PLAAT I.EENIGE ZOETWATERBEWONERS.
Onze ontdekkingsreis voert ons voorloopig nog slechts in het zoetwater en het tooneel van dezen eersten watertocht verplaatst ons te midden van vlookreeften, mosdiertjes, vischegels, mossels en slakken, een bedrijvig leven, vol afwisseling.
Welke vreemdsoortige, veelpootige, kleine monstertjes zwemmen daar, links boven infig. 1 en 8, zoo vroolijk in hun element rond? Het zijn een paar exemplaren van devlookreeft(Gammarus pulex), dus, in elk geval, een lid van het gilde der
en familielid en bloedverwant van onzen veelbeminden tafelvriend, den kreeft, zij het dan ook slechts een verre neef. De laatste is een reus tegenover ons dwergje van hoogstens 1 à 2 centimeters lengte en in zijn organisatie is deze vrij wat eenvoudiger en bescheidener. Maar toch komt de vlookreeft, in beginsel, met de hoogere kreeften overeen, die allen tot de hoofdgroep der gelede dieren behooren en, als zoodanig, niet slechts een inledenverdeeld lichaam, doch ookgelede pootenbezitten. Alle gelede dieren, waartoe, behalve de kreeften, ook nog de welbekende insekten, spinnen en duizendpooten behooren, zijn in hoofdzaak op dezelfde leest geschoeid. De leden van het lichaam zijn verdeeld over drie hoofdafdeelingen: kop, borst en achterlijf, doch bij de spinnen en kreeften zijn de beide eerste weer vergroeid tot één samenhangendkopborststuk. Juist onze vlookreeft vormt echter een uitzondering op dezen regel: alle leden van de borst zijn hier vrij, hetgeen natuurlijk aan de bewegingen van dezen levendigen acrobaat zeer ten goede komt.
Verder missenallegelede dieren het inwendige geraamteder gewervelde dieren, doch als vergoeding daarvoor hebben zij, voor het bevestigen der organen en spieren, eenhuidskelet, dat is: de huid is gevormd uit een buitengewoon vaste en harde, hoornachtige stof:chitine. Ook bezitten de gelede dieren niet de hersenen en het ruggemerg, waarin gij, waarde lezer, als pronkjuweel der schepping, u moogt verheugen. Hier is het centrale zenuwstelsel, dat alle bewegingen en handelingen regelt, veel eenvoudiger van maaksel en bestaat slechts uit een reeks van kleine, door zenuwstrengen verbonden, zenuwmassa’s: dezenuwknoopen, in elk lid van het lichaam één, aan de buikzijde gelegen, behalve de voorste, die boven in den kop ligt en eenigszins de rol vervult van onze hersenen.
Terwijl nu echter de insekten slechts 3 paar, de spinnen 4 paar pooten hebben en de duizendpooten zich op een buitengewoon groot aantal ledematen—zij het ook nog ver van de duizend!—kunnen beroemen, bezitten de kreeften toch, in elk geval, ookverscheidene paren pootenen ons kleine vlookreeftje is, in dit opzicht, vooral niet misdeeld, zooals wij infig. 1 en 8kunnen zien. Behalve 3 paren zwempooten aan het achterlijf, heeft het diertje nog 7 paren borstpooten, die niet tot zwemmen, doch tot kruipen en springen dienen en, behalve aan het voorste paar, zijn aan de basis van deze pooten kleine, bladachtige aanhangsels bevestigd, die, alskieuwen, voor de water-ademhaling dienen, zooals zij bij alle kreeften, doch op andere plaatsen van het lichaam, gevonden worden.
Verder hebben alle kreeftentwee paar gelede sprietenofvoelers, die zeer lang zijn en uitstekende organen zijn, om in hun waterwereld het terrein te verkennen. Zij zijn ook in het bezit van twee uitstekende samengestelde oogen, om goed uit te zien in de omgeving en die daartoe bij de meesten nog op steeltjes bevestigd zijn, hoewel zij bij de vlookreeft ongesteeld zijn. De voortplanting geschiedt dooreieren, die bij de vlookreeft in taschjes aan de borstpooten der wijfjes bewaard worden, tot de jongen uitkomen. Hoe echter bij zulkeeenvoudige wezentjes reeds de moederliefde ontwikkeld is, blijkt wel daaruit, dat het kleine grut, in zijn eerste levensdagen, steeds in de buurt van mama blijft en, bij het minste gevaar, telkens weer naar haar terug snelt, zooals de kiekens naar de hen. De gevaren, die ook de ouden dreigen, zijn trouwens vele, want zij dienen tot voedsel voor allerlei visschen.
Met de vloo heeft onze vlookreeft natuurlijk niets uit te staan, behalve dat hij ook een volleerde vér-springer is en naar die vloo-achtige springsport wordt hij genoemd. De dieren zijn inderdaad buitengewoon behendig en vlug in hun bewegingen. Terwijl zij in rust, met gekromden rug, meestal onder steenen of waterplanten liggen, daar zij zeer lichtschuw zijn, stuiven zij, bij het minste onraad, bliksemsnel naar alle kanten uiteen, om weer andere donkere schuilhoeken op te zoeken, waar zij voornamelijk leven van bladeren, die in het water gevallen zijn. Zij zwemmen zeer snel, op zijde liggend, en springen uiterst snel vooruit, tusschen allerlei waterplanten door, waarbij zij van de drie achterste, naar boven gerichte, paren borstpooten (ziefig. 8), als springpooten gebruik maken. Een onzer bekende vroegere dierkundigen maakte, naar aanleiding daarvan, de volgende, meer oprechte dan vleiende opmerking: „door zijn gekromden rug en de snelle manier, waarop het vooruitkomt, levert het ons een treffend beeld van den hoveling.”
Wegens een zekere uiterlijke overeenkomst met de garnaal, wordt de vlookreeft ook welzoetwatergarnaalgenoemd. Hij komt in ons land, in slooten, beken en poelen, allerwegen in menigte voor.
Zeer eenvoudig van bouw zijn demosdiertjes(Bryozoa), waarvan wij infig. 2 en 15desponsachtigeen dekruipende kuifcelpoliep(Plumatella fungosaenPl. repens) afgebeeld zien. Voor den natuuronderzoeker is dit een lastige familie, waarover de geleerden elkaar reeds sinds lang danig in de haren gezeten hebben, niet wetende, waaronder men ze moest rangschikken. Nu eenshier, dan daar onder dak gebracht, als ware „dakloozen”, heeft men ze reeds tot de poliepen, tot de wormen en tot deweekdierengerekend, en onder deze laatste hoofdgroep hebben zij ten slotte voor goed een onderkomen gevonden, hoewel men niet kan ontkennen, dat zij ook daar nog een weinig met hun figuur verlegen zijn.
Fig. A.Stok van een mosdiertje. Vergroot.
Fig. A.Stok van een mosdiertje. Vergroot.
De reden hiervan zal duidelijk worden, als wij de diertjes eens wat nader gaan onderzoeken. Uiterlijk zien wij, dat zij zich, als een soort van schorslaag of in den vorm van mos, over hun onderlaag uitbreiden, waartoe hun allerlei voorwerpen: houtwerk, dat in het water ligt, schelpen, steenen, in het water hangende takken enz. welkom zijn en zij gelijken dan op sponsachtige (fig. 2) of vertakte massa’s (fig. 15), die echter kolonies of stokken van een groot aantal, met elkaar verbonden, diertjes voorstellen. En daarom scheen er vroeger werkelijk wel iets voor te zeggen, om ze tot de poliepen of koraaldieren te rekenen. In meer belangrijke kenmerken komen zij echter meer met de weekdieren overeen.
De diertjes zelf zijn zeer klein, hoogstens 1 à 2 millim., en wij dienen ze dus, om nader kennis te maken, een weinig bij vergrooting te bekijken. De kolonie doet zich dan ongeveer voor, zooals hiernaast infig. A. Wij zien hier, dat een aantal der diertjes in een vliezige, harde of vertaktecelbesloten zijn, waaruit zij zich, evenals poliepen, naar buiten kunnen uitstrekken en er zich weer in terugtrekken. Evenals de poliepen, hebben zij om den mond een krans vanvangarmen, die hol zijn en met de lichaamsholte in verbandstaan en die, door hun beweging, het water voor de ademhaling en de daarin aanwezige kleine waterdiertjes, die voor voedsel dienen, naar den mond roeien. Deze voert in een slokdarm, waaraan zich een maag en darmkanaal aansluiten, welks uitloozingsbuis dicht bij den mond uitkomt. En dit is juist de reden, dat men de mosdiertjes niet meer tot de poliepen, doch tot de weekdieren rekent, daar de poliepen geen afzonderlijk darmkanaal bezitten. Hart en bloedvaten ontbreken, evenals alle zintuigen; alleen is er, bij den slokdarm, één enkele zenuwknoop, die zenuwdraden afgeeft naar den darm en de vangarmen. Want deze laatste zijn met zeer gevoelige wimpers bezet en dienen tevens alsvoeldraden.
Interessant is de ontwikkelings-geschiedenis van deze diertjes. Uit de plattewintereierenkomt, dadelijk na het openspringen der harde schaal, een volkomen dier te voorschijn, dat, als het volwassen is, zich door knopvorming voortplant en uitgroeit tot een kolonie, zooals infig. A. Dezomereierenechter hebben een dunne schaal en daaruit ontwikkelt zich eerst een onvolkomen, van trilharen voorziene, larve, die het moederdier verlaat, door middel van de trilharen eenigen tijd vrij en lustig rondzwemt en zich dan ergens vastzet. Daarna ontstaan er, door knopvorming, binnen de larve twee jongen, die, om tot volwassen dieren uit te groeien, het inwendige van hun eigen moeder, de larve, verteren, om dan nog, tot overmaat van onbescheidenheid, de overgebleven, uitgekloven huid van de larve tot tijdelijke woonplaats in te richten. Men ziet: de natuur bewandelt soms zonderlinge wegen, om haar doel te bereiken.
Defiguren 3, 6 en 7brengen ons afbeeldingen vanvischegelsenbloedegelsen verplaatsen ons weer in een andere, zeer talrijk bevolkte hoofdgroep van het dierenrijk: dewormen. Deze staan, in ’t algemeen, op een lageren ontwikkelingstrap dan de weekdieren en gelede dieren, maar zij zijn zoo buitengewoon talrijk in geslachten en soorten en vertoonen zulke uiteenloopendevormen, dat haar rangschikking aan de mannen der wetenschap vrij wat hoofdbrekens gekost heeft. Een ruwe verdeeling—voldoende voor ons doel—verkrijgt men, als men alle wormen op drie hoopen werpt. Op den éénen hoop liggen dan deplatwormen, de minsten der broederen, met een plat, breed lichaam, zooals delintworm; eenigszins hooger staan derondwormen, met een lang uitgerekt rolrond lichaam, bijv. dedraadwormen(trichine), dekoordwormenenz. en op den derden hoop komen de
de triomf van den worm-stamboom, waartoe deaard- ofregenwormenen debloedzuigers, en dus ook de zuigwormen van onze plaat behooren, die reeds veel verder gevorderd zijn op den weg der ontwikkeling en zelfs eenigszins tot de gelede dieren naderen. Evenals deze hebben zij een, in leden of „ringen” verdeeld, lichaam, waarin ook de zenuwknoopen op dezelfde wijze gelegen zijn, als opbladz. 6beschreven werd. Maar, er is één groot punt van verschil, dat haar reeds dadelijk tot een volkje van den tweeden rang stempelt: zij missen de gelede pooten. Hoogstens bezitten zij ongelede voetstompjes, met borstels omzet, die bij de beweging tot steun dienen. Doch de eigenlijke bewegingsorganen zelf zijn de dikke en krachtige spierlagen onder de huid, die, door haar samentrekking en uitzetting, het lichaam doen kronkelen en voortbewegen. De bloedzuigers en vischegels verplaatsen zich door die slangvormige kronkelingen ook door het water, waarbij zij zich ook kunnen steunen door de ééne der tweezuignappen, waarin het lichaam eindigt, namelijk door de achterste, terwijl in de voorste zuignap de slokdarm eindigt en daarin de mond gelegen is, want daarmede zuigt het dier zich aan zijn prooi vast, om er het bloed uit te zuigen. Daartoe is, bij den bloedzuiger, de mond voorzien van drie zeer fijn en scherp gezaagde „kaakplaten”, waarmede de wond gemaakt wordt, terwijl dit bij andere zuigwormen, zooals bij denvischegel vanfig. 3, geschiedt door een krachtigen, spitsen, voor uitstulping vatbaren, snuit of slurf.
Daar deze dieren in de diepten van het water terdege moeten kunnen uitkijken, zijn de meesten van een groot aantal oogen voorzien; de gewone bloedzuiger heeft er niet minder dan 5 paren op en achter de voorste zuigschijf. De bloedsomloop der wormen geschiedt door gesloten vaten, doch voor de ademhaling zijn geen bepaalde organen aanwezig; zij is zeer primitief ingericht en geschiedt eenvoudig door uitwisseling der gassen door de weeke huid.
Wij zien op de plaat drie leden van dit bloeddorstige gilde.Fig. 3stelt denvischegel(Piscicola geometra) voor, die een rolrond, rechtlijnig lichaam, van 3 tot 6 centim. lengte heeft, dat zich niet kan oprollen, terwijl de voorste zuignap duidelijk van het lichaam gescheiden is. De kleur is groen- of geelachtig grijs, met fijne stippels en over den rug loopt een witte, breed gevederde band. Er zijn slechts 2 paren oogen op de voorste lichaamsringen. Deze dieren hechten zich vast aan visschen, om daaruit het bloed te zuigen en vooral de karper heeft de eer, daartoe de voorkeur te genieten, zoodat men ze in vischvijvers liefst niet ziet. De voortplanting geschiedt door kleine, geelroode eitjes of cocons, die op de huid van visschen of op waterplanten vastgekleefd worden.
Nummer twee van ons drietal is degewone bloedegel(Nephelis vulgaris),fig. 6, die bruinachtig of vleeschkleurig is, met rijen van gele puntjes op den rug en een zeer lang en smal lichaam, dat zoo doorschijnend is, dat men, vooral bij jeugdige dieren, met een loupe duidelijk den bloedsomloop ziet. Er zijn slechts 4 paren oogen en de mond heeft geen kaakplaten, doch drie overlangsche plooien aan de keel, voor het zuigen. Men vindt dit dier in alle vijvers en plassen, die met riet begroeid zijn, want het heeft de dwaze gewoonte—voor zijn doel echter zeer praktisch!—om op zijn hoofd te gaan staan, door zich, met de achterste zuigschijf, aan de bladerenvan waterplanten op te hangen en dan het voorste gedeelte van het lichaam voortdurend heen en weer te wiegelen, om het water naar zich toe te bewegen, zoowel voor de ademhaling, als voor den aanvoer van allerlei kleine waterdiertjes, wormen, kreeftjes enz., waarmede het zich voedt. De eieren worden aan waterplanten of steenen vastgekleefd. Het dier verlaat het water nooit; als dit in den zomer uitdroogt, tracht het zich zelven voor uitdrogen te bewaren, door zich met een vochtige slijmlaag te bedekken.
Nog een derde soort van bloedegel, detwee-oogige slakegelofclepsine(Clepsine bioculata), infig. 7, bovenaan rechts op de plaat, te vinden, heeft een zeer breed en plat, kort en naar voren versmald en onduidelijk geringd lichaam, dat opgerold kan worden en waarop, aan de voorzijde, slechts 2 oogen geplaatst zijn. De mond is niet van kaakplaten, doch van een uitstulpbaren slurf voorzien. Het dier hecht zich onder aan waterplanten of aan steenen vast. Aardig is het, hoezeer de jongen, in den letterlijken zin, aan hun moeder „gehecht” zijn, want zij hechten zich, met hun achterste zuignap, aan haar lichaam vast.
Thans keeren wij weer terug tot de weekdieren, die wij opbladz. 7bij de mosdiertjes verlaten hebben, welke er echter slechts, uit nood gedwongen, een onderkomen vonden, zoodat wij van deze belangrijke diergroep, die in de waterwereld een hoofdrol speelt en ook voor den mensch van zooveel belang is, nog niet veel vernomen hebben. Die schade willen wij nu inhalen, door ons een oogenblik bezig te houden met een paar goede bekenden: demosselsen deslakkenen in de eerste plaats met een paar voorbeelden uit de klasse der
waarvan ons de plaat in defiguren 4, 11, 16en infig. 5 en 13eenige duidelijke afbeeldingen geeft.
Al deze dieren zijn de naaste verwanten van onzengewonen oester en mossel, en vooral met eerstgenoemden zal zeker menig fijnproever onder de lezers meermalen met genoegen kennis gemaakt hebben. De vraag is echter, of die kennismaking zich ooit verder dan tot het gehemelte van den verbruiker uitgestrekt heeft en als men hem, bij zijn oestermenu, besproeid met champagner, eens op den man af vroeg: „watisnu eigenlijk een oester of een mossel voor een dier?”, dan zou hij, tien tegen één, het antwoord schuldig blijven of ze onder het artikel „visch” thuis brengen.
Maar een schelpdier is geen visch, want het bezit zelfs geen spoor van een inwendig geraamte, is dus niet eens een gewerveld dier, doch, even als bij de slak, is het geheele lichaam zeer week, men noemt ze dus „weekdieren”. Overigens is, bij een oestermaaltijd, het genoegen der kennismaking zeker niet wederkeerig en in geen geval aan de zijde van den oester, want dit goedige dier moet het zich, tegen wil en dank, laten welgevallen, dat men het levend en, om zoo te zeggen, „met huid en haar” opeet, zonder dat het ook zelfs maar van een schijn van protest kan doen blijken. Trouwens: voor het houden van diepzinnige bespiegelingen zijn oester en mossel allerminst in de wieg gelegd, want zij missen niet slechts de hersenen—er zijn in het lichaam slechts 3zenuwknoopen, die zenuwen uitzenden naar de verschillende lichaamsdeelen—doch zelfs de geheele kop ontbreekt: oester en mossel zijnkoplooze weekdierenen, als zoodanig, geestelijk ongetwijfeld de minderwaardigen van de geheele familie.
Toch hebben zij zich tegen de gevaren voor hun weeke lichaam weten schadeloos te stellen, door de afscheiding van een schelp aan de buitenzijde van hun lichaam en daarom noemt men zeschelpdieren. Om te verklaren, hoe zij in het bezit van die schelp gekomen zijn en ook om de overige organisatie duidelijk te maken, zullen wij de mossel eens wat van naderbij bekijken, met behulp vanfig. Bopbladz. 12.
Het dier is tusschen de twee platen van de schelp besloten als een snede ham tusschen twee snedenwittebrood en nog treffender kunnen wij het geheele dier vergelijken met een boek, dat wij thans willen doorbladeren, om er zijn signalement uit te lezen. Deschelpkleppen(Sch.) stellen dan den band voor en evenals deze, zijn zij in den rug beweeglijk met elkaar verbonden door een soort van scharnier, dat infig. C, opbladz. 13, de linkerschaal van deVenusschelp, bijate zien is. Bij een levend dier kunnen die kleppen met alle macht tegen elkaar aangedrukt worden door de samentrekking van twee stevigesluitspieren, die dus, bij het openen van een oester of mossel, eerst met een mes doorgesneden moeten worden en wier aanhechtingspunten wij, tegen de binnenzijde der schelpkleppen, duidelijk kunnen zien (fig. Cbijg). Doch rondom de buitenranden van het slot is de zeer veerkrachtigeslotbandbevestigd, waarvan wij infig. BbijSch.en infig. Cbijcde aanhechtingsplaats zien en die de beide kleppen, door zijn veerkracht, van elkaar tracht te trekken. Wil het dier dus de schelp openen, dan behoeft het de inwendige sluitspieren slechts een weinig te laten verslappen, en daar dit bij het doode dier van zelf gebeurt, ziet men, dat dan de schelp steeds „gaapt”, open is.Slottanden(Sb.) van de ééne schelp grijpen in holten van de andere, om het verschuiven te beletten.
Fig. B.Dwarsdoorsnede van een mossel. (Schets).
Fig. B.Dwarsdoorsnede van een mossel. (Schets).
Als wij nu den band van het boek opengeslagen hebben, beginnen wij met de lezing en wij ontmoeten dan weer aan beide zijden een blad, het titelblad en het achterste blad, en wel: de beide helften van denmantel(fig. B,Mt), waarvan wij infig. Cbijhden indruk op de schelpen bijceen inbuiging voor de straks te noemen adembuizen zien. Dezen mantel vinden wij, in verschillenden vorm, bijalleweekdieren weer, het is een kenmerkend orgaan voor deze afdeeling en wordt zoo genoemd, omdat hij het geheele lichaam binnen demantelholte(Mh.fig. B) inhult. Die mantel nu scheidt aan zijn buitenoppervlakte een laag koolzure kalk af, vermengd met een chitine-achtige stof (ziebladz. 4), deconchyoline, waardoor zij minder oplosbaar in water wordt en dit is dan de schelp, die dus geheel en al den vorm van den mantel weergeeft.
Fig. C.Linkerschaal van de Venusschelp.
Fig. C.Linkerschaal van de Venusschelp.
Doch wij zetten de lectuur van ons boek voort. Binnen den mantel volgen nu aan weerszijden weer twee bladen van het boek: de plaatvormigekieuwen, die voor de ademhaling dienen (fig. BbijK), waartoe het water door de schelpspleet in de mantelholte gevoerd wordt, tengevolge van een strooming, veroorzaakt door de beweging van millioenen trilharen, waarmede de binnenzijde van den mantel bezet is. Naar den vorm der kieuwen wordt deze klasse ook wel deplaatkieuwigengenoemd.
Binnen de kieuwen volgt eindelijk de eigenlijke tekst van het boek, de romp van het dier (R) en in dien tekst lezen wij nu verder het volgende. BijDzien wij eenige doorgesneden gedeelten van den darm, die het voedsel verteert, dat met het ademhalingswater naar binnen komt en uit fijnverdeelde of kleine plantjes of diertjes bestaat. Het dier heeft dus geen kaken of kop noodig, maar natuurlijk wel eenmond, die—hier wel eenigszins misplaatst—vlak bij denvoetgelegen is. Zoo noemt men het dikke en gespierde, kielvormige orgaan (fig. BbijF), dat een verlengsel van het lichaam is en zich sterk kan uitzetten, tot buiten de schelp, en daarna weer samentrekken, ten einde de schelp in het zand of den modder—uiterstlangzaam—voort te bewegen, als ’t ware voort te „ploegen”, waarbij zij dan ook een duidelijke groef of vore achterlaat. Sommige schelpdieren brengen het in die uitzetting en samentrekking van den voet zelfs zoover, dat zij over den bodem voort kunnen springen. Door middel van datzelfde orgaan kan de mossel de schelp eerst op haar kant zetten, zooals devijvermosselop de plaat bijfiguur 4en haar dan zéér langzaam—dikwijls eerst na eenige uren!—bijna geheel loodrecht in den modder of het zand graven, waar het dier dan meestal onbeweeglijk blijft zitten.
In die positie zou onze vijvermossel het spoedig te benauwd krijgen, door gebrek aan versch water en zuurstof voor de ademhaling, doch ook daarin is op praktische wijze voorzien. Tusschen de beide kleppen der schelp is, aan de achterzijde, de rand van den mantel tot twee buisjes uitgegroeid (infig. C, biji), dieadembuizenofsipho’sgenoemd worden en waarvan de onderste dient, om het versche water, met het daarin aanwezige voedsel, toe te laten, de bovenste om het onbruikbare water, met de spijsresten, af te voeren. Bij sommige mossels, die zich soms geheel in het zand onderploegen, zijn die sipho’s zeer lang, zoodat zij tot boven de zandlaag in het water uitgestoken kunnen worden.
Devijvermosselis vrij groot (10 centim. lang), breed ovaal van vorm en de schelp is dun, groenachtig bruin van kleur, met groene stralen en bruine dwarsbanden. Het slot heeft geen tanden. Zij komt in onze vijvers veel voor en plant zich, zooals alle oesters en mossels, door eieren voort, waaruit zich nog binnen de kieuwplaten de larven ontwikkelen, die reeds een schelpje bezitten en heel wat beweeglijker zijn dan de moeder. Uit de ademhalingsruimte naar buiten in het ruime sop gekomen, zwemmen zij daar eerst geruimen tijd lustig rond. Dan hechten zij zich aan visschen vast en laten zich door dezen nog maandenlang door het water spelevaren, totdat de zwaarte van hun schelpje hen dwingt die levende plezierjachten los te laten en zij op den bodem van het water vallen.
In onze binnenwateren komt bijna overal ook deriviermossel(Dreissena polymorpha),fig. 5, overvloedig voor, die veel kleiner is dan de vorige en uiterlijk wel eenigszins op onze gewone eetbare mossel gelijkt, tot wier naaste familie zij dan ook behoort, ook door een bijzonderheid, die aan alle echte mossels eigen is. Zij bezitten namelijk, dicht bij den voet, een klier, waaruit een kleverig vocht afgescheiden wordt, dat, bij aanraking met het water, tot een bundel van 100 tot 200 strak gespannen draden stolt, die men „baarddraden” of „byssusdraden” noemt en waarmee de schelp zich aan de steenen vasthecht, terwijl daardoor ook de riviermosselen zich dikwijls in grooten getale aan elkaar vasthechten en opeenhoopen. De vorm van deze schelp is driehoekig, schuitvormig, groenachtig geel van kleur met bruine golvingen, de mantel is over zijn geheele lengte vergroeid, behalve de openingen voor de adembuizen en den voet. Deze schelpdieren verplaatsen zich veel meer dan de vijvermossel, zooals reeds daaruit volgt, dat zij eerst in betrekkelijk lateren tijd, uit de streken rondom de Zwarte Zee, naar onze streken gekomen en zich hier overal verspreid hebben. Daarom noemt men ze ook wel:trekmossels.
Links, in den ondersten hoek van de plaat, liggen op den bodem nog een drietal mossels van een andere soort: derivierfijnschaal, (Pisidium amnicum),fig. 13, naar den vorm ook wel „erwtenschelp” genoemd (pisum—erwt), een kleine, gezwollen ronde schelp, met dwarse groeven over de oppervlakte en een aschgrijze tot olijfbruine kleur. De sipho’s zijn kort en vergroeid en de schelp is dikwijls zoo doorschijnend, dat men er de kieuwen en het hart van het dier doorheen ziet. De soorten van dit geslacht zijn over de geheele aarde verspreid; het zijn de kleinste van al onze zoetwaterschelpen en de kleinste soort is een ware dwerg en niet meer dan 2 millim. lang.
Wij vinden op onze plaat ten slotte nog vertegenwoordigers van een andere diergroep afgebeeld, die insgelijkstot de weekdieren behoort, doch tot een geheel andere klasse dan de mossels, n.l. tot die der
Zij staan, in alle opzichten, op een veel hoogere sport van de ladder dan de schelpdieren, al ware het alleen reeds door het bezit van een kop, met beweegbare voelhorens en oogen; vergeleken met een dommen oester of mossel is een slak, in haar soort, althans reeds een genie. Ter opheldering van haar lichamelijke ontwikkeling, maken wij gebruik van de schets infig. D, hoewel dit eigenlijk de doorsnede van een landslak voorstelt. Doch er zijn ook zoetwaterslakken, die door longen ademen, terwijl er verder, behalve de kieuwslakken, ook nog tweeslachtige slakken bestaan, die longen en kieuwen tegelijk bezitten.
Fig. D.Schets van een long-slak, in doorsnede.
Fig. D.Schets van een long-slak, in doorsnede.
Wat wij slakken noemen, is een eigenaardig slag van volkje. Als rechtgeaard weekdier, is het uitwendige kleedingstuk van de slak ook weer demantel, die het geheele lichaam inhult, maar deze heeft hier een eigenaardigen vorm, namelijk dien van een spiraal (fig. D,Mt) en hij sluit bijMhdemantelholtein, terwijlRMtdenrandofzoomvoorstelt. Die mantelholte vervult hier de rol vanlongen bijAtdringt de lucht daarin, om in aanraking te komen met de, zich daarin verspreidendebloedvaten. Uitwendig wordt door den mantel, uit koolzure kalk, met veel hoornachtige stof, weer de schelp afgescheiden, die hier dus ook spiraalvormig is en den naam draagt vanhuisje. En werkelijk huist daarin de geheele rompR, met de ingewanden en in het, naar voren meer verwijde gedeelte, denmondvan het huisje, kan zich ook dekopKoen devoetF, die er anders buiten uitsteken, geheel terugtrekken.
Zulk een longslak veroorlooft zich de weelde vantwee parenterugtrekbare voelhorensFüte bezitten, twee kortere voorste en twee achterste langere, en daarbij komt nog, als verdere eigenaardigheid, dat boven op den top van de beide laatste deoogen, als zwarte puntjes, geplaatst zijn. BijMzien wij verder denmond, die in het darmkanaalDvoert, welks aarsopening bijAligt. De slakken verkeeren in het gelukkige geval, dat zij, in letterlijken zin, „op een grooten voet” kunnen leven, want haar bewegingsorgaan, devoet(F) is zeer groot en gespierd en is voorzien van een breedekruipzool, onder den geheelen buik. Daarom noemt men de slakken ook welbuikpootigeweekdieren.
Tot de longslakken van het zoete water behoort nu de kleine, napvormigeronde kaphorenslak(Ancylus fluviatilis),fig. 10, die slechts 4-8 millim. lang is en een slaapmutsvormig huisje heeft, dat zeer dun en hoornachtig van kleur is. Zij zit op steenen of planten in beken of rivieren, want zij houdt van stroomend water.
Een geheel andere ademhaling en levenswijze hebben dekieuwslakken, waarvan wij infig. 9, 12 en 14vertegenwoordigers afgebeeld zien. Kieuwen zijn de typische water-ademhalingswerktuigen, maar waardoor onderscheiden zij zich eigenlijk van longen? Bij de longen verspreiden zich de bloedvaten over debuitenzijdevan de oppervlakte (bij ons de vliezige longblaasjes), in wierbinnenstede versche buitenlucht doordringt, terwijl bij de kieuwen de lucht, die in het water is opgelost, de deelen, waarin zich de bloedvaten verspreiden,uitwendigomspoelt. Om echter zooveel mogelijk aanrakingspunten tusschen de lucht en het bloed te hebben, moeten hier de deelen, waarin zich de bloedvaten verspreiden, een groote oppervlakte aan het water aanbieden en in den regel is dus de oppervlakte, waarin die bloedvaten gelegen zijn, door een groot aantal sterk vertakte, fijne huidplooien, aanzienlijk vergroot.
Doch een bijzonder geval vertoonen, onder de kieuwslakken, depluim- ofvederdragers, hieronder infig. Evoorgesteld en waarvan op de plaat infig. 9devijver-pluimdrager(Valvata piscinalis) afgebeeld is.
Fig. E.De platte pluimdrager, een kieuwslak.
Fig. E.De platte pluimdrager, een kieuwslak.
Wij zien infig. E, hoe hier de kieuwen zeer lang en veervormig vertakt zijn en, ver uit de kieuwholte naar buiten uitgestoken en als een opstaande piramidale vederbos, door het dier gedragen worden. De voet is klein en naar voren in twee lobben verdeeld (fig. E), het huisje is rond, kegelvormig, met vele windingen, terwijl de mond van het huisje, zooals bij vele waterslakken, bij het terugtrekken door een hoornachtig dekseltje afgesloten wordt. De kieuwslakken hebben slechtstweevoelers en hier zijn de oogen aan de binnenzijde der basis van deze geplaatst.
Onder de grootste van de zoetwaterslakken behoort delevendbarende moerashorenslak(Paludina vivipara) vanfig. 12 en 14, een kieuwslak met eivormigen horen en niet spitse punt en 4 tot 5 sterk gezwollen windingen of „omgangen”. De kleur is fraai glimmend, doorschijnend, geelachtig groen of bruin, met donkerbruine banden over de omgangen.Fig. 12stelt het iets kleinere mannetje,fig. 14het grootere wijfje voor, het laatste in het huisje teruggetrokken, dat door een dik, hoornachtig, concentrisch gestreept dekseltje gesloten is. Opmerkelijk is, dat de eitjes reeds in het lichaam van het wijfje uitkomen, dat duslevendbarendis; gedurende dengeheelen zomer kan men in het moederdier eieren en jongen in verschillende ontwikkelingstoestanden vinden, doch er wordt er telkens slechts één tegelijk geboren. Men vindt deze slakken in modderige, stilstaande wateren, waar zij over het slib of waterplanten rondkruipen, bij zonneschijn ook wel aan de oppervlakte komen.