijk ongeluk was komen aankondigen.
Maar ditmaal was er niemand: niemand dan Médard en hij alleen in de ruime, galmende zaal met haar verlaten zwarte lessenaars.
En in de reeds vallende duisternis zag hij den kleinen bediende, die een weinig hinkte, op en af, gelijk een schip dat door klippen laveert, tusschen de hooge lessenaars tot hem naderen. In zijn gesloten rechterhand hield hij iets onzichtbaars verborgen; in zijn linker droeg hij een soort van boekje met gelen band.
- Kijk, Mercié, hier es de week oarbeidsleun die de moatschappij ou verschuldigd es: zes doagen tegen iene frank vijf en zeventig daogs; saomen tien frank vijftig, nie woar?"
Met een licht-bevende hand en eenigszins trillende stem telde het mannetje de tien frank vijftig op den platten rand der balustrade.
- Nie woar, Mercié, 't es wel zjuust?" herhaalde hij nog eens, nutteloos, als in een aanstellerij van overdreven eerlijkheid en nauwgezetheid, terwijl Mercié, ontroerd en bedeesd, met een goedkeurend hoofdgeknik, langzaam het geld opnam.
En dan, de stem gedempt en als het ware toonloos, terwijl hij het gesloten boekje naast de laatste centen legde:
- En hier es ouw wirkmansboekske, dat de moatschappij ou in dank weeromme geeft, mee de spijt, da z' ou veurtaon nie mier en kan gebruiken...."
De slag viel zóó plotseling, zóó onverwacht, zóó wreed, dat Mercié er ter plaats van opsprong, de oogen stom-verwilderd op den kleinen bediende gevestigd, den mond wijd open, als om te schreeuwen van ellende. Een sou viel klinkend uit zijn bevende hand, ging rollen vóór de voeten van Médard, die hem opraapte, hem weder op den platten rand der balustrade legde, heel verdrietig en meewarig zeggend:
- 't Es spijtig, 't is heel spijtig en doar en es niets da 'k zeu neude doe dan zuilke dingen, moar 't en es het toch mijn schuld niet, nie woar? 'K en kan ek doar niets aan doen; 't es den directeur die da gewild hêt."
In het geschokte brein van Mercié daagde een licht, een gedachte. De oogen rond, de ademhaling hijgend zei hij:
- Z' hen mij in dienst g'hoûen zeulang of da de schoa nie betaold en was. Van as da gedoan es, zende ze mij wig. Da was dus van 't begin af aon azeu geschikt. Al mier of 'n joar dus woaren ze van gedacht mij wig te zenden?"
- Mijn oarme vriend, het spijt me mier of da 'k 't zegge kan, moar ik en kan 't toch nie helpen," herhaalde de kleine commies met een treurig gezicht.
Mercié gaf geen antwoord meer. Hij wenschte Médard een doffen "goên avond", zette, met bevende hand, zijn pet weer op en verliet het kantoor. De beenen zwak, zoo lam en zwak als die van een ziek kind, ging hij door de hooge wagenpoort naar buiten, verloor zich in 't gewoel der straat, in de zaterdagavonddrukte der arbeiders die overal uit de fabrieken kwamen.
Opnieuw, gelijk den dag der ramp, gonsde het hem aanhoudend, afgrijselijk, onuitstaanbaar in het hoofd; opnieuw liep hij verwilderd vóór zich heen, bewusteloos, zonder doel, dáár waar een blind instinct hem stuwde. En wat nu bovenal in hem heerschte, wat hem overweldigde en vernielde was een gevoel van schrik, van wilden, onberedeneerden, onoverwinnelijken schrik. Eén enkele gedachte, één enkele, duizelingwekkende, ongelooflijke gewaarwording vervulde heel zijn wezen: het hem daar even als een knotsslag treffende bewustzijn, het verpletterende, steeds nog en nog en nog in hem terugkomende schrikbeeld, dat zijn afdanking reeds een gansch jaar besloten was, dat hij meer dan een jaar, onbewust van het gevaar dat hem bedreigde, in vermetele gerustheid en onwetendheid geleefd had. Dát was het wat hem dien afgrijselijken schrik inboezemde. Hij voelde zich als een weerloos slachtoffer tegenover een kwaadaardige geheime almacht, als een stroohalmpje in een orkaan, als een verloren levend atoom welks nietig bestaan elk oogenblik door een toeval, door een gril, door een eenvoudige onachtzaamheid van 't noodlot kon verbrijzeld worden.
Nu was hij weêr buiten de stad. In den reeds duisteren nacht begon hij plotseling wild te rennen. De vreeselijke gedachte zat hem na, boog zijn rug, drukte hem op de schouders als een razend beest dat met hem mede stormde, dat hem zijn klauwen in het vleesch sloeg, dat brullend den muil opende om hem te verscheuren. Och God! was het toch mogelijk! Was het toch mogelijk dat zoo iets sinds meer dan een jaar beslist was, zonder dat hij er iets van wist, zonder dat hij er iets van geraden of gevoeld had!... Hij rende harder, hij vluchtte, zijn ademhaling was gehort en reutelend, het zweet brak hem ten allen kante uit, hij snikte in den zwoelen zomernacht, hij verjoeg, met wilde angstgebaren, de schrikkelijke rampvizioenen, die onverpoosd zijn geest bestormden. Het hooggekleurd, gestreng gelaat van den directeur rees in verbeelding voor hem op. Met een gebaar en een gil weerde hij het af, vluchtte verder. Hij zag zijn vrouw, zijn kinderen, het voor den volgenden dag bepaalde uitstapje: en hij vluchtte, hij vluchtte, met smeekingen en tranen, met van afschuw uitgepeulde oogen, met bevende gebaren van bezwering en verwijdering. Neen, neen, niets meer, niets meer! hij was bang, hij was bang! hij leefde niet meer van schrik omdat iets zoo monsterachtigs had kunnen gebeuren.
Hij had de bevolkte wegen verlaten; hij kwam, dwars door landouwen en oogsten, aan den oever eener breede, donkere rivier terecht. En het was een impulsie, snel als een weerlicht; het waren zijn schrik en zijn gruwel zelven die hem werkelijk stuwden: impulsie, gedachte en daad waren één: zonder een oogenblik aarzelens sprong hij van den oever in het somber, opgulpende water, slaakte een schorren kreet: kreet van woede, van wanhoop en van foltering, ploeterde een oogenblik, ging onder....
Na enkele oogenblikken kwam zijn hoofd weer boven den somber-ziedenden waterspiegel. Hij brulde tweemaal "heu! heu!" en spuwde water, wijdklauwend zijn armen uitslaande. Toen zonk hij weer, in een laatste geborrel.
Vaal-glinsterende concentrische kringen verdwenen in rimpels over de donkere rivier, en uit een populier aan den overkant, steeg in den stillen nacht de gil van een nachtuil, klagend en zacht, valsch-krassend als de snaartrilling eener ontstemde viool.....
1Halt.
Heden is mij een zoo treurige herinnering in het geheugen weêr gekomen....
De gebeurtenis, welke er aan verbonden is, dagteekent van vóór enkele jaren reeds, doch de indruk was toen zóó sterk, dat er nog niets van in mijn geest is weggebleekt.
't Was op een brandend heete zomerdag, in Castle-Garden.
Castle-Garden...! Dat enkel woord, voor wie de plaats kent, is één gruwbare epos van menschelijke smart en ellende...!
Het is, aan 't zuidenuiteinde van New York, gansch aan de uiterste punt van Manhattan-island, een lage hoop vuilroode gebouwen, met, in het midden, een soort van ronden, breeden, er uit oprijzenden koepel met zinken dak, gelijk aan de rotonde van een circus.
De golven der baai, onophoudelijk omgeroerd door het rusteloos heen en weer zwerven der ontelbare stoombooten van alle grootte, klotsen er dag en nacht tegen de met druipend zeegras bedekte kade en wanden aan. Vóór den ingang dier gevangenis der Ellende ligt Battery-Park: een ruim rond grasperk, beplant met enkele boomen en versierd met enkele bloembedden, en doorkruist in zijn midden door het lang zwart ijzeren staketsel der luchtspoorbaan, die daar komt eindigen. Hier en daar zijn kronkelwegen van bleek asphalt, aan den rand van welke, op ongemakkelijke ijzeren banken, schaarsche bezoekers zitten te mijmeren, te lezen of te sluimeren, het door de bries verfrischte gezicht naar den oceaan gekeerd. Castle-Garden, sinds enkele jaren verlaten voor een menschelijker oord, was toen nog de plaats waar de landverhuizers ontscheepten.
Ik had een aanbevelingsbrief voor een tolbeambte; die in dienst was bij 't bureel van Landverhuizing, een Zweed, die mijnheer Waldorf heette. Hij ontving mij op eene zeer vriendelijke wijze en deed zijn best om mij alles te toonen wat mij kon belang inboezemen. Het was een kort blond ventje van een dertigtal jaren, met levendige blauwe oogen, buitengewoon vlug en soepel in zijn bewegingen, hommelend van bedrijvigheid, tegelijkertijd antwoordend op tien verschillende vragen, snellend in 't midden van een joelend geraas om een bevel te geven, glimlachend weêr tot mij komend met een woord uitlegging, onophoudelijk gezweept, geschud door die buitensporige levenstrippeling, door die ongehoorde amerikaansche "hurry," waarvan geen voorbeeld noch vergelijking, in onze europeesche toestanden, eene gedachte kan weêrgeven.
- Al right! gij komt juist van pas!" riep hij mij als welkomstgroet toe. "Gij zult de landverhuizers der Columbia zien ontschepen, er zijn er over de twaalfhonderd. Intusschen, komaan, gij hebt een kwartier tijds om te zien en te bestudeeren wat ons nog overblijft als s t o c k."
Dadelijk was hij een donkere, slijmerig-vochtige trap opgesneld. Ik volgde hem, kwam hijgend op een portaal, waar hij mij reeds wachtte. Een deur was daar, waarachter zich een dof en aanhoudend gegons liet hooren. Hij duwde die open.
Gemengd met wild gedruisch sloeg ons een walm van walglijke bevangenheid in 't gezicht. Wij traden binnen.
't Was een enorme ronde zaal,--het binnenste van den circusvormigen toren--met vuile, zwarte, naakte wanden, te nauwernood verlicht door hoog-stekende, langwerpig-vierkante valraampjes; een soort van kuil, die dreunde van beweging en lawaai, en waaruit walmde een onvergetelijk-walgwekkende stank, die speciale tusschendekstank, mengsel van bedorven zeewater en rans geworden desinfecteerstoffen, waarvan de duizenden en duizenden, dagelijks daar aankomende landverhuizers, het afschuwelijk gebouw overdoordrongen hadden. Houten staketsels, zooals die waarachter in de slachthuizen, het vee geborgen wordt, verdeelden de nare zaal in talrijke kompartimenten; in 't midden, op een breed vierkant plankenvlak van twee voet hoogte en omringd door een balustrade, wemelden, rondom hooge lessenaars en hooge stoelen, talrijke bedienden en policemen: het bureau.
En, achter al die andere afsluitingen, precies gelijk kudden slachtvee in hokken, waren er menschelijke schepsels.
Hier, een onnoemelijk gekrioel: mannen, vrouwen, kinderen, overhoop en ondereen, smerig, halfnaakt, in lompen; daar, geheele, plat ten gronde neergevleide hoopen, hoopen beweginglooze, haast levenloos uitgestrekte lichamen met ontvleesde gezichten, met donkere, van koorts glinsterende oogen, onder dikke, zwarte haarbossen. Enkelen waren luidruchtig, opgewonden, met knarsend gevloek en woedende gebaren; anderen lachten, spotten, den blik uitdagend, de bovenlip minachtend opgekruld, in een grijnslach van bijtend-gesloten, wreedaardig-schitterende tanden. Er waren mooie jonge vrouwen, matbleek van gelaatskleur onder de onreinheid harer huid, met prachtige lichaamsvormen en vorstelijke houding; er waren er oude en gerimpelde, geel gelijk verdroogde kwee-appels, met hakende vingers, met den zwart-scherpen snuit eener rat of steenmarter. Ik zag een man, klein en zwart, geheel alleen in zijn hok als een gevaarlijk beest in een geïsoleerde kooi, in stom-roerloos-gebukte houding op een houten blokje zitten, naast de traliën van het staketsel. Hij had mij noch gezien noch hooren naderen, maar in de donkerder schaduw, welke mijn gestalte over zijn hok verspreidde, hief hij even 't hoofd op, en door de houten latten ontwaarde ik een afzichtelijk gelaat, een echte chimpanzéstronie, met platten neus en een baard, die haast tot aan de oogen reikte: ronde, roodrandige oogen, die vaalglinsterend-loensch naar mij opkeken, met een onvergetelijke uitdrukking van haat en schrik.
Dit alles was de s t o c k, zooals de kleine Zweed het op echt Amerikaansche wijze noemde. Het waren de zieken, de mismaakten, de verminkten, de misdadigers. Het waren vooral deze die van alle middelen tot bestaan ontbloot, en ook deze die, in tegenstrijdigheid met de wet, onder arbeidskontrakt in Amerika gekomen waren. Het waren, met één woord, al degenen, aan wie de vrije toegang tot het land der millionnairs geweigerd werd, en die daar wachtten, in de verworpenheid en in het lijden, in een afgrijselijke gemeenschap van misdaad en ellende, totdat de bevoegde overheid over hun lot beschikte.
Langzaam, het hart gekneld als in een klauw van afschuw en van medelijden, den zakdoek op den mond om mijn walging te bedwingen, liep ik, tusschen de smalle gangen langs de staketsels, bleef er staan, keek, tusschen de latten, naar de akelige, zwarte krielingen van lichamen, waaruit voortdurend een lang en dof gemurmel opsteeg, nu en dan overschreeuwd door een kreet, door een vloek, door een grijnzenden schaterlach. De Zweed, een oogenblik vrij, was weer bij mij gekomen, en vergezelde mij, korte, vlugge uitleggingen gevend. En, zoodra de rampzaligen hem herkend hadden, kwamen zij, evenals gevangen beesten die zich hunkerend aan de staven hunner kooi vastklampen, wanneer de wachter met de levensmiddelen nadert, elkaar verdringen langs de hokken, om met hem te spreken. Enkelen reikten stenend de hand uit, het hoofd scheef en den blik smeekend, als bedelaars die om een aalmoes vragen; anderen balden de vuist naar hem, met dofbrommende verwenschingen, en oogen zwart van haat en wraaklust. En allen hadden hem 't een of 't ander te zeggen: doorgaans langdradige, ingewikkelde verhalen; duistere, onsamenhangende klachten, die zij met vlugge woorden uitten, in alle mogelijke idiomas, terwijl zij ons stap voor stap volgden, achter het latwerk der staketsels.
Hij, opgeruimd en levendig, vergenoegde zich met hen te antwoorden door een welwillenden glimlach, door een verzoenend hoofdgeknik en soms enkele korte woorden, maar zonder eenmaal stil te blijven staan, zonder zich eenmaal boos te maken over de beleedigingen, of zich te laten ontroeren door de smeekbeden, onverschillig geworden door het dagelijks aanschouwen van al die ellenden, gewend aan de tergende halsstarrigheid van al die voortdurend herhaalde klachten en verwenschingen.
En plotseling, als wij aan het verste uiteinde der zaal gekomen waren, wipte hij op een bank en keek door een der hooge valramen, die uitzicht hadden op de zee. Hij slaakte een kreet, sprong haastig weêr beneden, en, mij driftig bij den arm grijpend:
- My God! daar landt reeds de eerste lichter derColumbia!" "Hurry up! Komt spoedig binnen in 't bureau, gij zult de landverhuizers zien ontschepen!"
Het onvergetelijk schouwspel....!
Joelend, in dicht opeengeperste horden, de zoldering dreunend onder hun aanhoudende kudden-getrappel, kwamen zij, langs een onzichtbare trap, als stegen zij uit de zee zelve, op den achtergrond van de immense, nare zaal te voorschijn, in een luidruchtigen, ononderbroken vloed. Het was een verbluffende, verbijsterende kakelbontheid van kleederdracht en typen, de populaire typen en kostumen van het gansche oud Europa en zelfs van een deel van Azië. Frischblanke Iersche vrouwen, met ruime, groen- en zwartgeruite plaids over haar lompen; bruingebrande Italianen, met hun schilderachtige, door de zon verkleurde plunje, ten toon spreidend, als een glorie, de gaten hunner drapeerende mantels; blonde Russen met puntige astrakanmutsen; dikke Hongaarsche vrouwen met rijkkleurig-gestikt voorschoot en overvloedige sieraden van klatergoud, met korte rokken en kloeke hooge manslaarzen. Er waren geelbleeke Poolsche joden, wier bovenmatige gekromde neus hun aangezicht convex maakte; er waren mooie, mooie Zeeuwsche meisjes, frisch gelijk kersjes in melk, in haar wit kapje met kanten vleugeltjes en haar bont, over de borst gekruist halsdoekje, dat lichtkens haren hals ontblootte. Een soort verbluftheid hield hen allen even bij hun intrede een poosje als verloren stilstaan, de oogen, nog vol van den weerglans der golven, weifelend in de akelige schemering, de aan reine zeelucht reeds gewende longen stikkend in de walglijke benauwdheid van de nare zaal, tot zij, vooruitgedreven door de tolbeambten en policemen, verder doordrongen, beladen met pakken, valiezen en arbeidsgereedschap, langs de smalle gangen tusschen de staketsels, waarachter de opgezweepte gevangenen met sterkere geluiden, met kreten als van dieren, als 't ware een gejoel van opstand lieten hooren.
Zoo kwamen zij aan 't bureau. Dáár, langs beide zijden stil gehouden vóór een ijzeren draaiboom, werden zij door de agenten der landverhuizing ondervraagd:
- Uw naam? Uw ouderdom? Van welk land? Waar gaat gij heen? Welk is uw vak of ambacht? Niet door kontrakt verbonden? Bezit u geld? Hoeveel?"
Die vlugge vragen, geformuleerd in allerhande talen, wisselden af met de antwoorden, in 't midden van een oorverdoovend geraas. Toen knarste de draaiboom, en de landverhuizer, voldoende aan de eischen der Amerikaansche wet, stapte vrij door, 't gelaat stralend van vreugd, naar den uitgang, waar verwanten en vrienden hem wachten.
Maar somtijds bleef de draaiboom vast gesloten en stapte de landverhuizer niet door. Een kort, levendig gesprek ontstond in 't Engelsch tusschen tolbeambten en policemen; papieren, registers werden geraadpleegd; men wenkte den rampzalige, die onthutst wachtte, binnen in 't bureau. En, 't oogenblik daarna, doorgaans na een zeer korte woordenwisseling, leidde een reusachtig policeman hem in een der afsluitingen, achter het staketsel, bij 't overige van den s t o c k.
Ten hoogste ontroerd en geïnteresseerd hield ik mij naast den kleinen Zweed, dicht bij den linkerdraaiboom. Hij scheen zichzelven te vermenigvuldigen, hij huppelde rechts en links, trillend van oplettendheid en bedrijvigheid, elk oogenblik een lijvig pak papieren: de dossiers der landverhuizers die aangehouden moesten worden, raadplegend. En, opgewekt en levendig als hij daar stond, had men kunnen denken dat hij die overweldigende taak tot zijn louter genoegen verrichtte. Van tijd tot tijd, tusschen twee vragen, wisselde hij kwinkslagen met zijn ambtgenooten; en telkens wanneer een mooi meisje, wier papieren in orde waren, te voorschijn kwam, hield hij haar even staan om haar onder de kin te streelen, en haar schertsend, met geruste vermetelheid en een flikkering van ondeugende begeerte in de oogen toe te roepen: "O, gij, kunt gerust zijn. Als men er zoo uit ziet en 't verstand heeft zijne ware te doen gelden, hoeft men in dit land voor geen materieelen tegenspoed bevreesd te zijn," Toen keerde hij zich om tot mij, en schalksch knipoogend naar de mooie passagierster, die vertrok:
- Wat voor een klucht, wat een comediespel is toch het leven!" Ziedaar eene die haar gansche fortuin op den rug draagt, en over een jaar, met een weinig geluk, kan zij een millionaire zijn. Oh! ik ken ze zoo goed, die type van landverhuisster daàr! Pas daar vooral mee op! Zij weten maar te goed hoe al te bereidwillig de Amerikaansche wet de vrouw beschermt, en als men zich met haar een weinigje te ver durft wagen, men huwt ze, of men betaalt de schade. En welke schade, My God! 't Is ongelooflijk welke gelden zij soms aan rijke Amerikanen afpersen!"
Doch af en toe werd zijn vroolijk-levendig gelaat een oogenblik zeer ernstig; hij luisterde, roerloos, de wenkbrauwen laag, met ingespannen aandacht, naar de doffe antwoorden van een ongelukkige. Dan deed hij, na een langzaam hoofdschudden, zijn tong klappen in een uiting van medelijden, als bij een wanhopend geval. En, half tot mij gekeerd, murmelde hij, in het gedruisch der zaal:
- Ziet eens, luistert eens; dit is geen comedie, 't is tragedie...."
Hij scheen gansch innig vergenoegd over, die twee door hem gevonden termen: "comedie, tragedie," die overigens nog al juist de beide humoristische en lamentabele zijden van het voortdurend zich voor ons vertoonend schouwspel samenvatten; en hij herhaalde ze elk oogenblik, met een soort kinderachtige ijdelheid, beurtelings daarmee de korte vlugge scènes kenschetsend. Maar 't was weldra niet moeielijk vast te stellen met wat een onheilspellende kracht de tragedie over de comedie zegepraalde. Zij waren wel overtollig, de snaaksche opmerkingen van den kleinen Zweed; en hoevelen gingen er niet voorbij, wier "papieren in orde waren," maar wier angstige, ontdane gezichten, toch de opperste rampzaligheid verrieden! Tragedie, mijnheer Waldorf, die doodsbleeke vrouw dáár, met haar groote, holle oogen, die gij zonder een opmerking hebt laten voorbijgaan, een kind op den arm en een andere bij de hand, en die buiten de balustrade blijft staan, zwijmend geleund tegen een paal van 't staketsel, om te hoesten: een holle droge, reutelende hoest, afschuwelijk om aan te hooren! Tragedie, die andere, dáár, die jonge, man, welke zooeven voorbij liep, den glimlach op de lippen en den glans in de oogen, als gaande naar een geluk, en wien een tolbeambte, bij het afroepen van zijn naam, een telegram overhandigt. Zie toch!.... hij wordt lijkbleek.... hij waggelt,.... hij drukt de handen op zijn slapen, als kreeg hij een slag. Ik loop er heen, ik informeer; 't is zijn vrouw, mijnheer Waldorf, zijn vrouw, die met de kinderen op een vorig schip, waar hij geen plaats kon vinden, vertrok, en daags na haar aankomst te New York, aan typhus in het hospitaal gestorven is! Tragedie, die gansche eindlooze stoet van hongerige wezens, van uitgemergelde gestalten, van zwarte armoede! Tragedie, al die vuile lompen, al die kleederen aan flarden, al dat arbeidersgereedschap wegend en drukkend als kruisen, als foltertuigen op al die gebogene schouders! Tragedie, die afgrijselijke, verpeste zaal, daverend van voetengetrappel, dreunend van kreten, snikken en verwenschingen! Tragedie, die zee, welke het akelig gebouw omringt, en waarvan de opkomende vloed reeds dof tegen de fondamenten aanbuldert, als de enorme dreiging der Natuur zelve, tegen die verdrukten van het menschdom. Neen, neen, mijnheer Waldorf, wees toch niet grappig, niet spiritueel meer: nergens ontwaar ik hier comedie; ik zie niets dan tragedie, sombere, sombere Tragedie....!
Deze zoo treurige herinnering, ziehier wat ze mij weer in het geheugen heeft gebracht.
Wij woonden, 's zomers, op een buitentje. Een afgezonderd plekje, verloren in de velden, in 't midden van de rijke Vlaamsche velden: een wit juweeltje tusschen 't weelderige groen, dat door de vier opene vensters van de eenige verdieping, als door bewonderende oogen, naar den verrukkelijken omtrek scheen te kijken. Het was er groen, groen, men zag er niets anders dan groen; alleen aan het uiteinde van den boomgaard was een boerenhuisje: een hoevetje met herberg, dat aan den zoom van den landweg stond, en welks huurder--half opzichter half tuinman--het eigendom gedurende onze afwezigheid oppastte.
Hij heette Adams. Het was een man van een vijftigtal jaren, een goedig, bolrond, blozend aangezicht, altijd tevreden en glimlachend; en zóó beleefd, zóó dienstwillig, dat wij hem, daarom alleen, reeds genegen waren. Zijn vrouw, geelbleek van gelaatskleur, met een ronden mond en groote, zwarte oogen, arbeidde van den morgen tot den avond; de zoon, een lange, magere, achttienjarige knaap, was steeds zijn vader behulpzaam; het meisje, thuis overbodig, woonde als dienstmeid in de stad.
Met hun groote kloekmoedigheid en hun onverpoosd zwoegen hadden zij een nog al aardig sommetje vergaderd. Wel brachten de herberg en het hoevetje niet veel op, maar zij bezaten ook een andere en betere hulpbron. Zij kochten 's zomers allerhande fruit van de boeren in den omtrek en verzonden dit in groote hoeveelheid naar de Londensche markt.
Dat was het tijdstip van buitengewoon ruwen arbeid. Van vóór twee ure 's morgens af waren zij op, en, na een kort ontbijt, bestaande uit een kop zwarte koffie en een roggesmouterham, gingen vader en zoon op weg. Reeds met den dageraad kwamen zij op een of ander verre hoeve aan, en klommen er in de boomen, om het fruit te plukken. Den ganschen dag, tot den invallenden nacht, werkten zij door. De vermoeidheid maakte hun lendenen stram; zij konden soms, van de hevige pijn in den nek, het hoofd niet meer bewegen; vaak moesten zij, als in een duizeling, even de oogen sluiten, en zich krampachtig, met de beide handen, aan de takken vasthouden, om niet naar beneden te storten. Zij gebruikten hun maaltijden op de hoeve waar zij het fruit plukten, aan de gemeenschappelijke tafel van meesters en dienstboden; en 's avonds bracht de wagen van den boer hun het geplukte ooft naar huis, in groote teenen korven. Nog andere wagens, karren, kruiwagens en manden kwamen aan, allen beladen, óverladen met fruit; en het wegen begon. Na het wegen de sorteering, het pakken in kleinere korfjes en kistjes. Daarna de verzending met wagens naar 't naburig spoorwegstation. Zelden gebeurde 't, dat zij vóór elf uur te bed lagen, om den volgenden morgen, van vóór twee uur, weer op te staan.
En, den ganschen zomer door, behalve korte tusschenpoosjes rust, ging het zoo voort. Eerst waren het de kersen, dan de vroege peren, daarna de krieken en de pruimen, eindelijk de groote pluk der late peren en der appels, die weken duurde. Dan werden zij vaak van oververmoeidheid ziek, en verloor hun lichaam, na enkele weken, twintig, dertig pond van zijn gewicht. Maar zij verdienden een weinig geld, enkele honderden franken, somtijds een duizend, en dat vergoedde alles. Zeker waren er ook wel jaren, dat zij niets verdienden, dat zij zelfs geld verloren: dat hing af van de min of meer gelukkige uitkomst der speculatie. Want een weinig speculeeren moest men toch: de boomgaarden werden doorgaans bij den hoop verkocht, na den bloei, als de vruchten begonnen te zetten en reeds een vermoedelijk denkbeeld van de opbrengst konden geven. Zoo niet, dan kwam er een concurrent, die u het gras voor de voeten wegmaaide.
Wat de verkoop betrof, dat was het onbekende! De vruchten vertrokken naar den vreemde, naar Engeland, naar die reusachtige markt van Londen, welke die eenvoudige menschen zich voorstelden als een soort van nooit verzadigde en almachtige veelvraat, die hen door een gril rijk kon maken, die hen door een gril kon ruïneeren. Er was daar een agent, een heer, dien zij nooit gezien hadden, maar die alles aanvaardde wat men hem stuurde, en die dan een rekening van verkoop en geld afzond: een rekening die zij blindelings moesten gelooven, een somma die zij zonder beroep in betaling moesten aannemen. O, veel liever zouden zij op een andere wijze onderhandeld hebben, veel liever hadden zij ten minste willen weten aan wien ze verkochten, om zoo niet, als met handen en voeten gebonden, overgeleverd te zijn aan de willekeur eener onpersoonlijke almacht, aan de grillen van een onbekenden en almachtigen veelvraat. Maar 't was onmogelijk: in Vlaanderen bestaan er niet, zooals in Frankrijk, ciderfabrieken; de overtollige vruchten moeten er wel in den vreemde verkocht worden. En er is maar een enkel ernstig débouché: Londen.
Londen--de Veelvraat--dicteert zijn voorwaarden, en het nederig handelaartje onzer streken aanvaardt ze, gedwee, uit noodzaak onderworpen.
Welnu, dat jaar was de bloei der fruitboomen, begunstigd door een heerlijk zacht weer, gansch buitengewoon geslaagd en overvloedig. Adams en zijn zoon, op weg langs de zonnige velden, zagen ten allen kante de hoevedaken onder de reusachtige, wit-en-roze bloemtuilen der boomgaarden verdwijnen; en, bij het gezicht van die overtollige prachtweelde door een soort schrik bevangen, zeiden zij tot elkaar: "Loaten wij zeer veurzichtig zijn, loaten wij niets biên dan zeer loage prijzen." En zij boden buitengewoon lage prijzen, die de boeren van de hand wezen. Doch deze, van lieverlede ook beangstigd door den ongeloofelijken overvloed, dien dat jaar scheen te belooven, bedachten zich even, bediscuteerden de geboden prijzen, poogden een weinig meer te krijgen, eindigden met den koop toe te slaan. In enkele weken tijds kocht Adams zoo zijn ganschen voorraad in.
En elken dag, naar huis komend door de betooverende velden, sprak hij als volgt, met zijn zoon:
- 't Es woar, den bloei es buitengeweun overvloedig en scheune geweest, en 't fruit hé gespoand[1]onder de beste veurwoarden, moar loat nou 'ne kier 'n nachtelijke vust[2]komen, of 'ne storm, of 'n hoagelbuie, en ge zilt de jonge vruchten zien vallen lijk deude vliegen, mee duuzenden en duuzenden, van iederen beum. As da gebeurt, as 't fruit, in den tijd van de leveringe, moar zijn geweune prijs goat, es 't 'n fortune veur ons. Op zijn irgste genomen, al was euk d' opbrengste zeu overvloedig as ze moar en kan, zal 't toch nog altijd 'n geweun goe joar veur ons blijven, 't en kan nie anders. Noeit en zal de moarkt doalen onder de prijzen woartoe da w' ons verbonden hên. In elk geval was 't toch de moeite weird de kanse te woagen. 'T en spijt mij niet da 'k het gedoan hê."
De lente ging voorbij, de zomer kwam aan. Er was geen nachtelijke vorst, geen onweer, geen hagel. De vruchten groeiden, rijpten, in een nooit geziene pracht en overvloed. Het krioelde en wemelde er van; overal, op de boomgaarden, moest men de te zwaar beladen takken stutten. De kerseboomen waren als één groote, roodronde rechtopstaande tros; de pruimeboomen schenen zwart; de pereboomen, gansch geel van de vruchten, hadden haast geen bladeren meer.
En, gelijk ieder jaar, met de kersen, begon de pluk. In den beginne ging het nog al goed. De Veelvraat, sinds lange maanden van kersen gespeend, had een gulzigen eetlust. Hij wilde er hebben, meer en meer, hij scheen onverzadelijk; en hij betuigde zijn dankbaarheid in schoone klinkende munt, in heerlijke vijffrankstukken, die niet allen, neen neen niet allen, in de koffers van de boeren vielen. Adams mocht er een ruim, een zeer ruim deel van oppotten. Maar, van lieverlede, werd de Veelvraat beu en lastig. Hij vitte op de hoeveelheid, op de hoedanigheid; en hij betaalde ook minder, hoe langer hoe minder elken dag, tot hij eindelijk riep, brutaal:
"Genoeg met de kersen! iets anders nu....! Genoeg met de kersen....! En Adams die er nog zooveel te plukken had! Adams en zijn zoon, die nog onophoudend nieuwe boomen onderhanden namen, boomen des morgens zoo rood als pioenen, des avonds nauwelijks verbleekt....! Hij smeekte den Veelvraat; hij bood hem de kersen tegen den inkoopprijs aan; hij bood ze hem aan met verlies. Tevergeefs; de Veelvraat weigerde, hij was oververzadigd. Adams moest zelf de overige kersen elders aan de markt brengen en ze tegen een spotprijs laten verkoopen.
Toen kwam de beurt der krieken en der pruimen. De krieken, minder overvloedig, raakten er nog door, maar de pruimen....! De Veelvraat proefde ze gedurende acht dagen; en daarna wilde hij er niet meer van weten, om het even voor welken prijs. Adams moest er zich met verlies van ontdoen, evenals van de kersen.
Doch het was vooral met de peren dat de echte ramp begon. Er waren er zóó overvloedig veel, zij hadden gewoekerd met een zóó wilde overtolligheid, dat men niet meer wist wat er meê te doen. En gansche dagen, wanhopig sjouwend in de toppen van de boomen, zag Adams zich verarmen in die overvloedige weelde der Natuur.
De prijzen daalden, daalden; De Veelvraat, weerspannig en walgend, werd als een boosaardig en wantrouwend beest, van een verfoeielijke ondankbaarheid, woedend voor de mildheid zelve, waarmede hij bediend werd. Weldra dekte de verkoopprijs nog nauwelijks de arbeidsonkosten; de dag kwam waarop hij ze niet meer dekte. Toen staakten Adams en zijn zoon hun uitputtenden arbeid en lieten de vruchten zonder waarde op de boomen rotten. De rijkheid der Natuur had hen geruïneerd.
't Is dan dat ik die ongelukkige menschen tot hun laatsten cent heb zien betalen....
Ik heb den vader, zittend vóór een tafeltje, met bevende handen de hoopen vijffrankstukken zien tellen, welke de boeren opstreken en in hun zakken verborgen, terwijl de zoon, ziek door overmaat van arbeid, koortsachtig-huiverend naast den haard zat, en de moeder, doodsbleek, met wijde oogen van afschuw en verwildering, zuchtend en zonder doel in haar geruïneerd huisje heen en weer liep. Zij hebben alles gegeven, al wat zij hadden; en toch, ondanks alles, hebben zij, op een morgen, voor schuldeischers gestaan, welke zij niet meer konden voldoen....
Verslagen, vernield, hebben zij dan enkele dagen uitstel gevraagd, die hun toegestaan werden. En kort daarop zijn ze mij komen spreken. Zij hebben mij een besluit, o, voor lieden van hun leeftijd een zoo treurig besluit bekend gemaakt; en, met de diepste droefheid, beseffend dat dáár alleen nog hunne laatste toevlucht was, heb ik mijn best gedaan om ze te helpen. Ik heb plaatsen voor hen genomen op de eerste afvarende stoomboot naar New York; ik heb ze vergezeld naar Antwerpen; ik heb ze zien vertrekken....
O, vertrekken op dien leeftijd, zijn vaderland verlaten zonder hoop van terugkomst, dan als het gansche wezen, het gansche leven met al zijn verledene vreugden en herinneringen zoo innig-sterk in 't nederig geboorteplekje vastgeworteld is......!
Zij zagen er zóó triestig uit, zóó ongelukkig, zóó verloren in 't gewoel der landverhuizers, op dat reusachtig schip! De vader, zijn beide handen op de verschansing geleund, heeft mij gegroet tot op het laatste oogenblik met zijn beleefden, nederigen groet van arme stakkerd, die nog, dwars door allen rampspoed heen, zijn dankbaarheid voor een verkregen weldaad wil betuigen. De moeder, haar mond en oogen wijd open van angst, wendde voortdurend, met schrikgebaren, het hoofd rechts en links, om naar de masten, de schoorsteenen, de dekken, de gansche daverende reuzenmassa van het overweldigende schip te kijken; en Emiel huilde, naast zijn vader met beide handen op de verschansing geleund, roerloos en mager, met nog een gepijnigde poging om mij toe te lachen, door zijn bittere tranen heen....
Ach! mijnheer Waldorf, als gij nog in dienst zijt op 't bureel der landverhuizing, ginds, in die nieuwe gevangenis der Ellende, die men daar gebouwd heeft op een eilandje der New Yorksche baai, en die men zegt minder akelig en walgelijk te zijn dan Castle-Garden, doch waar toch steeds dezelfde stoet van menschensmart en armoede zal blijven defileeren; ach! ik vraag u, wanneer dit groote schip aan uw kade zal landen, en gij in dien lamentabelen optocht van rampzaligen een man met goedig aangezicht ontwaren zult, welke beleefd tot u zal naderen, met zijne pet in de hand, gevolgd door een vrouw met angstige oogen, en door een zacht-bedeesden knaap, ach, neen, mijnheer Waldorf, ik bid u, wees deze keer niet grappig, maak geen leuke opmerkingen, 't is geen "Comedie" die tot u komt....
Laat ze maar gaan, mijnheer Waldorf, "hunne papieren zijn in orde" en, wat het overige betreft, zal u wellicht minder belang inboezemen: het overige is Tragedie, mijnheer Waldorf... Tragedie... sombere Tragedie.
1Gezet.
2Vorst.
Mieux on connait la vie,plus on aime son chien.(Vieux refrain.)
Hij was nog zeer zeer klein en jong, twee maanden geboren en pas bekwaam alleen te eten, toen Foncke, de pachter van het hoevetje, hem op een morgen bij zijn eigenaars bracht, verborgen onder een blauw schort, in het teenen korfje, waarmee hij naar de markt gekomen was. Hij was bruin, heel en al bruin van kleur, gelijk zijn moeder, met zijdeachtig-glanzend, licht-kroezend haar; met reeds lange, neerhangende oortjes en een puntig staartje; met bleekblauwe, zoete oogjes en een blinkend neusje, koudnat bij het aanraken, als vochtig marokijn.
Belangstellend glimlachend, een weinig aarzelend en bevreemd, als lieden welke nooit honden gehouden hebben, stonden de beide oude vrijgezellen: de jonkman en zijn zuster, om het korfje, terwijl Foncke den kleine op den keukenvloer neerzette, vet als een molletje, zoo onbeholpen en onnoozel nog, terstond flauw keffend, zoekend naar zijn moeder, die hij maar pas verlaten had en die hij nooit terug zou zien.
Zij brokkelden hem stukjes brood, geweekt in een pannetje, met melk en water, zij vermaakten er zich mede, hem zoo gulzig te zien eten. Toen gingen zij het laag rond bennetje halen, dat zij voor hem gekocht hadden, legden hem in wat hooi ter ruste, en schoven hem achter de kachel, in de goede warmte. En, tevreden, reeds van stonde af gerustgesteld door de tegenwoordigheid van 't hondje--een hondje van zulk een uitmuntend wakersras--dat hun spoedig tot hoede zou dienen tegen de dieven die, verleden winter, tot tweemaal toe, des nachts hun hoenders en konijnen geroofd hadden, onthaalden zij Foncke op een kop koffie en twee dikke boterhammen, en betaalden zij hem het vijffrankstuk, dat hij voor den verkoop van het diertje gevraagd had. En terstond veranderden zij den naam van "Bruintje," dien Foncke hem bij zijn geboorte had gegeven, in dezen van "Duc," een naam die mooier klonk en die gemakkelijk was om uit te spreken, en dien zij trouwens haast onmiddellijk weer veranderden in de streelende verkleining van "Dukske," omdat het beestje er zoo aardig en beminnelijk uitzag.
Zij kweekten hem binnenshuis, met vrijen toegang tot het koertje en den tuin, maar hoegenaamd niet in de straat, totdat hij ongeveer zes maanden oud was. Het was een tijdperk van louter genoegen voor Dukske, een tijdperk van schoteltjes melk en wittebrood, van overschotjes vleesch en af te knagen beentjes, een tijdperk van spel en van betrekkelijke vrijheid, met één enkele schaduwzijde althans, een vreeselijke schaduwzijde, maar die toch nog al spoedig vergeten geraakte.
Op zekeren morgen, toen Dukske ongeveer vier maanden oud was, kwam er een man in de keuken, een man die een wit en blauw geruit doek en een koperen scheerbekken onder den arm droeg, en wiens lijf, onder zijn wambuis, omringd was van een zwarten, lederen gordel, waaruit, met het heft omhoog, een aantal scheermessen staken. Er staken ook de twee glanzende oogen eener schaar uit, en deze nam de man ter hand, terwijl Meester Dukske van den grond optilde en hem op zijne, door een blauwe schort bedekte knieën, neerzette. Wat gebeurde er toen? De vreeselijke vent kwam met zijn schaar naar Dukske, greep hem vast bij den tip van 't rechteroor en sneed dien af. Dukske bloedde en huilde vervaarlijk, maar 't was nog niet gedaan: de wreedaard had het linkeroortje vastgegrepen, hij legde er het afgesneden tipje van het rechteroor op, als om de maat te nemen, en hij knipte nogmaals met zijn schaar, zoodat het arme Dukske, in plaats van zijn twee mooie, lange, zijdeachtige oortjes, nog slechts twee akelige, spitse stipjes huid op zijn kopje had staan. En het verschrikkelijkste zou nog volgen: de oude dochter had een houten blokje en een scherp geslepen hakmes aangebracht; het lang, puntig staartje van het huilende Dukske werd er, gespannen, op uitgestrekt; en, met een enkelen, korten hak, was het ook af, gelijk de oorkens. Al die vreeselijke wonden werden dan gebrand met een wit-gloeiend ijzer, opdat zij niet langer zouden bloeden; en voortaan zou Dukske er uitzien gelijk een doghondje, wat mooi is voor een hondje, zooals vele lieden beweren.
Ja, dat alles was verschrikkelijk, doch het geraakte toch vergeten. Maar, helaas! iets anders was op handen, dat veel, veel erger was; dat veel, veel treuriger gevolgen na zich zou sleepen.
Op een morgen--och! 't was altijd 's morgens, dat ze kwamen--stond daar opnieuw een onbekende in de keuken, een lange, magere kerel, met een leikleurigen boezelaar aan, die verre beneden den onderrand van zijn geopend wambuis uitkwam. In den boezelaar waren ruime zijzakken en uit een dier zakken stak de punt van een groot schrijnwerkers-potlood en de punt van een toegevouwen gelen meter. De man droeg ook ander gereedschap onder den arm of in de hand: een zaag, een schaaf, twee beitels en een grooten houten hamer. Hij praatte een wijl met Meester en met Meesteres, staarde Dukske met een zonderlingen glimlach aan, wreef zich de handen, dronk een borreltje. Toen ging hij met Meester in het stalletje, alwaar men een aantal voorwerpen uit den weg ruimde, om hem plaats te maken. Hij ontlastte er zich van zijn wambuis, dat hij aan een spijker hing, en heel den dag bleef hij er arbeiden aan het vervaardigen van een soort hok, een hok dat leek op een klein huisje, op een speelhuisje, met een spitsvormig dak en een gat in den voorgevel. Meester kwam af en toe eens kijken, terwijl de man aan 't werken was, en ook Dukske liep meermaals in en uit het stalletje, als nieuwsgierig om te weten wat er daar gebeurde, verrast en opgewonden, omdat men hem toeliet te stoeien in de krullen. Toen keken de twee mannen soms glimlachend naar hem om en Meester gaf hem streelend kleine klapjes op den rug, hem op aanmoedigenden toon iets zeggend, dat klonk als een belofte.
De man vertrok, een andere kwam in zijn plaats, ook in een boezelaar gehuld, een witten boezelaar met veelkleurige vlekken, die hem van aan den hals tot aan de voeten reikte. Hij droeg in de hand een pot, waarin een borstel stak; hij kwam in 't stalletje, en, in enkele minuten tijds, had hij het wit-houten huisje geheel en gansch in 't donkerrood geverfd, zoo rood, zoo donker als de deuren en de vensterramen van het huis en van het stalletje. En ook hij klopte streelend op Dukske's rug, en sprak, glimlachend, woorden uit, die klonken als een aanmoediging, als een belofte. Daarna verscheen een derde man, een zwarte, met zwarte handen en een zwart gelaat, waarin het wit der oogen en der tanden haast vervaarlijk blonk. En ook deze had een boezelaar aan, een ruwen, zwarten boezelaar, hard blinkend als metaal en die tegen zijn knieën klapperde als hij bewoog. Hij hield een ijzeren ketting van een paar meters lengte in de hand. En nauwelijks was hij binnen of een vierde man verscheen, een die er dof en grauw van kleur uitzag, met doffe, grauwe kleeren en een grauwen boezelaar, korter en smaller dan de boezelaars der anderen. Een reuk van pik en huiden scheen uit hem te wasemen en hij bracht een lederen halsband, een band, waarin een ijzeren ring stak, en dien hij Dukske even aanpaste, als om er hem mede te tooien. En al die lui bleven daar even vertoeven en praten, door Meester getrakteerd, en allen zagen er zoo vriendelijk uit, zoo aanmoedigend, zoo opgeruimd, allen keken Dukske zóó mild glimlachend aan, dat het hondje ze ook streelen kwam, en ze, als het ware dankend, de handen likte.
Toen werd het hok buiten gebracht, achteraan op het koertje geplaatst en er met houten staken en ijzeren krammen stevig aan den grond gevestigd. En als het hok daar stond maakte men er de ketting aan vast, en den band aan de ketting, en Dukske aan den band.
Men bleef hem eene wijl aanstaren, steeds vriendelijk en tevreden glimlachend, terwijl hij ook zijn beulen aanstaarde, met zijn zoete, heldere oogjes, waarin een verbaasde ondervraging lag. Doch niemand scheen te vermoeden, dat hij een uitlegging te vergen had; en toen men zag "dat alles in orde was" ging men er eenvoudig, met een laatste streeling van door, en Dukske bleef alleen, gansch moederziel alleen, gekluisterd aan zijn hok.