HOOFDSTUK XI.Het Engelsche Positivisme.§30.Inleidende opmerkingen.In elk der drie groote cultuurlanden, Duitschland, Frankrijk, Engeland, hebben we een eigenaardige geestesrichting ontmoet. In Engeland, het land met den nuchteren zin, dat den blik op het practische richtte, was het empirisme in een of anderen vorm steeds heerschend. Daar verbond zich ook de wijsbegeerte licht met politiek en staathuishoudkunde: in het land met aloude volksvrijheden was de belangstelling levendig voor kwesties van staatsbestuur, en snelle ontwikkeling op het gebied van handel en industrie bracht onwillekeurig de aandacht op staathuishoudkundige vragen.Wat beeld vertoont Engeland ons in de jaren van Kant, Hegel, Comte?De stormen der revolutie waren er overheen gegaan. Het had Napoleon met àl zijn macht bestreden en tal van oorlogen hadden veel van de natie gevraagd; hadden de aandacht meer op het buiten- dan op het binnenland gericht. Weldra echter kwam—na Napoleon’s val—beweging, een schijnbaar politieke, maar inderdaadeen economische … Napoleon had met zijn continentaal stelsel een belangrijken slag toegebracht aan Engelands handel en nijverheid: de invoer van waren uit Engeland of door Engelsche schepen naar het vasteland was verboden. Toen nu Napoleon naar St. Helena was verbannen, het continentaal stelsel was opgeheven, overstroomde Engeland de andere Europeesche landen met zijn voortbrengselen. En deze, die daardoor eigen bedrijf een felle, bijna doodende mededinging zagen aangedaan, bouwden een beschermenden muur om hun land: zij hieven hoogere invoerrechten! Verslappende invloed op Engelands nijverheid: werkeloosheid; door afdanking van arbeiders armoede tot hongerlijdens toe. Het graan duur. Beschermende rechten weren den vrijen invoer van buitenlandsch graan. Engeland, tot nu óók een landbouwenden staat, doormaakt de crisis tot modernen nijverheidsstaat. De machines ontrooven een deel der arbeiders ook nog van hun werk. Hongeroptochten, indrukwekkende meetings, maar ook dreigende storing van orde. Regeering en parlement zien alleen het laatste, achten alleen orde-handhaving plicht van de overheid, en de ordewordtgehandhaafd, waar noodig, zelfs waar niet noodig, met geweld en in bloed, en over lijken heen. Bedwinging aldus van onlusten en bij terugkeerende welvaart herstel van uitwendige rust; maar geen inwendige vrede. De katholieken nog steeds niet geheel vrij en van staatsambten uitgesloten. Het kiesstelsel voor het Lagerhuis een bespotting van wat het behoort te zijn. Sommige oude stadjes, oude burchten, vaardigen een afgevaardigde af, gekozen door misschien een tiental kiezers of nog minder. Nijvere, volkrijke steden, later opgekomen, niet in de gelegenheid om hare verlangens in ’t parlement kenbaar te maken.Hervorming van ’t kiesrecht, afschaffing der korenwetten, bevrijding der katholieken, ziehier de drie groote dingen, die men vraagt, waarvoor men pleit. Een groep radicale denkers ontstaat, die op godsdienstig, politiek, maatschappelijk, wijsgeerig terrein samenwerken, in de “Westminster review” weldra hun orgaan vinden.Met deze groep denkers houden we ons eerst bezig. Bentham is hier te noemen, die de leer welke Adam Smith (I, pag. 325) opgesteld heeft voor de economie, uitbreidt over het heele leven. James Mill, die de psychologie van de 18de eeuw voortzet, verdiept. Zijn zoon, John Stuart Mill is de centrale denker van dezen tijd: wijsgeer, maar ook practisch staatsman, maar ook publicist, die met zijn pen en scherp en helder denken verlichting en vrijheid dient. Centraal, wijl ook in hem alle draden van ’t Engelsche leven uit dien tijd samenloopen. Hij wordt geboren en opgevoed in den kring, die de 18de-eeuwsche aufklärung voortzet. Hij vindt in zijn eigen persoon de breuk, het failliet van het stelsel. De invloed van den hartstochtelijken, somberen denker Carlyle, die in Engeland de reactie op de aufklärung, het dichterlijk idealisme van Duitschland vertegenwoordigt, openbaart hem de waarde der levende persoonlijkheid. Aan Comte’s leer trekt hij zich nu naar boven. En ook de vereering van de vrouw ontbreekt niet.§ 31.Bentham, James Mill.Bentham behoort eigenlijk meer thuis in een geschiedenis der rechten, maar ook als ethicus heeft hij beteekenis.Jeremias Bentham (1748–1832) stelde zich de vraag, van welk beginsel onze zedelijke inzichten moesten uitgaan en vond dat hierin, dat elk mensch lust boven leed verkoos. Het kwam er dus maar op aan,om voor het grootst aantal menschen het grootst mogelijke geluk te vinden. De groote vraag is nu hoe de eenling er toe gebracht wordt, om ook het geluk van anderen te willen. Smith had op staathuishoudkundig gebied geleerd, dat het in ’t algemeen voor ’t geheel ’t best uitkwam, wanneer ieder zijn eigen belang op zijn eigen wijze zocht. Er zou dan een samenspel en evenwicht van belangen ontstaan, waarbij niet een, maar allen welvoeren. Welnu, ditzelfde ziet Bentham op ethisch gebied gebeuren. De verstandige mensch ziet in, dat hij anderen niet kan missen, dat zij hem moeten bijstaan, om zijn geluk te vormen. De openbare meening keurt verder die dingen goed, welke in het algemeen belang zijn en naarmate de ontwikkeling voortschrijdt, zal inzicht in ’t algemeen belang grooter worden. Dan zullen dus ook juister oordeelen geveld worden door de publieke opinie. En deze is een macht, wordt dat meer en meer, drijft dus ook den mensch tot handelen in ’t algemeen welzijn.Wij zien hier dus de scherpst mogelijke tegenstelling tusschen Kant en Bentham. Beide hoofdrichtingen zijn in de ethiek der 19de eeuw blijven bestaan. Maar niet zonder toenaderingen, verzoeningspogingen. Kants rigorisme, dat eigenlijk alleen het plichtmatige handelen tegen de neiging in, zedelijke waarde toekent, wordt verlaten door velen die andere zijner grondgedachten aanhangen. En omgekeerd zal niet ieder, die overigens nauwe verwantschap vertoont met de utilisten en de associatiepsychologen, het ontstaan der belangstelling, die den enkeling tot het algemeen welzijn voert, op dezelfde wijze verklaren als Bentham.Geven we uit het heden twee voorbeelden Paulsen—Höffding.Paulsen, de schrijver van een bekend stelsel van zedeleer (System der Ethik) die zich in zijn kennistheorie eng bij Kant aansluit en overigens zeker dichter bij Kant dan bij de Engelsche Utilisten staat, gaat niet mee met Kant’s algemeene geldigheid van het zedelijk beginsel. Ook hij baseert zich op het welvaartsbeginsel. De zedelijke wetten zijn ervaringswetten. Het heillooze van den leugen bijv. berust op het groote nadeel voor het gemeenschapsleven. Maar zou de leugen ook nog verwerpelijk zijn als hij steeds bedrieger en bedrogene tot heil strekte? “De zaak is den mensch werkelijk niet zoo gemakkelijk gemaakt, dat een hem inwonend vermogen, practische rede of geweten genaamd, met een eenvoudige inrichting (het brengen van een bijzonder geval onder een algemeenen regel) zijn leven onfeilbaar zou leiden.” Wel bestrijdt hij het hedonisme dat volgens hem in Bentham en Mill te voorschijn treedt. Daartegenover stelt hij het energisme. Het hedonisme zegt: het hoogste goed is lust. Het energisme zegt: leven is handelen en het hoogste goed is gelegen in een bepaalde wijze van handelen en leven. “Ik geloof, dat het recht op de zijde van het energisme is. De analytische zielkunde dwaalt, wanneer zij meent, dat overal de voorstelling van lust de beweegreden voor menschelijk handelen is.” Tot zoover Paulsen.De auteur van een ander, veelgelezen handboek der ethiek, deKopenhager Hoogleeraar Höffding, sluit zich zéér eng aan bij Bentham, maar wijzigt diens leer, door den overgang tot behartiging van ’s naasten belangen anders te verklaren.Hij meent dat er tusschen Bentham en Kant een verzoening is te vinden, welke hij beproeft te geven.Bentham, (die zelf een zeer belangelooze persoonlijkheid was, spoedig tot medelijden met anderen bewogenen dus ook in dat opzicht met Helvetius overeenstemde, wiens werken hij hoogschatte en met wiens leer de zijne overeenkomst vertoont), trad ook met veel kracht op tegen het Engelsche recht, dat, met zijn vele sluipwegen een waar doolhof was, onvatbaar voor een leek, leidde tot dure en lange processen, en dan nog niet altijd voldoende rechtszekerheid gaf1. Hij eischte codificatie (’t woord is van hem afkomstig) der wetten zoodanig, dat ieder ze kon verstaan. Van stemrechtverbetering was hij een warm voorstander.Bentham, die in een conservatieve omgeving opgevoed was, Karel I als een martelaar, alle revolutie als duivelswerk had leeren beschouwen, kwam door zijn latere leer in lijnrechten strijd met de orthodoxen op kerkelijk, met de conservatieve Tories op staatkundig gebied. Maar reeds verwijdert hij zich van den aufklärungstijd en het revolutieïdeaal; niet de rechten van den mensch, maar die der gemeenschap erkent hij en slechts dáár heeft het individu recht, waar dat recht strekt tot heil der gemeenschap, waar het meewerkt, om het grootst mogelijk geluk voor het grootste aantal te bewerkstelligen.James Mill.Uit geheel andere kringen was de latere vriend en medestander van Bentham James Mill afkomstig. Deze, den 6 April 1773 in Zuid-Schotland geboren, was de zoon van een dorpsschoenmaker en een meer ontwikkelde moeder. Door haar invloed vooral werd James voor studie bestemd, daarin later voortgeholpen door een vermogend edelman, Sir John Stuart. Theologiestudie beviel hemniet. Op dertigjarigen leeftijd gaat hij naar Londen. Moeilijke tijden wachten. Met harden arbeid moet hij voor zich en zijn steeds talrijker wordend gezin het brood verdienen. Zijn hervormingsgezind streven lijdt daarbij echter geen schade.Zijn geschiedenis van Britsch-Indië toont welk een uitnemend kenner van Indische toestanden hij is. Hij komt in dienst der Oostindische compagnie, die “gebruik maakt van zijn kennis en zijn critiek niet vreest.” Tot hooger posten opgeklommen, krijgt hij een meer onbezorgd bestaan en kan zich aan zijn studies blijven wijden en werkzaam zijn voor de kiesrechthervorming. Hij was dit niet alleen door zijn geschriften, maar ook door zijn woord, door zijn invloed op een hem omringende groep van jongelui. Van uit zijn studeerkamer nam hij leidend deel aan den slag, die eindigde met de overwinning; in 1832 moesten de lords hun verzet opgeven en de “reform-bill” aannemen, die beter kiesrecht schonk. Mill, practischer dan Bentham, had nog niet op algemeen kiesrecht aangedrongen, maar slechts hervorming en uitbreiding tot den middenstand gewenscht; met de toeneming van ontwikkeling zou er dan ook verdere uitbreiding van kiesrecht kunnen komen.Voor de wijsbegeerte ligt Mills beteekenis op zielkundig gebied door zijn werk: “Ontleding van den geest.” (Analysis of the Mind) waarin hij de associatietheorie verder ontwikkelde. Gaan we nog even na, wat deze inhoudt.Het kan zijn, dat een waargenomen voorwerp u aan een ander doet denken, een portret van den persoon aan hem die het voorstelt, een schouwburg aan den Amsterdamschen enz. Wij zeggen dan, dat die beide voorstellingen geassocieerd zijn en wij hebben hier eenassociatie door gelijkheid.Hoort ge de beginwoorden van een bekend vers, dan komen u de volgende in ’t bewustzijn. Ge hebt die woorden herhaaldelijk na elkander opgenomen, er is een associatie ontstaan. Twee dingen kunnen ook tegelijk bestaan en waargenomen worden: de meubels van een kamer bijv. Stelt ge u dan het bureau voor dan kunt ge komen tot de boekenkast, de gordijnen, enz. Dit is een associatie dooraanraking, aanraking in ruimte of tijd.Voor Mill bestaat nu eigenlijk alleen de aanrakingsassociatie. Tot haar brengt hij alle verschijnselen op zielkundig gebied terug. De associatie ishetpsychologisch verschijnsel, het verschijnsel bij uitnemendheid.Bentham had zijn geheele ethiek ontwikkeld van uit één beginsel, lust gaat boven onlust. Mill bouwt eveneens op één beginsel zijn geheele zielkunde: wat eens waargenomen, ervaren is, kan gereproduceerd worden, als een waarneming, die er mee geassocieerd is, weer wordt gedaan. Het bewustzijn wordt dus beheerscht door de ervaring, door dat, wat zich aan de waarneming aanbiedt. Deze geeft de enkelvoudige voorstellingen en door de verbinding van deze ontstaan alle verdere bewustzijnsverschijnselen: fantasie, oordeelen, gevoel, willen. In laatste instantie wordt het voelen dus door de waarneming beheerscht. Dus is er ook mogelijkheid, een bepaalde richting te geven aan het menschelijk geestesleven, als de opvoeding, de maatschappij, de wetgever maar zorgen voor bepaalde voorstellingen en voorstellingscomplexen.De associatiepsychologie kon allereerstkritischwerken. Tal van oordeelen, op godsdienstig, maatschappelijk en politiek gebied, die den radicalen als vooroordeelen golden, konden ontleed worden, er kon aangetoond worden, dat zij op verbinding vanbepaalde voorstellingen berustte en men kon den oorsprong daarvan gaan zoeken.Maar zij kon ookopbouwendwerken, waar zij de mogelijkheid aangaf, op de toekomst in te werken. Zoo kon een der aanhangers er bijv. toe komen opvoeding te definieeren als het aanbrengen van gewenschte associaties.§ 32.Thomas Carlyle.Geen wijsgeer in engeren zin. Geen dichter ook. Geen politicus. Een letterkundige, maar een die in kunst levensdoel noch hoogste levensuiting zag. Een historieschrijver, maar die niet de methodische, critische behandeling van historiestukken en bronnen toepaste zooals nu de historicus. Maar een levende verbinding van velerlei elementen, die op heel het Engelsche denken machtig gewerkt heeft en hier behoort, omdat hij de levende reactie belichaamt tegen het realisme, wijl hij Duitschland, Duitschland’s éénige dichter Goethe vooral—maar ook zijn denkers—doet spreken tot Engeland. Die man was geen Engelschman maar behoorde tot het zwijgende, sombere, ernstig-werkende, matige, meer aan de Germanen verwante volk der Schotten. Hij werd 1795 in Zuid-Schotland geboren, studeerde te Edinburg, was bezig met onderwijs geven, verdiende daarna zijn onderhoud met literairen broodarbeid en woonde sedert 1834 bij Londen in Chelsea tot ’t einde van zijn leven.Een trouwe steun, wier zelfopoffering hij niet doorzag en die hij tot zijn ontzetting eerst na haar dood uit haar dagboek leerde kennen, vond hij in zijn vrouwJaneWelsh.Tot de merkwaardigste werken van Carlyle uit wijsgeerigoogpunt behooren Sartor resartus, Verleden en Heden (past and present) en zijn studies over de Duitschers, en verder Helden en Heldenvereering.2Carlyle, godsdienstig opgevoed, onderging den invloed der utilistische levensbeschouwing, die hem ten slotte de wereld als dood en ledig liet zien. Merkwaardig is zijn breuk hiermee, door hem zelf beschreven. Op een wandeling in 1821 komt hij tot verzet tegen die opvatting. Hij durft erneentegen zeggen. Het eeuwig-ik is een gedurig protest tegen de mechanische theorieën. Carlyle was oorspronkelijk geloovig geweest. Hij had zijn hoop en geloof laten varen. Hij was onder den invloed van het utilisme gekomen. Maar vollen vrede had hij daarbij niet kunnen vinden. Hij had dit steeds beschouwd als een overblijfsel van zijn vroeger geloof, als een nawerking, die hij bestrijden moest.Bij al zijn strijd echter was zijn eigen ik, zijn persoonlijkheid blijven bestaan. Deze was iets anders dan een bundel samenwerkende voorstellingen, haar streven niet alleen een begeerte naar lust. Het bestaan der levende persoonlijkheid lógenstrafte de theorieën der associatie zielkunde en der utilisten. Er was een persoonlijkheidskern. En daardoor kon hij néén zeggen tegen de leer, waarvan hij zich los worstelt. Het zal wel lang duren, voor op het eeuwig néén het eeuwig jà volgt, voor de rechte weg gevonden is. Maar—hij is terug van den verkeerden weg. Het eeuwige néén is begin van Nieuw leven.Hier zien wij Carlyle één met Fichte.Hem schijnt de natuur slechts een reeks verschijnselen,het is het kleed der godheid. Hij erkent, evenals de Duitsche idealisten, achter de verschijnselen een werkelijkheid. De verhouding tot die werkelijkheid isreligie.“Het is in alle opzichten waar, dat het voornaamste in den mensch zijn godsdienstig geloof is. Ik versta hier niet onder geloof de kerkleer, die hij belijdt, de geloofsartikelen, die hij wil onderschrijven en in kerkleer of anderszins openlijk bevestigt, dit niet geheel en in menig opzicht dit geheel niet. Wij zien menschen van alle geloofsbelijdenissen tot bijna iederen graad van waardigheid of onwaardigheid geraken. Dit noem ik geen geloof, dit belijden en beweren, dat dikwijls slechts een belijden en beweren is uit de buitenwerken van den mensch, uit de streek van louter verstandelijke redeneering, of uit nog oppervlakkiger deelen. Maar hetgeen een mensch werkelijk gelooft; en dat geschiedt dikwijls genoeg zonder dat hij het beweert zelfs tegenover zichzelf, veel minder tegenover anderen; wat iemand metterdaad ter harte neemt, en wat hij voor zeker houdt aangaande zijn levensbetrekking tot dit geheimzinnig heelal en zijn plicht en bestemming daarin, dat is in alle omstandigheden voor hem het voornaamste en daaruit komt al het overige voort. Dat is zijnreligie.”Het komt dus op de persoonlijke verhouding aan tot het achter de verschijnselen liggende.Opethischgebied heeft Carlyle evenmin vrede met het utilisme. Een paar pagina’s uit Helden en Heldenvereering zullen dit duidelijk maken:“Toen ik onlangs, zonder het mij te hebben voorgenomen, sprak over Bentham’s theorie over den mensch en ’s menschen leven, noemde ik haar terloops een armzaliger stelsel dan dat van Mahomed. Ik voel mij verplicht te zeggen, nu dat eenmaal is uitgesproken,dat zulks mijn besliste meening is. Niet dat iemand een beleediging zou bedoelen tegen den persoon van Jeremias Bentham, of tegen degenen, die hem achten en gelooven; Bentham zelf en zelfs zijn geloofsrichting schijnen mij vergelijkender wijs lofwaardig toe. Het is een welbewustzijn, wat de geheele wereld op een lafhartige, halfslachtige manier bezig was teworden. Laat het tot een crisis komen, wij zullen of den dood of de genezing verkrijgen. Ik noem deze grove, machinale Nuttigheidsleer een toenadering tot nieuw geloof. Het was een afleggen van huichelarij, een tot zichzelf zeggen: welnu, deze wereld is een doode, ijzeren machine; haar god is zwaartekracht en zelfzuchtige Honger; laat ons beproeven, wat er met remmen, met in evenwicht houden, met een goed samenstel van tanden en rondsels van gemaakt kan worden. Er is iets volledigs, iets mannelijks in de wijze waarop het Benthamisme uitkomt voor wat het waarheid acht; gij kunt het Heldhaftig noemen, ofschoon het een Heldenmoed is metuitgestoken oogen! Het is het hoogtepunt en het onverschrokken Ultimatum van wat in een minder volledigen vorm het gansche bestaan van den mensch in die achttiende eeuw beheerschte. Mij schijnt het toe, dat alle ontkenners van het goddelijke, en alle geloovigen met den mond, verplicht zijn, indien zij moed en eerlijkheid bezitten, aanhangers van Bentham te zijn. De leer van Bentham is Heldenmoed metuitgestoken oogen; het menschelijk geslacht, evenals een ongelukkige Simson, met uitgestoken oogen malende in den Philistijnschen molen, grijpt stuiptrekkend de pijlers van zijn molen; stort alles in puin, maar brengt toch eindelijke bevrijding. Van Bentham bedoelde ik niets kwaads te zeggen.“Maar dit zeg ik en zou ik willen, dat iedereen,wist en ter harte nam, dat hij, die niets dan werktuigelijkheid in het Heelal waarneemt, op de noodlottigste wijze het geheim van het Heelal heeft gemist. Dat alle goddelijkheid zou verdwijnen uit ’s menschen begrip omtrent dit Heelal, schijnt mij letterlijk de grofste dwaling,—ik wil het Heidendom niet onteeren door het een Heidensche dwaling te noemen—waartoe menschen kunnen vervallen. Het is niet waar, het is onwaar tot in de diepste kern. Een mensch, die zoo denkt, zalverkeerddenken over alle dingen in de wereld; deze moederzonde trekt alle overige gevolgtrekkingen aan, die hij kan maken. Men zou het de erbarmelijkste van alle zinsbegoochelingen kunnen noemen,—hekserij zelfs niet uitgesloten. Hekserij vereert ten minste een baarlijken Duivel; maar deze leer dient een dooden Duivel van ijzer, noch God, noch zelfs een Duivel. Al wat edel, goddelijk, bezield is, valt hierbij uit het leven weg. Daar blijft alom in het leven een verachtelijk doodshoofd staan, het werktuigelijke hulsel gespeend van alle ziel. Hoe kan een mensch heldhaftig handelen? De “Leer der Drijfveeren” zal hem leeren dat het,—onder meerdere of mindere bedekking,—niets is dan een ellendig verlangen naar genot en vrees voor pijn; dat Honger naar toejuiching, naar geld of welk voedsel ook, het einddoel is van ’s menschen bestaan. Godloochening kortom—iets, dat zich zelf inderdaad vreeselijk straft. Ik bedoel, dat de mensch geestelijk een verlamde is geworden; dit goddelijk Heelal een doode, werktuigelijke stoommachine, gedreven door drijfveeren, remmen, evenwichten en ik weet niet wat al meer.”Ook opsociaalgebied is Carlyle de man der persoonlijkheid. Hij ziet niet het eenig heil in kiesrechthervorming en afschaffing van graanrechten.Wat hij eischt, is het persoonlijk element tusschen werkgever en werknemer. Aangrijpend schildert hij de sociale ellende in zijn “PastandPresent,” dat met Schiller’s “Ernst is het leven” tot motto, in 1843 verscheen. Het gevoel van saamhoorigheid, van broederschap is onder de menschen verdwenen: Een arme vrouw kan alleen haar zusterschap bewijzen door aan typhus te sterven. Eerst als zij door haar ziekte eengevaarwordt, begint men naar haar om te zien. Als zij een bron van besmetting is, dàn begrijpt men, dat zij een mènsch is van gelijke beweging: eerder niet.In Carlyle’sgeschiedenisopvatting komt dit zelfde persoonlijke element tot zijn recht; hier ook vestigt hij de aandacht op de helden. De helden, het zijn de voerders van het menschelijk geslacht, de voorbeelden. Het zijn niet slechts de krijgshelden, maar ook de helden, die denker, dichter, profeet waren.Voor wat de menigte zocht te bereiken, zijn zij de eerste vormers. In het gemoed der groote mannen zijn de werken, die wij rondom ons in de wereld zien, ontsprongen. In hen werken stille krachten, die ten slotte de rijpe vrucht in de wereld doen verschijnen. De held vindt de verborgen gedachten der tijden, die hij, door woord of voorbeeld den menschen verkondigt en daardoor brengt hij ze vooruit. En vooral in ònzen tijd hebben we ze noodig, om ons te redden uit den socialen nood.Zoo groot was zijn vereering van helden, dat hij op zijn ouden dag het wederopstaan van het Duitsche rijk begroetend met blijdschap, het annexeeren van Elzas-Lotharingen verdedigend, in Bismarck een held zag. Hoogelijk waardeerde hij diens eigenhandigen gelukwensch op zijn 80sten verjaardag en terwijl hij de Bath-orde afwees, accepteerde hij de orde van Pruisen: “Pourle mérite.”3Misschien klemde hij zich daarom zoo gretig vast aan dit verschijnsel omdat het hoop gaf en steun aan zijn geschiedenisbeschouwing, die hij anders in het heden niet kon vinden. Hij ziet slechts weinige helden, onze tijden zijn zwak, onze menschen weinig geneigd tot ernstigen arbeid. Half doordachte woorden schrijft men en spreekt men, onrijpe gedachten worden verkondigd, het zwijgen, het stille zijn is verleerd—bewondering, eerbied is verdwenen. Of niet het lichaamslijden, waaraan Carlyle voortdurend leed, invloed heeft uitgeoefend op zijn stemmingen?Op elk gebied, wijsgeerig, ethisch, sociaal, historisch, legt Carlyle dus den nadruk op het persoonlijke.Hij is de reactie der persoonlijkheid tegen het utilisme en positivisme, tegen de filosofie van oorzaken en werkingen.Met zijn eerbied voor de persoonlijkheid nadert Carlyle intusschen niet Nietzsche’s ideaal: dat de grooten, de helden hetdoelder geschiedenis zijn, aan welks verwezenlijking allen ondergeschikt zijn. Zij zijn destuwende krachtenin de historie. “Heldenvereering,indien gij wilt, maar dan, vrienden, hierin vooral bestaande, dat wij zelven een heldengeest bezitten. Een heele wereld van Helden, geen wereld van lakeien, waar geen heldenkoning kan regeeren, dàt bedoelen wij.“Ja, vrienden …. heldenkoningen, een heele wereld niet onheldhaftig, dat is de veilige en gelukkige haven, waarheen de Opperste machten ons drijven door deze stormbewogen zeeën. Naar die haven willenwij, o vrienden, laten alle trouwe menschen, welk vermogen ook in hen zij … daarheen drijven. Daar—of anders in den afgrond van den oceaan—zullen wij komen!”§ 33.John Stuart Mill.Leven en Persoonlijkheid.De beroemder zoon van een beroemden vader werd 20 Mei 1806 geboren, en ontving z’n opvoeding van deze. Een merkwaardige opvoeding, waaronder zwakker kind bezweken zou zijn, en die ook voor Mill haar schaduwzijden had. Op drie-jarigen leeftijd begint hij met Grieksch, op tien-jarigen met Latijn; wiskunde, algemeene geschiedenis, natuurkunde, zedeleer, economie, logica, al die dingen is de jonge John Stuart meester op een tijd, dat een ander jongeling nauwelijks het bestaan van sommige dier wetenschappen vermoedt. Een verblijf in 1820 in Zuid-Frankrijk doet hem goed, verruimt zijn blik. Zijn opvoeding is John Stuart blijven prijzen en hij meende, dat èlk kind die zou kunnen doormaken. Doch herhaalde zwaktetoestanden en tijden van zenuwoverspanning, gebrek aan geheugen voor positieve feiten, schijnen wel in verband te staan met die vroegrijpe ontwikkeling. Spel ontbrak. Was er tijd, zoo waren de kameraadjes er niet. In 1822 komt Mill onder invloed van Bentham’s leer, die hem bekoorde door hare logische samenvattende helderheid. Met andere bekwame lui grondvest hij een genootschap voor utilisme, en een debatingclub, waar tal van vraagstukken worden behandeld. In 1823 komt hij inIndia-housein dienst van het besturend lichaam der O. I. Compagnie. Geldzorgen, als zijn vader gekend had, blijven hem bespaard. Hij klimt op tothoogere salarissen (ten slotte ƒ 24.000) bij een werktijd (nominaal 6 uren, werkelijk 3 uren), die hem tijd laat voor studie. Als in 1858 het bestuur der koloniën aan den staat overgaat, weigert Mill in staatsdienst te treden. Een jaarlijksch pensioen van ƒ 18.000 stelt hem in staat, onbekommerd te leven.Bij Mill vertoont zich in 1826 een merkwaardige crisis: hij gevoelt zich als lamgeslagen. Hij, gewend om alles analytisch te beschouwen, verliest alle belangstelling. De wereld schijnt hem dood, hij voelt zich zelf een automaat. Wat baat hem al zijn kennis, zijn scherp ontledend vermogen, als geen stuwende begeerten aanwezig zijn. Hij is als een schip, dat, goed uitgerust en met een roer, doch zonder zeil, niet voortkomt. Lichamelijk lijden voegt zich er bij. De slaap wijkt. Maar er komt herstel. Bij zijn lectuur stoot hij op een passage, die hem tot schreiens toe beweegt. Hij is dus niet zoo dood, zoo ongevoelig als hij meende: hij kon nog deernis gevoelen met menschenlot en menschenleed.In dezen tijd maakt hij kennis met meer conservatief gezinde geesten, wiens conservatisme meer voornaamheid van stemming en gezindheid was, dan ijver, om het nieuwe te weren uit egoïstisch hangen aan ’t oude.De waarde van poëzie en kunst wordt hem—die overigens steeds een sterk en levendig gevoel voor natuurschoon had bezeten—bewust. Hij heeft gezien, dat ze iets anders waren, dan Bentham’s nuchtere beschouwing had geleerd. Mill heeft desubjectieve zijdevan het leven gevonden.En meteen is hij in nadere aanraking met het socialisme gekomen. Hij sluit zich niet bij de theorieën aan, door een Saint Simon, een Fournier verkondigd, maar ondergaat haar invloed, maar weet ze te waardeeren, als heilzaam tegengif.In de jaren omstreeks 1840 valt dan een nadere kennismaking met Comte. Bijna zonder critiek, geeft Mill zich aan diens stelsel over, geïnspireerd door den stouten opzet der drie stadiën, de kloeke wetenschapsindeeling, de stellige beslistheid van Comte’s uitspraken. Maar, als deze laatste religiestichter wordt, scheiden zich de wegen der denkers, scheiding, uiterlijk te voorschijn geroepen door Comte’s eisch, om de ondersteuning, hem door Mill voor eenmaal bezorgd, blijvend te genieten, zoolang hij zonder betrekking was.In 1843 verschijnt het hoofdwerk van Mill, zijn beroemde logica. Daarnaast staan nog een groot aantal werken en opstellen, waarvan vele zich meer op sociaal-economisch gebied bewegen. Zijn belangstelling voor deze studies schrijft Mill voor een groot gedeelte toe aan zijn latere vrouw.Deze was eerst gehuwd met een zekeren heer Taylor. Mill bezocht haar geregeld. Hij bewonderde haar geest, haar belangstelling, haar aandacht voor persoonlijke dingen, vroeg ook om haar oordeel bij zuiver theoretische discussies. In haar vond hij de aanvulling van wat hem ontbrak en daardoor misschien heeft hij in haar zooveel meer gezien dan zijn kennissen. Zijn familie verzette zich hardnekkig tegen Mills genegenheid, maar toen Taylor gestorven was, huwde hij haar en leidde een hoogst gelukkig leven tot den dood van zijn vrouw in ’58. Van toen af was voor hem de grootste bekoring van het leven weg. Hij bleef intusschen ijverig werken. Van 1865 tot 1867 was hij lid van het lagerhuis, waar hij zich aansloot bij den linkervleugel der liberale partij onder Gladstone. Geen groot redenaar, oefende hij toch een weldadigen invloed uit. Gladstone getuigde van hem: “De bijzondere gaven van Mill waren ons al vóór hijin het parlement kwam wèl bekend. Maar wat ons daar, mij tenminste geopenbaard werd, was de ongewone adel van zijn karakter. Ik pleegde hem zoo schertsenderwijze “den heilige van het rationalisme” te noemen. Ik behoef niet te zeggen, dat ik zijn verschijnen met vreugde begroette en zijn verdwijnen diep beklaagde, en wel in het belang van het geheele Lagerhuis. In elke partij, in elke politieke richting, zijn zulke mannen—ik moet het met smart bekennen—zeldzaam.”Het laatste deel van zijn leven bracht Mill, die in zijn stiefdochter een vriendelijke verzorgster van zijn huis had gevonden, gaarne in Avignon, in ’t Zuiden van Frankrijk, door. Hier overleed hij den 5den Mei 1873, een der grootste en edelste geesten der 19de eeuw, wiens levensbeschrijving elkeen een leering zou kunnen zijn en wiens werken wezenlijk tot vooruitgang van het menschelijk denken hebben bijgedragen. Wenden we ons allereerst tot zijn hoofdwerk: de logica.Logica. Het empirisch standpunt.Zoo we in dit kort bestek een compleet overzicht gaven van Mill’s Logica, die niet zeer beknopt is,4zou dat niet veel meer worden dan een opsomming van titels der hoofdstukken. Bepalen we ons er toe, enkele punten aan te wijzen.Mill staat in zijn logica op empirisch standpunt. Hij wil alles uit de ervaring afleiden. Nemen we bijv. de wiskundige waarheden, waaraan wij volkomen nauwkeurigheid, noodwendigheid, algemeene geldigheid toekennen. We zeggen bijv. dat twee lijnen,die evenwijdig zijn, elkaar nooit zullen snijden, hoe ver we ze ook verlengen. De ervaring heeft ons vaak evenwijdige lijnen gegeven. We hebben die nooit zien samenkomen. Wegeneraliseerendus, maken de waargenomen gevallen tot een algemeen verschijnsel. “Er blijft over te vragen, wat de grond is van ons geloof in axioma’s, welke de inductie, waarop zij berusten? Ik antwoord dat zij proefondervindelijke waarheden zijn; generalisatie’s van waarnemingen.”Hun noodwendigheid is het gevolg van herhaald waarnemen, van vaste associaties. “Er is geen meer algemeen bekend feit in de menschelijke natuur, dan de uiterste moeilijkheid om op ’t eerste gezicht iets als mogelijk te begrijpen dat in tegenspraak is met een ervaring, die ons gewoon is en lang bestaan heeft.Deze moeilijkheid is een noodwendig gevolg van de fundamenteele wetten van den menschelijken geest. Wanneer wij dikwijls twee dingen samen gezien of gedacht hebben en wij ze in geen geval gescheiden hebben gezien, dan is het volgens de grondwet der associatie een ontzettende moeilijkheid, welke ten slotte onoverkomelijk wordt, om ze gescheiden te denken.Dit komt het meest uit bij onontwikkelde personen, die in het algemeen absoluut niet in staat zijn om twee dingen, welke in hunnen geest stevig verbonden zijn, te scheiden,5en zoo menschen met een ontwikkeld verstand in dit opzicht eenigen voorspronghebben, dan komt dit, omdat zij meer gezien, gehoord en gelezen hebben, en daar zij er meer aan gewoon zijn, hunne verbeelding te oefenen, hebben zij hunne waarnemingen en gedachten op verschillende wijzen samengesteld, en zijn zij er voor behoed, om vele dezer onverbrekelijke verbindingen te vormen. Maar deze voorsprong heeft noodwendiger wijze zijn grenzen.De man van het meest geoefende verstand is onderworpen aan de algemeene wetten van ons opvattend vermogen. Zoo dagelijksche gewoonte hem gedurende langen tijd twee feiten geeft te aanschouwen, die samengaan, en hij gedurende dien tijd door geenerlei voorval of bedoeling er toe gebracht is, om ze afzonderlijk te denken, zal hij er, gedurende verloop van tijd onbekwaam toe worden, zelfs bij de sterkste inspanning; en de veronderstelling, dat de twee feiten in de natuur zouden kunnen gescheiden worden, zal ten slotte in zijn geest optreden met al de kenmerken van een onbegrijpelijk verschijnsel. Daarvan zijn in de geschiedenis der wetenschap merkwaardige gevallen: voorbeelden, dat de verstandigste menschen dingen als onmogelijk, wijl onbegrijpelijk verwierpen, die het nageslacht … gemakkelijk vond te begrijpen en die nu door iedereen voor waar erkend worden.”Zelfs de twee grondwetten van ons denken worden door Mill uit de ervaring afgeleid. Dat wij ons steeds moeten denken, dat A en niet-A elkaar buitensluiten, en dat er tusschen A en niet-A geen derde mogelijk is, wordt een generalisatie genoemd. “Indien wijonze opmerkzaamheid naar buiten richten, vinden wij, dat licht en duisternis, geluid en stilte, beweging en rust, gelijkheid en ongelijkheid, voorafgaan en volgen, opeenvolging en gelijktijdigheid, eenig positief verschijnsel, wat dan ook, en zijn negatief onderscheidene verschijnselen zijn, die juist tegenover elkaar staan, en dat het eene altijd afwezig is, wanneer het andere aanwezig is. Ik beschouw dan ook het grondbeginsel, waar ’t hier om gaat, (het beginsel van de tegenspraak: A en niet-A kunnen niet tegelijkertijd bestaan) als een generalisatie uit al deze feiten.”Al onze oordeelen berusten ten slotte op ervaring. Herhaaldelijk zegt Mill, dat de afleiding slechts gaat van het bijzondere tot het bijzondere. Zoo we dus in eenigerlei redeneering deductief te werk gaan, zoo eenige wetenschap deductief is, dan ligt er toch aan de algemeene grondbeginselen, die het uitgangspunt vormen, bewust of onbewust, inductie ten grondslag.Uit deze beschouwingen volgt, dat deductieve wetenschappen … alle, zonder uitzondering, inductieve wetenschappen zijn; dat hare inductie op ervaring berust. Hare gevolgtrekkingen zijn alleen waar als berustend op zekere veronderstellingen, die de waarheid benaderen of dat althans behooren te doen, maar die zelden, indien ooit, volkomen waar zijn.Voor Mill verliezen dus ook de wiskundige wetenschappen hun absoluut zeker karakter, ook zij berusten op veronderstellingen, die de waarheid zoo nauwkeurig mogelijk benaderden.Causaliteit.Zeer groote verdiensten heeft Mill zich verworven door na te gaan, in welke gevallen wij een bepaald verschijnsel de oorzaakvan een ander noemen. Hij heeft daarvoor de wetenschappen geraadpleegd, en gevraagd: wanneer noemt men daar iets oorzaak? Mill vindt nu vijf regels. Geven wij eerst de voorbeelden, daarna de formuleering.1. We vinden in de natuur verschillende kristallen.6We zullen nagaan, onder welke omstandigheden kristallen ontstaan. Een reeks van gevallen zien wij. In allerlei vloeistoffen, in allerlei stoffen, onder verschillende temperaturen, in onderscheidene omgeving zien wij kristallen ontstaan. Maar in al die gevallen is iets gemeenschappelijks. Dit nl., dat kristallen alleen ontstaan, wanneer een of andere stof in eenvloeistofis. We nemen dus aan, dat het zijn in een vloeistof een voorwaarde voor het ontstaan van kristallen, een oorzaak of althans een medeoorzaak is.We kunnen de verschillende omstandigheden door letters voorstellen, A, B, C, D, enz., het verschijnsel door V, dat dus het gevolg moet zijn van een of meer dier omstandigheden. We kunnen ’t nu aldus overzichtelijk voorstellen.A,B,C,D,……….VA,E,F,G,……….VA,H,I,K,……….VA,oorzaak ……….VIn al die omstandigheden treedt het verschijnsel op: V. Wat ze gemeen hebben is A. Dit is dus de oorzaak of medeoorzaak van V:Geformuleerd luidt de regel:Indien twee of meer gevallen van het te onderzoeken verschijnsel slechts één omstandigheid gemeen hebben, dan is die omstandigheid, waarin alleen de gevallen overeenstemmen, de oorzaak (of het gevolg) van het gegeven verschijnsel.Er is echter één groote moeilijkheid om dezen regel toe te passen. Men weet namelijk nooit, of er ook onbekende omstandigheden zijn, die de oorzaak kunnen zijn. Nemen we een eenvoudig voorbeeld. Een goochelaar heeft een doosje, waarin een popje, dat soms het deksel opendoet, en er uit springt. Het doet dit alleen, wanneer er met het zwarte stokje van den toovenaar drie maal in ’t rond gezwaaid is, ’tzij de man ’tzelf, ’tzij een der kinderen ’t doet.De omstandigheden, waaronder dit verschijnsel, ’t openspringen van het kistje, optreedt, stemmen alleen schijnbaar overeen in ’t zwaaien van het stokje en de kinderen, die dit zien, houden met hunne gegevens dat zwaaien terecht voor de oorzaak van het openspringen. De kinderen hebben de omstandigheid, die de werkelijke oorzaak is (bijv. het drukken op een knopje) niet gezien.In het dagelijksch leven zal men dus deze methode zeer veelvuldig onjuist zien toegepast, waar men de aanwezigheid van een bepaalde omstandigheid in velerlei gevallen opmerkt, deze als de oorzaak aanneemt, zonder er om te denken, of men alle andere omstandigheden volledig kent. Maar ook in de geschiedenis der wetenschap komt het voor, dat men bepaalde omstandigheden over ’t hoofd ziende, een verkeerde omstandigheid als oorzaak aannam.2. Iemand wordt geschoten, hij sterft. Wij meenen dat de door het schot veroorzaakte wonde de doodsoorzaak is. Er was eerst een groep omstandigheden, waaronder de man leefde. Daar is een tweede groep, waaronder de man sterft. Die tweede groepverschiltvan de eerste alleen door de wonde. Deze is de oorzaak. Dit is de methode van verschil en wij kunnen dezen regel opstellen:Indien een geval, waarin het te onderzoeken verschijnsel zich voordoet, met een geval, waarin het zich niet voordoet, alle omstandigheden, behalve één, gemeen heeft, die alleen optreedt in het eerste geval, dan is de omstandigheid, waarin de twee gevallen verschillen, de uitwerking, de oorzaak of een gedeelte van de oorzaak van het verschijnsel.Brengen wij dit verschijnsel onder een schema, dan krijgen wijA,B,C,D,E,…………………VB,C,D,E,……………. nietVAoorzaak of medeoorzaak vanV.3.7Stel dat we eenige akkers hebben. Drie er van zijn bemest met chili-salpeter, vier er van zijn onbemest gebleven. De drie eerste leveren een veel beter oogst dan de vier laatste. Waarin stemmen dedrie akkers o. a. overeen? Dat ze chilisalpeter hebben. (Ze stemmen misschien ook overeen in grondsoort, ligging, besproeiing). En waarin verschillen die vier andere akkers van de andere drie: dat ze geen van allen bemest zijn. De omstandigheid, die dus optreedt in alle gevallen waarin zich het verschijnsel voordoet, blijft afwezig in alle gevallen, waarin het verschijnsel zich niet voordoet. De omstandigheid wordt nu voor de waarschijnlijke oorzaak of medeoorzaak van het verschijnsel gehouden.Deze vereenigde methode van verschil en overeenstemming kunnen we aldus voorstellenA,B,C,D,…………………VA,B,C,E,…………………VB,F,G,……………. nietVB,C,H,……………. nietVAwaarschijnlijke oorzaak …VNaar Heymans’ gewijzigde formuleering luidt ze:Wanneer twee of meer gevallen, in welke een nieuwe toestand intreedt, een of meer omstandigheden gemeen hebben daaronder slechts een, welke in twee of meer gevallen, waarin de nieuwe toestand niet intreedt, ontbreekt, zoo verklaart men die omstandigheid voor de waarschijnlijke oorzaak of medeoorzaak van den nieuw intredenden toestand.Opm.Mill wil dat de gevallen, waarin de toestand optreedt, slechts alleen in de ééne omstandigheid zullen overeenstemmen en dat de gevallen, waaronder het verschijnsel niet optreedt, eveneens slechts één ding gemeen hebben, nl. de afwezigheid van de omstandigheid aanwezig in de eerste gevallen. Voor Mill wordt dus het schemaA,B,C,D,…………………VA,E,F,G,…………………VQ,R,S,……………. nietVT,U,V,……………. nietVAoorzaak of medeoorzaak vanV4. We hebben een groep omstandigheden en een groep verschijnselen. We weten, van vroeger, dat sommige omstandigheden de oorzaak zijn van sommige verschijnselen. Trekken we af, dan kunnen we zeggen, dat de overblijvende omstandigheden de oorzaken zijn der overblijvende verschijnselen.Deze methode, die van het overblijvende, is een wijziging der tweede, haar schemaA,B,C,D,………VA,B,C,D,E,………V+V1Eoorzaakmede-oorz.V1Haar regel luidt:Trek van eenig verschijnsel dat gedeelte af, dat door voorgaande inductie bekend is als het gevolg van zekere omstandigheden, en het overblijfsel van het verschijnsel is gevolg van de overblijvende omstandigheden.5. Het gebeurt wel eens, dat we een vermoede oorzaak niet kunnen verwijderen noch in alle gevallen, waarin het verschijnsel optreedt, deze alleen als gemeenschappelijke omstandigheid hebben. Willen we den invloed van de aarde op de slingerbeweging nagaan, dan kunnen wij de aarde niet wegnemen. Evenmin is de aarde alleen de gemeenschappelijke omstandigheid in alle gevallen, waarin er een slingerbeweging plaats vindt. De zon bijv. is ook altijd aanwezig.Dit zelfde geval doet zich voor, waar wij den invloed van de maan op de aarde willen bestudeeren: zij is niet weg te denken, noch alleen als gemeenschappelijke omstandigheid in alle verschijnselen (bijv. die van eb en vloed) aanwezig. Welke is hier de weg om tot kennis te geraken? De vermeende oorzaak kan in verschillende graden optreden. De slingerbeweging kan aan de linie en aan de polen plaats vinden, dichter of verder van het middelpunt der aarde af. De maan staat niet altijd even dicht bij de aarde en haar invloed is niet steeds even sterk. Wanneer nu, met veranderingen in den graad van het verschijnsel ook gelijkrichtige veranderingen in den graad van de omstandigheden, waarin het zich voordoet, gepaard gaan, kunnen wij die omstandigheden houden voor oorzaak of medeoorzaak. Voor dit punt krijgen wij dit schema:A1,B,C,D,…………………V1A2,B,C,E,…………………V2A3,B,C,F,…………………V3Aoorzaak of mede-oorzaak vanVOnder woorden gebracht:Een verschijnsel, dat op eenigerlei wijze verandert, wanneer een ander verschijnsel op eenige manier verandert, is of de oorzaak of het gevolg van dat verschijnsel, of is er door eenig feit van oorzakelijk verband mee verbonden.John Mill heeft op deze wijze aangewezen hoe de wetenschappen te werk gaan, wanneer zij de oorzaken van gegeven verschijnselen onderzoeken. Hij heeft deze wetten niet opgesteld, zonder zijn voorgangers gehad te hebben. Bacon met zijn tabellen had aleenig vermoeden der methode van verschillen, en de groote sterrekundige Herschel gaf reeds zeer belangrijke aanwijzigingen in deze richting.Denkfouten.Een uitvoerig en interessant onderzoek wijdt Mill aan de denkfouten, ook daarmee een navolger en voortzetter van Bacon’s werk. Bacon had reeds gewezen op de idólen, op de dwaalbegrippen, waarvan wij ons moeten zuiveren, om tot juiste kennis te komen. Mill tracht nu een indeeling te ontwerpen van de gebruikelijkste fouten. Hij zondert natuurlijk zulke uit, die ontstaan uit gebrek aan belangstelling, onattentheid enz. en die we dagelijks veelvuldig zien voorkomen. De eerste groep vormen die oordeelen welke wij zóó maar, zonder behoorlijken grond aannemen. Daartoe behooren bijv. volstrekt onbewezen bijgeloovigheden, als dat Vrijdag een ongeluksdag is; algemeene uitspraken zonder grond (dat is altijd zoo geweest, en zal altijd zoo blijven), enz.Vervolgens kan de fout zitten in de redeneering en de afleiding, allereerst door gebrekkig waarnemen. Men let soms alleen op de gevallen waarin een ding uitkomt, niet op die, waarin ’t niet doorgaat.Men ziet omstandigheden over ’t hoofd, die juist gewichtig zijn. Iemand moet bijv. een rustkuur doormaken en neemt in dien tijd ook geneesmiddelen in. Hij zal aan de laatste zijn herstel toeschrijven, zonder aan de rust, die hem zooveel goed deed te denken.De derde groep toont ons de generalisatie.Van één feit, of eenige feiten, schrijdt men voort tot een regel: een fout, door reizigers bijv. dikwijls begaan, die uit een paar gevallen besluiten tot iets algemeens. Zij zien in een streek bijv. eenige menschen met rood haar: in die streek zijn de menschen roodharig.Kinderen zijn er erg gauw bij, om ons vanaltijdte spreken, als iets één of een paar maal is voorgekomen.Beide, onvoldoende waarneming en generalisatie, zijn inductie-fouten. Wanneer we in een deductieve redeneering een fout maken, krijgen we redeneer-fouten. Een heel eenvoudig voorbeeld is dit: Alle visschen zijn zwemmende dieren. Alle zwemmende dieren zijn visschen. In dezen krassen vorm komen ze wel niet vaak voor, maar in ingewikkelde redeneeringen wordt toch dikwijls dezelfde fout begaan.8Ten slotte berusten vele fouten op verwarring, waaraan vooral de taal schuld kan zijn. Sterke drank geeft sterkte!Zoo een redeneering als deze:Plannenmakers moet men niet te zeer vertrouwen.Hij heeft een plan gemaakt.Men moet hem niet vertrouwen.De fout zit hierin, dat onder plannenmaken thans iets anders verstaan wordt dan iemand die een plan maakt. Zeer dikwijls dekken de feitelijke beteekenis van het woord en zijn afkomst elkaar niet meer. Sommigen weten reeds door een afkeurend woord te gebruiken, aan hun redeneeringen een schijn van waarheid te geven.9In het laatste geval heeft men dus, in tegenstelling van de drie voorgaande gevallen, zich de gronden van waar men uitging, niet helder voorgesteld.Schematisch samengesteld krijgen wij dus een overzicht van de denkfouten, dat er aldus uitziet:Ethologie.Mill wil ook de methoden nagaan van andere wetenschappen, die hij op positieve basis wil vestigen. Er moet komen een wetenschap van den menschelijken geest. Het is mogelijk om een karakterleer van den mensch te ontwerpen door toepassing en combinatie der algemeene beginselen.Voor ongelijkheid door aanleg, had Mill weinig oog. Dat blijkt al uit zijn opmerking, dat ieder gewoon kind bij zijn opvoeding ’t even ver had kunnen brengen. En ook op een ander punt houdt hij die gelijkheid vol: hij ziet in het verschil tusschen man en vrouw geen eigenlijk wezensverschil. Man en vrouw zijn van nature gelijk: slechts de eeuwenlange anders zijnde opvoeding heeft de vrouw vernederd, ze intellectueel de mindere van den man gemaakt.Mill heeft over ethica, politiek en economie nog zeer behartigenswaardige werken en artikelen geschreven, die blijk geven van zijn groote kennis en scherpverstand. Het zou ons te ver voeren, hierop in te gaan. Genoeg, dat hij in de ethiek in hoofdpunten de leer van zijn vader en van Bentham trouw bleef. In de politiek bleef hij een radicaal die volksvrijheden bepleitte, en die hoe langer zoo meer begon in te zien, dat maatschappelijke vragen nog ernstiger waren dan politieke, en die zich tegen het opkomend Socialisme vrijer verhield dan menig zijner tijdgenooten en geestverwanten. Terwijl hij meende een echt volgeling te zijn van Adam Smith was hij dit inderdaad niet meer. Het blijke uit het volgende: “Wanneermen kiezen moest tusschen het Communisme met al zijn kansen en den tegenwoordigen toestand der maatschappij met al haar lijden en ongerechtigheden,…wanneerde instelling van het persoonlijk bezit met zich bracht als een noodzakelijk gevolg, dat de opbrengst van den arbeid zoo verdeeld werd, als dat thàns geschiedt—bijna in omgekeerde evenredigheid met den arbeid—dan zouden alle bezwaren van het Communisme niets meer wegen dan kaf in de weegschaal …”Ten opzichte der religie bleef Mill’s standpunt onzeker, maar in ’t laatst van zijn leven komt hij toch meer tot waardeering van den godsdienst.In Engeland stichtte Mill wel geen eigenlijke school, maar hij had medestanders die in zijn geest werkten. Alexander Bain, een bekend zielkundige en schrijver van goede werken over de leiders van het Utilisme, verdient hier genoemd te worden naast den ouderen Whewell, den schrijver van een verdienstelijke geschiedenis der wetenschappen.1Dickens, die in zijn romans zoovele Engelsche misstanden gehekeld heeft, geeft op sommige rechtstoestanden interessante kijkjes, bijv. in David Copperfield.↑2Vertaling met inleiding en aanteekening in de Wereld-Bibliotheek.↑3Pruisische ridderorde die, behoudens zeer enkele uitzonderingen, alleen aan hoogst verdienstelijke mannen gegeven wordt en daarom nog waarde heeft. In ons land zijn o. a. de prof. De Goeie en Lorentz ridder in die orde. Er zijn een twintigtal buitenlandsche ridders.↑4Om een denkbeeld te geven van den omvang: de logica, zou, in de Wereld-bibliotheek gedrukt, ongeveer 10 nummers bevatten.↑5Het dagelijksch leven biedt van Mill’s opmerking talrijke, eenvoudige, treffende voorstellingen. Het was vroeger sommige menschen niet mogelijk zich een predikant zonder hoogen hoed te denken.Het is een Duitscher bijv. bijna niet mogelijk om zich onsopenbaar onderwijs zonder godsdienstonderricht voor te stellen.Tal van ontwikkelde menschen kunnen zich niet losmaken van de idee, dat socialisten “alles willen deelen” of anarchisten alleen bommengooiers zijn.↑6In de wetenschap verstaat men onder kristallen lichamen, begrensd door een bepaald stelsel van vlakken, die onder bepaalde hoeken op elkaar staan, bijv. kandijklontjes, sneeuwvlokken, zoutkorrels.↑7Zooals Mill dezen regel toelicht, komt hij niet voor in ’t gegeven denken. Hij wordt hier met een wijziging voorgedragen, ontleend aan Heymans: “Gezetse und Elemente des menschlichen Denkens.”↑8Een aardig voorbeeld uit de kinderwereld. “Grootvader gaat vertellen, want hij steekt een pijp op en altijd als grootvader vertelt, rookt hij.”↑9Stel dat men bepleit, dat eendrankzuchtig ambtenaarniet ontslagen, maar verpleegd hoort te worden, en dat nu gevraagd wordt: wat nut er in steekt een “dronken vent” te handhaven.↑
HOOFDSTUK XI.Het Engelsche Positivisme.§30.Inleidende opmerkingen.In elk der drie groote cultuurlanden, Duitschland, Frankrijk, Engeland, hebben we een eigenaardige geestesrichting ontmoet. In Engeland, het land met den nuchteren zin, dat den blik op het practische richtte, was het empirisme in een of anderen vorm steeds heerschend. Daar verbond zich ook de wijsbegeerte licht met politiek en staathuishoudkunde: in het land met aloude volksvrijheden was de belangstelling levendig voor kwesties van staatsbestuur, en snelle ontwikkeling op het gebied van handel en industrie bracht onwillekeurig de aandacht op staathuishoudkundige vragen.Wat beeld vertoont Engeland ons in de jaren van Kant, Hegel, Comte?De stormen der revolutie waren er overheen gegaan. Het had Napoleon met àl zijn macht bestreden en tal van oorlogen hadden veel van de natie gevraagd; hadden de aandacht meer op het buiten- dan op het binnenland gericht. Weldra echter kwam—na Napoleon’s val—beweging, een schijnbaar politieke, maar inderdaadeen economische … Napoleon had met zijn continentaal stelsel een belangrijken slag toegebracht aan Engelands handel en nijverheid: de invoer van waren uit Engeland of door Engelsche schepen naar het vasteland was verboden. Toen nu Napoleon naar St. Helena was verbannen, het continentaal stelsel was opgeheven, overstroomde Engeland de andere Europeesche landen met zijn voortbrengselen. En deze, die daardoor eigen bedrijf een felle, bijna doodende mededinging zagen aangedaan, bouwden een beschermenden muur om hun land: zij hieven hoogere invoerrechten! Verslappende invloed op Engelands nijverheid: werkeloosheid; door afdanking van arbeiders armoede tot hongerlijdens toe. Het graan duur. Beschermende rechten weren den vrijen invoer van buitenlandsch graan. Engeland, tot nu óók een landbouwenden staat, doormaakt de crisis tot modernen nijverheidsstaat. De machines ontrooven een deel der arbeiders ook nog van hun werk. Hongeroptochten, indrukwekkende meetings, maar ook dreigende storing van orde. Regeering en parlement zien alleen het laatste, achten alleen orde-handhaving plicht van de overheid, en de ordewordtgehandhaafd, waar noodig, zelfs waar niet noodig, met geweld en in bloed, en over lijken heen. Bedwinging aldus van onlusten en bij terugkeerende welvaart herstel van uitwendige rust; maar geen inwendige vrede. De katholieken nog steeds niet geheel vrij en van staatsambten uitgesloten. Het kiesstelsel voor het Lagerhuis een bespotting van wat het behoort te zijn. Sommige oude stadjes, oude burchten, vaardigen een afgevaardigde af, gekozen door misschien een tiental kiezers of nog minder. Nijvere, volkrijke steden, later opgekomen, niet in de gelegenheid om hare verlangens in ’t parlement kenbaar te maken.Hervorming van ’t kiesrecht, afschaffing der korenwetten, bevrijding der katholieken, ziehier de drie groote dingen, die men vraagt, waarvoor men pleit. Een groep radicale denkers ontstaat, die op godsdienstig, politiek, maatschappelijk, wijsgeerig terrein samenwerken, in de “Westminster review” weldra hun orgaan vinden.Met deze groep denkers houden we ons eerst bezig. Bentham is hier te noemen, die de leer welke Adam Smith (I, pag. 325) opgesteld heeft voor de economie, uitbreidt over het heele leven. James Mill, die de psychologie van de 18de eeuw voortzet, verdiept. Zijn zoon, John Stuart Mill is de centrale denker van dezen tijd: wijsgeer, maar ook practisch staatsman, maar ook publicist, die met zijn pen en scherp en helder denken verlichting en vrijheid dient. Centraal, wijl ook in hem alle draden van ’t Engelsche leven uit dien tijd samenloopen. Hij wordt geboren en opgevoed in den kring, die de 18de-eeuwsche aufklärung voortzet. Hij vindt in zijn eigen persoon de breuk, het failliet van het stelsel. De invloed van den hartstochtelijken, somberen denker Carlyle, die in Engeland de reactie op de aufklärung, het dichterlijk idealisme van Duitschland vertegenwoordigt, openbaart hem de waarde der levende persoonlijkheid. Aan Comte’s leer trekt hij zich nu naar boven. En ook de vereering van de vrouw ontbreekt niet.§ 31.Bentham, James Mill.Bentham behoort eigenlijk meer thuis in een geschiedenis der rechten, maar ook als ethicus heeft hij beteekenis.Jeremias Bentham (1748–1832) stelde zich de vraag, van welk beginsel onze zedelijke inzichten moesten uitgaan en vond dat hierin, dat elk mensch lust boven leed verkoos. Het kwam er dus maar op aan,om voor het grootst aantal menschen het grootst mogelijke geluk te vinden. De groote vraag is nu hoe de eenling er toe gebracht wordt, om ook het geluk van anderen te willen. Smith had op staathuishoudkundig gebied geleerd, dat het in ’t algemeen voor ’t geheel ’t best uitkwam, wanneer ieder zijn eigen belang op zijn eigen wijze zocht. Er zou dan een samenspel en evenwicht van belangen ontstaan, waarbij niet een, maar allen welvoeren. Welnu, ditzelfde ziet Bentham op ethisch gebied gebeuren. De verstandige mensch ziet in, dat hij anderen niet kan missen, dat zij hem moeten bijstaan, om zijn geluk te vormen. De openbare meening keurt verder die dingen goed, welke in het algemeen belang zijn en naarmate de ontwikkeling voortschrijdt, zal inzicht in ’t algemeen belang grooter worden. Dan zullen dus ook juister oordeelen geveld worden door de publieke opinie. En deze is een macht, wordt dat meer en meer, drijft dus ook den mensch tot handelen in ’t algemeen welzijn.Wij zien hier dus de scherpst mogelijke tegenstelling tusschen Kant en Bentham. Beide hoofdrichtingen zijn in de ethiek der 19de eeuw blijven bestaan. Maar niet zonder toenaderingen, verzoeningspogingen. Kants rigorisme, dat eigenlijk alleen het plichtmatige handelen tegen de neiging in, zedelijke waarde toekent, wordt verlaten door velen die andere zijner grondgedachten aanhangen. En omgekeerd zal niet ieder, die overigens nauwe verwantschap vertoont met de utilisten en de associatiepsychologen, het ontstaan der belangstelling, die den enkeling tot het algemeen welzijn voert, op dezelfde wijze verklaren als Bentham.Geven we uit het heden twee voorbeelden Paulsen—Höffding.Paulsen, de schrijver van een bekend stelsel van zedeleer (System der Ethik) die zich in zijn kennistheorie eng bij Kant aansluit en overigens zeker dichter bij Kant dan bij de Engelsche Utilisten staat, gaat niet mee met Kant’s algemeene geldigheid van het zedelijk beginsel. Ook hij baseert zich op het welvaartsbeginsel. De zedelijke wetten zijn ervaringswetten. Het heillooze van den leugen bijv. berust op het groote nadeel voor het gemeenschapsleven. Maar zou de leugen ook nog verwerpelijk zijn als hij steeds bedrieger en bedrogene tot heil strekte? “De zaak is den mensch werkelijk niet zoo gemakkelijk gemaakt, dat een hem inwonend vermogen, practische rede of geweten genaamd, met een eenvoudige inrichting (het brengen van een bijzonder geval onder een algemeenen regel) zijn leven onfeilbaar zou leiden.” Wel bestrijdt hij het hedonisme dat volgens hem in Bentham en Mill te voorschijn treedt. Daartegenover stelt hij het energisme. Het hedonisme zegt: het hoogste goed is lust. Het energisme zegt: leven is handelen en het hoogste goed is gelegen in een bepaalde wijze van handelen en leven. “Ik geloof, dat het recht op de zijde van het energisme is. De analytische zielkunde dwaalt, wanneer zij meent, dat overal de voorstelling van lust de beweegreden voor menschelijk handelen is.” Tot zoover Paulsen.De auteur van een ander, veelgelezen handboek der ethiek, deKopenhager Hoogleeraar Höffding, sluit zich zéér eng aan bij Bentham, maar wijzigt diens leer, door den overgang tot behartiging van ’s naasten belangen anders te verklaren.Hij meent dat er tusschen Bentham en Kant een verzoening is te vinden, welke hij beproeft te geven.Bentham, (die zelf een zeer belangelooze persoonlijkheid was, spoedig tot medelijden met anderen bewogenen dus ook in dat opzicht met Helvetius overeenstemde, wiens werken hij hoogschatte en met wiens leer de zijne overeenkomst vertoont), trad ook met veel kracht op tegen het Engelsche recht, dat, met zijn vele sluipwegen een waar doolhof was, onvatbaar voor een leek, leidde tot dure en lange processen, en dan nog niet altijd voldoende rechtszekerheid gaf1. Hij eischte codificatie (’t woord is van hem afkomstig) der wetten zoodanig, dat ieder ze kon verstaan. Van stemrechtverbetering was hij een warm voorstander.Bentham, die in een conservatieve omgeving opgevoed was, Karel I als een martelaar, alle revolutie als duivelswerk had leeren beschouwen, kwam door zijn latere leer in lijnrechten strijd met de orthodoxen op kerkelijk, met de conservatieve Tories op staatkundig gebied. Maar reeds verwijdert hij zich van den aufklärungstijd en het revolutieïdeaal; niet de rechten van den mensch, maar die der gemeenschap erkent hij en slechts dáár heeft het individu recht, waar dat recht strekt tot heil der gemeenschap, waar het meewerkt, om het grootst mogelijk geluk voor het grootste aantal te bewerkstelligen.James Mill.Uit geheel andere kringen was de latere vriend en medestander van Bentham James Mill afkomstig. Deze, den 6 April 1773 in Zuid-Schotland geboren, was de zoon van een dorpsschoenmaker en een meer ontwikkelde moeder. Door haar invloed vooral werd James voor studie bestemd, daarin later voortgeholpen door een vermogend edelman, Sir John Stuart. Theologiestudie beviel hemniet. Op dertigjarigen leeftijd gaat hij naar Londen. Moeilijke tijden wachten. Met harden arbeid moet hij voor zich en zijn steeds talrijker wordend gezin het brood verdienen. Zijn hervormingsgezind streven lijdt daarbij echter geen schade.Zijn geschiedenis van Britsch-Indië toont welk een uitnemend kenner van Indische toestanden hij is. Hij komt in dienst der Oostindische compagnie, die “gebruik maakt van zijn kennis en zijn critiek niet vreest.” Tot hooger posten opgeklommen, krijgt hij een meer onbezorgd bestaan en kan zich aan zijn studies blijven wijden en werkzaam zijn voor de kiesrechthervorming. Hij was dit niet alleen door zijn geschriften, maar ook door zijn woord, door zijn invloed op een hem omringende groep van jongelui. Van uit zijn studeerkamer nam hij leidend deel aan den slag, die eindigde met de overwinning; in 1832 moesten de lords hun verzet opgeven en de “reform-bill” aannemen, die beter kiesrecht schonk. Mill, practischer dan Bentham, had nog niet op algemeen kiesrecht aangedrongen, maar slechts hervorming en uitbreiding tot den middenstand gewenscht; met de toeneming van ontwikkeling zou er dan ook verdere uitbreiding van kiesrecht kunnen komen.Voor de wijsbegeerte ligt Mills beteekenis op zielkundig gebied door zijn werk: “Ontleding van den geest.” (Analysis of the Mind) waarin hij de associatietheorie verder ontwikkelde. Gaan we nog even na, wat deze inhoudt.Het kan zijn, dat een waargenomen voorwerp u aan een ander doet denken, een portret van den persoon aan hem die het voorstelt, een schouwburg aan den Amsterdamschen enz. Wij zeggen dan, dat die beide voorstellingen geassocieerd zijn en wij hebben hier eenassociatie door gelijkheid.Hoort ge de beginwoorden van een bekend vers, dan komen u de volgende in ’t bewustzijn. Ge hebt die woorden herhaaldelijk na elkander opgenomen, er is een associatie ontstaan. Twee dingen kunnen ook tegelijk bestaan en waargenomen worden: de meubels van een kamer bijv. Stelt ge u dan het bureau voor dan kunt ge komen tot de boekenkast, de gordijnen, enz. Dit is een associatie dooraanraking, aanraking in ruimte of tijd.Voor Mill bestaat nu eigenlijk alleen de aanrakingsassociatie. Tot haar brengt hij alle verschijnselen op zielkundig gebied terug. De associatie ishetpsychologisch verschijnsel, het verschijnsel bij uitnemendheid.Bentham had zijn geheele ethiek ontwikkeld van uit één beginsel, lust gaat boven onlust. Mill bouwt eveneens op één beginsel zijn geheele zielkunde: wat eens waargenomen, ervaren is, kan gereproduceerd worden, als een waarneming, die er mee geassocieerd is, weer wordt gedaan. Het bewustzijn wordt dus beheerscht door de ervaring, door dat, wat zich aan de waarneming aanbiedt. Deze geeft de enkelvoudige voorstellingen en door de verbinding van deze ontstaan alle verdere bewustzijnsverschijnselen: fantasie, oordeelen, gevoel, willen. In laatste instantie wordt het voelen dus door de waarneming beheerscht. Dus is er ook mogelijkheid, een bepaalde richting te geven aan het menschelijk geestesleven, als de opvoeding, de maatschappij, de wetgever maar zorgen voor bepaalde voorstellingen en voorstellingscomplexen.De associatiepsychologie kon allereerstkritischwerken. Tal van oordeelen, op godsdienstig, maatschappelijk en politiek gebied, die den radicalen als vooroordeelen golden, konden ontleed worden, er kon aangetoond worden, dat zij op verbinding vanbepaalde voorstellingen berustte en men kon den oorsprong daarvan gaan zoeken.Maar zij kon ookopbouwendwerken, waar zij de mogelijkheid aangaf, op de toekomst in te werken. Zoo kon een der aanhangers er bijv. toe komen opvoeding te definieeren als het aanbrengen van gewenschte associaties.§ 32.Thomas Carlyle.Geen wijsgeer in engeren zin. Geen dichter ook. Geen politicus. Een letterkundige, maar een die in kunst levensdoel noch hoogste levensuiting zag. Een historieschrijver, maar die niet de methodische, critische behandeling van historiestukken en bronnen toepaste zooals nu de historicus. Maar een levende verbinding van velerlei elementen, die op heel het Engelsche denken machtig gewerkt heeft en hier behoort, omdat hij de levende reactie belichaamt tegen het realisme, wijl hij Duitschland, Duitschland’s éénige dichter Goethe vooral—maar ook zijn denkers—doet spreken tot Engeland. Die man was geen Engelschman maar behoorde tot het zwijgende, sombere, ernstig-werkende, matige, meer aan de Germanen verwante volk der Schotten. Hij werd 1795 in Zuid-Schotland geboren, studeerde te Edinburg, was bezig met onderwijs geven, verdiende daarna zijn onderhoud met literairen broodarbeid en woonde sedert 1834 bij Londen in Chelsea tot ’t einde van zijn leven.Een trouwe steun, wier zelfopoffering hij niet doorzag en die hij tot zijn ontzetting eerst na haar dood uit haar dagboek leerde kennen, vond hij in zijn vrouwJaneWelsh.Tot de merkwaardigste werken van Carlyle uit wijsgeerigoogpunt behooren Sartor resartus, Verleden en Heden (past and present) en zijn studies over de Duitschers, en verder Helden en Heldenvereering.2Carlyle, godsdienstig opgevoed, onderging den invloed der utilistische levensbeschouwing, die hem ten slotte de wereld als dood en ledig liet zien. Merkwaardig is zijn breuk hiermee, door hem zelf beschreven. Op een wandeling in 1821 komt hij tot verzet tegen die opvatting. Hij durft erneentegen zeggen. Het eeuwig-ik is een gedurig protest tegen de mechanische theorieën. Carlyle was oorspronkelijk geloovig geweest. Hij had zijn hoop en geloof laten varen. Hij was onder den invloed van het utilisme gekomen. Maar vollen vrede had hij daarbij niet kunnen vinden. Hij had dit steeds beschouwd als een overblijfsel van zijn vroeger geloof, als een nawerking, die hij bestrijden moest.Bij al zijn strijd echter was zijn eigen ik, zijn persoonlijkheid blijven bestaan. Deze was iets anders dan een bundel samenwerkende voorstellingen, haar streven niet alleen een begeerte naar lust. Het bestaan der levende persoonlijkheid lógenstrafte de theorieën der associatie zielkunde en der utilisten. Er was een persoonlijkheidskern. En daardoor kon hij néén zeggen tegen de leer, waarvan hij zich los worstelt. Het zal wel lang duren, voor op het eeuwig néén het eeuwig jà volgt, voor de rechte weg gevonden is. Maar—hij is terug van den verkeerden weg. Het eeuwige néén is begin van Nieuw leven.Hier zien wij Carlyle één met Fichte.Hem schijnt de natuur slechts een reeks verschijnselen,het is het kleed der godheid. Hij erkent, evenals de Duitsche idealisten, achter de verschijnselen een werkelijkheid. De verhouding tot die werkelijkheid isreligie.“Het is in alle opzichten waar, dat het voornaamste in den mensch zijn godsdienstig geloof is. Ik versta hier niet onder geloof de kerkleer, die hij belijdt, de geloofsartikelen, die hij wil onderschrijven en in kerkleer of anderszins openlijk bevestigt, dit niet geheel en in menig opzicht dit geheel niet. Wij zien menschen van alle geloofsbelijdenissen tot bijna iederen graad van waardigheid of onwaardigheid geraken. Dit noem ik geen geloof, dit belijden en beweren, dat dikwijls slechts een belijden en beweren is uit de buitenwerken van den mensch, uit de streek van louter verstandelijke redeneering, of uit nog oppervlakkiger deelen. Maar hetgeen een mensch werkelijk gelooft; en dat geschiedt dikwijls genoeg zonder dat hij het beweert zelfs tegenover zichzelf, veel minder tegenover anderen; wat iemand metterdaad ter harte neemt, en wat hij voor zeker houdt aangaande zijn levensbetrekking tot dit geheimzinnig heelal en zijn plicht en bestemming daarin, dat is in alle omstandigheden voor hem het voornaamste en daaruit komt al het overige voort. Dat is zijnreligie.”Het komt dus op de persoonlijke verhouding aan tot het achter de verschijnselen liggende.Opethischgebied heeft Carlyle evenmin vrede met het utilisme. Een paar pagina’s uit Helden en Heldenvereering zullen dit duidelijk maken:“Toen ik onlangs, zonder het mij te hebben voorgenomen, sprak over Bentham’s theorie over den mensch en ’s menschen leven, noemde ik haar terloops een armzaliger stelsel dan dat van Mahomed. Ik voel mij verplicht te zeggen, nu dat eenmaal is uitgesproken,dat zulks mijn besliste meening is. Niet dat iemand een beleediging zou bedoelen tegen den persoon van Jeremias Bentham, of tegen degenen, die hem achten en gelooven; Bentham zelf en zelfs zijn geloofsrichting schijnen mij vergelijkender wijs lofwaardig toe. Het is een welbewustzijn, wat de geheele wereld op een lafhartige, halfslachtige manier bezig was teworden. Laat het tot een crisis komen, wij zullen of den dood of de genezing verkrijgen. Ik noem deze grove, machinale Nuttigheidsleer een toenadering tot nieuw geloof. Het was een afleggen van huichelarij, een tot zichzelf zeggen: welnu, deze wereld is een doode, ijzeren machine; haar god is zwaartekracht en zelfzuchtige Honger; laat ons beproeven, wat er met remmen, met in evenwicht houden, met een goed samenstel van tanden en rondsels van gemaakt kan worden. Er is iets volledigs, iets mannelijks in de wijze waarop het Benthamisme uitkomt voor wat het waarheid acht; gij kunt het Heldhaftig noemen, ofschoon het een Heldenmoed is metuitgestoken oogen! Het is het hoogtepunt en het onverschrokken Ultimatum van wat in een minder volledigen vorm het gansche bestaan van den mensch in die achttiende eeuw beheerschte. Mij schijnt het toe, dat alle ontkenners van het goddelijke, en alle geloovigen met den mond, verplicht zijn, indien zij moed en eerlijkheid bezitten, aanhangers van Bentham te zijn. De leer van Bentham is Heldenmoed metuitgestoken oogen; het menschelijk geslacht, evenals een ongelukkige Simson, met uitgestoken oogen malende in den Philistijnschen molen, grijpt stuiptrekkend de pijlers van zijn molen; stort alles in puin, maar brengt toch eindelijke bevrijding. Van Bentham bedoelde ik niets kwaads te zeggen.“Maar dit zeg ik en zou ik willen, dat iedereen,wist en ter harte nam, dat hij, die niets dan werktuigelijkheid in het Heelal waarneemt, op de noodlottigste wijze het geheim van het Heelal heeft gemist. Dat alle goddelijkheid zou verdwijnen uit ’s menschen begrip omtrent dit Heelal, schijnt mij letterlijk de grofste dwaling,—ik wil het Heidendom niet onteeren door het een Heidensche dwaling te noemen—waartoe menschen kunnen vervallen. Het is niet waar, het is onwaar tot in de diepste kern. Een mensch, die zoo denkt, zalverkeerddenken over alle dingen in de wereld; deze moederzonde trekt alle overige gevolgtrekkingen aan, die hij kan maken. Men zou het de erbarmelijkste van alle zinsbegoochelingen kunnen noemen,—hekserij zelfs niet uitgesloten. Hekserij vereert ten minste een baarlijken Duivel; maar deze leer dient een dooden Duivel van ijzer, noch God, noch zelfs een Duivel. Al wat edel, goddelijk, bezield is, valt hierbij uit het leven weg. Daar blijft alom in het leven een verachtelijk doodshoofd staan, het werktuigelijke hulsel gespeend van alle ziel. Hoe kan een mensch heldhaftig handelen? De “Leer der Drijfveeren” zal hem leeren dat het,—onder meerdere of mindere bedekking,—niets is dan een ellendig verlangen naar genot en vrees voor pijn; dat Honger naar toejuiching, naar geld of welk voedsel ook, het einddoel is van ’s menschen bestaan. Godloochening kortom—iets, dat zich zelf inderdaad vreeselijk straft. Ik bedoel, dat de mensch geestelijk een verlamde is geworden; dit goddelijk Heelal een doode, werktuigelijke stoommachine, gedreven door drijfveeren, remmen, evenwichten en ik weet niet wat al meer.”Ook opsociaalgebied is Carlyle de man der persoonlijkheid. Hij ziet niet het eenig heil in kiesrechthervorming en afschaffing van graanrechten.Wat hij eischt, is het persoonlijk element tusschen werkgever en werknemer. Aangrijpend schildert hij de sociale ellende in zijn “PastandPresent,” dat met Schiller’s “Ernst is het leven” tot motto, in 1843 verscheen. Het gevoel van saamhoorigheid, van broederschap is onder de menschen verdwenen: Een arme vrouw kan alleen haar zusterschap bewijzen door aan typhus te sterven. Eerst als zij door haar ziekte eengevaarwordt, begint men naar haar om te zien. Als zij een bron van besmetting is, dàn begrijpt men, dat zij een mènsch is van gelijke beweging: eerder niet.In Carlyle’sgeschiedenisopvatting komt dit zelfde persoonlijke element tot zijn recht; hier ook vestigt hij de aandacht op de helden. De helden, het zijn de voerders van het menschelijk geslacht, de voorbeelden. Het zijn niet slechts de krijgshelden, maar ook de helden, die denker, dichter, profeet waren.Voor wat de menigte zocht te bereiken, zijn zij de eerste vormers. In het gemoed der groote mannen zijn de werken, die wij rondom ons in de wereld zien, ontsprongen. In hen werken stille krachten, die ten slotte de rijpe vrucht in de wereld doen verschijnen. De held vindt de verborgen gedachten der tijden, die hij, door woord of voorbeeld den menschen verkondigt en daardoor brengt hij ze vooruit. En vooral in ònzen tijd hebben we ze noodig, om ons te redden uit den socialen nood.Zoo groot was zijn vereering van helden, dat hij op zijn ouden dag het wederopstaan van het Duitsche rijk begroetend met blijdschap, het annexeeren van Elzas-Lotharingen verdedigend, in Bismarck een held zag. Hoogelijk waardeerde hij diens eigenhandigen gelukwensch op zijn 80sten verjaardag en terwijl hij de Bath-orde afwees, accepteerde hij de orde van Pruisen: “Pourle mérite.”3Misschien klemde hij zich daarom zoo gretig vast aan dit verschijnsel omdat het hoop gaf en steun aan zijn geschiedenisbeschouwing, die hij anders in het heden niet kon vinden. Hij ziet slechts weinige helden, onze tijden zijn zwak, onze menschen weinig geneigd tot ernstigen arbeid. Half doordachte woorden schrijft men en spreekt men, onrijpe gedachten worden verkondigd, het zwijgen, het stille zijn is verleerd—bewondering, eerbied is verdwenen. Of niet het lichaamslijden, waaraan Carlyle voortdurend leed, invloed heeft uitgeoefend op zijn stemmingen?Op elk gebied, wijsgeerig, ethisch, sociaal, historisch, legt Carlyle dus den nadruk op het persoonlijke.Hij is de reactie der persoonlijkheid tegen het utilisme en positivisme, tegen de filosofie van oorzaken en werkingen.Met zijn eerbied voor de persoonlijkheid nadert Carlyle intusschen niet Nietzsche’s ideaal: dat de grooten, de helden hetdoelder geschiedenis zijn, aan welks verwezenlijking allen ondergeschikt zijn. Zij zijn destuwende krachtenin de historie. “Heldenvereering,indien gij wilt, maar dan, vrienden, hierin vooral bestaande, dat wij zelven een heldengeest bezitten. Een heele wereld van Helden, geen wereld van lakeien, waar geen heldenkoning kan regeeren, dàt bedoelen wij.“Ja, vrienden …. heldenkoningen, een heele wereld niet onheldhaftig, dat is de veilige en gelukkige haven, waarheen de Opperste machten ons drijven door deze stormbewogen zeeën. Naar die haven willenwij, o vrienden, laten alle trouwe menschen, welk vermogen ook in hen zij … daarheen drijven. Daar—of anders in den afgrond van den oceaan—zullen wij komen!”§ 33.John Stuart Mill.Leven en Persoonlijkheid.De beroemder zoon van een beroemden vader werd 20 Mei 1806 geboren, en ontving z’n opvoeding van deze. Een merkwaardige opvoeding, waaronder zwakker kind bezweken zou zijn, en die ook voor Mill haar schaduwzijden had. Op drie-jarigen leeftijd begint hij met Grieksch, op tien-jarigen met Latijn; wiskunde, algemeene geschiedenis, natuurkunde, zedeleer, economie, logica, al die dingen is de jonge John Stuart meester op een tijd, dat een ander jongeling nauwelijks het bestaan van sommige dier wetenschappen vermoedt. Een verblijf in 1820 in Zuid-Frankrijk doet hem goed, verruimt zijn blik. Zijn opvoeding is John Stuart blijven prijzen en hij meende, dat èlk kind die zou kunnen doormaken. Doch herhaalde zwaktetoestanden en tijden van zenuwoverspanning, gebrek aan geheugen voor positieve feiten, schijnen wel in verband te staan met die vroegrijpe ontwikkeling. Spel ontbrak. Was er tijd, zoo waren de kameraadjes er niet. In 1822 komt Mill onder invloed van Bentham’s leer, die hem bekoorde door hare logische samenvattende helderheid. Met andere bekwame lui grondvest hij een genootschap voor utilisme, en een debatingclub, waar tal van vraagstukken worden behandeld. In 1823 komt hij inIndia-housein dienst van het besturend lichaam der O. I. Compagnie. Geldzorgen, als zijn vader gekend had, blijven hem bespaard. Hij klimt op tothoogere salarissen (ten slotte ƒ 24.000) bij een werktijd (nominaal 6 uren, werkelijk 3 uren), die hem tijd laat voor studie. Als in 1858 het bestuur der koloniën aan den staat overgaat, weigert Mill in staatsdienst te treden. Een jaarlijksch pensioen van ƒ 18.000 stelt hem in staat, onbekommerd te leven.Bij Mill vertoont zich in 1826 een merkwaardige crisis: hij gevoelt zich als lamgeslagen. Hij, gewend om alles analytisch te beschouwen, verliest alle belangstelling. De wereld schijnt hem dood, hij voelt zich zelf een automaat. Wat baat hem al zijn kennis, zijn scherp ontledend vermogen, als geen stuwende begeerten aanwezig zijn. Hij is als een schip, dat, goed uitgerust en met een roer, doch zonder zeil, niet voortkomt. Lichamelijk lijden voegt zich er bij. De slaap wijkt. Maar er komt herstel. Bij zijn lectuur stoot hij op een passage, die hem tot schreiens toe beweegt. Hij is dus niet zoo dood, zoo ongevoelig als hij meende: hij kon nog deernis gevoelen met menschenlot en menschenleed.In dezen tijd maakt hij kennis met meer conservatief gezinde geesten, wiens conservatisme meer voornaamheid van stemming en gezindheid was, dan ijver, om het nieuwe te weren uit egoïstisch hangen aan ’t oude.De waarde van poëzie en kunst wordt hem—die overigens steeds een sterk en levendig gevoel voor natuurschoon had bezeten—bewust. Hij heeft gezien, dat ze iets anders waren, dan Bentham’s nuchtere beschouwing had geleerd. Mill heeft desubjectieve zijdevan het leven gevonden.En meteen is hij in nadere aanraking met het socialisme gekomen. Hij sluit zich niet bij de theorieën aan, door een Saint Simon, een Fournier verkondigd, maar ondergaat haar invloed, maar weet ze te waardeeren, als heilzaam tegengif.In de jaren omstreeks 1840 valt dan een nadere kennismaking met Comte. Bijna zonder critiek, geeft Mill zich aan diens stelsel over, geïnspireerd door den stouten opzet der drie stadiën, de kloeke wetenschapsindeeling, de stellige beslistheid van Comte’s uitspraken. Maar, als deze laatste religiestichter wordt, scheiden zich de wegen der denkers, scheiding, uiterlijk te voorschijn geroepen door Comte’s eisch, om de ondersteuning, hem door Mill voor eenmaal bezorgd, blijvend te genieten, zoolang hij zonder betrekking was.In 1843 verschijnt het hoofdwerk van Mill, zijn beroemde logica. Daarnaast staan nog een groot aantal werken en opstellen, waarvan vele zich meer op sociaal-economisch gebied bewegen. Zijn belangstelling voor deze studies schrijft Mill voor een groot gedeelte toe aan zijn latere vrouw.Deze was eerst gehuwd met een zekeren heer Taylor. Mill bezocht haar geregeld. Hij bewonderde haar geest, haar belangstelling, haar aandacht voor persoonlijke dingen, vroeg ook om haar oordeel bij zuiver theoretische discussies. In haar vond hij de aanvulling van wat hem ontbrak en daardoor misschien heeft hij in haar zooveel meer gezien dan zijn kennissen. Zijn familie verzette zich hardnekkig tegen Mills genegenheid, maar toen Taylor gestorven was, huwde hij haar en leidde een hoogst gelukkig leven tot den dood van zijn vrouw in ’58. Van toen af was voor hem de grootste bekoring van het leven weg. Hij bleef intusschen ijverig werken. Van 1865 tot 1867 was hij lid van het lagerhuis, waar hij zich aansloot bij den linkervleugel der liberale partij onder Gladstone. Geen groot redenaar, oefende hij toch een weldadigen invloed uit. Gladstone getuigde van hem: “De bijzondere gaven van Mill waren ons al vóór hijin het parlement kwam wèl bekend. Maar wat ons daar, mij tenminste geopenbaard werd, was de ongewone adel van zijn karakter. Ik pleegde hem zoo schertsenderwijze “den heilige van het rationalisme” te noemen. Ik behoef niet te zeggen, dat ik zijn verschijnen met vreugde begroette en zijn verdwijnen diep beklaagde, en wel in het belang van het geheele Lagerhuis. In elke partij, in elke politieke richting, zijn zulke mannen—ik moet het met smart bekennen—zeldzaam.”Het laatste deel van zijn leven bracht Mill, die in zijn stiefdochter een vriendelijke verzorgster van zijn huis had gevonden, gaarne in Avignon, in ’t Zuiden van Frankrijk, door. Hier overleed hij den 5den Mei 1873, een der grootste en edelste geesten der 19de eeuw, wiens levensbeschrijving elkeen een leering zou kunnen zijn en wiens werken wezenlijk tot vooruitgang van het menschelijk denken hebben bijgedragen. Wenden we ons allereerst tot zijn hoofdwerk: de logica.Logica. Het empirisch standpunt.Zoo we in dit kort bestek een compleet overzicht gaven van Mill’s Logica, die niet zeer beknopt is,4zou dat niet veel meer worden dan een opsomming van titels der hoofdstukken. Bepalen we ons er toe, enkele punten aan te wijzen.Mill staat in zijn logica op empirisch standpunt. Hij wil alles uit de ervaring afleiden. Nemen we bijv. de wiskundige waarheden, waaraan wij volkomen nauwkeurigheid, noodwendigheid, algemeene geldigheid toekennen. We zeggen bijv. dat twee lijnen,die evenwijdig zijn, elkaar nooit zullen snijden, hoe ver we ze ook verlengen. De ervaring heeft ons vaak evenwijdige lijnen gegeven. We hebben die nooit zien samenkomen. Wegeneraliseerendus, maken de waargenomen gevallen tot een algemeen verschijnsel. “Er blijft over te vragen, wat de grond is van ons geloof in axioma’s, welke de inductie, waarop zij berusten? Ik antwoord dat zij proefondervindelijke waarheden zijn; generalisatie’s van waarnemingen.”Hun noodwendigheid is het gevolg van herhaald waarnemen, van vaste associaties. “Er is geen meer algemeen bekend feit in de menschelijke natuur, dan de uiterste moeilijkheid om op ’t eerste gezicht iets als mogelijk te begrijpen dat in tegenspraak is met een ervaring, die ons gewoon is en lang bestaan heeft.Deze moeilijkheid is een noodwendig gevolg van de fundamenteele wetten van den menschelijken geest. Wanneer wij dikwijls twee dingen samen gezien of gedacht hebben en wij ze in geen geval gescheiden hebben gezien, dan is het volgens de grondwet der associatie een ontzettende moeilijkheid, welke ten slotte onoverkomelijk wordt, om ze gescheiden te denken.Dit komt het meest uit bij onontwikkelde personen, die in het algemeen absoluut niet in staat zijn om twee dingen, welke in hunnen geest stevig verbonden zijn, te scheiden,5en zoo menschen met een ontwikkeld verstand in dit opzicht eenigen voorspronghebben, dan komt dit, omdat zij meer gezien, gehoord en gelezen hebben, en daar zij er meer aan gewoon zijn, hunne verbeelding te oefenen, hebben zij hunne waarnemingen en gedachten op verschillende wijzen samengesteld, en zijn zij er voor behoed, om vele dezer onverbrekelijke verbindingen te vormen. Maar deze voorsprong heeft noodwendiger wijze zijn grenzen.De man van het meest geoefende verstand is onderworpen aan de algemeene wetten van ons opvattend vermogen. Zoo dagelijksche gewoonte hem gedurende langen tijd twee feiten geeft te aanschouwen, die samengaan, en hij gedurende dien tijd door geenerlei voorval of bedoeling er toe gebracht is, om ze afzonderlijk te denken, zal hij er, gedurende verloop van tijd onbekwaam toe worden, zelfs bij de sterkste inspanning; en de veronderstelling, dat de twee feiten in de natuur zouden kunnen gescheiden worden, zal ten slotte in zijn geest optreden met al de kenmerken van een onbegrijpelijk verschijnsel. Daarvan zijn in de geschiedenis der wetenschap merkwaardige gevallen: voorbeelden, dat de verstandigste menschen dingen als onmogelijk, wijl onbegrijpelijk verwierpen, die het nageslacht … gemakkelijk vond te begrijpen en die nu door iedereen voor waar erkend worden.”Zelfs de twee grondwetten van ons denken worden door Mill uit de ervaring afgeleid. Dat wij ons steeds moeten denken, dat A en niet-A elkaar buitensluiten, en dat er tusschen A en niet-A geen derde mogelijk is, wordt een generalisatie genoemd. “Indien wijonze opmerkzaamheid naar buiten richten, vinden wij, dat licht en duisternis, geluid en stilte, beweging en rust, gelijkheid en ongelijkheid, voorafgaan en volgen, opeenvolging en gelijktijdigheid, eenig positief verschijnsel, wat dan ook, en zijn negatief onderscheidene verschijnselen zijn, die juist tegenover elkaar staan, en dat het eene altijd afwezig is, wanneer het andere aanwezig is. Ik beschouw dan ook het grondbeginsel, waar ’t hier om gaat, (het beginsel van de tegenspraak: A en niet-A kunnen niet tegelijkertijd bestaan) als een generalisatie uit al deze feiten.”Al onze oordeelen berusten ten slotte op ervaring. Herhaaldelijk zegt Mill, dat de afleiding slechts gaat van het bijzondere tot het bijzondere. Zoo we dus in eenigerlei redeneering deductief te werk gaan, zoo eenige wetenschap deductief is, dan ligt er toch aan de algemeene grondbeginselen, die het uitgangspunt vormen, bewust of onbewust, inductie ten grondslag.Uit deze beschouwingen volgt, dat deductieve wetenschappen … alle, zonder uitzondering, inductieve wetenschappen zijn; dat hare inductie op ervaring berust. Hare gevolgtrekkingen zijn alleen waar als berustend op zekere veronderstellingen, die de waarheid benaderen of dat althans behooren te doen, maar die zelden, indien ooit, volkomen waar zijn.Voor Mill verliezen dus ook de wiskundige wetenschappen hun absoluut zeker karakter, ook zij berusten op veronderstellingen, die de waarheid zoo nauwkeurig mogelijk benaderden.Causaliteit.Zeer groote verdiensten heeft Mill zich verworven door na te gaan, in welke gevallen wij een bepaald verschijnsel de oorzaakvan een ander noemen. Hij heeft daarvoor de wetenschappen geraadpleegd, en gevraagd: wanneer noemt men daar iets oorzaak? Mill vindt nu vijf regels. Geven wij eerst de voorbeelden, daarna de formuleering.1. We vinden in de natuur verschillende kristallen.6We zullen nagaan, onder welke omstandigheden kristallen ontstaan. Een reeks van gevallen zien wij. In allerlei vloeistoffen, in allerlei stoffen, onder verschillende temperaturen, in onderscheidene omgeving zien wij kristallen ontstaan. Maar in al die gevallen is iets gemeenschappelijks. Dit nl., dat kristallen alleen ontstaan, wanneer een of andere stof in eenvloeistofis. We nemen dus aan, dat het zijn in een vloeistof een voorwaarde voor het ontstaan van kristallen, een oorzaak of althans een medeoorzaak is.We kunnen de verschillende omstandigheden door letters voorstellen, A, B, C, D, enz., het verschijnsel door V, dat dus het gevolg moet zijn van een of meer dier omstandigheden. We kunnen ’t nu aldus overzichtelijk voorstellen.A,B,C,D,……….VA,E,F,G,……….VA,H,I,K,……….VA,oorzaak ……….VIn al die omstandigheden treedt het verschijnsel op: V. Wat ze gemeen hebben is A. Dit is dus de oorzaak of medeoorzaak van V:Geformuleerd luidt de regel:Indien twee of meer gevallen van het te onderzoeken verschijnsel slechts één omstandigheid gemeen hebben, dan is die omstandigheid, waarin alleen de gevallen overeenstemmen, de oorzaak (of het gevolg) van het gegeven verschijnsel.Er is echter één groote moeilijkheid om dezen regel toe te passen. Men weet namelijk nooit, of er ook onbekende omstandigheden zijn, die de oorzaak kunnen zijn. Nemen we een eenvoudig voorbeeld. Een goochelaar heeft een doosje, waarin een popje, dat soms het deksel opendoet, en er uit springt. Het doet dit alleen, wanneer er met het zwarte stokje van den toovenaar drie maal in ’t rond gezwaaid is, ’tzij de man ’tzelf, ’tzij een der kinderen ’t doet.De omstandigheden, waaronder dit verschijnsel, ’t openspringen van het kistje, optreedt, stemmen alleen schijnbaar overeen in ’t zwaaien van het stokje en de kinderen, die dit zien, houden met hunne gegevens dat zwaaien terecht voor de oorzaak van het openspringen. De kinderen hebben de omstandigheid, die de werkelijke oorzaak is (bijv. het drukken op een knopje) niet gezien.In het dagelijksch leven zal men dus deze methode zeer veelvuldig onjuist zien toegepast, waar men de aanwezigheid van een bepaalde omstandigheid in velerlei gevallen opmerkt, deze als de oorzaak aanneemt, zonder er om te denken, of men alle andere omstandigheden volledig kent. Maar ook in de geschiedenis der wetenschap komt het voor, dat men bepaalde omstandigheden over ’t hoofd ziende, een verkeerde omstandigheid als oorzaak aannam.2. Iemand wordt geschoten, hij sterft. Wij meenen dat de door het schot veroorzaakte wonde de doodsoorzaak is. Er was eerst een groep omstandigheden, waaronder de man leefde. Daar is een tweede groep, waaronder de man sterft. Die tweede groepverschiltvan de eerste alleen door de wonde. Deze is de oorzaak. Dit is de methode van verschil en wij kunnen dezen regel opstellen:Indien een geval, waarin het te onderzoeken verschijnsel zich voordoet, met een geval, waarin het zich niet voordoet, alle omstandigheden, behalve één, gemeen heeft, die alleen optreedt in het eerste geval, dan is de omstandigheid, waarin de twee gevallen verschillen, de uitwerking, de oorzaak of een gedeelte van de oorzaak van het verschijnsel.Brengen wij dit verschijnsel onder een schema, dan krijgen wijA,B,C,D,E,…………………VB,C,D,E,……………. nietVAoorzaak of medeoorzaak vanV.3.7Stel dat we eenige akkers hebben. Drie er van zijn bemest met chili-salpeter, vier er van zijn onbemest gebleven. De drie eerste leveren een veel beter oogst dan de vier laatste. Waarin stemmen dedrie akkers o. a. overeen? Dat ze chilisalpeter hebben. (Ze stemmen misschien ook overeen in grondsoort, ligging, besproeiing). En waarin verschillen die vier andere akkers van de andere drie: dat ze geen van allen bemest zijn. De omstandigheid, die dus optreedt in alle gevallen waarin zich het verschijnsel voordoet, blijft afwezig in alle gevallen, waarin het verschijnsel zich niet voordoet. De omstandigheid wordt nu voor de waarschijnlijke oorzaak of medeoorzaak van het verschijnsel gehouden.Deze vereenigde methode van verschil en overeenstemming kunnen we aldus voorstellenA,B,C,D,…………………VA,B,C,E,…………………VB,F,G,……………. nietVB,C,H,……………. nietVAwaarschijnlijke oorzaak …VNaar Heymans’ gewijzigde formuleering luidt ze:Wanneer twee of meer gevallen, in welke een nieuwe toestand intreedt, een of meer omstandigheden gemeen hebben daaronder slechts een, welke in twee of meer gevallen, waarin de nieuwe toestand niet intreedt, ontbreekt, zoo verklaart men die omstandigheid voor de waarschijnlijke oorzaak of medeoorzaak van den nieuw intredenden toestand.Opm.Mill wil dat de gevallen, waarin de toestand optreedt, slechts alleen in de ééne omstandigheid zullen overeenstemmen en dat de gevallen, waaronder het verschijnsel niet optreedt, eveneens slechts één ding gemeen hebben, nl. de afwezigheid van de omstandigheid aanwezig in de eerste gevallen. Voor Mill wordt dus het schemaA,B,C,D,…………………VA,E,F,G,…………………VQ,R,S,……………. nietVT,U,V,……………. nietVAoorzaak of medeoorzaak vanV4. We hebben een groep omstandigheden en een groep verschijnselen. We weten, van vroeger, dat sommige omstandigheden de oorzaak zijn van sommige verschijnselen. Trekken we af, dan kunnen we zeggen, dat de overblijvende omstandigheden de oorzaken zijn der overblijvende verschijnselen.Deze methode, die van het overblijvende, is een wijziging der tweede, haar schemaA,B,C,D,………VA,B,C,D,E,………V+V1Eoorzaakmede-oorz.V1Haar regel luidt:Trek van eenig verschijnsel dat gedeelte af, dat door voorgaande inductie bekend is als het gevolg van zekere omstandigheden, en het overblijfsel van het verschijnsel is gevolg van de overblijvende omstandigheden.5. Het gebeurt wel eens, dat we een vermoede oorzaak niet kunnen verwijderen noch in alle gevallen, waarin het verschijnsel optreedt, deze alleen als gemeenschappelijke omstandigheid hebben. Willen we den invloed van de aarde op de slingerbeweging nagaan, dan kunnen wij de aarde niet wegnemen. Evenmin is de aarde alleen de gemeenschappelijke omstandigheid in alle gevallen, waarin er een slingerbeweging plaats vindt. De zon bijv. is ook altijd aanwezig.Dit zelfde geval doet zich voor, waar wij den invloed van de maan op de aarde willen bestudeeren: zij is niet weg te denken, noch alleen als gemeenschappelijke omstandigheid in alle verschijnselen (bijv. die van eb en vloed) aanwezig. Welke is hier de weg om tot kennis te geraken? De vermeende oorzaak kan in verschillende graden optreden. De slingerbeweging kan aan de linie en aan de polen plaats vinden, dichter of verder van het middelpunt der aarde af. De maan staat niet altijd even dicht bij de aarde en haar invloed is niet steeds even sterk. Wanneer nu, met veranderingen in den graad van het verschijnsel ook gelijkrichtige veranderingen in den graad van de omstandigheden, waarin het zich voordoet, gepaard gaan, kunnen wij die omstandigheden houden voor oorzaak of medeoorzaak. Voor dit punt krijgen wij dit schema:A1,B,C,D,…………………V1A2,B,C,E,…………………V2A3,B,C,F,…………………V3Aoorzaak of mede-oorzaak vanVOnder woorden gebracht:Een verschijnsel, dat op eenigerlei wijze verandert, wanneer een ander verschijnsel op eenige manier verandert, is of de oorzaak of het gevolg van dat verschijnsel, of is er door eenig feit van oorzakelijk verband mee verbonden.John Mill heeft op deze wijze aangewezen hoe de wetenschappen te werk gaan, wanneer zij de oorzaken van gegeven verschijnselen onderzoeken. Hij heeft deze wetten niet opgesteld, zonder zijn voorgangers gehad te hebben. Bacon met zijn tabellen had aleenig vermoeden der methode van verschillen, en de groote sterrekundige Herschel gaf reeds zeer belangrijke aanwijzigingen in deze richting.Denkfouten.Een uitvoerig en interessant onderzoek wijdt Mill aan de denkfouten, ook daarmee een navolger en voortzetter van Bacon’s werk. Bacon had reeds gewezen op de idólen, op de dwaalbegrippen, waarvan wij ons moeten zuiveren, om tot juiste kennis te komen. Mill tracht nu een indeeling te ontwerpen van de gebruikelijkste fouten. Hij zondert natuurlijk zulke uit, die ontstaan uit gebrek aan belangstelling, onattentheid enz. en die we dagelijks veelvuldig zien voorkomen. De eerste groep vormen die oordeelen welke wij zóó maar, zonder behoorlijken grond aannemen. Daartoe behooren bijv. volstrekt onbewezen bijgeloovigheden, als dat Vrijdag een ongeluksdag is; algemeene uitspraken zonder grond (dat is altijd zoo geweest, en zal altijd zoo blijven), enz.Vervolgens kan de fout zitten in de redeneering en de afleiding, allereerst door gebrekkig waarnemen. Men let soms alleen op de gevallen waarin een ding uitkomt, niet op die, waarin ’t niet doorgaat.Men ziet omstandigheden over ’t hoofd, die juist gewichtig zijn. Iemand moet bijv. een rustkuur doormaken en neemt in dien tijd ook geneesmiddelen in. Hij zal aan de laatste zijn herstel toeschrijven, zonder aan de rust, die hem zooveel goed deed te denken.De derde groep toont ons de generalisatie.Van één feit, of eenige feiten, schrijdt men voort tot een regel: een fout, door reizigers bijv. dikwijls begaan, die uit een paar gevallen besluiten tot iets algemeens. Zij zien in een streek bijv. eenige menschen met rood haar: in die streek zijn de menschen roodharig.Kinderen zijn er erg gauw bij, om ons vanaltijdte spreken, als iets één of een paar maal is voorgekomen.Beide, onvoldoende waarneming en generalisatie, zijn inductie-fouten. Wanneer we in een deductieve redeneering een fout maken, krijgen we redeneer-fouten. Een heel eenvoudig voorbeeld is dit: Alle visschen zijn zwemmende dieren. Alle zwemmende dieren zijn visschen. In dezen krassen vorm komen ze wel niet vaak voor, maar in ingewikkelde redeneeringen wordt toch dikwijls dezelfde fout begaan.8Ten slotte berusten vele fouten op verwarring, waaraan vooral de taal schuld kan zijn. Sterke drank geeft sterkte!Zoo een redeneering als deze:Plannenmakers moet men niet te zeer vertrouwen.Hij heeft een plan gemaakt.Men moet hem niet vertrouwen.De fout zit hierin, dat onder plannenmaken thans iets anders verstaan wordt dan iemand die een plan maakt. Zeer dikwijls dekken de feitelijke beteekenis van het woord en zijn afkomst elkaar niet meer. Sommigen weten reeds door een afkeurend woord te gebruiken, aan hun redeneeringen een schijn van waarheid te geven.9In het laatste geval heeft men dus, in tegenstelling van de drie voorgaande gevallen, zich de gronden van waar men uitging, niet helder voorgesteld.Schematisch samengesteld krijgen wij dus een overzicht van de denkfouten, dat er aldus uitziet:Ethologie.Mill wil ook de methoden nagaan van andere wetenschappen, die hij op positieve basis wil vestigen. Er moet komen een wetenschap van den menschelijken geest. Het is mogelijk om een karakterleer van den mensch te ontwerpen door toepassing en combinatie der algemeene beginselen.Voor ongelijkheid door aanleg, had Mill weinig oog. Dat blijkt al uit zijn opmerking, dat ieder gewoon kind bij zijn opvoeding ’t even ver had kunnen brengen. En ook op een ander punt houdt hij die gelijkheid vol: hij ziet in het verschil tusschen man en vrouw geen eigenlijk wezensverschil. Man en vrouw zijn van nature gelijk: slechts de eeuwenlange anders zijnde opvoeding heeft de vrouw vernederd, ze intellectueel de mindere van den man gemaakt.Mill heeft over ethica, politiek en economie nog zeer behartigenswaardige werken en artikelen geschreven, die blijk geven van zijn groote kennis en scherpverstand. Het zou ons te ver voeren, hierop in te gaan. Genoeg, dat hij in de ethiek in hoofdpunten de leer van zijn vader en van Bentham trouw bleef. In de politiek bleef hij een radicaal die volksvrijheden bepleitte, en die hoe langer zoo meer begon in te zien, dat maatschappelijke vragen nog ernstiger waren dan politieke, en die zich tegen het opkomend Socialisme vrijer verhield dan menig zijner tijdgenooten en geestverwanten. Terwijl hij meende een echt volgeling te zijn van Adam Smith was hij dit inderdaad niet meer. Het blijke uit het volgende: “Wanneermen kiezen moest tusschen het Communisme met al zijn kansen en den tegenwoordigen toestand der maatschappij met al haar lijden en ongerechtigheden,…wanneerde instelling van het persoonlijk bezit met zich bracht als een noodzakelijk gevolg, dat de opbrengst van den arbeid zoo verdeeld werd, als dat thàns geschiedt—bijna in omgekeerde evenredigheid met den arbeid—dan zouden alle bezwaren van het Communisme niets meer wegen dan kaf in de weegschaal …”Ten opzichte der religie bleef Mill’s standpunt onzeker, maar in ’t laatst van zijn leven komt hij toch meer tot waardeering van den godsdienst.In Engeland stichtte Mill wel geen eigenlijke school, maar hij had medestanders die in zijn geest werkten. Alexander Bain, een bekend zielkundige en schrijver van goede werken over de leiders van het Utilisme, verdient hier genoemd te worden naast den ouderen Whewell, den schrijver van een verdienstelijke geschiedenis der wetenschappen.1Dickens, die in zijn romans zoovele Engelsche misstanden gehekeld heeft, geeft op sommige rechtstoestanden interessante kijkjes, bijv. in David Copperfield.↑2Vertaling met inleiding en aanteekening in de Wereld-Bibliotheek.↑3Pruisische ridderorde die, behoudens zeer enkele uitzonderingen, alleen aan hoogst verdienstelijke mannen gegeven wordt en daarom nog waarde heeft. In ons land zijn o. a. de prof. De Goeie en Lorentz ridder in die orde. Er zijn een twintigtal buitenlandsche ridders.↑4Om een denkbeeld te geven van den omvang: de logica, zou, in de Wereld-bibliotheek gedrukt, ongeveer 10 nummers bevatten.↑5Het dagelijksch leven biedt van Mill’s opmerking talrijke, eenvoudige, treffende voorstellingen. Het was vroeger sommige menschen niet mogelijk zich een predikant zonder hoogen hoed te denken.Het is een Duitscher bijv. bijna niet mogelijk om zich onsopenbaar onderwijs zonder godsdienstonderricht voor te stellen.Tal van ontwikkelde menschen kunnen zich niet losmaken van de idee, dat socialisten “alles willen deelen” of anarchisten alleen bommengooiers zijn.↑6In de wetenschap verstaat men onder kristallen lichamen, begrensd door een bepaald stelsel van vlakken, die onder bepaalde hoeken op elkaar staan, bijv. kandijklontjes, sneeuwvlokken, zoutkorrels.↑7Zooals Mill dezen regel toelicht, komt hij niet voor in ’t gegeven denken. Hij wordt hier met een wijziging voorgedragen, ontleend aan Heymans: “Gezetse und Elemente des menschlichen Denkens.”↑8Een aardig voorbeeld uit de kinderwereld. “Grootvader gaat vertellen, want hij steekt een pijp op en altijd als grootvader vertelt, rookt hij.”↑9Stel dat men bepleit, dat eendrankzuchtig ambtenaarniet ontslagen, maar verpleegd hoort te worden, en dat nu gevraagd wordt: wat nut er in steekt een “dronken vent” te handhaven.↑
HOOFDSTUK XI.Het Engelsche Positivisme.§30.Inleidende opmerkingen.In elk der drie groote cultuurlanden, Duitschland, Frankrijk, Engeland, hebben we een eigenaardige geestesrichting ontmoet. In Engeland, het land met den nuchteren zin, dat den blik op het practische richtte, was het empirisme in een of anderen vorm steeds heerschend. Daar verbond zich ook de wijsbegeerte licht met politiek en staathuishoudkunde: in het land met aloude volksvrijheden was de belangstelling levendig voor kwesties van staatsbestuur, en snelle ontwikkeling op het gebied van handel en industrie bracht onwillekeurig de aandacht op staathuishoudkundige vragen.Wat beeld vertoont Engeland ons in de jaren van Kant, Hegel, Comte?De stormen der revolutie waren er overheen gegaan. Het had Napoleon met àl zijn macht bestreden en tal van oorlogen hadden veel van de natie gevraagd; hadden de aandacht meer op het buiten- dan op het binnenland gericht. Weldra echter kwam—na Napoleon’s val—beweging, een schijnbaar politieke, maar inderdaadeen economische … Napoleon had met zijn continentaal stelsel een belangrijken slag toegebracht aan Engelands handel en nijverheid: de invoer van waren uit Engeland of door Engelsche schepen naar het vasteland was verboden. Toen nu Napoleon naar St. Helena was verbannen, het continentaal stelsel was opgeheven, overstroomde Engeland de andere Europeesche landen met zijn voortbrengselen. En deze, die daardoor eigen bedrijf een felle, bijna doodende mededinging zagen aangedaan, bouwden een beschermenden muur om hun land: zij hieven hoogere invoerrechten! Verslappende invloed op Engelands nijverheid: werkeloosheid; door afdanking van arbeiders armoede tot hongerlijdens toe. Het graan duur. Beschermende rechten weren den vrijen invoer van buitenlandsch graan. Engeland, tot nu óók een landbouwenden staat, doormaakt de crisis tot modernen nijverheidsstaat. De machines ontrooven een deel der arbeiders ook nog van hun werk. Hongeroptochten, indrukwekkende meetings, maar ook dreigende storing van orde. Regeering en parlement zien alleen het laatste, achten alleen orde-handhaving plicht van de overheid, en de ordewordtgehandhaafd, waar noodig, zelfs waar niet noodig, met geweld en in bloed, en over lijken heen. Bedwinging aldus van onlusten en bij terugkeerende welvaart herstel van uitwendige rust; maar geen inwendige vrede. De katholieken nog steeds niet geheel vrij en van staatsambten uitgesloten. Het kiesstelsel voor het Lagerhuis een bespotting van wat het behoort te zijn. Sommige oude stadjes, oude burchten, vaardigen een afgevaardigde af, gekozen door misschien een tiental kiezers of nog minder. Nijvere, volkrijke steden, later opgekomen, niet in de gelegenheid om hare verlangens in ’t parlement kenbaar te maken.Hervorming van ’t kiesrecht, afschaffing der korenwetten, bevrijding der katholieken, ziehier de drie groote dingen, die men vraagt, waarvoor men pleit. Een groep radicale denkers ontstaat, die op godsdienstig, politiek, maatschappelijk, wijsgeerig terrein samenwerken, in de “Westminster review” weldra hun orgaan vinden.Met deze groep denkers houden we ons eerst bezig. Bentham is hier te noemen, die de leer welke Adam Smith (I, pag. 325) opgesteld heeft voor de economie, uitbreidt over het heele leven. James Mill, die de psychologie van de 18de eeuw voortzet, verdiept. Zijn zoon, John Stuart Mill is de centrale denker van dezen tijd: wijsgeer, maar ook practisch staatsman, maar ook publicist, die met zijn pen en scherp en helder denken verlichting en vrijheid dient. Centraal, wijl ook in hem alle draden van ’t Engelsche leven uit dien tijd samenloopen. Hij wordt geboren en opgevoed in den kring, die de 18de-eeuwsche aufklärung voortzet. Hij vindt in zijn eigen persoon de breuk, het failliet van het stelsel. De invloed van den hartstochtelijken, somberen denker Carlyle, die in Engeland de reactie op de aufklärung, het dichterlijk idealisme van Duitschland vertegenwoordigt, openbaart hem de waarde der levende persoonlijkheid. Aan Comte’s leer trekt hij zich nu naar boven. En ook de vereering van de vrouw ontbreekt niet.§ 31.Bentham, James Mill.Bentham behoort eigenlijk meer thuis in een geschiedenis der rechten, maar ook als ethicus heeft hij beteekenis.Jeremias Bentham (1748–1832) stelde zich de vraag, van welk beginsel onze zedelijke inzichten moesten uitgaan en vond dat hierin, dat elk mensch lust boven leed verkoos. Het kwam er dus maar op aan,om voor het grootst aantal menschen het grootst mogelijke geluk te vinden. De groote vraag is nu hoe de eenling er toe gebracht wordt, om ook het geluk van anderen te willen. Smith had op staathuishoudkundig gebied geleerd, dat het in ’t algemeen voor ’t geheel ’t best uitkwam, wanneer ieder zijn eigen belang op zijn eigen wijze zocht. Er zou dan een samenspel en evenwicht van belangen ontstaan, waarbij niet een, maar allen welvoeren. Welnu, ditzelfde ziet Bentham op ethisch gebied gebeuren. De verstandige mensch ziet in, dat hij anderen niet kan missen, dat zij hem moeten bijstaan, om zijn geluk te vormen. De openbare meening keurt verder die dingen goed, welke in het algemeen belang zijn en naarmate de ontwikkeling voortschrijdt, zal inzicht in ’t algemeen belang grooter worden. Dan zullen dus ook juister oordeelen geveld worden door de publieke opinie. En deze is een macht, wordt dat meer en meer, drijft dus ook den mensch tot handelen in ’t algemeen welzijn.Wij zien hier dus de scherpst mogelijke tegenstelling tusschen Kant en Bentham. Beide hoofdrichtingen zijn in de ethiek der 19de eeuw blijven bestaan. Maar niet zonder toenaderingen, verzoeningspogingen. Kants rigorisme, dat eigenlijk alleen het plichtmatige handelen tegen de neiging in, zedelijke waarde toekent, wordt verlaten door velen die andere zijner grondgedachten aanhangen. En omgekeerd zal niet ieder, die overigens nauwe verwantschap vertoont met de utilisten en de associatiepsychologen, het ontstaan der belangstelling, die den enkeling tot het algemeen welzijn voert, op dezelfde wijze verklaren als Bentham.Geven we uit het heden twee voorbeelden Paulsen—Höffding.Paulsen, de schrijver van een bekend stelsel van zedeleer (System der Ethik) die zich in zijn kennistheorie eng bij Kant aansluit en overigens zeker dichter bij Kant dan bij de Engelsche Utilisten staat, gaat niet mee met Kant’s algemeene geldigheid van het zedelijk beginsel. Ook hij baseert zich op het welvaartsbeginsel. De zedelijke wetten zijn ervaringswetten. Het heillooze van den leugen bijv. berust op het groote nadeel voor het gemeenschapsleven. Maar zou de leugen ook nog verwerpelijk zijn als hij steeds bedrieger en bedrogene tot heil strekte? “De zaak is den mensch werkelijk niet zoo gemakkelijk gemaakt, dat een hem inwonend vermogen, practische rede of geweten genaamd, met een eenvoudige inrichting (het brengen van een bijzonder geval onder een algemeenen regel) zijn leven onfeilbaar zou leiden.” Wel bestrijdt hij het hedonisme dat volgens hem in Bentham en Mill te voorschijn treedt. Daartegenover stelt hij het energisme. Het hedonisme zegt: het hoogste goed is lust. Het energisme zegt: leven is handelen en het hoogste goed is gelegen in een bepaalde wijze van handelen en leven. “Ik geloof, dat het recht op de zijde van het energisme is. De analytische zielkunde dwaalt, wanneer zij meent, dat overal de voorstelling van lust de beweegreden voor menschelijk handelen is.” Tot zoover Paulsen.De auteur van een ander, veelgelezen handboek der ethiek, deKopenhager Hoogleeraar Höffding, sluit zich zéér eng aan bij Bentham, maar wijzigt diens leer, door den overgang tot behartiging van ’s naasten belangen anders te verklaren.Hij meent dat er tusschen Bentham en Kant een verzoening is te vinden, welke hij beproeft te geven.Bentham, (die zelf een zeer belangelooze persoonlijkheid was, spoedig tot medelijden met anderen bewogenen dus ook in dat opzicht met Helvetius overeenstemde, wiens werken hij hoogschatte en met wiens leer de zijne overeenkomst vertoont), trad ook met veel kracht op tegen het Engelsche recht, dat, met zijn vele sluipwegen een waar doolhof was, onvatbaar voor een leek, leidde tot dure en lange processen, en dan nog niet altijd voldoende rechtszekerheid gaf1. Hij eischte codificatie (’t woord is van hem afkomstig) der wetten zoodanig, dat ieder ze kon verstaan. Van stemrechtverbetering was hij een warm voorstander.Bentham, die in een conservatieve omgeving opgevoed was, Karel I als een martelaar, alle revolutie als duivelswerk had leeren beschouwen, kwam door zijn latere leer in lijnrechten strijd met de orthodoxen op kerkelijk, met de conservatieve Tories op staatkundig gebied. Maar reeds verwijdert hij zich van den aufklärungstijd en het revolutieïdeaal; niet de rechten van den mensch, maar die der gemeenschap erkent hij en slechts dáár heeft het individu recht, waar dat recht strekt tot heil der gemeenschap, waar het meewerkt, om het grootst mogelijk geluk voor het grootste aantal te bewerkstelligen.James Mill.Uit geheel andere kringen was de latere vriend en medestander van Bentham James Mill afkomstig. Deze, den 6 April 1773 in Zuid-Schotland geboren, was de zoon van een dorpsschoenmaker en een meer ontwikkelde moeder. Door haar invloed vooral werd James voor studie bestemd, daarin later voortgeholpen door een vermogend edelman, Sir John Stuart. Theologiestudie beviel hemniet. Op dertigjarigen leeftijd gaat hij naar Londen. Moeilijke tijden wachten. Met harden arbeid moet hij voor zich en zijn steeds talrijker wordend gezin het brood verdienen. Zijn hervormingsgezind streven lijdt daarbij echter geen schade.Zijn geschiedenis van Britsch-Indië toont welk een uitnemend kenner van Indische toestanden hij is. Hij komt in dienst der Oostindische compagnie, die “gebruik maakt van zijn kennis en zijn critiek niet vreest.” Tot hooger posten opgeklommen, krijgt hij een meer onbezorgd bestaan en kan zich aan zijn studies blijven wijden en werkzaam zijn voor de kiesrechthervorming. Hij was dit niet alleen door zijn geschriften, maar ook door zijn woord, door zijn invloed op een hem omringende groep van jongelui. Van uit zijn studeerkamer nam hij leidend deel aan den slag, die eindigde met de overwinning; in 1832 moesten de lords hun verzet opgeven en de “reform-bill” aannemen, die beter kiesrecht schonk. Mill, practischer dan Bentham, had nog niet op algemeen kiesrecht aangedrongen, maar slechts hervorming en uitbreiding tot den middenstand gewenscht; met de toeneming van ontwikkeling zou er dan ook verdere uitbreiding van kiesrecht kunnen komen.Voor de wijsbegeerte ligt Mills beteekenis op zielkundig gebied door zijn werk: “Ontleding van den geest.” (Analysis of the Mind) waarin hij de associatietheorie verder ontwikkelde. Gaan we nog even na, wat deze inhoudt.Het kan zijn, dat een waargenomen voorwerp u aan een ander doet denken, een portret van den persoon aan hem die het voorstelt, een schouwburg aan den Amsterdamschen enz. Wij zeggen dan, dat die beide voorstellingen geassocieerd zijn en wij hebben hier eenassociatie door gelijkheid.Hoort ge de beginwoorden van een bekend vers, dan komen u de volgende in ’t bewustzijn. Ge hebt die woorden herhaaldelijk na elkander opgenomen, er is een associatie ontstaan. Twee dingen kunnen ook tegelijk bestaan en waargenomen worden: de meubels van een kamer bijv. Stelt ge u dan het bureau voor dan kunt ge komen tot de boekenkast, de gordijnen, enz. Dit is een associatie dooraanraking, aanraking in ruimte of tijd.Voor Mill bestaat nu eigenlijk alleen de aanrakingsassociatie. Tot haar brengt hij alle verschijnselen op zielkundig gebied terug. De associatie ishetpsychologisch verschijnsel, het verschijnsel bij uitnemendheid.Bentham had zijn geheele ethiek ontwikkeld van uit één beginsel, lust gaat boven onlust. Mill bouwt eveneens op één beginsel zijn geheele zielkunde: wat eens waargenomen, ervaren is, kan gereproduceerd worden, als een waarneming, die er mee geassocieerd is, weer wordt gedaan. Het bewustzijn wordt dus beheerscht door de ervaring, door dat, wat zich aan de waarneming aanbiedt. Deze geeft de enkelvoudige voorstellingen en door de verbinding van deze ontstaan alle verdere bewustzijnsverschijnselen: fantasie, oordeelen, gevoel, willen. In laatste instantie wordt het voelen dus door de waarneming beheerscht. Dus is er ook mogelijkheid, een bepaalde richting te geven aan het menschelijk geestesleven, als de opvoeding, de maatschappij, de wetgever maar zorgen voor bepaalde voorstellingen en voorstellingscomplexen.De associatiepsychologie kon allereerstkritischwerken. Tal van oordeelen, op godsdienstig, maatschappelijk en politiek gebied, die den radicalen als vooroordeelen golden, konden ontleed worden, er kon aangetoond worden, dat zij op verbinding vanbepaalde voorstellingen berustte en men kon den oorsprong daarvan gaan zoeken.Maar zij kon ookopbouwendwerken, waar zij de mogelijkheid aangaf, op de toekomst in te werken. Zoo kon een der aanhangers er bijv. toe komen opvoeding te definieeren als het aanbrengen van gewenschte associaties.§ 32.Thomas Carlyle.Geen wijsgeer in engeren zin. Geen dichter ook. Geen politicus. Een letterkundige, maar een die in kunst levensdoel noch hoogste levensuiting zag. Een historieschrijver, maar die niet de methodische, critische behandeling van historiestukken en bronnen toepaste zooals nu de historicus. Maar een levende verbinding van velerlei elementen, die op heel het Engelsche denken machtig gewerkt heeft en hier behoort, omdat hij de levende reactie belichaamt tegen het realisme, wijl hij Duitschland, Duitschland’s éénige dichter Goethe vooral—maar ook zijn denkers—doet spreken tot Engeland. Die man was geen Engelschman maar behoorde tot het zwijgende, sombere, ernstig-werkende, matige, meer aan de Germanen verwante volk der Schotten. Hij werd 1795 in Zuid-Schotland geboren, studeerde te Edinburg, was bezig met onderwijs geven, verdiende daarna zijn onderhoud met literairen broodarbeid en woonde sedert 1834 bij Londen in Chelsea tot ’t einde van zijn leven.Een trouwe steun, wier zelfopoffering hij niet doorzag en die hij tot zijn ontzetting eerst na haar dood uit haar dagboek leerde kennen, vond hij in zijn vrouwJaneWelsh.Tot de merkwaardigste werken van Carlyle uit wijsgeerigoogpunt behooren Sartor resartus, Verleden en Heden (past and present) en zijn studies over de Duitschers, en verder Helden en Heldenvereering.2Carlyle, godsdienstig opgevoed, onderging den invloed der utilistische levensbeschouwing, die hem ten slotte de wereld als dood en ledig liet zien. Merkwaardig is zijn breuk hiermee, door hem zelf beschreven. Op een wandeling in 1821 komt hij tot verzet tegen die opvatting. Hij durft erneentegen zeggen. Het eeuwig-ik is een gedurig protest tegen de mechanische theorieën. Carlyle was oorspronkelijk geloovig geweest. Hij had zijn hoop en geloof laten varen. Hij was onder den invloed van het utilisme gekomen. Maar vollen vrede had hij daarbij niet kunnen vinden. Hij had dit steeds beschouwd als een overblijfsel van zijn vroeger geloof, als een nawerking, die hij bestrijden moest.Bij al zijn strijd echter was zijn eigen ik, zijn persoonlijkheid blijven bestaan. Deze was iets anders dan een bundel samenwerkende voorstellingen, haar streven niet alleen een begeerte naar lust. Het bestaan der levende persoonlijkheid lógenstrafte de theorieën der associatie zielkunde en der utilisten. Er was een persoonlijkheidskern. En daardoor kon hij néén zeggen tegen de leer, waarvan hij zich los worstelt. Het zal wel lang duren, voor op het eeuwig néén het eeuwig jà volgt, voor de rechte weg gevonden is. Maar—hij is terug van den verkeerden weg. Het eeuwige néén is begin van Nieuw leven.Hier zien wij Carlyle één met Fichte.Hem schijnt de natuur slechts een reeks verschijnselen,het is het kleed der godheid. Hij erkent, evenals de Duitsche idealisten, achter de verschijnselen een werkelijkheid. De verhouding tot die werkelijkheid isreligie.“Het is in alle opzichten waar, dat het voornaamste in den mensch zijn godsdienstig geloof is. Ik versta hier niet onder geloof de kerkleer, die hij belijdt, de geloofsartikelen, die hij wil onderschrijven en in kerkleer of anderszins openlijk bevestigt, dit niet geheel en in menig opzicht dit geheel niet. Wij zien menschen van alle geloofsbelijdenissen tot bijna iederen graad van waardigheid of onwaardigheid geraken. Dit noem ik geen geloof, dit belijden en beweren, dat dikwijls slechts een belijden en beweren is uit de buitenwerken van den mensch, uit de streek van louter verstandelijke redeneering, of uit nog oppervlakkiger deelen. Maar hetgeen een mensch werkelijk gelooft; en dat geschiedt dikwijls genoeg zonder dat hij het beweert zelfs tegenover zichzelf, veel minder tegenover anderen; wat iemand metterdaad ter harte neemt, en wat hij voor zeker houdt aangaande zijn levensbetrekking tot dit geheimzinnig heelal en zijn plicht en bestemming daarin, dat is in alle omstandigheden voor hem het voornaamste en daaruit komt al het overige voort. Dat is zijnreligie.”Het komt dus op de persoonlijke verhouding aan tot het achter de verschijnselen liggende.Opethischgebied heeft Carlyle evenmin vrede met het utilisme. Een paar pagina’s uit Helden en Heldenvereering zullen dit duidelijk maken:“Toen ik onlangs, zonder het mij te hebben voorgenomen, sprak over Bentham’s theorie over den mensch en ’s menschen leven, noemde ik haar terloops een armzaliger stelsel dan dat van Mahomed. Ik voel mij verplicht te zeggen, nu dat eenmaal is uitgesproken,dat zulks mijn besliste meening is. Niet dat iemand een beleediging zou bedoelen tegen den persoon van Jeremias Bentham, of tegen degenen, die hem achten en gelooven; Bentham zelf en zelfs zijn geloofsrichting schijnen mij vergelijkender wijs lofwaardig toe. Het is een welbewustzijn, wat de geheele wereld op een lafhartige, halfslachtige manier bezig was teworden. Laat het tot een crisis komen, wij zullen of den dood of de genezing verkrijgen. Ik noem deze grove, machinale Nuttigheidsleer een toenadering tot nieuw geloof. Het was een afleggen van huichelarij, een tot zichzelf zeggen: welnu, deze wereld is een doode, ijzeren machine; haar god is zwaartekracht en zelfzuchtige Honger; laat ons beproeven, wat er met remmen, met in evenwicht houden, met een goed samenstel van tanden en rondsels van gemaakt kan worden. Er is iets volledigs, iets mannelijks in de wijze waarop het Benthamisme uitkomt voor wat het waarheid acht; gij kunt het Heldhaftig noemen, ofschoon het een Heldenmoed is metuitgestoken oogen! Het is het hoogtepunt en het onverschrokken Ultimatum van wat in een minder volledigen vorm het gansche bestaan van den mensch in die achttiende eeuw beheerschte. Mij schijnt het toe, dat alle ontkenners van het goddelijke, en alle geloovigen met den mond, verplicht zijn, indien zij moed en eerlijkheid bezitten, aanhangers van Bentham te zijn. De leer van Bentham is Heldenmoed metuitgestoken oogen; het menschelijk geslacht, evenals een ongelukkige Simson, met uitgestoken oogen malende in den Philistijnschen molen, grijpt stuiptrekkend de pijlers van zijn molen; stort alles in puin, maar brengt toch eindelijke bevrijding. Van Bentham bedoelde ik niets kwaads te zeggen.“Maar dit zeg ik en zou ik willen, dat iedereen,wist en ter harte nam, dat hij, die niets dan werktuigelijkheid in het Heelal waarneemt, op de noodlottigste wijze het geheim van het Heelal heeft gemist. Dat alle goddelijkheid zou verdwijnen uit ’s menschen begrip omtrent dit Heelal, schijnt mij letterlijk de grofste dwaling,—ik wil het Heidendom niet onteeren door het een Heidensche dwaling te noemen—waartoe menschen kunnen vervallen. Het is niet waar, het is onwaar tot in de diepste kern. Een mensch, die zoo denkt, zalverkeerddenken over alle dingen in de wereld; deze moederzonde trekt alle overige gevolgtrekkingen aan, die hij kan maken. Men zou het de erbarmelijkste van alle zinsbegoochelingen kunnen noemen,—hekserij zelfs niet uitgesloten. Hekserij vereert ten minste een baarlijken Duivel; maar deze leer dient een dooden Duivel van ijzer, noch God, noch zelfs een Duivel. Al wat edel, goddelijk, bezield is, valt hierbij uit het leven weg. Daar blijft alom in het leven een verachtelijk doodshoofd staan, het werktuigelijke hulsel gespeend van alle ziel. Hoe kan een mensch heldhaftig handelen? De “Leer der Drijfveeren” zal hem leeren dat het,—onder meerdere of mindere bedekking,—niets is dan een ellendig verlangen naar genot en vrees voor pijn; dat Honger naar toejuiching, naar geld of welk voedsel ook, het einddoel is van ’s menschen bestaan. Godloochening kortom—iets, dat zich zelf inderdaad vreeselijk straft. Ik bedoel, dat de mensch geestelijk een verlamde is geworden; dit goddelijk Heelal een doode, werktuigelijke stoommachine, gedreven door drijfveeren, remmen, evenwichten en ik weet niet wat al meer.”Ook opsociaalgebied is Carlyle de man der persoonlijkheid. Hij ziet niet het eenig heil in kiesrechthervorming en afschaffing van graanrechten.Wat hij eischt, is het persoonlijk element tusschen werkgever en werknemer. Aangrijpend schildert hij de sociale ellende in zijn “PastandPresent,” dat met Schiller’s “Ernst is het leven” tot motto, in 1843 verscheen. Het gevoel van saamhoorigheid, van broederschap is onder de menschen verdwenen: Een arme vrouw kan alleen haar zusterschap bewijzen door aan typhus te sterven. Eerst als zij door haar ziekte eengevaarwordt, begint men naar haar om te zien. Als zij een bron van besmetting is, dàn begrijpt men, dat zij een mènsch is van gelijke beweging: eerder niet.In Carlyle’sgeschiedenisopvatting komt dit zelfde persoonlijke element tot zijn recht; hier ook vestigt hij de aandacht op de helden. De helden, het zijn de voerders van het menschelijk geslacht, de voorbeelden. Het zijn niet slechts de krijgshelden, maar ook de helden, die denker, dichter, profeet waren.Voor wat de menigte zocht te bereiken, zijn zij de eerste vormers. In het gemoed der groote mannen zijn de werken, die wij rondom ons in de wereld zien, ontsprongen. In hen werken stille krachten, die ten slotte de rijpe vrucht in de wereld doen verschijnen. De held vindt de verborgen gedachten der tijden, die hij, door woord of voorbeeld den menschen verkondigt en daardoor brengt hij ze vooruit. En vooral in ònzen tijd hebben we ze noodig, om ons te redden uit den socialen nood.Zoo groot was zijn vereering van helden, dat hij op zijn ouden dag het wederopstaan van het Duitsche rijk begroetend met blijdschap, het annexeeren van Elzas-Lotharingen verdedigend, in Bismarck een held zag. Hoogelijk waardeerde hij diens eigenhandigen gelukwensch op zijn 80sten verjaardag en terwijl hij de Bath-orde afwees, accepteerde hij de orde van Pruisen: “Pourle mérite.”3Misschien klemde hij zich daarom zoo gretig vast aan dit verschijnsel omdat het hoop gaf en steun aan zijn geschiedenisbeschouwing, die hij anders in het heden niet kon vinden. Hij ziet slechts weinige helden, onze tijden zijn zwak, onze menschen weinig geneigd tot ernstigen arbeid. Half doordachte woorden schrijft men en spreekt men, onrijpe gedachten worden verkondigd, het zwijgen, het stille zijn is verleerd—bewondering, eerbied is verdwenen. Of niet het lichaamslijden, waaraan Carlyle voortdurend leed, invloed heeft uitgeoefend op zijn stemmingen?Op elk gebied, wijsgeerig, ethisch, sociaal, historisch, legt Carlyle dus den nadruk op het persoonlijke.Hij is de reactie der persoonlijkheid tegen het utilisme en positivisme, tegen de filosofie van oorzaken en werkingen.Met zijn eerbied voor de persoonlijkheid nadert Carlyle intusschen niet Nietzsche’s ideaal: dat de grooten, de helden hetdoelder geschiedenis zijn, aan welks verwezenlijking allen ondergeschikt zijn. Zij zijn destuwende krachtenin de historie. “Heldenvereering,indien gij wilt, maar dan, vrienden, hierin vooral bestaande, dat wij zelven een heldengeest bezitten. Een heele wereld van Helden, geen wereld van lakeien, waar geen heldenkoning kan regeeren, dàt bedoelen wij.“Ja, vrienden …. heldenkoningen, een heele wereld niet onheldhaftig, dat is de veilige en gelukkige haven, waarheen de Opperste machten ons drijven door deze stormbewogen zeeën. Naar die haven willenwij, o vrienden, laten alle trouwe menschen, welk vermogen ook in hen zij … daarheen drijven. Daar—of anders in den afgrond van den oceaan—zullen wij komen!”§ 33.John Stuart Mill.Leven en Persoonlijkheid.De beroemder zoon van een beroemden vader werd 20 Mei 1806 geboren, en ontving z’n opvoeding van deze. Een merkwaardige opvoeding, waaronder zwakker kind bezweken zou zijn, en die ook voor Mill haar schaduwzijden had. Op drie-jarigen leeftijd begint hij met Grieksch, op tien-jarigen met Latijn; wiskunde, algemeene geschiedenis, natuurkunde, zedeleer, economie, logica, al die dingen is de jonge John Stuart meester op een tijd, dat een ander jongeling nauwelijks het bestaan van sommige dier wetenschappen vermoedt. Een verblijf in 1820 in Zuid-Frankrijk doet hem goed, verruimt zijn blik. Zijn opvoeding is John Stuart blijven prijzen en hij meende, dat èlk kind die zou kunnen doormaken. Doch herhaalde zwaktetoestanden en tijden van zenuwoverspanning, gebrek aan geheugen voor positieve feiten, schijnen wel in verband te staan met die vroegrijpe ontwikkeling. Spel ontbrak. Was er tijd, zoo waren de kameraadjes er niet. In 1822 komt Mill onder invloed van Bentham’s leer, die hem bekoorde door hare logische samenvattende helderheid. Met andere bekwame lui grondvest hij een genootschap voor utilisme, en een debatingclub, waar tal van vraagstukken worden behandeld. In 1823 komt hij inIndia-housein dienst van het besturend lichaam der O. I. Compagnie. Geldzorgen, als zijn vader gekend had, blijven hem bespaard. Hij klimt op tothoogere salarissen (ten slotte ƒ 24.000) bij een werktijd (nominaal 6 uren, werkelijk 3 uren), die hem tijd laat voor studie. Als in 1858 het bestuur der koloniën aan den staat overgaat, weigert Mill in staatsdienst te treden. Een jaarlijksch pensioen van ƒ 18.000 stelt hem in staat, onbekommerd te leven.Bij Mill vertoont zich in 1826 een merkwaardige crisis: hij gevoelt zich als lamgeslagen. Hij, gewend om alles analytisch te beschouwen, verliest alle belangstelling. De wereld schijnt hem dood, hij voelt zich zelf een automaat. Wat baat hem al zijn kennis, zijn scherp ontledend vermogen, als geen stuwende begeerten aanwezig zijn. Hij is als een schip, dat, goed uitgerust en met een roer, doch zonder zeil, niet voortkomt. Lichamelijk lijden voegt zich er bij. De slaap wijkt. Maar er komt herstel. Bij zijn lectuur stoot hij op een passage, die hem tot schreiens toe beweegt. Hij is dus niet zoo dood, zoo ongevoelig als hij meende: hij kon nog deernis gevoelen met menschenlot en menschenleed.In dezen tijd maakt hij kennis met meer conservatief gezinde geesten, wiens conservatisme meer voornaamheid van stemming en gezindheid was, dan ijver, om het nieuwe te weren uit egoïstisch hangen aan ’t oude.De waarde van poëzie en kunst wordt hem—die overigens steeds een sterk en levendig gevoel voor natuurschoon had bezeten—bewust. Hij heeft gezien, dat ze iets anders waren, dan Bentham’s nuchtere beschouwing had geleerd. Mill heeft desubjectieve zijdevan het leven gevonden.En meteen is hij in nadere aanraking met het socialisme gekomen. Hij sluit zich niet bij de theorieën aan, door een Saint Simon, een Fournier verkondigd, maar ondergaat haar invloed, maar weet ze te waardeeren, als heilzaam tegengif.In de jaren omstreeks 1840 valt dan een nadere kennismaking met Comte. Bijna zonder critiek, geeft Mill zich aan diens stelsel over, geïnspireerd door den stouten opzet der drie stadiën, de kloeke wetenschapsindeeling, de stellige beslistheid van Comte’s uitspraken. Maar, als deze laatste religiestichter wordt, scheiden zich de wegen der denkers, scheiding, uiterlijk te voorschijn geroepen door Comte’s eisch, om de ondersteuning, hem door Mill voor eenmaal bezorgd, blijvend te genieten, zoolang hij zonder betrekking was.In 1843 verschijnt het hoofdwerk van Mill, zijn beroemde logica. Daarnaast staan nog een groot aantal werken en opstellen, waarvan vele zich meer op sociaal-economisch gebied bewegen. Zijn belangstelling voor deze studies schrijft Mill voor een groot gedeelte toe aan zijn latere vrouw.Deze was eerst gehuwd met een zekeren heer Taylor. Mill bezocht haar geregeld. Hij bewonderde haar geest, haar belangstelling, haar aandacht voor persoonlijke dingen, vroeg ook om haar oordeel bij zuiver theoretische discussies. In haar vond hij de aanvulling van wat hem ontbrak en daardoor misschien heeft hij in haar zooveel meer gezien dan zijn kennissen. Zijn familie verzette zich hardnekkig tegen Mills genegenheid, maar toen Taylor gestorven was, huwde hij haar en leidde een hoogst gelukkig leven tot den dood van zijn vrouw in ’58. Van toen af was voor hem de grootste bekoring van het leven weg. Hij bleef intusschen ijverig werken. Van 1865 tot 1867 was hij lid van het lagerhuis, waar hij zich aansloot bij den linkervleugel der liberale partij onder Gladstone. Geen groot redenaar, oefende hij toch een weldadigen invloed uit. Gladstone getuigde van hem: “De bijzondere gaven van Mill waren ons al vóór hijin het parlement kwam wèl bekend. Maar wat ons daar, mij tenminste geopenbaard werd, was de ongewone adel van zijn karakter. Ik pleegde hem zoo schertsenderwijze “den heilige van het rationalisme” te noemen. Ik behoef niet te zeggen, dat ik zijn verschijnen met vreugde begroette en zijn verdwijnen diep beklaagde, en wel in het belang van het geheele Lagerhuis. In elke partij, in elke politieke richting, zijn zulke mannen—ik moet het met smart bekennen—zeldzaam.”Het laatste deel van zijn leven bracht Mill, die in zijn stiefdochter een vriendelijke verzorgster van zijn huis had gevonden, gaarne in Avignon, in ’t Zuiden van Frankrijk, door. Hier overleed hij den 5den Mei 1873, een der grootste en edelste geesten der 19de eeuw, wiens levensbeschrijving elkeen een leering zou kunnen zijn en wiens werken wezenlijk tot vooruitgang van het menschelijk denken hebben bijgedragen. Wenden we ons allereerst tot zijn hoofdwerk: de logica.Logica. Het empirisch standpunt.Zoo we in dit kort bestek een compleet overzicht gaven van Mill’s Logica, die niet zeer beknopt is,4zou dat niet veel meer worden dan een opsomming van titels der hoofdstukken. Bepalen we ons er toe, enkele punten aan te wijzen.Mill staat in zijn logica op empirisch standpunt. Hij wil alles uit de ervaring afleiden. Nemen we bijv. de wiskundige waarheden, waaraan wij volkomen nauwkeurigheid, noodwendigheid, algemeene geldigheid toekennen. We zeggen bijv. dat twee lijnen,die evenwijdig zijn, elkaar nooit zullen snijden, hoe ver we ze ook verlengen. De ervaring heeft ons vaak evenwijdige lijnen gegeven. We hebben die nooit zien samenkomen. Wegeneraliseerendus, maken de waargenomen gevallen tot een algemeen verschijnsel. “Er blijft over te vragen, wat de grond is van ons geloof in axioma’s, welke de inductie, waarop zij berusten? Ik antwoord dat zij proefondervindelijke waarheden zijn; generalisatie’s van waarnemingen.”Hun noodwendigheid is het gevolg van herhaald waarnemen, van vaste associaties. “Er is geen meer algemeen bekend feit in de menschelijke natuur, dan de uiterste moeilijkheid om op ’t eerste gezicht iets als mogelijk te begrijpen dat in tegenspraak is met een ervaring, die ons gewoon is en lang bestaan heeft.Deze moeilijkheid is een noodwendig gevolg van de fundamenteele wetten van den menschelijken geest. Wanneer wij dikwijls twee dingen samen gezien of gedacht hebben en wij ze in geen geval gescheiden hebben gezien, dan is het volgens de grondwet der associatie een ontzettende moeilijkheid, welke ten slotte onoverkomelijk wordt, om ze gescheiden te denken.Dit komt het meest uit bij onontwikkelde personen, die in het algemeen absoluut niet in staat zijn om twee dingen, welke in hunnen geest stevig verbonden zijn, te scheiden,5en zoo menschen met een ontwikkeld verstand in dit opzicht eenigen voorspronghebben, dan komt dit, omdat zij meer gezien, gehoord en gelezen hebben, en daar zij er meer aan gewoon zijn, hunne verbeelding te oefenen, hebben zij hunne waarnemingen en gedachten op verschillende wijzen samengesteld, en zijn zij er voor behoed, om vele dezer onverbrekelijke verbindingen te vormen. Maar deze voorsprong heeft noodwendiger wijze zijn grenzen.De man van het meest geoefende verstand is onderworpen aan de algemeene wetten van ons opvattend vermogen. Zoo dagelijksche gewoonte hem gedurende langen tijd twee feiten geeft te aanschouwen, die samengaan, en hij gedurende dien tijd door geenerlei voorval of bedoeling er toe gebracht is, om ze afzonderlijk te denken, zal hij er, gedurende verloop van tijd onbekwaam toe worden, zelfs bij de sterkste inspanning; en de veronderstelling, dat de twee feiten in de natuur zouden kunnen gescheiden worden, zal ten slotte in zijn geest optreden met al de kenmerken van een onbegrijpelijk verschijnsel. Daarvan zijn in de geschiedenis der wetenschap merkwaardige gevallen: voorbeelden, dat de verstandigste menschen dingen als onmogelijk, wijl onbegrijpelijk verwierpen, die het nageslacht … gemakkelijk vond te begrijpen en die nu door iedereen voor waar erkend worden.”Zelfs de twee grondwetten van ons denken worden door Mill uit de ervaring afgeleid. Dat wij ons steeds moeten denken, dat A en niet-A elkaar buitensluiten, en dat er tusschen A en niet-A geen derde mogelijk is, wordt een generalisatie genoemd. “Indien wijonze opmerkzaamheid naar buiten richten, vinden wij, dat licht en duisternis, geluid en stilte, beweging en rust, gelijkheid en ongelijkheid, voorafgaan en volgen, opeenvolging en gelijktijdigheid, eenig positief verschijnsel, wat dan ook, en zijn negatief onderscheidene verschijnselen zijn, die juist tegenover elkaar staan, en dat het eene altijd afwezig is, wanneer het andere aanwezig is. Ik beschouw dan ook het grondbeginsel, waar ’t hier om gaat, (het beginsel van de tegenspraak: A en niet-A kunnen niet tegelijkertijd bestaan) als een generalisatie uit al deze feiten.”Al onze oordeelen berusten ten slotte op ervaring. Herhaaldelijk zegt Mill, dat de afleiding slechts gaat van het bijzondere tot het bijzondere. Zoo we dus in eenigerlei redeneering deductief te werk gaan, zoo eenige wetenschap deductief is, dan ligt er toch aan de algemeene grondbeginselen, die het uitgangspunt vormen, bewust of onbewust, inductie ten grondslag.Uit deze beschouwingen volgt, dat deductieve wetenschappen … alle, zonder uitzondering, inductieve wetenschappen zijn; dat hare inductie op ervaring berust. Hare gevolgtrekkingen zijn alleen waar als berustend op zekere veronderstellingen, die de waarheid benaderen of dat althans behooren te doen, maar die zelden, indien ooit, volkomen waar zijn.Voor Mill verliezen dus ook de wiskundige wetenschappen hun absoluut zeker karakter, ook zij berusten op veronderstellingen, die de waarheid zoo nauwkeurig mogelijk benaderden.Causaliteit.Zeer groote verdiensten heeft Mill zich verworven door na te gaan, in welke gevallen wij een bepaald verschijnsel de oorzaakvan een ander noemen. Hij heeft daarvoor de wetenschappen geraadpleegd, en gevraagd: wanneer noemt men daar iets oorzaak? Mill vindt nu vijf regels. Geven wij eerst de voorbeelden, daarna de formuleering.1. We vinden in de natuur verschillende kristallen.6We zullen nagaan, onder welke omstandigheden kristallen ontstaan. Een reeks van gevallen zien wij. In allerlei vloeistoffen, in allerlei stoffen, onder verschillende temperaturen, in onderscheidene omgeving zien wij kristallen ontstaan. Maar in al die gevallen is iets gemeenschappelijks. Dit nl., dat kristallen alleen ontstaan, wanneer een of andere stof in eenvloeistofis. We nemen dus aan, dat het zijn in een vloeistof een voorwaarde voor het ontstaan van kristallen, een oorzaak of althans een medeoorzaak is.We kunnen de verschillende omstandigheden door letters voorstellen, A, B, C, D, enz., het verschijnsel door V, dat dus het gevolg moet zijn van een of meer dier omstandigheden. We kunnen ’t nu aldus overzichtelijk voorstellen.A,B,C,D,……….VA,E,F,G,……….VA,H,I,K,……….VA,oorzaak ……….VIn al die omstandigheden treedt het verschijnsel op: V. Wat ze gemeen hebben is A. Dit is dus de oorzaak of medeoorzaak van V:Geformuleerd luidt de regel:Indien twee of meer gevallen van het te onderzoeken verschijnsel slechts één omstandigheid gemeen hebben, dan is die omstandigheid, waarin alleen de gevallen overeenstemmen, de oorzaak (of het gevolg) van het gegeven verschijnsel.Er is echter één groote moeilijkheid om dezen regel toe te passen. Men weet namelijk nooit, of er ook onbekende omstandigheden zijn, die de oorzaak kunnen zijn. Nemen we een eenvoudig voorbeeld. Een goochelaar heeft een doosje, waarin een popje, dat soms het deksel opendoet, en er uit springt. Het doet dit alleen, wanneer er met het zwarte stokje van den toovenaar drie maal in ’t rond gezwaaid is, ’tzij de man ’tzelf, ’tzij een der kinderen ’t doet.De omstandigheden, waaronder dit verschijnsel, ’t openspringen van het kistje, optreedt, stemmen alleen schijnbaar overeen in ’t zwaaien van het stokje en de kinderen, die dit zien, houden met hunne gegevens dat zwaaien terecht voor de oorzaak van het openspringen. De kinderen hebben de omstandigheid, die de werkelijke oorzaak is (bijv. het drukken op een knopje) niet gezien.In het dagelijksch leven zal men dus deze methode zeer veelvuldig onjuist zien toegepast, waar men de aanwezigheid van een bepaalde omstandigheid in velerlei gevallen opmerkt, deze als de oorzaak aanneemt, zonder er om te denken, of men alle andere omstandigheden volledig kent. Maar ook in de geschiedenis der wetenschap komt het voor, dat men bepaalde omstandigheden over ’t hoofd ziende, een verkeerde omstandigheid als oorzaak aannam.2. Iemand wordt geschoten, hij sterft. Wij meenen dat de door het schot veroorzaakte wonde de doodsoorzaak is. Er was eerst een groep omstandigheden, waaronder de man leefde. Daar is een tweede groep, waaronder de man sterft. Die tweede groepverschiltvan de eerste alleen door de wonde. Deze is de oorzaak. Dit is de methode van verschil en wij kunnen dezen regel opstellen:Indien een geval, waarin het te onderzoeken verschijnsel zich voordoet, met een geval, waarin het zich niet voordoet, alle omstandigheden, behalve één, gemeen heeft, die alleen optreedt in het eerste geval, dan is de omstandigheid, waarin de twee gevallen verschillen, de uitwerking, de oorzaak of een gedeelte van de oorzaak van het verschijnsel.Brengen wij dit verschijnsel onder een schema, dan krijgen wijA,B,C,D,E,…………………VB,C,D,E,……………. nietVAoorzaak of medeoorzaak vanV.3.7Stel dat we eenige akkers hebben. Drie er van zijn bemest met chili-salpeter, vier er van zijn onbemest gebleven. De drie eerste leveren een veel beter oogst dan de vier laatste. Waarin stemmen dedrie akkers o. a. overeen? Dat ze chilisalpeter hebben. (Ze stemmen misschien ook overeen in grondsoort, ligging, besproeiing). En waarin verschillen die vier andere akkers van de andere drie: dat ze geen van allen bemest zijn. De omstandigheid, die dus optreedt in alle gevallen waarin zich het verschijnsel voordoet, blijft afwezig in alle gevallen, waarin het verschijnsel zich niet voordoet. De omstandigheid wordt nu voor de waarschijnlijke oorzaak of medeoorzaak van het verschijnsel gehouden.Deze vereenigde methode van verschil en overeenstemming kunnen we aldus voorstellenA,B,C,D,…………………VA,B,C,E,…………………VB,F,G,……………. nietVB,C,H,……………. nietVAwaarschijnlijke oorzaak …VNaar Heymans’ gewijzigde formuleering luidt ze:Wanneer twee of meer gevallen, in welke een nieuwe toestand intreedt, een of meer omstandigheden gemeen hebben daaronder slechts een, welke in twee of meer gevallen, waarin de nieuwe toestand niet intreedt, ontbreekt, zoo verklaart men die omstandigheid voor de waarschijnlijke oorzaak of medeoorzaak van den nieuw intredenden toestand.Opm.Mill wil dat de gevallen, waarin de toestand optreedt, slechts alleen in de ééne omstandigheid zullen overeenstemmen en dat de gevallen, waaronder het verschijnsel niet optreedt, eveneens slechts één ding gemeen hebben, nl. de afwezigheid van de omstandigheid aanwezig in de eerste gevallen. Voor Mill wordt dus het schemaA,B,C,D,…………………VA,E,F,G,…………………VQ,R,S,……………. nietVT,U,V,……………. nietVAoorzaak of medeoorzaak vanV4. We hebben een groep omstandigheden en een groep verschijnselen. We weten, van vroeger, dat sommige omstandigheden de oorzaak zijn van sommige verschijnselen. Trekken we af, dan kunnen we zeggen, dat de overblijvende omstandigheden de oorzaken zijn der overblijvende verschijnselen.Deze methode, die van het overblijvende, is een wijziging der tweede, haar schemaA,B,C,D,………VA,B,C,D,E,………V+V1Eoorzaakmede-oorz.V1Haar regel luidt:Trek van eenig verschijnsel dat gedeelte af, dat door voorgaande inductie bekend is als het gevolg van zekere omstandigheden, en het overblijfsel van het verschijnsel is gevolg van de overblijvende omstandigheden.5. Het gebeurt wel eens, dat we een vermoede oorzaak niet kunnen verwijderen noch in alle gevallen, waarin het verschijnsel optreedt, deze alleen als gemeenschappelijke omstandigheid hebben. Willen we den invloed van de aarde op de slingerbeweging nagaan, dan kunnen wij de aarde niet wegnemen. Evenmin is de aarde alleen de gemeenschappelijke omstandigheid in alle gevallen, waarin er een slingerbeweging plaats vindt. De zon bijv. is ook altijd aanwezig.Dit zelfde geval doet zich voor, waar wij den invloed van de maan op de aarde willen bestudeeren: zij is niet weg te denken, noch alleen als gemeenschappelijke omstandigheid in alle verschijnselen (bijv. die van eb en vloed) aanwezig. Welke is hier de weg om tot kennis te geraken? De vermeende oorzaak kan in verschillende graden optreden. De slingerbeweging kan aan de linie en aan de polen plaats vinden, dichter of verder van het middelpunt der aarde af. De maan staat niet altijd even dicht bij de aarde en haar invloed is niet steeds even sterk. Wanneer nu, met veranderingen in den graad van het verschijnsel ook gelijkrichtige veranderingen in den graad van de omstandigheden, waarin het zich voordoet, gepaard gaan, kunnen wij die omstandigheden houden voor oorzaak of medeoorzaak. Voor dit punt krijgen wij dit schema:A1,B,C,D,…………………V1A2,B,C,E,…………………V2A3,B,C,F,…………………V3Aoorzaak of mede-oorzaak vanVOnder woorden gebracht:Een verschijnsel, dat op eenigerlei wijze verandert, wanneer een ander verschijnsel op eenige manier verandert, is of de oorzaak of het gevolg van dat verschijnsel, of is er door eenig feit van oorzakelijk verband mee verbonden.John Mill heeft op deze wijze aangewezen hoe de wetenschappen te werk gaan, wanneer zij de oorzaken van gegeven verschijnselen onderzoeken. Hij heeft deze wetten niet opgesteld, zonder zijn voorgangers gehad te hebben. Bacon met zijn tabellen had aleenig vermoeden der methode van verschillen, en de groote sterrekundige Herschel gaf reeds zeer belangrijke aanwijzigingen in deze richting.Denkfouten.Een uitvoerig en interessant onderzoek wijdt Mill aan de denkfouten, ook daarmee een navolger en voortzetter van Bacon’s werk. Bacon had reeds gewezen op de idólen, op de dwaalbegrippen, waarvan wij ons moeten zuiveren, om tot juiste kennis te komen. Mill tracht nu een indeeling te ontwerpen van de gebruikelijkste fouten. Hij zondert natuurlijk zulke uit, die ontstaan uit gebrek aan belangstelling, onattentheid enz. en die we dagelijks veelvuldig zien voorkomen. De eerste groep vormen die oordeelen welke wij zóó maar, zonder behoorlijken grond aannemen. Daartoe behooren bijv. volstrekt onbewezen bijgeloovigheden, als dat Vrijdag een ongeluksdag is; algemeene uitspraken zonder grond (dat is altijd zoo geweest, en zal altijd zoo blijven), enz.Vervolgens kan de fout zitten in de redeneering en de afleiding, allereerst door gebrekkig waarnemen. Men let soms alleen op de gevallen waarin een ding uitkomt, niet op die, waarin ’t niet doorgaat.Men ziet omstandigheden over ’t hoofd, die juist gewichtig zijn. Iemand moet bijv. een rustkuur doormaken en neemt in dien tijd ook geneesmiddelen in. Hij zal aan de laatste zijn herstel toeschrijven, zonder aan de rust, die hem zooveel goed deed te denken.De derde groep toont ons de generalisatie.Van één feit, of eenige feiten, schrijdt men voort tot een regel: een fout, door reizigers bijv. dikwijls begaan, die uit een paar gevallen besluiten tot iets algemeens. Zij zien in een streek bijv. eenige menschen met rood haar: in die streek zijn de menschen roodharig.Kinderen zijn er erg gauw bij, om ons vanaltijdte spreken, als iets één of een paar maal is voorgekomen.Beide, onvoldoende waarneming en generalisatie, zijn inductie-fouten. Wanneer we in een deductieve redeneering een fout maken, krijgen we redeneer-fouten. Een heel eenvoudig voorbeeld is dit: Alle visschen zijn zwemmende dieren. Alle zwemmende dieren zijn visschen. In dezen krassen vorm komen ze wel niet vaak voor, maar in ingewikkelde redeneeringen wordt toch dikwijls dezelfde fout begaan.8Ten slotte berusten vele fouten op verwarring, waaraan vooral de taal schuld kan zijn. Sterke drank geeft sterkte!Zoo een redeneering als deze:Plannenmakers moet men niet te zeer vertrouwen.Hij heeft een plan gemaakt.Men moet hem niet vertrouwen.De fout zit hierin, dat onder plannenmaken thans iets anders verstaan wordt dan iemand die een plan maakt. Zeer dikwijls dekken de feitelijke beteekenis van het woord en zijn afkomst elkaar niet meer. Sommigen weten reeds door een afkeurend woord te gebruiken, aan hun redeneeringen een schijn van waarheid te geven.9In het laatste geval heeft men dus, in tegenstelling van de drie voorgaande gevallen, zich de gronden van waar men uitging, niet helder voorgesteld.Schematisch samengesteld krijgen wij dus een overzicht van de denkfouten, dat er aldus uitziet:Ethologie.Mill wil ook de methoden nagaan van andere wetenschappen, die hij op positieve basis wil vestigen. Er moet komen een wetenschap van den menschelijken geest. Het is mogelijk om een karakterleer van den mensch te ontwerpen door toepassing en combinatie der algemeene beginselen.Voor ongelijkheid door aanleg, had Mill weinig oog. Dat blijkt al uit zijn opmerking, dat ieder gewoon kind bij zijn opvoeding ’t even ver had kunnen brengen. En ook op een ander punt houdt hij die gelijkheid vol: hij ziet in het verschil tusschen man en vrouw geen eigenlijk wezensverschil. Man en vrouw zijn van nature gelijk: slechts de eeuwenlange anders zijnde opvoeding heeft de vrouw vernederd, ze intellectueel de mindere van den man gemaakt.Mill heeft over ethica, politiek en economie nog zeer behartigenswaardige werken en artikelen geschreven, die blijk geven van zijn groote kennis en scherpverstand. Het zou ons te ver voeren, hierop in te gaan. Genoeg, dat hij in de ethiek in hoofdpunten de leer van zijn vader en van Bentham trouw bleef. In de politiek bleef hij een radicaal die volksvrijheden bepleitte, en die hoe langer zoo meer begon in te zien, dat maatschappelijke vragen nog ernstiger waren dan politieke, en die zich tegen het opkomend Socialisme vrijer verhield dan menig zijner tijdgenooten en geestverwanten. Terwijl hij meende een echt volgeling te zijn van Adam Smith was hij dit inderdaad niet meer. Het blijke uit het volgende: “Wanneermen kiezen moest tusschen het Communisme met al zijn kansen en den tegenwoordigen toestand der maatschappij met al haar lijden en ongerechtigheden,…wanneerde instelling van het persoonlijk bezit met zich bracht als een noodzakelijk gevolg, dat de opbrengst van den arbeid zoo verdeeld werd, als dat thàns geschiedt—bijna in omgekeerde evenredigheid met den arbeid—dan zouden alle bezwaren van het Communisme niets meer wegen dan kaf in de weegschaal …”Ten opzichte der religie bleef Mill’s standpunt onzeker, maar in ’t laatst van zijn leven komt hij toch meer tot waardeering van den godsdienst.In Engeland stichtte Mill wel geen eigenlijke school, maar hij had medestanders die in zijn geest werkten. Alexander Bain, een bekend zielkundige en schrijver van goede werken over de leiders van het Utilisme, verdient hier genoemd te worden naast den ouderen Whewell, den schrijver van een verdienstelijke geschiedenis der wetenschappen.1Dickens, die in zijn romans zoovele Engelsche misstanden gehekeld heeft, geeft op sommige rechtstoestanden interessante kijkjes, bijv. in David Copperfield.↑2Vertaling met inleiding en aanteekening in de Wereld-Bibliotheek.↑3Pruisische ridderorde die, behoudens zeer enkele uitzonderingen, alleen aan hoogst verdienstelijke mannen gegeven wordt en daarom nog waarde heeft. In ons land zijn o. a. de prof. De Goeie en Lorentz ridder in die orde. Er zijn een twintigtal buitenlandsche ridders.↑4Om een denkbeeld te geven van den omvang: de logica, zou, in de Wereld-bibliotheek gedrukt, ongeveer 10 nummers bevatten.↑5Het dagelijksch leven biedt van Mill’s opmerking talrijke, eenvoudige, treffende voorstellingen. Het was vroeger sommige menschen niet mogelijk zich een predikant zonder hoogen hoed te denken.Het is een Duitscher bijv. bijna niet mogelijk om zich onsopenbaar onderwijs zonder godsdienstonderricht voor te stellen.Tal van ontwikkelde menschen kunnen zich niet losmaken van de idee, dat socialisten “alles willen deelen” of anarchisten alleen bommengooiers zijn.↑6In de wetenschap verstaat men onder kristallen lichamen, begrensd door een bepaald stelsel van vlakken, die onder bepaalde hoeken op elkaar staan, bijv. kandijklontjes, sneeuwvlokken, zoutkorrels.↑7Zooals Mill dezen regel toelicht, komt hij niet voor in ’t gegeven denken. Hij wordt hier met een wijziging voorgedragen, ontleend aan Heymans: “Gezetse und Elemente des menschlichen Denkens.”↑8Een aardig voorbeeld uit de kinderwereld. “Grootvader gaat vertellen, want hij steekt een pijp op en altijd als grootvader vertelt, rookt hij.”↑9Stel dat men bepleit, dat eendrankzuchtig ambtenaarniet ontslagen, maar verpleegd hoort te worden, en dat nu gevraagd wordt: wat nut er in steekt een “dronken vent” te handhaven.↑
HOOFDSTUK XI.Het Engelsche Positivisme.
§30.Inleidende opmerkingen.In elk der drie groote cultuurlanden, Duitschland, Frankrijk, Engeland, hebben we een eigenaardige geestesrichting ontmoet. In Engeland, het land met den nuchteren zin, dat den blik op het practische richtte, was het empirisme in een of anderen vorm steeds heerschend. Daar verbond zich ook de wijsbegeerte licht met politiek en staathuishoudkunde: in het land met aloude volksvrijheden was de belangstelling levendig voor kwesties van staatsbestuur, en snelle ontwikkeling op het gebied van handel en industrie bracht onwillekeurig de aandacht op staathuishoudkundige vragen.Wat beeld vertoont Engeland ons in de jaren van Kant, Hegel, Comte?De stormen der revolutie waren er overheen gegaan. Het had Napoleon met àl zijn macht bestreden en tal van oorlogen hadden veel van de natie gevraagd; hadden de aandacht meer op het buiten- dan op het binnenland gericht. Weldra echter kwam—na Napoleon’s val—beweging, een schijnbaar politieke, maar inderdaadeen economische … Napoleon had met zijn continentaal stelsel een belangrijken slag toegebracht aan Engelands handel en nijverheid: de invoer van waren uit Engeland of door Engelsche schepen naar het vasteland was verboden. Toen nu Napoleon naar St. Helena was verbannen, het continentaal stelsel was opgeheven, overstroomde Engeland de andere Europeesche landen met zijn voortbrengselen. En deze, die daardoor eigen bedrijf een felle, bijna doodende mededinging zagen aangedaan, bouwden een beschermenden muur om hun land: zij hieven hoogere invoerrechten! Verslappende invloed op Engelands nijverheid: werkeloosheid; door afdanking van arbeiders armoede tot hongerlijdens toe. Het graan duur. Beschermende rechten weren den vrijen invoer van buitenlandsch graan. Engeland, tot nu óók een landbouwenden staat, doormaakt de crisis tot modernen nijverheidsstaat. De machines ontrooven een deel der arbeiders ook nog van hun werk. Hongeroptochten, indrukwekkende meetings, maar ook dreigende storing van orde. Regeering en parlement zien alleen het laatste, achten alleen orde-handhaving plicht van de overheid, en de ordewordtgehandhaafd, waar noodig, zelfs waar niet noodig, met geweld en in bloed, en over lijken heen. Bedwinging aldus van onlusten en bij terugkeerende welvaart herstel van uitwendige rust; maar geen inwendige vrede. De katholieken nog steeds niet geheel vrij en van staatsambten uitgesloten. Het kiesstelsel voor het Lagerhuis een bespotting van wat het behoort te zijn. Sommige oude stadjes, oude burchten, vaardigen een afgevaardigde af, gekozen door misschien een tiental kiezers of nog minder. Nijvere, volkrijke steden, later opgekomen, niet in de gelegenheid om hare verlangens in ’t parlement kenbaar te maken.Hervorming van ’t kiesrecht, afschaffing der korenwetten, bevrijding der katholieken, ziehier de drie groote dingen, die men vraagt, waarvoor men pleit. Een groep radicale denkers ontstaat, die op godsdienstig, politiek, maatschappelijk, wijsgeerig terrein samenwerken, in de “Westminster review” weldra hun orgaan vinden.Met deze groep denkers houden we ons eerst bezig. Bentham is hier te noemen, die de leer welke Adam Smith (I, pag. 325) opgesteld heeft voor de economie, uitbreidt over het heele leven. James Mill, die de psychologie van de 18de eeuw voortzet, verdiept. Zijn zoon, John Stuart Mill is de centrale denker van dezen tijd: wijsgeer, maar ook practisch staatsman, maar ook publicist, die met zijn pen en scherp en helder denken verlichting en vrijheid dient. Centraal, wijl ook in hem alle draden van ’t Engelsche leven uit dien tijd samenloopen. Hij wordt geboren en opgevoed in den kring, die de 18de-eeuwsche aufklärung voortzet. Hij vindt in zijn eigen persoon de breuk, het failliet van het stelsel. De invloed van den hartstochtelijken, somberen denker Carlyle, die in Engeland de reactie op de aufklärung, het dichterlijk idealisme van Duitschland vertegenwoordigt, openbaart hem de waarde der levende persoonlijkheid. Aan Comte’s leer trekt hij zich nu naar boven. En ook de vereering van de vrouw ontbreekt niet.§ 31.Bentham, James Mill.Bentham behoort eigenlijk meer thuis in een geschiedenis der rechten, maar ook als ethicus heeft hij beteekenis.Jeremias Bentham (1748–1832) stelde zich de vraag, van welk beginsel onze zedelijke inzichten moesten uitgaan en vond dat hierin, dat elk mensch lust boven leed verkoos. Het kwam er dus maar op aan,om voor het grootst aantal menschen het grootst mogelijke geluk te vinden. De groote vraag is nu hoe de eenling er toe gebracht wordt, om ook het geluk van anderen te willen. Smith had op staathuishoudkundig gebied geleerd, dat het in ’t algemeen voor ’t geheel ’t best uitkwam, wanneer ieder zijn eigen belang op zijn eigen wijze zocht. Er zou dan een samenspel en evenwicht van belangen ontstaan, waarbij niet een, maar allen welvoeren. Welnu, ditzelfde ziet Bentham op ethisch gebied gebeuren. De verstandige mensch ziet in, dat hij anderen niet kan missen, dat zij hem moeten bijstaan, om zijn geluk te vormen. De openbare meening keurt verder die dingen goed, welke in het algemeen belang zijn en naarmate de ontwikkeling voortschrijdt, zal inzicht in ’t algemeen belang grooter worden. Dan zullen dus ook juister oordeelen geveld worden door de publieke opinie. En deze is een macht, wordt dat meer en meer, drijft dus ook den mensch tot handelen in ’t algemeen welzijn.Wij zien hier dus de scherpst mogelijke tegenstelling tusschen Kant en Bentham. Beide hoofdrichtingen zijn in de ethiek der 19de eeuw blijven bestaan. Maar niet zonder toenaderingen, verzoeningspogingen. Kants rigorisme, dat eigenlijk alleen het plichtmatige handelen tegen de neiging in, zedelijke waarde toekent, wordt verlaten door velen die andere zijner grondgedachten aanhangen. En omgekeerd zal niet ieder, die overigens nauwe verwantschap vertoont met de utilisten en de associatiepsychologen, het ontstaan der belangstelling, die den enkeling tot het algemeen welzijn voert, op dezelfde wijze verklaren als Bentham.Geven we uit het heden twee voorbeelden Paulsen—Höffding.Paulsen, de schrijver van een bekend stelsel van zedeleer (System der Ethik) die zich in zijn kennistheorie eng bij Kant aansluit en overigens zeker dichter bij Kant dan bij de Engelsche Utilisten staat, gaat niet mee met Kant’s algemeene geldigheid van het zedelijk beginsel. Ook hij baseert zich op het welvaartsbeginsel. De zedelijke wetten zijn ervaringswetten. Het heillooze van den leugen bijv. berust op het groote nadeel voor het gemeenschapsleven. Maar zou de leugen ook nog verwerpelijk zijn als hij steeds bedrieger en bedrogene tot heil strekte? “De zaak is den mensch werkelijk niet zoo gemakkelijk gemaakt, dat een hem inwonend vermogen, practische rede of geweten genaamd, met een eenvoudige inrichting (het brengen van een bijzonder geval onder een algemeenen regel) zijn leven onfeilbaar zou leiden.” Wel bestrijdt hij het hedonisme dat volgens hem in Bentham en Mill te voorschijn treedt. Daartegenover stelt hij het energisme. Het hedonisme zegt: het hoogste goed is lust. Het energisme zegt: leven is handelen en het hoogste goed is gelegen in een bepaalde wijze van handelen en leven. “Ik geloof, dat het recht op de zijde van het energisme is. De analytische zielkunde dwaalt, wanneer zij meent, dat overal de voorstelling van lust de beweegreden voor menschelijk handelen is.” Tot zoover Paulsen.De auteur van een ander, veelgelezen handboek der ethiek, deKopenhager Hoogleeraar Höffding, sluit zich zéér eng aan bij Bentham, maar wijzigt diens leer, door den overgang tot behartiging van ’s naasten belangen anders te verklaren.Hij meent dat er tusschen Bentham en Kant een verzoening is te vinden, welke hij beproeft te geven.Bentham, (die zelf een zeer belangelooze persoonlijkheid was, spoedig tot medelijden met anderen bewogenen dus ook in dat opzicht met Helvetius overeenstemde, wiens werken hij hoogschatte en met wiens leer de zijne overeenkomst vertoont), trad ook met veel kracht op tegen het Engelsche recht, dat, met zijn vele sluipwegen een waar doolhof was, onvatbaar voor een leek, leidde tot dure en lange processen, en dan nog niet altijd voldoende rechtszekerheid gaf1. Hij eischte codificatie (’t woord is van hem afkomstig) der wetten zoodanig, dat ieder ze kon verstaan. Van stemrechtverbetering was hij een warm voorstander.Bentham, die in een conservatieve omgeving opgevoed was, Karel I als een martelaar, alle revolutie als duivelswerk had leeren beschouwen, kwam door zijn latere leer in lijnrechten strijd met de orthodoxen op kerkelijk, met de conservatieve Tories op staatkundig gebied. Maar reeds verwijdert hij zich van den aufklärungstijd en het revolutieïdeaal; niet de rechten van den mensch, maar die der gemeenschap erkent hij en slechts dáár heeft het individu recht, waar dat recht strekt tot heil der gemeenschap, waar het meewerkt, om het grootst mogelijk geluk voor het grootste aantal te bewerkstelligen.James Mill.Uit geheel andere kringen was de latere vriend en medestander van Bentham James Mill afkomstig. Deze, den 6 April 1773 in Zuid-Schotland geboren, was de zoon van een dorpsschoenmaker en een meer ontwikkelde moeder. Door haar invloed vooral werd James voor studie bestemd, daarin later voortgeholpen door een vermogend edelman, Sir John Stuart. Theologiestudie beviel hemniet. Op dertigjarigen leeftijd gaat hij naar Londen. Moeilijke tijden wachten. Met harden arbeid moet hij voor zich en zijn steeds talrijker wordend gezin het brood verdienen. Zijn hervormingsgezind streven lijdt daarbij echter geen schade.Zijn geschiedenis van Britsch-Indië toont welk een uitnemend kenner van Indische toestanden hij is. Hij komt in dienst der Oostindische compagnie, die “gebruik maakt van zijn kennis en zijn critiek niet vreest.” Tot hooger posten opgeklommen, krijgt hij een meer onbezorgd bestaan en kan zich aan zijn studies blijven wijden en werkzaam zijn voor de kiesrechthervorming. Hij was dit niet alleen door zijn geschriften, maar ook door zijn woord, door zijn invloed op een hem omringende groep van jongelui. Van uit zijn studeerkamer nam hij leidend deel aan den slag, die eindigde met de overwinning; in 1832 moesten de lords hun verzet opgeven en de “reform-bill” aannemen, die beter kiesrecht schonk. Mill, practischer dan Bentham, had nog niet op algemeen kiesrecht aangedrongen, maar slechts hervorming en uitbreiding tot den middenstand gewenscht; met de toeneming van ontwikkeling zou er dan ook verdere uitbreiding van kiesrecht kunnen komen.Voor de wijsbegeerte ligt Mills beteekenis op zielkundig gebied door zijn werk: “Ontleding van den geest.” (Analysis of the Mind) waarin hij de associatietheorie verder ontwikkelde. Gaan we nog even na, wat deze inhoudt.Het kan zijn, dat een waargenomen voorwerp u aan een ander doet denken, een portret van den persoon aan hem die het voorstelt, een schouwburg aan den Amsterdamschen enz. Wij zeggen dan, dat die beide voorstellingen geassocieerd zijn en wij hebben hier eenassociatie door gelijkheid.Hoort ge de beginwoorden van een bekend vers, dan komen u de volgende in ’t bewustzijn. Ge hebt die woorden herhaaldelijk na elkander opgenomen, er is een associatie ontstaan. Twee dingen kunnen ook tegelijk bestaan en waargenomen worden: de meubels van een kamer bijv. Stelt ge u dan het bureau voor dan kunt ge komen tot de boekenkast, de gordijnen, enz. Dit is een associatie dooraanraking, aanraking in ruimte of tijd.Voor Mill bestaat nu eigenlijk alleen de aanrakingsassociatie. Tot haar brengt hij alle verschijnselen op zielkundig gebied terug. De associatie ishetpsychologisch verschijnsel, het verschijnsel bij uitnemendheid.Bentham had zijn geheele ethiek ontwikkeld van uit één beginsel, lust gaat boven onlust. Mill bouwt eveneens op één beginsel zijn geheele zielkunde: wat eens waargenomen, ervaren is, kan gereproduceerd worden, als een waarneming, die er mee geassocieerd is, weer wordt gedaan. Het bewustzijn wordt dus beheerscht door de ervaring, door dat, wat zich aan de waarneming aanbiedt. Deze geeft de enkelvoudige voorstellingen en door de verbinding van deze ontstaan alle verdere bewustzijnsverschijnselen: fantasie, oordeelen, gevoel, willen. In laatste instantie wordt het voelen dus door de waarneming beheerscht. Dus is er ook mogelijkheid, een bepaalde richting te geven aan het menschelijk geestesleven, als de opvoeding, de maatschappij, de wetgever maar zorgen voor bepaalde voorstellingen en voorstellingscomplexen.De associatiepsychologie kon allereerstkritischwerken. Tal van oordeelen, op godsdienstig, maatschappelijk en politiek gebied, die den radicalen als vooroordeelen golden, konden ontleed worden, er kon aangetoond worden, dat zij op verbinding vanbepaalde voorstellingen berustte en men kon den oorsprong daarvan gaan zoeken.Maar zij kon ookopbouwendwerken, waar zij de mogelijkheid aangaf, op de toekomst in te werken. Zoo kon een der aanhangers er bijv. toe komen opvoeding te definieeren als het aanbrengen van gewenschte associaties.§ 32.Thomas Carlyle.Geen wijsgeer in engeren zin. Geen dichter ook. Geen politicus. Een letterkundige, maar een die in kunst levensdoel noch hoogste levensuiting zag. Een historieschrijver, maar die niet de methodische, critische behandeling van historiestukken en bronnen toepaste zooals nu de historicus. Maar een levende verbinding van velerlei elementen, die op heel het Engelsche denken machtig gewerkt heeft en hier behoort, omdat hij de levende reactie belichaamt tegen het realisme, wijl hij Duitschland, Duitschland’s éénige dichter Goethe vooral—maar ook zijn denkers—doet spreken tot Engeland. Die man was geen Engelschman maar behoorde tot het zwijgende, sombere, ernstig-werkende, matige, meer aan de Germanen verwante volk der Schotten. Hij werd 1795 in Zuid-Schotland geboren, studeerde te Edinburg, was bezig met onderwijs geven, verdiende daarna zijn onderhoud met literairen broodarbeid en woonde sedert 1834 bij Londen in Chelsea tot ’t einde van zijn leven.Een trouwe steun, wier zelfopoffering hij niet doorzag en die hij tot zijn ontzetting eerst na haar dood uit haar dagboek leerde kennen, vond hij in zijn vrouwJaneWelsh.Tot de merkwaardigste werken van Carlyle uit wijsgeerigoogpunt behooren Sartor resartus, Verleden en Heden (past and present) en zijn studies over de Duitschers, en verder Helden en Heldenvereering.2Carlyle, godsdienstig opgevoed, onderging den invloed der utilistische levensbeschouwing, die hem ten slotte de wereld als dood en ledig liet zien. Merkwaardig is zijn breuk hiermee, door hem zelf beschreven. Op een wandeling in 1821 komt hij tot verzet tegen die opvatting. Hij durft erneentegen zeggen. Het eeuwig-ik is een gedurig protest tegen de mechanische theorieën. Carlyle was oorspronkelijk geloovig geweest. Hij had zijn hoop en geloof laten varen. Hij was onder den invloed van het utilisme gekomen. Maar vollen vrede had hij daarbij niet kunnen vinden. Hij had dit steeds beschouwd als een overblijfsel van zijn vroeger geloof, als een nawerking, die hij bestrijden moest.Bij al zijn strijd echter was zijn eigen ik, zijn persoonlijkheid blijven bestaan. Deze was iets anders dan een bundel samenwerkende voorstellingen, haar streven niet alleen een begeerte naar lust. Het bestaan der levende persoonlijkheid lógenstrafte de theorieën der associatie zielkunde en der utilisten. Er was een persoonlijkheidskern. En daardoor kon hij néén zeggen tegen de leer, waarvan hij zich los worstelt. Het zal wel lang duren, voor op het eeuwig néén het eeuwig jà volgt, voor de rechte weg gevonden is. Maar—hij is terug van den verkeerden weg. Het eeuwige néén is begin van Nieuw leven.Hier zien wij Carlyle één met Fichte.Hem schijnt de natuur slechts een reeks verschijnselen,het is het kleed der godheid. Hij erkent, evenals de Duitsche idealisten, achter de verschijnselen een werkelijkheid. De verhouding tot die werkelijkheid isreligie.“Het is in alle opzichten waar, dat het voornaamste in den mensch zijn godsdienstig geloof is. Ik versta hier niet onder geloof de kerkleer, die hij belijdt, de geloofsartikelen, die hij wil onderschrijven en in kerkleer of anderszins openlijk bevestigt, dit niet geheel en in menig opzicht dit geheel niet. Wij zien menschen van alle geloofsbelijdenissen tot bijna iederen graad van waardigheid of onwaardigheid geraken. Dit noem ik geen geloof, dit belijden en beweren, dat dikwijls slechts een belijden en beweren is uit de buitenwerken van den mensch, uit de streek van louter verstandelijke redeneering, of uit nog oppervlakkiger deelen. Maar hetgeen een mensch werkelijk gelooft; en dat geschiedt dikwijls genoeg zonder dat hij het beweert zelfs tegenover zichzelf, veel minder tegenover anderen; wat iemand metterdaad ter harte neemt, en wat hij voor zeker houdt aangaande zijn levensbetrekking tot dit geheimzinnig heelal en zijn plicht en bestemming daarin, dat is in alle omstandigheden voor hem het voornaamste en daaruit komt al het overige voort. Dat is zijnreligie.”Het komt dus op de persoonlijke verhouding aan tot het achter de verschijnselen liggende.Opethischgebied heeft Carlyle evenmin vrede met het utilisme. Een paar pagina’s uit Helden en Heldenvereering zullen dit duidelijk maken:“Toen ik onlangs, zonder het mij te hebben voorgenomen, sprak over Bentham’s theorie over den mensch en ’s menschen leven, noemde ik haar terloops een armzaliger stelsel dan dat van Mahomed. Ik voel mij verplicht te zeggen, nu dat eenmaal is uitgesproken,dat zulks mijn besliste meening is. Niet dat iemand een beleediging zou bedoelen tegen den persoon van Jeremias Bentham, of tegen degenen, die hem achten en gelooven; Bentham zelf en zelfs zijn geloofsrichting schijnen mij vergelijkender wijs lofwaardig toe. Het is een welbewustzijn, wat de geheele wereld op een lafhartige, halfslachtige manier bezig was teworden. Laat het tot een crisis komen, wij zullen of den dood of de genezing verkrijgen. Ik noem deze grove, machinale Nuttigheidsleer een toenadering tot nieuw geloof. Het was een afleggen van huichelarij, een tot zichzelf zeggen: welnu, deze wereld is een doode, ijzeren machine; haar god is zwaartekracht en zelfzuchtige Honger; laat ons beproeven, wat er met remmen, met in evenwicht houden, met een goed samenstel van tanden en rondsels van gemaakt kan worden. Er is iets volledigs, iets mannelijks in de wijze waarop het Benthamisme uitkomt voor wat het waarheid acht; gij kunt het Heldhaftig noemen, ofschoon het een Heldenmoed is metuitgestoken oogen! Het is het hoogtepunt en het onverschrokken Ultimatum van wat in een minder volledigen vorm het gansche bestaan van den mensch in die achttiende eeuw beheerschte. Mij schijnt het toe, dat alle ontkenners van het goddelijke, en alle geloovigen met den mond, verplicht zijn, indien zij moed en eerlijkheid bezitten, aanhangers van Bentham te zijn. De leer van Bentham is Heldenmoed metuitgestoken oogen; het menschelijk geslacht, evenals een ongelukkige Simson, met uitgestoken oogen malende in den Philistijnschen molen, grijpt stuiptrekkend de pijlers van zijn molen; stort alles in puin, maar brengt toch eindelijke bevrijding. Van Bentham bedoelde ik niets kwaads te zeggen.“Maar dit zeg ik en zou ik willen, dat iedereen,wist en ter harte nam, dat hij, die niets dan werktuigelijkheid in het Heelal waarneemt, op de noodlottigste wijze het geheim van het Heelal heeft gemist. Dat alle goddelijkheid zou verdwijnen uit ’s menschen begrip omtrent dit Heelal, schijnt mij letterlijk de grofste dwaling,—ik wil het Heidendom niet onteeren door het een Heidensche dwaling te noemen—waartoe menschen kunnen vervallen. Het is niet waar, het is onwaar tot in de diepste kern. Een mensch, die zoo denkt, zalverkeerddenken over alle dingen in de wereld; deze moederzonde trekt alle overige gevolgtrekkingen aan, die hij kan maken. Men zou het de erbarmelijkste van alle zinsbegoochelingen kunnen noemen,—hekserij zelfs niet uitgesloten. Hekserij vereert ten minste een baarlijken Duivel; maar deze leer dient een dooden Duivel van ijzer, noch God, noch zelfs een Duivel. Al wat edel, goddelijk, bezield is, valt hierbij uit het leven weg. Daar blijft alom in het leven een verachtelijk doodshoofd staan, het werktuigelijke hulsel gespeend van alle ziel. Hoe kan een mensch heldhaftig handelen? De “Leer der Drijfveeren” zal hem leeren dat het,—onder meerdere of mindere bedekking,—niets is dan een ellendig verlangen naar genot en vrees voor pijn; dat Honger naar toejuiching, naar geld of welk voedsel ook, het einddoel is van ’s menschen bestaan. Godloochening kortom—iets, dat zich zelf inderdaad vreeselijk straft. Ik bedoel, dat de mensch geestelijk een verlamde is geworden; dit goddelijk Heelal een doode, werktuigelijke stoommachine, gedreven door drijfveeren, remmen, evenwichten en ik weet niet wat al meer.”Ook opsociaalgebied is Carlyle de man der persoonlijkheid. Hij ziet niet het eenig heil in kiesrechthervorming en afschaffing van graanrechten.Wat hij eischt, is het persoonlijk element tusschen werkgever en werknemer. Aangrijpend schildert hij de sociale ellende in zijn “PastandPresent,” dat met Schiller’s “Ernst is het leven” tot motto, in 1843 verscheen. Het gevoel van saamhoorigheid, van broederschap is onder de menschen verdwenen: Een arme vrouw kan alleen haar zusterschap bewijzen door aan typhus te sterven. Eerst als zij door haar ziekte eengevaarwordt, begint men naar haar om te zien. Als zij een bron van besmetting is, dàn begrijpt men, dat zij een mènsch is van gelijke beweging: eerder niet.In Carlyle’sgeschiedenisopvatting komt dit zelfde persoonlijke element tot zijn recht; hier ook vestigt hij de aandacht op de helden. De helden, het zijn de voerders van het menschelijk geslacht, de voorbeelden. Het zijn niet slechts de krijgshelden, maar ook de helden, die denker, dichter, profeet waren.Voor wat de menigte zocht te bereiken, zijn zij de eerste vormers. In het gemoed der groote mannen zijn de werken, die wij rondom ons in de wereld zien, ontsprongen. In hen werken stille krachten, die ten slotte de rijpe vrucht in de wereld doen verschijnen. De held vindt de verborgen gedachten der tijden, die hij, door woord of voorbeeld den menschen verkondigt en daardoor brengt hij ze vooruit. En vooral in ònzen tijd hebben we ze noodig, om ons te redden uit den socialen nood.Zoo groot was zijn vereering van helden, dat hij op zijn ouden dag het wederopstaan van het Duitsche rijk begroetend met blijdschap, het annexeeren van Elzas-Lotharingen verdedigend, in Bismarck een held zag. Hoogelijk waardeerde hij diens eigenhandigen gelukwensch op zijn 80sten verjaardag en terwijl hij de Bath-orde afwees, accepteerde hij de orde van Pruisen: “Pourle mérite.”3Misschien klemde hij zich daarom zoo gretig vast aan dit verschijnsel omdat het hoop gaf en steun aan zijn geschiedenisbeschouwing, die hij anders in het heden niet kon vinden. Hij ziet slechts weinige helden, onze tijden zijn zwak, onze menschen weinig geneigd tot ernstigen arbeid. Half doordachte woorden schrijft men en spreekt men, onrijpe gedachten worden verkondigd, het zwijgen, het stille zijn is verleerd—bewondering, eerbied is verdwenen. Of niet het lichaamslijden, waaraan Carlyle voortdurend leed, invloed heeft uitgeoefend op zijn stemmingen?Op elk gebied, wijsgeerig, ethisch, sociaal, historisch, legt Carlyle dus den nadruk op het persoonlijke.Hij is de reactie der persoonlijkheid tegen het utilisme en positivisme, tegen de filosofie van oorzaken en werkingen.Met zijn eerbied voor de persoonlijkheid nadert Carlyle intusschen niet Nietzsche’s ideaal: dat de grooten, de helden hetdoelder geschiedenis zijn, aan welks verwezenlijking allen ondergeschikt zijn. Zij zijn destuwende krachtenin de historie. “Heldenvereering,indien gij wilt, maar dan, vrienden, hierin vooral bestaande, dat wij zelven een heldengeest bezitten. Een heele wereld van Helden, geen wereld van lakeien, waar geen heldenkoning kan regeeren, dàt bedoelen wij.“Ja, vrienden …. heldenkoningen, een heele wereld niet onheldhaftig, dat is de veilige en gelukkige haven, waarheen de Opperste machten ons drijven door deze stormbewogen zeeën. Naar die haven willenwij, o vrienden, laten alle trouwe menschen, welk vermogen ook in hen zij … daarheen drijven. Daar—of anders in den afgrond van den oceaan—zullen wij komen!”§ 33.John Stuart Mill.Leven en Persoonlijkheid.De beroemder zoon van een beroemden vader werd 20 Mei 1806 geboren, en ontving z’n opvoeding van deze. Een merkwaardige opvoeding, waaronder zwakker kind bezweken zou zijn, en die ook voor Mill haar schaduwzijden had. Op drie-jarigen leeftijd begint hij met Grieksch, op tien-jarigen met Latijn; wiskunde, algemeene geschiedenis, natuurkunde, zedeleer, economie, logica, al die dingen is de jonge John Stuart meester op een tijd, dat een ander jongeling nauwelijks het bestaan van sommige dier wetenschappen vermoedt. Een verblijf in 1820 in Zuid-Frankrijk doet hem goed, verruimt zijn blik. Zijn opvoeding is John Stuart blijven prijzen en hij meende, dat èlk kind die zou kunnen doormaken. Doch herhaalde zwaktetoestanden en tijden van zenuwoverspanning, gebrek aan geheugen voor positieve feiten, schijnen wel in verband te staan met die vroegrijpe ontwikkeling. Spel ontbrak. Was er tijd, zoo waren de kameraadjes er niet. In 1822 komt Mill onder invloed van Bentham’s leer, die hem bekoorde door hare logische samenvattende helderheid. Met andere bekwame lui grondvest hij een genootschap voor utilisme, en een debatingclub, waar tal van vraagstukken worden behandeld. In 1823 komt hij inIndia-housein dienst van het besturend lichaam der O. I. Compagnie. Geldzorgen, als zijn vader gekend had, blijven hem bespaard. Hij klimt op tothoogere salarissen (ten slotte ƒ 24.000) bij een werktijd (nominaal 6 uren, werkelijk 3 uren), die hem tijd laat voor studie. Als in 1858 het bestuur der koloniën aan den staat overgaat, weigert Mill in staatsdienst te treden. Een jaarlijksch pensioen van ƒ 18.000 stelt hem in staat, onbekommerd te leven.Bij Mill vertoont zich in 1826 een merkwaardige crisis: hij gevoelt zich als lamgeslagen. Hij, gewend om alles analytisch te beschouwen, verliest alle belangstelling. De wereld schijnt hem dood, hij voelt zich zelf een automaat. Wat baat hem al zijn kennis, zijn scherp ontledend vermogen, als geen stuwende begeerten aanwezig zijn. Hij is als een schip, dat, goed uitgerust en met een roer, doch zonder zeil, niet voortkomt. Lichamelijk lijden voegt zich er bij. De slaap wijkt. Maar er komt herstel. Bij zijn lectuur stoot hij op een passage, die hem tot schreiens toe beweegt. Hij is dus niet zoo dood, zoo ongevoelig als hij meende: hij kon nog deernis gevoelen met menschenlot en menschenleed.In dezen tijd maakt hij kennis met meer conservatief gezinde geesten, wiens conservatisme meer voornaamheid van stemming en gezindheid was, dan ijver, om het nieuwe te weren uit egoïstisch hangen aan ’t oude.De waarde van poëzie en kunst wordt hem—die overigens steeds een sterk en levendig gevoel voor natuurschoon had bezeten—bewust. Hij heeft gezien, dat ze iets anders waren, dan Bentham’s nuchtere beschouwing had geleerd. Mill heeft desubjectieve zijdevan het leven gevonden.En meteen is hij in nadere aanraking met het socialisme gekomen. Hij sluit zich niet bij de theorieën aan, door een Saint Simon, een Fournier verkondigd, maar ondergaat haar invloed, maar weet ze te waardeeren, als heilzaam tegengif.In de jaren omstreeks 1840 valt dan een nadere kennismaking met Comte. Bijna zonder critiek, geeft Mill zich aan diens stelsel over, geïnspireerd door den stouten opzet der drie stadiën, de kloeke wetenschapsindeeling, de stellige beslistheid van Comte’s uitspraken. Maar, als deze laatste religiestichter wordt, scheiden zich de wegen der denkers, scheiding, uiterlijk te voorschijn geroepen door Comte’s eisch, om de ondersteuning, hem door Mill voor eenmaal bezorgd, blijvend te genieten, zoolang hij zonder betrekking was.In 1843 verschijnt het hoofdwerk van Mill, zijn beroemde logica. Daarnaast staan nog een groot aantal werken en opstellen, waarvan vele zich meer op sociaal-economisch gebied bewegen. Zijn belangstelling voor deze studies schrijft Mill voor een groot gedeelte toe aan zijn latere vrouw.Deze was eerst gehuwd met een zekeren heer Taylor. Mill bezocht haar geregeld. Hij bewonderde haar geest, haar belangstelling, haar aandacht voor persoonlijke dingen, vroeg ook om haar oordeel bij zuiver theoretische discussies. In haar vond hij de aanvulling van wat hem ontbrak en daardoor misschien heeft hij in haar zooveel meer gezien dan zijn kennissen. Zijn familie verzette zich hardnekkig tegen Mills genegenheid, maar toen Taylor gestorven was, huwde hij haar en leidde een hoogst gelukkig leven tot den dood van zijn vrouw in ’58. Van toen af was voor hem de grootste bekoring van het leven weg. Hij bleef intusschen ijverig werken. Van 1865 tot 1867 was hij lid van het lagerhuis, waar hij zich aansloot bij den linkervleugel der liberale partij onder Gladstone. Geen groot redenaar, oefende hij toch een weldadigen invloed uit. Gladstone getuigde van hem: “De bijzondere gaven van Mill waren ons al vóór hijin het parlement kwam wèl bekend. Maar wat ons daar, mij tenminste geopenbaard werd, was de ongewone adel van zijn karakter. Ik pleegde hem zoo schertsenderwijze “den heilige van het rationalisme” te noemen. Ik behoef niet te zeggen, dat ik zijn verschijnen met vreugde begroette en zijn verdwijnen diep beklaagde, en wel in het belang van het geheele Lagerhuis. In elke partij, in elke politieke richting, zijn zulke mannen—ik moet het met smart bekennen—zeldzaam.”Het laatste deel van zijn leven bracht Mill, die in zijn stiefdochter een vriendelijke verzorgster van zijn huis had gevonden, gaarne in Avignon, in ’t Zuiden van Frankrijk, door. Hier overleed hij den 5den Mei 1873, een der grootste en edelste geesten der 19de eeuw, wiens levensbeschrijving elkeen een leering zou kunnen zijn en wiens werken wezenlijk tot vooruitgang van het menschelijk denken hebben bijgedragen. Wenden we ons allereerst tot zijn hoofdwerk: de logica.Logica. Het empirisch standpunt.Zoo we in dit kort bestek een compleet overzicht gaven van Mill’s Logica, die niet zeer beknopt is,4zou dat niet veel meer worden dan een opsomming van titels der hoofdstukken. Bepalen we ons er toe, enkele punten aan te wijzen.Mill staat in zijn logica op empirisch standpunt. Hij wil alles uit de ervaring afleiden. Nemen we bijv. de wiskundige waarheden, waaraan wij volkomen nauwkeurigheid, noodwendigheid, algemeene geldigheid toekennen. We zeggen bijv. dat twee lijnen,die evenwijdig zijn, elkaar nooit zullen snijden, hoe ver we ze ook verlengen. De ervaring heeft ons vaak evenwijdige lijnen gegeven. We hebben die nooit zien samenkomen. Wegeneraliseerendus, maken de waargenomen gevallen tot een algemeen verschijnsel. “Er blijft over te vragen, wat de grond is van ons geloof in axioma’s, welke de inductie, waarop zij berusten? Ik antwoord dat zij proefondervindelijke waarheden zijn; generalisatie’s van waarnemingen.”Hun noodwendigheid is het gevolg van herhaald waarnemen, van vaste associaties. “Er is geen meer algemeen bekend feit in de menschelijke natuur, dan de uiterste moeilijkheid om op ’t eerste gezicht iets als mogelijk te begrijpen dat in tegenspraak is met een ervaring, die ons gewoon is en lang bestaan heeft.Deze moeilijkheid is een noodwendig gevolg van de fundamenteele wetten van den menschelijken geest. Wanneer wij dikwijls twee dingen samen gezien of gedacht hebben en wij ze in geen geval gescheiden hebben gezien, dan is het volgens de grondwet der associatie een ontzettende moeilijkheid, welke ten slotte onoverkomelijk wordt, om ze gescheiden te denken.Dit komt het meest uit bij onontwikkelde personen, die in het algemeen absoluut niet in staat zijn om twee dingen, welke in hunnen geest stevig verbonden zijn, te scheiden,5en zoo menschen met een ontwikkeld verstand in dit opzicht eenigen voorspronghebben, dan komt dit, omdat zij meer gezien, gehoord en gelezen hebben, en daar zij er meer aan gewoon zijn, hunne verbeelding te oefenen, hebben zij hunne waarnemingen en gedachten op verschillende wijzen samengesteld, en zijn zij er voor behoed, om vele dezer onverbrekelijke verbindingen te vormen. Maar deze voorsprong heeft noodwendiger wijze zijn grenzen.De man van het meest geoefende verstand is onderworpen aan de algemeene wetten van ons opvattend vermogen. Zoo dagelijksche gewoonte hem gedurende langen tijd twee feiten geeft te aanschouwen, die samengaan, en hij gedurende dien tijd door geenerlei voorval of bedoeling er toe gebracht is, om ze afzonderlijk te denken, zal hij er, gedurende verloop van tijd onbekwaam toe worden, zelfs bij de sterkste inspanning; en de veronderstelling, dat de twee feiten in de natuur zouden kunnen gescheiden worden, zal ten slotte in zijn geest optreden met al de kenmerken van een onbegrijpelijk verschijnsel. Daarvan zijn in de geschiedenis der wetenschap merkwaardige gevallen: voorbeelden, dat de verstandigste menschen dingen als onmogelijk, wijl onbegrijpelijk verwierpen, die het nageslacht … gemakkelijk vond te begrijpen en die nu door iedereen voor waar erkend worden.”Zelfs de twee grondwetten van ons denken worden door Mill uit de ervaring afgeleid. Dat wij ons steeds moeten denken, dat A en niet-A elkaar buitensluiten, en dat er tusschen A en niet-A geen derde mogelijk is, wordt een generalisatie genoemd. “Indien wijonze opmerkzaamheid naar buiten richten, vinden wij, dat licht en duisternis, geluid en stilte, beweging en rust, gelijkheid en ongelijkheid, voorafgaan en volgen, opeenvolging en gelijktijdigheid, eenig positief verschijnsel, wat dan ook, en zijn negatief onderscheidene verschijnselen zijn, die juist tegenover elkaar staan, en dat het eene altijd afwezig is, wanneer het andere aanwezig is. Ik beschouw dan ook het grondbeginsel, waar ’t hier om gaat, (het beginsel van de tegenspraak: A en niet-A kunnen niet tegelijkertijd bestaan) als een generalisatie uit al deze feiten.”Al onze oordeelen berusten ten slotte op ervaring. Herhaaldelijk zegt Mill, dat de afleiding slechts gaat van het bijzondere tot het bijzondere. Zoo we dus in eenigerlei redeneering deductief te werk gaan, zoo eenige wetenschap deductief is, dan ligt er toch aan de algemeene grondbeginselen, die het uitgangspunt vormen, bewust of onbewust, inductie ten grondslag.Uit deze beschouwingen volgt, dat deductieve wetenschappen … alle, zonder uitzondering, inductieve wetenschappen zijn; dat hare inductie op ervaring berust. Hare gevolgtrekkingen zijn alleen waar als berustend op zekere veronderstellingen, die de waarheid benaderen of dat althans behooren te doen, maar die zelden, indien ooit, volkomen waar zijn.Voor Mill verliezen dus ook de wiskundige wetenschappen hun absoluut zeker karakter, ook zij berusten op veronderstellingen, die de waarheid zoo nauwkeurig mogelijk benaderden.Causaliteit.Zeer groote verdiensten heeft Mill zich verworven door na te gaan, in welke gevallen wij een bepaald verschijnsel de oorzaakvan een ander noemen. Hij heeft daarvoor de wetenschappen geraadpleegd, en gevraagd: wanneer noemt men daar iets oorzaak? Mill vindt nu vijf regels. Geven wij eerst de voorbeelden, daarna de formuleering.1. We vinden in de natuur verschillende kristallen.6We zullen nagaan, onder welke omstandigheden kristallen ontstaan. Een reeks van gevallen zien wij. In allerlei vloeistoffen, in allerlei stoffen, onder verschillende temperaturen, in onderscheidene omgeving zien wij kristallen ontstaan. Maar in al die gevallen is iets gemeenschappelijks. Dit nl., dat kristallen alleen ontstaan, wanneer een of andere stof in eenvloeistofis. We nemen dus aan, dat het zijn in een vloeistof een voorwaarde voor het ontstaan van kristallen, een oorzaak of althans een medeoorzaak is.We kunnen de verschillende omstandigheden door letters voorstellen, A, B, C, D, enz., het verschijnsel door V, dat dus het gevolg moet zijn van een of meer dier omstandigheden. We kunnen ’t nu aldus overzichtelijk voorstellen.A,B,C,D,……….VA,E,F,G,……….VA,H,I,K,……….VA,oorzaak ……….VIn al die omstandigheden treedt het verschijnsel op: V. Wat ze gemeen hebben is A. Dit is dus de oorzaak of medeoorzaak van V:Geformuleerd luidt de regel:Indien twee of meer gevallen van het te onderzoeken verschijnsel slechts één omstandigheid gemeen hebben, dan is die omstandigheid, waarin alleen de gevallen overeenstemmen, de oorzaak (of het gevolg) van het gegeven verschijnsel.Er is echter één groote moeilijkheid om dezen regel toe te passen. Men weet namelijk nooit, of er ook onbekende omstandigheden zijn, die de oorzaak kunnen zijn. Nemen we een eenvoudig voorbeeld. Een goochelaar heeft een doosje, waarin een popje, dat soms het deksel opendoet, en er uit springt. Het doet dit alleen, wanneer er met het zwarte stokje van den toovenaar drie maal in ’t rond gezwaaid is, ’tzij de man ’tzelf, ’tzij een der kinderen ’t doet.De omstandigheden, waaronder dit verschijnsel, ’t openspringen van het kistje, optreedt, stemmen alleen schijnbaar overeen in ’t zwaaien van het stokje en de kinderen, die dit zien, houden met hunne gegevens dat zwaaien terecht voor de oorzaak van het openspringen. De kinderen hebben de omstandigheid, die de werkelijke oorzaak is (bijv. het drukken op een knopje) niet gezien.In het dagelijksch leven zal men dus deze methode zeer veelvuldig onjuist zien toegepast, waar men de aanwezigheid van een bepaalde omstandigheid in velerlei gevallen opmerkt, deze als de oorzaak aanneemt, zonder er om te denken, of men alle andere omstandigheden volledig kent. Maar ook in de geschiedenis der wetenschap komt het voor, dat men bepaalde omstandigheden over ’t hoofd ziende, een verkeerde omstandigheid als oorzaak aannam.2. Iemand wordt geschoten, hij sterft. Wij meenen dat de door het schot veroorzaakte wonde de doodsoorzaak is. Er was eerst een groep omstandigheden, waaronder de man leefde. Daar is een tweede groep, waaronder de man sterft. Die tweede groepverschiltvan de eerste alleen door de wonde. Deze is de oorzaak. Dit is de methode van verschil en wij kunnen dezen regel opstellen:Indien een geval, waarin het te onderzoeken verschijnsel zich voordoet, met een geval, waarin het zich niet voordoet, alle omstandigheden, behalve één, gemeen heeft, die alleen optreedt in het eerste geval, dan is de omstandigheid, waarin de twee gevallen verschillen, de uitwerking, de oorzaak of een gedeelte van de oorzaak van het verschijnsel.Brengen wij dit verschijnsel onder een schema, dan krijgen wijA,B,C,D,E,…………………VB,C,D,E,……………. nietVAoorzaak of medeoorzaak vanV.3.7Stel dat we eenige akkers hebben. Drie er van zijn bemest met chili-salpeter, vier er van zijn onbemest gebleven. De drie eerste leveren een veel beter oogst dan de vier laatste. Waarin stemmen dedrie akkers o. a. overeen? Dat ze chilisalpeter hebben. (Ze stemmen misschien ook overeen in grondsoort, ligging, besproeiing). En waarin verschillen die vier andere akkers van de andere drie: dat ze geen van allen bemest zijn. De omstandigheid, die dus optreedt in alle gevallen waarin zich het verschijnsel voordoet, blijft afwezig in alle gevallen, waarin het verschijnsel zich niet voordoet. De omstandigheid wordt nu voor de waarschijnlijke oorzaak of medeoorzaak van het verschijnsel gehouden.Deze vereenigde methode van verschil en overeenstemming kunnen we aldus voorstellenA,B,C,D,…………………VA,B,C,E,…………………VB,F,G,……………. nietVB,C,H,……………. nietVAwaarschijnlijke oorzaak …VNaar Heymans’ gewijzigde formuleering luidt ze:Wanneer twee of meer gevallen, in welke een nieuwe toestand intreedt, een of meer omstandigheden gemeen hebben daaronder slechts een, welke in twee of meer gevallen, waarin de nieuwe toestand niet intreedt, ontbreekt, zoo verklaart men die omstandigheid voor de waarschijnlijke oorzaak of medeoorzaak van den nieuw intredenden toestand.Opm.Mill wil dat de gevallen, waarin de toestand optreedt, slechts alleen in de ééne omstandigheid zullen overeenstemmen en dat de gevallen, waaronder het verschijnsel niet optreedt, eveneens slechts één ding gemeen hebben, nl. de afwezigheid van de omstandigheid aanwezig in de eerste gevallen. Voor Mill wordt dus het schemaA,B,C,D,…………………VA,E,F,G,…………………VQ,R,S,……………. nietVT,U,V,……………. nietVAoorzaak of medeoorzaak vanV4. We hebben een groep omstandigheden en een groep verschijnselen. We weten, van vroeger, dat sommige omstandigheden de oorzaak zijn van sommige verschijnselen. Trekken we af, dan kunnen we zeggen, dat de overblijvende omstandigheden de oorzaken zijn der overblijvende verschijnselen.Deze methode, die van het overblijvende, is een wijziging der tweede, haar schemaA,B,C,D,………VA,B,C,D,E,………V+V1Eoorzaakmede-oorz.V1Haar regel luidt:Trek van eenig verschijnsel dat gedeelte af, dat door voorgaande inductie bekend is als het gevolg van zekere omstandigheden, en het overblijfsel van het verschijnsel is gevolg van de overblijvende omstandigheden.5. Het gebeurt wel eens, dat we een vermoede oorzaak niet kunnen verwijderen noch in alle gevallen, waarin het verschijnsel optreedt, deze alleen als gemeenschappelijke omstandigheid hebben. Willen we den invloed van de aarde op de slingerbeweging nagaan, dan kunnen wij de aarde niet wegnemen. Evenmin is de aarde alleen de gemeenschappelijke omstandigheid in alle gevallen, waarin er een slingerbeweging plaats vindt. De zon bijv. is ook altijd aanwezig.Dit zelfde geval doet zich voor, waar wij den invloed van de maan op de aarde willen bestudeeren: zij is niet weg te denken, noch alleen als gemeenschappelijke omstandigheid in alle verschijnselen (bijv. die van eb en vloed) aanwezig. Welke is hier de weg om tot kennis te geraken? De vermeende oorzaak kan in verschillende graden optreden. De slingerbeweging kan aan de linie en aan de polen plaats vinden, dichter of verder van het middelpunt der aarde af. De maan staat niet altijd even dicht bij de aarde en haar invloed is niet steeds even sterk. Wanneer nu, met veranderingen in den graad van het verschijnsel ook gelijkrichtige veranderingen in den graad van de omstandigheden, waarin het zich voordoet, gepaard gaan, kunnen wij die omstandigheden houden voor oorzaak of medeoorzaak. Voor dit punt krijgen wij dit schema:A1,B,C,D,…………………V1A2,B,C,E,…………………V2A3,B,C,F,…………………V3Aoorzaak of mede-oorzaak vanVOnder woorden gebracht:Een verschijnsel, dat op eenigerlei wijze verandert, wanneer een ander verschijnsel op eenige manier verandert, is of de oorzaak of het gevolg van dat verschijnsel, of is er door eenig feit van oorzakelijk verband mee verbonden.John Mill heeft op deze wijze aangewezen hoe de wetenschappen te werk gaan, wanneer zij de oorzaken van gegeven verschijnselen onderzoeken. Hij heeft deze wetten niet opgesteld, zonder zijn voorgangers gehad te hebben. Bacon met zijn tabellen had aleenig vermoeden der methode van verschillen, en de groote sterrekundige Herschel gaf reeds zeer belangrijke aanwijzigingen in deze richting.Denkfouten.Een uitvoerig en interessant onderzoek wijdt Mill aan de denkfouten, ook daarmee een navolger en voortzetter van Bacon’s werk. Bacon had reeds gewezen op de idólen, op de dwaalbegrippen, waarvan wij ons moeten zuiveren, om tot juiste kennis te komen. Mill tracht nu een indeeling te ontwerpen van de gebruikelijkste fouten. Hij zondert natuurlijk zulke uit, die ontstaan uit gebrek aan belangstelling, onattentheid enz. en die we dagelijks veelvuldig zien voorkomen. De eerste groep vormen die oordeelen welke wij zóó maar, zonder behoorlijken grond aannemen. Daartoe behooren bijv. volstrekt onbewezen bijgeloovigheden, als dat Vrijdag een ongeluksdag is; algemeene uitspraken zonder grond (dat is altijd zoo geweest, en zal altijd zoo blijven), enz.Vervolgens kan de fout zitten in de redeneering en de afleiding, allereerst door gebrekkig waarnemen. Men let soms alleen op de gevallen waarin een ding uitkomt, niet op die, waarin ’t niet doorgaat.Men ziet omstandigheden over ’t hoofd, die juist gewichtig zijn. Iemand moet bijv. een rustkuur doormaken en neemt in dien tijd ook geneesmiddelen in. Hij zal aan de laatste zijn herstel toeschrijven, zonder aan de rust, die hem zooveel goed deed te denken.De derde groep toont ons de generalisatie.Van één feit, of eenige feiten, schrijdt men voort tot een regel: een fout, door reizigers bijv. dikwijls begaan, die uit een paar gevallen besluiten tot iets algemeens. Zij zien in een streek bijv. eenige menschen met rood haar: in die streek zijn de menschen roodharig.Kinderen zijn er erg gauw bij, om ons vanaltijdte spreken, als iets één of een paar maal is voorgekomen.Beide, onvoldoende waarneming en generalisatie, zijn inductie-fouten. Wanneer we in een deductieve redeneering een fout maken, krijgen we redeneer-fouten. Een heel eenvoudig voorbeeld is dit: Alle visschen zijn zwemmende dieren. Alle zwemmende dieren zijn visschen. In dezen krassen vorm komen ze wel niet vaak voor, maar in ingewikkelde redeneeringen wordt toch dikwijls dezelfde fout begaan.8Ten slotte berusten vele fouten op verwarring, waaraan vooral de taal schuld kan zijn. Sterke drank geeft sterkte!Zoo een redeneering als deze:Plannenmakers moet men niet te zeer vertrouwen.Hij heeft een plan gemaakt.Men moet hem niet vertrouwen.De fout zit hierin, dat onder plannenmaken thans iets anders verstaan wordt dan iemand die een plan maakt. Zeer dikwijls dekken de feitelijke beteekenis van het woord en zijn afkomst elkaar niet meer. Sommigen weten reeds door een afkeurend woord te gebruiken, aan hun redeneeringen een schijn van waarheid te geven.9In het laatste geval heeft men dus, in tegenstelling van de drie voorgaande gevallen, zich de gronden van waar men uitging, niet helder voorgesteld.Schematisch samengesteld krijgen wij dus een overzicht van de denkfouten, dat er aldus uitziet:Ethologie.Mill wil ook de methoden nagaan van andere wetenschappen, die hij op positieve basis wil vestigen. Er moet komen een wetenschap van den menschelijken geest. Het is mogelijk om een karakterleer van den mensch te ontwerpen door toepassing en combinatie der algemeene beginselen.Voor ongelijkheid door aanleg, had Mill weinig oog. Dat blijkt al uit zijn opmerking, dat ieder gewoon kind bij zijn opvoeding ’t even ver had kunnen brengen. En ook op een ander punt houdt hij die gelijkheid vol: hij ziet in het verschil tusschen man en vrouw geen eigenlijk wezensverschil. Man en vrouw zijn van nature gelijk: slechts de eeuwenlange anders zijnde opvoeding heeft de vrouw vernederd, ze intellectueel de mindere van den man gemaakt.Mill heeft over ethica, politiek en economie nog zeer behartigenswaardige werken en artikelen geschreven, die blijk geven van zijn groote kennis en scherpverstand. Het zou ons te ver voeren, hierop in te gaan. Genoeg, dat hij in de ethiek in hoofdpunten de leer van zijn vader en van Bentham trouw bleef. In de politiek bleef hij een radicaal die volksvrijheden bepleitte, en die hoe langer zoo meer begon in te zien, dat maatschappelijke vragen nog ernstiger waren dan politieke, en die zich tegen het opkomend Socialisme vrijer verhield dan menig zijner tijdgenooten en geestverwanten. Terwijl hij meende een echt volgeling te zijn van Adam Smith was hij dit inderdaad niet meer. Het blijke uit het volgende: “Wanneermen kiezen moest tusschen het Communisme met al zijn kansen en den tegenwoordigen toestand der maatschappij met al haar lijden en ongerechtigheden,…wanneerde instelling van het persoonlijk bezit met zich bracht als een noodzakelijk gevolg, dat de opbrengst van den arbeid zoo verdeeld werd, als dat thàns geschiedt—bijna in omgekeerde evenredigheid met den arbeid—dan zouden alle bezwaren van het Communisme niets meer wegen dan kaf in de weegschaal …”Ten opzichte der religie bleef Mill’s standpunt onzeker, maar in ’t laatst van zijn leven komt hij toch meer tot waardeering van den godsdienst.In Engeland stichtte Mill wel geen eigenlijke school, maar hij had medestanders die in zijn geest werkten. Alexander Bain, een bekend zielkundige en schrijver van goede werken over de leiders van het Utilisme, verdient hier genoemd te worden naast den ouderen Whewell, den schrijver van een verdienstelijke geschiedenis der wetenschappen.
§30.Inleidende opmerkingen.In elk der drie groote cultuurlanden, Duitschland, Frankrijk, Engeland, hebben we een eigenaardige geestesrichting ontmoet. In Engeland, het land met den nuchteren zin, dat den blik op het practische richtte, was het empirisme in een of anderen vorm steeds heerschend. Daar verbond zich ook de wijsbegeerte licht met politiek en staathuishoudkunde: in het land met aloude volksvrijheden was de belangstelling levendig voor kwesties van staatsbestuur, en snelle ontwikkeling op het gebied van handel en industrie bracht onwillekeurig de aandacht op staathuishoudkundige vragen.Wat beeld vertoont Engeland ons in de jaren van Kant, Hegel, Comte?De stormen der revolutie waren er overheen gegaan. Het had Napoleon met àl zijn macht bestreden en tal van oorlogen hadden veel van de natie gevraagd; hadden de aandacht meer op het buiten- dan op het binnenland gericht. Weldra echter kwam—na Napoleon’s val—beweging, een schijnbaar politieke, maar inderdaadeen economische … Napoleon had met zijn continentaal stelsel een belangrijken slag toegebracht aan Engelands handel en nijverheid: de invoer van waren uit Engeland of door Engelsche schepen naar het vasteland was verboden. Toen nu Napoleon naar St. Helena was verbannen, het continentaal stelsel was opgeheven, overstroomde Engeland de andere Europeesche landen met zijn voortbrengselen. En deze, die daardoor eigen bedrijf een felle, bijna doodende mededinging zagen aangedaan, bouwden een beschermenden muur om hun land: zij hieven hoogere invoerrechten! Verslappende invloed op Engelands nijverheid: werkeloosheid; door afdanking van arbeiders armoede tot hongerlijdens toe. Het graan duur. Beschermende rechten weren den vrijen invoer van buitenlandsch graan. Engeland, tot nu óók een landbouwenden staat, doormaakt de crisis tot modernen nijverheidsstaat. De machines ontrooven een deel der arbeiders ook nog van hun werk. Hongeroptochten, indrukwekkende meetings, maar ook dreigende storing van orde. Regeering en parlement zien alleen het laatste, achten alleen orde-handhaving plicht van de overheid, en de ordewordtgehandhaafd, waar noodig, zelfs waar niet noodig, met geweld en in bloed, en over lijken heen. Bedwinging aldus van onlusten en bij terugkeerende welvaart herstel van uitwendige rust; maar geen inwendige vrede. De katholieken nog steeds niet geheel vrij en van staatsambten uitgesloten. Het kiesstelsel voor het Lagerhuis een bespotting van wat het behoort te zijn. Sommige oude stadjes, oude burchten, vaardigen een afgevaardigde af, gekozen door misschien een tiental kiezers of nog minder. Nijvere, volkrijke steden, later opgekomen, niet in de gelegenheid om hare verlangens in ’t parlement kenbaar te maken.Hervorming van ’t kiesrecht, afschaffing der korenwetten, bevrijding der katholieken, ziehier de drie groote dingen, die men vraagt, waarvoor men pleit. Een groep radicale denkers ontstaat, die op godsdienstig, politiek, maatschappelijk, wijsgeerig terrein samenwerken, in de “Westminster review” weldra hun orgaan vinden.Met deze groep denkers houden we ons eerst bezig. Bentham is hier te noemen, die de leer welke Adam Smith (I, pag. 325) opgesteld heeft voor de economie, uitbreidt over het heele leven. James Mill, die de psychologie van de 18de eeuw voortzet, verdiept. Zijn zoon, John Stuart Mill is de centrale denker van dezen tijd: wijsgeer, maar ook practisch staatsman, maar ook publicist, die met zijn pen en scherp en helder denken verlichting en vrijheid dient. Centraal, wijl ook in hem alle draden van ’t Engelsche leven uit dien tijd samenloopen. Hij wordt geboren en opgevoed in den kring, die de 18de-eeuwsche aufklärung voortzet. Hij vindt in zijn eigen persoon de breuk, het failliet van het stelsel. De invloed van den hartstochtelijken, somberen denker Carlyle, die in Engeland de reactie op de aufklärung, het dichterlijk idealisme van Duitschland vertegenwoordigt, openbaart hem de waarde der levende persoonlijkheid. Aan Comte’s leer trekt hij zich nu naar boven. En ook de vereering van de vrouw ontbreekt niet.
§30.Inleidende opmerkingen.
In elk der drie groote cultuurlanden, Duitschland, Frankrijk, Engeland, hebben we een eigenaardige geestesrichting ontmoet. In Engeland, het land met den nuchteren zin, dat den blik op het practische richtte, was het empirisme in een of anderen vorm steeds heerschend. Daar verbond zich ook de wijsbegeerte licht met politiek en staathuishoudkunde: in het land met aloude volksvrijheden was de belangstelling levendig voor kwesties van staatsbestuur, en snelle ontwikkeling op het gebied van handel en industrie bracht onwillekeurig de aandacht op staathuishoudkundige vragen.Wat beeld vertoont Engeland ons in de jaren van Kant, Hegel, Comte?De stormen der revolutie waren er overheen gegaan. Het had Napoleon met àl zijn macht bestreden en tal van oorlogen hadden veel van de natie gevraagd; hadden de aandacht meer op het buiten- dan op het binnenland gericht. Weldra echter kwam—na Napoleon’s val—beweging, een schijnbaar politieke, maar inderdaadeen economische … Napoleon had met zijn continentaal stelsel een belangrijken slag toegebracht aan Engelands handel en nijverheid: de invoer van waren uit Engeland of door Engelsche schepen naar het vasteland was verboden. Toen nu Napoleon naar St. Helena was verbannen, het continentaal stelsel was opgeheven, overstroomde Engeland de andere Europeesche landen met zijn voortbrengselen. En deze, die daardoor eigen bedrijf een felle, bijna doodende mededinging zagen aangedaan, bouwden een beschermenden muur om hun land: zij hieven hoogere invoerrechten! Verslappende invloed op Engelands nijverheid: werkeloosheid; door afdanking van arbeiders armoede tot hongerlijdens toe. Het graan duur. Beschermende rechten weren den vrijen invoer van buitenlandsch graan. Engeland, tot nu óók een landbouwenden staat, doormaakt de crisis tot modernen nijverheidsstaat. De machines ontrooven een deel der arbeiders ook nog van hun werk. Hongeroptochten, indrukwekkende meetings, maar ook dreigende storing van orde. Regeering en parlement zien alleen het laatste, achten alleen orde-handhaving plicht van de overheid, en de ordewordtgehandhaafd, waar noodig, zelfs waar niet noodig, met geweld en in bloed, en over lijken heen. Bedwinging aldus van onlusten en bij terugkeerende welvaart herstel van uitwendige rust; maar geen inwendige vrede. De katholieken nog steeds niet geheel vrij en van staatsambten uitgesloten. Het kiesstelsel voor het Lagerhuis een bespotting van wat het behoort te zijn. Sommige oude stadjes, oude burchten, vaardigen een afgevaardigde af, gekozen door misschien een tiental kiezers of nog minder. Nijvere, volkrijke steden, later opgekomen, niet in de gelegenheid om hare verlangens in ’t parlement kenbaar te maken.Hervorming van ’t kiesrecht, afschaffing der korenwetten, bevrijding der katholieken, ziehier de drie groote dingen, die men vraagt, waarvoor men pleit. Een groep radicale denkers ontstaat, die op godsdienstig, politiek, maatschappelijk, wijsgeerig terrein samenwerken, in de “Westminster review” weldra hun orgaan vinden.Met deze groep denkers houden we ons eerst bezig. Bentham is hier te noemen, die de leer welke Adam Smith (I, pag. 325) opgesteld heeft voor de economie, uitbreidt over het heele leven. James Mill, die de psychologie van de 18de eeuw voortzet, verdiept. Zijn zoon, John Stuart Mill is de centrale denker van dezen tijd: wijsgeer, maar ook practisch staatsman, maar ook publicist, die met zijn pen en scherp en helder denken verlichting en vrijheid dient. Centraal, wijl ook in hem alle draden van ’t Engelsche leven uit dien tijd samenloopen. Hij wordt geboren en opgevoed in den kring, die de 18de-eeuwsche aufklärung voortzet. Hij vindt in zijn eigen persoon de breuk, het failliet van het stelsel. De invloed van den hartstochtelijken, somberen denker Carlyle, die in Engeland de reactie op de aufklärung, het dichterlijk idealisme van Duitschland vertegenwoordigt, openbaart hem de waarde der levende persoonlijkheid. Aan Comte’s leer trekt hij zich nu naar boven. En ook de vereering van de vrouw ontbreekt niet.
In elk der drie groote cultuurlanden, Duitschland, Frankrijk, Engeland, hebben we een eigenaardige geestesrichting ontmoet. In Engeland, het land met den nuchteren zin, dat den blik op het practische richtte, was het empirisme in een of anderen vorm steeds heerschend. Daar verbond zich ook de wijsbegeerte licht met politiek en staathuishoudkunde: in het land met aloude volksvrijheden was de belangstelling levendig voor kwesties van staatsbestuur, en snelle ontwikkeling op het gebied van handel en industrie bracht onwillekeurig de aandacht op staathuishoudkundige vragen.
Wat beeld vertoont Engeland ons in de jaren van Kant, Hegel, Comte?
De stormen der revolutie waren er overheen gegaan. Het had Napoleon met àl zijn macht bestreden en tal van oorlogen hadden veel van de natie gevraagd; hadden de aandacht meer op het buiten- dan op het binnenland gericht. Weldra echter kwam—na Napoleon’s val—beweging, een schijnbaar politieke, maar inderdaadeen economische … Napoleon had met zijn continentaal stelsel een belangrijken slag toegebracht aan Engelands handel en nijverheid: de invoer van waren uit Engeland of door Engelsche schepen naar het vasteland was verboden. Toen nu Napoleon naar St. Helena was verbannen, het continentaal stelsel was opgeheven, overstroomde Engeland de andere Europeesche landen met zijn voortbrengselen. En deze, die daardoor eigen bedrijf een felle, bijna doodende mededinging zagen aangedaan, bouwden een beschermenden muur om hun land: zij hieven hoogere invoerrechten! Verslappende invloed op Engelands nijverheid: werkeloosheid; door afdanking van arbeiders armoede tot hongerlijdens toe. Het graan duur. Beschermende rechten weren den vrijen invoer van buitenlandsch graan. Engeland, tot nu óók een landbouwenden staat, doormaakt de crisis tot modernen nijverheidsstaat. De machines ontrooven een deel der arbeiders ook nog van hun werk. Hongeroptochten, indrukwekkende meetings, maar ook dreigende storing van orde. Regeering en parlement zien alleen het laatste, achten alleen orde-handhaving plicht van de overheid, en de ordewordtgehandhaafd, waar noodig, zelfs waar niet noodig, met geweld en in bloed, en over lijken heen. Bedwinging aldus van onlusten en bij terugkeerende welvaart herstel van uitwendige rust; maar geen inwendige vrede. De katholieken nog steeds niet geheel vrij en van staatsambten uitgesloten. Het kiesstelsel voor het Lagerhuis een bespotting van wat het behoort te zijn. Sommige oude stadjes, oude burchten, vaardigen een afgevaardigde af, gekozen door misschien een tiental kiezers of nog minder. Nijvere, volkrijke steden, later opgekomen, niet in de gelegenheid om hare verlangens in ’t parlement kenbaar te maken.
Hervorming van ’t kiesrecht, afschaffing der korenwetten, bevrijding der katholieken, ziehier de drie groote dingen, die men vraagt, waarvoor men pleit. Een groep radicale denkers ontstaat, die op godsdienstig, politiek, maatschappelijk, wijsgeerig terrein samenwerken, in de “Westminster review” weldra hun orgaan vinden.
Met deze groep denkers houden we ons eerst bezig. Bentham is hier te noemen, die de leer welke Adam Smith (I, pag. 325) opgesteld heeft voor de economie, uitbreidt over het heele leven. James Mill, die de psychologie van de 18de eeuw voortzet, verdiept. Zijn zoon, John Stuart Mill is de centrale denker van dezen tijd: wijsgeer, maar ook practisch staatsman, maar ook publicist, die met zijn pen en scherp en helder denken verlichting en vrijheid dient. Centraal, wijl ook in hem alle draden van ’t Engelsche leven uit dien tijd samenloopen. Hij wordt geboren en opgevoed in den kring, die de 18de-eeuwsche aufklärung voortzet. Hij vindt in zijn eigen persoon de breuk, het failliet van het stelsel. De invloed van den hartstochtelijken, somberen denker Carlyle, die in Engeland de reactie op de aufklärung, het dichterlijk idealisme van Duitschland vertegenwoordigt, openbaart hem de waarde der levende persoonlijkheid. Aan Comte’s leer trekt hij zich nu naar boven. En ook de vereering van de vrouw ontbreekt niet.
§ 31.Bentham, James Mill.Bentham behoort eigenlijk meer thuis in een geschiedenis der rechten, maar ook als ethicus heeft hij beteekenis.Jeremias Bentham (1748–1832) stelde zich de vraag, van welk beginsel onze zedelijke inzichten moesten uitgaan en vond dat hierin, dat elk mensch lust boven leed verkoos. Het kwam er dus maar op aan,om voor het grootst aantal menschen het grootst mogelijke geluk te vinden. De groote vraag is nu hoe de eenling er toe gebracht wordt, om ook het geluk van anderen te willen. Smith had op staathuishoudkundig gebied geleerd, dat het in ’t algemeen voor ’t geheel ’t best uitkwam, wanneer ieder zijn eigen belang op zijn eigen wijze zocht. Er zou dan een samenspel en evenwicht van belangen ontstaan, waarbij niet een, maar allen welvoeren. Welnu, ditzelfde ziet Bentham op ethisch gebied gebeuren. De verstandige mensch ziet in, dat hij anderen niet kan missen, dat zij hem moeten bijstaan, om zijn geluk te vormen. De openbare meening keurt verder die dingen goed, welke in het algemeen belang zijn en naarmate de ontwikkeling voortschrijdt, zal inzicht in ’t algemeen belang grooter worden. Dan zullen dus ook juister oordeelen geveld worden door de publieke opinie. En deze is een macht, wordt dat meer en meer, drijft dus ook den mensch tot handelen in ’t algemeen welzijn.Wij zien hier dus de scherpst mogelijke tegenstelling tusschen Kant en Bentham. Beide hoofdrichtingen zijn in de ethiek der 19de eeuw blijven bestaan. Maar niet zonder toenaderingen, verzoeningspogingen. Kants rigorisme, dat eigenlijk alleen het plichtmatige handelen tegen de neiging in, zedelijke waarde toekent, wordt verlaten door velen die andere zijner grondgedachten aanhangen. En omgekeerd zal niet ieder, die overigens nauwe verwantschap vertoont met de utilisten en de associatiepsychologen, het ontstaan der belangstelling, die den enkeling tot het algemeen welzijn voert, op dezelfde wijze verklaren als Bentham.Geven we uit het heden twee voorbeelden Paulsen—Höffding.Paulsen, de schrijver van een bekend stelsel van zedeleer (System der Ethik) die zich in zijn kennistheorie eng bij Kant aansluit en overigens zeker dichter bij Kant dan bij de Engelsche Utilisten staat, gaat niet mee met Kant’s algemeene geldigheid van het zedelijk beginsel. Ook hij baseert zich op het welvaartsbeginsel. De zedelijke wetten zijn ervaringswetten. Het heillooze van den leugen bijv. berust op het groote nadeel voor het gemeenschapsleven. Maar zou de leugen ook nog verwerpelijk zijn als hij steeds bedrieger en bedrogene tot heil strekte? “De zaak is den mensch werkelijk niet zoo gemakkelijk gemaakt, dat een hem inwonend vermogen, practische rede of geweten genaamd, met een eenvoudige inrichting (het brengen van een bijzonder geval onder een algemeenen regel) zijn leven onfeilbaar zou leiden.” Wel bestrijdt hij het hedonisme dat volgens hem in Bentham en Mill te voorschijn treedt. Daartegenover stelt hij het energisme. Het hedonisme zegt: het hoogste goed is lust. Het energisme zegt: leven is handelen en het hoogste goed is gelegen in een bepaalde wijze van handelen en leven. “Ik geloof, dat het recht op de zijde van het energisme is. De analytische zielkunde dwaalt, wanneer zij meent, dat overal de voorstelling van lust de beweegreden voor menschelijk handelen is.” Tot zoover Paulsen.De auteur van een ander, veelgelezen handboek der ethiek, deKopenhager Hoogleeraar Höffding, sluit zich zéér eng aan bij Bentham, maar wijzigt diens leer, door den overgang tot behartiging van ’s naasten belangen anders te verklaren.Hij meent dat er tusschen Bentham en Kant een verzoening is te vinden, welke hij beproeft te geven.Bentham, (die zelf een zeer belangelooze persoonlijkheid was, spoedig tot medelijden met anderen bewogenen dus ook in dat opzicht met Helvetius overeenstemde, wiens werken hij hoogschatte en met wiens leer de zijne overeenkomst vertoont), trad ook met veel kracht op tegen het Engelsche recht, dat, met zijn vele sluipwegen een waar doolhof was, onvatbaar voor een leek, leidde tot dure en lange processen, en dan nog niet altijd voldoende rechtszekerheid gaf1. Hij eischte codificatie (’t woord is van hem afkomstig) der wetten zoodanig, dat ieder ze kon verstaan. Van stemrechtverbetering was hij een warm voorstander.Bentham, die in een conservatieve omgeving opgevoed was, Karel I als een martelaar, alle revolutie als duivelswerk had leeren beschouwen, kwam door zijn latere leer in lijnrechten strijd met de orthodoxen op kerkelijk, met de conservatieve Tories op staatkundig gebied. Maar reeds verwijdert hij zich van den aufklärungstijd en het revolutieïdeaal; niet de rechten van den mensch, maar die der gemeenschap erkent hij en slechts dáár heeft het individu recht, waar dat recht strekt tot heil der gemeenschap, waar het meewerkt, om het grootst mogelijk geluk voor het grootste aantal te bewerkstelligen.James Mill.Uit geheel andere kringen was de latere vriend en medestander van Bentham James Mill afkomstig. Deze, den 6 April 1773 in Zuid-Schotland geboren, was de zoon van een dorpsschoenmaker en een meer ontwikkelde moeder. Door haar invloed vooral werd James voor studie bestemd, daarin later voortgeholpen door een vermogend edelman, Sir John Stuart. Theologiestudie beviel hemniet. Op dertigjarigen leeftijd gaat hij naar Londen. Moeilijke tijden wachten. Met harden arbeid moet hij voor zich en zijn steeds talrijker wordend gezin het brood verdienen. Zijn hervormingsgezind streven lijdt daarbij echter geen schade.Zijn geschiedenis van Britsch-Indië toont welk een uitnemend kenner van Indische toestanden hij is. Hij komt in dienst der Oostindische compagnie, die “gebruik maakt van zijn kennis en zijn critiek niet vreest.” Tot hooger posten opgeklommen, krijgt hij een meer onbezorgd bestaan en kan zich aan zijn studies blijven wijden en werkzaam zijn voor de kiesrechthervorming. Hij was dit niet alleen door zijn geschriften, maar ook door zijn woord, door zijn invloed op een hem omringende groep van jongelui. Van uit zijn studeerkamer nam hij leidend deel aan den slag, die eindigde met de overwinning; in 1832 moesten de lords hun verzet opgeven en de “reform-bill” aannemen, die beter kiesrecht schonk. Mill, practischer dan Bentham, had nog niet op algemeen kiesrecht aangedrongen, maar slechts hervorming en uitbreiding tot den middenstand gewenscht; met de toeneming van ontwikkeling zou er dan ook verdere uitbreiding van kiesrecht kunnen komen.Voor de wijsbegeerte ligt Mills beteekenis op zielkundig gebied door zijn werk: “Ontleding van den geest.” (Analysis of the Mind) waarin hij de associatietheorie verder ontwikkelde. Gaan we nog even na, wat deze inhoudt.Het kan zijn, dat een waargenomen voorwerp u aan een ander doet denken, een portret van den persoon aan hem die het voorstelt, een schouwburg aan den Amsterdamschen enz. Wij zeggen dan, dat die beide voorstellingen geassocieerd zijn en wij hebben hier eenassociatie door gelijkheid.Hoort ge de beginwoorden van een bekend vers, dan komen u de volgende in ’t bewustzijn. Ge hebt die woorden herhaaldelijk na elkander opgenomen, er is een associatie ontstaan. Twee dingen kunnen ook tegelijk bestaan en waargenomen worden: de meubels van een kamer bijv. Stelt ge u dan het bureau voor dan kunt ge komen tot de boekenkast, de gordijnen, enz. Dit is een associatie dooraanraking, aanraking in ruimte of tijd.Voor Mill bestaat nu eigenlijk alleen de aanrakingsassociatie. Tot haar brengt hij alle verschijnselen op zielkundig gebied terug. De associatie ishetpsychologisch verschijnsel, het verschijnsel bij uitnemendheid.Bentham had zijn geheele ethiek ontwikkeld van uit één beginsel, lust gaat boven onlust. Mill bouwt eveneens op één beginsel zijn geheele zielkunde: wat eens waargenomen, ervaren is, kan gereproduceerd worden, als een waarneming, die er mee geassocieerd is, weer wordt gedaan. Het bewustzijn wordt dus beheerscht door de ervaring, door dat, wat zich aan de waarneming aanbiedt. Deze geeft de enkelvoudige voorstellingen en door de verbinding van deze ontstaan alle verdere bewustzijnsverschijnselen: fantasie, oordeelen, gevoel, willen. In laatste instantie wordt het voelen dus door de waarneming beheerscht. Dus is er ook mogelijkheid, een bepaalde richting te geven aan het menschelijk geestesleven, als de opvoeding, de maatschappij, de wetgever maar zorgen voor bepaalde voorstellingen en voorstellingscomplexen.De associatiepsychologie kon allereerstkritischwerken. Tal van oordeelen, op godsdienstig, maatschappelijk en politiek gebied, die den radicalen als vooroordeelen golden, konden ontleed worden, er kon aangetoond worden, dat zij op verbinding vanbepaalde voorstellingen berustte en men kon den oorsprong daarvan gaan zoeken.Maar zij kon ookopbouwendwerken, waar zij de mogelijkheid aangaf, op de toekomst in te werken. Zoo kon een der aanhangers er bijv. toe komen opvoeding te definieeren als het aanbrengen van gewenschte associaties.
§ 31.Bentham, James Mill.
Bentham behoort eigenlijk meer thuis in een geschiedenis der rechten, maar ook als ethicus heeft hij beteekenis.Jeremias Bentham (1748–1832) stelde zich de vraag, van welk beginsel onze zedelijke inzichten moesten uitgaan en vond dat hierin, dat elk mensch lust boven leed verkoos. Het kwam er dus maar op aan,om voor het grootst aantal menschen het grootst mogelijke geluk te vinden. De groote vraag is nu hoe de eenling er toe gebracht wordt, om ook het geluk van anderen te willen. Smith had op staathuishoudkundig gebied geleerd, dat het in ’t algemeen voor ’t geheel ’t best uitkwam, wanneer ieder zijn eigen belang op zijn eigen wijze zocht. Er zou dan een samenspel en evenwicht van belangen ontstaan, waarbij niet een, maar allen welvoeren. Welnu, ditzelfde ziet Bentham op ethisch gebied gebeuren. De verstandige mensch ziet in, dat hij anderen niet kan missen, dat zij hem moeten bijstaan, om zijn geluk te vormen. De openbare meening keurt verder die dingen goed, welke in het algemeen belang zijn en naarmate de ontwikkeling voortschrijdt, zal inzicht in ’t algemeen belang grooter worden. Dan zullen dus ook juister oordeelen geveld worden door de publieke opinie. En deze is een macht, wordt dat meer en meer, drijft dus ook den mensch tot handelen in ’t algemeen welzijn.Wij zien hier dus de scherpst mogelijke tegenstelling tusschen Kant en Bentham. Beide hoofdrichtingen zijn in de ethiek der 19de eeuw blijven bestaan. Maar niet zonder toenaderingen, verzoeningspogingen. Kants rigorisme, dat eigenlijk alleen het plichtmatige handelen tegen de neiging in, zedelijke waarde toekent, wordt verlaten door velen die andere zijner grondgedachten aanhangen. En omgekeerd zal niet ieder, die overigens nauwe verwantschap vertoont met de utilisten en de associatiepsychologen, het ontstaan der belangstelling, die den enkeling tot het algemeen welzijn voert, op dezelfde wijze verklaren als Bentham.Geven we uit het heden twee voorbeelden Paulsen—Höffding.Paulsen, de schrijver van een bekend stelsel van zedeleer (System der Ethik) die zich in zijn kennistheorie eng bij Kant aansluit en overigens zeker dichter bij Kant dan bij de Engelsche Utilisten staat, gaat niet mee met Kant’s algemeene geldigheid van het zedelijk beginsel. Ook hij baseert zich op het welvaartsbeginsel. De zedelijke wetten zijn ervaringswetten. Het heillooze van den leugen bijv. berust op het groote nadeel voor het gemeenschapsleven. Maar zou de leugen ook nog verwerpelijk zijn als hij steeds bedrieger en bedrogene tot heil strekte? “De zaak is den mensch werkelijk niet zoo gemakkelijk gemaakt, dat een hem inwonend vermogen, practische rede of geweten genaamd, met een eenvoudige inrichting (het brengen van een bijzonder geval onder een algemeenen regel) zijn leven onfeilbaar zou leiden.” Wel bestrijdt hij het hedonisme dat volgens hem in Bentham en Mill te voorschijn treedt. Daartegenover stelt hij het energisme. Het hedonisme zegt: het hoogste goed is lust. Het energisme zegt: leven is handelen en het hoogste goed is gelegen in een bepaalde wijze van handelen en leven. “Ik geloof, dat het recht op de zijde van het energisme is. De analytische zielkunde dwaalt, wanneer zij meent, dat overal de voorstelling van lust de beweegreden voor menschelijk handelen is.” Tot zoover Paulsen.De auteur van een ander, veelgelezen handboek der ethiek, deKopenhager Hoogleeraar Höffding, sluit zich zéér eng aan bij Bentham, maar wijzigt diens leer, door den overgang tot behartiging van ’s naasten belangen anders te verklaren.Hij meent dat er tusschen Bentham en Kant een verzoening is te vinden, welke hij beproeft te geven.Bentham, (die zelf een zeer belangelooze persoonlijkheid was, spoedig tot medelijden met anderen bewogenen dus ook in dat opzicht met Helvetius overeenstemde, wiens werken hij hoogschatte en met wiens leer de zijne overeenkomst vertoont), trad ook met veel kracht op tegen het Engelsche recht, dat, met zijn vele sluipwegen een waar doolhof was, onvatbaar voor een leek, leidde tot dure en lange processen, en dan nog niet altijd voldoende rechtszekerheid gaf1. Hij eischte codificatie (’t woord is van hem afkomstig) der wetten zoodanig, dat ieder ze kon verstaan. Van stemrechtverbetering was hij een warm voorstander.Bentham, die in een conservatieve omgeving opgevoed was, Karel I als een martelaar, alle revolutie als duivelswerk had leeren beschouwen, kwam door zijn latere leer in lijnrechten strijd met de orthodoxen op kerkelijk, met de conservatieve Tories op staatkundig gebied. Maar reeds verwijdert hij zich van den aufklärungstijd en het revolutieïdeaal; niet de rechten van den mensch, maar die der gemeenschap erkent hij en slechts dáár heeft het individu recht, waar dat recht strekt tot heil der gemeenschap, waar het meewerkt, om het grootst mogelijk geluk voor het grootste aantal te bewerkstelligen.James Mill.Uit geheel andere kringen was de latere vriend en medestander van Bentham James Mill afkomstig. Deze, den 6 April 1773 in Zuid-Schotland geboren, was de zoon van een dorpsschoenmaker en een meer ontwikkelde moeder. Door haar invloed vooral werd James voor studie bestemd, daarin later voortgeholpen door een vermogend edelman, Sir John Stuart. Theologiestudie beviel hemniet. Op dertigjarigen leeftijd gaat hij naar Londen. Moeilijke tijden wachten. Met harden arbeid moet hij voor zich en zijn steeds talrijker wordend gezin het brood verdienen. Zijn hervormingsgezind streven lijdt daarbij echter geen schade.Zijn geschiedenis van Britsch-Indië toont welk een uitnemend kenner van Indische toestanden hij is. Hij komt in dienst der Oostindische compagnie, die “gebruik maakt van zijn kennis en zijn critiek niet vreest.” Tot hooger posten opgeklommen, krijgt hij een meer onbezorgd bestaan en kan zich aan zijn studies blijven wijden en werkzaam zijn voor de kiesrechthervorming. Hij was dit niet alleen door zijn geschriften, maar ook door zijn woord, door zijn invloed op een hem omringende groep van jongelui. Van uit zijn studeerkamer nam hij leidend deel aan den slag, die eindigde met de overwinning; in 1832 moesten de lords hun verzet opgeven en de “reform-bill” aannemen, die beter kiesrecht schonk. Mill, practischer dan Bentham, had nog niet op algemeen kiesrecht aangedrongen, maar slechts hervorming en uitbreiding tot den middenstand gewenscht; met de toeneming van ontwikkeling zou er dan ook verdere uitbreiding van kiesrecht kunnen komen.Voor de wijsbegeerte ligt Mills beteekenis op zielkundig gebied door zijn werk: “Ontleding van den geest.” (Analysis of the Mind) waarin hij de associatietheorie verder ontwikkelde. Gaan we nog even na, wat deze inhoudt.Het kan zijn, dat een waargenomen voorwerp u aan een ander doet denken, een portret van den persoon aan hem die het voorstelt, een schouwburg aan den Amsterdamschen enz. Wij zeggen dan, dat die beide voorstellingen geassocieerd zijn en wij hebben hier eenassociatie door gelijkheid.Hoort ge de beginwoorden van een bekend vers, dan komen u de volgende in ’t bewustzijn. Ge hebt die woorden herhaaldelijk na elkander opgenomen, er is een associatie ontstaan. Twee dingen kunnen ook tegelijk bestaan en waargenomen worden: de meubels van een kamer bijv. Stelt ge u dan het bureau voor dan kunt ge komen tot de boekenkast, de gordijnen, enz. Dit is een associatie dooraanraking, aanraking in ruimte of tijd.Voor Mill bestaat nu eigenlijk alleen de aanrakingsassociatie. Tot haar brengt hij alle verschijnselen op zielkundig gebied terug. De associatie ishetpsychologisch verschijnsel, het verschijnsel bij uitnemendheid.Bentham had zijn geheele ethiek ontwikkeld van uit één beginsel, lust gaat boven onlust. Mill bouwt eveneens op één beginsel zijn geheele zielkunde: wat eens waargenomen, ervaren is, kan gereproduceerd worden, als een waarneming, die er mee geassocieerd is, weer wordt gedaan. Het bewustzijn wordt dus beheerscht door de ervaring, door dat, wat zich aan de waarneming aanbiedt. Deze geeft de enkelvoudige voorstellingen en door de verbinding van deze ontstaan alle verdere bewustzijnsverschijnselen: fantasie, oordeelen, gevoel, willen. In laatste instantie wordt het voelen dus door de waarneming beheerscht. Dus is er ook mogelijkheid, een bepaalde richting te geven aan het menschelijk geestesleven, als de opvoeding, de maatschappij, de wetgever maar zorgen voor bepaalde voorstellingen en voorstellingscomplexen.De associatiepsychologie kon allereerstkritischwerken. Tal van oordeelen, op godsdienstig, maatschappelijk en politiek gebied, die den radicalen als vooroordeelen golden, konden ontleed worden, er kon aangetoond worden, dat zij op verbinding vanbepaalde voorstellingen berustte en men kon den oorsprong daarvan gaan zoeken.Maar zij kon ookopbouwendwerken, waar zij de mogelijkheid aangaf, op de toekomst in te werken. Zoo kon een der aanhangers er bijv. toe komen opvoeding te definieeren als het aanbrengen van gewenschte associaties.
Bentham behoort eigenlijk meer thuis in een geschiedenis der rechten, maar ook als ethicus heeft hij beteekenis.
Jeremias Bentham (1748–1832) stelde zich de vraag, van welk beginsel onze zedelijke inzichten moesten uitgaan en vond dat hierin, dat elk mensch lust boven leed verkoos. Het kwam er dus maar op aan,om voor het grootst aantal menschen het grootst mogelijke geluk te vinden. De groote vraag is nu hoe de eenling er toe gebracht wordt, om ook het geluk van anderen te willen. Smith had op staathuishoudkundig gebied geleerd, dat het in ’t algemeen voor ’t geheel ’t best uitkwam, wanneer ieder zijn eigen belang op zijn eigen wijze zocht. Er zou dan een samenspel en evenwicht van belangen ontstaan, waarbij niet een, maar allen welvoeren. Welnu, ditzelfde ziet Bentham op ethisch gebied gebeuren. De verstandige mensch ziet in, dat hij anderen niet kan missen, dat zij hem moeten bijstaan, om zijn geluk te vormen. De openbare meening keurt verder die dingen goed, welke in het algemeen belang zijn en naarmate de ontwikkeling voortschrijdt, zal inzicht in ’t algemeen belang grooter worden. Dan zullen dus ook juister oordeelen geveld worden door de publieke opinie. En deze is een macht, wordt dat meer en meer, drijft dus ook den mensch tot handelen in ’t algemeen welzijn.
Wij zien hier dus de scherpst mogelijke tegenstelling tusschen Kant en Bentham. Beide hoofdrichtingen zijn in de ethiek der 19de eeuw blijven bestaan. Maar niet zonder toenaderingen, verzoeningspogingen. Kants rigorisme, dat eigenlijk alleen het plichtmatige handelen tegen de neiging in, zedelijke waarde toekent, wordt verlaten door velen die andere zijner grondgedachten aanhangen. En omgekeerd zal niet ieder, die overigens nauwe verwantschap vertoont met de utilisten en de associatiepsychologen, het ontstaan der belangstelling, die den enkeling tot het algemeen welzijn voert, op dezelfde wijze verklaren als Bentham.
Geven we uit het heden twee voorbeelden Paulsen—Höffding.
Paulsen, de schrijver van een bekend stelsel van zedeleer (System der Ethik) die zich in zijn kennistheorie eng bij Kant aansluit en overigens zeker dichter bij Kant dan bij de Engelsche Utilisten staat, gaat niet mee met Kant’s algemeene geldigheid van het zedelijk beginsel. Ook hij baseert zich op het welvaartsbeginsel. De zedelijke wetten zijn ervaringswetten. Het heillooze van den leugen bijv. berust op het groote nadeel voor het gemeenschapsleven. Maar zou de leugen ook nog verwerpelijk zijn als hij steeds bedrieger en bedrogene tot heil strekte? “De zaak is den mensch werkelijk niet zoo gemakkelijk gemaakt, dat een hem inwonend vermogen, practische rede of geweten genaamd, met een eenvoudige inrichting (het brengen van een bijzonder geval onder een algemeenen regel) zijn leven onfeilbaar zou leiden.” Wel bestrijdt hij het hedonisme dat volgens hem in Bentham en Mill te voorschijn treedt. Daartegenover stelt hij het energisme. Het hedonisme zegt: het hoogste goed is lust. Het energisme zegt: leven is handelen en het hoogste goed is gelegen in een bepaalde wijze van handelen en leven. “Ik geloof, dat het recht op de zijde van het energisme is. De analytische zielkunde dwaalt, wanneer zij meent, dat overal de voorstelling van lust de beweegreden voor menschelijk handelen is.” Tot zoover Paulsen.
De auteur van een ander, veelgelezen handboek der ethiek, deKopenhager Hoogleeraar Höffding, sluit zich zéér eng aan bij Bentham, maar wijzigt diens leer, door den overgang tot behartiging van ’s naasten belangen anders te verklaren.
Hij meent dat er tusschen Bentham en Kant een verzoening is te vinden, welke hij beproeft te geven.
Bentham, (die zelf een zeer belangelooze persoonlijkheid was, spoedig tot medelijden met anderen bewogenen dus ook in dat opzicht met Helvetius overeenstemde, wiens werken hij hoogschatte en met wiens leer de zijne overeenkomst vertoont), trad ook met veel kracht op tegen het Engelsche recht, dat, met zijn vele sluipwegen een waar doolhof was, onvatbaar voor een leek, leidde tot dure en lange processen, en dan nog niet altijd voldoende rechtszekerheid gaf1. Hij eischte codificatie (’t woord is van hem afkomstig) der wetten zoodanig, dat ieder ze kon verstaan. Van stemrechtverbetering was hij een warm voorstander.
Bentham, die in een conservatieve omgeving opgevoed was, Karel I als een martelaar, alle revolutie als duivelswerk had leeren beschouwen, kwam door zijn latere leer in lijnrechten strijd met de orthodoxen op kerkelijk, met de conservatieve Tories op staatkundig gebied. Maar reeds verwijdert hij zich van den aufklärungstijd en het revolutieïdeaal; niet de rechten van den mensch, maar die der gemeenschap erkent hij en slechts dáár heeft het individu recht, waar dat recht strekt tot heil der gemeenschap, waar het meewerkt, om het grootst mogelijk geluk voor het grootste aantal te bewerkstelligen.
James Mill.Uit geheel andere kringen was de latere vriend en medestander van Bentham James Mill afkomstig. Deze, den 6 April 1773 in Zuid-Schotland geboren, was de zoon van een dorpsschoenmaker en een meer ontwikkelde moeder. Door haar invloed vooral werd James voor studie bestemd, daarin later voortgeholpen door een vermogend edelman, Sir John Stuart. Theologiestudie beviel hemniet. Op dertigjarigen leeftijd gaat hij naar Londen. Moeilijke tijden wachten. Met harden arbeid moet hij voor zich en zijn steeds talrijker wordend gezin het brood verdienen. Zijn hervormingsgezind streven lijdt daarbij echter geen schade.Zijn geschiedenis van Britsch-Indië toont welk een uitnemend kenner van Indische toestanden hij is. Hij komt in dienst der Oostindische compagnie, die “gebruik maakt van zijn kennis en zijn critiek niet vreest.” Tot hooger posten opgeklommen, krijgt hij een meer onbezorgd bestaan en kan zich aan zijn studies blijven wijden en werkzaam zijn voor de kiesrechthervorming. Hij was dit niet alleen door zijn geschriften, maar ook door zijn woord, door zijn invloed op een hem omringende groep van jongelui. Van uit zijn studeerkamer nam hij leidend deel aan den slag, die eindigde met de overwinning; in 1832 moesten de lords hun verzet opgeven en de “reform-bill” aannemen, die beter kiesrecht schonk. Mill, practischer dan Bentham, had nog niet op algemeen kiesrecht aangedrongen, maar slechts hervorming en uitbreiding tot den middenstand gewenscht; met de toeneming van ontwikkeling zou er dan ook verdere uitbreiding van kiesrecht kunnen komen.Voor de wijsbegeerte ligt Mills beteekenis op zielkundig gebied door zijn werk: “Ontleding van den geest.” (Analysis of the Mind) waarin hij de associatietheorie verder ontwikkelde. Gaan we nog even na, wat deze inhoudt.Het kan zijn, dat een waargenomen voorwerp u aan een ander doet denken, een portret van den persoon aan hem die het voorstelt, een schouwburg aan den Amsterdamschen enz. Wij zeggen dan, dat die beide voorstellingen geassocieerd zijn en wij hebben hier eenassociatie door gelijkheid.Hoort ge de beginwoorden van een bekend vers, dan komen u de volgende in ’t bewustzijn. Ge hebt die woorden herhaaldelijk na elkander opgenomen, er is een associatie ontstaan. Twee dingen kunnen ook tegelijk bestaan en waargenomen worden: de meubels van een kamer bijv. Stelt ge u dan het bureau voor dan kunt ge komen tot de boekenkast, de gordijnen, enz. Dit is een associatie dooraanraking, aanraking in ruimte of tijd.Voor Mill bestaat nu eigenlijk alleen de aanrakingsassociatie. Tot haar brengt hij alle verschijnselen op zielkundig gebied terug. De associatie ishetpsychologisch verschijnsel, het verschijnsel bij uitnemendheid.Bentham had zijn geheele ethiek ontwikkeld van uit één beginsel, lust gaat boven onlust. Mill bouwt eveneens op één beginsel zijn geheele zielkunde: wat eens waargenomen, ervaren is, kan gereproduceerd worden, als een waarneming, die er mee geassocieerd is, weer wordt gedaan. Het bewustzijn wordt dus beheerscht door de ervaring, door dat, wat zich aan de waarneming aanbiedt. Deze geeft de enkelvoudige voorstellingen en door de verbinding van deze ontstaan alle verdere bewustzijnsverschijnselen: fantasie, oordeelen, gevoel, willen. In laatste instantie wordt het voelen dus door de waarneming beheerscht. Dus is er ook mogelijkheid, een bepaalde richting te geven aan het menschelijk geestesleven, als de opvoeding, de maatschappij, de wetgever maar zorgen voor bepaalde voorstellingen en voorstellingscomplexen.De associatiepsychologie kon allereerstkritischwerken. Tal van oordeelen, op godsdienstig, maatschappelijk en politiek gebied, die den radicalen als vooroordeelen golden, konden ontleed worden, er kon aangetoond worden, dat zij op verbinding vanbepaalde voorstellingen berustte en men kon den oorsprong daarvan gaan zoeken.Maar zij kon ookopbouwendwerken, waar zij de mogelijkheid aangaf, op de toekomst in te werken. Zoo kon een der aanhangers er bijv. toe komen opvoeding te definieeren als het aanbrengen van gewenschte associaties.
James Mill.
Uit geheel andere kringen was de latere vriend en medestander van Bentham James Mill afkomstig. Deze, den 6 April 1773 in Zuid-Schotland geboren, was de zoon van een dorpsschoenmaker en een meer ontwikkelde moeder. Door haar invloed vooral werd James voor studie bestemd, daarin later voortgeholpen door een vermogend edelman, Sir John Stuart. Theologiestudie beviel hemniet. Op dertigjarigen leeftijd gaat hij naar Londen. Moeilijke tijden wachten. Met harden arbeid moet hij voor zich en zijn steeds talrijker wordend gezin het brood verdienen. Zijn hervormingsgezind streven lijdt daarbij echter geen schade.Zijn geschiedenis van Britsch-Indië toont welk een uitnemend kenner van Indische toestanden hij is. Hij komt in dienst der Oostindische compagnie, die “gebruik maakt van zijn kennis en zijn critiek niet vreest.” Tot hooger posten opgeklommen, krijgt hij een meer onbezorgd bestaan en kan zich aan zijn studies blijven wijden en werkzaam zijn voor de kiesrechthervorming. Hij was dit niet alleen door zijn geschriften, maar ook door zijn woord, door zijn invloed op een hem omringende groep van jongelui. Van uit zijn studeerkamer nam hij leidend deel aan den slag, die eindigde met de overwinning; in 1832 moesten de lords hun verzet opgeven en de “reform-bill” aannemen, die beter kiesrecht schonk. Mill, practischer dan Bentham, had nog niet op algemeen kiesrecht aangedrongen, maar slechts hervorming en uitbreiding tot den middenstand gewenscht; met de toeneming van ontwikkeling zou er dan ook verdere uitbreiding van kiesrecht kunnen komen.Voor de wijsbegeerte ligt Mills beteekenis op zielkundig gebied door zijn werk: “Ontleding van den geest.” (Analysis of the Mind) waarin hij de associatietheorie verder ontwikkelde. Gaan we nog even na, wat deze inhoudt.Het kan zijn, dat een waargenomen voorwerp u aan een ander doet denken, een portret van den persoon aan hem die het voorstelt, een schouwburg aan den Amsterdamschen enz. Wij zeggen dan, dat die beide voorstellingen geassocieerd zijn en wij hebben hier eenassociatie door gelijkheid.Hoort ge de beginwoorden van een bekend vers, dan komen u de volgende in ’t bewustzijn. Ge hebt die woorden herhaaldelijk na elkander opgenomen, er is een associatie ontstaan. Twee dingen kunnen ook tegelijk bestaan en waargenomen worden: de meubels van een kamer bijv. Stelt ge u dan het bureau voor dan kunt ge komen tot de boekenkast, de gordijnen, enz. Dit is een associatie dooraanraking, aanraking in ruimte of tijd.Voor Mill bestaat nu eigenlijk alleen de aanrakingsassociatie. Tot haar brengt hij alle verschijnselen op zielkundig gebied terug. De associatie ishetpsychologisch verschijnsel, het verschijnsel bij uitnemendheid.Bentham had zijn geheele ethiek ontwikkeld van uit één beginsel, lust gaat boven onlust. Mill bouwt eveneens op één beginsel zijn geheele zielkunde: wat eens waargenomen, ervaren is, kan gereproduceerd worden, als een waarneming, die er mee geassocieerd is, weer wordt gedaan. Het bewustzijn wordt dus beheerscht door de ervaring, door dat, wat zich aan de waarneming aanbiedt. Deze geeft de enkelvoudige voorstellingen en door de verbinding van deze ontstaan alle verdere bewustzijnsverschijnselen: fantasie, oordeelen, gevoel, willen. In laatste instantie wordt het voelen dus door de waarneming beheerscht. Dus is er ook mogelijkheid, een bepaalde richting te geven aan het menschelijk geestesleven, als de opvoeding, de maatschappij, de wetgever maar zorgen voor bepaalde voorstellingen en voorstellingscomplexen.De associatiepsychologie kon allereerstkritischwerken. Tal van oordeelen, op godsdienstig, maatschappelijk en politiek gebied, die den radicalen als vooroordeelen golden, konden ontleed worden, er kon aangetoond worden, dat zij op verbinding vanbepaalde voorstellingen berustte en men kon den oorsprong daarvan gaan zoeken.Maar zij kon ookopbouwendwerken, waar zij de mogelijkheid aangaf, op de toekomst in te werken. Zoo kon een der aanhangers er bijv. toe komen opvoeding te definieeren als het aanbrengen van gewenschte associaties.
Uit geheel andere kringen was de latere vriend en medestander van Bentham James Mill afkomstig. Deze, den 6 April 1773 in Zuid-Schotland geboren, was de zoon van een dorpsschoenmaker en een meer ontwikkelde moeder. Door haar invloed vooral werd James voor studie bestemd, daarin later voortgeholpen door een vermogend edelman, Sir John Stuart. Theologiestudie beviel hemniet. Op dertigjarigen leeftijd gaat hij naar Londen. Moeilijke tijden wachten. Met harden arbeid moet hij voor zich en zijn steeds talrijker wordend gezin het brood verdienen. Zijn hervormingsgezind streven lijdt daarbij echter geen schade.
Zijn geschiedenis van Britsch-Indië toont welk een uitnemend kenner van Indische toestanden hij is. Hij komt in dienst der Oostindische compagnie, die “gebruik maakt van zijn kennis en zijn critiek niet vreest.” Tot hooger posten opgeklommen, krijgt hij een meer onbezorgd bestaan en kan zich aan zijn studies blijven wijden en werkzaam zijn voor de kiesrechthervorming. Hij was dit niet alleen door zijn geschriften, maar ook door zijn woord, door zijn invloed op een hem omringende groep van jongelui. Van uit zijn studeerkamer nam hij leidend deel aan den slag, die eindigde met de overwinning; in 1832 moesten de lords hun verzet opgeven en de “reform-bill” aannemen, die beter kiesrecht schonk. Mill, practischer dan Bentham, had nog niet op algemeen kiesrecht aangedrongen, maar slechts hervorming en uitbreiding tot den middenstand gewenscht; met de toeneming van ontwikkeling zou er dan ook verdere uitbreiding van kiesrecht kunnen komen.
Voor de wijsbegeerte ligt Mills beteekenis op zielkundig gebied door zijn werk: “Ontleding van den geest.” (Analysis of the Mind) waarin hij de associatietheorie verder ontwikkelde. Gaan we nog even na, wat deze inhoudt.
Het kan zijn, dat een waargenomen voorwerp u aan een ander doet denken, een portret van den persoon aan hem die het voorstelt, een schouwburg aan den Amsterdamschen enz. Wij zeggen dan, dat die beide voorstellingen geassocieerd zijn en wij hebben hier eenassociatie door gelijkheid.
Hoort ge de beginwoorden van een bekend vers, dan komen u de volgende in ’t bewustzijn. Ge hebt die woorden herhaaldelijk na elkander opgenomen, er is een associatie ontstaan. Twee dingen kunnen ook tegelijk bestaan en waargenomen worden: de meubels van een kamer bijv. Stelt ge u dan het bureau voor dan kunt ge komen tot de boekenkast, de gordijnen, enz. Dit is een associatie dooraanraking, aanraking in ruimte of tijd.
Voor Mill bestaat nu eigenlijk alleen de aanrakingsassociatie. Tot haar brengt hij alle verschijnselen op zielkundig gebied terug. De associatie ishetpsychologisch verschijnsel, het verschijnsel bij uitnemendheid.
Bentham had zijn geheele ethiek ontwikkeld van uit één beginsel, lust gaat boven onlust. Mill bouwt eveneens op één beginsel zijn geheele zielkunde: wat eens waargenomen, ervaren is, kan gereproduceerd worden, als een waarneming, die er mee geassocieerd is, weer wordt gedaan. Het bewustzijn wordt dus beheerscht door de ervaring, door dat, wat zich aan de waarneming aanbiedt. Deze geeft de enkelvoudige voorstellingen en door de verbinding van deze ontstaan alle verdere bewustzijnsverschijnselen: fantasie, oordeelen, gevoel, willen. In laatste instantie wordt het voelen dus door de waarneming beheerscht. Dus is er ook mogelijkheid, een bepaalde richting te geven aan het menschelijk geestesleven, als de opvoeding, de maatschappij, de wetgever maar zorgen voor bepaalde voorstellingen en voorstellingscomplexen.
De associatiepsychologie kon allereerstkritischwerken. Tal van oordeelen, op godsdienstig, maatschappelijk en politiek gebied, die den radicalen als vooroordeelen golden, konden ontleed worden, er kon aangetoond worden, dat zij op verbinding vanbepaalde voorstellingen berustte en men kon den oorsprong daarvan gaan zoeken.
Maar zij kon ookopbouwendwerken, waar zij de mogelijkheid aangaf, op de toekomst in te werken. Zoo kon een der aanhangers er bijv. toe komen opvoeding te definieeren als het aanbrengen van gewenschte associaties.
§ 32.Thomas Carlyle.Geen wijsgeer in engeren zin. Geen dichter ook. Geen politicus. Een letterkundige, maar een die in kunst levensdoel noch hoogste levensuiting zag. Een historieschrijver, maar die niet de methodische, critische behandeling van historiestukken en bronnen toepaste zooals nu de historicus. Maar een levende verbinding van velerlei elementen, die op heel het Engelsche denken machtig gewerkt heeft en hier behoort, omdat hij de levende reactie belichaamt tegen het realisme, wijl hij Duitschland, Duitschland’s éénige dichter Goethe vooral—maar ook zijn denkers—doet spreken tot Engeland. Die man was geen Engelschman maar behoorde tot het zwijgende, sombere, ernstig-werkende, matige, meer aan de Germanen verwante volk der Schotten. Hij werd 1795 in Zuid-Schotland geboren, studeerde te Edinburg, was bezig met onderwijs geven, verdiende daarna zijn onderhoud met literairen broodarbeid en woonde sedert 1834 bij Londen in Chelsea tot ’t einde van zijn leven.Een trouwe steun, wier zelfopoffering hij niet doorzag en die hij tot zijn ontzetting eerst na haar dood uit haar dagboek leerde kennen, vond hij in zijn vrouwJaneWelsh.Tot de merkwaardigste werken van Carlyle uit wijsgeerigoogpunt behooren Sartor resartus, Verleden en Heden (past and present) en zijn studies over de Duitschers, en verder Helden en Heldenvereering.2Carlyle, godsdienstig opgevoed, onderging den invloed der utilistische levensbeschouwing, die hem ten slotte de wereld als dood en ledig liet zien. Merkwaardig is zijn breuk hiermee, door hem zelf beschreven. Op een wandeling in 1821 komt hij tot verzet tegen die opvatting. Hij durft erneentegen zeggen. Het eeuwig-ik is een gedurig protest tegen de mechanische theorieën. Carlyle was oorspronkelijk geloovig geweest. Hij had zijn hoop en geloof laten varen. Hij was onder den invloed van het utilisme gekomen. Maar vollen vrede had hij daarbij niet kunnen vinden. Hij had dit steeds beschouwd als een overblijfsel van zijn vroeger geloof, als een nawerking, die hij bestrijden moest.Bij al zijn strijd echter was zijn eigen ik, zijn persoonlijkheid blijven bestaan. Deze was iets anders dan een bundel samenwerkende voorstellingen, haar streven niet alleen een begeerte naar lust. Het bestaan der levende persoonlijkheid lógenstrafte de theorieën der associatie zielkunde en der utilisten. Er was een persoonlijkheidskern. En daardoor kon hij néén zeggen tegen de leer, waarvan hij zich los worstelt. Het zal wel lang duren, voor op het eeuwig néén het eeuwig jà volgt, voor de rechte weg gevonden is. Maar—hij is terug van den verkeerden weg. Het eeuwige néén is begin van Nieuw leven.Hier zien wij Carlyle één met Fichte.Hem schijnt de natuur slechts een reeks verschijnselen,het is het kleed der godheid. Hij erkent, evenals de Duitsche idealisten, achter de verschijnselen een werkelijkheid. De verhouding tot die werkelijkheid isreligie.“Het is in alle opzichten waar, dat het voornaamste in den mensch zijn godsdienstig geloof is. Ik versta hier niet onder geloof de kerkleer, die hij belijdt, de geloofsartikelen, die hij wil onderschrijven en in kerkleer of anderszins openlijk bevestigt, dit niet geheel en in menig opzicht dit geheel niet. Wij zien menschen van alle geloofsbelijdenissen tot bijna iederen graad van waardigheid of onwaardigheid geraken. Dit noem ik geen geloof, dit belijden en beweren, dat dikwijls slechts een belijden en beweren is uit de buitenwerken van den mensch, uit de streek van louter verstandelijke redeneering, of uit nog oppervlakkiger deelen. Maar hetgeen een mensch werkelijk gelooft; en dat geschiedt dikwijls genoeg zonder dat hij het beweert zelfs tegenover zichzelf, veel minder tegenover anderen; wat iemand metterdaad ter harte neemt, en wat hij voor zeker houdt aangaande zijn levensbetrekking tot dit geheimzinnig heelal en zijn plicht en bestemming daarin, dat is in alle omstandigheden voor hem het voornaamste en daaruit komt al het overige voort. Dat is zijnreligie.”Het komt dus op de persoonlijke verhouding aan tot het achter de verschijnselen liggende.Opethischgebied heeft Carlyle evenmin vrede met het utilisme. Een paar pagina’s uit Helden en Heldenvereering zullen dit duidelijk maken:“Toen ik onlangs, zonder het mij te hebben voorgenomen, sprak over Bentham’s theorie over den mensch en ’s menschen leven, noemde ik haar terloops een armzaliger stelsel dan dat van Mahomed. Ik voel mij verplicht te zeggen, nu dat eenmaal is uitgesproken,dat zulks mijn besliste meening is. Niet dat iemand een beleediging zou bedoelen tegen den persoon van Jeremias Bentham, of tegen degenen, die hem achten en gelooven; Bentham zelf en zelfs zijn geloofsrichting schijnen mij vergelijkender wijs lofwaardig toe. Het is een welbewustzijn, wat de geheele wereld op een lafhartige, halfslachtige manier bezig was teworden. Laat het tot een crisis komen, wij zullen of den dood of de genezing verkrijgen. Ik noem deze grove, machinale Nuttigheidsleer een toenadering tot nieuw geloof. Het was een afleggen van huichelarij, een tot zichzelf zeggen: welnu, deze wereld is een doode, ijzeren machine; haar god is zwaartekracht en zelfzuchtige Honger; laat ons beproeven, wat er met remmen, met in evenwicht houden, met een goed samenstel van tanden en rondsels van gemaakt kan worden. Er is iets volledigs, iets mannelijks in de wijze waarop het Benthamisme uitkomt voor wat het waarheid acht; gij kunt het Heldhaftig noemen, ofschoon het een Heldenmoed is metuitgestoken oogen! Het is het hoogtepunt en het onverschrokken Ultimatum van wat in een minder volledigen vorm het gansche bestaan van den mensch in die achttiende eeuw beheerschte. Mij schijnt het toe, dat alle ontkenners van het goddelijke, en alle geloovigen met den mond, verplicht zijn, indien zij moed en eerlijkheid bezitten, aanhangers van Bentham te zijn. De leer van Bentham is Heldenmoed metuitgestoken oogen; het menschelijk geslacht, evenals een ongelukkige Simson, met uitgestoken oogen malende in den Philistijnschen molen, grijpt stuiptrekkend de pijlers van zijn molen; stort alles in puin, maar brengt toch eindelijke bevrijding. Van Bentham bedoelde ik niets kwaads te zeggen.“Maar dit zeg ik en zou ik willen, dat iedereen,wist en ter harte nam, dat hij, die niets dan werktuigelijkheid in het Heelal waarneemt, op de noodlottigste wijze het geheim van het Heelal heeft gemist. Dat alle goddelijkheid zou verdwijnen uit ’s menschen begrip omtrent dit Heelal, schijnt mij letterlijk de grofste dwaling,—ik wil het Heidendom niet onteeren door het een Heidensche dwaling te noemen—waartoe menschen kunnen vervallen. Het is niet waar, het is onwaar tot in de diepste kern. Een mensch, die zoo denkt, zalverkeerddenken over alle dingen in de wereld; deze moederzonde trekt alle overige gevolgtrekkingen aan, die hij kan maken. Men zou het de erbarmelijkste van alle zinsbegoochelingen kunnen noemen,—hekserij zelfs niet uitgesloten. Hekserij vereert ten minste een baarlijken Duivel; maar deze leer dient een dooden Duivel van ijzer, noch God, noch zelfs een Duivel. Al wat edel, goddelijk, bezield is, valt hierbij uit het leven weg. Daar blijft alom in het leven een verachtelijk doodshoofd staan, het werktuigelijke hulsel gespeend van alle ziel. Hoe kan een mensch heldhaftig handelen? De “Leer der Drijfveeren” zal hem leeren dat het,—onder meerdere of mindere bedekking,—niets is dan een ellendig verlangen naar genot en vrees voor pijn; dat Honger naar toejuiching, naar geld of welk voedsel ook, het einddoel is van ’s menschen bestaan. Godloochening kortom—iets, dat zich zelf inderdaad vreeselijk straft. Ik bedoel, dat de mensch geestelijk een verlamde is geworden; dit goddelijk Heelal een doode, werktuigelijke stoommachine, gedreven door drijfveeren, remmen, evenwichten en ik weet niet wat al meer.”Ook opsociaalgebied is Carlyle de man der persoonlijkheid. Hij ziet niet het eenig heil in kiesrechthervorming en afschaffing van graanrechten.Wat hij eischt, is het persoonlijk element tusschen werkgever en werknemer. Aangrijpend schildert hij de sociale ellende in zijn “PastandPresent,” dat met Schiller’s “Ernst is het leven” tot motto, in 1843 verscheen. Het gevoel van saamhoorigheid, van broederschap is onder de menschen verdwenen: Een arme vrouw kan alleen haar zusterschap bewijzen door aan typhus te sterven. Eerst als zij door haar ziekte eengevaarwordt, begint men naar haar om te zien. Als zij een bron van besmetting is, dàn begrijpt men, dat zij een mènsch is van gelijke beweging: eerder niet.In Carlyle’sgeschiedenisopvatting komt dit zelfde persoonlijke element tot zijn recht; hier ook vestigt hij de aandacht op de helden. De helden, het zijn de voerders van het menschelijk geslacht, de voorbeelden. Het zijn niet slechts de krijgshelden, maar ook de helden, die denker, dichter, profeet waren.Voor wat de menigte zocht te bereiken, zijn zij de eerste vormers. In het gemoed der groote mannen zijn de werken, die wij rondom ons in de wereld zien, ontsprongen. In hen werken stille krachten, die ten slotte de rijpe vrucht in de wereld doen verschijnen. De held vindt de verborgen gedachten der tijden, die hij, door woord of voorbeeld den menschen verkondigt en daardoor brengt hij ze vooruit. En vooral in ònzen tijd hebben we ze noodig, om ons te redden uit den socialen nood.Zoo groot was zijn vereering van helden, dat hij op zijn ouden dag het wederopstaan van het Duitsche rijk begroetend met blijdschap, het annexeeren van Elzas-Lotharingen verdedigend, in Bismarck een held zag. Hoogelijk waardeerde hij diens eigenhandigen gelukwensch op zijn 80sten verjaardag en terwijl hij de Bath-orde afwees, accepteerde hij de orde van Pruisen: “Pourle mérite.”3Misschien klemde hij zich daarom zoo gretig vast aan dit verschijnsel omdat het hoop gaf en steun aan zijn geschiedenisbeschouwing, die hij anders in het heden niet kon vinden. Hij ziet slechts weinige helden, onze tijden zijn zwak, onze menschen weinig geneigd tot ernstigen arbeid. Half doordachte woorden schrijft men en spreekt men, onrijpe gedachten worden verkondigd, het zwijgen, het stille zijn is verleerd—bewondering, eerbied is verdwenen. Of niet het lichaamslijden, waaraan Carlyle voortdurend leed, invloed heeft uitgeoefend op zijn stemmingen?Op elk gebied, wijsgeerig, ethisch, sociaal, historisch, legt Carlyle dus den nadruk op het persoonlijke.Hij is de reactie der persoonlijkheid tegen het utilisme en positivisme, tegen de filosofie van oorzaken en werkingen.Met zijn eerbied voor de persoonlijkheid nadert Carlyle intusschen niet Nietzsche’s ideaal: dat de grooten, de helden hetdoelder geschiedenis zijn, aan welks verwezenlijking allen ondergeschikt zijn. Zij zijn destuwende krachtenin de historie. “Heldenvereering,indien gij wilt, maar dan, vrienden, hierin vooral bestaande, dat wij zelven een heldengeest bezitten. Een heele wereld van Helden, geen wereld van lakeien, waar geen heldenkoning kan regeeren, dàt bedoelen wij.“Ja, vrienden …. heldenkoningen, een heele wereld niet onheldhaftig, dat is de veilige en gelukkige haven, waarheen de Opperste machten ons drijven door deze stormbewogen zeeën. Naar die haven willenwij, o vrienden, laten alle trouwe menschen, welk vermogen ook in hen zij … daarheen drijven. Daar—of anders in den afgrond van den oceaan—zullen wij komen!”
§ 32.Thomas Carlyle.
Geen wijsgeer in engeren zin. Geen dichter ook. Geen politicus. Een letterkundige, maar een die in kunst levensdoel noch hoogste levensuiting zag. Een historieschrijver, maar die niet de methodische, critische behandeling van historiestukken en bronnen toepaste zooals nu de historicus. Maar een levende verbinding van velerlei elementen, die op heel het Engelsche denken machtig gewerkt heeft en hier behoort, omdat hij de levende reactie belichaamt tegen het realisme, wijl hij Duitschland, Duitschland’s éénige dichter Goethe vooral—maar ook zijn denkers—doet spreken tot Engeland. Die man was geen Engelschman maar behoorde tot het zwijgende, sombere, ernstig-werkende, matige, meer aan de Germanen verwante volk der Schotten. Hij werd 1795 in Zuid-Schotland geboren, studeerde te Edinburg, was bezig met onderwijs geven, verdiende daarna zijn onderhoud met literairen broodarbeid en woonde sedert 1834 bij Londen in Chelsea tot ’t einde van zijn leven.Een trouwe steun, wier zelfopoffering hij niet doorzag en die hij tot zijn ontzetting eerst na haar dood uit haar dagboek leerde kennen, vond hij in zijn vrouwJaneWelsh.Tot de merkwaardigste werken van Carlyle uit wijsgeerigoogpunt behooren Sartor resartus, Verleden en Heden (past and present) en zijn studies over de Duitschers, en verder Helden en Heldenvereering.2Carlyle, godsdienstig opgevoed, onderging den invloed der utilistische levensbeschouwing, die hem ten slotte de wereld als dood en ledig liet zien. Merkwaardig is zijn breuk hiermee, door hem zelf beschreven. Op een wandeling in 1821 komt hij tot verzet tegen die opvatting. Hij durft erneentegen zeggen. Het eeuwig-ik is een gedurig protest tegen de mechanische theorieën. Carlyle was oorspronkelijk geloovig geweest. Hij had zijn hoop en geloof laten varen. Hij was onder den invloed van het utilisme gekomen. Maar vollen vrede had hij daarbij niet kunnen vinden. Hij had dit steeds beschouwd als een overblijfsel van zijn vroeger geloof, als een nawerking, die hij bestrijden moest.Bij al zijn strijd echter was zijn eigen ik, zijn persoonlijkheid blijven bestaan. Deze was iets anders dan een bundel samenwerkende voorstellingen, haar streven niet alleen een begeerte naar lust. Het bestaan der levende persoonlijkheid lógenstrafte de theorieën der associatie zielkunde en der utilisten. Er was een persoonlijkheidskern. En daardoor kon hij néén zeggen tegen de leer, waarvan hij zich los worstelt. Het zal wel lang duren, voor op het eeuwig néén het eeuwig jà volgt, voor de rechte weg gevonden is. Maar—hij is terug van den verkeerden weg. Het eeuwige néén is begin van Nieuw leven.Hier zien wij Carlyle één met Fichte.Hem schijnt de natuur slechts een reeks verschijnselen,het is het kleed der godheid. Hij erkent, evenals de Duitsche idealisten, achter de verschijnselen een werkelijkheid. De verhouding tot die werkelijkheid isreligie.“Het is in alle opzichten waar, dat het voornaamste in den mensch zijn godsdienstig geloof is. Ik versta hier niet onder geloof de kerkleer, die hij belijdt, de geloofsartikelen, die hij wil onderschrijven en in kerkleer of anderszins openlijk bevestigt, dit niet geheel en in menig opzicht dit geheel niet. Wij zien menschen van alle geloofsbelijdenissen tot bijna iederen graad van waardigheid of onwaardigheid geraken. Dit noem ik geen geloof, dit belijden en beweren, dat dikwijls slechts een belijden en beweren is uit de buitenwerken van den mensch, uit de streek van louter verstandelijke redeneering, of uit nog oppervlakkiger deelen. Maar hetgeen een mensch werkelijk gelooft; en dat geschiedt dikwijls genoeg zonder dat hij het beweert zelfs tegenover zichzelf, veel minder tegenover anderen; wat iemand metterdaad ter harte neemt, en wat hij voor zeker houdt aangaande zijn levensbetrekking tot dit geheimzinnig heelal en zijn plicht en bestemming daarin, dat is in alle omstandigheden voor hem het voornaamste en daaruit komt al het overige voort. Dat is zijnreligie.”Het komt dus op de persoonlijke verhouding aan tot het achter de verschijnselen liggende.Opethischgebied heeft Carlyle evenmin vrede met het utilisme. Een paar pagina’s uit Helden en Heldenvereering zullen dit duidelijk maken:“Toen ik onlangs, zonder het mij te hebben voorgenomen, sprak over Bentham’s theorie over den mensch en ’s menschen leven, noemde ik haar terloops een armzaliger stelsel dan dat van Mahomed. Ik voel mij verplicht te zeggen, nu dat eenmaal is uitgesproken,dat zulks mijn besliste meening is. Niet dat iemand een beleediging zou bedoelen tegen den persoon van Jeremias Bentham, of tegen degenen, die hem achten en gelooven; Bentham zelf en zelfs zijn geloofsrichting schijnen mij vergelijkender wijs lofwaardig toe. Het is een welbewustzijn, wat de geheele wereld op een lafhartige, halfslachtige manier bezig was teworden. Laat het tot een crisis komen, wij zullen of den dood of de genezing verkrijgen. Ik noem deze grove, machinale Nuttigheidsleer een toenadering tot nieuw geloof. Het was een afleggen van huichelarij, een tot zichzelf zeggen: welnu, deze wereld is een doode, ijzeren machine; haar god is zwaartekracht en zelfzuchtige Honger; laat ons beproeven, wat er met remmen, met in evenwicht houden, met een goed samenstel van tanden en rondsels van gemaakt kan worden. Er is iets volledigs, iets mannelijks in de wijze waarop het Benthamisme uitkomt voor wat het waarheid acht; gij kunt het Heldhaftig noemen, ofschoon het een Heldenmoed is metuitgestoken oogen! Het is het hoogtepunt en het onverschrokken Ultimatum van wat in een minder volledigen vorm het gansche bestaan van den mensch in die achttiende eeuw beheerschte. Mij schijnt het toe, dat alle ontkenners van het goddelijke, en alle geloovigen met den mond, verplicht zijn, indien zij moed en eerlijkheid bezitten, aanhangers van Bentham te zijn. De leer van Bentham is Heldenmoed metuitgestoken oogen; het menschelijk geslacht, evenals een ongelukkige Simson, met uitgestoken oogen malende in den Philistijnschen molen, grijpt stuiptrekkend de pijlers van zijn molen; stort alles in puin, maar brengt toch eindelijke bevrijding. Van Bentham bedoelde ik niets kwaads te zeggen.“Maar dit zeg ik en zou ik willen, dat iedereen,wist en ter harte nam, dat hij, die niets dan werktuigelijkheid in het Heelal waarneemt, op de noodlottigste wijze het geheim van het Heelal heeft gemist. Dat alle goddelijkheid zou verdwijnen uit ’s menschen begrip omtrent dit Heelal, schijnt mij letterlijk de grofste dwaling,—ik wil het Heidendom niet onteeren door het een Heidensche dwaling te noemen—waartoe menschen kunnen vervallen. Het is niet waar, het is onwaar tot in de diepste kern. Een mensch, die zoo denkt, zalverkeerddenken over alle dingen in de wereld; deze moederzonde trekt alle overige gevolgtrekkingen aan, die hij kan maken. Men zou het de erbarmelijkste van alle zinsbegoochelingen kunnen noemen,—hekserij zelfs niet uitgesloten. Hekserij vereert ten minste een baarlijken Duivel; maar deze leer dient een dooden Duivel van ijzer, noch God, noch zelfs een Duivel. Al wat edel, goddelijk, bezield is, valt hierbij uit het leven weg. Daar blijft alom in het leven een verachtelijk doodshoofd staan, het werktuigelijke hulsel gespeend van alle ziel. Hoe kan een mensch heldhaftig handelen? De “Leer der Drijfveeren” zal hem leeren dat het,—onder meerdere of mindere bedekking,—niets is dan een ellendig verlangen naar genot en vrees voor pijn; dat Honger naar toejuiching, naar geld of welk voedsel ook, het einddoel is van ’s menschen bestaan. Godloochening kortom—iets, dat zich zelf inderdaad vreeselijk straft. Ik bedoel, dat de mensch geestelijk een verlamde is geworden; dit goddelijk Heelal een doode, werktuigelijke stoommachine, gedreven door drijfveeren, remmen, evenwichten en ik weet niet wat al meer.”Ook opsociaalgebied is Carlyle de man der persoonlijkheid. Hij ziet niet het eenig heil in kiesrechthervorming en afschaffing van graanrechten.Wat hij eischt, is het persoonlijk element tusschen werkgever en werknemer. Aangrijpend schildert hij de sociale ellende in zijn “PastandPresent,” dat met Schiller’s “Ernst is het leven” tot motto, in 1843 verscheen. Het gevoel van saamhoorigheid, van broederschap is onder de menschen verdwenen: Een arme vrouw kan alleen haar zusterschap bewijzen door aan typhus te sterven. Eerst als zij door haar ziekte eengevaarwordt, begint men naar haar om te zien. Als zij een bron van besmetting is, dàn begrijpt men, dat zij een mènsch is van gelijke beweging: eerder niet.In Carlyle’sgeschiedenisopvatting komt dit zelfde persoonlijke element tot zijn recht; hier ook vestigt hij de aandacht op de helden. De helden, het zijn de voerders van het menschelijk geslacht, de voorbeelden. Het zijn niet slechts de krijgshelden, maar ook de helden, die denker, dichter, profeet waren.Voor wat de menigte zocht te bereiken, zijn zij de eerste vormers. In het gemoed der groote mannen zijn de werken, die wij rondom ons in de wereld zien, ontsprongen. In hen werken stille krachten, die ten slotte de rijpe vrucht in de wereld doen verschijnen. De held vindt de verborgen gedachten der tijden, die hij, door woord of voorbeeld den menschen verkondigt en daardoor brengt hij ze vooruit. En vooral in ònzen tijd hebben we ze noodig, om ons te redden uit den socialen nood.Zoo groot was zijn vereering van helden, dat hij op zijn ouden dag het wederopstaan van het Duitsche rijk begroetend met blijdschap, het annexeeren van Elzas-Lotharingen verdedigend, in Bismarck een held zag. Hoogelijk waardeerde hij diens eigenhandigen gelukwensch op zijn 80sten verjaardag en terwijl hij de Bath-orde afwees, accepteerde hij de orde van Pruisen: “Pourle mérite.”3Misschien klemde hij zich daarom zoo gretig vast aan dit verschijnsel omdat het hoop gaf en steun aan zijn geschiedenisbeschouwing, die hij anders in het heden niet kon vinden. Hij ziet slechts weinige helden, onze tijden zijn zwak, onze menschen weinig geneigd tot ernstigen arbeid. Half doordachte woorden schrijft men en spreekt men, onrijpe gedachten worden verkondigd, het zwijgen, het stille zijn is verleerd—bewondering, eerbied is verdwenen. Of niet het lichaamslijden, waaraan Carlyle voortdurend leed, invloed heeft uitgeoefend op zijn stemmingen?Op elk gebied, wijsgeerig, ethisch, sociaal, historisch, legt Carlyle dus den nadruk op het persoonlijke.Hij is de reactie der persoonlijkheid tegen het utilisme en positivisme, tegen de filosofie van oorzaken en werkingen.Met zijn eerbied voor de persoonlijkheid nadert Carlyle intusschen niet Nietzsche’s ideaal: dat de grooten, de helden hetdoelder geschiedenis zijn, aan welks verwezenlijking allen ondergeschikt zijn. Zij zijn destuwende krachtenin de historie. “Heldenvereering,indien gij wilt, maar dan, vrienden, hierin vooral bestaande, dat wij zelven een heldengeest bezitten. Een heele wereld van Helden, geen wereld van lakeien, waar geen heldenkoning kan regeeren, dàt bedoelen wij.“Ja, vrienden …. heldenkoningen, een heele wereld niet onheldhaftig, dat is de veilige en gelukkige haven, waarheen de Opperste machten ons drijven door deze stormbewogen zeeën. Naar die haven willenwij, o vrienden, laten alle trouwe menschen, welk vermogen ook in hen zij … daarheen drijven. Daar—of anders in den afgrond van den oceaan—zullen wij komen!”
Geen wijsgeer in engeren zin. Geen dichter ook. Geen politicus. Een letterkundige, maar een die in kunst levensdoel noch hoogste levensuiting zag. Een historieschrijver, maar die niet de methodische, critische behandeling van historiestukken en bronnen toepaste zooals nu de historicus. Maar een levende verbinding van velerlei elementen, die op heel het Engelsche denken machtig gewerkt heeft en hier behoort, omdat hij de levende reactie belichaamt tegen het realisme, wijl hij Duitschland, Duitschland’s éénige dichter Goethe vooral—maar ook zijn denkers—doet spreken tot Engeland. Die man was geen Engelschman maar behoorde tot het zwijgende, sombere, ernstig-werkende, matige, meer aan de Germanen verwante volk der Schotten. Hij werd 1795 in Zuid-Schotland geboren, studeerde te Edinburg, was bezig met onderwijs geven, verdiende daarna zijn onderhoud met literairen broodarbeid en woonde sedert 1834 bij Londen in Chelsea tot ’t einde van zijn leven.
Een trouwe steun, wier zelfopoffering hij niet doorzag en die hij tot zijn ontzetting eerst na haar dood uit haar dagboek leerde kennen, vond hij in zijn vrouwJaneWelsh.
Tot de merkwaardigste werken van Carlyle uit wijsgeerigoogpunt behooren Sartor resartus, Verleden en Heden (past and present) en zijn studies over de Duitschers, en verder Helden en Heldenvereering.2
Carlyle, godsdienstig opgevoed, onderging den invloed der utilistische levensbeschouwing, die hem ten slotte de wereld als dood en ledig liet zien. Merkwaardig is zijn breuk hiermee, door hem zelf beschreven. Op een wandeling in 1821 komt hij tot verzet tegen die opvatting. Hij durft erneentegen zeggen. Het eeuwig-ik is een gedurig protest tegen de mechanische theorieën. Carlyle was oorspronkelijk geloovig geweest. Hij had zijn hoop en geloof laten varen. Hij was onder den invloed van het utilisme gekomen. Maar vollen vrede had hij daarbij niet kunnen vinden. Hij had dit steeds beschouwd als een overblijfsel van zijn vroeger geloof, als een nawerking, die hij bestrijden moest.
Bij al zijn strijd echter was zijn eigen ik, zijn persoonlijkheid blijven bestaan. Deze was iets anders dan een bundel samenwerkende voorstellingen, haar streven niet alleen een begeerte naar lust. Het bestaan der levende persoonlijkheid lógenstrafte de theorieën der associatie zielkunde en der utilisten. Er was een persoonlijkheidskern. En daardoor kon hij néén zeggen tegen de leer, waarvan hij zich los worstelt. Het zal wel lang duren, voor op het eeuwig néén het eeuwig jà volgt, voor de rechte weg gevonden is. Maar—hij is terug van den verkeerden weg. Het eeuwige néén is begin van Nieuw leven.
Hier zien wij Carlyle één met Fichte.
Hem schijnt de natuur slechts een reeks verschijnselen,het is het kleed der godheid. Hij erkent, evenals de Duitsche idealisten, achter de verschijnselen een werkelijkheid. De verhouding tot die werkelijkheid isreligie.
“Het is in alle opzichten waar, dat het voornaamste in den mensch zijn godsdienstig geloof is. Ik versta hier niet onder geloof de kerkleer, die hij belijdt, de geloofsartikelen, die hij wil onderschrijven en in kerkleer of anderszins openlijk bevestigt, dit niet geheel en in menig opzicht dit geheel niet. Wij zien menschen van alle geloofsbelijdenissen tot bijna iederen graad van waardigheid of onwaardigheid geraken. Dit noem ik geen geloof, dit belijden en beweren, dat dikwijls slechts een belijden en beweren is uit de buitenwerken van den mensch, uit de streek van louter verstandelijke redeneering, of uit nog oppervlakkiger deelen. Maar hetgeen een mensch werkelijk gelooft; en dat geschiedt dikwijls genoeg zonder dat hij het beweert zelfs tegenover zichzelf, veel minder tegenover anderen; wat iemand metterdaad ter harte neemt, en wat hij voor zeker houdt aangaande zijn levensbetrekking tot dit geheimzinnig heelal en zijn plicht en bestemming daarin, dat is in alle omstandigheden voor hem het voornaamste en daaruit komt al het overige voort. Dat is zijnreligie.”
Het komt dus op de persoonlijke verhouding aan tot het achter de verschijnselen liggende.
Opethischgebied heeft Carlyle evenmin vrede met het utilisme. Een paar pagina’s uit Helden en Heldenvereering zullen dit duidelijk maken:
“Toen ik onlangs, zonder het mij te hebben voorgenomen, sprak over Bentham’s theorie over den mensch en ’s menschen leven, noemde ik haar terloops een armzaliger stelsel dan dat van Mahomed. Ik voel mij verplicht te zeggen, nu dat eenmaal is uitgesproken,dat zulks mijn besliste meening is. Niet dat iemand een beleediging zou bedoelen tegen den persoon van Jeremias Bentham, of tegen degenen, die hem achten en gelooven; Bentham zelf en zelfs zijn geloofsrichting schijnen mij vergelijkender wijs lofwaardig toe. Het is een welbewustzijn, wat de geheele wereld op een lafhartige, halfslachtige manier bezig was teworden. Laat het tot een crisis komen, wij zullen of den dood of de genezing verkrijgen. Ik noem deze grove, machinale Nuttigheidsleer een toenadering tot nieuw geloof. Het was een afleggen van huichelarij, een tot zichzelf zeggen: welnu, deze wereld is een doode, ijzeren machine; haar god is zwaartekracht en zelfzuchtige Honger; laat ons beproeven, wat er met remmen, met in evenwicht houden, met een goed samenstel van tanden en rondsels van gemaakt kan worden. Er is iets volledigs, iets mannelijks in de wijze waarop het Benthamisme uitkomt voor wat het waarheid acht; gij kunt het Heldhaftig noemen, ofschoon het een Heldenmoed is metuitgestoken oogen! Het is het hoogtepunt en het onverschrokken Ultimatum van wat in een minder volledigen vorm het gansche bestaan van den mensch in die achttiende eeuw beheerschte. Mij schijnt het toe, dat alle ontkenners van het goddelijke, en alle geloovigen met den mond, verplicht zijn, indien zij moed en eerlijkheid bezitten, aanhangers van Bentham te zijn. De leer van Bentham is Heldenmoed metuitgestoken oogen; het menschelijk geslacht, evenals een ongelukkige Simson, met uitgestoken oogen malende in den Philistijnschen molen, grijpt stuiptrekkend de pijlers van zijn molen; stort alles in puin, maar brengt toch eindelijke bevrijding. Van Bentham bedoelde ik niets kwaads te zeggen.
“Maar dit zeg ik en zou ik willen, dat iedereen,wist en ter harte nam, dat hij, die niets dan werktuigelijkheid in het Heelal waarneemt, op de noodlottigste wijze het geheim van het Heelal heeft gemist. Dat alle goddelijkheid zou verdwijnen uit ’s menschen begrip omtrent dit Heelal, schijnt mij letterlijk de grofste dwaling,—ik wil het Heidendom niet onteeren door het een Heidensche dwaling te noemen—waartoe menschen kunnen vervallen. Het is niet waar, het is onwaar tot in de diepste kern. Een mensch, die zoo denkt, zalverkeerddenken over alle dingen in de wereld; deze moederzonde trekt alle overige gevolgtrekkingen aan, die hij kan maken. Men zou het de erbarmelijkste van alle zinsbegoochelingen kunnen noemen,—hekserij zelfs niet uitgesloten. Hekserij vereert ten minste een baarlijken Duivel; maar deze leer dient een dooden Duivel van ijzer, noch God, noch zelfs een Duivel. Al wat edel, goddelijk, bezield is, valt hierbij uit het leven weg. Daar blijft alom in het leven een verachtelijk doodshoofd staan, het werktuigelijke hulsel gespeend van alle ziel. Hoe kan een mensch heldhaftig handelen? De “Leer der Drijfveeren” zal hem leeren dat het,—onder meerdere of mindere bedekking,—niets is dan een ellendig verlangen naar genot en vrees voor pijn; dat Honger naar toejuiching, naar geld of welk voedsel ook, het einddoel is van ’s menschen bestaan. Godloochening kortom—iets, dat zich zelf inderdaad vreeselijk straft. Ik bedoel, dat de mensch geestelijk een verlamde is geworden; dit goddelijk Heelal een doode, werktuigelijke stoommachine, gedreven door drijfveeren, remmen, evenwichten en ik weet niet wat al meer.”
Ook opsociaalgebied is Carlyle de man der persoonlijkheid. Hij ziet niet het eenig heil in kiesrechthervorming en afschaffing van graanrechten.
Wat hij eischt, is het persoonlijk element tusschen werkgever en werknemer. Aangrijpend schildert hij de sociale ellende in zijn “PastandPresent,” dat met Schiller’s “Ernst is het leven” tot motto, in 1843 verscheen. Het gevoel van saamhoorigheid, van broederschap is onder de menschen verdwenen: Een arme vrouw kan alleen haar zusterschap bewijzen door aan typhus te sterven. Eerst als zij door haar ziekte eengevaarwordt, begint men naar haar om te zien. Als zij een bron van besmetting is, dàn begrijpt men, dat zij een mènsch is van gelijke beweging: eerder niet.
In Carlyle’sgeschiedenisopvatting komt dit zelfde persoonlijke element tot zijn recht; hier ook vestigt hij de aandacht op de helden. De helden, het zijn de voerders van het menschelijk geslacht, de voorbeelden. Het zijn niet slechts de krijgshelden, maar ook de helden, die denker, dichter, profeet waren.
Voor wat de menigte zocht te bereiken, zijn zij de eerste vormers. In het gemoed der groote mannen zijn de werken, die wij rondom ons in de wereld zien, ontsprongen. In hen werken stille krachten, die ten slotte de rijpe vrucht in de wereld doen verschijnen. De held vindt de verborgen gedachten der tijden, die hij, door woord of voorbeeld den menschen verkondigt en daardoor brengt hij ze vooruit. En vooral in ònzen tijd hebben we ze noodig, om ons te redden uit den socialen nood.
Zoo groot was zijn vereering van helden, dat hij op zijn ouden dag het wederopstaan van het Duitsche rijk begroetend met blijdschap, het annexeeren van Elzas-Lotharingen verdedigend, in Bismarck een held zag. Hoogelijk waardeerde hij diens eigenhandigen gelukwensch op zijn 80sten verjaardag en terwijl hij de Bath-orde afwees, accepteerde hij de orde van Pruisen: “Pourle mérite.”3Misschien klemde hij zich daarom zoo gretig vast aan dit verschijnsel omdat het hoop gaf en steun aan zijn geschiedenisbeschouwing, die hij anders in het heden niet kon vinden. Hij ziet slechts weinige helden, onze tijden zijn zwak, onze menschen weinig geneigd tot ernstigen arbeid. Half doordachte woorden schrijft men en spreekt men, onrijpe gedachten worden verkondigd, het zwijgen, het stille zijn is verleerd—bewondering, eerbied is verdwenen. Of niet het lichaamslijden, waaraan Carlyle voortdurend leed, invloed heeft uitgeoefend op zijn stemmingen?
Op elk gebied, wijsgeerig, ethisch, sociaal, historisch, legt Carlyle dus den nadruk op het persoonlijke.
Hij is de reactie der persoonlijkheid tegen het utilisme en positivisme, tegen de filosofie van oorzaken en werkingen.
Met zijn eerbied voor de persoonlijkheid nadert Carlyle intusschen niet Nietzsche’s ideaal: dat de grooten, de helden hetdoelder geschiedenis zijn, aan welks verwezenlijking allen ondergeschikt zijn. Zij zijn destuwende krachtenin de historie. “Heldenvereering,indien gij wilt, maar dan, vrienden, hierin vooral bestaande, dat wij zelven een heldengeest bezitten. Een heele wereld van Helden, geen wereld van lakeien, waar geen heldenkoning kan regeeren, dàt bedoelen wij.
“Ja, vrienden …. heldenkoningen, een heele wereld niet onheldhaftig, dat is de veilige en gelukkige haven, waarheen de Opperste machten ons drijven door deze stormbewogen zeeën. Naar die haven willenwij, o vrienden, laten alle trouwe menschen, welk vermogen ook in hen zij … daarheen drijven. Daar—of anders in den afgrond van den oceaan—zullen wij komen!”
§ 33.John Stuart Mill.Leven en Persoonlijkheid.De beroemder zoon van een beroemden vader werd 20 Mei 1806 geboren, en ontving z’n opvoeding van deze. Een merkwaardige opvoeding, waaronder zwakker kind bezweken zou zijn, en die ook voor Mill haar schaduwzijden had. Op drie-jarigen leeftijd begint hij met Grieksch, op tien-jarigen met Latijn; wiskunde, algemeene geschiedenis, natuurkunde, zedeleer, economie, logica, al die dingen is de jonge John Stuart meester op een tijd, dat een ander jongeling nauwelijks het bestaan van sommige dier wetenschappen vermoedt. Een verblijf in 1820 in Zuid-Frankrijk doet hem goed, verruimt zijn blik. Zijn opvoeding is John Stuart blijven prijzen en hij meende, dat èlk kind die zou kunnen doormaken. Doch herhaalde zwaktetoestanden en tijden van zenuwoverspanning, gebrek aan geheugen voor positieve feiten, schijnen wel in verband te staan met die vroegrijpe ontwikkeling. Spel ontbrak. Was er tijd, zoo waren de kameraadjes er niet. In 1822 komt Mill onder invloed van Bentham’s leer, die hem bekoorde door hare logische samenvattende helderheid. Met andere bekwame lui grondvest hij een genootschap voor utilisme, en een debatingclub, waar tal van vraagstukken worden behandeld. In 1823 komt hij inIndia-housein dienst van het besturend lichaam der O. I. Compagnie. Geldzorgen, als zijn vader gekend had, blijven hem bespaard. Hij klimt op tothoogere salarissen (ten slotte ƒ 24.000) bij een werktijd (nominaal 6 uren, werkelijk 3 uren), die hem tijd laat voor studie. Als in 1858 het bestuur der koloniën aan den staat overgaat, weigert Mill in staatsdienst te treden. Een jaarlijksch pensioen van ƒ 18.000 stelt hem in staat, onbekommerd te leven.Bij Mill vertoont zich in 1826 een merkwaardige crisis: hij gevoelt zich als lamgeslagen. Hij, gewend om alles analytisch te beschouwen, verliest alle belangstelling. De wereld schijnt hem dood, hij voelt zich zelf een automaat. Wat baat hem al zijn kennis, zijn scherp ontledend vermogen, als geen stuwende begeerten aanwezig zijn. Hij is als een schip, dat, goed uitgerust en met een roer, doch zonder zeil, niet voortkomt. Lichamelijk lijden voegt zich er bij. De slaap wijkt. Maar er komt herstel. Bij zijn lectuur stoot hij op een passage, die hem tot schreiens toe beweegt. Hij is dus niet zoo dood, zoo ongevoelig als hij meende: hij kon nog deernis gevoelen met menschenlot en menschenleed.In dezen tijd maakt hij kennis met meer conservatief gezinde geesten, wiens conservatisme meer voornaamheid van stemming en gezindheid was, dan ijver, om het nieuwe te weren uit egoïstisch hangen aan ’t oude.De waarde van poëzie en kunst wordt hem—die overigens steeds een sterk en levendig gevoel voor natuurschoon had bezeten—bewust. Hij heeft gezien, dat ze iets anders waren, dan Bentham’s nuchtere beschouwing had geleerd. Mill heeft desubjectieve zijdevan het leven gevonden.En meteen is hij in nadere aanraking met het socialisme gekomen. Hij sluit zich niet bij de theorieën aan, door een Saint Simon, een Fournier verkondigd, maar ondergaat haar invloed, maar weet ze te waardeeren, als heilzaam tegengif.In de jaren omstreeks 1840 valt dan een nadere kennismaking met Comte. Bijna zonder critiek, geeft Mill zich aan diens stelsel over, geïnspireerd door den stouten opzet der drie stadiën, de kloeke wetenschapsindeeling, de stellige beslistheid van Comte’s uitspraken. Maar, als deze laatste religiestichter wordt, scheiden zich de wegen der denkers, scheiding, uiterlijk te voorschijn geroepen door Comte’s eisch, om de ondersteuning, hem door Mill voor eenmaal bezorgd, blijvend te genieten, zoolang hij zonder betrekking was.In 1843 verschijnt het hoofdwerk van Mill, zijn beroemde logica. Daarnaast staan nog een groot aantal werken en opstellen, waarvan vele zich meer op sociaal-economisch gebied bewegen. Zijn belangstelling voor deze studies schrijft Mill voor een groot gedeelte toe aan zijn latere vrouw.Deze was eerst gehuwd met een zekeren heer Taylor. Mill bezocht haar geregeld. Hij bewonderde haar geest, haar belangstelling, haar aandacht voor persoonlijke dingen, vroeg ook om haar oordeel bij zuiver theoretische discussies. In haar vond hij de aanvulling van wat hem ontbrak en daardoor misschien heeft hij in haar zooveel meer gezien dan zijn kennissen. Zijn familie verzette zich hardnekkig tegen Mills genegenheid, maar toen Taylor gestorven was, huwde hij haar en leidde een hoogst gelukkig leven tot den dood van zijn vrouw in ’58. Van toen af was voor hem de grootste bekoring van het leven weg. Hij bleef intusschen ijverig werken. Van 1865 tot 1867 was hij lid van het lagerhuis, waar hij zich aansloot bij den linkervleugel der liberale partij onder Gladstone. Geen groot redenaar, oefende hij toch een weldadigen invloed uit. Gladstone getuigde van hem: “De bijzondere gaven van Mill waren ons al vóór hijin het parlement kwam wèl bekend. Maar wat ons daar, mij tenminste geopenbaard werd, was de ongewone adel van zijn karakter. Ik pleegde hem zoo schertsenderwijze “den heilige van het rationalisme” te noemen. Ik behoef niet te zeggen, dat ik zijn verschijnen met vreugde begroette en zijn verdwijnen diep beklaagde, en wel in het belang van het geheele Lagerhuis. In elke partij, in elke politieke richting, zijn zulke mannen—ik moet het met smart bekennen—zeldzaam.”Het laatste deel van zijn leven bracht Mill, die in zijn stiefdochter een vriendelijke verzorgster van zijn huis had gevonden, gaarne in Avignon, in ’t Zuiden van Frankrijk, door. Hier overleed hij den 5den Mei 1873, een der grootste en edelste geesten der 19de eeuw, wiens levensbeschrijving elkeen een leering zou kunnen zijn en wiens werken wezenlijk tot vooruitgang van het menschelijk denken hebben bijgedragen. Wenden we ons allereerst tot zijn hoofdwerk: de logica.Logica. Het empirisch standpunt.Zoo we in dit kort bestek een compleet overzicht gaven van Mill’s Logica, die niet zeer beknopt is,4zou dat niet veel meer worden dan een opsomming van titels der hoofdstukken. Bepalen we ons er toe, enkele punten aan te wijzen.Mill staat in zijn logica op empirisch standpunt. Hij wil alles uit de ervaring afleiden. Nemen we bijv. de wiskundige waarheden, waaraan wij volkomen nauwkeurigheid, noodwendigheid, algemeene geldigheid toekennen. We zeggen bijv. dat twee lijnen,die evenwijdig zijn, elkaar nooit zullen snijden, hoe ver we ze ook verlengen. De ervaring heeft ons vaak evenwijdige lijnen gegeven. We hebben die nooit zien samenkomen. Wegeneraliseerendus, maken de waargenomen gevallen tot een algemeen verschijnsel. “Er blijft over te vragen, wat de grond is van ons geloof in axioma’s, welke de inductie, waarop zij berusten? Ik antwoord dat zij proefondervindelijke waarheden zijn; generalisatie’s van waarnemingen.”Hun noodwendigheid is het gevolg van herhaald waarnemen, van vaste associaties. “Er is geen meer algemeen bekend feit in de menschelijke natuur, dan de uiterste moeilijkheid om op ’t eerste gezicht iets als mogelijk te begrijpen dat in tegenspraak is met een ervaring, die ons gewoon is en lang bestaan heeft.Deze moeilijkheid is een noodwendig gevolg van de fundamenteele wetten van den menschelijken geest. Wanneer wij dikwijls twee dingen samen gezien of gedacht hebben en wij ze in geen geval gescheiden hebben gezien, dan is het volgens de grondwet der associatie een ontzettende moeilijkheid, welke ten slotte onoverkomelijk wordt, om ze gescheiden te denken.Dit komt het meest uit bij onontwikkelde personen, die in het algemeen absoluut niet in staat zijn om twee dingen, welke in hunnen geest stevig verbonden zijn, te scheiden,5en zoo menschen met een ontwikkeld verstand in dit opzicht eenigen voorspronghebben, dan komt dit, omdat zij meer gezien, gehoord en gelezen hebben, en daar zij er meer aan gewoon zijn, hunne verbeelding te oefenen, hebben zij hunne waarnemingen en gedachten op verschillende wijzen samengesteld, en zijn zij er voor behoed, om vele dezer onverbrekelijke verbindingen te vormen. Maar deze voorsprong heeft noodwendiger wijze zijn grenzen.De man van het meest geoefende verstand is onderworpen aan de algemeene wetten van ons opvattend vermogen. Zoo dagelijksche gewoonte hem gedurende langen tijd twee feiten geeft te aanschouwen, die samengaan, en hij gedurende dien tijd door geenerlei voorval of bedoeling er toe gebracht is, om ze afzonderlijk te denken, zal hij er, gedurende verloop van tijd onbekwaam toe worden, zelfs bij de sterkste inspanning; en de veronderstelling, dat de twee feiten in de natuur zouden kunnen gescheiden worden, zal ten slotte in zijn geest optreden met al de kenmerken van een onbegrijpelijk verschijnsel. Daarvan zijn in de geschiedenis der wetenschap merkwaardige gevallen: voorbeelden, dat de verstandigste menschen dingen als onmogelijk, wijl onbegrijpelijk verwierpen, die het nageslacht … gemakkelijk vond te begrijpen en die nu door iedereen voor waar erkend worden.”Zelfs de twee grondwetten van ons denken worden door Mill uit de ervaring afgeleid. Dat wij ons steeds moeten denken, dat A en niet-A elkaar buitensluiten, en dat er tusschen A en niet-A geen derde mogelijk is, wordt een generalisatie genoemd. “Indien wijonze opmerkzaamheid naar buiten richten, vinden wij, dat licht en duisternis, geluid en stilte, beweging en rust, gelijkheid en ongelijkheid, voorafgaan en volgen, opeenvolging en gelijktijdigheid, eenig positief verschijnsel, wat dan ook, en zijn negatief onderscheidene verschijnselen zijn, die juist tegenover elkaar staan, en dat het eene altijd afwezig is, wanneer het andere aanwezig is. Ik beschouw dan ook het grondbeginsel, waar ’t hier om gaat, (het beginsel van de tegenspraak: A en niet-A kunnen niet tegelijkertijd bestaan) als een generalisatie uit al deze feiten.”Al onze oordeelen berusten ten slotte op ervaring. Herhaaldelijk zegt Mill, dat de afleiding slechts gaat van het bijzondere tot het bijzondere. Zoo we dus in eenigerlei redeneering deductief te werk gaan, zoo eenige wetenschap deductief is, dan ligt er toch aan de algemeene grondbeginselen, die het uitgangspunt vormen, bewust of onbewust, inductie ten grondslag.Uit deze beschouwingen volgt, dat deductieve wetenschappen … alle, zonder uitzondering, inductieve wetenschappen zijn; dat hare inductie op ervaring berust. Hare gevolgtrekkingen zijn alleen waar als berustend op zekere veronderstellingen, die de waarheid benaderen of dat althans behooren te doen, maar die zelden, indien ooit, volkomen waar zijn.Voor Mill verliezen dus ook de wiskundige wetenschappen hun absoluut zeker karakter, ook zij berusten op veronderstellingen, die de waarheid zoo nauwkeurig mogelijk benaderden.Causaliteit.Zeer groote verdiensten heeft Mill zich verworven door na te gaan, in welke gevallen wij een bepaald verschijnsel de oorzaakvan een ander noemen. Hij heeft daarvoor de wetenschappen geraadpleegd, en gevraagd: wanneer noemt men daar iets oorzaak? Mill vindt nu vijf regels. Geven wij eerst de voorbeelden, daarna de formuleering.1. We vinden in de natuur verschillende kristallen.6We zullen nagaan, onder welke omstandigheden kristallen ontstaan. Een reeks van gevallen zien wij. In allerlei vloeistoffen, in allerlei stoffen, onder verschillende temperaturen, in onderscheidene omgeving zien wij kristallen ontstaan. Maar in al die gevallen is iets gemeenschappelijks. Dit nl., dat kristallen alleen ontstaan, wanneer een of andere stof in eenvloeistofis. We nemen dus aan, dat het zijn in een vloeistof een voorwaarde voor het ontstaan van kristallen, een oorzaak of althans een medeoorzaak is.We kunnen de verschillende omstandigheden door letters voorstellen, A, B, C, D, enz., het verschijnsel door V, dat dus het gevolg moet zijn van een of meer dier omstandigheden. We kunnen ’t nu aldus overzichtelijk voorstellen.A,B,C,D,……….VA,E,F,G,……….VA,H,I,K,……….VA,oorzaak ……….VIn al die omstandigheden treedt het verschijnsel op: V. Wat ze gemeen hebben is A. Dit is dus de oorzaak of medeoorzaak van V:Geformuleerd luidt de regel:Indien twee of meer gevallen van het te onderzoeken verschijnsel slechts één omstandigheid gemeen hebben, dan is die omstandigheid, waarin alleen de gevallen overeenstemmen, de oorzaak (of het gevolg) van het gegeven verschijnsel.Er is echter één groote moeilijkheid om dezen regel toe te passen. Men weet namelijk nooit, of er ook onbekende omstandigheden zijn, die de oorzaak kunnen zijn. Nemen we een eenvoudig voorbeeld. Een goochelaar heeft een doosje, waarin een popje, dat soms het deksel opendoet, en er uit springt. Het doet dit alleen, wanneer er met het zwarte stokje van den toovenaar drie maal in ’t rond gezwaaid is, ’tzij de man ’tzelf, ’tzij een der kinderen ’t doet.De omstandigheden, waaronder dit verschijnsel, ’t openspringen van het kistje, optreedt, stemmen alleen schijnbaar overeen in ’t zwaaien van het stokje en de kinderen, die dit zien, houden met hunne gegevens dat zwaaien terecht voor de oorzaak van het openspringen. De kinderen hebben de omstandigheid, die de werkelijke oorzaak is (bijv. het drukken op een knopje) niet gezien.In het dagelijksch leven zal men dus deze methode zeer veelvuldig onjuist zien toegepast, waar men de aanwezigheid van een bepaalde omstandigheid in velerlei gevallen opmerkt, deze als de oorzaak aanneemt, zonder er om te denken, of men alle andere omstandigheden volledig kent. Maar ook in de geschiedenis der wetenschap komt het voor, dat men bepaalde omstandigheden over ’t hoofd ziende, een verkeerde omstandigheid als oorzaak aannam.2. Iemand wordt geschoten, hij sterft. Wij meenen dat de door het schot veroorzaakte wonde de doodsoorzaak is. Er was eerst een groep omstandigheden, waaronder de man leefde. Daar is een tweede groep, waaronder de man sterft. Die tweede groepverschiltvan de eerste alleen door de wonde. Deze is de oorzaak. Dit is de methode van verschil en wij kunnen dezen regel opstellen:Indien een geval, waarin het te onderzoeken verschijnsel zich voordoet, met een geval, waarin het zich niet voordoet, alle omstandigheden, behalve één, gemeen heeft, die alleen optreedt in het eerste geval, dan is de omstandigheid, waarin de twee gevallen verschillen, de uitwerking, de oorzaak of een gedeelte van de oorzaak van het verschijnsel.Brengen wij dit verschijnsel onder een schema, dan krijgen wijA,B,C,D,E,…………………VB,C,D,E,……………. nietVAoorzaak of medeoorzaak vanV.3.7Stel dat we eenige akkers hebben. Drie er van zijn bemest met chili-salpeter, vier er van zijn onbemest gebleven. De drie eerste leveren een veel beter oogst dan de vier laatste. Waarin stemmen dedrie akkers o. a. overeen? Dat ze chilisalpeter hebben. (Ze stemmen misschien ook overeen in grondsoort, ligging, besproeiing). En waarin verschillen die vier andere akkers van de andere drie: dat ze geen van allen bemest zijn. De omstandigheid, die dus optreedt in alle gevallen waarin zich het verschijnsel voordoet, blijft afwezig in alle gevallen, waarin het verschijnsel zich niet voordoet. De omstandigheid wordt nu voor de waarschijnlijke oorzaak of medeoorzaak van het verschijnsel gehouden.Deze vereenigde methode van verschil en overeenstemming kunnen we aldus voorstellenA,B,C,D,…………………VA,B,C,E,…………………VB,F,G,……………. nietVB,C,H,……………. nietVAwaarschijnlijke oorzaak …VNaar Heymans’ gewijzigde formuleering luidt ze:Wanneer twee of meer gevallen, in welke een nieuwe toestand intreedt, een of meer omstandigheden gemeen hebben daaronder slechts een, welke in twee of meer gevallen, waarin de nieuwe toestand niet intreedt, ontbreekt, zoo verklaart men die omstandigheid voor de waarschijnlijke oorzaak of medeoorzaak van den nieuw intredenden toestand.Opm.Mill wil dat de gevallen, waarin de toestand optreedt, slechts alleen in de ééne omstandigheid zullen overeenstemmen en dat de gevallen, waaronder het verschijnsel niet optreedt, eveneens slechts één ding gemeen hebben, nl. de afwezigheid van de omstandigheid aanwezig in de eerste gevallen. Voor Mill wordt dus het schemaA,B,C,D,…………………VA,E,F,G,…………………VQ,R,S,……………. nietVT,U,V,……………. nietVAoorzaak of medeoorzaak vanV4. We hebben een groep omstandigheden en een groep verschijnselen. We weten, van vroeger, dat sommige omstandigheden de oorzaak zijn van sommige verschijnselen. Trekken we af, dan kunnen we zeggen, dat de overblijvende omstandigheden de oorzaken zijn der overblijvende verschijnselen.Deze methode, die van het overblijvende, is een wijziging der tweede, haar schemaA,B,C,D,………VA,B,C,D,E,………V+V1Eoorzaakmede-oorz.V1Haar regel luidt:Trek van eenig verschijnsel dat gedeelte af, dat door voorgaande inductie bekend is als het gevolg van zekere omstandigheden, en het overblijfsel van het verschijnsel is gevolg van de overblijvende omstandigheden.5. Het gebeurt wel eens, dat we een vermoede oorzaak niet kunnen verwijderen noch in alle gevallen, waarin het verschijnsel optreedt, deze alleen als gemeenschappelijke omstandigheid hebben. Willen we den invloed van de aarde op de slingerbeweging nagaan, dan kunnen wij de aarde niet wegnemen. Evenmin is de aarde alleen de gemeenschappelijke omstandigheid in alle gevallen, waarin er een slingerbeweging plaats vindt. De zon bijv. is ook altijd aanwezig.Dit zelfde geval doet zich voor, waar wij den invloed van de maan op de aarde willen bestudeeren: zij is niet weg te denken, noch alleen als gemeenschappelijke omstandigheid in alle verschijnselen (bijv. die van eb en vloed) aanwezig. Welke is hier de weg om tot kennis te geraken? De vermeende oorzaak kan in verschillende graden optreden. De slingerbeweging kan aan de linie en aan de polen plaats vinden, dichter of verder van het middelpunt der aarde af. De maan staat niet altijd even dicht bij de aarde en haar invloed is niet steeds even sterk. Wanneer nu, met veranderingen in den graad van het verschijnsel ook gelijkrichtige veranderingen in den graad van de omstandigheden, waarin het zich voordoet, gepaard gaan, kunnen wij die omstandigheden houden voor oorzaak of medeoorzaak. Voor dit punt krijgen wij dit schema:A1,B,C,D,…………………V1A2,B,C,E,…………………V2A3,B,C,F,…………………V3Aoorzaak of mede-oorzaak vanVOnder woorden gebracht:Een verschijnsel, dat op eenigerlei wijze verandert, wanneer een ander verschijnsel op eenige manier verandert, is of de oorzaak of het gevolg van dat verschijnsel, of is er door eenig feit van oorzakelijk verband mee verbonden.John Mill heeft op deze wijze aangewezen hoe de wetenschappen te werk gaan, wanneer zij de oorzaken van gegeven verschijnselen onderzoeken. Hij heeft deze wetten niet opgesteld, zonder zijn voorgangers gehad te hebben. Bacon met zijn tabellen had aleenig vermoeden der methode van verschillen, en de groote sterrekundige Herschel gaf reeds zeer belangrijke aanwijzigingen in deze richting.Denkfouten.Een uitvoerig en interessant onderzoek wijdt Mill aan de denkfouten, ook daarmee een navolger en voortzetter van Bacon’s werk. Bacon had reeds gewezen op de idólen, op de dwaalbegrippen, waarvan wij ons moeten zuiveren, om tot juiste kennis te komen. Mill tracht nu een indeeling te ontwerpen van de gebruikelijkste fouten. Hij zondert natuurlijk zulke uit, die ontstaan uit gebrek aan belangstelling, onattentheid enz. en die we dagelijks veelvuldig zien voorkomen. De eerste groep vormen die oordeelen welke wij zóó maar, zonder behoorlijken grond aannemen. Daartoe behooren bijv. volstrekt onbewezen bijgeloovigheden, als dat Vrijdag een ongeluksdag is; algemeene uitspraken zonder grond (dat is altijd zoo geweest, en zal altijd zoo blijven), enz.Vervolgens kan de fout zitten in de redeneering en de afleiding, allereerst door gebrekkig waarnemen. Men let soms alleen op de gevallen waarin een ding uitkomt, niet op die, waarin ’t niet doorgaat.Men ziet omstandigheden over ’t hoofd, die juist gewichtig zijn. Iemand moet bijv. een rustkuur doormaken en neemt in dien tijd ook geneesmiddelen in. Hij zal aan de laatste zijn herstel toeschrijven, zonder aan de rust, die hem zooveel goed deed te denken.De derde groep toont ons de generalisatie.Van één feit, of eenige feiten, schrijdt men voort tot een regel: een fout, door reizigers bijv. dikwijls begaan, die uit een paar gevallen besluiten tot iets algemeens. Zij zien in een streek bijv. eenige menschen met rood haar: in die streek zijn de menschen roodharig.Kinderen zijn er erg gauw bij, om ons vanaltijdte spreken, als iets één of een paar maal is voorgekomen.Beide, onvoldoende waarneming en generalisatie, zijn inductie-fouten. Wanneer we in een deductieve redeneering een fout maken, krijgen we redeneer-fouten. Een heel eenvoudig voorbeeld is dit: Alle visschen zijn zwemmende dieren. Alle zwemmende dieren zijn visschen. In dezen krassen vorm komen ze wel niet vaak voor, maar in ingewikkelde redeneeringen wordt toch dikwijls dezelfde fout begaan.8Ten slotte berusten vele fouten op verwarring, waaraan vooral de taal schuld kan zijn. Sterke drank geeft sterkte!Zoo een redeneering als deze:Plannenmakers moet men niet te zeer vertrouwen.Hij heeft een plan gemaakt.Men moet hem niet vertrouwen.De fout zit hierin, dat onder plannenmaken thans iets anders verstaan wordt dan iemand die een plan maakt. Zeer dikwijls dekken de feitelijke beteekenis van het woord en zijn afkomst elkaar niet meer. Sommigen weten reeds door een afkeurend woord te gebruiken, aan hun redeneeringen een schijn van waarheid te geven.9In het laatste geval heeft men dus, in tegenstelling van de drie voorgaande gevallen, zich de gronden van waar men uitging, niet helder voorgesteld.Schematisch samengesteld krijgen wij dus een overzicht van de denkfouten, dat er aldus uitziet:Ethologie.Mill wil ook de methoden nagaan van andere wetenschappen, die hij op positieve basis wil vestigen. Er moet komen een wetenschap van den menschelijken geest. Het is mogelijk om een karakterleer van den mensch te ontwerpen door toepassing en combinatie der algemeene beginselen.Voor ongelijkheid door aanleg, had Mill weinig oog. Dat blijkt al uit zijn opmerking, dat ieder gewoon kind bij zijn opvoeding ’t even ver had kunnen brengen. En ook op een ander punt houdt hij die gelijkheid vol: hij ziet in het verschil tusschen man en vrouw geen eigenlijk wezensverschil. Man en vrouw zijn van nature gelijk: slechts de eeuwenlange anders zijnde opvoeding heeft de vrouw vernederd, ze intellectueel de mindere van den man gemaakt.Mill heeft over ethica, politiek en economie nog zeer behartigenswaardige werken en artikelen geschreven, die blijk geven van zijn groote kennis en scherpverstand. Het zou ons te ver voeren, hierop in te gaan. Genoeg, dat hij in de ethiek in hoofdpunten de leer van zijn vader en van Bentham trouw bleef. In de politiek bleef hij een radicaal die volksvrijheden bepleitte, en die hoe langer zoo meer begon in te zien, dat maatschappelijke vragen nog ernstiger waren dan politieke, en die zich tegen het opkomend Socialisme vrijer verhield dan menig zijner tijdgenooten en geestverwanten. Terwijl hij meende een echt volgeling te zijn van Adam Smith was hij dit inderdaad niet meer. Het blijke uit het volgende: “Wanneermen kiezen moest tusschen het Communisme met al zijn kansen en den tegenwoordigen toestand der maatschappij met al haar lijden en ongerechtigheden,…wanneerde instelling van het persoonlijk bezit met zich bracht als een noodzakelijk gevolg, dat de opbrengst van den arbeid zoo verdeeld werd, als dat thàns geschiedt—bijna in omgekeerde evenredigheid met den arbeid—dan zouden alle bezwaren van het Communisme niets meer wegen dan kaf in de weegschaal …”Ten opzichte der religie bleef Mill’s standpunt onzeker, maar in ’t laatst van zijn leven komt hij toch meer tot waardeering van den godsdienst.In Engeland stichtte Mill wel geen eigenlijke school, maar hij had medestanders die in zijn geest werkten. Alexander Bain, een bekend zielkundige en schrijver van goede werken over de leiders van het Utilisme, verdient hier genoemd te worden naast den ouderen Whewell, den schrijver van een verdienstelijke geschiedenis der wetenschappen.
§ 33.John Stuart Mill.
Leven en Persoonlijkheid.De beroemder zoon van een beroemden vader werd 20 Mei 1806 geboren, en ontving z’n opvoeding van deze. Een merkwaardige opvoeding, waaronder zwakker kind bezweken zou zijn, en die ook voor Mill haar schaduwzijden had. Op drie-jarigen leeftijd begint hij met Grieksch, op tien-jarigen met Latijn; wiskunde, algemeene geschiedenis, natuurkunde, zedeleer, economie, logica, al die dingen is de jonge John Stuart meester op een tijd, dat een ander jongeling nauwelijks het bestaan van sommige dier wetenschappen vermoedt. Een verblijf in 1820 in Zuid-Frankrijk doet hem goed, verruimt zijn blik. Zijn opvoeding is John Stuart blijven prijzen en hij meende, dat èlk kind die zou kunnen doormaken. Doch herhaalde zwaktetoestanden en tijden van zenuwoverspanning, gebrek aan geheugen voor positieve feiten, schijnen wel in verband te staan met die vroegrijpe ontwikkeling. Spel ontbrak. Was er tijd, zoo waren de kameraadjes er niet. In 1822 komt Mill onder invloed van Bentham’s leer, die hem bekoorde door hare logische samenvattende helderheid. Met andere bekwame lui grondvest hij een genootschap voor utilisme, en een debatingclub, waar tal van vraagstukken worden behandeld. In 1823 komt hij inIndia-housein dienst van het besturend lichaam der O. I. Compagnie. Geldzorgen, als zijn vader gekend had, blijven hem bespaard. Hij klimt op tothoogere salarissen (ten slotte ƒ 24.000) bij een werktijd (nominaal 6 uren, werkelijk 3 uren), die hem tijd laat voor studie. Als in 1858 het bestuur der koloniën aan den staat overgaat, weigert Mill in staatsdienst te treden. Een jaarlijksch pensioen van ƒ 18.000 stelt hem in staat, onbekommerd te leven.Bij Mill vertoont zich in 1826 een merkwaardige crisis: hij gevoelt zich als lamgeslagen. Hij, gewend om alles analytisch te beschouwen, verliest alle belangstelling. De wereld schijnt hem dood, hij voelt zich zelf een automaat. Wat baat hem al zijn kennis, zijn scherp ontledend vermogen, als geen stuwende begeerten aanwezig zijn. Hij is als een schip, dat, goed uitgerust en met een roer, doch zonder zeil, niet voortkomt. Lichamelijk lijden voegt zich er bij. De slaap wijkt. Maar er komt herstel. Bij zijn lectuur stoot hij op een passage, die hem tot schreiens toe beweegt. Hij is dus niet zoo dood, zoo ongevoelig als hij meende: hij kon nog deernis gevoelen met menschenlot en menschenleed.In dezen tijd maakt hij kennis met meer conservatief gezinde geesten, wiens conservatisme meer voornaamheid van stemming en gezindheid was, dan ijver, om het nieuwe te weren uit egoïstisch hangen aan ’t oude.De waarde van poëzie en kunst wordt hem—die overigens steeds een sterk en levendig gevoel voor natuurschoon had bezeten—bewust. Hij heeft gezien, dat ze iets anders waren, dan Bentham’s nuchtere beschouwing had geleerd. Mill heeft desubjectieve zijdevan het leven gevonden.En meteen is hij in nadere aanraking met het socialisme gekomen. Hij sluit zich niet bij de theorieën aan, door een Saint Simon, een Fournier verkondigd, maar ondergaat haar invloed, maar weet ze te waardeeren, als heilzaam tegengif.In de jaren omstreeks 1840 valt dan een nadere kennismaking met Comte. Bijna zonder critiek, geeft Mill zich aan diens stelsel over, geïnspireerd door den stouten opzet der drie stadiën, de kloeke wetenschapsindeeling, de stellige beslistheid van Comte’s uitspraken. Maar, als deze laatste religiestichter wordt, scheiden zich de wegen der denkers, scheiding, uiterlijk te voorschijn geroepen door Comte’s eisch, om de ondersteuning, hem door Mill voor eenmaal bezorgd, blijvend te genieten, zoolang hij zonder betrekking was.In 1843 verschijnt het hoofdwerk van Mill, zijn beroemde logica. Daarnaast staan nog een groot aantal werken en opstellen, waarvan vele zich meer op sociaal-economisch gebied bewegen. Zijn belangstelling voor deze studies schrijft Mill voor een groot gedeelte toe aan zijn latere vrouw.Deze was eerst gehuwd met een zekeren heer Taylor. Mill bezocht haar geregeld. Hij bewonderde haar geest, haar belangstelling, haar aandacht voor persoonlijke dingen, vroeg ook om haar oordeel bij zuiver theoretische discussies. In haar vond hij de aanvulling van wat hem ontbrak en daardoor misschien heeft hij in haar zooveel meer gezien dan zijn kennissen. Zijn familie verzette zich hardnekkig tegen Mills genegenheid, maar toen Taylor gestorven was, huwde hij haar en leidde een hoogst gelukkig leven tot den dood van zijn vrouw in ’58. Van toen af was voor hem de grootste bekoring van het leven weg. Hij bleef intusschen ijverig werken. Van 1865 tot 1867 was hij lid van het lagerhuis, waar hij zich aansloot bij den linkervleugel der liberale partij onder Gladstone. Geen groot redenaar, oefende hij toch een weldadigen invloed uit. Gladstone getuigde van hem: “De bijzondere gaven van Mill waren ons al vóór hijin het parlement kwam wèl bekend. Maar wat ons daar, mij tenminste geopenbaard werd, was de ongewone adel van zijn karakter. Ik pleegde hem zoo schertsenderwijze “den heilige van het rationalisme” te noemen. Ik behoef niet te zeggen, dat ik zijn verschijnen met vreugde begroette en zijn verdwijnen diep beklaagde, en wel in het belang van het geheele Lagerhuis. In elke partij, in elke politieke richting, zijn zulke mannen—ik moet het met smart bekennen—zeldzaam.”Het laatste deel van zijn leven bracht Mill, die in zijn stiefdochter een vriendelijke verzorgster van zijn huis had gevonden, gaarne in Avignon, in ’t Zuiden van Frankrijk, door. Hier overleed hij den 5den Mei 1873, een der grootste en edelste geesten der 19de eeuw, wiens levensbeschrijving elkeen een leering zou kunnen zijn en wiens werken wezenlijk tot vooruitgang van het menschelijk denken hebben bijgedragen. Wenden we ons allereerst tot zijn hoofdwerk: de logica.Logica. Het empirisch standpunt.Zoo we in dit kort bestek een compleet overzicht gaven van Mill’s Logica, die niet zeer beknopt is,4zou dat niet veel meer worden dan een opsomming van titels der hoofdstukken. Bepalen we ons er toe, enkele punten aan te wijzen.Mill staat in zijn logica op empirisch standpunt. Hij wil alles uit de ervaring afleiden. Nemen we bijv. de wiskundige waarheden, waaraan wij volkomen nauwkeurigheid, noodwendigheid, algemeene geldigheid toekennen. We zeggen bijv. dat twee lijnen,die evenwijdig zijn, elkaar nooit zullen snijden, hoe ver we ze ook verlengen. De ervaring heeft ons vaak evenwijdige lijnen gegeven. We hebben die nooit zien samenkomen. Wegeneraliseerendus, maken de waargenomen gevallen tot een algemeen verschijnsel. “Er blijft over te vragen, wat de grond is van ons geloof in axioma’s, welke de inductie, waarop zij berusten? Ik antwoord dat zij proefondervindelijke waarheden zijn; generalisatie’s van waarnemingen.”Hun noodwendigheid is het gevolg van herhaald waarnemen, van vaste associaties. “Er is geen meer algemeen bekend feit in de menschelijke natuur, dan de uiterste moeilijkheid om op ’t eerste gezicht iets als mogelijk te begrijpen dat in tegenspraak is met een ervaring, die ons gewoon is en lang bestaan heeft.Deze moeilijkheid is een noodwendig gevolg van de fundamenteele wetten van den menschelijken geest. Wanneer wij dikwijls twee dingen samen gezien of gedacht hebben en wij ze in geen geval gescheiden hebben gezien, dan is het volgens de grondwet der associatie een ontzettende moeilijkheid, welke ten slotte onoverkomelijk wordt, om ze gescheiden te denken.Dit komt het meest uit bij onontwikkelde personen, die in het algemeen absoluut niet in staat zijn om twee dingen, welke in hunnen geest stevig verbonden zijn, te scheiden,5en zoo menschen met een ontwikkeld verstand in dit opzicht eenigen voorspronghebben, dan komt dit, omdat zij meer gezien, gehoord en gelezen hebben, en daar zij er meer aan gewoon zijn, hunne verbeelding te oefenen, hebben zij hunne waarnemingen en gedachten op verschillende wijzen samengesteld, en zijn zij er voor behoed, om vele dezer onverbrekelijke verbindingen te vormen. Maar deze voorsprong heeft noodwendiger wijze zijn grenzen.De man van het meest geoefende verstand is onderworpen aan de algemeene wetten van ons opvattend vermogen. Zoo dagelijksche gewoonte hem gedurende langen tijd twee feiten geeft te aanschouwen, die samengaan, en hij gedurende dien tijd door geenerlei voorval of bedoeling er toe gebracht is, om ze afzonderlijk te denken, zal hij er, gedurende verloop van tijd onbekwaam toe worden, zelfs bij de sterkste inspanning; en de veronderstelling, dat de twee feiten in de natuur zouden kunnen gescheiden worden, zal ten slotte in zijn geest optreden met al de kenmerken van een onbegrijpelijk verschijnsel. Daarvan zijn in de geschiedenis der wetenschap merkwaardige gevallen: voorbeelden, dat de verstandigste menschen dingen als onmogelijk, wijl onbegrijpelijk verwierpen, die het nageslacht … gemakkelijk vond te begrijpen en die nu door iedereen voor waar erkend worden.”Zelfs de twee grondwetten van ons denken worden door Mill uit de ervaring afgeleid. Dat wij ons steeds moeten denken, dat A en niet-A elkaar buitensluiten, en dat er tusschen A en niet-A geen derde mogelijk is, wordt een generalisatie genoemd. “Indien wijonze opmerkzaamheid naar buiten richten, vinden wij, dat licht en duisternis, geluid en stilte, beweging en rust, gelijkheid en ongelijkheid, voorafgaan en volgen, opeenvolging en gelijktijdigheid, eenig positief verschijnsel, wat dan ook, en zijn negatief onderscheidene verschijnselen zijn, die juist tegenover elkaar staan, en dat het eene altijd afwezig is, wanneer het andere aanwezig is. Ik beschouw dan ook het grondbeginsel, waar ’t hier om gaat, (het beginsel van de tegenspraak: A en niet-A kunnen niet tegelijkertijd bestaan) als een generalisatie uit al deze feiten.”Al onze oordeelen berusten ten slotte op ervaring. Herhaaldelijk zegt Mill, dat de afleiding slechts gaat van het bijzondere tot het bijzondere. Zoo we dus in eenigerlei redeneering deductief te werk gaan, zoo eenige wetenschap deductief is, dan ligt er toch aan de algemeene grondbeginselen, die het uitgangspunt vormen, bewust of onbewust, inductie ten grondslag.Uit deze beschouwingen volgt, dat deductieve wetenschappen … alle, zonder uitzondering, inductieve wetenschappen zijn; dat hare inductie op ervaring berust. Hare gevolgtrekkingen zijn alleen waar als berustend op zekere veronderstellingen, die de waarheid benaderen of dat althans behooren te doen, maar die zelden, indien ooit, volkomen waar zijn.Voor Mill verliezen dus ook de wiskundige wetenschappen hun absoluut zeker karakter, ook zij berusten op veronderstellingen, die de waarheid zoo nauwkeurig mogelijk benaderden.Causaliteit.Zeer groote verdiensten heeft Mill zich verworven door na te gaan, in welke gevallen wij een bepaald verschijnsel de oorzaakvan een ander noemen. Hij heeft daarvoor de wetenschappen geraadpleegd, en gevraagd: wanneer noemt men daar iets oorzaak? Mill vindt nu vijf regels. Geven wij eerst de voorbeelden, daarna de formuleering.1. We vinden in de natuur verschillende kristallen.6We zullen nagaan, onder welke omstandigheden kristallen ontstaan. Een reeks van gevallen zien wij. In allerlei vloeistoffen, in allerlei stoffen, onder verschillende temperaturen, in onderscheidene omgeving zien wij kristallen ontstaan. Maar in al die gevallen is iets gemeenschappelijks. Dit nl., dat kristallen alleen ontstaan, wanneer een of andere stof in eenvloeistofis. We nemen dus aan, dat het zijn in een vloeistof een voorwaarde voor het ontstaan van kristallen, een oorzaak of althans een medeoorzaak is.We kunnen de verschillende omstandigheden door letters voorstellen, A, B, C, D, enz., het verschijnsel door V, dat dus het gevolg moet zijn van een of meer dier omstandigheden. We kunnen ’t nu aldus overzichtelijk voorstellen.A,B,C,D,……….VA,E,F,G,……….VA,H,I,K,……….VA,oorzaak ……….VIn al die omstandigheden treedt het verschijnsel op: V. Wat ze gemeen hebben is A. Dit is dus de oorzaak of medeoorzaak van V:Geformuleerd luidt de regel:Indien twee of meer gevallen van het te onderzoeken verschijnsel slechts één omstandigheid gemeen hebben, dan is die omstandigheid, waarin alleen de gevallen overeenstemmen, de oorzaak (of het gevolg) van het gegeven verschijnsel.Er is echter één groote moeilijkheid om dezen regel toe te passen. Men weet namelijk nooit, of er ook onbekende omstandigheden zijn, die de oorzaak kunnen zijn. Nemen we een eenvoudig voorbeeld. Een goochelaar heeft een doosje, waarin een popje, dat soms het deksel opendoet, en er uit springt. Het doet dit alleen, wanneer er met het zwarte stokje van den toovenaar drie maal in ’t rond gezwaaid is, ’tzij de man ’tzelf, ’tzij een der kinderen ’t doet.De omstandigheden, waaronder dit verschijnsel, ’t openspringen van het kistje, optreedt, stemmen alleen schijnbaar overeen in ’t zwaaien van het stokje en de kinderen, die dit zien, houden met hunne gegevens dat zwaaien terecht voor de oorzaak van het openspringen. De kinderen hebben de omstandigheid, die de werkelijke oorzaak is (bijv. het drukken op een knopje) niet gezien.In het dagelijksch leven zal men dus deze methode zeer veelvuldig onjuist zien toegepast, waar men de aanwezigheid van een bepaalde omstandigheid in velerlei gevallen opmerkt, deze als de oorzaak aanneemt, zonder er om te denken, of men alle andere omstandigheden volledig kent. Maar ook in de geschiedenis der wetenschap komt het voor, dat men bepaalde omstandigheden over ’t hoofd ziende, een verkeerde omstandigheid als oorzaak aannam.2. Iemand wordt geschoten, hij sterft. Wij meenen dat de door het schot veroorzaakte wonde de doodsoorzaak is. Er was eerst een groep omstandigheden, waaronder de man leefde. Daar is een tweede groep, waaronder de man sterft. Die tweede groepverschiltvan de eerste alleen door de wonde. Deze is de oorzaak. Dit is de methode van verschil en wij kunnen dezen regel opstellen:Indien een geval, waarin het te onderzoeken verschijnsel zich voordoet, met een geval, waarin het zich niet voordoet, alle omstandigheden, behalve één, gemeen heeft, die alleen optreedt in het eerste geval, dan is de omstandigheid, waarin de twee gevallen verschillen, de uitwerking, de oorzaak of een gedeelte van de oorzaak van het verschijnsel.Brengen wij dit verschijnsel onder een schema, dan krijgen wijA,B,C,D,E,…………………VB,C,D,E,……………. nietVAoorzaak of medeoorzaak vanV.3.7Stel dat we eenige akkers hebben. Drie er van zijn bemest met chili-salpeter, vier er van zijn onbemest gebleven. De drie eerste leveren een veel beter oogst dan de vier laatste. Waarin stemmen dedrie akkers o. a. overeen? Dat ze chilisalpeter hebben. (Ze stemmen misschien ook overeen in grondsoort, ligging, besproeiing). En waarin verschillen die vier andere akkers van de andere drie: dat ze geen van allen bemest zijn. De omstandigheid, die dus optreedt in alle gevallen waarin zich het verschijnsel voordoet, blijft afwezig in alle gevallen, waarin het verschijnsel zich niet voordoet. De omstandigheid wordt nu voor de waarschijnlijke oorzaak of medeoorzaak van het verschijnsel gehouden.Deze vereenigde methode van verschil en overeenstemming kunnen we aldus voorstellenA,B,C,D,…………………VA,B,C,E,…………………VB,F,G,……………. nietVB,C,H,……………. nietVAwaarschijnlijke oorzaak …VNaar Heymans’ gewijzigde formuleering luidt ze:Wanneer twee of meer gevallen, in welke een nieuwe toestand intreedt, een of meer omstandigheden gemeen hebben daaronder slechts een, welke in twee of meer gevallen, waarin de nieuwe toestand niet intreedt, ontbreekt, zoo verklaart men die omstandigheid voor de waarschijnlijke oorzaak of medeoorzaak van den nieuw intredenden toestand.Opm.Mill wil dat de gevallen, waarin de toestand optreedt, slechts alleen in de ééne omstandigheid zullen overeenstemmen en dat de gevallen, waaronder het verschijnsel niet optreedt, eveneens slechts één ding gemeen hebben, nl. de afwezigheid van de omstandigheid aanwezig in de eerste gevallen. Voor Mill wordt dus het schemaA,B,C,D,…………………VA,E,F,G,…………………VQ,R,S,……………. nietVT,U,V,……………. nietVAoorzaak of medeoorzaak vanV4. We hebben een groep omstandigheden en een groep verschijnselen. We weten, van vroeger, dat sommige omstandigheden de oorzaak zijn van sommige verschijnselen. Trekken we af, dan kunnen we zeggen, dat de overblijvende omstandigheden de oorzaken zijn der overblijvende verschijnselen.Deze methode, die van het overblijvende, is een wijziging der tweede, haar schemaA,B,C,D,………VA,B,C,D,E,………V+V1Eoorzaakmede-oorz.V1Haar regel luidt:Trek van eenig verschijnsel dat gedeelte af, dat door voorgaande inductie bekend is als het gevolg van zekere omstandigheden, en het overblijfsel van het verschijnsel is gevolg van de overblijvende omstandigheden.5. Het gebeurt wel eens, dat we een vermoede oorzaak niet kunnen verwijderen noch in alle gevallen, waarin het verschijnsel optreedt, deze alleen als gemeenschappelijke omstandigheid hebben. Willen we den invloed van de aarde op de slingerbeweging nagaan, dan kunnen wij de aarde niet wegnemen. Evenmin is de aarde alleen de gemeenschappelijke omstandigheid in alle gevallen, waarin er een slingerbeweging plaats vindt. De zon bijv. is ook altijd aanwezig.Dit zelfde geval doet zich voor, waar wij den invloed van de maan op de aarde willen bestudeeren: zij is niet weg te denken, noch alleen als gemeenschappelijke omstandigheid in alle verschijnselen (bijv. die van eb en vloed) aanwezig. Welke is hier de weg om tot kennis te geraken? De vermeende oorzaak kan in verschillende graden optreden. De slingerbeweging kan aan de linie en aan de polen plaats vinden, dichter of verder van het middelpunt der aarde af. De maan staat niet altijd even dicht bij de aarde en haar invloed is niet steeds even sterk. Wanneer nu, met veranderingen in den graad van het verschijnsel ook gelijkrichtige veranderingen in den graad van de omstandigheden, waarin het zich voordoet, gepaard gaan, kunnen wij die omstandigheden houden voor oorzaak of medeoorzaak. Voor dit punt krijgen wij dit schema:A1,B,C,D,…………………V1A2,B,C,E,…………………V2A3,B,C,F,…………………V3Aoorzaak of mede-oorzaak vanVOnder woorden gebracht:Een verschijnsel, dat op eenigerlei wijze verandert, wanneer een ander verschijnsel op eenige manier verandert, is of de oorzaak of het gevolg van dat verschijnsel, of is er door eenig feit van oorzakelijk verband mee verbonden.John Mill heeft op deze wijze aangewezen hoe de wetenschappen te werk gaan, wanneer zij de oorzaken van gegeven verschijnselen onderzoeken. Hij heeft deze wetten niet opgesteld, zonder zijn voorgangers gehad te hebben. Bacon met zijn tabellen had aleenig vermoeden der methode van verschillen, en de groote sterrekundige Herschel gaf reeds zeer belangrijke aanwijzigingen in deze richting.Denkfouten.Een uitvoerig en interessant onderzoek wijdt Mill aan de denkfouten, ook daarmee een navolger en voortzetter van Bacon’s werk. Bacon had reeds gewezen op de idólen, op de dwaalbegrippen, waarvan wij ons moeten zuiveren, om tot juiste kennis te komen. Mill tracht nu een indeeling te ontwerpen van de gebruikelijkste fouten. Hij zondert natuurlijk zulke uit, die ontstaan uit gebrek aan belangstelling, onattentheid enz. en die we dagelijks veelvuldig zien voorkomen. De eerste groep vormen die oordeelen welke wij zóó maar, zonder behoorlijken grond aannemen. Daartoe behooren bijv. volstrekt onbewezen bijgeloovigheden, als dat Vrijdag een ongeluksdag is; algemeene uitspraken zonder grond (dat is altijd zoo geweest, en zal altijd zoo blijven), enz.Vervolgens kan de fout zitten in de redeneering en de afleiding, allereerst door gebrekkig waarnemen. Men let soms alleen op de gevallen waarin een ding uitkomt, niet op die, waarin ’t niet doorgaat.Men ziet omstandigheden over ’t hoofd, die juist gewichtig zijn. Iemand moet bijv. een rustkuur doormaken en neemt in dien tijd ook geneesmiddelen in. Hij zal aan de laatste zijn herstel toeschrijven, zonder aan de rust, die hem zooveel goed deed te denken.De derde groep toont ons de generalisatie.Van één feit, of eenige feiten, schrijdt men voort tot een regel: een fout, door reizigers bijv. dikwijls begaan, die uit een paar gevallen besluiten tot iets algemeens. Zij zien in een streek bijv. eenige menschen met rood haar: in die streek zijn de menschen roodharig.Kinderen zijn er erg gauw bij, om ons vanaltijdte spreken, als iets één of een paar maal is voorgekomen.Beide, onvoldoende waarneming en generalisatie, zijn inductie-fouten. Wanneer we in een deductieve redeneering een fout maken, krijgen we redeneer-fouten. Een heel eenvoudig voorbeeld is dit: Alle visschen zijn zwemmende dieren. Alle zwemmende dieren zijn visschen. In dezen krassen vorm komen ze wel niet vaak voor, maar in ingewikkelde redeneeringen wordt toch dikwijls dezelfde fout begaan.8Ten slotte berusten vele fouten op verwarring, waaraan vooral de taal schuld kan zijn. Sterke drank geeft sterkte!Zoo een redeneering als deze:Plannenmakers moet men niet te zeer vertrouwen.Hij heeft een plan gemaakt.Men moet hem niet vertrouwen.De fout zit hierin, dat onder plannenmaken thans iets anders verstaan wordt dan iemand die een plan maakt. Zeer dikwijls dekken de feitelijke beteekenis van het woord en zijn afkomst elkaar niet meer. Sommigen weten reeds door een afkeurend woord te gebruiken, aan hun redeneeringen een schijn van waarheid te geven.9In het laatste geval heeft men dus, in tegenstelling van de drie voorgaande gevallen, zich de gronden van waar men uitging, niet helder voorgesteld.Schematisch samengesteld krijgen wij dus een overzicht van de denkfouten, dat er aldus uitziet:Ethologie.Mill wil ook de methoden nagaan van andere wetenschappen, die hij op positieve basis wil vestigen. Er moet komen een wetenschap van den menschelijken geest. Het is mogelijk om een karakterleer van den mensch te ontwerpen door toepassing en combinatie der algemeene beginselen.Voor ongelijkheid door aanleg, had Mill weinig oog. Dat blijkt al uit zijn opmerking, dat ieder gewoon kind bij zijn opvoeding ’t even ver had kunnen brengen. En ook op een ander punt houdt hij die gelijkheid vol: hij ziet in het verschil tusschen man en vrouw geen eigenlijk wezensverschil. Man en vrouw zijn van nature gelijk: slechts de eeuwenlange anders zijnde opvoeding heeft de vrouw vernederd, ze intellectueel de mindere van den man gemaakt.Mill heeft over ethica, politiek en economie nog zeer behartigenswaardige werken en artikelen geschreven, die blijk geven van zijn groote kennis en scherpverstand. Het zou ons te ver voeren, hierop in te gaan. Genoeg, dat hij in de ethiek in hoofdpunten de leer van zijn vader en van Bentham trouw bleef. In de politiek bleef hij een radicaal die volksvrijheden bepleitte, en die hoe langer zoo meer begon in te zien, dat maatschappelijke vragen nog ernstiger waren dan politieke, en die zich tegen het opkomend Socialisme vrijer verhield dan menig zijner tijdgenooten en geestverwanten. Terwijl hij meende een echt volgeling te zijn van Adam Smith was hij dit inderdaad niet meer. Het blijke uit het volgende: “Wanneermen kiezen moest tusschen het Communisme met al zijn kansen en den tegenwoordigen toestand der maatschappij met al haar lijden en ongerechtigheden,…wanneerde instelling van het persoonlijk bezit met zich bracht als een noodzakelijk gevolg, dat de opbrengst van den arbeid zoo verdeeld werd, als dat thàns geschiedt—bijna in omgekeerde evenredigheid met den arbeid—dan zouden alle bezwaren van het Communisme niets meer wegen dan kaf in de weegschaal …”Ten opzichte der religie bleef Mill’s standpunt onzeker, maar in ’t laatst van zijn leven komt hij toch meer tot waardeering van den godsdienst.In Engeland stichtte Mill wel geen eigenlijke school, maar hij had medestanders die in zijn geest werkten. Alexander Bain, een bekend zielkundige en schrijver van goede werken over de leiders van het Utilisme, verdient hier genoemd te worden naast den ouderen Whewell, den schrijver van een verdienstelijke geschiedenis der wetenschappen.
Leven en Persoonlijkheid.De beroemder zoon van een beroemden vader werd 20 Mei 1806 geboren, en ontving z’n opvoeding van deze. Een merkwaardige opvoeding, waaronder zwakker kind bezweken zou zijn, en die ook voor Mill haar schaduwzijden had. Op drie-jarigen leeftijd begint hij met Grieksch, op tien-jarigen met Latijn; wiskunde, algemeene geschiedenis, natuurkunde, zedeleer, economie, logica, al die dingen is de jonge John Stuart meester op een tijd, dat een ander jongeling nauwelijks het bestaan van sommige dier wetenschappen vermoedt. Een verblijf in 1820 in Zuid-Frankrijk doet hem goed, verruimt zijn blik. Zijn opvoeding is John Stuart blijven prijzen en hij meende, dat èlk kind die zou kunnen doormaken. Doch herhaalde zwaktetoestanden en tijden van zenuwoverspanning, gebrek aan geheugen voor positieve feiten, schijnen wel in verband te staan met die vroegrijpe ontwikkeling. Spel ontbrak. Was er tijd, zoo waren de kameraadjes er niet. In 1822 komt Mill onder invloed van Bentham’s leer, die hem bekoorde door hare logische samenvattende helderheid. Met andere bekwame lui grondvest hij een genootschap voor utilisme, en een debatingclub, waar tal van vraagstukken worden behandeld. In 1823 komt hij inIndia-housein dienst van het besturend lichaam der O. I. Compagnie. Geldzorgen, als zijn vader gekend had, blijven hem bespaard. Hij klimt op tothoogere salarissen (ten slotte ƒ 24.000) bij een werktijd (nominaal 6 uren, werkelijk 3 uren), die hem tijd laat voor studie. Als in 1858 het bestuur der koloniën aan den staat overgaat, weigert Mill in staatsdienst te treden. Een jaarlijksch pensioen van ƒ 18.000 stelt hem in staat, onbekommerd te leven.Bij Mill vertoont zich in 1826 een merkwaardige crisis: hij gevoelt zich als lamgeslagen. Hij, gewend om alles analytisch te beschouwen, verliest alle belangstelling. De wereld schijnt hem dood, hij voelt zich zelf een automaat. Wat baat hem al zijn kennis, zijn scherp ontledend vermogen, als geen stuwende begeerten aanwezig zijn. Hij is als een schip, dat, goed uitgerust en met een roer, doch zonder zeil, niet voortkomt. Lichamelijk lijden voegt zich er bij. De slaap wijkt. Maar er komt herstel. Bij zijn lectuur stoot hij op een passage, die hem tot schreiens toe beweegt. Hij is dus niet zoo dood, zoo ongevoelig als hij meende: hij kon nog deernis gevoelen met menschenlot en menschenleed.In dezen tijd maakt hij kennis met meer conservatief gezinde geesten, wiens conservatisme meer voornaamheid van stemming en gezindheid was, dan ijver, om het nieuwe te weren uit egoïstisch hangen aan ’t oude.De waarde van poëzie en kunst wordt hem—die overigens steeds een sterk en levendig gevoel voor natuurschoon had bezeten—bewust. Hij heeft gezien, dat ze iets anders waren, dan Bentham’s nuchtere beschouwing had geleerd. Mill heeft desubjectieve zijdevan het leven gevonden.En meteen is hij in nadere aanraking met het socialisme gekomen. Hij sluit zich niet bij de theorieën aan, door een Saint Simon, een Fournier verkondigd, maar ondergaat haar invloed, maar weet ze te waardeeren, als heilzaam tegengif.In de jaren omstreeks 1840 valt dan een nadere kennismaking met Comte. Bijna zonder critiek, geeft Mill zich aan diens stelsel over, geïnspireerd door den stouten opzet der drie stadiën, de kloeke wetenschapsindeeling, de stellige beslistheid van Comte’s uitspraken. Maar, als deze laatste religiestichter wordt, scheiden zich de wegen der denkers, scheiding, uiterlijk te voorschijn geroepen door Comte’s eisch, om de ondersteuning, hem door Mill voor eenmaal bezorgd, blijvend te genieten, zoolang hij zonder betrekking was.In 1843 verschijnt het hoofdwerk van Mill, zijn beroemde logica. Daarnaast staan nog een groot aantal werken en opstellen, waarvan vele zich meer op sociaal-economisch gebied bewegen. Zijn belangstelling voor deze studies schrijft Mill voor een groot gedeelte toe aan zijn latere vrouw.Deze was eerst gehuwd met een zekeren heer Taylor. Mill bezocht haar geregeld. Hij bewonderde haar geest, haar belangstelling, haar aandacht voor persoonlijke dingen, vroeg ook om haar oordeel bij zuiver theoretische discussies. In haar vond hij de aanvulling van wat hem ontbrak en daardoor misschien heeft hij in haar zooveel meer gezien dan zijn kennissen. Zijn familie verzette zich hardnekkig tegen Mills genegenheid, maar toen Taylor gestorven was, huwde hij haar en leidde een hoogst gelukkig leven tot den dood van zijn vrouw in ’58. Van toen af was voor hem de grootste bekoring van het leven weg. Hij bleef intusschen ijverig werken. Van 1865 tot 1867 was hij lid van het lagerhuis, waar hij zich aansloot bij den linkervleugel der liberale partij onder Gladstone. Geen groot redenaar, oefende hij toch een weldadigen invloed uit. Gladstone getuigde van hem: “De bijzondere gaven van Mill waren ons al vóór hijin het parlement kwam wèl bekend. Maar wat ons daar, mij tenminste geopenbaard werd, was de ongewone adel van zijn karakter. Ik pleegde hem zoo schertsenderwijze “den heilige van het rationalisme” te noemen. Ik behoef niet te zeggen, dat ik zijn verschijnen met vreugde begroette en zijn verdwijnen diep beklaagde, en wel in het belang van het geheele Lagerhuis. In elke partij, in elke politieke richting, zijn zulke mannen—ik moet het met smart bekennen—zeldzaam.”Het laatste deel van zijn leven bracht Mill, die in zijn stiefdochter een vriendelijke verzorgster van zijn huis had gevonden, gaarne in Avignon, in ’t Zuiden van Frankrijk, door. Hier overleed hij den 5den Mei 1873, een der grootste en edelste geesten der 19de eeuw, wiens levensbeschrijving elkeen een leering zou kunnen zijn en wiens werken wezenlijk tot vooruitgang van het menschelijk denken hebben bijgedragen. Wenden we ons allereerst tot zijn hoofdwerk: de logica.
Leven en Persoonlijkheid.
De beroemder zoon van een beroemden vader werd 20 Mei 1806 geboren, en ontving z’n opvoeding van deze. Een merkwaardige opvoeding, waaronder zwakker kind bezweken zou zijn, en die ook voor Mill haar schaduwzijden had. Op drie-jarigen leeftijd begint hij met Grieksch, op tien-jarigen met Latijn; wiskunde, algemeene geschiedenis, natuurkunde, zedeleer, economie, logica, al die dingen is de jonge John Stuart meester op een tijd, dat een ander jongeling nauwelijks het bestaan van sommige dier wetenschappen vermoedt. Een verblijf in 1820 in Zuid-Frankrijk doet hem goed, verruimt zijn blik. Zijn opvoeding is John Stuart blijven prijzen en hij meende, dat èlk kind die zou kunnen doormaken. Doch herhaalde zwaktetoestanden en tijden van zenuwoverspanning, gebrek aan geheugen voor positieve feiten, schijnen wel in verband te staan met die vroegrijpe ontwikkeling. Spel ontbrak. Was er tijd, zoo waren de kameraadjes er niet. In 1822 komt Mill onder invloed van Bentham’s leer, die hem bekoorde door hare logische samenvattende helderheid. Met andere bekwame lui grondvest hij een genootschap voor utilisme, en een debatingclub, waar tal van vraagstukken worden behandeld. In 1823 komt hij inIndia-housein dienst van het besturend lichaam der O. I. Compagnie. Geldzorgen, als zijn vader gekend had, blijven hem bespaard. Hij klimt op tothoogere salarissen (ten slotte ƒ 24.000) bij een werktijd (nominaal 6 uren, werkelijk 3 uren), die hem tijd laat voor studie. Als in 1858 het bestuur der koloniën aan den staat overgaat, weigert Mill in staatsdienst te treden. Een jaarlijksch pensioen van ƒ 18.000 stelt hem in staat, onbekommerd te leven.Bij Mill vertoont zich in 1826 een merkwaardige crisis: hij gevoelt zich als lamgeslagen. Hij, gewend om alles analytisch te beschouwen, verliest alle belangstelling. De wereld schijnt hem dood, hij voelt zich zelf een automaat. Wat baat hem al zijn kennis, zijn scherp ontledend vermogen, als geen stuwende begeerten aanwezig zijn. Hij is als een schip, dat, goed uitgerust en met een roer, doch zonder zeil, niet voortkomt. Lichamelijk lijden voegt zich er bij. De slaap wijkt. Maar er komt herstel. Bij zijn lectuur stoot hij op een passage, die hem tot schreiens toe beweegt. Hij is dus niet zoo dood, zoo ongevoelig als hij meende: hij kon nog deernis gevoelen met menschenlot en menschenleed.In dezen tijd maakt hij kennis met meer conservatief gezinde geesten, wiens conservatisme meer voornaamheid van stemming en gezindheid was, dan ijver, om het nieuwe te weren uit egoïstisch hangen aan ’t oude.De waarde van poëzie en kunst wordt hem—die overigens steeds een sterk en levendig gevoel voor natuurschoon had bezeten—bewust. Hij heeft gezien, dat ze iets anders waren, dan Bentham’s nuchtere beschouwing had geleerd. Mill heeft desubjectieve zijdevan het leven gevonden.En meteen is hij in nadere aanraking met het socialisme gekomen. Hij sluit zich niet bij de theorieën aan, door een Saint Simon, een Fournier verkondigd, maar ondergaat haar invloed, maar weet ze te waardeeren, als heilzaam tegengif.In de jaren omstreeks 1840 valt dan een nadere kennismaking met Comte. Bijna zonder critiek, geeft Mill zich aan diens stelsel over, geïnspireerd door den stouten opzet der drie stadiën, de kloeke wetenschapsindeeling, de stellige beslistheid van Comte’s uitspraken. Maar, als deze laatste religiestichter wordt, scheiden zich de wegen der denkers, scheiding, uiterlijk te voorschijn geroepen door Comte’s eisch, om de ondersteuning, hem door Mill voor eenmaal bezorgd, blijvend te genieten, zoolang hij zonder betrekking was.In 1843 verschijnt het hoofdwerk van Mill, zijn beroemde logica. Daarnaast staan nog een groot aantal werken en opstellen, waarvan vele zich meer op sociaal-economisch gebied bewegen. Zijn belangstelling voor deze studies schrijft Mill voor een groot gedeelte toe aan zijn latere vrouw.Deze was eerst gehuwd met een zekeren heer Taylor. Mill bezocht haar geregeld. Hij bewonderde haar geest, haar belangstelling, haar aandacht voor persoonlijke dingen, vroeg ook om haar oordeel bij zuiver theoretische discussies. In haar vond hij de aanvulling van wat hem ontbrak en daardoor misschien heeft hij in haar zooveel meer gezien dan zijn kennissen. Zijn familie verzette zich hardnekkig tegen Mills genegenheid, maar toen Taylor gestorven was, huwde hij haar en leidde een hoogst gelukkig leven tot den dood van zijn vrouw in ’58. Van toen af was voor hem de grootste bekoring van het leven weg. Hij bleef intusschen ijverig werken. Van 1865 tot 1867 was hij lid van het lagerhuis, waar hij zich aansloot bij den linkervleugel der liberale partij onder Gladstone. Geen groot redenaar, oefende hij toch een weldadigen invloed uit. Gladstone getuigde van hem: “De bijzondere gaven van Mill waren ons al vóór hijin het parlement kwam wèl bekend. Maar wat ons daar, mij tenminste geopenbaard werd, was de ongewone adel van zijn karakter. Ik pleegde hem zoo schertsenderwijze “den heilige van het rationalisme” te noemen. Ik behoef niet te zeggen, dat ik zijn verschijnen met vreugde begroette en zijn verdwijnen diep beklaagde, en wel in het belang van het geheele Lagerhuis. In elke partij, in elke politieke richting, zijn zulke mannen—ik moet het met smart bekennen—zeldzaam.”Het laatste deel van zijn leven bracht Mill, die in zijn stiefdochter een vriendelijke verzorgster van zijn huis had gevonden, gaarne in Avignon, in ’t Zuiden van Frankrijk, door. Hier overleed hij den 5den Mei 1873, een der grootste en edelste geesten der 19de eeuw, wiens levensbeschrijving elkeen een leering zou kunnen zijn en wiens werken wezenlijk tot vooruitgang van het menschelijk denken hebben bijgedragen. Wenden we ons allereerst tot zijn hoofdwerk: de logica.
De beroemder zoon van een beroemden vader werd 20 Mei 1806 geboren, en ontving z’n opvoeding van deze. Een merkwaardige opvoeding, waaronder zwakker kind bezweken zou zijn, en die ook voor Mill haar schaduwzijden had. Op drie-jarigen leeftijd begint hij met Grieksch, op tien-jarigen met Latijn; wiskunde, algemeene geschiedenis, natuurkunde, zedeleer, economie, logica, al die dingen is de jonge John Stuart meester op een tijd, dat een ander jongeling nauwelijks het bestaan van sommige dier wetenschappen vermoedt. Een verblijf in 1820 in Zuid-Frankrijk doet hem goed, verruimt zijn blik. Zijn opvoeding is John Stuart blijven prijzen en hij meende, dat èlk kind die zou kunnen doormaken. Doch herhaalde zwaktetoestanden en tijden van zenuwoverspanning, gebrek aan geheugen voor positieve feiten, schijnen wel in verband te staan met die vroegrijpe ontwikkeling. Spel ontbrak. Was er tijd, zoo waren de kameraadjes er niet. In 1822 komt Mill onder invloed van Bentham’s leer, die hem bekoorde door hare logische samenvattende helderheid. Met andere bekwame lui grondvest hij een genootschap voor utilisme, en een debatingclub, waar tal van vraagstukken worden behandeld. In 1823 komt hij inIndia-housein dienst van het besturend lichaam der O. I. Compagnie. Geldzorgen, als zijn vader gekend had, blijven hem bespaard. Hij klimt op tothoogere salarissen (ten slotte ƒ 24.000) bij een werktijd (nominaal 6 uren, werkelijk 3 uren), die hem tijd laat voor studie. Als in 1858 het bestuur der koloniën aan den staat overgaat, weigert Mill in staatsdienst te treden. Een jaarlijksch pensioen van ƒ 18.000 stelt hem in staat, onbekommerd te leven.
Bij Mill vertoont zich in 1826 een merkwaardige crisis: hij gevoelt zich als lamgeslagen. Hij, gewend om alles analytisch te beschouwen, verliest alle belangstelling. De wereld schijnt hem dood, hij voelt zich zelf een automaat. Wat baat hem al zijn kennis, zijn scherp ontledend vermogen, als geen stuwende begeerten aanwezig zijn. Hij is als een schip, dat, goed uitgerust en met een roer, doch zonder zeil, niet voortkomt. Lichamelijk lijden voegt zich er bij. De slaap wijkt. Maar er komt herstel. Bij zijn lectuur stoot hij op een passage, die hem tot schreiens toe beweegt. Hij is dus niet zoo dood, zoo ongevoelig als hij meende: hij kon nog deernis gevoelen met menschenlot en menschenleed.
In dezen tijd maakt hij kennis met meer conservatief gezinde geesten, wiens conservatisme meer voornaamheid van stemming en gezindheid was, dan ijver, om het nieuwe te weren uit egoïstisch hangen aan ’t oude.
De waarde van poëzie en kunst wordt hem—die overigens steeds een sterk en levendig gevoel voor natuurschoon had bezeten—bewust. Hij heeft gezien, dat ze iets anders waren, dan Bentham’s nuchtere beschouwing had geleerd. Mill heeft desubjectieve zijdevan het leven gevonden.
En meteen is hij in nadere aanraking met het socialisme gekomen. Hij sluit zich niet bij de theorieën aan, door een Saint Simon, een Fournier verkondigd, maar ondergaat haar invloed, maar weet ze te waardeeren, als heilzaam tegengif.
In de jaren omstreeks 1840 valt dan een nadere kennismaking met Comte. Bijna zonder critiek, geeft Mill zich aan diens stelsel over, geïnspireerd door den stouten opzet der drie stadiën, de kloeke wetenschapsindeeling, de stellige beslistheid van Comte’s uitspraken. Maar, als deze laatste religiestichter wordt, scheiden zich de wegen der denkers, scheiding, uiterlijk te voorschijn geroepen door Comte’s eisch, om de ondersteuning, hem door Mill voor eenmaal bezorgd, blijvend te genieten, zoolang hij zonder betrekking was.
In 1843 verschijnt het hoofdwerk van Mill, zijn beroemde logica. Daarnaast staan nog een groot aantal werken en opstellen, waarvan vele zich meer op sociaal-economisch gebied bewegen. Zijn belangstelling voor deze studies schrijft Mill voor een groot gedeelte toe aan zijn latere vrouw.
Deze was eerst gehuwd met een zekeren heer Taylor. Mill bezocht haar geregeld. Hij bewonderde haar geest, haar belangstelling, haar aandacht voor persoonlijke dingen, vroeg ook om haar oordeel bij zuiver theoretische discussies. In haar vond hij de aanvulling van wat hem ontbrak en daardoor misschien heeft hij in haar zooveel meer gezien dan zijn kennissen. Zijn familie verzette zich hardnekkig tegen Mills genegenheid, maar toen Taylor gestorven was, huwde hij haar en leidde een hoogst gelukkig leven tot den dood van zijn vrouw in ’58. Van toen af was voor hem de grootste bekoring van het leven weg. Hij bleef intusschen ijverig werken. Van 1865 tot 1867 was hij lid van het lagerhuis, waar hij zich aansloot bij den linkervleugel der liberale partij onder Gladstone. Geen groot redenaar, oefende hij toch een weldadigen invloed uit. Gladstone getuigde van hem: “De bijzondere gaven van Mill waren ons al vóór hijin het parlement kwam wèl bekend. Maar wat ons daar, mij tenminste geopenbaard werd, was de ongewone adel van zijn karakter. Ik pleegde hem zoo schertsenderwijze “den heilige van het rationalisme” te noemen. Ik behoef niet te zeggen, dat ik zijn verschijnen met vreugde begroette en zijn verdwijnen diep beklaagde, en wel in het belang van het geheele Lagerhuis. In elke partij, in elke politieke richting, zijn zulke mannen—ik moet het met smart bekennen—zeldzaam.”
Het laatste deel van zijn leven bracht Mill, die in zijn stiefdochter een vriendelijke verzorgster van zijn huis had gevonden, gaarne in Avignon, in ’t Zuiden van Frankrijk, door. Hier overleed hij den 5den Mei 1873, een der grootste en edelste geesten der 19de eeuw, wiens levensbeschrijving elkeen een leering zou kunnen zijn en wiens werken wezenlijk tot vooruitgang van het menschelijk denken hebben bijgedragen. Wenden we ons allereerst tot zijn hoofdwerk: de logica.
Logica. Het empirisch standpunt.Zoo we in dit kort bestek een compleet overzicht gaven van Mill’s Logica, die niet zeer beknopt is,4zou dat niet veel meer worden dan een opsomming van titels der hoofdstukken. Bepalen we ons er toe, enkele punten aan te wijzen.Mill staat in zijn logica op empirisch standpunt. Hij wil alles uit de ervaring afleiden. Nemen we bijv. de wiskundige waarheden, waaraan wij volkomen nauwkeurigheid, noodwendigheid, algemeene geldigheid toekennen. We zeggen bijv. dat twee lijnen,die evenwijdig zijn, elkaar nooit zullen snijden, hoe ver we ze ook verlengen. De ervaring heeft ons vaak evenwijdige lijnen gegeven. We hebben die nooit zien samenkomen. Wegeneraliseerendus, maken de waargenomen gevallen tot een algemeen verschijnsel. “Er blijft over te vragen, wat de grond is van ons geloof in axioma’s, welke de inductie, waarop zij berusten? Ik antwoord dat zij proefondervindelijke waarheden zijn; generalisatie’s van waarnemingen.”Hun noodwendigheid is het gevolg van herhaald waarnemen, van vaste associaties. “Er is geen meer algemeen bekend feit in de menschelijke natuur, dan de uiterste moeilijkheid om op ’t eerste gezicht iets als mogelijk te begrijpen dat in tegenspraak is met een ervaring, die ons gewoon is en lang bestaan heeft.Deze moeilijkheid is een noodwendig gevolg van de fundamenteele wetten van den menschelijken geest. Wanneer wij dikwijls twee dingen samen gezien of gedacht hebben en wij ze in geen geval gescheiden hebben gezien, dan is het volgens de grondwet der associatie een ontzettende moeilijkheid, welke ten slotte onoverkomelijk wordt, om ze gescheiden te denken.Dit komt het meest uit bij onontwikkelde personen, die in het algemeen absoluut niet in staat zijn om twee dingen, welke in hunnen geest stevig verbonden zijn, te scheiden,5en zoo menschen met een ontwikkeld verstand in dit opzicht eenigen voorspronghebben, dan komt dit, omdat zij meer gezien, gehoord en gelezen hebben, en daar zij er meer aan gewoon zijn, hunne verbeelding te oefenen, hebben zij hunne waarnemingen en gedachten op verschillende wijzen samengesteld, en zijn zij er voor behoed, om vele dezer onverbrekelijke verbindingen te vormen. Maar deze voorsprong heeft noodwendiger wijze zijn grenzen.De man van het meest geoefende verstand is onderworpen aan de algemeene wetten van ons opvattend vermogen. Zoo dagelijksche gewoonte hem gedurende langen tijd twee feiten geeft te aanschouwen, die samengaan, en hij gedurende dien tijd door geenerlei voorval of bedoeling er toe gebracht is, om ze afzonderlijk te denken, zal hij er, gedurende verloop van tijd onbekwaam toe worden, zelfs bij de sterkste inspanning; en de veronderstelling, dat de twee feiten in de natuur zouden kunnen gescheiden worden, zal ten slotte in zijn geest optreden met al de kenmerken van een onbegrijpelijk verschijnsel. Daarvan zijn in de geschiedenis der wetenschap merkwaardige gevallen: voorbeelden, dat de verstandigste menschen dingen als onmogelijk, wijl onbegrijpelijk verwierpen, die het nageslacht … gemakkelijk vond te begrijpen en die nu door iedereen voor waar erkend worden.”Zelfs de twee grondwetten van ons denken worden door Mill uit de ervaring afgeleid. Dat wij ons steeds moeten denken, dat A en niet-A elkaar buitensluiten, en dat er tusschen A en niet-A geen derde mogelijk is, wordt een generalisatie genoemd. “Indien wijonze opmerkzaamheid naar buiten richten, vinden wij, dat licht en duisternis, geluid en stilte, beweging en rust, gelijkheid en ongelijkheid, voorafgaan en volgen, opeenvolging en gelijktijdigheid, eenig positief verschijnsel, wat dan ook, en zijn negatief onderscheidene verschijnselen zijn, die juist tegenover elkaar staan, en dat het eene altijd afwezig is, wanneer het andere aanwezig is. Ik beschouw dan ook het grondbeginsel, waar ’t hier om gaat, (het beginsel van de tegenspraak: A en niet-A kunnen niet tegelijkertijd bestaan) als een generalisatie uit al deze feiten.”Al onze oordeelen berusten ten slotte op ervaring. Herhaaldelijk zegt Mill, dat de afleiding slechts gaat van het bijzondere tot het bijzondere. Zoo we dus in eenigerlei redeneering deductief te werk gaan, zoo eenige wetenschap deductief is, dan ligt er toch aan de algemeene grondbeginselen, die het uitgangspunt vormen, bewust of onbewust, inductie ten grondslag.Uit deze beschouwingen volgt, dat deductieve wetenschappen … alle, zonder uitzondering, inductieve wetenschappen zijn; dat hare inductie op ervaring berust. Hare gevolgtrekkingen zijn alleen waar als berustend op zekere veronderstellingen, die de waarheid benaderen of dat althans behooren te doen, maar die zelden, indien ooit, volkomen waar zijn.Voor Mill verliezen dus ook de wiskundige wetenschappen hun absoluut zeker karakter, ook zij berusten op veronderstellingen, die de waarheid zoo nauwkeurig mogelijk benaderden.
Logica. Het empirisch standpunt.
Zoo we in dit kort bestek een compleet overzicht gaven van Mill’s Logica, die niet zeer beknopt is,4zou dat niet veel meer worden dan een opsomming van titels der hoofdstukken. Bepalen we ons er toe, enkele punten aan te wijzen.Mill staat in zijn logica op empirisch standpunt. Hij wil alles uit de ervaring afleiden. Nemen we bijv. de wiskundige waarheden, waaraan wij volkomen nauwkeurigheid, noodwendigheid, algemeene geldigheid toekennen. We zeggen bijv. dat twee lijnen,die evenwijdig zijn, elkaar nooit zullen snijden, hoe ver we ze ook verlengen. De ervaring heeft ons vaak evenwijdige lijnen gegeven. We hebben die nooit zien samenkomen. Wegeneraliseerendus, maken de waargenomen gevallen tot een algemeen verschijnsel. “Er blijft over te vragen, wat de grond is van ons geloof in axioma’s, welke de inductie, waarop zij berusten? Ik antwoord dat zij proefondervindelijke waarheden zijn; generalisatie’s van waarnemingen.”Hun noodwendigheid is het gevolg van herhaald waarnemen, van vaste associaties. “Er is geen meer algemeen bekend feit in de menschelijke natuur, dan de uiterste moeilijkheid om op ’t eerste gezicht iets als mogelijk te begrijpen dat in tegenspraak is met een ervaring, die ons gewoon is en lang bestaan heeft.Deze moeilijkheid is een noodwendig gevolg van de fundamenteele wetten van den menschelijken geest. Wanneer wij dikwijls twee dingen samen gezien of gedacht hebben en wij ze in geen geval gescheiden hebben gezien, dan is het volgens de grondwet der associatie een ontzettende moeilijkheid, welke ten slotte onoverkomelijk wordt, om ze gescheiden te denken.Dit komt het meest uit bij onontwikkelde personen, die in het algemeen absoluut niet in staat zijn om twee dingen, welke in hunnen geest stevig verbonden zijn, te scheiden,5en zoo menschen met een ontwikkeld verstand in dit opzicht eenigen voorspronghebben, dan komt dit, omdat zij meer gezien, gehoord en gelezen hebben, en daar zij er meer aan gewoon zijn, hunne verbeelding te oefenen, hebben zij hunne waarnemingen en gedachten op verschillende wijzen samengesteld, en zijn zij er voor behoed, om vele dezer onverbrekelijke verbindingen te vormen. Maar deze voorsprong heeft noodwendiger wijze zijn grenzen.De man van het meest geoefende verstand is onderworpen aan de algemeene wetten van ons opvattend vermogen. Zoo dagelijksche gewoonte hem gedurende langen tijd twee feiten geeft te aanschouwen, die samengaan, en hij gedurende dien tijd door geenerlei voorval of bedoeling er toe gebracht is, om ze afzonderlijk te denken, zal hij er, gedurende verloop van tijd onbekwaam toe worden, zelfs bij de sterkste inspanning; en de veronderstelling, dat de twee feiten in de natuur zouden kunnen gescheiden worden, zal ten slotte in zijn geest optreden met al de kenmerken van een onbegrijpelijk verschijnsel. Daarvan zijn in de geschiedenis der wetenschap merkwaardige gevallen: voorbeelden, dat de verstandigste menschen dingen als onmogelijk, wijl onbegrijpelijk verwierpen, die het nageslacht … gemakkelijk vond te begrijpen en die nu door iedereen voor waar erkend worden.”Zelfs de twee grondwetten van ons denken worden door Mill uit de ervaring afgeleid. Dat wij ons steeds moeten denken, dat A en niet-A elkaar buitensluiten, en dat er tusschen A en niet-A geen derde mogelijk is, wordt een generalisatie genoemd. “Indien wijonze opmerkzaamheid naar buiten richten, vinden wij, dat licht en duisternis, geluid en stilte, beweging en rust, gelijkheid en ongelijkheid, voorafgaan en volgen, opeenvolging en gelijktijdigheid, eenig positief verschijnsel, wat dan ook, en zijn negatief onderscheidene verschijnselen zijn, die juist tegenover elkaar staan, en dat het eene altijd afwezig is, wanneer het andere aanwezig is. Ik beschouw dan ook het grondbeginsel, waar ’t hier om gaat, (het beginsel van de tegenspraak: A en niet-A kunnen niet tegelijkertijd bestaan) als een generalisatie uit al deze feiten.”Al onze oordeelen berusten ten slotte op ervaring. Herhaaldelijk zegt Mill, dat de afleiding slechts gaat van het bijzondere tot het bijzondere. Zoo we dus in eenigerlei redeneering deductief te werk gaan, zoo eenige wetenschap deductief is, dan ligt er toch aan de algemeene grondbeginselen, die het uitgangspunt vormen, bewust of onbewust, inductie ten grondslag.Uit deze beschouwingen volgt, dat deductieve wetenschappen … alle, zonder uitzondering, inductieve wetenschappen zijn; dat hare inductie op ervaring berust. Hare gevolgtrekkingen zijn alleen waar als berustend op zekere veronderstellingen, die de waarheid benaderen of dat althans behooren te doen, maar die zelden, indien ooit, volkomen waar zijn.Voor Mill verliezen dus ook de wiskundige wetenschappen hun absoluut zeker karakter, ook zij berusten op veronderstellingen, die de waarheid zoo nauwkeurig mogelijk benaderden.
Zoo we in dit kort bestek een compleet overzicht gaven van Mill’s Logica, die niet zeer beknopt is,4zou dat niet veel meer worden dan een opsomming van titels der hoofdstukken. Bepalen we ons er toe, enkele punten aan te wijzen.
Mill staat in zijn logica op empirisch standpunt. Hij wil alles uit de ervaring afleiden. Nemen we bijv. de wiskundige waarheden, waaraan wij volkomen nauwkeurigheid, noodwendigheid, algemeene geldigheid toekennen. We zeggen bijv. dat twee lijnen,die evenwijdig zijn, elkaar nooit zullen snijden, hoe ver we ze ook verlengen. De ervaring heeft ons vaak evenwijdige lijnen gegeven. We hebben die nooit zien samenkomen. Wegeneraliseerendus, maken de waargenomen gevallen tot een algemeen verschijnsel. “Er blijft over te vragen, wat de grond is van ons geloof in axioma’s, welke de inductie, waarop zij berusten? Ik antwoord dat zij proefondervindelijke waarheden zijn; generalisatie’s van waarnemingen.”
Hun noodwendigheid is het gevolg van herhaald waarnemen, van vaste associaties. “Er is geen meer algemeen bekend feit in de menschelijke natuur, dan de uiterste moeilijkheid om op ’t eerste gezicht iets als mogelijk te begrijpen dat in tegenspraak is met een ervaring, die ons gewoon is en lang bestaan heeft.
Deze moeilijkheid is een noodwendig gevolg van de fundamenteele wetten van den menschelijken geest. Wanneer wij dikwijls twee dingen samen gezien of gedacht hebben en wij ze in geen geval gescheiden hebben gezien, dan is het volgens de grondwet der associatie een ontzettende moeilijkheid, welke ten slotte onoverkomelijk wordt, om ze gescheiden te denken.
Dit komt het meest uit bij onontwikkelde personen, die in het algemeen absoluut niet in staat zijn om twee dingen, welke in hunnen geest stevig verbonden zijn, te scheiden,5en zoo menschen met een ontwikkeld verstand in dit opzicht eenigen voorspronghebben, dan komt dit, omdat zij meer gezien, gehoord en gelezen hebben, en daar zij er meer aan gewoon zijn, hunne verbeelding te oefenen, hebben zij hunne waarnemingen en gedachten op verschillende wijzen samengesteld, en zijn zij er voor behoed, om vele dezer onverbrekelijke verbindingen te vormen. Maar deze voorsprong heeft noodwendiger wijze zijn grenzen.
De man van het meest geoefende verstand is onderworpen aan de algemeene wetten van ons opvattend vermogen. Zoo dagelijksche gewoonte hem gedurende langen tijd twee feiten geeft te aanschouwen, die samengaan, en hij gedurende dien tijd door geenerlei voorval of bedoeling er toe gebracht is, om ze afzonderlijk te denken, zal hij er, gedurende verloop van tijd onbekwaam toe worden, zelfs bij de sterkste inspanning; en de veronderstelling, dat de twee feiten in de natuur zouden kunnen gescheiden worden, zal ten slotte in zijn geest optreden met al de kenmerken van een onbegrijpelijk verschijnsel. Daarvan zijn in de geschiedenis der wetenschap merkwaardige gevallen: voorbeelden, dat de verstandigste menschen dingen als onmogelijk, wijl onbegrijpelijk verwierpen, die het nageslacht … gemakkelijk vond te begrijpen en die nu door iedereen voor waar erkend worden.”
Zelfs de twee grondwetten van ons denken worden door Mill uit de ervaring afgeleid. Dat wij ons steeds moeten denken, dat A en niet-A elkaar buitensluiten, en dat er tusschen A en niet-A geen derde mogelijk is, wordt een generalisatie genoemd. “Indien wijonze opmerkzaamheid naar buiten richten, vinden wij, dat licht en duisternis, geluid en stilte, beweging en rust, gelijkheid en ongelijkheid, voorafgaan en volgen, opeenvolging en gelijktijdigheid, eenig positief verschijnsel, wat dan ook, en zijn negatief onderscheidene verschijnselen zijn, die juist tegenover elkaar staan, en dat het eene altijd afwezig is, wanneer het andere aanwezig is. Ik beschouw dan ook het grondbeginsel, waar ’t hier om gaat, (het beginsel van de tegenspraak: A en niet-A kunnen niet tegelijkertijd bestaan) als een generalisatie uit al deze feiten.”
Al onze oordeelen berusten ten slotte op ervaring. Herhaaldelijk zegt Mill, dat de afleiding slechts gaat van het bijzondere tot het bijzondere. Zoo we dus in eenigerlei redeneering deductief te werk gaan, zoo eenige wetenschap deductief is, dan ligt er toch aan de algemeene grondbeginselen, die het uitgangspunt vormen, bewust of onbewust, inductie ten grondslag.
Uit deze beschouwingen volgt, dat deductieve wetenschappen … alle, zonder uitzondering, inductieve wetenschappen zijn; dat hare inductie op ervaring berust. Hare gevolgtrekkingen zijn alleen waar als berustend op zekere veronderstellingen, die de waarheid benaderen of dat althans behooren te doen, maar die zelden, indien ooit, volkomen waar zijn.
Voor Mill verliezen dus ook de wiskundige wetenschappen hun absoluut zeker karakter, ook zij berusten op veronderstellingen, die de waarheid zoo nauwkeurig mogelijk benaderden.
Causaliteit.Zeer groote verdiensten heeft Mill zich verworven door na te gaan, in welke gevallen wij een bepaald verschijnsel de oorzaakvan een ander noemen. Hij heeft daarvoor de wetenschappen geraadpleegd, en gevraagd: wanneer noemt men daar iets oorzaak? Mill vindt nu vijf regels. Geven wij eerst de voorbeelden, daarna de formuleering.1. We vinden in de natuur verschillende kristallen.6We zullen nagaan, onder welke omstandigheden kristallen ontstaan. Een reeks van gevallen zien wij. In allerlei vloeistoffen, in allerlei stoffen, onder verschillende temperaturen, in onderscheidene omgeving zien wij kristallen ontstaan. Maar in al die gevallen is iets gemeenschappelijks. Dit nl., dat kristallen alleen ontstaan, wanneer een of andere stof in eenvloeistofis. We nemen dus aan, dat het zijn in een vloeistof een voorwaarde voor het ontstaan van kristallen, een oorzaak of althans een medeoorzaak is.We kunnen de verschillende omstandigheden door letters voorstellen, A, B, C, D, enz., het verschijnsel door V, dat dus het gevolg moet zijn van een of meer dier omstandigheden. We kunnen ’t nu aldus overzichtelijk voorstellen.A,B,C,D,……….VA,E,F,G,……….VA,H,I,K,……….VA,oorzaak ……….VIn al die omstandigheden treedt het verschijnsel op: V. Wat ze gemeen hebben is A. Dit is dus de oorzaak of medeoorzaak van V:Geformuleerd luidt de regel:Indien twee of meer gevallen van het te onderzoeken verschijnsel slechts één omstandigheid gemeen hebben, dan is die omstandigheid, waarin alleen de gevallen overeenstemmen, de oorzaak (of het gevolg) van het gegeven verschijnsel.Er is echter één groote moeilijkheid om dezen regel toe te passen. Men weet namelijk nooit, of er ook onbekende omstandigheden zijn, die de oorzaak kunnen zijn. Nemen we een eenvoudig voorbeeld. Een goochelaar heeft een doosje, waarin een popje, dat soms het deksel opendoet, en er uit springt. Het doet dit alleen, wanneer er met het zwarte stokje van den toovenaar drie maal in ’t rond gezwaaid is, ’tzij de man ’tzelf, ’tzij een der kinderen ’t doet.De omstandigheden, waaronder dit verschijnsel, ’t openspringen van het kistje, optreedt, stemmen alleen schijnbaar overeen in ’t zwaaien van het stokje en de kinderen, die dit zien, houden met hunne gegevens dat zwaaien terecht voor de oorzaak van het openspringen. De kinderen hebben de omstandigheid, die de werkelijke oorzaak is (bijv. het drukken op een knopje) niet gezien.In het dagelijksch leven zal men dus deze methode zeer veelvuldig onjuist zien toegepast, waar men de aanwezigheid van een bepaalde omstandigheid in velerlei gevallen opmerkt, deze als de oorzaak aanneemt, zonder er om te denken, of men alle andere omstandigheden volledig kent. Maar ook in de geschiedenis der wetenschap komt het voor, dat men bepaalde omstandigheden over ’t hoofd ziende, een verkeerde omstandigheid als oorzaak aannam.2. Iemand wordt geschoten, hij sterft. Wij meenen dat de door het schot veroorzaakte wonde de doodsoorzaak is. Er was eerst een groep omstandigheden, waaronder de man leefde. Daar is een tweede groep, waaronder de man sterft. Die tweede groepverschiltvan de eerste alleen door de wonde. Deze is de oorzaak. Dit is de methode van verschil en wij kunnen dezen regel opstellen:Indien een geval, waarin het te onderzoeken verschijnsel zich voordoet, met een geval, waarin het zich niet voordoet, alle omstandigheden, behalve één, gemeen heeft, die alleen optreedt in het eerste geval, dan is de omstandigheid, waarin de twee gevallen verschillen, de uitwerking, de oorzaak of een gedeelte van de oorzaak van het verschijnsel.Brengen wij dit verschijnsel onder een schema, dan krijgen wijA,B,C,D,E,…………………VB,C,D,E,……………. nietVAoorzaak of medeoorzaak vanV.3.7Stel dat we eenige akkers hebben. Drie er van zijn bemest met chili-salpeter, vier er van zijn onbemest gebleven. De drie eerste leveren een veel beter oogst dan de vier laatste. Waarin stemmen dedrie akkers o. a. overeen? Dat ze chilisalpeter hebben. (Ze stemmen misschien ook overeen in grondsoort, ligging, besproeiing). En waarin verschillen die vier andere akkers van de andere drie: dat ze geen van allen bemest zijn. De omstandigheid, die dus optreedt in alle gevallen waarin zich het verschijnsel voordoet, blijft afwezig in alle gevallen, waarin het verschijnsel zich niet voordoet. De omstandigheid wordt nu voor de waarschijnlijke oorzaak of medeoorzaak van het verschijnsel gehouden.Deze vereenigde methode van verschil en overeenstemming kunnen we aldus voorstellenA,B,C,D,…………………VA,B,C,E,…………………VB,F,G,……………. nietVB,C,H,……………. nietVAwaarschijnlijke oorzaak …VNaar Heymans’ gewijzigde formuleering luidt ze:Wanneer twee of meer gevallen, in welke een nieuwe toestand intreedt, een of meer omstandigheden gemeen hebben daaronder slechts een, welke in twee of meer gevallen, waarin de nieuwe toestand niet intreedt, ontbreekt, zoo verklaart men die omstandigheid voor de waarschijnlijke oorzaak of medeoorzaak van den nieuw intredenden toestand.Opm.Mill wil dat de gevallen, waarin de toestand optreedt, slechts alleen in de ééne omstandigheid zullen overeenstemmen en dat de gevallen, waaronder het verschijnsel niet optreedt, eveneens slechts één ding gemeen hebben, nl. de afwezigheid van de omstandigheid aanwezig in de eerste gevallen. Voor Mill wordt dus het schemaA,B,C,D,…………………VA,E,F,G,…………………VQ,R,S,……………. nietVT,U,V,……………. nietVAoorzaak of medeoorzaak vanV4. We hebben een groep omstandigheden en een groep verschijnselen. We weten, van vroeger, dat sommige omstandigheden de oorzaak zijn van sommige verschijnselen. Trekken we af, dan kunnen we zeggen, dat de overblijvende omstandigheden de oorzaken zijn der overblijvende verschijnselen.Deze methode, die van het overblijvende, is een wijziging der tweede, haar schemaA,B,C,D,………VA,B,C,D,E,………V+V1Eoorzaakmede-oorz.V1Haar regel luidt:Trek van eenig verschijnsel dat gedeelte af, dat door voorgaande inductie bekend is als het gevolg van zekere omstandigheden, en het overblijfsel van het verschijnsel is gevolg van de overblijvende omstandigheden.5. Het gebeurt wel eens, dat we een vermoede oorzaak niet kunnen verwijderen noch in alle gevallen, waarin het verschijnsel optreedt, deze alleen als gemeenschappelijke omstandigheid hebben. Willen we den invloed van de aarde op de slingerbeweging nagaan, dan kunnen wij de aarde niet wegnemen. Evenmin is de aarde alleen de gemeenschappelijke omstandigheid in alle gevallen, waarin er een slingerbeweging plaats vindt. De zon bijv. is ook altijd aanwezig.Dit zelfde geval doet zich voor, waar wij den invloed van de maan op de aarde willen bestudeeren: zij is niet weg te denken, noch alleen als gemeenschappelijke omstandigheid in alle verschijnselen (bijv. die van eb en vloed) aanwezig. Welke is hier de weg om tot kennis te geraken? De vermeende oorzaak kan in verschillende graden optreden. De slingerbeweging kan aan de linie en aan de polen plaats vinden, dichter of verder van het middelpunt der aarde af. De maan staat niet altijd even dicht bij de aarde en haar invloed is niet steeds even sterk. Wanneer nu, met veranderingen in den graad van het verschijnsel ook gelijkrichtige veranderingen in den graad van de omstandigheden, waarin het zich voordoet, gepaard gaan, kunnen wij die omstandigheden houden voor oorzaak of medeoorzaak. Voor dit punt krijgen wij dit schema:A1,B,C,D,…………………V1A2,B,C,E,…………………V2A3,B,C,F,…………………V3Aoorzaak of mede-oorzaak vanVOnder woorden gebracht:Een verschijnsel, dat op eenigerlei wijze verandert, wanneer een ander verschijnsel op eenige manier verandert, is of de oorzaak of het gevolg van dat verschijnsel, of is er door eenig feit van oorzakelijk verband mee verbonden.John Mill heeft op deze wijze aangewezen hoe de wetenschappen te werk gaan, wanneer zij de oorzaken van gegeven verschijnselen onderzoeken. Hij heeft deze wetten niet opgesteld, zonder zijn voorgangers gehad te hebben. Bacon met zijn tabellen had aleenig vermoeden der methode van verschillen, en de groote sterrekundige Herschel gaf reeds zeer belangrijke aanwijzigingen in deze richting.
Causaliteit.
Zeer groote verdiensten heeft Mill zich verworven door na te gaan, in welke gevallen wij een bepaald verschijnsel de oorzaakvan een ander noemen. Hij heeft daarvoor de wetenschappen geraadpleegd, en gevraagd: wanneer noemt men daar iets oorzaak? Mill vindt nu vijf regels. Geven wij eerst de voorbeelden, daarna de formuleering.1. We vinden in de natuur verschillende kristallen.6We zullen nagaan, onder welke omstandigheden kristallen ontstaan. Een reeks van gevallen zien wij. In allerlei vloeistoffen, in allerlei stoffen, onder verschillende temperaturen, in onderscheidene omgeving zien wij kristallen ontstaan. Maar in al die gevallen is iets gemeenschappelijks. Dit nl., dat kristallen alleen ontstaan, wanneer een of andere stof in eenvloeistofis. We nemen dus aan, dat het zijn in een vloeistof een voorwaarde voor het ontstaan van kristallen, een oorzaak of althans een medeoorzaak is.We kunnen de verschillende omstandigheden door letters voorstellen, A, B, C, D, enz., het verschijnsel door V, dat dus het gevolg moet zijn van een of meer dier omstandigheden. We kunnen ’t nu aldus overzichtelijk voorstellen.A,B,C,D,……….VA,E,F,G,……….VA,H,I,K,……….VA,oorzaak ……….VIn al die omstandigheden treedt het verschijnsel op: V. Wat ze gemeen hebben is A. Dit is dus de oorzaak of medeoorzaak van V:Geformuleerd luidt de regel:Indien twee of meer gevallen van het te onderzoeken verschijnsel slechts één omstandigheid gemeen hebben, dan is die omstandigheid, waarin alleen de gevallen overeenstemmen, de oorzaak (of het gevolg) van het gegeven verschijnsel.Er is echter één groote moeilijkheid om dezen regel toe te passen. Men weet namelijk nooit, of er ook onbekende omstandigheden zijn, die de oorzaak kunnen zijn. Nemen we een eenvoudig voorbeeld. Een goochelaar heeft een doosje, waarin een popje, dat soms het deksel opendoet, en er uit springt. Het doet dit alleen, wanneer er met het zwarte stokje van den toovenaar drie maal in ’t rond gezwaaid is, ’tzij de man ’tzelf, ’tzij een der kinderen ’t doet.De omstandigheden, waaronder dit verschijnsel, ’t openspringen van het kistje, optreedt, stemmen alleen schijnbaar overeen in ’t zwaaien van het stokje en de kinderen, die dit zien, houden met hunne gegevens dat zwaaien terecht voor de oorzaak van het openspringen. De kinderen hebben de omstandigheid, die de werkelijke oorzaak is (bijv. het drukken op een knopje) niet gezien.In het dagelijksch leven zal men dus deze methode zeer veelvuldig onjuist zien toegepast, waar men de aanwezigheid van een bepaalde omstandigheid in velerlei gevallen opmerkt, deze als de oorzaak aanneemt, zonder er om te denken, of men alle andere omstandigheden volledig kent. Maar ook in de geschiedenis der wetenschap komt het voor, dat men bepaalde omstandigheden over ’t hoofd ziende, een verkeerde omstandigheid als oorzaak aannam.2. Iemand wordt geschoten, hij sterft. Wij meenen dat de door het schot veroorzaakte wonde de doodsoorzaak is. Er was eerst een groep omstandigheden, waaronder de man leefde. Daar is een tweede groep, waaronder de man sterft. Die tweede groepverschiltvan de eerste alleen door de wonde. Deze is de oorzaak. Dit is de methode van verschil en wij kunnen dezen regel opstellen:Indien een geval, waarin het te onderzoeken verschijnsel zich voordoet, met een geval, waarin het zich niet voordoet, alle omstandigheden, behalve één, gemeen heeft, die alleen optreedt in het eerste geval, dan is de omstandigheid, waarin de twee gevallen verschillen, de uitwerking, de oorzaak of een gedeelte van de oorzaak van het verschijnsel.Brengen wij dit verschijnsel onder een schema, dan krijgen wijA,B,C,D,E,…………………VB,C,D,E,……………. nietVAoorzaak of medeoorzaak vanV.3.7Stel dat we eenige akkers hebben. Drie er van zijn bemest met chili-salpeter, vier er van zijn onbemest gebleven. De drie eerste leveren een veel beter oogst dan de vier laatste. Waarin stemmen dedrie akkers o. a. overeen? Dat ze chilisalpeter hebben. (Ze stemmen misschien ook overeen in grondsoort, ligging, besproeiing). En waarin verschillen die vier andere akkers van de andere drie: dat ze geen van allen bemest zijn. De omstandigheid, die dus optreedt in alle gevallen waarin zich het verschijnsel voordoet, blijft afwezig in alle gevallen, waarin het verschijnsel zich niet voordoet. De omstandigheid wordt nu voor de waarschijnlijke oorzaak of medeoorzaak van het verschijnsel gehouden.Deze vereenigde methode van verschil en overeenstemming kunnen we aldus voorstellenA,B,C,D,…………………VA,B,C,E,…………………VB,F,G,……………. nietVB,C,H,……………. nietVAwaarschijnlijke oorzaak …VNaar Heymans’ gewijzigde formuleering luidt ze:Wanneer twee of meer gevallen, in welke een nieuwe toestand intreedt, een of meer omstandigheden gemeen hebben daaronder slechts een, welke in twee of meer gevallen, waarin de nieuwe toestand niet intreedt, ontbreekt, zoo verklaart men die omstandigheid voor de waarschijnlijke oorzaak of medeoorzaak van den nieuw intredenden toestand.Opm.Mill wil dat de gevallen, waarin de toestand optreedt, slechts alleen in de ééne omstandigheid zullen overeenstemmen en dat de gevallen, waaronder het verschijnsel niet optreedt, eveneens slechts één ding gemeen hebben, nl. de afwezigheid van de omstandigheid aanwezig in de eerste gevallen. Voor Mill wordt dus het schemaA,B,C,D,…………………VA,E,F,G,…………………VQ,R,S,……………. nietVT,U,V,……………. nietVAoorzaak of medeoorzaak vanV4. We hebben een groep omstandigheden en een groep verschijnselen. We weten, van vroeger, dat sommige omstandigheden de oorzaak zijn van sommige verschijnselen. Trekken we af, dan kunnen we zeggen, dat de overblijvende omstandigheden de oorzaken zijn der overblijvende verschijnselen.Deze methode, die van het overblijvende, is een wijziging der tweede, haar schemaA,B,C,D,………VA,B,C,D,E,………V+V1Eoorzaakmede-oorz.V1Haar regel luidt:Trek van eenig verschijnsel dat gedeelte af, dat door voorgaande inductie bekend is als het gevolg van zekere omstandigheden, en het overblijfsel van het verschijnsel is gevolg van de overblijvende omstandigheden.5. Het gebeurt wel eens, dat we een vermoede oorzaak niet kunnen verwijderen noch in alle gevallen, waarin het verschijnsel optreedt, deze alleen als gemeenschappelijke omstandigheid hebben. Willen we den invloed van de aarde op de slingerbeweging nagaan, dan kunnen wij de aarde niet wegnemen. Evenmin is de aarde alleen de gemeenschappelijke omstandigheid in alle gevallen, waarin er een slingerbeweging plaats vindt. De zon bijv. is ook altijd aanwezig.Dit zelfde geval doet zich voor, waar wij den invloed van de maan op de aarde willen bestudeeren: zij is niet weg te denken, noch alleen als gemeenschappelijke omstandigheid in alle verschijnselen (bijv. die van eb en vloed) aanwezig. Welke is hier de weg om tot kennis te geraken? De vermeende oorzaak kan in verschillende graden optreden. De slingerbeweging kan aan de linie en aan de polen plaats vinden, dichter of verder van het middelpunt der aarde af. De maan staat niet altijd even dicht bij de aarde en haar invloed is niet steeds even sterk. Wanneer nu, met veranderingen in den graad van het verschijnsel ook gelijkrichtige veranderingen in den graad van de omstandigheden, waarin het zich voordoet, gepaard gaan, kunnen wij die omstandigheden houden voor oorzaak of medeoorzaak. Voor dit punt krijgen wij dit schema:A1,B,C,D,…………………V1A2,B,C,E,…………………V2A3,B,C,F,…………………V3Aoorzaak of mede-oorzaak vanVOnder woorden gebracht:Een verschijnsel, dat op eenigerlei wijze verandert, wanneer een ander verschijnsel op eenige manier verandert, is of de oorzaak of het gevolg van dat verschijnsel, of is er door eenig feit van oorzakelijk verband mee verbonden.John Mill heeft op deze wijze aangewezen hoe de wetenschappen te werk gaan, wanneer zij de oorzaken van gegeven verschijnselen onderzoeken. Hij heeft deze wetten niet opgesteld, zonder zijn voorgangers gehad te hebben. Bacon met zijn tabellen had aleenig vermoeden der methode van verschillen, en de groote sterrekundige Herschel gaf reeds zeer belangrijke aanwijzigingen in deze richting.
Zeer groote verdiensten heeft Mill zich verworven door na te gaan, in welke gevallen wij een bepaald verschijnsel de oorzaakvan een ander noemen. Hij heeft daarvoor de wetenschappen geraadpleegd, en gevraagd: wanneer noemt men daar iets oorzaak? Mill vindt nu vijf regels. Geven wij eerst de voorbeelden, daarna de formuleering.
1. We vinden in de natuur verschillende kristallen.6We zullen nagaan, onder welke omstandigheden kristallen ontstaan. Een reeks van gevallen zien wij. In allerlei vloeistoffen, in allerlei stoffen, onder verschillende temperaturen, in onderscheidene omgeving zien wij kristallen ontstaan. Maar in al die gevallen is iets gemeenschappelijks. Dit nl., dat kristallen alleen ontstaan, wanneer een of andere stof in eenvloeistofis. We nemen dus aan, dat het zijn in een vloeistof een voorwaarde voor het ontstaan van kristallen, een oorzaak of althans een medeoorzaak is.
We kunnen de verschillende omstandigheden door letters voorstellen, A, B, C, D, enz., het verschijnsel door V, dat dus het gevolg moet zijn van een of meer dier omstandigheden. We kunnen ’t nu aldus overzichtelijk voorstellen.
A,B,C,D,……….VA,E,F,G,……….VA,H,I,K,……….VA,oorzaak ……….V
In al die omstandigheden treedt het verschijnsel op: V. Wat ze gemeen hebben is A. Dit is dus de oorzaak of medeoorzaak van V:
Geformuleerd luidt de regel:
Indien twee of meer gevallen van het te onderzoeken verschijnsel slechts één omstandigheid gemeen hebben, dan is die omstandigheid, waarin alleen de gevallen overeenstemmen, de oorzaak (of het gevolg) van het gegeven verschijnsel.
Er is echter één groote moeilijkheid om dezen regel toe te passen. Men weet namelijk nooit, of er ook onbekende omstandigheden zijn, die de oorzaak kunnen zijn. Nemen we een eenvoudig voorbeeld. Een goochelaar heeft een doosje, waarin een popje, dat soms het deksel opendoet, en er uit springt. Het doet dit alleen, wanneer er met het zwarte stokje van den toovenaar drie maal in ’t rond gezwaaid is, ’tzij de man ’tzelf, ’tzij een der kinderen ’t doet.
De omstandigheden, waaronder dit verschijnsel, ’t openspringen van het kistje, optreedt, stemmen alleen schijnbaar overeen in ’t zwaaien van het stokje en de kinderen, die dit zien, houden met hunne gegevens dat zwaaien terecht voor de oorzaak van het openspringen. De kinderen hebben de omstandigheid, die de werkelijke oorzaak is (bijv. het drukken op een knopje) niet gezien.
In het dagelijksch leven zal men dus deze methode zeer veelvuldig onjuist zien toegepast, waar men de aanwezigheid van een bepaalde omstandigheid in velerlei gevallen opmerkt, deze als de oorzaak aanneemt, zonder er om te denken, of men alle andere omstandigheden volledig kent. Maar ook in de geschiedenis der wetenschap komt het voor, dat men bepaalde omstandigheden over ’t hoofd ziende, een verkeerde omstandigheid als oorzaak aannam.
2. Iemand wordt geschoten, hij sterft. Wij meenen dat de door het schot veroorzaakte wonde de doodsoorzaak is. Er was eerst een groep omstandigheden, waaronder de man leefde. Daar is een tweede groep, waaronder de man sterft. Die tweede groepverschiltvan de eerste alleen door de wonde. Deze is de oorzaak. Dit is de methode van verschil en wij kunnen dezen regel opstellen:
Indien een geval, waarin het te onderzoeken verschijnsel zich voordoet, met een geval, waarin het zich niet voordoet, alle omstandigheden, behalve één, gemeen heeft, die alleen optreedt in het eerste geval, dan is de omstandigheid, waarin de twee gevallen verschillen, de uitwerking, de oorzaak of een gedeelte van de oorzaak van het verschijnsel.
Brengen wij dit verschijnsel onder een schema, dan krijgen wij
A,B,C,D,E,…………………VB,C,D,E,……………. nietVAoorzaak of medeoorzaak vanV.
3.7Stel dat we eenige akkers hebben. Drie er van zijn bemest met chili-salpeter, vier er van zijn onbemest gebleven. De drie eerste leveren een veel beter oogst dan de vier laatste. Waarin stemmen dedrie akkers o. a. overeen? Dat ze chilisalpeter hebben. (Ze stemmen misschien ook overeen in grondsoort, ligging, besproeiing). En waarin verschillen die vier andere akkers van de andere drie: dat ze geen van allen bemest zijn. De omstandigheid, die dus optreedt in alle gevallen waarin zich het verschijnsel voordoet, blijft afwezig in alle gevallen, waarin het verschijnsel zich niet voordoet. De omstandigheid wordt nu voor de waarschijnlijke oorzaak of medeoorzaak van het verschijnsel gehouden.
Deze vereenigde methode van verschil en overeenstemming kunnen we aldus voorstellen
A,B,C,D,…………………VA,B,C,E,…………………VB,F,G,……………. nietVB,C,H,……………. nietVAwaarschijnlijke oorzaak …V
Naar Heymans’ gewijzigde formuleering luidt ze:
Wanneer twee of meer gevallen, in welke een nieuwe toestand intreedt, een of meer omstandigheden gemeen hebben daaronder slechts een, welke in twee of meer gevallen, waarin de nieuwe toestand niet intreedt, ontbreekt, zoo verklaart men die omstandigheid voor de waarschijnlijke oorzaak of medeoorzaak van den nieuw intredenden toestand.
Opm.Mill wil dat de gevallen, waarin de toestand optreedt, slechts alleen in de ééne omstandigheid zullen overeenstemmen en dat de gevallen, waaronder het verschijnsel niet optreedt, eveneens slechts één ding gemeen hebben, nl. de afwezigheid van de omstandigheid aanwezig in de eerste gevallen. Voor Mill wordt dus het schemaA,B,C,D,…………………VA,E,F,G,…………………VQ,R,S,……………. nietVT,U,V,……………. nietVAoorzaak of medeoorzaak vanV
Opm.Mill wil dat de gevallen, waarin de toestand optreedt, slechts alleen in de ééne omstandigheid zullen overeenstemmen en dat de gevallen, waaronder het verschijnsel niet optreedt, eveneens slechts één ding gemeen hebben, nl. de afwezigheid van de omstandigheid aanwezig in de eerste gevallen. Voor Mill wordt dus het schema
A,B,C,D,…………………VA,E,F,G,…………………VQ,R,S,……………. nietVT,U,V,……………. nietVAoorzaak of medeoorzaak vanV
4. We hebben een groep omstandigheden en een groep verschijnselen. We weten, van vroeger, dat sommige omstandigheden de oorzaak zijn van sommige verschijnselen. Trekken we af, dan kunnen we zeggen, dat de overblijvende omstandigheden de oorzaken zijn der overblijvende verschijnselen.
Deze methode, die van het overblijvende, is een wijziging der tweede, haar schema
A,B,C,D,………VA,B,C,D,E,………V+V1Eoorzaakmede-oorz.V1
oorzaakmede-oorz.
Haar regel luidt:
Trek van eenig verschijnsel dat gedeelte af, dat door voorgaande inductie bekend is als het gevolg van zekere omstandigheden, en het overblijfsel van het verschijnsel is gevolg van de overblijvende omstandigheden.
5. Het gebeurt wel eens, dat we een vermoede oorzaak niet kunnen verwijderen noch in alle gevallen, waarin het verschijnsel optreedt, deze alleen als gemeenschappelijke omstandigheid hebben. Willen we den invloed van de aarde op de slingerbeweging nagaan, dan kunnen wij de aarde niet wegnemen. Evenmin is de aarde alleen de gemeenschappelijke omstandigheid in alle gevallen, waarin er een slingerbeweging plaats vindt. De zon bijv. is ook altijd aanwezig.
Dit zelfde geval doet zich voor, waar wij den invloed van de maan op de aarde willen bestudeeren: zij is niet weg te denken, noch alleen als gemeenschappelijke omstandigheid in alle verschijnselen (bijv. die van eb en vloed) aanwezig. Welke is hier de weg om tot kennis te geraken? De vermeende oorzaak kan in verschillende graden optreden. De slingerbeweging kan aan de linie en aan de polen plaats vinden, dichter of verder van het middelpunt der aarde af. De maan staat niet altijd even dicht bij de aarde en haar invloed is niet steeds even sterk. Wanneer nu, met veranderingen in den graad van het verschijnsel ook gelijkrichtige veranderingen in den graad van de omstandigheden, waarin het zich voordoet, gepaard gaan, kunnen wij die omstandigheden houden voor oorzaak of medeoorzaak. Voor dit punt krijgen wij dit schema:
A1,B,C,D,…………………V1A2,B,C,E,…………………V2A3,B,C,F,…………………V3Aoorzaak of mede-oorzaak vanV
Onder woorden gebracht:
Een verschijnsel, dat op eenigerlei wijze verandert, wanneer een ander verschijnsel op eenige manier verandert, is of de oorzaak of het gevolg van dat verschijnsel, of is er door eenig feit van oorzakelijk verband mee verbonden.
John Mill heeft op deze wijze aangewezen hoe de wetenschappen te werk gaan, wanneer zij de oorzaken van gegeven verschijnselen onderzoeken. Hij heeft deze wetten niet opgesteld, zonder zijn voorgangers gehad te hebben. Bacon met zijn tabellen had aleenig vermoeden der methode van verschillen, en de groote sterrekundige Herschel gaf reeds zeer belangrijke aanwijzigingen in deze richting.
Denkfouten.Een uitvoerig en interessant onderzoek wijdt Mill aan de denkfouten, ook daarmee een navolger en voortzetter van Bacon’s werk. Bacon had reeds gewezen op de idólen, op de dwaalbegrippen, waarvan wij ons moeten zuiveren, om tot juiste kennis te komen. Mill tracht nu een indeeling te ontwerpen van de gebruikelijkste fouten. Hij zondert natuurlijk zulke uit, die ontstaan uit gebrek aan belangstelling, onattentheid enz. en die we dagelijks veelvuldig zien voorkomen. De eerste groep vormen die oordeelen welke wij zóó maar, zonder behoorlijken grond aannemen. Daartoe behooren bijv. volstrekt onbewezen bijgeloovigheden, als dat Vrijdag een ongeluksdag is; algemeene uitspraken zonder grond (dat is altijd zoo geweest, en zal altijd zoo blijven), enz.Vervolgens kan de fout zitten in de redeneering en de afleiding, allereerst door gebrekkig waarnemen. Men let soms alleen op de gevallen waarin een ding uitkomt, niet op die, waarin ’t niet doorgaat.Men ziet omstandigheden over ’t hoofd, die juist gewichtig zijn. Iemand moet bijv. een rustkuur doormaken en neemt in dien tijd ook geneesmiddelen in. Hij zal aan de laatste zijn herstel toeschrijven, zonder aan de rust, die hem zooveel goed deed te denken.De derde groep toont ons de generalisatie.Van één feit, of eenige feiten, schrijdt men voort tot een regel: een fout, door reizigers bijv. dikwijls begaan, die uit een paar gevallen besluiten tot iets algemeens. Zij zien in een streek bijv. eenige menschen met rood haar: in die streek zijn de menschen roodharig.Kinderen zijn er erg gauw bij, om ons vanaltijdte spreken, als iets één of een paar maal is voorgekomen.Beide, onvoldoende waarneming en generalisatie, zijn inductie-fouten. Wanneer we in een deductieve redeneering een fout maken, krijgen we redeneer-fouten. Een heel eenvoudig voorbeeld is dit: Alle visschen zijn zwemmende dieren. Alle zwemmende dieren zijn visschen. In dezen krassen vorm komen ze wel niet vaak voor, maar in ingewikkelde redeneeringen wordt toch dikwijls dezelfde fout begaan.8Ten slotte berusten vele fouten op verwarring, waaraan vooral de taal schuld kan zijn. Sterke drank geeft sterkte!Zoo een redeneering als deze:Plannenmakers moet men niet te zeer vertrouwen.Hij heeft een plan gemaakt.Men moet hem niet vertrouwen.De fout zit hierin, dat onder plannenmaken thans iets anders verstaan wordt dan iemand die een plan maakt. Zeer dikwijls dekken de feitelijke beteekenis van het woord en zijn afkomst elkaar niet meer. Sommigen weten reeds door een afkeurend woord te gebruiken, aan hun redeneeringen een schijn van waarheid te geven.9In het laatste geval heeft men dus, in tegenstelling van de drie voorgaande gevallen, zich de gronden van waar men uitging, niet helder voorgesteld.Schematisch samengesteld krijgen wij dus een overzicht van de denkfouten, dat er aldus uitziet:
Denkfouten.
Een uitvoerig en interessant onderzoek wijdt Mill aan de denkfouten, ook daarmee een navolger en voortzetter van Bacon’s werk. Bacon had reeds gewezen op de idólen, op de dwaalbegrippen, waarvan wij ons moeten zuiveren, om tot juiste kennis te komen. Mill tracht nu een indeeling te ontwerpen van de gebruikelijkste fouten. Hij zondert natuurlijk zulke uit, die ontstaan uit gebrek aan belangstelling, onattentheid enz. en die we dagelijks veelvuldig zien voorkomen. De eerste groep vormen die oordeelen welke wij zóó maar, zonder behoorlijken grond aannemen. Daartoe behooren bijv. volstrekt onbewezen bijgeloovigheden, als dat Vrijdag een ongeluksdag is; algemeene uitspraken zonder grond (dat is altijd zoo geweest, en zal altijd zoo blijven), enz.Vervolgens kan de fout zitten in de redeneering en de afleiding, allereerst door gebrekkig waarnemen. Men let soms alleen op de gevallen waarin een ding uitkomt, niet op die, waarin ’t niet doorgaat.Men ziet omstandigheden over ’t hoofd, die juist gewichtig zijn. Iemand moet bijv. een rustkuur doormaken en neemt in dien tijd ook geneesmiddelen in. Hij zal aan de laatste zijn herstel toeschrijven, zonder aan de rust, die hem zooveel goed deed te denken.De derde groep toont ons de generalisatie.Van één feit, of eenige feiten, schrijdt men voort tot een regel: een fout, door reizigers bijv. dikwijls begaan, die uit een paar gevallen besluiten tot iets algemeens. Zij zien in een streek bijv. eenige menschen met rood haar: in die streek zijn de menschen roodharig.Kinderen zijn er erg gauw bij, om ons vanaltijdte spreken, als iets één of een paar maal is voorgekomen.Beide, onvoldoende waarneming en generalisatie, zijn inductie-fouten. Wanneer we in een deductieve redeneering een fout maken, krijgen we redeneer-fouten. Een heel eenvoudig voorbeeld is dit: Alle visschen zijn zwemmende dieren. Alle zwemmende dieren zijn visschen. In dezen krassen vorm komen ze wel niet vaak voor, maar in ingewikkelde redeneeringen wordt toch dikwijls dezelfde fout begaan.8Ten slotte berusten vele fouten op verwarring, waaraan vooral de taal schuld kan zijn. Sterke drank geeft sterkte!Zoo een redeneering als deze:Plannenmakers moet men niet te zeer vertrouwen.Hij heeft een plan gemaakt.Men moet hem niet vertrouwen.De fout zit hierin, dat onder plannenmaken thans iets anders verstaan wordt dan iemand die een plan maakt. Zeer dikwijls dekken de feitelijke beteekenis van het woord en zijn afkomst elkaar niet meer. Sommigen weten reeds door een afkeurend woord te gebruiken, aan hun redeneeringen een schijn van waarheid te geven.9In het laatste geval heeft men dus, in tegenstelling van de drie voorgaande gevallen, zich de gronden van waar men uitging, niet helder voorgesteld.Schematisch samengesteld krijgen wij dus een overzicht van de denkfouten, dat er aldus uitziet:
Een uitvoerig en interessant onderzoek wijdt Mill aan de denkfouten, ook daarmee een navolger en voortzetter van Bacon’s werk. Bacon had reeds gewezen op de idólen, op de dwaalbegrippen, waarvan wij ons moeten zuiveren, om tot juiste kennis te komen. Mill tracht nu een indeeling te ontwerpen van de gebruikelijkste fouten. Hij zondert natuurlijk zulke uit, die ontstaan uit gebrek aan belangstelling, onattentheid enz. en die we dagelijks veelvuldig zien voorkomen. De eerste groep vormen die oordeelen welke wij zóó maar, zonder behoorlijken grond aannemen. Daartoe behooren bijv. volstrekt onbewezen bijgeloovigheden, als dat Vrijdag een ongeluksdag is; algemeene uitspraken zonder grond (dat is altijd zoo geweest, en zal altijd zoo blijven), enz.
Vervolgens kan de fout zitten in de redeneering en de afleiding, allereerst door gebrekkig waarnemen. Men let soms alleen op de gevallen waarin een ding uitkomt, niet op die, waarin ’t niet doorgaat.
Men ziet omstandigheden over ’t hoofd, die juist gewichtig zijn. Iemand moet bijv. een rustkuur doormaken en neemt in dien tijd ook geneesmiddelen in. Hij zal aan de laatste zijn herstel toeschrijven, zonder aan de rust, die hem zooveel goed deed te denken.
De derde groep toont ons de generalisatie.
Van één feit, of eenige feiten, schrijdt men voort tot een regel: een fout, door reizigers bijv. dikwijls begaan, die uit een paar gevallen besluiten tot iets algemeens. Zij zien in een streek bijv. eenige menschen met rood haar: in die streek zijn de menschen roodharig.
Kinderen zijn er erg gauw bij, om ons vanaltijdte spreken, als iets één of een paar maal is voorgekomen.
Beide, onvoldoende waarneming en generalisatie, zijn inductie-fouten. Wanneer we in een deductieve redeneering een fout maken, krijgen we redeneer-fouten. Een heel eenvoudig voorbeeld is dit: Alle visschen zijn zwemmende dieren. Alle zwemmende dieren zijn visschen. In dezen krassen vorm komen ze wel niet vaak voor, maar in ingewikkelde redeneeringen wordt toch dikwijls dezelfde fout begaan.8
Ten slotte berusten vele fouten op verwarring, waaraan vooral de taal schuld kan zijn. Sterke drank geeft sterkte!
Zoo een redeneering als deze:
Plannenmakers moet men niet te zeer vertrouwen.
Hij heeft een plan gemaakt.
Men moet hem niet vertrouwen.
De fout zit hierin, dat onder plannenmaken thans iets anders verstaan wordt dan iemand die een plan maakt. Zeer dikwijls dekken de feitelijke beteekenis van het woord en zijn afkomst elkaar niet meer. Sommigen weten reeds door een afkeurend woord te gebruiken, aan hun redeneeringen een schijn van waarheid te geven.9In het laatste geval heeft men dus, in tegenstelling van de drie voorgaande gevallen, zich de gronden van waar men uitging, niet helder voorgesteld.
Schematisch samengesteld krijgen wij dus een overzicht van de denkfouten, dat er aldus uitziet:
Ethologie.Mill wil ook de methoden nagaan van andere wetenschappen, die hij op positieve basis wil vestigen. Er moet komen een wetenschap van den menschelijken geest. Het is mogelijk om een karakterleer van den mensch te ontwerpen door toepassing en combinatie der algemeene beginselen.Voor ongelijkheid door aanleg, had Mill weinig oog. Dat blijkt al uit zijn opmerking, dat ieder gewoon kind bij zijn opvoeding ’t even ver had kunnen brengen. En ook op een ander punt houdt hij die gelijkheid vol: hij ziet in het verschil tusschen man en vrouw geen eigenlijk wezensverschil. Man en vrouw zijn van nature gelijk: slechts de eeuwenlange anders zijnde opvoeding heeft de vrouw vernederd, ze intellectueel de mindere van den man gemaakt.Mill heeft over ethica, politiek en economie nog zeer behartigenswaardige werken en artikelen geschreven, die blijk geven van zijn groote kennis en scherpverstand. Het zou ons te ver voeren, hierop in te gaan. Genoeg, dat hij in de ethiek in hoofdpunten de leer van zijn vader en van Bentham trouw bleef. In de politiek bleef hij een radicaal die volksvrijheden bepleitte, en die hoe langer zoo meer begon in te zien, dat maatschappelijke vragen nog ernstiger waren dan politieke, en die zich tegen het opkomend Socialisme vrijer verhield dan menig zijner tijdgenooten en geestverwanten. Terwijl hij meende een echt volgeling te zijn van Adam Smith was hij dit inderdaad niet meer. Het blijke uit het volgende: “Wanneermen kiezen moest tusschen het Communisme met al zijn kansen en den tegenwoordigen toestand der maatschappij met al haar lijden en ongerechtigheden,…wanneerde instelling van het persoonlijk bezit met zich bracht als een noodzakelijk gevolg, dat de opbrengst van den arbeid zoo verdeeld werd, als dat thàns geschiedt—bijna in omgekeerde evenredigheid met den arbeid—dan zouden alle bezwaren van het Communisme niets meer wegen dan kaf in de weegschaal …”Ten opzichte der religie bleef Mill’s standpunt onzeker, maar in ’t laatst van zijn leven komt hij toch meer tot waardeering van den godsdienst.In Engeland stichtte Mill wel geen eigenlijke school, maar hij had medestanders die in zijn geest werkten. Alexander Bain, een bekend zielkundige en schrijver van goede werken over de leiders van het Utilisme, verdient hier genoemd te worden naast den ouderen Whewell, den schrijver van een verdienstelijke geschiedenis der wetenschappen.
Ethologie.
Mill wil ook de methoden nagaan van andere wetenschappen, die hij op positieve basis wil vestigen. Er moet komen een wetenschap van den menschelijken geest. Het is mogelijk om een karakterleer van den mensch te ontwerpen door toepassing en combinatie der algemeene beginselen.Voor ongelijkheid door aanleg, had Mill weinig oog. Dat blijkt al uit zijn opmerking, dat ieder gewoon kind bij zijn opvoeding ’t even ver had kunnen brengen. En ook op een ander punt houdt hij die gelijkheid vol: hij ziet in het verschil tusschen man en vrouw geen eigenlijk wezensverschil. Man en vrouw zijn van nature gelijk: slechts de eeuwenlange anders zijnde opvoeding heeft de vrouw vernederd, ze intellectueel de mindere van den man gemaakt.Mill heeft over ethica, politiek en economie nog zeer behartigenswaardige werken en artikelen geschreven, die blijk geven van zijn groote kennis en scherpverstand. Het zou ons te ver voeren, hierop in te gaan. Genoeg, dat hij in de ethiek in hoofdpunten de leer van zijn vader en van Bentham trouw bleef. In de politiek bleef hij een radicaal die volksvrijheden bepleitte, en die hoe langer zoo meer begon in te zien, dat maatschappelijke vragen nog ernstiger waren dan politieke, en die zich tegen het opkomend Socialisme vrijer verhield dan menig zijner tijdgenooten en geestverwanten. Terwijl hij meende een echt volgeling te zijn van Adam Smith was hij dit inderdaad niet meer. Het blijke uit het volgende: “Wanneermen kiezen moest tusschen het Communisme met al zijn kansen en den tegenwoordigen toestand der maatschappij met al haar lijden en ongerechtigheden,…wanneerde instelling van het persoonlijk bezit met zich bracht als een noodzakelijk gevolg, dat de opbrengst van den arbeid zoo verdeeld werd, als dat thàns geschiedt—bijna in omgekeerde evenredigheid met den arbeid—dan zouden alle bezwaren van het Communisme niets meer wegen dan kaf in de weegschaal …”Ten opzichte der religie bleef Mill’s standpunt onzeker, maar in ’t laatst van zijn leven komt hij toch meer tot waardeering van den godsdienst.In Engeland stichtte Mill wel geen eigenlijke school, maar hij had medestanders die in zijn geest werkten. Alexander Bain, een bekend zielkundige en schrijver van goede werken over de leiders van het Utilisme, verdient hier genoemd te worden naast den ouderen Whewell, den schrijver van een verdienstelijke geschiedenis der wetenschappen.
Mill wil ook de methoden nagaan van andere wetenschappen, die hij op positieve basis wil vestigen. Er moet komen een wetenschap van den menschelijken geest. Het is mogelijk om een karakterleer van den mensch te ontwerpen door toepassing en combinatie der algemeene beginselen.
Voor ongelijkheid door aanleg, had Mill weinig oog. Dat blijkt al uit zijn opmerking, dat ieder gewoon kind bij zijn opvoeding ’t even ver had kunnen brengen. En ook op een ander punt houdt hij die gelijkheid vol: hij ziet in het verschil tusschen man en vrouw geen eigenlijk wezensverschil. Man en vrouw zijn van nature gelijk: slechts de eeuwenlange anders zijnde opvoeding heeft de vrouw vernederd, ze intellectueel de mindere van den man gemaakt.
Mill heeft over ethica, politiek en economie nog zeer behartigenswaardige werken en artikelen geschreven, die blijk geven van zijn groote kennis en scherpverstand. Het zou ons te ver voeren, hierop in te gaan. Genoeg, dat hij in de ethiek in hoofdpunten de leer van zijn vader en van Bentham trouw bleef. In de politiek bleef hij een radicaal die volksvrijheden bepleitte, en die hoe langer zoo meer begon in te zien, dat maatschappelijke vragen nog ernstiger waren dan politieke, en die zich tegen het opkomend Socialisme vrijer verhield dan menig zijner tijdgenooten en geestverwanten. Terwijl hij meende een echt volgeling te zijn van Adam Smith was hij dit inderdaad niet meer. Het blijke uit het volgende: “Wanneermen kiezen moest tusschen het Communisme met al zijn kansen en den tegenwoordigen toestand der maatschappij met al haar lijden en ongerechtigheden,…wanneerde instelling van het persoonlijk bezit met zich bracht als een noodzakelijk gevolg, dat de opbrengst van den arbeid zoo verdeeld werd, als dat thàns geschiedt—bijna in omgekeerde evenredigheid met den arbeid—dan zouden alle bezwaren van het Communisme niets meer wegen dan kaf in de weegschaal …”
Ten opzichte der religie bleef Mill’s standpunt onzeker, maar in ’t laatst van zijn leven komt hij toch meer tot waardeering van den godsdienst.
In Engeland stichtte Mill wel geen eigenlijke school, maar hij had medestanders die in zijn geest werkten. Alexander Bain, een bekend zielkundige en schrijver van goede werken over de leiders van het Utilisme, verdient hier genoemd te worden naast den ouderen Whewell, den schrijver van een verdienstelijke geschiedenis der wetenschappen.
1Dickens, die in zijn romans zoovele Engelsche misstanden gehekeld heeft, geeft op sommige rechtstoestanden interessante kijkjes, bijv. in David Copperfield.↑2Vertaling met inleiding en aanteekening in de Wereld-Bibliotheek.↑3Pruisische ridderorde die, behoudens zeer enkele uitzonderingen, alleen aan hoogst verdienstelijke mannen gegeven wordt en daarom nog waarde heeft. In ons land zijn o. a. de prof. De Goeie en Lorentz ridder in die orde. Er zijn een twintigtal buitenlandsche ridders.↑4Om een denkbeeld te geven van den omvang: de logica, zou, in de Wereld-bibliotheek gedrukt, ongeveer 10 nummers bevatten.↑5Het dagelijksch leven biedt van Mill’s opmerking talrijke, eenvoudige, treffende voorstellingen. Het was vroeger sommige menschen niet mogelijk zich een predikant zonder hoogen hoed te denken.Het is een Duitscher bijv. bijna niet mogelijk om zich onsopenbaar onderwijs zonder godsdienstonderricht voor te stellen.Tal van ontwikkelde menschen kunnen zich niet losmaken van de idee, dat socialisten “alles willen deelen” of anarchisten alleen bommengooiers zijn.↑6In de wetenschap verstaat men onder kristallen lichamen, begrensd door een bepaald stelsel van vlakken, die onder bepaalde hoeken op elkaar staan, bijv. kandijklontjes, sneeuwvlokken, zoutkorrels.↑7Zooals Mill dezen regel toelicht, komt hij niet voor in ’t gegeven denken. Hij wordt hier met een wijziging voorgedragen, ontleend aan Heymans: “Gezetse und Elemente des menschlichen Denkens.”↑8Een aardig voorbeeld uit de kinderwereld. “Grootvader gaat vertellen, want hij steekt een pijp op en altijd als grootvader vertelt, rookt hij.”↑9Stel dat men bepleit, dat eendrankzuchtig ambtenaarniet ontslagen, maar verpleegd hoort te worden, en dat nu gevraagd wordt: wat nut er in steekt een “dronken vent” te handhaven.↑
1Dickens, die in zijn romans zoovele Engelsche misstanden gehekeld heeft, geeft op sommige rechtstoestanden interessante kijkjes, bijv. in David Copperfield.↑2Vertaling met inleiding en aanteekening in de Wereld-Bibliotheek.↑3Pruisische ridderorde die, behoudens zeer enkele uitzonderingen, alleen aan hoogst verdienstelijke mannen gegeven wordt en daarom nog waarde heeft. In ons land zijn o. a. de prof. De Goeie en Lorentz ridder in die orde. Er zijn een twintigtal buitenlandsche ridders.↑4Om een denkbeeld te geven van den omvang: de logica, zou, in de Wereld-bibliotheek gedrukt, ongeveer 10 nummers bevatten.↑5Het dagelijksch leven biedt van Mill’s opmerking talrijke, eenvoudige, treffende voorstellingen. Het was vroeger sommige menschen niet mogelijk zich een predikant zonder hoogen hoed te denken.Het is een Duitscher bijv. bijna niet mogelijk om zich onsopenbaar onderwijs zonder godsdienstonderricht voor te stellen.Tal van ontwikkelde menschen kunnen zich niet losmaken van de idee, dat socialisten “alles willen deelen” of anarchisten alleen bommengooiers zijn.↑6In de wetenschap verstaat men onder kristallen lichamen, begrensd door een bepaald stelsel van vlakken, die onder bepaalde hoeken op elkaar staan, bijv. kandijklontjes, sneeuwvlokken, zoutkorrels.↑7Zooals Mill dezen regel toelicht, komt hij niet voor in ’t gegeven denken. Hij wordt hier met een wijziging voorgedragen, ontleend aan Heymans: “Gezetse und Elemente des menschlichen Denkens.”↑8Een aardig voorbeeld uit de kinderwereld. “Grootvader gaat vertellen, want hij steekt een pijp op en altijd als grootvader vertelt, rookt hij.”↑9Stel dat men bepleit, dat eendrankzuchtig ambtenaarniet ontslagen, maar verpleegd hoort te worden, en dat nu gevraagd wordt: wat nut er in steekt een “dronken vent” te handhaven.↑
1Dickens, die in zijn romans zoovele Engelsche misstanden gehekeld heeft, geeft op sommige rechtstoestanden interessante kijkjes, bijv. in David Copperfield.↑
2Vertaling met inleiding en aanteekening in de Wereld-Bibliotheek.↑
3Pruisische ridderorde die, behoudens zeer enkele uitzonderingen, alleen aan hoogst verdienstelijke mannen gegeven wordt en daarom nog waarde heeft. In ons land zijn o. a. de prof. De Goeie en Lorentz ridder in die orde. Er zijn een twintigtal buitenlandsche ridders.↑
4Om een denkbeeld te geven van den omvang: de logica, zou, in de Wereld-bibliotheek gedrukt, ongeveer 10 nummers bevatten.↑
5Het dagelijksch leven biedt van Mill’s opmerking talrijke, eenvoudige, treffende voorstellingen. Het was vroeger sommige menschen niet mogelijk zich een predikant zonder hoogen hoed te denken.
Het is een Duitscher bijv. bijna niet mogelijk om zich onsopenbaar onderwijs zonder godsdienstonderricht voor te stellen.
Tal van ontwikkelde menschen kunnen zich niet losmaken van de idee, dat socialisten “alles willen deelen” of anarchisten alleen bommengooiers zijn.↑
6In de wetenschap verstaat men onder kristallen lichamen, begrensd door een bepaald stelsel van vlakken, die onder bepaalde hoeken op elkaar staan, bijv. kandijklontjes, sneeuwvlokken, zoutkorrels.↑
7Zooals Mill dezen regel toelicht, komt hij niet voor in ’t gegeven denken. Hij wordt hier met een wijziging voorgedragen, ontleend aan Heymans: “Gezetse und Elemente des menschlichen Denkens.”↑
8Een aardig voorbeeld uit de kinderwereld. “Grootvader gaat vertellen, want hij steekt een pijp op en altijd als grootvader vertelt, rookt hij.”↑
9Stel dat men bepleit, dat eendrankzuchtig ambtenaarniet ontslagen, maar verpleegd hoort te worden, en dat nu gevraagd wordt: wat nut er in steekt een “dronken vent” te handhaven.↑