TWEEDE AFDEELING.DE TIJD VAN DE SPECULATIEVE WIJSBEGEERTE.§ 13.Voorloopige opmerkingen.Na Kant is er veel leven in de Duitsche wijsbegeerte. Er worden groote systemen gebouwd. Zooals in de staatkunde in het begin der 19de eeuw ieder jaar haast een nieuwe politieke indeeling ontstond, zoo kwam in de wijsbegeerte met elk jaar bijna een nieuw stelsel.Duitschland is het leidende land in het eerste gedeelte der 19de eeuw. Daar valt de letterkundige bloei gedeeltelijk nog samen met de wijsgeerige, de wederopleving van het Duitsche nationaal gevoel wordt mee bevorderd door de denkers.Jena is een belangrijke stad geworden. Daar ontmoeten elkaar denkers en dichters. Daar wonen allerlei bekende figuren uit de Duitsche literatuur. Daar voert men zware gesprekken, is men bezig omver te halen en weer op te bouwen. Daar is het brandpunt van hetromantisme.Wat wil de romantiek? Het is moeilijk, om een zoo veelsoortig zich uitlevende beweging kort te teekenen, beweging, die niet alleen, niet allereerst van wijsgeerigen aard is.1Zij is een zich uit den tijd van gewoel en drukte,terugtrekken op het eigen zelf, niet echter, om dit in aandachtige beschouwing te vergeestelijken en te verdiepen, zooals de mystici der middeleeuwen, maar om dit te openbaren in dekunst, om dit uit te leven in de artistieke scheppingen, vooral der letterkunde. Ver boven het leven van allen dag, boven de kleine burgermenschjes denkt zich de geniale kunstenaar verheven, niet gebonden door de eischen van de heerschende moraal, noch veel minder door die van het fatsoen. De nuchtere tijd der aufklärung wijkt nu ten volle. Het bezadigde verstand, dat geen diepten kent, wijkt voor een krachtig stroomend gevoel, dat steeds meer opborrelt. Het verplaatst den mensch als in een andere wereld. De werkelijkheid wordt gezien onder schemer van geheimzinnigheid. Sprookjespoëzie ontstaat en de romans zijn vol van geheimzinnige verhalen, avontuurlijke gebeurtenissen. De oogen gaan open voor de schoonheid van een manenacht; voor de stemming, die het Duitsche woud kan geven, wordt het hart gevoelig. Het vaderland met al zijn herinneringen spreekt tot de verbeelding: de historische roman ontstaat.2De Schlegels, Tieck, Novalis, zijn de mannen der romantiek, Schelling is hun wijsgeer.Vertoont de filosofie veel overeenkomst met die richting, het is toch minder juist om de filosofie uit de eerste 40 jaren van de 19de eeuw die der romantiek te noemen. Hegel, de grootste denker uit dien tijd, is geen dwepend romanticus als Schelling.Beter spreekt men van de speculatieve filosofie. Wat zijn hare kenmerken? Zij knoopt aan bij Kant’sleer: de lichamelijke wereld is een verschijnsel, die heenwijst op een absolute werkelijkheid, deintelligibelewereld.Die intelligibele wereld heeft zij te bereiken met hetdenken: het zuivere denken moet ons de waarheid brengen.De methode is dus aprioristisch; een opbouw van stelsels, die niet op ervaringsgrondslag steunen, maar van uit het denken geconstrueerd worden, wordt beproefd.Zijn die eenmaal gevonden, dan heeft men den zin der dingen verstaan, de werkelijkheid wordt gekend.Drie groote speculatieve filosofen zijn er.Fichte, deethicus, die ’t meest uitgaat naar de zedenleer.Schelling, dekunstenaar, die kunst als hoogste wijsbegeerte ziet.Hegel, dedenker.Fichte vormt geen school, Schelling vindt geestverwanten, Hegel vormt een school, die op verschillende terreinen werkzaam is. “Zijn invloed, hoewel dikwijls niet erkend, steekt in onzen arbeid, onze begrippen, onze problemen. Hij heeft zich ingegraven in het geestesleven der eeuw” (Eucken). De school van Hegel vormt met haarlinkerzijdeden overgang tot hetpositivismein Duitschland.In Schopenhauer vindt de romantiek een pessimistischen filosoof.Dit gedeelte is genoemd detijdder speculatieve filosofie. Want er waren ook andere, geenszins onaanzienlijke denkers, nevens de genoemde. Onder hen valt te noemenHerbart, die op ziel- en opvoedkundig gebied tot nu nog invloed uitoefent.1Belangstellende lezers verwijs ik naar Haym, “Die Romantische Schule.”↑2Hij ontstond eveneens in ons land na een rede van D. J. v. Lennep over de belangrijkheid van Hollands oudheden voor gevoel en verbeelding.↑HOOFDSTUK V.Fichte.§ 14.Leven en Werken.Leven.De eerste der groote denkers uit dit tijdvak is Johan Gottlieb Fichte, als zoon van arme ouders den 19 Mei 1762 te Rammenau in Silezië geboren; tengevolge van zijn talent om preeken te onthouden, door een rijk grondbezitter ontdekt; door dezen in staat gesteld te studeeren, en zoo student in Jena en Leipzig geworden. Uit moeilijke geldelijke omstandigheden geraakt hij, door huisonderwijzer te Zurich te worden. Hier maakt hij kennis met Pestalozzi, den genialen vader der 19de-eeuwsche opvoeding en vindt er in de nicht van den dichter Klopstock zijn aanstaande vrouw, wier vermogen het hem later mogelijk maakte een eigen haard te stichten. Van Zurich, waar zijn positie moeilijkheden meebracht—hij hield de ouden elke week de door hen begane opvoedkundige fouten onder de oogen!—vertrok hij naar Jena, waar hij kennis maakte met Kant’s wijsbegeerte. Wat in vroegeren tijd de lezing van Descartes werken voor velen was, dat was die vanKant’s boeken voor ettelijken in deze jaren: een openbaring. In geestdrift ontstoken voor de grootsche gedachten van den Koningsberger, tracht Fichte hem—hij was op reis naar Warschau, waar hij huisonderwijzer hoopte te worden—te spreken en geeft als aanbeveling een in vijf weken ontworpen geschrift: “Proeve eener critiek van alle openbaring”. Het geschrift en zijn schrijver bevielen Kant. Deze zorgde voor een uitgever. Door een vergissing (of uit list?) liet de laatste den naam des auteurs weg, en het publiek dat juist in dien tijd Kant’s godsdienstwijsbegeerte vol spanning verwachtte, zag het boekje voor Kant’s werk aan. Toen de maker bekend was, was Fichte in één slag een beroemd man. Weldra is hij als opvolger van den naar Kiel vertrokken Reinhold professor te Jena. Hier krijgt hij moeite met de geestelijkheid wegens Zondagsvoordrachten met de studenten, wier ruwe corpsmanieren hij trachtte te verzachten. In 1799 wordt hij wegens een tijdschriftartikel door de Saksische regeering bij die van Weimar van atheïsme beschuldigd. Heftig antwoordt Fichte. Hij dreigt, indien hij in ’t ongelijk gesteld wordt, met ontslag. Dat wordt hem nu, zelfs met Goethe’s toestemming, gegeven. Naar Berlijn vertrokken, vindt hij daar wélkom onthaal in den kring van bekende figuren uit de romantiek: de gebroeders Schlegel, Tieck, Schleiermacher. Hier houdt hij in 1808 zijn gloeiende toespraken tot de Duitsche natie, waarin hij wederopleving van het Duitsche land door opvoeding predikte. In 1810 wordt hij hoogleeraar aan de te Berlijn opgerichte Universiteit. Zijn plan, om als veldprediker mee te gaan in den veldtocht van 1813 geeft hij op. Toch wordt hij slachtoffer van den oorlog: zijn vrouw verpleegt gewonden, hij wordt met koorts besmet en sterft in 1814.Fichte was een schoone, indrukwekkende, rusteloos werkende persoonlijkheid, van groote welsprekendheid en in sommige zijner werken van schitterenden stijl. Aan den indruk zijner machtige persoonlijkheid onttrok schier niemand zich. Zijn gesternte overstraalde door zijn licht het schijnsel van mannen als Maimon, Beck, Reinhold en anderen; het schitterde naast dat van Kant met onverflauwden gloed.Werken.Fichte’swerkenzijn niet alle van denzelfden aard. Sommige zijn meer in drogen, scholastieken vorm, andere in vurige taal. Na zijn verhuizing naar Berlijn onderging hij andere invloeden, hij zag méér van de wereld, stelde grooter belang in het politieke leven van die dagen, in den gang der wereldgeschiedenis. Men heeft dan ook wel willen beweren, dat er eigenlijk twee filosofieën van Fichte zijn, die uit zijn eerste en die uit zijn tweede periode. Ongetwijfeld treedt in zijn latere levensjaren de belangstelling voor godsdienstige en praktisch-wijsgeerige vraagstukken meer op den voorgrond. Vorschers van den eersten rang (Kuno Fischer, Falckenberg) meenen echter in zijn leer wel een ontwikkelingsgangte ontdekken, maar geen totalen omkeer.In 1794 verscheen de “Grondslag der geheele wetenschapsleer.” In 1797 gaf hij daar nog “Inleidingen” op en in 1800 verscheen: “De Bestemming des menschen.” Verder zijn te noemen: “De Grondslag van het Natuurrecht naar de beginselen der W.-L.” (1796) en de Zedeleer naar dezelfde beginselen (1798).Als eerste lectuur wordt aanbevolen: (de meeste werken in Reclams goedkoope uitgaven) “De toespraken tot de Duitsche natie,” “De bestemming van den mensch,” “Systeem der Zedenleer” en “Feiten van het Bewustzijn” (1811).§ 15.Theoretische filosofie.Fichte is een zelfstandige leerling van Kant. Hij heeft niet diens leer nagepraat, gepopulariseerd of in onderdeelen gewijzigd. Hij is van uit het hart dier leer zèlf verder gegaan. Wat onderscheidde hem van Kant? Deze, die voor het oudere dogmatische standpunt van Wolff zijn criticisme in de plaats had gesteld, had, door gebrek aan scherpheid enduidelijkheidgeen misverstand buitengesloten en was zoo—zij het onwillens—vader geworden eener nieuwe dogmatische school, die zwoer bij de letter van Kant. Kant had, door scherpe onderscheidingen en indeelingen, wel bouwstoffen geleverd voor een systeem, maar er zelf geen gebouwd; hij had niet aangewezen, hoe alles uit één beginsel ontsprong. Hij had, in onze kennisvormeninhoudonderscheidend, niet aangewezen, van waar die inhoud dan kwam.Hij had, zuivere en practische rede elk haar eigen gebied aanwijzend, nagelaten, om aan te toonen, hoe die beide tot één punt waren terug te voeren. Fichte ziet zich dus zijn taak alzóó gesteld:Eenstelselte ontwerpen, dat alles uitéén beginselafleidend, de zuivere en de practische rede, de verschillende onderscheidingen van Kant, erkent, maarden laatsten oorsprongzoekt van de door Kant gegeven vormen en formules en dus nog dieper in ons zijn afdaalt.Welk beginsel neemt Fichte daarvoor aan?Tweeërlei is mogelijk.Men kan zeggen: onze bewustzijnsinhoud is afspiegeling eener buiten bewuste werkelijkheid en de dingen veroorzaken die afbeelding. Dit is het dogmatische of realistische standpunt.En men kan zeggen:Wij maken de dingen in zooverre wij eerst kunnen zeggen, dat een ding er slechts daardoor is, dat het in het bewustzijn wordt voortgebracht. Dit is hetabsoluut idealisme.Welke van de twee beschouwingswijzen men zal aanhangen, hangt er van af, wat voor een mensch men is. Dit is niet iets, dat op verstandelijke redeneering berust en dat men aan een ander kan bewijzen. Het is eendaad, eenwilsuiting. Fichte, de man met den krachtigen wil, koos de laatste. Trouwens, meent hij, pleiten er ook meer gronden voor het absoluut idealisme. Het realisme toch moet in gebreke blijven, aan te toonen, hoe uit het zijn, voorstellingen ontstaan: het kan dit niet. Het bewustzijn daarentegen is zijn en wel-bewùst zijn: het omvat dus èn voorstellen èn zijn en derhalve kan het zijn wel uit ’t bewustzijn worden verklaard.Het eerste beginsel nu vanwaar Fichte uitgaat is:het ik zet zich zelf. Nooit kunnen we ons iets denken, of wij moeten er ons zelven bij denken. “Denk den muur en denk nu, die den muur denkt.”Dat zichzelf stellen van het ik is een daad, eenhandeling. Maar—het ik wordt zich eerst bewust, dat het ik is, als het zich een niet-ik tegenover het ik denkt. De tweede grondstelling is dus deze: In het ik zet het ik een niet-ik tegenover zich. Deze beide stellingen, these en antithese, worden nu in een derde stelling (synthese) vereenigd:“In het ik zet het ik een deelbaar niet-ik tegenover een deelbaar ik.”Het ik en niet-ik perken elkaar “in.”Waarom deelbaar? Het ik wordt bepaald, bepaald door het niet-ik, ondergaat, lijdt daarvan den invloed en verhoudt zich in zooverre passief. Dit is de grondslag der theoretische filosofie.Maar het ik zet zich ook bepalend, beperkend tegenover het niet-ik. Dit is de grondslag der practische filosofie en wij zullen zien, hoe Fichte, die de activiteit den voorrang toekende in zijn leer ook aan de practische filosofie het primaat moest geven.In deze drie stellingen nu zijn de grondslagen gegeven voor alle verdere wijsbegeerte. “Geen enkele filosofie komt boven deze kennis uit, maar elke grondige filosofie behoort tot haar terug te keeren.”Wordt het ik zichzelf nu dadelijk bewust, dat het zich zelven stelt? Neen. Daarvoor moet zijn werkzaamheid verschillende graden doorloopen. Het begint met1. eengewaarwordingte hebben (bijv. van rood, geur);2. komt tot deaanschouwing, dat die gewaarwording buiten het bewustzijn bestaat,3. vormt in tijd en ruimte eenbeeld(bijv. roos) van het aanschouwde,4. brengt dat beeld onder een begrip, een kategorie, en daardoor tot staan. Er is nu eenvoorwerpontstaan, dat aangezien wordt voor de oorzaak der aanschouwing. (Nu weet ik het dus, dat er een roos is, een object, dat als oorzaak der aanschouwing is aan te merken).5. Deoordeelskrachtis het vermogen, om nu een bepaalden inhoud alleen te beschouwen (bijv. de kleur) of iets weg te denken (bijv. den geur, of de grootte).6. Het hoogste stadium, derede, stelt ons in staat, om van alle voorwerpen af te zien, behalve van ons eigen ik. Op dit hoogtepunt vindt het ik zichzelf.Maar nu kan ook gevraagd worden:hoe komt het ik er bij, om zich door een niet-ik te beperken. Dat het dit doet, weet het.Dàthet ik dus de grond van allen bewustzijnsinhoud is, weet het, maarwaaromdat niet-ik gesteld?Die vraag kan in de theoretische filosofie niet beantwoord worden. Zeker, was er geen niet-ik, dan zouden wij ook niet tot bewustheid komen van ons ik. Het ik wordt door het niet-ik in zichzelf teruggedreven. Maar dat er dan geen bewustzijn, geen wereld zou zijn, is geen verklaring, waarom het ik zichzelf beperkt, inperkt door het niet-ik.Wij moetenhandelen, dat is ons wezen. En wij kunnen niet handelen als er niets is, waarop onze kracht zich kan richten. Er moet een voorwerp zijn, dat die handeling ondergaat, een tegenstand, die overwonnen wordt, een hinderpaal, die men uit den weg ruimt. Daaróm is het niet-ik: om de mogelijkheid tot handelen te schenken. Het ik heeft theoretisch tegenover zichzelf het niet-ik geplaatst, om practisch te kunnen zijn. En ziehier nu onze opgave! De tegenover ons staande wereld moet zoodanig onzen invloed ondervinden, dat in haar de werkzaamheid van het ik zichtbaar worde.Er zijn vele iks, allemaal uitvloeiselen van het eene, absolute Ik: (de Godheid, zegt Fichte in zijn latere geschriften.) Waarom heeft deze zich gespleten in de afzonderlijke individuën? Alleen ook hierom, dat een individu slechts handelen kan, bewustzijn en zedelijkheid hebben. Het bizondere ik moet er naar streven, absoluut te worden, en dus de natuur te overwinnen.§ 15a.Practische filosofie.Zedeleer.Elke mensch handelt, streeft, begeert. Richt zich dat handelen op voorwerpen, zoekt het genot, dan maakt het zich afhankelijk. De mensch volgt zijnnatuurdrift. Op deze dient echter een hooger stadium te volgen. De mensch moetkomen tot handelen om der wille van het handelen, hij moetvrijzijn. Streeft hij hier niet naar, blijft hij bij het zinnelijk genieten, dan doet hij verkeerd. Deluiheidis het radicaal kwade. In zijn streven naar de vrijheid staat de mensch nooit stil. Elk bereikt punt is weer uitgangspunt voor een verdere tocht. De zedewet is nu deze, dat elke verrichte daad op den weg ligt, die naar de vrijheid loopt. Ieder afzonderlijke daad moet in eene rij liggen, die mij naar de geheele geestelijke vrijheid voert. Nu kan een ingevolge de natuurdrift ontstane handeling best in die rij liggen. Het komt op een juist evenwicht aan tusschen natuur- en vrijheidsdrift. Ontstaat dat evenwicht, dan heb ik een aangenaam gevoel, sentiment van zelfachting, en het vermogen, dit te gevoelen, isgeweten. Het is dus onze taak, onzen plicht te doen, naar onsgewetente handelen; ieder in zijn ambt en staat.Groote beteekenis voor den vooruitgang van het zedelijk leven kent Fichte toe aan “deugdgenieën”, in wie de drift naar vrijheid zeer sterk was, en die zich ver boven het lagere, zinnelijke verheffen. Deze genieën werken als voorbeelden, de met hen omgaanden beschouwen de kracht, die van hen uitgaat, als een wonder. Zij worden dan ook dikwijls de godsdienststichters.Eveneens komt groote waarde toe aan den omgang van menschen met menschen. Alle individuen te zamen hebben slechts één taak: de verwerkelijking vanhetik. Daartoe kan elke mensch slechts door den arbeid van zijn eigen persoonlijkheid bijdragen en daarom—niet als doel maar als middel—bekomt de persoonlijkheid waarde. Tegelijkertijd echter waardeer ik de ethische werkzaamheid van anderen—zij zijn met mij voor hetzelfde werkzaam. Zoo sta ik nietalleen in dienst van de verwerkelijking der Idee, van het ik: er is, om een kerkelijke term te gebruiken, “een gemeenschap der heiligen.”Rechtsleer.De zedelijkheid wordt door Fichte onderscheiden van hetrecht. Dit heeft betrekking op de uiterlijke verhoudingen der menschen en wordt ook weer uit één beginsel afgeleid. De mensch stelt zichzelf als vrij. Maar tevens moet hij waarnemen, dat er ook menschen zijn, die dit eveneens doen. In hunne vrijheid vindt zijn vrijheid haar grens.Zoo is de algemeene rechtsregel:“Beperk uw vrijheid zoodanig, dat naast u anderen ook vrij kunnen zijn.”In het begrip der persoonlijkheid liggen de “oerrechten”1van persoonlijke (lijfs-)vrijheid, zekerheid van leven en eigendom.Wanneer nu een ander mijne rechten niet eerbiedigt, moet ik hem dwingen. Er is dusdwangrecht. Maar om dit in ’t werk te kunnen stellen, moet er eenstaatsrechtzijn. Dit eischt, dat de burgers elkaar wederkeerig hunne vrijheid waarborgen, hunne rechten wederkeerig erkennen, dat er een wetgevende macht is die den wil der gemeenschap tot wet maakt en een uitvoerende, die voor de toepassing zorgt.Huwelijk.In een aanhangsel van het “Natuurrecht” behandelt Fichte het huwelijk, dat door hem zeer hoog wordt gesteld. De man moet zich de groote liefde der vrouw, die zonder rest in zijn leven moet opgaan, waardig maken en betoonen. Voor de ongehuwde vrouw moeten alle beroepenopenstaan, verantwoordelijke staatsambten uitgesloten.Staat.Fichte verlangt van den staat, dat hij het recht zal verwerkelijken. Hij eischt een regeeringsvorm, waarin de volkssouvereiniteit gehuldigd wordt, neemt ook geen recht op revolutie aan, maar wil opzichters (ephoren) die zelf niet wetgevend of besturend, het recht zullen hebben, den vorst te ontzetten. Oorspronkelijk ziet Fichte in den staat slechts een organisatie, die het recht verzekert, en dus het dwangrecht in beweging zet. Maar hij erkent ook, dat het de taak van den staat is, om te zorgen, dat iedereigendomheeft enwerkenkan. Een soort socialistischen staat denkt Fichte zich dus, maar toch heeft hij op de ontwikkeling van het moderne socialisme géén invloed gehad: er zijn in z’n socialisme vele reaktionaire elementen.Godsdienst.In zijn latere periode werd Fichte meer door het religieuze vraagstuk geboeid. De man der nimmer rustende werkzaamheid schrijft in 1806 een vroom bespiegelend boekje: “Aanwijzing tot zalig leven.” Was vroeger voor hem het godsbegrip één met de zedelijke wereld-ordening, thans is deze de openbaring van een daar achter liggend absolute, en van dat Absolute is het Ik een beeld. “De Geest (= Het Ik) een beeld Gods, de wereld een beeld des geestes.” Het ware wezen der religie is een allesdoordringende geest van leven, liefde, zaligheid.Geschiedenis.In de Geschiedenis ziet Fichte, evenals in de ontwikkeling van het denken en van het zedelijk leven, een opklimming. Zij geeft ons eerst een stadium te zien van “onschuld,” waarin het zedelijke onbewust uit instinct wordtgedaan. Nu komt het tijdperk der “beginnende zonde,” waarin de wet als een vreemde, dwingende macht verschijnt, die al of niet gehoorzaamd kan worden. Hierop volgt de tijd waarin wij leven: “die dervoleindigde zondigheid,” waarin willekeur en zelfzucht zonder eenige beperking heerschen, waarin men tegen alle gezag en waarheid onverschillig is. Maar deze tijd heeft toch het goede, dat de menschheid leert de boeien van autoriteit af te schudden. Reeds wijzen enkele teekenen op de nieuwe periode der redewetenschap, der “beginnende rechtvaardigmaking,” waarin het enkel ik zich aan de rede die in het geslacht woont, onderwerpt. Hare voltooiïng vindt de geschiedenis in het stadium der “voleindigde rechtvaardigmaking en heiliging,” de tijd der redekunst. De wil van den enkeling is opgeheven in het leven voor het geslacht, alle verhoudingen worden met vrijheid overeenkomstig de rede bepaald.Fichte is een vurig patriot geweest. In zijn toespraken schildert hij met warmte de groote beteekenis der Duitschers. Dezen hebben Luther’s hervorming, Kant’s wijsbegeerte, Pestalozzi’s opvoedkunde voortgebracht. Het Duitsche volk met zijn zin voor vrijheid en zelfstandigheid van geloof, zal vatbaar zijn voor een opvoeding, die, aanwezige kiemen ontwikkelend (geen opvoeding kan in den mensch brengen, wat er niet in is) een geslacht vormt, dat zich groote doeleinden weet voor te stellen en zich daarvoor op te offeren.Tien jaren na zijn dood, toen de reactie hoogtij vierde in Duitschland, werd een herdruk der toespraken verboden!Fichte heeft geen eigenlijke school gesticht, maar toch een enormen invloed uitgeoefend èn op de verdere ontwikkeling der speculatieve wijsbegeerteèn op het geheele gedachtenleven van Duitschland. “Hij was een man van weinige, maar groote gedachten, en ook bij dezen was hij in ’t ontwerpen grooter dan in ’t uitvoeren.“Echter, gesteld op een keerpunt van het algemeene leven zoowel als in een kritieken tijd van zijn eigen volk, vond hij de taak, de geesten wakker te schudden. Met toegewijde trouw heeft hij die taak vervuld. Zijn werk, tegelijk losmakend en bevestigend, zijn arbeid, onbuigzaam, samenhoudend, stalend, steeds de diepten des levens toegewend, hebben onvergetelijke en onvervreemdbare dingen tot stand gebracht.” (Eucken).1Misschien komen hier de “Rechten van den Mensch” uit den tijd der Fransche revolutie om den hoek.↑HOOFDSTUK VI.Schelling en zijn geestverwanten.§ 16.Schelling.Schelling is de kunstenaar onder de speculatieve wijsgeeren en de filosoof der romantiek. Daarvangetuigtzijnleer, aan herhaalde wijzigingen—zij ’t niet zonder onderling verband—onderhevig en de invloeden vertoonend van tal van vroegere verschillende groote denkers, (Kant, Spinoza, Bruno, Böhme, de Gnostici);—zijn denkmethode, meer op fantasie dan kritisch onderzoek berustend, meer op de overeenkomsten dan op de verschillen lettend;—zijn stijl, soms stijgend tot die der lyrische verrukking.Friedrich Wilhelm Joseph Schelling werd 27 Januari 1775 te Leonberg in Wurtemberg geboren, schreef reeds op 17-jarigen leeftijd een dissertatie over den zondenval, was in de gelegenheid in 1796 en 1797 te Leipzig natuurstudie te bedrijven, en gaf in 1797 zijn “Ideeën over natuurfilosofie” uit. In 1798 komt: “Van de wereldziel.” Hetzelfde jaar ziet hem professor te Jena, waar hij een gezien lid is van den kring der romantici. Terwijl hij eerst op Fichte’s standpuntgestaan had, verwijdert hij zich daarvan meer en meer. Na 1800, waarin het “Systeem van het transcendentale Idealisme” uitkomt, begint een nieuwe ontwikkelingsgang, die der Identiteitsfilosofie, waarin de invloed van Bruno sterk is. In dezen tijd valt zijn vertrek naar München, als algemeen secretaris der Academie voor beeldende kunsten. In 1809 begint een derde periode, waarin Böhme op Schelling inwerkt en deze zichreligieuzevraagstukken toewendt (Wijsgeerige onderzoekingen over het wezen der menschelijke vrijheid).Van nu aan publiceert Schelling veel minder en stelt de verwachtingen, die men koesterde, teleur. Na professoraten te Erlangen en München, komt hij 1841 te Berlijn, daarheen door Koning Willem IV beroepen als tegenwicht tegen het godsdienstig radicalisme der Hegelsche linkerzijde. Als tegen zijn zin zijn colleges gedrukt worden, staakt hij die. In 1854 sterft hij in Bad Ragaz in Zwitserland, nog geheel onverwacht.Natuurfilosofie.Schelling begon met een aanhanger van Fichte te zijn, maar weldra was diens ik, dat een niet-ik zet, hem te dor en te leeg, en voldeed het hem niet meer, de natuur als een dood voorwerp te behandelen, dat slechts door het niet-ik is gesteld, opdat er een te bearbeiden stof zal zijn. Hem geldt de natuur als eensamenhangend geheelen de natuur, bij Fichte de asschepoetster, wordt bij hem vorstin. Zij kan alleen gekend worden, als zij met den geestgelijksoortigis: ook de natuur is geest. Is dat aangenomen, dan kan uit het zijn een voorstelling, uit het object een subject ontstaan, dan kan verklaard worden, hoe uit de natuur een ik komt: beide zijn geest.Hoogste ontwikkelingsvorm van de natuur is de mensch en om nu de natuur te leeren kennen, daalt Schelling van den mensch af tot de natuur. Om het wiskundig uit te drukken: van natuur tot mensch zou een opklimmende reeks zijn, van mensch tot natuur een afdalende. De natuur staat dusniet tegenoverden geest, maar is een lager vorm, de materie is sluimerende geest.Op dit beginsel wordt nu een speculatieve natuurleer opgebouwd, die staat tegenover die van Boyle en Newton, die de klad in de natuurkennis gebracht hebben. Het is ook niet noodig, om de uitkomsten der speculatieve natuurleer aan de ervaring te toetsen: het geldt het innerlijke der natuur te verstaan.Met koene fantasie wijst de denker aan, hoe de geest uit de natuur ontstaat of juister, hoe de natuur opstijgt tot den geest. Hij weet een schema te ontwerpen, waarin anorganische stof, plant en dier plaats vinden en ook de mensch. In deze bereikt de geest zijn hoogtepunt door van kennen en handelen tot dekunstvoort te schrijden. Zij is het eenig ware en eeuwige orgaan der wijsbegeerte. Zij opent den wijsgeer het Heilige der Heiligen. Daar brandt, vereend in één vlam, wat in natuur en geschiedenis gescheiden is.Zoo is Schelling gekomen tot de opvatting, dat alles eigenlijk poëzie is: het natuurgebeuren een onbewuste poëzie.Identiteit.Natuur en geest waren hetzelfde: aan beide lag een absoluut iets ten grondslag. Dat absolute wordt in Schelling’s tweede periode bepaald als de volkomen gelijkheid, eenswezendheid van het reëele en ideale. Geest en lichaam zijn de beide verschijningsvormen van dat eene Absolute. Dit herinnert sterk aan Spinoza, wiens wiskundigenvorm ook eerst nagevolgd wordt. Dit absolute is nu ’t voorwerp der filosofie. De natuurfilosofie, de beschouwing van den geest worden nu ónder de leer van het absolute gebracht. Schematisch zou het zoo te zeggen zijn.Absolute.Geest = Lichaam.Men mag het absolute dus noch geest, noch lichaam noemen: het is allebei.Ook de afzonderlijke dingen zijn allebei, doch daarbij is een overwicht naar één zijde.Het Absolute is te formuleeren als A = B; daar zijn allebei volkomen gelijk.De natuur kan voorgesteld worden door A + = B.Het objectieve overheerscht.De geest is A = + B. Hier is B, het subjectieve, het voornaamste.Later heeft Schelling deze leer, onder aanknooping aan Giordano Bruno, verder ontwikkeld, en toegepast zoowel op de natuur als op religie en wetenschap.Theologie.Er is dus een Absoluut iets, geest noch lichaam, subject noch object. Maar nu doet zich een vraag voor, waarvoor Schelling zich vooral door een zijner leerlingen zag geplaatst: Wàt is de grond, dat het Absolute zich scheidt? Waarom zien wij een wereld van aparte dingen, die onvolkomen zijn? Eigenlijk staat Schelling hier weer voor de oude vraag naar de oorzaak van het booze. Hij neemt een oplossing aan, die herinnert aan die van Böhme (I 226).De grond voor scheiding, voor ’t verkeerde moet in het Absolute liggen.Er bestaat eenirrationeelelement in de wereld. God kan eerst dan God zijn, als hij zich zelf verwezenlijkenkan. Het ontstaan der bijzondere dingen is als ’t ware een afval, is de zondenval. De geheele geschiedenis is een terugstreven naar de eenheid, en de opname der enkeldingen in het Absolute is de verlossing.Langzamerhand dus verdwijnt de macht van het kwade, het wordt alleen eenmogelijkheid, zooals zij aanvankelijk in God was. Dewerkelijkheidvan het kwaad, die in den vrijen wil des menschen was gelegen, houdt op.Vatten wij de voornaamste punten uit Schelling’s leer op, dan krijgen wij in drie stadiën dit:Er is een ik, en een niet-ik. Dat niet-ik is geen doode natuur, maar ook geest. Daarom is, van uit denatuurfilosofieop te stijgen tot den mensch, wien in de kunst het heiligdom geopend wordt (1). Maar aan den mensch en natuur, ideëel en reëel, subject en object, ligt iets absoluuts te gronde, waarin die onderscheidingen niet bestaan, en waaruit geest en natuur voortkomen. Dat Absolute is deidentiteitvan geest en natuur (2). Nu kan echter de vraag oprijzen, hoe uit het Absolute de enkeldingen kunnen voortkomen en het booze ontstaan: de grond ligt in een irrationeel element in de godheid, God zelf moet zich ontwikkelen. Maar de mensch metzijn vrijheidmaakt het mogelijke booze tot werkelijkheid, die eerst weer verdwijnt, als, na voleinding der geschiedenis, alles weer in het Absolute wordt opgenomen (3).§17.Schelling’s geestverwanten.Zonder een eigenlijke school te vormen heeft Schelling op een groot aantal mannen invloed uitgeoefend die ieder in een bepaalde richting werkzaam waren.Zoo is te noemen de natuurfilosoofLorenz Oken(1779–1851) die, uit een oerslijm alles latend opkomen, het al zich in den mensch zelven laat kennen. De dieren, onder het zoogdier vertegenwoordigen ieder een zin: de visch de reuk, de worm het gevoel, de vogel het gehoor enz. Hij komt tot wonderlijke invallen: “De aether is 1 in 3, de andere elementen zijn slechts het drie van den aether, tezamen 4.” “De gezichtszenuw is een georganiseerde lichtstraal.”Okens natuurfilosofie vooral bracht deze wetenschap in minachting bij de natuurvorschers. De lektuur van zijn werken heeft grooten invloed uitgeoefend op Fechner.De identiteitfilosoofWagner(1775–1841) oefende invloed uit op den Nederlander Land. De godsdienstfilosoof Krause oefende een tijdlang invloed uit in België, Frankrijk en ook in Spanje. Zijn taal is moeilijk. Hij voert nieuwe stammen in, maakt ellenlange woorden. Dit maakt de lectuur zwaar. In Ahrens vond hij een vertaler, die zijn werken in vloeiend Fransch overbracht. Vandaar de groote invloed in evengenoemde landen. Ook in onze literatuur ontmoet men zijn naam een enkele maal. Vrijzinnig katholiek verkondigde hij een eigen leer, waaraan diepte van gevoel wordt toegeschreven.De meest zelfstandige en beteekenendste der geestverwanten van Schelling is Schleiermacher.Schleiermacher.Hij werd 1768 uit een predikantenfamilie te Breslau geboren, studeerde theologie, gaf in 1799 zijn “Toespraken over de religie” uit, werd in 1809 prediker en (na de oprichting der universiteit) professor te Berlijn en stierf 1839. Schleiermacher was een man, die talrijke invloeden op zich liet inwerken, maar ze tot een levend geheel met een persoonlijk kenmerk wistsamen te voegen. Hij trachtte zooveel mogelijk uitersten en eenzijdigheid te vermijden, maar werd daardoor wel eens wat “mat.” Zijn grooten naam dankt hij voornl. aan zijn theologische werkzaamheid: “de grootste theoloog, dien het Protestantisme sedert den Hervormingstijd had gehad.” (Vorländer). Wij bepalen ons dus hier tot zijn godsdienstwijsbegeerte.Schleiermacher, al wilde hij dit niet met zoovele woorden erkennen, naderde zeer dicht tot het Spinozistische pantheïsme (I. bl. 262). In God vallen willen en kunnen, verstand en wil samen. Men moet in God niet het persoonlijkheidselement leggen: dat is het oneindige eindig maken, dat is een overblijfsel uit mythologische tijden. God heeft nooit zonder de wereld bestaan en in ons en in de dingen kennen wij hem slechts. In den wettelijken gang der wereld grijpt God niet door wonderen in. Alles geschiedt met noodzakelijkheid. Als alle enkeldingen zijn wij slechts toestanden in het leven van het Al.Het gewone onsterfelijkheidsgeloof is weinig vroom, dat hoopt op een schadeloosstelling in het hiernamaals.Vroomheid, ziedaar de kern van Schl. godsdienstwijsbegeerte. Zij zetelt noch in het verstand, noch in den wil, maar in hetgevoel. Wij voelen de tegenwoordigheid van het oneindige, en alle godsdienstige handelingen en voorstellingen bekomen alleen waarde door het religieus gevoel. Dat gevoel zelf is een gevoel vanafhankelijkheid, ontsproten uit ons vurig verlangen naar het oneindige, uit de zucht naar eenwording met God.Ook voor de zedeleer en de paedagogiek heeft Schleiermacher beteekenis, en eindelijk voor de geschiedenis der wijsbegeerte door voortreffelijke Platovertalingen.HOOFDSTUK VII.Hegel en zijn school.§ 18.Leven en persoonlijkheid.De meestomvattende en de meest logische onder de groote speculatieve denkers werd 27 Augustus 1770 uit een ambtenaarsfamilie te Stuttgart geboren; studeerde, tegelijk met Schelling, theologie in Tübingen. Klassieke studies trekken hem aan en met zijn vriend, den dichter Hölderlin, deelde hij de bewondering voor de Grieksche en de Romeinsche oudheid. Ook wijsbegeerte trok zijn belangstelling: Kant en Rousseau werden gelezen. Van 1793-’96 was hij huisonderwijzer te Bern, daarna tot 1800 te Frankfort. Aanvankelijk was hij een medestander van Schelling, en toen ook hij naar het brandpunt der wijsgeerige beweging, Jena, was gekomen, gaf hij in gemeenschap met dezen een tijdschrift uit.Maar te groot het verschil tusschen beiden, dan dat samengaan op den duur mogelijk was. Schelling, de man van het schitterende, spelende vernuft, de snèl-wisselende en ongestadig-veranderende, de verbeeldingrijke kunstenaarsnatuur.Hegel, de man die niet spoedig in beweging kwam,even onbeholpen in het dagelijksch leven, als op den katheder, geen kunstenaarsnatuur maar een intellectualist, met logische gestrengheid een eenmaal aangenomen beginsel ontwikkelende, volhardend bouwende, dóórdenkend en doordénkend.In zijn gedachtenwereld verdiept, kon hem de slag bij Jena, die het Pruisische rijk deed wijken voor Napoleon’s veldheersgenie, nauwelijks belang inboezemen: in den nacht ervoor had hij zijn “Phaenomenologie van den geest” voltooid, inleiding op zijn latere geschriften en openbaring van eigen standpunt.Het slecht bezoldigde buitengewone hoogleeraarsschap is niet houdbaar: hij gaat als journalist naar Bamberg, vandaar in 1806 naar Neurenberg, als rector van een gymnasium. Hier geeft hij voorbereidend wijsgeerig onderwijs, wat gunstig op zijn stijl werkt. In dezen tijd verschijnt zijn logica (1812, 1816). In 1816 komt hij dan in Heidelberg als hoogleeraar en geeft in dezen tijd zijn Encyclopedie uit. Zijn laatste jaren brengt Hegel als professor te Berlijn door, waar hij 14 Nov. 1831 aan de cholera sterft.In Berlijn stond Hegel op het toppunt van zijn roem. Man van bewonderenswaardige vlijt en veelomvattend weten gaf hij hier colleges over tal van onderwerpen die hij wijsgeerig behandelde, aan een geestdriftige bezielde leerlingenschaar, saamgekomen van heinde en ver, die geboeid werd, niet door uiterlijke welsprekendheid, maar door de geweldige grootschheid van het gebouw, dat hij voor hen deed oprijzen. Dat blijkt nu nog uit zijn geschriften. “Nog nooit heeft iemand, die den moeitevollen arbeid ondernam, aan het onderzoek van Hegel’s geschriften verbonden, zich aan een gevoel van bewondering kunnen onttrekken voor de architectonische kracht van dezen denker.” (Dr. Ritter).Ook bij de autoriteiten stond Hegel in hoog aanzien. Toen men zich van Napoleon bevrijden moest, hadden de vorsten hunnen volken groote beloften gedaan. Maar nu de geweldenaar verjaagd was en de vorsten weer veilig bezit hadden genomen van hun troon, waren die beloften van volksvrijheden vergeten. Reactie op kerkelijk en staatkundig gebied vierde hoogtij.Hegel was—gevolg zijner wijsbegeerte—conservatief gezind en zoo stond hij ook bij de leidende staatsmachten in hoog aanzien. Men merke wel op, dat Hegel conservatief was uit hoofde zijner wijsbegeerte en niet, om den vorst te believen.Na zijn dood gaf eene “vereeniging van vrienden van den vereeuwigde” zijne werken uit, waarvan een aantal bewerkt naar de colleges. Die werken zijn in een moeilijken, niet dadelijk te begrijpen stijl geschreven en schrikken, door het gebruik van een groot aantal kunsttermen nog meer af.Toch hebben ze een grooten invloed uitgeoefend op het geestesleven der 19de eeuw en ze gaan voort, dat te doen op de 20ste.§ 19.Methode.Hegel’s systeem is een absoluut idealisme. Ook voor hem is al het bestaande geestelijk. Het Absolute is geest, en tweeheid van zijn en denken moet verworpen worden. Zij zijn wezensgelijk, er is identiteit. Maar beslist verwerpt Hegel de Schellingsche identiteit, door hem den nacht genoemd, waarin alle katten grauw zijn. De natuur staat niet naast het denken, maar eronder. Keert Hegel dan tot Fichte terug, voor wien de natuur slechts bestond, opdat het ik een object tegenover zich zou hebben, waarop hetzijn krachten kon richten? Geenszins. De natuur staat wel onder den geest, maar zij is niet een dood ding. Zij is een deel van het proces der ontwikkeling waarin het Absolute (Idee, Rede) voortschrijdt.Aanvankelijk is alles in het Absolute. Dit moet een weg, een langen, met veel treden opstijgenden weg doorloopen om zich zelf te leeren kennen, zich zelf te vinden. Heeft het dat gedaan, dan is het doel der ontwikkeling bereikt. In dien weg ligt de natuur. Het Absolute is eerst “an-sich,” aan zich. Nu komt het buiten zich, het komt tot anders-zijn. Dit is de natuur. Daarop stijgt het tot levenden geest, wiens hoogste trap is het kennen van zich zelf. Dan bestaat het Absolute weer “an-sich,” maar ookfür sich, voor zich zelven. In alles wat er is, openbaart zich het absolute, de rede. Al het werkelijke is redelijk, al het redelijke werkelijk. De werkelijkheid is niet van de rede verlaten en de rede niet van de werkelijkheid.Hegel staat met Fichte en Schelling tegenover Kant, in zooverre hij eenstelsel, een systeem geeft, in zooverre hij zich niet wil bepalen tot kennis der verschijningen. Dedingen an sich: het Absolute moet gekend worden. Uit de gelijkheid van zijn en denken volgt, dat de wetten van het denken ook voor het zijn gelden. Ontwerpt Hegel dus een logica, dan is die niet alleen een wetenschap van ons denken. Hare formules en indeelingen gelden ook voor de geheele werkelijkheid, voor het zijn. Logica is bij Hegel meteen metafysica.Bij zijn onderzoekingen nu volgt Hegel de z.g. dialectische methode. Elk begrip vindt zijn begrenzing in zijn ontkenning. Maar … zoo we deze ontkenning weer ontkennen, komen we tot een nieuw begrip. Dit derde begrip omvat de beide voorgaande. Deze zijn er in opgeheven en in òp-geheven. De tegenspraakis verdwenen, zij bestaat niet meer, zij is weg, opgeheven. Dat komt, omdat beide begrippen onder een nieuw gebracht zijn, dat rijker is. Zij zijn daarin òp-geheven. Maar dit nieuwe begrip zelf wordt weer uitgangspunt voor een dergelijke redeneering. Het dóor denkende, komt men tot zijn negatie. Beide zijn dan weer op te heffen in de ontkenning dezer ontkenning. (Zie het voorbeeld hieronder).Schematisch dus:a → niet aA → niet AB→ nietBC→ nietCDenz.Zoo bouwt Hegel een geheel systeem van begrippen, die dus voor denken en werkelijkheid gelden. Er is in zijn dialectische methodeeenheid van tegendeelen.Hegel’s systeem is dus een, in streng wetenschappelijken vorm gegoten, logisch stelsel. Het is een absoluut, idealistisch, identiteits-systeem, dat een doorgaande ontwikkeling van het Absolute leert, dat, eerst op zich zelf bestaand, in de natuur anders wordt, en voortschrijdt tot den geest, die zich ten slotte zèlf herkent, zoodat het absolute nu ook voor zich bestaat. De wijsbegeerte nu heeft ten taak deze ontwikkeling te schetsen. “Grootscher taak is haar nooit opgedragen.”Hegel’s groote kennis en bouwend vermogen stelthem in staat een volledig systeem te ontwerpen van die ontwikkeling. De hoofdlijnen van den plattegrond van dit gebouw geven wij in een schema, blz. 88—89 en we voegen bij enkele belangrijke dingen eenige nadere mededeelingen.§ 20.Het systeem.Logica.Hegel begint dus met de logica, waarin hij de begrippen ontwerpt, die het zijn omvatten. Hier volgt hij zijn dialectische methode, waarin alles in zijn tegendeel omslaat. Wat is het algemeenste begrip? Zijn. Maar dit zuivere begrip zijn heeft geen inhoud of hoedanigheid. Denken wij het door, dan komen wij dus tot niet-zijn, maar, als het gedacht wordtbestaathet als gedachte en niet-zijn wordt dus zijn. Wat is nu het begrip, dat beiden omspant? Hetworden. Overgang van zijn tot niet zijn, van niet-zijn tot zijn is worden. De knaap, die jongeling wordt, is jongeling en nog niet. In het worden zijn zijn en niet-zijn opgeheven.Na de logica volgt denatuurfilosofie, vrij algemeen als het minst belangrijke en minst oorspronkelijke en geslaagde deel erkend. De algemeene beschouwing is hier, dat de rede zich zinnelijk voorstelt, om door de natuur tot den geest te komen. Alleen hij, die in ’t buitenland geweest is, kent het vaderland. De natuur is het land der vreemdelingschap voor de idee, waarin zij verwijlen moet, om rijker in ’t vaderland terug te keeren. Van de natuur komen wij tot den geest, die zich openbaart als:subjectieve, objectieve en absolute geest.Het wezen, de bestemming van den geest is de vrijheid. Deze bestemming moet bereikt worden, de voorhanden aanleg ontwikkeld en verwerkelijkt. Ditgebeurt langzamerhand en de geest wordt hoe langer zoo meer onafhankelijk van de natuur. De leer van den subjectieven geest alszielvan een lichaam is de anthropologie, die handelt over de dingen, die de geest in zooverre hij met het lichaam is verbonden, vertoont. (Onderscheid van ras, volk, geslacht, talent, geestesziekten, slapen en waken). Hier geeft dus Hegel, wat thans voor een gedeelte onder de gewone zielkunde, voor een ander deel onder de psychiatrie, voor een derde gedeelte onder de speciale psychologie valt. Waarnemen, herinneren, denken, enz. wordt in de psychologie behandeld. De subjectieve geest is ten slotte tot vrijheidsbewustzijn gekomen en tracht nu die vrijheid te verwezenlijken als objectieve geest in de wereld van recht en zedelijkheid. De leer van denOBJECTIEVENgeest is de schitterendste schepping van Hegel, in ’t bijzonder dan zijn staatsrecht en zijn wijsbegeerte der geschiedenis. De vrijheid moet werkelijkheid worden. Hetrechtbrengt deuitwendigevrijheid, demoraliteitdeinnerlijke, dezedelijkheidbeide vereenigend, devolkomenvrijheid. Het recht is oorspronkelijk een verzameling van verboden inperking van den wil.Het recht is aleersteigendomsrecht, het is het recht der persoonlijkheid, eigendom te bezitten. Zonder eigendom geen persoonlijkheid. In eenverdragtreedt die persoonlijkheid tot anderen in verhouding en hetstrafrechtis de ontkenning van de ontkenning van het recht. Onrecht, negatie van recht is er, als de bijzondere wil zich verzet tegen den algemeenen.Waar de bijzondere wil zich, door goede gezindheid, naar den algemeenen voegt, ismoraliteit. Deze ligt in het terrein der subjectieve gezindheid. Maar de goede gezindheid is niet het hoogste, er blijft een tegenspraak tusschen bedoeling en uitvoering; hetgeweten, rechter op deze trap over goed en kwaad, kan falen.Ook de tegendeelen legaliteit en moraliteit moeten verzoend worden en dat geschiedt in de “zedelijkheid.” De zede is een in de gemeenschap heerschende gewoonte, die door den enkeling niet gevoeld wordt als een van buiten komend gebod, maar als iets uit eigen wezen voortspruitend. Aan de zede dankt dit terrein zijn naam zedelijkheid.Allereerst nu wordt het familierecht behandeld (Huwelijk, enz.) De echt is niet, als bij Kant, een zuivere rechtsverhouding, noch een bloote aangelegenheid van ’t gevoel, hij is een zedelijke verbintenis. De leer der “burgerlijke gezelschappen” doet o. a. recht wedervaren aan de corporaties van burgers. Ook de leer der standen (die samenhangen met hun beroep: voortbrengende- nijverheids- en denkende stand) vindt zijn behandeling. Familie en burgerlijke samenleving vinden hunne vereeniging in den staat, wiens beste regeeringsvorm de grondwettelijke, erfelijke monarchie is. Na Hobbes heeft misschien geen denker zoo grooten eerbied voor den staat gekoesterd als Hegel. Zooals een staat is, moet hij op dat oogenblik zijn. Evengoed als men van de natuur toegeeft, dat men haar nemen moet zooals zij is, moet men dat ook met den staat doen. De Idee heerscht ook in dit gebied, ook hier is de werkelijkheid niet van de rede verlaten, ook hier is het werkelijke redelijk.Men moet den staat als historisch geworden beschouwen, niet wijzer willen zijn dan de rede, die zich in den staat heeft ontwikkeld. Geen wijsbegeerte kon ons leeren, hoe de wereld zijn moet: zij komt daarvoor steeds te laat. “Eerst als de schemering begint, vangt Minerva’s uil aan te vliegen.”Degeschiedenisis niet anders dan het proces, datde werkelijkheid doorloopt, om tot den staatsvorm te komen: Inderdaad is hier een grandioose opvatting. Elk volk is slechts een punt van de lijn, een ontwikkelingsmoment. Groote mannen dienen slechts, om de ontwikkeling mee te verwezenlijken; het is de list van de Rede dat zij hen daarvoor gebruikt, terwijl zij hun eigen belangen meenen te dienen. Maar alles gaat naar het ééne: de vrijheid. Bij de ruwe Oostersche volken acht zich slechts één vrij: de despoot, die over allen regeert. In de Grieksche en Romeinsche republieken zijn meerderen vrij, het Christendom maakt allen vrij. In ieder dezer drie groote perioden zijn weer onderafdeelingen te onderscheiden. In de geschiedenis der Oostersche volken komt eerst met de Perzen een waarachtige staat met een despoot. Het is de knapenleeftijd der menschheid. Griekenland is het land, waar de menschheid haar jongelingsleeftijd doorloopt in vreugde aan leven en aan schoonheid. Maar noch hier, noch in Rome is de vrijheid in aller bewustzijn: er zijn nog slaven. Jezus brengt een persoonlijke vrijheid, de Germanen een politieke. Nu is de menschheid in haar kennende grijsheid, de tijd der volkomen rijpheid, waarin de mensch “na volending van zijn levensloop in zichzelf terugkeert.” Van de komst van Christus tot 1820 moet de menschheid nog door verschillende stadiën: Karel de Groote, ’t leenstelsel, de reformatie, enz.§ 21.Het systeem. (Vervolg).De absolute geest.Subjectieve en objectieve geest vinden weer hunne hooger eenheid in denabsoluten geest. In dezen zijn de tegenstellingen van subject en object, denken enzijn opgeheven. Het absoluteaanschouwtzich zelf in de kunst,steltzich zelfvoorin de religie en denkt zich,begrijpt zich in begrippen, in de wijsbegeerte.HEGEL’S SYSTEEM.HEGEL’S SYSTEEM.Kunst.Dekunstkan zich hoofdzakelijk in drieërlei vorm openbaren. Eerstsymbolisch. Dan heeft de vorm de overhand op den inhoud, op de idee, die uitgedrukt moet worden. Deze wordt slechts vermoed. Is er volkomen harmonie van beide, dan ontstaat vervolgens deklassiekekunst, die de schoonste is, maar toch nog onder moet doen voor de derde trap, deromantischekunst, waarin de zinnelijke verschijning op den achtergrond treedt en de geestelijke, innerlijke zijde meer optreedt.Elke kunst kan de drie vormen vertoonen, maar de architectuur is toch in hoofdzaak symbolisch, de beeldhouwkunst klassiek, de muziek en schilderkunst romantisch. De poëzie is de alles in zich sluitende kunst.Godsdienst.Op godsdienstig terrein nam Hegel ook zijn eigen standpunt in. Hij verwierp het dogmatisch orthodox geloof, dat aan de letter vasthield. Maar ook het rationalisme bevredigde hem niet en de op gevoelsgronden berustende theologie van Schleiermacher was hem onaannemelijk. De religie is een zich in beelden voorstellen van het Absolute. Dat begint met de oostersche natuurgodsdiensten, waarvoor nog weer een lager trap ligt van afgodendienst, toovenarij. Hooger dan de oostersche (Chineesche,Bramaansche, enz., die ieder hun eigen kenmerk hebben) staan de religies der “geestelijke persoonlijkheid,” der “vrije subjectiviteit,” die van de Joden (verhevenheid), Grieken (schoonheid), Romeinen (nuttigheid). De absolute religie van ’t Christendom volgt hierop. De dogma’s van hetChristendom laten hunne wijsgeerige verklaring toe. Zij zijn allegorisch te interpreteeren.Hegel roemt, dat hij goed Lutheraan en Christen is. De menschwording van Jezus, zijn zoendood beteekent, in wijsgeerige spraak overgezet: God gaat in de zondige wereld, hij negeert zichzelf. De menschwording van Christus is de zelfnegatie van het Absolute. De negatie dezer negatie is Christus’ Lijden, Dood en Opstanding. God was God-mensch geweest en wordt weer God: vereenigt daarin zijn god- en mensch zijn.Wijsbegeerte.Ten slotte blijft er over, deze ontwikkeling in begrippen te denken: Het Absolute begrijpt zichzelf. Dit is filosofie. Het begrijpen der geheele ontwikkeling haar taak. Ook de filosofie doorloopt stadiën. Van de Eleaten af, die het zijn opstelden, overHeraclitus(worden), Atomisten (an sich zijn), Plato, Aristoteles (begrip), Cartesius (bewustzijn), Kant-Fichte (zelfbewustzijn) loopt de lijn tot Hegel, waar het Absolute zich zelf kent. Zijn leer is de sluitsteen der filosofie. Elke filosofie is de begripmatige uitdrukking van haar tijd, treedt als bezinning over den tijd op, als de tijd rijp is en klaar, om overwonnen te worden. De uil vliegt als de morgen daagt: de zelfbezinning begint als een andere tijd aanbreekt.§ 22.Hegel’s school.Toen Hegel stierf waren er tal van leerlingen, die den vereerden meester aanhingen. Maar weldra zou blijken, dat niet allen eenstemmig dachten. Er kwam een splitsing, voornamelijk door de verhouding tot den godsdienst teweeggebracht. Hegel had gezegd, dat de religie opgeheven is in de wijsbegeerte, diewel denzelfden inhoud heeft, maar zich deze niet voorstelt, doch hem in begrippen uitdrukt.Sommigen nu, de behoudende richting, later de rechterzijde genoemd, legden nadruk op hetgelijkevan deninhoud: zij wilden den godsdienst handhaven. Anderen daarentegen schonken de meeste aandacht aan denanderen vorm: zij wenschten de religie op te heffen. Zij vormden de radicale vleugel, later de linkerzijde genoemd.In het bizonder nu gold dit verschil drie kwesties: God, Christus, Onsterfelijkheid.Had Hegel bijv. aan een persoonlijke onsterfelijkheid geloofd? Had hij een theïstisch godsbegrip verkondigd, een persoonlijken God geleerd? Of was de rede, allen menschen gemeen, slechts het onsterfelijke?Was zijn godsbegrip pantheïstisch?Maar ook ten opzichte der wijsbegeerte kon men twee kanten uit. Men kon meenen, dat bij Hegel haar ontwikkeling was afgesloten, dat in zijn stelsel het Absolute zich zelf had herkend. Maar men kon ook, Hegel’s dialectische methode aanvaardend, de ontwikkeling na hem voortzetten, tegen hem handelen, zooals hij zich verhouden had tegenover de hem voorafgaande denkers, hém opheffen, zooals hij hún opgeheven had.Tusschen die rechter- en linkerzijde nu stond een centrum in. De mannen daarvan hebben zich groote verdiensten verworven. De geschiedenis werd druk door hen beoefend: van Hegel hadden zij geleerd, dat historie iets anders is dan feitenopsomming. Zeller verwierf zich groote verdienste voor de geschiedenis der Grieksche filosofie. De onlangs overleden Kuno Fischer, (geb. 23 Juli 1824) schreef de uitvoerige geschiedenis der nieuwere wijsbegeerte en was langen tijd de roem der Heidelbergsche universiteit. Hij zag in filosofie de geschiedenis der filosofie enwist die zoowel in zijn werken als voordrachten met grootsche lijnen en groote kennis te teekenen. Aldus zingtLiebmannhem toe:“Dit alles1leert gij; luistrende jongrenschaarVolgt de welsprekendheid, uwen lippen ontvloeid,Zij leert, verwondert zich, ziet zich opnieuwDer menschheid hoogste gedachten verjongen.De zoogenaamde Hegelsche linkerzijde verdient dien naam niet; zij is van Hegel wel uitgegaan, maar heeft zijn leer verlaten. Op Marx en Lassalle die er ook toe gerekend worden, komen we terug in het hoofdstuk over Socialisme en Individualisme. Hier spreken wij over twee denkers, die zich vooral op godsdienstig gebied hebben bekend gemaakt. Strauss en Feuerbach.Strauss.Strauss (1808–1874) studeerde eerst theologie teTübingen, gaf in 1835 een leven van Jezus uit, dat groot opzien baarde en de splitsing in de school bracht. Hij ontkent daarin, dat wij den historischen Jezus zouden kennen, wij kennen den Christus van ’t geloof. Hij verwerpt echter het dilemma, waarvoor de orthodoxie hem zou willen plaatsen: het bijbelverhaal te gelooven of voor bewust verzinsel te houden. Hij ziet er mythen in, waarin in historisch kleed bovenzinnelijke feiten zijn uitgedrukt. Niet Jezus, maar de zich ontwikkelende menschheid is de god-mensch: op haar past eerst de idee van deze.Dezelfde kritiek, die hij op de leer van Jezus toepaste, oefende hij later uit op de dogma’s van het christelijk geloof. Verzoening tusschen gelooven en weten wordt verworpen. Langen tijd heeft Strausszich meer met literairen arbeid bezig gehouden. Zoo schreef hij o. a. een bekend werk over Voltaire. Op zijn ouden dag, in 1872 deed hij de wereld nog eens opzien door zijn werk: Het oude en het nieuwe geloof. Hij stelt de vraag, of de beschaafden van dien tijd zich nog Christenen mogen noemen, welke vraag ontkennend wordt beantwoord. De beschaafde weet, dat niet onthouding, vlieding der wereld en armoede die door het Christendom worden geleerd, de hefboomen der beschaving zijn; maar humaniteit en vooruitgang komen van kunst, wetenschap, rijkdom, productie. Wij willen niet als het christendom tweeheid van wereld en God, schepping en schepper, want, daar het levensproces begin noch einde heeft, hebben wij geen Schepper noodig.Maar wordt nu de vraag gesteld of wij nog godsdienst hebben, dan luidt het antwoord bevestigend. Immers, wij bezitten een gevoel van afhankelijkheid tegen het Al. Dat bewustzijn oefent grooten invloed uit op onze zedelijkheid. Het vormt onze religie, die niet onder de vormen der kerk wordt gebracht. De koude godsdienstvormen bieden niets voor het gevoel en de fantasie. Maar door deelneming aan de belangen van staat en menschheid, door de kunst, in ’t bizonder door de muziek, verkwikken we onze ziel, verheffen we ons. Zoo keert de oude Strauss tot de opvatting terug van zijn jeugd: een eeredienst van ’t genie, door onzen da Costa geteekend:Zie hier uw goden: Kunst, Kracht en Industrie!En voorts geen eerdienst meer dan de eerdienst van ’t Genie!Feuerbach.Ludwig Feuerbach, zoon van een zeer beroemd rechtsgeleerde, broer van een schilder van naam werd 1804 geboren. Aanvankelijk voor theologie studeerende, brengen Hegel’s collegeshem tot de studie der wijsbegeerte. Hegel noemt hij zijnen tweeden vader. In 1830 geeft hij zijn gedachten over dood en onsterfelijkheid uit. Reeds uit dien tijd dateeren de eerste verschijnselen, die wijzen op een scheiding van Hegel. Nadat hij een poosje in Erlangen had gedoceerd, ging hij in Bruckberg wonen, waar zijn vrouw aandeel in een fabriek had. Hier heeft hij 25 jaar gewoond en veel geschreven. In 1841 kwam uit: “Het wezen van het Christendom” waarin hij wel de dogma’s zeer scherp critiseert, maar zich sympathiek verhoudt tegenover de gevoelens, waaruit ze ontstaan zijn.Langzamerhand ging de fabriek slecht. Ten slotte zag Feuerbach zich genoodzaakt naar een andere plaats te verhuizen, waar hij al den last van geldzorgen ondervond en verstoken was van wetenschappelijke hulpmiddelen.Toen zijn benarde omstandigheden bekend werden, werd er veel moeite gedaan in en buiten Duitschland, om iets voor hem te doen en bij zijn begrafenis in 1872 bleek, dat de man, schijnbaar langen tijd vergeten, vereerders en vrienden had. Een voortreffelijke lijkrede van Scholl schilderde voor ’t eerst de beteekenis van Feuerbach.Ten opzichte derreligieleert hij, dat de mensch God maakt. God is het ideaal, dat wij ons, buiten ons, verwezenlijkt denken. In hem leggen wij onze wenschen, onze hoop, ons verlangen. Wat de mensch looft en prijst is God, wat hij verwerpt is het goddelooze. God is het boek, in hetwelk de mensch zijn hoogste gevoelens en verlangens geschreven heeft. De hemel van den mensch is een “bloemlezing,” ontstaan door eenige uit al de bloemen der wereld te kiezen. Zoowel van den hemel van den beschaafde als van den natuurmensch geldt dit. Uit den God enden hemel van den mensch kan men zijn beschaving leeren kennen.De goddelijke eigenschappen zijn die, welke de mensch op een gegeven ontwikkelingstrap het hoogste schat. Dat God persoonlijk gedacht wordt beteekent dat persoonlijk leven het hoogste is. God is liefde! Niets is er, dat een liefdevol gemoed overtreft. Jezus, God heeft geleden! Lijden voor anderen is schoon.“De God der christenen is een traan van liefde, in stille, diepe verborgenheid geschreid over de ellende der menschen.”Onze God is ons ideaal, buiten ons als werkelijk bestaand geacht. Tegenover dat ideaal gevoelen wij ons, met onze kleinheden en onvolmaaktheden nietig, vergetend, dat God ons eigen goede zelf, zeer vergroot, is.Ook de kerkelijke sacramenten als doop en avondmaal hebben hunne beteekenis, zij doen ons zien, van hoe groote, zedelijke beteekenis ook brood en wijn en water zijn.Alles, ook het geringste, wordt geadeld.Hier treft Feuerbach samen met het Calvinisme, dat ook overal de eere Gods zoekt. Treffend is zijn sluiting:“Heilig zij ons daarom het brood, heilig de wijn, maar ook heilig het water. Amen!”Opwijsgeeriggebied nadert Feuerbach later zeer tot het materialisme, maar hij is er geen aanhanger van geworden. Hij wil n.l. niet van de stof uitgaan maar van de gewaarwording. Deze is hem het eerste, zoowel op het gebied der kennistheorie, als op dat der metafysica. Zeer scherp echter weet hij zijn standpunt niet af te bakenen tegenover het materialisme en voor de beteekenis van onzen lichamelijken toestand voor den geestelijken, heeft hij veel oog.Treffend komt dit uit in een bespreking van een werkje van Moleschott: “De leer der voedingsmiddelen is van groote zedelijke en staatkundige beteekenis. De spijzen worden tot bloed, het bloed tot hart en hersenen, deze tot stof voor gedachten en gevoelens. Het voedsel van den mensch is de grondslag voor zijn vorming en opvoeding. Wilt gij het volk verbeteren, zoo geef het in plaats van uitroepen tegen de zonde, beter eten. De mensch is, wat hij eet.”Strauss en Feuerbach hadden zich van Hegel afgewend. De volgende tijden, die een honger hadden naar feiten, waren der speculatieve filosofie weinig gezind. De reactie, de moedeloosheid na het jaar 1848, dat zoovele illusies van vrijheid en vooruitgang had opgewekt, die nu niet vervuld waren, maakte de menschen meer geschikt om Schopenhauer’s pessimisme te waardeeren. Toch bleef, zij het op menig punt onbewust, Hegel’s geest werken. In het begin der 20ste eeuw kwam in ons land zijn leer tot meer aanzien en vond geestdriftige aanhangers door het optreden van den Leidschen hoogleeraar Bolland.Bolland.Gerardus Johannes Petrus Josephus Bolland werd 9 Juni 1857 te Groningen geboren. Zijn vader overleed vroeg. Zijn moeder voedde hem op in ’t katholieke geloof, dat hij later verliet. Na verschillende lotswisselingen was hij onderwijzer in Groningen en Katwijk, studeerde dan te Jena in de Engelsche taal, werd leeraar in die taal aan het gymnasium Willem III te Batavia. Hier werd zijn lust tot de studie der wijsbegeerte opgewekt en aanvankelijk sloot hij zich aan bij Von Hartmann. In 1896 kwam hij als opvolger van Land als hoogleeraar in de wijsbegeerte aan de Leidsche hoogeschool,vooral door toedoen van zijn ouden beschermer Prof. Cosijn en den minister Mr. S. van Houten.Bolland, man van machtige welsprekendheid, groote kennis (bijv. op theologisch en taalkundig gebied), vurige kracht, onverschrokken waarheidsliefde en moed, wist een schare jongeren om zich te verzamelen en trok ook in andere academiesteden veel belangstelling, met name in Utrecht, Amsterdam en Delft.Allerlei stelsels van wijsbegeerte overdacht hij. Bij geen vond hij vrede. Hij kwam ten slotte tot de bestudeering van Hegel’s werken zelf, die hij tot dusver alleen had leeren kennen uit geschiedenissen der wijsbegeerte, uit overzichten van anderen. Na aandachtige studie bleek hem, dat hij toen de gezochte waarheid had. Sedert tracht hij de methode van Hegel ingang te doen vinden en leidt zijn leerlingen op tot verstaan van den meester, tegenover wien hij zich overigens zelfstandig verhoudt.Bolland heeft sommige werken van Hegel opnieuw uitgegeven en van kantteekeningen voorzien. Van zijn eigen werken noemen wij zijn standaardwerk: “Zuivere Rede.” Zijn artikelen werden meest opgenomen in de Nieuwe Gids of Het Tweemaandelijksch Tijdschrift. Als inleiding tot de lectuur zijner werken leenen zich het best de gestenografeerde verslagen van redevoeringen: het gesproken woord wordt geprezen boven zijn geschreven, al wordt ook hier van getuigd: “hij doet de wijsheid Nederlandsch spreken, en hoe meer hij zijn hoogtepunt nadert, hoe meer hem dit gelukt.” Bolland heeft zich, behalve met wijsgeerige, ook met maatschappelijke en theologische vraagstukken beziggehouden. Sommige artikelen lokten hevig verzet uit (kwestie Schaepman-Bolland over Petrus en Rome). Een met veel liefde geschreven studie over leven, persoonlijkheid en werken, geeft Dr. J. A.van den Bergh van Eisinga in “Mannen van Beteekenis,” Deel XXXVIII, afl. 5.Opm.Van de geestverwanten van Bolland zijn te noemen de gebroeders Van den Bergh van Eisinga. De een, zijn biograaf, trad als privaat-docent te Utrecht op met een rede over allegorische interpretatie en in diens preekenbundel: “Rust een weinig,” geeft Bolland een voorbeeld van een gebed voor de gemeente. Toen Prof. Jelgersma een open brief aan zijn collega schreef, vatte o. a. Grondijs de pen op om zijn meester te verdedigen. In het laatste tiental jaren staat Bolland, meer dan hem zelf lief is, in het brandpunt eener opmerkzaamheid, die niet zelden meer bijkomende bijzonderheden dan zijn eigenlijke leer en werk betreffen.1De geschiedenis der wijsbegeerte, in korte trekken weergegeven.↑
TWEEDE AFDEELING.DE TIJD VAN DE SPECULATIEVE WIJSBEGEERTE.§ 13.Voorloopige opmerkingen.Na Kant is er veel leven in de Duitsche wijsbegeerte. Er worden groote systemen gebouwd. Zooals in de staatkunde in het begin der 19de eeuw ieder jaar haast een nieuwe politieke indeeling ontstond, zoo kwam in de wijsbegeerte met elk jaar bijna een nieuw stelsel.Duitschland is het leidende land in het eerste gedeelte der 19de eeuw. Daar valt de letterkundige bloei gedeeltelijk nog samen met de wijsgeerige, de wederopleving van het Duitsche nationaal gevoel wordt mee bevorderd door de denkers.Jena is een belangrijke stad geworden. Daar ontmoeten elkaar denkers en dichters. Daar wonen allerlei bekende figuren uit de Duitsche literatuur. Daar voert men zware gesprekken, is men bezig omver te halen en weer op te bouwen. Daar is het brandpunt van hetromantisme.Wat wil de romantiek? Het is moeilijk, om een zoo veelsoortig zich uitlevende beweging kort te teekenen, beweging, die niet alleen, niet allereerst van wijsgeerigen aard is.1Zij is een zich uit den tijd van gewoel en drukte,terugtrekken op het eigen zelf, niet echter, om dit in aandachtige beschouwing te vergeestelijken en te verdiepen, zooals de mystici der middeleeuwen, maar om dit te openbaren in dekunst, om dit uit te leven in de artistieke scheppingen, vooral der letterkunde. Ver boven het leven van allen dag, boven de kleine burgermenschjes denkt zich de geniale kunstenaar verheven, niet gebonden door de eischen van de heerschende moraal, noch veel minder door die van het fatsoen. De nuchtere tijd der aufklärung wijkt nu ten volle. Het bezadigde verstand, dat geen diepten kent, wijkt voor een krachtig stroomend gevoel, dat steeds meer opborrelt. Het verplaatst den mensch als in een andere wereld. De werkelijkheid wordt gezien onder schemer van geheimzinnigheid. Sprookjespoëzie ontstaat en de romans zijn vol van geheimzinnige verhalen, avontuurlijke gebeurtenissen. De oogen gaan open voor de schoonheid van een manenacht; voor de stemming, die het Duitsche woud kan geven, wordt het hart gevoelig. Het vaderland met al zijn herinneringen spreekt tot de verbeelding: de historische roman ontstaat.2De Schlegels, Tieck, Novalis, zijn de mannen der romantiek, Schelling is hun wijsgeer.Vertoont de filosofie veel overeenkomst met die richting, het is toch minder juist om de filosofie uit de eerste 40 jaren van de 19de eeuw die der romantiek te noemen. Hegel, de grootste denker uit dien tijd, is geen dwepend romanticus als Schelling.Beter spreekt men van de speculatieve filosofie. Wat zijn hare kenmerken? Zij knoopt aan bij Kant’sleer: de lichamelijke wereld is een verschijnsel, die heenwijst op een absolute werkelijkheid, deintelligibelewereld.Die intelligibele wereld heeft zij te bereiken met hetdenken: het zuivere denken moet ons de waarheid brengen.De methode is dus aprioristisch; een opbouw van stelsels, die niet op ervaringsgrondslag steunen, maar van uit het denken geconstrueerd worden, wordt beproefd.Zijn die eenmaal gevonden, dan heeft men den zin der dingen verstaan, de werkelijkheid wordt gekend.Drie groote speculatieve filosofen zijn er.Fichte, deethicus, die ’t meest uitgaat naar de zedenleer.Schelling, dekunstenaar, die kunst als hoogste wijsbegeerte ziet.Hegel, dedenker.Fichte vormt geen school, Schelling vindt geestverwanten, Hegel vormt een school, die op verschillende terreinen werkzaam is. “Zijn invloed, hoewel dikwijls niet erkend, steekt in onzen arbeid, onze begrippen, onze problemen. Hij heeft zich ingegraven in het geestesleven der eeuw” (Eucken). De school van Hegel vormt met haarlinkerzijdeden overgang tot hetpositivismein Duitschland.In Schopenhauer vindt de romantiek een pessimistischen filosoof.Dit gedeelte is genoemd detijdder speculatieve filosofie. Want er waren ook andere, geenszins onaanzienlijke denkers, nevens de genoemde. Onder hen valt te noemenHerbart, die op ziel- en opvoedkundig gebied tot nu nog invloed uitoefent.1Belangstellende lezers verwijs ik naar Haym, “Die Romantische Schule.”↑2Hij ontstond eveneens in ons land na een rede van D. J. v. Lennep over de belangrijkheid van Hollands oudheden voor gevoel en verbeelding.↑HOOFDSTUK V.Fichte.§ 14.Leven en Werken.Leven.De eerste der groote denkers uit dit tijdvak is Johan Gottlieb Fichte, als zoon van arme ouders den 19 Mei 1762 te Rammenau in Silezië geboren; tengevolge van zijn talent om preeken te onthouden, door een rijk grondbezitter ontdekt; door dezen in staat gesteld te studeeren, en zoo student in Jena en Leipzig geworden. Uit moeilijke geldelijke omstandigheden geraakt hij, door huisonderwijzer te Zurich te worden. Hier maakt hij kennis met Pestalozzi, den genialen vader der 19de-eeuwsche opvoeding en vindt er in de nicht van den dichter Klopstock zijn aanstaande vrouw, wier vermogen het hem later mogelijk maakte een eigen haard te stichten. Van Zurich, waar zijn positie moeilijkheden meebracht—hij hield de ouden elke week de door hen begane opvoedkundige fouten onder de oogen!—vertrok hij naar Jena, waar hij kennis maakte met Kant’s wijsbegeerte. Wat in vroegeren tijd de lezing van Descartes werken voor velen was, dat was die vanKant’s boeken voor ettelijken in deze jaren: een openbaring. In geestdrift ontstoken voor de grootsche gedachten van den Koningsberger, tracht Fichte hem—hij was op reis naar Warschau, waar hij huisonderwijzer hoopte te worden—te spreken en geeft als aanbeveling een in vijf weken ontworpen geschrift: “Proeve eener critiek van alle openbaring”. Het geschrift en zijn schrijver bevielen Kant. Deze zorgde voor een uitgever. Door een vergissing (of uit list?) liet de laatste den naam des auteurs weg, en het publiek dat juist in dien tijd Kant’s godsdienstwijsbegeerte vol spanning verwachtte, zag het boekje voor Kant’s werk aan. Toen de maker bekend was, was Fichte in één slag een beroemd man. Weldra is hij als opvolger van den naar Kiel vertrokken Reinhold professor te Jena. Hier krijgt hij moeite met de geestelijkheid wegens Zondagsvoordrachten met de studenten, wier ruwe corpsmanieren hij trachtte te verzachten. In 1799 wordt hij wegens een tijdschriftartikel door de Saksische regeering bij die van Weimar van atheïsme beschuldigd. Heftig antwoordt Fichte. Hij dreigt, indien hij in ’t ongelijk gesteld wordt, met ontslag. Dat wordt hem nu, zelfs met Goethe’s toestemming, gegeven. Naar Berlijn vertrokken, vindt hij daar wélkom onthaal in den kring van bekende figuren uit de romantiek: de gebroeders Schlegel, Tieck, Schleiermacher. Hier houdt hij in 1808 zijn gloeiende toespraken tot de Duitsche natie, waarin hij wederopleving van het Duitsche land door opvoeding predikte. In 1810 wordt hij hoogleeraar aan de te Berlijn opgerichte Universiteit. Zijn plan, om als veldprediker mee te gaan in den veldtocht van 1813 geeft hij op. Toch wordt hij slachtoffer van den oorlog: zijn vrouw verpleegt gewonden, hij wordt met koorts besmet en sterft in 1814.Fichte was een schoone, indrukwekkende, rusteloos werkende persoonlijkheid, van groote welsprekendheid en in sommige zijner werken van schitterenden stijl. Aan den indruk zijner machtige persoonlijkheid onttrok schier niemand zich. Zijn gesternte overstraalde door zijn licht het schijnsel van mannen als Maimon, Beck, Reinhold en anderen; het schitterde naast dat van Kant met onverflauwden gloed.Werken.Fichte’swerkenzijn niet alle van denzelfden aard. Sommige zijn meer in drogen, scholastieken vorm, andere in vurige taal. Na zijn verhuizing naar Berlijn onderging hij andere invloeden, hij zag méér van de wereld, stelde grooter belang in het politieke leven van die dagen, in den gang der wereldgeschiedenis. Men heeft dan ook wel willen beweren, dat er eigenlijk twee filosofieën van Fichte zijn, die uit zijn eerste en die uit zijn tweede periode. Ongetwijfeld treedt in zijn latere levensjaren de belangstelling voor godsdienstige en praktisch-wijsgeerige vraagstukken meer op den voorgrond. Vorschers van den eersten rang (Kuno Fischer, Falckenberg) meenen echter in zijn leer wel een ontwikkelingsgangte ontdekken, maar geen totalen omkeer.In 1794 verscheen de “Grondslag der geheele wetenschapsleer.” In 1797 gaf hij daar nog “Inleidingen” op en in 1800 verscheen: “De Bestemming des menschen.” Verder zijn te noemen: “De Grondslag van het Natuurrecht naar de beginselen der W.-L.” (1796) en de Zedeleer naar dezelfde beginselen (1798).Als eerste lectuur wordt aanbevolen: (de meeste werken in Reclams goedkoope uitgaven) “De toespraken tot de Duitsche natie,” “De bestemming van den mensch,” “Systeem der Zedenleer” en “Feiten van het Bewustzijn” (1811).§ 15.Theoretische filosofie.Fichte is een zelfstandige leerling van Kant. Hij heeft niet diens leer nagepraat, gepopulariseerd of in onderdeelen gewijzigd. Hij is van uit het hart dier leer zèlf verder gegaan. Wat onderscheidde hem van Kant? Deze, die voor het oudere dogmatische standpunt van Wolff zijn criticisme in de plaats had gesteld, had, door gebrek aan scherpheid enduidelijkheidgeen misverstand buitengesloten en was zoo—zij het onwillens—vader geworden eener nieuwe dogmatische school, die zwoer bij de letter van Kant. Kant had, door scherpe onderscheidingen en indeelingen, wel bouwstoffen geleverd voor een systeem, maar er zelf geen gebouwd; hij had niet aangewezen, hoe alles uit één beginsel ontsprong. Hij had, in onze kennisvormeninhoudonderscheidend, niet aangewezen, van waar die inhoud dan kwam.Hij had, zuivere en practische rede elk haar eigen gebied aanwijzend, nagelaten, om aan te toonen, hoe die beide tot één punt waren terug te voeren. Fichte ziet zich dus zijn taak alzóó gesteld:Eenstelselte ontwerpen, dat alles uitéén beginselafleidend, de zuivere en de practische rede, de verschillende onderscheidingen van Kant, erkent, maarden laatsten oorsprongzoekt van de door Kant gegeven vormen en formules en dus nog dieper in ons zijn afdaalt.Welk beginsel neemt Fichte daarvoor aan?Tweeërlei is mogelijk.Men kan zeggen: onze bewustzijnsinhoud is afspiegeling eener buiten bewuste werkelijkheid en de dingen veroorzaken die afbeelding. Dit is het dogmatische of realistische standpunt.En men kan zeggen:Wij maken de dingen in zooverre wij eerst kunnen zeggen, dat een ding er slechts daardoor is, dat het in het bewustzijn wordt voortgebracht. Dit is hetabsoluut idealisme.Welke van de twee beschouwingswijzen men zal aanhangen, hangt er van af, wat voor een mensch men is. Dit is niet iets, dat op verstandelijke redeneering berust en dat men aan een ander kan bewijzen. Het is eendaad, eenwilsuiting. Fichte, de man met den krachtigen wil, koos de laatste. Trouwens, meent hij, pleiten er ook meer gronden voor het absoluut idealisme. Het realisme toch moet in gebreke blijven, aan te toonen, hoe uit het zijn, voorstellingen ontstaan: het kan dit niet. Het bewustzijn daarentegen is zijn en wel-bewùst zijn: het omvat dus èn voorstellen èn zijn en derhalve kan het zijn wel uit ’t bewustzijn worden verklaard.Het eerste beginsel nu vanwaar Fichte uitgaat is:het ik zet zich zelf. Nooit kunnen we ons iets denken, of wij moeten er ons zelven bij denken. “Denk den muur en denk nu, die den muur denkt.”Dat zichzelf stellen van het ik is een daad, eenhandeling. Maar—het ik wordt zich eerst bewust, dat het ik is, als het zich een niet-ik tegenover het ik denkt. De tweede grondstelling is dus deze: In het ik zet het ik een niet-ik tegenover zich. Deze beide stellingen, these en antithese, worden nu in een derde stelling (synthese) vereenigd:“In het ik zet het ik een deelbaar niet-ik tegenover een deelbaar ik.”Het ik en niet-ik perken elkaar “in.”Waarom deelbaar? Het ik wordt bepaald, bepaald door het niet-ik, ondergaat, lijdt daarvan den invloed en verhoudt zich in zooverre passief. Dit is de grondslag der theoretische filosofie.Maar het ik zet zich ook bepalend, beperkend tegenover het niet-ik. Dit is de grondslag der practische filosofie en wij zullen zien, hoe Fichte, die de activiteit den voorrang toekende in zijn leer ook aan de practische filosofie het primaat moest geven.In deze drie stellingen nu zijn de grondslagen gegeven voor alle verdere wijsbegeerte. “Geen enkele filosofie komt boven deze kennis uit, maar elke grondige filosofie behoort tot haar terug te keeren.”Wordt het ik zichzelf nu dadelijk bewust, dat het zich zelven stelt? Neen. Daarvoor moet zijn werkzaamheid verschillende graden doorloopen. Het begint met1. eengewaarwordingte hebben (bijv. van rood, geur);2. komt tot deaanschouwing, dat die gewaarwording buiten het bewustzijn bestaat,3. vormt in tijd en ruimte eenbeeld(bijv. roos) van het aanschouwde,4. brengt dat beeld onder een begrip, een kategorie, en daardoor tot staan. Er is nu eenvoorwerpontstaan, dat aangezien wordt voor de oorzaak der aanschouwing. (Nu weet ik het dus, dat er een roos is, een object, dat als oorzaak der aanschouwing is aan te merken).5. Deoordeelskrachtis het vermogen, om nu een bepaalden inhoud alleen te beschouwen (bijv. de kleur) of iets weg te denken (bijv. den geur, of de grootte).6. Het hoogste stadium, derede, stelt ons in staat, om van alle voorwerpen af te zien, behalve van ons eigen ik. Op dit hoogtepunt vindt het ik zichzelf.Maar nu kan ook gevraagd worden:hoe komt het ik er bij, om zich door een niet-ik te beperken. Dat het dit doet, weet het.Dàthet ik dus de grond van allen bewustzijnsinhoud is, weet het, maarwaaromdat niet-ik gesteld?Die vraag kan in de theoretische filosofie niet beantwoord worden. Zeker, was er geen niet-ik, dan zouden wij ook niet tot bewustheid komen van ons ik. Het ik wordt door het niet-ik in zichzelf teruggedreven. Maar dat er dan geen bewustzijn, geen wereld zou zijn, is geen verklaring, waarom het ik zichzelf beperkt, inperkt door het niet-ik.Wij moetenhandelen, dat is ons wezen. En wij kunnen niet handelen als er niets is, waarop onze kracht zich kan richten. Er moet een voorwerp zijn, dat die handeling ondergaat, een tegenstand, die overwonnen wordt, een hinderpaal, die men uit den weg ruimt. Daaróm is het niet-ik: om de mogelijkheid tot handelen te schenken. Het ik heeft theoretisch tegenover zichzelf het niet-ik geplaatst, om practisch te kunnen zijn. En ziehier nu onze opgave! De tegenover ons staande wereld moet zoodanig onzen invloed ondervinden, dat in haar de werkzaamheid van het ik zichtbaar worde.Er zijn vele iks, allemaal uitvloeiselen van het eene, absolute Ik: (de Godheid, zegt Fichte in zijn latere geschriften.) Waarom heeft deze zich gespleten in de afzonderlijke individuën? Alleen ook hierom, dat een individu slechts handelen kan, bewustzijn en zedelijkheid hebben. Het bizondere ik moet er naar streven, absoluut te worden, en dus de natuur te overwinnen.§ 15a.Practische filosofie.Zedeleer.Elke mensch handelt, streeft, begeert. Richt zich dat handelen op voorwerpen, zoekt het genot, dan maakt het zich afhankelijk. De mensch volgt zijnnatuurdrift. Op deze dient echter een hooger stadium te volgen. De mensch moetkomen tot handelen om der wille van het handelen, hij moetvrijzijn. Streeft hij hier niet naar, blijft hij bij het zinnelijk genieten, dan doet hij verkeerd. Deluiheidis het radicaal kwade. In zijn streven naar de vrijheid staat de mensch nooit stil. Elk bereikt punt is weer uitgangspunt voor een verdere tocht. De zedewet is nu deze, dat elke verrichte daad op den weg ligt, die naar de vrijheid loopt. Ieder afzonderlijke daad moet in eene rij liggen, die mij naar de geheele geestelijke vrijheid voert. Nu kan een ingevolge de natuurdrift ontstane handeling best in die rij liggen. Het komt op een juist evenwicht aan tusschen natuur- en vrijheidsdrift. Ontstaat dat evenwicht, dan heb ik een aangenaam gevoel, sentiment van zelfachting, en het vermogen, dit te gevoelen, isgeweten. Het is dus onze taak, onzen plicht te doen, naar onsgewetente handelen; ieder in zijn ambt en staat.Groote beteekenis voor den vooruitgang van het zedelijk leven kent Fichte toe aan “deugdgenieën”, in wie de drift naar vrijheid zeer sterk was, en die zich ver boven het lagere, zinnelijke verheffen. Deze genieën werken als voorbeelden, de met hen omgaanden beschouwen de kracht, die van hen uitgaat, als een wonder. Zij worden dan ook dikwijls de godsdienststichters.Eveneens komt groote waarde toe aan den omgang van menschen met menschen. Alle individuen te zamen hebben slechts één taak: de verwerkelijking vanhetik. Daartoe kan elke mensch slechts door den arbeid van zijn eigen persoonlijkheid bijdragen en daarom—niet als doel maar als middel—bekomt de persoonlijkheid waarde. Tegelijkertijd echter waardeer ik de ethische werkzaamheid van anderen—zij zijn met mij voor hetzelfde werkzaam. Zoo sta ik nietalleen in dienst van de verwerkelijking der Idee, van het ik: er is, om een kerkelijke term te gebruiken, “een gemeenschap der heiligen.”Rechtsleer.De zedelijkheid wordt door Fichte onderscheiden van hetrecht. Dit heeft betrekking op de uiterlijke verhoudingen der menschen en wordt ook weer uit één beginsel afgeleid. De mensch stelt zichzelf als vrij. Maar tevens moet hij waarnemen, dat er ook menschen zijn, die dit eveneens doen. In hunne vrijheid vindt zijn vrijheid haar grens.Zoo is de algemeene rechtsregel:“Beperk uw vrijheid zoodanig, dat naast u anderen ook vrij kunnen zijn.”In het begrip der persoonlijkheid liggen de “oerrechten”1van persoonlijke (lijfs-)vrijheid, zekerheid van leven en eigendom.Wanneer nu een ander mijne rechten niet eerbiedigt, moet ik hem dwingen. Er is dusdwangrecht. Maar om dit in ’t werk te kunnen stellen, moet er eenstaatsrechtzijn. Dit eischt, dat de burgers elkaar wederkeerig hunne vrijheid waarborgen, hunne rechten wederkeerig erkennen, dat er een wetgevende macht is die den wil der gemeenschap tot wet maakt en een uitvoerende, die voor de toepassing zorgt.Huwelijk.In een aanhangsel van het “Natuurrecht” behandelt Fichte het huwelijk, dat door hem zeer hoog wordt gesteld. De man moet zich de groote liefde der vrouw, die zonder rest in zijn leven moet opgaan, waardig maken en betoonen. Voor de ongehuwde vrouw moeten alle beroepenopenstaan, verantwoordelijke staatsambten uitgesloten.Staat.Fichte verlangt van den staat, dat hij het recht zal verwerkelijken. Hij eischt een regeeringsvorm, waarin de volkssouvereiniteit gehuldigd wordt, neemt ook geen recht op revolutie aan, maar wil opzichters (ephoren) die zelf niet wetgevend of besturend, het recht zullen hebben, den vorst te ontzetten. Oorspronkelijk ziet Fichte in den staat slechts een organisatie, die het recht verzekert, en dus het dwangrecht in beweging zet. Maar hij erkent ook, dat het de taak van den staat is, om te zorgen, dat iedereigendomheeft enwerkenkan. Een soort socialistischen staat denkt Fichte zich dus, maar toch heeft hij op de ontwikkeling van het moderne socialisme géén invloed gehad: er zijn in z’n socialisme vele reaktionaire elementen.Godsdienst.In zijn latere periode werd Fichte meer door het religieuze vraagstuk geboeid. De man der nimmer rustende werkzaamheid schrijft in 1806 een vroom bespiegelend boekje: “Aanwijzing tot zalig leven.” Was vroeger voor hem het godsbegrip één met de zedelijke wereld-ordening, thans is deze de openbaring van een daar achter liggend absolute, en van dat Absolute is het Ik een beeld. “De Geest (= Het Ik) een beeld Gods, de wereld een beeld des geestes.” Het ware wezen der religie is een allesdoordringende geest van leven, liefde, zaligheid.Geschiedenis.In de Geschiedenis ziet Fichte, evenals in de ontwikkeling van het denken en van het zedelijk leven, een opklimming. Zij geeft ons eerst een stadium te zien van “onschuld,” waarin het zedelijke onbewust uit instinct wordtgedaan. Nu komt het tijdperk der “beginnende zonde,” waarin de wet als een vreemde, dwingende macht verschijnt, die al of niet gehoorzaamd kan worden. Hierop volgt de tijd waarin wij leven: “die dervoleindigde zondigheid,” waarin willekeur en zelfzucht zonder eenige beperking heerschen, waarin men tegen alle gezag en waarheid onverschillig is. Maar deze tijd heeft toch het goede, dat de menschheid leert de boeien van autoriteit af te schudden. Reeds wijzen enkele teekenen op de nieuwe periode der redewetenschap, der “beginnende rechtvaardigmaking,” waarin het enkel ik zich aan de rede die in het geslacht woont, onderwerpt. Hare voltooiïng vindt de geschiedenis in het stadium der “voleindigde rechtvaardigmaking en heiliging,” de tijd der redekunst. De wil van den enkeling is opgeheven in het leven voor het geslacht, alle verhoudingen worden met vrijheid overeenkomstig de rede bepaald.Fichte is een vurig patriot geweest. In zijn toespraken schildert hij met warmte de groote beteekenis der Duitschers. Dezen hebben Luther’s hervorming, Kant’s wijsbegeerte, Pestalozzi’s opvoedkunde voortgebracht. Het Duitsche volk met zijn zin voor vrijheid en zelfstandigheid van geloof, zal vatbaar zijn voor een opvoeding, die, aanwezige kiemen ontwikkelend (geen opvoeding kan in den mensch brengen, wat er niet in is) een geslacht vormt, dat zich groote doeleinden weet voor te stellen en zich daarvoor op te offeren.Tien jaren na zijn dood, toen de reactie hoogtij vierde in Duitschland, werd een herdruk der toespraken verboden!Fichte heeft geen eigenlijke school gesticht, maar toch een enormen invloed uitgeoefend èn op de verdere ontwikkeling der speculatieve wijsbegeerteèn op het geheele gedachtenleven van Duitschland. “Hij was een man van weinige, maar groote gedachten, en ook bij dezen was hij in ’t ontwerpen grooter dan in ’t uitvoeren.“Echter, gesteld op een keerpunt van het algemeene leven zoowel als in een kritieken tijd van zijn eigen volk, vond hij de taak, de geesten wakker te schudden. Met toegewijde trouw heeft hij die taak vervuld. Zijn werk, tegelijk losmakend en bevestigend, zijn arbeid, onbuigzaam, samenhoudend, stalend, steeds de diepten des levens toegewend, hebben onvergetelijke en onvervreemdbare dingen tot stand gebracht.” (Eucken).1Misschien komen hier de “Rechten van den Mensch” uit den tijd der Fransche revolutie om den hoek.↑HOOFDSTUK VI.Schelling en zijn geestverwanten.§ 16.Schelling.Schelling is de kunstenaar onder de speculatieve wijsgeeren en de filosoof der romantiek. Daarvangetuigtzijnleer, aan herhaalde wijzigingen—zij ’t niet zonder onderling verband—onderhevig en de invloeden vertoonend van tal van vroegere verschillende groote denkers, (Kant, Spinoza, Bruno, Böhme, de Gnostici);—zijn denkmethode, meer op fantasie dan kritisch onderzoek berustend, meer op de overeenkomsten dan op de verschillen lettend;—zijn stijl, soms stijgend tot die der lyrische verrukking.Friedrich Wilhelm Joseph Schelling werd 27 Januari 1775 te Leonberg in Wurtemberg geboren, schreef reeds op 17-jarigen leeftijd een dissertatie over den zondenval, was in de gelegenheid in 1796 en 1797 te Leipzig natuurstudie te bedrijven, en gaf in 1797 zijn “Ideeën over natuurfilosofie” uit. In 1798 komt: “Van de wereldziel.” Hetzelfde jaar ziet hem professor te Jena, waar hij een gezien lid is van den kring der romantici. Terwijl hij eerst op Fichte’s standpuntgestaan had, verwijdert hij zich daarvan meer en meer. Na 1800, waarin het “Systeem van het transcendentale Idealisme” uitkomt, begint een nieuwe ontwikkelingsgang, die der Identiteitsfilosofie, waarin de invloed van Bruno sterk is. In dezen tijd valt zijn vertrek naar München, als algemeen secretaris der Academie voor beeldende kunsten. In 1809 begint een derde periode, waarin Böhme op Schelling inwerkt en deze zichreligieuzevraagstukken toewendt (Wijsgeerige onderzoekingen over het wezen der menschelijke vrijheid).Van nu aan publiceert Schelling veel minder en stelt de verwachtingen, die men koesterde, teleur. Na professoraten te Erlangen en München, komt hij 1841 te Berlijn, daarheen door Koning Willem IV beroepen als tegenwicht tegen het godsdienstig radicalisme der Hegelsche linkerzijde. Als tegen zijn zin zijn colleges gedrukt worden, staakt hij die. In 1854 sterft hij in Bad Ragaz in Zwitserland, nog geheel onverwacht.Natuurfilosofie.Schelling begon met een aanhanger van Fichte te zijn, maar weldra was diens ik, dat een niet-ik zet, hem te dor en te leeg, en voldeed het hem niet meer, de natuur als een dood voorwerp te behandelen, dat slechts door het niet-ik is gesteld, opdat er een te bearbeiden stof zal zijn. Hem geldt de natuur als eensamenhangend geheelen de natuur, bij Fichte de asschepoetster, wordt bij hem vorstin. Zij kan alleen gekend worden, als zij met den geestgelijksoortigis: ook de natuur is geest. Is dat aangenomen, dan kan uit het zijn een voorstelling, uit het object een subject ontstaan, dan kan verklaard worden, hoe uit de natuur een ik komt: beide zijn geest.Hoogste ontwikkelingsvorm van de natuur is de mensch en om nu de natuur te leeren kennen, daalt Schelling van den mensch af tot de natuur. Om het wiskundig uit te drukken: van natuur tot mensch zou een opklimmende reeks zijn, van mensch tot natuur een afdalende. De natuur staat dusniet tegenoverden geest, maar is een lager vorm, de materie is sluimerende geest.Op dit beginsel wordt nu een speculatieve natuurleer opgebouwd, die staat tegenover die van Boyle en Newton, die de klad in de natuurkennis gebracht hebben. Het is ook niet noodig, om de uitkomsten der speculatieve natuurleer aan de ervaring te toetsen: het geldt het innerlijke der natuur te verstaan.Met koene fantasie wijst de denker aan, hoe de geest uit de natuur ontstaat of juister, hoe de natuur opstijgt tot den geest. Hij weet een schema te ontwerpen, waarin anorganische stof, plant en dier plaats vinden en ook de mensch. In deze bereikt de geest zijn hoogtepunt door van kennen en handelen tot dekunstvoort te schrijden. Zij is het eenig ware en eeuwige orgaan der wijsbegeerte. Zij opent den wijsgeer het Heilige der Heiligen. Daar brandt, vereend in één vlam, wat in natuur en geschiedenis gescheiden is.Zoo is Schelling gekomen tot de opvatting, dat alles eigenlijk poëzie is: het natuurgebeuren een onbewuste poëzie.Identiteit.Natuur en geest waren hetzelfde: aan beide lag een absoluut iets ten grondslag. Dat absolute wordt in Schelling’s tweede periode bepaald als de volkomen gelijkheid, eenswezendheid van het reëele en ideale. Geest en lichaam zijn de beide verschijningsvormen van dat eene Absolute. Dit herinnert sterk aan Spinoza, wiens wiskundigenvorm ook eerst nagevolgd wordt. Dit absolute is nu ’t voorwerp der filosofie. De natuurfilosofie, de beschouwing van den geest worden nu ónder de leer van het absolute gebracht. Schematisch zou het zoo te zeggen zijn.Absolute.Geest = Lichaam.Men mag het absolute dus noch geest, noch lichaam noemen: het is allebei.Ook de afzonderlijke dingen zijn allebei, doch daarbij is een overwicht naar één zijde.Het Absolute is te formuleeren als A = B; daar zijn allebei volkomen gelijk.De natuur kan voorgesteld worden door A + = B.Het objectieve overheerscht.De geest is A = + B. Hier is B, het subjectieve, het voornaamste.Later heeft Schelling deze leer, onder aanknooping aan Giordano Bruno, verder ontwikkeld, en toegepast zoowel op de natuur als op religie en wetenschap.Theologie.Er is dus een Absoluut iets, geest noch lichaam, subject noch object. Maar nu doet zich een vraag voor, waarvoor Schelling zich vooral door een zijner leerlingen zag geplaatst: Wàt is de grond, dat het Absolute zich scheidt? Waarom zien wij een wereld van aparte dingen, die onvolkomen zijn? Eigenlijk staat Schelling hier weer voor de oude vraag naar de oorzaak van het booze. Hij neemt een oplossing aan, die herinnert aan die van Böhme (I 226).De grond voor scheiding, voor ’t verkeerde moet in het Absolute liggen.Er bestaat eenirrationeelelement in de wereld. God kan eerst dan God zijn, als hij zich zelf verwezenlijkenkan. Het ontstaan der bijzondere dingen is als ’t ware een afval, is de zondenval. De geheele geschiedenis is een terugstreven naar de eenheid, en de opname der enkeldingen in het Absolute is de verlossing.Langzamerhand dus verdwijnt de macht van het kwade, het wordt alleen eenmogelijkheid, zooals zij aanvankelijk in God was. Dewerkelijkheidvan het kwaad, die in den vrijen wil des menschen was gelegen, houdt op.Vatten wij de voornaamste punten uit Schelling’s leer op, dan krijgen wij in drie stadiën dit:Er is een ik, en een niet-ik. Dat niet-ik is geen doode natuur, maar ook geest. Daarom is, van uit denatuurfilosofieop te stijgen tot den mensch, wien in de kunst het heiligdom geopend wordt (1). Maar aan den mensch en natuur, ideëel en reëel, subject en object, ligt iets absoluuts te gronde, waarin die onderscheidingen niet bestaan, en waaruit geest en natuur voortkomen. Dat Absolute is deidentiteitvan geest en natuur (2). Nu kan echter de vraag oprijzen, hoe uit het Absolute de enkeldingen kunnen voortkomen en het booze ontstaan: de grond ligt in een irrationeel element in de godheid, God zelf moet zich ontwikkelen. Maar de mensch metzijn vrijheidmaakt het mogelijke booze tot werkelijkheid, die eerst weer verdwijnt, als, na voleinding der geschiedenis, alles weer in het Absolute wordt opgenomen (3).§17.Schelling’s geestverwanten.Zonder een eigenlijke school te vormen heeft Schelling op een groot aantal mannen invloed uitgeoefend die ieder in een bepaalde richting werkzaam waren.Zoo is te noemen de natuurfilosoofLorenz Oken(1779–1851) die, uit een oerslijm alles latend opkomen, het al zich in den mensch zelven laat kennen. De dieren, onder het zoogdier vertegenwoordigen ieder een zin: de visch de reuk, de worm het gevoel, de vogel het gehoor enz. Hij komt tot wonderlijke invallen: “De aether is 1 in 3, de andere elementen zijn slechts het drie van den aether, tezamen 4.” “De gezichtszenuw is een georganiseerde lichtstraal.”Okens natuurfilosofie vooral bracht deze wetenschap in minachting bij de natuurvorschers. De lektuur van zijn werken heeft grooten invloed uitgeoefend op Fechner.De identiteitfilosoofWagner(1775–1841) oefende invloed uit op den Nederlander Land. De godsdienstfilosoof Krause oefende een tijdlang invloed uit in België, Frankrijk en ook in Spanje. Zijn taal is moeilijk. Hij voert nieuwe stammen in, maakt ellenlange woorden. Dit maakt de lectuur zwaar. In Ahrens vond hij een vertaler, die zijn werken in vloeiend Fransch overbracht. Vandaar de groote invloed in evengenoemde landen. Ook in onze literatuur ontmoet men zijn naam een enkele maal. Vrijzinnig katholiek verkondigde hij een eigen leer, waaraan diepte van gevoel wordt toegeschreven.De meest zelfstandige en beteekenendste der geestverwanten van Schelling is Schleiermacher.Schleiermacher.Hij werd 1768 uit een predikantenfamilie te Breslau geboren, studeerde theologie, gaf in 1799 zijn “Toespraken over de religie” uit, werd in 1809 prediker en (na de oprichting der universiteit) professor te Berlijn en stierf 1839. Schleiermacher was een man, die talrijke invloeden op zich liet inwerken, maar ze tot een levend geheel met een persoonlijk kenmerk wistsamen te voegen. Hij trachtte zooveel mogelijk uitersten en eenzijdigheid te vermijden, maar werd daardoor wel eens wat “mat.” Zijn grooten naam dankt hij voornl. aan zijn theologische werkzaamheid: “de grootste theoloog, dien het Protestantisme sedert den Hervormingstijd had gehad.” (Vorländer). Wij bepalen ons dus hier tot zijn godsdienstwijsbegeerte.Schleiermacher, al wilde hij dit niet met zoovele woorden erkennen, naderde zeer dicht tot het Spinozistische pantheïsme (I. bl. 262). In God vallen willen en kunnen, verstand en wil samen. Men moet in God niet het persoonlijkheidselement leggen: dat is het oneindige eindig maken, dat is een overblijfsel uit mythologische tijden. God heeft nooit zonder de wereld bestaan en in ons en in de dingen kennen wij hem slechts. In den wettelijken gang der wereld grijpt God niet door wonderen in. Alles geschiedt met noodzakelijkheid. Als alle enkeldingen zijn wij slechts toestanden in het leven van het Al.Het gewone onsterfelijkheidsgeloof is weinig vroom, dat hoopt op een schadeloosstelling in het hiernamaals.Vroomheid, ziedaar de kern van Schl. godsdienstwijsbegeerte. Zij zetelt noch in het verstand, noch in den wil, maar in hetgevoel. Wij voelen de tegenwoordigheid van het oneindige, en alle godsdienstige handelingen en voorstellingen bekomen alleen waarde door het religieus gevoel. Dat gevoel zelf is een gevoel vanafhankelijkheid, ontsproten uit ons vurig verlangen naar het oneindige, uit de zucht naar eenwording met God.Ook voor de zedeleer en de paedagogiek heeft Schleiermacher beteekenis, en eindelijk voor de geschiedenis der wijsbegeerte door voortreffelijke Platovertalingen.HOOFDSTUK VII.Hegel en zijn school.§ 18.Leven en persoonlijkheid.De meestomvattende en de meest logische onder de groote speculatieve denkers werd 27 Augustus 1770 uit een ambtenaarsfamilie te Stuttgart geboren; studeerde, tegelijk met Schelling, theologie in Tübingen. Klassieke studies trekken hem aan en met zijn vriend, den dichter Hölderlin, deelde hij de bewondering voor de Grieksche en de Romeinsche oudheid. Ook wijsbegeerte trok zijn belangstelling: Kant en Rousseau werden gelezen. Van 1793-’96 was hij huisonderwijzer te Bern, daarna tot 1800 te Frankfort. Aanvankelijk was hij een medestander van Schelling, en toen ook hij naar het brandpunt der wijsgeerige beweging, Jena, was gekomen, gaf hij in gemeenschap met dezen een tijdschrift uit.Maar te groot het verschil tusschen beiden, dan dat samengaan op den duur mogelijk was. Schelling, de man van het schitterende, spelende vernuft, de snèl-wisselende en ongestadig-veranderende, de verbeeldingrijke kunstenaarsnatuur.Hegel, de man die niet spoedig in beweging kwam,even onbeholpen in het dagelijksch leven, als op den katheder, geen kunstenaarsnatuur maar een intellectualist, met logische gestrengheid een eenmaal aangenomen beginsel ontwikkelende, volhardend bouwende, dóórdenkend en doordénkend.In zijn gedachtenwereld verdiept, kon hem de slag bij Jena, die het Pruisische rijk deed wijken voor Napoleon’s veldheersgenie, nauwelijks belang inboezemen: in den nacht ervoor had hij zijn “Phaenomenologie van den geest” voltooid, inleiding op zijn latere geschriften en openbaring van eigen standpunt.Het slecht bezoldigde buitengewone hoogleeraarsschap is niet houdbaar: hij gaat als journalist naar Bamberg, vandaar in 1806 naar Neurenberg, als rector van een gymnasium. Hier geeft hij voorbereidend wijsgeerig onderwijs, wat gunstig op zijn stijl werkt. In dezen tijd verschijnt zijn logica (1812, 1816). In 1816 komt hij dan in Heidelberg als hoogleeraar en geeft in dezen tijd zijn Encyclopedie uit. Zijn laatste jaren brengt Hegel als professor te Berlijn door, waar hij 14 Nov. 1831 aan de cholera sterft.In Berlijn stond Hegel op het toppunt van zijn roem. Man van bewonderenswaardige vlijt en veelomvattend weten gaf hij hier colleges over tal van onderwerpen die hij wijsgeerig behandelde, aan een geestdriftige bezielde leerlingenschaar, saamgekomen van heinde en ver, die geboeid werd, niet door uiterlijke welsprekendheid, maar door de geweldige grootschheid van het gebouw, dat hij voor hen deed oprijzen. Dat blijkt nu nog uit zijn geschriften. “Nog nooit heeft iemand, die den moeitevollen arbeid ondernam, aan het onderzoek van Hegel’s geschriften verbonden, zich aan een gevoel van bewondering kunnen onttrekken voor de architectonische kracht van dezen denker.” (Dr. Ritter).Ook bij de autoriteiten stond Hegel in hoog aanzien. Toen men zich van Napoleon bevrijden moest, hadden de vorsten hunnen volken groote beloften gedaan. Maar nu de geweldenaar verjaagd was en de vorsten weer veilig bezit hadden genomen van hun troon, waren die beloften van volksvrijheden vergeten. Reactie op kerkelijk en staatkundig gebied vierde hoogtij.Hegel was—gevolg zijner wijsbegeerte—conservatief gezind en zoo stond hij ook bij de leidende staatsmachten in hoog aanzien. Men merke wel op, dat Hegel conservatief was uit hoofde zijner wijsbegeerte en niet, om den vorst te believen.Na zijn dood gaf eene “vereeniging van vrienden van den vereeuwigde” zijne werken uit, waarvan een aantal bewerkt naar de colleges. Die werken zijn in een moeilijken, niet dadelijk te begrijpen stijl geschreven en schrikken, door het gebruik van een groot aantal kunsttermen nog meer af.Toch hebben ze een grooten invloed uitgeoefend op het geestesleven der 19de eeuw en ze gaan voort, dat te doen op de 20ste.§ 19.Methode.Hegel’s systeem is een absoluut idealisme. Ook voor hem is al het bestaande geestelijk. Het Absolute is geest, en tweeheid van zijn en denken moet verworpen worden. Zij zijn wezensgelijk, er is identiteit. Maar beslist verwerpt Hegel de Schellingsche identiteit, door hem den nacht genoemd, waarin alle katten grauw zijn. De natuur staat niet naast het denken, maar eronder. Keert Hegel dan tot Fichte terug, voor wien de natuur slechts bestond, opdat het ik een object tegenover zich zou hebben, waarop hetzijn krachten kon richten? Geenszins. De natuur staat wel onder den geest, maar zij is niet een dood ding. Zij is een deel van het proces der ontwikkeling waarin het Absolute (Idee, Rede) voortschrijdt.Aanvankelijk is alles in het Absolute. Dit moet een weg, een langen, met veel treden opstijgenden weg doorloopen om zich zelf te leeren kennen, zich zelf te vinden. Heeft het dat gedaan, dan is het doel der ontwikkeling bereikt. In dien weg ligt de natuur. Het Absolute is eerst “an-sich,” aan zich. Nu komt het buiten zich, het komt tot anders-zijn. Dit is de natuur. Daarop stijgt het tot levenden geest, wiens hoogste trap is het kennen van zich zelf. Dan bestaat het Absolute weer “an-sich,” maar ookfür sich, voor zich zelven. In alles wat er is, openbaart zich het absolute, de rede. Al het werkelijke is redelijk, al het redelijke werkelijk. De werkelijkheid is niet van de rede verlaten en de rede niet van de werkelijkheid.Hegel staat met Fichte en Schelling tegenover Kant, in zooverre hij eenstelsel, een systeem geeft, in zooverre hij zich niet wil bepalen tot kennis der verschijningen. Dedingen an sich: het Absolute moet gekend worden. Uit de gelijkheid van zijn en denken volgt, dat de wetten van het denken ook voor het zijn gelden. Ontwerpt Hegel dus een logica, dan is die niet alleen een wetenschap van ons denken. Hare formules en indeelingen gelden ook voor de geheele werkelijkheid, voor het zijn. Logica is bij Hegel meteen metafysica.Bij zijn onderzoekingen nu volgt Hegel de z.g. dialectische methode. Elk begrip vindt zijn begrenzing in zijn ontkenning. Maar … zoo we deze ontkenning weer ontkennen, komen we tot een nieuw begrip. Dit derde begrip omvat de beide voorgaande. Deze zijn er in opgeheven en in òp-geheven. De tegenspraakis verdwenen, zij bestaat niet meer, zij is weg, opgeheven. Dat komt, omdat beide begrippen onder een nieuw gebracht zijn, dat rijker is. Zij zijn daarin òp-geheven. Maar dit nieuwe begrip zelf wordt weer uitgangspunt voor een dergelijke redeneering. Het dóor denkende, komt men tot zijn negatie. Beide zijn dan weer op te heffen in de ontkenning dezer ontkenning. (Zie het voorbeeld hieronder).Schematisch dus:a → niet aA → niet AB→ nietBC→ nietCDenz.Zoo bouwt Hegel een geheel systeem van begrippen, die dus voor denken en werkelijkheid gelden. Er is in zijn dialectische methodeeenheid van tegendeelen.Hegel’s systeem is dus een, in streng wetenschappelijken vorm gegoten, logisch stelsel. Het is een absoluut, idealistisch, identiteits-systeem, dat een doorgaande ontwikkeling van het Absolute leert, dat, eerst op zich zelf bestaand, in de natuur anders wordt, en voortschrijdt tot den geest, die zich ten slotte zèlf herkent, zoodat het absolute nu ook voor zich bestaat. De wijsbegeerte nu heeft ten taak deze ontwikkeling te schetsen. “Grootscher taak is haar nooit opgedragen.”Hegel’s groote kennis en bouwend vermogen stelthem in staat een volledig systeem te ontwerpen van die ontwikkeling. De hoofdlijnen van den plattegrond van dit gebouw geven wij in een schema, blz. 88—89 en we voegen bij enkele belangrijke dingen eenige nadere mededeelingen.§ 20.Het systeem.Logica.Hegel begint dus met de logica, waarin hij de begrippen ontwerpt, die het zijn omvatten. Hier volgt hij zijn dialectische methode, waarin alles in zijn tegendeel omslaat. Wat is het algemeenste begrip? Zijn. Maar dit zuivere begrip zijn heeft geen inhoud of hoedanigheid. Denken wij het door, dan komen wij dus tot niet-zijn, maar, als het gedacht wordtbestaathet als gedachte en niet-zijn wordt dus zijn. Wat is nu het begrip, dat beiden omspant? Hetworden. Overgang van zijn tot niet zijn, van niet-zijn tot zijn is worden. De knaap, die jongeling wordt, is jongeling en nog niet. In het worden zijn zijn en niet-zijn opgeheven.Na de logica volgt denatuurfilosofie, vrij algemeen als het minst belangrijke en minst oorspronkelijke en geslaagde deel erkend. De algemeene beschouwing is hier, dat de rede zich zinnelijk voorstelt, om door de natuur tot den geest te komen. Alleen hij, die in ’t buitenland geweest is, kent het vaderland. De natuur is het land der vreemdelingschap voor de idee, waarin zij verwijlen moet, om rijker in ’t vaderland terug te keeren. Van de natuur komen wij tot den geest, die zich openbaart als:subjectieve, objectieve en absolute geest.Het wezen, de bestemming van den geest is de vrijheid. Deze bestemming moet bereikt worden, de voorhanden aanleg ontwikkeld en verwerkelijkt. Ditgebeurt langzamerhand en de geest wordt hoe langer zoo meer onafhankelijk van de natuur. De leer van den subjectieven geest alszielvan een lichaam is de anthropologie, die handelt over de dingen, die de geest in zooverre hij met het lichaam is verbonden, vertoont. (Onderscheid van ras, volk, geslacht, talent, geestesziekten, slapen en waken). Hier geeft dus Hegel, wat thans voor een gedeelte onder de gewone zielkunde, voor een ander deel onder de psychiatrie, voor een derde gedeelte onder de speciale psychologie valt. Waarnemen, herinneren, denken, enz. wordt in de psychologie behandeld. De subjectieve geest is ten slotte tot vrijheidsbewustzijn gekomen en tracht nu die vrijheid te verwezenlijken als objectieve geest in de wereld van recht en zedelijkheid. De leer van denOBJECTIEVENgeest is de schitterendste schepping van Hegel, in ’t bijzonder dan zijn staatsrecht en zijn wijsbegeerte der geschiedenis. De vrijheid moet werkelijkheid worden. Hetrechtbrengt deuitwendigevrijheid, demoraliteitdeinnerlijke, dezedelijkheidbeide vereenigend, devolkomenvrijheid. Het recht is oorspronkelijk een verzameling van verboden inperking van den wil.Het recht is aleersteigendomsrecht, het is het recht der persoonlijkheid, eigendom te bezitten. Zonder eigendom geen persoonlijkheid. In eenverdragtreedt die persoonlijkheid tot anderen in verhouding en hetstrafrechtis de ontkenning van de ontkenning van het recht. Onrecht, negatie van recht is er, als de bijzondere wil zich verzet tegen den algemeenen.Waar de bijzondere wil zich, door goede gezindheid, naar den algemeenen voegt, ismoraliteit. Deze ligt in het terrein der subjectieve gezindheid. Maar de goede gezindheid is niet het hoogste, er blijft een tegenspraak tusschen bedoeling en uitvoering; hetgeweten, rechter op deze trap over goed en kwaad, kan falen.Ook de tegendeelen legaliteit en moraliteit moeten verzoend worden en dat geschiedt in de “zedelijkheid.” De zede is een in de gemeenschap heerschende gewoonte, die door den enkeling niet gevoeld wordt als een van buiten komend gebod, maar als iets uit eigen wezen voortspruitend. Aan de zede dankt dit terrein zijn naam zedelijkheid.Allereerst nu wordt het familierecht behandeld (Huwelijk, enz.) De echt is niet, als bij Kant, een zuivere rechtsverhouding, noch een bloote aangelegenheid van ’t gevoel, hij is een zedelijke verbintenis. De leer der “burgerlijke gezelschappen” doet o. a. recht wedervaren aan de corporaties van burgers. Ook de leer der standen (die samenhangen met hun beroep: voortbrengende- nijverheids- en denkende stand) vindt zijn behandeling. Familie en burgerlijke samenleving vinden hunne vereeniging in den staat, wiens beste regeeringsvorm de grondwettelijke, erfelijke monarchie is. Na Hobbes heeft misschien geen denker zoo grooten eerbied voor den staat gekoesterd als Hegel. Zooals een staat is, moet hij op dat oogenblik zijn. Evengoed als men van de natuur toegeeft, dat men haar nemen moet zooals zij is, moet men dat ook met den staat doen. De Idee heerscht ook in dit gebied, ook hier is de werkelijkheid niet van de rede verlaten, ook hier is het werkelijke redelijk.Men moet den staat als historisch geworden beschouwen, niet wijzer willen zijn dan de rede, die zich in den staat heeft ontwikkeld. Geen wijsbegeerte kon ons leeren, hoe de wereld zijn moet: zij komt daarvoor steeds te laat. “Eerst als de schemering begint, vangt Minerva’s uil aan te vliegen.”Degeschiedenisis niet anders dan het proces, datde werkelijkheid doorloopt, om tot den staatsvorm te komen: Inderdaad is hier een grandioose opvatting. Elk volk is slechts een punt van de lijn, een ontwikkelingsmoment. Groote mannen dienen slechts, om de ontwikkeling mee te verwezenlijken; het is de list van de Rede dat zij hen daarvoor gebruikt, terwijl zij hun eigen belangen meenen te dienen. Maar alles gaat naar het ééne: de vrijheid. Bij de ruwe Oostersche volken acht zich slechts één vrij: de despoot, die over allen regeert. In de Grieksche en Romeinsche republieken zijn meerderen vrij, het Christendom maakt allen vrij. In ieder dezer drie groote perioden zijn weer onderafdeelingen te onderscheiden. In de geschiedenis der Oostersche volken komt eerst met de Perzen een waarachtige staat met een despoot. Het is de knapenleeftijd der menschheid. Griekenland is het land, waar de menschheid haar jongelingsleeftijd doorloopt in vreugde aan leven en aan schoonheid. Maar noch hier, noch in Rome is de vrijheid in aller bewustzijn: er zijn nog slaven. Jezus brengt een persoonlijke vrijheid, de Germanen een politieke. Nu is de menschheid in haar kennende grijsheid, de tijd der volkomen rijpheid, waarin de mensch “na volending van zijn levensloop in zichzelf terugkeert.” Van de komst van Christus tot 1820 moet de menschheid nog door verschillende stadiën: Karel de Groote, ’t leenstelsel, de reformatie, enz.§ 21.Het systeem. (Vervolg).De absolute geest.Subjectieve en objectieve geest vinden weer hunne hooger eenheid in denabsoluten geest. In dezen zijn de tegenstellingen van subject en object, denken enzijn opgeheven. Het absoluteaanschouwtzich zelf in de kunst,steltzich zelfvoorin de religie en denkt zich,begrijpt zich in begrippen, in de wijsbegeerte.HEGEL’S SYSTEEM.HEGEL’S SYSTEEM.Kunst.Dekunstkan zich hoofdzakelijk in drieërlei vorm openbaren. Eerstsymbolisch. Dan heeft de vorm de overhand op den inhoud, op de idee, die uitgedrukt moet worden. Deze wordt slechts vermoed. Is er volkomen harmonie van beide, dan ontstaat vervolgens deklassiekekunst, die de schoonste is, maar toch nog onder moet doen voor de derde trap, deromantischekunst, waarin de zinnelijke verschijning op den achtergrond treedt en de geestelijke, innerlijke zijde meer optreedt.Elke kunst kan de drie vormen vertoonen, maar de architectuur is toch in hoofdzaak symbolisch, de beeldhouwkunst klassiek, de muziek en schilderkunst romantisch. De poëzie is de alles in zich sluitende kunst.Godsdienst.Op godsdienstig terrein nam Hegel ook zijn eigen standpunt in. Hij verwierp het dogmatisch orthodox geloof, dat aan de letter vasthield. Maar ook het rationalisme bevredigde hem niet en de op gevoelsgronden berustende theologie van Schleiermacher was hem onaannemelijk. De religie is een zich in beelden voorstellen van het Absolute. Dat begint met de oostersche natuurgodsdiensten, waarvoor nog weer een lager trap ligt van afgodendienst, toovenarij. Hooger dan de oostersche (Chineesche,Bramaansche, enz., die ieder hun eigen kenmerk hebben) staan de religies der “geestelijke persoonlijkheid,” der “vrije subjectiviteit,” die van de Joden (verhevenheid), Grieken (schoonheid), Romeinen (nuttigheid). De absolute religie van ’t Christendom volgt hierop. De dogma’s van hetChristendom laten hunne wijsgeerige verklaring toe. Zij zijn allegorisch te interpreteeren.Hegel roemt, dat hij goed Lutheraan en Christen is. De menschwording van Jezus, zijn zoendood beteekent, in wijsgeerige spraak overgezet: God gaat in de zondige wereld, hij negeert zichzelf. De menschwording van Christus is de zelfnegatie van het Absolute. De negatie dezer negatie is Christus’ Lijden, Dood en Opstanding. God was God-mensch geweest en wordt weer God: vereenigt daarin zijn god- en mensch zijn.Wijsbegeerte.Ten slotte blijft er over, deze ontwikkeling in begrippen te denken: Het Absolute begrijpt zichzelf. Dit is filosofie. Het begrijpen der geheele ontwikkeling haar taak. Ook de filosofie doorloopt stadiën. Van de Eleaten af, die het zijn opstelden, overHeraclitus(worden), Atomisten (an sich zijn), Plato, Aristoteles (begrip), Cartesius (bewustzijn), Kant-Fichte (zelfbewustzijn) loopt de lijn tot Hegel, waar het Absolute zich zelf kent. Zijn leer is de sluitsteen der filosofie. Elke filosofie is de begripmatige uitdrukking van haar tijd, treedt als bezinning over den tijd op, als de tijd rijp is en klaar, om overwonnen te worden. De uil vliegt als de morgen daagt: de zelfbezinning begint als een andere tijd aanbreekt.§ 22.Hegel’s school.Toen Hegel stierf waren er tal van leerlingen, die den vereerden meester aanhingen. Maar weldra zou blijken, dat niet allen eenstemmig dachten. Er kwam een splitsing, voornamelijk door de verhouding tot den godsdienst teweeggebracht. Hegel had gezegd, dat de religie opgeheven is in de wijsbegeerte, diewel denzelfden inhoud heeft, maar zich deze niet voorstelt, doch hem in begrippen uitdrukt.Sommigen nu, de behoudende richting, later de rechterzijde genoemd, legden nadruk op hetgelijkevan deninhoud: zij wilden den godsdienst handhaven. Anderen daarentegen schonken de meeste aandacht aan denanderen vorm: zij wenschten de religie op te heffen. Zij vormden de radicale vleugel, later de linkerzijde genoemd.In het bizonder nu gold dit verschil drie kwesties: God, Christus, Onsterfelijkheid.Had Hegel bijv. aan een persoonlijke onsterfelijkheid geloofd? Had hij een theïstisch godsbegrip verkondigd, een persoonlijken God geleerd? Of was de rede, allen menschen gemeen, slechts het onsterfelijke?Was zijn godsbegrip pantheïstisch?Maar ook ten opzichte der wijsbegeerte kon men twee kanten uit. Men kon meenen, dat bij Hegel haar ontwikkeling was afgesloten, dat in zijn stelsel het Absolute zich zelf had herkend. Maar men kon ook, Hegel’s dialectische methode aanvaardend, de ontwikkeling na hem voortzetten, tegen hem handelen, zooals hij zich verhouden had tegenover de hem voorafgaande denkers, hém opheffen, zooals hij hún opgeheven had.Tusschen die rechter- en linkerzijde nu stond een centrum in. De mannen daarvan hebben zich groote verdiensten verworven. De geschiedenis werd druk door hen beoefend: van Hegel hadden zij geleerd, dat historie iets anders is dan feitenopsomming. Zeller verwierf zich groote verdienste voor de geschiedenis der Grieksche filosofie. De onlangs overleden Kuno Fischer, (geb. 23 Juli 1824) schreef de uitvoerige geschiedenis der nieuwere wijsbegeerte en was langen tijd de roem der Heidelbergsche universiteit. Hij zag in filosofie de geschiedenis der filosofie enwist die zoowel in zijn werken als voordrachten met grootsche lijnen en groote kennis te teekenen. Aldus zingtLiebmannhem toe:“Dit alles1leert gij; luistrende jongrenschaarVolgt de welsprekendheid, uwen lippen ontvloeid,Zij leert, verwondert zich, ziet zich opnieuwDer menschheid hoogste gedachten verjongen.De zoogenaamde Hegelsche linkerzijde verdient dien naam niet; zij is van Hegel wel uitgegaan, maar heeft zijn leer verlaten. Op Marx en Lassalle die er ook toe gerekend worden, komen we terug in het hoofdstuk over Socialisme en Individualisme. Hier spreken wij over twee denkers, die zich vooral op godsdienstig gebied hebben bekend gemaakt. Strauss en Feuerbach.Strauss.Strauss (1808–1874) studeerde eerst theologie teTübingen, gaf in 1835 een leven van Jezus uit, dat groot opzien baarde en de splitsing in de school bracht. Hij ontkent daarin, dat wij den historischen Jezus zouden kennen, wij kennen den Christus van ’t geloof. Hij verwerpt echter het dilemma, waarvoor de orthodoxie hem zou willen plaatsen: het bijbelverhaal te gelooven of voor bewust verzinsel te houden. Hij ziet er mythen in, waarin in historisch kleed bovenzinnelijke feiten zijn uitgedrukt. Niet Jezus, maar de zich ontwikkelende menschheid is de god-mensch: op haar past eerst de idee van deze.Dezelfde kritiek, die hij op de leer van Jezus toepaste, oefende hij later uit op de dogma’s van het christelijk geloof. Verzoening tusschen gelooven en weten wordt verworpen. Langen tijd heeft Strausszich meer met literairen arbeid bezig gehouden. Zoo schreef hij o. a. een bekend werk over Voltaire. Op zijn ouden dag, in 1872 deed hij de wereld nog eens opzien door zijn werk: Het oude en het nieuwe geloof. Hij stelt de vraag, of de beschaafden van dien tijd zich nog Christenen mogen noemen, welke vraag ontkennend wordt beantwoord. De beschaafde weet, dat niet onthouding, vlieding der wereld en armoede die door het Christendom worden geleerd, de hefboomen der beschaving zijn; maar humaniteit en vooruitgang komen van kunst, wetenschap, rijkdom, productie. Wij willen niet als het christendom tweeheid van wereld en God, schepping en schepper, want, daar het levensproces begin noch einde heeft, hebben wij geen Schepper noodig.Maar wordt nu de vraag gesteld of wij nog godsdienst hebben, dan luidt het antwoord bevestigend. Immers, wij bezitten een gevoel van afhankelijkheid tegen het Al. Dat bewustzijn oefent grooten invloed uit op onze zedelijkheid. Het vormt onze religie, die niet onder de vormen der kerk wordt gebracht. De koude godsdienstvormen bieden niets voor het gevoel en de fantasie. Maar door deelneming aan de belangen van staat en menschheid, door de kunst, in ’t bizonder door de muziek, verkwikken we onze ziel, verheffen we ons. Zoo keert de oude Strauss tot de opvatting terug van zijn jeugd: een eeredienst van ’t genie, door onzen da Costa geteekend:Zie hier uw goden: Kunst, Kracht en Industrie!En voorts geen eerdienst meer dan de eerdienst van ’t Genie!Feuerbach.Ludwig Feuerbach, zoon van een zeer beroemd rechtsgeleerde, broer van een schilder van naam werd 1804 geboren. Aanvankelijk voor theologie studeerende, brengen Hegel’s collegeshem tot de studie der wijsbegeerte. Hegel noemt hij zijnen tweeden vader. In 1830 geeft hij zijn gedachten over dood en onsterfelijkheid uit. Reeds uit dien tijd dateeren de eerste verschijnselen, die wijzen op een scheiding van Hegel. Nadat hij een poosje in Erlangen had gedoceerd, ging hij in Bruckberg wonen, waar zijn vrouw aandeel in een fabriek had. Hier heeft hij 25 jaar gewoond en veel geschreven. In 1841 kwam uit: “Het wezen van het Christendom” waarin hij wel de dogma’s zeer scherp critiseert, maar zich sympathiek verhoudt tegenover de gevoelens, waaruit ze ontstaan zijn.Langzamerhand ging de fabriek slecht. Ten slotte zag Feuerbach zich genoodzaakt naar een andere plaats te verhuizen, waar hij al den last van geldzorgen ondervond en verstoken was van wetenschappelijke hulpmiddelen.Toen zijn benarde omstandigheden bekend werden, werd er veel moeite gedaan in en buiten Duitschland, om iets voor hem te doen en bij zijn begrafenis in 1872 bleek, dat de man, schijnbaar langen tijd vergeten, vereerders en vrienden had. Een voortreffelijke lijkrede van Scholl schilderde voor ’t eerst de beteekenis van Feuerbach.Ten opzichte derreligieleert hij, dat de mensch God maakt. God is het ideaal, dat wij ons, buiten ons, verwezenlijkt denken. In hem leggen wij onze wenschen, onze hoop, ons verlangen. Wat de mensch looft en prijst is God, wat hij verwerpt is het goddelooze. God is het boek, in hetwelk de mensch zijn hoogste gevoelens en verlangens geschreven heeft. De hemel van den mensch is een “bloemlezing,” ontstaan door eenige uit al de bloemen der wereld te kiezen. Zoowel van den hemel van den beschaafde als van den natuurmensch geldt dit. Uit den God enden hemel van den mensch kan men zijn beschaving leeren kennen.De goddelijke eigenschappen zijn die, welke de mensch op een gegeven ontwikkelingstrap het hoogste schat. Dat God persoonlijk gedacht wordt beteekent dat persoonlijk leven het hoogste is. God is liefde! Niets is er, dat een liefdevol gemoed overtreft. Jezus, God heeft geleden! Lijden voor anderen is schoon.“De God der christenen is een traan van liefde, in stille, diepe verborgenheid geschreid over de ellende der menschen.”Onze God is ons ideaal, buiten ons als werkelijk bestaand geacht. Tegenover dat ideaal gevoelen wij ons, met onze kleinheden en onvolmaaktheden nietig, vergetend, dat God ons eigen goede zelf, zeer vergroot, is.Ook de kerkelijke sacramenten als doop en avondmaal hebben hunne beteekenis, zij doen ons zien, van hoe groote, zedelijke beteekenis ook brood en wijn en water zijn.Alles, ook het geringste, wordt geadeld.Hier treft Feuerbach samen met het Calvinisme, dat ook overal de eere Gods zoekt. Treffend is zijn sluiting:“Heilig zij ons daarom het brood, heilig de wijn, maar ook heilig het water. Amen!”Opwijsgeeriggebied nadert Feuerbach later zeer tot het materialisme, maar hij is er geen aanhanger van geworden. Hij wil n.l. niet van de stof uitgaan maar van de gewaarwording. Deze is hem het eerste, zoowel op het gebied der kennistheorie, als op dat der metafysica. Zeer scherp echter weet hij zijn standpunt niet af te bakenen tegenover het materialisme en voor de beteekenis van onzen lichamelijken toestand voor den geestelijken, heeft hij veel oog.Treffend komt dit uit in een bespreking van een werkje van Moleschott: “De leer der voedingsmiddelen is van groote zedelijke en staatkundige beteekenis. De spijzen worden tot bloed, het bloed tot hart en hersenen, deze tot stof voor gedachten en gevoelens. Het voedsel van den mensch is de grondslag voor zijn vorming en opvoeding. Wilt gij het volk verbeteren, zoo geef het in plaats van uitroepen tegen de zonde, beter eten. De mensch is, wat hij eet.”Strauss en Feuerbach hadden zich van Hegel afgewend. De volgende tijden, die een honger hadden naar feiten, waren der speculatieve filosofie weinig gezind. De reactie, de moedeloosheid na het jaar 1848, dat zoovele illusies van vrijheid en vooruitgang had opgewekt, die nu niet vervuld waren, maakte de menschen meer geschikt om Schopenhauer’s pessimisme te waardeeren. Toch bleef, zij het op menig punt onbewust, Hegel’s geest werken. In het begin der 20ste eeuw kwam in ons land zijn leer tot meer aanzien en vond geestdriftige aanhangers door het optreden van den Leidschen hoogleeraar Bolland.Bolland.Gerardus Johannes Petrus Josephus Bolland werd 9 Juni 1857 te Groningen geboren. Zijn vader overleed vroeg. Zijn moeder voedde hem op in ’t katholieke geloof, dat hij later verliet. Na verschillende lotswisselingen was hij onderwijzer in Groningen en Katwijk, studeerde dan te Jena in de Engelsche taal, werd leeraar in die taal aan het gymnasium Willem III te Batavia. Hier werd zijn lust tot de studie der wijsbegeerte opgewekt en aanvankelijk sloot hij zich aan bij Von Hartmann. In 1896 kwam hij als opvolger van Land als hoogleeraar in de wijsbegeerte aan de Leidsche hoogeschool,vooral door toedoen van zijn ouden beschermer Prof. Cosijn en den minister Mr. S. van Houten.Bolland, man van machtige welsprekendheid, groote kennis (bijv. op theologisch en taalkundig gebied), vurige kracht, onverschrokken waarheidsliefde en moed, wist een schare jongeren om zich te verzamelen en trok ook in andere academiesteden veel belangstelling, met name in Utrecht, Amsterdam en Delft.Allerlei stelsels van wijsbegeerte overdacht hij. Bij geen vond hij vrede. Hij kwam ten slotte tot de bestudeering van Hegel’s werken zelf, die hij tot dusver alleen had leeren kennen uit geschiedenissen der wijsbegeerte, uit overzichten van anderen. Na aandachtige studie bleek hem, dat hij toen de gezochte waarheid had. Sedert tracht hij de methode van Hegel ingang te doen vinden en leidt zijn leerlingen op tot verstaan van den meester, tegenover wien hij zich overigens zelfstandig verhoudt.Bolland heeft sommige werken van Hegel opnieuw uitgegeven en van kantteekeningen voorzien. Van zijn eigen werken noemen wij zijn standaardwerk: “Zuivere Rede.” Zijn artikelen werden meest opgenomen in de Nieuwe Gids of Het Tweemaandelijksch Tijdschrift. Als inleiding tot de lectuur zijner werken leenen zich het best de gestenografeerde verslagen van redevoeringen: het gesproken woord wordt geprezen boven zijn geschreven, al wordt ook hier van getuigd: “hij doet de wijsheid Nederlandsch spreken, en hoe meer hij zijn hoogtepunt nadert, hoe meer hem dit gelukt.” Bolland heeft zich, behalve met wijsgeerige, ook met maatschappelijke en theologische vraagstukken beziggehouden. Sommige artikelen lokten hevig verzet uit (kwestie Schaepman-Bolland over Petrus en Rome). Een met veel liefde geschreven studie over leven, persoonlijkheid en werken, geeft Dr. J. A.van den Bergh van Eisinga in “Mannen van Beteekenis,” Deel XXXVIII, afl. 5.Opm.Van de geestverwanten van Bolland zijn te noemen de gebroeders Van den Bergh van Eisinga. De een, zijn biograaf, trad als privaat-docent te Utrecht op met een rede over allegorische interpretatie en in diens preekenbundel: “Rust een weinig,” geeft Bolland een voorbeeld van een gebed voor de gemeente. Toen Prof. Jelgersma een open brief aan zijn collega schreef, vatte o. a. Grondijs de pen op om zijn meester te verdedigen. In het laatste tiental jaren staat Bolland, meer dan hem zelf lief is, in het brandpunt eener opmerkzaamheid, die niet zelden meer bijkomende bijzonderheden dan zijn eigenlijke leer en werk betreffen.1De geschiedenis der wijsbegeerte, in korte trekken weergegeven.↑
§ 13.Voorloopige opmerkingen.Na Kant is er veel leven in de Duitsche wijsbegeerte. Er worden groote systemen gebouwd. Zooals in de staatkunde in het begin der 19de eeuw ieder jaar haast een nieuwe politieke indeeling ontstond, zoo kwam in de wijsbegeerte met elk jaar bijna een nieuw stelsel.Duitschland is het leidende land in het eerste gedeelte der 19de eeuw. Daar valt de letterkundige bloei gedeeltelijk nog samen met de wijsgeerige, de wederopleving van het Duitsche nationaal gevoel wordt mee bevorderd door de denkers.Jena is een belangrijke stad geworden. Daar ontmoeten elkaar denkers en dichters. Daar wonen allerlei bekende figuren uit de Duitsche literatuur. Daar voert men zware gesprekken, is men bezig omver te halen en weer op te bouwen. Daar is het brandpunt van hetromantisme.Wat wil de romantiek? Het is moeilijk, om een zoo veelsoortig zich uitlevende beweging kort te teekenen, beweging, die niet alleen, niet allereerst van wijsgeerigen aard is.1Zij is een zich uit den tijd van gewoel en drukte,terugtrekken op het eigen zelf, niet echter, om dit in aandachtige beschouwing te vergeestelijken en te verdiepen, zooals de mystici der middeleeuwen, maar om dit te openbaren in dekunst, om dit uit te leven in de artistieke scheppingen, vooral der letterkunde. Ver boven het leven van allen dag, boven de kleine burgermenschjes denkt zich de geniale kunstenaar verheven, niet gebonden door de eischen van de heerschende moraal, noch veel minder door die van het fatsoen. De nuchtere tijd der aufklärung wijkt nu ten volle. Het bezadigde verstand, dat geen diepten kent, wijkt voor een krachtig stroomend gevoel, dat steeds meer opborrelt. Het verplaatst den mensch als in een andere wereld. De werkelijkheid wordt gezien onder schemer van geheimzinnigheid. Sprookjespoëzie ontstaat en de romans zijn vol van geheimzinnige verhalen, avontuurlijke gebeurtenissen. De oogen gaan open voor de schoonheid van een manenacht; voor de stemming, die het Duitsche woud kan geven, wordt het hart gevoelig. Het vaderland met al zijn herinneringen spreekt tot de verbeelding: de historische roman ontstaat.2De Schlegels, Tieck, Novalis, zijn de mannen der romantiek, Schelling is hun wijsgeer.Vertoont de filosofie veel overeenkomst met die richting, het is toch minder juist om de filosofie uit de eerste 40 jaren van de 19de eeuw die der romantiek te noemen. Hegel, de grootste denker uit dien tijd, is geen dwepend romanticus als Schelling.Beter spreekt men van de speculatieve filosofie. Wat zijn hare kenmerken? Zij knoopt aan bij Kant’sleer: de lichamelijke wereld is een verschijnsel, die heenwijst op een absolute werkelijkheid, deintelligibelewereld.Die intelligibele wereld heeft zij te bereiken met hetdenken: het zuivere denken moet ons de waarheid brengen.De methode is dus aprioristisch; een opbouw van stelsels, die niet op ervaringsgrondslag steunen, maar van uit het denken geconstrueerd worden, wordt beproefd.Zijn die eenmaal gevonden, dan heeft men den zin der dingen verstaan, de werkelijkheid wordt gekend.Drie groote speculatieve filosofen zijn er.Fichte, deethicus, die ’t meest uitgaat naar de zedenleer.Schelling, dekunstenaar, die kunst als hoogste wijsbegeerte ziet.Hegel, dedenker.Fichte vormt geen school, Schelling vindt geestverwanten, Hegel vormt een school, die op verschillende terreinen werkzaam is. “Zijn invloed, hoewel dikwijls niet erkend, steekt in onzen arbeid, onze begrippen, onze problemen. Hij heeft zich ingegraven in het geestesleven der eeuw” (Eucken). De school van Hegel vormt met haarlinkerzijdeden overgang tot hetpositivismein Duitschland.In Schopenhauer vindt de romantiek een pessimistischen filosoof.Dit gedeelte is genoemd detijdder speculatieve filosofie. Want er waren ook andere, geenszins onaanzienlijke denkers, nevens de genoemde. Onder hen valt te noemenHerbart, die op ziel- en opvoedkundig gebied tot nu nog invloed uitoefent.1Belangstellende lezers verwijs ik naar Haym, “Die Romantische Schule.”↑2Hij ontstond eveneens in ons land na een rede van D. J. v. Lennep over de belangrijkheid van Hollands oudheden voor gevoel en verbeelding.↑
§ 13.Voorloopige opmerkingen.Na Kant is er veel leven in de Duitsche wijsbegeerte. Er worden groote systemen gebouwd. Zooals in de staatkunde in het begin der 19de eeuw ieder jaar haast een nieuwe politieke indeeling ontstond, zoo kwam in de wijsbegeerte met elk jaar bijna een nieuw stelsel.Duitschland is het leidende land in het eerste gedeelte der 19de eeuw. Daar valt de letterkundige bloei gedeeltelijk nog samen met de wijsgeerige, de wederopleving van het Duitsche nationaal gevoel wordt mee bevorderd door de denkers.Jena is een belangrijke stad geworden. Daar ontmoeten elkaar denkers en dichters. Daar wonen allerlei bekende figuren uit de Duitsche literatuur. Daar voert men zware gesprekken, is men bezig omver te halen en weer op te bouwen. Daar is het brandpunt van hetromantisme.Wat wil de romantiek? Het is moeilijk, om een zoo veelsoortig zich uitlevende beweging kort te teekenen, beweging, die niet alleen, niet allereerst van wijsgeerigen aard is.1Zij is een zich uit den tijd van gewoel en drukte,terugtrekken op het eigen zelf, niet echter, om dit in aandachtige beschouwing te vergeestelijken en te verdiepen, zooals de mystici der middeleeuwen, maar om dit te openbaren in dekunst, om dit uit te leven in de artistieke scheppingen, vooral der letterkunde. Ver boven het leven van allen dag, boven de kleine burgermenschjes denkt zich de geniale kunstenaar verheven, niet gebonden door de eischen van de heerschende moraal, noch veel minder door die van het fatsoen. De nuchtere tijd der aufklärung wijkt nu ten volle. Het bezadigde verstand, dat geen diepten kent, wijkt voor een krachtig stroomend gevoel, dat steeds meer opborrelt. Het verplaatst den mensch als in een andere wereld. De werkelijkheid wordt gezien onder schemer van geheimzinnigheid. Sprookjespoëzie ontstaat en de romans zijn vol van geheimzinnige verhalen, avontuurlijke gebeurtenissen. De oogen gaan open voor de schoonheid van een manenacht; voor de stemming, die het Duitsche woud kan geven, wordt het hart gevoelig. Het vaderland met al zijn herinneringen spreekt tot de verbeelding: de historische roman ontstaat.2De Schlegels, Tieck, Novalis, zijn de mannen der romantiek, Schelling is hun wijsgeer.Vertoont de filosofie veel overeenkomst met die richting, het is toch minder juist om de filosofie uit de eerste 40 jaren van de 19de eeuw die der romantiek te noemen. Hegel, de grootste denker uit dien tijd, is geen dwepend romanticus als Schelling.Beter spreekt men van de speculatieve filosofie. Wat zijn hare kenmerken? Zij knoopt aan bij Kant’sleer: de lichamelijke wereld is een verschijnsel, die heenwijst op een absolute werkelijkheid, deintelligibelewereld.Die intelligibele wereld heeft zij te bereiken met hetdenken: het zuivere denken moet ons de waarheid brengen.De methode is dus aprioristisch; een opbouw van stelsels, die niet op ervaringsgrondslag steunen, maar van uit het denken geconstrueerd worden, wordt beproefd.Zijn die eenmaal gevonden, dan heeft men den zin der dingen verstaan, de werkelijkheid wordt gekend.Drie groote speculatieve filosofen zijn er.Fichte, deethicus, die ’t meest uitgaat naar de zedenleer.Schelling, dekunstenaar, die kunst als hoogste wijsbegeerte ziet.Hegel, dedenker.Fichte vormt geen school, Schelling vindt geestverwanten, Hegel vormt een school, die op verschillende terreinen werkzaam is. “Zijn invloed, hoewel dikwijls niet erkend, steekt in onzen arbeid, onze begrippen, onze problemen. Hij heeft zich ingegraven in het geestesleven der eeuw” (Eucken). De school van Hegel vormt met haarlinkerzijdeden overgang tot hetpositivismein Duitschland.In Schopenhauer vindt de romantiek een pessimistischen filosoof.Dit gedeelte is genoemd detijdder speculatieve filosofie. Want er waren ook andere, geenszins onaanzienlijke denkers, nevens de genoemde. Onder hen valt te noemenHerbart, die op ziel- en opvoedkundig gebied tot nu nog invloed uitoefent.
§ 13.Voorloopige opmerkingen.Na Kant is er veel leven in de Duitsche wijsbegeerte. Er worden groote systemen gebouwd. Zooals in de staatkunde in het begin der 19de eeuw ieder jaar haast een nieuwe politieke indeeling ontstond, zoo kwam in de wijsbegeerte met elk jaar bijna een nieuw stelsel.Duitschland is het leidende land in het eerste gedeelte der 19de eeuw. Daar valt de letterkundige bloei gedeeltelijk nog samen met de wijsgeerige, de wederopleving van het Duitsche nationaal gevoel wordt mee bevorderd door de denkers.Jena is een belangrijke stad geworden. Daar ontmoeten elkaar denkers en dichters. Daar wonen allerlei bekende figuren uit de Duitsche literatuur. Daar voert men zware gesprekken, is men bezig omver te halen en weer op te bouwen. Daar is het brandpunt van hetromantisme.Wat wil de romantiek? Het is moeilijk, om een zoo veelsoortig zich uitlevende beweging kort te teekenen, beweging, die niet alleen, niet allereerst van wijsgeerigen aard is.1Zij is een zich uit den tijd van gewoel en drukte,terugtrekken op het eigen zelf, niet echter, om dit in aandachtige beschouwing te vergeestelijken en te verdiepen, zooals de mystici der middeleeuwen, maar om dit te openbaren in dekunst, om dit uit te leven in de artistieke scheppingen, vooral der letterkunde. Ver boven het leven van allen dag, boven de kleine burgermenschjes denkt zich de geniale kunstenaar verheven, niet gebonden door de eischen van de heerschende moraal, noch veel minder door die van het fatsoen. De nuchtere tijd der aufklärung wijkt nu ten volle. Het bezadigde verstand, dat geen diepten kent, wijkt voor een krachtig stroomend gevoel, dat steeds meer opborrelt. Het verplaatst den mensch als in een andere wereld. De werkelijkheid wordt gezien onder schemer van geheimzinnigheid. Sprookjespoëzie ontstaat en de romans zijn vol van geheimzinnige verhalen, avontuurlijke gebeurtenissen. De oogen gaan open voor de schoonheid van een manenacht; voor de stemming, die het Duitsche woud kan geven, wordt het hart gevoelig. Het vaderland met al zijn herinneringen spreekt tot de verbeelding: de historische roman ontstaat.2De Schlegels, Tieck, Novalis, zijn de mannen der romantiek, Schelling is hun wijsgeer.Vertoont de filosofie veel overeenkomst met die richting, het is toch minder juist om de filosofie uit de eerste 40 jaren van de 19de eeuw die der romantiek te noemen. Hegel, de grootste denker uit dien tijd, is geen dwepend romanticus als Schelling.Beter spreekt men van de speculatieve filosofie. Wat zijn hare kenmerken? Zij knoopt aan bij Kant’sleer: de lichamelijke wereld is een verschijnsel, die heenwijst op een absolute werkelijkheid, deintelligibelewereld.Die intelligibele wereld heeft zij te bereiken met hetdenken: het zuivere denken moet ons de waarheid brengen.De methode is dus aprioristisch; een opbouw van stelsels, die niet op ervaringsgrondslag steunen, maar van uit het denken geconstrueerd worden, wordt beproefd.Zijn die eenmaal gevonden, dan heeft men den zin der dingen verstaan, de werkelijkheid wordt gekend.Drie groote speculatieve filosofen zijn er.Fichte, deethicus, die ’t meest uitgaat naar de zedenleer.Schelling, dekunstenaar, die kunst als hoogste wijsbegeerte ziet.Hegel, dedenker.Fichte vormt geen school, Schelling vindt geestverwanten, Hegel vormt een school, die op verschillende terreinen werkzaam is. “Zijn invloed, hoewel dikwijls niet erkend, steekt in onzen arbeid, onze begrippen, onze problemen. Hij heeft zich ingegraven in het geestesleven der eeuw” (Eucken). De school van Hegel vormt met haarlinkerzijdeden overgang tot hetpositivismein Duitschland.In Schopenhauer vindt de romantiek een pessimistischen filosoof.Dit gedeelte is genoemd detijdder speculatieve filosofie. Want er waren ook andere, geenszins onaanzienlijke denkers, nevens de genoemde. Onder hen valt te noemenHerbart, die op ziel- en opvoedkundig gebied tot nu nog invloed uitoefent.
§ 13.Voorloopige opmerkingen.
Na Kant is er veel leven in de Duitsche wijsbegeerte. Er worden groote systemen gebouwd. Zooals in de staatkunde in het begin der 19de eeuw ieder jaar haast een nieuwe politieke indeeling ontstond, zoo kwam in de wijsbegeerte met elk jaar bijna een nieuw stelsel.Duitschland is het leidende land in het eerste gedeelte der 19de eeuw. Daar valt de letterkundige bloei gedeeltelijk nog samen met de wijsgeerige, de wederopleving van het Duitsche nationaal gevoel wordt mee bevorderd door de denkers.Jena is een belangrijke stad geworden. Daar ontmoeten elkaar denkers en dichters. Daar wonen allerlei bekende figuren uit de Duitsche literatuur. Daar voert men zware gesprekken, is men bezig omver te halen en weer op te bouwen. Daar is het brandpunt van hetromantisme.Wat wil de romantiek? Het is moeilijk, om een zoo veelsoortig zich uitlevende beweging kort te teekenen, beweging, die niet alleen, niet allereerst van wijsgeerigen aard is.1Zij is een zich uit den tijd van gewoel en drukte,terugtrekken op het eigen zelf, niet echter, om dit in aandachtige beschouwing te vergeestelijken en te verdiepen, zooals de mystici der middeleeuwen, maar om dit te openbaren in dekunst, om dit uit te leven in de artistieke scheppingen, vooral der letterkunde. Ver boven het leven van allen dag, boven de kleine burgermenschjes denkt zich de geniale kunstenaar verheven, niet gebonden door de eischen van de heerschende moraal, noch veel minder door die van het fatsoen. De nuchtere tijd der aufklärung wijkt nu ten volle. Het bezadigde verstand, dat geen diepten kent, wijkt voor een krachtig stroomend gevoel, dat steeds meer opborrelt. Het verplaatst den mensch als in een andere wereld. De werkelijkheid wordt gezien onder schemer van geheimzinnigheid. Sprookjespoëzie ontstaat en de romans zijn vol van geheimzinnige verhalen, avontuurlijke gebeurtenissen. De oogen gaan open voor de schoonheid van een manenacht; voor de stemming, die het Duitsche woud kan geven, wordt het hart gevoelig. Het vaderland met al zijn herinneringen spreekt tot de verbeelding: de historische roman ontstaat.2De Schlegels, Tieck, Novalis, zijn de mannen der romantiek, Schelling is hun wijsgeer.Vertoont de filosofie veel overeenkomst met die richting, het is toch minder juist om de filosofie uit de eerste 40 jaren van de 19de eeuw die der romantiek te noemen. Hegel, de grootste denker uit dien tijd, is geen dwepend romanticus als Schelling.Beter spreekt men van de speculatieve filosofie. Wat zijn hare kenmerken? Zij knoopt aan bij Kant’sleer: de lichamelijke wereld is een verschijnsel, die heenwijst op een absolute werkelijkheid, deintelligibelewereld.Die intelligibele wereld heeft zij te bereiken met hetdenken: het zuivere denken moet ons de waarheid brengen.De methode is dus aprioristisch; een opbouw van stelsels, die niet op ervaringsgrondslag steunen, maar van uit het denken geconstrueerd worden, wordt beproefd.Zijn die eenmaal gevonden, dan heeft men den zin der dingen verstaan, de werkelijkheid wordt gekend.Drie groote speculatieve filosofen zijn er.Fichte, deethicus, die ’t meest uitgaat naar de zedenleer.Schelling, dekunstenaar, die kunst als hoogste wijsbegeerte ziet.Hegel, dedenker.Fichte vormt geen school, Schelling vindt geestverwanten, Hegel vormt een school, die op verschillende terreinen werkzaam is. “Zijn invloed, hoewel dikwijls niet erkend, steekt in onzen arbeid, onze begrippen, onze problemen. Hij heeft zich ingegraven in het geestesleven der eeuw” (Eucken). De school van Hegel vormt met haarlinkerzijdeden overgang tot hetpositivismein Duitschland.In Schopenhauer vindt de romantiek een pessimistischen filosoof.Dit gedeelte is genoemd detijdder speculatieve filosofie. Want er waren ook andere, geenszins onaanzienlijke denkers, nevens de genoemde. Onder hen valt te noemenHerbart, die op ziel- en opvoedkundig gebied tot nu nog invloed uitoefent.
Na Kant is er veel leven in de Duitsche wijsbegeerte. Er worden groote systemen gebouwd. Zooals in de staatkunde in het begin der 19de eeuw ieder jaar haast een nieuwe politieke indeeling ontstond, zoo kwam in de wijsbegeerte met elk jaar bijna een nieuw stelsel.
Duitschland is het leidende land in het eerste gedeelte der 19de eeuw. Daar valt de letterkundige bloei gedeeltelijk nog samen met de wijsgeerige, de wederopleving van het Duitsche nationaal gevoel wordt mee bevorderd door de denkers.
Jena is een belangrijke stad geworden. Daar ontmoeten elkaar denkers en dichters. Daar wonen allerlei bekende figuren uit de Duitsche literatuur. Daar voert men zware gesprekken, is men bezig omver te halen en weer op te bouwen. Daar is het brandpunt van hetromantisme.
Wat wil de romantiek? Het is moeilijk, om een zoo veelsoortig zich uitlevende beweging kort te teekenen, beweging, die niet alleen, niet allereerst van wijsgeerigen aard is.1
Zij is een zich uit den tijd van gewoel en drukte,terugtrekken op het eigen zelf, niet echter, om dit in aandachtige beschouwing te vergeestelijken en te verdiepen, zooals de mystici der middeleeuwen, maar om dit te openbaren in dekunst, om dit uit te leven in de artistieke scheppingen, vooral der letterkunde. Ver boven het leven van allen dag, boven de kleine burgermenschjes denkt zich de geniale kunstenaar verheven, niet gebonden door de eischen van de heerschende moraal, noch veel minder door die van het fatsoen. De nuchtere tijd der aufklärung wijkt nu ten volle. Het bezadigde verstand, dat geen diepten kent, wijkt voor een krachtig stroomend gevoel, dat steeds meer opborrelt. Het verplaatst den mensch als in een andere wereld. De werkelijkheid wordt gezien onder schemer van geheimzinnigheid. Sprookjespoëzie ontstaat en de romans zijn vol van geheimzinnige verhalen, avontuurlijke gebeurtenissen. De oogen gaan open voor de schoonheid van een manenacht; voor de stemming, die het Duitsche woud kan geven, wordt het hart gevoelig. Het vaderland met al zijn herinneringen spreekt tot de verbeelding: de historische roman ontstaat.2De Schlegels, Tieck, Novalis, zijn de mannen der romantiek, Schelling is hun wijsgeer.
Vertoont de filosofie veel overeenkomst met die richting, het is toch minder juist om de filosofie uit de eerste 40 jaren van de 19de eeuw die der romantiek te noemen. Hegel, de grootste denker uit dien tijd, is geen dwepend romanticus als Schelling.
Beter spreekt men van de speculatieve filosofie. Wat zijn hare kenmerken? Zij knoopt aan bij Kant’sleer: de lichamelijke wereld is een verschijnsel, die heenwijst op een absolute werkelijkheid, deintelligibelewereld.
Die intelligibele wereld heeft zij te bereiken met hetdenken: het zuivere denken moet ons de waarheid brengen.
De methode is dus aprioristisch; een opbouw van stelsels, die niet op ervaringsgrondslag steunen, maar van uit het denken geconstrueerd worden, wordt beproefd.
Zijn die eenmaal gevonden, dan heeft men den zin der dingen verstaan, de werkelijkheid wordt gekend.
Drie groote speculatieve filosofen zijn er.
Fichte, deethicus, die ’t meest uitgaat naar de zedenleer.
Schelling, dekunstenaar, die kunst als hoogste wijsbegeerte ziet.
Hegel, dedenker.
Fichte vormt geen school, Schelling vindt geestverwanten, Hegel vormt een school, die op verschillende terreinen werkzaam is. “Zijn invloed, hoewel dikwijls niet erkend, steekt in onzen arbeid, onze begrippen, onze problemen. Hij heeft zich ingegraven in het geestesleven der eeuw” (Eucken). De school van Hegel vormt met haarlinkerzijdeden overgang tot hetpositivismein Duitschland.
In Schopenhauer vindt de romantiek een pessimistischen filosoof.
Dit gedeelte is genoemd detijdder speculatieve filosofie. Want er waren ook andere, geenszins onaanzienlijke denkers, nevens de genoemde. Onder hen valt te noemenHerbart, die op ziel- en opvoedkundig gebied tot nu nog invloed uitoefent.
1Belangstellende lezers verwijs ik naar Haym, “Die Romantische Schule.”↑2Hij ontstond eveneens in ons land na een rede van D. J. v. Lennep over de belangrijkheid van Hollands oudheden voor gevoel en verbeelding.↑
1Belangstellende lezers verwijs ik naar Haym, “Die Romantische Schule.”↑2Hij ontstond eveneens in ons land na een rede van D. J. v. Lennep over de belangrijkheid van Hollands oudheden voor gevoel en verbeelding.↑
1Belangstellende lezers verwijs ik naar Haym, “Die Romantische Schule.”↑
2Hij ontstond eveneens in ons land na een rede van D. J. v. Lennep over de belangrijkheid van Hollands oudheden voor gevoel en verbeelding.↑
HOOFDSTUK V.Fichte.§ 14.Leven en Werken.Leven.De eerste der groote denkers uit dit tijdvak is Johan Gottlieb Fichte, als zoon van arme ouders den 19 Mei 1762 te Rammenau in Silezië geboren; tengevolge van zijn talent om preeken te onthouden, door een rijk grondbezitter ontdekt; door dezen in staat gesteld te studeeren, en zoo student in Jena en Leipzig geworden. Uit moeilijke geldelijke omstandigheden geraakt hij, door huisonderwijzer te Zurich te worden. Hier maakt hij kennis met Pestalozzi, den genialen vader der 19de-eeuwsche opvoeding en vindt er in de nicht van den dichter Klopstock zijn aanstaande vrouw, wier vermogen het hem later mogelijk maakte een eigen haard te stichten. Van Zurich, waar zijn positie moeilijkheden meebracht—hij hield de ouden elke week de door hen begane opvoedkundige fouten onder de oogen!—vertrok hij naar Jena, waar hij kennis maakte met Kant’s wijsbegeerte. Wat in vroegeren tijd de lezing van Descartes werken voor velen was, dat was die vanKant’s boeken voor ettelijken in deze jaren: een openbaring. In geestdrift ontstoken voor de grootsche gedachten van den Koningsberger, tracht Fichte hem—hij was op reis naar Warschau, waar hij huisonderwijzer hoopte te worden—te spreken en geeft als aanbeveling een in vijf weken ontworpen geschrift: “Proeve eener critiek van alle openbaring”. Het geschrift en zijn schrijver bevielen Kant. Deze zorgde voor een uitgever. Door een vergissing (of uit list?) liet de laatste den naam des auteurs weg, en het publiek dat juist in dien tijd Kant’s godsdienstwijsbegeerte vol spanning verwachtte, zag het boekje voor Kant’s werk aan. Toen de maker bekend was, was Fichte in één slag een beroemd man. Weldra is hij als opvolger van den naar Kiel vertrokken Reinhold professor te Jena. Hier krijgt hij moeite met de geestelijkheid wegens Zondagsvoordrachten met de studenten, wier ruwe corpsmanieren hij trachtte te verzachten. In 1799 wordt hij wegens een tijdschriftartikel door de Saksische regeering bij die van Weimar van atheïsme beschuldigd. Heftig antwoordt Fichte. Hij dreigt, indien hij in ’t ongelijk gesteld wordt, met ontslag. Dat wordt hem nu, zelfs met Goethe’s toestemming, gegeven. Naar Berlijn vertrokken, vindt hij daar wélkom onthaal in den kring van bekende figuren uit de romantiek: de gebroeders Schlegel, Tieck, Schleiermacher. Hier houdt hij in 1808 zijn gloeiende toespraken tot de Duitsche natie, waarin hij wederopleving van het Duitsche land door opvoeding predikte. In 1810 wordt hij hoogleeraar aan de te Berlijn opgerichte Universiteit. Zijn plan, om als veldprediker mee te gaan in den veldtocht van 1813 geeft hij op. Toch wordt hij slachtoffer van den oorlog: zijn vrouw verpleegt gewonden, hij wordt met koorts besmet en sterft in 1814.Fichte was een schoone, indrukwekkende, rusteloos werkende persoonlijkheid, van groote welsprekendheid en in sommige zijner werken van schitterenden stijl. Aan den indruk zijner machtige persoonlijkheid onttrok schier niemand zich. Zijn gesternte overstraalde door zijn licht het schijnsel van mannen als Maimon, Beck, Reinhold en anderen; het schitterde naast dat van Kant met onverflauwden gloed.Werken.Fichte’swerkenzijn niet alle van denzelfden aard. Sommige zijn meer in drogen, scholastieken vorm, andere in vurige taal. Na zijn verhuizing naar Berlijn onderging hij andere invloeden, hij zag méér van de wereld, stelde grooter belang in het politieke leven van die dagen, in den gang der wereldgeschiedenis. Men heeft dan ook wel willen beweren, dat er eigenlijk twee filosofieën van Fichte zijn, die uit zijn eerste en die uit zijn tweede periode. Ongetwijfeld treedt in zijn latere levensjaren de belangstelling voor godsdienstige en praktisch-wijsgeerige vraagstukken meer op den voorgrond. Vorschers van den eersten rang (Kuno Fischer, Falckenberg) meenen echter in zijn leer wel een ontwikkelingsgangte ontdekken, maar geen totalen omkeer.In 1794 verscheen de “Grondslag der geheele wetenschapsleer.” In 1797 gaf hij daar nog “Inleidingen” op en in 1800 verscheen: “De Bestemming des menschen.” Verder zijn te noemen: “De Grondslag van het Natuurrecht naar de beginselen der W.-L.” (1796) en de Zedeleer naar dezelfde beginselen (1798).Als eerste lectuur wordt aanbevolen: (de meeste werken in Reclams goedkoope uitgaven) “De toespraken tot de Duitsche natie,” “De bestemming van den mensch,” “Systeem der Zedenleer” en “Feiten van het Bewustzijn” (1811).§ 15.Theoretische filosofie.Fichte is een zelfstandige leerling van Kant. Hij heeft niet diens leer nagepraat, gepopulariseerd of in onderdeelen gewijzigd. Hij is van uit het hart dier leer zèlf verder gegaan. Wat onderscheidde hem van Kant? Deze, die voor het oudere dogmatische standpunt van Wolff zijn criticisme in de plaats had gesteld, had, door gebrek aan scherpheid enduidelijkheidgeen misverstand buitengesloten en was zoo—zij het onwillens—vader geworden eener nieuwe dogmatische school, die zwoer bij de letter van Kant. Kant had, door scherpe onderscheidingen en indeelingen, wel bouwstoffen geleverd voor een systeem, maar er zelf geen gebouwd; hij had niet aangewezen, hoe alles uit één beginsel ontsprong. Hij had, in onze kennisvormeninhoudonderscheidend, niet aangewezen, van waar die inhoud dan kwam.Hij had, zuivere en practische rede elk haar eigen gebied aanwijzend, nagelaten, om aan te toonen, hoe die beide tot één punt waren terug te voeren. Fichte ziet zich dus zijn taak alzóó gesteld:Eenstelselte ontwerpen, dat alles uitéén beginselafleidend, de zuivere en de practische rede, de verschillende onderscheidingen van Kant, erkent, maarden laatsten oorsprongzoekt van de door Kant gegeven vormen en formules en dus nog dieper in ons zijn afdaalt.Welk beginsel neemt Fichte daarvoor aan?Tweeërlei is mogelijk.Men kan zeggen: onze bewustzijnsinhoud is afspiegeling eener buiten bewuste werkelijkheid en de dingen veroorzaken die afbeelding. Dit is het dogmatische of realistische standpunt.En men kan zeggen:Wij maken de dingen in zooverre wij eerst kunnen zeggen, dat een ding er slechts daardoor is, dat het in het bewustzijn wordt voortgebracht. Dit is hetabsoluut idealisme.Welke van de twee beschouwingswijzen men zal aanhangen, hangt er van af, wat voor een mensch men is. Dit is niet iets, dat op verstandelijke redeneering berust en dat men aan een ander kan bewijzen. Het is eendaad, eenwilsuiting. Fichte, de man met den krachtigen wil, koos de laatste. Trouwens, meent hij, pleiten er ook meer gronden voor het absoluut idealisme. Het realisme toch moet in gebreke blijven, aan te toonen, hoe uit het zijn, voorstellingen ontstaan: het kan dit niet. Het bewustzijn daarentegen is zijn en wel-bewùst zijn: het omvat dus èn voorstellen èn zijn en derhalve kan het zijn wel uit ’t bewustzijn worden verklaard.Het eerste beginsel nu vanwaar Fichte uitgaat is:het ik zet zich zelf. Nooit kunnen we ons iets denken, of wij moeten er ons zelven bij denken. “Denk den muur en denk nu, die den muur denkt.”Dat zichzelf stellen van het ik is een daad, eenhandeling. Maar—het ik wordt zich eerst bewust, dat het ik is, als het zich een niet-ik tegenover het ik denkt. De tweede grondstelling is dus deze: In het ik zet het ik een niet-ik tegenover zich. Deze beide stellingen, these en antithese, worden nu in een derde stelling (synthese) vereenigd:“In het ik zet het ik een deelbaar niet-ik tegenover een deelbaar ik.”Het ik en niet-ik perken elkaar “in.”Waarom deelbaar? Het ik wordt bepaald, bepaald door het niet-ik, ondergaat, lijdt daarvan den invloed en verhoudt zich in zooverre passief. Dit is de grondslag der theoretische filosofie.Maar het ik zet zich ook bepalend, beperkend tegenover het niet-ik. Dit is de grondslag der practische filosofie en wij zullen zien, hoe Fichte, die de activiteit den voorrang toekende in zijn leer ook aan de practische filosofie het primaat moest geven.In deze drie stellingen nu zijn de grondslagen gegeven voor alle verdere wijsbegeerte. “Geen enkele filosofie komt boven deze kennis uit, maar elke grondige filosofie behoort tot haar terug te keeren.”Wordt het ik zichzelf nu dadelijk bewust, dat het zich zelven stelt? Neen. Daarvoor moet zijn werkzaamheid verschillende graden doorloopen. Het begint met1. eengewaarwordingte hebben (bijv. van rood, geur);2. komt tot deaanschouwing, dat die gewaarwording buiten het bewustzijn bestaat,3. vormt in tijd en ruimte eenbeeld(bijv. roos) van het aanschouwde,4. brengt dat beeld onder een begrip, een kategorie, en daardoor tot staan. Er is nu eenvoorwerpontstaan, dat aangezien wordt voor de oorzaak der aanschouwing. (Nu weet ik het dus, dat er een roos is, een object, dat als oorzaak der aanschouwing is aan te merken).5. Deoordeelskrachtis het vermogen, om nu een bepaalden inhoud alleen te beschouwen (bijv. de kleur) of iets weg te denken (bijv. den geur, of de grootte).6. Het hoogste stadium, derede, stelt ons in staat, om van alle voorwerpen af te zien, behalve van ons eigen ik. Op dit hoogtepunt vindt het ik zichzelf.Maar nu kan ook gevraagd worden:hoe komt het ik er bij, om zich door een niet-ik te beperken. Dat het dit doet, weet het.Dàthet ik dus de grond van allen bewustzijnsinhoud is, weet het, maarwaaromdat niet-ik gesteld?Die vraag kan in de theoretische filosofie niet beantwoord worden. Zeker, was er geen niet-ik, dan zouden wij ook niet tot bewustheid komen van ons ik. Het ik wordt door het niet-ik in zichzelf teruggedreven. Maar dat er dan geen bewustzijn, geen wereld zou zijn, is geen verklaring, waarom het ik zichzelf beperkt, inperkt door het niet-ik.Wij moetenhandelen, dat is ons wezen. En wij kunnen niet handelen als er niets is, waarop onze kracht zich kan richten. Er moet een voorwerp zijn, dat die handeling ondergaat, een tegenstand, die overwonnen wordt, een hinderpaal, die men uit den weg ruimt. Daaróm is het niet-ik: om de mogelijkheid tot handelen te schenken. Het ik heeft theoretisch tegenover zichzelf het niet-ik geplaatst, om practisch te kunnen zijn. En ziehier nu onze opgave! De tegenover ons staande wereld moet zoodanig onzen invloed ondervinden, dat in haar de werkzaamheid van het ik zichtbaar worde.Er zijn vele iks, allemaal uitvloeiselen van het eene, absolute Ik: (de Godheid, zegt Fichte in zijn latere geschriften.) Waarom heeft deze zich gespleten in de afzonderlijke individuën? Alleen ook hierom, dat een individu slechts handelen kan, bewustzijn en zedelijkheid hebben. Het bizondere ik moet er naar streven, absoluut te worden, en dus de natuur te overwinnen.§ 15a.Practische filosofie.Zedeleer.Elke mensch handelt, streeft, begeert. Richt zich dat handelen op voorwerpen, zoekt het genot, dan maakt het zich afhankelijk. De mensch volgt zijnnatuurdrift. Op deze dient echter een hooger stadium te volgen. De mensch moetkomen tot handelen om der wille van het handelen, hij moetvrijzijn. Streeft hij hier niet naar, blijft hij bij het zinnelijk genieten, dan doet hij verkeerd. Deluiheidis het radicaal kwade. In zijn streven naar de vrijheid staat de mensch nooit stil. Elk bereikt punt is weer uitgangspunt voor een verdere tocht. De zedewet is nu deze, dat elke verrichte daad op den weg ligt, die naar de vrijheid loopt. Ieder afzonderlijke daad moet in eene rij liggen, die mij naar de geheele geestelijke vrijheid voert. Nu kan een ingevolge de natuurdrift ontstane handeling best in die rij liggen. Het komt op een juist evenwicht aan tusschen natuur- en vrijheidsdrift. Ontstaat dat evenwicht, dan heb ik een aangenaam gevoel, sentiment van zelfachting, en het vermogen, dit te gevoelen, isgeweten. Het is dus onze taak, onzen plicht te doen, naar onsgewetente handelen; ieder in zijn ambt en staat.Groote beteekenis voor den vooruitgang van het zedelijk leven kent Fichte toe aan “deugdgenieën”, in wie de drift naar vrijheid zeer sterk was, en die zich ver boven het lagere, zinnelijke verheffen. Deze genieën werken als voorbeelden, de met hen omgaanden beschouwen de kracht, die van hen uitgaat, als een wonder. Zij worden dan ook dikwijls de godsdienststichters.Eveneens komt groote waarde toe aan den omgang van menschen met menschen. Alle individuen te zamen hebben slechts één taak: de verwerkelijking vanhetik. Daartoe kan elke mensch slechts door den arbeid van zijn eigen persoonlijkheid bijdragen en daarom—niet als doel maar als middel—bekomt de persoonlijkheid waarde. Tegelijkertijd echter waardeer ik de ethische werkzaamheid van anderen—zij zijn met mij voor hetzelfde werkzaam. Zoo sta ik nietalleen in dienst van de verwerkelijking der Idee, van het ik: er is, om een kerkelijke term te gebruiken, “een gemeenschap der heiligen.”Rechtsleer.De zedelijkheid wordt door Fichte onderscheiden van hetrecht. Dit heeft betrekking op de uiterlijke verhoudingen der menschen en wordt ook weer uit één beginsel afgeleid. De mensch stelt zichzelf als vrij. Maar tevens moet hij waarnemen, dat er ook menschen zijn, die dit eveneens doen. In hunne vrijheid vindt zijn vrijheid haar grens.Zoo is de algemeene rechtsregel:“Beperk uw vrijheid zoodanig, dat naast u anderen ook vrij kunnen zijn.”In het begrip der persoonlijkheid liggen de “oerrechten”1van persoonlijke (lijfs-)vrijheid, zekerheid van leven en eigendom.Wanneer nu een ander mijne rechten niet eerbiedigt, moet ik hem dwingen. Er is dusdwangrecht. Maar om dit in ’t werk te kunnen stellen, moet er eenstaatsrechtzijn. Dit eischt, dat de burgers elkaar wederkeerig hunne vrijheid waarborgen, hunne rechten wederkeerig erkennen, dat er een wetgevende macht is die den wil der gemeenschap tot wet maakt en een uitvoerende, die voor de toepassing zorgt.Huwelijk.In een aanhangsel van het “Natuurrecht” behandelt Fichte het huwelijk, dat door hem zeer hoog wordt gesteld. De man moet zich de groote liefde der vrouw, die zonder rest in zijn leven moet opgaan, waardig maken en betoonen. Voor de ongehuwde vrouw moeten alle beroepenopenstaan, verantwoordelijke staatsambten uitgesloten.Staat.Fichte verlangt van den staat, dat hij het recht zal verwerkelijken. Hij eischt een regeeringsvorm, waarin de volkssouvereiniteit gehuldigd wordt, neemt ook geen recht op revolutie aan, maar wil opzichters (ephoren) die zelf niet wetgevend of besturend, het recht zullen hebben, den vorst te ontzetten. Oorspronkelijk ziet Fichte in den staat slechts een organisatie, die het recht verzekert, en dus het dwangrecht in beweging zet. Maar hij erkent ook, dat het de taak van den staat is, om te zorgen, dat iedereigendomheeft enwerkenkan. Een soort socialistischen staat denkt Fichte zich dus, maar toch heeft hij op de ontwikkeling van het moderne socialisme géén invloed gehad: er zijn in z’n socialisme vele reaktionaire elementen.Godsdienst.In zijn latere periode werd Fichte meer door het religieuze vraagstuk geboeid. De man der nimmer rustende werkzaamheid schrijft in 1806 een vroom bespiegelend boekje: “Aanwijzing tot zalig leven.” Was vroeger voor hem het godsbegrip één met de zedelijke wereld-ordening, thans is deze de openbaring van een daar achter liggend absolute, en van dat Absolute is het Ik een beeld. “De Geest (= Het Ik) een beeld Gods, de wereld een beeld des geestes.” Het ware wezen der religie is een allesdoordringende geest van leven, liefde, zaligheid.Geschiedenis.In de Geschiedenis ziet Fichte, evenals in de ontwikkeling van het denken en van het zedelijk leven, een opklimming. Zij geeft ons eerst een stadium te zien van “onschuld,” waarin het zedelijke onbewust uit instinct wordtgedaan. Nu komt het tijdperk der “beginnende zonde,” waarin de wet als een vreemde, dwingende macht verschijnt, die al of niet gehoorzaamd kan worden. Hierop volgt de tijd waarin wij leven: “die dervoleindigde zondigheid,” waarin willekeur en zelfzucht zonder eenige beperking heerschen, waarin men tegen alle gezag en waarheid onverschillig is. Maar deze tijd heeft toch het goede, dat de menschheid leert de boeien van autoriteit af te schudden. Reeds wijzen enkele teekenen op de nieuwe periode der redewetenschap, der “beginnende rechtvaardigmaking,” waarin het enkel ik zich aan de rede die in het geslacht woont, onderwerpt. Hare voltooiïng vindt de geschiedenis in het stadium der “voleindigde rechtvaardigmaking en heiliging,” de tijd der redekunst. De wil van den enkeling is opgeheven in het leven voor het geslacht, alle verhoudingen worden met vrijheid overeenkomstig de rede bepaald.Fichte is een vurig patriot geweest. In zijn toespraken schildert hij met warmte de groote beteekenis der Duitschers. Dezen hebben Luther’s hervorming, Kant’s wijsbegeerte, Pestalozzi’s opvoedkunde voortgebracht. Het Duitsche volk met zijn zin voor vrijheid en zelfstandigheid van geloof, zal vatbaar zijn voor een opvoeding, die, aanwezige kiemen ontwikkelend (geen opvoeding kan in den mensch brengen, wat er niet in is) een geslacht vormt, dat zich groote doeleinden weet voor te stellen en zich daarvoor op te offeren.Tien jaren na zijn dood, toen de reactie hoogtij vierde in Duitschland, werd een herdruk der toespraken verboden!Fichte heeft geen eigenlijke school gesticht, maar toch een enormen invloed uitgeoefend èn op de verdere ontwikkeling der speculatieve wijsbegeerteèn op het geheele gedachtenleven van Duitschland. “Hij was een man van weinige, maar groote gedachten, en ook bij dezen was hij in ’t ontwerpen grooter dan in ’t uitvoeren.“Echter, gesteld op een keerpunt van het algemeene leven zoowel als in een kritieken tijd van zijn eigen volk, vond hij de taak, de geesten wakker te schudden. Met toegewijde trouw heeft hij die taak vervuld. Zijn werk, tegelijk losmakend en bevestigend, zijn arbeid, onbuigzaam, samenhoudend, stalend, steeds de diepten des levens toegewend, hebben onvergetelijke en onvervreemdbare dingen tot stand gebracht.” (Eucken).1Misschien komen hier de “Rechten van den Mensch” uit den tijd der Fransche revolutie om den hoek.↑
HOOFDSTUK V.Fichte.
§ 14.Leven en Werken.Leven.De eerste der groote denkers uit dit tijdvak is Johan Gottlieb Fichte, als zoon van arme ouders den 19 Mei 1762 te Rammenau in Silezië geboren; tengevolge van zijn talent om preeken te onthouden, door een rijk grondbezitter ontdekt; door dezen in staat gesteld te studeeren, en zoo student in Jena en Leipzig geworden. Uit moeilijke geldelijke omstandigheden geraakt hij, door huisonderwijzer te Zurich te worden. Hier maakt hij kennis met Pestalozzi, den genialen vader der 19de-eeuwsche opvoeding en vindt er in de nicht van den dichter Klopstock zijn aanstaande vrouw, wier vermogen het hem later mogelijk maakte een eigen haard te stichten. Van Zurich, waar zijn positie moeilijkheden meebracht—hij hield de ouden elke week de door hen begane opvoedkundige fouten onder de oogen!—vertrok hij naar Jena, waar hij kennis maakte met Kant’s wijsbegeerte. Wat in vroegeren tijd de lezing van Descartes werken voor velen was, dat was die vanKant’s boeken voor ettelijken in deze jaren: een openbaring. In geestdrift ontstoken voor de grootsche gedachten van den Koningsberger, tracht Fichte hem—hij was op reis naar Warschau, waar hij huisonderwijzer hoopte te worden—te spreken en geeft als aanbeveling een in vijf weken ontworpen geschrift: “Proeve eener critiek van alle openbaring”. Het geschrift en zijn schrijver bevielen Kant. Deze zorgde voor een uitgever. Door een vergissing (of uit list?) liet de laatste den naam des auteurs weg, en het publiek dat juist in dien tijd Kant’s godsdienstwijsbegeerte vol spanning verwachtte, zag het boekje voor Kant’s werk aan. Toen de maker bekend was, was Fichte in één slag een beroemd man. Weldra is hij als opvolger van den naar Kiel vertrokken Reinhold professor te Jena. Hier krijgt hij moeite met de geestelijkheid wegens Zondagsvoordrachten met de studenten, wier ruwe corpsmanieren hij trachtte te verzachten. In 1799 wordt hij wegens een tijdschriftartikel door de Saksische regeering bij die van Weimar van atheïsme beschuldigd. Heftig antwoordt Fichte. Hij dreigt, indien hij in ’t ongelijk gesteld wordt, met ontslag. Dat wordt hem nu, zelfs met Goethe’s toestemming, gegeven. Naar Berlijn vertrokken, vindt hij daar wélkom onthaal in den kring van bekende figuren uit de romantiek: de gebroeders Schlegel, Tieck, Schleiermacher. Hier houdt hij in 1808 zijn gloeiende toespraken tot de Duitsche natie, waarin hij wederopleving van het Duitsche land door opvoeding predikte. In 1810 wordt hij hoogleeraar aan de te Berlijn opgerichte Universiteit. Zijn plan, om als veldprediker mee te gaan in den veldtocht van 1813 geeft hij op. Toch wordt hij slachtoffer van den oorlog: zijn vrouw verpleegt gewonden, hij wordt met koorts besmet en sterft in 1814.Fichte was een schoone, indrukwekkende, rusteloos werkende persoonlijkheid, van groote welsprekendheid en in sommige zijner werken van schitterenden stijl. Aan den indruk zijner machtige persoonlijkheid onttrok schier niemand zich. Zijn gesternte overstraalde door zijn licht het schijnsel van mannen als Maimon, Beck, Reinhold en anderen; het schitterde naast dat van Kant met onverflauwden gloed.Werken.Fichte’swerkenzijn niet alle van denzelfden aard. Sommige zijn meer in drogen, scholastieken vorm, andere in vurige taal. Na zijn verhuizing naar Berlijn onderging hij andere invloeden, hij zag méér van de wereld, stelde grooter belang in het politieke leven van die dagen, in den gang der wereldgeschiedenis. Men heeft dan ook wel willen beweren, dat er eigenlijk twee filosofieën van Fichte zijn, die uit zijn eerste en die uit zijn tweede periode. Ongetwijfeld treedt in zijn latere levensjaren de belangstelling voor godsdienstige en praktisch-wijsgeerige vraagstukken meer op den voorgrond. Vorschers van den eersten rang (Kuno Fischer, Falckenberg) meenen echter in zijn leer wel een ontwikkelingsgangte ontdekken, maar geen totalen omkeer.In 1794 verscheen de “Grondslag der geheele wetenschapsleer.” In 1797 gaf hij daar nog “Inleidingen” op en in 1800 verscheen: “De Bestemming des menschen.” Verder zijn te noemen: “De Grondslag van het Natuurrecht naar de beginselen der W.-L.” (1796) en de Zedeleer naar dezelfde beginselen (1798).Als eerste lectuur wordt aanbevolen: (de meeste werken in Reclams goedkoope uitgaven) “De toespraken tot de Duitsche natie,” “De bestemming van den mensch,” “Systeem der Zedenleer” en “Feiten van het Bewustzijn” (1811).§ 15.Theoretische filosofie.Fichte is een zelfstandige leerling van Kant. Hij heeft niet diens leer nagepraat, gepopulariseerd of in onderdeelen gewijzigd. Hij is van uit het hart dier leer zèlf verder gegaan. Wat onderscheidde hem van Kant? Deze, die voor het oudere dogmatische standpunt van Wolff zijn criticisme in de plaats had gesteld, had, door gebrek aan scherpheid enduidelijkheidgeen misverstand buitengesloten en was zoo—zij het onwillens—vader geworden eener nieuwe dogmatische school, die zwoer bij de letter van Kant. Kant had, door scherpe onderscheidingen en indeelingen, wel bouwstoffen geleverd voor een systeem, maar er zelf geen gebouwd; hij had niet aangewezen, hoe alles uit één beginsel ontsprong. Hij had, in onze kennisvormeninhoudonderscheidend, niet aangewezen, van waar die inhoud dan kwam.Hij had, zuivere en practische rede elk haar eigen gebied aanwijzend, nagelaten, om aan te toonen, hoe die beide tot één punt waren terug te voeren. Fichte ziet zich dus zijn taak alzóó gesteld:Eenstelselte ontwerpen, dat alles uitéén beginselafleidend, de zuivere en de practische rede, de verschillende onderscheidingen van Kant, erkent, maarden laatsten oorsprongzoekt van de door Kant gegeven vormen en formules en dus nog dieper in ons zijn afdaalt.Welk beginsel neemt Fichte daarvoor aan?Tweeërlei is mogelijk.Men kan zeggen: onze bewustzijnsinhoud is afspiegeling eener buiten bewuste werkelijkheid en de dingen veroorzaken die afbeelding. Dit is het dogmatische of realistische standpunt.En men kan zeggen:Wij maken de dingen in zooverre wij eerst kunnen zeggen, dat een ding er slechts daardoor is, dat het in het bewustzijn wordt voortgebracht. Dit is hetabsoluut idealisme.Welke van de twee beschouwingswijzen men zal aanhangen, hangt er van af, wat voor een mensch men is. Dit is niet iets, dat op verstandelijke redeneering berust en dat men aan een ander kan bewijzen. Het is eendaad, eenwilsuiting. Fichte, de man met den krachtigen wil, koos de laatste. Trouwens, meent hij, pleiten er ook meer gronden voor het absoluut idealisme. Het realisme toch moet in gebreke blijven, aan te toonen, hoe uit het zijn, voorstellingen ontstaan: het kan dit niet. Het bewustzijn daarentegen is zijn en wel-bewùst zijn: het omvat dus èn voorstellen èn zijn en derhalve kan het zijn wel uit ’t bewustzijn worden verklaard.Het eerste beginsel nu vanwaar Fichte uitgaat is:het ik zet zich zelf. Nooit kunnen we ons iets denken, of wij moeten er ons zelven bij denken. “Denk den muur en denk nu, die den muur denkt.”Dat zichzelf stellen van het ik is een daad, eenhandeling. Maar—het ik wordt zich eerst bewust, dat het ik is, als het zich een niet-ik tegenover het ik denkt. De tweede grondstelling is dus deze: In het ik zet het ik een niet-ik tegenover zich. Deze beide stellingen, these en antithese, worden nu in een derde stelling (synthese) vereenigd:“In het ik zet het ik een deelbaar niet-ik tegenover een deelbaar ik.”Het ik en niet-ik perken elkaar “in.”Waarom deelbaar? Het ik wordt bepaald, bepaald door het niet-ik, ondergaat, lijdt daarvan den invloed en verhoudt zich in zooverre passief. Dit is de grondslag der theoretische filosofie.Maar het ik zet zich ook bepalend, beperkend tegenover het niet-ik. Dit is de grondslag der practische filosofie en wij zullen zien, hoe Fichte, die de activiteit den voorrang toekende in zijn leer ook aan de practische filosofie het primaat moest geven.In deze drie stellingen nu zijn de grondslagen gegeven voor alle verdere wijsbegeerte. “Geen enkele filosofie komt boven deze kennis uit, maar elke grondige filosofie behoort tot haar terug te keeren.”Wordt het ik zichzelf nu dadelijk bewust, dat het zich zelven stelt? Neen. Daarvoor moet zijn werkzaamheid verschillende graden doorloopen. Het begint met1. eengewaarwordingte hebben (bijv. van rood, geur);2. komt tot deaanschouwing, dat die gewaarwording buiten het bewustzijn bestaat,3. vormt in tijd en ruimte eenbeeld(bijv. roos) van het aanschouwde,4. brengt dat beeld onder een begrip, een kategorie, en daardoor tot staan. Er is nu eenvoorwerpontstaan, dat aangezien wordt voor de oorzaak der aanschouwing. (Nu weet ik het dus, dat er een roos is, een object, dat als oorzaak der aanschouwing is aan te merken).5. Deoordeelskrachtis het vermogen, om nu een bepaalden inhoud alleen te beschouwen (bijv. de kleur) of iets weg te denken (bijv. den geur, of de grootte).6. Het hoogste stadium, derede, stelt ons in staat, om van alle voorwerpen af te zien, behalve van ons eigen ik. Op dit hoogtepunt vindt het ik zichzelf.Maar nu kan ook gevraagd worden:hoe komt het ik er bij, om zich door een niet-ik te beperken. Dat het dit doet, weet het.Dàthet ik dus de grond van allen bewustzijnsinhoud is, weet het, maarwaaromdat niet-ik gesteld?Die vraag kan in de theoretische filosofie niet beantwoord worden. Zeker, was er geen niet-ik, dan zouden wij ook niet tot bewustheid komen van ons ik. Het ik wordt door het niet-ik in zichzelf teruggedreven. Maar dat er dan geen bewustzijn, geen wereld zou zijn, is geen verklaring, waarom het ik zichzelf beperkt, inperkt door het niet-ik.Wij moetenhandelen, dat is ons wezen. En wij kunnen niet handelen als er niets is, waarop onze kracht zich kan richten. Er moet een voorwerp zijn, dat die handeling ondergaat, een tegenstand, die overwonnen wordt, een hinderpaal, die men uit den weg ruimt. Daaróm is het niet-ik: om de mogelijkheid tot handelen te schenken. Het ik heeft theoretisch tegenover zichzelf het niet-ik geplaatst, om practisch te kunnen zijn. En ziehier nu onze opgave! De tegenover ons staande wereld moet zoodanig onzen invloed ondervinden, dat in haar de werkzaamheid van het ik zichtbaar worde.Er zijn vele iks, allemaal uitvloeiselen van het eene, absolute Ik: (de Godheid, zegt Fichte in zijn latere geschriften.) Waarom heeft deze zich gespleten in de afzonderlijke individuën? Alleen ook hierom, dat een individu slechts handelen kan, bewustzijn en zedelijkheid hebben. Het bizondere ik moet er naar streven, absoluut te worden, en dus de natuur te overwinnen.§ 15a.Practische filosofie.Zedeleer.Elke mensch handelt, streeft, begeert. Richt zich dat handelen op voorwerpen, zoekt het genot, dan maakt het zich afhankelijk. De mensch volgt zijnnatuurdrift. Op deze dient echter een hooger stadium te volgen. De mensch moetkomen tot handelen om der wille van het handelen, hij moetvrijzijn. Streeft hij hier niet naar, blijft hij bij het zinnelijk genieten, dan doet hij verkeerd. Deluiheidis het radicaal kwade. In zijn streven naar de vrijheid staat de mensch nooit stil. Elk bereikt punt is weer uitgangspunt voor een verdere tocht. De zedewet is nu deze, dat elke verrichte daad op den weg ligt, die naar de vrijheid loopt. Ieder afzonderlijke daad moet in eene rij liggen, die mij naar de geheele geestelijke vrijheid voert. Nu kan een ingevolge de natuurdrift ontstane handeling best in die rij liggen. Het komt op een juist evenwicht aan tusschen natuur- en vrijheidsdrift. Ontstaat dat evenwicht, dan heb ik een aangenaam gevoel, sentiment van zelfachting, en het vermogen, dit te gevoelen, isgeweten. Het is dus onze taak, onzen plicht te doen, naar onsgewetente handelen; ieder in zijn ambt en staat.Groote beteekenis voor den vooruitgang van het zedelijk leven kent Fichte toe aan “deugdgenieën”, in wie de drift naar vrijheid zeer sterk was, en die zich ver boven het lagere, zinnelijke verheffen. Deze genieën werken als voorbeelden, de met hen omgaanden beschouwen de kracht, die van hen uitgaat, als een wonder. Zij worden dan ook dikwijls de godsdienststichters.Eveneens komt groote waarde toe aan den omgang van menschen met menschen. Alle individuen te zamen hebben slechts één taak: de verwerkelijking vanhetik. Daartoe kan elke mensch slechts door den arbeid van zijn eigen persoonlijkheid bijdragen en daarom—niet als doel maar als middel—bekomt de persoonlijkheid waarde. Tegelijkertijd echter waardeer ik de ethische werkzaamheid van anderen—zij zijn met mij voor hetzelfde werkzaam. Zoo sta ik nietalleen in dienst van de verwerkelijking der Idee, van het ik: er is, om een kerkelijke term te gebruiken, “een gemeenschap der heiligen.”Rechtsleer.De zedelijkheid wordt door Fichte onderscheiden van hetrecht. Dit heeft betrekking op de uiterlijke verhoudingen der menschen en wordt ook weer uit één beginsel afgeleid. De mensch stelt zichzelf als vrij. Maar tevens moet hij waarnemen, dat er ook menschen zijn, die dit eveneens doen. In hunne vrijheid vindt zijn vrijheid haar grens.Zoo is de algemeene rechtsregel:“Beperk uw vrijheid zoodanig, dat naast u anderen ook vrij kunnen zijn.”In het begrip der persoonlijkheid liggen de “oerrechten”1van persoonlijke (lijfs-)vrijheid, zekerheid van leven en eigendom.Wanneer nu een ander mijne rechten niet eerbiedigt, moet ik hem dwingen. Er is dusdwangrecht. Maar om dit in ’t werk te kunnen stellen, moet er eenstaatsrechtzijn. Dit eischt, dat de burgers elkaar wederkeerig hunne vrijheid waarborgen, hunne rechten wederkeerig erkennen, dat er een wetgevende macht is die den wil der gemeenschap tot wet maakt en een uitvoerende, die voor de toepassing zorgt.Huwelijk.In een aanhangsel van het “Natuurrecht” behandelt Fichte het huwelijk, dat door hem zeer hoog wordt gesteld. De man moet zich de groote liefde der vrouw, die zonder rest in zijn leven moet opgaan, waardig maken en betoonen. Voor de ongehuwde vrouw moeten alle beroepenopenstaan, verantwoordelijke staatsambten uitgesloten.Staat.Fichte verlangt van den staat, dat hij het recht zal verwerkelijken. Hij eischt een regeeringsvorm, waarin de volkssouvereiniteit gehuldigd wordt, neemt ook geen recht op revolutie aan, maar wil opzichters (ephoren) die zelf niet wetgevend of besturend, het recht zullen hebben, den vorst te ontzetten. Oorspronkelijk ziet Fichte in den staat slechts een organisatie, die het recht verzekert, en dus het dwangrecht in beweging zet. Maar hij erkent ook, dat het de taak van den staat is, om te zorgen, dat iedereigendomheeft enwerkenkan. Een soort socialistischen staat denkt Fichte zich dus, maar toch heeft hij op de ontwikkeling van het moderne socialisme géén invloed gehad: er zijn in z’n socialisme vele reaktionaire elementen.Godsdienst.In zijn latere periode werd Fichte meer door het religieuze vraagstuk geboeid. De man der nimmer rustende werkzaamheid schrijft in 1806 een vroom bespiegelend boekje: “Aanwijzing tot zalig leven.” Was vroeger voor hem het godsbegrip één met de zedelijke wereld-ordening, thans is deze de openbaring van een daar achter liggend absolute, en van dat Absolute is het Ik een beeld. “De Geest (= Het Ik) een beeld Gods, de wereld een beeld des geestes.” Het ware wezen der religie is een allesdoordringende geest van leven, liefde, zaligheid.Geschiedenis.In de Geschiedenis ziet Fichte, evenals in de ontwikkeling van het denken en van het zedelijk leven, een opklimming. Zij geeft ons eerst een stadium te zien van “onschuld,” waarin het zedelijke onbewust uit instinct wordtgedaan. Nu komt het tijdperk der “beginnende zonde,” waarin de wet als een vreemde, dwingende macht verschijnt, die al of niet gehoorzaamd kan worden. Hierop volgt de tijd waarin wij leven: “die dervoleindigde zondigheid,” waarin willekeur en zelfzucht zonder eenige beperking heerschen, waarin men tegen alle gezag en waarheid onverschillig is. Maar deze tijd heeft toch het goede, dat de menschheid leert de boeien van autoriteit af te schudden. Reeds wijzen enkele teekenen op de nieuwe periode der redewetenschap, der “beginnende rechtvaardigmaking,” waarin het enkel ik zich aan de rede die in het geslacht woont, onderwerpt. Hare voltooiïng vindt de geschiedenis in het stadium der “voleindigde rechtvaardigmaking en heiliging,” de tijd der redekunst. De wil van den enkeling is opgeheven in het leven voor het geslacht, alle verhoudingen worden met vrijheid overeenkomstig de rede bepaald.Fichte is een vurig patriot geweest. In zijn toespraken schildert hij met warmte de groote beteekenis der Duitschers. Dezen hebben Luther’s hervorming, Kant’s wijsbegeerte, Pestalozzi’s opvoedkunde voortgebracht. Het Duitsche volk met zijn zin voor vrijheid en zelfstandigheid van geloof, zal vatbaar zijn voor een opvoeding, die, aanwezige kiemen ontwikkelend (geen opvoeding kan in den mensch brengen, wat er niet in is) een geslacht vormt, dat zich groote doeleinden weet voor te stellen en zich daarvoor op te offeren.Tien jaren na zijn dood, toen de reactie hoogtij vierde in Duitschland, werd een herdruk der toespraken verboden!Fichte heeft geen eigenlijke school gesticht, maar toch een enormen invloed uitgeoefend èn op de verdere ontwikkeling der speculatieve wijsbegeerteèn op het geheele gedachtenleven van Duitschland. “Hij was een man van weinige, maar groote gedachten, en ook bij dezen was hij in ’t ontwerpen grooter dan in ’t uitvoeren.“Echter, gesteld op een keerpunt van het algemeene leven zoowel als in een kritieken tijd van zijn eigen volk, vond hij de taak, de geesten wakker te schudden. Met toegewijde trouw heeft hij die taak vervuld. Zijn werk, tegelijk losmakend en bevestigend, zijn arbeid, onbuigzaam, samenhoudend, stalend, steeds de diepten des levens toegewend, hebben onvergetelijke en onvervreemdbare dingen tot stand gebracht.” (Eucken).
§ 14.Leven en Werken.Leven.De eerste der groote denkers uit dit tijdvak is Johan Gottlieb Fichte, als zoon van arme ouders den 19 Mei 1762 te Rammenau in Silezië geboren; tengevolge van zijn talent om preeken te onthouden, door een rijk grondbezitter ontdekt; door dezen in staat gesteld te studeeren, en zoo student in Jena en Leipzig geworden. Uit moeilijke geldelijke omstandigheden geraakt hij, door huisonderwijzer te Zurich te worden. Hier maakt hij kennis met Pestalozzi, den genialen vader der 19de-eeuwsche opvoeding en vindt er in de nicht van den dichter Klopstock zijn aanstaande vrouw, wier vermogen het hem later mogelijk maakte een eigen haard te stichten. Van Zurich, waar zijn positie moeilijkheden meebracht—hij hield de ouden elke week de door hen begane opvoedkundige fouten onder de oogen!—vertrok hij naar Jena, waar hij kennis maakte met Kant’s wijsbegeerte. Wat in vroegeren tijd de lezing van Descartes werken voor velen was, dat was die vanKant’s boeken voor ettelijken in deze jaren: een openbaring. In geestdrift ontstoken voor de grootsche gedachten van den Koningsberger, tracht Fichte hem—hij was op reis naar Warschau, waar hij huisonderwijzer hoopte te worden—te spreken en geeft als aanbeveling een in vijf weken ontworpen geschrift: “Proeve eener critiek van alle openbaring”. Het geschrift en zijn schrijver bevielen Kant. Deze zorgde voor een uitgever. Door een vergissing (of uit list?) liet de laatste den naam des auteurs weg, en het publiek dat juist in dien tijd Kant’s godsdienstwijsbegeerte vol spanning verwachtte, zag het boekje voor Kant’s werk aan. Toen de maker bekend was, was Fichte in één slag een beroemd man. Weldra is hij als opvolger van den naar Kiel vertrokken Reinhold professor te Jena. Hier krijgt hij moeite met de geestelijkheid wegens Zondagsvoordrachten met de studenten, wier ruwe corpsmanieren hij trachtte te verzachten. In 1799 wordt hij wegens een tijdschriftartikel door de Saksische regeering bij die van Weimar van atheïsme beschuldigd. Heftig antwoordt Fichte. Hij dreigt, indien hij in ’t ongelijk gesteld wordt, met ontslag. Dat wordt hem nu, zelfs met Goethe’s toestemming, gegeven. Naar Berlijn vertrokken, vindt hij daar wélkom onthaal in den kring van bekende figuren uit de romantiek: de gebroeders Schlegel, Tieck, Schleiermacher. Hier houdt hij in 1808 zijn gloeiende toespraken tot de Duitsche natie, waarin hij wederopleving van het Duitsche land door opvoeding predikte. In 1810 wordt hij hoogleeraar aan de te Berlijn opgerichte Universiteit. Zijn plan, om als veldprediker mee te gaan in den veldtocht van 1813 geeft hij op. Toch wordt hij slachtoffer van den oorlog: zijn vrouw verpleegt gewonden, hij wordt met koorts besmet en sterft in 1814.Fichte was een schoone, indrukwekkende, rusteloos werkende persoonlijkheid, van groote welsprekendheid en in sommige zijner werken van schitterenden stijl. Aan den indruk zijner machtige persoonlijkheid onttrok schier niemand zich. Zijn gesternte overstraalde door zijn licht het schijnsel van mannen als Maimon, Beck, Reinhold en anderen; het schitterde naast dat van Kant met onverflauwden gloed.Werken.Fichte’swerkenzijn niet alle van denzelfden aard. Sommige zijn meer in drogen, scholastieken vorm, andere in vurige taal. Na zijn verhuizing naar Berlijn onderging hij andere invloeden, hij zag méér van de wereld, stelde grooter belang in het politieke leven van die dagen, in den gang der wereldgeschiedenis. Men heeft dan ook wel willen beweren, dat er eigenlijk twee filosofieën van Fichte zijn, die uit zijn eerste en die uit zijn tweede periode. Ongetwijfeld treedt in zijn latere levensjaren de belangstelling voor godsdienstige en praktisch-wijsgeerige vraagstukken meer op den voorgrond. Vorschers van den eersten rang (Kuno Fischer, Falckenberg) meenen echter in zijn leer wel een ontwikkelingsgangte ontdekken, maar geen totalen omkeer.In 1794 verscheen de “Grondslag der geheele wetenschapsleer.” In 1797 gaf hij daar nog “Inleidingen” op en in 1800 verscheen: “De Bestemming des menschen.” Verder zijn te noemen: “De Grondslag van het Natuurrecht naar de beginselen der W.-L.” (1796) en de Zedeleer naar dezelfde beginselen (1798).Als eerste lectuur wordt aanbevolen: (de meeste werken in Reclams goedkoope uitgaven) “De toespraken tot de Duitsche natie,” “De bestemming van den mensch,” “Systeem der Zedenleer” en “Feiten van het Bewustzijn” (1811).
§ 14.Leven en Werken.
Leven.De eerste der groote denkers uit dit tijdvak is Johan Gottlieb Fichte, als zoon van arme ouders den 19 Mei 1762 te Rammenau in Silezië geboren; tengevolge van zijn talent om preeken te onthouden, door een rijk grondbezitter ontdekt; door dezen in staat gesteld te studeeren, en zoo student in Jena en Leipzig geworden. Uit moeilijke geldelijke omstandigheden geraakt hij, door huisonderwijzer te Zurich te worden. Hier maakt hij kennis met Pestalozzi, den genialen vader der 19de-eeuwsche opvoeding en vindt er in de nicht van den dichter Klopstock zijn aanstaande vrouw, wier vermogen het hem later mogelijk maakte een eigen haard te stichten. Van Zurich, waar zijn positie moeilijkheden meebracht—hij hield de ouden elke week de door hen begane opvoedkundige fouten onder de oogen!—vertrok hij naar Jena, waar hij kennis maakte met Kant’s wijsbegeerte. Wat in vroegeren tijd de lezing van Descartes werken voor velen was, dat was die vanKant’s boeken voor ettelijken in deze jaren: een openbaring. In geestdrift ontstoken voor de grootsche gedachten van den Koningsberger, tracht Fichte hem—hij was op reis naar Warschau, waar hij huisonderwijzer hoopte te worden—te spreken en geeft als aanbeveling een in vijf weken ontworpen geschrift: “Proeve eener critiek van alle openbaring”. Het geschrift en zijn schrijver bevielen Kant. Deze zorgde voor een uitgever. Door een vergissing (of uit list?) liet de laatste den naam des auteurs weg, en het publiek dat juist in dien tijd Kant’s godsdienstwijsbegeerte vol spanning verwachtte, zag het boekje voor Kant’s werk aan. Toen de maker bekend was, was Fichte in één slag een beroemd man. Weldra is hij als opvolger van den naar Kiel vertrokken Reinhold professor te Jena. Hier krijgt hij moeite met de geestelijkheid wegens Zondagsvoordrachten met de studenten, wier ruwe corpsmanieren hij trachtte te verzachten. In 1799 wordt hij wegens een tijdschriftartikel door de Saksische regeering bij die van Weimar van atheïsme beschuldigd. Heftig antwoordt Fichte. Hij dreigt, indien hij in ’t ongelijk gesteld wordt, met ontslag. Dat wordt hem nu, zelfs met Goethe’s toestemming, gegeven. Naar Berlijn vertrokken, vindt hij daar wélkom onthaal in den kring van bekende figuren uit de romantiek: de gebroeders Schlegel, Tieck, Schleiermacher. Hier houdt hij in 1808 zijn gloeiende toespraken tot de Duitsche natie, waarin hij wederopleving van het Duitsche land door opvoeding predikte. In 1810 wordt hij hoogleeraar aan de te Berlijn opgerichte Universiteit. Zijn plan, om als veldprediker mee te gaan in den veldtocht van 1813 geeft hij op. Toch wordt hij slachtoffer van den oorlog: zijn vrouw verpleegt gewonden, hij wordt met koorts besmet en sterft in 1814.Fichte was een schoone, indrukwekkende, rusteloos werkende persoonlijkheid, van groote welsprekendheid en in sommige zijner werken van schitterenden stijl. Aan den indruk zijner machtige persoonlijkheid onttrok schier niemand zich. Zijn gesternte overstraalde door zijn licht het schijnsel van mannen als Maimon, Beck, Reinhold en anderen; het schitterde naast dat van Kant met onverflauwden gloed.Werken.Fichte’swerkenzijn niet alle van denzelfden aard. Sommige zijn meer in drogen, scholastieken vorm, andere in vurige taal. Na zijn verhuizing naar Berlijn onderging hij andere invloeden, hij zag méér van de wereld, stelde grooter belang in het politieke leven van die dagen, in den gang der wereldgeschiedenis. Men heeft dan ook wel willen beweren, dat er eigenlijk twee filosofieën van Fichte zijn, die uit zijn eerste en die uit zijn tweede periode. Ongetwijfeld treedt in zijn latere levensjaren de belangstelling voor godsdienstige en praktisch-wijsgeerige vraagstukken meer op den voorgrond. Vorschers van den eersten rang (Kuno Fischer, Falckenberg) meenen echter in zijn leer wel een ontwikkelingsgangte ontdekken, maar geen totalen omkeer.In 1794 verscheen de “Grondslag der geheele wetenschapsleer.” In 1797 gaf hij daar nog “Inleidingen” op en in 1800 verscheen: “De Bestemming des menschen.” Verder zijn te noemen: “De Grondslag van het Natuurrecht naar de beginselen der W.-L.” (1796) en de Zedeleer naar dezelfde beginselen (1798).Als eerste lectuur wordt aanbevolen: (de meeste werken in Reclams goedkoope uitgaven) “De toespraken tot de Duitsche natie,” “De bestemming van den mensch,” “Systeem der Zedenleer” en “Feiten van het Bewustzijn” (1811).
Leven.De eerste der groote denkers uit dit tijdvak is Johan Gottlieb Fichte, als zoon van arme ouders den 19 Mei 1762 te Rammenau in Silezië geboren; tengevolge van zijn talent om preeken te onthouden, door een rijk grondbezitter ontdekt; door dezen in staat gesteld te studeeren, en zoo student in Jena en Leipzig geworden. Uit moeilijke geldelijke omstandigheden geraakt hij, door huisonderwijzer te Zurich te worden. Hier maakt hij kennis met Pestalozzi, den genialen vader der 19de-eeuwsche opvoeding en vindt er in de nicht van den dichter Klopstock zijn aanstaande vrouw, wier vermogen het hem later mogelijk maakte een eigen haard te stichten. Van Zurich, waar zijn positie moeilijkheden meebracht—hij hield de ouden elke week de door hen begane opvoedkundige fouten onder de oogen!—vertrok hij naar Jena, waar hij kennis maakte met Kant’s wijsbegeerte. Wat in vroegeren tijd de lezing van Descartes werken voor velen was, dat was die vanKant’s boeken voor ettelijken in deze jaren: een openbaring. In geestdrift ontstoken voor de grootsche gedachten van den Koningsberger, tracht Fichte hem—hij was op reis naar Warschau, waar hij huisonderwijzer hoopte te worden—te spreken en geeft als aanbeveling een in vijf weken ontworpen geschrift: “Proeve eener critiek van alle openbaring”. Het geschrift en zijn schrijver bevielen Kant. Deze zorgde voor een uitgever. Door een vergissing (of uit list?) liet de laatste den naam des auteurs weg, en het publiek dat juist in dien tijd Kant’s godsdienstwijsbegeerte vol spanning verwachtte, zag het boekje voor Kant’s werk aan. Toen de maker bekend was, was Fichte in één slag een beroemd man. Weldra is hij als opvolger van den naar Kiel vertrokken Reinhold professor te Jena. Hier krijgt hij moeite met de geestelijkheid wegens Zondagsvoordrachten met de studenten, wier ruwe corpsmanieren hij trachtte te verzachten. In 1799 wordt hij wegens een tijdschriftartikel door de Saksische regeering bij die van Weimar van atheïsme beschuldigd. Heftig antwoordt Fichte. Hij dreigt, indien hij in ’t ongelijk gesteld wordt, met ontslag. Dat wordt hem nu, zelfs met Goethe’s toestemming, gegeven. Naar Berlijn vertrokken, vindt hij daar wélkom onthaal in den kring van bekende figuren uit de romantiek: de gebroeders Schlegel, Tieck, Schleiermacher. Hier houdt hij in 1808 zijn gloeiende toespraken tot de Duitsche natie, waarin hij wederopleving van het Duitsche land door opvoeding predikte. In 1810 wordt hij hoogleeraar aan de te Berlijn opgerichte Universiteit. Zijn plan, om als veldprediker mee te gaan in den veldtocht van 1813 geeft hij op. Toch wordt hij slachtoffer van den oorlog: zijn vrouw verpleegt gewonden, hij wordt met koorts besmet en sterft in 1814.Fichte was een schoone, indrukwekkende, rusteloos werkende persoonlijkheid, van groote welsprekendheid en in sommige zijner werken van schitterenden stijl. Aan den indruk zijner machtige persoonlijkheid onttrok schier niemand zich. Zijn gesternte overstraalde door zijn licht het schijnsel van mannen als Maimon, Beck, Reinhold en anderen; het schitterde naast dat van Kant met onverflauwden gloed.
Leven.
De eerste der groote denkers uit dit tijdvak is Johan Gottlieb Fichte, als zoon van arme ouders den 19 Mei 1762 te Rammenau in Silezië geboren; tengevolge van zijn talent om preeken te onthouden, door een rijk grondbezitter ontdekt; door dezen in staat gesteld te studeeren, en zoo student in Jena en Leipzig geworden. Uit moeilijke geldelijke omstandigheden geraakt hij, door huisonderwijzer te Zurich te worden. Hier maakt hij kennis met Pestalozzi, den genialen vader der 19de-eeuwsche opvoeding en vindt er in de nicht van den dichter Klopstock zijn aanstaande vrouw, wier vermogen het hem later mogelijk maakte een eigen haard te stichten. Van Zurich, waar zijn positie moeilijkheden meebracht—hij hield de ouden elke week de door hen begane opvoedkundige fouten onder de oogen!—vertrok hij naar Jena, waar hij kennis maakte met Kant’s wijsbegeerte. Wat in vroegeren tijd de lezing van Descartes werken voor velen was, dat was die vanKant’s boeken voor ettelijken in deze jaren: een openbaring. In geestdrift ontstoken voor de grootsche gedachten van den Koningsberger, tracht Fichte hem—hij was op reis naar Warschau, waar hij huisonderwijzer hoopte te worden—te spreken en geeft als aanbeveling een in vijf weken ontworpen geschrift: “Proeve eener critiek van alle openbaring”. Het geschrift en zijn schrijver bevielen Kant. Deze zorgde voor een uitgever. Door een vergissing (of uit list?) liet de laatste den naam des auteurs weg, en het publiek dat juist in dien tijd Kant’s godsdienstwijsbegeerte vol spanning verwachtte, zag het boekje voor Kant’s werk aan. Toen de maker bekend was, was Fichte in één slag een beroemd man. Weldra is hij als opvolger van den naar Kiel vertrokken Reinhold professor te Jena. Hier krijgt hij moeite met de geestelijkheid wegens Zondagsvoordrachten met de studenten, wier ruwe corpsmanieren hij trachtte te verzachten. In 1799 wordt hij wegens een tijdschriftartikel door de Saksische regeering bij die van Weimar van atheïsme beschuldigd. Heftig antwoordt Fichte. Hij dreigt, indien hij in ’t ongelijk gesteld wordt, met ontslag. Dat wordt hem nu, zelfs met Goethe’s toestemming, gegeven. Naar Berlijn vertrokken, vindt hij daar wélkom onthaal in den kring van bekende figuren uit de romantiek: de gebroeders Schlegel, Tieck, Schleiermacher. Hier houdt hij in 1808 zijn gloeiende toespraken tot de Duitsche natie, waarin hij wederopleving van het Duitsche land door opvoeding predikte. In 1810 wordt hij hoogleeraar aan de te Berlijn opgerichte Universiteit. Zijn plan, om als veldprediker mee te gaan in den veldtocht van 1813 geeft hij op. Toch wordt hij slachtoffer van den oorlog: zijn vrouw verpleegt gewonden, hij wordt met koorts besmet en sterft in 1814.Fichte was een schoone, indrukwekkende, rusteloos werkende persoonlijkheid, van groote welsprekendheid en in sommige zijner werken van schitterenden stijl. Aan den indruk zijner machtige persoonlijkheid onttrok schier niemand zich. Zijn gesternte overstraalde door zijn licht het schijnsel van mannen als Maimon, Beck, Reinhold en anderen; het schitterde naast dat van Kant met onverflauwden gloed.
De eerste der groote denkers uit dit tijdvak is Johan Gottlieb Fichte, als zoon van arme ouders den 19 Mei 1762 te Rammenau in Silezië geboren; tengevolge van zijn talent om preeken te onthouden, door een rijk grondbezitter ontdekt; door dezen in staat gesteld te studeeren, en zoo student in Jena en Leipzig geworden. Uit moeilijke geldelijke omstandigheden geraakt hij, door huisonderwijzer te Zurich te worden. Hier maakt hij kennis met Pestalozzi, den genialen vader der 19de-eeuwsche opvoeding en vindt er in de nicht van den dichter Klopstock zijn aanstaande vrouw, wier vermogen het hem later mogelijk maakte een eigen haard te stichten. Van Zurich, waar zijn positie moeilijkheden meebracht—hij hield de ouden elke week de door hen begane opvoedkundige fouten onder de oogen!—vertrok hij naar Jena, waar hij kennis maakte met Kant’s wijsbegeerte. Wat in vroegeren tijd de lezing van Descartes werken voor velen was, dat was die vanKant’s boeken voor ettelijken in deze jaren: een openbaring. In geestdrift ontstoken voor de grootsche gedachten van den Koningsberger, tracht Fichte hem—hij was op reis naar Warschau, waar hij huisonderwijzer hoopte te worden—te spreken en geeft als aanbeveling een in vijf weken ontworpen geschrift: “Proeve eener critiek van alle openbaring”. Het geschrift en zijn schrijver bevielen Kant. Deze zorgde voor een uitgever. Door een vergissing (of uit list?) liet de laatste den naam des auteurs weg, en het publiek dat juist in dien tijd Kant’s godsdienstwijsbegeerte vol spanning verwachtte, zag het boekje voor Kant’s werk aan. Toen de maker bekend was, was Fichte in één slag een beroemd man. Weldra is hij als opvolger van den naar Kiel vertrokken Reinhold professor te Jena. Hier krijgt hij moeite met de geestelijkheid wegens Zondagsvoordrachten met de studenten, wier ruwe corpsmanieren hij trachtte te verzachten. In 1799 wordt hij wegens een tijdschriftartikel door de Saksische regeering bij die van Weimar van atheïsme beschuldigd. Heftig antwoordt Fichte. Hij dreigt, indien hij in ’t ongelijk gesteld wordt, met ontslag. Dat wordt hem nu, zelfs met Goethe’s toestemming, gegeven. Naar Berlijn vertrokken, vindt hij daar wélkom onthaal in den kring van bekende figuren uit de romantiek: de gebroeders Schlegel, Tieck, Schleiermacher. Hier houdt hij in 1808 zijn gloeiende toespraken tot de Duitsche natie, waarin hij wederopleving van het Duitsche land door opvoeding predikte. In 1810 wordt hij hoogleeraar aan de te Berlijn opgerichte Universiteit. Zijn plan, om als veldprediker mee te gaan in den veldtocht van 1813 geeft hij op. Toch wordt hij slachtoffer van den oorlog: zijn vrouw verpleegt gewonden, hij wordt met koorts besmet en sterft in 1814.
Fichte was een schoone, indrukwekkende, rusteloos werkende persoonlijkheid, van groote welsprekendheid en in sommige zijner werken van schitterenden stijl. Aan den indruk zijner machtige persoonlijkheid onttrok schier niemand zich. Zijn gesternte overstraalde door zijn licht het schijnsel van mannen als Maimon, Beck, Reinhold en anderen; het schitterde naast dat van Kant met onverflauwden gloed.
Werken.Fichte’swerkenzijn niet alle van denzelfden aard. Sommige zijn meer in drogen, scholastieken vorm, andere in vurige taal. Na zijn verhuizing naar Berlijn onderging hij andere invloeden, hij zag méér van de wereld, stelde grooter belang in het politieke leven van die dagen, in den gang der wereldgeschiedenis. Men heeft dan ook wel willen beweren, dat er eigenlijk twee filosofieën van Fichte zijn, die uit zijn eerste en die uit zijn tweede periode. Ongetwijfeld treedt in zijn latere levensjaren de belangstelling voor godsdienstige en praktisch-wijsgeerige vraagstukken meer op den voorgrond. Vorschers van den eersten rang (Kuno Fischer, Falckenberg) meenen echter in zijn leer wel een ontwikkelingsgangte ontdekken, maar geen totalen omkeer.In 1794 verscheen de “Grondslag der geheele wetenschapsleer.” In 1797 gaf hij daar nog “Inleidingen” op en in 1800 verscheen: “De Bestemming des menschen.” Verder zijn te noemen: “De Grondslag van het Natuurrecht naar de beginselen der W.-L.” (1796) en de Zedeleer naar dezelfde beginselen (1798).Als eerste lectuur wordt aanbevolen: (de meeste werken in Reclams goedkoope uitgaven) “De toespraken tot de Duitsche natie,” “De bestemming van den mensch,” “Systeem der Zedenleer” en “Feiten van het Bewustzijn” (1811).
Werken.
Fichte’swerkenzijn niet alle van denzelfden aard. Sommige zijn meer in drogen, scholastieken vorm, andere in vurige taal. Na zijn verhuizing naar Berlijn onderging hij andere invloeden, hij zag méér van de wereld, stelde grooter belang in het politieke leven van die dagen, in den gang der wereldgeschiedenis. Men heeft dan ook wel willen beweren, dat er eigenlijk twee filosofieën van Fichte zijn, die uit zijn eerste en die uit zijn tweede periode. Ongetwijfeld treedt in zijn latere levensjaren de belangstelling voor godsdienstige en praktisch-wijsgeerige vraagstukken meer op den voorgrond. Vorschers van den eersten rang (Kuno Fischer, Falckenberg) meenen echter in zijn leer wel een ontwikkelingsgangte ontdekken, maar geen totalen omkeer.In 1794 verscheen de “Grondslag der geheele wetenschapsleer.” In 1797 gaf hij daar nog “Inleidingen” op en in 1800 verscheen: “De Bestemming des menschen.” Verder zijn te noemen: “De Grondslag van het Natuurrecht naar de beginselen der W.-L.” (1796) en de Zedeleer naar dezelfde beginselen (1798).Als eerste lectuur wordt aanbevolen: (de meeste werken in Reclams goedkoope uitgaven) “De toespraken tot de Duitsche natie,” “De bestemming van den mensch,” “Systeem der Zedenleer” en “Feiten van het Bewustzijn” (1811).
Fichte’swerkenzijn niet alle van denzelfden aard. Sommige zijn meer in drogen, scholastieken vorm, andere in vurige taal. Na zijn verhuizing naar Berlijn onderging hij andere invloeden, hij zag méér van de wereld, stelde grooter belang in het politieke leven van die dagen, in den gang der wereldgeschiedenis. Men heeft dan ook wel willen beweren, dat er eigenlijk twee filosofieën van Fichte zijn, die uit zijn eerste en die uit zijn tweede periode. Ongetwijfeld treedt in zijn latere levensjaren de belangstelling voor godsdienstige en praktisch-wijsgeerige vraagstukken meer op den voorgrond. Vorschers van den eersten rang (Kuno Fischer, Falckenberg) meenen echter in zijn leer wel een ontwikkelingsgangte ontdekken, maar geen totalen omkeer.
In 1794 verscheen de “Grondslag der geheele wetenschapsleer.” In 1797 gaf hij daar nog “Inleidingen” op en in 1800 verscheen: “De Bestemming des menschen.” Verder zijn te noemen: “De Grondslag van het Natuurrecht naar de beginselen der W.-L.” (1796) en de Zedeleer naar dezelfde beginselen (1798).
Als eerste lectuur wordt aanbevolen: (de meeste werken in Reclams goedkoope uitgaven) “De toespraken tot de Duitsche natie,” “De bestemming van den mensch,” “Systeem der Zedenleer” en “Feiten van het Bewustzijn” (1811).
§ 15.Theoretische filosofie.Fichte is een zelfstandige leerling van Kant. Hij heeft niet diens leer nagepraat, gepopulariseerd of in onderdeelen gewijzigd. Hij is van uit het hart dier leer zèlf verder gegaan. Wat onderscheidde hem van Kant? Deze, die voor het oudere dogmatische standpunt van Wolff zijn criticisme in de plaats had gesteld, had, door gebrek aan scherpheid enduidelijkheidgeen misverstand buitengesloten en was zoo—zij het onwillens—vader geworden eener nieuwe dogmatische school, die zwoer bij de letter van Kant. Kant had, door scherpe onderscheidingen en indeelingen, wel bouwstoffen geleverd voor een systeem, maar er zelf geen gebouwd; hij had niet aangewezen, hoe alles uit één beginsel ontsprong. Hij had, in onze kennisvormeninhoudonderscheidend, niet aangewezen, van waar die inhoud dan kwam.Hij had, zuivere en practische rede elk haar eigen gebied aanwijzend, nagelaten, om aan te toonen, hoe die beide tot één punt waren terug te voeren. Fichte ziet zich dus zijn taak alzóó gesteld:Eenstelselte ontwerpen, dat alles uitéén beginselafleidend, de zuivere en de practische rede, de verschillende onderscheidingen van Kant, erkent, maarden laatsten oorsprongzoekt van de door Kant gegeven vormen en formules en dus nog dieper in ons zijn afdaalt.Welk beginsel neemt Fichte daarvoor aan?Tweeërlei is mogelijk.Men kan zeggen: onze bewustzijnsinhoud is afspiegeling eener buiten bewuste werkelijkheid en de dingen veroorzaken die afbeelding. Dit is het dogmatische of realistische standpunt.En men kan zeggen:Wij maken de dingen in zooverre wij eerst kunnen zeggen, dat een ding er slechts daardoor is, dat het in het bewustzijn wordt voortgebracht. Dit is hetabsoluut idealisme.Welke van de twee beschouwingswijzen men zal aanhangen, hangt er van af, wat voor een mensch men is. Dit is niet iets, dat op verstandelijke redeneering berust en dat men aan een ander kan bewijzen. Het is eendaad, eenwilsuiting. Fichte, de man met den krachtigen wil, koos de laatste. Trouwens, meent hij, pleiten er ook meer gronden voor het absoluut idealisme. Het realisme toch moet in gebreke blijven, aan te toonen, hoe uit het zijn, voorstellingen ontstaan: het kan dit niet. Het bewustzijn daarentegen is zijn en wel-bewùst zijn: het omvat dus èn voorstellen èn zijn en derhalve kan het zijn wel uit ’t bewustzijn worden verklaard.Het eerste beginsel nu vanwaar Fichte uitgaat is:het ik zet zich zelf. Nooit kunnen we ons iets denken, of wij moeten er ons zelven bij denken. “Denk den muur en denk nu, die den muur denkt.”Dat zichzelf stellen van het ik is een daad, eenhandeling. Maar—het ik wordt zich eerst bewust, dat het ik is, als het zich een niet-ik tegenover het ik denkt. De tweede grondstelling is dus deze: In het ik zet het ik een niet-ik tegenover zich. Deze beide stellingen, these en antithese, worden nu in een derde stelling (synthese) vereenigd:“In het ik zet het ik een deelbaar niet-ik tegenover een deelbaar ik.”Het ik en niet-ik perken elkaar “in.”Waarom deelbaar? Het ik wordt bepaald, bepaald door het niet-ik, ondergaat, lijdt daarvan den invloed en verhoudt zich in zooverre passief. Dit is de grondslag der theoretische filosofie.Maar het ik zet zich ook bepalend, beperkend tegenover het niet-ik. Dit is de grondslag der practische filosofie en wij zullen zien, hoe Fichte, die de activiteit den voorrang toekende in zijn leer ook aan de practische filosofie het primaat moest geven.In deze drie stellingen nu zijn de grondslagen gegeven voor alle verdere wijsbegeerte. “Geen enkele filosofie komt boven deze kennis uit, maar elke grondige filosofie behoort tot haar terug te keeren.”Wordt het ik zichzelf nu dadelijk bewust, dat het zich zelven stelt? Neen. Daarvoor moet zijn werkzaamheid verschillende graden doorloopen. Het begint met1. eengewaarwordingte hebben (bijv. van rood, geur);2. komt tot deaanschouwing, dat die gewaarwording buiten het bewustzijn bestaat,3. vormt in tijd en ruimte eenbeeld(bijv. roos) van het aanschouwde,4. brengt dat beeld onder een begrip, een kategorie, en daardoor tot staan. Er is nu eenvoorwerpontstaan, dat aangezien wordt voor de oorzaak der aanschouwing. (Nu weet ik het dus, dat er een roos is, een object, dat als oorzaak der aanschouwing is aan te merken).5. Deoordeelskrachtis het vermogen, om nu een bepaalden inhoud alleen te beschouwen (bijv. de kleur) of iets weg te denken (bijv. den geur, of de grootte).6. Het hoogste stadium, derede, stelt ons in staat, om van alle voorwerpen af te zien, behalve van ons eigen ik. Op dit hoogtepunt vindt het ik zichzelf.Maar nu kan ook gevraagd worden:hoe komt het ik er bij, om zich door een niet-ik te beperken. Dat het dit doet, weet het.Dàthet ik dus de grond van allen bewustzijnsinhoud is, weet het, maarwaaromdat niet-ik gesteld?Die vraag kan in de theoretische filosofie niet beantwoord worden. Zeker, was er geen niet-ik, dan zouden wij ook niet tot bewustheid komen van ons ik. Het ik wordt door het niet-ik in zichzelf teruggedreven. Maar dat er dan geen bewustzijn, geen wereld zou zijn, is geen verklaring, waarom het ik zichzelf beperkt, inperkt door het niet-ik.Wij moetenhandelen, dat is ons wezen. En wij kunnen niet handelen als er niets is, waarop onze kracht zich kan richten. Er moet een voorwerp zijn, dat die handeling ondergaat, een tegenstand, die overwonnen wordt, een hinderpaal, die men uit den weg ruimt. Daaróm is het niet-ik: om de mogelijkheid tot handelen te schenken. Het ik heeft theoretisch tegenover zichzelf het niet-ik geplaatst, om practisch te kunnen zijn. En ziehier nu onze opgave! De tegenover ons staande wereld moet zoodanig onzen invloed ondervinden, dat in haar de werkzaamheid van het ik zichtbaar worde.Er zijn vele iks, allemaal uitvloeiselen van het eene, absolute Ik: (de Godheid, zegt Fichte in zijn latere geschriften.) Waarom heeft deze zich gespleten in de afzonderlijke individuën? Alleen ook hierom, dat een individu slechts handelen kan, bewustzijn en zedelijkheid hebben. Het bizondere ik moet er naar streven, absoluut te worden, en dus de natuur te overwinnen.
§ 15.Theoretische filosofie.
Fichte is een zelfstandige leerling van Kant. Hij heeft niet diens leer nagepraat, gepopulariseerd of in onderdeelen gewijzigd. Hij is van uit het hart dier leer zèlf verder gegaan. Wat onderscheidde hem van Kant? Deze, die voor het oudere dogmatische standpunt van Wolff zijn criticisme in de plaats had gesteld, had, door gebrek aan scherpheid enduidelijkheidgeen misverstand buitengesloten en was zoo—zij het onwillens—vader geworden eener nieuwe dogmatische school, die zwoer bij de letter van Kant. Kant had, door scherpe onderscheidingen en indeelingen, wel bouwstoffen geleverd voor een systeem, maar er zelf geen gebouwd; hij had niet aangewezen, hoe alles uit één beginsel ontsprong. Hij had, in onze kennisvormeninhoudonderscheidend, niet aangewezen, van waar die inhoud dan kwam.Hij had, zuivere en practische rede elk haar eigen gebied aanwijzend, nagelaten, om aan te toonen, hoe die beide tot één punt waren terug te voeren. Fichte ziet zich dus zijn taak alzóó gesteld:Eenstelselte ontwerpen, dat alles uitéén beginselafleidend, de zuivere en de practische rede, de verschillende onderscheidingen van Kant, erkent, maarden laatsten oorsprongzoekt van de door Kant gegeven vormen en formules en dus nog dieper in ons zijn afdaalt.Welk beginsel neemt Fichte daarvoor aan?Tweeërlei is mogelijk.Men kan zeggen: onze bewustzijnsinhoud is afspiegeling eener buiten bewuste werkelijkheid en de dingen veroorzaken die afbeelding. Dit is het dogmatische of realistische standpunt.En men kan zeggen:Wij maken de dingen in zooverre wij eerst kunnen zeggen, dat een ding er slechts daardoor is, dat het in het bewustzijn wordt voortgebracht. Dit is hetabsoluut idealisme.Welke van de twee beschouwingswijzen men zal aanhangen, hangt er van af, wat voor een mensch men is. Dit is niet iets, dat op verstandelijke redeneering berust en dat men aan een ander kan bewijzen. Het is eendaad, eenwilsuiting. Fichte, de man met den krachtigen wil, koos de laatste. Trouwens, meent hij, pleiten er ook meer gronden voor het absoluut idealisme. Het realisme toch moet in gebreke blijven, aan te toonen, hoe uit het zijn, voorstellingen ontstaan: het kan dit niet. Het bewustzijn daarentegen is zijn en wel-bewùst zijn: het omvat dus èn voorstellen èn zijn en derhalve kan het zijn wel uit ’t bewustzijn worden verklaard.Het eerste beginsel nu vanwaar Fichte uitgaat is:het ik zet zich zelf. Nooit kunnen we ons iets denken, of wij moeten er ons zelven bij denken. “Denk den muur en denk nu, die den muur denkt.”Dat zichzelf stellen van het ik is een daad, eenhandeling. Maar—het ik wordt zich eerst bewust, dat het ik is, als het zich een niet-ik tegenover het ik denkt. De tweede grondstelling is dus deze: In het ik zet het ik een niet-ik tegenover zich. Deze beide stellingen, these en antithese, worden nu in een derde stelling (synthese) vereenigd:“In het ik zet het ik een deelbaar niet-ik tegenover een deelbaar ik.”Het ik en niet-ik perken elkaar “in.”Waarom deelbaar? Het ik wordt bepaald, bepaald door het niet-ik, ondergaat, lijdt daarvan den invloed en verhoudt zich in zooverre passief. Dit is de grondslag der theoretische filosofie.Maar het ik zet zich ook bepalend, beperkend tegenover het niet-ik. Dit is de grondslag der practische filosofie en wij zullen zien, hoe Fichte, die de activiteit den voorrang toekende in zijn leer ook aan de practische filosofie het primaat moest geven.In deze drie stellingen nu zijn de grondslagen gegeven voor alle verdere wijsbegeerte. “Geen enkele filosofie komt boven deze kennis uit, maar elke grondige filosofie behoort tot haar terug te keeren.”Wordt het ik zichzelf nu dadelijk bewust, dat het zich zelven stelt? Neen. Daarvoor moet zijn werkzaamheid verschillende graden doorloopen. Het begint met1. eengewaarwordingte hebben (bijv. van rood, geur);2. komt tot deaanschouwing, dat die gewaarwording buiten het bewustzijn bestaat,3. vormt in tijd en ruimte eenbeeld(bijv. roos) van het aanschouwde,4. brengt dat beeld onder een begrip, een kategorie, en daardoor tot staan. Er is nu eenvoorwerpontstaan, dat aangezien wordt voor de oorzaak der aanschouwing. (Nu weet ik het dus, dat er een roos is, een object, dat als oorzaak der aanschouwing is aan te merken).5. Deoordeelskrachtis het vermogen, om nu een bepaalden inhoud alleen te beschouwen (bijv. de kleur) of iets weg te denken (bijv. den geur, of de grootte).6. Het hoogste stadium, derede, stelt ons in staat, om van alle voorwerpen af te zien, behalve van ons eigen ik. Op dit hoogtepunt vindt het ik zichzelf.Maar nu kan ook gevraagd worden:hoe komt het ik er bij, om zich door een niet-ik te beperken. Dat het dit doet, weet het.Dàthet ik dus de grond van allen bewustzijnsinhoud is, weet het, maarwaaromdat niet-ik gesteld?Die vraag kan in de theoretische filosofie niet beantwoord worden. Zeker, was er geen niet-ik, dan zouden wij ook niet tot bewustheid komen van ons ik. Het ik wordt door het niet-ik in zichzelf teruggedreven. Maar dat er dan geen bewustzijn, geen wereld zou zijn, is geen verklaring, waarom het ik zichzelf beperkt, inperkt door het niet-ik.Wij moetenhandelen, dat is ons wezen. En wij kunnen niet handelen als er niets is, waarop onze kracht zich kan richten. Er moet een voorwerp zijn, dat die handeling ondergaat, een tegenstand, die overwonnen wordt, een hinderpaal, die men uit den weg ruimt. Daaróm is het niet-ik: om de mogelijkheid tot handelen te schenken. Het ik heeft theoretisch tegenover zichzelf het niet-ik geplaatst, om practisch te kunnen zijn. En ziehier nu onze opgave! De tegenover ons staande wereld moet zoodanig onzen invloed ondervinden, dat in haar de werkzaamheid van het ik zichtbaar worde.Er zijn vele iks, allemaal uitvloeiselen van het eene, absolute Ik: (de Godheid, zegt Fichte in zijn latere geschriften.) Waarom heeft deze zich gespleten in de afzonderlijke individuën? Alleen ook hierom, dat een individu slechts handelen kan, bewustzijn en zedelijkheid hebben. Het bizondere ik moet er naar streven, absoluut te worden, en dus de natuur te overwinnen.
Fichte is een zelfstandige leerling van Kant. Hij heeft niet diens leer nagepraat, gepopulariseerd of in onderdeelen gewijzigd. Hij is van uit het hart dier leer zèlf verder gegaan. Wat onderscheidde hem van Kant? Deze, die voor het oudere dogmatische standpunt van Wolff zijn criticisme in de plaats had gesteld, had, door gebrek aan scherpheid enduidelijkheidgeen misverstand buitengesloten en was zoo—zij het onwillens—vader geworden eener nieuwe dogmatische school, die zwoer bij de letter van Kant. Kant had, door scherpe onderscheidingen en indeelingen, wel bouwstoffen geleverd voor een systeem, maar er zelf geen gebouwd; hij had niet aangewezen, hoe alles uit één beginsel ontsprong. Hij had, in onze kennisvormeninhoudonderscheidend, niet aangewezen, van waar die inhoud dan kwam.
Hij had, zuivere en practische rede elk haar eigen gebied aanwijzend, nagelaten, om aan te toonen, hoe die beide tot één punt waren terug te voeren. Fichte ziet zich dus zijn taak alzóó gesteld:
Eenstelselte ontwerpen, dat alles uitéén beginselafleidend, de zuivere en de practische rede, de verschillende onderscheidingen van Kant, erkent, maarden laatsten oorsprongzoekt van de door Kant gegeven vormen en formules en dus nog dieper in ons zijn afdaalt.
Welk beginsel neemt Fichte daarvoor aan?
Tweeërlei is mogelijk.
Men kan zeggen: onze bewustzijnsinhoud is afspiegeling eener buiten bewuste werkelijkheid en de dingen veroorzaken die afbeelding. Dit is het dogmatische of realistische standpunt.
En men kan zeggen:
Wij maken de dingen in zooverre wij eerst kunnen zeggen, dat een ding er slechts daardoor is, dat het in het bewustzijn wordt voortgebracht. Dit is hetabsoluut idealisme.
Welke van de twee beschouwingswijzen men zal aanhangen, hangt er van af, wat voor een mensch men is. Dit is niet iets, dat op verstandelijke redeneering berust en dat men aan een ander kan bewijzen. Het is eendaad, eenwilsuiting. Fichte, de man met den krachtigen wil, koos de laatste. Trouwens, meent hij, pleiten er ook meer gronden voor het absoluut idealisme. Het realisme toch moet in gebreke blijven, aan te toonen, hoe uit het zijn, voorstellingen ontstaan: het kan dit niet. Het bewustzijn daarentegen is zijn en wel-bewùst zijn: het omvat dus èn voorstellen èn zijn en derhalve kan het zijn wel uit ’t bewustzijn worden verklaard.
Het eerste beginsel nu vanwaar Fichte uitgaat is:het ik zet zich zelf. Nooit kunnen we ons iets denken, of wij moeten er ons zelven bij denken. “Denk den muur en denk nu, die den muur denkt.”
Dat zichzelf stellen van het ik is een daad, eenhandeling. Maar—het ik wordt zich eerst bewust, dat het ik is, als het zich een niet-ik tegenover het ik denkt. De tweede grondstelling is dus deze: In het ik zet het ik een niet-ik tegenover zich. Deze beide stellingen, these en antithese, worden nu in een derde stelling (synthese) vereenigd:“In het ik zet het ik een deelbaar niet-ik tegenover een deelbaar ik.”
Het ik en niet-ik perken elkaar “in.”
Waarom deelbaar? Het ik wordt bepaald, bepaald door het niet-ik, ondergaat, lijdt daarvan den invloed en verhoudt zich in zooverre passief. Dit is de grondslag der theoretische filosofie.
Maar het ik zet zich ook bepalend, beperkend tegenover het niet-ik. Dit is de grondslag der practische filosofie en wij zullen zien, hoe Fichte, die de activiteit den voorrang toekende in zijn leer ook aan de practische filosofie het primaat moest geven.
In deze drie stellingen nu zijn de grondslagen gegeven voor alle verdere wijsbegeerte. “Geen enkele filosofie komt boven deze kennis uit, maar elke grondige filosofie behoort tot haar terug te keeren.”
Wordt het ik zichzelf nu dadelijk bewust, dat het zich zelven stelt? Neen. Daarvoor moet zijn werkzaamheid verschillende graden doorloopen. Het begint met
1. eengewaarwordingte hebben (bijv. van rood, geur);
2. komt tot deaanschouwing, dat die gewaarwording buiten het bewustzijn bestaat,
3. vormt in tijd en ruimte eenbeeld(bijv. roos) van het aanschouwde,
4. brengt dat beeld onder een begrip, een kategorie, en daardoor tot staan. Er is nu eenvoorwerpontstaan, dat aangezien wordt voor de oorzaak der aanschouwing. (Nu weet ik het dus, dat er een roos is, een object, dat als oorzaak der aanschouwing is aan te merken).
5. Deoordeelskrachtis het vermogen, om nu een bepaalden inhoud alleen te beschouwen (bijv. de kleur) of iets weg te denken (bijv. den geur, of de grootte).
6. Het hoogste stadium, derede, stelt ons in staat, om van alle voorwerpen af te zien, behalve van ons eigen ik. Op dit hoogtepunt vindt het ik zichzelf.
Maar nu kan ook gevraagd worden:hoe komt het ik er bij, om zich door een niet-ik te beperken. Dat het dit doet, weet het.Dàthet ik dus de grond van allen bewustzijnsinhoud is, weet het, maarwaaromdat niet-ik gesteld?
Die vraag kan in de theoretische filosofie niet beantwoord worden. Zeker, was er geen niet-ik, dan zouden wij ook niet tot bewustheid komen van ons ik. Het ik wordt door het niet-ik in zichzelf teruggedreven. Maar dat er dan geen bewustzijn, geen wereld zou zijn, is geen verklaring, waarom het ik zichzelf beperkt, inperkt door het niet-ik.
Wij moetenhandelen, dat is ons wezen. En wij kunnen niet handelen als er niets is, waarop onze kracht zich kan richten. Er moet een voorwerp zijn, dat die handeling ondergaat, een tegenstand, die overwonnen wordt, een hinderpaal, die men uit den weg ruimt. Daaróm is het niet-ik: om de mogelijkheid tot handelen te schenken. Het ik heeft theoretisch tegenover zichzelf het niet-ik geplaatst, om practisch te kunnen zijn. En ziehier nu onze opgave! De tegenover ons staande wereld moet zoodanig onzen invloed ondervinden, dat in haar de werkzaamheid van het ik zichtbaar worde.
Er zijn vele iks, allemaal uitvloeiselen van het eene, absolute Ik: (de Godheid, zegt Fichte in zijn latere geschriften.) Waarom heeft deze zich gespleten in de afzonderlijke individuën? Alleen ook hierom, dat een individu slechts handelen kan, bewustzijn en zedelijkheid hebben. Het bizondere ik moet er naar streven, absoluut te worden, en dus de natuur te overwinnen.
§ 15a.Practische filosofie.Zedeleer.Elke mensch handelt, streeft, begeert. Richt zich dat handelen op voorwerpen, zoekt het genot, dan maakt het zich afhankelijk. De mensch volgt zijnnatuurdrift. Op deze dient echter een hooger stadium te volgen. De mensch moetkomen tot handelen om der wille van het handelen, hij moetvrijzijn. Streeft hij hier niet naar, blijft hij bij het zinnelijk genieten, dan doet hij verkeerd. Deluiheidis het radicaal kwade. In zijn streven naar de vrijheid staat de mensch nooit stil. Elk bereikt punt is weer uitgangspunt voor een verdere tocht. De zedewet is nu deze, dat elke verrichte daad op den weg ligt, die naar de vrijheid loopt. Ieder afzonderlijke daad moet in eene rij liggen, die mij naar de geheele geestelijke vrijheid voert. Nu kan een ingevolge de natuurdrift ontstane handeling best in die rij liggen. Het komt op een juist evenwicht aan tusschen natuur- en vrijheidsdrift. Ontstaat dat evenwicht, dan heb ik een aangenaam gevoel, sentiment van zelfachting, en het vermogen, dit te gevoelen, isgeweten. Het is dus onze taak, onzen plicht te doen, naar onsgewetente handelen; ieder in zijn ambt en staat.Groote beteekenis voor den vooruitgang van het zedelijk leven kent Fichte toe aan “deugdgenieën”, in wie de drift naar vrijheid zeer sterk was, en die zich ver boven het lagere, zinnelijke verheffen. Deze genieën werken als voorbeelden, de met hen omgaanden beschouwen de kracht, die van hen uitgaat, als een wonder. Zij worden dan ook dikwijls de godsdienststichters.Eveneens komt groote waarde toe aan den omgang van menschen met menschen. Alle individuen te zamen hebben slechts één taak: de verwerkelijking vanhetik. Daartoe kan elke mensch slechts door den arbeid van zijn eigen persoonlijkheid bijdragen en daarom—niet als doel maar als middel—bekomt de persoonlijkheid waarde. Tegelijkertijd echter waardeer ik de ethische werkzaamheid van anderen—zij zijn met mij voor hetzelfde werkzaam. Zoo sta ik nietalleen in dienst van de verwerkelijking der Idee, van het ik: er is, om een kerkelijke term te gebruiken, “een gemeenschap der heiligen.”Rechtsleer.De zedelijkheid wordt door Fichte onderscheiden van hetrecht. Dit heeft betrekking op de uiterlijke verhoudingen der menschen en wordt ook weer uit één beginsel afgeleid. De mensch stelt zichzelf als vrij. Maar tevens moet hij waarnemen, dat er ook menschen zijn, die dit eveneens doen. In hunne vrijheid vindt zijn vrijheid haar grens.Zoo is de algemeene rechtsregel:“Beperk uw vrijheid zoodanig, dat naast u anderen ook vrij kunnen zijn.”In het begrip der persoonlijkheid liggen de “oerrechten”1van persoonlijke (lijfs-)vrijheid, zekerheid van leven en eigendom.Wanneer nu een ander mijne rechten niet eerbiedigt, moet ik hem dwingen. Er is dusdwangrecht. Maar om dit in ’t werk te kunnen stellen, moet er eenstaatsrechtzijn. Dit eischt, dat de burgers elkaar wederkeerig hunne vrijheid waarborgen, hunne rechten wederkeerig erkennen, dat er een wetgevende macht is die den wil der gemeenschap tot wet maakt en een uitvoerende, die voor de toepassing zorgt.Huwelijk.In een aanhangsel van het “Natuurrecht” behandelt Fichte het huwelijk, dat door hem zeer hoog wordt gesteld. De man moet zich de groote liefde der vrouw, die zonder rest in zijn leven moet opgaan, waardig maken en betoonen. Voor de ongehuwde vrouw moeten alle beroepenopenstaan, verantwoordelijke staatsambten uitgesloten.Staat.Fichte verlangt van den staat, dat hij het recht zal verwerkelijken. Hij eischt een regeeringsvorm, waarin de volkssouvereiniteit gehuldigd wordt, neemt ook geen recht op revolutie aan, maar wil opzichters (ephoren) die zelf niet wetgevend of besturend, het recht zullen hebben, den vorst te ontzetten. Oorspronkelijk ziet Fichte in den staat slechts een organisatie, die het recht verzekert, en dus het dwangrecht in beweging zet. Maar hij erkent ook, dat het de taak van den staat is, om te zorgen, dat iedereigendomheeft enwerkenkan. Een soort socialistischen staat denkt Fichte zich dus, maar toch heeft hij op de ontwikkeling van het moderne socialisme géén invloed gehad: er zijn in z’n socialisme vele reaktionaire elementen.Godsdienst.In zijn latere periode werd Fichte meer door het religieuze vraagstuk geboeid. De man der nimmer rustende werkzaamheid schrijft in 1806 een vroom bespiegelend boekje: “Aanwijzing tot zalig leven.” Was vroeger voor hem het godsbegrip één met de zedelijke wereld-ordening, thans is deze de openbaring van een daar achter liggend absolute, en van dat Absolute is het Ik een beeld. “De Geest (= Het Ik) een beeld Gods, de wereld een beeld des geestes.” Het ware wezen der religie is een allesdoordringende geest van leven, liefde, zaligheid.Geschiedenis.In de Geschiedenis ziet Fichte, evenals in de ontwikkeling van het denken en van het zedelijk leven, een opklimming. Zij geeft ons eerst een stadium te zien van “onschuld,” waarin het zedelijke onbewust uit instinct wordtgedaan. Nu komt het tijdperk der “beginnende zonde,” waarin de wet als een vreemde, dwingende macht verschijnt, die al of niet gehoorzaamd kan worden. Hierop volgt de tijd waarin wij leven: “die dervoleindigde zondigheid,” waarin willekeur en zelfzucht zonder eenige beperking heerschen, waarin men tegen alle gezag en waarheid onverschillig is. Maar deze tijd heeft toch het goede, dat de menschheid leert de boeien van autoriteit af te schudden. Reeds wijzen enkele teekenen op de nieuwe periode der redewetenschap, der “beginnende rechtvaardigmaking,” waarin het enkel ik zich aan de rede die in het geslacht woont, onderwerpt. Hare voltooiïng vindt de geschiedenis in het stadium der “voleindigde rechtvaardigmaking en heiliging,” de tijd der redekunst. De wil van den enkeling is opgeheven in het leven voor het geslacht, alle verhoudingen worden met vrijheid overeenkomstig de rede bepaald.Fichte is een vurig patriot geweest. In zijn toespraken schildert hij met warmte de groote beteekenis der Duitschers. Dezen hebben Luther’s hervorming, Kant’s wijsbegeerte, Pestalozzi’s opvoedkunde voortgebracht. Het Duitsche volk met zijn zin voor vrijheid en zelfstandigheid van geloof, zal vatbaar zijn voor een opvoeding, die, aanwezige kiemen ontwikkelend (geen opvoeding kan in den mensch brengen, wat er niet in is) een geslacht vormt, dat zich groote doeleinden weet voor te stellen en zich daarvoor op te offeren.Tien jaren na zijn dood, toen de reactie hoogtij vierde in Duitschland, werd een herdruk der toespraken verboden!Fichte heeft geen eigenlijke school gesticht, maar toch een enormen invloed uitgeoefend èn op de verdere ontwikkeling der speculatieve wijsbegeerteèn op het geheele gedachtenleven van Duitschland. “Hij was een man van weinige, maar groote gedachten, en ook bij dezen was hij in ’t ontwerpen grooter dan in ’t uitvoeren.“Echter, gesteld op een keerpunt van het algemeene leven zoowel als in een kritieken tijd van zijn eigen volk, vond hij de taak, de geesten wakker te schudden. Met toegewijde trouw heeft hij die taak vervuld. Zijn werk, tegelijk losmakend en bevestigend, zijn arbeid, onbuigzaam, samenhoudend, stalend, steeds de diepten des levens toegewend, hebben onvergetelijke en onvervreemdbare dingen tot stand gebracht.” (Eucken).
§ 15a.Practische filosofie.
Zedeleer.Elke mensch handelt, streeft, begeert. Richt zich dat handelen op voorwerpen, zoekt het genot, dan maakt het zich afhankelijk. De mensch volgt zijnnatuurdrift. Op deze dient echter een hooger stadium te volgen. De mensch moetkomen tot handelen om der wille van het handelen, hij moetvrijzijn. Streeft hij hier niet naar, blijft hij bij het zinnelijk genieten, dan doet hij verkeerd. Deluiheidis het radicaal kwade. In zijn streven naar de vrijheid staat de mensch nooit stil. Elk bereikt punt is weer uitgangspunt voor een verdere tocht. De zedewet is nu deze, dat elke verrichte daad op den weg ligt, die naar de vrijheid loopt. Ieder afzonderlijke daad moet in eene rij liggen, die mij naar de geheele geestelijke vrijheid voert. Nu kan een ingevolge de natuurdrift ontstane handeling best in die rij liggen. Het komt op een juist evenwicht aan tusschen natuur- en vrijheidsdrift. Ontstaat dat evenwicht, dan heb ik een aangenaam gevoel, sentiment van zelfachting, en het vermogen, dit te gevoelen, isgeweten. Het is dus onze taak, onzen plicht te doen, naar onsgewetente handelen; ieder in zijn ambt en staat.Groote beteekenis voor den vooruitgang van het zedelijk leven kent Fichte toe aan “deugdgenieën”, in wie de drift naar vrijheid zeer sterk was, en die zich ver boven het lagere, zinnelijke verheffen. Deze genieën werken als voorbeelden, de met hen omgaanden beschouwen de kracht, die van hen uitgaat, als een wonder. Zij worden dan ook dikwijls de godsdienststichters.Eveneens komt groote waarde toe aan den omgang van menschen met menschen. Alle individuen te zamen hebben slechts één taak: de verwerkelijking vanhetik. Daartoe kan elke mensch slechts door den arbeid van zijn eigen persoonlijkheid bijdragen en daarom—niet als doel maar als middel—bekomt de persoonlijkheid waarde. Tegelijkertijd echter waardeer ik de ethische werkzaamheid van anderen—zij zijn met mij voor hetzelfde werkzaam. Zoo sta ik nietalleen in dienst van de verwerkelijking der Idee, van het ik: er is, om een kerkelijke term te gebruiken, “een gemeenschap der heiligen.”Rechtsleer.De zedelijkheid wordt door Fichte onderscheiden van hetrecht. Dit heeft betrekking op de uiterlijke verhoudingen der menschen en wordt ook weer uit één beginsel afgeleid. De mensch stelt zichzelf als vrij. Maar tevens moet hij waarnemen, dat er ook menschen zijn, die dit eveneens doen. In hunne vrijheid vindt zijn vrijheid haar grens.Zoo is de algemeene rechtsregel:“Beperk uw vrijheid zoodanig, dat naast u anderen ook vrij kunnen zijn.”In het begrip der persoonlijkheid liggen de “oerrechten”1van persoonlijke (lijfs-)vrijheid, zekerheid van leven en eigendom.Wanneer nu een ander mijne rechten niet eerbiedigt, moet ik hem dwingen. Er is dusdwangrecht. Maar om dit in ’t werk te kunnen stellen, moet er eenstaatsrechtzijn. Dit eischt, dat de burgers elkaar wederkeerig hunne vrijheid waarborgen, hunne rechten wederkeerig erkennen, dat er een wetgevende macht is die den wil der gemeenschap tot wet maakt en een uitvoerende, die voor de toepassing zorgt.Huwelijk.In een aanhangsel van het “Natuurrecht” behandelt Fichte het huwelijk, dat door hem zeer hoog wordt gesteld. De man moet zich de groote liefde der vrouw, die zonder rest in zijn leven moet opgaan, waardig maken en betoonen. Voor de ongehuwde vrouw moeten alle beroepenopenstaan, verantwoordelijke staatsambten uitgesloten.Staat.Fichte verlangt van den staat, dat hij het recht zal verwerkelijken. Hij eischt een regeeringsvorm, waarin de volkssouvereiniteit gehuldigd wordt, neemt ook geen recht op revolutie aan, maar wil opzichters (ephoren) die zelf niet wetgevend of besturend, het recht zullen hebben, den vorst te ontzetten. Oorspronkelijk ziet Fichte in den staat slechts een organisatie, die het recht verzekert, en dus het dwangrecht in beweging zet. Maar hij erkent ook, dat het de taak van den staat is, om te zorgen, dat iedereigendomheeft enwerkenkan. Een soort socialistischen staat denkt Fichte zich dus, maar toch heeft hij op de ontwikkeling van het moderne socialisme géén invloed gehad: er zijn in z’n socialisme vele reaktionaire elementen.Godsdienst.In zijn latere periode werd Fichte meer door het religieuze vraagstuk geboeid. De man der nimmer rustende werkzaamheid schrijft in 1806 een vroom bespiegelend boekje: “Aanwijzing tot zalig leven.” Was vroeger voor hem het godsbegrip één met de zedelijke wereld-ordening, thans is deze de openbaring van een daar achter liggend absolute, en van dat Absolute is het Ik een beeld. “De Geest (= Het Ik) een beeld Gods, de wereld een beeld des geestes.” Het ware wezen der religie is een allesdoordringende geest van leven, liefde, zaligheid.Geschiedenis.In de Geschiedenis ziet Fichte, evenals in de ontwikkeling van het denken en van het zedelijk leven, een opklimming. Zij geeft ons eerst een stadium te zien van “onschuld,” waarin het zedelijke onbewust uit instinct wordtgedaan. Nu komt het tijdperk der “beginnende zonde,” waarin de wet als een vreemde, dwingende macht verschijnt, die al of niet gehoorzaamd kan worden. Hierop volgt de tijd waarin wij leven: “die dervoleindigde zondigheid,” waarin willekeur en zelfzucht zonder eenige beperking heerschen, waarin men tegen alle gezag en waarheid onverschillig is. Maar deze tijd heeft toch het goede, dat de menschheid leert de boeien van autoriteit af te schudden. Reeds wijzen enkele teekenen op de nieuwe periode der redewetenschap, der “beginnende rechtvaardigmaking,” waarin het enkel ik zich aan de rede die in het geslacht woont, onderwerpt. Hare voltooiïng vindt de geschiedenis in het stadium der “voleindigde rechtvaardigmaking en heiliging,” de tijd der redekunst. De wil van den enkeling is opgeheven in het leven voor het geslacht, alle verhoudingen worden met vrijheid overeenkomstig de rede bepaald.Fichte is een vurig patriot geweest. In zijn toespraken schildert hij met warmte de groote beteekenis der Duitschers. Dezen hebben Luther’s hervorming, Kant’s wijsbegeerte, Pestalozzi’s opvoedkunde voortgebracht. Het Duitsche volk met zijn zin voor vrijheid en zelfstandigheid van geloof, zal vatbaar zijn voor een opvoeding, die, aanwezige kiemen ontwikkelend (geen opvoeding kan in den mensch brengen, wat er niet in is) een geslacht vormt, dat zich groote doeleinden weet voor te stellen en zich daarvoor op te offeren.Tien jaren na zijn dood, toen de reactie hoogtij vierde in Duitschland, werd een herdruk der toespraken verboden!Fichte heeft geen eigenlijke school gesticht, maar toch een enormen invloed uitgeoefend èn op de verdere ontwikkeling der speculatieve wijsbegeerteèn op het geheele gedachtenleven van Duitschland. “Hij was een man van weinige, maar groote gedachten, en ook bij dezen was hij in ’t ontwerpen grooter dan in ’t uitvoeren.“Echter, gesteld op een keerpunt van het algemeene leven zoowel als in een kritieken tijd van zijn eigen volk, vond hij de taak, de geesten wakker te schudden. Met toegewijde trouw heeft hij die taak vervuld. Zijn werk, tegelijk losmakend en bevestigend, zijn arbeid, onbuigzaam, samenhoudend, stalend, steeds de diepten des levens toegewend, hebben onvergetelijke en onvervreemdbare dingen tot stand gebracht.” (Eucken).
Zedeleer.Elke mensch handelt, streeft, begeert. Richt zich dat handelen op voorwerpen, zoekt het genot, dan maakt het zich afhankelijk. De mensch volgt zijnnatuurdrift. Op deze dient echter een hooger stadium te volgen. De mensch moetkomen tot handelen om der wille van het handelen, hij moetvrijzijn. Streeft hij hier niet naar, blijft hij bij het zinnelijk genieten, dan doet hij verkeerd. Deluiheidis het radicaal kwade. In zijn streven naar de vrijheid staat de mensch nooit stil. Elk bereikt punt is weer uitgangspunt voor een verdere tocht. De zedewet is nu deze, dat elke verrichte daad op den weg ligt, die naar de vrijheid loopt. Ieder afzonderlijke daad moet in eene rij liggen, die mij naar de geheele geestelijke vrijheid voert. Nu kan een ingevolge de natuurdrift ontstane handeling best in die rij liggen. Het komt op een juist evenwicht aan tusschen natuur- en vrijheidsdrift. Ontstaat dat evenwicht, dan heb ik een aangenaam gevoel, sentiment van zelfachting, en het vermogen, dit te gevoelen, isgeweten. Het is dus onze taak, onzen plicht te doen, naar onsgewetente handelen; ieder in zijn ambt en staat.Groote beteekenis voor den vooruitgang van het zedelijk leven kent Fichte toe aan “deugdgenieën”, in wie de drift naar vrijheid zeer sterk was, en die zich ver boven het lagere, zinnelijke verheffen. Deze genieën werken als voorbeelden, de met hen omgaanden beschouwen de kracht, die van hen uitgaat, als een wonder. Zij worden dan ook dikwijls de godsdienststichters.Eveneens komt groote waarde toe aan den omgang van menschen met menschen. Alle individuen te zamen hebben slechts één taak: de verwerkelijking vanhetik. Daartoe kan elke mensch slechts door den arbeid van zijn eigen persoonlijkheid bijdragen en daarom—niet als doel maar als middel—bekomt de persoonlijkheid waarde. Tegelijkertijd echter waardeer ik de ethische werkzaamheid van anderen—zij zijn met mij voor hetzelfde werkzaam. Zoo sta ik nietalleen in dienst van de verwerkelijking der Idee, van het ik: er is, om een kerkelijke term te gebruiken, “een gemeenschap der heiligen.”
Zedeleer.
Elke mensch handelt, streeft, begeert. Richt zich dat handelen op voorwerpen, zoekt het genot, dan maakt het zich afhankelijk. De mensch volgt zijnnatuurdrift. Op deze dient echter een hooger stadium te volgen. De mensch moetkomen tot handelen om der wille van het handelen, hij moetvrijzijn. Streeft hij hier niet naar, blijft hij bij het zinnelijk genieten, dan doet hij verkeerd. Deluiheidis het radicaal kwade. In zijn streven naar de vrijheid staat de mensch nooit stil. Elk bereikt punt is weer uitgangspunt voor een verdere tocht. De zedewet is nu deze, dat elke verrichte daad op den weg ligt, die naar de vrijheid loopt. Ieder afzonderlijke daad moet in eene rij liggen, die mij naar de geheele geestelijke vrijheid voert. Nu kan een ingevolge de natuurdrift ontstane handeling best in die rij liggen. Het komt op een juist evenwicht aan tusschen natuur- en vrijheidsdrift. Ontstaat dat evenwicht, dan heb ik een aangenaam gevoel, sentiment van zelfachting, en het vermogen, dit te gevoelen, isgeweten. Het is dus onze taak, onzen plicht te doen, naar onsgewetente handelen; ieder in zijn ambt en staat.Groote beteekenis voor den vooruitgang van het zedelijk leven kent Fichte toe aan “deugdgenieën”, in wie de drift naar vrijheid zeer sterk was, en die zich ver boven het lagere, zinnelijke verheffen. Deze genieën werken als voorbeelden, de met hen omgaanden beschouwen de kracht, die van hen uitgaat, als een wonder. Zij worden dan ook dikwijls de godsdienststichters.Eveneens komt groote waarde toe aan den omgang van menschen met menschen. Alle individuen te zamen hebben slechts één taak: de verwerkelijking vanhetik. Daartoe kan elke mensch slechts door den arbeid van zijn eigen persoonlijkheid bijdragen en daarom—niet als doel maar als middel—bekomt de persoonlijkheid waarde. Tegelijkertijd echter waardeer ik de ethische werkzaamheid van anderen—zij zijn met mij voor hetzelfde werkzaam. Zoo sta ik nietalleen in dienst van de verwerkelijking der Idee, van het ik: er is, om een kerkelijke term te gebruiken, “een gemeenschap der heiligen.”
Elke mensch handelt, streeft, begeert. Richt zich dat handelen op voorwerpen, zoekt het genot, dan maakt het zich afhankelijk. De mensch volgt zijnnatuurdrift. Op deze dient echter een hooger stadium te volgen. De mensch moetkomen tot handelen om der wille van het handelen, hij moetvrijzijn. Streeft hij hier niet naar, blijft hij bij het zinnelijk genieten, dan doet hij verkeerd. Deluiheidis het radicaal kwade. In zijn streven naar de vrijheid staat de mensch nooit stil. Elk bereikt punt is weer uitgangspunt voor een verdere tocht. De zedewet is nu deze, dat elke verrichte daad op den weg ligt, die naar de vrijheid loopt. Ieder afzonderlijke daad moet in eene rij liggen, die mij naar de geheele geestelijke vrijheid voert. Nu kan een ingevolge de natuurdrift ontstane handeling best in die rij liggen. Het komt op een juist evenwicht aan tusschen natuur- en vrijheidsdrift. Ontstaat dat evenwicht, dan heb ik een aangenaam gevoel, sentiment van zelfachting, en het vermogen, dit te gevoelen, isgeweten. Het is dus onze taak, onzen plicht te doen, naar onsgewetente handelen; ieder in zijn ambt en staat.
Groote beteekenis voor den vooruitgang van het zedelijk leven kent Fichte toe aan “deugdgenieën”, in wie de drift naar vrijheid zeer sterk was, en die zich ver boven het lagere, zinnelijke verheffen. Deze genieën werken als voorbeelden, de met hen omgaanden beschouwen de kracht, die van hen uitgaat, als een wonder. Zij worden dan ook dikwijls de godsdienststichters.
Eveneens komt groote waarde toe aan den omgang van menschen met menschen. Alle individuen te zamen hebben slechts één taak: de verwerkelijking vanhetik. Daartoe kan elke mensch slechts door den arbeid van zijn eigen persoonlijkheid bijdragen en daarom—niet als doel maar als middel—bekomt de persoonlijkheid waarde. Tegelijkertijd echter waardeer ik de ethische werkzaamheid van anderen—zij zijn met mij voor hetzelfde werkzaam. Zoo sta ik nietalleen in dienst van de verwerkelijking der Idee, van het ik: er is, om een kerkelijke term te gebruiken, “een gemeenschap der heiligen.”
Rechtsleer.De zedelijkheid wordt door Fichte onderscheiden van hetrecht. Dit heeft betrekking op de uiterlijke verhoudingen der menschen en wordt ook weer uit één beginsel afgeleid. De mensch stelt zichzelf als vrij. Maar tevens moet hij waarnemen, dat er ook menschen zijn, die dit eveneens doen. In hunne vrijheid vindt zijn vrijheid haar grens.Zoo is de algemeene rechtsregel:“Beperk uw vrijheid zoodanig, dat naast u anderen ook vrij kunnen zijn.”In het begrip der persoonlijkheid liggen de “oerrechten”1van persoonlijke (lijfs-)vrijheid, zekerheid van leven en eigendom.Wanneer nu een ander mijne rechten niet eerbiedigt, moet ik hem dwingen. Er is dusdwangrecht. Maar om dit in ’t werk te kunnen stellen, moet er eenstaatsrechtzijn. Dit eischt, dat de burgers elkaar wederkeerig hunne vrijheid waarborgen, hunne rechten wederkeerig erkennen, dat er een wetgevende macht is die den wil der gemeenschap tot wet maakt en een uitvoerende, die voor de toepassing zorgt.
Rechtsleer.
De zedelijkheid wordt door Fichte onderscheiden van hetrecht. Dit heeft betrekking op de uiterlijke verhoudingen der menschen en wordt ook weer uit één beginsel afgeleid. De mensch stelt zichzelf als vrij. Maar tevens moet hij waarnemen, dat er ook menschen zijn, die dit eveneens doen. In hunne vrijheid vindt zijn vrijheid haar grens.Zoo is de algemeene rechtsregel:“Beperk uw vrijheid zoodanig, dat naast u anderen ook vrij kunnen zijn.”In het begrip der persoonlijkheid liggen de “oerrechten”1van persoonlijke (lijfs-)vrijheid, zekerheid van leven en eigendom.Wanneer nu een ander mijne rechten niet eerbiedigt, moet ik hem dwingen. Er is dusdwangrecht. Maar om dit in ’t werk te kunnen stellen, moet er eenstaatsrechtzijn. Dit eischt, dat de burgers elkaar wederkeerig hunne vrijheid waarborgen, hunne rechten wederkeerig erkennen, dat er een wetgevende macht is die den wil der gemeenschap tot wet maakt en een uitvoerende, die voor de toepassing zorgt.
De zedelijkheid wordt door Fichte onderscheiden van hetrecht. Dit heeft betrekking op de uiterlijke verhoudingen der menschen en wordt ook weer uit één beginsel afgeleid. De mensch stelt zichzelf als vrij. Maar tevens moet hij waarnemen, dat er ook menschen zijn, die dit eveneens doen. In hunne vrijheid vindt zijn vrijheid haar grens.
Zoo is de algemeene rechtsregel:
“Beperk uw vrijheid zoodanig, dat naast u anderen ook vrij kunnen zijn.”
In het begrip der persoonlijkheid liggen de “oerrechten”1van persoonlijke (lijfs-)vrijheid, zekerheid van leven en eigendom.
Wanneer nu een ander mijne rechten niet eerbiedigt, moet ik hem dwingen. Er is dusdwangrecht. Maar om dit in ’t werk te kunnen stellen, moet er eenstaatsrechtzijn. Dit eischt, dat de burgers elkaar wederkeerig hunne vrijheid waarborgen, hunne rechten wederkeerig erkennen, dat er een wetgevende macht is die den wil der gemeenschap tot wet maakt en een uitvoerende, die voor de toepassing zorgt.
Huwelijk.In een aanhangsel van het “Natuurrecht” behandelt Fichte het huwelijk, dat door hem zeer hoog wordt gesteld. De man moet zich de groote liefde der vrouw, die zonder rest in zijn leven moet opgaan, waardig maken en betoonen. Voor de ongehuwde vrouw moeten alle beroepenopenstaan, verantwoordelijke staatsambten uitgesloten.
Huwelijk.
In een aanhangsel van het “Natuurrecht” behandelt Fichte het huwelijk, dat door hem zeer hoog wordt gesteld. De man moet zich de groote liefde der vrouw, die zonder rest in zijn leven moet opgaan, waardig maken en betoonen. Voor de ongehuwde vrouw moeten alle beroepenopenstaan, verantwoordelijke staatsambten uitgesloten.
In een aanhangsel van het “Natuurrecht” behandelt Fichte het huwelijk, dat door hem zeer hoog wordt gesteld. De man moet zich de groote liefde der vrouw, die zonder rest in zijn leven moet opgaan, waardig maken en betoonen. Voor de ongehuwde vrouw moeten alle beroepenopenstaan, verantwoordelijke staatsambten uitgesloten.
Staat.Fichte verlangt van den staat, dat hij het recht zal verwerkelijken. Hij eischt een regeeringsvorm, waarin de volkssouvereiniteit gehuldigd wordt, neemt ook geen recht op revolutie aan, maar wil opzichters (ephoren) die zelf niet wetgevend of besturend, het recht zullen hebben, den vorst te ontzetten. Oorspronkelijk ziet Fichte in den staat slechts een organisatie, die het recht verzekert, en dus het dwangrecht in beweging zet. Maar hij erkent ook, dat het de taak van den staat is, om te zorgen, dat iedereigendomheeft enwerkenkan. Een soort socialistischen staat denkt Fichte zich dus, maar toch heeft hij op de ontwikkeling van het moderne socialisme géén invloed gehad: er zijn in z’n socialisme vele reaktionaire elementen.
Staat.
Fichte verlangt van den staat, dat hij het recht zal verwerkelijken. Hij eischt een regeeringsvorm, waarin de volkssouvereiniteit gehuldigd wordt, neemt ook geen recht op revolutie aan, maar wil opzichters (ephoren) die zelf niet wetgevend of besturend, het recht zullen hebben, den vorst te ontzetten. Oorspronkelijk ziet Fichte in den staat slechts een organisatie, die het recht verzekert, en dus het dwangrecht in beweging zet. Maar hij erkent ook, dat het de taak van den staat is, om te zorgen, dat iedereigendomheeft enwerkenkan. Een soort socialistischen staat denkt Fichte zich dus, maar toch heeft hij op de ontwikkeling van het moderne socialisme géén invloed gehad: er zijn in z’n socialisme vele reaktionaire elementen.
Fichte verlangt van den staat, dat hij het recht zal verwerkelijken. Hij eischt een regeeringsvorm, waarin de volkssouvereiniteit gehuldigd wordt, neemt ook geen recht op revolutie aan, maar wil opzichters (ephoren) die zelf niet wetgevend of besturend, het recht zullen hebben, den vorst te ontzetten. Oorspronkelijk ziet Fichte in den staat slechts een organisatie, die het recht verzekert, en dus het dwangrecht in beweging zet. Maar hij erkent ook, dat het de taak van den staat is, om te zorgen, dat iedereigendomheeft enwerkenkan. Een soort socialistischen staat denkt Fichte zich dus, maar toch heeft hij op de ontwikkeling van het moderne socialisme géén invloed gehad: er zijn in z’n socialisme vele reaktionaire elementen.
Godsdienst.In zijn latere periode werd Fichte meer door het religieuze vraagstuk geboeid. De man der nimmer rustende werkzaamheid schrijft in 1806 een vroom bespiegelend boekje: “Aanwijzing tot zalig leven.” Was vroeger voor hem het godsbegrip één met de zedelijke wereld-ordening, thans is deze de openbaring van een daar achter liggend absolute, en van dat Absolute is het Ik een beeld. “De Geest (= Het Ik) een beeld Gods, de wereld een beeld des geestes.” Het ware wezen der religie is een allesdoordringende geest van leven, liefde, zaligheid.
Godsdienst.
In zijn latere periode werd Fichte meer door het religieuze vraagstuk geboeid. De man der nimmer rustende werkzaamheid schrijft in 1806 een vroom bespiegelend boekje: “Aanwijzing tot zalig leven.” Was vroeger voor hem het godsbegrip één met de zedelijke wereld-ordening, thans is deze de openbaring van een daar achter liggend absolute, en van dat Absolute is het Ik een beeld. “De Geest (= Het Ik) een beeld Gods, de wereld een beeld des geestes.” Het ware wezen der religie is een allesdoordringende geest van leven, liefde, zaligheid.
In zijn latere periode werd Fichte meer door het religieuze vraagstuk geboeid. De man der nimmer rustende werkzaamheid schrijft in 1806 een vroom bespiegelend boekje: “Aanwijzing tot zalig leven.” Was vroeger voor hem het godsbegrip één met de zedelijke wereld-ordening, thans is deze de openbaring van een daar achter liggend absolute, en van dat Absolute is het Ik een beeld. “De Geest (= Het Ik) een beeld Gods, de wereld een beeld des geestes.” Het ware wezen der religie is een allesdoordringende geest van leven, liefde, zaligheid.
Geschiedenis.In de Geschiedenis ziet Fichte, evenals in de ontwikkeling van het denken en van het zedelijk leven, een opklimming. Zij geeft ons eerst een stadium te zien van “onschuld,” waarin het zedelijke onbewust uit instinct wordtgedaan. Nu komt het tijdperk der “beginnende zonde,” waarin de wet als een vreemde, dwingende macht verschijnt, die al of niet gehoorzaamd kan worden. Hierop volgt de tijd waarin wij leven: “die dervoleindigde zondigheid,” waarin willekeur en zelfzucht zonder eenige beperking heerschen, waarin men tegen alle gezag en waarheid onverschillig is. Maar deze tijd heeft toch het goede, dat de menschheid leert de boeien van autoriteit af te schudden. Reeds wijzen enkele teekenen op de nieuwe periode der redewetenschap, der “beginnende rechtvaardigmaking,” waarin het enkel ik zich aan de rede die in het geslacht woont, onderwerpt. Hare voltooiïng vindt de geschiedenis in het stadium der “voleindigde rechtvaardigmaking en heiliging,” de tijd der redekunst. De wil van den enkeling is opgeheven in het leven voor het geslacht, alle verhoudingen worden met vrijheid overeenkomstig de rede bepaald.Fichte is een vurig patriot geweest. In zijn toespraken schildert hij met warmte de groote beteekenis der Duitschers. Dezen hebben Luther’s hervorming, Kant’s wijsbegeerte, Pestalozzi’s opvoedkunde voortgebracht. Het Duitsche volk met zijn zin voor vrijheid en zelfstandigheid van geloof, zal vatbaar zijn voor een opvoeding, die, aanwezige kiemen ontwikkelend (geen opvoeding kan in den mensch brengen, wat er niet in is) een geslacht vormt, dat zich groote doeleinden weet voor te stellen en zich daarvoor op te offeren.Tien jaren na zijn dood, toen de reactie hoogtij vierde in Duitschland, werd een herdruk der toespraken verboden!Fichte heeft geen eigenlijke school gesticht, maar toch een enormen invloed uitgeoefend èn op de verdere ontwikkeling der speculatieve wijsbegeerteèn op het geheele gedachtenleven van Duitschland. “Hij was een man van weinige, maar groote gedachten, en ook bij dezen was hij in ’t ontwerpen grooter dan in ’t uitvoeren.“Echter, gesteld op een keerpunt van het algemeene leven zoowel als in een kritieken tijd van zijn eigen volk, vond hij de taak, de geesten wakker te schudden. Met toegewijde trouw heeft hij die taak vervuld. Zijn werk, tegelijk losmakend en bevestigend, zijn arbeid, onbuigzaam, samenhoudend, stalend, steeds de diepten des levens toegewend, hebben onvergetelijke en onvervreemdbare dingen tot stand gebracht.” (Eucken).
Geschiedenis.
In de Geschiedenis ziet Fichte, evenals in de ontwikkeling van het denken en van het zedelijk leven, een opklimming. Zij geeft ons eerst een stadium te zien van “onschuld,” waarin het zedelijke onbewust uit instinct wordtgedaan. Nu komt het tijdperk der “beginnende zonde,” waarin de wet als een vreemde, dwingende macht verschijnt, die al of niet gehoorzaamd kan worden. Hierop volgt de tijd waarin wij leven: “die dervoleindigde zondigheid,” waarin willekeur en zelfzucht zonder eenige beperking heerschen, waarin men tegen alle gezag en waarheid onverschillig is. Maar deze tijd heeft toch het goede, dat de menschheid leert de boeien van autoriteit af te schudden. Reeds wijzen enkele teekenen op de nieuwe periode der redewetenschap, der “beginnende rechtvaardigmaking,” waarin het enkel ik zich aan de rede die in het geslacht woont, onderwerpt. Hare voltooiïng vindt de geschiedenis in het stadium der “voleindigde rechtvaardigmaking en heiliging,” de tijd der redekunst. De wil van den enkeling is opgeheven in het leven voor het geslacht, alle verhoudingen worden met vrijheid overeenkomstig de rede bepaald.Fichte is een vurig patriot geweest. In zijn toespraken schildert hij met warmte de groote beteekenis der Duitschers. Dezen hebben Luther’s hervorming, Kant’s wijsbegeerte, Pestalozzi’s opvoedkunde voortgebracht. Het Duitsche volk met zijn zin voor vrijheid en zelfstandigheid van geloof, zal vatbaar zijn voor een opvoeding, die, aanwezige kiemen ontwikkelend (geen opvoeding kan in den mensch brengen, wat er niet in is) een geslacht vormt, dat zich groote doeleinden weet voor te stellen en zich daarvoor op te offeren.Tien jaren na zijn dood, toen de reactie hoogtij vierde in Duitschland, werd een herdruk der toespraken verboden!Fichte heeft geen eigenlijke school gesticht, maar toch een enormen invloed uitgeoefend èn op de verdere ontwikkeling der speculatieve wijsbegeerteèn op het geheele gedachtenleven van Duitschland. “Hij was een man van weinige, maar groote gedachten, en ook bij dezen was hij in ’t ontwerpen grooter dan in ’t uitvoeren.“Echter, gesteld op een keerpunt van het algemeene leven zoowel als in een kritieken tijd van zijn eigen volk, vond hij de taak, de geesten wakker te schudden. Met toegewijde trouw heeft hij die taak vervuld. Zijn werk, tegelijk losmakend en bevestigend, zijn arbeid, onbuigzaam, samenhoudend, stalend, steeds de diepten des levens toegewend, hebben onvergetelijke en onvervreemdbare dingen tot stand gebracht.” (Eucken).
In de Geschiedenis ziet Fichte, evenals in de ontwikkeling van het denken en van het zedelijk leven, een opklimming. Zij geeft ons eerst een stadium te zien van “onschuld,” waarin het zedelijke onbewust uit instinct wordtgedaan. Nu komt het tijdperk der “beginnende zonde,” waarin de wet als een vreemde, dwingende macht verschijnt, die al of niet gehoorzaamd kan worden. Hierop volgt de tijd waarin wij leven: “die dervoleindigde zondigheid,” waarin willekeur en zelfzucht zonder eenige beperking heerschen, waarin men tegen alle gezag en waarheid onverschillig is. Maar deze tijd heeft toch het goede, dat de menschheid leert de boeien van autoriteit af te schudden. Reeds wijzen enkele teekenen op de nieuwe periode der redewetenschap, der “beginnende rechtvaardigmaking,” waarin het enkel ik zich aan de rede die in het geslacht woont, onderwerpt. Hare voltooiïng vindt de geschiedenis in het stadium der “voleindigde rechtvaardigmaking en heiliging,” de tijd der redekunst. De wil van den enkeling is opgeheven in het leven voor het geslacht, alle verhoudingen worden met vrijheid overeenkomstig de rede bepaald.
Fichte is een vurig patriot geweest. In zijn toespraken schildert hij met warmte de groote beteekenis der Duitschers. Dezen hebben Luther’s hervorming, Kant’s wijsbegeerte, Pestalozzi’s opvoedkunde voortgebracht. Het Duitsche volk met zijn zin voor vrijheid en zelfstandigheid van geloof, zal vatbaar zijn voor een opvoeding, die, aanwezige kiemen ontwikkelend (geen opvoeding kan in den mensch brengen, wat er niet in is) een geslacht vormt, dat zich groote doeleinden weet voor te stellen en zich daarvoor op te offeren.
Tien jaren na zijn dood, toen de reactie hoogtij vierde in Duitschland, werd een herdruk der toespraken verboden!
Fichte heeft geen eigenlijke school gesticht, maar toch een enormen invloed uitgeoefend èn op de verdere ontwikkeling der speculatieve wijsbegeerteèn op het geheele gedachtenleven van Duitschland. “Hij was een man van weinige, maar groote gedachten, en ook bij dezen was hij in ’t ontwerpen grooter dan in ’t uitvoeren.
“Echter, gesteld op een keerpunt van het algemeene leven zoowel als in een kritieken tijd van zijn eigen volk, vond hij de taak, de geesten wakker te schudden. Met toegewijde trouw heeft hij die taak vervuld. Zijn werk, tegelijk losmakend en bevestigend, zijn arbeid, onbuigzaam, samenhoudend, stalend, steeds de diepten des levens toegewend, hebben onvergetelijke en onvervreemdbare dingen tot stand gebracht.” (Eucken).
1Misschien komen hier de “Rechten van den Mensch” uit den tijd der Fransche revolutie om den hoek.↑
1Misschien komen hier de “Rechten van den Mensch” uit den tijd der Fransche revolutie om den hoek.↑
1Misschien komen hier de “Rechten van den Mensch” uit den tijd der Fransche revolutie om den hoek.↑
HOOFDSTUK VI.Schelling en zijn geestverwanten.§ 16.Schelling.Schelling is de kunstenaar onder de speculatieve wijsgeeren en de filosoof der romantiek. Daarvangetuigtzijnleer, aan herhaalde wijzigingen—zij ’t niet zonder onderling verband—onderhevig en de invloeden vertoonend van tal van vroegere verschillende groote denkers, (Kant, Spinoza, Bruno, Böhme, de Gnostici);—zijn denkmethode, meer op fantasie dan kritisch onderzoek berustend, meer op de overeenkomsten dan op de verschillen lettend;—zijn stijl, soms stijgend tot die der lyrische verrukking.Friedrich Wilhelm Joseph Schelling werd 27 Januari 1775 te Leonberg in Wurtemberg geboren, schreef reeds op 17-jarigen leeftijd een dissertatie over den zondenval, was in de gelegenheid in 1796 en 1797 te Leipzig natuurstudie te bedrijven, en gaf in 1797 zijn “Ideeën over natuurfilosofie” uit. In 1798 komt: “Van de wereldziel.” Hetzelfde jaar ziet hem professor te Jena, waar hij een gezien lid is van den kring der romantici. Terwijl hij eerst op Fichte’s standpuntgestaan had, verwijdert hij zich daarvan meer en meer. Na 1800, waarin het “Systeem van het transcendentale Idealisme” uitkomt, begint een nieuwe ontwikkelingsgang, die der Identiteitsfilosofie, waarin de invloed van Bruno sterk is. In dezen tijd valt zijn vertrek naar München, als algemeen secretaris der Academie voor beeldende kunsten. In 1809 begint een derde periode, waarin Böhme op Schelling inwerkt en deze zichreligieuzevraagstukken toewendt (Wijsgeerige onderzoekingen over het wezen der menschelijke vrijheid).Van nu aan publiceert Schelling veel minder en stelt de verwachtingen, die men koesterde, teleur. Na professoraten te Erlangen en München, komt hij 1841 te Berlijn, daarheen door Koning Willem IV beroepen als tegenwicht tegen het godsdienstig radicalisme der Hegelsche linkerzijde. Als tegen zijn zin zijn colleges gedrukt worden, staakt hij die. In 1854 sterft hij in Bad Ragaz in Zwitserland, nog geheel onverwacht.Natuurfilosofie.Schelling begon met een aanhanger van Fichte te zijn, maar weldra was diens ik, dat een niet-ik zet, hem te dor en te leeg, en voldeed het hem niet meer, de natuur als een dood voorwerp te behandelen, dat slechts door het niet-ik is gesteld, opdat er een te bearbeiden stof zal zijn. Hem geldt de natuur als eensamenhangend geheelen de natuur, bij Fichte de asschepoetster, wordt bij hem vorstin. Zij kan alleen gekend worden, als zij met den geestgelijksoortigis: ook de natuur is geest. Is dat aangenomen, dan kan uit het zijn een voorstelling, uit het object een subject ontstaan, dan kan verklaard worden, hoe uit de natuur een ik komt: beide zijn geest.Hoogste ontwikkelingsvorm van de natuur is de mensch en om nu de natuur te leeren kennen, daalt Schelling van den mensch af tot de natuur. Om het wiskundig uit te drukken: van natuur tot mensch zou een opklimmende reeks zijn, van mensch tot natuur een afdalende. De natuur staat dusniet tegenoverden geest, maar is een lager vorm, de materie is sluimerende geest.Op dit beginsel wordt nu een speculatieve natuurleer opgebouwd, die staat tegenover die van Boyle en Newton, die de klad in de natuurkennis gebracht hebben. Het is ook niet noodig, om de uitkomsten der speculatieve natuurleer aan de ervaring te toetsen: het geldt het innerlijke der natuur te verstaan.Met koene fantasie wijst de denker aan, hoe de geest uit de natuur ontstaat of juister, hoe de natuur opstijgt tot den geest. Hij weet een schema te ontwerpen, waarin anorganische stof, plant en dier plaats vinden en ook de mensch. In deze bereikt de geest zijn hoogtepunt door van kennen en handelen tot dekunstvoort te schrijden. Zij is het eenig ware en eeuwige orgaan der wijsbegeerte. Zij opent den wijsgeer het Heilige der Heiligen. Daar brandt, vereend in één vlam, wat in natuur en geschiedenis gescheiden is.Zoo is Schelling gekomen tot de opvatting, dat alles eigenlijk poëzie is: het natuurgebeuren een onbewuste poëzie.Identiteit.Natuur en geest waren hetzelfde: aan beide lag een absoluut iets ten grondslag. Dat absolute wordt in Schelling’s tweede periode bepaald als de volkomen gelijkheid, eenswezendheid van het reëele en ideale. Geest en lichaam zijn de beide verschijningsvormen van dat eene Absolute. Dit herinnert sterk aan Spinoza, wiens wiskundigenvorm ook eerst nagevolgd wordt. Dit absolute is nu ’t voorwerp der filosofie. De natuurfilosofie, de beschouwing van den geest worden nu ónder de leer van het absolute gebracht. Schematisch zou het zoo te zeggen zijn.Absolute.Geest = Lichaam.Men mag het absolute dus noch geest, noch lichaam noemen: het is allebei.Ook de afzonderlijke dingen zijn allebei, doch daarbij is een overwicht naar één zijde.Het Absolute is te formuleeren als A = B; daar zijn allebei volkomen gelijk.De natuur kan voorgesteld worden door A + = B.Het objectieve overheerscht.De geest is A = + B. Hier is B, het subjectieve, het voornaamste.Later heeft Schelling deze leer, onder aanknooping aan Giordano Bruno, verder ontwikkeld, en toegepast zoowel op de natuur als op religie en wetenschap.Theologie.Er is dus een Absoluut iets, geest noch lichaam, subject noch object. Maar nu doet zich een vraag voor, waarvoor Schelling zich vooral door een zijner leerlingen zag geplaatst: Wàt is de grond, dat het Absolute zich scheidt? Waarom zien wij een wereld van aparte dingen, die onvolkomen zijn? Eigenlijk staat Schelling hier weer voor de oude vraag naar de oorzaak van het booze. Hij neemt een oplossing aan, die herinnert aan die van Böhme (I 226).De grond voor scheiding, voor ’t verkeerde moet in het Absolute liggen.Er bestaat eenirrationeelelement in de wereld. God kan eerst dan God zijn, als hij zich zelf verwezenlijkenkan. Het ontstaan der bijzondere dingen is als ’t ware een afval, is de zondenval. De geheele geschiedenis is een terugstreven naar de eenheid, en de opname der enkeldingen in het Absolute is de verlossing.Langzamerhand dus verdwijnt de macht van het kwade, het wordt alleen eenmogelijkheid, zooals zij aanvankelijk in God was. Dewerkelijkheidvan het kwaad, die in den vrijen wil des menschen was gelegen, houdt op.Vatten wij de voornaamste punten uit Schelling’s leer op, dan krijgen wij in drie stadiën dit:Er is een ik, en een niet-ik. Dat niet-ik is geen doode natuur, maar ook geest. Daarom is, van uit denatuurfilosofieop te stijgen tot den mensch, wien in de kunst het heiligdom geopend wordt (1). Maar aan den mensch en natuur, ideëel en reëel, subject en object, ligt iets absoluuts te gronde, waarin die onderscheidingen niet bestaan, en waaruit geest en natuur voortkomen. Dat Absolute is deidentiteitvan geest en natuur (2). Nu kan echter de vraag oprijzen, hoe uit het Absolute de enkeldingen kunnen voortkomen en het booze ontstaan: de grond ligt in een irrationeel element in de godheid, God zelf moet zich ontwikkelen. Maar de mensch metzijn vrijheidmaakt het mogelijke booze tot werkelijkheid, die eerst weer verdwijnt, als, na voleinding der geschiedenis, alles weer in het Absolute wordt opgenomen (3).§17.Schelling’s geestverwanten.Zonder een eigenlijke school te vormen heeft Schelling op een groot aantal mannen invloed uitgeoefend die ieder in een bepaalde richting werkzaam waren.Zoo is te noemen de natuurfilosoofLorenz Oken(1779–1851) die, uit een oerslijm alles latend opkomen, het al zich in den mensch zelven laat kennen. De dieren, onder het zoogdier vertegenwoordigen ieder een zin: de visch de reuk, de worm het gevoel, de vogel het gehoor enz. Hij komt tot wonderlijke invallen: “De aether is 1 in 3, de andere elementen zijn slechts het drie van den aether, tezamen 4.” “De gezichtszenuw is een georganiseerde lichtstraal.”Okens natuurfilosofie vooral bracht deze wetenschap in minachting bij de natuurvorschers. De lektuur van zijn werken heeft grooten invloed uitgeoefend op Fechner.De identiteitfilosoofWagner(1775–1841) oefende invloed uit op den Nederlander Land. De godsdienstfilosoof Krause oefende een tijdlang invloed uit in België, Frankrijk en ook in Spanje. Zijn taal is moeilijk. Hij voert nieuwe stammen in, maakt ellenlange woorden. Dit maakt de lectuur zwaar. In Ahrens vond hij een vertaler, die zijn werken in vloeiend Fransch overbracht. Vandaar de groote invloed in evengenoemde landen. Ook in onze literatuur ontmoet men zijn naam een enkele maal. Vrijzinnig katholiek verkondigde hij een eigen leer, waaraan diepte van gevoel wordt toegeschreven.De meest zelfstandige en beteekenendste der geestverwanten van Schelling is Schleiermacher.Schleiermacher.Hij werd 1768 uit een predikantenfamilie te Breslau geboren, studeerde theologie, gaf in 1799 zijn “Toespraken over de religie” uit, werd in 1809 prediker en (na de oprichting der universiteit) professor te Berlijn en stierf 1839. Schleiermacher was een man, die talrijke invloeden op zich liet inwerken, maar ze tot een levend geheel met een persoonlijk kenmerk wistsamen te voegen. Hij trachtte zooveel mogelijk uitersten en eenzijdigheid te vermijden, maar werd daardoor wel eens wat “mat.” Zijn grooten naam dankt hij voornl. aan zijn theologische werkzaamheid: “de grootste theoloog, dien het Protestantisme sedert den Hervormingstijd had gehad.” (Vorländer). Wij bepalen ons dus hier tot zijn godsdienstwijsbegeerte.Schleiermacher, al wilde hij dit niet met zoovele woorden erkennen, naderde zeer dicht tot het Spinozistische pantheïsme (I. bl. 262). In God vallen willen en kunnen, verstand en wil samen. Men moet in God niet het persoonlijkheidselement leggen: dat is het oneindige eindig maken, dat is een overblijfsel uit mythologische tijden. God heeft nooit zonder de wereld bestaan en in ons en in de dingen kennen wij hem slechts. In den wettelijken gang der wereld grijpt God niet door wonderen in. Alles geschiedt met noodzakelijkheid. Als alle enkeldingen zijn wij slechts toestanden in het leven van het Al.Het gewone onsterfelijkheidsgeloof is weinig vroom, dat hoopt op een schadeloosstelling in het hiernamaals.Vroomheid, ziedaar de kern van Schl. godsdienstwijsbegeerte. Zij zetelt noch in het verstand, noch in den wil, maar in hetgevoel. Wij voelen de tegenwoordigheid van het oneindige, en alle godsdienstige handelingen en voorstellingen bekomen alleen waarde door het religieus gevoel. Dat gevoel zelf is een gevoel vanafhankelijkheid, ontsproten uit ons vurig verlangen naar het oneindige, uit de zucht naar eenwording met God.Ook voor de zedeleer en de paedagogiek heeft Schleiermacher beteekenis, en eindelijk voor de geschiedenis der wijsbegeerte door voortreffelijke Platovertalingen.
HOOFDSTUK VI.Schelling en zijn geestverwanten.
§ 16.Schelling.Schelling is de kunstenaar onder de speculatieve wijsgeeren en de filosoof der romantiek. Daarvangetuigtzijnleer, aan herhaalde wijzigingen—zij ’t niet zonder onderling verband—onderhevig en de invloeden vertoonend van tal van vroegere verschillende groote denkers, (Kant, Spinoza, Bruno, Böhme, de Gnostici);—zijn denkmethode, meer op fantasie dan kritisch onderzoek berustend, meer op de overeenkomsten dan op de verschillen lettend;—zijn stijl, soms stijgend tot die der lyrische verrukking.Friedrich Wilhelm Joseph Schelling werd 27 Januari 1775 te Leonberg in Wurtemberg geboren, schreef reeds op 17-jarigen leeftijd een dissertatie over den zondenval, was in de gelegenheid in 1796 en 1797 te Leipzig natuurstudie te bedrijven, en gaf in 1797 zijn “Ideeën over natuurfilosofie” uit. In 1798 komt: “Van de wereldziel.” Hetzelfde jaar ziet hem professor te Jena, waar hij een gezien lid is van den kring der romantici. Terwijl hij eerst op Fichte’s standpuntgestaan had, verwijdert hij zich daarvan meer en meer. Na 1800, waarin het “Systeem van het transcendentale Idealisme” uitkomt, begint een nieuwe ontwikkelingsgang, die der Identiteitsfilosofie, waarin de invloed van Bruno sterk is. In dezen tijd valt zijn vertrek naar München, als algemeen secretaris der Academie voor beeldende kunsten. In 1809 begint een derde periode, waarin Böhme op Schelling inwerkt en deze zichreligieuzevraagstukken toewendt (Wijsgeerige onderzoekingen over het wezen der menschelijke vrijheid).Van nu aan publiceert Schelling veel minder en stelt de verwachtingen, die men koesterde, teleur. Na professoraten te Erlangen en München, komt hij 1841 te Berlijn, daarheen door Koning Willem IV beroepen als tegenwicht tegen het godsdienstig radicalisme der Hegelsche linkerzijde. Als tegen zijn zin zijn colleges gedrukt worden, staakt hij die. In 1854 sterft hij in Bad Ragaz in Zwitserland, nog geheel onverwacht.Natuurfilosofie.Schelling begon met een aanhanger van Fichte te zijn, maar weldra was diens ik, dat een niet-ik zet, hem te dor en te leeg, en voldeed het hem niet meer, de natuur als een dood voorwerp te behandelen, dat slechts door het niet-ik is gesteld, opdat er een te bearbeiden stof zal zijn. Hem geldt de natuur als eensamenhangend geheelen de natuur, bij Fichte de asschepoetster, wordt bij hem vorstin. Zij kan alleen gekend worden, als zij met den geestgelijksoortigis: ook de natuur is geest. Is dat aangenomen, dan kan uit het zijn een voorstelling, uit het object een subject ontstaan, dan kan verklaard worden, hoe uit de natuur een ik komt: beide zijn geest.Hoogste ontwikkelingsvorm van de natuur is de mensch en om nu de natuur te leeren kennen, daalt Schelling van den mensch af tot de natuur. Om het wiskundig uit te drukken: van natuur tot mensch zou een opklimmende reeks zijn, van mensch tot natuur een afdalende. De natuur staat dusniet tegenoverden geest, maar is een lager vorm, de materie is sluimerende geest.Op dit beginsel wordt nu een speculatieve natuurleer opgebouwd, die staat tegenover die van Boyle en Newton, die de klad in de natuurkennis gebracht hebben. Het is ook niet noodig, om de uitkomsten der speculatieve natuurleer aan de ervaring te toetsen: het geldt het innerlijke der natuur te verstaan.Met koene fantasie wijst de denker aan, hoe de geest uit de natuur ontstaat of juister, hoe de natuur opstijgt tot den geest. Hij weet een schema te ontwerpen, waarin anorganische stof, plant en dier plaats vinden en ook de mensch. In deze bereikt de geest zijn hoogtepunt door van kennen en handelen tot dekunstvoort te schrijden. Zij is het eenig ware en eeuwige orgaan der wijsbegeerte. Zij opent den wijsgeer het Heilige der Heiligen. Daar brandt, vereend in één vlam, wat in natuur en geschiedenis gescheiden is.Zoo is Schelling gekomen tot de opvatting, dat alles eigenlijk poëzie is: het natuurgebeuren een onbewuste poëzie.Identiteit.Natuur en geest waren hetzelfde: aan beide lag een absoluut iets ten grondslag. Dat absolute wordt in Schelling’s tweede periode bepaald als de volkomen gelijkheid, eenswezendheid van het reëele en ideale. Geest en lichaam zijn de beide verschijningsvormen van dat eene Absolute. Dit herinnert sterk aan Spinoza, wiens wiskundigenvorm ook eerst nagevolgd wordt. Dit absolute is nu ’t voorwerp der filosofie. De natuurfilosofie, de beschouwing van den geest worden nu ónder de leer van het absolute gebracht. Schematisch zou het zoo te zeggen zijn.Absolute.Geest = Lichaam.Men mag het absolute dus noch geest, noch lichaam noemen: het is allebei.Ook de afzonderlijke dingen zijn allebei, doch daarbij is een overwicht naar één zijde.Het Absolute is te formuleeren als A = B; daar zijn allebei volkomen gelijk.De natuur kan voorgesteld worden door A + = B.Het objectieve overheerscht.De geest is A = + B. Hier is B, het subjectieve, het voornaamste.Later heeft Schelling deze leer, onder aanknooping aan Giordano Bruno, verder ontwikkeld, en toegepast zoowel op de natuur als op religie en wetenschap.Theologie.Er is dus een Absoluut iets, geest noch lichaam, subject noch object. Maar nu doet zich een vraag voor, waarvoor Schelling zich vooral door een zijner leerlingen zag geplaatst: Wàt is de grond, dat het Absolute zich scheidt? Waarom zien wij een wereld van aparte dingen, die onvolkomen zijn? Eigenlijk staat Schelling hier weer voor de oude vraag naar de oorzaak van het booze. Hij neemt een oplossing aan, die herinnert aan die van Böhme (I 226).De grond voor scheiding, voor ’t verkeerde moet in het Absolute liggen.Er bestaat eenirrationeelelement in de wereld. God kan eerst dan God zijn, als hij zich zelf verwezenlijkenkan. Het ontstaan der bijzondere dingen is als ’t ware een afval, is de zondenval. De geheele geschiedenis is een terugstreven naar de eenheid, en de opname der enkeldingen in het Absolute is de verlossing.Langzamerhand dus verdwijnt de macht van het kwade, het wordt alleen eenmogelijkheid, zooals zij aanvankelijk in God was. Dewerkelijkheidvan het kwaad, die in den vrijen wil des menschen was gelegen, houdt op.Vatten wij de voornaamste punten uit Schelling’s leer op, dan krijgen wij in drie stadiën dit:Er is een ik, en een niet-ik. Dat niet-ik is geen doode natuur, maar ook geest. Daarom is, van uit denatuurfilosofieop te stijgen tot den mensch, wien in de kunst het heiligdom geopend wordt (1). Maar aan den mensch en natuur, ideëel en reëel, subject en object, ligt iets absoluuts te gronde, waarin die onderscheidingen niet bestaan, en waaruit geest en natuur voortkomen. Dat Absolute is deidentiteitvan geest en natuur (2). Nu kan echter de vraag oprijzen, hoe uit het Absolute de enkeldingen kunnen voortkomen en het booze ontstaan: de grond ligt in een irrationeel element in de godheid, God zelf moet zich ontwikkelen. Maar de mensch metzijn vrijheidmaakt het mogelijke booze tot werkelijkheid, die eerst weer verdwijnt, als, na voleinding der geschiedenis, alles weer in het Absolute wordt opgenomen (3).§17.Schelling’s geestverwanten.Zonder een eigenlijke school te vormen heeft Schelling op een groot aantal mannen invloed uitgeoefend die ieder in een bepaalde richting werkzaam waren.Zoo is te noemen de natuurfilosoofLorenz Oken(1779–1851) die, uit een oerslijm alles latend opkomen, het al zich in den mensch zelven laat kennen. De dieren, onder het zoogdier vertegenwoordigen ieder een zin: de visch de reuk, de worm het gevoel, de vogel het gehoor enz. Hij komt tot wonderlijke invallen: “De aether is 1 in 3, de andere elementen zijn slechts het drie van den aether, tezamen 4.” “De gezichtszenuw is een georganiseerde lichtstraal.”Okens natuurfilosofie vooral bracht deze wetenschap in minachting bij de natuurvorschers. De lektuur van zijn werken heeft grooten invloed uitgeoefend op Fechner.De identiteitfilosoofWagner(1775–1841) oefende invloed uit op den Nederlander Land. De godsdienstfilosoof Krause oefende een tijdlang invloed uit in België, Frankrijk en ook in Spanje. Zijn taal is moeilijk. Hij voert nieuwe stammen in, maakt ellenlange woorden. Dit maakt de lectuur zwaar. In Ahrens vond hij een vertaler, die zijn werken in vloeiend Fransch overbracht. Vandaar de groote invloed in evengenoemde landen. Ook in onze literatuur ontmoet men zijn naam een enkele maal. Vrijzinnig katholiek verkondigde hij een eigen leer, waaraan diepte van gevoel wordt toegeschreven.De meest zelfstandige en beteekenendste der geestverwanten van Schelling is Schleiermacher.Schleiermacher.Hij werd 1768 uit een predikantenfamilie te Breslau geboren, studeerde theologie, gaf in 1799 zijn “Toespraken over de religie” uit, werd in 1809 prediker en (na de oprichting der universiteit) professor te Berlijn en stierf 1839. Schleiermacher was een man, die talrijke invloeden op zich liet inwerken, maar ze tot een levend geheel met een persoonlijk kenmerk wistsamen te voegen. Hij trachtte zooveel mogelijk uitersten en eenzijdigheid te vermijden, maar werd daardoor wel eens wat “mat.” Zijn grooten naam dankt hij voornl. aan zijn theologische werkzaamheid: “de grootste theoloog, dien het Protestantisme sedert den Hervormingstijd had gehad.” (Vorländer). Wij bepalen ons dus hier tot zijn godsdienstwijsbegeerte.Schleiermacher, al wilde hij dit niet met zoovele woorden erkennen, naderde zeer dicht tot het Spinozistische pantheïsme (I. bl. 262). In God vallen willen en kunnen, verstand en wil samen. Men moet in God niet het persoonlijkheidselement leggen: dat is het oneindige eindig maken, dat is een overblijfsel uit mythologische tijden. God heeft nooit zonder de wereld bestaan en in ons en in de dingen kennen wij hem slechts. In den wettelijken gang der wereld grijpt God niet door wonderen in. Alles geschiedt met noodzakelijkheid. Als alle enkeldingen zijn wij slechts toestanden in het leven van het Al.Het gewone onsterfelijkheidsgeloof is weinig vroom, dat hoopt op een schadeloosstelling in het hiernamaals.Vroomheid, ziedaar de kern van Schl. godsdienstwijsbegeerte. Zij zetelt noch in het verstand, noch in den wil, maar in hetgevoel. Wij voelen de tegenwoordigheid van het oneindige, en alle godsdienstige handelingen en voorstellingen bekomen alleen waarde door het religieus gevoel. Dat gevoel zelf is een gevoel vanafhankelijkheid, ontsproten uit ons vurig verlangen naar het oneindige, uit de zucht naar eenwording met God.Ook voor de zedeleer en de paedagogiek heeft Schleiermacher beteekenis, en eindelijk voor de geschiedenis der wijsbegeerte door voortreffelijke Platovertalingen.
§ 16.Schelling.Schelling is de kunstenaar onder de speculatieve wijsgeeren en de filosoof der romantiek. Daarvangetuigtzijnleer, aan herhaalde wijzigingen—zij ’t niet zonder onderling verband—onderhevig en de invloeden vertoonend van tal van vroegere verschillende groote denkers, (Kant, Spinoza, Bruno, Böhme, de Gnostici);—zijn denkmethode, meer op fantasie dan kritisch onderzoek berustend, meer op de overeenkomsten dan op de verschillen lettend;—zijn stijl, soms stijgend tot die der lyrische verrukking.Friedrich Wilhelm Joseph Schelling werd 27 Januari 1775 te Leonberg in Wurtemberg geboren, schreef reeds op 17-jarigen leeftijd een dissertatie over den zondenval, was in de gelegenheid in 1796 en 1797 te Leipzig natuurstudie te bedrijven, en gaf in 1797 zijn “Ideeën over natuurfilosofie” uit. In 1798 komt: “Van de wereldziel.” Hetzelfde jaar ziet hem professor te Jena, waar hij een gezien lid is van den kring der romantici. Terwijl hij eerst op Fichte’s standpuntgestaan had, verwijdert hij zich daarvan meer en meer. Na 1800, waarin het “Systeem van het transcendentale Idealisme” uitkomt, begint een nieuwe ontwikkelingsgang, die der Identiteitsfilosofie, waarin de invloed van Bruno sterk is. In dezen tijd valt zijn vertrek naar München, als algemeen secretaris der Academie voor beeldende kunsten. In 1809 begint een derde periode, waarin Böhme op Schelling inwerkt en deze zichreligieuzevraagstukken toewendt (Wijsgeerige onderzoekingen over het wezen der menschelijke vrijheid).Van nu aan publiceert Schelling veel minder en stelt de verwachtingen, die men koesterde, teleur. Na professoraten te Erlangen en München, komt hij 1841 te Berlijn, daarheen door Koning Willem IV beroepen als tegenwicht tegen het godsdienstig radicalisme der Hegelsche linkerzijde. Als tegen zijn zin zijn colleges gedrukt worden, staakt hij die. In 1854 sterft hij in Bad Ragaz in Zwitserland, nog geheel onverwacht.Natuurfilosofie.Schelling begon met een aanhanger van Fichte te zijn, maar weldra was diens ik, dat een niet-ik zet, hem te dor en te leeg, en voldeed het hem niet meer, de natuur als een dood voorwerp te behandelen, dat slechts door het niet-ik is gesteld, opdat er een te bearbeiden stof zal zijn. Hem geldt de natuur als eensamenhangend geheelen de natuur, bij Fichte de asschepoetster, wordt bij hem vorstin. Zij kan alleen gekend worden, als zij met den geestgelijksoortigis: ook de natuur is geest. Is dat aangenomen, dan kan uit het zijn een voorstelling, uit het object een subject ontstaan, dan kan verklaard worden, hoe uit de natuur een ik komt: beide zijn geest.Hoogste ontwikkelingsvorm van de natuur is de mensch en om nu de natuur te leeren kennen, daalt Schelling van den mensch af tot de natuur. Om het wiskundig uit te drukken: van natuur tot mensch zou een opklimmende reeks zijn, van mensch tot natuur een afdalende. De natuur staat dusniet tegenoverden geest, maar is een lager vorm, de materie is sluimerende geest.Op dit beginsel wordt nu een speculatieve natuurleer opgebouwd, die staat tegenover die van Boyle en Newton, die de klad in de natuurkennis gebracht hebben. Het is ook niet noodig, om de uitkomsten der speculatieve natuurleer aan de ervaring te toetsen: het geldt het innerlijke der natuur te verstaan.Met koene fantasie wijst de denker aan, hoe de geest uit de natuur ontstaat of juister, hoe de natuur opstijgt tot den geest. Hij weet een schema te ontwerpen, waarin anorganische stof, plant en dier plaats vinden en ook de mensch. In deze bereikt de geest zijn hoogtepunt door van kennen en handelen tot dekunstvoort te schrijden. Zij is het eenig ware en eeuwige orgaan der wijsbegeerte. Zij opent den wijsgeer het Heilige der Heiligen. Daar brandt, vereend in één vlam, wat in natuur en geschiedenis gescheiden is.Zoo is Schelling gekomen tot de opvatting, dat alles eigenlijk poëzie is: het natuurgebeuren een onbewuste poëzie.Identiteit.Natuur en geest waren hetzelfde: aan beide lag een absoluut iets ten grondslag. Dat absolute wordt in Schelling’s tweede periode bepaald als de volkomen gelijkheid, eenswezendheid van het reëele en ideale. Geest en lichaam zijn de beide verschijningsvormen van dat eene Absolute. Dit herinnert sterk aan Spinoza, wiens wiskundigenvorm ook eerst nagevolgd wordt. Dit absolute is nu ’t voorwerp der filosofie. De natuurfilosofie, de beschouwing van den geest worden nu ónder de leer van het absolute gebracht. Schematisch zou het zoo te zeggen zijn.Absolute.Geest = Lichaam.Men mag het absolute dus noch geest, noch lichaam noemen: het is allebei.Ook de afzonderlijke dingen zijn allebei, doch daarbij is een overwicht naar één zijde.Het Absolute is te formuleeren als A = B; daar zijn allebei volkomen gelijk.De natuur kan voorgesteld worden door A + = B.Het objectieve overheerscht.De geest is A = + B. Hier is B, het subjectieve, het voornaamste.Later heeft Schelling deze leer, onder aanknooping aan Giordano Bruno, verder ontwikkeld, en toegepast zoowel op de natuur als op religie en wetenschap.Theologie.Er is dus een Absoluut iets, geest noch lichaam, subject noch object. Maar nu doet zich een vraag voor, waarvoor Schelling zich vooral door een zijner leerlingen zag geplaatst: Wàt is de grond, dat het Absolute zich scheidt? Waarom zien wij een wereld van aparte dingen, die onvolkomen zijn? Eigenlijk staat Schelling hier weer voor de oude vraag naar de oorzaak van het booze. Hij neemt een oplossing aan, die herinnert aan die van Böhme (I 226).De grond voor scheiding, voor ’t verkeerde moet in het Absolute liggen.Er bestaat eenirrationeelelement in de wereld. God kan eerst dan God zijn, als hij zich zelf verwezenlijkenkan. Het ontstaan der bijzondere dingen is als ’t ware een afval, is de zondenval. De geheele geschiedenis is een terugstreven naar de eenheid, en de opname der enkeldingen in het Absolute is de verlossing.Langzamerhand dus verdwijnt de macht van het kwade, het wordt alleen eenmogelijkheid, zooals zij aanvankelijk in God was. Dewerkelijkheidvan het kwaad, die in den vrijen wil des menschen was gelegen, houdt op.Vatten wij de voornaamste punten uit Schelling’s leer op, dan krijgen wij in drie stadiën dit:Er is een ik, en een niet-ik. Dat niet-ik is geen doode natuur, maar ook geest. Daarom is, van uit denatuurfilosofieop te stijgen tot den mensch, wien in de kunst het heiligdom geopend wordt (1). Maar aan den mensch en natuur, ideëel en reëel, subject en object, ligt iets absoluuts te gronde, waarin die onderscheidingen niet bestaan, en waaruit geest en natuur voortkomen. Dat Absolute is deidentiteitvan geest en natuur (2). Nu kan echter de vraag oprijzen, hoe uit het Absolute de enkeldingen kunnen voortkomen en het booze ontstaan: de grond ligt in een irrationeel element in de godheid, God zelf moet zich ontwikkelen. Maar de mensch metzijn vrijheidmaakt het mogelijke booze tot werkelijkheid, die eerst weer verdwijnt, als, na voleinding der geschiedenis, alles weer in het Absolute wordt opgenomen (3).
§ 16.Schelling.
Schelling is de kunstenaar onder de speculatieve wijsgeeren en de filosoof der romantiek. Daarvangetuigtzijnleer, aan herhaalde wijzigingen—zij ’t niet zonder onderling verband—onderhevig en de invloeden vertoonend van tal van vroegere verschillende groote denkers, (Kant, Spinoza, Bruno, Böhme, de Gnostici);—zijn denkmethode, meer op fantasie dan kritisch onderzoek berustend, meer op de overeenkomsten dan op de verschillen lettend;—zijn stijl, soms stijgend tot die der lyrische verrukking.Friedrich Wilhelm Joseph Schelling werd 27 Januari 1775 te Leonberg in Wurtemberg geboren, schreef reeds op 17-jarigen leeftijd een dissertatie over den zondenval, was in de gelegenheid in 1796 en 1797 te Leipzig natuurstudie te bedrijven, en gaf in 1797 zijn “Ideeën over natuurfilosofie” uit. In 1798 komt: “Van de wereldziel.” Hetzelfde jaar ziet hem professor te Jena, waar hij een gezien lid is van den kring der romantici. Terwijl hij eerst op Fichte’s standpuntgestaan had, verwijdert hij zich daarvan meer en meer. Na 1800, waarin het “Systeem van het transcendentale Idealisme” uitkomt, begint een nieuwe ontwikkelingsgang, die der Identiteitsfilosofie, waarin de invloed van Bruno sterk is. In dezen tijd valt zijn vertrek naar München, als algemeen secretaris der Academie voor beeldende kunsten. In 1809 begint een derde periode, waarin Böhme op Schelling inwerkt en deze zichreligieuzevraagstukken toewendt (Wijsgeerige onderzoekingen over het wezen der menschelijke vrijheid).Van nu aan publiceert Schelling veel minder en stelt de verwachtingen, die men koesterde, teleur. Na professoraten te Erlangen en München, komt hij 1841 te Berlijn, daarheen door Koning Willem IV beroepen als tegenwicht tegen het godsdienstig radicalisme der Hegelsche linkerzijde. Als tegen zijn zin zijn colleges gedrukt worden, staakt hij die. In 1854 sterft hij in Bad Ragaz in Zwitserland, nog geheel onverwacht.Natuurfilosofie.Schelling begon met een aanhanger van Fichte te zijn, maar weldra was diens ik, dat een niet-ik zet, hem te dor en te leeg, en voldeed het hem niet meer, de natuur als een dood voorwerp te behandelen, dat slechts door het niet-ik is gesteld, opdat er een te bearbeiden stof zal zijn. Hem geldt de natuur als eensamenhangend geheelen de natuur, bij Fichte de asschepoetster, wordt bij hem vorstin. Zij kan alleen gekend worden, als zij met den geestgelijksoortigis: ook de natuur is geest. Is dat aangenomen, dan kan uit het zijn een voorstelling, uit het object een subject ontstaan, dan kan verklaard worden, hoe uit de natuur een ik komt: beide zijn geest.Hoogste ontwikkelingsvorm van de natuur is de mensch en om nu de natuur te leeren kennen, daalt Schelling van den mensch af tot de natuur. Om het wiskundig uit te drukken: van natuur tot mensch zou een opklimmende reeks zijn, van mensch tot natuur een afdalende. De natuur staat dusniet tegenoverden geest, maar is een lager vorm, de materie is sluimerende geest.Op dit beginsel wordt nu een speculatieve natuurleer opgebouwd, die staat tegenover die van Boyle en Newton, die de klad in de natuurkennis gebracht hebben. Het is ook niet noodig, om de uitkomsten der speculatieve natuurleer aan de ervaring te toetsen: het geldt het innerlijke der natuur te verstaan.Met koene fantasie wijst de denker aan, hoe de geest uit de natuur ontstaat of juister, hoe de natuur opstijgt tot den geest. Hij weet een schema te ontwerpen, waarin anorganische stof, plant en dier plaats vinden en ook de mensch. In deze bereikt de geest zijn hoogtepunt door van kennen en handelen tot dekunstvoort te schrijden. Zij is het eenig ware en eeuwige orgaan der wijsbegeerte. Zij opent den wijsgeer het Heilige der Heiligen. Daar brandt, vereend in één vlam, wat in natuur en geschiedenis gescheiden is.Zoo is Schelling gekomen tot de opvatting, dat alles eigenlijk poëzie is: het natuurgebeuren een onbewuste poëzie.Identiteit.Natuur en geest waren hetzelfde: aan beide lag een absoluut iets ten grondslag. Dat absolute wordt in Schelling’s tweede periode bepaald als de volkomen gelijkheid, eenswezendheid van het reëele en ideale. Geest en lichaam zijn de beide verschijningsvormen van dat eene Absolute. Dit herinnert sterk aan Spinoza, wiens wiskundigenvorm ook eerst nagevolgd wordt. Dit absolute is nu ’t voorwerp der filosofie. De natuurfilosofie, de beschouwing van den geest worden nu ónder de leer van het absolute gebracht. Schematisch zou het zoo te zeggen zijn.Absolute.Geest = Lichaam.Men mag het absolute dus noch geest, noch lichaam noemen: het is allebei.Ook de afzonderlijke dingen zijn allebei, doch daarbij is een overwicht naar één zijde.Het Absolute is te formuleeren als A = B; daar zijn allebei volkomen gelijk.De natuur kan voorgesteld worden door A + = B.Het objectieve overheerscht.De geest is A = + B. Hier is B, het subjectieve, het voornaamste.Later heeft Schelling deze leer, onder aanknooping aan Giordano Bruno, verder ontwikkeld, en toegepast zoowel op de natuur als op religie en wetenschap.Theologie.Er is dus een Absoluut iets, geest noch lichaam, subject noch object. Maar nu doet zich een vraag voor, waarvoor Schelling zich vooral door een zijner leerlingen zag geplaatst: Wàt is de grond, dat het Absolute zich scheidt? Waarom zien wij een wereld van aparte dingen, die onvolkomen zijn? Eigenlijk staat Schelling hier weer voor de oude vraag naar de oorzaak van het booze. Hij neemt een oplossing aan, die herinnert aan die van Böhme (I 226).De grond voor scheiding, voor ’t verkeerde moet in het Absolute liggen.Er bestaat eenirrationeelelement in de wereld. God kan eerst dan God zijn, als hij zich zelf verwezenlijkenkan. Het ontstaan der bijzondere dingen is als ’t ware een afval, is de zondenval. De geheele geschiedenis is een terugstreven naar de eenheid, en de opname der enkeldingen in het Absolute is de verlossing.Langzamerhand dus verdwijnt de macht van het kwade, het wordt alleen eenmogelijkheid, zooals zij aanvankelijk in God was. Dewerkelijkheidvan het kwaad, die in den vrijen wil des menschen was gelegen, houdt op.Vatten wij de voornaamste punten uit Schelling’s leer op, dan krijgen wij in drie stadiën dit:Er is een ik, en een niet-ik. Dat niet-ik is geen doode natuur, maar ook geest. Daarom is, van uit denatuurfilosofieop te stijgen tot den mensch, wien in de kunst het heiligdom geopend wordt (1). Maar aan den mensch en natuur, ideëel en reëel, subject en object, ligt iets absoluuts te gronde, waarin die onderscheidingen niet bestaan, en waaruit geest en natuur voortkomen. Dat Absolute is deidentiteitvan geest en natuur (2). Nu kan echter de vraag oprijzen, hoe uit het Absolute de enkeldingen kunnen voortkomen en het booze ontstaan: de grond ligt in een irrationeel element in de godheid, God zelf moet zich ontwikkelen. Maar de mensch metzijn vrijheidmaakt het mogelijke booze tot werkelijkheid, die eerst weer verdwijnt, als, na voleinding der geschiedenis, alles weer in het Absolute wordt opgenomen (3).
Schelling is de kunstenaar onder de speculatieve wijsgeeren en de filosoof der romantiek. Daarvangetuigtzijnleer, aan herhaalde wijzigingen—zij ’t niet zonder onderling verband—onderhevig en de invloeden vertoonend van tal van vroegere verschillende groote denkers, (Kant, Spinoza, Bruno, Böhme, de Gnostici);—zijn denkmethode, meer op fantasie dan kritisch onderzoek berustend, meer op de overeenkomsten dan op de verschillen lettend;—zijn stijl, soms stijgend tot die der lyrische verrukking.
Friedrich Wilhelm Joseph Schelling werd 27 Januari 1775 te Leonberg in Wurtemberg geboren, schreef reeds op 17-jarigen leeftijd een dissertatie over den zondenval, was in de gelegenheid in 1796 en 1797 te Leipzig natuurstudie te bedrijven, en gaf in 1797 zijn “Ideeën over natuurfilosofie” uit. In 1798 komt: “Van de wereldziel.” Hetzelfde jaar ziet hem professor te Jena, waar hij een gezien lid is van den kring der romantici. Terwijl hij eerst op Fichte’s standpuntgestaan had, verwijdert hij zich daarvan meer en meer. Na 1800, waarin het “Systeem van het transcendentale Idealisme” uitkomt, begint een nieuwe ontwikkelingsgang, die der Identiteitsfilosofie, waarin de invloed van Bruno sterk is. In dezen tijd valt zijn vertrek naar München, als algemeen secretaris der Academie voor beeldende kunsten. In 1809 begint een derde periode, waarin Böhme op Schelling inwerkt en deze zichreligieuzevraagstukken toewendt (Wijsgeerige onderzoekingen over het wezen der menschelijke vrijheid).
Van nu aan publiceert Schelling veel minder en stelt de verwachtingen, die men koesterde, teleur. Na professoraten te Erlangen en München, komt hij 1841 te Berlijn, daarheen door Koning Willem IV beroepen als tegenwicht tegen het godsdienstig radicalisme der Hegelsche linkerzijde. Als tegen zijn zin zijn colleges gedrukt worden, staakt hij die. In 1854 sterft hij in Bad Ragaz in Zwitserland, nog geheel onverwacht.
Natuurfilosofie.Schelling begon met een aanhanger van Fichte te zijn, maar weldra was diens ik, dat een niet-ik zet, hem te dor en te leeg, en voldeed het hem niet meer, de natuur als een dood voorwerp te behandelen, dat slechts door het niet-ik is gesteld, opdat er een te bearbeiden stof zal zijn. Hem geldt de natuur als eensamenhangend geheelen de natuur, bij Fichte de asschepoetster, wordt bij hem vorstin. Zij kan alleen gekend worden, als zij met den geestgelijksoortigis: ook de natuur is geest. Is dat aangenomen, dan kan uit het zijn een voorstelling, uit het object een subject ontstaan, dan kan verklaard worden, hoe uit de natuur een ik komt: beide zijn geest.Hoogste ontwikkelingsvorm van de natuur is de mensch en om nu de natuur te leeren kennen, daalt Schelling van den mensch af tot de natuur. Om het wiskundig uit te drukken: van natuur tot mensch zou een opklimmende reeks zijn, van mensch tot natuur een afdalende. De natuur staat dusniet tegenoverden geest, maar is een lager vorm, de materie is sluimerende geest.Op dit beginsel wordt nu een speculatieve natuurleer opgebouwd, die staat tegenover die van Boyle en Newton, die de klad in de natuurkennis gebracht hebben. Het is ook niet noodig, om de uitkomsten der speculatieve natuurleer aan de ervaring te toetsen: het geldt het innerlijke der natuur te verstaan.Met koene fantasie wijst de denker aan, hoe de geest uit de natuur ontstaat of juister, hoe de natuur opstijgt tot den geest. Hij weet een schema te ontwerpen, waarin anorganische stof, plant en dier plaats vinden en ook de mensch. In deze bereikt de geest zijn hoogtepunt door van kennen en handelen tot dekunstvoort te schrijden. Zij is het eenig ware en eeuwige orgaan der wijsbegeerte. Zij opent den wijsgeer het Heilige der Heiligen. Daar brandt, vereend in één vlam, wat in natuur en geschiedenis gescheiden is.Zoo is Schelling gekomen tot de opvatting, dat alles eigenlijk poëzie is: het natuurgebeuren een onbewuste poëzie.
Natuurfilosofie.
Schelling begon met een aanhanger van Fichte te zijn, maar weldra was diens ik, dat een niet-ik zet, hem te dor en te leeg, en voldeed het hem niet meer, de natuur als een dood voorwerp te behandelen, dat slechts door het niet-ik is gesteld, opdat er een te bearbeiden stof zal zijn. Hem geldt de natuur als eensamenhangend geheelen de natuur, bij Fichte de asschepoetster, wordt bij hem vorstin. Zij kan alleen gekend worden, als zij met den geestgelijksoortigis: ook de natuur is geest. Is dat aangenomen, dan kan uit het zijn een voorstelling, uit het object een subject ontstaan, dan kan verklaard worden, hoe uit de natuur een ik komt: beide zijn geest.Hoogste ontwikkelingsvorm van de natuur is de mensch en om nu de natuur te leeren kennen, daalt Schelling van den mensch af tot de natuur. Om het wiskundig uit te drukken: van natuur tot mensch zou een opklimmende reeks zijn, van mensch tot natuur een afdalende. De natuur staat dusniet tegenoverden geest, maar is een lager vorm, de materie is sluimerende geest.Op dit beginsel wordt nu een speculatieve natuurleer opgebouwd, die staat tegenover die van Boyle en Newton, die de klad in de natuurkennis gebracht hebben. Het is ook niet noodig, om de uitkomsten der speculatieve natuurleer aan de ervaring te toetsen: het geldt het innerlijke der natuur te verstaan.Met koene fantasie wijst de denker aan, hoe de geest uit de natuur ontstaat of juister, hoe de natuur opstijgt tot den geest. Hij weet een schema te ontwerpen, waarin anorganische stof, plant en dier plaats vinden en ook de mensch. In deze bereikt de geest zijn hoogtepunt door van kennen en handelen tot dekunstvoort te schrijden. Zij is het eenig ware en eeuwige orgaan der wijsbegeerte. Zij opent den wijsgeer het Heilige der Heiligen. Daar brandt, vereend in één vlam, wat in natuur en geschiedenis gescheiden is.Zoo is Schelling gekomen tot de opvatting, dat alles eigenlijk poëzie is: het natuurgebeuren een onbewuste poëzie.
Schelling begon met een aanhanger van Fichte te zijn, maar weldra was diens ik, dat een niet-ik zet, hem te dor en te leeg, en voldeed het hem niet meer, de natuur als een dood voorwerp te behandelen, dat slechts door het niet-ik is gesteld, opdat er een te bearbeiden stof zal zijn. Hem geldt de natuur als eensamenhangend geheelen de natuur, bij Fichte de asschepoetster, wordt bij hem vorstin. Zij kan alleen gekend worden, als zij met den geestgelijksoortigis: ook de natuur is geest. Is dat aangenomen, dan kan uit het zijn een voorstelling, uit het object een subject ontstaan, dan kan verklaard worden, hoe uit de natuur een ik komt: beide zijn geest.
Hoogste ontwikkelingsvorm van de natuur is de mensch en om nu de natuur te leeren kennen, daalt Schelling van den mensch af tot de natuur. Om het wiskundig uit te drukken: van natuur tot mensch zou een opklimmende reeks zijn, van mensch tot natuur een afdalende. De natuur staat dusniet tegenoverden geest, maar is een lager vorm, de materie is sluimerende geest.
Op dit beginsel wordt nu een speculatieve natuurleer opgebouwd, die staat tegenover die van Boyle en Newton, die de klad in de natuurkennis gebracht hebben. Het is ook niet noodig, om de uitkomsten der speculatieve natuurleer aan de ervaring te toetsen: het geldt het innerlijke der natuur te verstaan.
Met koene fantasie wijst de denker aan, hoe de geest uit de natuur ontstaat of juister, hoe de natuur opstijgt tot den geest. Hij weet een schema te ontwerpen, waarin anorganische stof, plant en dier plaats vinden en ook de mensch. In deze bereikt de geest zijn hoogtepunt door van kennen en handelen tot dekunstvoort te schrijden. Zij is het eenig ware en eeuwige orgaan der wijsbegeerte. Zij opent den wijsgeer het Heilige der Heiligen. Daar brandt, vereend in één vlam, wat in natuur en geschiedenis gescheiden is.
Zoo is Schelling gekomen tot de opvatting, dat alles eigenlijk poëzie is: het natuurgebeuren een onbewuste poëzie.
Identiteit.Natuur en geest waren hetzelfde: aan beide lag een absoluut iets ten grondslag. Dat absolute wordt in Schelling’s tweede periode bepaald als de volkomen gelijkheid, eenswezendheid van het reëele en ideale. Geest en lichaam zijn de beide verschijningsvormen van dat eene Absolute. Dit herinnert sterk aan Spinoza, wiens wiskundigenvorm ook eerst nagevolgd wordt. Dit absolute is nu ’t voorwerp der filosofie. De natuurfilosofie, de beschouwing van den geest worden nu ónder de leer van het absolute gebracht. Schematisch zou het zoo te zeggen zijn.Absolute.Geest = Lichaam.Men mag het absolute dus noch geest, noch lichaam noemen: het is allebei.Ook de afzonderlijke dingen zijn allebei, doch daarbij is een overwicht naar één zijde.Het Absolute is te formuleeren als A = B; daar zijn allebei volkomen gelijk.De natuur kan voorgesteld worden door A + = B.Het objectieve overheerscht.De geest is A = + B. Hier is B, het subjectieve, het voornaamste.Later heeft Schelling deze leer, onder aanknooping aan Giordano Bruno, verder ontwikkeld, en toegepast zoowel op de natuur als op religie en wetenschap.
Identiteit.
Natuur en geest waren hetzelfde: aan beide lag een absoluut iets ten grondslag. Dat absolute wordt in Schelling’s tweede periode bepaald als de volkomen gelijkheid, eenswezendheid van het reëele en ideale. Geest en lichaam zijn de beide verschijningsvormen van dat eene Absolute. Dit herinnert sterk aan Spinoza, wiens wiskundigenvorm ook eerst nagevolgd wordt. Dit absolute is nu ’t voorwerp der filosofie. De natuurfilosofie, de beschouwing van den geest worden nu ónder de leer van het absolute gebracht. Schematisch zou het zoo te zeggen zijn.Absolute.Geest = Lichaam.Men mag het absolute dus noch geest, noch lichaam noemen: het is allebei.Ook de afzonderlijke dingen zijn allebei, doch daarbij is een overwicht naar één zijde.Het Absolute is te formuleeren als A = B; daar zijn allebei volkomen gelijk.De natuur kan voorgesteld worden door A + = B.Het objectieve overheerscht.De geest is A = + B. Hier is B, het subjectieve, het voornaamste.Later heeft Schelling deze leer, onder aanknooping aan Giordano Bruno, verder ontwikkeld, en toegepast zoowel op de natuur als op religie en wetenschap.
Natuur en geest waren hetzelfde: aan beide lag een absoluut iets ten grondslag. Dat absolute wordt in Schelling’s tweede periode bepaald als de volkomen gelijkheid, eenswezendheid van het reëele en ideale. Geest en lichaam zijn de beide verschijningsvormen van dat eene Absolute. Dit herinnert sterk aan Spinoza, wiens wiskundigenvorm ook eerst nagevolgd wordt. Dit absolute is nu ’t voorwerp der filosofie. De natuurfilosofie, de beschouwing van den geest worden nu ónder de leer van het absolute gebracht. Schematisch zou het zoo te zeggen zijn.
Absolute.Geest = Lichaam.
Men mag het absolute dus noch geest, noch lichaam noemen: het is allebei.
Ook de afzonderlijke dingen zijn allebei, doch daarbij is een overwicht naar één zijde.
Het Absolute is te formuleeren als A = B; daar zijn allebei volkomen gelijk.
De natuur kan voorgesteld worden door A + = B.
Het objectieve overheerscht.
De geest is A = + B. Hier is B, het subjectieve, het voornaamste.
Later heeft Schelling deze leer, onder aanknooping aan Giordano Bruno, verder ontwikkeld, en toegepast zoowel op de natuur als op religie en wetenschap.
Theologie.Er is dus een Absoluut iets, geest noch lichaam, subject noch object. Maar nu doet zich een vraag voor, waarvoor Schelling zich vooral door een zijner leerlingen zag geplaatst: Wàt is de grond, dat het Absolute zich scheidt? Waarom zien wij een wereld van aparte dingen, die onvolkomen zijn? Eigenlijk staat Schelling hier weer voor de oude vraag naar de oorzaak van het booze. Hij neemt een oplossing aan, die herinnert aan die van Böhme (I 226).De grond voor scheiding, voor ’t verkeerde moet in het Absolute liggen.Er bestaat eenirrationeelelement in de wereld. God kan eerst dan God zijn, als hij zich zelf verwezenlijkenkan. Het ontstaan der bijzondere dingen is als ’t ware een afval, is de zondenval. De geheele geschiedenis is een terugstreven naar de eenheid, en de opname der enkeldingen in het Absolute is de verlossing.Langzamerhand dus verdwijnt de macht van het kwade, het wordt alleen eenmogelijkheid, zooals zij aanvankelijk in God was. Dewerkelijkheidvan het kwaad, die in den vrijen wil des menschen was gelegen, houdt op.Vatten wij de voornaamste punten uit Schelling’s leer op, dan krijgen wij in drie stadiën dit:Er is een ik, en een niet-ik. Dat niet-ik is geen doode natuur, maar ook geest. Daarom is, van uit denatuurfilosofieop te stijgen tot den mensch, wien in de kunst het heiligdom geopend wordt (1). Maar aan den mensch en natuur, ideëel en reëel, subject en object, ligt iets absoluuts te gronde, waarin die onderscheidingen niet bestaan, en waaruit geest en natuur voortkomen. Dat Absolute is deidentiteitvan geest en natuur (2). Nu kan echter de vraag oprijzen, hoe uit het Absolute de enkeldingen kunnen voortkomen en het booze ontstaan: de grond ligt in een irrationeel element in de godheid, God zelf moet zich ontwikkelen. Maar de mensch metzijn vrijheidmaakt het mogelijke booze tot werkelijkheid, die eerst weer verdwijnt, als, na voleinding der geschiedenis, alles weer in het Absolute wordt opgenomen (3).
Theologie.
Er is dus een Absoluut iets, geest noch lichaam, subject noch object. Maar nu doet zich een vraag voor, waarvoor Schelling zich vooral door een zijner leerlingen zag geplaatst: Wàt is de grond, dat het Absolute zich scheidt? Waarom zien wij een wereld van aparte dingen, die onvolkomen zijn? Eigenlijk staat Schelling hier weer voor de oude vraag naar de oorzaak van het booze. Hij neemt een oplossing aan, die herinnert aan die van Böhme (I 226).De grond voor scheiding, voor ’t verkeerde moet in het Absolute liggen.Er bestaat eenirrationeelelement in de wereld. God kan eerst dan God zijn, als hij zich zelf verwezenlijkenkan. Het ontstaan der bijzondere dingen is als ’t ware een afval, is de zondenval. De geheele geschiedenis is een terugstreven naar de eenheid, en de opname der enkeldingen in het Absolute is de verlossing.Langzamerhand dus verdwijnt de macht van het kwade, het wordt alleen eenmogelijkheid, zooals zij aanvankelijk in God was. Dewerkelijkheidvan het kwaad, die in den vrijen wil des menschen was gelegen, houdt op.Vatten wij de voornaamste punten uit Schelling’s leer op, dan krijgen wij in drie stadiën dit:Er is een ik, en een niet-ik. Dat niet-ik is geen doode natuur, maar ook geest. Daarom is, van uit denatuurfilosofieop te stijgen tot den mensch, wien in de kunst het heiligdom geopend wordt (1). Maar aan den mensch en natuur, ideëel en reëel, subject en object, ligt iets absoluuts te gronde, waarin die onderscheidingen niet bestaan, en waaruit geest en natuur voortkomen. Dat Absolute is deidentiteitvan geest en natuur (2). Nu kan echter de vraag oprijzen, hoe uit het Absolute de enkeldingen kunnen voortkomen en het booze ontstaan: de grond ligt in een irrationeel element in de godheid, God zelf moet zich ontwikkelen. Maar de mensch metzijn vrijheidmaakt het mogelijke booze tot werkelijkheid, die eerst weer verdwijnt, als, na voleinding der geschiedenis, alles weer in het Absolute wordt opgenomen (3).
Er is dus een Absoluut iets, geest noch lichaam, subject noch object. Maar nu doet zich een vraag voor, waarvoor Schelling zich vooral door een zijner leerlingen zag geplaatst: Wàt is de grond, dat het Absolute zich scheidt? Waarom zien wij een wereld van aparte dingen, die onvolkomen zijn? Eigenlijk staat Schelling hier weer voor de oude vraag naar de oorzaak van het booze. Hij neemt een oplossing aan, die herinnert aan die van Böhme (I 226).De grond voor scheiding, voor ’t verkeerde moet in het Absolute liggen.
Er bestaat eenirrationeelelement in de wereld. God kan eerst dan God zijn, als hij zich zelf verwezenlijkenkan. Het ontstaan der bijzondere dingen is als ’t ware een afval, is de zondenval. De geheele geschiedenis is een terugstreven naar de eenheid, en de opname der enkeldingen in het Absolute is de verlossing.
Langzamerhand dus verdwijnt de macht van het kwade, het wordt alleen eenmogelijkheid, zooals zij aanvankelijk in God was. Dewerkelijkheidvan het kwaad, die in den vrijen wil des menschen was gelegen, houdt op.
Vatten wij de voornaamste punten uit Schelling’s leer op, dan krijgen wij in drie stadiën dit:
Er is een ik, en een niet-ik. Dat niet-ik is geen doode natuur, maar ook geest. Daarom is, van uit denatuurfilosofieop te stijgen tot den mensch, wien in de kunst het heiligdom geopend wordt (1). Maar aan den mensch en natuur, ideëel en reëel, subject en object, ligt iets absoluuts te gronde, waarin die onderscheidingen niet bestaan, en waaruit geest en natuur voortkomen. Dat Absolute is deidentiteitvan geest en natuur (2). Nu kan echter de vraag oprijzen, hoe uit het Absolute de enkeldingen kunnen voortkomen en het booze ontstaan: de grond ligt in een irrationeel element in de godheid, God zelf moet zich ontwikkelen. Maar de mensch metzijn vrijheidmaakt het mogelijke booze tot werkelijkheid, die eerst weer verdwijnt, als, na voleinding der geschiedenis, alles weer in het Absolute wordt opgenomen (3).
§17.Schelling’s geestverwanten.Zonder een eigenlijke school te vormen heeft Schelling op een groot aantal mannen invloed uitgeoefend die ieder in een bepaalde richting werkzaam waren.Zoo is te noemen de natuurfilosoofLorenz Oken(1779–1851) die, uit een oerslijm alles latend opkomen, het al zich in den mensch zelven laat kennen. De dieren, onder het zoogdier vertegenwoordigen ieder een zin: de visch de reuk, de worm het gevoel, de vogel het gehoor enz. Hij komt tot wonderlijke invallen: “De aether is 1 in 3, de andere elementen zijn slechts het drie van den aether, tezamen 4.” “De gezichtszenuw is een georganiseerde lichtstraal.”Okens natuurfilosofie vooral bracht deze wetenschap in minachting bij de natuurvorschers. De lektuur van zijn werken heeft grooten invloed uitgeoefend op Fechner.De identiteitfilosoofWagner(1775–1841) oefende invloed uit op den Nederlander Land. De godsdienstfilosoof Krause oefende een tijdlang invloed uit in België, Frankrijk en ook in Spanje. Zijn taal is moeilijk. Hij voert nieuwe stammen in, maakt ellenlange woorden. Dit maakt de lectuur zwaar. In Ahrens vond hij een vertaler, die zijn werken in vloeiend Fransch overbracht. Vandaar de groote invloed in evengenoemde landen. Ook in onze literatuur ontmoet men zijn naam een enkele maal. Vrijzinnig katholiek verkondigde hij een eigen leer, waaraan diepte van gevoel wordt toegeschreven.De meest zelfstandige en beteekenendste der geestverwanten van Schelling is Schleiermacher.Schleiermacher.Hij werd 1768 uit een predikantenfamilie te Breslau geboren, studeerde theologie, gaf in 1799 zijn “Toespraken over de religie” uit, werd in 1809 prediker en (na de oprichting der universiteit) professor te Berlijn en stierf 1839. Schleiermacher was een man, die talrijke invloeden op zich liet inwerken, maar ze tot een levend geheel met een persoonlijk kenmerk wistsamen te voegen. Hij trachtte zooveel mogelijk uitersten en eenzijdigheid te vermijden, maar werd daardoor wel eens wat “mat.” Zijn grooten naam dankt hij voornl. aan zijn theologische werkzaamheid: “de grootste theoloog, dien het Protestantisme sedert den Hervormingstijd had gehad.” (Vorländer). Wij bepalen ons dus hier tot zijn godsdienstwijsbegeerte.Schleiermacher, al wilde hij dit niet met zoovele woorden erkennen, naderde zeer dicht tot het Spinozistische pantheïsme (I. bl. 262). In God vallen willen en kunnen, verstand en wil samen. Men moet in God niet het persoonlijkheidselement leggen: dat is het oneindige eindig maken, dat is een overblijfsel uit mythologische tijden. God heeft nooit zonder de wereld bestaan en in ons en in de dingen kennen wij hem slechts. In den wettelijken gang der wereld grijpt God niet door wonderen in. Alles geschiedt met noodzakelijkheid. Als alle enkeldingen zijn wij slechts toestanden in het leven van het Al.Het gewone onsterfelijkheidsgeloof is weinig vroom, dat hoopt op een schadeloosstelling in het hiernamaals.Vroomheid, ziedaar de kern van Schl. godsdienstwijsbegeerte. Zij zetelt noch in het verstand, noch in den wil, maar in hetgevoel. Wij voelen de tegenwoordigheid van het oneindige, en alle godsdienstige handelingen en voorstellingen bekomen alleen waarde door het religieus gevoel. Dat gevoel zelf is een gevoel vanafhankelijkheid, ontsproten uit ons vurig verlangen naar het oneindige, uit de zucht naar eenwording met God.Ook voor de zedeleer en de paedagogiek heeft Schleiermacher beteekenis, en eindelijk voor de geschiedenis der wijsbegeerte door voortreffelijke Platovertalingen.
§17.Schelling’s geestverwanten.
Zonder een eigenlijke school te vormen heeft Schelling op een groot aantal mannen invloed uitgeoefend die ieder in een bepaalde richting werkzaam waren.Zoo is te noemen de natuurfilosoofLorenz Oken(1779–1851) die, uit een oerslijm alles latend opkomen, het al zich in den mensch zelven laat kennen. De dieren, onder het zoogdier vertegenwoordigen ieder een zin: de visch de reuk, de worm het gevoel, de vogel het gehoor enz. Hij komt tot wonderlijke invallen: “De aether is 1 in 3, de andere elementen zijn slechts het drie van den aether, tezamen 4.” “De gezichtszenuw is een georganiseerde lichtstraal.”Okens natuurfilosofie vooral bracht deze wetenschap in minachting bij de natuurvorschers. De lektuur van zijn werken heeft grooten invloed uitgeoefend op Fechner.De identiteitfilosoofWagner(1775–1841) oefende invloed uit op den Nederlander Land. De godsdienstfilosoof Krause oefende een tijdlang invloed uit in België, Frankrijk en ook in Spanje. Zijn taal is moeilijk. Hij voert nieuwe stammen in, maakt ellenlange woorden. Dit maakt de lectuur zwaar. In Ahrens vond hij een vertaler, die zijn werken in vloeiend Fransch overbracht. Vandaar de groote invloed in evengenoemde landen. Ook in onze literatuur ontmoet men zijn naam een enkele maal. Vrijzinnig katholiek verkondigde hij een eigen leer, waaraan diepte van gevoel wordt toegeschreven.De meest zelfstandige en beteekenendste der geestverwanten van Schelling is Schleiermacher.Schleiermacher.Hij werd 1768 uit een predikantenfamilie te Breslau geboren, studeerde theologie, gaf in 1799 zijn “Toespraken over de religie” uit, werd in 1809 prediker en (na de oprichting der universiteit) professor te Berlijn en stierf 1839. Schleiermacher was een man, die talrijke invloeden op zich liet inwerken, maar ze tot een levend geheel met een persoonlijk kenmerk wistsamen te voegen. Hij trachtte zooveel mogelijk uitersten en eenzijdigheid te vermijden, maar werd daardoor wel eens wat “mat.” Zijn grooten naam dankt hij voornl. aan zijn theologische werkzaamheid: “de grootste theoloog, dien het Protestantisme sedert den Hervormingstijd had gehad.” (Vorländer). Wij bepalen ons dus hier tot zijn godsdienstwijsbegeerte.Schleiermacher, al wilde hij dit niet met zoovele woorden erkennen, naderde zeer dicht tot het Spinozistische pantheïsme (I. bl. 262). In God vallen willen en kunnen, verstand en wil samen. Men moet in God niet het persoonlijkheidselement leggen: dat is het oneindige eindig maken, dat is een overblijfsel uit mythologische tijden. God heeft nooit zonder de wereld bestaan en in ons en in de dingen kennen wij hem slechts. In den wettelijken gang der wereld grijpt God niet door wonderen in. Alles geschiedt met noodzakelijkheid. Als alle enkeldingen zijn wij slechts toestanden in het leven van het Al.Het gewone onsterfelijkheidsgeloof is weinig vroom, dat hoopt op een schadeloosstelling in het hiernamaals.Vroomheid, ziedaar de kern van Schl. godsdienstwijsbegeerte. Zij zetelt noch in het verstand, noch in den wil, maar in hetgevoel. Wij voelen de tegenwoordigheid van het oneindige, en alle godsdienstige handelingen en voorstellingen bekomen alleen waarde door het religieus gevoel. Dat gevoel zelf is een gevoel vanafhankelijkheid, ontsproten uit ons vurig verlangen naar het oneindige, uit de zucht naar eenwording met God.Ook voor de zedeleer en de paedagogiek heeft Schleiermacher beteekenis, en eindelijk voor de geschiedenis der wijsbegeerte door voortreffelijke Platovertalingen.
Zonder een eigenlijke school te vormen heeft Schelling op een groot aantal mannen invloed uitgeoefend die ieder in een bepaalde richting werkzaam waren.Zoo is te noemen de natuurfilosoofLorenz Oken(1779–1851) die, uit een oerslijm alles latend opkomen, het al zich in den mensch zelven laat kennen. De dieren, onder het zoogdier vertegenwoordigen ieder een zin: de visch de reuk, de worm het gevoel, de vogel het gehoor enz. Hij komt tot wonderlijke invallen: “De aether is 1 in 3, de andere elementen zijn slechts het drie van den aether, tezamen 4.” “De gezichtszenuw is een georganiseerde lichtstraal.”
Okens natuurfilosofie vooral bracht deze wetenschap in minachting bij de natuurvorschers. De lektuur van zijn werken heeft grooten invloed uitgeoefend op Fechner.
De identiteitfilosoofWagner(1775–1841) oefende invloed uit op den Nederlander Land. De godsdienstfilosoof Krause oefende een tijdlang invloed uit in België, Frankrijk en ook in Spanje. Zijn taal is moeilijk. Hij voert nieuwe stammen in, maakt ellenlange woorden. Dit maakt de lectuur zwaar. In Ahrens vond hij een vertaler, die zijn werken in vloeiend Fransch overbracht. Vandaar de groote invloed in evengenoemde landen. Ook in onze literatuur ontmoet men zijn naam een enkele maal. Vrijzinnig katholiek verkondigde hij een eigen leer, waaraan diepte van gevoel wordt toegeschreven.
De meest zelfstandige en beteekenendste der geestverwanten van Schelling is Schleiermacher.
Schleiermacher.Hij werd 1768 uit een predikantenfamilie te Breslau geboren, studeerde theologie, gaf in 1799 zijn “Toespraken over de religie” uit, werd in 1809 prediker en (na de oprichting der universiteit) professor te Berlijn en stierf 1839. Schleiermacher was een man, die talrijke invloeden op zich liet inwerken, maar ze tot een levend geheel met een persoonlijk kenmerk wistsamen te voegen. Hij trachtte zooveel mogelijk uitersten en eenzijdigheid te vermijden, maar werd daardoor wel eens wat “mat.” Zijn grooten naam dankt hij voornl. aan zijn theologische werkzaamheid: “de grootste theoloog, dien het Protestantisme sedert den Hervormingstijd had gehad.” (Vorländer). Wij bepalen ons dus hier tot zijn godsdienstwijsbegeerte.Schleiermacher, al wilde hij dit niet met zoovele woorden erkennen, naderde zeer dicht tot het Spinozistische pantheïsme (I. bl. 262). In God vallen willen en kunnen, verstand en wil samen. Men moet in God niet het persoonlijkheidselement leggen: dat is het oneindige eindig maken, dat is een overblijfsel uit mythologische tijden. God heeft nooit zonder de wereld bestaan en in ons en in de dingen kennen wij hem slechts. In den wettelijken gang der wereld grijpt God niet door wonderen in. Alles geschiedt met noodzakelijkheid. Als alle enkeldingen zijn wij slechts toestanden in het leven van het Al.Het gewone onsterfelijkheidsgeloof is weinig vroom, dat hoopt op een schadeloosstelling in het hiernamaals.Vroomheid, ziedaar de kern van Schl. godsdienstwijsbegeerte. Zij zetelt noch in het verstand, noch in den wil, maar in hetgevoel. Wij voelen de tegenwoordigheid van het oneindige, en alle godsdienstige handelingen en voorstellingen bekomen alleen waarde door het religieus gevoel. Dat gevoel zelf is een gevoel vanafhankelijkheid, ontsproten uit ons vurig verlangen naar het oneindige, uit de zucht naar eenwording met God.Ook voor de zedeleer en de paedagogiek heeft Schleiermacher beteekenis, en eindelijk voor de geschiedenis der wijsbegeerte door voortreffelijke Platovertalingen.
Schleiermacher.
Hij werd 1768 uit een predikantenfamilie te Breslau geboren, studeerde theologie, gaf in 1799 zijn “Toespraken over de religie” uit, werd in 1809 prediker en (na de oprichting der universiteit) professor te Berlijn en stierf 1839. Schleiermacher was een man, die talrijke invloeden op zich liet inwerken, maar ze tot een levend geheel met een persoonlijk kenmerk wistsamen te voegen. Hij trachtte zooveel mogelijk uitersten en eenzijdigheid te vermijden, maar werd daardoor wel eens wat “mat.” Zijn grooten naam dankt hij voornl. aan zijn theologische werkzaamheid: “de grootste theoloog, dien het Protestantisme sedert den Hervormingstijd had gehad.” (Vorländer). Wij bepalen ons dus hier tot zijn godsdienstwijsbegeerte.Schleiermacher, al wilde hij dit niet met zoovele woorden erkennen, naderde zeer dicht tot het Spinozistische pantheïsme (I. bl. 262). In God vallen willen en kunnen, verstand en wil samen. Men moet in God niet het persoonlijkheidselement leggen: dat is het oneindige eindig maken, dat is een overblijfsel uit mythologische tijden. God heeft nooit zonder de wereld bestaan en in ons en in de dingen kennen wij hem slechts. In den wettelijken gang der wereld grijpt God niet door wonderen in. Alles geschiedt met noodzakelijkheid. Als alle enkeldingen zijn wij slechts toestanden in het leven van het Al.Het gewone onsterfelijkheidsgeloof is weinig vroom, dat hoopt op een schadeloosstelling in het hiernamaals.Vroomheid, ziedaar de kern van Schl. godsdienstwijsbegeerte. Zij zetelt noch in het verstand, noch in den wil, maar in hetgevoel. Wij voelen de tegenwoordigheid van het oneindige, en alle godsdienstige handelingen en voorstellingen bekomen alleen waarde door het religieus gevoel. Dat gevoel zelf is een gevoel vanafhankelijkheid, ontsproten uit ons vurig verlangen naar het oneindige, uit de zucht naar eenwording met God.Ook voor de zedeleer en de paedagogiek heeft Schleiermacher beteekenis, en eindelijk voor de geschiedenis der wijsbegeerte door voortreffelijke Platovertalingen.
Hij werd 1768 uit een predikantenfamilie te Breslau geboren, studeerde theologie, gaf in 1799 zijn “Toespraken over de religie” uit, werd in 1809 prediker en (na de oprichting der universiteit) professor te Berlijn en stierf 1839. Schleiermacher was een man, die talrijke invloeden op zich liet inwerken, maar ze tot een levend geheel met een persoonlijk kenmerk wistsamen te voegen. Hij trachtte zooveel mogelijk uitersten en eenzijdigheid te vermijden, maar werd daardoor wel eens wat “mat.” Zijn grooten naam dankt hij voornl. aan zijn theologische werkzaamheid: “de grootste theoloog, dien het Protestantisme sedert den Hervormingstijd had gehad.” (Vorländer). Wij bepalen ons dus hier tot zijn godsdienstwijsbegeerte.
Schleiermacher, al wilde hij dit niet met zoovele woorden erkennen, naderde zeer dicht tot het Spinozistische pantheïsme (I. bl. 262). In God vallen willen en kunnen, verstand en wil samen. Men moet in God niet het persoonlijkheidselement leggen: dat is het oneindige eindig maken, dat is een overblijfsel uit mythologische tijden. God heeft nooit zonder de wereld bestaan en in ons en in de dingen kennen wij hem slechts. In den wettelijken gang der wereld grijpt God niet door wonderen in. Alles geschiedt met noodzakelijkheid. Als alle enkeldingen zijn wij slechts toestanden in het leven van het Al.
Het gewone onsterfelijkheidsgeloof is weinig vroom, dat hoopt op een schadeloosstelling in het hiernamaals.
Vroomheid, ziedaar de kern van Schl. godsdienstwijsbegeerte. Zij zetelt noch in het verstand, noch in den wil, maar in hetgevoel. Wij voelen de tegenwoordigheid van het oneindige, en alle godsdienstige handelingen en voorstellingen bekomen alleen waarde door het religieus gevoel. Dat gevoel zelf is een gevoel vanafhankelijkheid, ontsproten uit ons vurig verlangen naar het oneindige, uit de zucht naar eenwording met God.
Ook voor de zedeleer en de paedagogiek heeft Schleiermacher beteekenis, en eindelijk voor de geschiedenis der wijsbegeerte door voortreffelijke Platovertalingen.
HOOFDSTUK VII.Hegel en zijn school.§ 18.Leven en persoonlijkheid.De meestomvattende en de meest logische onder de groote speculatieve denkers werd 27 Augustus 1770 uit een ambtenaarsfamilie te Stuttgart geboren; studeerde, tegelijk met Schelling, theologie in Tübingen. Klassieke studies trekken hem aan en met zijn vriend, den dichter Hölderlin, deelde hij de bewondering voor de Grieksche en de Romeinsche oudheid. Ook wijsbegeerte trok zijn belangstelling: Kant en Rousseau werden gelezen. Van 1793-’96 was hij huisonderwijzer te Bern, daarna tot 1800 te Frankfort. Aanvankelijk was hij een medestander van Schelling, en toen ook hij naar het brandpunt der wijsgeerige beweging, Jena, was gekomen, gaf hij in gemeenschap met dezen een tijdschrift uit.Maar te groot het verschil tusschen beiden, dan dat samengaan op den duur mogelijk was. Schelling, de man van het schitterende, spelende vernuft, de snèl-wisselende en ongestadig-veranderende, de verbeeldingrijke kunstenaarsnatuur.Hegel, de man die niet spoedig in beweging kwam,even onbeholpen in het dagelijksch leven, als op den katheder, geen kunstenaarsnatuur maar een intellectualist, met logische gestrengheid een eenmaal aangenomen beginsel ontwikkelende, volhardend bouwende, dóórdenkend en doordénkend.In zijn gedachtenwereld verdiept, kon hem de slag bij Jena, die het Pruisische rijk deed wijken voor Napoleon’s veldheersgenie, nauwelijks belang inboezemen: in den nacht ervoor had hij zijn “Phaenomenologie van den geest” voltooid, inleiding op zijn latere geschriften en openbaring van eigen standpunt.Het slecht bezoldigde buitengewone hoogleeraarsschap is niet houdbaar: hij gaat als journalist naar Bamberg, vandaar in 1806 naar Neurenberg, als rector van een gymnasium. Hier geeft hij voorbereidend wijsgeerig onderwijs, wat gunstig op zijn stijl werkt. In dezen tijd verschijnt zijn logica (1812, 1816). In 1816 komt hij dan in Heidelberg als hoogleeraar en geeft in dezen tijd zijn Encyclopedie uit. Zijn laatste jaren brengt Hegel als professor te Berlijn door, waar hij 14 Nov. 1831 aan de cholera sterft.In Berlijn stond Hegel op het toppunt van zijn roem. Man van bewonderenswaardige vlijt en veelomvattend weten gaf hij hier colleges over tal van onderwerpen die hij wijsgeerig behandelde, aan een geestdriftige bezielde leerlingenschaar, saamgekomen van heinde en ver, die geboeid werd, niet door uiterlijke welsprekendheid, maar door de geweldige grootschheid van het gebouw, dat hij voor hen deed oprijzen. Dat blijkt nu nog uit zijn geschriften. “Nog nooit heeft iemand, die den moeitevollen arbeid ondernam, aan het onderzoek van Hegel’s geschriften verbonden, zich aan een gevoel van bewondering kunnen onttrekken voor de architectonische kracht van dezen denker.” (Dr. Ritter).Ook bij de autoriteiten stond Hegel in hoog aanzien. Toen men zich van Napoleon bevrijden moest, hadden de vorsten hunnen volken groote beloften gedaan. Maar nu de geweldenaar verjaagd was en de vorsten weer veilig bezit hadden genomen van hun troon, waren die beloften van volksvrijheden vergeten. Reactie op kerkelijk en staatkundig gebied vierde hoogtij.Hegel was—gevolg zijner wijsbegeerte—conservatief gezind en zoo stond hij ook bij de leidende staatsmachten in hoog aanzien. Men merke wel op, dat Hegel conservatief was uit hoofde zijner wijsbegeerte en niet, om den vorst te believen.Na zijn dood gaf eene “vereeniging van vrienden van den vereeuwigde” zijne werken uit, waarvan een aantal bewerkt naar de colleges. Die werken zijn in een moeilijken, niet dadelijk te begrijpen stijl geschreven en schrikken, door het gebruik van een groot aantal kunsttermen nog meer af.Toch hebben ze een grooten invloed uitgeoefend op het geestesleven der 19de eeuw en ze gaan voort, dat te doen op de 20ste.§ 19.Methode.Hegel’s systeem is een absoluut idealisme. Ook voor hem is al het bestaande geestelijk. Het Absolute is geest, en tweeheid van zijn en denken moet verworpen worden. Zij zijn wezensgelijk, er is identiteit. Maar beslist verwerpt Hegel de Schellingsche identiteit, door hem den nacht genoemd, waarin alle katten grauw zijn. De natuur staat niet naast het denken, maar eronder. Keert Hegel dan tot Fichte terug, voor wien de natuur slechts bestond, opdat het ik een object tegenover zich zou hebben, waarop hetzijn krachten kon richten? Geenszins. De natuur staat wel onder den geest, maar zij is niet een dood ding. Zij is een deel van het proces der ontwikkeling waarin het Absolute (Idee, Rede) voortschrijdt.Aanvankelijk is alles in het Absolute. Dit moet een weg, een langen, met veel treden opstijgenden weg doorloopen om zich zelf te leeren kennen, zich zelf te vinden. Heeft het dat gedaan, dan is het doel der ontwikkeling bereikt. In dien weg ligt de natuur. Het Absolute is eerst “an-sich,” aan zich. Nu komt het buiten zich, het komt tot anders-zijn. Dit is de natuur. Daarop stijgt het tot levenden geest, wiens hoogste trap is het kennen van zich zelf. Dan bestaat het Absolute weer “an-sich,” maar ookfür sich, voor zich zelven. In alles wat er is, openbaart zich het absolute, de rede. Al het werkelijke is redelijk, al het redelijke werkelijk. De werkelijkheid is niet van de rede verlaten en de rede niet van de werkelijkheid.Hegel staat met Fichte en Schelling tegenover Kant, in zooverre hij eenstelsel, een systeem geeft, in zooverre hij zich niet wil bepalen tot kennis der verschijningen. Dedingen an sich: het Absolute moet gekend worden. Uit de gelijkheid van zijn en denken volgt, dat de wetten van het denken ook voor het zijn gelden. Ontwerpt Hegel dus een logica, dan is die niet alleen een wetenschap van ons denken. Hare formules en indeelingen gelden ook voor de geheele werkelijkheid, voor het zijn. Logica is bij Hegel meteen metafysica.Bij zijn onderzoekingen nu volgt Hegel de z.g. dialectische methode. Elk begrip vindt zijn begrenzing in zijn ontkenning. Maar … zoo we deze ontkenning weer ontkennen, komen we tot een nieuw begrip. Dit derde begrip omvat de beide voorgaande. Deze zijn er in opgeheven en in òp-geheven. De tegenspraakis verdwenen, zij bestaat niet meer, zij is weg, opgeheven. Dat komt, omdat beide begrippen onder een nieuw gebracht zijn, dat rijker is. Zij zijn daarin òp-geheven. Maar dit nieuwe begrip zelf wordt weer uitgangspunt voor een dergelijke redeneering. Het dóor denkende, komt men tot zijn negatie. Beide zijn dan weer op te heffen in de ontkenning dezer ontkenning. (Zie het voorbeeld hieronder).Schematisch dus:a → niet aA → niet AB→ nietBC→ nietCDenz.Zoo bouwt Hegel een geheel systeem van begrippen, die dus voor denken en werkelijkheid gelden. Er is in zijn dialectische methodeeenheid van tegendeelen.Hegel’s systeem is dus een, in streng wetenschappelijken vorm gegoten, logisch stelsel. Het is een absoluut, idealistisch, identiteits-systeem, dat een doorgaande ontwikkeling van het Absolute leert, dat, eerst op zich zelf bestaand, in de natuur anders wordt, en voortschrijdt tot den geest, die zich ten slotte zèlf herkent, zoodat het absolute nu ook voor zich bestaat. De wijsbegeerte nu heeft ten taak deze ontwikkeling te schetsen. “Grootscher taak is haar nooit opgedragen.”Hegel’s groote kennis en bouwend vermogen stelthem in staat een volledig systeem te ontwerpen van die ontwikkeling. De hoofdlijnen van den plattegrond van dit gebouw geven wij in een schema, blz. 88—89 en we voegen bij enkele belangrijke dingen eenige nadere mededeelingen.§ 20.Het systeem.Logica.Hegel begint dus met de logica, waarin hij de begrippen ontwerpt, die het zijn omvatten. Hier volgt hij zijn dialectische methode, waarin alles in zijn tegendeel omslaat. Wat is het algemeenste begrip? Zijn. Maar dit zuivere begrip zijn heeft geen inhoud of hoedanigheid. Denken wij het door, dan komen wij dus tot niet-zijn, maar, als het gedacht wordtbestaathet als gedachte en niet-zijn wordt dus zijn. Wat is nu het begrip, dat beiden omspant? Hetworden. Overgang van zijn tot niet zijn, van niet-zijn tot zijn is worden. De knaap, die jongeling wordt, is jongeling en nog niet. In het worden zijn zijn en niet-zijn opgeheven.Na de logica volgt denatuurfilosofie, vrij algemeen als het minst belangrijke en minst oorspronkelijke en geslaagde deel erkend. De algemeene beschouwing is hier, dat de rede zich zinnelijk voorstelt, om door de natuur tot den geest te komen. Alleen hij, die in ’t buitenland geweest is, kent het vaderland. De natuur is het land der vreemdelingschap voor de idee, waarin zij verwijlen moet, om rijker in ’t vaderland terug te keeren. Van de natuur komen wij tot den geest, die zich openbaart als:subjectieve, objectieve en absolute geest.Het wezen, de bestemming van den geest is de vrijheid. Deze bestemming moet bereikt worden, de voorhanden aanleg ontwikkeld en verwerkelijkt. Ditgebeurt langzamerhand en de geest wordt hoe langer zoo meer onafhankelijk van de natuur. De leer van den subjectieven geest alszielvan een lichaam is de anthropologie, die handelt over de dingen, die de geest in zooverre hij met het lichaam is verbonden, vertoont. (Onderscheid van ras, volk, geslacht, talent, geestesziekten, slapen en waken). Hier geeft dus Hegel, wat thans voor een gedeelte onder de gewone zielkunde, voor een ander deel onder de psychiatrie, voor een derde gedeelte onder de speciale psychologie valt. Waarnemen, herinneren, denken, enz. wordt in de psychologie behandeld. De subjectieve geest is ten slotte tot vrijheidsbewustzijn gekomen en tracht nu die vrijheid te verwezenlijken als objectieve geest in de wereld van recht en zedelijkheid. De leer van denOBJECTIEVENgeest is de schitterendste schepping van Hegel, in ’t bijzonder dan zijn staatsrecht en zijn wijsbegeerte der geschiedenis. De vrijheid moet werkelijkheid worden. Hetrechtbrengt deuitwendigevrijheid, demoraliteitdeinnerlijke, dezedelijkheidbeide vereenigend, devolkomenvrijheid. Het recht is oorspronkelijk een verzameling van verboden inperking van den wil.Het recht is aleersteigendomsrecht, het is het recht der persoonlijkheid, eigendom te bezitten. Zonder eigendom geen persoonlijkheid. In eenverdragtreedt die persoonlijkheid tot anderen in verhouding en hetstrafrechtis de ontkenning van de ontkenning van het recht. Onrecht, negatie van recht is er, als de bijzondere wil zich verzet tegen den algemeenen.Waar de bijzondere wil zich, door goede gezindheid, naar den algemeenen voegt, ismoraliteit. Deze ligt in het terrein der subjectieve gezindheid. Maar de goede gezindheid is niet het hoogste, er blijft een tegenspraak tusschen bedoeling en uitvoering; hetgeweten, rechter op deze trap over goed en kwaad, kan falen.Ook de tegendeelen legaliteit en moraliteit moeten verzoend worden en dat geschiedt in de “zedelijkheid.” De zede is een in de gemeenschap heerschende gewoonte, die door den enkeling niet gevoeld wordt als een van buiten komend gebod, maar als iets uit eigen wezen voortspruitend. Aan de zede dankt dit terrein zijn naam zedelijkheid.Allereerst nu wordt het familierecht behandeld (Huwelijk, enz.) De echt is niet, als bij Kant, een zuivere rechtsverhouding, noch een bloote aangelegenheid van ’t gevoel, hij is een zedelijke verbintenis. De leer der “burgerlijke gezelschappen” doet o. a. recht wedervaren aan de corporaties van burgers. Ook de leer der standen (die samenhangen met hun beroep: voortbrengende- nijverheids- en denkende stand) vindt zijn behandeling. Familie en burgerlijke samenleving vinden hunne vereeniging in den staat, wiens beste regeeringsvorm de grondwettelijke, erfelijke monarchie is. Na Hobbes heeft misschien geen denker zoo grooten eerbied voor den staat gekoesterd als Hegel. Zooals een staat is, moet hij op dat oogenblik zijn. Evengoed als men van de natuur toegeeft, dat men haar nemen moet zooals zij is, moet men dat ook met den staat doen. De Idee heerscht ook in dit gebied, ook hier is de werkelijkheid niet van de rede verlaten, ook hier is het werkelijke redelijk.Men moet den staat als historisch geworden beschouwen, niet wijzer willen zijn dan de rede, die zich in den staat heeft ontwikkeld. Geen wijsbegeerte kon ons leeren, hoe de wereld zijn moet: zij komt daarvoor steeds te laat. “Eerst als de schemering begint, vangt Minerva’s uil aan te vliegen.”Degeschiedenisis niet anders dan het proces, datde werkelijkheid doorloopt, om tot den staatsvorm te komen: Inderdaad is hier een grandioose opvatting. Elk volk is slechts een punt van de lijn, een ontwikkelingsmoment. Groote mannen dienen slechts, om de ontwikkeling mee te verwezenlijken; het is de list van de Rede dat zij hen daarvoor gebruikt, terwijl zij hun eigen belangen meenen te dienen. Maar alles gaat naar het ééne: de vrijheid. Bij de ruwe Oostersche volken acht zich slechts één vrij: de despoot, die over allen regeert. In de Grieksche en Romeinsche republieken zijn meerderen vrij, het Christendom maakt allen vrij. In ieder dezer drie groote perioden zijn weer onderafdeelingen te onderscheiden. In de geschiedenis der Oostersche volken komt eerst met de Perzen een waarachtige staat met een despoot. Het is de knapenleeftijd der menschheid. Griekenland is het land, waar de menschheid haar jongelingsleeftijd doorloopt in vreugde aan leven en aan schoonheid. Maar noch hier, noch in Rome is de vrijheid in aller bewustzijn: er zijn nog slaven. Jezus brengt een persoonlijke vrijheid, de Germanen een politieke. Nu is de menschheid in haar kennende grijsheid, de tijd der volkomen rijpheid, waarin de mensch “na volending van zijn levensloop in zichzelf terugkeert.” Van de komst van Christus tot 1820 moet de menschheid nog door verschillende stadiën: Karel de Groote, ’t leenstelsel, de reformatie, enz.§ 21.Het systeem. (Vervolg).De absolute geest.Subjectieve en objectieve geest vinden weer hunne hooger eenheid in denabsoluten geest. In dezen zijn de tegenstellingen van subject en object, denken enzijn opgeheven. Het absoluteaanschouwtzich zelf in de kunst,steltzich zelfvoorin de religie en denkt zich,begrijpt zich in begrippen, in de wijsbegeerte.HEGEL’S SYSTEEM.HEGEL’S SYSTEEM.Kunst.Dekunstkan zich hoofdzakelijk in drieërlei vorm openbaren. Eerstsymbolisch. Dan heeft de vorm de overhand op den inhoud, op de idee, die uitgedrukt moet worden. Deze wordt slechts vermoed. Is er volkomen harmonie van beide, dan ontstaat vervolgens deklassiekekunst, die de schoonste is, maar toch nog onder moet doen voor de derde trap, deromantischekunst, waarin de zinnelijke verschijning op den achtergrond treedt en de geestelijke, innerlijke zijde meer optreedt.Elke kunst kan de drie vormen vertoonen, maar de architectuur is toch in hoofdzaak symbolisch, de beeldhouwkunst klassiek, de muziek en schilderkunst romantisch. De poëzie is de alles in zich sluitende kunst.Godsdienst.Op godsdienstig terrein nam Hegel ook zijn eigen standpunt in. Hij verwierp het dogmatisch orthodox geloof, dat aan de letter vasthield. Maar ook het rationalisme bevredigde hem niet en de op gevoelsgronden berustende theologie van Schleiermacher was hem onaannemelijk. De religie is een zich in beelden voorstellen van het Absolute. Dat begint met de oostersche natuurgodsdiensten, waarvoor nog weer een lager trap ligt van afgodendienst, toovenarij. Hooger dan de oostersche (Chineesche,Bramaansche, enz., die ieder hun eigen kenmerk hebben) staan de religies der “geestelijke persoonlijkheid,” der “vrije subjectiviteit,” die van de Joden (verhevenheid), Grieken (schoonheid), Romeinen (nuttigheid). De absolute religie van ’t Christendom volgt hierop. De dogma’s van hetChristendom laten hunne wijsgeerige verklaring toe. Zij zijn allegorisch te interpreteeren.Hegel roemt, dat hij goed Lutheraan en Christen is. De menschwording van Jezus, zijn zoendood beteekent, in wijsgeerige spraak overgezet: God gaat in de zondige wereld, hij negeert zichzelf. De menschwording van Christus is de zelfnegatie van het Absolute. De negatie dezer negatie is Christus’ Lijden, Dood en Opstanding. God was God-mensch geweest en wordt weer God: vereenigt daarin zijn god- en mensch zijn.Wijsbegeerte.Ten slotte blijft er over, deze ontwikkeling in begrippen te denken: Het Absolute begrijpt zichzelf. Dit is filosofie. Het begrijpen der geheele ontwikkeling haar taak. Ook de filosofie doorloopt stadiën. Van de Eleaten af, die het zijn opstelden, overHeraclitus(worden), Atomisten (an sich zijn), Plato, Aristoteles (begrip), Cartesius (bewustzijn), Kant-Fichte (zelfbewustzijn) loopt de lijn tot Hegel, waar het Absolute zich zelf kent. Zijn leer is de sluitsteen der filosofie. Elke filosofie is de begripmatige uitdrukking van haar tijd, treedt als bezinning over den tijd op, als de tijd rijp is en klaar, om overwonnen te worden. De uil vliegt als de morgen daagt: de zelfbezinning begint als een andere tijd aanbreekt.§ 22.Hegel’s school.Toen Hegel stierf waren er tal van leerlingen, die den vereerden meester aanhingen. Maar weldra zou blijken, dat niet allen eenstemmig dachten. Er kwam een splitsing, voornamelijk door de verhouding tot den godsdienst teweeggebracht. Hegel had gezegd, dat de religie opgeheven is in de wijsbegeerte, diewel denzelfden inhoud heeft, maar zich deze niet voorstelt, doch hem in begrippen uitdrukt.Sommigen nu, de behoudende richting, later de rechterzijde genoemd, legden nadruk op hetgelijkevan deninhoud: zij wilden den godsdienst handhaven. Anderen daarentegen schonken de meeste aandacht aan denanderen vorm: zij wenschten de religie op te heffen. Zij vormden de radicale vleugel, later de linkerzijde genoemd.In het bizonder nu gold dit verschil drie kwesties: God, Christus, Onsterfelijkheid.Had Hegel bijv. aan een persoonlijke onsterfelijkheid geloofd? Had hij een theïstisch godsbegrip verkondigd, een persoonlijken God geleerd? Of was de rede, allen menschen gemeen, slechts het onsterfelijke?Was zijn godsbegrip pantheïstisch?Maar ook ten opzichte der wijsbegeerte kon men twee kanten uit. Men kon meenen, dat bij Hegel haar ontwikkeling was afgesloten, dat in zijn stelsel het Absolute zich zelf had herkend. Maar men kon ook, Hegel’s dialectische methode aanvaardend, de ontwikkeling na hem voortzetten, tegen hem handelen, zooals hij zich verhouden had tegenover de hem voorafgaande denkers, hém opheffen, zooals hij hún opgeheven had.Tusschen die rechter- en linkerzijde nu stond een centrum in. De mannen daarvan hebben zich groote verdiensten verworven. De geschiedenis werd druk door hen beoefend: van Hegel hadden zij geleerd, dat historie iets anders is dan feitenopsomming. Zeller verwierf zich groote verdienste voor de geschiedenis der Grieksche filosofie. De onlangs overleden Kuno Fischer, (geb. 23 Juli 1824) schreef de uitvoerige geschiedenis der nieuwere wijsbegeerte en was langen tijd de roem der Heidelbergsche universiteit. Hij zag in filosofie de geschiedenis der filosofie enwist die zoowel in zijn werken als voordrachten met grootsche lijnen en groote kennis te teekenen. Aldus zingtLiebmannhem toe:“Dit alles1leert gij; luistrende jongrenschaarVolgt de welsprekendheid, uwen lippen ontvloeid,Zij leert, verwondert zich, ziet zich opnieuwDer menschheid hoogste gedachten verjongen.De zoogenaamde Hegelsche linkerzijde verdient dien naam niet; zij is van Hegel wel uitgegaan, maar heeft zijn leer verlaten. Op Marx en Lassalle die er ook toe gerekend worden, komen we terug in het hoofdstuk over Socialisme en Individualisme. Hier spreken wij over twee denkers, die zich vooral op godsdienstig gebied hebben bekend gemaakt. Strauss en Feuerbach.Strauss.Strauss (1808–1874) studeerde eerst theologie teTübingen, gaf in 1835 een leven van Jezus uit, dat groot opzien baarde en de splitsing in de school bracht. Hij ontkent daarin, dat wij den historischen Jezus zouden kennen, wij kennen den Christus van ’t geloof. Hij verwerpt echter het dilemma, waarvoor de orthodoxie hem zou willen plaatsen: het bijbelverhaal te gelooven of voor bewust verzinsel te houden. Hij ziet er mythen in, waarin in historisch kleed bovenzinnelijke feiten zijn uitgedrukt. Niet Jezus, maar de zich ontwikkelende menschheid is de god-mensch: op haar past eerst de idee van deze.Dezelfde kritiek, die hij op de leer van Jezus toepaste, oefende hij later uit op de dogma’s van het christelijk geloof. Verzoening tusschen gelooven en weten wordt verworpen. Langen tijd heeft Strausszich meer met literairen arbeid bezig gehouden. Zoo schreef hij o. a. een bekend werk over Voltaire. Op zijn ouden dag, in 1872 deed hij de wereld nog eens opzien door zijn werk: Het oude en het nieuwe geloof. Hij stelt de vraag, of de beschaafden van dien tijd zich nog Christenen mogen noemen, welke vraag ontkennend wordt beantwoord. De beschaafde weet, dat niet onthouding, vlieding der wereld en armoede die door het Christendom worden geleerd, de hefboomen der beschaving zijn; maar humaniteit en vooruitgang komen van kunst, wetenschap, rijkdom, productie. Wij willen niet als het christendom tweeheid van wereld en God, schepping en schepper, want, daar het levensproces begin noch einde heeft, hebben wij geen Schepper noodig.Maar wordt nu de vraag gesteld of wij nog godsdienst hebben, dan luidt het antwoord bevestigend. Immers, wij bezitten een gevoel van afhankelijkheid tegen het Al. Dat bewustzijn oefent grooten invloed uit op onze zedelijkheid. Het vormt onze religie, die niet onder de vormen der kerk wordt gebracht. De koude godsdienstvormen bieden niets voor het gevoel en de fantasie. Maar door deelneming aan de belangen van staat en menschheid, door de kunst, in ’t bizonder door de muziek, verkwikken we onze ziel, verheffen we ons. Zoo keert de oude Strauss tot de opvatting terug van zijn jeugd: een eeredienst van ’t genie, door onzen da Costa geteekend:Zie hier uw goden: Kunst, Kracht en Industrie!En voorts geen eerdienst meer dan de eerdienst van ’t Genie!Feuerbach.Ludwig Feuerbach, zoon van een zeer beroemd rechtsgeleerde, broer van een schilder van naam werd 1804 geboren. Aanvankelijk voor theologie studeerende, brengen Hegel’s collegeshem tot de studie der wijsbegeerte. Hegel noemt hij zijnen tweeden vader. In 1830 geeft hij zijn gedachten over dood en onsterfelijkheid uit. Reeds uit dien tijd dateeren de eerste verschijnselen, die wijzen op een scheiding van Hegel. Nadat hij een poosje in Erlangen had gedoceerd, ging hij in Bruckberg wonen, waar zijn vrouw aandeel in een fabriek had. Hier heeft hij 25 jaar gewoond en veel geschreven. In 1841 kwam uit: “Het wezen van het Christendom” waarin hij wel de dogma’s zeer scherp critiseert, maar zich sympathiek verhoudt tegenover de gevoelens, waaruit ze ontstaan zijn.Langzamerhand ging de fabriek slecht. Ten slotte zag Feuerbach zich genoodzaakt naar een andere plaats te verhuizen, waar hij al den last van geldzorgen ondervond en verstoken was van wetenschappelijke hulpmiddelen.Toen zijn benarde omstandigheden bekend werden, werd er veel moeite gedaan in en buiten Duitschland, om iets voor hem te doen en bij zijn begrafenis in 1872 bleek, dat de man, schijnbaar langen tijd vergeten, vereerders en vrienden had. Een voortreffelijke lijkrede van Scholl schilderde voor ’t eerst de beteekenis van Feuerbach.Ten opzichte derreligieleert hij, dat de mensch God maakt. God is het ideaal, dat wij ons, buiten ons, verwezenlijkt denken. In hem leggen wij onze wenschen, onze hoop, ons verlangen. Wat de mensch looft en prijst is God, wat hij verwerpt is het goddelooze. God is het boek, in hetwelk de mensch zijn hoogste gevoelens en verlangens geschreven heeft. De hemel van den mensch is een “bloemlezing,” ontstaan door eenige uit al de bloemen der wereld te kiezen. Zoowel van den hemel van den beschaafde als van den natuurmensch geldt dit. Uit den God enden hemel van den mensch kan men zijn beschaving leeren kennen.De goddelijke eigenschappen zijn die, welke de mensch op een gegeven ontwikkelingstrap het hoogste schat. Dat God persoonlijk gedacht wordt beteekent dat persoonlijk leven het hoogste is. God is liefde! Niets is er, dat een liefdevol gemoed overtreft. Jezus, God heeft geleden! Lijden voor anderen is schoon.“De God der christenen is een traan van liefde, in stille, diepe verborgenheid geschreid over de ellende der menschen.”Onze God is ons ideaal, buiten ons als werkelijk bestaand geacht. Tegenover dat ideaal gevoelen wij ons, met onze kleinheden en onvolmaaktheden nietig, vergetend, dat God ons eigen goede zelf, zeer vergroot, is.Ook de kerkelijke sacramenten als doop en avondmaal hebben hunne beteekenis, zij doen ons zien, van hoe groote, zedelijke beteekenis ook brood en wijn en water zijn.Alles, ook het geringste, wordt geadeld.Hier treft Feuerbach samen met het Calvinisme, dat ook overal de eere Gods zoekt. Treffend is zijn sluiting:“Heilig zij ons daarom het brood, heilig de wijn, maar ook heilig het water. Amen!”Opwijsgeeriggebied nadert Feuerbach later zeer tot het materialisme, maar hij is er geen aanhanger van geworden. Hij wil n.l. niet van de stof uitgaan maar van de gewaarwording. Deze is hem het eerste, zoowel op het gebied der kennistheorie, als op dat der metafysica. Zeer scherp echter weet hij zijn standpunt niet af te bakenen tegenover het materialisme en voor de beteekenis van onzen lichamelijken toestand voor den geestelijken, heeft hij veel oog.Treffend komt dit uit in een bespreking van een werkje van Moleschott: “De leer der voedingsmiddelen is van groote zedelijke en staatkundige beteekenis. De spijzen worden tot bloed, het bloed tot hart en hersenen, deze tot stof voor gedachten en gevoelens. Het voedsel van den mensch is de grondslag voor zijn vorming en opvoeding. Wilt gij het volk verbeteren, zoo geef het in plaats van uitroepen tegen de zonde, beter eten. De mensch is, wat hij eet.”Strauss en Feuerbach hadden zich van Hegel afgewend. De volgende tijden, die een honger hadden naar feiten, waren der speculatieve filosofie weinig gezind. De reactie, de moedeloosheid na het jaar 1848, dat zoovele illusies van vrijheid en vooruitgang had opgewekt, die nu niet vervuld waren, maakte de menschen meer geschikt om Schopenhauer’s pessimisme te waardeeren. Toch bleef, zij het op menig punt onbewust, Hegel’s geest werken. In het begin der 20ste eeuw kwam in ons land zijn leer tot meer aanzien en vond geestdriftige aanhangers door het optreden van den Leidschen hoogleeraar Bolland.Bolland.Gerardus Johannes Petrus Josephus Bolland werd 9 Juni 1857 te Groningen geboren. Zijn vader overleed vroeg. Zijn moeder voedde hem op in ’t katholieke geloof, dat hij later verliet. Na verschillende lotswisselingen was hij onderwijzer in Groningen en Katwijk, studeerde dan te Jena in de Engelsche taal, werd leeraar in die taal aan het gymnasium Willem III te Batavia. Hier werd zijn lust tot de studie der wijsbegeerte opgewekt en aanvankelijk sloot hij zich aan bij Von Hartmann. In 1896 kwam hij als opvolger van Land als hoogleeraar in de wijsbegeerte aan de Leidsche hoogeschool,vooral door toedoen van zijn ouden beschermer Prof. Cosijn en den minister Mr. S. van Houten.Bolland, man van machtige welsprekendheid, groote kennis (bijv. op theologisch en taalkundig gebied), vurige kracht, onverschrokken waarheidsliefde en moed, wist een schare jongeren om zich te verzamelen en trok ook in andere academiesteden veel belangstelling, met name in Utrecht, Amsterdam en Delft.Allerlei stelsels van wijsbegeerte overdacht hij. Bij geen vond hij vrede. Hij kwam ten slotte tot de bestudeering van Hegel’s werken zelf, die hij tot dusver alleen had leeren kennen uit geschiedenissen der wijsbegeerte, uit overzichten van anderen. Na aandachtige studie bleek hem, dat hij toen de gezochte waarheid had. Sedert tracht hij de methode van Hegel ingang te doen vinden en leidt zijn leerlingen op tot verstaan van den meester, tegenover wien hij zich overigens zelfstandig verhoudt.Bolland heeft sommige werken van Hegel opnieuw uitgegeven en van kantteekeningen voorzien. Van zijn eigen werken noemen wij zijn standaardwerk: “Zuivere Rede.” Zijn artikelen werden meest opgenomen in de Nieuwe Gids of Het Tweemaandelijksch Tijdschrift. Als inleiding tot de lectuur zijner werken leenen zich het best de gestenografeerde verslagen van redevoeringen: het gesproken woord wordt geprezen boven zijn geschreven, al wordt ook hier van getuigd: “hij doet de wijsheid Nederlandsch spreken, en hoe meer hij zijn hoogtepunt nadert, hoe meer hem dit gelukt.” Bolland heeft zich, behalve met wijsgeerige, ook met maatschappelijke en theologische vraagstukken beziggehouden. Sommige artikelen lokten hevig verzet uit (kwestie Schaepman-Bolland over Petrus en Rome). Een met veel liefde geschreven studie over leven, persoonlijkheid en werken, geeft Dr. J. A.van den Bergh van Eisinga in “Mannen van Beteekenis,” Deel XXXVIII, afl. 5.Opm.Van de geestverwanten van Bolland zijn te noemen de gebroeders Van den Bergh van Eisinga. De een, zijn biograaf, trad als privaat-docent te Utrecht op met een rede over allegorische interpretatie en in diens preekenbundel: “Rust een weinig,” geeft Bolland een voorbeeld van een gebed voor de gemeente. Toen Prof. Jelgersma een open brief aan zijn collega schreef, vatte o. a. Grondijs de pen op om zijn meester te verdedigen. In het laatste tiental jaren staat Bolland, meer dan hem zelf lief is, in het brandpunt eener opmerkzaamheid, die niet zelden meer bijkomende bijzonderheden dan zijn eigenlijke leer en werk betreffen.1De geschiedenis der wijsbegeerte, in korte trekken weergegeven.↑
HOOFDSTUK VII.Hegel en zijn school.
§ 18.Leven en persoonlijkheid.De meestomvattende en de meest logische onder de groote speculatieve denkers werd 27 Augustus 1770 uit een ambtenaarsfamilie te Stuttgart geboren; studeerde, tegelijk met Schelling, theologie in Tübingen. Klassieke studies trekken hem aan en met zijn vriend, den dichter Hölderlin, deelde hij de bewondering voor de Grieksche en de Romeinsche oudheid. Ook wijsbegeerte trok zijn belangstelling: Kant en Rousseau werden gelezen. Van 1793-’96 was hij huisonderwijzer te Bern, daarna tot 1800 te Frankfort. Aanvankelijk was hij een medestander van Schelling, en toen ook hij naar het brandpunt der wijsgeerige beweging, Jena, was gekomen, gaf hij in gemeenschap met dezen een tijdschrift uit.Maar te groot het verschil tusschen beiden, dan dat samengaan op den duur mogelijk was. Schelling, de man van het schitterende, spelende vernuft, de snèl-wisselende en ongestadig-veranderende, de verbeeldingrijke kunstenaarsnatuur.Hegel, de man die niet spoedig in beweging kwam,even onbeholpen in het dagelijksch leven, als op den katheder, geen kunstenaarsnatuur maar een intellectualist, met logische gestrengheid een eenmaal aangenomen beginsel ontwikkelende, volhardend bouwende, dóórdenkend en doordénkend.In zijn gedachtenwereld verdiept, kon hem de slag bij Jena, die het Pruisische rijk deed wijken voor Napoleon’s veldheersgenie, nauwelijks belang inboezemen: in den nacht ervoor had hij zijn “Phaenomenologie van den geest” voltooid, inleiding op zijn latere geschriften en openbaring van eigen standpunt.Het slecht bezoldigde buitengewone hoogleeraarsschap is niet houdbaar: hij gaat als journalist naar Bamberg, vandaar in 1806 naar Neurenberg, als rector van een gymnasium. Hier geeft hij voorbereidend wijsgeerig onderwijs, wat gunstig op zijn stijl werkt. In dezen tijd verschijnt zijn logica (1812, 1816). In 1816 komt hij dan in Heidelberg als hoogleeraar en geeft in dezen tijd zijn Encyclopedie uit. Zijn laatste jaren brengt Hegel als professor te Berlijn door, waar hij 14 Nov. 1831 aan de cholera sterft.In Berlijn stond Hegel op het toppunt van zijn roem. Man van bewonderenswaardige vlijt en veelomvattend weten gaf hij hier colleges over tal van onderwerpen die hij wijsgeerig behandelde, aan een geestdriftige bezielde leerlingenschaar, saamgekomen van heinde en ver, die geboeid werd, niet door uiterlijke welsprekendheid, maar door de geweldige grootschheid van het gebouw, dat hij voor hen deed oprijzen. Dat blijkt nu nog uit zijn geschriften. “Nog nooit heeft iemand, die den moeitevollen arbeid ondernam, aan het onderzoek van Hegel’s geschriften verbonden, zich aan een gevoel van bewondering kunnen onttrekken voor de architectonische kracht van dezen denker.” (Dr. Ritter).Ook bij de autoriteiten stond Hegel in hoog aanzien. Toen men zich van Napoleon bevrijden moest, hadden de vorsten hunnen volken groote beloften gedaan. Maar nu de geweldenaar verjaagd was en de vorsten weer veilig bezit hadden genomen van hun troon, waren die beloften van volksvrijheden vergeten. Reactie op kerkelijk en staatkundig gebied vierde hoogtij.Hegel was—gevolg zijner wijsbegeerte—conservatief gezind en zoo stond hij ook bij de leidende staatsmachten in hoog aanzien. Men merke wel op, dat Hegel conservatief was uit hoofde zijner wijsbegeerte en niet, om den vorst te believen.Na zijn dood gaf eene “vereeniging van vrienden van den vereeuwigde” zijne werken uit, waarvan een aantal bewerkt naar de colleges. Die werken zijn in een moeilijken, niet dadelijk te begrijpen stijl geschreven en schrikken, door het gebruik van een groot aantal kunsttermen nog meer af.Toch hebben ze een grooten invloed uitgeoefend op het geestesleven der 19de eeuw en ze gaan voort, dat te doen op de 20ste.§ 19.Methode.Hegel’s systeem is een absoluut idealisme. Ook voor hem is al het bestaande geestelijk. Het Absolute is geest, en tweeheid van zijn en denken moet verworpen worden. Zij zijn wezensgelijk, er is identiteit. Maar beslist verwerpt Hegel de Schellingsche identiteit, door hem den nacht genoemd, waarin alle katten grauw zijn. De natuur staat niet naast het denken, maar eronder. Keert Hegel dan tot Fichte terug, voor wien de natuur slechts bestond, opdat het ik een object tegenover zich zou hebben, waarop hetzijn krachten kon richten? Geenszins. De natuur staat wel onder den geest, maar zij is niet een dood ding. Zij is een deel van het proces der ontwikkeling waarin het Absolute (Idee, Rede) voortschrijdt.Aanvankelijk is alles in het Absolute. Dit moet een weg, een langen, met veel treden opstijgenden weg doorloopen om zich zelf te leeren kennen, zich zelf te vinden. Heeft het dat gedaan, dan is het doel der ontwikkeling bereikt. In dien weg ligt de natuur. Het Absolute is eerst “an-sich,” aan zich. Nu komt het buiten zich, het komt tot anders-zijn. Dit is de natuur. Daarop stijgt het tot levenden geest, wiens hoogste trap is het kennen van zich zelf. Dan bestaat het Absolute weer “an-sich,” maar ookfür sich, voor zich zelven. In alles wat er is, openbaart zich het absolute, de rede. Al het werkelijke is redelijk, al het redelijke werkelijk. De werkelijkheid is niet van de rede verlaten en de rede niet van de werkelijkheid.Hegel staat met Fichte en Schelling tegenover Kant, in zooverre hij eenstelsel, een systeem geeft, in zooverre hij zich niet wil bepalen tot kennis der verschijningen. Dedingen an sich: het Absolute moet gekend worden. Uit de gelijkheid van zijn en denken volgt, dat de wetten van het denken ook voor het zijn gelden. Ontwerpt Hegel dus een logica, dan is die niet alleen een wetenschap van ons denken. Hare formules en indeelingen gelden ook voor de geheele werkelijkheid, voor het zijn. Logica is bij Hegel meteen metafysica.Bij zijn onderzoekingen nu volgt Hegel de z.g. dialectische methode. Elk begrip vindt zijn begrenzing in zijn ontkenning. Maar … zoo we deze ontkenning weer ontkennen, komen we tot een nieuw begrip. Dit derde begrip omvat de beide voorgaande. Deze zijn er in opgeheven en in òp-geheven. De tegenspraakis verdwenen, zij bestaat niet meer, zij is weg, opgeheven. Dat komt, omdat beide begrippen onder een nieuw gebracht zijn, dat rijker is. Zij zijn daarin òp-geheven. Maar dit nieuwe begrip zelf wordt weer uitgangspunt voor een dergelijke redeneering. Het dóor denkende, komt men tot zijn negatie. Beide zijn dan weer op te heffen in de ontkenning dezer ontkenning. (Zie het voorbeeld hieronder).Schematisch dus:a → niet aA → niet AB→ nietBC→ nietCDenz.Zoo bouwt Hegel een geheel systeem van begrippen, die dus voor denken en werkelijkheid gelden. Er is in zijn dialectische methodeeenheid van tegendeelen.Hegel’s systeem is dus een, in streng wetenschappelijken vorm gegoten, logisch stelsel. Het is een absoluut, idealistisch, identiteits-systeem, dat een doorgaande ontwikkeling van het Absolute leert, dat, eerst op zich zelf bestaand, in de natuur anders wordt, en voortschrijdt tot den geest, die zich ten slotte zèlf herkent, zoodat het absolute nu ook voor zich bestaat. De wijsbegeerte nu heeft ten taak deze ontwikkeling te schetsen. “Grootscher taak is haar nooit opgedragen.”Hegel’s groote kennis en bouwend vermogen stelthem in staat een volledig systeem te ontwerpen van die ontwikkeling. De hoofdlijnen van den plattegrond van dit gebouw geven wij in een schema, blz. 88—89 en we voegen bij enkele belangrijke dingen eenige nadere mededeelingen.§ 20.Het systeem.Logica.Hegel begint dus met de logica, waarin hij de begrippen ontwerpt, die het zijn omvatten. Hier volgt hij zijn dialectische methode, waarin alles in zijn tegendeel omslaat. Wat is het algemeenste begrip? Zijn. Maar dit zuivere begrip zijn heeft geen inhoud of hoedanigheid. Denken wij het door, dan komen wij dus tot niet-zijn, maar, als het gedacht wordtbestaathet als gedachte en niet-zijn wordt dus zijn. Wat is nu het begrip, dat beiden omspant? Hetworden. Overgang van zijn tot niet zijn, van niet-zijn tot zijn is worden. De knaap, die jongeling wordt, is jongeling en nog niet. In het worden zijn zijn en niet-zijn opgeheven.Na de logica volgt denatuurfilosofie, vrij algemeen als het minst belangrijke en minst oorspronkelijke en geslaagde deel erkend. De algemeene beschouwing is hier, dat de rede zich zinnelijk voorstelt, om door de natuur tot den geest te komen. Alleen hij, die in ’t buitenland geweest is, kent het vaderland. De natuur is het land der vreemdelingschap voor de idee, waarin zij verwijlen moet, om rijker in ’t vaderland terug te keeren. Van de natuur komen wij tot den geest, die zich openbaart als:subjectieve, objectieve en absolute geest.Het wezen, de bestemming van den geest is de vrijheid. Deze bestemming moet bereikt worden, de voorhanden aanleg ontwikkeld en verwerkelijkt. Ditgebeurt langzamerhand en de geest wordt hoe langer zoo meer onafhankelijk van de natuur. De leer van den subjectieven geest alszielvan een lichaam is de anthropologie, die handelt over de dingen, die de geest in zooverre hij met het lichaam is verbonden, vertoont. (Onderscheid van ras, volk, geslacht, talent, geestesziekten, slapen en waken). Hier geeft dus Hegel, wat thans voor een gedeelte onder de gewone zielkunde, voor een ander deel onder de psychiatrie, voor een derde gedeelte onder de speciale psychologie valt. Waarnemen, herinneren, denken, enz. wordt in de psychologie behandeld. De subjectieve geest is ten slotte tot vrijheidsbewustzijn gekomen en tracht nu die vrijheid te verwezenlijken als objectieve geest in de wereld van recht en zedelijkheid. De leer van denOBJECTIEVENgeest is de schitterendste schepping van Hegel, in ’t bijzonder dan zijn staatsrecht en zijn wijsbegeerte der geschiedenis. De vrijheid moet werkelijkheid worden. Hetrechtbrengt deuitwendigevrijheid, demoraliteitdeinnerlijke, dezedelijkheidbeide vereenigend, devolkomenvrijheid. Het recht is oorspronkelijk een verzameling van verboden inperking van den wil.Het recht is aleersteigendomsrecht, het is het recht der persoonlijkheid, eigendom te bezitten. Zonder eigendom geen persoonlijkheid. In eenverdragtreedt die persoonlijkheid tot anderen in verhouding en hetstrafrechtis de ontkenning van de ontkenning van het recht. Onrecht, negatie van recht is er, als de bijzondere wil zich verzet tegen den algemeenen.Waar de bijzondere wil zich, door goede gezindheid, naar den algemeenen voegt, ismoraliteit. Deze ligt in het terrein der subjectieve gezindheid. Maar de goede gezindheid is niet het hoogste, er blijft een tegenspraak tusschen bedoeling en uitvoering; hetgeweten, rechter op deze trap over goed en kwaad, kan falen.Ook de tegendeelen legaliteit en moraliteit moeten verzoend worden en dat geschiedt in de “zedelijkheid.” De zede is een in de gemeenschap heerschende gewoonte, die door den enkeling niet gevoeld wordt als een van buiten komend gebod, maar als iets uit eigen wezen voortspruitend. Aan de zede dankt dit terrein zijn naam zedelijkheid.Allereerst nu wordt het familierecht behandeld (Huwelijk, enz.) De echt is niet, als bij Kant, een zuivere rechtsverhouding, noch een bloote aangelegenheid van ’t gevoel, hij is een zedelijke verbintenis. De leer der “burgerlijke gezelschappen” doet o. a. recht wedervaren aan de corporaties van burgers. Ook de leer der standen (die samenhangen met hun beroep: voortbrengende- nijverheids- en denkende stand) vindt zijn behandeling. Familie en burgerlijke samenleving vinden hunne vereeniging in den staat, wiens beste regeeringsvorm de grondwettelijke, erfelijke monarchie is. Na Hobbes heeft misschien geen denker zoo grooten eerbied voor den staat gekoesterd als Hegel. Zooals een staat is, moet hij op dat oogenblik zijn. Evengoed als men van de natuur toegeeft, dat men haar nemen moet zooals zij is, moet men dat ook met den staat doen. De Idee heerscht ook in dit gebied, ook hier is de werkelijkheid niet van de rede verlaten, ook hier is het werkelijke redelijk.Men moet den staat als historisch geworden beschouwen, niet wijzer willen zijn dan de rede, die zich in den staat heeft ontwikkeld. Geen wijsbegeerte kon ons leeren, hoe de wereld zijn moet: zij komt daarvoor steeds te laat. “Eerst als de schemering begint, vangt Minerva’s uil aan te vliegen.”Degeschiedenisis niet anders dan het proces, datde werkelijkheid doorloopt, om tot den staatsvorm te komen: Inderdaad is hier een grandioose opvatting. Elk volk is slechts een punt van de lijn, een ontwikkelingsmoment. Groote mannen dienen slechts, om de ontwikkeling mee te verwezenlijken; het is de list van de Rede dat zij hen daarvoor gebruikt, terwijl zij hun eigen belangen meenen te dienen. Maar alles gaat naar het ééne: de vrijheid. Bij de ruwe Oostersche volken acht zich slechts één vrij: de despoot, die over allen regeert. In de Grieksche en Romeinsche republieken zijn meerderen vrij, het Christendom maakt allen vrij. In ieder dezer drie groote perioden zijn weer onderafdeelingen te onderscheiden. In de geschiedenis der Oostersche volken komt eerst met de Perzen een waarachtige staat met een despoot. Het is de knapenleeftijd der menschheid. Griekenland is het land, waar de menschheid haar jongelingsleeftijd doorloopt in vreugde aan leven en aan schoonheid. Maar noch hier, noch in Rome is de vrijheid in aller bewustzijn: er zijn nog slaven. Jezus brengt een persoonlijke vrijheid, de Germanen een politieke. Nu is de menschheid in haar kennende grijsheid, de tijd der volkomen rijpheid, waarin de mensch “na volending van zijn levensloop in zichzelf terugkeert.” Van de komst van Christus tot 1820 moet de menschheid nog door verschillende stadiën: Karel de Groote, ’t leenstelsel, de reformatie, enz.§ 21.Het systeem. (Vervolg).De absolute geest.Subjectieve en objectieve geest vinden weer hunne hooger eenheid in denabsoluten geest. In dezen zijn de tegenstellingen van subject en object, denken enzijn opgeheven. Het absoluteaanschouwtzich zelf in de kunst,steltzich zelfvoorin de religie en denkt zich,begrijpt zich in begrippen, in de wijsbegeerte.HEGEL’S SYSTEEM.HEGEL’S SYSTEEM.Kunst.Dekunstkan zich hoofdzakelijk in drieërlei vorm openbaren. Eerstsymbolisch. Dan heeft de vorm de overhand op den inhoud, op de idee, die uitgedrukt moet worden. Deze wordt slechts vermoed. Is er volkomen harmonie van beide, dan ontstaat vervolgens deklassiekekunst, die de schoonste is, maar toch nog onder moet doen voor de derde trap, deromantischekunst, waarin de zinnelijke verschijning op den achtergrond treedt en de geestelijke, innerlijke zijde meer optreedt.Elke kunst kan de drie vormen vertoonen, maar de architectuur is toch in hoofdzaak symbolisch, de beeldhouwkunst klassiek, de muziek en schilderkunst romantisch. De poëzie is de alles in zich sluitende kunst.Godsdienst.Op godsdienstig terrein nam Hegel ook zijn eigen standpunt in. Hij verwierp het dogmatisch orthodox geloof, dat aan de letter vasthield. Maar ook het rationalisme bevredigde hem niet en de op gevoelsgronden berustende theologie van Schleiermacher was hem onaannemelijk. De religie is een zich in beelden voorstellen van het Absolute. Dat begint met de oostersche natuurgodsdiensten, waarvoor nog weer een lager trap ligt van afgodendienst, toovenarij. Hooger dan de oostersche (Chineesche,Bramaansche, enz., die ieder hun eigen kenmerk hebben) staan de religies der “geestelijke persoonlijkheid,” der “vrije subjectiviteit,” die van de Joden (verhevenheid), Grieken (schoonheid), Romeinen (nuttigheid). De absolute religie van ’t Christendom volgt hierop. De dogma’s van hetChristendom laten hunne wijsgeerige verklaring toe. Zij zijn allegorisch te interpreteeren.Hegel roemt, dat hij goed Lutheraan en Christen is. De menschwording van Jezus, zijn zoendood beteekent, in wijsgeerige spraak overgezet: God gaat in de zondige wereld, hij negeert zichzelf. De menschwording van Christus is de zelfnegatie van het Absolute. De negatie dezer negatie is Christus’ Lijden, Dood en Opstanding. God was God-mensch geweest en wordt weer God: vereenigt daarin zijn god- en mensch zijn.Wijsbegeerte.Ten slotte blijft er over, deze ontwikkeling in begrippen te denken: Het Absolute begrijpt zichzelf. Dit is filosofie. Het begrijpen der geheele ontwikkeling haar taak. Ook de filosofie doorloopt stadiën. Van de Eleaten af, die het zijn opstelden, overHeraclitus(worden), Atomisten (an sich zijn), Plato, Aristoteles (begrip), Cartesius (bewustzijn), Kant-Fichte (zelfbewustzijn) loopt de lijn tot Hegel, waar het Absolute zich zelf kent. Zijn leer is de sluitsteen der filosofie. Elke filosofie is de begripmatige uitdrukking van haar tijd, treedt als bezinning over den tijd op, als de tijd rijp is en klaar, om overwonnen te worden. De uil vliegt als de morgen daagt: de zelfbezinning begint als een andere tijd aanbreekt.§ 22.Hegel’s school.Toen Hegel stierf waren er tal van leerlingen, die den vereerden meester aanhingen. Maar weldra zou blijken, dat niet allen eenstemmig dachten. Er kwam een splitsing, voornamelijk door de verhouding tot den godsdienst teweeggebracht. Hegel had gezegd, dat de religie opgeheven is in de wijsbegeerte, diewel denzelfden inhoud heeft, maar zich deze niet voorstelt, doch hem in begrippen uitdrukt.Sommigen nu, de behoudende richting, later de rechterzijde genoemd, legden nadruk op hetgelijkevan deninhoud: zij wilden den godsdienst handhaven. Anderen daarentegen schonken de meeste aandacht aan denanderen vorm: zij wenschten de religie op te heffen. Zij vormden de radicale vleugel, later de linkerzijde genoemd.In het bizonder nu gold dit verschil drie kwesties: God, Christus, Onsterfelijkheid.Had Hegel bijv. aan een persoonlijke onsterfelijkheid geloofd? Had hij een theïstisch godsbegrip verkondigd, een persoonlijken God geleerd? Of was de rede, allen menschen gemeen, slechts het onsterfelijke?Was zijn godsbegrip pantheïstisch?Maar ook ten opzichte der wijsbegeerte kon men twee kanten uit. Men kon meenen, dat bij Hegel haar ontwikkeling was afgesloten, dat in zijn stelsel het Absolute zich zelf had herkend. Maar men kon ook, Hegel’s dialectische methode aanvaardend, de ontwikkeling na hem voortzetten, tegen hem handelen, zooals hij zich verhouden had tegenover de hem voorafgaande denkers, hém opheffen, zooals hij hún opgeheven had.Tusschen die rechter- en linkerzijde nu stond een centrum in. De mannen daarvan hebben zich groote verdiensten verworven. De geschiedenis werd druk door hen beoefend: van Hegel hadden zij geleerd, dat historie iets anders is dan feitenopsomming. Zeller verwierf zich groote verdienste voor de geschiedenis der Grieksche filosofie. De onlangs overleden Kuno Fischer, (geb. 23 Juli 1824) schreef de uitvoerige geschiedenis der nieuwere wijsbegeerte en was langen tijd de roem der Heidelbergsche universiteit. Hij zag in filosofie de geschiedenis der filosofie enwist die zoowel in zijn werken als voordrachten met grootsche lijnen en groote kennis te teekenen. Aldus zingtLiebmannhem toe:“Dit alles1leert gij; luistrende jongrenschaarVolgt de welsprekendheid, uwen lippen ontvloeid,Zij leert, verwondert zich, ziet zich opnieuwDer menschheid hoogste gedachten verjongen.De zoogenaamde Hegelsche linkerzijde verdient dien naam niet; zij is van Hegel wel uitgegaan, maar heeft zijn leer verlaten. Op Marx en Lassalle die er ook toe gerekend worden, komen we terug in het hoofdstuk over Socialisme en Individualisme. Hier spreken wij over twee denkers, die zich vooral op godsdienstig gebied hebben bekend gemaakt. Strauss en Feuerbach.Strauss.Strauss (1808–1874) studeerde eerst theologie teTübingen, gaf in 1835 een leven van Jezus uit, dat groot opzien baarde en de splitsing in de school bracht. Hij ontkent daarin, dat wij den historischen Jezus zouden kennen, wij kennen den Christus van ’t geloof. Hij verwerpt echter het dilemma, waarvoor de orthodoxie hem zou willen plaatsen: het bijbelverhaal te gelooven of voor bewust verzinsel te houden. Hij ziet er mythen in, waarin in historisch kleed bovenzinnelijke feiten zijn uitgedrukt. Niet Jezus, maar de zich ontwikkelende menschheid is de god-mensch: op haar past eerst de idee van deze.Dezelfde kritiek, die hij op de leer van Jezus toepaste, oefende hij later uit op de dogma’s van het christelijk geloof. Verzoening tusschen gelooven en weten wordt verworpen. Langen tijd heeft Strausszich meer met literairen arbeid bezig gehouden. Zoo schreef hij o. a. een bekend werk over Voltaire. Op zijn ouden dag, in 1872 deed hij de wereld nog eens opzien door zijn werk: Het oude en het nieuwe geloof. Hij stelt de vraag, of de beschaafden van dien tijd zich nog Christenen mogen noemen, welke vraag ontkennend wordt beantwoord. De beschaafde weet, dat niet onthouding, vlieding der wereld en armoede die door het Christendom worden geleerd, de hefboomen der beschaving zijn; maar humaniteit en vooruitgang komen van kunst, wetenschap, rijkdom, productie. Wij willen niet als het christendom tweeheid van wereld en God, schepping en schepper, want, daar het levensproces begin noch einde heeft, hebben wij geen Schepper noodig.Maar wordt nu de vraag gesteld of wij nog godsdienst hebben, dan luidt het antwoord bevestigend. Immers, wij bezitten een gevoel van afhankelijkheid tegen het Al. Dat bewustzijn oefent grooten invloed uit op onze zedelijkheid. Het vormt onze religie, die niet onder de vormen der kerk wordt gebracht. De koude godsdienstvormen bieden niets voor het gevoel en de fantasie. Maar door deelneming aan de belangen van staat en menschheid, door de kunst, in ’t bizonder door de muziek, verkwikken we onze ziel, verheffen we ons. Zoo keert de oude Strauss tot de opvatting terug van zijn jeugd: een eeredienst van ’t genie, door onzen da Costa geteekend:Zie hier uw goden: Kunst, Kracht en Industrie!En voorts geen eerdienst meer dan de eerdienst van ’t Genie!Feuerbach.Ludwig Feuerbach, zoon van een zeer beroemd rechtsgeleerde, broer van een schilder van naam werd 1804 geboren. Aanvankelijk voor theologie studeerende, brengen Hegel’s collegeshem tot de studie der wijsbegeerte. Hegel noemt hij zijnen tweeden vader. In 1830 geeft hij zijn gedachten over dood en onsterfelijkheid uit. Reeds uit dien tijd dateeren de eerste verschijnselen, die wijzen op een scheiding van Hegel. Nadat hij een poosje in Erlangen had gedoceerd, ging hij in Bruckberg wonen, waar zijn vrouw aandeel in een fabriek had. Hier heeft hij 25 jaar gewoond en veel geschreven. In 1841 kwam uit: “Het wezen van het Christendom” waarin hij wel de dogma’s zeer scherp critiseert, maar zich sympathiek verhoudt tegenover de gevoelens, waaruit ze ontstaan zijn.Langzamerhand ging de fabriek slecht. Ten slotte zag Feuerbach zich genoodzaakt naar een andere plaats te verhuizen, waar hij al den last van geldzorgen ondervond en verstoken was van wetenschappelijke hulpmiddelen.Toen zijn benarde omstandigheden bekend werden, werd er veel moeite gedaan in en buiten Duitschland, om iets voor hem te doen en bij zijn begrafenis in 1872 bleek, dat de man, schijnbaar langen tijd vergeten, vereerders en vrienden had. Een voortreffelijke lijkrede van Scholl schilderde voor ’t eerst de beteekenis van Feuerbach.Ten opzichte derreligieleert hij, dat de mensch God maakt. God is het ideaal, dat wij ons, buiten ons, verwezenlijkt denken. In hem leggen wij onze wenschen, onze hoop, ons verlangen. Wat de mensch looft en prijst is God, wat hij verwerpt is het goddelooze. God is het boek, in hetwelk de mensch zijn hoogste gevoelens en verlangens geschreven heeft. De hemel van den mensch is een “bloemlezing,” ontstaan door eenige uit al de bloemen der wereld te kiezen. Zoowel van den hemel van den beschaafde als van den natuurmensch geldt dit. Uit den God enden hemel van den mensch kan men zijn beschaving leeren kennen.De goddelijke eigenschappen zijn die, welke de mensch op een gegeven ontwikkelingstrap het hoogste schat. Dat God persoonlijk gedacht wordt beteekent dat persoonlijk leven het hoogste is. God is liefde! Niets is er, dat een liefdevol gemoed overtreft. Jezus, God heeft geleden! Lijden voor anderen is schoon.“De God der christenen is een traan van liefde, in stille, diepe verborgenheid geschreid over de ellende der menschen.”Onze God is ons ideaal, buiten ons als werkelijk bestaand geacht. Tegenover dat ideaal gevoelen wij ons, met onze kleinheden en onvolmaaktheden nietig, vergetend, dat God ons eigen goede zelf, zeer vergroot, is.Ook de kerkelijke sacramenten als doop en avondmaal hebben hunne beteekenis, zij doen ons zien, van hoe groote, zedelijke beteekenis ook brood en wijn en water zijn.Alles, ook het geringste, wordt geadeld.Hier treft Feuerbach samen met het Calvinisme, dat ook overal de eere Gods zoekt. Treffend is zijn sluiting:“Heilig zij ons daarom het brood, heilig de wijn, maar ook heilig het water. Amen!”Opwijsgeeriggebied nadert Feuerbach later zeer tot het materialisme, maar hij is er geen aanhanger van geworden. Hij wil n.l. niet van de stof uitgaan maar van de gewaarwording. Deze is hem het eerste, zoowel op het gebied der kennistheorie, als op dat der metafysica. Zeer scherp echter weet hij zijn standpunt niet af te bakenen tegenover het materialisme en voor de beteekenis van onzen lichamelijken toestand voor den geestelijken, heeft hij veel oog.Treffend komt dit uit in een bespreking van een werkje van Moleschott: “De leer der voedingsmiddelen is van groote zedelijke en staatkundige beteekenis. De spijzen worden tot bloed, het bloed tot hart en hersenen, deze tot stof voor gedachten en gevoelens. Het voedsel van den mensch is de grondslag voor zijn vorming en opvoeding. Wilt gij het volk verbeteren, zoo geef het in plaats van uitroepen tegen de zonde, beter eten. De mensch is, wat hij eet.”Strauss en Feuerbach hadden zich van Hegel afgewend. De volgende tijden, die een honger hadden naar feiten, waren der speculatieve filosofie weinig gezind. De reactie, de moedeloosheid na het jaar 1848, dat zoovele illusies van vrijheid en vooruitgang had opgewekt, die nu niet vervuld waren, maakte de menschen meer geschikt om Schopenhauer’s pessimisme te waardeeren. Toch bleef, zij het op menig punt onbewust, Hegel’s geest werken. In het begin der 20ste eeuw kwam in ons land zijn leer tot meer aanzien en vond geestdriftige aanhangers door het optreden van den Leidschen hoogleeraar Bolland.Bolland.Gerardus Johannes Petrus Josephus Bolland werd 9 Juni 1857 te Groningen geboren. Zijn vader overleed vroeg. Zijn moeder voedde hem op in ’t katholieke geloof, dat hij later verliet. Na verschillende lotswisselingen was hij onderwijzer in Groningen en Katwijk, studeerde dan te Jena in de Engelsche taal, werd leeraar in die taal aan het gymnasium Willem III te Batavia. Hier werd zijn lust tot de studie der wijsbegeerte opgewekt en aanvankelijk sloot hij zich aan bij Von Hartmann. In 1896 kwam hij als opvolger van Land als hoogleeraar in de wijsbegeerte aan de Leidsche hoogeschool,vooral door toedoen van zijn ouden beschermer Prof. Cosijn en den minister Mr. S. van Houten.Bolland, man van machtige welsprekendheid, groote kennis (bijv. op theologisch en taalkundig gebied), vurige kracht, onverschrokken waarheidsliefde en moed, wist een schare jongeren om zich te verzamelen en trok ook in andere academiesteden veel belangstelling, met name in Utrecht, Amsterdam en Delft.Allerlei stelsels van wijsbegeerte overdacht hij. Bij geen vond hij vrede. Hij kwam ten slotte tot de bestudeering van Hegel’s werken zelf, die hij tot dusver alleen had leeren kennen uit geschiedenissen der wijsbegeerte, uit overzichten van anderen. Na aandachtige studie bleek hem, dat hij toen de gezochte waarheid had. Sedert tracht hij de methode van Hegel ingang te doen vinden en leidt zijn leerlingen op tot verstaan van den meester, tegenover wien hij zich overigens zelfstandig verhoudt.Bolland heeft sommige werken van Hegel opnieuw uitgegeven en van kantteekeningen voorzien. Van zijn eigen werken noemen wij zijn standaardwerk: “Zuivere Rede.” Zijn artikelen werden meest opgenomen in de Nieuwe Gids of Het Tweemaandelijksch Tijdschrift. Als inleiding tot de lectuur zijner werken leenen zich het best de gestenografeerde verslagen van redevoeringen: het gesproken woord wordt geprezen boven zijn geschreven, al wordt ook hier van getuigd: “hij doet de wijsheid Nederlandsch spreken, en hoe meer hij zijn hoogtepunt nadert, hoe meer hem dit gelukt.” Bolland heeft zich, behalve met wijsgeerige, ook met maatschappelijke en theologische vraagstukken beziggehouden. Sommige artikelen lokten hevig verzet uit (kwestie Schaepman-Bolland over Petrus en Rome). Een met veel liefde geschreven studie over leven, persoonlijkheid en werken, geeft Dr. J. A.van den Bergh van Eisinga in “Mannen van Beteekenis,” Deel XXXVIII, afl. 5.Opm.Van de geestverwanten van Bolland zijn te noemen de gebroeders Van den Bergh van Eisinga. De een, zijn biograaf, trad als privaat-docent te Utrecht op met een rede over allegorische interpretatie en in diens preekenbundel: “Rust een weinig,” geeft Bolland een voorbeeld van een gebed voor de gemeente. Toen Prof. Jelgersma een open brief aan zijn collega schreef, vatte o. a. Grondijs de pen op om zijn meester te verdedigen. In het laatste tiental jaren staat Bolland, meer dan hem zelf lief is, in het brandpunt eener opmerkzaamheid, die niet zelden meer bijkomende bijzonderheden dan zijn eigenlijke leer en werk betreffen.
§ 18.Leven en persoonlijkheid.De meestomvattende en de meest logische onder de groote speculatieve denkers werd 27 Augustus 1770 uit een ambtenaarsfamilie te Stuttgart geboren; studeerde, tegelijk met Schelling, theologie in Tübingen. Klassieke studies trekken hem aan en met zijn vriend, den dichter Hölderlin, deelde hij de bewondering voor de Grieksche en de Romeinsche oudheid. Ook wijsbegeerte trok zijn belangstelling: Kant en Rousseau werden gelezen. Van 1793-’96 was hij huisonderwijzer te Bern, daarna tot 1800 te Frankfort. Aanvankelijk was hij een medestander van Schelling, en toen ook hij naar het brandpunt der wijsgeerige beweging, Jena, was gekomen, gaf hij in gemeenschap met dezen een tijdschrift uit.Maar te groot het verschil tusschen beiden, dan dat samengaan op den duur mogelijk was. Schelling, de man van het schitterende, spelende vernuft, de snèl-wisselende en ongestadig-veranderende, de verbeeldingrijke kunstenaarsnatuur.Hegel, de man die niet spoedig in beweging kwam,even onbeholpen in het dagelijksch leven, als op den katheder, geen kunstenaarsnatuur maar een intellectualist, met logische gestrengheid een eenmaal aangenomen beginsel ontwikkelende, volhardend bouwende, dóórdenkend en doordénkend.In zijn gedachtenwereld verdiept, kon hem de slag bij Jena, die het Pruisische rijk deed wijken voor Napoleon’s veldheersgenie, nauwelijks belang inboezemen: in den nacht ervoor had hij zijn “Phaenomenologie van den geest” voltooid, inleiding op zijn latere geschriften en openbaring van eigen standpunt.Het slecht bezoldigde buitengewone hoogleeraarsschap is niet houdbaar: hij gaat als journalist naar Bamberg, vandaar in 1806 naar Neurenberg, als rector van een gymnasium. Hier geeft hij voorbereidend wijsgeerig onderwijs, wat gunstig op zijn stijl werkt. In dezen tijd verschijnt zijn logica (1812, 1816). In 1816 komt hij dan in Heidelberg als hoogleeraar en geeft in dezen tijd zijn Encyclopedie uit. Zijn laatste jaren brengt Hegel als professor te Berlijn door, waar hij 14 Nov. 1831 aan de cholera sterft.In Berlijn stond Hegel op het toppunt van zijn roem. Man van bewonderenswaardige vlijt en veelomvattend weten gaf hij hier colleges over tal van onderwerpen die hij wijsgeerig behandelde, aan een geestdriftige bezielde leerlingenschaar, saamgekomen van heinde en ver, die geboeid werd, niet door uiterlijke welsprekendheid, maar door de geweldige grootschheid van het gebouw, dat hij voor hen deed oprijzen. Dat blijkt nu nog uit zijn geschriften. “Nog nooit heeft iemand, die den moeitevollen arbeid ondernam, aan het onderzoek van Hegel’s geschriften verbonden, zich aan een gevoel van bewondering kunnen onttrekken voor de architectonische kracht van dezen denker.” (Dr. Ritter).Ook bij de autoriteiten stond Hegel in hoog aanzien. Toen men zich van Napoleon bevrijden moest, hadden de vorsten hunnen volken groote beloften gedaan. Maar nu de geweldenaar verjaagd was en de vorsten weer veilig bezit hadden genomen van hun troon, waren die beloften van volksvrijheden vergeten. Reactie op kerkelijk en staatkundig gebied vierde hoogtij.Hegel was—gevolg zijner wijsbegeerte—conservatief gezind en zoo stond hij ook bij de leidende staatsmachten in hoog aanzien. Men merke wel op, dat Hegel conservatief was uit hoofde zijner wijsbegeerte en niet, om den vorst te believen.Na zijn dood gaf eene “vereeniging van vrienden van den vereeuwigde” zijne werken uit, waarvan een aantal bewerkt naar de colleges. Die werken zijn in een moeilijken, niet dadelijk te begrijpen stijl geschreven en schrikken, door het gebruik van een groot aantal kunsttermen nog meer af.Toch hebben ze een grooten invloed uitgeoefend op het geestesleven der 19de eeuw en ze gaan voort, dat te doen op de 20ste.
§ 18.Leven en persoonlijkheid.
De meestomvattende en de meest logische onder de groote speculatieve denkers werd 27 Augustus 1770 uit een ambtenaarsfamilie te Stuttgart geboren; studeerde, tegelijk met Schelling, theologie in Tübingen. Klassieke studies trekken hem aan en met zijn vriend, den dichter Hölderlin, deelde hij de bewondering voor de Grieksche en de Romeinsche oudheid. Ook wijsbegeerte trok zijn belangstelling: Kant en Rousseau werden gelezen. Van 1793-’96 was hij huisonderwijzer te Bern, daarna tot 1800 te Frankfort. Aanvankelijk was hij een medestander van Schelling, en toen ook hij naar het brandpunt der wijsgeerige beweging, Jena, was gekomen, gaf hij in gemeenschap met dezen een tijdschrift uit.Maar te groot het verschil tusschen beiden, dan dat samengaan op den duur mogelijk was. Schelling, de man van het schitterende, spelende vernuft, de snèl-wisselende en ongestadig-veranderende, de verbeeldingrijke kunstenaarsnatuur.Hegel, de man die niet spoedig in beweging kwam,even onbeholpen in het dagelijksch leven, als op den katheder, geen kunstenaarsnatuur maar een intellectualist, met logische gestrengheid een eenmaal aangenomen beginsel ontwikkelende, volhardend bouwende, dóórdenkend en doordénkend.In zijn gedachtenwereld verdiept, kon hem de slag bij Jena, die het Pruisische rijk deed wijken voor Napoleon’s veldheersgenie, nauwelijks belang inboezemen: in den nacht ervoor had hij zijn “Phaenomenologie van den geest” voltooid, inleiding op zijn latere geschriften en openbaring van eigen standpunt.Het slecht bezoldigde buitengewone hoogleeraarsschap is niet houdbaar: hij gaat als journalist naar Bamberg, vandaar in 1806 naar Neurenberg, als rector van een gymnasium. Hier geeft hij voorbereidend wijsgeerig onderwijs, wat gunstig op zijn stijl werkt. In dezen tijd verschijnt zijn logica (1812, 1816). In 1816 komt hij dan in Heidelberg als hoogleeraar en geeft in dezen tijd zijn Encyclopedie uit. Zijn laatste jaren brengt Hegel als professor te Berlijn door, waar hij 14 Nov. 1831 aan de cholera sterft.In Berlijn stond Hegel op het toppunt van zijn roem. Man van bewonderenswaardige vlijt en veelomvattend weten gaf hij hier colleges over tal van onderwerpen die hij wijsgeerig behandelde, aan een geestdriftige bezielde leerlingenschaar, saamgekomen van heinde en ver, die geboeid werd, niet door uiterlijke welsprekendheid, maar door de geweldige grootschheid van het gebouw, dat hij voor hen deed oprijzen. Dat blijkt nu nog uit zijn geschriften. “Nog nooit heeft iemand, die den moeitevollen arbeid ondernam, aan het onderzoek van Hegel’s geschriften verbonden, zich aan een gevoel van bewondering kunnen onttrekken voor de architectonische kracht van dezen denker.” (Dr. Ritter).Ook bij de autoriteiten stond Hegel in hoog aanzien. Toen men zich van Napoleon bevrijden moest, hadden de vorsten hunnen volken groote beloften gedaan. Maar nu de geweldenaar verjaagd was en de vorsten weer veilig bezit hadden genomen van hun troon, waren die beloften van volksvrijheden vergeten. Reactie op kerkelijk en staatkundig gebied vierde hoogtij.Hegel was—gevolg zijner wijsbegeerte—conservatief gezind en zoo stond hij ook bij de leidende staatsmachten in hoog aanzien. Men merke wel op, dat Hegel conservatief was uit hoofde zijner wijsbegeerte en niet, om den vorst te believen.Na zijn dood gaf eene “vereeniging van vrienden van den vereeuwigde” zijne werken uit, waarvan een aantal bewerkt naar de colleges. Die werken zijn in een moeilijken, niet dadelijk te begrijpen stijl geschreven en schrikken, door het gebruik van een groot aantal kunsttermen nog meer af.Toch hebben ze een grooten invloed uitgeoefend op het geestesleven der 19de eeuw en ze gaan voort, dat te doen op de 20ste.
De meestomvattende en de meest logische onder de groote speculatieve denkers werd 27 Augustus 1770 uit een ambtenaarsfamilie te Stuttgart geboren; studeerde, tegelijk met Schelling, theologie in Tübingen. Klassieke studies trekken hem aan en met zijn vriend, den dichter Hölderlin, deelde hij de bewondering voor de Grieksche en de Romeinsche oudheid. Ook wijsbegeerte trok zijn belangstelling: Kant en Rousseau werden gelezen. Van 1793-’96 was hij huisonderwijzer te Bern, daarna tot 1800 te Frankfort. Aanvankelijk was hij een medestander van Schelling, en toen ook hij naar het brandpunt der wijsgeerige beweging, Jena, was gekomen, gaf hij in gemeenschap met dezen een tijdschrift uit.
Maar te groot het verschil tusschen beiden, dan dat samengaan op den duur mogelijk was. Schelling, de man van het schitterende, spelende vernuft, de snèl-wisselende en ongestadig-veranderende, de verbeeldingrijke kunstenaarsnatuur.
Hegel, de man die niet spoedig in beweging kwam,even onbeholpen in het dagelijksch leven, als op den katheder, geen kunstenaarsnatuur maar een intellectualist, met logische gestrengheid een eenmaal aangenomen beginsel ontwikkelende, volhardend bouwende, dóórdenkend en doordénkend.
In zijn gedachtenwereld verdiept, kon hem de slag bij Jena, die het Pruisische rijk deed wijken voor Napoleon’s veldheersgenie, nauwelijks belang inboezemen: in den nacht ervoor had hij zijn “Phaenomenologie van den geest” voltooid, inleiding op zijn latere geschriften en openbaring van eigen standpunt.
Het slecht bezoldigde buitengewone hoogleeraarsschap is niet houdbaar: hij gaat als journalist naar Bamberg, vandaar in 1806 naar Neurenberg, als rector van een gymnasium. Hier geeft hij voorbereidend wijsgeerig onderwijs, wat gunstig op zijn stijl werkt. In dezen tijd verschijnt zijn logica (1812, 1816). In 1816 komt hij dan in Heidelberg als hoogleeraar en geeft in dezen tijd zijn Encyclopedie uit. Zijn laatste jaren brengt Hegel als professor te Berlijn door, waar hij 14 Nov. 1831 aan de cholera sterft.
In Berlijn stond Hegel op het toppunt van zijn roem. Man van bewonderenswaardige vlijt en veelomvattend weten gaf hij hier colleges over tal van onderwerpen die hij wijsgeerig behandelde, aan een geestdriftige bezielde leerlingenschaar, saamgekomen van heinde en ver, die geboeid werd, niet door uiterlijke welsprekendheid, maar door de geweldige grootschheid van het gebouw, dat hij voor hen deed oprijzen. Dat blijkt nu nog uit zijn geschriften. “Nog nooit heeft iemand, die den moeitevollen arbeid ondernam, aan het onderzoek van Hegel’s geschriften verbonden, zich aan een gevoel van bewondering kunnen onttrekken voor de architectonische kracht van dezen denker.” (Dr. Ritter).
Ook bij de autoriteiten stond Hegel in hoog aanzien. Toen men zich van Napoleon bevrijden moest, hadden de vorsten hunnen volken groote beloften gedaan. Maar nu de geweldenaar verjaagd was en de vorsten weer veilig bezit hadden genomen van hun troon, waren die beloften van volksvrijheden vergeten. Reactie op kerkelijk en staatkundig gebied vierde hoogtij.
Hegel was—gevolg zijner wijsbegeerte—conservatief gezind en zoo stond hij ook bij de leidende staatsmachten in hoog aanzien. Men merke wel op, dat Hegel conservatief was uit hoofde zijner wijsbegeerte en niet, om den vorst te believen.
Na zijn dood gaf eene “vereeniging van vrienden van den vereeuwigde” zijne werken uit, waarvan een aantal bewerkt naar de colleges. Die werken zijn in een moeilijken, niet dadelijk te begrijpen stijl geschreven en schrikken, door het gebruik van een groot aantal kunsttermen nog meer af.
Toch hebben ze een grooten invloed uitgeoefend op het geestesleven der 19de eeuw en ze gaan voort, dat te doen op de 20ste.
§ 19.Methode.Hegel’s systeem is een absoluut idealisme. Ook voor hem is al het bestaande geestelijk. Het Absolute is geest, en tweeheid van zijn en denken moet verworpen worden. Zij zijn wezensgelijk, er is identiteit. Maar beslist verwerpt Hegel de Schellingsche identiteit, door hem den nacht genoemd, waarin alle katten grauw zijn. De natuur staat niet naast het denken, maar eronder. Keert Hegel dan tot Fichte terug, voor wien de natuur slechts bestond, opdat het ik een object tegenover zich zou hebben, waarop hetzijn krachten kon richten? Geenszins. De natuur staat wel onder den geest, maar zij is niet een dood ding. Zij is een deel van het proces der ontwikkeling waarin het Absolute (Idee, Rede) voortschrijdt.Aanvankelijk is alles in het Absolute. Dit moet een weg, een langen, met veel treden opstijgenden weg doorloopen om zich zelf te leeren kennen, zich zelf te vinden. Heeft het dat gedaan, dan is het doel der ontwikkeling bereikt. In dien weg ligt de natuur. Het Absolute is eerst “an-sich,” aan zich. Nu komt het buiten zich, het komt tot anders-zijn. Dit is de natuur. Daarop stijgt het tot levenden geest, wiens hoogste trap is het kennen van zich zelf. Dan bestaat het Absolute weer “an-sich,” maar ookfür sich, voor zich zelven. In alles wat er is, openbaart zich het absolute, de rede. Al het werkelijke is redelijk, al het redelijke werkelijk. De werkelijkheid is niet van de rede verlaten en de rede niet van de werkelijkheid.Hegel staat met Fichte en Schelling tegenover Kant, in zooverre hij eenstelsel, een systeem geeft, in zooverre hij zich niet wil bepalen tot kennis der verschijningen. Dedingen an sich: het Absolute moet gekend worden. Uit de gelijkheid van zijn en denken volgt, dat de wetten van het denken ook voor het zijn gelden. Ontwerpt Hegel dus een logica, dan is die niet alleen een wetenschap van ons denken. Hare formules en indeelingen gelden ook voor de geheele werkelijkheid, voor het zijn. Logica is bij Hegel meteen metafysica.Bij zijn onderzoekingen nu volgt Hegel de z.g. dialectische methode. Elk begrip vindt zijn begrenzing in zijn ontkenning. Maar … zoo we deze ontkenning weer ontkennen, komen we tot een nieuw begrip. Dit derde begrip omvat de beide voorgaande. Deze zijn er in opgeheven en in òp-geheven. De tegenspraakis verdwenen, zij bestaat niet meer, zij is weg, opgeheven. Dat komt, omdat beide begrippen onder een nieuw gebracht zijn, dat rijker is. Zij zijn daarin òp-geheven. Maar dit nieuwe begrip zelf wordt weer uitgangspunt voor een dergelijke redeneering. Het dóor denkende, komt men tot zijn negatie. Beide zijn dan weer op te heffen in de ontkenning dezer ontkenning. (Zie het voorbeeld hieronder).Schematisch dus:a → niet aA → niet AB→ nietBC→ nietCDenz.Zoo bouwt Hegel een geheel systeem van begrippen, die dus voor denken en werkelijkheid gelden. Er is in zijn dialectische methodeeenheid van tegendeelen.Hegel’s systeem is dus een, in streng wetenschappelijken vorm gegoten, logisch stelsel. Het is een absoluut, idealistisch, identiteits-systeem, dat een doorgaande ontwikkeling van het Absolute leert, dat, eerst op zich zelf bestaand, in de natuur anders wordt, en voortschrijdt tot den geest, die zich ten slotte zèlf herkent, zoodat het absolute nu ook voor zich bestaat. De wijsbegeerte nu heeft ten taak deze ontwikkeling te schetsen. “Grootscher taak is haar nooit opgedragen.”Hegel’s groote kennis en bouwend vermogen stelthem in staat een volledig systeem te ontwerpen van die ontwikkeling. De hoofdlijnen van den plattegrond van dit gebouw geven wij in een schema, blz. 88—89 en we voegen bij enkele belangrijke dingen eenige nadere mededeelingen.
§ 19.Methode.
Hegel’s systeem is een absoluut idealisme. Ook voor hem is al het bestaande geestelijk. Het Absolute is geest, en tweeheid van zijn en denken moet verworpen worden. Zij zijn wezensgelijk, er is identiteit. Maar beslist verwerpt Hegel de Schellingsche identiteit, door hem den nacht genoemd, waarin alle katten grauw zijn. De natuur staat niet naast het denken, maar eronder. Keert Hegel dan tot Fichte terug, voor wien de natuur slechts bestond, opdat het ik een object tegenover zich zou hebben, waarop hetzijn krachten kon richten? Geenszins. De natuur staat wel onder den geest, maar zij is niet een dood ding. Zij is een deel van het proces der ontwikkeling waarin het Absolute (Idee, Rede) voortschrijdt.Aanvankelijk is alles in het Absolute. Dit moet een weg, een langen, met veel treden opstijgenden weg doorloopen om zich zelf te leeren kennen, zich zelf te vinden. Heeft het dat gedaan, dan is het doel der ontwikkeling bereikt. In dien weg ligt de natuur. Het Absolute is eerst “an-sich,” aan zich. Nu komt het buiten zich, het komt tot anders-zijn. Dit is de natuur. Daarop stijgt het tot levenden geest, wiens hoogste trap is het kennen van zich zelf. Dan bestaat het Absolute weer “an-sich,” maar ookfür sich, voor zich zelven. In alles wat er is, openbaart zich het absolute, de rede. Al het werkelijke is redelijk, al het redelijke werkelijk. De werkelijkheid is niet van de rede verlaten en de rede niet van de werkelijkheid.Hegel staat met Fichte en Schelling tegenover Kant, in zooverre hij eenstelsel, een systeem geeft, in zooverre hij zich niet wil bepalen tot kennis der verschijningen. Dedingen an sich: het Absolute moet gekend worden. Uit de gelijkheid van zijn en denken volgt, dat de wetten van het denken ook voor het zijn gelden. Ontwerpt Hegel dus een logica, dan is die niet alleen een wetenschap van ons denken. Hare formules en indeelingen gelden ook voor de geheele werkelijkheid, voor het zijn. Logica is bij Hegel meteen metafysica.Bij zijn onderzoekingen nu volgt Hegel de z.g. dialectische methode. Elk begrip vindt zijn begrenzing in zijn ontkenning. Maar … zoo we deze ontkenning weer ontkennen, komen we tot een nieuw begrip. Dit derde begrip omvat de beide voorgaande. Deze zijn er in opgeheven en in òp-geheven. De tegenspraakis verdwenen, zij bestaat niet meer, zij is weg, opgeheven. Dat komt, omdat beide begrippen onder een nieuw gebracht zijn, dat rijker is. Zij zijn daarin òp-geheven. Maar dit nieuwe begrip zelf wordt weer uitgangspunt voor een dergelijke redeneering. Het dóor denkende, komt men tot zijn negatie. Beide zijn dan weer op te heffen in de ontkenning dezer ontkenning. (Zie het voorbeeld hieronder).Schematisch dus:a → niet aA → niet AB→ nietBC→ nietCDenz.Zoo bouwt Hegel een geheel systeem van begrippen, die dus voor denken en werkelijkheid gelden. Er is in zijn dialectische methodeeenheid van tegendeelen.Hegel’s systeem is dus een, in streng wetenschappelijken vorm gegoten, logisch stelsel. Het is een absoluut, idealistisch, identiteits-systeem, dat een doorgaande ontwikkeling van het Absolute leert, dat, eerst op zich zelf bestaand, in de natuur anders wordt, en voortschrijdt tot den geest, die zich ten slotte zèlf herkent, zoodat het absolute nu ook voor zich bestaat. De wijsbegeerte nu heeft ten taak deze ontwikkeling te schetsen. “Grootscher taak is haar nooit opgedragen.”Hegel’s groote kennis en bouwend vermogen stelthem in staat een volledig systeem te ontwerpen van die ontwikkeling. De hoofdlijnen van den plattegrond van dit gebouw geven wij in een schema, blz. 88—89 en we voegen bij enkele belangrijke dingen eenige nadere mededeelingen.
Hegel’s systeem is een absoluut idealisme. Ook voor hem is al het bestaande geestelijk. Het Absolute is geest, en tweeheid van zijn en denken moet verworpen worden. Zij zijn wezensgelijk, er is identiteit. Maar beslist verwerpt Hegel de Schellingsche identiteit, door hem den nacht genoemd, waarin alle katten grauw zijn. De natuur staat niet naast het denken, maar eronder. Keert Hegel dan tot Fichte terug, voor wien de natuur slechts bestond, opdat het ik een object tegenover zich zou hebben, waarop hetzijn krachten kon richten? Geenszins. De natuur staat wel onder den geest, maar zij is niet een dood ding. Zij is een deel van het proces der ontwikkeling waarin het Absolute (Idee, Rede) voortschrijdt.
Aanvankelijk is alles in het Absolute. Dit moet een weg, een langen, met veel treden opstijgenden weg doorloopen om zich zelf te leeren kennen, zich zelf te vinden. Heeft het dat gedaan, dan is het doel der ontwikkeling bereikt. In dien weg ligt de natuur. Het Absolute is eerst “an-sich,” aan zich. Nu komt het buiten zich, het komt tot anders-zijn. Dit is de natuur. Daarop stijgt het tot levenden geest, wiens hoogste trap is het kennen van zich zelf. Dan bestaat het Absolute weer “an-sich,” maar ookfür sich, voor zich zelven. In alles wat er is, openbaart zich het absolute, de rede. Al het werkelijke is redelijk, al het redelijke werkelijk. De werkelijkheid is niet van de rede verlaten en de rede niet van de werkelijkheid.
Hegel staat met Fichte en Schelling tegenover Kant, in zooverre hij eenstelsel, een systeem geeft, in zooverre hij zich niet wil bepalen tot kennis der verschijningen. Dedingen an sich: het Absolute moet gekend worden. Uit de gelijkheid van zijn en denken volgt, dat de wetten van het denken ook voor het zijn gelden. Ontwerpt Hegel dus een logica, dan is die niet alleen een wetenschap van ons denken. Hare formules en indeelingen gelden ook voor de geheele werkelijkheid, voor het zijn. Logica is bij Hegel meteen metafysica.
Bij zijn onderzoekingen nu volgt Hegel de z.g. dialectische methode. Elk begrip vindt zijn begrenzing in zijn ontkenning. Maar … zoo we deze ontkenning weer ontkennen, komen we tot een nieuw begrip. Dit derde begrip omvat de beide voorgaande. Deze zijn er in opgeheven en in òp-geheven. De tegenspraakis verdwenen, zij bestaat niet meer, zij is weg, opgeheven. Dat komt, omdat beide begrippen onder een nieuw gebracht zijn, dat rijker is. Zij zijn daarin òp-geheven. Maar dit nieuwe begrip zelf wordt weer uitgangspunt voor een dergelijke redeneering. Het dóor denkende, komt men tot zijn negatie. Beide zijn dan weer op te heffen in de ontkenning dezer ontkenning. (Zie het voorbeeld hieronder).
Schematisch dus:
a → niet aA → niet AB→ nietBC→ nietCDenz.
Zoo bouwt Hegel een geheel systeem van begrippen, die dus voor denken en werkelijkheid gelden. Er is in zijn dialectische methodeeenheid van tegendeelen.
Hegel’s systeem is dus een, in streng wetenschappelijken vorm gegoten, logisch stelsel. Het is een absoluut, idealistisch, identiteits-systeem, dat een doorgaande ontwikkeling van het Absolute leert, dat, eerst op zich zelf bestaand, in de natuur anders wordt, en voortschrijdt tot den geest, die zich ten slotte zèlf herkent, zoodat het absolute nu ook voor zich bestaat. De wijsbegeerte nu heeft ten taak deze ontwikkeling te schetsen. “Grootscher taak is haar nooit opgedragen.”
Hegel’s groote kennis en bouwend vermogen stelthem in staat een volledig systeem te ontwerpen van die ontwikkeling. De hoofdlijnen van den plattegrond van dit gebouw geven wij in een schema, blz. 88—89 en we voegen bij enkele belangrijke dingen eenige nadere mededeelingen.
§ 20.Het systeem.Logica.Hegel begint dus met de logica, waarin hij de begrippen ontwerpt, die het zijn omvatten. Hier volgt hij zijn dialectische methode, waarin alles in zijn tegendeel omslaat. Wat is het algemeenste begrip? Zijn. Maar dit zuivere begrip zijn heeft geen inhoud of hoedanigheid. Denken wij het door, dan komen wij dus tot niet-zijn, maar, als het gedacht wordtbestaathet als gedachte en niet-zijn wordt dus zijn. Wat is nu het begrip, dat beiden omspant? Hetworden. Overgang van zijn tot niet zijn, van niet-zijn tot zijn is worden. De knaap, die jongeling wordt, is jongeling en nog niet. In het worden zijn zijn en niet-zijn opgeheven.Na de logica volgt denatuurfilosofie, vrij algemeen als het minst belangrijke en minst oorspronkelijke en geslaagde deel erkend. De algemeene beschouwing is hier, dat de rede zich zinnelijk voorstelt, om door de natuur tot den geest te komen. Alleen hij, die in ’t buitenland geweest is, kent het vaderland. De natuur is het land der vreemdelingschap voor de idee, waarin zij verwijlen moet, om rijker in ’t vaderland terug te keeren. Van de natuur komen wij tot den geest, die zich openbaart als:subjectieve, objectieve en absolute geest.Het wezen, de bestemming van den geest is de vrijheid. Deze bestemming moet bereikt worden, de voorhanden aanleg ontwikkeld en verwerkelijkt. Ditgebeurt langzamerhand en de geest wordt hoe langer zoo meer onafhankelijk van de natuur. De leer van den subjectieven geest alszielvan een lichaam is de anthropologie, die handelt over de dingen, die de geest in zooverre hij met het lichaam is verbonden, vertoont. (Onderscheid van ras, volk, geslacht, talent, geestesziekten, slapen en waken). Hier geeft dus Hegel, wat thans voor een gedeelte onder de gewone zielkunde, voor een ander deel onder de psychiatrie, voor een derde gedeelte onder de speciale psychologie valt. Waarnemen, herinneren, denken, enz. wordt in de psychologie behandeld. De subjectieve geest is ten slotte tot vrijheidsbewustzijn gekomen en tracht nu die vrijheid te verwezenlijken als objectieve geest in de wereld van recht en zedelijkheid. De leer van denOBJECTIEVENgeest is de schitterendste schepping van Hegel, in ’t bijzonder dan zijn staatsrecht en zijn wijsbegeerte der geschiedenis. De vrijheid moet werkelijkheid worden. Hetrechtbrengt deuitwendigevrijheid, demoraliteitdeinnerlijke, dezedelijkheidbeide vereenigend, devolkomenvrijheid. Het recht is oorspronkelijk een verzameling van verboden inperking van den wil.Het recht is aleersteigendomsrecht, het is het recht der persoonlijkheid, eigendom te bezitten. Zonder eigendom geen persoonlijkheid. In eenverdragtreedt die persoonlijkheid tot anderen in verhouding en hetstrafrechtis de ontkenning van de ontkenning van het recht. Onrecht, negatie van recht is er, als de bijzondere wil zich verzet tegen den algemeenen.Waar de bijzondere wil zich, door goede gezindheid, naar den algemeenen voegt, ismoraliteit. Deze ligt in het terrein der subjectieve gezindheid. Maar de goede gezindheid is niet het hoogste, er blijft een tegenspraak tusschen bedoeling en uitvoering; hetgeweten, rechter op deze trap over goed en kwaad, kan falen.Ook de tegendeelen legaliteit en moraliteit moeten verzoend worden en dat geschiedt in de “zedelijkheid.” De zede is een in de gemeenschap heerschende gewoonte, die door den enkeling niet gevoeld wordt als een van buiten komend gebod, maar als iets uit eigen wezen voortspruitend. Aan de zede dankt dit terrein zijn naam zedelijkheid.Allereerst nu wordt het familierecht behandeld (Huwelijk, enz.) De echt is niet, als bij Kant, een zuivere rechtsverhouding, noch een bloote aangelegenheid van ’t gevoel, hij is een zedelijke verbintenis. De leer der “burgerlijke gezelschappen” doet o. a. recht wedervaren aan de corporaties van burgers. Ook de leer der standen (die samenhangen met hun beroep: voortbrengende- nijverheids- en denkende stand) vindt zijn behandeling. Familie en burgerlijke samenleving vinden hunne vereeniging in den staat, wiens beste regeeringsvorm de grondwettelijke, erfelijke monarchie is. Na Hobbes heeft misschien geen denker zoo grooten eerbied voor den staat gekoesterd als Hegel. Zooals een staat is, moet hij op dat oogenblik zijn. Evengoed als men van de natuur toegeeft, dat men haar nemen moet zooals zij is, moet men dat ook met den staat doen. De Idee heerscht ook in dit gebied, ook hier is de werkelijkheid niet van de rede verlaten, ook hier is het werkelijke redelijk.Men moet den staat als historisch geworden beschouwen, niet wijzer willen zijn dan de rede, die zich in den staat heeft ontwikkeld. Geen wijsbegeerte kon ons leeren, hoe de wereld zijn moet: zij komt daarvoor steeds te laat. “Eerst als de schemering begint, vangt Minerva’s uil aan te vliegen.”Degeschiedenisis niet anders dan het proces, datde werkelijkheid doorloopt, om tot den staatsvorm te komen: Inderdaad is hier een grandioose opvatting. Elk volk is slechts een punt van de lijn, een ontwikkelingsmoment. Groote mannen dienen slechts, om de ontwikkeling mee te verwezenlijken; het is de list van de Rede dat zij hen daarvoor gebruikt, terwijl zij hun eigen belangen meenen te dienen. Maar alles gaat naar het ééne: de vrijheid. Bij de ruwe Oostersche volken acht zich slechts één vrij: de despoot, die over allen regeert. In de Grieksche en Romeinsche republieken zijn meerderen vrij, het Christendom maakt allen vrij. In ieder dezer drie groote perioden zijn weer onderafdeelingen te onderscheiden. In de geschiedenis der Oostersche volken komt eerst met de Perzen een waarachtige staat met een despoot. Het is de knapenleeftijd der menschheid. Griekenland is het land, waar de menschheid haar jongelingsleeftijd doorloopt in vreugde aan leven en aan schoonheid. Maar noch hier, noch in Rome is de vrijheid in aller bewustzijn: er zijn nog slaven. Jezus brengt een persoonlijke vrijheid, de Germanen een politieke. Nu is de menschheid in haar kennende grijsheid, de tijd der volkomen rijpheid, waarin de mensch “na volending van zijn levensloop in zichzelf terugkeert.” Van de komst van Christus tot 1820 moet de menschheid nog door verschillende stadiën: Karel de Groote, ’t leenstelsel, de reformatie, enz.
§ 20.Het systeem.
Logica.Hegel begint dus met de logica, waarin hij de begrippen ontwerpt, die het zijn omvatten. Hier volgt hij zijn dialectische methode, waarin alles in zijn tegendeel omslaat. Wat is het algemeenste begrip? Zijn. Maar dit zuivere begrip zijn heeft geen inhoud of hoedanigheid. Denken wij het door, dan komen wij dus tot niet-zijn, maar, als het gedacht wordtbestaathet als gedachte en niet-zijn wordt dus zijn. Wat is nu het begrip, dat beiden omspant? Hetworden. Overgang van zijn tot niet zijn, van niet-zijn tot zijn is worden. De knaap, die jongeling wordt, is jongeling en nog niet. In het worden zijn zijn en niet-zijn opgeheven.Na de logica volgt denatuurfilosofie, vrij algemeen als het minst belangrijke en minst oorspronkelijke en geslaagde deel erkend. De algemeene beschouwing is hier, dat de rede zich zinnelijk voorstelt, om door de natuur tot den geest te komen. Alleen hij, die in ’t buitenland geweest is, kent het vaderland. De natuur is het land der vreemdelingschap voor de idee, waarin zij verwijlen moet, om rijker in ’t vaderland terug te keeren. Van de natuur komen wij tot den geest, die zich openbaart als:subjectieve, objectieve en absolute geest.Het wezen, de bestemming van den geest is de vrijheid. Deze bestemming moet bereikt worden, de voorhanden aanleg ontwikkeld en verwerkelijkt. Ditgebeurt langzamerhand en de geest wordt hoe langer zoo meer onafhankelijk van de natuur. De leer van den subjectieven geest alszielvan een lichaam is de anthropologie, die handelt over de dingen, die de geest in zooverre hij met het lichaam is verbonden, vertoont. (Onderscheid van ras, volk, geslacht, talent, geestesziekten, slapen en waken). Hier geeft dus Hegel, wat thans voor een gedeelte onder de gewone zielkunde, voor een ander deel onder de psychiatrie, voor een derde gedeelte onder de speciale psychologie valt. Waarnemen, herinneren, denken, enz. wordt in de psychologie behandeld. De subjectieve geest is ten slotte tot vrijheidsbewustzijn gekomen en tracht nu die vrijheid te verwezenlijken als objectieve geest in de wereld van recht en zedelijkheid. De leer van denOBJECTIEVENgeest is de schitterendste schepping van Hegel, in ’t bijzonder dan zijn staatsrecht en zijn wijsbegeerte der geschiedenis. De vrijheid moet werkelijkheid worden. Hetrechtbrengt deuitwendigevrijheid, demoraliteitdeinnerlijke, dezedelijkheidbeide vereenigend, devolkomenvrijheid. Het recht is oorspronkelijk een verzameling van verboden inperking van den wil.Het recht is aleersteigendomsrecht, het is het recht der persoonlijkheid, eigendom te bezitten. Zonder eigendom geen persoonlijkheid. In eenverdragtreedt die persoonlijkheid tot anderen in verhouding en hetstrafrechtis de ontkenning van de ontkenning van het recht. Onrecht, negatie van recht is er, als de bijzondere wil zich verzet tegen den algemeenen.Waar de bijzondere wil zich, door goede gezindheid, naar den algemeenen voegt, ismoraliteit. Deze ligt in het terrein der subjectieve gezindheid. Maar de goede gezindheid is niet het hoogste, er blijft een tegenspraak tusschen bedoeling en uitvoering; hetgeweten, rechter op deze trap over goed en kwaad, kan falen.Ook de tegendeelen legaliteit en moraliteit moeten verzoend worden en dat geschiedt in de “zedelijkheid.” De zede is een in de gemeenschap heerschende gewoonte, die door den enkeling niet gevoeld wordt als een van buiten komend gebod, maar als iets uit eigen wezen voortspruitend. Aan de zede dankt dit terrein zijn naam zedelijkheid.Allereerst nu wordt het familierecht behandeld (Huwelijk, enz.) De echt is niet, als bij Kant, een zuivere rechtsverhouding, noch een bloote aangelegenheid van ’t gevoel, hij is een zedelijke verbintenis. De leer der “burgerlijke gezelschappen” doet o. a. recht wedervaren aan de corporaties van burgers. Ook de leer der standen (die samenhangen met hun beroep: voortbrengende- nijverheids- en denkende stand) vindt zijn behandeling. Familie en burgerlijke samenleving vinden hunne vereeniging in den staat, wiens beste regeeringsvorm de grondwettelijke, erfelijke monarchie is. Na Hobbes heeft misschien geen denker zoo grooten eerbied voor den staat gekoesterd als Hegel. Zooals een staat is, moet hij op dat oogenblik zijn. Evengoed als men van de natuur toegeeft, dat men haar nemen moet zooals zij is, moet men dat ook met den staat doen. De Idee heerscht ook in dit gebied, ook hier is de werkelijkheid niet van de rede verlaten, ook hier is het werkelijke redelijk.Men moet den staat als historisch geworden beschouwen, niet wijzer willen zijn dan de rede, die zich in den staat heeft ontwikkeld. Geen wijsbegeerte kon ons leeren, hoe de wereld zijn moet: zij komt daarvoor steeds te laat. “Eerst als de schemering begint, vangt Minerva’s uil aan te vliegen.”Degeschiedenisis niet anders dan het proces, datde werkelijkheid doorloopt, om tot den staatsvorm te komen: Inderdaad is hier een grandioose opvatting. Elk volk is slechts een punt van de lijn, een ontwikkelingsmoment. Groote mannen dienen slechts, om de ontwikkeling mee te verwezenlijken; het is de list van de Rede dat zij hen daarvoor gebruikt, terwijl zij hun eigen belangen meenen te dienen. Maar alles gaat naar het ééne: de vrijheid. Bij de ruwe Oostersche volken acht zich slechts één vrij: de despoot, die over allen regeert. In de Grieksche en Romeinsche republieken zijn meerderen vrij, het Christendom maakt allen vrij. In ieder dezer drie groote perioden zijn weer onderafdeelingen te onderscheiden. In de geschiedenis der Oostersche volken komt eerst met de Perzen een waarachtige staat met een despoot. Het is de knapenleeftijd der menschheid. Griekenland is het land, waar de menschheid haar jongelingsleeftijd doorloopt in vreugde aan leven en aan schoonheid. Maar noch hier, noch in Rome is de vrijheid in aller bewustzijn: er zijn nog slaven. Jezus brengt een persoonlijke vrijheid, de Germanen een politieke. Nu is de menschheid in haar kennende grijsheid, de tijd der volkomen rijpheid, waarin de mensch “na volending van zijn levensloop in zichzelf terugkeert.” Van de komst van Christus tot 1820 moet de menschheid nog door verschillende stadiën: Karel de Groote, ’t leenstelsel, de reformatie, enz.
Logica.Hegel begint dus met de logica, waarin hij de begrippen ontwerpt, die het zijn omvatten. Hier volgt hij zijn dialectische methode, waarin alles in zijn tegendeel omslaat. Wat is het algemeenste begrip? Zijn. Maar dit zuivere begrip zijn heeft geen inhoud of hoedanigheid. Denken wij het door, dan komen wij dus tot niet-zijn, maar, als het gedacht wordtbestaathet als gedachte en niet-zijn wordt dus zijn. Wat is nu het begrip, dat beiden omspant? Hetworden. Overgang van zijn tot niet zijn, van niet-zijn tot zijn is worden. De knaap, die jongeling wordt, is jongeling en nog niet. In het worden zijn zijn en niet-zijn opgeheven.Na de logica volgt denatuurfilosofie, vrij algemeen als het minst belangrijke en minst oorspronkelijke en geslaagde deel erkend. De algemeene beschouwing is hier, dat de rede zich zinnelijk voorstelt, om door de natuur tot den geest te komen. Alleen hij, die in ’t buitenland geweest is, kent het vaderland. De natuur is het land der vreemdelingschap voor de idee, waarin zij verwijlen moet, om rijker in ’t vaderland terug te keeren. Van de natuur komen wij tot den geest, die zich openbaart als:subjectieve, objectieve en absolute geest.Het wezen, de bestemming van den geest is de vrijheid. Deze bestemming moet bereikt worden, de voorhanden aanleg ontwikkeld en verwerkelijkt. Ditgebeurt langzamerhand en de geest wordt hoe langer zoo meer onafhankelijk van de natuur. De leer van den subjectieven geest alszielvan een lichaam is de anthropologie, die handelt over de dingen, die de geest in zooverre hij met het lichaam is verbonden, vertoont. (Onderscheid van ras, volk, geslacht, talent, geestesziekten, slapen en waken). Hier geeft dus Hegel, wat thans voor een gedeelte onder de gewone zielkunde, voor een ander deel onder de psychiatrie, voor een derde gedeelte onder de speciale psychologie valt. Waarnemen, herinneren, denken, enz. wordt in de psychologie behandeld. De subjectieve geest is ten slotte tot vrijheidsbewustzijn gekomen en tracht nu die vrijheid te verwezenlijken als objectieve geest in de wereld van recht en zedelijkheid. De leer van denOBJECTIEVENgeest is de schitterendste schepping van Hegel, in ’t bijzonder dan zijn staatsrecht en zijn wijsbegeerte der geschiedenis. De vrijheid moet werkelijkheid worden. Hetrechtbrengt deuitwendigevrijheid, demoraliteitdeinnerlijke, dezedelijkheidbeide vereenigend, devolkomenvrijheid. Het recht is oorspronkelijk een verzameling van verboden inperking van den wil.Het recht is aleersteigendomsrecht, het is het recht der persoonlijkheid, eigendom te bezitten. Zonder eigendom geen persoonlijkheid. In eenverdragtreedt die persoonlijkheid tot anderen in verhouding en hetstrafrechtis de ontkenning van de ontkenning van het recht. Onrecht, negatie van recht is er, als de bijzondere wil zich verzet tegen den algemeenen.Waar de bijzondere wil zich, door goede gezindheid, naar den algemeenen voegt, ismoraliteit. Deze ligt in het terrein der subjectieve gezindheid. Maar de goede gezindheid is niet het hoogste, er blijft een tegenspraak tusschen bedoeling en uitvoering; hetgeweten, rechter op deze trap over goed en kwaad, kan falen.Ook de tegendeelen legaliteit en moraliteit moeten verzoend worden en dat geschiedt in de “zedelijkheid.” De zede is een in de gemeenschap heerschende gewoonte, die door den enkeling niet gevoeld wordt als een van buiten komend gebod, maar als iets uit eigen wezen voortspruitend. Aan de zede dankt dit terrein zijn naam zedelijkheid.Allereerst nu wordt het familierecht behandeld (Huwelijk, enz.) De echt is niet, als bij Kant, een zuivere rechtsverhouding, noch een bloote aangelegenheid van ’t gevoel, hij is een zedelijke verbintenis. De leer der “burgerlijke gezelschappen” doet o. a. recht wedervaren aan de corporaties van burgers. Ook de leer der standen (die samenhangen met hun beroep: voortbrengende- nijverheids- en denkende stand) vindt zijn behandeling. Familie en burgerlijke samenleving vinden hunne vereeniging in den staat, wiens beste regeeringsvorm de grondwettelijke, erfelijke monarchie is. Na Hobbes heeft misschien geen denker zoo grooten eerbied voor den staat gekoesterd als Hegel. Zooals een staat is, moet hij op dat oogenblik zijn. Evengoed als men van de natuur toegeeft, dat men haar nemen moet zooals zij is, moet men dat ook met den staat doen. De Idee heerscht ook in dit gebied, ook hier is de werkelijkheid niet van de rede verlaten, ook hier is het werkelijke redelijk.Men moet den staat als historisch geworden beschouwen, niet wijzer willen zijn dan de rede, die zich in den staat heeft ontwikkeld. Geen wijsbegeerte kon ons leeren, hoe de wereld zijn moet: zij komt daarvoor steeds te laat. “Eerst als de schemering begint, vangt Minerva’s uil aan te vliegen.”Degeschiedenisis niet anders dan het proces, datde werkelijkheid doorloopt, om tot den staatsvorm te komen: Inderdaad is hier een grandioose opvatting. Elk volk is slechts een punt van de lijn, een ontwikkelingsmoment. Groote mannen dienen slechts, om de ontwikkeling mee te verwezenlijken; het is de list van de Rede dat zij hen daarvoor gebruikt, terwijl zij hun eigen belangen meenen te dienen. Maar alles gaat naar het ééne: de vrijheid. Bij de ruwe Oostersche volken acht zich slechts één vrij: de despoot, die over allen regeert. In de Grieksche en Romeinsche republieken zijn meerderen vrij, het Christendom maakt allen vrij. In ieder dezer drie groote perioden zijn weer onderafdeelingen te onderscheiden. In de geschiedenis der Oostersche volken komt eerst met de Perzen een waarachtige staat met een despoot. Het is de knapenleeftijd der menschheid. Griekenland is het land, waar de menschheid haar jongelingsleeftijd doorloopt in vreugde aan leven en aan schoonheid. Maar noch hier, noch in Rome is de vrijheid in aller bewustzijn: er zijn nog slaven. Jezus brengt een persoonlijke vrijheid, de Germanen een politieke. Nu is de menschheid in haar kennende grijsheid, de tijd der volkomen rijpheid, waarin de mensch “na volending van zijn levensloop in zichzelf terugkeert.” Van de komst van Christus tot 1820 moet de menschheid nog door verschillende stadiën: Karel de Groote, ’t leenstelsel, de reformatie, enz.
Logica.
Hegel begint dus met de logica, waarin hij de begrippen ontwerpt, die het zijn omvatten. Hier volgt hij zijn dialectische methode, waarin alles in zijn tegendeel omslaat. Wat is het algemeenste begrip? Zijn. Maar dit zuivere begrip zijn heeft geen inhoud of hoedanigheid. Denken wij het door, dan komen wij dus tot niet-zijn, maar, als het gedacht wordtbestaathet als gedachte en niet-zijn wordt dus zijn. Wat is nu het begrip, dat beiden omspant? Hetworden. Overgang van zijn tot niet zijn, van niet-zijn tot zijn is worden. De knaap, die jongeling wordt, is jongeling en nog niet. In het worden zijn zijn en niet-zijn opgeheven.Na de logica volgt denatuurfilosofie, vrij algemeen als het minst belangrijke en minst oorspronkelijke en geslaagde deel erkend. De algemeene beschouwing is hier, dat de rede zich zinnelijk voorstelt, om door de natuur tot den geest te komen. Alleen hij, die in ’t buitenland geweest is, kent het vaderland. De natuur is het land der vreemdelingschap voor de idee, waarin zij verwijlen moet, om rijker in ’t vaderland terug te keeren. Van de natuur komen wij tot den geest, die zich openbaart als:subjectieve, objectieve en absolute geest.Het wezen, de bestemming van den geest is de vrijheid. Deze bestemming moet bereikt worden, de voorhanden aanleg ontwikkeld en verwerkelijkt. Ditgebeurt langzamerhand en de geest wordt hoe langer zoo meer onafhankelijk van de natuur. De leer van den subjectieven geest alszielvan een lichaam is de anthropologie, die handelt over de dingen, die de geest in zooverre hij met het lichaam is verbonden, vertoont. (Onderscheid van ras, volk, geslacht, talent, geestesziekten, slapen en waken). Hier geeft dus Hegel, wat thans voor een gedeelte onder de gewone zielkunde, voor een ander deel onder de psychiatrie, voor een derde gedeelte onder de speciale psychologie valt. Waarnemen, herinneren, denken, enz. wordt in de psychologie behandeld. De subjectieve geest is ten slotte tot vrijheidsbewustzijn gekomen en tracht nu die vrijheid te verwezenlijken als objectieve geest in de wereld van recht en zedelijkheid. De leer van denOBJECTIEVENgeest is de schitterendste schepping van Hegel, in ’t bijzonder dan zijn staatsrecht en zijn wijsbegeerte der geschiedenis. De vrijheid moet werkelijkheid worden. Hetrechtbrengt deuitwendigevrijheid, demoraliteitdeinnerlijke, dezedelijkheidbeide vereenigend, devolkomenvrijheid. Het recht is oorspronkelijk een verzameling van verboden inperking van den wil.Het recht is aleersteigendomsrecht, het is het recht der persoonlijkheid, eigendom te bezitten. Zonder eigendom geen persoonlijkheid. In eenverdragtreedt die persoonlijkheid tot anderen in verhouding en hetstrafrechtis de ontkenning van de ontkenning van het recht. Onrecht, negatie van recht is er, als de bijzondere wil zich verzet tegen den algemeenen.Waar de bijzondere wil zich, door goede gezindheid, naar den algemeenen voegt, ismoraliteit. Deze ligt in het terrein der subjectieve gezindheid. Maar de goede gezindheid is niet het hoogste, er blijft een tegenspraak tusschen bedoeling en uitvoering; hetgeweten, rechter op deze trap over goed en kwaad, kan falen.Ook de tegendeelen legaliteit en moraliteit moeten verzoend worden en dat geschiedt in de “zedelijkheid.” De zede is een in de gemeenschap heerschende gewoonte, die door den enkeling niet gevoeld wordt als een van buiten komend gebod, maar als iets uit eigen wezen voortspruitend. Aan de zede dankt dit terrein zijn naam zedelijkheid.Allereerst nu wordt het familierecht behandeld (Huwelijk, enz.) De echt is niet, als bij Kant, een zuivere rechtsverhouding, noch een bloote aangelegenheid van ’t gevoel, hij is een zedelijke verbintenis. De leer der “burgerlijke gezelschappen” doet o. a. recht wedervaren aan de corporaties van burgers. Ook de leer der standen (die samenhangen met hun beroep: voortbrengende- nijverheids- en denkende stand) vindt zijn behandeling. Familie en burgerlijke samenleving vinden hunne vereeniging in den staat, wiens beste regeeringsvorm de grondwettelijke, erfelijke monarchie is. Na Hobbes heeft misschien geen denker zoo grooten eerbied voor den staat gekoesterd als Hegel. Zooals een staat is, moet hij op dat oogenblik zijn. Evengoed als men van de natuur toegeeft, dat men haar nemen moet zooals zij is, moet men dat ook met den staat doen. De Idee heerscht ook in dit gebied, ook hier is de werkelijkheid niet van de rede verlaten, ook hier is het werkelijke redelijk.Men moet den staat als historisch geworden beschouwen, niet wijzer willen zijn dan de rede, die zich in den staat heeft ontwikkeld. Geen wijsbegeerte kon ons leeren, hoe de wereld zijn moet: zij komt daarvoor steeds te laat. “Eerst als de schemering begint, vangt Minerva’s uil aan te vliegen.”Degeschiedenisis niet anders dan het proces, datde werkelijkheid doorloopt, om tot den staatsvorm te komen: Inderdaad is hier een grandioose opvatting. Elk volk is slechts een punt van de lijn, een ontwikkelingsmoment. Groote mannen dienen slechts, om de ontwikkeling mee te verwezenlijken; het is de list van de Rede dat zij hen daarvoor gebruikt, terwijl zij hun eigen belangen meenen te dienen. Maar alles gaat naar het ééne: de vrijheid. Bij de ruwe Oostersche volken acht zich slechts één vrij: de despoot, die over allen regeert. In de Grieksche en Romeinsche republieken zijn meerderen vrij, het Christendom maakt allen vrij. In ieder dezer drie groote perioden zijn weer onderafdeelingen te onderscheiden. In de geschiedenis der Oostersche volken komt eerst met de Perzen een waarachtige staat met een despoot. Het is de knapenleeftijd der menschheid. Griekenland is het land, waar de menschheid haar jongelingsleeftijd doorloopt in vreugde aan leven en aan schoonheid. Maar noch hier, noch in Rome is de vrijheid in aller bewustzijn: er zijn nog slaven. Jezus brengt een persoonlijke vrijheid, de Germanen een politieke. Nu is de menschheid in haar kennende grijsheid, de tijd der volkomen rijpheid, waarin de mensch “na volending van zijn levensloop in zichzelf terugkeert.” Van de komst van Christus tot 1820 moet de menschheid nog door verschillende stadiën: Karel de Groote, ’t leenstelsel, de reformatie, enz.
Hegel begint dus met de logica, waarin hij de begrippen ontwerpt, die het zijn omvatten. Hier volgt hij zijn dialectische methode, waarin alles in zijn tegendeel omslaat. Wat is het algemeenste begrip? Zijn. Maar dit zuivere begrip zijn heeft geen inhoud of hoedanigheid. Denken wij het door, dan komen wij dus tot niet-zijn, maar, als het gedacht wordtbestaathet als gedachte en niet-zijn wordt dus zijn. Wat is nu het begrip, dat beiden omspant? Hetworden. Overgang van zijn tot niet zijn, van niet-zijn tot zijn is worden. De knaap, die jongeling wordt, is jongeling en nog niet. In het worden zijn zijn en niet-zijn opgeheven.
Na de logica volgt denatuurfilosofie, vrij algemeen als het minst belangrijke en minst oorspronkelijke en geslaagde deel erkend. De algemeene beschouwing is hier, dat de rede zich zinnelijk voorstelt, om door de natuur tot den geest te komen. Alleen hij, die in ’t buitenland geweest is, kent het vaderland. De natuur is het land der vreemdelingschap voor de idee, waarin zij verwijlen moet, om rijker in ’t vaderland terug te keeren. Van de natuur komen wij tot den geest, die zich openbaart als:
subjectieve, objectieve en absolute geest.
Het wezen, de bestemming van den geest is de vrijheid. Deze bestemming moet bereikt worden, de voorhanden aanleg ontwikkeld en verwerkelijkt. Ditgebeurt langzamerhand en de geest wordt hoe langer zoo meer onafhankelijk van de natuur. De leer van den subjectieven geest alszielvan een lichaam is de anthropologie, die handelt over de dingen, die de geest in zooverre hij met het lichaam is verbonden, vertoont. (Onderscheid van ras, volk, geslacht, talent, geestesziekten, slapen en waken). Hier geeft dus Hegel, wat thans voor een gedeelte onder de gewone zielkunde, voor een ander deel onder de psychiatrie, voor een derde gedeelte onder de speciale psychologie valt. Waarnemen, herinneren, denken, enz. wordt in de psychologie behandeld. De subjectieve geest is ten slotte tot vrijheidsbewustzijn gekomen en tracht nu die vrijheid te verwezenlijken als objectieve geest in de wereld van recht en zedelijkheid. De leer van denOBJECTIEVENgeest is de schitterendste schepping van Hegel, in ’t bijzonder dan zijn staatsrecht en zijn wijsbegeerte der geschiedenis. De vrijheid moet werkelijkheid worden. Hetrechtbrengt deuitwendigevrijheid, demoraliteitdeinnerlijke, dezedelijkheidbeide vereenigend, devolkomenvrijheid. Het recht is oorspronkelijk een verzameling van verboden inperking van den wil.
Het recht is aleersteigendomsrecht, het is het recht der persoonlijkheid, eigendom te bezitten. Zonder eigendom geen persoonlijkheid. In eenverdragtreedt die persoonlijkheid tot anderen in verhouding en hetstrafrechtis de ontkenning van de ontkenning van het recht. Onrecht, negatie van recht is er, als de bijzondere wil zich verzet tegen den algemeenen.
Waar de bijzondere wil zich, door goede gezindheid, naar den algemeenen voegt, ismoraliteit. Deze ligt in het terrein der subjectieve gezindheid. Maar de goede gezindheid is niet het hoogste, er blijft een tegenspraak tusschen bedoeling en uitvoering; hetgeweten, rechter op deze trap over goed en kwaad, kan falen.
Ook de tegendeelen legaliteit en moraliteit moeten verzoend worden en dat geschiedt in de “zedelijkheid.” De zede is een in de gemeenschap heerschende gewoonte, die door den enkeling niet gevoeld wordt als een van buiten komend gebod, maar als iets uit eigen wezen voortspruitend. Aan de zede dankt dit terrein zijn naam zedelijkheid.
Allereerst nu wordt het familierecht behandeld (Huwelijk, enz.) De echt is niet, als bij Kant, een zuivere rechtsverhouding, noch een bloote aangelegenheid van ’t gevoel, hij is een zedelijke verbintenis. De leer der “burgerlijke gezelschappen” doet o. a. recht wedervaren aan de corporaties van burgers. Ook de leer der standen (die samenhangen met hun beroep: voortbrengende- nijverheids- en denkende stand) vindt zijn behandeling. Familie en burgerlijke samenleving vinden hunne vereeniging in den staat, wiens beste regeeringsvorm de grondwettelijke, erfelijke monarchie is. Na Hobbes heeft misschien geen denker zoo grooten eerbied voor den staat gekoesterd als Hegel. Zooals een staat is, moet hij op dat oogenblik zijn. Evengoed als men van de natuur toegeeft, dat men haar nemen moet zooals zij is, moet men dat ook met den staat doen. De Idee heerscht ook in dit gebied, ook hier is de werkelijkheid niet van de rede verlaten, ook hier is het werkelijke redelijk.
Men moet den staat als historisch geworden beschouwen, niet wijzer willen zijn dan de rede, die zich in den staat heeft ontwikkeld. Geen wijsbegeerte kon ons leeren, hoe de wereld zijn moet: zij komt daarvoor steeds te laat. “Eerst als de schemering begint, vangt Minerva’s uil aan te vliegen.”
Degeschiedenisis niet anders dan het proces, datde werkelijkheid doorloopt, om tot den staatsvorm te komen: Inderdaad is hier een grandioose opvatting. Elk volk is slechts een punt van de lijn, een ontwikkelingsmoment. Groote mannen dienen slechts, om de ontwikkeling mee te verwezenlijken; het is de list van de Rede dat zij hen daarvoor gebruikt, terwijl zij hun eigen belangen meenen te dienen. Maar alles gaat naar het ééne: de vrijheid. Bij de ruwe Oostersche volken acht zich slechts één vrij: de despoot, die over allen regeert. In de Grieksche en Romeinsche republieken zijn meerderen vrij, het Christendom maakt allen vrij. In ieder dezer drie groote perioden zijn weer onderafdeelingen te onderscheiden. In de geschiedenis der Oostersche volken komt eerst met de Perzen een waarachtige staat met een despoot. Het is de knapenleeftijd der menschheid. Griekenland is het land, waar de menschheid haar jongelingsleeftijd doorloopt in vreugde aan leven en aan schoonheid. Maar noch hier, noch in Rome is de vrijheid in aller bewustzijn: er zijn nog slaven. Jezus brengt een persoonlijke vrijheid, de Germanen een politieke. Nu is de menschheid in haar kennende grijsheid, de tijd der volkomen rijpheid, waarin de mensch “na volending van zijn levensloop in zichzelf terugkeert.” Van de komst van Christus tot 1820 moet de menschheid nog door verschillende stadiën: Karel de Groote, ’t leenstelsel, de reformatie, enz.
§ 21.Het systeem. (Vervolg).De absolute geest.Subjectieve en objectieve geest vinden weer hunne hooger eenheid in denabsoluten geest. In dezen zijn de tegenstellingen van subject en object, denken enzijn opgeheven. Het absoluteaanschouwtzich zelf in de kunst,steltzich zelfvoorin de religie en denkt zich,begrijpt zich in begrippen, in de wijsbegeerte.HEGEL’S SYSTEEM.HEGEL’S SYSTEEM.Kunst.Dekunstkan zich hoofdzakelijk in drieërlei vorm openbaren. Eerstsymbolisch. Dan heeft de vorm de overhand op den inhoud, op de idee, die uitgedrukt moet worden. Deze wordt slechts vermoed. Is er volkomen harmonie van beide, dan ontstaat vervolgens deklassiekekunst, die de schoonste is, maar toch nog onder moet doen voor de derde trap, deromantischekunst, waarin de zinnelijke verschijning op den achtergrond treedt en de geestelijke, innerlijke zijde meer optreedt.Elke kunst kan de drie vormen vertoonen, maar de architectuur is toch in hoofdzaak symbolisch, de beeldhouwkunst klassiek, de muziek en schilderkunst romantisch. De poëzie is de alles in zich sluitende kunst.Godsdienst.Op godsdienstig terrein nam Hegel ook zijn eigen standpunt in. Hij verwierp het dogmatisch orthodox geloof, dat aan de letter vasthield. Maar ook het rationalisme bevredigde hem niet en de op gevoelsgronden berustende theologie van Schleiermacher was hem onaannemelijk. De religie is een zich in beelden voorstellen van het Absolute. Dat begint met de oostersche natuurgodsdiensten, waarvoor nog weer een lager trap ligt van afgodendienst, toovenarij. Hooger dan de oostersche (Chineesche,Bramaansche, enz., die ieder hun eigen kenmerk hebben) staan de religies der “geestelijke persoonlijkheid,” der “vrije subjectiviteit,” die van de Joden (verhevenheid), Grieken (schoonheid), Romeinen (nuttigheid). De absolute religie van ’t Christendom volgt hierop. De dogma’s van hetChristendom laten hunne wijsgeerige verklaring toe. Zij zijn allegorisch te interpreteeren.Hegel roemt, dat hij goed Lutheraan en Christen is. De menschwording van Jezus, zijn zoendood beteekent, in wijsgeerige spraak overgezet: God gaat in de zondige wereld, hij negeert zichzelf. De menschwording van Christus is de zelfnegatie van het Absolute. De negatie dezer negatie is Christus’ Lijden, Dood en Opstanding. God was God-mensch geweest en wordt weer God: vereenigt daarin zijn god- en mensch zijn.Wijsbegeerte.Ten slotte blijft er over, deze ontwikkeling in begrippen te denken: Het Absolute begrijpt zichzelf. Dit is filosofie. Het begrijpen der geheele ontwikkeling haar taak. Ook de filosofie doorloopt stadiën. Van de Eleaten af, die het zijn opstelden, overHeraclitus(worden), Atomisten (an sich zijn), Plato, Aristoteles (begrip), Cartesius (bewustzijn), Kant-Fichte (zelfbewustzijn) loopt de lijn tot Hegel, waar het Absolute zich zelf kent. Zijn leer is de sluitsteen der filosofie. Elke filosofie is de begripmatige uitdrukking van haar tijd, treedt als bezinning over den tijd op, als de tijd rijp is en klaar, om overwonnen te worden. De uil vliegt als de morgen daagt: de zelfbezinning begint als een andere tijd aanbreekt.
§ 21.Het systeem. (Vervolg).
De absolute geest.Subjectieve en objectieve geest vinden weer hunne hooger eenheid in denabsoluten geest. In dezen zijn de tegenstellingen van subject en object, denken enzijn opgeheven. Het absoluteaanschouwtzich zelf in de kunst,steltzich zelfvoorin de religie en denkt zich,begrijpt zich in begrippen, in de wijsbegeerte.HEGEL’S SYSTEEM.HEGEL’S SYSTEEM.Kunst.Dekunstkan zich hoofdzakelijk in drieërlei vorm openbaren. Eerstsymbolisch. Dan heeft de vorm de overhand op den inhoud, op de idee, die uitgedrukt moet worden. Deze wordt slechts vermoed. Is er volkomen harmonie van beide, dan ontstaat vervolgens deklassiekekunst, die de schoonste is, maar toch nog onder moet doen voor de derde trap, deromantischekunst, waarin de zinnelijke verschijning op den achtergrond treedt en de geestelijke, innerlijke zijde meer optreedt.Elke kunst kan de drie vormen vertoonen, maar de architectuur is toch in hoofdzaak symbolisch, de beeldhouwkunst klassiek, de muziek en schilderkunst romantisch. De poëzie is de alles in zich sluitende kunst.Godsdienst.Op godsdienstig terrein nam Hegel ook zijn eigen standpunt in. Hij verwierp het dogmatisch orthodox geloof, dat aan de letter vasthield. Maar ook het rationalisme bevredigde hem niet en de op gevoelsgronden berustende theologie van Schleiermacher was hem onaannemelijk. De religie is een zich in beelden voorstellen van het Absolute. Dat begint met de oostersche natuurgodsdiensten, waarvoor nog weer een lager trap ligt van afgodendienst, toovenarij. Hooger dan de oostersche (Chineesche,Bramaansche, enz., die ieder hun eigen kenmerk hebben) staan de religies der “geestelijke persoonlijkheid,” der “vrije subjectiviteit,” die van de Joden (verhevenheid), Grieken (schoonheid), Romeinen (nuttigheid). De absolute religie van ’t Christendom volgt hierop. De dogma’s van hetChristendom laten hunne wijsgeerige verklaring toe. Zij zijn allegorisch te interpreteeren.Hegel roemt, dat hij goed Lutheraan en Christen is. De menschwording van Jezus, zijn zoendood beteekent, in wijsgeerige spraak overgezet: God gaat in de zondige wereld, hij negeert zichzelf. De menschwording van Christus is de zelfnegatie van het Absolute. De negatie dezer negatie is Christus’ Lijden, Dood en Opstanding. God was God-mensch geweest en wordt weer God: vereenigt daarin zijn god- en mensch zijn.Wijsbegeerte.Ten slotte blijft er over, deze ontwikkeling in begrippen te denken: Het Absolute begrijpt zichzelf. Dit is filosofie. Het begrijpen der geheele ontwikkeling haar taak. Ook de filosofie doorloopt stadiën. Van de Eleaten af, die het zijn opstelden, overHeraclitus(worden), Atomisten (an sich zijn), Plato, Aristoteles (begrip), Cartesius (bewustzijn), Kant-Fichte (zelfbewustzijn) loopt de lijn tot Hegel, waar het Absolute zich zelf kent. Zijn leer is de sluitsteen der filosofie. Elke filosofie is de begripmatige uitdrukking van haar tijd, treedt als bezinning over den tijd op, als de tijd rijp is en klaar, om overwonnen te worden. De uil vliegt als de morgen daagt: de zelfbezinning begint als een andere tijd aanbreekt.
De absolute geest.
Subjectieve en objectieve geest vinden weer hunne hooger eenheid in denabsoluten geest. In dezen zijn de tegenstellingen van subject en object, denken enzijn opgeheven. Het absoluteaanschouwtzich zelf in de kunst,steltzich zelfvoorin de religie en denkt zich,begrijpt zich in begrippen, in de wijsbegeerte.
HEGEL’S SYSTEEM.HEGEL’S SYSTEEM.
HEGEL’S SYSTEEM.
Kunst.Dekunstkan zich hoofdzakelijk in drieërlei vorm openbaren. Eerstsymbolisch. Dan heeft de vorm de overhand op den inhoud, op de idee, die uitgedrukt moet worden. Deze wordt slechts vermoed. Is er volkomen harmonie van beide, dan ontstaat vervolgens deklassiekekunst, die de schoonste is, maar toch nog onder moet doen voor de derde trap, deromantischekunst, waarin de zinnelijke verschijning op den achtergrond treedt en de geestelijke, innerlijke zijde meer optreedt.Elke kunst kan de drie vormen vertoonen, maar de architectuur is toch in hoofdzaak symbolisch, de beeldhouwkunst klassiek, de muziek en schilderkunst romantisch. De poëzie is de alles in zich sluitende kunst.
Kunst.
Dekunstkan zich hoofdzakelijk in drieërlei vorm openbaren. Eerstsymbolisch. Dan heeft de vorm de overhand op den inhoud, op de idee, die uitgedrukt moet worden. Deze wordt slechts vermoed. Is er volkomen harmonie van beide, dan ontstaat vervolgens deklassiekekunst, die de schoonste is, maar toch nog onder moet doen voor de derde trap, deromantischekunst, waarin de zinnelijke verschijning op den achtergrond treedt en de geestelijke, innerlijke zijde meer optreedt.Elke kunst kan de drie vormen vertoonen, maar de architectuur is toch in hoofdzaak symbolisch, de beeldhouwkunst klassiek, de muziek en schilderkunst romantisch. De poëzie is de alles in zich sluitende kunst.
Dekunstkan zich hoofdzakelijk in drieërlei vorm openbaren. Eerstsymbolisch. Dan heeft de vorm de overhand op den inhoud, op de idee, die uitgedrukt moet worden. Deze wordt slechts vermoed. Is er volkomen harmonie van beide, dan ontstaat vervolgens deklassiekekunst, die de schoonste is, maar toch nog onder moet doen voor de derde trap, deromantischekunst, waarin de zinnelijke verschijning op den achtergrond treedt en de geestelijke, innerlijke zijde meer optreedt.
Elke kunst kan de drie vormen vertoonen, maar de architectuur is toch in hoofdzaak symbolisch, de beeldhouwkunst klassiek, de muziek en schilderkunst romantisch. De poëzie is de alles in zich sluitende kunst.
Godsdienst.Op godsdienstig terrein nam Hegel ook zijn eigen standpunt in. Hij verwierp het dogmatisch orthodox geloof, dat aan de letter vasthield. Maar ook het rationalisme bevredigde hem niet en de op gevoelsgronden berustende theologie van Schleiermacher was hem onaannemelijk. De religie is een zich in beelden voorstellen van het Absolute. Dat begint met de oostersche natuurgodsdiensten, waarvoor nog weer een lager trap ligt van afgodendienst, toovenarij. Hooger dan de oostersche (Chineesche,Bramaansche, enz., die ieder hun eigen kenmerk hebben) staan de religies der “geestelijke persoonlijkheid,” der “vrije subjectiviteit,” die van de Joden (verhevenheid), Grieken (schoonheid), Romeinen (nuttigheid). De absolute religie van ’t Christendom volgt hierop. De dogma’s van hetChristendom laten hunne wijsgeerige verklaring toe. Zij zijn allegorisch te interpreteeren.Hegel roemt, dat hij goed Lutheraan en Christen is. De menschwording van Jezus, zijn zoendood beteekent, in wijsgeerige spraak overgezet: God gaat in de zondige wereld, hij negeert zichzelf. De menschwording van Christus is de zelfnegatie van het Absolute. De negatie dezer negatie is Christus’ Lijden, Dood en Opstanding. God was God-mensch geweest en wordt weer God: vereenigt daarin zijn god- en mensch zijn.
Godsdienst.
Op godsdienstig terrein nam Hegel ook zijn eigen standpunt in. Hij verwierp het dogmatisch orthodox geloof, dat aan de letter vasthield. Maar ook het rationalisme bevredigde hem niet en de op gevoelsgronden berustende theologie van Schleiermacher was hem onaannemelijk. De religie is een zich in beelden voorstellen van het Absolute. Dat begint met de oostersche natuurgodsdiensten, waarvoor nog weer een lager trap ligt van afgodendienst, toovenarij. Hooger dan de oostersche (Chineesche,Bramaansche, enz., die ieder hun eigen kenmerk hebben) staan de religies der “geestelijke persoonlijkheid,” der “vrije subjectiviteit,” die van de Joden (verhevenheid), Grieken (schoonheid), Romeinen (nuttigheid). De absolute religie van ’t Christendom volgt hierop. De dogma’s van hetChristendom laten hunne wijsgeerige verklaring toe. Zij zijn allegorisch te interpreteeren.Hegel roemt, dat hij goed Lutheraan en Christen is. De menschwording van Jezus, zijn zoendood beteekent, in wijsgeerige spraak overgezet: God gaat in de zondige wereld, hij negeert zichzelf. De menschwording van Christus is de zelfnegatie van het Absolute. De negatie dezer negatie is Christus’ Lijden, Dood en Opstanding. God was God-mensch geweest en wordt weer God: vereenigt daarin zijn god- en mensch zijn.
Op godsdienstig terrein nam Hegel ook zijn eigen standpunt in. Hij verwierp het dogmatisch orthodox geloof, dat aan de letter vasthield. Maar ook het rationalisme bevredigde hem niet en de op gevoelsgronden berustende theologie van Schleiermacher was hem onaannemelijk. De religie is een zich in beelden voorstellen van het Absolute. Dat begint met de oostersche natuurgodsdiensten, waarvoor nog weer een lager trap ligt van afgodendienst, toovenarij. Hooger dan de oostersche (Chineesche,Bramaansche, enz., die ieder hun eigen kenmerk hebben) staan de religies der “geestelijke persoonlijkheid,” der “vrije subjectiviteit,” die van de Joden (verhevenheid), Grieken (schoonheid), Romeinen (nuttigheid). De absolute religie van ’t Christendom volgt hierop. De dogma’s van hetChristendom laten hunne wijsgeerige verklaring toe. Zij zijn allegorisch te interpreteeren.
Hegel roemt, dat hij goed Lutheraan en Christen is. De menschwording van Jezus, zijn zoendood beteekent, in wijsgeerige spraak overgezet: God gaat in de zondige wereld, hij negeert zichzelf. De menschwording van Christus is de zelfnegatie van het Absolute. De negatie dezer negatie is Christus’ Lijden, Dood en Opstanding. God was God-mensch geweest en wordt weer God: vereenigt daarin zijn god- en mensch zijn.
Wijsbegeerte.Ten slotte blijft er over, deze ontwikkeling in begrippen te denken: Het Absolute begrijpt zichzelf. Dit is filosofie. Het begrijpen der geheele ontwikkeling haar taak. Ook de filosofie doorloopt stadiën. Van de Eleaten af, die het zijn opstelden, overHeraclitus(worden), Atomisten (an sich zijn), Plato, Aristoteles (begrip), Cartesius (bewustzijn), Kant-Fichte (zelfbewustzijn) loopt de lijn tot Hegel, waar het Absolute zich zelf kent. Zijn leer is de sluitsteen der filosofie. Elke filosofie is de begripmatige uitdrukking van haar tijd, treedt als bezinning over den tijd op, als de tijd rijp is en klaar, om overwonnen te worden. De uil vliegt als de morgen daagt: de zelfbezinning begint als een andere tijd aanbreekt.
Wijsbegeerte.
Ten slotte blijft er over, deze ontwikkeling in begrippen te denken: Het Absolute begrijpt zichzelf. Dit is filosofie. Het begrijpen der geheele ontwikkeling haar taak. Ook de filosofie doorloopt stadiën. Van de Eleaten af, die het zijn opstelden, overHeraclitus(worden), Atomisten (an sich zijn), Plato, Aristoteles (begrip), Cartesius (bewustzijn), Kant-Fichte (zelfbewustzijn) loopt de lijn tot Hegel, waar het Absolute zich zelf kent. Zijn leer is de sluitsteen der filosofie. Elke filosofie is de begripmatige uitdrukking van haar tijd, treedt als bezinning over den tijd op, als de tijd rijp is en klaar, om overwonnen te worden. De uil vliegt als de morgen daagt: de zelfbezinning begint als een andere tijd aanbreekt.
Ten slotte blijft er over, deze ontwikkeling in begrippen te denken: Het Absolute begrijpt zichzelf. Dit is filosofie. Het begrijpen der geheele ontwikkeling haar taak. Ook de filosofie doorloopt stadiën. Van de Eleaten af, die het zijn opstelden, overHeraclitus(worden), Atomisten (an sich zijn), Plato, Aristoteles (begrip), Cartesius (bewustzijn), Kant-Fichte (zelfbewustzijn) loopt de lijn tot Hegel, waar het Absolute zich zelf kent. Zijn leer is de sluitsteen der filosofie. Elke filosofie is de begripmatige uitdrukking van haar tijd, treedt als bezinning over den tijd op, als de tijd rijp is en klaar, om overwonnen te worden. De uil vliegt als de morgen daagt: de zelfbezinning begint als een andere tijd aanbreekt.
§ 22.Hegel’s school.Toen Hegel stierf waren er tal van leerlingen, die den vereerden meester aanhingen. Maar weldra zou blijken, dat niet allen eenstemmig dachten. Er kwam een splitsing, voornamelijk door de verhouding tot den godsdienst teweeggebracht. Hegel had gezegd, dat de religie opgeheven is in de wijsbegeerte, diewel denzelfden inhoud heeft, maar zich deze niet voorstelt, doch hem in begrippen uitdrukt.Sommigen nu, de behoudende richting, later de rechterzijde genoemd, legden nadruk op hetgelijkevan deninhoud: zij wilden den godsdienst handhaven. Anderen daarentegen schonken de meeste aandacht aan denanderen vorm: zij wenschten de religie op te heffen. Zij vormden de radicale vleugel, later de linkerzijde genoemd.In het bizonder nu gold dit verschil drie kwesties: God, Christus, Onsterfelijkheid.Had Hegel bijv. aan een persoonlijke onsterfelijkheid geloofd? Had hij een theïstisch godsbegrip verkondigd, een persoonlijken God geleerd? Of was de rede, allen menschen gemeen, slechts het onsterfelijke?Was zijn godsbegrip pantheïstisch?Maar ook ten opzichte der wijsbegeerte kon men twee kanten uit. Men kon meenen, dat bij Hegel haar ontwikkeling was afgesloten, dat in zijn stelsel het Absolute zich zelf had herkend. Maar men kon ook, Hegel’s dialectische methode aanvaardend, de ontwikkeling na hem voortzetten, tegen hem handelen, zooals hij zich verhouden had tegenover de hem voorafgaande denkers, hém opheffen, zooals hij hún opgeheven had.Tusschen die rechter- en linkerzijde nu stond een centrum in. De mannen daarvan hebben zich groote verdiensten verworven. De geschiedenis werd druk door hen beoefend: van Hegel hadden zij geleerd, dat historie iets anders is dan feitenopsomming. Zeller verwierf zich groote verdienste voor de geschiedenis der Grieksche filosofie. De onlangs overleden Kuno Fischer, (geb. 23 Juli 1824) schreef de uitvoerige geschiedenis der nieuwere wijsbegeerte en was langen tijd de roem der Heidelbergsche universiteit. Hij zag in filosofie de geschiedenis der filosofie enwist die zoowel in zijn werken als voordrachten met grootsche lijnen en groote kennis te teekenen. Aldus zingtLiebmannhem toe:“Dit alles1leert gij; luistrende jongrenschaarVolgt de welsprekendheid, uwen lippen ontvloeid,Zij leert, verwondert zich, ziet zich opnieuwDer menschheid hoogste gedachten verjongen.De zoogenaamde Hegelsche linkerzijde verdient dien naam niet; zij is van Hegel wel uitgegaan, maar heeft zijn leer verlaten. Op Marx en Lassalle die er ook toe gerekend worden, komen we terug in het hoofdstuk over Socialisme en Individualisme. Hier spreken wij over twee denkers, die zich vooral op godsdienstig gebied hebben bekend gemaakt. Strauss en Feuerbach.Strauss.Strauss (1808–1874) studeerde eerst theologie teTübingen, gaf in 1835 een leven van Jezus uit, dat groot opzien baarde en de splitsing in de school bracht. Hij ontkent daarin, dat wij den historischen Jezus zouden kennen, wij kennen den Christus van ’t geloof. Hij verwerpt echter het dilemma, waarvoor de orthodoxie hem zou willen plaatsen: het bijbelverhaal te gelooven of voor bewust verzinsel te houden. Hij ziet er mythen in, waarin in historisch kleed bovenzinnelijke feiten zijn uitgedrukt. Niet Jezus, maar de zich ontwikkelende menschheid is de god-mensch: op haar past eerst de idee van deze.Dezelfde kritiek, die hij op de leer van Jezus toepaste, oefende hij later uit op de dogma’s van het christelijk geloof. Verzoening tusschen gelooven en weten wordt verworpen. Langen tijd heeft Strausszich meer met literairen arbeid bezig gehouden. Zoo schreef hij o. a. een bekend werk over Voltaire. Op zijn ouden dag, in 1872 deed hij de wereld nog eens opzien door zijn werk: Het oude en het nieuwe geloof. Hij stelt de vraag, of de beschaafden van dien tijd zich nog Christenen mogen noemen, welke vraag ontkennend wordt beantwoord. De beschaafde weet, dat niet onthouding, vlieding der wereld en armoede die door het Christendom worden geleerd, de hefboomen der beschaving zijn; maar humaniteit en vooruitgang komen van kunst, wetenschap, rijkdom, productie. Wij willen niet als het christendom tweeheid van wereld en God, schepping en schepper, want, daar het levensproces begin noch einde heeft, hebben wij geen Schepper noodig.Maar wordt nu de vraag gesteld of wij nog godsdienst hebben, dan luidt het antwoord bevestigend. Immers, wij bezitten een gevoel van afhankelijkheid tegen het Al. Dat bewustzijn oefent grooten invloed uit op onze zedelijkheid. Het vormt onze religie, die niet onder de vormen der kerk wordt gebracht. De koude godsdienstvormen bieden niets voor het gevoel en de fantasie. Maar door deelneming aan de belangen van staat en menschheid, door de kunst, in ’t bizonder door de muziek, verkwikken we onze ziel, verheffen we ons. Zoo keert de oude Strauss tot de opvatting terug van zijn jeugd: een eeredienst van ’t genie, door onzen da Costa geteekend:Zie hier uw goden: Kunst, Kracht en Industrie!En voorts geen eerdienst meer dan de eerdienst van ’t Genie!Feuerbach.Ludwig Feuerbach, zoon van een zeer beroemd rechtsgeleerde, broer van een schilder van naam werd 1804 geboren. Aanvankelijk voor theologie studeerende, brengen Hegel’s collegeshem tot de studie der wijsbegeerte. Hegel noemt hij zijnen tweeden vader. In 1830 geeft hij zijn gedachten over dood en onsterfelijkheid uit. Reeds uit dien tijd dateeren de eerste verschijnselen, die wijzen op een scheiding van Hegel. Nadat hij een poosje in Erlangen had gedoceerd, ging hij in Bruckberg wonen, waar zijn vrouw aandeel in een fabriek had. Hier heeft hij 25 jaar gewoond en veel geschreven. In 1841 kwam uit: “Het wezen van het Christendom” waarin hij wel de dogma’s zeer scherp critiseert, maar zich sympathiek verhoudt tegenover de gevoelens, waaruit ze ontstaan zijn.Langzamerhand ging de fabriek slecht. Ten slotte zag Feuerbach zich genoodzaakt naar een andere plaats te verhuizen, waar hij al den last van geldzorgen ondervond en verstoken was van wetenschappelijke hulpmiddelen.Toen zijn benarde omstandigheden bekend werden, werd er veel moeite gedaan in en buiten Duitschland, om iets voor hem te doen en bij zijn begrafenis in 1872 bleek, dat de man, schijnbaar langen tijd vergeten, vereerders en vrienden had. Een voortreffelijke lijkrede van Scholl schilderde voor ’t eerst de beteekenis van Feuerbach.Ten opzichte derreligieleert hij, dat de mensch God maakt. God is het ideaal, dat wij ons, buiten ons, verwezenlijkt denken. In hem leggen wij onze wenschen, onze hoop, ons verlangen. Wat de mensch looft en prijst is God, wat hij verwerpt is het goddelooze. God is het boek, in hetwelk de mensch zijn hoogste gevoelens en verlangens geschreven heeft. De hemel van den mensch is een “bloemlezing,” ontstaan door eenige uit al de bloemen der wereld te kiezen. Zoowel van den hemel van den beschaafde als van den natuurmensch geldt dit. Uit den God enden hemel van den mensch kan men zijn beschaving leeren kennen.De goddelijke eigenschappen zijn die, welke de mensch op een gegeven ontwikkelingstrap het hoogste schat. Dat God persoonlijk gedacht wordt beteekent dat persoonlijk leven het hoogste is. God is liefde! Niets is er, dat een liefdevol gemoed overtreft. Jezus, God heeft geleden! Lijden voor anderen is schoon.“De God der christenen is een traan van liefde, in stille, diepe verborgenheid geschreid over de ellende der menschen.”Onze God is ons ideaal, buiten ons als werkelijk bestaand geacht. Tegenover dat ideaal gevoelen wij ons, met onze kleinheden en onvolmaaktheden nietig, vergetend, dat God ons eigen goede zelf, zeer vergroot, is.Ook de kerkelijke sacramenten als doop en avondmaal hebben hunne beteekenis, zij doen ons zien, van hoe groote, zedelijke beteekenis ook brood en wijn en water zijn.Alles, ook het geringste, wordt geadeld.Hier treft Feuerbach samen met het Calvinisme, dat ook overal de eere Gods zoekt. Treffend is zijn sluiting:“Heilig zij ons daarom het brood, heilig de wijn, maar ook heilig het water. Amen!”Opwijsgeeriggebied nadert Feuerbach later zeer tot het materialisme, maar hij is er geen aanhanger van geworden. Hij wil n.l. niet van de stof uitgaan maar van de gewaarwording. Deze is hem het eerste, zoowel op het gebied der kennistheorie, als op dat der metafysica. Zeer scherp echter weet hij zijn standpunt niet af te bakenen tegenover het materialisme en voor de beteekenis van onzen lichamelijken toestand voor den geestelijken, heeft hij veel oog.Treffend komt dit uit in een bespreking van een werkje van Moleschott: “De leer der voedingsmiddelen is van groote zedelijke en staatkundige beteekenis. De spijzen worden tot bloed, het bloed tot hart en hersenen, deze tot stof voor gedachten en gevoelens. Het voedsel van den mensch is de grondslag voor zijn vorming en opvoeding. Wilt gij het volk verbeteren, zoo geef het in plaats van uitroepen tegen de zonde, beter eten. De mensch is, wat hij eet.”Strauss en Feuerbach hadden zich van Hegel afgewend. De volgende tijden, die een honger hadden naar feiten, waren der speculatieve filosofie weinig gezind. De reactie, de moedeloosheid na het jaar 1848, dat zoovele illusies van vrijheid en vooruitgang had opgewekt, die nu niet vervuld waren, maakte de menschen meer geschikt om Schopenhauer’s pessimisme te waardeeren. Toch bleef, zij het op menig punt onbewust, Hegel’s geest werken. In het begin der 20ste eeuw kwam in ons land zijn leer tot meer aanzien en vond geestdriftige aanhangers door het optreden van den Leidschen hoogleeraar Bolland.Bolland.Gerardus Johannes Petrus Josephus Bolland werd 9 Juni 1857 te Groningen geboren. Zijn vader overleed vroeg. Zijn moeder voedde hem op in ’t katholieke geloof, dat hij later verliet. Na verschillende lotswisselingen was hij onderwijzer in Groningen en Katwijk, studeerde dan te Jena in de Engelsche taal, werd leeraar in die taal aan het gymnasium Willem III te Batavia. Hier werd zijn lust tot de studie der wijsbegeerte opgewekt en aanvankelijk sloot hij zich aan bij Von Hartmann. In 1896 kwam hij als opvolger van Land als hoogleeraar in de wijsbegeerte aan de Leidsche hoogeschool,vooral door toedoen van zijn ouden beschermer Prof. Cosijn en den minister Mr. S. van Houten.Bolland, man van machtige welsprekendheid, groote kennis (bijv. op theologisch en taalkundig gebied), vurige kracht, onverschrokken waarheidsliefde en moed, wist een schare jongeren om zich te verzamelen en trok ook in andere academiesteden veel belangstelling, met name in Utrecht, Amsterdam en Delft.Allerlei stelsels van wijsbegeerte overdacht hij. Bij geen vond hij vrede. Hij kwam ten slotte tot de bestudeering van Hegel’s werken zelf, die hij tot dusver alleen had leeren kennen uit geschiedenissen der wijsbegeerte, uit overzichten van anderen. Na aandachtige studie bleek hem, dat hij toen de gezochte waarheid had. Sedert tracht hij de methode van Hegel ingang te doen vinden en leidt zijn leerlingen op tot verstaan van den meester, tegenover wien hij zich overigens zelfstandig verhoudt.Bolland heeft sommige werken van Hegel opnieuw uitgegeven en van kantteekeningen voorzien. Van zijn eigen werken noemen wij zijn standaardwerk: “Zuivere Rede.” Zijn artikelen werden meest opgenomen in de Nieuwe Gids of Het Tweemaandelijksch Tijdschrift. Als inleiding tot de lectuur zijner werken leenen zich het best de gestenografeerde verslagen van redevoeringen: het gesproken woord wordt geprezen boven zijn geschreven, al wordt ook hier van getuigd: “hij doet de wijsheid Nederlandsch spreken, en hoe meer hij zijn hoogtepunt nadert, hoe meer hem dit gelukt.” Bolland heeft zich, behalve met wijsgeerige, ook met maatschappelijke en theologische vraagstukken beziggehouden. Sommige artikelen lokten hevig verzet uit (kwestie Schaepman-Bolland over Petrus en Rome). Een met veel liefde geschreven studie over leven, persoonlijkheid en werken, geeft Dr. J. A.van den Bergh van Eisinga in “Mannen van Beteekenis,” Deel XXXVIII, afl. 5.Opm.Van de geestverwanten van Bolland zijn te noemen de gebroeders Van den Bergh van Eisinga. De een, zijn biograaf, trad als privaat-docent te Utrecht op met een rede over allegorische interpretatie en in diens preekenbundel: “Rust een weinig,” geeft Bolland een voorbeeld van een gebed voor de gemeente. Toen Prof. Jelgersma een open brief aan zijn collega schreef, vatte o. a. Grondijs de pen op om zijn meester te verdedigen. In het laatste tiental jaren staat Bolland, meer dan hem zelf lief is, in het brandpunt eener opmerkzaamheid, die niet zelden meer bijkomende bijzonderheden dan zijn eigenlijke leer en werk betreffen.
§ 22.Hegel’s school.
Toen Hegel stierf waren er tal van leerlingen, die den vereerden meester aanhingen. Maar weldra zou blijken, dat niet allen eenstemmig dachten. Er kwam een splitsing, voornamelijk door de verhouding tot den godsdienst teweeggebracht. Hegel had gezegd, dat de religie opgeheven is in de wijsbegeerte, diewel denzelfden inhoud heeft, maar zich deze niet voorstelt, doch hem in begrippen uitdrukt.Sommigen nu, de behoudende richting, later de rechterzijde genoemd, legden nadruk op hetgelijkevan deninhoud: zij wilden den godsdienst handhaven. Anderen daarentegen schonken de meeste aandacht aan denanderen vorm: zij wenschten de religie op te heffen. Zij vormden de radicale vleugel, later de linkerzijde genoemd.In het bizonder nu gold dit verschil drie kwesties: God, Christus, Onsterfelijkheid.Had Hegel bijv. aan een persoonlijke onsterfelijkheid geloofd? Had hij een theïstisch godsbegrip verkondigd, een persoonlijken God geleerd? Of was de rede, allen menschen gemeen, slechts het onsterfelijke?Was zijn godsbegrip pantheïstisch?Maar ook ten opzichte der wijsbegeerte kon men twee kanten uit. Men kon meenen, dat bij Hegel haar ontwikkeling was afgesloten, dat in zijn stelsel het Absolute zich zelf had herkend. Maar men kon ook, Hegel’s dialectische methode aanvaardend, de ontwikkeling na hem voortzetten, tegen hem handelen, zooals hij zich verhouden had tegenover de hem voorafgaande denkers, hém opheffen, zooals hij hún opgeheven had.Tusschen die rechter- en linkerzijde nu stond een centrum in. De mannen daarvan hebben zich groote verdiensten verworven. De geschiedenis werd druk door hen beoefend: van Hegel hadden zij geleerd, dat historie iets anders is dan feitenopsomming. Zeller verwierf zich groote verdienste voor de geschiedenis der Grieksche filosofie. De onlangs overleden Kuno Fischer, (geb. 23 Juli 1824) schreef de uitvoerige geschiedenis der nieuwere wijsbegeerte en was langen tijd de roem der Heidelbergsche universiteit. Hij zag in filosofie de geschiedenis der filosofie enwist die zoowel in zijn werken als voordrachten met grootsche lijnen en groote kennis te teekenen. Aldus zingtLiebmannhem toe:“Dit alles1leert gij; luistrende jongrenschaarVolgt de welsprekendheid, uwen lippen ontvloeid,Zij leert, verwondert zich, ziet zich opnieuwDer menschheid hoogste gedachten verjongen.De zoogenaamde Hegelsche linkerzijde verdient dien naam niet; zij is van Hegel wel uitgegaan, maar heeft zijn leer verlaten. Op Marx en Lassalle die er ook toe gerekend worden, komen we terug in het hoofdstuk over Socialisme en Individualisme. Hier spreken wij over twee denkers, die zich vooral op godsdienstig gebied hebben bekend gemaakt. Strauss en Feuerbach.Strauss.Strauss (1808–1874) studeerde eerst theologie teTübingen, gaf in 1835 een leven van Jezus uit, dat groot opzien baarde en de splitsing in de school bracht. Hij ontkent daarin, dat wij den historischen Jezus zouden kennen, wij kennen den Christus van ’t geloof. Hij verwerpt echter het dilemma, waarvoor de orthodoxie hem zou willen plaatsen: het bijbelverhaal te gelooven of voor bewust verzinsel te houden. Hij ziet er mythen in, waarin in historisch kleed bovenzinnelijke feiten zijn uitgedrukt. Niet Jezus, maar de zich ontwikkelende menschheid is de god-mensch: op haar past eerst de idee van deze.Dezelfde kritiek, die hij op de leer van Jezus toepaste, oefende hij later uit op de dogma’s van het christelijk geloof. Verzoening tusschen gelooven en weten wordt verworpen. Langen tijd heeft Strausszich meer met literairen arbeid bezig gehouden. Zoo schreef hij o. a. een bekend werk over Voltaire. Op zijn ouden dag, in 1872 deed hij de wereld nog eens opzien door zijn werk: Het oude en het nieuwe geloof. Hij stelt de vraag, of de beschaafden van dien tijd zich nog Christenen mogen noemen, welke vraag ontkennend wordt beantwoord. De beschaafde weet, dat niet onthouding, vlieding der wereld en armoede die door het Christendom worden geleerd, de hefboomen der beschaving zijn; maar humaniteit en vooruitgang komen van kunst, wetenschap, rijkdom, productie. Wij willen niet als het christendom tweeheid van wereld en God, schepping en schepper, want, daar het levensproces begin noch einde heeft, hebben wij geen Schepper noodig.Maar wordt nu de vraag gesteld of wij nog godsdienst hebben, dan luidt het antwoord bevestigend. Immers, wij bezitten een gevoel van afhankelijkheid tegen het Al. Dat bewustzijn oefent grooten invloed uit op onze zedelijkheid. Het vormt onze religie, die niet onder de vormen der kerk wordt gebracht. De koude godsdienstvormen bieden niets voor het gevoel en de fantasie. Maar door deelneming aan de belangen van staat en menschheid, door de kunst, in ’t bizonder door de muziek, verkwikken we onze ziel, verheffen we ons. Zoo keert de oude Strauss tot de opvatting terug van zijn jeugd: een eeredienst van ’t genie, door onzen da Costa geteekend:Zie hier uw goden: Kunst, Kracht en Industrie!En voorts geen eerdienst meer dan de eerdienst van ’t Genie!Feuerbach.Ludwig Feuerbach, zoon van een zeer beroemd rechtsgeleerde, broer van een schilder van naam werd 1804 geboren. Aanvankelijk voor theologie studeerende, brengen Hegel’s collegeshem tot de studie der wijsbegeerte. Hegel noemt hij zijnen tweeden vader. In 1830 geeft hij zijn gedachten over dood en onsterfelijkheid uit. Reeds uit dien tijd dateeren de eerste verschijnselen, die wijzen op een scheiding van Hegel. Nadat hij een poosje in Erlangen had gedoceerd, ging hij in Bruckberg wonen, waar zijn vrouw aandeel in een fabriek had. Hier heeft hij 25 jaar gewoond en veel geschreven. In 1841 kwam uit: “Het wezen van het Christendom” waarin hij wel de dogma’s zeer scherp critiseert, maar zich sympathiek verhoudt tegenover de gevoelens, waaruit ze ontstaan zijn.Langzamerhand ging de fabriek slecht. Ten slotte zag Feuerbach zich genoodzaakt naar een andere plaats te verhuizen, waar hij al den last van geldzorgen ondervond en verstoken was van wetenschappelijke hulpmiddelen.Toen zijn benarde omstandigheden bekend werden, werd er veel moeite gedaan in en buiten Duitschland, om iets voor hem te doen en bij zijn begrafenis in 1872 bleek, dat de man, schijnbaar langen tijd vergeten, vereerders en vrienden had. Een voortreffelijke lijkrede van Scholl schilderde voor ’t eerst de beteekenis van Feuerbach.Ten opzichte derreligieleert hij, dat de mensch God maakt. God is het ideaal, dat wij ons, buiten ons, verwezenlijkt denken. In hem leggen wij onze wenschen, onze hoop, ons verlangen. Wat de mensch looft en prijst is God, wat hij verwerpt is het goddelooze. God is het boek, in hetwelk de mensch zijn hoogste gevoelens en verlangens geschreven heeft. De hemel van den mensch is een “bloemlezing,” ontstaan door eenige uit al de bloemen der wereld te kiezen. Zoowel van den hemel van den beschaafde als van den natuurmensch geldt dit. Uit den God enden hemel van den mensch kan men zijn beschaving leeren kennen.De goddelijke eigenschappen zijn die, welke de mensch op een gegeven ontwikkelingstrap het hoogste schat. Dat God persoonlijk gedacht wordt beteekent dat persoonlijk leven het hoogste is. God is liefde! Niets is er, dat een liefdevol gemoed overtreft. Jezus, God heeft geleden! Lijden voor anderen is schoon.“De God der christenen is een traan van liefde, in stille, diepe verborgenheid geschreid over de ellende der menschen.”Onze God is ons ideaal, buiten ons als werkelijk bestaand geacht. Tegenover dat ideaal gevoelen wij ons, met onze kleinheden en onvolmaaktheden nietig, vergetend, dat God ons eigen goede zelf, zeer vergroot, is.Ook de kerkelijke sacramenten als doop en avondmaal hebben hunne beteekenis, zij doen ons zien, van hoe groote, zedelijke beteekenis ook brood en wijn en water zijn.Alles, ook het geringste, wordt geadeld.Hier treft Feuerbach samen met het Calvinisme, dat ook overal de eere Gods zoekt. Treffend is zijn sluiting:“Heilig zij ons daarom het brood, heilig de wijn, maar ook heilig het water. Amen!”Opwijsgeeriggebied nadert Feuerbach later zeer tot het materialisme, maar hij is er geen aanhanger van geworden. Hij wil n.l. niet van de stof uitgaan maar van de gewaarwording. Deze is hem het eerste, zoowel op het gebied der kennistheorie, als op dat der metafysica. Zeer scherp echter weet hij zijn standpunt niet af te bakenen tegenover het materialisme en voor de beteekenis van onzen lichamelijken toestand voor den geestelijken, heeft hij veel oog.Treffend komt dit uit in een bespreking van een werkje van Moleschott: “De leer der voedingsmiddelen is van groote zedelijke en staatkundige beteekenis. De spijzen worden tot bloed, het bloed tot hart en hersenen, deze tot stof voor gedachten en gevoelens. Het voedsel van den mensch is de grondslag voor zijn vorming en opvoeding. Wilt gij het volk verbeteren, zoo geef het in plaats van uitroepen tegen de zonde, beter eten. De mensch is, wat hij eet.”Strauss en Feuerbach hadden zich van Hegel afgewend. De volgende tijden, die een honger hadden naar feiten, waren der speculatieve filosofie weinig gezind. De reactie, de moedeloosheid na het jaar 1848, dat zoovele illusies van vrijheid en vooruitgang had opgewekt, die nu niet vervuld waren, maakte de menschen meer geschikt om Schopenhauer’s pessimisme te waardeeren. Toch bleef, zij het op menig punt onbewust, Hegel’s geest werken. In het begin der 20ste eeuw kwam in ons land zijn leer tot meer aanzien en vond geestdriftige aanhangers door het optreden van den Leidschen hoogleeraar Bolland.Bolland.Gerardus Johannes Petrus Josephus Bolland werd 9 Juni 1857 te Groningen geboren. Zijn vader overleed vroeg. Zijn moeder voedde hem op in ’t katholieke geloof, dat hij later verliet. Na verschillende lotswisselingen was hij onderwijzer in Groningen en Katwijk, studeerde dan te Jena in de Engelsche taal, werd leeraar in die taal aan het gymnasium Willem III te Batavia. Hier werd zijn lust tot de studie der wijsbegeerte opgewekt en aanvankelijk sloot hij zich aan bij Von Hartmann. In 1896 kwam hij als opvolger van Land als hoogleeraar in de wijsbegeerte aan de Leidsche hoogeschool,vooral door toedoen van zijn ouden beschermer Prof. Cosijn en den minister Mr. S. van Houten.Bolland, man van machtige welsprekendheid, groote kennis (bijv. op theologisch en taalkundig gebied), vurige kracht, onverschrokken waarheidsliefde en moed, wist een schare jongeren om zich te verzamelen en trok ook in andere academiesteden veel belangstelling, met name in Utrecht, Amsterdam en Delft.Allerlei stelsels van wijsbegeerte overdacht hij. Bij geen vond hij vrede. Hij kwam ten slotte tot de bestudeering van Hegel’s werken zelf, die hij tot dusver alleen had leeren kennen uit geschiedenissen der wijsbegeerte, uit overzichten van anderen. Na aandachtige studie bleek hem, dat hij toen de gezochte waarheid had. Sedert tracht hij de methode van Hegel ingang te doen vinden en leidt zijn leerlingen op tot verstaan van den meester, tegenover wien hij zich overigens zelfstandig verhoudt.Bolland heeft sommige werken van Hegel opnieuw uitgegeven en van kantteekeningen voorzien. Van zijn eigen werken noemen wij zijn standaardwerk: “Zuivere Rede.” Zijn artikelen werden meest opgenomen in de Nieuwe Gids of Het Tweemaandelijksch Tijdschrift. Als inleiding tot de lectuur zijner werken leenen zich het best de gestenografeerde verslagen van redevoeringen: het gesproken woord wordt geprezen boven zijn geschreven, al wordt ook hier van getuigd: “hij doet de wijsheid Nederlandsch spreken, en hoe meer hij zijn hoogtepunt nadert, hoe meer hem dit gelukt.” Bolland heeft zich, behalve met wijsgeerige, ook met maatschappelijke en theologische vraagstukken beziggehouden. Sommige artikelen lokten hevig verzet uit (kwestie Schaepman-Bolland over Petrus en Rome). Een met veel liefde geschreven studie over leven, persoonlijkheid en werken, geeft Dr. J. A.van den Bergh van Eisinga in “Mannen van Beteekenis,” Deel XXXVIII, afl. 5.Opm.Van de geestverwanten van Bolland zijn te noemen de gebroeders Van den Bergh van Eisinga. De een, zijn biograaf, trad als privaat-docent te Utrecht op met een rede over allegorische interpretatie en in diens preekenbundel: “Rust een weinig,” geeft Bolland een voorbeeld van een gebed voor de gemeente. Toen Prof. Jelgersma een open brief aan zijn collega schreef, vatte o. a. Grondijs de pen op om zijn meester te verdedigen. In het laatste tiental jaren staat Bolland, meer dan hem zelf lief is, in het brandpunt eener opmerkzaamheid, die niet zelden meer bijkomende bijzonderheden dan zijn eigenlijke leer en werk betreffen.
Toen Hegel stierf waren er tal van leerlingen, die den vereerden meester aanhingen. Maar weldra zou blijken, dat niet allen eenstemmig dachten. Er kwam een splitsing, voornamelijk door de verhouding tot den godsdienst teweeggebracht. Hegel had gezegd, dat de religie opgeheven is in de wijsbegeerte, diewel denzelfden inhoud heeft, maar zich deze niet voorstelt, doch hem in begrippen uitdrukt.
Sommigen nu, de behoudende richting, later de rechterzijde genoemd, legden nadruk op hetgelijkevan deninhoud: zij wilden den godsdienst handhaven. Anderen daarentegen schonken de meeste aandacht aan denanderen vorm: zij wenschten de religie op te heffen. Zij vormden de radicale vleugel, later de linkerzijde genoemd.
In het bizonder nu gold dit verschil drie kwesties: God, Christus, Onsterfelijkheid.
Had Hegel bijv. aan een persoonlijke onsterfelijkheid geloofd? Had hij een theïstisch godsbegrip verkondigd, een persoonlijken God geleerd? Of was de rede, allen menschen gemeen, slechts het onsterfelijke?Was zijn godsbegrip pantheïstisch?
Maar ook ten opzichte der wijsbegeerte kon men twee kanten uit. Men kon meenen, dat bij Hegel haar ontwikkeling was afgesloten, dat in zijn stelsel het Absolute zich zelf had herkend. Maar men kon ook, Hegel’s dialectische methode aanvaardend, de ontwikkeling na hem voortzetten, tegen hem handelen, zooals hij zich verhouden had tegenover de hem voorafgaande denkers, hém opheffen, zooals hij hún opgeheven had.
Tusschen die rechter- en linkerzijde nu stond een centrum in. De mannen daarvan hebben zich groote verdiensten verworven. De geschiedenis werd druk door hen beoefend: van Hegel hadden zij geleerd, dat historie iets anders is dan feitenopsomming. Zeller verwierf zich groote verdienste voor de geschiedenis der Grieksche filosofie. De onlangs overleden Kuno Fischer, (geb. 23 Juli 1824) schreef de uitvoerige geschiedenis der nieuwere wijsbegeerte en was langen tijd de roem der Heidelbergsche universiteit. Hij zag in filosofie de geschiedenis der filosofie enwist die zoowel in zijn werken als voordrachten met grootsche lijnen en groote kennis te teekenen. Aldus zingtLiebmannhem toe:
“Dit alles1leert gij; luistrende jongrenschaarVolgt de welsprekendheid, uwen lippen ontvloeid,Zij leert, verwondert zich, ziet zich opnieuwDer menschheid hoogste gedachten verjongen.
“Dit alles1leert gij; luistrende jongrenschaar
Volgt de welsprekendheid, uwen lippen ontvloeid,
Zij leert, verwondert zich, ziet zich opnieuw
Der menschheid hoogste gedachten verjongen.
De zoogenaamde Hegelsche linkerzijde verdient dien naam niet; zij is van Hegel wel uitgegaan, maar heeft zijn leer verlaten. Op Marx en Lassalle die er ook toe gerekend worden, komen we terug in het hoofdstuk over Socialisme en Individualisme. Hier spreken wij over twee denkers, die zich vooral op godsdienstig gebied hebben bekend gemaakt. Strauss en Feuerbach.
Strauss.Strauss (1808–1874) studeerde eerst theologie teTübingen, gaf in 1835 een leven van Jezus uit, dat groot opzien baarde en de splitsing in de school bracht. Hij ontkent daarin, dat wij den historischen Jezus zouden kennen, wij kennen den Christus van ’t geloof. Hij verwerpt echter het dilemma, waarvoor de orthodoxie hem zou willen plaatsen: het bijbelverhaal te gelooven of voor bewust verzinsel te houden. Hij ziet er mythen in, waarin in historisch kleed bovenzinnelijke feiten zijn uitgedrukt. Niet Jezus, maar de zich ontwikkelende menschheid is de god-mensch: op haar past eerst de idee van deze.Dezelfde kritiek, die hij op de leer van Jezus toepaste, oefende hij later uit op de dogma’s van het christelijk geloof. Verzoening tusschen gelooven en weten wordt verworpen. Langen tijd heeft Strausszich meer met literairen arbeid bezig gehouden. Zoo schreef hij o. a. een bekend werk over Voltaire. Op zijn ouden dag, in 1872 deed hij de wereld nog eens opzien door zijn werk: Het oude en het nieuwe geloof. Hij stelt de vraag, of de beschaafden van dien tijd zich nog Christenen mogen noemen, welke vraag ontkennend wordt beantwoord. De beschaafde weet, dat niet onthouding, vlieding der wereld en armoede die door het Christendom worden geleerd, de hefboomen der beschaving zijn; maar humaniteit en vooruitgang komen van kunst, wetenschap, rijkdom, productie. Wij willen niet als het christendom tweeheid van wereld en God, schepping en schepper, want, daar het levensproces begin noch einde heeft, hebben wij geen Schepper noodig.Maar wordt nu de vraag gesteld of wij nog godsdienst hebben, dan luidt het antwoord bevestigend. Immers, wij bezitten een gevoel van afhankelijkheid tegen het Al. Dat bewustzijn oefent grooten invloed uit op onze zedelijkheid. Het vormt onze religie, die niet onder de vormen der kerk wordt gebracht. De koude godsdienstvormen bieden niets voor het gevoel en de fantasie. Maar door deelneming aan de belangen van staat en menschheid, door de kunst, in ’t bizonder door de muziek, verkwikken we onze ziel, verheffen we ons. Zoo keert de oude Strauss tot de opvatting terug van zijn jeugd: een eeredienst van ’t genie, door onzen da Costa geteekend:Zie hier uw goden: Kunst, Kracht en Industrie!En voorts geen eerdienst meer dan de eerdienst van ’t Genie!
Strauss.
Strauss (1808–1874) studeerde eerst theologie teTübingen, gaf in 1835 een leven van Jezus uit, dat groot opzien baarde en de splitsing in de school bracht. Hij ontkent daarin, dat wij den historischen Jezus zouden kennen, wij kennen den Christus van ’t geloof. Hij verwerpt echter het dilemma, waarvoor de orthodoxie hem zou willen plaatsen: het bijbelverhaal te gelooven of voor bewust verzinsel te houden. Hij ziet er mythen in, waarin in historisch kleed bovenzinnelijke feiten zijn uitgedrukt. Niet Jezus, maar de zich ontwikkelende menschheid is de god-mensch: op haar past eerst de idee van deze.Dezelfde kritiek, die hij op de leer van Jezus toepaste, oefende hij later uit op de dogma’s van het christelijk geloof. Verzoening tusschen gelooven en weten wordt verworpen. Langen tijd heeft Strausszich meer met literairen arbeid bezig gehouden. Zoo schreef hij o. a. een bekend werk over Voltaire. Op zijn ouden dag, in 1872 deed hij de wereld nog eens opzien door zijn werk: Het oude en het nieuwe geloof. Hij stelt de vraag, of de beschaafden van dien tijd zich nog Christenen mogen noemen, welke vraag ontkennend wordt beantwoord. De beschaafde weet, dat niet onthouding, vlieding der wereld en armoede die door het Christendom worden geleerd, de hefboomen der beschaving zijn; maar humaniteit en vooruitgang komen van kunst, wetenschap, rijkdom, productie. Wij willen niet als het christendom tweeheid van wereld en God, schepping en schepper, want, daar het levensproces begin noch einde heeft, hebben wij geen Schepper noodig.Maar wordt nu de vraag gesteld of wij nog godsdienst hebben, dan luidt het antwoord bevestigend. Immers, wij bezitten een gevoel van afhankelijkheid tegen het Al. Dat bewustzijn oefent grooten invloed uit op onze zedelijkheid. Het vormt onze religie, die niet onder de vormen der kerk wordt gebracht. De koude godsdienstvormen bieden niets voor het gevoel en de fantasie. Maar door deelneming aan de belangen van staat en menschheid, door de kunst, in ’t bizonder door de muziek, verkwikken we onze ziel, verheffen we ons. Zoo keert de oude Strauss tot de opvatting terug van zijn jeugd: een eeredienst van ’t genie, door onzen da Costa geteekend:Zie hier uw goden: Kunst, Kracht en Industrie!En voorts geen eerdienst meer dan de eerdienst van ’t Genie!
Strauss (1808–1874) studeerde eerst theologie teTübingen, gaf in 1835 een leven van Jezus uit, dat groot opzien baarde en de splitsing in de school bracht. Hij ontkent daarin, dat wij den historischen Jezus zouden kennen, wij kennen den Christus van ’t geloof. Hij verwerpt echter het dilemma, waarvoor de orthodoxie hem zou willen plaatsen: het bijbelverhaal te gelooven of voor bewust verzinsel te houden. Hij ziet er mythen in, waarin in historisch kleed bovenzinnelijke feiten zijn uitgedrukt. Niet Jezus, maar de zich ontwikkelende menschheid is de god-mensch: op haar past eerst de idee van deze.
Dezelfde kritiek, die hij op de leer van Jezus toepaste, oefende hij later uit op de dogma’s van het christelijk geloof. Verzoening tusschen gelooven en weten wordt verworpen. Langen tijd heeft Strausszich meer met literairen arbeid bezig gehouden. Zoo schreef hij o. a. een bekend werk over Voltaire. Op zijn ouden dag, in 1872 deed hij de wereld nog eens opzien door zijn werk: Het oude en het nieuwe geloof. Hij stelt de vraag, of de beschaafden van dien tijd zich nog Christenen mogen noemen, welke vraag ontkennend wordt beantwoord. De beschaafde weet, dat niet onthouding, vlieding der wereld en armoede die door het Christendom worden geleerd, de hefboomen der beschaving zijn; maar humaniteit en vooruitgang komen van kunst, wetenschap, rijkdom, productie. Wij willen niet als het christendom tweeheid van wereld en God, schepping en schepper, want, daar het levensproces begin noch einde heeft, hebben wij geen Schepper noodig.
Maar wordt nu de vraag gesteld of wij nog godsdienst hebben, dan luidt het antwoord bevestigend. Immers, wij bezitten een gevoel van afhankelijkheid tegen het Al. Dat bewustzijn oefent grooten invloed uit op onze zedelijkheid. Het vormt onze religie, die niet onder de vormen der kerk wordt gebracht. De koude godsdienstvormen bieden niets voor het gevoel en de fantasie. Maar door deelneming aan de belangen van staat en menschheid, door de kunst, in ’t bizonder door de muziek, verkwikken we onze ziel, verheffen we ons. Zoo keert de oude Strauss tot de opvatting terug van zijn jeugd: een eeredienst van ’t genie, door onzen da Costa geteekend:
Zie hier uw goden: Kunst, Kracht en Industrie!En voorts geen eerdienst meer dan de eerdienst van ’t Genie!
Zie hier uw goden: Kunst, Kracht en Industrie!
En voorts geen eerdienst meer dan de eerdienst van ’t Genie!
Feuerbach.Ludwig Feuerbach, zoon van een zeer beroemd rechtsgeleerde, broer van een schilder van naam werd 1804 geboren. Aanvankelijk voor theologie studeerende, brengen Hegel’s collegeshem tot de studie der wijsbegeerte. Hegel noemt hij zijnen tweeden vader. In 1830 geeft hij zijn gedachten over dood en onsterfelijkheid uit. Reeds uit dien tijd dateeren de eerste verschijnselen, die wijzen op een scheiding van Hegel. Nadat hij een poosje in Erlangen had gedoceerd, ging hij in Bruckberg wonen, waar zijn vrouw aandeel in een fabriek had. Hier heeft hij 25 jaar gewoond en veel geschreven. In 1841 kwam uit: “Het wezen van het Christendom” waarin hij wel de dogma’s zeer scherp critiseert, maar zich sympathiek verhoudt tegenover de gevoelens, waaruit ze ontstaan zijn.Langzamerhand ging de fabriek slecht. Ten slotte zag Feuerbach zich genoodzaakt naar een andere plaats te verhuizen, waar hij al den last van geldzorgen ondervond en verstoken was van wetenschappelijke hulpmiddelen.Toen zijn benarde omstandigheden bekend werden, werd er veel moeite gedaan in en buiten Duitschland, om iets voor hem te doen en bij zijn begrafenis in 1872 bleek, dat de man, schijnbaar langen tijd vergeten, vereerders en vrienden had. Een voortreffelijke lijkrede van Scholl schilderde voor ’t eerst de beteekenis van Feuerbach.Ten opzichte derreligieleert hij, dat de mensch God maakt. God is het ideaal, dat wij ons, buiten ons, verwezenlijkt denken. In hem leggen wij onze wenschen, onze hoop, ons verlangen. Wat de mensch looft en prijst is God, wat hij verwerpt is het goddelooze. God is het boek, in hetwelk de mensch zijn hoogste gevoelens en verlangens geschreven heeft. De hemel van den mensch is een “bloemlezing,” ontstaan door eenige uit al de bloemen der wereld te kiezen. Zoowel van den hemel van den beschaafde als van den natuurmensch geldt dit. Uit den God enden hemel van den mensch kan men zijn beschaving leeren kennen.De goddelijke eigenschappen zijn die, welke de mensch op een gegeven ontwikkelingstrap het hoogste schat. Dat God persoonlijk gedacht wordt beteekent dat persoonlijk leven het hoogste is. God is liefde! Niets is er, dat een liefdevol gemoed overtreft. Jezus, God heeft geleden! Lijden voor anderen is schoon.“De God der christenen is een traan van liefde, in stille, diepe verborgenheid geschreid over de ellende der menschen.”Onze God is ons ideaal, buiten ons als werkelijk bestaand geacht. Tegenover dat ideaal gevoelen wij ons, met onze kleinheden en onvolmaaktheden nietig, vergetend, dat God ons eigen goede zelf, zeer vergroot, is.Ook de kerkelijke sacramenten als doop en avondmaal hebben hunne beteekenis, zij doen ons zien, van hoe groote, zedelijke beteekenis ook brood en wijn en water zijn.Alles, ook het geringste, wordt geadeld.Hier treft Feuerbach samen met het Calvinisme, dat ook overal de eere Gods zoekt. Treffend is zijn sluiting:“Heilig zij ons daarom het brood, heilig de wijn, maar ook heilig het water. Amen!”Opwijsgeeriggebied nadert Feuerbach later zeer tot het materialisme, maar hij is er geen aanhanger van geworden. Hij wil n.l. niet van de stof uitgaan maar van de gewaarwording. Deze is hem het eerste, zoowel op het gebied der kennistheorie, als op dat der metafysica. Zeer scherp echter weet hij zijn standpunt niet af te bakenen tegenover het materialisme en voor de beteekenis van onzen lichamelijken toestand voor den geestelijken, heeft hij veel oog.Treffend komt dit uit in een bespreking van een werkje van Moleschott: “De leer der voedingsmiddelen is van groote zedelijke en staatkundige beteekenis. De spijzen worden tot bloed, het bloed tot hart en hersenen, deze tot stof voor gedachten en gevoelens. Het voedsel van den mensch is de grondslag voor zijn vorming en opvoeding. Wilt gij het volk verbeteren, zoo geef het in plaats van uitroepen tegen de zonde, beter eten. De mensch is, wat hij eet.”Strauss en Feuerbach hadden zich van Hegel afgewend. De volgende tijden, die een honger hadden naar feiten, waren der speculatieve filosofie weinig gezind. De reactie, de moedeloosheid na het jaar 1848, dat zoovele illusies van vrijheid en vooruitgang had opgewekt, die nu niet vervuld waren, maakte de menschen meer geschikt om Schopenhauer’s pessimisme te waardeeren. Toch bleef, zij het op menig punt onbewust, Hegel’s geest werken. In het begin der 20ste eeuw kwam in ons land zijn leer tot meer aanzien en vond geestdriftige aanhangers door het optreden van den Leidschen hoogleeraar Bolland.
Feuerbach.
Ludwig Feuerbach, zoon van een zeer beroemd rechtsgeleerde, broer van een schilder van naam werd 1804 geboren. Aanvankelijk voor theologie studeerende, brengen Hegel’s collegeshem tot de studie der wijsbegeerte. Hegel noemt hij zijnen tweeden vader. In 1830 geeft hij zijn gedachten over dood en onsterfelijkheid uit. Reeds uit dien tijd dateeren de eerste verschijnselen, die wijzen op een scheiding van Hegel. Nadat hij een poosje in Erlangen had gedoceerd, ging hij in Bruckberg wonen, waar zijn vrouw aandeel in een fabriek had. Hier heeft hij 25 jaar gewoond en veel geschreven. In 1841 kwam uit: “Het wezen van het Christendom” waarin hij wel de dogma’s zeer scherp critiseert, maar zich sympathiek verhoudt tegenover de gevoelens, waaruit ze ontstaan zijn.Langzamerhand ging de fabriek slecht. Ten slotte zag Feuerbach zich genoodzaakt naar een andere plaats te verhuizen, waar hij al den last van geldzorgen ondervond en verstoken was van wetenschappelijke hulpmiddelen.Toen zijn benarde omstandigheden bekend werden, werd er veel moeite gedaan in en buiten Duitschland, om iets voor hem te doen en bij zijn begrafenis in 1872 bleek, dat de man, schijnbaar langen tijd vergeten, vereerders en vrienden had. Een voortreffelijke lijkrede van Scholl schilderde voor ’t eerst de beteekenis van Feuerbach.Ten opzichte derreligieleert hij, dat de mensch God maakt. God is het ideaal, dat wij ons, buiten ons, verwezenlijkt denken. In hem leggen wij onze wenschen, onze hoop, ons verlangen. Wat de mensch looft en prijst is God, wat hij verwerpt is het goddelooze. God is het boek, in hetwelk de mensch zijn hoogste gevoelens en verlangens geschreven heeft. De hemel van den mensch is een “bloemlezing,” ontstaan door eenige uit al de bloemen der wereld te kiezen. Zoowel van den hemel van den beschaafde als van den natuurmensch geldt dit. Uit den God enden hemel van den mensch kan men zijn beschaving leeren kennen.De goddelijke eigenschappen zijn die, welke de mensch op een gegeven ontwikkelingstrap het hoogste schat. Dat God persoonlijk gedacht wordt beteekent dat persoonlijk leven het hoogste is. God is liefde! Niets is er, dat een liefdevol gemoed overtreft. Jezus, God heeft geleden! Lijden voor anderen is schoon.“De God der christenen is een traan van liefde, in stille, diepe verborgenheid geschreid over de ellende der menschen.”Onze God is ons ideaal, buiten ons als werkelijk bestaand geacht. Tegenover dat ideaal gevoelen wij ons, met onze kleinheden en onvolmaaktheden nietig, vergetend, dat God ons eigen goede zelf, zeer vergroot, is.Ook de kerkelijke sacramenten als doop en avondmaal hebben hunne beteekenis, zij doen ons zien, van hoe groote, zedelijke beteekenis ook brood en wijn en water zijn.Alles, ook het geringste, wordt geadeld.Hier treft Feuerbach samen met het Calvinisme, dat ook overal de eere Gods zoekt. Treffend is zijn sluiting:“Heilig zij ons daarom het brood, heilig de wijn, maar ook heilig het water. Amen!”Opwijsgeeriggebied nadert Feuerbach later zeer tot het materialisme, maar hij is er geen aanhanger van geworden. Hij wil n.l. niet van de stof uitgaan maar van de gewaarwording. Deze is hem het eerste, zoowel op het gebied der kennistheorie, als op dat der metafysica. Zeer scherp echter weet hij zijn standpunt niet af te bakenen tegenover het materialisme en voor de beteekenis van onzen lichamelijken toestand voor den geestelijken, heeft hij veel oog.Treffend komt dit uit in een bespreking van een werkje van Moleschott: “De leer der voedingsmiddelen is van groote zedelijke en staatkundige beteekenis. De spijzen worden tot bloed, het bloed tot hart en hersenen, deze tot stof voor gedachten en gevoelens. Het voedsel van den mensch is de grondslag voor zijn vorming en opvoeding. Wilt gij het volk verbeteren, zoo geef het in plaats van uitroepen tegen de zonde, beter eten. De mensch is, wat hij eet.”Strauss en Feuerbach hadden zich van Hegel afgewend. De volgende tijden, die een honger hadden naar feiten, waren der speculatieve filosofie weinig gezind. De reactie, de moedeloosheid na het jaar 1848, dat zoovele illusies van vrijheid en vooruitgang had opgewekt, die nu niet vervuld waren, maakte de menschen meer geschikt om Schopenhauer’s pessimisme te waardeeren. Toch bleef, zij het op menig punt onbewust, Hegel’s geest werken. In het begin der 20ste eeuw kwam in ons land zijn leer tot meer aanzien en vond geestdriftige aanhangers door het optreden van den Leidschen hoogleeraar Bolland.
Ludwig Feuerbach, zoon van een zeer beroemd rechtsgeleerde, broer van een schilder van naam werd 1804 geboren. Aanvankelijk voor theologie studeerende, brengen Hegel’s collegeshem tot de studie der wijsbegeerte. Hegel noemt hij zijnen tweeden vader. In 1830 geeft hij zijn gedachten over dood en onsterfelijkheid uit. Reeds uit dien tijd dateeren de eerste verschijnselen, die wijzen op een scheiding van Hegel. Nadat hij een poosje in Erlangen had gedoceerd, ging hij in Bruckberg wonen, waar zijn vrouw aandeel in een fabriek had. Hier heeft hij 25 jaar gewoond en veel geschreven. In 1841 kwam uit: “Het wezen van het Christendom” waarin hij wel de dogma’s zeer scherp critiseert, maar zich sympathiek verhoudt tegenover de gevoelens, waaruit ze ontstaan zijn.
Langzamerhand ging de fabriek slecht. Ten slotte zag Feuerbach zich genoodzaakt naar een andere plaats te verhuizen, waar hij al den last van geldzorgen ondervond en verstoken was van wetenschappelijke hulpmiddelen.
Toen zijn benarde omstandigheden bekend werden, werd er veel moeite gedaan in en buiten Duitschland, om iets voor hem te doen en bij zijn begrafenis in 1872 bleek, dat de man, schijnbaar langen tijd vergeten, vereerders en vrienden had. Een voortreffelijke lijkrede van Scholl schilderde voor ’t eerst de beteekenis van Feuerbach.
Ten opzichte derreligieleert hij, dat de mensch God maakt. God is het ideaal, dat wij ons, buiten ons, verwezenlijkt denken. In hem leggen wij onze wenschen, onze hoop, ons verlangen. Wat de mensch looft en prijst is God, wat hij verwerpt is het goddelooze. God is het boek, in hetwelk de mensch zijn hoogste gevoelens en verlangens geschreven heeft. De hemel van den mensch is een “bloemlezing,” ontstaan door eenige uit al de bloemen der wereld te kiezen. Zoowel van den hemel van den beschaafde als van den natuurmensch geldt dit. Uit den God enden hemel van den mensch kan men zijn beschaving leeren kennen.
De goddelijke eigenschappen zijn die, welke de mensch op een gegeven ontwikkelingstrap het hoogste schat. Dat God persoonlijk gedacht wordt beteekent dat persoonlijk leven het hoogste is. God is liefde! Niets is er, dat een liefdevol gemoed overtreft. Jezus, God heeft geleden! Lijden voor anderen is schoon.
“De God der christenen is een traan van liefde, in stille, diepe verborgenheid geschreid over de ellende der menschen.”
Onze God is ons ideaal, buiten ons als werkelijk bestaand geacht. Tegenover dat ideaal gevoelen wij ons, met onze kleinheden en onvolmaaktheden nietig, vergetend, dat God ons eigen goede zelf, zeer vergroot, is.
Ook de kerkelijke sacramenten als doop en avondmaal hebben hunne beteekenis, zij doen ons zien, van hoe groote, zedelijke beteekenis ook brood en wijn en water zijn.
Alles, ook het geringste, wordt geadeld.
Hier treft Feuerbach samen met het Calvinisme, dat ook overal de eere Gods zoekt. Treffend is zijn sluiting:
“Heilig zij ons daarom het brood, heilig de wijn, maar ook heilig het water. Amen!”
Opwijsgeeriggebied nadert Feuerbach later zeer tot het materialisme, maar hij is er geen aanhanger van geworden. Hij wil n.l. niet van de stof uitgaan maar van de gewaarwording. Deze is hem het eerste, zoowel op het gebied der kennistheorie, als op dat der metafysica. Zeer scherp echter weet hij zijn standpunt niet af te bakenen tegenover het materialisme en voor de beteekenis van onzen lichamelijken toestand voor den geestelijken, heeft hij veel oog.Treffend komt dit uit in een bespreking van een werkje van Moleschott: “De leer der voedingsmiddelen is van groote zedelijke en staatkundige beteekenis. De spijzen worden tot bloed, het bloed tot hart en hersenen, deze tot stof voor gedachten en gevoelens. Het voedsel van den mensch is de grondslag voor zijn vorming en opvoeding. Wilt gij het volk verbeteren, zoo geef het in plaats van uitroepen tegen de zonde, beter eten. De mensch is, wat hij eet.”
Strauss en Feuerbach hadden zich van Hegel afgewend. De volgende tijden, die een honger hadden naar feiten, waren der speculatieve filosofie weinig gezind. De reactie, de moedeloosheid na het jaar 1848, dat zoovele illusies van vrijheid en vooruitgang had opgewekt, die nu niet vervuld waren, maakte de menschen meer geschikt om Schopenhauer’s pessimisme te waardeeren. Toch bleef, zij het op menig punt onbewust, Hegel’s geest werken. In het begin der 20ste eeuw kwam in ons land zijn leer tot meer aanzien en vond geestdriftige aanhangers door het optreden van den Leidschen hoogleeraar Bolland.
Bolland.Gerardus Johannes Petrus Josephus Bolland werd 9 Juni 1857 te Groningen geboren. Zijn vader overleed vroeg. Zijn moeder voedde hem op in ’t katholieke geloof, dat hij later verliet. Na verschillende lotswisselingen was hij onderwijzer in Groningen en Katwijk, studeerde dan te Jena in de Engelsche taal, werd leeraar in die taal aan het gymnasium Willem III te Batavia. Hier werd zijn lust tot de studie der wijsbegeerte opgewekt en aanvankelijk sloot hij zich aan bij Von Hartmann. In 1896 kwam hij als opvolger van Land als hoogleeraar in de wijsbegeerte aan de Leidsche hoogeschool,vooral door toedoen van zijn ouden beschermer Prof. Cosijn en den minister Mr. S. van Houten.Bolland, man van machtige welsprekendheid, groote kennis (bijv. op theologisch en taalkundig gebied), vurige kracht, onverschrokken waarheidsliefde en moed, wist een schare jongeren om zich te verzamelen en trok ook in andere academiesteden veel belangstelling, met name in Utrecht, Amsterdam en Delft.Allerlei stelsels van wijsbegeerte overdacht hij. Bij geen vond hij vrede. Hij kwam ten slotte tot de bestudeering van Hegel’s werken zelf, die hij tot dusver alleen had leeren kennen uit geschiedenissen der wijsbegeerte, uit overzichten van anderen. Na aandachtige studie bleek hem, dat hij toen de gezochte waarheid had. Sedert tracht hij de methode van Hegel ingang te doen vinden en leidt zijn leerlingen op tot verstaan van den meester, tegenover wien hij zich overigens zelfstandig verhoudt.Bolland heeft sommige werken van Hegel opnieuw uitgegeven en van kantteekeningen voorzien. Van zijn eigen werken noemen wij zijn standaardwerk: “Zuivere Rede.” Zijn artikelen werden meest opgenomen in de Nieuwe Gids of Het Tweemaandelijksch Tijdschrift. Als inleiding tot de lectuur zijner werken leenen zich het best de gestenografeerde verslagen van redevoeringen: het gesproken woord wordt geprezen boven zijn geschreven, al wordt ook hier van getuigd: “hij doet de wijsheid Nederlandsch spreken, en hoe meer hij zijn hoogtepunt nadert, hoe meer hem dit gelukt.” Bolland heeft zich, behalve met wijsgeerige, ook met maatschappelijke en theologische vraagstukken beziggehouden. Sommige artikelen lokten hevig verzet uit (kwestie Schaepman-Bolland over Petrus en Rome). Een met veel liefde geschreven studie over leven, persoonlijkheid en werken, geeft Dr. J. A.van den Bergh van Eisinga in “Mannen van Beteekenis,” Deel XXXVIII, afl. 5.Opm.Van de geestverwanten van Bolland zijn te noemen de gebroeders Van den Bergh van Eisinga. De een, zijn biograaf, trad als privaat-docent te Utrecht op met een rede over allegorische interpretatie en in diens preekenbundel: “Rust een weinig,” geeft Bolland een voorbeeld van een gebed voor de gemeente. Toen Prof. Jelgersma een open brief aan zijn collega schreef, vatte o. a. Grondijs de pen op om zijn meester te verdedigen. In het laatste tiental jaren staat Bolland, meer dan hem zelf lief is, in het brandpunt eener opmerkzaamheid, die niet zelden meer bijkomende bijzonderheden dan zijn eigenlijke leer en werk betreffen.
Bolland.
Gerardus Johannes Petrus Josephus Bolland werd 9 Juni 1857 te Groningen geboren. Zijn vader overleed vroeg. Zijn moeder voedde hem op in ’t katholieke geloof, dat hij later verliet. Na verschillende lotswisselingen was hij onderwijzer in Groningen en Katwijk, studeerde dan te Jena in de Engelsche taal, werd leeraar in die taal aan het gymnasium Willem III te Batavia. Hier werd zijn lust tot de studie der wijsbegeerte opgewekt en aanvankelijk sloot hij zich aan bij Von Hartmann. In 1896 kwam hij als opvolger van Land als hoogleeraar in de wijsbegeerte aan de Leidsche hoogeschool,vooral door toedoen van zijn ouden beschermer Prof. Cosijn en den minister Mr. S. van Houten.Bolland, man van machtige welsprekendheid, groote kennis (bijv. op theologisch en taalkundig gebied), vurige kracht, onverschrokken waarheidsliefde en moed, wist een schare jongeren om zich te verzamelen en trok ook in andere academiesteden veel belangstelling, met name in Utrecht, Amsterdam en Delft.Allerlei stelsels van wijsbegeerte overdacht hij. Bij geen vond hij vrede. Hij kwam ten slotte tot de bestudeering van Hegel’s werken zelf, die hij tot dusver alleen had leeren kennen uit geschiedenissen der wijsbegeerte, uit overzichten van anderen. Na aandachtige studie bleek hem, dat hij toen de gezochte waarheid had. Sedert tracht hij de methode van Hegel ingang te doen vinden en leidt zijn leerlingen op tot verstaan van den meester, tegenover wien hij zich overigens zelfstandig verhoudt.Bolland heeft sommige werken van Hegel opnieuw uitgegeven en van kantteekeningen voorzien. Van zijn eigen werken noemen wij zijn standaardwerk: “Zuivere Rede.” Zijn artikelen werden meest opgenomen in de Nieuwe Gids of Het Tweemaandelijksch Tijdschrift. Als inleiding tot de lectuur zijner werken leenen zich het best de gestenografeerde verslagen van redevoeringen: het gesproken woord wordt geprezen boven zijn geschreven, al wordt ook hier van getuigd: “hij doet de wijsheid Nederlandsch spreken, en hoe meer hij zijn hoogtepunt nadert, hoe meer hem dit gelukt.” Bolland heeft zich, behalve met wijsgeerige, ook met maatschappelijke en theologische vraagstukken beziggehouden. Sommige artikelen lokten hevig verzet uit (kwestie Schaepman-Bolland over Petrus en Rome). Een met veel liefde geschreven studie over leven, persoonlijkheid en werken, geeft Dr. J. A.van den Bergh van Eisinga in “Mannen van Beteekenis,” Deel XXXVIII, afl. 5.Opm.Van de geestverwanten van Bolland zijn te noemen de gebroeders Van den Bergh van Eisinga. De een, zijn biograaf, trad als privaat-docent te Utrecht op met een rede over allegorische interpretatie en in diens preekenbundel: “Rust een weinig,” geeft Bolland een voorbeeld van een gebed voor de gemeente. Toen Prof. Jelgersma een open brief aan zijn collega schreef, vatte o. a. Grondijs de pen op om zijn meester te verdedigen. In het laatste tiental jaren staat Bolland, meer dan hem zelf lief is, in het brandpunt eener opmerkzaamheid, die niet zelden meer bijkomende bijzonderheden dan zijn eigenlijke leer en werk betreffen.
Gerardus Johannes Petrus Josephus Bolland werd 9 Juni 1857 te Groningen geboren. Zijn vader overleed vroeg. Zijn moeder voedde hem op in ’t katholieke geloof, dat hij later verliet. Na verschillende lotswisselingen was hij onderwijzer in Groningen en Katwijk, studeerde dan te Jena in de Engelsche taal, werd leeraar in die taal aan het gymnasium Willem III te Batavia. Hier werd zijn lust tot de studie der wijsbegeerte opgewekt en aanvankelijk sloot hij zich aan bij Von Hartmann. In 1896 kwam hij als opvolger van Land als hoogleeraar in de wijsbegeerte aan de Leidsche hoogeschool,vooral door toedoen van zijn ouden beschermer Prof. Cosijn en den minister Mr. S. van Houten.
Bolland, man van machtige welsprekendheid, groote kennis (bijv. op theologisch en taalkundig gebied), vurige kracht, onverschrokken waarheidsliefde en moed, wist een schare jongeren om zich te verzamelen en trok ook in andere academiesteden veel belangstelling, met name in Utrecht, Amsterdam en Delft.
Allerlei stelsels van wijsbegeerte overdacht hij. Bij geen vond hij vrede. Hij kwam ten slotte tot de bestudeering van Hegel’s werken zelf, die hij tot dusver alleen had leeren kennen uit geschiedenissen der wijsbegeerte, uit overzichten van anderen. Na aandachtige studie bleek hem, dat hij toen de gezochte waarheid had. Sedert tracht hij de methode van Hegel ingang te doen vinden en leidt zijn leerlingen op tot verstaan van den meester, tegenover wien hij zich overigens zelfstandig verhoudt.
Bolland heeft sommige werken van Hegel opnieuw uitgegeven en van kantteekeningen voorzien. Van zijn eigen werken noemen wij zijn standaardwerk: “Zuivere Rede.” Zijn artikelen werden meest opgenomen in de Nieuwe Gids of Het Tweemaandelijksch Tijdschrift. Als inleiding tot de lectuur zijner werken leenen zich het best de gestenografeerde verslagen van redevoeringen: het gesproken woord wordt geprezen boven zijn geschreven, al wordt ook hier van getuigd: “hij doet de wijsheid Nederlandsch spreken, en hoe meer hij zijn hoogtepunt nadert, hoe meer hem dit gelukt.” Bolland heeft zich, behalve met wijsgeerige, ook met maatschappelijke en theologische vraagstukken beziggehouden. Sommige artikelen lokten hevig verzet uit (kwestie Schaepman-Bolland over Petrus en Rome). Een met veel liefde geschreven studie over leven, persoonlijkheid en werken, geeft Dr. J. A.van den Bergh van Eisinga in “Mannen van Beteekenis,” Deel XXXVIII, afl. 5.
Opm.Van de geestverwanten van Bolland zijn te noemen de gebroeders Van den Bergh van Eisinga. De een, zijn biograaf, trad als privaat-docent te Utrecht op met een rede over allegorische interpretatie en in diens preekenbundel: “Rust een weinig,” geeft Bolland een voorbeeld van een gebed voor de gemeente. Toen Prof. Jelgersma een open brief aan zijn collega schreef, vatte o. a. Grondijs de pen op om zijn meester te verdedigen. In het laatste tiental jaren staat Bolland, meer dan hem zelf lief is, in het brandpunt eener opmerkzaamheid, die niet zelden meer bijkomende bijzonderheden dan zijn eigenlijke leer en werk betreffen.
Opm.Van de geestverwanten van Bolland zijn te noemen de gebroeders Van den Bergh van Eisinga. De een, zijn biograaf, trad als privaat-docent te Utrecht op met een rede over allegorische interpretatie en in diens preekenbundel: “Rust een weinig,” geeft Bolland een voorbeeld van een gebed voor de gemeente. Toen Prof. Jelgersma een open brief aan zijn collega schreef, vatte o. a. Grondijs de pen op om zijn meester te verdedigen. In het laatste tiental jaren staat Bolland, meer dan hem zelf lief is, in het brandpunt eener opmerkzaamheid, die niet zelden meer bijkomende bijzonderheden dan zijn eigenlijke leer en werk betreffen.
1De geschiedenis der wijsbegeerte, in korte trekken weergegeven.↑
1De geschiedenis der wijsbegeerte, in korte trekken weergegeven.↑
1De geschiedenis der wijsbegeerte, in korte trekken weergegeven.↑