HOOFDSTUK XVI.Het psychisch monisme.§ 47.Fechner.Inleidende opmerkingen.Wij wezen er op, hoe er ten tijde van de speculatieve wijsbegeerte een critische onderstroom was geweest, die in Herbart zijn bekendsten vertegenwoordiger vond. Eveneens waren er in den tijd van het positivisme en het materialisme denkers, die hunne aandacht wijdden aan vraagstukken, welke ’t meerendeel hunner tijdgenooten geen belangstelling konden inboezemen. Daaronder is in de eerste plaats Gustaaf Theodoor Fechner te noemen, wiens leer thans meer en meer aanhang vindt. Hierom plaatsen wij de behandeling in dit gedeelte. Wij zouden zijn leer de lijnrechte tegenstelling van het materialisme kunnen noemen. Terwijl dit leert, dat al het bestaande stof is en onze bewustzijnsverschijnselen slechts een product van bepaalde stoffelijke verrichtingen, leert Fechner, dat het stoffelijke niets anders is dan de wijze, waarop het geestelijke, dat zichzelf als van psychischen aard verschijnt, zich aan een ander vertoont. Een zelfdeproces is “van binnen gezien” geestelijk, “van buiten” stoffelijk. Dit geldt niet voor den mensch alleen. Fechner breidt het uit over heel de wereld. Zijn leer is dus monistisch: er is maar één soort werkelijkheid: het psychische. Vandaar den naampsychisch monisme, (ook ideëel, spiritualistisch monisme).Alleswat bestaat, is psychisch. Zoo ontmoet men voor dit standpunt ook den naampanpsychisme.Fechner’s leven en ontwikkelingsgang.Den 19den April 1801 werd Fechner uit een ernstige, kunstminnende, verlichte predikantenfamilie te Groszsärchen geboren. Hij verloor zijn vader vroeg. Reeds op zestienjarigen leeftijd had hij zijn gymnasiale studiën achter den rug. Hij ging in de geneeskunde studeeren, die destijds, niet geleid door ervaring en onderzoek, in een treurigen toestand verkeerde. Het ging Fechner dan ook als Helmholz (vg. II, blz.230). Hij was doctorandus in de geneeskunde, maar kon geen eenvoudig verband leggen. Hij ging de practijk dan ook niet beoefenen, maar legde zich toe op de studie der natuurkunde, die toen begon te bloeien.In ’t bizonder maakte hij zich verdienstelijk met onderzoekingen op ’t gebied der electriciteit. Met zeer geringe hulpmiddelen wist hij veel tot stand te brengen. Met het vertalen van leerboeken en ’t schrijven van artikelen voorzag hij in zijn onderhoud. In 1834 werd hij hoogleeraar in de natuurkunde. Hij ging door met zijn onderzoekingen, was door beloften verplicht te blijven schrijven. Zijn lichaam leed hieronder. Door vele proeven over de kleurgewaarwordingen waren zijn oogen verzwakt. In 1840 werd hij ziek. Deze ziekte duurde drie jaren. Zij werd beslissend voor Fechner’s leven. Soms was hij op den rand van ’t graf en scheen hij blind, verlamd enkrankzinnig te zullen worden. Zelfs gesprekken vermoeiden. Eenzaam, in doodelijke verveling gingen de dagen voorbij. Maar moedig weerstond hij alle gedachten aan zelfmoord, en vast was hij besloten, alle pijn zoolang te dragen, als hij ’t uithouden kon. Gelukkig kwam beterschap. Einde 1843 was hij hersteld. Zijn professoraat was aan een ander gegeven. (Fechner zelf ontving een wachtgeld, dat tot 1250 thaler werd gebracht). Fechner begeerde ’t ook niet terug. Zijn belangstelling had een andere richting aangenomen. De wijsbegeerte had voortaan zijn hart. In 1846 schrijft hij over ’t hoogste goed. Hierin geeft Fechner zijn eudaimonistische zedeleer. Doel van ons handelen moet zijn, een zoo groot mogelijke hoeveelheidlustte verkrijgen. Die lust moet echter die van het geheel, niet die van den enkeling zijn. Godsdienstig wordt deze zedeleer, door de beschouwing, dat God zelf ook vreugde heeft aan de vermeerdering van lust, dat zijn wil gericht is op de grootste mate van lust, die in de wereld mogelijk is. Voor ons is het grootste geluk gelegen in de overtuiging, dat wij ons willen met den wil Gods in overeenstemming gebracht hebben.Belangrijker voor den opbouw van Fechner’s leer is het in 1848 verschenen werk: “Nanna, over het zieleleven der planten.” Met zeer rijke kennis, met fijne onderscheidingen en met groote fantasie tracht Fechner hier aan te toonen, dat ook aan de planten bewustzijnsleven toekomt. Dit is de voorbereiding voor zijn leer, dat eral-bezielingis. In de “Zend Avesta” van 1851 spreekt hij deze geheel uit. Al de latere beschouwingen en opvattingen van den denker, zijn reeds als in kiem in dit werk voorhanden. Hij voert hier het beginsel der bezieling door van de planten tot onze aarde, van deze tot ons zonnestelselmet zijn planeten, tot de geheele wereld. Dit bezielde Al is de Godheid, waarin de menschen leven, bewegen en zijn, en Fechner die, zelf vroom opgevoed, ook den invloed had ondergaan van de godsdienstige sfeer, waaruit zijn vrouw kwam, tracht aan te toonen, dat zijn leer overeenkomt met de hoofdpunten van den christelijken godsdienst.Uitvoerig handelt hij ook over de onsterfelijkheid, waarover hij reeds eerder had geschreven in zijn werkje: “Boekje van het leven na den dood” (1836) onder den naam van Dr. Mises, (het pseudoniem waaronder hij zijn aesthetische en humoristische geschriften uitgaf), en later in tweeden druk onder eigen naam verschenen. Fechner heeft behalve in een kleiner werkje: (Die Seelenfrage) nog eenmaal zijn wereldbeschouwing ontvouwd in: “De dagbeschouwing tegenover de nachtbeschouwing.” (Die Tagesansicht gegenüber der Nachtansicht). De dagbeschouwing is de beschouwing van het levende, bezielde al; het geloof aan een doode, mechanische werkelijkheid is de nachtbeschouwing.Experimenteele zielkunde.Behalve grondvester der monistische metafysica is Fechner ook de vader derproefondervindelijke zielkunde. Hij heeft het experiment in de zielkunde ingevoerd. Hij begon onderzoekingen omtrent den “onderscheidsdrempel.” Nemen we een lijn van 5,0 M. en een van 5,2. We zien, dat de laatste langer is dan de eerste. Zien wij dat ook van een lijn van 5 M. en 5,01 M.? Neen. Het verschil is te klein. Het moet minstens (gemiddeld) 10 c.M. zijn. Dit even waarneembare verschil wordt door Fechner onderscheidsdrempel genoemd. Dit verschijnsel van den onderscheidsdrempel doet zich ook voor bij waarnemingen uit andere zintuiggebieden. Weber nu had ontdekt, datde verhouding tusschen twee prikkels, die door den onderscheidsdrempel gescheiden zijn,standvastigis. Kan men een lijn van 51 d.M. en 50 d.M. nog even als verschillend groot onderscheiden, dan is dit eveneens het geval bij lijnen van 102 d.M. en 100 d.M., 63 en 60 enz. De verhouding is 51 : 50. Voor geluiden is die bijv. 4 : 3, voor licht 101 : 100. Fechner stelde, naar verschillende methoden, uitvoerige onderzoekingen in omtrent dit verschijnsel. Hij noemde de gevonden wet de wet van Weber. Over ’t geheel gaat, althans voor prikkels van middelmatige sterkte, die wet ook volgens de nieuwere onderzoekingen door. Fechner was echter met dit resultaat niet tevreden. Hij wilde nu ook een wet vinden, die de verhouding aangaf tusschen de sterkte van den prikkel en die der gewaarwording. Inderdaad vond hij die ook1doch volgens de meeste zielkundigen is zij niet bestand tegen het hedendaagsch onderzoek.Fechner zelf is zijn wet steeds blijven verdedigen. Hij noemde de door hem gestichte wetenschap: psychophysica. Zij ging uit van de grondgedachte, dat men psychische verschijnselen kon meten door physische, daar dit steeds de uitwendige zijde van iets geestelijks was. In 1860 verschenen “de Elementen der psychophysica”, en nadat dit werk uitverkocht was, kwam in 1882 “Herziening van de hoofdpunten der psychophysica.” Daarnaast staan kleine geschriften over dit onderwerp.Door exacte onderzoekingsmethoden toe te passen op geestelijke verschijnselen, legde Fechner den grondslag voor de experimenteele zielkunde. Zij steltproevenin bij een aantal proefpersonen, onder zoonauwkeurig mogelijk bepaalde omstandigheden. Nemen we een eenvoudig voorbeeld. Onthoudt in ’t algemeen een kind van 10 jaar beter of minder dan een man van 30? Kies nu bijv. 12 letters: medeklinkers, en laat die kinderen van buiten leeren op een bepaalde wijze, bijv. door ze telkens die twaalf letters luid op te laten herhalen, achter elkaar. Noteer voor elk kind, hoeveel malen het die letters moet herhalen en hoeveel tijd het noodig heeft. Bepaal het gemiddelde. Neem nu, onder zooveel mogelijk dezelfde omstandigheden een aantal mannen. Herhaal dezelfde proef en dezelfde berekeningen. Kom ook hier weer tot een gemiddelde. De beide gevonden waarden laten zich vergelijken en geven het antwoord op de vraag. Wundt heeft het eerste groote laboratorium voor deze onderzoekingen gesticht, eenigszins tot verbazing van Fechner zelf, die zulk een grootsche vlucht niet had verwacht. Thans zijn er bijna over geheel de beschaafde wereld laboratoria. In ons land wordt de proefondervindelijke zielkunde beoefend door den Groningschen hoogleeraar Heymans2, die weldra over een nieuw, wel klein, maar naar de eischen ingericht laboratorium zal te beschikken hebben.Aesthetica.Bizondere verdiensten heeft Fechner zich ook nog verworven door zijn aesthetische studiën. Hij had veel belangstelling voor kunst en kunstcritiek. Hij trachtte nu later de wetten te vinden, waardoor ons mooi-vinden wordt beheerscht. Hij wilde daarbij van ervaring uitgaan. Hij vroeg bijv. een groot aantal menschen, welke figuren uit een aantal rechthoeken ze mooi vonden, of liet ze de figuren samenstellen, die ze ’t mooist achtten. Eveneenspaste hij nauwkeurige metingen toe op verschillende kunstwerken. Zoo wilde hij een aesthetica grondvesten, die, van eenvoudige feiten, van ervaring uitgaand, een schoonheidsleer, “van onderen”, zou worden in tegenstelling met eene, welke uit het begrip van schoonheid hare eischen wou afleiden, een aesthetica “van boven af.” Naast formeele elementen (eenheid in verscheidenheid) wijst Fechner ook nog een ander element aan, dat bij ’t mooi vinden van iets onze oordeelen bepaalt: het associatieve. De indruk, dien wij van een kunstwerk ontvangen, is verbonden met tal van andere voorstellingen, die, meer of minder duidelijk, in ’t bewustzijn worden geroepen. Deze meer of min bewuste voorstellingen nu zijn dikwijls beslissend voor de aesthetische waardeering. Rood op de wangen b.v. doet denken aan jeugdige gezondheid en groeikracht, rood op een neus aan ziekte. Daarom behaagt het eene, mishaagt het andere. Het schoonvinden van een mensch, een landschap, berust dikwijls op associaties. Fechner heeft zijn onderzoekingen verzameld in zijn “Voorschool der Aesthetica”, die geen volledige schoonheidsleer geeft, maar verschillende punten op zeer belangwekkende wijze behandelt. Het werk verscheen in 1876.Fechners leven was een echt geleerden-leven. Rustig ging het daarheen, nu en dan afgewisseld door reizen. Zijn ouderdom was, door het afsterven van vrouw en vrienden, betrekkelijk eenzaam, maar werd verlicht door vele blijken van liefde en hoogachting. Tot hoogen leeftijd bleef zijn geest helder. 6 Nov. nog werkte hij, 18 Nov. 1887 overleed hij.Fechner was een zeer zeldzame, buitengewoon begaafde persoonlijkheid. Aan de scherpzinnigheid, de nauwgezetheid en het geduld van den natuuronderzoekerpaarde hij de rijke fantasie en het diepe gevoel van den kunstenaar. Hij was kinderlijk vroom, eenvoudig, welwillend in den omgang. Hij hield van discussie, maar verbitterde nooit, en vergaf steeds. Wie met hem omgingen achtten en beminden hem. Het voor hem opgericht standbeeld te Leipzig draagt als opschrift de godsdienstige formuleering zijner levensbeschouwing: “In God leven, bewegen en zijn wij.”Aanhangers van ’t monisme.Zonder een school te stichten, heeft Fechner toch onder de thans levenden vele aanhangers.Allereerst zij genoemd Friedrich Paulsen.3Deze bekende Berlijnsche hoogleeraar schreef een “Inleiding in de wijsbegeerte,” waarin hij de verschillende wijsgeerige problemen behandelt met een geschiedkundig overzicht en zichzelf stelt op ’t standpunt van ’t psychisch-monisme. Veel aandacht wijdt Paulsen ook aan de religie en haar verhouding tot de wetenschap. Zoowel bij deze kwestie als in zijn kennistheorie toont hij zich meer aan Kant verwant (hij schreef voor Frommans-Klassiker het nummer over Kant) dan Fechner, die eerst leefde in een tijd toen Kant vergeten was en zijn leer reeds klaar had, toen de Kantstudie herleefde. Door zijn eenvoud zoowel als door zijn warmen, schoonen stijl heeft Paulsen veel lezers gevonden en wordt zijn boek als de meest geschikte inleiding tot ’t monisme geprezen. Ook zijn “Systeem der ethica” verwierf veel waardeering. Naast de theoretische vragen worden daarin ook een aantal vragen van practischen aard boeiend behandeld. Voor opvoedkundige kwesties toonde Paulsen medeveel belangstelling, met name voor de geschiedenis van het onderwijs. (Zie ook II,132).In Amerika vond het monisme zijn verdediger inStrong, die in 1900 zijn werk uitgaf: “Waarom de geest een lichaam heeft” en vooral van kennistheoretisch en zielkundig standpunt uit het monisme opbouwt. Hij verdedigt het en vergelijkt het vooral met de beschouwingen van Engelsche en Amerikaansche schrijvers. Hij beperkt zich tot de verhouding tusschen ziel en lichaam. In dit opzicht vertoont hij een groote overeenkomst metHeymans. Deze gaf in 1905 zijn “Einführung in die Metaphysik.” Na de verschillende stelsels critisch beschouwd, en het onvoldoende aangetoond te hebben, ontwikkelt hij het psychisch monisme. Veel meer dan bij Fechner staat hier het kennis-theoretisch standpunt op den voorgrond.In de kennistheorie (door den schrijver ontwikkeld in zijn: “Gesetze und Elemente des Menschlichen Denkens,” Tweede druk, Leipzig 1905) heeft Heymans een eigen richting. Hij staat op hetzelfde standpunt, dat Kant naarHeymans’opvatting voor en in 1770 innam, en dat hij ’tanalytischezou willen noemen. Locke (vg. I, 295) had den oorsprong onzer kennis nagegaan. Voor de aanhangers der genetische richting waartoe ook Hume behoorde, was er in de ervaring geenvoldoendegrond voor sommige gegevens van ’t bewustzijn en nu trachtten zij die anders te verklaren, b.v. door associatie (zie bijv. Hume’s verklaring van ’t causaliteitsbeginsel in I, pag. 319). Daarmee echter waszekerheidonzer kennis, zoodra zich deze uitstrekt over de ervaringsgegevens, onmogelijk. Kant had dit gevoeld en hij had devoorwaardenbestudeerd,waaronderiets tot wetenschap werd (zie II, pg.319). Hij en de latere criticisten zeggen dus: wij noemen iets waar, als het aan de voorwaardenvoldoet, dat het eengepaste, behoorlijkeverbinding is. Die gepastheiddringtzich aan ons op. Maar of nu die voorstellingen overeenstemmen met de werkelijkheid, daarover laten wij ons niet uit.Heymans nu, zich plaatsende op het standpunt, dat Kant in en vóór 1770 innam, wil allereerst trachten deninhoudonzer denkaxioma’s te leeren kennen. Heeft hij die gevonden, door een nauwkeurig onderzoek der wetenschap, die ze gebruikt, dan tracht hij ze te verklaren. Deze analytische methode hecht dus meer dan de critische aan het empirisch onderzoek der denkverschijnselen. Daardoor echter wil zij komen tot kennis der door de genetische richting verworpen aprioristische onderstellingen van het denken. En zij gelooft dat er ten slotte waarheid door het denken wordt gevonden, d. i. dat er overeenstemming is met een buitenbewuste werkelijkheid.We wezen er reeds op, dat Heymans ook de experimenteele zielkunde beoefent. Vooral op het gebied der belemmering hebben zich zijn onderzoekingen4bewogen.In den laatsten tijd heeft hij zich bezig gehouden met de zielkunde der verschillen tusschen mensch en mensch, sexe en sexe, leeftijd en leeftijd enz. Deze tak der zielkunde werd door hemspeciale psychologiegenoemd. Vooral de bewerking van levensbeschrijvingen en enquêtes leverden hier het materiaal. Het gelukte Heymans een indeeling in achten vankarakters tot stand te brengen. Voor zoover schrijver dezes bekend, verscheen daaromtrent nog niets in den handel5maar in het werk van Mr. v. Dijk: “Bijdragen tot de psychologie van den misdadiger” vindt men een korte uiteenzetting der indeeling.§ 48.Hoofdtrekken van ’t psychisch monisme.Er is een buitenwereld.Het psychisch monisme, uitgaande van de zekerheid van ons bewustzijn, bestrijdt de richtingen, die willen blijven staan bij onze bewustzijnsverschijnselen. “De ontkenning van zulke werkelijkheden (d. i. werkelijkheden buiten ons bewustzijn) is een volmaakt logische theorie van waarneming; daar het feit, dat zij maakt, dat de voorwerpen ophouden te bestaan wanneer wij ophouden, ze waar te nemen, er geen voldoende argument tegen is.6Maar zij geeft ons een verminkte en onsamenhangende opvatting van de wereld, en leidt logisch tot solipsisme.” (Strong.) Dit solipsisme nu brengt bij consequente toepassing tot de absolute scepsis: “Het laatste woord van ’t empirisme is dus de opheffing van alle weten, de absolute scepsis” (Heymans). Er is echter grond, om het bestaan eener buitenwereld aan te nemen. Die is gelegen in het voor ons bewustzijn onmiddellijk evidente causaliteitsbeginsel en de door de ervaring voortdurend gegeven bevestiging van de daarop gegronde verwachtingen. Stel u een gedachtenreeks voor. Zeg bijv. op: WienNeerlands bloed. Daar ziet ge bij ’t eerste woord van den tweeden regel iets, bij de vier voelt ge iets, bij de vijfde hoort ge een geluid. Andere voorstellingen komen tusschen uw voorstellingsrij in. We kunnen dat schematisch dus voorstellen:a→b→X—c→d→Y—eenz.XenYzijn optredende gewaarwordingen, waarvoor wegeen voldoenden grondvonden in ons bewustzijn. Op grond van ’t causaliteitsbeginsel schrijven wij ’t toe aan iets buiten ons.We nemen dus aan dingen buiten ons. Nu doet zich de vraag voor: van welken aard zijn ze? Ze schijnen ons anders toe dan ons eigen bewustzijn nl. stoffelijk. Maar stof is slechts een verschijningswijze, geen realiteit. Hoe verklaren we dat?De ideale waarnemer.We willen een oogenblik een veronderstelling maken. We nemen aan, dat er een mensch is, die het vermogen bezit, om, door uw schedel heen,alleste zien, wat er in uw hersenen gebeurt. Ook de geringste, de kleinste verandering ontgaat hem niet. Deze man nu houdt zijn aandacht gericht, volkomen gericht op uw hersenen. We zullen hem den idealen waarnemer noemen.Ziehier nu de onderstelling van het monisme:Telkens, wanneer er in u een of ander bewustzijnsverschijnsel plaats grijpt, krijgt de ideale waarnemer een gewaarwording die voor hem de gewaarwording van iets stoffelijks is.Stel, dat er in úw bewustzijn een reeks processen plaats vindt:A—B—C—D—E—F.Dan krijgt de ideale waarnemer een reeks waarnemingen van hersenverschijnselen:a—b—c—d—e—f.Uw hersenen zijn dus steeds de waarneming van een ander.Op zichzelf bestaan zij niet.Nu moeten wij wel onderscheiden inhoud en voorwerp der waarneming van den idealen waarnemer. Lichten we dit even toe. Wanneer wij bijv. een kleur zien, is deinhoudonzer waarneming datroode. Hetvoorwerponzer waarneming zijn echter detrillingenvan den ether. De inhoud der waarneming van den waarnemer is een grijsachtige, niet te stevige, met windingen voorziene, bewegende substantie: de hersenen. Het voorwerp dat hij waarneemt, is úw bewustzijnsverschijnsel en niets anders.Een bewustzijnsproces is dus voor u psychisch. Een ander, die het waarneemt, ziet het als stoffelijk. Zoo is een lepel van binnen gezien hol, van buiten bol.Welk recht heeft het monisme, om te onderstellen, dat aan elk bewustzijnsverschijnsel bij u, een gewaarwording bij den I. W. beantwoordt? Het grondt deze hypothese op de bekende feiten omtrent den samenhang tusschen geestelijk leven en hersenen. Hersenziekten, beleedigingen brengen geestelijke storingen mee. Vergiften en andere stoffen, die op de hersenen inwerken, oefenen invloed uit op ’t bewustzijn; bijv. alcohol, broom. Er is zekere evenredigheid tusschen hersenontwikkeling en geestelijke ontwikkeling. Vooral Heymans vestigt op al deze verschijnselen de aandacht. Met goeden grond mag men dus aannemen, dat bij voortschrijding van de kennis der hersenen en hun werking het materiaal, waarop zich deze hypothese stut, zal vergrooten.De eerste stelling van het psychisch monisme is dus deze:Het proces in ’t bewustzijn is de eenige realiteit, die, van buiten gezien, als stoffelijk, als hersenverschijnsel verschijnt.Dit is intusschen nog een zeer beperkt gebied. We vragen niet alleen naar den aard onzer hersenverschijnselen. Beantwoorden aan de van buiten waargenomen stoffelijke verschijnselen van ademhaling, spijsvertering, bloedsomloop ook psychische realiteiten? Hiervan bemerken we toch niets in ons bewustzijn. Hier vinden we een oplossing door het feit van den prikkeldrempel, de onderbewuste voorstellingen, in verband met het ontwikkelingsbegrip.Wanneer gij in een boeiend boek leest, dan hoort gij bijv. niet, dat iemand u wat vraagt. Toch krijgt gij wel een voorstelling. Zij blijft beneden den drempel van uw bewustzijn. Zij is een onderbewuste voorstelling. Ze kan misschien wel bewust worden. Het is best mogelijk dat ge na een poosje in eens beseft, dat er u iets gevraagd werd, en ge geeft ’t antwoord. Onderbewuste voorstellingen kunnen ook invloed uitoefenen zonder bewust te worden. Bij oordeelen van ervaren menschen zullen zij dikwerf meewerken: allerlei vroegere ervaringen, niet bewust, werken mee bij ’t vormen van ’t oordeel. Van het geheele bezit onzer voorstellingen is slechts een gering gedeelte bewust. Het kan zijn, dat een groot aantal voorstellingen slechts even boven den bewustzijnsdrempel is, bijv. als men soest, na den eten, vlak voor den slaap. Het verband tusschen de voorstellingen is dan gering. Het kan ook wezen, dat sommige weinige voorstellingen zéér ver boven den drempel zijn, bijv. bij opmerkzaamheidskramp. Ons bewustzijn is als eenzee met golven: soms is er een weinig hooge, meer uitgebreide golf boven het niveau, boven den drempel; soms is er een golf met groote kamhoogte. Het bestaan van een drempel, beneden welke een groot aantal onderbewuste, niet zonder invloed zijnde voorstellingen verkeert, en waarboven zich de bewuste voorstellingen verheffen, is voor Fechner’s systeem van zeer veel belang.Bewuste voorstellingen nu kunnen onderbewust worden. Wij kunnen dit al aan tal van voorbeelden uit ’t dagelijksch leven opmerken. Fietsen bijv. wordt eerst geleerd, daarna doen we ’t onbewust werktuigelijk. Zoo gaat ’t een kind met ’t loopen.In aansluiting nu aan de evolutie-theorie kan worden aangenomen, dat ademhalen bijv. eerst bewust is gebeurd, maar langzamerhand onderbewust is geworden in verloop van tijden.De psychische verrichting, waarvan ademhaling enz. de stoffelijke verschijningswijzen zijn, zijn als onderbewust te beschouwen.Ons geheele lichaam wordt beschouwd als de stoffelijke verschijningswijze onzer geestelijke persoonlijkheid. Paulsen vestigt er de aandacht op, dat dit niet alleen de opvatting van Fechner is, maar dat ook Schopenhauer deze beschouwingswijze voorstond. (Zie pag. 110).Er is echter, zagen wij, een buitenwereld.Die naam is misschien niet geheel juist. Zij zou ons doen denken, dat de andere realiteiten, de andere werkelijkheden dan u zelf,buitenuw bewustzijn waren. Ruimte is (zie Kant) een opvattingsvorm, een aanschouwingsvorm van den waarnemer.We kunnen dus zeggen: wij nemen andere dingen waar als buiten ons. Van welken aard zijn die andere dingen?Hier gaat de redeneering door verschillende trappen: De zekerheid, de gegrondheid der onderstelling wordt geringer.Gij ziet andere menschen. Zij verschijnen u als lichamen. Maar—op grond van analogie met wat gij bij u zelven opmerkt, kent ge hun met practische zekerheid bewustzijn toe. Voor de hoogere dieren valt er zeker evenmin aan te twijfelen. Maar als wij van de hoogere tot de lagere dieren afdalen, is er dan een grens, waarbij ’t bewust leven totaal ophoudt? En de planten, die weer in hun laagste vormen met de lagere diervormen overeenkomen? Hier worden we aan Fechner’s Nanna herinnerd.Het bewustzijn der planten.Planten en dieren verschillen ongetwijfeld veel in hun hoogere, niet in hun lagere vormen. Waarschijnlijk heeft zich ’t bewustzijn der planten op een andere wijze ontwikkeld en kenmerkt het zich door een groote mate van ontvankelijkheid voor indrukken, weinig spontanieteit, veel receptiviteit. Ook de plant ademt, voedt zich, plant zich voort. Bij den mensch zijn dit grootendeels onderbewuste processen, omdat hij zijn opmerkzaamheid door hoogere dingen in beslag ziet genomen. Dit hoogere bewustzijn ontbreekt bij de planten: daarom is het lagere misschien des te levendiger. De planten bewegen zich slechts tengevolge vanprikkelsderbuitenwereld. Maar dat kan met bewustzijn gepaard gaan, evengoed als bij ons. De planten hebben geen zenuwstelsel; maar is een zenuwstelsel absoluut noodig voor bewustzijn?7Aarde.Mensch, dier en plant ontspringen aan de aarde. Uit haar komt ’t bewuste leven, tot haar gaat ’t terug. Zou zij zelve niet bewust zijn? De aarde is voor Fechner weer een bewustzijn, dat in de menschen zijn toppen heeft. De aarde heeft zich, van buiten gezien, ontwikkeld, gesplitst. Zoo mag ook haar bewustzijn zich gedifferentieerd hebben, zooals wij dat ook bij den mensch leerden kennen. Fechner’s theorie vindt hier steun in Spencer’s ontwikkelingsleer, zooals door Heymans opgemerkt wordt. De aarde is weer een omvattend bewustzijn, dat den mensch in zich bevat, zooals deze verschillende voorstellingen. De aarde gelijkt op de menschen in vele punten: dag en nacht—waken en slapen, de kringloop van ’t water—kringloop van ’t bloed, enz. Maar er is ook verschil. De aarde staat boven den mensch en watdezebezit, behoeftzijniet opnieuw te hebben. Haar oogen heeft zij in den mensch. Bij deze beschouwing moet men den mensch niet als tegenover de aarde en los van haar beschouwen, maar als een deel.Wereld.Steeds stouter schrijdt de hypothese voort. De planeten zijn weer bewustzijnseenheden, in ons zonnestelsel weer tot een hoogere eenheid verbonden. Ten slotte is alles deel van één grootwereldbewustzijn. Men heeft hier steeds te denken aan het onderbewuste en den drempel. Boven een algemeen onbewust niveau verheffen zich verschillende toppen. En Heymans vooral vestigt de aandacht er op, dat de theorie op dit punt steun vindt in de theorie van Spencer en dat er niets is, wat haar weerspreekt. Het blijft voor hem een hypothese, die zich echter, door meer feitenmateriaal gestut en door verdere ontwikkeling der wetenschap, eenmaal tot den rang eener stevige theorie zal kunnen verheffen.Godsdienst.Fechner duidt dit alomvattende wereldbewustzijn aan met den naam God. De aarde is middelaar tusschen mensch en God, de planeten zijn als Engelen te beschouwen. Paulsen gaat minder ver in het zoeken van analogieën met den Christelijken godsdienst. Toch meent hij dat er voor den godsdienst een afzonderlijke plaats is waar die niet strijdt met de wetenschap, en dat het godsbegrip van ’t monisme de gemoedsbehoeften kan vervullen. Ook hij noemt het wereldbewustzijn God.Voorzichtiger laat zich Heymans uit. Hij acht het ongewenscht, om het Wereldbewustzijn den naam God te geven, al is ’t gebruik, dat de wijsgeeren de laatste en hoogste realiteit zoo noemen. Het is misschien verwarrend; de beide begrippen dekken elkaar niet. Moeilijk kan men bijv. aan het wereldbewustzijn der psychisch-monisten volkomen heiligheid toeschrijven. Bovendien is het minder kiesch, dit woord te gebruiken tegenover hen, voor wie het de gangbare beteekenis heeft. Maar het monisme kan toch eenige behoeften, en daaronder zeer belangrijke, van het godsdienstig gemoed vervullen. Het geeft den mensch de troost, dat hij niet alléén staat in den arbeid voor ’t geheel. Hij heeft hoogere, gelijkgerichte machten boven zich. Zijn doel zal dus verwezenlijkt kunnen worden. De mensch heeft dan ook het diepe gevoel vansaamhoorigheidmet het geheel; en hij weet dat hij medeverantwoordelijkis voor de toekomst, omdat zijn arbeid, zij ’t nog zoo gering, niet verloren kan gaan.In deze leer vindt hetonsterfelijkheidsgeloofook een plaats. De mensch blijft deel van het omvattender aardbewustzijn, behoudt een zekere zelfstandigheid, maar kan misschien verbindingen aangaan,eerst met meer, dan met minder verwante bewustzijnseenheden8.Het is misschien goed, om nog even het psychisch monisme te vergelijken met andere stelsels. Maken wij daarvoor gebruik van ’t ook in I gegeven klokkenvoorbeeld. Wij hebben dus twee, geheel met elkaar overeenkomende klokken. Denken we ons de eene met bewustzijn begaafd.De klok denkt: die klok tegenover mij wordt door mij beïnvloed en zij oefent invloed op mij. Het dualisme (Descartes).Ik en die klok worden telkens weer gelijk gezet door iemand achter ons zittend. Het occasionalisme (Geulincx, Malebranche).Ik en die klok zijn door een bekwaam uurwerkmaker zoo vervaardigd, dat wij steeds gelijk loopen. Vooruitbepaalde harmonie (Leibniz).Ik en die klok worden beide door één zelfde uurwerk, dat wij niet kunnen waarnemen, bewogen. Leer van het onbekende derde (Spinoza).Neem nu aan, dat die klok ontdekt, dat die tweede klok haar eigen spiegelbeeld is. Er is dus maar één klok die zich ook nog op een andere wijze voordoet. Psychisch monisme (Fechner, e.a.).Kwam nu de klok op het singuliere denkbeeld het spiegelbeeld voor de werkelijke klok, zichzelf voor het spiegelbeeld te houden, dan had men het materialisme. (Hobbes,La Mettrie, Vogt etc.)Uit dit beeld moge vooral blijken, dat het psychisch monisme niet gelijk is met het spinozisme, maar nog veel minder—wat ook wel eens gebeurt—met hetlijnrecht er aan tegengestelde materialisme mag verward worden.Strong en Heymans leggen er nog den nadruk op, dat het psychisch monisme deeenvoudigsteverklaring is, eenvoudiger dan de andere hypothesen, en een zeer geschiktewerkhypothese.“Ik zal de laatste zijn om te beweren, dat (het) helder tot den bodem en ontdaan van alle moeilijkheden is. Maar het is op gezonde wijsgeerige beginselen gebaseerd; het stelt ons, als geen andere hypothese in staat, de feiten te construeeren; en zijn moeilijkheden zijn wel duister, maar niet tegenstrijdig” (Strong).“De theorie van het psychisch monisme is eenvoudiger, dan welke andere ook” (Heymans).1Zij luidt: De gewaarwording is evenredig aan den logarithmus van den prikkel.↑2Zie Gids 1896. Een laboratorium voor experimenteele psychologie.↑3Tijdens de correctie lees ik, dat Paulsen op 62jarigen leeftijd te Berlijn overleden is.↑4Soms komt een zwakke prikkel niet tot bewustzijn of slechts flauw, wijl ze door een grootere belemmerd wordt. We zien bijv. overdag de sterren niet. Bij hevige pijn gevoelt men een klein pijntje niet. In een roezemoezige zaal wordt ’t vallen van een speld niet gehoord.↑5Wel in de Voordrachten der Secties voor Wetenschappelijken arbeid. No. 8.↑6Wanneer wij met Berkeley zeggen dat “zijn” is “waargenomen worden.”↑7Onder de correctie lees ik, dat de zoon van Charles Darwin in een natuurwetenschappelijke lezing ook het bewustzijn van planten heeft verdedigd.↑8Ik verwijs naar Fechner’s boekje, ook in Hollandsche vertaling verschenen.↑
HOOFDSTUK XVI.Het psychisch monisme.§ 47.Fechner.Inleidende opmerkingen.Wij wezen er op, hoe er ten tijde van de speculatieve wijsbegeerte een critische onderstroom was geweest, die in Herbart zijn bekendsten vertegenwoordiger vond. Eveneens waren er in den tijd van het positivisme en het materialisme denkers, die hunne aandacht wijdden aan vraagstukken, welke ’t meerendeel hunner tijdgenooten geen belangstelling konden inboezemen. Daaronder is in de eerste plaats Gustaaf Theodoor Fechner te noemen, wiens leer thans meer en meer aanhang vindt. Hierom plaatsen wij de behandeling in dit gedeelte. Wij zouden zijn leer de lijnrechte tegenstelling van het materialisme kunnen noemen. Terwijl dit leert, dat al het bestaande stof is en onze bewustzijnsverschijnselen slechts een product van bepaalde stoffelijke verrichtingen, leert Fechner, dat het stoffelijke niets anders is dan de wijze, waarop het geestelijke, dat zichzelf als van psychischen aard verschijnt, zich aan een ander vertoont. Een zelfdeproces is “van binnen gezien” geestelijk, “van buiten” stoffelijk. Dit geldt niet voor den mensch alleen. Fechner breidt het uit over heel de wereld. Zijn leer is dus monistisch: er is maar één soort werkelijkheid: het psychische. Vandaar den naampsychisch monisme, (ook ideëel, spiritualistisch monisme).Alleswat bestaat, is psychisch. Zoo ontmoet men voor dit standpunt ook den naampanpsychisme.Fechner’s leven en ontwikkelingsgang.Den 19den April 1801 werd Fechner uit een ernstige, kunstminnende, verlichte predikantenfamilie te Groszsärchen geboren. Hij verloor zijn vader vroeg. Reeds op zestienjarigen leeftijd had hij zijn gymnasiale studiën achter den rug. Hij ging in de geneeskunde studeeren, die destijds, niet geleid door ervaring en onderzoek, in een treurigen toestand verkeerde. Het ging Fechner dan ook als Helmholz (vg. II, blz.230). Hij was doctorandus in de geneeskunde, maar kon geen eenvoudig verband leggen. Hij ging de practijk dan ook niet beoefenen, maar legde zich toe op de studie der natuurkunde, die toen begon te bloeien.In ’t bizonder maakte hij zich verdienstelijk met onderzoekingen op ’t gebied der electriciteit. Met zeer geringe hulpmiddelen wist hij veel tot stand te brengen. Met het vertalen van leerboeken en ’t schrijven van artikelen voorzag hij in zijn onderhoud. In 1834 werd hij hoogleeraar in de natuurkunde. Hij ging door met zijn onderzoekingen, was door beloften verplicht te blijven schrijven. Zijn lichaam leed hieronder. Door vele proeven over de kleurgewaarwordingen waren zijn oogen verzwakt. In 1840 werd hij ziek. Deze ziekte duurde drie jaren. Zij werd beslissend voor Fechner’s leven. Soms was hij op den rand van ’t graf en scheen hij blind, verlamd enkrankzinnig te zullen worden. Zelfs gesprekken vermoeiden. Eenzaam, in doodelijke verveling gingen de dagen voorbij. Maar moedig weerstond hij alle gedachten aan zelfmoord, en vast was hij besloten, alle pijn zoolang te dragen, als hij ’t uithouden kon. Gelukkig kwam beterschap. Einde 1843 was hij hersteld. Zijn professoraat was aan een ander gegeven. (Fechner zelf ontving een wachtgeld, dat tot 1250 thaler werd gebracht). Fechner begeerde ’t ook niet terug. Zijn belangstelling had een andere richting aangenomen. De wijsbegeerte had voortaan zijn hart. In 1846 schrijft hij over ’t hoogste goed. Hierin geeft Fechner zijn eudaimonistische zedeleer. Doel van ons handelen moet zijn, een zoo groot mogelijke hoeveelheidlustte verkrijgen. Die lust moet echter die van het geheel, niet die van den enkeling zijn. Godsdienstig wordt deze zedeleer, door de beschouwing, dat God zelf ook vreugde heeft aan de vermeerdering van lust, dat zijn wil gericht is op de grootste mate van lust, die in de wereld mogelijk is. Voor ons is het grootste geluk gelegen in de overtuiging, dat wij ons willen met den wil Gods in overeenstemming gebracht hebben.Belangrijker voor den opbouw van Fechner’s leer is het in 1848 verschenen werk: “Nanna, over het zieleleven der planten.” Met zeer rijke kennis, met fijne onderscheidingen en met groote fantasie tracht Fechner hier aan te toonen, dat ook aan de planten bewustzijnsleven toekomt. Dit is de voorbereiding voor zijn leer, dat eral-bezielingis. In de “Zend Avesta” van 1851 spreekt hij deze geheel uit. Al de latere beschouwingen en opvattingen van den denker, zijn reeds als in kiem in dit werk voorhanden. Hij voert hier het beginsel der bezieling door van de planten tot onze aarde, van deze tot ons zonnestelselmet zijn planeten, tot de geheele wereld. Dit bezielde Al is de Godheid, waarin de menschen leven, bewegen en zijn, en Fechner die, zelf vroom opgevoed, ook den invloed had ondergaan van de godsdienstige sfeer, waaruit zijn vrouw kwam, tracht aan te toonen, dat zijn leer overeenkomt met de hoofdpunten van den christelijken godsdienst.Uitvoerig handelt hij ook over de onsterfelijkheid, waarover hij reeds eerder had geschreven in zijn werkje: “Boekje van het leven na den dood” (1836) onder den naam van Dr. Mises, (het pseudoniem waaronder hij zijn aesthetische en humoristische geschriften uitgaf), en later in tweeden druk onder eigen naam verschenen. Fechner heeft behalve in een kleiner werkje: (Die Seelenfrage) nog eenmaal zijn wereldbeschouwing ontvouwd in: “De dagbeschouwing tegenover de nachtbeschouwing.” (Die Tagesansicht gegenüber der Nachtansicht). De dagbeschouwing is de beschouwing van het levende, bezielde al; het geloof aan een doode, mechanische werkelijkheid is de nachtbeschouwing.Experimenteele zielkunde.Behalve grondvester der monistische metafysica is Fechner ook de vader derproefondervindelijke zielkunde. Hij heeft het experiment in de zielkunde ingevoerd. Hij begon onderzoekingen omtrent den “onderscheidsdrempel.” Nemen we een lijn van 5,0 M. en een van 5,2. We zien, dat de laatste langer is dan de eerste. Zien wij dat ook van een lijn van 5 M. en 5,01 M.? Neen. Het verschil is te klein. Het moet minstens (gemiddeld) 10 c.M. zijn. Dit even waarneembare verschil wordt door Fechner onderscheidsdrempel genoemd. Dit verschijnsel van den onderscheidsdrempel doet zich ook voor bij waarnemingen uit andere zintuiggebieden. Weber nu had ontdekt, datde verhouding tusschen twee prikkels, die door den onderscheidsdrempel gescheiden zijn,standvastigis. Kan men een lijn van 51 d.M. en 50 d.M. nog even als verschillend groot onderscheiden, dan is dit eveneens het geval bij lijnen van 102 d.M. en 100 d.M., 63 en 60 enz. De verhouding is 51 : 50. Voor geluiden is die bijv. 4 : 3, voor licht 101 : 100. Fechner stelde, naar verschillende methoden, uitvoerige onderzoekingen in omtrent dit verschijnsel. Hij noemde de gevonden wet de wet van Weber. Over ’t geheel gaat, althans voor prikkels van middelmatige sterkte, die wet ook volgens de nieuwere onderzoekingen door. Fechner was echter met dit resultaat niet tevreden. Hij wilde nu ook een wet vinden, die de verhouding aangaf tusschen de sterkte van den prikkel en die der gewaarwording. Inderdaad vond hij die ook1doch volgens de meeste zielkundigen is zij niet bestand tegen het hedendaagsch onderzoek.Fechner zelf is zijn wet steeds blijven verdedigen. Hij noemde de door hem gestichte wetenschap: psychophysica. Zij ging uit van de grondgedachte, dat men psychische verschijnselen kon meten door physische, daar dit steeds de uitwendige zijde van iets geestelijks was. In 1860 verschenen “de Elementen der psychophysica”, en nadat dit werk uitverkocht was, kwam in 1882 “Herziening van de hoofdpunten der psychophysica.” Daarnaast staan kleine geschriften over dit onderwerp.Door exacte onderzoekingsmethoden toe te passen op geestelijke verschijnselen, legde Fechner den grondslag voor de experimenteele zielkunde. Zij steltproevenin bij een aantal proefpersonen, onder zoonauwkeurig mogelijk bepaalde omstandigheden. Nemen we een eenvoudig voorbeeld. Onthoudt in ’t algemeen een kind van 10 jaar beter of minder dan een man van 30? Kies nu bijv. 12 letters: medeklinkers, en laat die kinderen van buiten leeren op een bepaalde wijze, bijv. door ze telkens die twaalf letters luid op te laten herhalen, achter elkaar. Noteer voor elk kind, hoeveel malen het die letters moet herhalen en hoeveel tijd het noodig heeft. Bepaal het gemiddelde. Neem nu, onder zooveel mogelijk dezelfde omstandigheden een aantal mannen. Herhaal dezelfde proef en dezelfde berekeningen. Kom ook hier weer tot een gemiddelde. De beide gevonden waarden laten zich vergelijken en geven het antwoord op de vraag. Wundt heeft het eerste groote laboratorium voor deze onderzoekingen gesticht, eenigszins tot verbazing van Fechner zelf, die zulk een grootsche vlucht niet had verwacht. Thans zijn er bijna over geheel de beschaafde wereld laboratoria. In ons land wordt de proefondervindelijke zielkunde beoefend door den Groningschen hoogleeraar Heymans2, die weldra over een nieuw, wel klein, maar naar de eischen ingericht laboratorium zal te beschikken hebben.Aesthetica.Bizondere verdiensten heeft Fechner zich ook nog verworven door zijn aesthetische studiën. Hij had veel belangstelling voor kunst en kunstcritiek. Hij trachtte nu later de wetten te vinden, waardoor ons mooi-vinden wordt beheerscht. Hij wilde daarbij van ervaring uitgaan. Hij vroeg bijv. een groot aantal menschen, welke figuren uit een aantal rechthoeken ze mooi vonden, of liet ze de figuren samenstellen, die ze ’t mooist achtten. Eveneenspaste hij nauwkeurige metingen toe op verschillende kunstwerken. Zoo wilde hij een aesthetica grondvesten, die, van eenvoudige feiten, van ervaring uitgaand, een schoonheidsleer, “van onderen”, zou worden in tegenstelling met eene, welke uit het begrip van schoonheid hare eischen wou afleiden, een aesthetica “van boven af.” Naast formeele elementen (eenheid in verscheidenheid) wijst Fechner ook nog een ander element aan, dat bij ’t mooi vinden van iets onze oordeelen bepaalt: het associatieve. De indruk, dien wij van een kunstwerk ontvangen, is verbonden met tal van andere voorstellingen, die, meer of minder duidelijk, in ’t bewustzijn worden geroepen. Deze meer of min bewuste voorstellingen nu zijn dikwijls beslissend voor de aesthetische waardeering. Rood op de wangen b.v. doet denken aan jeugdige gezondheid en groeikracht, rood op een neus aan ziekte. Daarom behaagt het eene, mishaagt het andere. Het schoonvinden van een mensch, een landschap, berust dikwijls op associaties. Fechner heeft zijn onderzoekingen verzameld in zijn “Voorschool der Aesthetica”, die geen volledige schoonheidsleer geeft, maar verschillende punten op zeer belangwekkende wijze behandelt. Het werk verscheen in 1876.Fechners leven was een echt geleerden-leven. Rustig ging het daarheen, nu en dan afgewisseld door reizen. Zijn ouderdom was, door het afsterven van vrouw en vrienden, betrekkelijk eenzaam, maar werd verlicht door vele blijken van liefde en hoogachting. Tot hoogen leeftijd bleef zijn geest helder. 6 Nov. nog werkte hij, 18 Nov. 1887 overleed hij.Fechner was een zeer zeldzame, buitengewoon begaafde persoonlijkheid. Aan de scherpzinnigheid, de nauwgezetheid en het geduld van den natuuronderzoekerpaarde hij de rijke fantasie en het diepe gevoel van den kunstenaar. Hij was kinderlijk vroom, eenvoudig, welwillend in den omgang. Hij hield van discussie, maar verbitterde nooit, en vergaf steeds. Wie met hem omgingen achtten en beminden hem. Het voor hem opgericht standbeeld te Leipzig draagt als opschrift de godsdienstige formuleering zijner levensbeschouwing: “In God leven, bewegen en zijn wij.”Aanhangers van ’t monisme.Zonder een school te stichten, heeft Fechner toch onder de thans levenden vele aanhangers.Allereerst zij genoemd Friedrich Paulsen.3Deze bekende Berlijnsche hoogleeraar schreef een “Inleiding in de wijsbegeerte,” waarin hij de verschillende wijsgeerige problemen behandelt met een geschiedkundig overzicht en zichzelf stelt op ’t standpunt van ’t psychisch-monisme. Veel aandacht wijdt Paulsen ook aan de religie en haar verhouding tot de wetenschap. Zoowel bij deze kwestie als in zijn kennistheorie toont hij zich meer aan Kant verwant (hij schreef voor Frommans-Klassiker het nummer over Kant) dan Fechner, die eerst leefde in een tijd toen Kant vergeten was en zijn leer reeds klaar had, toen de Kantstudie herleefde. Door zijn eenvoud zoowel als door zijn warmen, schoonen stijl heeft Paulsen veel lezers gevonden en wordt zijn boek als de meest geschikte inleiding tot ’t monisme geprezen. Ook zijn “Systeem der ethica” verwierf veel waardeering. Naast de theoretische vragen worden daarin ook een aantal vragen van practischen aard boeiend behandeld. Voor opvoedkundige kwesties toonde Paulsen medeveel belangstelling, met name voor de geschiedenis van het onderwijs. (Zie ook II,132).In Amerika vond het monisme zijn verdediger inStrong, die in 1900 zijn werk uitgaf: “Waarom de geest een lichaam heeft” en vooral van kennistheoretisch en zielkundig standpunt uit het monisme opbouwt. Hij verdedigt het en vergelijkt het vooral met de beschouwingen van Engelsche en Amerikaansche schrijvers. Hij beperkt zich tot de verhouding tusschen ziel en lichaam. In dit opzicht vertoont hij een groote overeenkomst metHeymans. Deze gaf in 1905 zijn “Einführung in die Metaphysik.” Na de verschillende stelsels critisch beschouwd, en het onvoldoende aangetoond te hebben, ontwikkelt hij het psychisch monisme. Veel meer dan bij Fechner staat hier het kennis-theoretisch standpunt op den voorgrond.In de kennistheorie (door den schrijver ontwikkeld in zijn: “Gesetze und Elemente des Menschlichen Denkens,” Tweede druk, Leipzig 1905) heeft Heymans een eigen richting. Hij staat op hetzelfde standpunt, dat Kant naarHeymans’opvatting voor en in 1770 innam, en dat hij ’tanalytischezou willen noemen. Locke (vg. I, 295) had den oorsprong onzer kennis nagegaan. Voor de aanhangers der genetische richting waartoe ook Hume behoorde, was er in de ervaring geenvoldoendegrond voor sommige gegevens van ’t bewustzijn en nu trachtten zij die anders te verklaren, b.v. door associatie (zie bijv. Hume’s verklaring van ’t causaliteitsbeginsel in I, pag. 319). Daarmee echter waszekerheidonzer kennis, zoodra zich deze uitstrekt over de ervaringsgegevens, onmogelijk. Kant had dit gevoeld en hij had devoorwaardenbestudeerd,waaronderiets tot wetenschap werd (zie II, pg.319). Hij en de latere criticisten zeggen dus: wij noemen iets waar, als het aan de voorwaardenvoldoet, dat het eengepaste, behoorlijkeverbinding is. Die gepastheiddringtzich aan ons op. Maar of nu die voorstellingen overeenstemmen met de werkelijkheid, daarover laten wij ons niet uit.Heymans nu, zich plaatsende op het standpunt, dat Kant in en vóór 1770 innam, wil allereerst trachten deninhoudonzer denkaxioma’s te leeren kennen. Heeft hij die gevonden, door een nauwkeurig onderzoek der wetenschap, die ze gebruikt, dan tracht hij ze te verklaren. Deze analytische methode hecht dus meer dan de critische aan het empirisch onderzoek der denkverschijnselen. Daardoor echter wil zij komen tot kennis der door de genetische richting verworpen aprioristische onderstellingen van het denken. En zij gelooft dat er ten slotte waarheid door het denken wordt gevonden, d. i. dat er overeenstemming is met een buitenbewuste werkelijkheid.We wezen er reeds op, dat Heymans ook de experimenteele zielkunde beoefent. Vooral op het gebied der belemmering hebben zich zijn onderzoekingen4bewogen.In den laatsten tijd heeft hij zich bezig gehouden met de zielkunde der verschillen tusschen mensch en mensch, sexe en sexe, leeftijd en leeftijd enz. Deze tak der zielkunde werd door hemspeciale psychologiegenoemd. Vooral de bewerking van levensbeschrijvingen en enquêtes leverden hier het materiaal. Het gelukte Heymans een indeeling in achten vankarakters tot stand te brengen. Voor zoover schrijver dezes bekend, verscheen daaromtrent nog niets in den handel5maar in het werk van Mr. v. Dijk: “Bijdragen tot de psychologie van den misdadiger” vindt men een korte uiteenzetting der indeeling.§ 48.Hoofdtrekken van ’t psychisch monisme.Er is een buitenwereld.Het psychisch monisme, uitgaande van de zekerheid van ons bewustzijn, bestrijdt de richtingen, die willen blijven staan bij onze bewustzijnsverschijnselen. “De ontkenning van zulke werkelijkheden (d. i. werkelijkheden buiten ons bewustzijn) is een volmaakt logische theorie van waarneming; daar het feit, dat zij maakt, dat de voorwerpen ophouden te bestaan wanneer wij ophouden, ze waar te nemen, er geen voldoende argument tegen is.6Maar zij geeft ons een verminkte en onsamenhangende opvatting van de wereld, en leidt logisch tot solipsisme.” (Strong.) Dit solipsisme nu brengt bij consequente toepassing tot de absolute scepsis: “Het laatste woord van ’t empirisme is dus de opheffing van alle weten, de absolute scepsis” (Heymans). Er is echter grond, om het bestaan eener buitenwereld aan te nemen. Die is gelegen in het voor ons bewustzijn onmiddellijk evidente causaliteitsbeginsel en de door de ervaring voortdurend gegeven bevestiging van de daarop gegronde verwachtingen. Stel u een gedachtenreeks voor. Zeg bijv. op: WienNeerlands bloed. Daar ziet ge bij ’t eerste woord van den tweeden regel iets, bij de vier voelt ge iets, bij de vijfde hoort ge een geluid. Andere voorstellingen komen tusschen uw voorstellingsrij in. We kunnen dat schematisch dus voorstellen:a→b→X—c→d→Y—eenz.XenYzijn optredende gewaarwordingen, waarvoor wegeen voldoenden grondvonden in ons bewustzijn. Op grond van ’t causaliteitsbeginsel schrijven wij ’t toe aan iets buiten ons.We nemen dus aan dingen buiten ons. Nu doet zich de vraag voor: van welken aard zijn ze? Ze schijnen ons anders toe dan ons eigen bewustzijn nl. stoffelijk. Maar stof is slechts een verschijningswijze, geen realiteit. Hoe verklaren we dat?De ideale waarnemer.We willen een oogenblik een veronderstelling maken. We nemen aan, dat er een mensch is, die het vermogen bezit, om, door uw schedel heen,alleste zien, wat er in uw hersenen gebeurt. Ook de geringste, de kleinste verandering ontgaat hem niet. Deze man nu houdt zijn aandacht gericht, volkomen gericht op uw hersenen. We zullen hem den idealen waarnemer noemen.Ziehier nu de onderstelling van het monisme:Telkens, wanneer er in u een of ander bewustzijnsverschijnsel plaats grijpt, krijgt de ideale waarnemer een gewaarwording die voor hem de gewaarwording van iets stoffelijks is.Stel, dat er in úw bewustzijn een reeks processen plaats vindt:A—B—C—D—E—F.Dan krijgt de ideale waarnemer een reeks waarnemingen van hersenverschijnselen:a—b—c—d—e—f.Uw hersenen zijn dus steeds de waarneming van een ander.Op zichzelf bestaan zij niet.Nu moeten wij wel onderscheiden inhoud en voorwerp der waarneming van den idealen waarnemer. Lichten we dit even toe. Wanneer wij bijv. een kleur zien, is deinhoudonzer waarneming datroode. Hetvoorwerponzer waarneming zijn echter detrillingenvan den ether. De inhoud der waarneming van den waarnemer is een grijsachtige, niet te stevige, met windingen voorziene, bewegende substantie: de hersenen. Het voorwerp dat hij waarneemt, is úw bewustzijnsverschijnsel en niets anders.Een bewustzijnsproces is dus voor u psychisch. Een ander, die het waarneemt, ziet het als stoffelijk. Zoo is een lepel van binnen gezien hol, van buiten bol.Welk recht heeft het monisme, om te onderstellen, dat aan elk bewustzijnsverschijnsel bij u, een gewaarwording bij den I. W. beantwoordt? Het grondt deze hypothese op de bekende feiten omtrent den samenhang tusschen geestelijk leven en hersenen. Hersenziekten, beleedigingen brengen geestelijke storingen mee. Vergiften en andere stoffen, die op de hersenen inwerken, oefenen invloed uit op ’t bewustzijn; bijv. alcohol, broom. Er is zekere evenredigheid tusschen hersenontwikkeling en geestelijke ontwikkeling. Vooral Heymans vestigt op al deze verschijnselen de aandacht. Met goeden grond mag men dus aannemen, dat bij voortschrijding van de kennis der hersenen en hun werking het materiaal, waarop zich deze hypothese stut, zal vergrooten.De eerste stelling van het psychisch monisme is dus deze:Het proces in ’t bewustzijn is de eenige realiteit, die, van buiten gezien, als stoffelijk, als hersenverschijnsel verschijnt.Dit is intusschen nog een zeer beperkt gebied. We vragen niet alleen naar den aard onzer hersenverschijnselen. Beantwoorden aan de van buiten waargenomen stoffelijke verschijnselen van ademhaling, spijsvertering, bloedsomloop ook psychische realiteiten? Hiervan bemerken we toch niets in ons bewustzijn. Hier vinden we een oplossing door het feit van den prikkeldrempel, de onderbewuste voorstellingen, in verband met het ontwikkelingsbegrip.Wanneer gij in een boeiend boek leest, dan hoort gij bijv. niet, dat iemand u wat vraagt. Toch krijgt gij wel een voorstelling. Zij blijft beneden den drempel van uw bewustzijn. Zij is een onderbewuste voorstelling. Ze kan misschien wel bewust worden. Het is best mogelijk dat ge na een poosje in eens beseft, dat er u iets gevraagd werd, en ge geeft ’t antwoord. Onderbewuste voorstellingen kunnen ook invloed uitoefenen zonder bewust te worden. Bij oordeelen van ervaren menschen zullen zij dikwerf meewerken: allerlei vroegere ervaringen, niet bewust, werken mee bij ’t vormen van ’t oordeel. Van het geheele bezit onzer voorstellingen is slechts een gering gedeelte bewust. Het kan zijn, dat een groot aantal voorstellingen slechts even boven den bewustzijnsdrempel is, bijv. als men soest, na den eten, vlak voor den slaap. Het verband tusschen de voorstellingen is dan gering. Het kan ook wezen, dat sommige weinige voorstellingen zéér ver boven den drempel zijn, bijv. bij opmerkzaamheidskramp. Ons bewustzijn is als eenzee met golven: soms is er een weinig hooge, meer uitgebreide golf boven het niveau, boven den drempel; soms is er een golf met groote kamhoogte. Het bestaan van een drempel, beneden welke een groot aantal onderbewuste, niet zonder invloed zijnde voorstellingen verkeert, en waarboven zich de bewuste voorstellingen verheffen, is voor Fechner’s systeem van zeer veel belang.Bewuste voorstellingen nu kunnen onderbewust worden. Wij kunnen dit al aan tal van voorbeelden uit ’t dagelijksch leven opmerken. Fietsen bijv. wordt eerst geleerd, daarna doen we ’t onbewust werktuigelijk. Zoo gaat ’t een kind met ’t loopen.In aansluiting nu aan de evolutie-theorie kan worden aangenomen, dat ademhalen bijv. eerst bewust is gebeurd, maar langzamerhand onderbewust is geworden in verloop van tijden.De psychische verrichting, waarvan ademhaling enz. de stoffelijke verschijningswijzen zijn, zijn als onderbewust te beschouwen.Ons geheele lichaam wordt beschouwd als de stoffelijke verschijningswijze onzer geestelijke persoonlijkheid. Paulsen vestigt er de aandacht op, dat dit niet alleen de opvatting van Fechner is, maar dat ook Schopenhauer deze beschouwingswijze voorstond. (Zie pag. 110).Er is echter, zagen wij, een buitenwereld.Die naam is misschien niet geheel juist. Zij zou ons doen denken, dat de andere realiteiten, de andere werkelijkheden dan u zelf,buitenuw bewustzijn waren. Ruimte is (zie Kant) een opvattingsvorm, een aanschouwingsvorm van den waarnemer.We kunnen dus zeggen: wij nemen andere dingen waar als buiten ons. Van welken aard zijn die andere dingen?Hier gaat de redeneering door verschillende trappen: De zekerheid, de gegrondheid der onderstelling wordt geringer.Gij ziet andere menschen. Zij verschijnen u als lichamen. Maar—op grond van analogie met wat gij bij u zelven opmerkt, kent ge hun met practische zekerheid bewustzijn toe. Voor de hoogere dieren valt er zeker evenmin aan te twijfelen. Maar als wij van de hoogere tot de lagere dieren afdalen, is er dan een grens, waarbij ’t bewust leven totaal ophoudt? En de planten, die weer in hun laagste vormen met de lagere diervormen overeenkomen? Hier worden we aan Fechner’s Nanna herinnerd.Het bewustzijn der planten.Planten en dieren verschillen ongetwijfeld veel in hun hoogere, niet in hun lagere vormen. Waarschijnlijk heeft zich ’t bewustzijn der planten op een andere wijze ontwikkeld en kenmerkt het zich door een groote mate van ontvankelijkheid voor indrukken, weinig spontanieteit, veel receptiviteit. Ook de plant ademt, voedt zich, plant zich voort. Bij den mensch zijn dit grootendeels onderbewuste processen, omdat hij zijn opmerkzaamheid door hoogere dingen in beslag ziet genomen. Dit hoogere bewustzijn ontbreekt bij de planten: daarom is het lagere misschien des te levendiger. De planten bewegen zich slechts tengevolge vanprikkelsderbuitenwereld. Maar dat kan met bewustzijn gepaard gaan, evengoed als bij ons. De planten hebben geen zenuwstelsel; maar is een zenuwstelsel absoluut noodig voor bewustzijn?7Aarde.Mensch, dier en plant ontspringen aan de aarde. Uit haar komt ’t bewuste leven, tot haar gaat ’t terug. Zou zij zelve niet bewust zijn? De aarde is voor Fechner weer een bewustzijn, dat in de menschen zijn toppen heeft. De aarde heeft zich, van buiten gezien, ontwikkeld, gesplitst. Zoo mag ook haar bewustzijn zich gedifferentieerd hebben, zooals wij dat ook bij den mensch leerden kennen. Fechner’s theorie vindt hier steun in Spencer’s ontwikkelingsleer, zooals door Heymans opgemerkt wordt. De aarde is weer een omvattend bewustzijn, dat den mensch in zich bevat, zooals deze verschillende voorstellingen. De aarde gelijkt op de menschen in vele punten: dag en nacht—waken en slapen, de kringloop van ’t water—kringloop van ’t bloed, enz. Maar er is ook verschil. De aarde staat boven den mensch en watdezebezit, behoeftzijniet opnieuw te hebben. Haar oogen heeft zij in den mensch. Bij deze beschouwing moet men den mensch niet als tegenover de aarde en los van haar beschouwen, maar als een deel.Wereld.Steeds stouter schrijdt de hypothese voort. De planeten zijn weer bewustzijnseenheden, in ons zonnestelsel weer tot een hoogere eenheid verbonden. Ten slotte is alles deel van één grootwereldbewustzijn. Men heeft hier steeds te denken aan het onderbewuste en den drempel. Boven een algemeen onbewust niveau verheffen zich verschillende toppen. En Heymans vooral vestigt de aandacht er op, dat de theorie op dit punt steun vindt in de theorie van Spencer en dat er niets is, wat haar weerspreekt. Het blijft voor hem een hypothese, die zich echter, door meer feitenmateriaal gestut en door verdere ontwikkeling der wetenschap, eenmaal tot den rang eener stevige theorie zal kunnen verheffen.Godsdienst.Fechner duidt dit alomvattende wereldbewustzijn aan met den naam God. De aarde is middelaar tusschen mensch en God, de planeten zijn als Engelen te beschouwen. Paulsen gaat minder ver in het zoeken van analogieën met den Christelijken godsdienst. Toch meent hij dat er voor den godsdienst een afzonderlijke plaats is waar die niet strijdt met de wetenschap, en dat het godsbegrip van ’t monisme de gemoedsbehoeften kan vervullen. Ook hij noemt het wereldbewustzijn God.Voorzichtiger laat zich Heymans uit. Hij acht het ongewenscht, om het Wereldbewustzijn den naam God te geven, al is ’t gebruik, dat de wijsgeeren de laatste en hoogste realiteit zoo noemen. Het is misschien verwarrend; de beide begrippen dekken elkaar niet. Moeilijk kan men bijv. aan het wereldbewustzijn der psychisch-monisten volkomen heiligheid toeschrijven. Bovendien is het minder kiesch, dit woord te gebruiken tegenover hen, voor wie het de gangbare beteekenis heeft. Maar het monisme kan toch eenige behoeften, en daaronder zeer belangrijke, van het godsdienstig gemoed vervullen. Het geeft den mensch de troost, dat hij niet alléén staat in den arbeid voor ’t geheel. Hij heeft hoogere, gelijkgerichte machten boven zich. Zijn doel zal dus verwezenlijkt kunnen worden. De mensch heeft dan ook het diepe gevoel vansaamhoorigheidmet het geheel; en hij weet dat hij medeverantwoordelijkis voor de toekomst, omdat zijn arbeid, zij ’t nog zoo gering, niet verloren kan gaan.In deze leer vindt hetonsterfelijkheidsgeloofook een plaats. De mensch blijft deel van het omvattender aardbewustzijn, behoudt een zekere zelfstandigheid, maar kan misschien verbindingen aangaan,eerst met meer, dan met minder verwante bewustzijnseenheden8.Het is misschien goed, om nog even het psychisch monisme te vergelijken met andere stelsels. Maken wij daarvoor gebruik van ’t ook in I gegeven klokkenvoorbeeld. Wij hebben dus twee, geheel met elkaar overeenkomende klokken. Denken we ons de eene met bewustzijn begaafd.De klok denkt: die klok tegenover mij wordt door mij beïnvloed en zij oefent invloed op mij. Het dualisme (Descartes).Ik en die klok worden telkens weer gelijk gezet door iemand achter ons zittend. Het occasionalisme (Geulincx, Malebranche).Ik en die klok zijn door een bekwaam uurwerkmaker zoo vervaardigd, dat wij steeds gelijk loopen. Vooruitbepaalde harmonie (Leibniz).Ik en die klok worden beide door één zelfde uurwerk, dat wij niet kunnen waarnemen, bewogen. Leer van het onbekende derde (Spinoza).Neem nu aan, dat die klok ontdekt, dat die tweede klok haar eigen spiegelbeeld is. Er is dus maar één klok die zich ook nog op een andere wijze voordoet. Psychisch monisme (Fechner, e.a.).Kwam nu de klok op het singuliere denkbeeld het spiegelbeeld voor de werkelijke klok, zichzelf voor het spiegelbeeld te houden, dan had men het materialisme. (Hobbes,La Mettrie, Vogt etc.)Uit dit beeld moge vooral blijken, dat het psychisch monisme niet gelijk is met het spinozisme, maar nog veel minder—wat ook wel eens gebeurt—met hetlijnrecht er aan tegengestelde materialisme mag verward worden.Strong en Heymans leggen er nog den nadruk op, dat het psychisch monisme deeenvoudigsteverklaring is, eenvoudiger dan de andere hypothesen, en een zeer geschiktewerkhypothese.“Ik zal de laatste zijn om te beweren, dat (het) helder tot den bodem en ontdaan van alle moeilijkheden is. Maar het is op gezonde wijsgeerige beginselen gebaseerd; het stelt ons, als geen andere hypothese in staat, de feiten te construeeren; en zijn moeilijkheden zijn wel duister, maar niet tegenstrijdig” (Strong).“De theorie van het psychisch monisme is eenvoudiger, dan welke andere ook” (Heymans).1Zij luidt: De gewaarwording is evenredig aan den logarithmus van den prikkel.↑2Zie Gids 1896. Een laboratorium voor experimenteele psychologie.↑3Tijdens de correctie lees ik, dat Paulsen op 62jarigen leeftijd te Berlijn overleden is.↑4Soms komt een zwakke prikkel niet tot bewustzijn of slechts flauw, wijl ze door een grootere belemmerd wordt. We zien bijv. overdag de sterren niet. Bij hevige pijn gevoelt men een klein pijntje niet. In een roezemoezige zaal wordt ’t vallen van een speld niet gehoord.↑5Wel in de Voordrachten der Secties voor Wetenschappelijken arbeid. No. 8.↑6Wanneer wij met Berkeley zeggen dat “zijn” is “waargenomen worden.”↑7Onder de correctie lees ik, dat de zoon van Charles Darwin in een natuurwetenschappelijke lezing ook het bewustzijn van planten heeft verdedigd.↑8Ik verwijs naar Fechner’s boekje, ook in Hollandsche vertaling verschenen.↑
HOOFDSTUK XVI.Het psychisch monisme.§ 47.Fechner.Inleidende opmerkingen.Wij wezen er op, hoe er ten tijde van de speculatieve wijsbegeerte een critische onderstroom was geweest, die in Herbart zijn bekendsten vertegenwoordiger vond. Eveneens waren er in den tijd van het positivisme en het materialisme denkers, die hunne aandacht wijdden aan vraagstukken, welke ’t meerendeel hunner tijdgenooten geen belangstelling konden inboezemen. Daaronder is in de eerste plaats Gustaaf Theodoor Fechner te noemen, wiens leer thans meer en meer aanhang vindt. Hierom plaatsen wij de behandeling in dit gedeelte. Wij zouden zijn leer de lijnrechte tegenstelling van het materialisme kunnen noemen. Terwijl dit leert, dat al het bestaande stof is en onze bewustzijnsverschijnselen slechts een product van bepaalde stoffelijke verrichtingen, leert Fechner, dat het stoffelijke niets anders is dan de wijze, waarop het geestelijke, dat zichzelf als van psychischen aard verschijnt, zich aan een ander vertoont. Een zelfdeproces is “van binnen gezien” geestelijk, “van buiten” stoffelijk. Dit geldt niet voor den mensch alleen. Fechner breidt het uit over heel de wereld. Zijn leer is dus monistisch: er is maar één soort werkelijkheid: het psychische. Vandaar den naampsychisch monisme, (ook ideëel, spiritualistisch monisme).Alleswat bestaat, is psychisch. Zoo ontmoet men voor dit standpunt ook den naampanpsychisme.Fechner’s leven en ontwikkelingsgang.Den 19den April 1801 werd Fechner uit een ernstige, kunstminnende, verlichte predikantenfamilie te Groszsärchen geboren. Hij verloor zijn vader vroeg. Reeds op zestienjarigen leeftijd had hij zijn gymnasiale studiën achter den rug. Hij ging in de geneeskunde studeeren, die destijds, niet geleid door ervaring en onderzoek, in een treurigen toestand verkeerde. Het ging Fechner dan ook als Helmholz (vg. II, blz.230). Hij was doctorandus in de geneeskunde, maar kon geen eenvoudig verband leggen. Hij ging de practijk dan ook niet beoefenen, maar legde zich toe op de studie der natuurkunde, die toen begon te bloeien.In ’t bizonder maakte hij zich verdienstelijk met onderzoekingen op ’t gebied der electriciteit. Met zeer geringe hulpmiddelen wist hij veel tot stand te brengen. Met het vertalen van leerboeken en ’t schrijven van artikelen voorzag hij in zijn onderhoud. In 1834 werd hij hoogleeraar in de natuurkunde. Hij ging door met zijn onderzoekingen, was door beloften verplicht te blijven schrijven. Zijn lichaam leed hieronder. Door vele proeven over de kleurgewaarwordingen waren zijn oogen verzwakt. In 1840 werd hij ziek. Deze ziekte duurde drie jaren. Zij werd beslissend voor Fechner’s leven. Soms was hij op den rand van ’t graf en scheen hij blind, verlamd enkrankzinnig te zullen worden. Zelfs gesprekken vermoeiden. Eenzaam, in doodelijke verveling gingen de dagen voorbij. Maar moedig weerstond hij alle gedachten aan zelfmoord, en vast was hij besloten, alle pijn zoolang te dragen, als hij ’t uithouden kon. Gelukkig kwam beterschap. Einde 1843 was hij hersteld. Zijn professoraat was aan een ander gegeven. (Fechner zelf ontving een wachtgeld, dat tot 1250 thaler werd gebracht). Fechner begeerde ’t ook niet terug. Zijn belangstelling had een andere richting aangenomen. De wijsbegeerte had voortaan zijn hart. In 1846 schrijft hij over ’t hoogste goed. Hierin geeft Fechner zijn eudaimonistische zedeleer. Doel van ons handelen moet zijn, een zoo groot mogelijke hoeveelheidlustte verkrijgen. Die lust moet echter die van het geheel, niet die van den enkeling zijn. Godsdienstig wordt deze zedeleer, door de beschouwing, dat God zelf ook vreugde heeft aan de vermeerdering van lust, dat zijn wil gericht is op de grootste mate van lust, die in de wereld mogelijk is. Voor ons is het grootste geluk gelegen in de overtuiging, dat wij ons willen met den wil Gods in overeenstemming gebracht hebben.Belangrijker voor den opbouw van Fechner’s leer is het in 1848 verschenen werk: “Nanna, over het zieleleven der planten.” Met zeer rijke kennis, met fijne onderscheidingen en met groote fantasie tracht Fechner hier aan te toonen, dat ook aan de planten bewustzijnsleven toekomt. Dit is de voorbereiding voor zijn leer, dat eral-bezielingis. In de “Zend Avesta” van 1851 spreekt hij deze geheel uit. Al de latere beschouwingen en opvattingen van den denker, zijn reeds als in kiem in dit werk voorhanden. Hij voert hier het beginsel der bezieling door van de planten tot onze aarde, van deze tot ons zonnestelselmet zijn planeten, tot de geheele wereld. Dit bezielde Al is de Godheid, waarin de menschen leven, bewegen en zijn, en Fechner die, zelf vroom opgevoed, ook den invloed had ondergaan van de godsdienstige sfeer, waaruit zijn vrouw kwam, tracht aan te toonen, dat zijn leer overeenkomt met de hoofdpunten van den christelijken godsdienst.Uitvoerig handelt hij ook over de onsterfelijkheid, waarover hij reeds eerder had geschreven in zijn werkje: “Boekje van het leven na den dood” (1836) onder den naam van Dr. Mises, (het pseudoniem waaronder hij zijn aesthetische en humoristische geschriften uitgaf), en later in tweeden druk onder eigen naam verschenen. Fechner heeft behalve in een kleiner werkje: (Die Seelenfrage) nog eenmaal zijn wereldbeschouwing ontvouwd in: “De dagbeschouwing tegenover de nachtbeschouwing.” (Die Tagesansicht gegenüber der Nachtansicht). De dagbeschouwing is de beschouwing van het levende, bezielde al; het geloof aan een doode, mechanische werkelijkheid is de nachtbeschouwing.Experimenteele zielkunde.Behalve grondvester der monistische metafysica is Fechner ook de vader derproefondervindelijke zielkunde. Hij heeft het experiment in de zielkunde ingevoerd. Hij begon onderzoekingen omtrent den “onderscheidsdrempel.” Nemen we een lijn van 5,0 M. en een van 5,2. We zien, dat de laatste langer is dan de eerste. Zien wij dat ook van een lijn van 5 M. en 5,01 M.? Neen. Het verschil is te klein. Het moet minstens (gemiddeld) 10 c.M. zijn. Dit even waarneembare verschil wordt door Fechner onderscheidsdrempel genoemd. Dit verschijnsel van den onderscheidsdrempel doet zich ook voor bij waarnemingen uit andere zintuiggebieden. Weber nu had ontdekt, datde verhouding tusschen twee prikkels, die door den onderscheidsdrempel gescheiden zijn,standvastigis. Kan men een lijn van 51 d.M. en 50 d.M. nog even als verschillend groot onderscheiden, dan is dit eveneens het geval bij lijnen van 102 d.M. en 100 d.M., 63 en 60 enz. De verhouding is 51 : 50. Voor geluiden is die bijv. 4 : 3, voor licht 101 : 100. Fechner stelde, naar verschillende methoden, uitvoerige onderzoekingen in omtrent dit verschijnsel. Hij noemde de gevonden wet de wet van Weber. Over ’t geheel gaat, althans voor prikkels van middelmatige sterkte, die wet ook volgens de nieuwere onderzoekingen door. Fechner was echter met dit resultaat niet tevreden. Hij wilde nu ook een wet vinden, die de verhouding aangaf tusschen de sterkte van den prikkel en die der gewaarwording. Inderdaad vond hij die ook1doch volgens de meeste zielkundigen is zij niet bestand tegen het hedendaagsch onderzoek.Fechner zelf is zijn wet steeds blijven verdedigen. Hij noemde de door hem gestichte wetenschap: psychophysica. Zij ging uit van de grondgedachte, dat men psychische verschijnselen kon meten door physische, daar dit steeds de uitwendige zijde van iets geestelijks was. In 1860 verschenen “de Elementen der psychophysica”, en nadat dit werk uitverkocht was, kwam in 1882 “Herziening van de hoofdpunten der psychophysica.” Daarnaast staan kleine geschriften over dit onderwerp.Door exacte onderzoekingsmethoden toe te passen op geestelijke verschijnselen, legde Fechner den grondslag voor de experimenteele zielkunde. Zij steltproevenin bij een aantal proefpersonen, onder zoonauwkeurig mogelijk bepaalde omstandigheden. Nemen we een eenvoudig voorbeeld. Onthoudt in ’t algemeen een kind van 10 jaar beter of minder dan een man van 30? Kies nu bijv. 12 letters: medeklinkers, en laat die kinderen van buiten leeren op een bepaalde wijze, bijv. door ze telkens die twaalf letters luid op te laten herhalen, achter elkaar. Noteer voor elk kind, hoeveel malen het die letters moet herhalen en hoeveel tijd het noodig heeft. Bepaal het gemiddelde. Neem nu, onder zooveel mogelijk dezelfde omstandigheden een aantal mannen. Herhaal dezelfde proef en dezelfde berekeningen. Kom ook hier weer tot een gemiddelde. De beide gevonden waarden laten zich vergelijken en geven het antwoord op de vraag. Wundt heeft het eerste groote laboratorium voor deze onderzoekingen gesticht, eenigszins tot verbazing van Fechner zelf, die zulk een grootsche vlucht niet had verwacht. Thans zijn er bijna over geheel de beschaafde wereld laboratoria. In ons land wordt de proefondervindelijke zielkunde beoefend door den Groningschen hoogleeraar Heymans2, die weldra over een nieuw, wel klein, maar naar de eischen ingericht laboratorium zal te beschikken hebben.Aesthetica.Bizondere verdiensten heeft Fechner zich ook nog verworven door zijn aesthetische studiën. Hij had veel belangstelling voor kunst en kunstcritiek. Hij trachtte nu later de wetten te vinden, waardoor ons mooi-vinden wordt beheerscht. Hij wilde daarbij van ervaring uitgaan. Hij vroeg bijv. een groot aantal menschen, welke figuren uit een aantal rechthoeken ze mooi vonden, of liet ze de figuren samenstellen, die ze ’t mooist achtten. Eveneenspaste hij nauwkeurige metingen toe op verschillende kunstwerken. Zoo wilde hij een aesthetica grondvesten, die, van eenvoudige feiten, van ervaring uitgaand, een schoonheidsleer, “van onderen”, zou worden in tegenstelling met eene, welke uit het begrip van schoonheid hare eischen wou afleiden, een aesthetica “van boven af.” Naast formeele elementen (eenheid in verscheidenheid) wijst Fechner ook nog een ander element aan, dat bij ’t mooi vinden van iets onze oordeelen bepaalt: het associatieve. De indruk, dien wij van een kunstwerk ontvangen, is verbonden met tal van andere voorstellingen, die, meer of minder duidelijk, in ’t bewustzijn worden geroepen. Deze meer of min bewuste voorstellingen nu zijn dikwijls beslissend voor de aesthetische waardeering. Rood op de wangen b.v. doet denken aan jeugdige gezondheid en groeikracht, rood op een neus aan ziekte. Daarom behaagt het eene, mishaagt het andere. Het schoonvinden van een mensch, een landschap, berust dikwijls op associaties. Fechner heeft zijn onderzoekingen verzameld in zijn “Voorschool der Aesthetica”, die geen volledige schoonheidsleer geeft, maar verschillende punten op zeer belangwekkende wijze behandelt. Het werk verscheen in 1876.Fechners leven was een echt geleerden-leven. Rustig ging het daarheen, nu en dan afgewisseld door reizen. Zijn ouderdom was, door het afsterven van vrouw en vrienden, betrekkelijk eenzaam, maar werd verlicht door vele blijken van liefde en hoogachting. Tot hoogen leeftijd bleef zijn geest helder. 6 Nov. nog werkte hij, 18 Nov. 1887 overleed hij.Fechner was een zeer zeldzame, buitengewoon begaafde persoonlijkheid. Aan de scherpzinnigheid, de nauwgezetheid en het geduld van den natuuronderzoekerpaarde hij de rijke fantasie en het diepe gevoel van den kunstenaar. Hij was kinderlijk vroom, eenvoudig, welwillend in den omgang. Hij hield van discussie, maar verbitterde nooit, en vergaf steeds. Wie met hem omgingen achtten en beminden hem. Het voor hem opgericht standbeeld te Leipzig draagt als opschrift de godsdienstige formuleering zijner levensbeschouwing: “In God leven, bewegen en zijn wij.”Aanhangers van ’t monisme.Zonder een school te stichten, heeft Fechner toch onder de thans levenden vele aanhangers.Allereerst zij genoemd Friedrich Paulsen.3Deze bekende Berlijnsche hoogleeraar schreef een “Inleiding in de wijsbegeerte,” waarin hij de verschillende wijsgeerige problemen behandelt met een geschiedkundig overzicht en zichzelf stelt op ’t standpunt van ’t psychisch-monisme. Veel aandacht wijdt Paulsen ook aan de religie en haar verhouding tot de wetenschap. Zoowel bij deze kwestie als in zijn kennistheorie toont hij zich meer aan Kant verwant (hij schreef voor Frommans-Klassiker het nummer over Kant) dan Fechner, die eerst leefde in een tijd toen Kant vergeten was en zijn leer reeds klaar had, toen de Kantstudie herleefde. Door zijn eenvoud zoowel als door zijn warmen, schoonen stijl heeft Paulsen veel lezers gevonden en wordt zijn boek als de meest geschikte inleiding tot ’t monisme geprezen. Ook zijn “Systeem der ethica” verwierf veel waardeering. Naast de theoretische vragen worden daarin ook een aantal vragen van practischen aard boeiend behandeld. Voor opvoedkundige kwesties toonde Paulsen medeveel belangstelling, met name voor de geschiedenis van het onderwijs. (Zie ook II,132).In Amerika vond het monisme zijn verdediger inStrong, die in 1900 zijn werk uitgaf: “Waarom de geest een lichaam heeft” en vooral van kennistheoretisch en zielkundig standpunt uit het monisme opbouwt. Hij verdedigt het en vergelijkt het vooral met de beschouwingen van Engelsche en Amerikaansche schrijvers. Hij beperkt zich tot de verhouding tusschen ziel en lichaam. In dit opzicht vertoont hij een groote overeenkomst metHeymans. Deze gaf in 1905 zijn “Einführung in die Metaphysik.” Na de verschillende stelsels critisch beschouwd, en het onvoldoende aangetoond te hebben, ontwikkelt hij het psychisch monisme. Veel meer dan bij Fechner staat hier het kennis-theoretisch standpunt op den voorgrond.In de kennistheorie (door den schrijver ontwikkeld in zijn: “Gesetze und Elemente des Menschlichen Denkens,” Tweede druk, Leipzig 1905) heeft Heymans een eigen richting. Hij staat op hetzelfde standpunt, dat Kant naarHeymans’opvatting voor en in 1770 innam, en dat hij ’tanalytischezou willen noemen. Locke (vg. I, 295) had den oorsprong onzer kennis nagegaan. Voor de aanhangers der genetische richting waartoe ook Hume behoorde, was er in de ervaring geenvoldoendegrond voor sommige gegevens van ’t bewustzijn en nu trachtten zij die anders te verklaren, b.v. door associatie (zie bijv. Hume’s verklaring van ’t causaliteitsbeginsel in I, pag. 319). Daarmee echter waszekerheidonzer kennis, zoodra zich deze uitstrekt over de ervaringsgegevens, onmogelijk. Kant had dit gevoeld en hij had devoorwaardenbestudeerd,waaronderiets tot wetenschap werd (zie II, pg.319). Hij en de latere criticisten zeggen dus: wij noemen iets waar, als het aan de voorwaardenvoldoet, dat het eengepaste, behoorlijkeverbinding is. Die gepastheiddringtzich aan ons op. Maar of nu die voorstellingen overeenstemmen met de werkelijkheid, daarover laten wij ons niet uit.Heymans nu, zich plaatsende op het standpunt, dat Kant in en vóór 1770 innam, wil allereerst trachten deninhoudonzer denkaxioma’s te leeren kennen. Heeft hij die gevonden, door een nauwkeurig onderzoek der wetenschap, die ze gebruikt, dan tracht hij ze te verklaren. Deze analytische methode hecht dus meer dan de critische aan het empirisch onderzoek der denkverschijnselen. Daardoor echter wil zij komen tot kennis der door de genetische richting verworpen aprioristische onderstellingen van het denken. En zij gelooft dat er ten slotte waarheid door het denken wordt gevonden, d. i. dat er overeenstemming is met een buitenbewuste werkelijkheid.We wezen er reeds op, dat Heymans ook de experimenteele zielkunde beoefent. Vooral op het gebied der belemmering hebben zich zijn onderzoekingen4bewogen.In den laatsten tijd heeft hij zich bezig gehouden met de zielkunde der verschillen tusschen mensch en mensch, sexe en sexe, leeftijd en leeftijd enz. Deze tak der zielkunde werd door hemspeciale psychologiegenoemd. Vooral de bewerking van levensbeschrijvingen en enquêtes leverden hier het materiaal. Het gelukte Heymans een indeeling in achten vankarakters tot stand te brengen. Voor zoover schrijver dezes bekend, verscheen daaromtrent nog niets in den handel5maar in het werk van Mr. v. Dijk: “Bijdragen tot de psychologie van den misdadiger” vindt men een korte uiteenzetting der indeeling.§ 48.Hoofdtrekken van ’t psychisch monisme.Er is een buitenwereld.Het psychisch monisme, uitgaande van de zekerheid van ons bewustzijn, bestrijdt de richtingen, die willen blijven staan bij onze bewustzijnsverschijnselen. “De ontkenning van zulke werkelijkheden (d. i. werkelijkheden buiten ons bewustzijn) is een volmaakt logische theorie van waarneming; daar het feit, dat zij maakt, dat de voorwerpen ophouden te bestaan wanneer wij ophouden, ze waar te nemen, er geen voldoende argument tegen is.6Maar zij geeft ons een verminkte en onsamenhangende opvatting van de wereld, en leidt logisch tot solipsisme.” (Strong.) Dit solipsisme nu brengt bij consequente toepassing tot de absolute scepsis: “Het laatste woord van ’t empirisme is dus de opheffing van alle weten, de absolute scepsis” (Heymans). Er is echter grond, om het bestaan eener buitenwereld aan te nemen. Die is gelegen in het voor ons bewustzijn onmiddellijk evidente causaliteitsbeginsel en de door de ervaring voortdurend gegeven bevestiging van de daarop gegronde verwachtingen. Stel u een gedachtenreeks voor. Zeg bijv. op: WienNeerlands bloed. Daar ziet ge bij ’t eerste woord van den tweeden regel iets, bij de vier voelt ge iets, bij de vijfde hoort ge een geluid. Andere voorstellingen komen tusschen uw voorstellingsrij in. We kunnen dat schematisch dus voorstellen:a→b→X—c→d→Y—eenz.XenYzijn optredende gewaarwordingen, waarvoor wegeen voldoenden grondvonden in ons bewustzijn. Op grond van ’t causaliteitsbeginsel schrijven wij ’t toe aan iets buiten ons.We nemen dus aan dingen buiten ons. Nu doet zich de vraag voor: van welken aard zijn ze? Ze schijnen ons anders toe dan ons eigen bewustzijn nl. stoffelijk. Maar stof is slechts een verschijningswijze, geen realiteit. Hoe verklaren we dat?De ideale waarnemer.We willen een oogenblik een veronderstelling maken. We nemen aan, dat er een mensch is, die het vermogen bezit, om, door uw schedel heen,alleste zien, wat er in uw hersenen gebeurt. Ook de geringste, de kleinste verandering ontgaat hem niet. Deze man nu houdt zijn aandacht gericht, volkomen gericht op uw hersenen. We zullen hem den idealen waarnemer noemen.Ziehier nu de onderstelling van het monisme:Telkens, wanneer er in u een of ander bewustzijnsverschijnsel plaats grijpt, krijgt de ideale waarnemer een gewaarwording die voor hem de gewaarwording van iets stoffelijks is.Stel, dat er in úw bewustzijn een reeks processen plaats vindt:A—B—C—D—E—F.Dan krijgt de ideale waarnemer een reeks waarnemingen van hersenverschijnselen:a—b—c—d—e—f.Uw hersenen zijn dus steeds de waarneming van een ander.Op zichzelf bestaan zij niet.Nu moeten wij wel onderscheiden inhoud en voorwerp der waarneming van den idealen waarnemer. Lichten we dit even toe. Wanneer wij bijv. een kleur zien, is deinhoudonzer waarneming datroode. Hetvoorwerponzer waarneming zijn echter detrillingenvan den ether. De inhoud der waarneming van den waarnemer is een grijsachtige, niet te stevige, met windingen voorziene, bewegende substantie: de hersenen. Het voorwerp dat hij waarneemt, is úw bewustzijnsverschijnsel en niets anders.Een bewustzijnsproces is dus voor u psychisch. Een ander, die het waarneemt, ziet het als stoffelijk. Zoo is een lepel van binnen gezien hol, van buiten bol.Welk recht heeft het monisme, om te onderstellen, dat aan elk bewustzijnsverschijnsel bij u, een gewaarwording bij den I. W. beantwoordt? Het grondt deze hypothese op de bekende feiten omtrent den samenhang tusschen geestelijk leven en hersenen. Hersenziekten, beleedigingen brengen geestelijke storingen mee. Vergiften en andere stoffen, die op de hersenen inwerken, oefenen invloed uit op ’t bewustzijn; bijv. alcohol, broom. Er is zekere evenredigheid tusschen hersenontwikkeling en geestelijke ontwikkeling. Vooral Heymans vestigt op al deze verschijnselen de aandacht. Met goeden grond mag men dus aannemen, dat bij voortschrijding van de kennis der hersenen en hun werking het materiaal, waarop zich deze hypothese stut, zal vergrooten.De eerste stelling van het psychisch monisme is dus deze:Het proces in ’t bewustzijn is de eenige realiteit, die, van buiten gezien, als stoffelijk, als hersenverschijnsel verschijnt.Dit is intusschen nog een zeer beperkt gebied. We vragen niet alleen naar den aard onzer hersenverschijnselen. Beantwoorden aan de van buiten waargenomen stoffelijke verschijnselen van ademhaling, spijsvertering, bloedsomloop ook psychische realiteiten? Hiervan bemerken we toch niets in ons bewustzijn. Hier vinden we een oplossing door het feit van den prikkeldrempel, de onderbewuste voorstellingen, in verband met het ontwikkelingsbegrip.Wanneer gij in een boeiend boek leest, dan hoort gij bijv. niet, dat iemand u wat vraagt. Toch krijgt gij wel een voorstelling. Zij blijft beneden den drempel van uw bewustzijn. Zij is een onderbewuste voorstelling. Ze kan misschien wel bewust worden. Het is best mogelijk dat ge na een poosje in eens beseft, dat er u iets gevraagd werd, en ge geeft ’t antwoord. Onderbewuste voorstellingen kunnen ook invloed uitoefenen zonder bewust te worden. Bij oordeelen van ervaren menschen zullen zij dikwerf meewerken: allerlei vroegere ervaringen, niet bewust, werken mee bij ’t vormen van ’t oordeel. Van het geheele bezit onzer voorstellingen is slechts een gering gedeelte bewust. Het kan zijn, dat een groot aantal voorstellingen slechts even boven den bewustzijnsdrempel is, bijv. als men soest, na den eten, vlak voor den slaap. Het verband tusschen de voorstellingen is dan gering. Het kan ook wezen, dat sommige weinige voorstellingen zéér ver boven den drempel zijn, bijv. bij opmerkzaamheidskramp. Ons bewustzijn is als eenzee met golven: soms is er een weinig hooge, meer uitgebreide golf boven het niveau, boven den drempel; soms is er een golf met groote kamhoogte. Het bestaan van een drempel, beneden welke een groot aantal onderbewuste, niet zonder invloed zijnde voorstellingen verkeert, en waarboven zich de bewuste voorstellingen verheffen, is voor Fechner’s systeem van zeer veel belang.Bewuste voorstellingen nu kunnen onderbewust worden. Wij kunnen dit al aan tal van voorbeelden uit ’t dagelijksch leven opmerken. Fietsen bijv. wordt eerst geleerd, daarna doen we ’t onbewust werktuigelijk. Zoo gaat ’t een kind met ’t loopen.In aansluiting nu aan de evolutie-theorie kan worden aangenomen, dat ademhalen bijv. eerst bewust is gebeurd, maar langzamerhand onderbewust is geworden in verloop van tijden.De psychische verrichting, waarvan ademhaling enz. de stoffelijke verschijningswijzen zijn, zijn als onderbewust te beschouwen.Ons geheele lichaam wordt beschouwd als de stoffelijke verschijningswijze onzer geestelijke persoonlijkheid. Paulsen vestigt er de aandacht op, dat dit niet alleen de opvatting van Fechner is, maar dat ook Schopenhauer deze beschouwingswijze voorstond. (Zie pag. 110).Er is echter, zagen wij, een buitenwereld.Die naam is misschien niet geheel juist. Zij zou ons doen denken, dat de andere realiteiten, de andere werkelijkheden dan u zelf,buitenuw bewustzijn waren. Ruimte is (zie Kant) een opvattingsvorm, een aanschouwingsvorm van den waarnemer.We kunnen dus zeggen: wij nemen andere dingen waar als buiten ons. Van welken aard zijn die andere dingen?Hier gaat de redeneering door verschillende trappen: De zekerheid, de gegrondheid der onderstelling wordt geringer.Gij ziet andere menschen. Zij verschijnen u als lichamen. Maar—op grond van analogie met wat gij bij u zelven opmerkt, kent ge hun met practische zekerheid bewustzijn toe. Voor de hoogere dieren valt er zeker evenmin aan te twijfelen. Maar als wij van de hoogere tot de lagere dieren afdalen, is er dan een grens, waarbij ’t bewust leven totaal ophoudt? En de planten, die weer in hun laagste vormen met de lagere diervormen overeenkomen? Hier worden we aan Fechner’s Nanna herinnerd.Het bewustzijn der planten.Planten en dieren verschillen ongetwijfeld veel in hun hoogere, niet in hun lagere vormen. Waarschijnlijk heeft zich ’t bewustzijn der planten op een andere wijze ontwikkeld en kenmerkt het zich door een groote mate van ontvankelijkheid voor indrukken, weinig spontanieteit, veel receptiviteit. Ook de plant ademt, voedt zich, plant zich voort. Bij den mensch zijn dit grootendeels onderbewuste processen, omdat hij zijn opmerkzaamheid door hoogere dingen in beslag ziet genomen. Dit hoogere bewustzijn ontbreekt bij de planten: daarom is het lagere misschien des te levendiger. De planten bewegen zich slechts tengevolge vanprikkelsderbuitenwereld. Maar dat kan met bewustzijn gepaard gaan, evengoed als bij ons. De planten hebben geen zenuwstelsel; maar is een zenuwstelsel absoluut noodig voor bewustzijn?7Aarde.Mensch, dier en plant ontspringen aan de aarde. Uit haar komt ’t bewuste leven, tot haar gaat ’t terug. Zou zij zelve niet bewust zijn? De aarde is voor Fechner weer een bewustzijn, dat in de menschen zijn toppen heeft. De aarde heeft zich, van buiten gezien, ontwikkeld, gesplitst. Zoo mag ook haar bewustzijn zich gedifferentieerd hebben, zooals wij dat ook bij den mensch leerden kennen. Fechner’s theorie vindt hier steun in Spencer’s ontwikkelingsleer, zooals door Heymans opgemerkt wordt. De aarde is weer een omvattend bewustzijn, dat den mensch in zich bevat, zooals deze verschillende voorstellingen. De aarde gelijkt op de menschen in vele punten: dag en nacht—waken en slapen, de kringloop van ’t water—kringloop van ’t bloed, enz. Maar er is ook verschil. De aarde staat boven den mensch en watdezebezit, behoeftzijniet opnieuw te hebben. Haar oogen heeft zij in den mensch. Bij deze beschouwing moet men den mensch niet als tegenover de aarde en los van haar beschouwen, maar als een deel.Wereld.Steeds stouter schrijdt de hypothese voort. De planeten zijn weer bewustzijnseenheden, in ons zonnestelsel weer tot een hoogere eenheid verbonden. Ten slotte is alles deel van één grootwereldbewustzijn. Men heeft hier steeds te denken aan het onderbewuste en den drempel. Boven een algemeen onbewust niveau verheffen zich verschillende toppen. En Heymans vooral vestigt de aandacht er op, dat de theorie op dit punt steun vindt in de theorie van Spencer en dat er niets is, wat haar weerspreekt. Het blijft voor hem een hypothese, die zich echter, door meer feitenmateriaal gestut en door verdere ontwikkeling der wetenschap, eenmaal tot den rang eener stevige theorie zal kunnen verheffen.Godsdienst.Fechner duidt dit alomvattende wereldbewustzijn aan met den naam God. De aarde is middelaar tusschen mensch en God, de planeten zijn als Engelen te beschouwen. Paulsen gaat minder ver in het zoeken van analogieën met den Christelijken godsdienst. Toch meent hij dat er voor den godsdienst een afzonderlijke plaats is waar die niet strijdt met de wetenschap, en dat het godsbegrip van ’t monisme de gemoedsbehoeften kan vervullen. Ook hij noemt het wereldbewustzijn God.Voorzichtiger laat zich Heymans uit. Hij acht het ongewenscht, om het Wereldbewustzijn den naam God te geven, al is ’t gebruik, dat de wijsgeeren de laatste en hoogste realiteit zoo noemen. Het is misschien verwarrend; de beide begrippen dekken elkaar niet. Moeilijk kan men bijv. aan het wereldbewustzijn der psychisch-monisten volkomen heiligheid toeschrijven. Bovendien is het minder kiesch, dit woord te gebruiken tegenover hen, voor wie het de gangbare beteekenis heeft. Maar het monisme kan toch eenige behoeften, en daaronder zeer belangrijke, van het godsdienstig gemoed vervullen. Het geeft den mensch de troost, dat hij niet alléén staat in den arbeid voor ’t geheel. Hij heeft hoogere, gelijkgerichte machten boven zich. Zijn doel zal dus verwezenlijkt kunnen worden. De mensch heeft dan ook het diepe gevoel vansaamhoorigheidmet het geheel; en hij weet dat hij medeverantwoordelijkis voor de toekomst, omdat zijn arbeid, zij ’t nog zoo gering, niet verloren kan gaan.In deze leer vindt hetonsterfelijkheidsgeloofook een plaats. De mensch blijft deel van het omvattender aardbewustzijn, behoudt een zekere zelfstandigheid, maar kan misschien verbindingen aangaan,eerst met meer, dan met minder verwante bewustzijnseenheden8.Het is misschien goed, om nog even het psychisch monisme te vergelijken met andere stelsels. Maken wij daarvoor gebruik van ’t ook in I gegeven klokkenvoorbeeld. Wij hebben dus twee, geheel met elkaar overeenkomende klokken. Denken we ons de eene met bewustzijn begaafd.De klok denkt: die klok tegenover mij wordt door mij beïnvloed en zij oefent invloed op mij. Het dualisme (Descartes).Ik en die klok worden telkens weer gelijk gezet door iemand achter ons zittend. Het occasionalisme (Geulincx, Malebranche).Ik en die klok zijn door een bekwaam uurwerkmaker zoo vervaardigd, dat wij steeds gelijk loopen. Vooruitbepaalde harmonie (Leibniz).Ik en die klok worden beide door één zelfde uurwerk, dat wij niet kunnen waarnemen, bewogen. Leer van het onbekende derde (Spinoza).Neem nu aan, dat die klok ontdekt, dat die tweede klok haar eigen spiegelbeeld is. Er is dus maar één klok die zich ook nog op een andere wijze voordoet. Psychisch monisme (Fechner, e.a.).Kwam nu de klok op het singuliere denkbeeld het spiegelbeeld voor de werkelijke klok, zichzelf voor het spiegelbeeld te houden, dan had men het materialisme. (Hobbes,La Mettrie, Vogt etc.)Uit dit beeld moge vooral blijken, dat het psychisch monisme niet gelijk is met het spinozisme, maar nog veel minder—wat ook wel eens gebeurt—met hetlijnrecht er aan tegengestelde materialisme mag verward worden.Strong en Heymans leggen er nog den nadruk op, dat het psychisch monisme deeenvoudigsteverklaring is, eenvoudiger dan de andere hypothesen, en een zeer geschiktewerkhypothese.“Ik zal de laatste zijn om te beweren, dat (het) helder tot den bodem en ontdaan van alle moeilijkheden is. Maar het is op gezonde wijsgeerige beginselen gebaseerd; het stelt ons, als geen andere hypothese in staat, de feiten te construeeren; en zijn moeilijkheden zijn wel duister, maar niet tegenstrijdig” (Strong).“De theorie van het psychisch monisme is eenvoudiger, dan welke andere ook” (Heymans).1Zij luidt: De gewaarwording is evenredig aan den logarithmus van den prikkel.↑2Zie Gids 1896. Een laboratorium voor experimenteele psychologie.↑3Tijdens de correctie lees ik, dat Paulsen op 62jarigen leeftijd te Berlijn overleden is.↑4Soms komt een zwakke prikkel niet tot bewustzijn of slechts flauw, wijl ze door een grootere belemmerd wordt. We zien bijv. overdag de sterren niet. Bij hevige pijn gevoelt men een klein pijntje niet. In een roezemoezige zaal wordt ’t vallen van een speld niet gehoord.↑5Wel in de Voordrachten der Secties voor Wetenschappelijken arbeid. No. 8.↑6Wanneer wij met Berkeley zeggen dat “zijn” is “waargenomen worden.”↑7Onder de correctie lees ik, dat de zoon van Charles Darwin in een natuurwetenschappelijke lezing ook het bewustzijn van planten heeft verdedigd.↑8Ik verwijs naar Fechner’s boekje, ook in Hollandsche vertaling verschenen.↑
HOOFDSTUK XVI.Het psychisch monisme.
§ 47.Fechner.Inleidende opmerkingen.Wij wezen er op, hoe er ten tijde van de speculatieve wijsbegeerte een critische onderstroom was geweest, die in Herbart zijn bekendsten vertegenwoordiger vond. Eveneens waren er in den tijd van het positivisme en het materialisme denkers, die hunne aandacht wijdden aan vraagstukken, welke ’t meerendeel hunner tijdgenooten geen belangstelling konden inboezemen. Daaronder is in de eerste plaats Gustaaf Theodoor Fechner te noemen, wiens leer thans meer en meer aanhang vindt. Hierom plaatsen wij de behandeling in dit gedeelte. Wij zouden zijn leer de lijnrechte tegenstelling van het materialisme kunnen noemen. Terwijl dit leert, dat al het bestaande stof is en onze bewustzijnsverschijnselen slechts een product van bepaalde stoffelijke verrichtingen, leert Fechner, dat het stoffelijke niets anders is dan de wijze, waarop het geestelijke, dat zichzelf als van psychischen aard verschijnt, zich aan een ander vertoont. Een zelfdeproces is “van binnen gezien” geestelijk, “van buiten” stoffelijk. Dit geldt niet voor den mensch alleen. Fechner breidt het uit over heel de wereld. Zijn leer is dus monistisch: er is maar één soort werkelijkheid: het psychische. Vandaar den naampsychisch monisme, (ook ideëel, spiritualistisch monisme).Alleswat bestaat, is psychisch. Zoo ontmoet men voor dit standpunt ook den naampanpsychisme.Fechner’s leven en ontwikkelingsgang.Den 19den April 1801 werd Fechner uit een ernstige, kunstminnende, verlichte predikantenfamilie te Groszsärchen geboren. Hij verloor zijn vader vroeg. Reeds op zestienjarigen leeftijd had hij zijn gymnasiale studiën achter den rug. Hij ging in de geneeskunde studeeren, die destijds, niet geleid door ervaring en onderzoek, in een treurigen toestand verkeerde. Het ging Fechner dan ook als Helmholz (vg. II, blz.230). Hij was doctorandus in de geneeskunde, maar kon geen eenvoudig verband leggen. Hij ging de practijk dan ook niet beoefenen, maar legde zich toe op de studie der natuurkunde, die toen begon te bloeien.In ’t bizonder maakte hij zich verdienstelijk met onderzoekingen op ’t gebied der electriciteit. Met zeer geringe hulpmiddelen wist hij veel tot stand te brengen. Met het vertalen van leerboeken en ’t schrijven van artikelen voorzag hij in zijn onderhoud. In 1834 werd hij hoogleeraar in de natuurkunde. Hij ging door met zijn onderzoekingen, was door beloften verplicht te blijven schrijven. Zijn lichaam leed hieronder. Door vele proeven over de kleurgewaarwordingen waren zijn oogen verzwakt. In 1840 werd hij ziek. Deze ziekte duurde drie jaren. Zij werd beslissend voor Fechner’s leven. Soms was hij op den rand van ’t graf en scheen hij blind, verlamd enkrankzinnig te zullen worden. Zelfs gesprekken vermoeiden. Eenzaam, in doodelijke verveling gingen de dagen voorbij. Maar moedig weerstond hij alle gedachten aan zelfmoord, en vast was hij besloten, alle pijn zoolang te dragen, als hij ’t uithouden kon. Gelukkig kwam beterschap. Einde 1843 was hij hersteld. Zijn professoraat was aan een ander gegeven. (Fechner zelf ontving een wachtgeld, dat tot 1250 thaler werd gebracht). Fechner begeerde ’t ook niet terug. Zijn belangstelling had een andere richting aangenomen. De wijsbegeerte had voortaan zijn hart. In 1846 schrijft hij over ’t hoogste goed. Hierin geeft Fechner zijn eudaimonistische zedeleer. Doel van ons handelen moet zijn, een zoo groot mogelijke hoeveelheidlustte verkrijgen. Die lust moet echter die van het geheel, niet die van den enkeling zijn. Godsdienstig wordt deze zedeleer, door de beschouwing, dat God zelf ook vreugde heeft aan de vermeerdering van lust, dat zijn wil gericht is op de grootste mate van lust, die in de wereld mogelijk is. Voor ons is het grootste geluk gelegen in de overtuiging, dat wij ons willen met den wil Gods in overeenstemming gebracht hebben.Belangrijker voor den opbouw van Fechner’s leer is het in 1848 verschenen werk: “Nanna, over het zieleleven der planten.” Met zeer rijke kennis, met fijne onderscheidingen en met groote fantasie tracht Fechner hier aan te toonen, dat ook aan de planten bewustzijnsleven toekomt. Dit is de voorbereiding voor zijn leer, dat eral-bezielingis. In de “Zend Avesta” van 1851 spreekt hij deze geheel uit. Al de latere beschouwingen en opvattingen van den denker, zijn reeds als in kiem in dit werk voorhanden. Hij voert hier het beginsel der bezieling door van de planten tot onze aarde, van deze tot ons zonnestelselmet zijn planeten, tot de geheele wereld. Dit bezielde Al is de Godheid, waarin de menschen leven, bewegen en zijn, en Fechner die, zelf vroom opgevoed, ook den invloed had ondergaan van de godsdienstige sfeer, waaruit zijn vrouw kwam, tracht aan te toonen, dat zijn leer overeenkomt met de hoofdpunten van den christelijken godsdienst.Uitvoerig handelt hij ook over de onsterfelijkheid, waarover hij reeds eerder had geschreven in zijn werkje: “Boekje van het leven na den dood” (1836) onder den naam van Dr. Mises, (het pseudoniem waaronder hij zijn aesthetische en humoristische geschriften uitgaf), en later in tweeden druk onder eigen naam verschenen. Fechner heeft behalve in een kleiner werkje: (Die Seelenfrage) nog eenmaal zijn wereldbeschouwing ontvouwd in: “De dagbeschouwing tegenover de nachtbeschouwing.” (Die Tagesansicht gegenüber der Nachtansicht). De dagbeschouwing is de beschouwing van het levende, bezielde al; het geloof aan een doode, mechanische werkelijkheid is de nachtbeschouwing.Experimenteele zielkunde.Behalve grondvester der monistische metafysica is Fechner ook de vader derproefondervindelijke zielkunde. Hij heeft het experiment in de zielkunde ingevoerd. Hij begon onderzoekingen omtrent den “onderscheidsdrempel.” Nemen we een lijn van 5,0 M. en een van 5,2. We zien, dat de laatste langer is dan de eerste. Zien wij dat ook van een lijn van 5 M. en 5,01 M.? Neen. Het verschil is te klein. Het moet minstens (gemiddeld) 10 c.M. zijn. Dit even waarneembare verschil wordt door Fechner onderscheidsdrempel genoemd. Dit verschijnsel van den onderscheidsdrempel doet zich ook voor bij waarnemingen uit andere zintuiggebieden. Weber nu had ontdekt, datde verhouding tusschen twee prikkels, die door den onderscheidsdrempel gescheiden zijn,standvastigis. Kan men een lijn van 51 d.M. en 50 d.M. nog even als verschillend groot onderscheiden, dan is dit eveneens het geval bij lijnen van 102 d.M. en 100 d.M., 63 en 60 enz. De verhouding is 51 : 50. Voor geluiden is die bijv. 4 : 3, voor licht 101 : 100. Fechner stelde, naar verschillende methoden, uitvoerige onderzoekingen in omtrent dit verschijnsel. Hij noemde de gevonden wet de wet van Weber. Over ’t geheel gaat, althans voor prikkels van middelmatige sterkte, die wet ook volgens de nieuwere onderzoekingen door. Fechner was echter met dit resultaat niet tevreden. Hij wilde nu ook een wet vinden, die de verhouding aangaf tusschen de sterkte van den prikkel en die der gewaarwording. Inderdaad vond hij die ook1doch volgens de meeste zielkundigen is zij niet bestand tegen het hedendaagsch onderzoek.Fechner zelf is zijn wet steeds blijven verdedigen. Hij noemde de door hem gestichte wetenschap: psychophysica. Zij ging uit van de grondgedachte, dat men psychische verschijnselen kon meten door physische, daar dit steeds de uitwendige zijde van iets geestelijks was. In 1860 verschenen “de Elementen der psychophysica”, en nadat dit werk uitverkocht was, kwam in 1882 “Herziening van de hoofdpunten der psychophysica.” Daarnaast staan kleine geschriften over dit onderwerp.Door exacte onderzoekingsmethoden toe te passen op geestelijke verschijnselen, legde Fechner den grondslag voor de experimenteele zielkunde. Zij steltproevenin bij een aantal proefpersonen, onder zoonauwkeurig mogelijk bepaalde omstandigheden. Nemen we een eenvoudig voorbeeld. Onthoudt in ’t algemeen een kind van 10 jaar beter of minder dan een man van 30? Kies nu bijv. 12 letters: medeklinkers, en laat die kinderen van buiten leeren op een bepaalde wijze, bijv. door ze telkens die twaalf letters luid op te laten herhalen, achter elkaar. Noteer voor elk kind, hoeveel malen het die letters moet herhalen en hoeveel tijd het noodig heeft. Bepaal het gemiddelde. Neem nu, onder zooveel mogelijk dezelfde omstandigheden een aantal mannen. Herhaal dezelfde proef en dezelfde berekeningen. Kom ook hier weer tot een gemiddelde. De beide gevonden waarden laten zich vergelijken en geven het antwoord op de vraag. Wundt heeft het eerste groote laboratorium voor deze onderzoekingen gesticht, eenigszins tot verbazing van Fechner zelf, die zulk een grootsche vlucht niet had verwacht. Thans zijn er bijna over geheel de beschaafde wereld laboratoria. In ons land wordt de proefondervindelijke zielkunde beoefend door den Groningschen hoogleeraar Heymans2, die weldra over een nieuw, wel klein, maar naar de eischen ingericht laboratorium zal te beschikken hebben.Aesthetica.Bizondere verdiensten heeft Fechner zich ook nog verworven door zijn aesthetische studiën. Hij had veel belangstelling voor kunst en kunstcritiek. Hij trachtte nu later de wetten te vinden, waardoor ons mooi-vinden wordt beheerscht. Hij wilde daarbij van ervaring uitgaan. Hij vroeg bijv. een groot aantal menschen, welke figuren uit een aantal rechthoeken ze mooi vonden, of liet ze de figuren samenstellen, die ze ’t mooist achtten. Eveneenspaste hij nauwkeurige metingen toe op verschillende kunstwerken. Zoo wilde hij een aesthetica grondvesten, die, van eenvoudige feiten, van ervaring uitgaand, een schoonheidsleer, “van onderen”, zou worden in tegenstelling met eene, welke uit het begrip van schoonheid hare eischen wou afleiden, een aesthetica “van boven af.” Naast formeele elementen (eenheid in verscheidenheid) wijst Fechner ook nog een ander element aan, dat bij ’t mooi vinden van iets onze oordeelen bepaalt: het associatieve. De indruk, dien wij van een kunstwerk ontvangen, is verbonden met tal van andere voorstellingen, die, meer of minder duidelijk, in ’t bewustzijn worden geroepen. Deze meer of min bewuste voorstellingen nu zijn dikwijls beslissend voor de aesthetische waardeering. Rood op de wangen b.v. doet denken aan jeugdige gezondheid en groeikracht, rood op een neus aan ziekte. Daarom behaagt het eene, mishaagt het andere. Het schoonvinden van een mensch, een landschap, berust dikwijls op associaties. Fechner heeft zijn onderzoekingen verzameld in zijn “Voorschool der Aesthetica”, die geen volledige schoonheidsleer geeft, maar verschillende punten op zeer belangwekkende wijze behandelt. Het werk verscheen in 1876.Fechners leven was een echt geleerden-leven. Rustig ging het daarheen, nu en dan afgewisseld door reizen. Zijn ouderdom was, door het afsterven van vrouw en vrienden, betrekkelijk eenzaam, maar werd verlicht door vele blijken van liefde en hoogachting. Tot hoogen leeftijd bleef zijn geest helder. 6 Nov. nog werkte hij, 18 Nov. 1887 overleed hij.Fechner was een zeer zeldzame, buitengewoon begaafde persoonlijkheid. Aan de scherpzinnigheid, de nauwgezetheid en het geduld van den natuuronderzoekerpaarde hij de rijke fantasie en het diepe gevoel van den kunstenaar. Hij was kinderlijk vroom, eenvoudig, welwillend in den omgang. Hij hield van discussie, maar verbitterde nooit, en vergaf steeds. Wie met hem omgingen achtten en beminden hem. Het voor hem opgericht standbeeld te Leipzig draagt als opschrift de godsdienstige formuleering zijner levensbeschouwing: “In God leven, bewegen en zijn wij.”Aanhangers van ’t monisme.Zonder een school te stichten, heeft Fechner toch onder de thans levenden vele aanhangers.Allereerst zij genoemd Friedrich Paulsen.3Deze bekende Berlijnsche hoogleeraar schreef een “Inleiding in de wijsbegeerte,” waarin hij de verschillende wijsgeerige problemen behandelt met een geschiedkundig overzicht en zichzelf stelt op ’t standpunt van ’t psychisch-monisme. Veel aandacht wijdt Paulsen ook aan de religie en haar verhouding tot de wetenschap. Zoowel bij deze kwestie als in zijn kennistheorie toont hij zich meer aan Kant verwant (hij schreef voor Frommans-Klassiker het nummer over Kant) dan Fechner, die eerst leefde in een tijd toen Kant vergeten was en zijn leer reeds klaar had, toen de Kantstudie herleefde. Door zijn eenvoud zoowel als door zijn warmen, schoonen stijl heeft Paulsen veel lezers gevonden en wordt zijn boek als de meest geschikte inleiding tot ’t monisme geprezen. Ook zijn “Systeem der ethica” verwierf veel waardeering. Naast de theoretische vragen worden daarin ook een aantal vragen van practischen aard boeiend behandeld. Voor opvoedkundige kwesties toonde Paulsen medeveel belangstelling, met name voor de geschiedenis van het onderwijs. (Zie ook II,132).In Amerika vond het monisme zijn verdediger inStrong, die in 1900 zijn werk uitgaf: “Waarom de geest een lichaam heeft” en vooral van kennistheoretisch en zielkundig standpunt uit het monisme opbouwt. Hij verdedigt het en vergelijkt het vooral met de beschouwingen van Engelsche en Amerikaansche schrijvers. Hij beperkt zich tot de verhouding tusschen ziel en lichaam. In dit opzicht vertoont hij een groote overeenkomst metHeymans. Deze gaf in 1905 zijn “Einführung in die Metaphysik.” Na de verschillende stelsels critisch beschouwd, en het onvoldoende aangetoond te hebben, ontwikkelt hij het psychisch monisme. Veel meer dan bij Fechner staat hier het kennis-theoretisch standpunt op den voorgrond.In de kennistheorie (door den schrijver ontwikkeld in zijn: “Gesetze und Elemente des Menschlichen Denkens,” Tweede druk, Leipzig 1905) heeft Heymans een eigen richting. Hij staat op hetzelfde standpunt, dat Kant naarHeymans’opvatting voor en in 1770 innam, en dat hij ’tanalytischezou willen noemen. Locke (vg. I, 295) had den oorsprong onzer kennis nagegaan. Voor de aanhangers der genetische richting waartoe ook Hume behoorde, was er in de ervaring geenvoldoendegrond voor sommige gegevens van ’t bewustzijn en nu trachtten zij die anders te verklaren, b.v. door associatie (zie bijv. Hume’s verklaring van ’t causaliteitsbeginsel in I, pag. 319). Daarmee echter waszekerheidonzer kennis, zoodra zich deze uitstrekt over de ervaringsgegevens, onmogelijk. Kant had dit gevoeld en hij had devoorwaardenbestudeerd,waaronderiets tot wetenschap werd (zie II, pg.319). Hij en de latere criticisten zeggen dus: wij noemen iets waar, als het aan de voorwaardenvoldoet, dat het eengepaste, behoorlijkeverbinding is. Die gepastheiddringtzich aan ons op. Maar of nu die voorstellingen overeenstemmen met de werkelijkheid, daarover laten wij ons niet uit.Heymans nu, zich plaatsende op het standpunt, dat Kant in en vóór 1770 innam, wil allereerst trachten deninhoudonzer denkaxioma’s te leeren kennen. Heeft hij die gevonden, door een nauwkeurig onderzoek der wetenschap, die ze gebruikt, dan tracht hij ze te verklaren. Deze analytische methode hecht dus meer dan de critische aan het empirisch onderzoek der denkverschijnselen. Daardoor echter wil zij komen tot kennis der door de genetische richting verworpen aprioristische onderstellingen van het denken. En zij gelooft dat er ten slotte waarheid door het denken wordt gevonden, d. i. dat er overeenstemming is met een buitenbewuste werkelijkheid.We wezen er reeds op, dat Heymans ook de experimenteele zielkunde beoefent. Vooral op het gebied der belemmering hebben zich zijn onderzoekingen4bewogen.In den laatsten tijd heeft hij zich bezig gehouden met de zielkunde der verschillen tusschen mensch en mensch, sexe en sexe, leeftijd en leeftijd enz. Deze tak der zielkunde werd door hemspeciale psychologiegenoemd. Vooral de bewerking van levensbeschrijvingen en enquêtes leverden hier het materiaal. Het gelukte Heymans een indeeling in achten vankarakters tot stand te brengen. Voor zoover schrijver dezes bekend, verscheen daaromtrent nog niets in den handel5maar in het werk van Mr. v. Dijk: “Bijdragen tot de psychologie van den misdadiger” vindt men een korte uiteenzetting der indeeling.§ 48.Hoofdtrekken van ’t psychisch monisme.Er is een buitenwereld.Het psychisch monisme, uitgaande van de zekerheid van ons bewustzijn, bestrijdt de richtingen, die willen blijven staan bij onze bewustzijnsverschijnselen. “De ontkenning van zulke werkelijkheden (d. i. werkelijkheden buiten ons bewustzijn) is een volmaakt logische theorie van waarneming; daar het feit, dat zij maakt, dat de voorwerpen ophouden te bestaan wanneer wij ophouden, ze waar te nemen, er geen voldoende argument tegen is.6Maar zij geeft ons een verminkte en onsamenhangende opvatting van de wereld, en leidt logisch tot solipsisme.” (Strong.) Dit solipsisme nu brengt bij consequente toepassing tot de absolute scepsis: “Het laatste woord van ’t empirisme is dus de opheffing van alle weten, de absolute scepsis” (Heymans). Er is echter grond, om het bestaan eener buitenwereld aan te nemen. Die is gelegen in het voor ons bewustzijn onmiddellijk evidente causaliteitsbeginsel en de door de ervaring voortdurend gegeven bevestiging van de daarop gegronde verwachtingen. Stel u een gedachtenreeks voor. Zeg bijv. op: WienNeerlands bloed. Daar ziet ge bij ’t eerste woord van den tweeden regel iets, bij de vier voelt ge iets, bij de vijfde hoort ge een geluid. Andere voorstellingen komen tusschen uw voorstellingsrij in. We kunnen dat schematisch dus voorstellen:a→b→X—c→d→Y—eenz.XenYzijn optredende gewaarwordingen, waarvoor wegeen voldoenden grondvonden in ons bewustzijn. Op grond van ’t causaliteitsbeginsel schrijven wij ’t toe aan iets buiten ons.We nemen dus aan dingen buiten ons. Nu doet zich de vraag voor: van welken aard zijn ze? Ze schijnen ons anders toe dan ons eigen bewustzijn nl. stoffelijk. Maar stof is slechts een verschijningswijze, geen realiteit. Hoe verklaren we dat?De ideale waarnemer.We willen een oogenblik een veronderstelling maken. We nemen aan, dat er een mensch is, die het vermogen bezit, om, door uw schedel heen,alleste zien, wat er in uw hersenen gebeurt. Ook de geringste, de kleinste verandering ontgaat hem niet. Deze man nu houdt zijn aandacht gericht, volkomen gericht op uw hersenen. We zullen hem den idealen waarnemer noemen.Ziehier nu de onderstelling van het monisme:Telkens, wanneer er in u een of ander bewustzijnsverschijnsel plaats grijpt, krijgt de ideale waarnemer een gewaarwording die voor hem de gewaarwording van iets stoffelijks is.Stel, dat er in úw bewustzijn een reeks processen plaats vindt:A—B—C—D—E—F.Dan krijgt de ideale waarnemer een reeks waarnemingen van hersenverschijnselen:a—b—c—d—e—f.Uw hersenen zijn dus steeds de waarneming van een ander.Op zichzelf bestaan zij niet.Nu moeten wij wel onderscheiden inhoud en voorwerp der waarneming van den idealen waarnemer. Lichten we dit even toe. Wanneer wij bijv. een kleur zien, is deinhoudonzer waarneming datroode. Hetvoorwerponzer waarneming zijn echter detrillingenvan den ether. De inhoud der waarneming van den waarnemer is een grijsachtige, niet te stevige, met windingen voorziene, bewegende substantie: de hersenen. Het voorwerp dat hij waarneemt, is úw bewustzijnsverschijnsel en niets anders.Een bewustzijnsproces is dus voor u psychisch. Een ander, die het waarneemt, ziet het als stoffelijk. Zoo is een lepel van binnen gezien hol, van buiten bol.Welk recht heeft het monisme, om te onderstellen, dat aan elk bewustzijnsverschijnsel bij u, een gewaarwording bij den I. W. beantwoordt? Het grondt deze hypothese op de bekende feiten omtrent den samenhang tusschen geestelijk leven en hersenen. Hersenziekten, beleedigingen brengen geestelijke storingen mee. Vergiften en andere stoffen, die op de hersenen inwerken, oefenen invloed uit op ’t bewustzijn; bijv. alcohol, broom. Er is zekere evenredigheid tusschen hersenontwikkeling en geestelijke ontwikkeling. Vooral Heymans vestigt op al deze verschijnselen de aandacht. Met goeden grond mag men dus aannemen, dat bij voortschrijding van de kennis der hersenen en hun werking het materiaal, waarop zich deze hypothese stut, zal vergrooten.De eerste stelling van het psychisch monisme is dus deze:Het proces in ’t bewustzijn is de eenige realiteit, die, van buiten gezien, als stoffelijk, als hersenverschijnsel verschijnt.Dit is intusschen nog een zeer beperkt gebied. We vragen niet alleen naar den aard onzer hersenverschijnselen. Beantwoorden aan de van buiten waargenomen stoffelijke verschijnselen van ademhaling, spijsvertering, bloedsomloop ook psychische realiteiten? Hiervan bemerken we toch niets in ons bewustzijn. Hier vinden we een oplossing door het feit van den prikkeldrempel, de onderbewuste voorstellingen, in verband met het ontwikkelingsbegrip.Wanneer gij in een boeiend boek leest, dan hoort gij bijv. niet, dat iemand u wat vraagt. Toch krijgt gij wel een voorstelling. Zij blijft beneden den drempel van uw bewustzijn. Zij is een onderbewuste voorstelling. Ze kan misschien wel bewust worden. Het is best mogelijk dat ge na een poosje in eens beseft, dat er u iets gevraagd werd, en ge geeft ’t antwoord. Onderbewuste voorstellingen kunnen ook invloed uitoefenen zonder bewust te worden. Bij oordeelen van ervaren menschen zullen zij dikwerf meewerken: allerlei vroegere ervaringen, niet bewust, werken mee bij ’t vormen van ’t oordeel. Van het geheele bezit onzer voorstellingen is slechts een gering gedeelte bewust. Het kan zijn, dat een groot aantal voorstellingen slechts even boven den bewustzijnsdrempel is, bijv. als men soest, na den eten, vlak voor den slaap. Het verband tusschen de voorstellingen is dan gering. Het kan ook wezen, dat sommige weinige voorstellingen zéér ver boven den drempel zijn, bijv. bij opmerkzaamheidskramp. Ons bewustzijn is als eenzee met golven: soms is er een weinig hooge, meer uitgebreide golf boven het niveau, boven den drempel; soms is er een golf met groote kamhoogte. Het bestaan van een drempel, beneden welke een groot aantal onderbewuste, niet zonder invloed zijnde voorstellingen verkeert, en waarboven zich de bewuste voorstellingen verheffen, is voor Fechner’s systeem van zeer veel belang.Bewuste voorstellingen nu kunnen onderbewust worden. Wij kunnen dit al aan tal van voorbeelden uit ’t dagelijksch leven opmerken. Fietsen bijv. wordt eerst geleerd, daarna doen we ’t onbewust werktuigelijk. Zoo gaat ’t een kind met ’t loopen.In aansluiting nu aan de evolutie-theorie kan worden aangenomen, dat ademhalen bijv. eerst bewust is gebeurd, maar langzamerhand onderbewust is geworden in verloop van tijden.De psychische verrichting, waarvan ademhaling enz. de stoffelijke verschijningswijzen zijn, zijn als onderbewust te beschouwen.Ons geheele lichaam wordt beschouwd als de stoffelijke verschijningswijze onzer geestelijke persoonlijkheid. Paulsen vestigt er de aandacht op, dat dit niet alleen de opvatting van Fechner is, maar dat ook Schopenhauer deze beschouwingswijze voorstond. (Zie pag. 110).Er is echter, zagen wij, een buitenwereld.Die naam is misschien niet geheel juist. Zij zou ons doen denken, dat de andere realiteiten, de andere werkelijkheden dan u zelf,buitenuw bewustzijn waren. Ruimte is (zie Kant) een opvattingsvorm, een aanschouwingsvorm van den waarnemer.We kunnen dus zeggen: wij nemen andere dingen waar als buiten ons. Van welken aard zijn die andere dingen?Hier gaat de redeneering door verschillende trappen: De zekerheid, de gegrondheid der onderstelling wordt geringer.Gij ziet andere menschen. Zij verschijnen u als lichamen. Maar—op grond van analogie met wat gij bij u zelven opmerkt, kent ge hun met practische zekerheid bewustzijn toe. Voor de hoogere dieren valt er zeker evenmin aan te twijfelen. Maar als wij van de hoogere tot de lagere dieren afdalen, is er dan een grens, waarbij ’t bewust leven totaal ophoudt? En de planten, die weer in hun laagste vormen met de lagere diervormen overeenkomen? Hier worden we aan Fechner’s Nanna herinnerd.Het bewustzijn der planten.Planten en dieren verschillen ongetwijfeld veel in hun hoogere, niet in hun lagere vormen. Waarschijnlijk heeft zich ’t bewustzijn der planten op een andere wijze ontwikkeld en kenmerkt het zich door een groote mate van ontvankelijkheid voor indrukken, weinig spontanieteit, veel receptiviteit. Ook de plant ademt, voedt zich, plant zich voort. Bij den mensch zijn dit grootendeels onderbewuste processen, omdat hij zijn opmerkzaamheid door hoogere dingen in beslag ziet genomen. Dit hoogere bewustzijn ontbreekt bij de planten: daarom is het lagere misschien des te levendiger. De planten bewegen zich slechts tengevolge vanprikkelsderbuitenwereld. Maar dat kan met bewustzijn gepaard gaan, evengoed als bij ons. De planten hebben geen zenuwstelsel; maar is een zenuwstelsel absoluut noodig voor bewustzijn?7Aarde.Mensch, dier en plant ontspringen aan de aarde. Uit haar komt ’t bewuste leven, tot haar gaat ’t terug. Zou zij zelve niet bewust zijn? De aarde is voor Fechner weer een bewustzijn, dat in de menschen zijn toppen heeft. De aarde heeft zich, van buiten gezien, ontwikkeld, gesplitst. Zoo mag ook haar bewustzijn zich gedifferentieerd hebben, zooals wij dat ook bij den mensch leerden kennen. Fechner’s theorie vindt hier steun in Spencer’s ontwikkelingsleer, zooals door Heymans opgemerkt wordt. De aarde is weer een omvattend bewustzijn, dat den mensch in zich bevat, zooals deze verschillende voorstellingen. De aarde gelijkt op de menschen in vele punten: dag en nacht—waken en slapen, de kringloop van ’t water—kringloop van ’t bloed, enz. Maar er is ook verschil. De aarde staat boven den mensch en watdezebezit, behoeftzijniet opnieuw te hebben. Haar oogen heeft zij in den mensch. Bij deze beschouwing moet men den mensch niet als tegenover de aarde en los van haar beschouwen, maar als een deel.Wereld.Steeds stouter schrijdt de hypothese voort. De planeten zijn weer bewustzijnseenheden, in ons zonnestelsel weer tot een hoogere eenheid verbonden. Ten slotte is alles deel van één grootwereldbewustzijn. Men heeft hier steeds te denken aan het onderbewuste en den drempel. Boven een algemeen onbewust niveau verheffen zich verschillende toppen. En Heymans vooral vestigt de aandacht er op, dat de theorie op dit punt steun vindt in de theorie van Spencer en dat er niets is, wat haar weerspreekt. Het blijft voor hem een hypothese, die zich echter, door meer feitenmateriaal gestut en door verdere ontwikkeling der wetenschap, eenmaal tot den rang eener stevige theorie zal kunnen verheffen.Godsdienst.Fechner duidt dit alomvattende wereldbewustzijn aan met den naam God. De aarde is middelaar tusschen mensch en God, de planeten zijn als Engelen te beschouwen. Paulsen gaat minder ver in het zoeken van analogieën met den Christelijken godsdienst. Toch meent hij dat er voor den godsdienst een afzonderlijke plaats is waar die niet strijdt met de wetenschap, en dat het godsbegrip van ’t monisme de gemoedsbehoeften kan vervullen. Ook hij noemt het wereldbewustzijn God.Voorzichtiger laat zich Heymans uit. Hij acht het ongewenscht, om het Wereldbewustzijn den naam God te geven, al is ’t gebruik, dat de wijsgeeren de laatste en hoogste realiteit zoo noemen. Het is misschien verwarrend; de beide begrippen dekken elkaar niet. Moeilijk kan men bijv. aan het wereldbewustzijn der psychisch-monisten volkomen heiligheid toeschrijven. Bovendien is het minder kiesch, dit woord te gebruiken tegenover hen, voor wie het de gangbare beteekenis heeft. Maar het monisme kan toch eenige behoeften, en daaronder zeer belangrijke, van het godsdienstig gemoed vervullen. Het geeft den mensch de troost, dat hij niet alléén staat in den arbeid voor ’t geheel. Hij heeft hoogere, gelijkgerichte machten boven zich. Zijn doel zal dus verwezenlijkt kunnen worden. De mensch heeft dan ook het diepe gevoel vansaamhoorigheidmet het geheel; en hij weet dat hij medeverantwoordelijkis voor de toekomst, omdat zijn arbeid, zij ’t nog zoo gering, niet verloren kan gaan.In deze leer vindt hetonsterfelijkheidsgeloofook een plaats. De mensch blijft deel van het omvattender aardbewustzijn, behoudt een zekere zelfstandigheid, maar kan misschien verbindingen aangaan,eerst met meer, dan met minder verwante bewustzijnseenheden8.Het is misschien goed, om nog even het psychisch monisme te vergelijken met andere stelsels. Maken wij daarvoor gebruik van ’t ook in I gegeven klokkenvoorbeeld. Wij hebben dus twee, geheel met elkaar overeenkomende klokken. Denken we ons de eene met bewustzijn begaafd.De klok denkt: die klok tegenover mij wordt door mij beïnvloed en zij oefent invloed op mij. Het dualisme (Descartes).Ik en die klok worden telkens weer gelijk gezet door iemand achter ons zittend. Het occasionalisme (Geulincx, Malebranche).Ik en die klok zijn door een bekwaam uurwerkmaker zoo vervaardigd, dat wij steeds gelijk loopen. Vooruitbepaalde harmonie (Leibniz).Ik en die klok worden beide door één zelfde uurwerk, dat wij niet kunnen waarnemen, bewogen. Leer van het onbekende derde (Spinoza).Neem nu aan, dat die klok ontdekt, dat die tweede klok haar eigen spiegelbeeld is. Er is dus maar één klok die zich ook nog op een andere wijze voordoet. Psychisch monisme (Fechner, e.a.).Kwam nu de klok op het singuliere denkbeeld het spiegelbeeld voor de werkelijke klok, zichzelf voor het spiegelbeeld te houden, dan had men het materialisme. (Hobbes,La Mettrie, Vogt etc.)Uit dit beeld moge vooral blijken, dat het psychisch monisme niet gelijk is met het spinozisme, maar nog veel minder—wat ook wel eens gebeurt—met hetlijnrecht er aan tegengestelde materialisme mag verward worden.Strong en Heymans leggen er nog den nadruk op, dat het psychisch monisme deeenvoudigsteverklaring is, eenvoudiger dan de andere hypothesen, en een zeer geschiktewerkhypothese.“Ik zal de laatste zijn om te beweren, dat (het) helder tot den bodem en ontdaan van alle moeilijkheden is. Maar het is op gezonde wijsgeerige beginselen gebaseerd; het stelt ons, als geen andere hypothese in staat, de feiten te construeeren; en zijn moeilijkheden zijn wel duister, maar niet tegenstrijdig” (Strong).“De theorie van het psychisch monisme is eenvoudiger, dan welke andere ook” (Heymans).
§ 47.Fechner.Inleidende opmerkingen.Wij wezen er op, hoe er ten tijde van de speculatieve wijsbegeerte een critische onderstroom was geweest, die in Herbart zijn bekendsten vertegenwoordiger vond. Eveneens waren er in den tijd van het positivisme en het materialisme denkers, die hunne aandacht wijdden aan vraagstukken, welke ’t meerendeel hunner tijdgenooten geen belangstelling konden inboezemen. Daaronder is in de eerste plaats Gustaaf Theodoor Fechner te noemen, wiens leer thans meer en meer aanhang vindt. Hierom plaatsen wij de behandeling in dit gedeelte. Wij zouden zijn leer de lijnrechte tegenstelling van het materialisme kunnen noemen. Terwijl dit leert, dat al het bestaande stof is en onze bewustzijnsverschijnselen slechts een product van bepaalde stoffelijke verrichtingen, leert Fechner, dat het stoffelijke niets anders is dan de wijze, waarop het geestelijke, dat zichzelf als van psychischen aard verschijnt, zich aan een ander vertoont. Een zelfdeproces is “van binnen gezien” geestelijk, “van buiten” stoffelijk. Dit geldt niet voor den mensch alleen. Fechner breidt het uit over heel de wereld. Zijn leer is dus monistisch: er is maar één soort werkelijkheid: het psychische. Vandaar den naampsychisch monisme, (ook ideëel, spiritualistisch monisme).Alleswat bestaat, is psychisch. Zoo ontmoet men voor dit standpunt ook den naampanpsychisme.Fechner’s leven en ontwikkelingsgang.Den 19den April 1801 werd Fechner uit een ernstige, kunstminnende, verlichte predikantenfamilie te Groszsärchen geboren. Hij verloor zijn vader vroeg. Reeds op zestienjarigen leeftijd had hij zijn gymnasiale studiën achter den rug. Hij ging in de geneeskunde studeeren, die destijds, niet geleid door ervaring en onderzoek, in een treurigen toestand verkeerde. Het ging Fechner dan ook als Helmholz (vg. II, blz.230). Hij was doctorandus in de geneeskunde, maar kon geen eenvoudig verband leggen. Hij ging de practijk dan ook niet beoefenen, maar legde zich toe op de studie der natuurkunde, die toen begon te bloeien.In ’t bizonder maakte hij zich verdienstelijk met onderzoekingen op ’t gebied der electriciteit. Met zeer geringe hulpmiddelen wist hij veel tot stand te brengen. Met het vertalen van leerboeken en ’t schrijven van artikelen voorzag hij in zijn onderhoud. In 1834 werd hij hoogleeraar in de natuurkunde. Hij ging door met zijn onderzoekingen, was door beloften verplicht te blijven schrijven. Zijn lichaam leed hieronder. Door vele proeven over de kleurgewaarwordingen waren zijn oogen verzwakt. In 1840 werd hij ziek. Deze ziekte duurde drie jaren. Zij werd beslissend voor Fechner’s leven. Soms was hij op den rand van ’t graf en scheen hij blind, verlamd enkrankzinnig te zullen worden. Zelfs gesprekken vermoeiden. Eenzaam, in doodelijke verveling gingen de dagen voorbij. Maar moedig weerstond hij alle gedachten aan zelfmoord, en vast was hij besloten, alle pijn zoolang te dragen, als hij ’t uithouden kon. Gelukkig kwam beterschap. Einde 1843 was hij hersteld. Zijn professoraat was aan een ander gegeven. (Fechner zelf ontving een wachtgeld, dat tot 1250 thaler werd gebracht). Fechner begeerde ’t ook niet terug. Zijn belangstelling had een andere richting aangenomen. De wijsbegeerte had voortaan zijn hart. In 1846 schrijft hij over ’t hoogste goed. Hierin geeft Fechner zijn eudaimonistische zedeleer. Doel van ons handelen moet zijn, een zoo groot mogelijke hoeveelheidlustte verkrijgen. Die lust moet echter die van het geheel, niet die van den enkeling zijn. Godsdienstig wordt deze zedeleer, door de beschouwing, dat God zelf ook vreugde heeft aan de vermeerdering van lust, dat zijn wil gericht is op de grootste mate van lust, die in de wereld mogelijk is. Voor ons is het grootste geluk gelegen in de overtuiging, dat wij ons willen met den wil Gods in overeenstemming gebracht hebben.Belangrijker voor den opbouw van Fechner’s leer is het in 1848 verschenen werk: “Nanna, over het zieleleven der planten.” Met zeer rijke kennis, met fijne onderscheidingen en met groote fantasie tracht Fechner hier aan te toonen, dat ook aan de planten bewustzijnsleven toekomt. Dit is de voorbereiding voor zijn leer, dat eral-bezielingis. In de “Zend Avesta” van 1851 spreekt hij deze geheel uit. Al de latere beschouwingen en opvattingen van den denker, zijn reeds als in kiem in dit werk voorhanden. Hij voert hier het beginsel der bezieling door van de planten tot onze aarde, van deze tot ons zonnestelselmet zijn planeten, tot de geheele wereld. Dit bezielde Al is de Godheid, waarin de menschen leven, bewegen en zijn, en Fechner die, zelf vroom opgevoed, ook den invloed had ondergaan van de godsdienstige sfeer, waaruit zijn vrouw kwam, tracht aan te toonen, dat zijn leer overeenkomt met de hoofdpunten van den christelijken godsdienst.Uitvoerig handelt hij ook over de onsterfelijkheid, waarover hij reeds eerder had geschreven in zijn werkje: “Boekje van het leven na den dood” (1836) onder den naam van Dr. Mises, (het pseudoniem waaronder hij zijn aesthetische en humoristische geschriften uitgaf), en later in tweeden druk onder eigen naam verschenen. Fechner heeft behalve in een kleiner werkje: (Die Seelenfrage) nog eenmaal zijn wereldbeschouwing ontvouwd in: “De dagbeschouwing tegenover de nachtbeschouwing.” (Die Tagesansicht gegenüber der Nachtansicht). De dagbeschouwing is de beschouwing van het levende, bezielde al; het geloof aan een doode, mechanische werkelijkheid is de nachtbeschouwing.Experimenteele zielkunde.Behalve grondvester der monistische metafysica is Fechner ook de vader derproefondervindelijke zielkunde. Hij heeft het experiment in de zielkunde ingevoerd. Hij begon onderzoekingen omtrent den “onderscheidsdrempel.” Nemen we een lijn van 5,0 M. en een van 5,2. We zien, dat de laatste langer is dan de eerste. Zien wij dat ook van een lijn van 5 M. en 5,01 M.? Neen. Het verschil is te klein. Het moet minstens (gemiddeld) 10 c.M. zijn. Dit even waarneembare verschil wordt door Fechner onderscheidsdrempel genoemd. Dit verschijnsel van den onderscheidsdrempel doet zich ook voor bij waarnemingen uit andere zintuiggebieden. Weber nu had ontdekt, datde verhouding tusschen twee prikkels, die door den onderscheidsdrempel gescheiden zijn,standvastigis. Kan men een lijn van 51 d.M. en 50 d.M. nog even als verschillend groot onderscheiden, dan is dit eveneens het geval bij lijnen van 102 d.M. en 100 d.M., 63 en 60 enz. De verhouding is 51 : 50. Voor geluiden is die bijv. 4 : 3, voor licht 101 : 100. Fechner stelde, naar verschillende methoden, uitvoerige onderzoekingen in omtrent dit verschijnsel. Hij noemde de gevonden wet de wet van Weber. Over ’t geheel gaat, althans voor prikkels van middelmatige sterkte, die wet ook volgens de nieuwere onderzoekingen door. Fechner was echter met dit resultaat niet tevreden. Hij wilde nu ook een wet vinden, die de verhouding aangaf tusschen de sterkte van den prikkel en die der gewaarwording. Inderdaad vond hij die ook1doch volgens de meeste zielkundigen is zij niet bestand tegen het hedendaagsch onderzoek.Fechner zelf is zijn wet steeds blijven verdedigen. Hij noemde de door hem gestichte wetenschap: psychophysica. Zij ging uit van de grondgedachte, dat men psychische verschijnselen kon meten door physische, daar dit steeds de uitwendige zijde van iets geestelijks was. In 1860 verschenen “de Elementen der psychophysica”, en nadat dit werk uitverkocht was, kwam in 1882 “Herziening van de hoofdpunten der psychophysica.” Daarnaast staan kleine geschriften over dit onderwerp.Door exacte onderzoekingsmethoden toe te passen op geestelijke verschijnselen, legde Fechner den grondslag voor de experimenteele zielkunde. Zij steltproevenin bij een aantal proefpersonen, onder zoonauwkeurig mogelijk bepaalde omstandigheden. Nemen we een eenvoudig voorbeeld. Onthoudt in ’t algemeen een kind van 10 jaar beter of minder dan een man van 30? Kies nu bijv. 12 letters: medeklinkers, en laat die kinderen van buiten leeren op een bepaalde wijze, bijv. door ze telkens die twaalf letters luid op te laten herhalen, achter elkaar. Noteer voor elk kind, hoeveel malen het die letters moet herhalen en hoeveel tijd het noodig heeft. Bepaal het gemiddelde. Neem nu, onder zooveel mogelijk dezelfde omstandigheden een aantal mannen. Herhaal dezelfde proef en dezelfde berekeningen. Kom ook hier weer tot een gemiddelde. De beide gevonden waarden laten zich vergelijken en geven het antwoord op de vraag. Wundt heeft het eerste groote laboratorium voor deze onderzoekingen gesticht, eenigszins tot verbazing van Fechner zelf, die zulk een grootsche vlucht niet had verwacht. Thans zijn er bijna over geheel de beschaafde wereld laboratoria. In ons land wordt de proefondervindelijke zielkunde beoefend door den Groningschen hoogleeraar Heymans2, die weldra over een nieuw, wel klein, maar naar de eischen ingericht laboratorium zal te beschikken hebben.Aesthetica.Bizondere verdiensten heeft Fechner zich ook nog verworven door zijn aesthetische studiën. Hij had veel belangstelling voor kunst en kunstcritiek. Hij trachtte nu later de wetten te vinden, waardoor ons mooi-vinden wordt beheerscht. Hij wilde daarbij van ervaring uitgaan. Hij vroeg bijv. een groot aantal menschen, welke figuren uit een aantal rechthoeken ze mooi vonden, of liet ze de figuren samenstellen, die ze ’t mooist achtten. Eveneenspaste hij nauwkeurige metingen toe op verschillende kunstwerken. Zoo wilde hij een aesthetica grondvesten, die, van eenvoudige feiten, van ervaring uitgaand, een schoonheidsleer, “van onderen”, zou worden in tegenstelling met eene, welke uit het begrip van schoonheid hare eischen wou afleiden, een aesthetica “van boven af.” Naast formeele elementen (eenheid in verscheidenheid) wijst Fechner ook nog een ander element aan, dat bij ’t mooi vinden van iets onze oordeelen bepaalt: het associatieve. De indruk, dien wij van een kunstwerk ontvangen, is verbonden met tal van andere voorstellingen, die, meer of minder duidelijk, in ’t bewustzijn worden geroepen. Deze meer of min bewuste voorstellingen nu zijn dikwijls beslissend voor de aesthetische waardeering. Rood op de wangen b.v. doet denken aan jeugdige gezondheid en groeikracht, rood op een neus aan ziekte. Daarom behaagt het eene, mishaagt het andere. Het schoonvinden van een mensch, een landschap, berust dikwijls op associaties. Fechner heeft zijn onderzoekingen verzameld in zijn “Voorschool der Aesthetica”, die geen volledige schoonheidsleer geeft, maar verschillende punten op zeer belangwekkende wijze behandelt. Het werk verscheen in 1876.Fechners leven was een echt geleerden-leven. Rustig ging het daarheen, nu en dan afgewisseld door reizen. Zijn ouderdom was, door het afsterven van vrouw en vrienden, betrekkelijk eenzaam, maar werd verlicht door vele blijken van liefde en hoogachting. Tot hoogen leeftijd bleef zijn geest helder. 6 Nov. nog werkte hij, 18 Nov. 1887 overleed hij.Fechner was een zeer zeldzame, buitengewoon begaafde persoonlijkheid. Aan de scherpzinnigheid, de nauwgezetheid en het geduld van den natuuronderzoekerpaarde hij de rijke fantasie en het diepe gevoel van den kunstenaar. Hij was kinderlijk vroom, eenvoudig, welwillend in den omgang. Hij hield van discussie, maar verbitterde nooit, en vergaf steeds. Wie met hem omgingen achtten en beminden hem. Het voor hem opgericht standbeeld te Leipzig draagt als opschrift de godsdienstige formuleering zijner levensbeschouwing: “In God leven, bewegen en zijn wij.”Aanhangers van ’t monisme.Zonder een school te stichten, heeft Fechner toch onder de thans levenden vele aanhangers.Allereerst zij genoemd Friedrich Paulsen.3Deze bekende Berlijnsche hoogleeraar schreef een “Inleiding in de wijsbegeerte,” waarin hij de verschillende wijsgeerige problemen behandelt met een geschiedkundig overzicht en zichzelf stelt op ’t standpunt van ’t psychisch-monisme. Veel aandacht wijdt Paulsen ook aan de religie en haar verhouding tot de wetenschap. Zoowel bij deze kwestie als in zijn kennistheorie toont hij zich meer aan Kant verwant (hij schreef voor Frommans-Klassiker het nummer over Kant) dan Fechner, die eerst leefde in een tijd toen Kant vergeten was en zijn leer reeds klaar had, toen de Kantstudie herleefde. Door zijn eenvoud zoowel als door zijn warmen, schoonen stijl heeft Paulsen veel lezers gevonden en wordt zijn boek als de meest geschikte inleiding tot ’t monisme geprezen. Ook zijn “Systeem der ethica” verwierf veel waardeering. Naast de theoretische vragen worden daarin ook een aantal vragen van practischen aard boeiend behandeld. Voor opvoedkundige kwesties toonde Paulsen medeveel belangstelling, met name voor de geschiedenis van het onderwijs. (Zie ook II,132).In Amerika vond het monisme zijn verdediger inStrong, die in 1900 zijn werk uitgaf: “Waarom de geest een lichaam heeft” en vooral van kennistheoretisch en zielkundig standpunt uit het monisme opbouwt. Hij verdedigt het en vergelijkt het vooral met de beschouwingen van Engelsche en Amerikaansche schrijvers. Hij beperkt zich tot de verhouding tusschen ziel en lichaam. In dit opzicht vertoont hij een groote overeenkomst metHeymans. Deze gaf in 1905 zijn “Einführung in die Metaphysik.” Na de verschillende stelsels critisch beschouwd, en het onvoldoende aangetoond te hebben, ontwikkelt hij het psychisch monisme. Veel meer dan bij Fechner staat hier het kennis-theoretisch standpunt op den voorgrond.In de kennistheorie (door den schrijver ontwikkeld in zijn: “Gesetze und Elemente des Menschlichen Denkens,” Tweede druk, Leipzig 1905) heeft Heymans een eigen richting. Hij staat op hetzelfde standpunt, dat Kant naarHeymans’opvatting voor en in 1770 innam, en dat hij ’tanalytischezou willen noemen. Locke (vg. I, 295) had den oorsprong onzer kennis nagegaan. Voor de aanhangers der genetische richting waartoe ook Hume behoorde, was er in de ervaring geenvoldoendegrond voor sommige gegevens van ’t bewustzijn en nu trachtten zij die anders te verklaren, b.v. door associatie (zie bijv. Hume’s verklaring van ’t causaliteitsbeginsel in I, pag. 319). Daarmee echter waszekerheidonzer kennis, zoodra zich deze uitstrekt over de ervaringsgegevens, onmogelijk. Kant had dit gevoeld en hij had devoorwaardenbestudeerd,waaronderiets tot wetenschap werd (zie II, pg.319). Hij en de latere criticisten zeggen dus: wij noemen iets waar, als het aan de voorwaardenvoldoet, dat het eengepaste, behoorlijkeverbinding is. Die gepastheiddringtzich aan ons op. Maar of nu die voorstellingen overeenstemmen met de werkelijkheid, daarover laten wij ons niet uit.Heymans nu, zich plaatsende op het standpunt, dat Kant in en vóór 1770 innam, wil allereerst trachten deninhoudonzer denkaxioma’s te leeren kennen. Heeft hij die gevonden, door een nauwkeurig onderzoek der wetenschap, die ze gebruikt, dan tracht hij ze te verklaren. Deze analytische methode hecht dus meer dan de critische aan het empirisch onderzoek der denkverschijnselen. Daardoor echter wil zij komen tot kennis der door de genetische richting verworpen aprioristische onderstellingen van het denken. En zij gelooft dat er ten slotte waarheid door het denken wordt gevonden, d. i. dat er overeenstemming is met een buitenbewuste werkelijkheid.We wezen er reeds op, dat Heymans ook de experimenteele zielkunde beoefent. Vooral op het gebied der belemmering hebben zich zijn onderzoekingen4bewogen.In den laatsten tijd heeft hij zich bezig gehouden met de zielkunde der verschillen tusschen mensch en mensch, sexe en sexe, leeftijd en leeftijd enz. Deze tak der zielkunde werd door hemspeciale psychologiegenoemd. Vooral de bewerking van levensbeschrijvingen en enquêtes leverden hier het materiaal. Het gelukte Heymans een indeeling in achten vankarakters tot stand te brengen. Voor zoover schrijver dezes bekend, verscheen daaromtrent nog niets in den handel5maar in het werk van Mr. v. Dijk: “Bijdragen tot de psychologie van den misdadiger” vindt men een korte uiteenzetting der indeeling.
§ 47.Fechner.
Inleidende opmerkingen.Wij wezen er op, hoe er ten tijde van de speculatieve wijsbegeerte een critische onderstroom was geweest, die in Herbart zijn bekendsten vertegenwoordiger vond. Eveneens waren er in den tijd van het positivisme en het materialisme denkers, die hunne aandacht wijdden aan vraagstukken, welke ’t meerendeel hunner tijdgenooten geen belangstelling konden inboezemen. Daaronder is in de eerste plaats Gustaaf Theodoor Fechner te noemen, wiens leer thans meer en meer aanhang vindt. Hierom plaatsen wij de behandeling in dit gedeelte. Wij zouden zijn leer de lijnrechte tegenstelling van het materialisme kunnen noemen. Terwijl dit leert, dat al het bestaande stof is en onze bewustzijnsverschijnselen slechts een product van bepaalde stoffelijke verrichtingen, leert Fechner, dat het stoffelijke niets anders is dan de wijze, waarop het geestelijke, dat zichzelf als van psychischen aard verschijnt, zich aan een ander vertoont. Een zelfdeproces is “van binnen gezien” geestelijk, “van buiten” stoffelijk. Dit geldt niet voor den mensch alleen. Fechner breidt het uit over heel de wereld. Zijn leer is dus monistisch: er is maar één soort werkelijkheid: het psychische. Vandaar den naampsychisch monisme, (ook ideëel, spiritualistisch monisme).Alleswat bestaat, is psychisch. Zoo ontmoet men voor dit standpunt ook den naampanpsychisme.Fechner’s leven en ontwikkelingsgang.Den 19den April 1801 werd Fechner uit een ernstige, kunstminnende, verlichte predikantenfamilie te Groszsärchen geboren. Hij verloor zijn vader vroeg. Reeds op zestienjarigen leeftijd had hij zijn gymnasiale studiën achter den rug. Hij ging in de geneeskunde studeeren, die destijds, niet geleid door ervaring en onderzoek, in een treurigen toestand verkeerde. Het ging Fechner dan ook als Helmholz (vg. II, blz.230). Hij was doctorandus in de geneeskunde, maar kon geen eenvoudig verband leggen. Hij ging de practijk dan ook niet beoefenen, maar legde zich toe op de studie der natuurkunde, die toen begon te bloeien.In ’t bizonder maakte hij zich verdienstelijk met onderzoekingen op ’t gebied der electriciteit. Met zeer geringe hulpmiddelen wist hij veel tot stand te brengen. Met het vertalen van leerboeken en ’t schrijven van artikelen voorzag hij in zijn onderhoud. In 1834 werd hij hoogleeraar in de natuurkunde. Hij ging door met zijn onderzoekingen, was door beloften verplicht te blijven schrijven. Zijn lichaam leed hieronder. Door vele proeven over de kleurgewaarwordingen waren zijn oogen verzwakt. In 1840 werd hij ziek. Deze ziekte duurde drie jaren. Zij werd beslissend voor Fechner’s leven. Soms was hij op den rand van ’t graf en scheen hij blind, verlamd enkrankzinnig te zullen worden. Zelfs gesprekken vermoeiden. Eenzaam, in doodelijke verveling gingen de dagen voorbij. Maar moedig weerstond hij alle gedachten aan zelfmoord, en vast was hij besloten, alle pijn zoolang te dragen, als hij ’t uithouden kon. Gelukkig kwam beterschap. Einde 1843 was hij hersteld. Zijn professoraat was aan een ander gegeven. (Fechner zelf ontving een wachtgeld, dat tot 1250 thaler werd gebracht). Fechner begeerde ’t ook niet terug. Zijn belangstelling had een andere richting aangenomen. De wijsbegeerte had voortaan zijn hart. In 1846 schrijft hij over ’t hoogste goed. Hierin geeft Fechner zijn eudaimonistische zedeleer. Doel van ons handelen moet zijn, een zoo groot mogelijke hoeveelheidlustte verkrijgen. Die lust moet echter die van het geheel, niet die van den enkeling zijn. Godsdienstig wordt deze zedeleer, door de beschouwing, dat God zelf ook vreugde heeft aan de vermeerdering van lust, dat zijn wil gericht is op de grootste mate van lust, die in de wereld mogelijk is. Voor ons is het grootste geluk gelegen in de overtuiging, dat wij ons willen met den wil Gods in overeenstemming gebracht hebben.Belangrijker voor den opbouw van Fechner’s leer is het in 1848 verschenen werk: “Nanna, over het zieleleven der planten.” Met zeer rijke kennis, met fijne onderscheidingen en met groote fantasie tracht Fechner hier aan te toonen, dat ook aan de planten bewustzijnsleven toekomt. Dit is de voorbereiding voor zijn leer, dat eral-bezielingis. In de “Zend Avesta” van 1851 spreekt hij deze geheel uit. Al de latere beschouwingen en opvattingen van den denker, zijn reeds als in kiem in dit werk voorhanden. Hij voert hier het beginsel der bezieling door van de planten tot onze aarde, van deze tot ons zonnestelselmet zijn planeten, tot de geheele wereld. Dit bezielde Al is de Godheid, waarin de menschen leven, bewegen en zijn, en Fechner die, zelf vroom opgevoed, ook den invloed had ondergaan van de godsdienstige sfeer, waaruit zijn vrouw kwam, tracht aan te toonen, dat zijn leer overeenkomt met de hoofdpunten van den christelijken godsdienst.Uitvoerig handelt hij ook over de onsterfelijkheid, waarover hij reeds eerder had geschreven in zijn werkje: “Boekje van het leven na den dood” (1836) onder den naam van Dr. Mises, (het pseudoniem waaronder hij zijn aesthetische en humoristische geschriften uitgaf), en later in tweeden druk onder eigen naam verschenen. Fechner heeft behalve in een kleiner werkje: (Die Seelenfrage) nog eenmaal zijn wereldbeschouwing ontvouwd in: “De dagbeschouwing tegenover de nachtbeschouwing.” (Die Tagesansicht gegenüber der Nachtansicht). De dagbeschouwing is de beschouwing van het levende, bezielde al; het geloof aan een doode, mechanische werkelijkheid is de nachtbeschouwing.Experimenteele zielkunde.Behalve grondvester der monistische metafysica is Fechner ook de vader derproefondervindelijke zielkunde. Hij heeft het experiment in de zielkunde ingevoerd. Hij begon onderzoekingen omtrent den “onderscheidsdrempel.” Nemen we een lijn van 5,0 M. en een van 5,2. We zien, dat de laatste langer is dan de eerste. Zien wij dat ook van een lijn van 5 M. en 5,01 M.? Neen. Het verschil is te klein. Het moet minstens (gemiddeld) 10 c.M. zijn. Dit even waarneembare verschil wordt door Fechner onderscheidsdrempel genoemd. Dit verschijnsel van den onderscheidsdrempel doet zich ook voor bij waarnemingen uit andere zintuiggebieden. Weber nu had ontdekt, datde verhouding tusschen twee prikkels, die door den onderscheidsdrempel gescheiden zijn,standvastigis. Kan men een lijn van 51 d.M. en 50 d.M. nog even als verschillend groot onderscheiden, dan is dit eveneens het geval bij lijnen van 102 d.M. en 100 d.M., 63 en 60 enz. De verhouding is 51 : 50. Voor geluiden is die bijv. 4 : 3, voor licht 101 : 100. Fechner stelde, naar verschillende methoden, uitvoerige onderzoekingen in omtrent dit verschijnsel. Hij noemde de gevonden wet de wet van Weber. Over ’t geheel gaat, althans voor prikkels van middelmatige sterkte, die wet ook volgens de nieuwere onderzoekingen door. Fechner was echter met dit resultaat niet tevreden. Hij wilde nu ook een wet vinden, die de verhouding aangaf tusschen de sterkte van den prikkel en die der gewaarwording. Inderdaad vond hij die ook1doch volgens de meeste zielkundigen is zij niet bestand tegen het hedendaagsch onderzoek.Fechner zelf is zijn wet steeds blijven verdedigen. Hij noemde de door hem gestichte wetenschap: psychophysica. Zij ging uit van de grondgedachte, dat men psychische verschijnselen kon meten door physische, daar dit steeds de uitwendige zijde van iets geestelijks was. In 1860 verschenen “de Elementen der psychophysica”, en nadat dit werk uitverkocht was, kwam in 1882 “Herziening van de hoofdpunten der psychophysica.” Daarnaast staan kleine geschriften over dit onderwerp.Door exacte onderzoekingsmethoden toe te passen op geestelijke verschijnselen, legde Fechner den grondslag voor de experimenteele zielkunde. Zij steltproevenin bij een aantal proefpersonen, onder zoonauwkeurig mogelijk bepaalde omstandigheden. Nemen we een eenvoudig voorbeeld. Onthoudt in ’t algemeen een kind van 10 jaar beter of minder dan een man van 30? Kies nu bijv. 12 letters: medeklinkers, en laat die kinderen van buiten leeren op een bepaalde wijze, bijv. door ze telkens die twaalf letters luid op te laten herhalen, achter elkaar. Noteer voor elk kind, hoeveel malen het die letters moet herhalen en hoeveel tijd het noodig heeft. Bepaal het gemiddelde. Neem nu, onder zooveel mogelijk dezelfde omstandigheden een aantal mannen. Herhaal dezelfde proef en dezelfde berekeningen. Kom ook hier weer tot een gemiddelde. De beide gevonden waarden laten zich vergelijken en geven het antwoord op de vraag. Wundt heeft het eerste groote laboratorium voor deze onderzoekingen gesticht, eenigszins tot verbazing van Fechner zelf, die zulk een grootsche vlucht niet had verwacht. Thans zijn er bijna over geheel de beschaafde wereld laboratoria. In ons land wordt de proefondervindelijke zielkunde beoefend door den Groningschen hoogleeraar Heymans2, die weldra over een nieuw, wel klein, maar naar de eischen ingericht laboratorium zal te beschikken hebben.Aesthetica.Bizondere verdiensten heeft Fechner zich ook nog verworven door zijn aesthetische studiën. Hij had veel belangstelling voor kunst en kunstcritiek. Hij trachtte nu later de wetten te vinden, waardoor ons mooi-vinden wordt beheerscht. Hij wilde daarbij van ervaring uitgaan. Hij vroeg bijv. een groot aantal menschen, welke figuren uit een aantal rechthoeken ze mooi vonden, of liet ze de figuren samenstellen, die ze ’t mooist achtten. Eveneenspaste hij nauwkeurige metingen toe op verschillende kunstwerken. Zoo wilde hij een aesthetica grondvesten, die, van eenvoudige feiten, van ervaring uitgaand, een schoonheidsleer, “van onderen”, zou worden in tegenstelling met eene, welke uit het begrip van schoonheid hare eischen wou afleiden, een aesthetica “van boven af.” Naast formeele elementen (eenheid in verscheidenheid) wijst Fechner ook nog een ander element aan, dat bij ’t mooi vinden van iets onze oordeelen bepaalt: het associatieve. De indruk, dien wij van een kunstwerk ontvangen, is verbonden met tal van andere voorstellingen, die, meer of minder duidelijk, in ’t bewustzijn worden geroepen. Deze meer of min bewuste voorstellingen nu zijn dikwijls beslissend voor de aesthetische waardeering. Rood op de wangen b.v. doet denken aan jeugdige gezondheid en groeikracht, rood op een neus aan ziekte. Daarom behaagt het eene, mishaagt het andere. Het schoonvinden van een mensch, een landschap, berust dikwijls op associaties. Fechner heeft zijn onderzoekingen verzameld in zijn “Voorschool der Aesthetica”, die geen volledige schoonheidsleer geeft, maar verschillende punten op zeer belangwekkende wijze behandelt. Het werk verscheen in 1876.Fechners leven was een echt geleerden-leven. Rustig ging het daarheen, nu en dan afgewisseld door reizen. Zijn ouderdom was, door het afsterven van vrouw en vrienden, betrekkelijk eenzaam, maar werd verlicht door vele blijken van liefde en hoogachting. Tot hoogen leeftijd bleef zijn geest helder. 6 Nov. nog werkte hij, 18 Nov. 1887 overleed hij.Fechner was een zeer zeldzame, buitengewoon begaafde persoonlijkheid. Aan de scherpzinnigheid, de nauwgezetheid en het geduld van den natuuronderzoekerpaarde hij de rijke fantasie en het diepe gevoel van den kunstenaar. Hij was kinderlijk vroom, eenvoudig, welwillend in den omgang. Hij hield van discussie, maar verbitterde nooit, en vergaf steeds. Wie met hem omgingen achtten en beminden hem. Het voor hem opgericht standbeeld te Leipzig draagt als opschrift de godsdienstige formuleering zijner levensbeschouwing: “In God leven, bewegen en zijn wij.”Aanhangers van ’t monisme.Zonder een school te stichten, heeft Fechner toch onder de thans levenden vele aanhangers.Allereerst zij genoemd Friedrich Paulsen.3Deze bekende Berlijnsche hoogleeraar schreef een “Inleiding in de wijsbegeerte,” waarin hij de verschillende wijsgeerige problemen behandelt met een geschiedkundig overzicht en zichzelf stelt op ’t standpunt van ’t psychisch-monisme. Veel aandacht wijdt Paulsen ook aan de religie en haar verhouding tot de wetenschap. Zoowel bij deze kwestie als in zijn kennistheorie toont hij zich meer aan Kant verwant (hij schreef voor Frommans-Klassiker het nummer over Kant) dan Fechner, die eerst leefde in een tijd toen Kant vergeten was en zijn leer reeds klaar had, toen de Kantstudie herleefde. Door zijn eenvoud zoowel als door zijn warmen, schoonen stijl heeft Paulsen veel lezers gevonden en wordt zijn boek als de meest geschikte inleiding tot ’t monisme geprezen. Ook zijn “Systeem der ethica” verwierf veel waardeering. Naast de theoretische vragen worden daarin ook een aantal vragen van practischen aard boeiend behandeld. Voor opvoedkundige kwesties toonde Paulsen medeveel belangstelling, met name voor de geschiedenis van het onderwijs. (Zie ook II,132).In Amerika vond het monisme zijn verdediger inStrong, die in 1900 zijn werk uitgaf: “Waarom de geest een lichaam heeft” en vooral van kennistheoretisch en zielkundig standpunt uit het monisme opbouwt. Hij verdedigt het en vergelijkt het vooral met de beschouwingen van Engelsche en Amerikaansche schrijvers. Hij beperkt zich tot de verhouding tusschen ziel en lichaam. In dit opzicht vertoont hij een groote overeenkomst metHeymans. Deze gaf in 1905 zijn “Einführung in die Metaphysik.” Na de verschillende stelsels critisch beschouwd, en het onvoldoende aangetoond te hebben, ontwikkelt hij het psychisch monisme. Veel meer dan bij Fechner staat hier het kennis-theoretisch standpunt op den voorgrond.In de kennistheorie (door den schrijver ontwikkeld in zijn: “Gesetze und Elemente des Menschlichen Denkens,” Tweede druk, Leipzig 1905) heeft Heymans een eigen richting. Hij staat op hetzelfde standpunt, dat Kant naarHeymans’opvatting voor en in 1770 innam, en dat hij ’tanalytischezou willen noemen. Locke (vg. I, 295) had den oorsprong onzer kennis nagegaan. Voor de aanhangers der genetische richting waartoe ook Hume behoorde, was er in de ervaring geenvoldoendegrond voor sommige gegevens van ’t bewustzijn en nu trachtten zij die anders te verklaren, b.v. door associatie (zie bijv. Hume’s verklaring van ’t causaliteitsbeginsel in I, pag. 319). Daarmee echter waszekerheidonzer kennis, zoodra zich deze uitstrekt over de ervaringsgegevens, onmogelijk. Kant had dit gevoeld en hij had devoorwaardenbestudeerd,waaronderiets tot wetenschap werd (zie II, pg.319). Hij en de latere criticisten zeggen dus: wij noemen iets waar, als het aan de voorwaardenvoldoet, dat het eengepaste, behoorlijkeverbinding is. Die gepastheiddringtzich aan ons op. Maar of nu die voorstellingen overeenstemmen met de werkelijkheid, daarover laten wij ons niet uit.Heymans nu, zich plaatsende op het standpunt, dat Kant in en vóór 1770 innam, wil allereerst trachten deninhoudonzer denkaxioma’s te leeren kennen. Heeft hij die gevonden, door een nauwkeurig onderzoek der wetenschap, die ze gebruikt, dan tracht hij ze te verklaren. Deze analytische methode hecht dus meer dan de critische aan het empirisch onderzoek der denkverschijnselen. Daardoor echter wil zij komen tot kennis der door de genetische richting verworpen aprioristische onderstellingen van het denken. En zij gelooft dat er ten slotte waarheid door het denken wordt gevonden, d. i. dat er overeenstemming is met een buitenbewuste werkelijkheid.We wezen er reeds op, dat Heymans ook de experimenteele zielkunde beoefent. Vooral op het gebied der belemmering hebben zich zijn onderzoekingen4bewogen.In den laatsten tijd heeft hij zich bezig gehouden met de zielkunde der verschillen tusschen mensch en mensch, sexe en sexe, leeftijd en leeftijd enz. Deze tak der zielkunde werd door hemspeciale psychologiegenoemd. Vooral de bewerking van levensbeschrijvingen en enquêtes leverden hier het materiaal. Het gelukte Heymans een indeeling in achten vankarakters tot stand te brengen. Voor zoover schrijver dezes bekend, verscheen daaromtrent nog niets in den handel5maar in het werk van Mr. v. Dijk: “Bijdragen tot de psychologie van den misdadiger” vindt men een korte uiteenzetting der indeeling.
Inleidende opmerkingen.Wij wezen er op, hoe er ten tijde van de speculatieve wijsbegeerte een critische onderstroom was geweest, die in Herbart zijn bekendsten vertegenwoordiger vond. Eveneens waren er in den tijd van het positivisme en het materialisme denkers, die hunne aandacht wijdden aan vraagstukken, welke ’t meerendeel hunner tijdgenooten geen belangstelling konden inboezemen. Daaronder is in de eerste plaats Gustaaf Theodoor Fechner te noemen, wiens leer thans meer en meer aanhang vindt. Hierom plaatsen wij de behandeling in dit gedeelte. Wij zouden zijn leer de lijnrechte tegenstelling van het materialisme kunnen noemen. Terwijl dit leert, dat al het bestaande stof is en onze bewustzijnsverschijnselen slechts een product van bepaalde stoffelijke verrichtingen, leert Fechner, dat het stoffelijke niets anders is dan de wijze, waarop het geestelijke, dat zichzelf als van psychischen aard verschijnt, zich aan een ander vertoont. Een zelfdeproces is “van binnen gezien” geestelijk, “van buiten” stoffelijk. Dit geldt niet voor den mensch alleen. Fechner breidt het uit over heel de wereld. Zijn leer is dus monistisch: er is maar één soort werkelijkheid: het psychische. Vandaar den naampsychisch monisme, (ook ideëel, spiritualistisch monisme).Alleswat bestaat, is psychisch. Zoo ontmoet men voor dit standpunt ook den naampanpsychisme.
Inleidende opmerkingen.
Wij wezen er op, hoe er ten tijde van de speculatieve wijsbegeerte een critische onderstroom was geweest, die in Herbart zijn bekendsten vertegenwoordiger vond. Eveneens waren er in den tijd van het positivisme en het materialisme denkers, die hunne aandacht wijdden aan vraagstukken, welke ’t meerendeel hunner tijdgenooten geen belangstelling konden inboezemen. Daaronder is in de eerste plaats Gustaaf Theodoor Fechner te noemen, wiens leer thans meer en meer aanhang vindt. Hierom plaatsen wij de behandeling in dit gedeelte. Wij zouden zijn leer de lijnrechte tegenstelling van het materialisme kunnen noemen. Terwijl dit leert, dat al het bestaande stof is en onze bewustzijnsverschijnselen slechts een product van bepaalde stoffelijke verrichtingen, leert Fechner, dat het stoffelijke niets anders is dan de wijze, waarop het geestelijke, dat zichzelf als van psychischen aard verschijnt, zich aan een ander vertoont. Een zelfdeproces is “van binnen gezien” geestelijk, “van buiten” stoffelijk. Dit geldt niet voor den mensch alleen. Fechner breidt het uit over heel de wereld. Zijn leer is dus monistisch: er is maar één soort werkelijkheid: het psychische. Vandaar den naampsychisch monisme, (ook ideëel, spiritualistisch monisme).Alleswat bestaat, is psychisch. Zoo ontmoet men voor dit standpunt ook den naampanpsychisme.
Wij wezen er op, hoe er ten tijde van de speculatieve wijsbegeerte een critische onderstroom was geweest, die in Herbart zijn bekendsten vertegenwoordiger vond. Eveneens waren er in den tijd van het positivisme en het materialisme denkers, die hunne aandacht wijdden aan vraagstukken, welke ’t meerendeel hunner tijdgenooten geen belangstelling konden inboezemen. Daaronder is in de eerste plaats Gustaaf Theodoor Fechner te noemen, wiens leer thans meer en meer aanhang vindt. Hierom plaatsen wij de behandeling in dit gedeelte. Wij zouden zijn leer de lijnrechte tegenstelling van het materialisme kunnen noemen. Terwijl dit leert, dat al het bestaande stof is en onze bewustzijnsverschijnselen slechts een product van bepaalde stoffelijke verrichtingen, leert Fechner, dat het stoffelijke niets anders is dan de wijze, waarop het geestelijke, dat zichzelf als van psychischen aard verschijnt, zich aan een ander vertoont. Een zelfdeproces is “van binnen gezien” geestelijk, “van buiten” stoffelijk. Dit geldt niet voor den mensch alleen. Fechner breidt het uit over heel de wereld. Zijn leer is dus monistisch: er is maar één soort werkelijkheid: het psychische. Vandaar den naampsychisch monisme, (ook ideëel, spiritualistisch monisme).Alleswat bestaat, is psychisch. Zoo ontmoet men voor dit standpunt ook den naampanpsychisme.
Fechner’s leven en ontwikkelingsgang.Den 19den April 1801 werd Fechner uit een ernstige, kunstminnende, verlichte predikantenfamilie te Groszsärchen geboren. Hij verloor zijn vader vroeg. Reeds op zestienjarigen leeftijd had hij zijn gymnasiale studiën achter den rug. Hij ging in de geneeskunde studeeren, die destijds, niet geleid door ervaring en onderzoek, in een treurigen toestand verkeerde. Het ging Fechner dan ook als Helmholz (vg. II, blz.230). Hij was doctorandus in de geneeskunde, maar kon geen eenvoudig verband leggen. Hij ging de practijk dan ook niet beoefenen, maar legde zich toe op de studie der natuurkunde, die toen begon te bloeien.In ’t bizonder maakte hij zich verdienstelijk met onderzoekingen op ’t gebied der electriciteit. Met zeer geringe hulpmiddelen wist hij veel tot stand te brengen. Met het vertalen van leerboeken en ’t schrijven van artikelen voorzag hij in zijn onderhoud. In 1834 werd hij hoogleeraar in de natuurkunde. Hij ging door met zijn onderzoekingen, was door beloften verplicht te blijven schrijven. Zijn lichaam leed hieronder. Door vele proeven over de kleurgewaarwordingen waren zijn oogen verzwakt. In 1840 werd hij ziek. Deze ziekte duurde drie jaren. Zij werd beslissend voor Fechner’s leven. Soms was hij op den rand van ’t graf en scheen hij blind, verlamd enkrankzinnig te zullen worden. Zelfs gesprekken vermoeiden. Eenzaam, in doodelijke verveling gingen de dagen voorbij. Maar moedig weerstond hij alle gedachten aan zelfmoord, en vast was hij besloten, alle pijn zoolang te dragen, als hij ’t uithouden kon. Gelukkig kwam beterschap. Einde 1843 was hij hersteld. Zijn professoraat was aan een ander gegeven. (Fechner zelf ontving een wachtgeld, dat tot 1250 thaler werd gebracht). Fechner begeerde ’t ook niet terug. Zijn belangstelling had een andere richting aangenomen. De wijsbegeerte had voortaan zijn hart. In 1846 schrijft hij over ’t hoogste goed. Hierin geeft Fechner zijn eudaimonistische zedeleer. Doel van ons handelen moet zijn, een zoo groot mogelijke hoeveelheidlustte verkrijgen. Die lust moet echter die van het geheel, niet die van den enkeling zijn. Godsdienstig wordt deze zedeleer, door de beschouwing, dat God zelf ook vreugde heeft aan de vermeerdering van lust, dat zijn wil gericht is op de grootste mate van lust, die in de wereld mogelijk is. Voor ons is het grootste geluk gelegen in de overtuiging, dat wij ons willen met den wil Gods in overeenstemming gebracht hebben.Belangrijker voor den opbouw van Fechner’s leer is het in 1848 verschenen werk: “Nanna, over het zieleleven der planten.” Met zeer rijke kennis, met fijne onderscheidingen en met groote fantasie tracht Fechner hier aan te toonen, dat ook aan de planten bewustzijnsleven toekomt. Dit is de voorbereiding voor zijn leer, dat eral-bezielingis. In de “Zend Avesta” van 1851 spreekt hij deze geheel uit. Al de latere beschouwingen en opvattingen van den denker, zijn reeds als in kiem in dit werk voorhanden. Hij voert hier het beginsel der bezieling door van de planten tot onze aarde, van deze tot ons zonnestelselmet zijn planeten, tot de geheele wereld. Dit bezielde Al is de Godheid, waarin de menschen leven, bewegen en zijn, en Fechner die, zelf vroom opgevoed, ook den invloed had ondergaan van de godsdienstige sfeer, waaruit zijn vrouw kwam, tracht aan te toonen, dat zijn leer overeenkomt met de hoofdpunten van den christelijken godsdienst.Uitvoerig handelt hij ook over de onsterfelijkheid, waarover hij reeds eerder had geschreven in zijn werkje: “Boekje van het leven na den dood” (1836) onder den naam van Dr. Mises, (het pseudoniem waaronder hij zijn aesthetische en humoristische geschriften uitgaf), en later in tweeden druk onder eigen naam verschenen. Fechner heeft behalve in een kleiner werkje: (Die Seelenfrage) nog eenmaal zijn wereldbeschouwing ontvouwd in: “De dagbeschouwing tegenover de nachtbeschouwing.” (Die Tagesansicht gegenüber der Nachtansicht). De dagbeschouwing is de beschouwing van het levende, bezielde al; het geloof aan een doode, mechanische werkelijkheid is de nachtbeschouwing.
Fechner’s leven en ontwikkelingsgang.
Den 19den April 1801 werd Fechner uit een ernstige, kunstminnende, verlichte predikantenfamilie te Groszsärchen geboren. Hij verloor zijn vader vroeg. Reeds op zestienjarigen leeftijd had hij zijn gymnasiale studiën achter den rug. Hij ging in de geneeskunde studeeren, die destijds, niet geleid door ervaring en onderzoek, in een treurigen toestand verkeerde. Het ging Fechner dan ook als Helmholz (vg. II, blz.230). Hij was doctorandus in de geneeskunde, maar kon geen eenvoudig verband leggen. Hij ging de practijk dan ook niet beoefenen, maar legde zich toe op de studie der natuurkunde, die toen begon te bloeien.In ’t bizonder maakte hij zich verdienstelijk met onderzoekingen op ’t gebied der electriciteit. Met zeer geringe hulpmiddelen wist hij veel tot stand te brengen. Met het vertalen van leerboeken en ’t schrijven van artikelen voorzag hij in zijn onderhoud. In 1834 werd hij hoogleeraar in de natuurkunde. Hij ging door met zijn onderzoekingen, was door beloften verplicht te blijven schrijven. Zijn lichaam leed hieronder. Door vele proeven over de kleurgewaarwordingen waren zijn oogen verzwakt. In 1840 werd hij ziek. Deze ziekte duurde drie jaren. Zij werd beslissend voor Fechner’s leven. Soms was hij op den rand van ’t graf en scheen hij blind, verlamd enkrankzinnig te zullen worden. Zelfs gesprekken vermoeiden. Eenzaam, in doodelijke verveling gingen de dagen voorbij. Maar moedig weerstond hij alle gedachten aan zelfmoord, en vast was hij besloten, alle pijn zoolang te dragen, als hij ’t uithouden kon. Gelukkig kwam beterschap. Einde 1843 was hij hersteld. Zijn professoraat was aan een ander gegeven. (Fechner zelf ontving een wachtgeld, dat tot 1250 thaler werd gebracht). Fechner begeerde ’t ook niet terug. Zijn belangstelling had een andere richting aangenomen. De wijsbegeerte had voortaan zijn hart. In 1846 schrijft hij over ’t hoogste goed. Hierin geeft Fechner zijn eudaimonistische zedeleer. Doel van ons handelen moet zijn, een zoo groot mogelijke hoeveelheidlustte verkrijgen. Die lust moet echter die van het geheel, niet die van den enkeling zijn. Godsdienstig wordt deze zedeleer, door de beschouwing, dat God zelf ook vreugde heeft aan de vermeerdering van lust, dat zijn wil gericht is op de grootste mate van lust, die in de wereld mogelijk is. Voor ons is het grootste geluk gelegen in de overtuiging, dat wij ons willen met den wil Gods in overeenstemming gebracht hebben.Belangrijker voor den opbouw van Fechner’s leer is het in 1848 verschenen werk: “Nanna, over het zieleleven der planten.” Met zeer rijke kennis, met fijne onderscheidingen en met groote fantasie tracht Fechner hier aan te toonen, dat ook aan de planten bewustzijnsleven toekomt. Dit is de voorbereiding voor zijn leer, dat eral-bezielingis. In de “Zend Avesta” van 1851 spreekt hij deze geheel uit. Al de latere beschouwingen en opvattingen van den denker, zijn reeds als in kiem in dit werk voorhanden. Hij voert hier het beginsel der bezieling door van de planten tot onze aarde, van deze tot ons zonnestelselmet zijn planeten, tot de geheele wereld. Dit bezielde Al is de Godheid, waarin de menschen leven, bewegen en zijn, en Fechner die, zelf vroom opgevoed, ook den invloed had ondergaan van de godsdienstige sfeer, waaruit zijn vrouw kwam, tracht aan te toonen, dat zijn leer overeenkomt met de hoofdpunten van den christelijken godsdienst.Uitvoerig handelt hij ook over de onsterfelijkheid, waarover hij reeds eerder had geschreven in zijn werkje: “Boekje van het leven na den dood” (1836) onder den naam van Dr. Mises, (het pseudoniem waaronder hij zijn aesthetische en humoristische geschriften uitgaf), en later in tweeden druk onder eigen naam verschenen. Fechner heeft behalve in een kleiner werkje: (Die Seelenfrage) nog eenmaal zijn wereldbeschouwing ontvouwd in: “De dagbeschouwing tegenover de nachtbeschouwing.” (Die Tagesansicht gegenüber der Nachtansicht). De dagbeschouwing is de beschouwing van het levende, bezielde al; het geloof aan een doode, mechanische werkelijkheid is de nachtbeschouwing.
Den 19den April 1801 werd Fechner uit een ernstige, kunstminnende, verlichte predikantenfamilie te Groszsärchen geboren. Hij verloor zijn vader vroeg. Reeds op zestienjarigen leeftijd had hij zijn gymnasiale studiën achter den rug. Hij ging in de geneeskunde studeeren, die destijds, niet geleid door ervaring en onderzoek, in een treurigen toestand verkeerde. Het ging Fechner dan ook als Helmholz (vg. II, blz.230). Hij was doctorandus in de geneeskunde, maar kon geen eenvoudig verband leggen. Hij ging de practijk dan ook niet beoefenen, maar legde zich toe op de studie der natuurkunde, die toen begon te bloeien.
In ’t bizonder maakte hij zich verdienstelijk met onderzoekingen op ’t gebied der electriciteit. Met zeer geringe hulpmiddelen wist hij veel tot stand te brengen. Met het vertalen van leerboeken en ’t schrijven van artikelen voorzag hij in zijn onderhoud. In 1834 werd hij hoogleeraar in de natuurkunde. Hij ging door met zijn onderzoekingen, was door beloften verplicht te blijven schrijven. Zijn lichaam leed hieronder. Door vele proeven over de kleurgewaarwordingen waren zijn oogen verzwakt. In 1840 werd hij ziek. Deze ziekte duurde drie jaren. Zij werd beslissend voor Fechner’s leven. Soms was hij op den rand van ’t graf en scheen hij blind, verlamd enkrankzinnig te zullen worden. Zelfs gesprekken vermoeiden. Eenzaam, in doodelijke verveling gingen de dagen voorbij. Maar moedig weerstond hij alle gedachten aan zelfmoord, en vast was hij besloten, alle pijn zoolang te dragen, als hij ’t uithouden kon. Gelukkig kwam beterschap. Einde 1843 was hij hersteld. Zijn professoraat was aan een ander gegeven. (Fechner zelf ontving een wachtgeld, dat tot 1250 thaler werd gebracht). Fechner begeerde ’t ook niet terug. Zijn belangstelling had een andere richting aangenomen. De wijsbegeerte had voortaan zijn hart. In 1846 schrijft hij over ’t hoogste goed. Hierin geeft Fechner zijn eudaimonistische zedeleer. Doel van ons handelen moet zijn, een zoo groot mogelijke hoeveelheidlustte verkrijgen. Die lust moet echter die van het geheel, niet die van den enkeling zijn. Godsdienstig wordt deze zedeleer, door de beschouwing, dat God zelf ook vreugde heeft aan de vermeerdering van lust, dat zijn wil gericht is op de grootste mate van lust, die in de wereld mogelijk is. Voor ons is het grootste geluk gelegen in de overtuiging, dat wij ons willen met den wil Gods in overeenstemming gebracht hebben.
Belangrijker voor den opbouw van Fechner’s leer is het in 1848 verschenen werk: “Nanna, over het zieleleven der planten.” Met zeer rijke kennis, met fijne onderscheidingen en met groote fantasie tracht Fechner hier aan te toonen, dat ook aan de planten bewustzijnsleven toekomt. Dit is de voorbereiding voor zijn leer, dat eral-bezielingis. In de “Zend Avesta” van 1851 spreekt hij deze geheel uit. Al de latere beschouwingen en opvattingen van den denker, zijn reeds als in kiem in dit werk voorhanden. Hij voert hier het beginsel der bezieling door van de planten tot onze aarde, van deze tot ons zonnestelselmet zijn planeten, tot de geheele wereld. Dit bezielde Al is de Godheid, waarin de menschen leven, bewegen en zijn, en Fechner die, zelf vroom opgevoed, ook den invloed had ondergaan van de godsdienstige sfeer, waaruit zijn vrouw kwam, tracht aan te toonen, dat zijn leer overeenkomt met de hoofdpunten van den christelijken godsdienst.
Uitvoerig handelt hij ook over de onsterfelijkheid, waarover hij reeds eerder had geschreven in zijn werkje: “Boekje van het leven na den dood” (1836) onder den naam van Dr. Mises, (het pseudoniem waaronder hij zijn aesthetische en humoristische geschriften uitgaf), en later in tweeden druk onder eigen naam verschenen. Fechner heeft behalve in een kleiner werkje: (Die Seelenfrage) nog eenmaal zijn wereldbeschouwing ontvouwd in: “De dagbeschouwing tegenover de nachtbeschouwing.” (Die Tagesansicht gegenüber der Nachtansicht). De dagbeschouwing is de beschouwing van het levende, bezielde al; het geloof aan een doode, mechanische werkelijkheid is de nachtbeschouwing.
Experimenteele zielkunde.Behalve grondvester der monistische metafysica is Fechner ook de vader derproefondervindelijke zielkunde. Hij heeft het experiment in de zielkunde ingevoerd. Hij begon onderzoekingen omtrent den “onderscheidsdrempel.” Nemen we een lijn van 5,0 M. en een van 5,2. We zien, dat de laatste langer is dan de eerste. Zien wij dat ook van een lijn van 5 M. en 5,01 M.? Neen. Het verschil is te klein. Het moet minstens (gemiddeld) 10 c.M. zijn. Dit even waarneembare verschil wordt door Fechner onderscheidsdrempel genoemd. Dit verschijnsel van den onderscheidsdrempel doet zich ook voor bij waarnemingen uit andere zintuiggebieden. Weber nu had ontdekt, datde verhouding tusschen twee prikkels, die door den onderscheidsdrempel gescheiden zijn,standvastigis. Kan men een lijn van 51 d.M. en 50 d.M. nog even als verschillend groot onderscheiden, dan is dit eveneens het geval bij lijnen van 102 d.M. en 100 d.M., 63 en 60 enz. De verhouding is 51 : 50. Voor geluiden is die bijv. 4 : 3, voor licht 101 : 100. Fechner stelde, naar verschillende methoden, uitvoerige onderzoekingen in omtrent dit verschijnsel. Hij noemde de gevonden wet de wet van Weber. Over ’t geheel gaat, althans voor prikkels van middelmatige sterkte, die wet ook volgens de nieuwere onderzoekingen door. Fechner was echter met dit resultaat niet tevreden. Hij wilde nu ook een wet vinden, die de verhouding aangaf tusschen de sterkte van den prikkel en die der gewaarwording. Inderdaad vond hij die ook1doch volgens de meeste zielkundigen is zij niet bestand tegen het hedendaagsch onderzoek.Fechner zelf is zijn wet steeds blijven verdedigen. Hij noemde de door hem gestichte wetenschap: psychophysica. Zij ging uit van de grondgedachte, dat men psychische verschijnselen kon meten door physische, daar dit steeds de uitwendige zijde van iets geestelijks was. In 1860 verschenen “de Elementen der psychophysica”, en nadat dit werk uitverkocht was, kwam in 1882 “Herziening van de hoofdpunten der psychophysica.” Daarnaast staan kleine geschriften over dit onderwerp.Door exacte onderzoekingsmethoden toe te passen op geestelijke verschijnselen, legde Fechner den grondslag voor de experimenteele zielkunde. Zij steltproevenin bij een aantal proefpersonen, onder zoonauwkeurig mogelijk bepaalde omstandigheden. Nemen we een eenvoudig voorbeeld. Onthoudt in ’t algemeen een kind van 10 jaar beter of minder dan een man van 30? Kies nu bijv. 12 letters: medeklinkers, en laat die kinderen van buiten leeren op een bepaalde wijze, bijv. door ze telkens die twaalf letters luid op te laten herhalen, achter elkaar. Noteer voor elk kind, hoeveel malen het die letters moet herhalen en hoeveel tijd het noodig heeft. Bepaal het gemiddelde. Neem nu, onder zooveel mogelijk dezelfde omstandigheden een aantal mannen. Herhaal dezelfde proef en dezelfde berekeningen. Kom ook hier weer tot een gemiddelde. De beide gevonden waarden laten zich vergelijken en geven het antwoord op de vraag. Wundt heeft het eerste groote laboratorium voor deze onderzoekingen gesticht, eenigszins tot verbazing van Fechner zelf, die zulk een grootsche vlucht niet had verwacht. Thans zijn er bijna over geheel de beschaafde wereld laboratoria. In ons land wordt de proefondervindelijke zielkunde beoefend door den Groningschen hoogleeraar Heymans2, die weldra over een nieuw, wel klein, maar naar de eischen ingericht laboratorium zal te beschikken hebben.
Experimenteele zielkunde.
Behalve grondvester der monistische metafysica is Fechner ook de vader derproefondervindelijke zielkunde. Hij heeft het experiment in de zielkunde ingevoerd. Hij begon onderzoekingen omtrent den “onderscheidsdrempel.” Nemen we een lijn van 5,0 M. en een van 5,2. We zien, dat de laatste langer is dan de eerste. Zien wij dat ook van een lijn van 5 M. en 5,01 M.? Neen. Het verschil is te klein. Het moet minstens (gemiddeld) 10 c.M. zijn. Dit even waarneembare verschil wordt door Fechner onderscheidsdrempel genoemd. Dit verschijnsel van den onderscheidsdrempel doet zich ook voor bij waarnemingen uit andere zintuiggebieden. Weber nu had ontdekt, datde verhouding tusschen twee prikkels, die door den onderscheidsdrempel gescheiden zijn,standvastigis. Kan men een lijn van 51 d.M. en 50 d.M. nog even als verschillend groot onderscheiden, dan is dit eveneens het geval bij lijnen van 102 d.M. en 100 d.M., 63 en 60 enz. De verhouding is 51 : 50. Voor geluiden is die bijv. 4 : 3, voor licht 101 : 100. Fechner stelde, naar verschillende methoden, uitvoerige onderzoekingen in omtrent dit verschijnsel. Hij noemde de gevonden wet de wet van Weber. Over ’t geheel gaat, althans voor prikkels van middelmatige sterkte, die wet ook volgens de nieuwere onderzoekingen door. Fechner was echter met dit resultaat niet tevreden. Hij wilde nu ook een wet vinden, die de verhouding aangaf tusschen de sterkte van den prikkel en die der gewaarwording. Inderdaad vond hij die ook1doch volgens de meeste zielkundigen is zij niet bestand tegen het hedendaagsch onderzoek.Fechner zelf is zijn wet steeds blijven verdedigen. Hij noemde de door hem gestichte wetenschap: psychophysica. Zij ging uit van de grondgedachte, dat men psychische verschijnselen kon meten door physische, daar dit steeds de uitwendige zijde van iets geestelijks was. In 1860 verschenen “de Elementen der psychophysica”, en nadat dit werk uitverkocht was, kwam in 1882 “Herziening van de hoofdpunten der psychophysica.” Daarnaast staan kleine geschriften over dit onderwerp.Door exacte onderzoekingsmethoden toe te passen op geestelijke verschijnselen, legde Fechner den grondslag voor de experimenteele zielkunde. Zij steltproevenin bij een aantal proefpersonen, onder zoonauwkeurig mogelijk bepaalde omstandigheden. Nemen we een eenvoudig voorbeeld. Onthoudt in ’t algemeen een kind van 10 jaar beter of minder dan een man van 30? Kies nu bijv. 12 letters: medeklinkers, en laat die kinderen van buiten leeren op een bepaalde wijze, bijv. door ze telkens die twaalf letters luid op te laten herhalen, achter elkaar. Noteer voor elk kind, hoeveel malen het die letters moet herhalen en hoeveel tijd het noodig heeft. Bepaal het gemiddelde. Neem nu, onder zooveel mogelijk dezelfde omstandigheden een aantal mannen. Herhaal dezelfde proef en dezelfde berekeningen. Kom ook hier weer tot een gemiddelde. De beide gevonden waarden laten zich vergelijken en geven het antwoord op de vraag. Wundt heeft het eerste groote laboratorium voor deze onderzoekingen gesticht, eenigszins tot verbazing van Fechner zelf, die zulk een grootsche vlucht niet had verwacht. Thans zijn er bijna over geheel de beschaafde wereld laboratoria. In ons land wordt de proefondervindelijke zielkunde beoefend door den Groningschen hoogleeraar Heymans2, die weldra over een nieuw, wel klein, maar naar de eischen ingericht laboratorium zal te beschikken hebben.
Behalve grondvester der monistische metafysica is Fechner ook de vader derproefondervindelijke zielkunde. Hij heeft het experiment in de zielkunde ingevoerd. Hij begon onderzoekingen omtrent den “onderscheidsdrempel.” Nemen we een lijn van 5,0 M. en een van 5,2. We zien, dat de laatste langer is dan de eerste. Zien wij dat ook van een lijn van 5 M. en 5,01 M.? Neen. Het verschil is te klein. Het moet minstens (gemiddeld) 10 c.M. zijn. Dit even waarneembare verschil wordt door Fechner onderscheidsdrempel genoemd. Dit verschijnsel van den onderscheidsdrempel doet zich ook voor bij waarnemingen uit andere zintuiggebieden. Weber nu had ontdekt, datde verhouding tusschen twee prikkels, die door den onderscheidsdrempel gescheiden zijn,standvastigis. Kan men een lijn van 51 d.M. en 50 d.M. nog even als verschillend groot onderscheiden, dan is dit eveneens het geval bij lijnen van 102 d.M. en 100 d.M., 63 en 60 enz. De verhouding is 51 : 50. Voor geluiden is die bijv. 4 : 3, voor licht 101 : 100. Fechner stelde, naar verschillende methoden, uitvoerige onderzoekingen in omtrent dit verschijnsel. Hij noemde de gevonden wet de wet van Weber. Over ’t geheel gaat, althans voor prikkels van middelmatige sterkte, die wet ook volgens de nieuwere onderzoekingen door. Fechner was echter met dit resultaat niet tevreden. Hij wilde nu ook een wet vinden, die de verhouding aangaf tusschen de sterkte van den prikkel en die der gewaarwording. Inderdaad vond hij die ook1doch volgens de meeste zielkundigen is zij niet bestand tegen het hedendaagsch onderzoek.
Fechner zelf is zijn wet steeds blijven verdedigen. Hij noemde de door hem gestichte wetenschap: psychophysica. Zij ging uit van de grondgedachte, dat men psychische verschijnselen kon meten door physische, daar dit steeds de uitwendige zijde van iets geestelijks was. In 1860 verschenen “de Elementen der psychophysica”, en nadat dit werk uitverkocht was, kwam in 1882 “Herziening van de hoofdpunten der psychophysica.” Daarnaast staan kleine geschriften over dit onderwerp.
Door exacte onderzoekingsmethoden toe te passen op geestelijke verschijnselen, legde Fechner den grondslag voor de experimenteele zielkunde. Zij steltproevenin bij een aantal proefpersonen, onder zoonauwkeurig mogelijk bepaalde omstandigheden. Nemen we een eenvoudig voorbeeld. Onthoudt in ’t algemeen een kind van 10 jaar beter of minder dan een man van 30? Kies nu bijv. 12 letters: medeklinkers, en laat die kinderen van buiten leeren op een bepaalde wijze, bijv. door ze telkens die twaalf letters luid op te laten herhalen, achter elkaar. Noteer voor elk kind, hoeveel malen het die letters moet herhalen en hoeveel tijd het noodig heeft. Bepaal het gemiddelde. Neem nu, onder zooveel mogelijk dezelfde omstandigheden een aantal mannen. Herhaal dezelfde proef en dezelfde berekeningen. Kom ook hier weer tot een gemiddelde. De beide gevonden waarden laten zich vergelijken en geven het antwoord op de vraag. Wundt heeft het eerste groote laboratorium voor deze onderzoekingen gesticht, eenigszins tot verbazing van Fechner zelf, die zulk een grootsche vlucht niet had verwacht. Thans zijn er bijna over geheel de beschaafde wereld laboratoria. In ons land wordt de proefondervindelijke zielkunde beoefend door den Groningschen hoogleeraar Heymans2, die weldra over een nieuw, wel klein, maar naar de eischen ingericht laboratorium zal te beschikken hebben.
Aesthetica.Bizondere verdiensten heeft Fechner zich ook nog verworven door zijn aesthetische studiën. Hij had veel belangstelling voor kunst en kunstcritiek. Hij trachtte nu later de wetten te vinden, waardoor ons mooi-vinden wordt beheerscht. Hij wilde daarbij van ervaring uitgaan. Hij vroeg bijv. een groot aantal menschen, welke figuren uit een aantal rechthoeken ze mooi vonden, of liet ze de figuren samenstellen, die ze ’t mooist achtten. Eveneenspaste hij nauwkeurige metingen toe op verschillende kunstwerken. Zoo wilde hij een aesthetica grondvesten, die, van eenvoudige feiten, van ervaring uitgaand, een schoonheidsleer, “van onderen”, zou worden in tegenstelling met eene, welke uit het begrip van schoonheid hare eischen wou afleiden, een aesthetica “van boven af.” Naast formeele elementen (eenheid in verscheidenheid) wijst Fechner ook nog een ander element aan, dat bij ’t mooi vinden van iets onze oordeelen bepaalt: het associatieve. De indruk, dien wij van een kunstwerk ontvangen, is verbonden met tal van andere voorstellingen, die, meer of minder duidelijk, in ’t bewustzijn worden geroepen. Deze meer of min bewuste voorstellingen nu zijn dikwijls beslissend voor de aesthetische waardeering. Rood op de wangen b.v. doet denken aan jeugdige gezondheid en groeikracht, rood op een neus aan ziekte. Daarom behaagt het eene, mishaagt het andere. Het schoonvinden van een mensch, een landschap, berust dikwijls op associaties. Fechner heeft zijn onderzoekingen verzameld in zijn “Voorschool der Aesthetica”, die geen volledige schoonheidsleer geeft, maar verschillende punten op zeer belangwekkende wijze behandelt. Het werk verscheen in 1876.Fechners leven was een echt geleerden-leven. Rustig ging het daarheen, nu en dan afgewisseld door reizen. Zijn ouderdom was, door het afsterven van vrouw en vrienden, betrekkelijk eenzaam, maar werd verlicht door vele blijken van liefde en hoogachting. Tot hoogen leeftijd bleef zijn geest helder. 6 Nov. nog werkte hij, 18 Nov. 1887 overleed hij.Fechner was een zeer zeldzame, buitengewoon begaafde persoonlijkheid. Aan de scherpzinnigheid, de nauwgezetheid en het geduld van den natuuronderzoekerpaarde hij de rijke fantasie en het diepe gevoel van den kunstenaar. Hij was kinderlijk vroom, eenvoudig, welwillend in den omgang. Hij hield van discussie, maar verbitterde nooit, en vergaf steeds. Wie met hem omgingen achtten en beminden hem. Het voor hem opgericht standbeeld te Leipzig draagt als opschrift de godsdienstige formuleering zijner levensbeschouwing: “In God leven, bewegen en zijn wij.”
Aesthetica.
Bizondere verdiensten heeft Fechner zich ook nog verworven door zijn aesthetische studiën. Hij had veel belangstelling voor kunst en kunstcritiek. Hij trachtte nu later de wetten te vinden, waardoor ons mooi-vinden wordt beheerscht. Hij wilde daarbij van ervaring uitgaan. Hij vroeg bijv. een groot aantal menschen, welke figuren uit een aantal rechthoeken ze mooi vonden, of liet ze de figuren samenstellen, die ze ’t mooist achtten. Eveneenspaste hij nauwkeurige metingen toe op verschillende kunstwerken. Zoo wilde hij een aesthetica grondvesten, die, van eenvoudige feiten, van ervaring uitgaand, een schoonheidsleer, “van onderen”, zou worden in tegenstelling met eene, welke uit het begrip van schoonheid hare eischen wou afleiden, een aesthetica “van boven af.” Naast formeele elementen (eenheid in verscheidenheid) wijst Fechner ook nog een ander element aan, dat bij ’t mooi vinden van iets onze oordeelen bepaalt: het associatieve. De indruk, dien wij van een kunstwerk ontvangen, is verbonden met tal van andere voorstellingen, die, meer of minder duidelijk, in ’t bewustzijn worden geroepen. Deze meer of min bewuste voorstellingen nu zijn dikwijls beslissend voor de aesthetische waardeering. Rood op de wangen b.v. doet denken aan jeugdige gezondheid en groeikracht, rood op een neus aan ziekte. Daarom behaagt het eene, mishaagt het andere. Het schoonvinden van een mensch, een landschap, berust dikwijls op associaties. Fechner heeft zijn onderzoekingen verzameld in zijn “Voorschool der Aesthetica”, die geen volledige schoonheidsleer geeft, maar verschillende punten op zeer belangwekkende wijze behandelt. Het werk verscheen in 1876.Fechners leven was een echt geleerden-leven. Rustig ging het daarheen, nu en dan afgewisseld door reizen. Zijn ouderdom was, door het afsterven van vrouw en vrienden, betrekkelijk eenzaam, maar werd verlicht door vele blijken van liefde en hoogachting. Tot hoogen leeftijd bleef zijn geest helder. 6 Nov. nog werkte hij, 18 Nov. 1887 overleed hij.Fechner was een zeer zeldzame, buitengewoon begaafde persoonlijkheid. Aan de scherpzinnigheid, de nauwgezetheid en het geduld van den natuuronderzoekerpaarde hij de rijke fantasie en het diepe gevoel van den kunstenaar. Hij was kinderlijk vroom, eenvoudig, welwillend in den omgang. Hij hield van discussie, maar verbitterde nooit, en vergaf steeds. Wie met hem omgingen achtten en beminden hem. Het voor hem opgericht standbeeld te Leipzig draagt als opschrift de godsdienstige formuleering zijner levensbeschouwing: “In God leven, bewegen en zijn wij.”
Bizondere verdiensten heeft Fechner zich ook nog verworven door zijn aesthetische studiën. Hij had veel belangstelling voor kunst en kunstcritiek. Hij trachtte nu later de wetten te vinden, waardoor ons mooi-vinden wordt beheerscht. Hij wilde daarbij van ervaring uitgaan. Hij vroeg bijv. een groot aantal menschen, welke figuren uit een aantal rechthoeken ze mooi vonden, of liet ze de figuren samenstellen, die ze ’t mooist achtten. Eveneenspaste hij nauwkeurige metingen toe op verschillende kunstwerken. Zoo wilde hij een aesthetica grondvesten, die, van eenvoudige feiten, van ervaring uitgaand, een schoonheidsleer, “van onderen”, zou worden in tegenstelling met eene, welke uit het begrip van schoonheid hare eischen wou afleiden, een aesthetica “van boven af.” Naast formeele elementen (eenheid in verscheidenheid) wijst Fechner ook nog een ander element aan, dat bij ’t mooi vinden van iets onze oordeelen bepaalt: het associatieve. De indruk, dien wij van een kunstwerk ontvangen, is verbonden met tal van andere voorstellingen, die, meer of minder duidelijk, in ’t bewustzijn worden geroepen. Deze meer of min bewuste voorstellingen nu zijn dikwijls beslissend voor de aesthetische waardeering. Rood op de wangen b.v. doet denken aan jeugdige gezondheid en groeikracht, rood op een neus aan ziekte. Daarom behaagt het eene, mishaagt het andere. Het schoonvinden van een mensch, een landschap, berust dikwijls op associaties. Fechner heeft zijn onderzoekingen verzameld in zijn “Voorschool der Aesthetica”, die geen volledige schoonheidsleer geeft, maar verschillende punten op zeer belangwekkende wijze behandelt. Het werk verscheen in 1876.
Fechners leven was een echt geleerden-leven. Rustig ging het daarheen, nu en dan afgewisseld door reizen. Zijn ouderdom was, door het afsterven van vrouw en vrienden, betrekkelijk eenzaam, maar werd verlicht door vele blijken van liefde en hoogachting. Tot hoogen leeftijd bleef zijn geest helder. 6 Nov. nog werkte hij, 18 Nov. 1887 overleed hij.
Fechner was een zeer zeldzame, buitengewoon begaafde persoonlijkheid. Aan de scherpzinnigheid, de nauwgezetheid en het geduld van den natuuronderzoekerpaarde hij de rijke fantasie en het diepe gevoel van den kunstenaar. Hij was kinderlijk vroom, eenvoudig, welwillend in den omgang. Hij hield van discussie, maar verbitterde nooit, en vergaf steeds. Wie met hem omgingen achtten en beminden hem. Het voor hem opgericht standbeeld te Leipzig draagt als opschrift de godsdienstige formuleering zijner levensbeschouwing: “In God leven, bewegen en zijn wij.”
Aanhangers van ’t monisme.Zonder een school te stichten, heeft Fechner toch onder de thans levenden vele aanhangers.Allereerst zij genoemd Friedrich Paulsen.3Deze bekende Berlijnsche hoogleeraar schreef een “Inleiding in de wijsbegeerte,” waarin hij de verschillende wijsgeerige problemen behandelt met een geschiedkundig overzicht en zichzelf stelt op ’t standpunt van ’t psychisch-monisme. Veel aandacht wijdt Paulsen ook aan de religie en haar verhouding tot de wetenschap. Zoowel bij deze kwestie als in zijn kennistheorie toont hij zich meer aan Kant verwant (hij schreef voor Frommans-Klassiker het nummer over Kant) dan Fechner, die eerst leefde in een tijd toen Kant vergeten was en zijn leer reeds klaar had, toen de Kantstudie herleefde. Door zijn eenvoud zoowel als door zijn warmen, schoonen stijl heeft Paulsen veel lezers gevonden en wordt zijn boek als de meest geschikte inleiding tot ’t monisme geprezen. Ook zijn “Systeem der ethica” verwierf veel waardeering. Naast de theoretische vragen worden daarin ook een aantal vragen van practischen aard boeiend behandeld. Voor opvoedkundige kwesties toonde Paulsen medeveel belangstelling, met name voor de geschiedenis van het onderwijs. (Zie ook II,132).In Amerika vond het monisme zijn verdediger inStrong, die in 1900 zijn werk uitgaf: “Waarom de geest een lichaam heeft” en vooral van kennistheoretisch en zielkundig standpunt uit het monisme opbouwt. Hij verdedigt het en vergelijkt het vooral met de beschouwingen van Engelsche en Amerikaansche schrijvers. Hij beperkt zich tot de verhouding tusschen ziel en lichaam. In dit opzicht vertoont hij een groote overeenkomst metHeymans. Deze gaf in 1905 zijn “Einführung in die Metaphysik.” Na de verschillende stelsels critisch beschouwd, en het onvoldoende aangetoond te hebben, ontwikkelt hij het psychisch monisme. Veel meer dan bij Fechner staat hier het kennis-theoretisch standpunt op den voorgrond.In de kennistheorie (door den schrijver ontwikkeld in zijn: “Gesetze und Elemente des Menschlichen Denkens,” Tweede druk, Leipzig 1905) heeft Heymans een eigen richting. Hij staat op hetzelfde standpunt, dat Kant naarHeymans’opvatting voor en in 1770 innam, en dat hij ’tanalytischezou willen noemen. Locke (vg. I, 295) had den oorsprong onzer kennis nagegaan. Voor de aanhangers der genetische richting waartoe ook Hume behoorde, was er in de ervaring geenvoldoendegrond voor sommige gegevens van ’t bewustzijn en nu trachtten zij die anders te verklaren, b.v. door associatie (zie bijv. Hume’s verklaring van ’t causaliteitsbeginsel in I, pag. 319). Daarmee echter waszekerheidonzer kennis, zoodra zich deze uitstrekt over de ervaringsgegevens, onmogelijk. Kant had dit gevoeld en hij had devoorwaardenbestudeerd,waaronderiets tot wetenschap werd (zie II, pg.319). Hij en de latere criticisten zeggen dus: wij noemen iets waar, als het aan de voorwaardenvoldoet, dat het eengepaste, behoorlijkeverbinding is. Die gepastheiddringtzich aan ons op. Maar of nu die voorstellingen overeenstemmen met de werkelijkheid, daarover laten wij ons niet uit.Heymans nu, zich plaatsende op het standpunt, dat Kant in en vóór 1770 innam, wil allereerst trachten deninhoudonzer denkaxioma’s te leeren kennen. Heeft hij die gevonden, door een nauwkeurig onderzoek der wetenschap, die ze gebruikt, dan tracht hij ze te verklaren. Deze analytische methode hecht dus meer dan de critische aan het empirisch onderzoek der denkverschijnselen. Daardoor echter wil zij komen tot kennis der door de genetische richting verworpen aprioristische onderstellingen van het denken. En zij gelooft dat er ten slotte waarheid door het denken wordt gevonden, d. i. dat er overeenstemming is met een buitenbewuste werkelijkheid.We wezen er reeds op, dat Heymans ook de experimenteele zielkunde beoefent. Vooral op het gebied der belemmering hebben zich zijn onderzoekingen4bewogen.In den laatsten tijd heeft hij zich bezig gehouden met de zielkunde der verschillen tusschen mensch en mensch, sexe en sexe, leeftijd en leeftijd enz. Deze tak der zielkunde werd door hemspeciale psychologiegenoemd. Vooral de bewerking van levensbeschrijvingen en enquêtes leverden hier het materiaal. Het gelukte Heymans een indeeling in achten vankarakters tot stand te brengen. Voor zoover schrijver dezes bekend, verscheen daaromtrent nog niets in den handel5maar in het werk van Mr. v. Dijk: “Bijdragen tot de psychologie van den misdadiger” vindt men een korte uiteenzetting der indeeling.
Aanhangers van ’t monisme.
Zonder een school te stichten, heeft Fechner toch onder de thans levenden vele aanhangers.Allereerst zij genoemd Friedrich Paulsen.3Deze bekende Berlijnsche hoogleeraar schreef een “Inleiding in de wijsbegeerte,” waarin hij de verschillende wijsgeerige problemen behandelt met een geschiedkundig overzicht en zichzelf stelt op ’t standpunt van ’t psychisch-monisme. Veel aandacht wijdt Paulsen ook aan de religie en haar verhouding tot de wetenschap. Zoowel bij deze kwestie als in zijn kennistheorie toont hij zich meer aan Kant verwant (hij schreef voor Frommans-Klassiker het nummer over Kant) dan Fechner, die eerst leefde in een tijd toen Kant vergeten was en zijn leer reeds klaar had, toen de Kantstudie herleefde. Door zijn eenvoud zoowel als door zijn warmen, schoonen stijl heeft Paulsen veel lezers gevonden en wordt zijn boek als de meest geschikte inleiding tot ’t monisme geprezen. Ook zijn “Systeem der ethica” verwierf veel waardeering. Naast de theoretische vragen worden daarin ook een aantal vragen van practischen aard boeiend behandeld. Voor opvoedkundige kwesties toonde Paulsen medeveel belangstelling, met name voor de geschiedenis van het onderwijs. (Zie ook II,132).In Amerika vond het monisme zijn verdediger inStrong, die in 1900 zijn werk uitgaf: “Waarom de geest een lichaam heeft” en vooral van kennistheoretisch en zielkundig standpunt uit het monisme opbouwt. Hij verdedigt het en vergelijkt het vooral met de beschouwingen van Engelsche en Amerikaansche schrijvers. Hij beperkt zich tot de verhouding tusschen ziel en lichaam. In dit opzicht vertoont hij een groote overeenkomst metHeymans. Deze gaf in 1905 zijn “Einführung in die Metaphysik.” Na de verschillende stelsels critisch beschouwd, en het onvoldoende aangetoond te hebben, ontwikkelt hij het psychisch monisme. Veel meer dan bij Fechner staat hier het kennis-theoretisch standpunt op den voorgrond.In de kennistheorie (door den schrijver ontwikkeld in zijn: “Gesetze und Elemente des Menschlichen Denkens,” Tweede druk, Leipzig 1905) heeft Heymans een eigen richting. Hij staat op hetzelfde standpunt, dat Kant naarHeymans’opvatting voor en in 1770 innam, en dat hij ’tanalytischezou willen noemen. Locke (vg. I, 295) had den oorsprong onzer kennis nagegaan. Voor de aanhangers der genetische richting waartoe ook Hume behoorde, was er in de ervaring geenvoldoendegrond voor sommige gegevens van ’t bewustzijn en nu trachtten zij die anders te verklaren, b.v. door associatie (zie bijv. Hume’s verklaring van ’t causaliteitsbeginsel in I, pag. 319). Daarmee echter waszekerheidonzer kennis, zoodra zich deze uitstrekt over de ervaringsgegevens, onmogelijk. Kant had dit gevoeld en hij had devoorwaardenbestudeerd,waaronderiets tot wetenschap werd (zie II, pg.319). Hij en de latere criticisten zeggen dus: wij noemen iets waar, als het aan de voorwaardenvoldoet, dat het eengepaste, behoorlijkeverbinding is. Die gepastheiddringtzich aan ons op. Maar of nu die voorstellingen overeenstemmen met de werkelijkheid, daarover laten wij ons niet uit.Heymans nu, zich plaatsende op het standpunt, dat Kant in en vóór 1770 innam, wil allereerst trachten deninhoudonzer denkaxioma’s te leeren kennen. Heeft hij die gevonden, door een nauwkeurig onderzoek der wetenschap, die ze gebruikt, dan tracht hij ze te verklaren. Deze analytische methode hecht dus meer dan de critische aan het empirisch onderzoek der denkverschijnselen. Daardoor echter wil zij komen tot kennis der door de genetische richting verworpen aprioristische onderstellingen van het denken. En zij gelooft dat er ten slotte waarheid door het denken wordt gevonden, d. i. dat er overeenstemming is met een buitenbewuste werkelijkheid.We wezen er reeds op, dat Heymans ook de experimenteele zielkunde beoefent. Vooral op het gebied der belemmering hebben zich zijn onderzoekingen4bewogen.In den laatsten tijd heeft hij zich bezig gehouden met de zielkunde der verschillen tusschen mensch en mensch, sexe en sexe, leeftijd en leeftijd enz. Deze tak der zielkunde werd door hemspeciale psychologiegenoemd. Vooral de bewerking van levensbeschrijvingen en enquêtes leverden hier het materiaal. Het gelukte Heymans een indeeling in achten vankarakters tot stand te brengen. Voor zoover schrijver dezes bekend, verscheen daaromtrent nog niets in den handel5maar in het werk van Mr. v. Dijk: “Bijdragen tot de psychologie van den misdadiger” vindt men een korte uiteenzetting der indeeling.
Zonder een school te stichten, heeft Fechner toch onder de thans levenden vele aanhangers.
Allereerst zij genoemd Friedrich Paulsen.3Deze bekende Berlijnsche hoogleeraar schreef een “Inleiding in de wijsbegeerte,” waarin hij de verschillende wijsgeerige problemen behandelt met een geschiedkundig overzicht en zichzelf stelt op ’t standpunt van ’t psychisch-monisme. Veel aandacht wijdt Paulsen ook aan de religie en haar verhouding tot de wetenschap. Zoowel bij deze kwestie als in zijn kennistheorie toont hij zich meer aan Kant verwant (hij schreef voor Frommans-Klassiker het nummer over Kant) dan Fechner, die eerst leefde in een tijd toen Kant vergeten was en zijn leer reeds klaar had, toen de Kantstudie herleefde. Door zijn eenvoud zoowel als door zijn warmen, schoonen stijl heeft Paulsen veel lezers gevonden en wordt zijn boek als de meest geschikte inleiding tot ’t monisme geprezen. Ook zijn “Systeem der ethica” verwierf veel waardeering. Naast de theoretische vragen worden daarin ook een aantal vragen van practischen aard boeiend behandeld. Voor opvoedkundige kwesties toonde Paulsen medeveel belangstelling, met name voor de geschiedenis van het onderwijs. (Zie ook II,132).
In Amerika vond het monisme zijn verdediger inStrong, die in 1900 zijn werk uitgaf: “Waarom de geest een lichaam heeft” en vooral van kennistheoretisch en zielkundig standpunt uit het monisme opbouwt. Hij verdedigt het en vergelijkt het vooral met de beschouwingen van Engelsche en Amerikaansche schrijvers. Hij beperkt zich tot de verhouding tusschen ziel en lichaam. In dit opzicht vertoont hij een groote overeenkomst metHeymans. Deze gaf in 1905 zijn “Einführung in die Metaphysik.” Na de verschillende stelsels critisch beschouwd, en het onvoldoende aangetoond te hebben, ontwikkelt hij het psychisch monisme. Veel meer dan bij Fechner staat hier het kennis-theoretisch standpunt op den voorgrond.
In de kennistheorie (door den schrijver ontwikkeld in zijn: “Gesetze und Elemente des Menschlichen Denkens,” Tweede druk, Leipzig 1905) heeft Heymans een eigen richting. Hij staat op hetzelfde standpunt, dat Kant naarHeymans’opvatting voor en in 1770 innam, en dat hij ’tanalytischezou willen noemen. Locke (vg. I, 295) had den oorsprong onzer kennis nagegaan. Voor de aanhangers der genetische richting waartoe ook Hume behoorde, was er in de ervaring geenvoldoendegrond voor sommige gegevens van ’t bewustzijn en nu trachtten zij die anders te verklaren, b.v. door associatie (zie bijv. Hume’s verklaring van ’t causaliteitsbeginsel in I, pag. 319). Daarmee echter waszekerheidonzer kennis, zoodra zich deze uitstrekt over de ervaringsgegevens, onmogelijk. Kant had dit gevoeld en hij had devoorwaardenbestudeerd,waaronderiets tot wetenschap werd (zie II, pg.319). Hij en de latere criticisten zeggen dus: wij noemen iets waar, als het aan de voorwaardenvoldoet, dat het eengepaste, behoorlijkeverbinding is. Die gepastheiddringtzich aan ons op. Maar of nu die voorstellingen overeenstemmen met de werkelijkheid, daarover laten wij ons niet uit.
Heymans nu, zich plaatsende op het standpunt, dat Kant in en vóór 1770 innam, wil allereerst trachten deninhoudonzer denkaxioma’s te leeren kennen. Heeft hij die gevonden, door een nauwkeurig onderzoek der wetenschap, die ze gebruikt, dan tracht hij ze te verklaren. Deze analytische methode hecht dus meer dan de critische aan het empirisch onderzoek der denkverschijnselen. Daardoor echter wil zij komen tot kennis der door de genetische richting verworpen aprioristische onderstellingen van het denken. En zij gelooft dat er ten slotte waarheid door het denken wordt gevonden, d. i. dat er overeenstemming is met een buitenbewuste werkelijkheid.
We wezen er reeds op, dat Heymans ook de experimenteele zielkunde beoefent. Vooral op het gebied der belemmering hebben zich zijn onderzoekingen4bewogen.
In den laatsten tijd heeft hij zich bezig gehouden met de zielkunde der verschillen tusschen mensch en mensch, sexe en sexe, leeftijd en leeftijd enz. Deze tak der zielkunde werd door hemspeciale psychologiegenoemd. Vooral de bewerking van levensbeschrijvingen en enquêtes leverden hier het materiaal. Het gelukte Heymans een indeeling in achten vankarakters tot stand te brengen. Voor zoover schrijver dezes bekend, verscheen daaromtrent nog niets in den handel5maar in het werk van Mr. v. Dijk: “Bijdragen tot de psychologie van den misdadiger” vindt men een korte uiteenzetting der indeeling.
§ 48.Hoofdtrekken van ’t psychisch monisme.Er is een buitenwereld.Het psychisch monisme, uitgaande van de zekerheid van ons bewustzijn, bestrijdt de richtingen, die willen blijven staan bij onze bewustzijnsverschijnselen. “De ontkenning van zulke werkelijkheden (d. i. werkelijkheden buiten ons bewustzijn) is een volmaakt logische theorie van waarneming; daar het feit, dat zij maakt, dat de voorwerpen ophouden te bestaan wanneer wij ophouden, ze waar te nemen, er geen voldoende argument tegen is.6Maar zij geeft ons een verminkte en onsamenhangende opvatting van de wereld, en leidt logisch tot solipsisme.” (Strong.) Dit solipsisme nu brengt bij consequente toepassing tot de absolute scepsis: “Het laatste woord van ’t empirisme is dus de opheffing van alle weten, de absolute scepsis” (Heymans). Er is echter grond, om het bestaan eener buitenwereld aan te nemen. Die is gelegen in het voor ons bewustzijn onmiddellijk evidente causaliteitsbeginsel en de door de ervaring voortdurend gegeven bevestiging van de daarop gegronde verwachtingen. Stel u een gedachtenreeks voor. Zeg bijv. op: WienNeerlands bloed. Daar ziet ge bij ’t eerste woord van den tweeden regel iets, bij de vier voelt ge iets, bij de vijfde hoort ge een geluid. Andere voorstellingen komen tusschen uw voorstellingsrij in. We kunnen dat schematisch dus voorstellen:a→b→X—c→d→Y—eenz.XenYzijn optredende gewaarwordingen, waarvoor wegeen voldoenden grondvonden in ons bewustzijn. Op grond van ’t causaliteitsbeginsel schrijven wij ’t toe aan iets buiten ons.We nemen dus aan dingen buiten ons. Nu doet zich de vraag voor: van welken aard zijn ze? Ze schijnen ons anders toe dan ons eigen bewustzijn nl. stoffelijk. Maar stof is slechts een verschijningswijze, geen realiteit. Hoe verklaren we dat?De ideale waarnemer.We willen een oogenblik een veronderstelling maken. We nemen aan, dat er een mensch is, die het vermogen bezit, om, door uw schedel heen,alleste zien, wat er in uw hersenen gebeurt. Ook de geringste, de kleinste verandering ontgaat hem niet. Deze man nu houdt zijn aandacht gericht, volkomen gericht op uw hersenen. We zullen hem den idealen waarnemer noemen.Ziehier nu de onderstelling van het monisme:Telkens, wanneer er in u een of ander bewustzijnsverschijnsel plaats grijpt, krijgt de ideale waarnemer een gewaarwording die voor hem de gewaarwording van iets stoffelijks is.Stel, dat er in úw bewustzijn een reeks processen plaats vindt:A—B—C—D—E—F.Dan krijgt de ideale waarnemer een reeks waarnemingen van hersenverschijnselen:a—b—c—d—e—f.Uw hersenen zijn dus steeds de waarneming van een ander.Op zichzelf bestaan zij niet.Nu moeten wij wel onderscheiden inhoud en voorwerp der waarneming van den idealen waarnemer. Lichten we dit even toe. Wanneer wij bijv. een kleur zien, is deinhoudonzer waarneming datroode. Hetvoorwerponzer waarneming zijn echter detrillingenvan den ether. De inhoud der waarneming van den waarnemer is een grijsachtige, niet te stevige, met windingen voorziene, bewegende substantie: de hersenen. Het voorwerp dat hij waarneemt, is úw bewustzijnsverschijnsel en niets anders.Een bewustzijnsproces is dus voor u psychisch. Een ander, die het waarneemt, ziet het als stoffelijk. Zoo is een lepel van binnen gezien hol, van buiten bol.Welk recht heeft het monisme, om te onderstellen, dat aan elk bewustzijnsverschijnsel bij u, een gewaarwording bij den I. W. beantwoordt? Het grondt deze hypothese op de bekende feiten omtrent den samenhang tusschen geestelijk leven en hersenen. Hersenziekten, beleedigingen brengen geestelijke storingen mee. Vergiften en andere stoffen, die op de hersenen inwerken, oefenen invloed uit op ’t bewustzijn; bijv. alcohol, broom. Er is zekere evenredigheid tusschen hersenontwikkeling en geestelijke ontwikkeling. Vooral Heymans vestigt op al deze verschijnselen de aandacht. Met goeden grond mag men dus aannemen, dat bij voortschrijding van de kennis der hersenen en hun werking het materiaal, waarop zich deze hypothese stut, zal vergrooten.De eerste stelling van het psychisch monisme is dus deze:Het proces in ’t bewustzijn is de eenige realiteit, die, van buiten gezien, als stoffelijk, als hersenverschijnsel verschijnt.Dit is intusschen nog een zeer beperkt gebied. We vragen niet alleen naar den aard onzer hersenverschijnselen. Beantwoorden aan de van buiten waargenomen stoffelijke verschijnselen van ademhaling, spijsvertering, bloedsomloop ook psychische realiteiten? Hiervan bemerken we toch niets in ons bewustzijn. Hier vinden we een oplossing door het feit van den prikkeldrempel, de onderbewuste voorstellingen, in verband met het ontwikkelingsbegrip.Wanneer gij in een boeiend boek leest, dan hoort gij bijv. niet, dat iemand u wat vraagt. Toch krijgt gij wel een voorstelling. Zij blijft beneden den drempel van uw bewustzijn. Zij is een onderbewuste voorstelling. Ze kan misschien wel bewust worden. Het is best mogelijk dat ge na een poosje in eens beseft, dat er u iets gevraagd werd, en ge geeft ’t antwoord. Onderbewuste voorstellingen kunnen ook invloed uitoefenen zonder bewust te worden. Bij oordeelen van ervaren menschen zullen zij dikwerf meewerken: allerlei vroegere ervaringen, niet bewust, werken mee bij ’t vormen van ’t oordeel. Van het geheele bezit onzer voorstellingen is slechts een gering gedeelte bewust. Het kan zijn, dat een groot aantal voorstellingen slechts even boven den bewustzijnsdrempel is, bijv. als men soest, na den eten, vlak voor den slaap. Het verband tusschen de voorstellingen is dan gering. Het kan ook wezen, dat sommige weinige voorstellingen zéér ver boven den drempel zijn, bijv. bij opmerkzaamheidskramp. Ons bewustzijn is als eenzee met golven: soms is er een weinig hooge, meer uitgebreide golf boven het niveau, boven den drempel; soms is er een golf met groote kamhoogte. Het bestaan van een drempel, beneden welke een groot aantal onderbewuste, niet zonder invloed zijnde voorstellingen verkeert, en waarboven zich de bewuste voorstellingen verheffen, is voor Fechner’s systeem van zeer veel belang.Bewuste voorstellingen nu kunnen onderbewust worden. Wij kunnen dit al aan tal van voorbeelden uit ’t dagelijksch leven opmerken. Fietsen bijv. wordt eerst geleerd, daarna doen we ’t onbewust werktuigelijk. Zoo gaat ’t een kind met ’t loopen.In aansluiting nu aan de evolutie-theorie kan worden aangenomen, dat ademhalen bijv. eerst bewust is gebeurd, maar langzamerhand onderbewust is geworden in verloop van tijden.De psychische verrichting, waarvan ademhaling enz. de stoffelijke verschijningswijzen zijn, zijn als onderbewust te beschouwen.Ons geheele lichaam wordt beschouwd als de stoffelijke verschijningswijze onzer geestelijke persoonlijkheid. Paulsen vestigt er de aandacht op, dat dit niet alleen de opvatting van Fechner is, maar dat ook Schopenhauer deze beschouwingswijze voorstond. (Zie pag. 110).Er is echter, zagen wij, een buitenwereld.Die naam is misschien niet geheel juist. Zij zou ons doen denken, dat de andere realiteiten, de andere werkelijkheden dan u zelf,buitenuw bewustzijn waren. Ruimte is (zie Kant) een opvattingsvorm, een aanschouwingsvorm van den waarnemer.We kunnen dus zeggen: wij nemen andere dingen waar als buiten ons. Van welken aard zijn die andere dingen?Hier gaat de redeneering door verschillende trappen: De zekerheid, de gegrondheid der onderstelling wordt geringer.Gij ziet andere menschen. Zij verschijnen u als lichamen. Maar—op grond van analogie met wat gij bij u zelven opmerkt, kent ge hun met practische zekerheid bewustzijn toe. Voor de hoogere dieren valt er zeker evenmin aan te twijfelen. Maar als wij van de hoogere tot de lagere dieren afdalen, is er dan een grens, waarbij ’t bewust leven totaal ophoudt? En de planten, die weer in hun laagste vormen met de lagere diervormen overeenkomen? Hier worden we aan Fechner’s Nanna herinnerd.Het bewustzijn der planten.Planten en dieren verschillen ongetwijfeld veel in hun hoogere, niet in hun lagere vormen. Waarschijnlijk heeft zich ’t bewustzijn der planten op een andere wijze ontwikkeld en kenmerkt het zich door een groote mate van ontvankelijkheid voor indrukken, weinig spontanieteit, veel receptiviteit. Ook de plant ademt, voedt zich, plant zich voort. Bij den mensch zijn dit grootendeels onderbewuste processen, omdat hij zijn opmerkzaamheid door hoogere dingen in beslag ziet genomen. Dit hoogere bewustzijn ontbreekt bij de planten: daarom is het lagere misschien des te levendiger. De planten bewegen zich slechts tengevolge vanprikkelsderbuitenwereld. Maar dat kan met bewustzijn gepaard gaan, evengoed als bij ons. De planten hebben geen zenuwstelsel; maar is een zenuwstelsel absoluut noodig voor bewustzijn?7Aarde.Mensch, dier en plant ontspringen aan de aarde. Uit haar komt ’t bewuste leven, tot haar gaat ’t terug. Zou zij zelve niet bewust zijn? De aarde is voor Fechner weer een bewustzijn, dat in de menschen zijn toppen heeft. De aarde heeft zich, van buiten gezien, ontwikkeld, gesplitst. Zoo mag ook haar bewustzijn zich gedifferentieerd hebben, zooals wij dat ook bij den mensch leerden kennen. Fechner’s theorie vindt hier steun in Spencer’s ontwikkelingsleer, zooals door Heymans opgemerkt wordt. De aarde is weer een omvattend bewustzijn, dat den mensch in zich bevat, zooals deze verschillende voorstellingen. De aarde gelijkt op de menschen in vele punten: dag en nacht—waken en slapen, de kringloop van ’t water—kringloop van ’t bloed, enz. Maar er is ook verschil. De aarde staat boven den mensch en watdezebezit, behoeftzijniet opnieuw te hebben. Haar oogen heeft zij in den mensch. Bij deze beschouwing moet men den mensch niet als tegenover de aarde en los van haar beschouwen, maar als een deel.Wereld.Steeds stouter schrijdt de hypothese voort. De planeten zijn weer bewustzijnseenheden, in ons zonnestelsel weer tot een hoogere eenheid verbonden. Ten slotte is alles deel van één grootwereldbewustzijn. Men heeft hier steeds te denken aan het onderbewuste en den drempel. Boven een algemeen onbewust niveau verheffen zich verschillende toppen. En Heymans vooral vestigt de aandacht er op, dat de theorie op dit punt steun vindt in de theorie van Spencer en dat er niets is, wat haar weerspreekt. Het blijft voor hem een hypothese, die zich echter, door meer feitenmateriaal gestut en door verdere ontwikkeling der wetenschap, eenmaal tot den rang eener stevige theorie zal kunnen verheffen.Godsdienst.Fechner duidt dit alomvattende wereldbewustzijn aan met den naam God. De aarde is middelaar tusschen mensch en God, de planeten zijn als Engelen te beschouwen. Paulsen gaat minder ver in het zoeken van analogieën met den Christelijken godsdienst. Toch meent hij dat er voor den godsdienst een afzonderlijke plaats is waar die niet strijdt met de wetenschap, en dat het godsbegrip van ’t monisme de gemoedsbehoeften kan vervullen. Ook hij noemt het wereldbewustzijn God.Voorzichtiger laat zich Heymans uit. Hij acht het ongewenscht, om het Wereldbewustzijn den naam God te geven, al is ’t gebruik, dat de wijsgeeren de laatste en hoogste realiteit zoo noemen. Het is misschien verwarrend; de beide begrippen dekken elkaar niet. Moeilijk kan men bijv. aan het wereldbewustzijn der psychisch-monisten volkomen heiligheid toeschrijven. Bovendien is het minder kiesch, dit woord te gebruiken tegenover hen, voor wie het de gangbare beteekenis heeft. Maar het monisme kan toch eenige behoeften, en daaronder zeer belangrijke, van het godsdienstig gemoed vervullen. Het geeft den mensch de troost, dat hij niet alléén staat in den arbeid voor ’t geheel. Hij heeft hoogere, gelijkgerichte machten boven zich. Zijn doel zal dus verwezenlijkt kunnen worden. De mensch heeft dan ook het diepe gevoel vansaamhoorigheidmet het geheel; en hij weet dat hij medeverantwoordelijkis voor de toekomst, omdat zijn arbeid, zij ’t nog zoo gering, niet verloren kan gaan.In deze leer vindt hetonsterfelijkheidsgeloofook een plaats. De mensch blijft deel van het omvattender aardbewustzijn, behoudt een zekere zelfstandigheid, maar kan misschien verbindingen aangaan,eerst met meer, dan met minder verwante bewustzijnseenheden8.Het is misschien goed, om nog even het psychisch monisme te vergelijken met andere stelsels. Maken wij daarvoor gebruik van ’t ook in I gegeven klokkenvoorbeeld. Wij hebben dus twee, geheel met elkaar overeenkomende klokken. Denken we ons de eene met bewustzijn begaafd.De klok denkt: die klok tegenover mij wordt door mij beïnvloed en zij oefent invloed op mij. Het dualisme (Descartes).Ik en die klok worden telkens weer gelijk gezet door iemand achter ons zittend. Het occasionalisme (Geulincx, Malebranche).Ik en die klok zijn door een bekwaam uurwerkmaker zoo vervaardigd, dat wij steeds gelijk loopen. Vooruitbepaalde harmonie (Leibniz).Ik en die klok worden beide door één zelfde uurwerk, dat wij niet kunnen waarnemen, bewogen. Leer van het onbekende derde (Spinoza).Neem nu aan, dat die klok ontdekt, dat die tweede klok haar eigen spiegelbeeld is. Er is dus maar één klok die zich ook nog op een andere wijze voordoet. Psychisch monisme (Fechner, e.a.).Kwam nu de klok op het singuliere denkbeeld het spiegelbeeld voor de werkelijke klok, zichzelf voor het spiegelbeeld te houden, dan had men het materialisme. (Hobbes,La Mettrie, Vogt etc.)Uit dit beeld moge vooral blijken, dat het psychisch monisme niet gelijk is met het spinozisme, maar nog veel minder—wat ook wel eens gebeurt—met hetlijnrecht er aan tegengestelde materialisme mag verward worden.Strong en Heymans leggen er nog den nadruk op, dat het psychisch monisme deeenvoudigsteverklaring is, eenvoudiger dan de andere hypothesen, en een zeer geschiktewerkhypothese.“Ik zal de laatste zijn om te beweren, dat (het) helder tot den bodem en ontdaan van alle moeilijkheden is. Maar het is op gezonde wijsgeerige beginselen gebaseerd; het stelt ons, als geen andere hypothese in staat, de feiten te construeeren; en zijn moeilijkheden zijn wel duister, maar niet tegenstrijdig” (Strong).“De theorie van het psychisch monisme is eenvoudiger, dan welke andere ook” (Heymans).
§ 48.Hoofdtrekken van ’t psychisch monisme.
Er is een buitenwereld.Het psychisch monisme, uitgaande van de zekerheid van ons bewustzijn, bestrijdt de richtingen, die willen blijven staan bij onze bewustzijnsverschijnselen. “De ontkenning van zulke werkelijkheden (d. i. werkelijkheden buiten ons bewustzijn) is een volmaakt logische theorie van waarneming; daar het feit, dat zij maakt, dat de voorwerpen ophouden te bestaan wanneer wij ophouden, ze waar te nemen, er geen voldoende argument tegen is.6Maar zij geeft ons een verminkte en onsamenhangende opvatting van de wereld, en leidt logisch tot solipsisme.” (Strong.) Dit solipsisme nu brengt bij consequente toepassing tot de absolute scepsis: “Het laatste woord van ’t empirisme is dus de opheffing van alle weten, de absolute scepsis” (Heymans). Er is echter grond, om het bestaan eener buitenwereld aan te nemen. Die is gelegen in het voor ons bewustzijn onmiddellijk evidente causaliteitsbeginsel en de door de ervaring voortdurend gegeven bevestiging van de daarop gegronde verwachtingen. Stel u een gedachtenreeks voor. Zeg bijv. op: WienNeerlands bloed. Daar ziet ge bij ’t eerste woord van den tweeden regel iets, bij de vier voelt ge iets, bij de vijfde hoort ge een geluid. Andere voorstellingen komen tusschen uw voorstellingsrij in. We kunnen dat schematisch dus voorstellen:a→b→X—c→d→Y—eenz.XenYzijn optredende gewaarwordingen, waarvoor wegeen voldoenden grondvonden in ons bewustzijn. Op grond van ’t causaliteitsbeginsel schrijven wij ’t toe aan iets buiten ons.We nemen dus aan dingen buiten ons. Nu doet zich de vraag voor: van welken aard zijn ze? Ze schijnen ons anders toe dan ons eigen bewustzijn nl. stoffelijk. Maar stof is slechts een verschijningswijze, geen realiteit. Hoe verklaren we dat?De ideale waarnemer.We willen een oogenblik een veronderstelling maken. We nemen aan, dat er een mensch is, die het vermogen bezit, om, door uw schedel heen,alleste zien, wat er in uw hersenen gebeurt. Ook de geringste, de kleinste verandering ontgaat hem niet. Deze man nu houdt zijn aandacht gericht, volkomen gericht op uw hersenen. We zullen hem den idealen waarnemer noemen.Ziehier nu de onderstelling van het monisme:Telkens, wanneer er in u een of ander bewustzijnsverschijnsel plaats grijpt, krijgt de ideale waarnemer een gewaarwording die voor hem de gewaarwording van iets stoffelijks is.Stel, dat er in úw bewustzijn een reeks processen plaats vindt:A—B—C—D—E—F.Dan krijgt de ideale waarnemer een reeks waarnemingen van hersenverschijnselen:a—b—c—d—e—f.Uw hersenen zijn dus steeds de waarneming van een ander.Op zichzelf bestaan zij niet.Nu moeten wij wel onderscheiden inhoud en voorwerp der waarneming van den idealen waarnemer. Lichten we dit even toe. Wanneer wij bijv. een kleur zien, is deinhoudonzer waarneming datroode. Hetvoorwerponzer waarneming zijn echter detrillingenvan den ether. De inhoud der waarneming van den waarnemer is een grijsachtige, niet te stevige, met windingen voorziene, bewegende substantie: de hersenen. Het voorwerp dat hij waarneemt, is úw bewustzijnsverschijnsel en niets anders.Een bewustzijnsproces is dus voor u psychisch. Een ander, die het waarneemt, ziet het als stoffelijk. Zoo is een lepel van binnen gezien hol, van buiten bol.Welk recht heeft het monisme, om te onderstellen, dat aan elk bewustzijnsverschijnsel bij u, een gewaarwording bij den I. W. beantwoordt? Het grondt deze hypothese op de bekende feiten omtrent den samenhang tusschen geestelijk leven en hersenen. Hersenziekten, beleedigingen brengen geestelijke storingen mee. Vergiften en andere stoffen, die op de hersenen inwerken, oefenen invloed uit op ’t bewustzijn; bijv. alcohol, broom. Er is zekere evenredigheid tusschen hersenontwikkeling en geestelijke ontwikkeling. Vooral Heymans vestigt op al deze verschijnselen de aandacht. Met goeden grond mag men dus aannemen, dat bij voortschrijding van de kennis der hersenen en hun werking het materiaal, waarop zich deze hypothese stut, zal vergrooten.De eerste stelling van het psychisch monisme is dus deze:Het proces in ’t bewustzijn is de eenige realiteit, die, van buiten gezien, als stoffelijk, als hersenverschijnsel verschijnt.Dit is intusschen nog een zeer beperkt gebied. We vragen niet alleen naar den aard onzer hersenverschijnselen. Beantwoorden aan de van buiten waargenomen stoffelijke verschijnselen van ademhaling, spijsvertering, bloedsomloop ook psychische realiteiten? Hiervan bemerken we toch niets in ons bewustzijn. Hier vinden we een oplossing door het feit van den prikkeldrempel, de onderbewuste voorstellingen, in verband met het ontwikkelingsbegrip.Wanneer gij in een boeiend boek leest, dan hoort gij bijv. niet, dat iemand u wat vraagt. Toch krijgt gij wel een voorstelling. Zij blijft beneden den drempel van uw bewustzijn. Zij is een onderbewuste voorstelling. Ze kan misschien wel bewust worden. Het is best mogelijk dat ge na een poosje in eens beseft, dat er u iets gevraagd werd, en ge geeft ’t antwoord. Onderbewuste voorstellingen kunnen ook invloed uitoefenen zonder bewust te worden. Bij oordeelen van ervaren menschen zullen zij dikwerf meewerken: allerlei vroegere ervaringen, niet bewust, werken mee bij ’t vormen van ’t oordeel. Van het geheele bezit onzer voorstellingen is slechts een gering gedeelte bewust. Het kan zijn, dat een groot aantal voorstellingen slechts even boven den bewustzijnsdrempel is, bijv. als men soest, na den eten, vlak voor den slaap. Het verband tusschen de voorstellingen is dan gering. Het kan ook wezen, dat sommige weinige voorstellingen zéér ver boven den drempel zijn, bijv. bij opmerkzaamheidskramp. Ons bewustzijn is als eenzee met golven: soms is er een weinig hooge, meer uitgebreide golf boven het niveau, boven den drempel; soms is er een golf met groote kamhoogte. Het bestaan van een drempel, beneden welke een groot aantal onderbewuste, niet zonder invloed zijnde voorstellingen verkeert, en waarboven zich de bewuste voorstellingen verheffen, is voor Fechner’s systeem van zeer veel belang.Bewuste voorstellingen nu kunnen onderbewust worden. Wij kunnen dit al aan tal van voorbeelden uit ’t dagelijksch leven opmerken. Fietsen bijv. wordt eerst geleerd, daarna doen we ’t onbewust werktuigelijk. Zoo gaat ’t een kind met ’t loopen.In aansluiting nu aan de evolutie-theorie kan worden aangenomen, dat ademhalen bijv. eerst bewust is gebeurd, maar langzamerhand onderbewust is geworden in verloop van tijden.De psychische verrichting, waarvan ademhaling enz. de stoffelijke verschijningswijzen zijn, zijn als onderbewust te beschouwen.Ons geheele lichaam wordt beschouwd als de stoffelijke verschijningswijze onzer geestelijke persoonlijkheid. Paulsen vestigt er de aandacht op, dat dit niet alleen de opvatting van Fechner is, maar dat ook Schopenhauer deze beschouwingswijze voorstond. (Zie pag. 110).Er is echter, zagen wij, een buitenwereld.Die naam is misschien niet geheel juist. Zij zou ons doen denken, dat de andere realiteiten, de andere werkelijkheden dan u zelf,buitenuw bewustzijn waren. Ruimte is (zie Kant) een opvattingsvorm, een aanschouwingsvorm van den waarnemer.We kunnen dus zeggen: wij nemen andere dingen waar als buiten ons. Van welken aard zijn die andere dingen?Hier gaat de redeneering door verschillende trappen: De zekerheid, de gegrondheid der onderstelling wordt geringer.Gij ziet andere menschen. Zij verschijnen u als lichamen. Maar—op grond van analogie met wat gij bij u zelven opmerkt, kent ge hun met practische zekerheid bewustzijn toe. Voor de hoogere dieren valt er zeker evenmin aan te twijfelen. Maar als wij van de hoogere tot de lagere dieren afdalen, is er dan een grens, waarbij ’t bewust leven totaal ophoudt? En de planten, die weer in hun laagste vormen met de lagere diervormen overeenkomen? Hier worden we aan Fechner’s Nanna herinnerd.Het bewustzijn der planten.Planten en dieren verschillen ongetwijfeld veel in hun hoogere, niet in hun lagere vormen. Waarschijnlijk heeft zich ’t bewustzijn der planten op een andere wijze ontwikkeld en kenmerkt het zich door een groote mate van ontvankelijkheid voor indrukken, weinig spontanieteit, veel receptiviteit. Ook de plant ademt, voedt zich, plant zich voort. Bij den mensch zijn dit grootendeels onderbewuste processen, omdat hij zijn opmerkzaamheid door hoogere dingen in beslag ziet genomen. Dit hoogere bewustzijn ontbreekt bij de planten: daarom is het lagere misschien des te levendiger. De planten bewegen zich slechts tengevolge vanprikkelsderbuitenwereld. Maar dat kan met bewustzijn gepaard gaan, evengoed als bij ons. De planten hebben geen zenuwstelsel; maar is een zenuwstelsel absoluut noodig voor bewustzijn?7Aarde.Mensch, dier en plant ontspringen aan de aarde. Uit haar komt ’t bewuste leven, tot haar gaat ’t terug. Zou zij zelve niet bewust zijn? De aarde is voor Fechner weer een bewustzijn, dat in de menschen zijn toppen heeft. De aarde heeft zich, van buiten gezien, ontwikkeld, gesplitst. Zoo mag ook haar bewustzijn zich gedifferentieerd hebben, zooals wij dat ook bij den mensch leerden kennen. Fechner’s theorie vindt hier steun in Spencer’s ontwikkelingsleer, zooals door Heymans opgemerkt wordt. De aarde is weer een omvattend bewustzijn, dat den mensch in zich bevat, zooals deze verschillende voorstellingen. De aarde gelijkt op de menschen in vele punten: dag en nacht—waken en slapen, de kringloop van ’t water—kringloop van ’t bloed, enz. Maar er is ook verschil. De aarde staat boven den mensch en watdezebezit, behoeftzijniet opnieuw te hebben. Haar oogen heeft zij in den mensch. Bij deze beschouwing moet men den mensch niet als tegenover de aarde en los van haar beschouwen, maar als een deel.Wereld.Steeds stouter schrijdt de hypothese voort. De planeten zijn weer bewustzijnseenheden, in ons zonnestelsel weer tot een hoogere eenheid verbonden. Ten slotte is alles deel van één grootwereldbewustzijn. Men heeft hier steeds te denken aan het onderbewuste en den drempel. Boven een algemeen onbewust niveau verheffen zich verschillende toppen. En Heymans vooral vestigt de aandacht er op, dat de theorie op dit punt steun vindt in de theorie van Spencer en dat er niets is, wat haar weerspreekt. Het blijft voor hem een hypothese, die zich echter, door meer feitenmateriaal gestut en door verdere ontwikkeling der wetenschap, eenmaal tot den rang eener stevige theorie zal kunnen verheffen.Godsdienst.Fechner duidt dit alomvattende wereldbewustzijn aan met den naam God. De aarde is middelaar tusschen mensch en God, de planeten zijn als Engelen te beschouwen. Paulsen gaat minder ver in het zoeken van analogieën met den Christelijken godsdienst. Toch meent hij dat er voor den godsdienst een afzonderlijke plaats is waar die niet strijdt met de wetenschap, en dat het godsbegrip van ’t monisme de gemoedsbehoeften kan vervullen. Ook hij noemt het wereldbewustzijn God.Voorzichtiger laat zich Heymans uit. Hij acht het ongewenscht, om het Wereldbewustzijn den naam God te geven, al is ’t gebruik, dat de wijsgeeren de laatste en hoogste realiteit zoo noemen. Het is misschien verwarrend; de beide begrippen dekken elkaar niet. Moeilijk kan men bijv. aan het wereldbewustzijn der psychisch-monisten volkomen heiligheid toeschrijven. Bovendien is het minder kiesch, dit woord te gebruiken tegenover hen, voor wie het de gangbare beteekenis heeft. Maar het monisme kan toch eenige behoeften, en daaronder zeer belangrijke, van het godsdienstig gemoed vervullen. Het geeft den mensch de troost, dat hij niet alléén staat in den arbeid voor ’t geheel. Hij heeft hoogere, gelijkgerichte machten boven zich. Zijn doel zal dus verwezenlijkt kunnen worden. De mensch heeft dan ook het diepe gevoel vansaamhoorigheidmet het geheel; en hij weet dat hij medeverantwoordelijkis voor de toekomst, omdat zijn arbeid, zij ’t nog zoo gering, niet verloren kan gaan.In deze leer vindt hetonsterfelijkheidsgeloofook een plaats. De mensch blijft deel van het omvattender aardbewustzijn, behoudt een zekere zelfstandigheid, maar kan misschien verbindingen aangaan,eerst met meer, dan met minder verwante bewustzijnseenheden8.Het is misschien goed, om nog even het psychisch monisme te vergelijken met andere stelsels. Maken wij daarvoor gebruik van ’t ook in I gegeven klokkenvoorbeeld. Wij hebben dus twee, geheel met elkaar overeenkomende klokken. Denken we ons de eene met bewustzijn begaafd.De klok denkt: die klok tegenover mij wordt door mij beïnvloed en zij oefent invloed op mij. Het dualisme (Descartes).Ik en die klok worden telkens weer gelijk gezet door iemand achter ons zittend. Het occasionalisme (Geulincx, Malebranche).Ik en die klok zijn door een bekwaam uurwerkmaker zoo vervaardigd, dat wij steeds gelijk loopen. Vooruitbepaalde harmonie (Leibniz).Ik en die klok worden beide door één zelfde uurwerk, dat wij niet kunnen waarnemen, bewogen. Leer van het onbekende derde (Spinoza).Neem nu aan, dat die klok ontdekt, dat die tweede klok haar eigen spiegelbeeld is. Er is dus maar één klok die zich ook nog op een andere wijze voordoet. Psychisch monisme (Fechner, e.a.).Kwam nu de klok op het singuliere denkbeeld het spiegelbeeld voor de werkelijke klok, zichzelf voor het spiegelbeeld te houden, dan had men het materialisme. (Hobbes,La Mettrie, Vogt etc.)Uit dit beeld moge vooral blijken, dat het psychisch monisme niet gelijk is met het spinozisme, maar nog veel minder—wat ook wel eens gebeurt—met hetlijnrecht er aan tegengestelde materialisme mag verward worden.Strong en Heymans leggen er nog den nadruk op, dat het psychisch monisme deeenvoudigsteverklaring is, eenvoudiger dan de andere hypothesen, en een zeer geschiktewerkhypothese.“Ik zal de laatste zijn om te beweren, dat (het) helder tot den bodem en ontdaan van alle moeilijkheden is. Maar het is op gezonde wijsgeerige beginselen gebaseerd; het stelt ons, als geen andere hypothese in staat, de feiten te construeeren; en zijn moeilijkheden zijn wel duister, maar niet tegenstrijdig” (Strong).“De theorie van het psychisch monisme is eenvoudiger, dan welke andere ook” (Heymans).
Er is een buitenwereld.Het psychisch monisme, uitgaande van de zekerheid van ons bewustzijn, bestrijdt de richtingen, die willen blijven staan bij onze bewustzijnsverschijnselen. “De ontkenning van zulke werkelijkheden (d. i. werkelijkheden buiten ons bewustzijn) is een volmaakt logische theorie van waarneming; daar het feit, dat zij maakt, dat de voorwerpen ophouden te bestaan wanneer wij ophouden, ze waar te nemen, er geen voldoende argument tegen is.6Maar zij geeft ons een verminkte en onsamenhangende opvatting van de wereld, en leidt logisch tot solipsisme.” (Strong.) Dit solipsisme nu brengt bij consequente toepassing tot de absolute scepsis: “Het laatste woord van ’t empirisme is dus de opheffing van alle weten, de absolute scepsis” (Heymans). Er is echter grond, om het bestaan eener buitenwereld aan te nemen. Die is gelegen in het voor ons bewustzijn onmiddellijk evidente causaliteitsbeginsel en de door de ervaring voortdurend gegeven bevestiging van de daarop gegronde verwachtingen. Stel u een gedachtenreeks voor. Zeg bijv. op: WienNeerlands bloed. Daar ziet ge bij ’t eerste woord van den tweeden regel iets, bij de vier voelt ge iets, bij de vijfde hoort ge een geluid. Andere voorstellingen komen tusschen uw voorstellingsrij in. We kunnen dat schematisch dus voorstellen:a→b→X—c→d→Y—eenz.XenYzijn optredende gewaarwordingen, waarvoor wegeen voldoenden grondvonden in ons bewustzijn. Op grond van ’t causaliteitsbeginsel schrijven wij ’t toe aan iets buiten ons.We nemen dus aan dingen buiten ons. Nu doet zich de vraag voor: van welken aard zijn ze? Ze schijnen ons anders toe dan ons eigen bewustzijn nl. stoffelijk. Maar stof is slechts een verschijningswijze, geen realiteit. Hoe verklaren we dat?
Er is een buitenwereld.
Het psychisch monisme, uitgaande van de zekerheid van ons bewustzijn, bestrijdt de richtingen, die willen blijven staan bij onze bewustzijnsverschijnselen. “De ontkenning van zulke werkelijkheden (d. i. werkelijkheden buiten ons bewustzijn) is een volmaakt logische theorie van waarneming; daar het feit, dat zij maakt, dat de voorwerpen ophouden te bestaan wanneer wij ophouden, ze waar te nemen, er geen voldoende argument tegen is.6Maar zij geeft ons een verminkte en onsamenhangende opvatting van de wereld, en leidt logisch tot solipsisme.” (Strong.) Dit solipsisme nu brengt bij consequente toepassing tot de absolute scepsis: “Het laatste woord van ’t empirisme is dus de opheffing van alle weten, de absolute scepsis” (Heymans). Er is echter grond, om het bestaan eener buitenwereld aan te nemen. Die is gelegen in het voor ons bewustzijn onmiddellijk evidente causaliteitsbeginsel en de door de ervaring voortdurend gegeven bevestiging van de daarop gegronde verwachtingen. Stel u een gedachtenreeks voor. Zeg bijv. op: WienNeerlands bloed. Daar ziet ge bij ’t eerste woord van den tweeden regel iets, bij de vier voelt ge iets, bij de vijfde hoort ge een geluid. Andere voorstellingen komen tusschen uw voorstellingsrij in. We kunnen dat schematisch dus voorstellen:a→b→X—c→d→Y—eenz.XenYzijn optredende gewaarwordingen, waarvoor wegeen voldoenden grondvonden in ons bewustzijn. Op grond van ’t causaliteitsbeginsel schrijven wij ’t toe aan iets buiten ons.We nemen dus aan dingen buiten ons. Nu doet zich de vraag voor: van welken aard zijn ze? Ze schijnen ons anders toe dan ons eigen bewustzijn nl. stoffelijk. Maar stof is slechts een verschijningswijze, geen realiteit. Hoe verklaren we dat?
Het psychisch monisme, uitgaande van de zekerheid van ons bewustzijn, bestrijdt de richtingen, die willen blijven staan bij onze bewustzijnsverschijnselen. “De ontkenning van zulke werkelijkheden (d. i. werkelijkheden buiten ons bewustzijn) is een volmaakt logische theorie van waarneming; daar het feit, dat zij maakt, dat de voorwerpen ophouden te bestaan wanneer wij ophouden, ze waar te nemen, er geen voldoende argument tegen is.6Maar zij geeft ons een verminkte en onsamenhangende opvatting van de wereld, en leidt logisch tot solipsisme.” (Strong.) Dit solipsisme nu brengt bij consequente toepassing tot de absolute scepsis: “Het laatste woord van ’t empirisme is dus de opheffing van alle weten, de absolute scepsis” (Heymans). Er is echter grond, om het bestaan eener buitenwereld aan te nemen. Die is gelegen in het voor ons bewustzijn onmiddellijk evidente causaliteitsbeginsel en de door de ervaring voortdurend gegeven bevestiging van de daarop gegronde verwachtingen. Stel u een gedachtenreeks voor. Zeg bijv. op: WienNeerlands bloed. Daar ziet ge bij ’t eerste woord van den tweeden regel iets, bij de vier voelt ge iets, bij de vijfde hoort ge een geluid. Andere voorstellingen komen tusschen uw voorstellingsrij in. We kunnen dat schematisch dus voorstellen:
a→b→X—c→d→Y—eenz.
XenYzijn optredende gewaarwordingen, waarvoor wegeen voldoenden grondvonden in ons bewustzijn. Op grond van ’t causaliteitsbeginsel schrijven wij ’t toe aan iets buiten ons.
We nemen dus aan dingen buiten ons. Nu doet zich de vraag voor: van welken aard zijn ze? Ze schijnen ons anders toe dan ons eigen bewustzijn nl. stoffelijk. Maar stof is slechts een verschijningswijze, geen realiteit. Hoe verklaren we dat?
De ideale waarnemer.We willen een oogenblik een veronderstelling maken. We nemen aan, dat er een mensch is, die het vermogen bezit, om, door uw schedel heen,alleste zien, wat er in uw hersenen gebeurt. Ook de geringste, de kleinste verandering ontgaat hem niet. Deze man nu houdt zijn aandacht gericht, volkomen gericht op uw hersenen. We zullen hem den idealen waarnemer noemen.Ziehier nu de onderstelling van het monisme:Telkens, wanneer er in u een of ander bewustzijnsverschijnsel plaats grijpt, krijgt de ideale waarnemer een gewaarwording die voor hem de gewaarwording van iets stoffelijks is.Stel, dat er in úw bewustzijn een reeks processen plaats vindt:A—B—C—D—E—F.Dan krijgt de ideale waarnemer een reeks waarnemingen van hersenverschijnselen:a—b—c—d—e—f.Uw hersenen zijn dus steeds de waarneming van een ander.Op zichzelf bestaan zij niet.Nu moeten wij wel onderscheiden inhoud en voorwerp der waarneming van den idealen waarnemer. Lichten we dit even toe. Wanneer wij bijv. een kleur zien, is deinhoudonzer waarneming datroode. Hetvoorwerponzer waarneming zijn echter detrillingenvan den ether. De inhoud der waarneming van den waarnemer is een grijsachtige, niet te stevige, met windingen voorziene, bewegende substantie: de hersenen. Het voorwerp dat hij waarneemt, is úw bewustzijnsverschijnsel en niets anders.Een bewustzijnsproces is dus voor u psychisch. Een ander, die het waarneemt, ziet het als stoffelijk. Zoo is een lepel van binnen gezien hol, van buiten bol.Welk recht heeft het monisme, om te onderstellen, dat aan elk bewustzijnsverschijnsel bij u, een gewaarwording bij den I. W. beantwoordt? Het grondt deze hypothese op de bekende feiten omtrent den samenhang tusschen geestelijk leven en hersenen. Hersenziekten, beleedigingen brengen geestelijke storingen mee. Vergiften en andere stoffen, die op de hersenen inwerken, oefenen invloed uit op ’t bewustzijn; bijv. alcohol, broom. Er is zekere evenredigheid tusschen hersenontwikkeling en geestelijke ontwikkeling. Vooral Heymans vestigt op al deze verschijnselen de aandacht. Met goeden grond mag men dus aannemen, dat bij voortschrijding van de kennis der hersenen en hun werking het materiaal, waarop zich deze hypothese stut, zal vergrooten.De eerste stelling van het psychisch monisme is dus deze:Het proces in ’t bewustzijn is de eenige realiteit, die, van buiten gezien, als stoffelijk, als hersenverschijnsel verschijnt.Dit is intusschen nog een zeer beperkt gebied. We vragen niet alleen naar den aard onzer hersenverschijnselen. Beantwoorden aan de van buiten waargenomen stoffelijke verschijnselen van ademhaling, spijsvertering, bloedsomloop ook psychische realiteiten? Hiervan bemerken we toch niets in ons bewustzijn. Hier vinden we een oplossing door het feit van den prikkeldrempel, de onderbewuste voorstellingen, in verband met het ontwikkelingsbegrip.Wanneer gij in een boeiend boek leest, dan hoort gij bijv. niet, dat iemand u wat vraagt. Toch krijgt gij wel een voorstelling. Zij blijft beneden den drempel van uw bewustzijn. Zij is een onderbewuste voorstelling. Ze kan misschien wel bewust worden. Het is best mogelijk dat ge na een poosje in eens beseft, dat er u iets gevraagd werd, en ge geeft ’t antwoord. Onderbewuste voorstellingen kunnen ook invloed uitoefenen zonder bewust te worden. Bij oordeelen van ervaren menschen zullen zij dikwerf meewerken: allerlei vroegere ervaringen, niet bewust, werken mee bij ’t vormen van ’t oordeel. Van het geheele bezit onzer voorstellingen is slechts een gering gedeelte bewust. Het kan zijn, dat een groot aantal voorstellingen slechts even boven den bewustzijnsdrempel is, bijv. als men soest, na den eten, vlak voor den slaap. Het verband tusschen de voorstellingen is dan gering. Het kan ook wezen, dat sommige weinige voorstellingen zéér ver boven den drempel zijn, bijv. bij opmerkzaamheidskramp. Ons bewustzijn is als eenzee met golven: soms is er een weinig hooge, meer uitgebreide golf boven het niveau, boven den drempel; soms is er een golf met groote kamhoogte. Het bestaan van een drempel, beneden welke een groot aantal onderbewuste, niet zonder invloed zijnde voorstellingen verkeert, en waarboven zich de bewuste voorstellingen verheffen, is voor Fechner’s systeem van zeer veel belang.Bewuste voorstellingen nu kunnen onderbewust worden. Wij kunnen dit al aan tal van voorbeelden uit ’t dagelijksch leven opmerken. Fietsen bijv. wordt eerst geleerd, daarna doen we ’t onbewust werktuigelijk. Zoo gaat ’t een kind met ’t loopen.In aansluiting nu aan de evolutie-theorie kan worden aangenomen, dat ademhalen bijv. eerst bewust is gebeurd, maar langzamerhand onderbewust is geworden in verloop van tijden.De psychische verrichting, waarvan ademhaling enz. de stoffelijke verschijningswijzen zijn, zijn als onderbewust te beschouwen.Ons geheele lichaam wordt beschouwd als de stoffelijke verschijningswijze onzer geestelijke persoonlijkheid. Paulsen vestigt er de aandacht op, dat dit niet alleen de opvatting van Fechner is, maar dat ook Schopenhauer deze beschouwingswijze voorstond. (Zie pag. 110).Er is echter, zagen wij, een buitenwereld.Die naam is misschien niet geheel juist. Zij zou ons doen denken, dat de andere realiteiten, de andere werkelijkheden dan u zelf,buitenuw bewustzijn waren. Ruimte is (zie Kant) een opvattingsvorm, een aanschouwingsvorm van den waarnemer.We kunnen dus zeggen: wij nemen andere dingen waar als buiten ons. Van welken aard zijn die andere dingen?Hier gaat de redeneering door verschillende trappen: De zekerheid, de gegrondheid der onderstelling wordt geringer.Gij ziet andere menschen. Zij verschijnen u als lichamen. Maar—op grond van analogie met wat gij bij u zelven opmerkt, kent ge hun met practische zekerheid bewustzijn toe. Voor de hoogere dieren valt er zeker evenmin aan te twijfelen. Maar als wij van de hoogere tot de lagere dieren afdalen, is er dan een grens, waarbij ’t bewust leven totaal ophoudt? En de planten, die weer in hun laagste vormen met de lagere diervormen overeenkomen? Hier worden we aan Fechner’s Nanna herinnerd.
De ideale waarnemer.
We willen een oogenblik een veronderstelling maken. We nemen aan, dat er een mensch is, die het vermogen bezit, om, door uw schedel heen,alleste zien, wat er in uw hersenen gebeurt. Ook de geringste, de kleinste verandering ontgaat hem niet. Deze man nu houdt zijn aandacht gericht, volkomen gericht op uw hersenen. We zullen hem den idealen waarnemer noemen.Ziehier nu de onderstelling van het monisme:Telkens, wanneer er in u een of ander bewustzijnsverschijnsel plaats grijpt, krijgt de ideale waarnemer een gewaarwording die voor hem de gewaarwording van iets stoffelijks is.Stel, dat er in úw bewustzijn een reeks processen plaats vindt:A—B—C—D—E—F.Dan krijgt de ideale waarnemer een reeks waarnemingen van hersenverschijnselen:a—b—c—d—e—f.Uw hersenen zijn dus steeds de waarneming van een ander.Op zichzelf bestaan zij niet.Nu moeten wij wel onderscheiden inhoud en voorwerp der waarneming van den idealen waarnemer. Lichten we dit even toe. Wanneer wij bijv. een kleur zien, is deinhoudonzer waarneming datroode. Hetvoorwerponzer waarneming zijn echter detrillingenvan den ether. De inhoud der waarneming van den waarnemer is een grijsachtige, niet te stevige, met windingen voorziene, bewegende substantie: de hersenen. Het voorwerp dat hij waarneemt, is úw bewustzijnsverschijnsel en niets anders.Een bewustzijnsproces is dus voor u psychisch. Een ander, die het waarneemt, ziet het als stoffelijk. Zoo is een lepel van binnen gezien hol, van buiten bol.Welk recht heeft het monisme, om te onderstellen, dat aan elk bewustzijnsverschijnsel bij u, een gewaarwording bij den I. W. beantwoordt? Het grondt deze hypothese op de bekende feiten omtrent den samenhang tusschen geestelijk leven en hersenen. Hersenziekten, beleedigingen brengen geestelijke storingen mee. Vergiften en andere stoffen, die op de hersenen inwerken, oefenen invloed uit op ’t bewustzijn; bijv. alcohol, broom. Er is zekere evenredigheid tusschen hersenontwikkeling en geestelijke ontwikkeling. Vooral Heymans vestigt op al deze verschijnselen de aandacht. Met goeden grond mag men dus aannemen, dat bij voortschrijding van de kennis der hersenen en hun werking het materiaal, waarop zich deze hypothese stut, zal vergrooten.De eerste stelling van het psychisch monisme is dus deze:Het proces in ’t bewustzijn is de eenige realiteit, die, van buiten gezien, als stoffelijk, als hersenverschijnsel verschijnt.Dit is intusschen nog een zeer beperkt gebied. We vragen niet alleen naar den aard onzer hersenverschijnselen. Beantwoorden aan de van buiten waargenomen stoffelijke verschijnselen van ademhaling, spijsvertering, bloedsomloop ook psychische realiteiten? Hiervan bemerken we toch niets in ons bewustzijn. Hier vinden we een oplossing door het feit van den prikkeldrempel, de onderbewuste voorstellingen, in verband met het ontwikkelingsbegrip.Wanneer gij in een boeiend boek leest, dan hoort gij bijv. niet, dat iemand u wat vraagt. Toch krijgt gij wel een voorstelling. Zij blijft beneden den drempel van uw bewustzijn. Zij is een onderbewuste voorstelling. Ze kan misschien wel bewust worden. Het is best mogelijk dat ge na een poosje in eens beseft, dat er u iets gevraagd werd, en ge geeft ’t antwoord. Onderbewuste voorstellingen kunnen ook invloed uitoefenen zonder bewust te worden. Bij oordeelen van ervaren menschen zullen zij dikwerf meewerken: allerlei vroegere ervaringen, niet bewust, werken mee bij ’t vormen van ’t oordeel. Van het geheele bezit onzer voorstellingen is slechts een gering gedeelte bewust. Het kan zijn, dat een groot aantal voorstellingen slechts even boven den bewustzijnsdrempel is, bijv. als men soest, na den eten, vlak voor den slaap. Het verband tusschen de voorstellingen is dan gering. Het kan ook wezen, dat sommige weinige voorstellingen zéér ver boven den drempel zijn, bijv. bij opmerkzaamheidskramp. Ons bewustzijn is als eenzee met golven: soms is er een weinig hooge, meer uitgebreide golf boven het niveau, boven den drempel; soms is er een golf met groote kamhoogte. Het bestaan van een drempel, beneden welke een groot aantal onderbewuste, niet zonder invloed zijnde voorstellingen verkeert, en waarboven zich de bewuste voorstellingen verheffen, is voor Fechner’s systeem van zeer veel belang.Bewuste voorstellingen nu kunnen onderbewust worden. Wij kunnen dit al aan tal van voorbeelden uit ’t dagelijksch leven opmerken. Fietsen bijv. wordt eerst geleerd, daarna doen we ’t onbewust werktuigelijk. Zoo gaat ’t een kind met ’t loopen.In aansluiting nu aan de evolutie-theorie kan worden aangenomen, dat ademhalen bijv. eerst bewust is gebeurd, maar langzamerhand onderbewust is geworden in verloop van tijden.De psychische verrichting, waarvan ademhaling enz. de stoffelijke verschijningswijzen zijn, zijn als onderbewust te beschouwen.Ons geheele lichaam wordt beschouwd als de stoffelijke verschijningswijze onzer geestelijke persoonlijkheid. Paulsen vestigt er de aandacht op, dat dit niet alleen de opvatting van Fechner is, maar dat ook Schopenhauer deze beschouwingswijze voorstond. (Zie pag. 110).Er is echter, zagen wij, een buitenwereld.Die naam is misschien niet geheel juist. Zij zou ons doen denken, dat de andere realiteiten, de andere werkelijkheden dan u zelf,buitenuw bewustzijn waren. Ruimte is (zie Kant) een opvattingsvorm, een aanschouwingsvorm van den waarnemer.We kunnen dus zeggen: wij nemen andere dingen waar als buiten ons. Van welken aard zijn die andere dingen?Hier gaat de redeneering door verschillende trappen: De zekerheid, de gegrondheid der onderstelling wordt geringer.Gij ziet andere menschen. Zij verschijnen u als lichamen. Maar—op grond van analogie met wat gij bij u zelven opmerkt, kent ge hun met practische zekerheid bewustzijn toe. Voor de hoogere dieren valt er zeker evenmin aan te twijfelen. Maar als wij van de hoogere tot de lagere dieren afdalen, is er dan een grens, waarbij ’t bewust leven totaal ophoudt? En de planten, die weer in hun laagste vormen met de lagere diervormen overeenkomen? Hier worden we aan Fechner’s Nanna herinnerd.
We willen een oogenblik een veronderstelling maken. We nemen aan, dat er een mensch is, die het vermogen bezit, om, door uw schedel heen,alleste zien, wat er in uw hersenen gebeurt. Ook de geringste, de kleinste verandering ontgaat hem niet. Deze man nu houdt zijn aandacht gericht, volkomen gericht op uw hersenen. We zullen hem den idealen waarnemer noemen.
Ziehier nu de onderstelling van het monisme:
Telkens, wanneer er in u een of ander bewustzijnsverschijnsel plaats grijpt, krijgt de ideale waarnemer een gewaarwording die voor hem de gewaarwording van iets stoffelijks is.
Stel, dat er in úw bewustzijn een reeks processen plaats vindt:
A—B—C—D—E—F.
Dan krijgt de ideale waarnemer een reeks waarnemingen van hersenverschijnselen:
a—b—c—d—e—f.
Uw hersenen zijn dus steeds de waarneming van een ander.Op zichzelf bestaan zij niet.
Nu moeten wij wel onderscheiden inhoud en voorwerp der waarneming van den idealen waarnemer. Lichten we dit even toe. Wanneer wij bijv. een kleur zien, is deinhoudonzer waarneming datroode. Hetvoorwerponzer waarneming zijn echter detrillingenvan den ether. De inhoud der waarneming van den waarnemer is een grijsachtige, niet te stevige, met windingen voorziene, bewegende substantie: de hersenen. Het voorwerp dat hij waarneemt, is úw bewustzijnsverschijnsel en niets anders.
Een bewustzijnsproces is dus voor u psychisch. Een ander, die het waarneemt, ziet het als stoffelijk. Zoo is een lepel van binnen gezien hol, van buiten bol.
Welk recht heeft het monisme, om te onderstellen, dat aan elk bewustzijnsverschijnsel bij u, een gewaarwording bij den I. W. beantwoordt? Het grondt deze hypothese op de bekende feiten omtrent den samenhang tusschen geestelijk leven en hersenen. Hersenziekten, beleedigingen brengen geestelijke storingen mee. Vergiften en andere stoffen, die op de hersenen inwerken, oefenen invloed uit op ’t bewustzijn; bijv. alcohol, broom. Er is zekere evenredigheid tusschen hersenontwikkeling en geestelijke ontwikkeling. Vooral Heymans vestigt op al deze verschijnselen de aandacht. Met goeden grond mag men dus aannemen, dat bij voortschrijding van de kennis der hersenen en hun werking het materiaal, waarop zich deze hypothese stut, zal vergrooten.
De eerste stelling van het psychisch monisme is dus deze:
Het proces in ’t bewustzijn is de eenige realiteit, die, van buiten gezien, als stoffelijk, als hersenverschijnsel verschijnt.
Dit is intusschen nog een zeer beperkt gebied. We vragen niet alleen naar den aard onzer hersenverschijnselen. Beantwoorden aan de van buiten waargenomen stoffelijke verschijnselen van ademhaling, spijsvertering, bloedsomloop ook psychische realiteiten? Hiervan bemerken we toch niets in ons bewustzijn. Hier vinden we een oplossing door het feit van den prikkeldrempel, de onderbewuste voorstellingen, in verband met het ontwikkelingsbegrip.
Wanneer gij in een boeiend boek leest, dan hoort gij bijv. niet, dat iemand u wat vraagt. Toch krijgt gij wel een voorstelling. Zij blijft beneden den drempel van uw bewustzijn. Zij is een onderbewuste voorstelling. Ze kan misschien wel bewust worden. Het is best mogelijk dat ge na een poosje in eens beseft, dat er u iets gevraagd werd, en ge geeft ’t antwoord. Onderbewuste voorstellingen kunnen ook invloed uitoefenen zonder bewust te worden. Bij oordeelen van ervaren menschen zullen zij dikwerf meewerken: allerlei vroegere ervaringen, niet bewust, werken mee bij ’t vormen van ’t oordeel. Van het geheele bezit onzer voorstellingen is slechts een gering gedeelte bewust. Het kan zijn, dat een groot aantal voorstellingen slechts even boven den bewustzijnsdrempel is, bijv. als men soest, na den eten, vlak voor den slaap. Het verband tusschen de voorstellingen is dan gering. Het kan ook wezen, dat sommige weinige voorstellingen zéér ver boven den drempel zijn, bijv. bij opmerkzaamheidskramp. Ons bewustzijn is als eenzee met golven: soms is er een weinig hooge, meer uitgebreide golf boven het niveau, boven den drempel; soms is er een golf met groote kamhoogte. Het bestaan van een drempel, beneden welke een groot aantal onderbewuste, niet zonder invloed zijnde voorstellingen verkeert, en waarboven zich de bewuste voorstellingen verheffen, is voor Fechner’s systeem van zeer veel belang.
Bewuste voorstellingen nu kunnen onderbewust worden. Wij kunnen dit al aan tal van voorbeelden uit ’t dagelijksch leven opmerken. Fietsen bijv. wordt eerst geleerd, daarna doen we ’t onbewust werktuigelijk. Zoo gaat ’t een kind met ’t loopen.
In aansluiting nu aan de evolutie-theorie kan worden aangenomen, dat ademhalen bijv. eerst bewust is gebeurd, maar langzamerhand onderbewust is geworden in verloop van tijden.
De psychische verrichting, waarvan ademhaling enz. de stoffelijke verschijningswijzen zijn, zijn als onderbewust te beschouwen.
Ons geheele lichaam wordt beschouwd als de stoffelijke verschijningswijze onzer geestelijke persoonlijkheid. Paulsen vestigt er de aandacht op, dat dit niet alleen de opvatting van Fechner is, maar dat ook Schopenhauer deze beschouwingswijze voorstond. (Zie pag. 110).
Er is echter, zagen wij, een buitenwereld.
Die naam is misschien niet geheel juist. Zij zou ons doen denken, dat de andere realiteiten, de andere werkelijkheden dan u zelf,buitenuw bewustzijn waren. Ruimte is (zie Kant) een opvattingsvorm, een aanschouwingsvorm van den waarnemer.
We kunnen dus zeggen: wij nemen andere dingen waar als buiten ons. Van welken aard zijn die andere dingen?
Hier gaat de redeneering door verschillende trappen: De zekerheid, de gegrondheid der onderstelling wordt geringer.
Gij ziet andere menschen. Zij verschijnen u als lichamen. Maar—op grond van analogie met wat gij bij u zelven opmerkt, kent ge hun met practische zekerheid bewustzijn toe. Voor de hoogere dieren valt er zeker evenmin aan te twijfelen. Maar als wij van de hoogere tot de lagere dieren afdalen, is er dan een grens, waarbij ’t bewust leven totaal ophoudt? En de planten, die weer in hun laagste vormen met de lagere diervormen overeenkomen? Hier worden we aan Fechner’s Nanna herinnerd.
Het bewustzijn der planten.Planten en dieren verschillen ongetwijfeld veel in hun hoogere, niet in hun lagere vormen. Waarschijnlijk heeft zich ’t bewustzijn der planten op een andere wijze ontwikkeld en kenmerkt het zich door een groote mate van ontvankelijkheid voor indrukken, weinig spontanieteit, veel receptiviteit. Ook de plant ademt, voedt zich, plant zich voort. Bij den mensch zijn dit grootendeels onderbewuste processen, omdat hij zijn opmerkzaamheid door hoogere dingen in beslag ziet genomen. Dit hoogere bewustzijn ontbreekt bij de planten: daarom is het lagere misschien des te levendiger. De planten bewegen zich slechts tengevolge vanprikkelsderbuitenwereld. Maar dat kan met bewustzijn gepaard gaan, evengoed als bij ons. De planten hebben geen zenuwstelsel; maar is een zenuwstelsel absoluut noodig voor bewustzijn?7
Het bewustzijn der planten.
Planten en dieren verschillen ongetwijfeld veel in hun hoogere, niet in hun lagere vormen. Waarschijnlijk heeft zich ’t bewustzijn der planten op een andere wijze ontwikkeld en kenmerkt het zich door een groote mate van ontvankelijkheid voor indrukken, weinig spontanieteit, veel receptiviteit. Ook de plant ademt, voedt zich, plant zich voort. Bij den mensch zijn dit grootendeels onderbewuste processen, omdat hij zijn opmerkzaamheid door hoogere dingen in beslag ziet genomen. Dit hoogere bewustzijn ontbreekt bij de planten: daarom is het lagere misschien des te levendiger. De planten bewegen zich slechts tengevolge vanprikkelsderbuitenwereld. Maar dat kan met bewustzijn gepaard gaan, evengoed als bij ons. De planten hebben geen zenuwstelsel; maar is een zenuwstelsel absoluut noodig voor bewustzijn?7
Planten en dieren verschillen ongetwijfeld veel in hun hoogere, niet in hun lagere vormen. Waarschijnlijk heeft zich ’t bewustzijn der planten op een andere wijze ontwikkeld en kenmerkt het zich door een groote mate van ontvankelijkheid voor indrukken, weinig spontanieteit, veel receptiviteit. Ook de plant ademt, voedt zich, plant zich voort. Bij den mensch zijn dit grootendeels onderbewuste processen, omdat hij zijn opmerkzaamheid door hoogere dingen in beslag ziet genomen. Dit hoogere bewustzijn ontbreekt bij de planten: daarom is het lagere misschien des te levendiger. De planten bewegen zich slechts tengevolge vanprikkelsderbuitenwereld. Maar dat kan met bewustzijn gepaard gaan, evengoed als bij ons. De planten hebben geen zenuwstelsel; maar is een zenuwstelsel absoluut noodig voor bewustzijn?7
Aarde.Mensch, dier en plant ontspringen aan de aarde. Uit haar komt ’t bewuste leven, tot haar gaat ’t terug. Zou zij zelve niet bewust zijn? De aarde is voor Fechner weer een bewustzijn, dat in de menschen zijn toppen heeft. De aarde heeft zich, van buiten gezien, ontwikkeld, gesplitst. Zoo mag ook haar bewustzijn zich gedifferentieerd hebben, zooals wij dat ook bij den mensch leerden kennen. Fechner’s theorie vindt hier steun in Spencer’s ontwikkelingsleer, zooals door Heymans opgemerkt wordt. De aarde is weer een omvattend bewustzijn, dat den mensch in zich bevat, zooals deze verschillende voorstellingen. De aarde gelijkt op de menschen in vele punten: dag en nacht—waken en slapen, de kringloop van ’t water—kringloop van ’t bloed, enz. Maar er is ook verschil. De aarde staat boven den mensch en watdezebezit, behoeftzijniet opnieuw te hebben. Haar oogen heeft zij in den mensch. Bij deze beschouwing moet men den mensch niet als tegenover de aarde en los van haar beschouwen, maar als een deel.
Aarde.
Mensch, dier en plant ontspringen aan de aarde. Uit haar komt ’t bewuste leven, tot haar gaat ’t terug. Zou zij zelve niet bewust zijn? De aarde is voor Fechner weer een bewustzijn, dat in de menschen zijn toppen heeft. De aarde heeft zich, van buiten gezien, ontwikkeld, gesplitst. Zoo mag ook haar bewustzijn zich gedifferentieerd hebben, zooals wij dat ook bij den mensch leerden kennen. Fechner’s theorie vindt hier steun in Spencer’s ontwikkelingsleer, zooals door Heymans opgemerkt wordt. De aarde is weer een omvattend bewustzijn, dat den mensch in zich bevat, zooals deze verschillende voorstellingen. De aarde gelijkt op de menschen in vele punten: dag en nacht—waken en slapen, de kringloop van ’t water—kringloop van ’t bloed, enz. Maar er is ook verschil. De aarde staat boven den mensch en watdezebezit, behoeftzijniet opnieuw te hebben. Haar oogen heeft zij in den mensch. Bij deze beschouwing moet men den mensch niet als tegenover de aarde en los van haar beschouwen, maar als een deel.
Mensch, dier en plant ontspringen aan de aarde. Uit haar komt ’t bewuste leven, tot haar gaat ’t terug. Zou zij zelve niet bewust zijn? De aarde is voor Fechner weer een bewustzijn, dat in de menschen zijn toppen heeft. De aarde heeft zich, van buiten gezien, ontwikkeld, gesplitst. Zoo mag ook haar bewustzijn zich gedifferentieerd hebben, zooals wij dat ook bij den mensch leerden kennen. Fechner’s theorie vindt hier steun in Spencer’s ontwikkelingsleer, zooals door Heymans opgemerkt wordt. De aarde is weer een omvattend bewustzijn, dat den mensch in zich bevat, zooals deze verschillende voorstellingen. De aarde gelijkt op de menschen in vele punten: dag en nacht—waken en slapen, de kringloop van ’t water—kringloop van ’t bloed, enz. Maar er is ook verschil. De aarde staat boven den mensch en watdezebezit, behoeftzijniet opnieuw te hebben. Haar oogen heeft zij in den mensch. Bij deze beschouwing moet men den mensch niet als tegenover de aarde en los van haar beschouwen, maar als een deel.
Wereld.Steeds stouter schrijdt de hypothese voort. De planeten zijn weer bewustzijnseenheden, in ons zonnestelsel weer tot een hoogere eenheid verbonden. Ten slotte is alles deel van één grootwereldbewustzijn. Men heeft hier steeds te denken aan het onderbewuste en den drempel. Boven een algemeen onbewust niveau verheffen zich verschillende toppen. En Heymans vooral vestigt de aandacht er op, dat de theorie op dit punt steun vindt in de theorie van Spencer en dat er niets is, wat haar weerspreekt. Het blijft voor hem een hypothese, die zich echter, door meer feitenmateriaal gestut en door verdere ontwikkeling der wetenschap, eenmaal tot den rang eener stevige theorie zal kunnen verheffen.
Wereld.
Steeds stouter schrijdt de hypothese voort. De planeten zijn weer bewustzijnseenheden, in ons zonnestelsel weer tot een hoogere eenheid verbonden. Ten slotte is alles deel van één grootwereldbewustzijn. Men heeft hier steeds te denken aan het onderbewuste en den drempel. Boven een algemeen onbewust niveau verheffen zich verschillende toppen. En Heymans vooral vestigt de aandacht er op, dat de theorie op dit punt steun vindt in de theorie van Spencer en dat er niets is, wat haar weerspreekt. Het blijft voor hem een hypothese, die zich echter, door meer feitenmateriaal gestut en door verdere ontwikkeling der wetenschap, eenmaal tot den rang eener stevige theorie zal kunnen verheffen.
Steeds stouter schrijdt de hypothese voort. De planeten zijn weer bewustzijnseenheden, in ons zonnestelsel weer tot een hoogere eenheid verbonden. Ten slotte is alles deel van één grootwereldbewustzijn. Men heeft hier steeds te denken aan het onderbewuste en den drempel. Boven een algemeen onbewust niveau verheffen zich verschillende toppen. En Heymans vooral vestigt de aandacht er op, dat de theorie op dit punt steun vindt in de theorie van Spencer en dat er niets is, wat haar weerspreekt. Het blijft voor hem een hypothese, die zich echter, door meer feitenmateriaal gestut en door verdere ontwikkeling der wetenschap, eenmaal tot den rang eener stevige theorie zal kunnen verheffen.
Godsdienst.Fechner duidt dit alomvattende wereldbewustzijn aan met den naam God. De aarde is middelaar tusschen mensch en God, de planeten zijn als Engelen te beschouwen. Paulsen gaat minder ver in het zoeken van analogieën met den Christelijken godsdienst. Toch meent hij dat er voor den godsdienst een afzonderlijke plaats is waar die niet strijdt met de wetenschap, en dat het godsbegrip van ’t monisme de gemoedsbehoeften kan vervullen. Ook hij noemt het wereldbewustzijn God.Voorzichtiger laat zich Heymans uit. Hij acht het ongewenscht, om het Wereldbewustzijn den naam God te geven, al is ’t gebruik, dat de wijsgeeren de laatste en hoogste realiteit zoo noemen. Het is misschien verwarrend; de beide begrippen dekken elkaar niet. Moeilijk kan men bijv. aan het wereldbewustzijn der psychisch-monisten volkomen heiligheid toeschrijven. Bovendien is het minder kiesch, dit woord te gebruiken tegenover hen, voor wie het de gangbare beteekenis heeft. Maar het monisme kan toch eenige behoeften, en daaronder zeer belangrijke, van het godsdienstig gemoed vervullen. Het geeft den mensch de troost, dat hij niet alléén staat in den arbeid voor ’t geheel. Hij heeft hoogere, gelijkgerichte machten boven zich. Zijn doel zal dus verwezenlijkt kunnen worden. De mensch heeft dan ook het diepe gevoel vansaamhoorigheidmet het geheel; en hij weet dat hij medeverantwoordelijkis voor de toekomst, omdat zijn arbeid, zij ’t nog zoo gering, niet verloren kan gaan.In deze leer vindt hetonsterfelijkheidsgeloofook een plaats. De mensch blijft deel van het omvattender aardbewustzijn, behoudt een zekere zelfstandigheid, maar kan misschien verbindingen aangaan,eerst met meer, dan met minder verwante bewustzijnseenheden8.Het is misschien goed, om nog even het psychisch monisme te vergelijken met andere stelsels. Maken wij daarvoor gebruik van ’t ook in I gegeven klokkenvoorbeeld. Wij hebben dus twee, geheel met elkaar overeenkomende klokken. Denken we ons de eene met bewustzijn begaafd.De klok denkt: die klok tegenover mij wordt door mij beïnvloed en zij oefent invloed op mij. Het dualisme (Descartes).Ik en die klok worden telkens weer gelijk gezet door iemand achter ons zittend. Het occasionalisme (Geulincx, Malebranche).Ik en die klok zijn door een bekwaam uurwerkmaker zoo vervaardigd, dat wij steeds gelijk loopen. Vooruitbepaalde harmonie (Leibniz).Ik en die klok worden beide door één zelfde uurwerk, dat wij niet kunnen waarnemen, bewogen. Leer van het onbekende derde (Spinoza).Neem nu aan, dat die klok ontdekt, dat die tweede klok haar eigen spiegelbeeld is. Er is dus maar één klok die zich ook nog op een andere wijze voordoet. Psychisch monisme (Fechner, e.a.).Kwam nu de klok op het singuliere denkbeeld het spiegelbeeld voor de werkelijke klok, zichzelf voor het spiegelbeeld te houden, dan had men het materialisme. (Hobbes,La Mettrie, Vogt etc.)Uit dit beeld moge vooral blijken, dat het psychisch monisme niet gelijk is met het spinozisme, maar nog veel minder—wat ook wel eens gebeurt—met hetlijnrecht er aan tegengestelde materialisme mag verward worden.Strong en Heymans leggen er nog den nadruk op, dat het psychisch monisme deeenvoudigsteverklaring is, eenvoudiger dan de andere hypothesen, en een zeer geschiktewerkhypothese.“Ik zal de laatste zijn om te beweren, dat (het) helder tot den bodem en ontdaan van alle moeilijkheden is. Maar het is op gezonde wijsgeerige beginselen gebaseerd; het stelt ons, als geen andere hypothese in staat, de feiten te construeeren; en zijn moeilijkheden zijn wel duister, maar niet tegenstrijdig” (Strong).“De theorie van het psychisch monisme is eenvoudiger, dan welke andere ook” (Heymans).
Godsdienst.
Fechner duidt dit alomvattende wereldbewustzijn aan met den naam God. De aarde is middelaar tusschen mensch en God, de planeten zijn als Engelen te beschouwen. Paulsen gaat minder ver in het zoeken van analogieën met den Christelijken godsdienst. Toch meent hij dat er voor den godsdienst een afzonderlijke plaats is waar die niet strijdt met de wetenschap, en dat het godsbegrip van ’t monisme de gemoedsbehoeften kan vervullen. Ook hij noemt het wereldbewustzijn God.Voorzichtiger laat zich Heymans uit. Hij acht het ongewenscht, om het Wereldbewustzijn den naam God te geven, al is ’t gebruik, dat de wijsgeeren de laatste en hoogste realiteit zoo noemen. Het is misschien verwarrend; de beide begrippen dekken elkaar niet. Moeilijk kan men bijv. aan het wereldbewustzijn der psychisch-monisten volkomen heiligheid toeschrijven. Bovendien is het minder kiesch, dit woord te gebruiken tegenover hen, voor wie het de gangbare beteekenis heeft. Maar het monisme kan toch eenige behoeften, en daaronder zeer belangrijke, van het godsdienstig gemoed vervullen. Het geeft den mensch de troost, dat hij niet alléén staat in den arbeid voor ’t geheel. Hij heeft hoogere, gelijkgerichte machten boven zich. Zijn doel zal dus verwezenlijkt kunnen worden. De mensch heeft dan ook het diepe gevoel vansaamhoorigheidmet het geheel; en hij weet dat hij medeverantwoordelijkis voor de toekomst, omdat zijn arbeid, zij ’t nog zoo gering, niet verloren kan gaan.In deze leer vindt hetonsterfelijkheidsgeloofook een plaats. De mensch blijft deel van het omvattender aardbewustzijn, behoudt een zekere zelfstandigheid, maar kan misschien verbindingen aangaan,eerst met meer, dan met minder verwante bewustzijnseenheden8.Het is misschien goed, om nog even het psychisch monisme te vergelijken met andere stelsels. Maken wij daarvoor gebruik van ’t ook in I gegeven klokkenvoorbeeld. Wij hebben dus twee, geheel met elkaar overeenkomende klokken. Denken we ons de eene met bewustzijn begaafd.De klok denkt: die klok tegenover mij wordt door mij beïnvloed en zij oefent invloed op mij. Het dualisme (Descartes).Ik en die klok worden telkens weer gelijk gezet door iemand achter ons zittend. Het occasionalisme (Geulincx, Malebranche).Ik en die klok zijn door een bekwaam uurwerkmaker zoo vervaardigd, dat wij steeds gelijk loopen. Vooruitbepaalde harmonie (Leibniz).Ik en die klok worden beide door één zelfde uurwerk, dat wij niet kunnen waarnemen, bewogen. Leer van het onbekende derde (Spinoza).Neem nu aan, dat die klok ontdekt, dat die tweede klok haar eigen spiegelbeeld is. Er is dus maar één klok die zich ook nog op een andere wijze voordoet. Psychisch monisme (Fechner, e.a.).Kwam nu de klok op het singuliere denkbeeld het spiegelbeeld voor de werkelijke klok, zichzelf voor het spiegelbeeld te houden, dan had men het materialisme. (Hobbes,La Mettrie, Vogt etc.)Uit dit beeld moge vooral blijken, dat het psychisch monisme niet gelijk is met het spinozisme, maar nog veel minder—wat ook wel eens gebeurt—met hetlijnrecht er aan tegengestelde materialisme mag verward worden.Strong en Heymans leggen er nog den nadruk op, dat het psychisch monisme deeenvoudigsteverklaring is, eenvoudiger dan de andere hypothesen, en een zeer geschiktewerkhypothese.“Ik zal de laatste zijn om te beweren, dat (het) helder tot den bodem en ontdaan van alle moeilijkheden is. Maar het is op gezonde wijsgeerige beginselen gebaseerd; het stelt ons, als geen andere hypothese in staat, de feiten te construeeren; en zijn moeilijkheden zijn wel duister, maar niet tegenstrijdig” (Strong).“De theorie van het psychisch monisme is eenvoudiger, dan welke andere ook” (Heymans).
Fechner duidt dit alomvattende wereldbewustzijn aan met den naam God. De aarde is middelaar tusschen mensch en God, de planeten zijn als Engelen te beschouwen. Paulsen gaat minder ver in het zoeken van analogieën met den Christelijken godsdienst. Toch meent hij dat er voor den godsdienst een afzonderlijke plaats is waar die niet strijdt met de wetenschap, en dat het godsbegrip van ’t monisme de gemoedsbehoeften kan vervullen. Ook hij noemt het wereldbewustzijn God.
Voorzichtiger laat zich Heymans uit. Hij acht het ongewenscht, om het Wereldbewustzijn den naam God te geven, al is ’t gebruik, dat de wijsgeeren de laatste en hoogste realiteit zoo noemen. Het is misschien verwarrend; de beide begrippen dekken elkaar niet. Moeilijk kan men bijv. aan het wereldbewustzijn der psychisch-monisten volkomen heiligheid toeschrijven. Bovendien is het minder kiesch, dit woord te gebruiken tegenover hen, voor wie het de gangbare beteekenis heeft. Maar het monisme kan toch eenige behoeften, en daaronder zeer belangrijke, van het godsdienstig gemoed vervullen. Het geeft den mensch de troost, dat hij niet alléén staat in den arbeid voor ’t geheel. Hij heeft hoogere, gelijkgerichte machten boven zich. Zijn doel zal dus verwezenlijkt kunnen worden. De mensch heeft dan ook het diepe gevoel vansaamhoorigheidmet het geheel; en hij weet dat hij medeverantwoordelijkis voor de toekomst, omdat zijn arbeid, zij ’t nog zoo gering, niet verloren kan gaan.
In deze leer vindt hetonsterfelijkheidsgeloofook een plaats. De mensch blijft deel van het omvattender aardbewustzijn, behoudt een zekere zelfstandigheid, maar kan misschien verbindingen aangaan,eerst met meer, dan met minder verwante bewustzijnseenheden8.
Het is misschien goed, om nog even het psychisch monisme te vergelijken met andere stelsels. Maken wij daarvoor gebruik van ’t ook in I gegeven klokkenvoorbeeld. Wij hebben dus twee, geheel met elkaar overeenkomende klokken. Denken we ons de eene met bewustzijn begaafd.
De klok denkt: die klok tegenover mij wordt door mij beïnvloed en zij oefent invloed op mij. Het dualisme (Descartes).
Ik en die klok worden telkens weer gelijk gezet door iemand achter ons zittend. Het occasionalisme (Geulincx, Malebranche).
Ik en die klok zijn door een bekwaam uurwerkmaker zoo vervaardigd, dat wij steeds gelijk loopen. Vooruitbepaalde harmonie (Leibniz).
Ik en die klok worden beide door één zelfde uurwerk, dat wij niet kunnen waarnemen, bewogen. Leer van het onbekende derde (Spinoza).
Neem nu aan, dat die klok ontdekt, dat die tweede klok haar eigen spiegelbeeld is. Er is dus maar één klok die zich ook nog op een andere wijze voordoet. Psychisch monisme (Fechner, e.a.).
Kwam nu de klok op het singuliere denkbeeld het spiegelbeeld voor de werkelijke klok, zichzelf voor het spiegelbeeld te houden, dan had men het materialisme. (Hobbes,La Mettrie, Vogt etc.)
Uit dit beeld moge vooral blijken, dat het psychisch monisme niet gelijk is met het spinozisme, maar nog veel minder—wat ook wel eens gebeurt—met hetlijnrecht er aan tegengestelde materialisme mag verward worden.
Strong en Heymans leggen er nog den nadruk op, dat het psychisch monisme deeenvoudigsteverklaring is, eenvoudiger dan de andere hypothesen, en een zeer geschiktewerkhypothese.
“Ik zal de laatste zijn om te beweren, dat (het) helder tot den bodem en ontdaan van alle moeilijkheden is. Maar het is op gezonde wijsgeerige beginselen gebaseerd; het stelt ons, als geen andere hypothese in staat, de feiten te construeeren; en zijn moeilijkheden zijn wel duister, maar niet tegenstrijdig” (Strong).
“De theorie van het psychisch monisme is eenvoudiger, dan welke andere ook” (Heymans).
1Zij luidt: De gewaarwording is evenredig aan den logarithmus van den prikkel.↑2Zie Gids 1896. Een laboratorium voor experimenteele psychologie.↑3Tijdens de correctie lees ik, dat Paulsen op 62jarigen leeftijd te Berlijn overleden is.↑4Soms komt een zwakke prikkel niet tot bewustzijn of slechts flauw, wijl ze door een grootere belemmerd wordt. We zien bijv. overdag de sterren niet. Bij hevige pijn gevoelt men een klein pijntje niet. In een roezemoezige zaal wordt ’t vallen van een speld niet gehoord.↑5Wel in de Voordrachten der Secties voor Wetenschappelijken arbeid. No. 8.↑6Wanneer wij met Berkeley zeggen dat “zijn” is “waargenomen worden.”↑7Onder de correctie lees ik, dat de zoon van Charles Darwin in een natuurwetenschappelijke lezing ook het bewustzijn van planten heeft verdedigd.↑8Ik verwijs naar Fechner’s boekje, ook in Hollandsche vertaling verschenen.↑
1Zij luidt: De gewaarwording is evenredig aan den logarithmus van den prikkel.↑2Zie Gids 1896. Een laboratorium voor experimenteele psychologie.↑3Tijdens de correctie lees ik, dat Paulsen op 62jarigen leeftijd te Berlijn overleden is.↑4Soms komt een zwakke prikkel niet tot bewustzijn of slechts flauw, wijl ze door een grootere belemmerd wordt. We zien bijv. overdag de sterren niet. Bij hevige pijn gevoelt men een klein pijntje niet. In een roezemoezige zaal wordt ’t vallen van een speld niet gehoord.↑5Wel in de Voordrachten der Secties voor Wetenschappelijken arbeid. No. 8.↑6Wanneer wij met Berkeley zeggen dat “zijn” is “waargenomen worden.”↑7Onder de correctie lees ik, dat de zoon van Charles Darwin in een natuurwetenschappelijke lezing ook het bewustzijn van planten heeft verdedigd.↑8Ik verwijs naar Fechner’s boekje, ook in Hollandsche vertaling verschenen.↑
1Zij luidt: De gewaarwording is evenredig aan den logarithmus van den prikkel.↑
2Zie Gids 1896. Een laboratorium voor experimenteele psychologie.↑
3Tijdens de correctie lees ik, dat Paulsen op 62jarigen leeftijd te Berlijn overleden is.↑
4Soms komt een zwakke prikkel niet tot bewustzijn of slechts flauw, wijl ze door een grootere belemmerd wordt. We zien bijv. overdag de sterren niet. Bij hevige pijn gevoelt men een klein pijntje niet. In een roezemoezige zaal wordt ’t vallen van een speld niet gehoord.↑
5Wel in de Voordrachten der Secties voor Wetenschappelijken arbeid. No. 8.↑
6Wanneer wij met Berkeley zeggen dat “zijn” is “waargenomen worden.”↑
7Onder de correctie lees ik, dat de zoon van Charles Darwin in een natuurwetenschappelijke lezing ook het bewustzijn van planten heeft verdedigd.↑
8Ik verwijs naar Fechner’s boekje, ook in Hollandsche vertaling verschenen.↑