PLAAT XX.SPONSEN.

PLAAT XX.SPONSEN.

Uit het opschrift van deze plaat gelieve men vooral niet af te leiden, dat hier slechts sprake zou zijn van onze gewone waschsponsen; één enkele blik op de plaat doet ons reeds zien, dat er ook wezens op voorkomen, die zelfs in de verste verte niet op onze spons gelijken. Desponsenvormen dan ook weer een groote afdeeling van het dierenrijk, waartoe dieren van zeer verschillend uiterlijk behooren, doch die, in hun algemeene organisatie, toch zoozeer overeenkomen, dat zij bij elkaar moeten gevoegd worden tot één afzonderlijke hoofdgroep, die vroeger wel tot de darmholtedieren gerekend werd, doch thans als een overgang tusschen dezen en de oerdieren beschouwd wordt. En dus komen alle sponsen, hoe verschillend ook van aard en van uiterlijk, toch in vele gewichtige hoofdkenmerken met elkaar overeen, waarvan vroeger reeds het een en ander bij dezoetwatersponsenvermeld werd (ziebladz. 25), doch die wij thans vooraf nog even nader zullen beschouwen.

De sponsen zijn, na de oerdieren, de eenvoudigste en laagst ontwikkelde van alle dieren, die, meer dan eenige andere groep, nog eenigszins tot de planten naderen. Zij vertoonen geen spoor van zintuigen of van de gewone dierlijke organen, behalve die voor de voortplanting. Deze brengen de eitjes voort, welke, na de bevruchting, tot een jong dier uitgroeien, dat oorspronkelijk nog zeer eenvoudig van maaksel is. Het bestaat slechts uit een weeke, holle massa, met dikken wand, die één grooteuitvoeropening, doch een groot aantal fijneporiënaan de oppervlakte bezit, welke laatste naar fijne kanaaltjes voeren. Deze komen alle in de gemeenschappelijke lichaamsholte uit, doch loopen daarbij eerst door talrijke kleine holten, de zoogenaamde „trilkamers”, waarin talrijke trilharenonophoudelijk in beweging zijn en daardoor een strooming verwekken, die het water van de ademhaling, met de aanwezige voedingsdeelen: mikroskopische plantjes of diertjes en half vergane organische stoffen, door de kanalen naar de centrale lichaamsholte voert. Als dan in al die holten de ademhaling en spijsvertering hebben plaats gehad, stroomt het verbruikte water, met de afvalstoffen, uit de lichaamsholte weer door de groote uitstroomingsopening naar buiten.

Fig. O.Stukje van een waschspons, met poriën, inwendige kanalen en uitstroomingsopeningen (doorsnede).

Fig. O.Stukje van een waschspons, met poriën, inwendige kanalen en uitstroomingsopeningen (doorsnede).

Zulk een dier blijft nu echter niet op zichzelf staan, doch plant zich weer voort doorknopvorming. De aldus gevormde knoppen scheiden zich echter niet af, doch blijven met elkaar verbonden en vergroeien langzamerhand zoodanig met elkaar tot een kolonie, dat de afzonderlijke individu’s later niet meer op het oog zijn te onderscheiden. Het geheel van zulk een vergroeide kolonie noemen wij nuéénspons, maar elke groote uitvoeropening van deze voert uit een afzonderlijke spijsverteringsholte naar buiten, terwijl deze anderzijds met de talrijke kanalen en toevoerporiën in verband staan. Dit kunnen wij zien op de afbeelding der doorsnede van een stukje waschspons infig. O.

Van zulk een kolonie is nu onze gewone spons slechts hetskeletofgeraamte, want aan de weeke, geleiachtigelichaamsmassa der spons wordt meer stevigheid verleend door de afscheiding daarin van hardere deeltjes, die bij onze waschsponsen uit een net van, door elkaar gevlochten,hoornachtigevezels bestaat (hoornsponsen). Na den dood van het dier en na het vergaan van de weeke lichaamsmassa, blijft dit hoornachtige geraamte als onze gewone spons achter. Bij andere sponsen bestaat dit skelet slechts uit enkelvoudige, of ook wel drie- of vierarmige, kalknaaldjes (kalksponsen), soms uit hoornvezels met daartusschen verspreide kiezeldeeltjes (kiezelsponsen), soms ook wel uitsluitend uit kiezelafscheidingen (glassponsen), of eindelijk ook uit zeer harde en dichte kiezeldeelen, zonder hoorn (steensponsen). Van elk dezer sponsen zijn voorbeelden op de plaat aanwezig.

Tot dekalksponsenbehooren de merkwaardige dieren vanfig. 1(Sycones capillosum), wier grondvorm een beker of gesteelde cylinder is, met dikken wand en enkelvoudige, rechte, straalsgewijs naar de centrale lichaamsholte voerende, kanalen en in regelmatige lagen uitgespreide kalknaalden. Hier hebben wij een voorbeeld van het geval, dat de afzonderlijke dieren op zich zelf blijven staan en niet tot een kolonie vergroeien; slechts zelden zijn 4-6 individu’s, hoogstens van onderen, door een korten steel met elkaar vereenigd. De dieren zijn 1,5 à 3 centim. lang en 2-5 millim. breed, zij hebben een witte, zilvergrijze of bruingrijze kleur en een krijt- of gipsachtig, brokkelig uiterlijk. Men vindt ze vooral op de vlakke kusten van den noordelijken Atlantischen oceaan en de Noordzee, op donkere plaatsen tusschen planten en zeeschelpen.

Infig. 2zien wij een voorbeeld van dehoornsponsenen wel de bekendste en voor ons belangrijkste van alle sponsen: debad- ofwaschspons(Euspongia officinalis). Levend doet deze zich voor als een bol- of bekervormige, donkere, vleezige klomp, die van buiten met een glimmende laag bedekt is en waarin men een groot aantal trechtervormige uitstroomingsopeningen en velden van poriën ziet, waarvan wij bijfig. O(bladz. 198) de beteekenis verklaard hebben. Zij leeft vooral in de Adriatischezee en aan de kusten van Klein-Azië, waar de sponsen „opgevischt” worden door middel van lange, viertandige vorken, waarmee zij van de rotsen losgemaakt worden. Dan laat men ze eenigen tijd in de lucht liggen, waardoor de eigenlijke geleiachtige lichaamsmassa in rotting overgaat, zoodat slechts het hoornachtige skelet, dat wij als „spons” kennen, overblijft, dat dan verder nog onder water gekneed, uitgewasschen, soms nog gebleekt en daarna gedroogd wordt. Den vorm van de vroegere kolonie en de aanhechtingsplaats aan den bodem kan men aan de meeste sponsen uit den handel nog goed zien.

Den overgang van de hoornsponsen tot de glassponsen vormen dekiezelsponsen, waar de hoofdmassa nog wel hoornachtig is, doch waarin kiezeldeeltjes van den meest uiteenloopenden vorm verspreid liggen. Hiertoe behoort dekurkspons(Suberites massa),fig. 3, die in de Noord- en Middellandsche zee leeft en groote, onregelmatig vertakte massa’s, met gladde oppervlakte, vormt. Zij zijn, na het drogen, zeer broos en breekbaar. In de lichaamsmassa liggen tweeërlei soorten van kiezelnaalden: langere, die aan het ééne uiteinde stomp en in het midden verdikt zijn en andere kortere, zeer fijne. Bovendien zijn er ook S-vormige lichaampjes voorhanden. De hoogte bedraagt 10 tot 12 centim. Een merkwaardige spons van dezelfde afdeeling is deboorspons(Vioa celata) vanfig. 7, uit de Middellandsche zee, die een vertakt lichaam bezit en zich, zooals wij op de plaat zien, in allerlei kalkachtige steenen, schelpen en koraalriffen vastboort, zoodat de steenen geheel doorboord worden en ten slotte uiteenvallen. Hoe dit geschiedt, is nog niet bekend, waarschijnlijk door chemische werking. Zeker is het echter, dat deze boorsponsen, die zeer algemeen voorkomen, een hoogst belangrijke rol spelen bij het uiteenvallen der gesteenten en dat zij zulks reeds in vroegere geologische tijdperken deden.

Tot deze groep der hoorn-kiezelsponsen behooren ook dezoetwatersponsen, die wij vroeger ontmoet hebben (ziebladz. 25).

Infig. 6zien wij een voorbeeld van desteensponsen(zieblz. 199), namelijk: dereuzen-schorsspons(Geodia gigas) uit de Middellandsche zee, bestaande uit een zeer vaste massa, zonder hoornvezels, doch uitsluitend gevormd uit regelmatige, meestal vierstralige of ankervormige kiezellichaampjes van uiterst sierlijken vorm. De oppervlakte is zwavelgeel en bedekt door een donsachtige laag van zeer fijne en breekbare naaldjes, die, bij het aanvatten, in de huid dringen en gevoelige pijn veroorzaken. In de gangen en holten van deze spons leven talrijke kreeften en ringwormen.

Van deglassponsen, wier skeletuitsluitenduit kiezelnaalden bestaat en waarvan de menigvuldigste, uiterst sierlijke vormen, de schoonste van de geheele afdeeling, voorkomen, vinden wij op de plaat twee soorten afgebeeld.Fig. 4is deglasbuissponsofwaterkanspons(Euplectella aspergillum), één der schoonste glassponsen, waarvoor men vroeger hooge sommen betaalde, daar de eenige bekende plaats, waar men ze vond, op een diepte van 200 meters onder den zeespiegel, bij het eiland Cebu, één der Philippijnen, gelegen was. Door de talrijke diepzee-expedities van de laatste 40 jaren werden de glasbuissponsen echter ook elders in menigte opgehaald, zoodat zij tegenwoordig ook in de kleinste verzamelingen te vinden zijn. Het lichaam der kolonie is hol en buisvormig, met een zeefvormig deksel op de bovenste opening en het teere kiezel-vlechtwerk van het skelet, dat, na de reiniging, glasachtig is en een prachtige, doorschijnend witte kleur vertoont, is uit louter tralievormig vergroeide, hoogst sierlijke kiezelnaaldjes gevormd, die zesstralig van bouw zijn en door een kruis van drie, elkaar rechthoekig kruisende, kanaaltjes doorsneden worden. Het lichaam van de spons is 30-40 centim. hoog, hard en broos, en het is meestal in den vorm van een kan of drinkhoren gebogen, die naar onderen smal toeloopt. In de inwendige holte huizen in den regel talrijke parasieten, zooals kreeftjes, garnalen, schelpdieren en wormen. Merkwaardig is ook de glasspons vanfig. 5, deglasspons van Siebold(Hyalonema Sieboldiï), wier huidskelet bestaat uit overlangsche bundels van kiezelnaalden, die elkaar menigvuldig kruisen. Zij wordt 40 centim. hoog en de uitvoeropening is met een onregelmatige zeefplaat bedekt, die bijna steeds door een zeeroos (Palythoa fatua) bewoond wordt. Deze glasspons was vroeger alleen uit Japan bekend, doch later is zij ook in de Europeesche zeeën, op groote diepten, aangetroffen.

En om nu onze gesprekken over de dierenwereld van het water nog met een interessante mededeeling te besluiten, vermelden wij, dat deze glassponsen uit de diepzee de laatste overblijfselen voorstellen van een rijke fauna uit de oudste geologische tijdvakken der aarde, die, vooral tijdens de Jura- en de Krijtformatie, door een onnoemelijk aantal soorten vertegenwoordigd was.

Opmerkingen van de bewerkerHet taalgebruik in dit e-boek, inclusief ongebruikelijke, archaïsche en inconsistente spelling, afbrekingen, etc., is dat van het brondocument, behalve zoals aangegeven onder Veranderingen. Een belangrijke uitzondering is het gebruik van ij/ij en IJ/IJ: beide worden in deze tekst (ook in gespatieerde tekst) consequent als twee letters geschreven, in tegenstelling tot het brondocument, dat de digrafen ij en IJ gebruikt. In sommige bestandstypen kan gespatieerde tekst vervangen zijn door onderstreepte tekst.Veel van de (wetenschappelijke) namen die in dit boek gebruikt zijn zijn in de loop der tijd gewijzigd; in dit e-boek worden de namen gebruikt zoals die in her brondocument vermeld zijn.Gespatiëerde tekstkan in sommige gevallenonderstreeptweergegeven worden.VeranderingenVerschillende overduidelijke kleine typografische, interpunctie-, spellings- en drukfouten zijn stilzwijgend gecorrigeerd. In enkele gevallen zijn termen gespatieerd voor consistentie met vergelijkbare gevallen, en zijn schuingedrukte woorden gespatieerd. De decimale punt is enkele malen vervangen door een decimale komma zoals elders.In het Alfabetisch Register zijn de lage aanhalingstekens „ vervangen door de betreffende woorden, en zijn verschillende kleine verschillen in spelling aangepast aan de spelling zoals die in de tekst gebruikt is.Enkele verwijzingen in de tekst verschilden twee pagina’s met de werkelijke pagina’s. Dergelijke verwijzingen zijn stilzwijgend gecorrigeerd.Blz. 26: Ephidatia fluviatilis veranderd in Ephydatia fluviatilis.Blz. 31: ... het gezelschap op plaat III ... veranderd in ... het gezelschap op plaat II ....Blz. 82: Orchestia littoria veranderd in Orchestia littorea.Blz. 114: Hier dier leeft meestal ... veranderd in Het dier leeft meestal ....Blz. 121: Turrriella changed to Turritella.Blz. 148: Demarara-greanhearthout veranderd in Demarara-greenhearthout.Blz. 162: Asterias glacialïs veranderd in Asterias glacialis.Blz. 163: Ophistrix fragilis veranderd in Ophiotrix fragilis.

Het taalgebruik in dit e-boek, inclusief ongebruikelijke, archaïsche en inconsistente spelling, afbrekingen, etc., is dat van het brondocument, behalve zoals aangegeven onder Veranderingen. Een belangrijke uitzondering is het gebruik van ij/ij en IJ/IJ: beide worden in deze tekst (ook in gespatieerde tekst) consequent als twee letters geschreven, in tegenstelling tot het brondocument, dat de digrafen ij en IJ gebruikt. In sommige bestandstypen kan gespatieerde tekst vervangen zijn door onderstreepte tekst.

Veel van de (wetenschappelijke) namen die in dit boek gebruikt zijn zijn in de loop der tijd gewijzigd; in dit e-boek worden de namen gebruikt zoals die in her brondocument vermeld zijn.

Gespatiëerde tekstkan in sommige gevallenonderstreeptweergegeven worden.

Veranderingen

Verschillende overduidelijke kleine typografische, interpunctie-, spellings- en drukfouten zijn stilzwijgend gecorrigeerd. In enkele gevallen zijn termen gespatieerd voor consistentie met vergelijkbare gevallen, en zijn schuingedrukte woorden gespatieerd. De decimale punt is enkele malen vervangen door een decimale komma zoals elders.

In het Alfabetisch Register zijn de lage aanhalingstekens „ vervangen door de betreffende woorden, en zijn verschillende kleine verschillen in spelling aangepast aan de spelling zoals die in de tekst gebruikt is.

Enkele verwijzingen in de tekst verschilden twee pagina’s met de werkelijke pagina’s. Dergelijke verwijzingen zijn stilzwijgend gecorrigeerd.

Blz. 26: Ephidatia fluviatilis veranderd in Ephydatia fluviatilis.

Blz. 31: ... het gezelschap op plaat III ... veranderd in ... het gezelschap op plaat II ....

Blz. 82: Orchestia littoria veranderd in Orchestia littorea.

Blz. 114: Hier dier leeft meestal ... veranderd in Het dier leeft meestal ....

Blz. 121: Turrriella changed to Turritella.

Blz. 148: Demarara-greanhearthout veranderd in Demarara-greenhearthout.

Blz. 162: Asterias glacialïs veranderd in Asterias glacialis.

Blz. 163: Ophistrix fragilis veranderd in Ophiotrix fragilis.


Back to IndexNext