III.

[Inhoud]III.Van m’n nieuwe school, m’n nieuwen meester, m’n nieuwen vriend en ’n mosselenvrouwtje.Op een van de eerste dagen van September stapte ik dus voor de eerste maal naar m’n nieuwe school. De afstand van m’n woning naar de Veergracht was vrij groot, maar dat was niets bizonders voor me, want ook m’n ouë school lag tamelijk ver van ons huis, al was ’et dan ook in ’n heel andere buurt.Ik was tamelijk vroeg gegaan, omdat ik bang was, dat ik misschien eerst nog zou moeten zoeken, maar dat was niet noodig. De Veergracht was niet heel lang, en ik wist, dat de school aan de stille zij moest staan. ’n Huis of vier van den hoek zag ik dan ook al ’n groot wit bord, dat langs den heelen voorgevel van ’et huis liep, en waarop met ossen van letters „Instituut Belmans” stond. Als dat bord er niet geweest was, zou je niet gedacht hebben, dat daar ’n school was, want ’et was eenvoudig ’n groot heerenhuis van drie verdiepingen, en ’et zag er precies zoo uit als de andere huizen op die gracht. Ik keek ’et ’es goed aan: er was ’n hooge stoep, voor de ramen hingen overgordijnen, en er was van buiten niets te ontdekken, dat op ’n schoollokaal leek.Ook vond ik niet, zooals bij m’n ouë school, ’n bende jongens, die tegen de deur aangedrukt stonden of daar voor aan ’et spelen waren. Ik dacht, dat ik misschien veel te vroeg gekomen was, maar net hoorde ik ’n torenklok kwart voor negenen spelen. Dan ging vroeger onze schooldeur al open. Ik drentelde[54]dus maar wat heen en weer, en nu merkte ik, dat ik toch niet de eenige scheen te zijn, die daar naar school moest. Hier en daar op de gracht liep ’n heer of ’n dame met ’n jongen van mijn leeftijd, die ook blijkbaar op iets wachtten. Langzamerhand kwamen er meer, ook wel ’n enkele jongen alleen, en als we elkaar passeerden, keken we elkaar aan, of we zeggen wilden: „Ben jij er ook een?” Maar op de drukte voor ’n gewone school leek ’et toch niemendal.’n heer of dame met ’n jongen van mijn leeftijd.’n heer of dame met ’n jongen van mijn leeftijd.Hoe dichter ’et bij negen uur werd, hoe meer de wachtenden zich bij de stoep van ’et instituut ophoopten, en ik voegde me nu ook maar bij ’et groepje groote menschen en jongens, dat daar staan bleef. Eindelijk trok een van de heeren de stoute schoenen aan, en schelde. ’Et duurde nog weer tamelijk lang, maar ten laatste werd dan toch de deur onder de stoep door ’n dienstmeisje opengedaan, die meteen weer naar achteren ging en blijkbaar verwachtte, dat we haar wel zouën volgen. Ik liet natuurlijk de groote menschen voorgaan en ging met ’n groepje van drie, vier jongens naar binnen.[55]Op dat portaal stond ’n m’nheer met ’n kaal hoofd.Op dat portaal stond ’n m’nheer met ’n kaal hoofd.We liepen ’n lange tamelijk donkere gang door, klommen ’n trap op, en kwamen toen op ’n ruim portaal, waar ’n aantal kapstokken waren, ’et eerste wat er ’n beetje schoolachtig uitzag. Op dat portaal stond ’n m’nheer met ’n kaal hoofd, dat glom als ’n spiegel, en met geen enkel haartje op z’n geheele gezicht, met ’n gouden bril op en in ’et zwart, die de dames en heeren begroette, met ieder van hen ’n paar woorden wisselde, dan den jongen, dien ze brachten, van hen overnam, en naar binnen stuurde. Er stond op dat portaal ’n deur open, en daarachter scheen dus ’et schoollokaal te zijn. De jongens, die alleen gekomen waren, hielden zich ’n beetje op den achtergrond, maar toen alle vaders en moeders weer heengegaan waren, zei de heer: „Ga jelui ook maar naar binnen, jongens.”[56]’Et lokaal, dat ik binnenstapte, was niets anders dan ’n ruime kamer, met effen blauwachtig grijs behangsel op den muur en linoleum op den vloer, met ’n schoorsteen en drie openslaande ramen, die op den tuin uitzagen. Er stonden geen gewone schoolbanken in, maar ’n soort van donkerbruin geschilderde houten lessenaars met ’n houten stoel er achter. Verder waren er ’n paar borden op ezels, en aan de wanden hingen landkaarten en schoolplaten. Over ’et geheel zag ’et er wel ’n tikje gezelliger uit dan de lokalen in ’n gewone school.Ik volgde ’et voorbeeld van de andere jongens en ging voor ’n lessenaar zitten. ’Et gaf je wel ’n gevoel van deftigheid, zoo alleen te zitten, zoo iets van ’n m’nheer, die voor z’n schrijftafel zit. Ik telde ’es, hoeveel van die dingen er stonden: er waren er twintig. Twaalf daarvan waren op dat oogenblik bezet.De heer van ’et portaal—ik begreep nu, dat ’et m’nheer Belmans zelf was—kwam binnen, en ging voor de klas staan. Zonder iets te zeggen, bleef hij ons zeker vijf minuten lang strak aankijken. Waarom, weet ik niet, want ’et was al dadelijk doodstil. Ik keek ook wederkeerig hem ’es goed aan, behalve wanneer z’n glinsterende brilleglazen precies naar mijn kant keken, want dan sloeg ik onwillekeurig m’n oogen neer. Ik kon niet zeggen, dat z’n gezicht me bizonder beviel. Aan overmaat van vriendelijkheid scheen m’nheer Belmans in elk geval niet te lijden. Maar ik kwam voor me zelf tot ’et besluit, dat zoo’n gezicht zeker bij ’n stoominrichting hoorde.Eindelijk scheen m’nheer Belmans ons lang genoeg bekeken te hebben en begon-i met ’n heel zachte[57]stem en heel langzaam te spreken. ’Et bleek nu, dat wij allemaal, zooals we daar zaten, nieuwelingen waren, en dat de school eigenlijk pas den volgenden dag zou beginnen. We werden er nadrukkelijk op gewezen, dat er op ’et instituut Belmans gewerkt moest worden, hard gewerkt, en onder deze voorwaarde werden ons de schitterendste resultaten voorspeld. We kregen verder te hooren, dat onze schooluren dezelfde zouën zijn, als waaraan we op onze ouë school gewoon waren, dus van negen tot twaalf en van twee tot vier, behalve Woensdags en Zaterdags, maar dat we bovendien elken avond van zes tot acht op school moesten komen, om ons huiswerk daar te maken. Alleen den Zaterdagavond waren we daar vrij van. Dit waren, zei m’nheer Belmans uitdrukkelijk, de gewone uren; voor jongens, die ’et noodig hadden, kwamen daar natuurlijk nog extra-uren bij. Ik raakte aan ’et peinzen over de vraag, of zulke jongens, die ’et noodig hadden, dan eigenlijk nog wel den tijd zouën hebben, om te eten en te slapen, maar ik begreep al weer, dat al zulke dingen nu eenmaal bij ’n stoominrichting hoorden.Nadat m’nheer Belmans ons op deze manier ’n beetje had voorbereid op de heerlijkheden, die ons op z’n instituut te wachten stonden, zei-i, dat-i ons nu wat werk zou opgeven, om ons voorloopig zoo’n beetje aan den tand te voelen. We kregen ieder ’n paar groote vellen papier, van dezelfde soort als ik op ’et examen had gehad, en moesten ’n opstel en vijf sommen maken, en ’n stukje in ’et Fransch vertalen. De sommen en de vertaling stonden al op den achterkant van de borden geschreven, en ’et onderwerp[58]voor ’et opstel mochten we zelf kiezen. Om twaalf uur moesten we al ’et werk inleveren.M’nheer Belmans ging op ’n stoel voor de klas zitten, nam ’n boek uit de lade en stak ’n sigaar op met ’n bandje er om. In onze lessenaars vonden we inkt en ’n penhouër, en we konden dus aan ’et werk trekken.’Et spreekt vanzelf, dat ik met ’et opstel begon. Ik vertelde ’et avontuur, dat ik ’n week geleden in Zandvoort gehad had, en voor ik ’et zelf wist, had ik een van de reusachtige vellen, die voor me lagen, aan drie kanten bijna geheel volgeschreven. Dat zou zeker wel voldoende zijn. Maar nu ’et andere werk. Zou ik daarvoor nog tijd genoeg over hebben? Ik wist er niets van, want ’n horloge had ik niet, en ’et kon even goed elf uur als tien uur wezen. Ik zag wel ’n paar jongens, die ’n horloge droegen, maar ze zaten te ver van me af, om ze wat te vragen. En zelfs toen ik even rond keek, richtte m’nheer Belmans zoo’n vertoornden blik op me, dat ik ’n gevoel kreeg, of ik me aan de vreeselijkste misdaad had schuldig gemaakt. Ik werkte dus maar weer ijverig door.Met de vijf sommen was ik gauw klaar. Dat wil zeggen, toen ik ze eenmaal gelezen had, was ik er vast van overtuigd, dat ik er geen een van maken kon. Daar was weer m’n ouë kennis: „Als ik drie en ’n zevende maal ’et geld, dat Jan zou hebben, wanneer-i twee en twee vijfde maal ’et geld, dat Piet heeft er bij kreeg, voeg bij zeven en vijf zesde keer ’et geld, dat …” en-i maakte me duizelig. En daar was weer ’n duivelachtig vat met onmogelijk veel[59]kranen op de onwaarschijnlijkste plaatsen, die allemaal op verschillende tijden werden opengezet en allemaal verschillende hoeveelheden water doorlieten.Kortom, ’et waren m’n ouë plaaggeesten, alleen nog wat onbegrijpelijker en nog wat ingewikkelder. En op ’et vel papier, dat ik voor m’n rekenwerk bestemd had, kwam alleen m’n naam te staan en No. 1, en verder bleef ’et blank.Ook de vertaling was veel te moeilijk voor me. ’Et was ’n klein verhaaltje van ’n jongen, die ging schaatsenrijden, en in ’et water valt en gered wordt, maar kou vat en ik weet niet meer welke ziekte krijgt. Er kwamen ’n aantal woorden in, die ik nooit geleerd had of althans me op dat oogenblik niet kon herinneren. Toch begon ik maar voor ’et vaderland weg te vertalen. Voor de woorden, die ik niet wist, liet ik ’n open ruimte: die mocht m’nheer Belmans invullen, als-i lust had. Ik schreef vrij vlug door, maar toch was ik pas even over de helft, toen m’nheer Belmans opstond, en tot m’n verrassing zei: „Jongens, eindigen! Je kunt nog even je werk nakijken, en dan haal ik ’et op.” Dat deed-i dan ook gauw daarna en ik stopte m’n papier met sommen—ik bedoel, waarop m’n sommen hadden moeten staan—onder de andere, en gaf ’em alles over, zonder ’em aan te kijken. Toen kregen we nog te hooren, dat we dien middag vrij waren, maar dat we den volgenden morgen om negen uur terug verwacht werden, en dat dan de school in ernst begon. En toen konden we vertrekken.In ’et portaal bleven we nog allemaal zwijgen, want m’nheer Belmans stond in de deur van ’et lokaal, en[60]keek ons aan, of we allemaal z’n doodsvijanden waren. Zelfs op de trap en in de gang waagde nog haast geen van de jongens ’n woord te fluisteren, maar op straat kwamen de tongen los. En geen wonder, we hadden in drie uur tijd letterlijk geen woord gesproken.Er vormden zich groepjes van jongens, die misschien elkaar al van vroeger kenden, en de anderen praatten mee, nu ’es hier en dan ’es daar. Er werd gesproken over m’nheer Belmans—niet heel vleiend natuurlijk—, over ’et moeilijke werk, en over de lange schooldagen, die ons boven ’et hoofd hingen. Maar dat had nog geen vijf minuten geduurd, of we werden opgeschrikt door ’n nijdig tikken tegen ’et raam van de onderste voorkamer, en toen we opkeken, zagen we ’et strenge gezicht van m’nheer Belmans tusschen de overgordijnen. Dat maakte meteen ’n eind aan ons gesprek, we namen onze petten af, en liepen door, met ’et gevoel van ’n afgeranselden hond.De meeste jongens gingen niet den kant uit, dien ik op moest, en van de drie, die dat wel deden, moesten er twee bij de brug linksaf. Er bleef er dus nog maar een over, die me gezelschap hield. Al gauw wist ik, dat-i Andries van Ulft heette, en in de Voorstraat woonde, dus tamelijk wel in mijn buurt. We spraken met elkaar over allerlei dingen, over onze vroegere school, over ’et examen voor de Burgerschool, waar-i net als ik voor gesjeesd was, en natuurlijk over onze verwachtingen van de nieuwe school en van m’nheer Belmans, van wien-i me nog wist te vertellen, dat de jongens ’em altijd „de ouë”[61]noemden. Dat had-i van ’n jongen gehoord, die daar al langer op school was, en dien-i kende. We konden heel goed met elkaar opschieten, en toen-i bij de Voorstraat van me wegging en ik ’et laatste stukje van m’n weg alleen vervolgde, dacht ik bij me zelf, dat ik ’et ’n aardigen jongen vond, en dat ik hoopte, dat we vriendjes zouën worden.Vriendjes! Die had ik eigenlijk nog nooit gehad. Of ik had er vijftig gehad, zooals je ’et nemen wilt. Nu ’es had ik met dien, dan weer met ’n anderen jongen wat drukker omgegaan, dan met de overige jongens uit m’n klas, en ik was ook wel ’es ’n enkele maal bij deez’ of genen aan huis geweest om te spelen. Maar omdat ik ze nooit weerom vragen mocht, bleef dat altijd bij een of twee keer, en zonder dat ik eigenlijk met iemand ruzie kreeg, raakte zoo’n vriendschap altijd weer gauw uit. En ik moet er bij zeggen, dat ’et me niet veel schelen kon. Jongens om mee te spelen of mee te praten kon ik altijd wel vinden. En dat ’et heerlijk was, om iemand te hebben, aan wien je alles kon vertellen, waar je over dacht, ook de dingen, die je niet zoo aan iedereen zou willen zeggen, iemand, die je beklaagde, als je verdriet had, en zich verheugde, als je ’es ergens heel blij mee was, dat wist ik niet.Van alles, wat ik thuis vertelde van m’n eersten morgen op ’et instituut Belmans, had ’et feit, dat ik daar elken avond van zessen tot achten terug moest komen, om m’n huiswerk te maken, de meeste belangstelling. M’n moeder verwachtte er meer rust voor zich zelf van, en m’n vader zei: „Zie je wel, op die school wordt gewèrkt.” Alleen zou ’et lastig[62]worden met ’et middageten. Vader kon niet voor half zeven thuis zijn, en ik kon dus in ’et vervolg niet tegelijk met m’n ouërs eten. Na achten was wat laat, en er werd dus besloten, dat ik vooraf zou eten, om ’n uur of vijf. Voordeel had ik bij die nieuwe regeling niet, want ’et werd nu gewoonlijk zoo ingericht, dat er elken dag ’n behoorlijke portie eten overbleef, die dan den volgenden dag voor mij werd opgewarmd. Alleen Zaterdags en Zondags at ik voortaan gelijk met de anderen, en ik zag m’n vader nu nog minder dan vroeger, soms zelfs dagen achtereen in ’et geheel niet.Toen ik den volgenden morgen tegen negen uur op de Veergracht kwam, waren er wel wat meer jongens dan den vorigen dag, maar zoo druk als bij ’n gewone school was ’et toch lang niet. En dat was geen wonder. Op m’n vorige school waren ’n driehonderd jongens geweest en hier waren er in ’et geheel ’n dikke veertig. ’Et scheen hier ook geen gewoonte te zijn, de deur om kwart voor negenen open te zetten; éen of twee minuten voor den tijd werden we pas binnengelaten.Ik had natuurlijk naar Andries uitgekeken, maar ’em nergens gezien. Net op ’et oogenblik, dat ik naar binnen wou gaan, kwam-i aanloopen. Ik ging ’em tegemoet, en-i vertelde me, dat-i bij den hoek van de Voorstraat ’n tijdje op me gewacht had, en dat ’et daardoor ’n beetje laat was geworden. Ik zei, dat ’et me speet, dat ik ’et niet geweten had, en dat ik ’et erg aardig van ’em vond. In ’t vervolg zou ik ook op hem wachten. Dat was afgesproken en we gingen samen in school.[63]We kwamen weer in ’etzelfde lokaal te zitten, waar we den vorigen dag geweest waren, maar er zaten nu vier jongens meer. Die waren al vroeger daar op school geweest, en niet verhoogd geworden. Een van de vier had zelfs al twee jaar in diezelfde klas gezeten, ’n groote, forsche jongen van zeventien jaar, met lang zwart haar en al ’n klein snorretje, en met ’n gouden ring met ’n grooten zwarten steen aan z’n pink, in mijn oog al haast ’n m’nheer. Ik begon dus te begrijpen, dat zelfs ’n stoominrichting niet altijd z’n doel bereikte, vooral toen ik later merkte, hoe ongelooflijk dom die jongen met z’n ring was. Ik had alle reden om heelemaal niet trotsch te zijn op m’n eigen knapheid, maar bij dien jongen vergeleken was ik ’n kraan.In plaats van m’nheer Belmans kregen we als onderwijzer ’n m’nheer, die veel jonger was en er ook niet zoo onvriendelijk uitzag. Toch was ook hij tamelijk strak en streng en op geen stukken na ’n Meester Lindeman. We kregen van hem les in alle vakken, die daar op school onderwezen werden, behalve in ’et Fransch. Daarvoor kwam m’nheer Belmans zelf elken dag ’n uur. Andere onderwijzers had onze klas niet, want aan gymnastiek, zingen en teekenen deden we niet.Wat nu de manier aangaat, waarop we op ’et instituut Belmans onderwijs kregen, die verschilde niet zoo heel erg van wat ik ’et laatste jaar op school gewend was. Maar toch wel ’n beetje. In de eerste plaats maakte de meester daar zich veel drukker, om ons de dingen uit te leggen, om ons duidelijk te maken, waarom je zoo en niet anders doen moest.[64]’Et was niet genoeg, dat je wistthree-fifths colon two-sevenths equals three-fifths times seven-halvesof de inhoud is lengte maal breedte maal hoogte, maar je moest dat ook kunnen verklaren. Hier leerde je alleen ’et kunstje, en verder werd er geen woord over vuil gemaakt. ’Et zal wel niet met alle jongens ’etzelfde geweest zijn, maar mij leek de laatste manier veel beter. Hoe langer ’n uitlegging duurde en hoe vaker ’n verklaring herhaald werd, hoe onduidelijker de zaak voor me werd, zoodat ik me ten slotte bij de toepassing van ’et kunstje zelf telkens vergiste.Verder moesten we veel meer schriftelijk werk maken dan vroeger, thema’s, sommen en taaloefeningen, zooveel, dat ik vooral in ’et begin kramp in m’n vingers kreeg, wat ik vóór dien tijd nooit gehad had. Op m’n vorige school waren alle jongens altijd even ver, maar hier liet men ieder zoo hard vooruitkomen als-i kon, en we waren nog geen veertien dagen op school, of de vlugste rekenaar was mij bij voorbeeld ’n goeïe honderd sommen voor, en zat ik nog op thema twaalf te zweeten, terwijl Andries nummer achtendertig inleverde.’Et grootste verschil tusschen vroeger en nu zat em natuurlijk wel daarin, dat we ’s avonds van zessen tot achten op school moesten komen, om daar lessen te leeren en werk te maken, wat we anders als huiswerk meegekregen zouën hebben. Ik had daartegen eigenlijk ’et meest opgezien, en dat ’et ’n pretje was, om daar nog die twee extra-uren op school te zitten, vooral op mooie herfst- of zomeravonden, wil ik dan ook niet zeggen. Maar toch, ’et had ook z’n goeïe zij. Als je nu eindelijk naar huis ging, dan was je[65]tenminste van al den schoolrommel heelemaal af. Je hoefde niet onder ’et spelen of ’et lezen van ’n mooi boek telkens te denken aan ’n rist jaartallen, die je er voor den volgenden dag nog in moest pompen, of aan ’n reusachtige vormsom, die je nog te maken had, en waarvan je zoo goed als zeker vooruit wist, dat jij er zooiets vanStartFraction 1295368735 Over 49028362183 EndFractionuit zou krijgen, terwijl de meester beweerd had, dat ’et antwoord ’n „mooi” getal was. Ook kon je onder ’et werk af en toe ’es iets aan den onderwijzer vragen, wat vooral voor mij, die thuis nooit op eenige hulp had kunnen rekenen, ’n groote verbetering was.Toch zou ik met m’n nieuwe school zeker niet half zoo ingenomen geweest zijn, als ik daardoor Andries niet had leeren kennen. Wat ik den eersten dag den besten gehoopt had, gebeurde: we wèrden vriendjes. Andries was wel in dezelfde stad geboren als ik, maar had ’n jaar of vijf met z’n ouërs in Rotterdam gewoond. Daar had hij dus ook school gegaan. Maar nu waren z’n ouërs weer uit Rotterdam vertrokken, en daarom had-i ook examen gedaan voor dezelfde Burgerschool als ik. Hij had dus ook geen vriendjes, en zoo sloten we ons bij elkaar aan. In de eerste weken gingen we alleen geregeld samen naar school en weer naar huis, maar ’et duurde niet lang, of ik maakte ook kennis met z’n ouërs. Vóór ik je echter meer van onzen omgang vertel en van alles, wat ik daaraan te danken had, wil ik je iets zeggen van ’n voorval, dat vrij kort na onze komst op school plaats had, en dat er veel toe heeft bijgedragen om ons tweetjes aan elkaar te binden.Ik heb, meen ik, al gezegd, dat ’et instituut[66]Belmans aan de stille zij van de Veergracht stond. Er was werkelijk ’n kolossaal verschil in drukte tusschen de twee kanten van die gracht. De lokalen, waarin op onze school les gegeven werd, lagen alle aan den tuinkant, maar al was dat niet ’et geval geweest, van ’et leven op onze gracht zouën we niet veel hinder gehad hebben. Maar aan den overkant zag ’et er heel anders uit. Daar waren ’n stuk of wat kantoren van stoombootdiensten voor ’et vervoer van goederen naar allerlei plaatsen. Enkele van die kantoren werden gehouën in kleine houten huisjes, die aan den waterkant stonden, andere in kelders of benedenhuizen. Den heelen dag was ’et daar ’n gerij van wagens en karren, die goederen kwamen brengen en halen. Aan den waterkant stond ’et altijd vol met kisten en pakken en doozen; daar lagen ijzeren staven naast potten met bloemen, manden met flesschen wijn naast[67]zakken meel, stapels baksteenen naast piramides van kazen. Daar stond soms ’n heele verhuisboel tusschen in, en ook wel koeien en bokken en kippen. En daar waren eeuwig mannen aan ’et sjouwen en hijschen, aan ’et rollen van vaten en ’et duwen van handkarren, en als ’et twee weken achter elkaar niet geregend had, was die kant van de Veergracht nòg vuil en modderig.Den heelen dag was ’et daar ’n gerij van wagens en karren.Den heelen dag was ’et daar ’n gerij van wagens en karren.Dan stonden er ook nog ’n paar pakhuizen op die gracht, waar wel niet elken dag, maar toch van tijd tot tijd alweer zakken en kisten uit- of ingeheschen werden, en eindelijk was er ’n groote fabriek, waar zeker wel ’n paar honderd mannen en jongens werkten. Die fabriek gaf alleen maar drukte bij ’et aan- en uitgaan, maar op die oogenblikken was de gracht dan ook zoo vol, dat iemand, die daar niet bekend was, zou gedacht hebben, dat de koning in de stad was of dat er ’n huis in brand stond.Nu zat er iederen dag op den hoek van die drukke gracht, pal bij de brug, ’n oud vrouwtje, dat mosselen en haring verkocht. Hoe vroeg ze daar verscheen, weet ik niet, maar als we ’s morgens naar school gingen, zat ze er, en ook om twaalf en om twee uur. Alleen als om vier uur de school uitging, zagen we haar niet, maar tegen zes uur kwam ze weer opdagen. Als ik ’s avonds wat vroeg bij school was en nog wat rondslenterde, had ik wel ’es gezien, dat haar stalletje werd opgeslagen. Er was dan ’n man bij, zeker ’er zoon, die de handkar duwde, waar haar koopwaar en alles, wat ze verder noodig had, in lag: ’n paar planken, ’n matten stoel, ’n groote ijzeren pot, enz. De man hielp ’er, om den boel in elkaar[68]te zetten, en als dat gedaan was en zij rustig op ’er stoel achter ’et stalletje zat, ging hij weer heen. Om zes uur ging altijd de fabriek uit, en dat zal wel de reden geweest zijn, waarom ’et mosselenvrouwtje zorgde, dat ze tegen dien tijd weer op ’er post was. Of ze over ’et algemeen goeïe zaken deed, kan ik niet zeggen, want daarvoor heb ik er te weinig op gelet. Maar ik zou ’et wel denken, want ’n punt, waar meer menschen van de haring- en mosselenetende soort bij elkaar waren, zou er in de heele stad moeilijk te vinden geweest zijn.... jongens van ons zagen staan, die ergens naar schenen te kijken.… jongens van ons zagen staan, die ergens naar schenen te kijken.We zullen ’n dag of veertien op school geweest zijn, toen Andries en ik ’n paar minuten voor zessen den hoek omsloegen van onze schoolgracht, en we op de brug ’n troep jongens van ons zagen staan, die ergens naar schenen te kijken. Er waren ook jongens van onze klas bij, en een, die ons in de gaten kreeg, riep: „Hallo, kom ’es hier?” We liepen de brug op, en kregen nu van allerlei kanten te gelijk te hooren,[69]wat er aan de hand was. ’n Paar jongens zouën ’n mop uithalen, nee maar, ’n reuzemop. Ze hadden ’n lang, stevig touw mee gebracht, en nu zouën ze ’et eene eind daarvan probeeren vast te maken aan ’et mosselenstalletje, en dan ’et andere achter aan ’n kar of rijtuig vastbinden. Als dan de kar voortging, nam-i ’et stalletje op sleeptouw, en de mop was gelukt. ’n Paar andere jongens waren meegegaan, om haring of mosselen te gaan eten en daardoor de aandacht van ’et vrouwtje af te leiden. Toen ik keek, zag ik dan ook vier of vijf jongens, waaronder ook den grooten jongen met z’n gouden ring uit onze klas, vóor ’et stalletje staan, maar veel meer konden we te midden van ’et gewoel, dat er bij den hoek van de Veergracht heerschte, niet onderscheiden. We hadden er ook geen tijd toe. De torenklok begon te spelen, en op ’etzelfde oogenblik ontstond er ’n opschudding op de plek, waarheen al onze oogen gericht waren. We hoorden gillen, schreeuwen, zagen jongens weghollen, en zonder eigenlijk goed gezien te hebben, wat er gebeurd was, vlogen we de brug af en de gracht op naar onze school.Ik was uit al m’n macht meegerend, zonder op Andries te letten, en eerst toen ik hijgende voor m’n lessenaar zat, merkte ik, dat hij er nog niet was. Ik begreep dat niet recht, want hij kon harder loopen dan ik. ’Et duurde intusschen niet heel lang, of-i kwam binnen. ’s Avonds werd ’et op school niet zoo heel precies met den tijd genomen, en ’et liep dan ook zonder standje voor ’em af. Maar ik zag aan z’n gezicht, dat-i niet heelemaal in z’n gewone doen was; ’et stond lang zoo vroolijk niet als anders. Graag[70]zou ik even ’n praatje met ’em gemaakt hebben, maar dat ging niet, want we zaten tamelijk ver van elkaar. Ik keek later nog ’n paar maal naar hem, en telkens vond ik, dat-i bizonder ernstig keek.De avond ging verder voorbij als altijd. Ik had half en half verwacht, dat er iemand bij m’nheer Belmans zou zijn gekomen, om zich te beklagen over den streek, dien onze jongens uitgehaald hadden. Maar dat scheen niet gebeurd te zijn, althans wij hoorden van niets. ’Et eenige bizondere, wat er gebeurde, was, dat de groote jongen met z’n ring—z’n naam was Walraven—misselijk werd. Hij moest ’n paar maal de klas uitgaan, zag zoo wit als ’n doek, en kreeg eindelijk verlof, om maar naar huis te gaan. Ik denk, dat-i er niet aan gewend was, om na ’et middageten ’n portie mosselen of ’n paar mootjes haring aan ’n stalletje als dessert te gebruiken, en dat z’n maag er niet tegen kon. Maar in m’n hart gunde ik ’em z’n misselijkheid, want ik vond ’et ’n naren jongen.Ik verlangde dien avond nog wat harder naar ’et einde van den schooltijd als gewoonlijk, want ik was nieuwsgierig, om van Andries te hooren, waarom-i zoo laat gekomen was. Ik vermoedde natuurlijk wel, dat-i nog even naar den overkant van de gracht geloopen was, om te kijken, hoe ’et geval daar was afgeloopen. Nu, dat was ook zoo. Toen de school uitging, liepen we eerst nog even met de meeste andere jongens mee de brug op, om te kijken, of er nog wat bijzonders te zien was. Maar dat was niet ’et geval. De gracht was tamelijk stil, en ’et plekje van ’et mosselenvrouwtje was leeg. De jongens praatten[71]en lachten onder elkaar nog wel ’n oogenblikje over ’et gebeurde, en er waren er ook wel, die beweerden dat ze gezien hadden, dat de kar ’et stalletje ’n heel eind voortgesleept had, maar ik geloof, dat ze zich dat maar verbeeldden. Andries zei niets, en weldra sloegen wij met ons tweetjes den weg naar huis in.Onderweg kwam z’n tong los. Toen hij naar de plaats van de opschudding was toegehold, had-i zich eerst door ’n kluw van menschen en karren en kisten moeten heen wringen, en dat was ’em niet eens heelemaal gelukt. Maar toch had-i genoeg gezien en gehoord, om er uit op te maken, hoe ’et gegaan was. De kar had werkelijk ’et stalletje ’n eindje meegetrokken, maar de voerman had onraad gemerkt en al gauw stil gehouden. Er zouën dus wel wat mosselen en ’n stuk of wat mootjes haring op de straatsteenen terecht zijn gekomen, en misschien ’n paar bordjes en kommetjes en flesschen gebroken zijn, maar dat zou toch wel niet zoo heel erg zijn. Maar ’et vrouwtje, dat daar plotseling ’er stalletje op den loop had zien gaan, was van den schrik, of misschien omdat ze er met ’er armen op geleund had, voorover van ’er stoel gevallen. Of ze zich erg bezeerd had, wist Andries niet, want hij was er niet dicht genoeg bij kunnen komen, en-i had ook niet langer durven blijven.We hoopten allebei, dat ’et zonder groot ongeluk afgeloopen was, en waren ’et er over eens, dat ’et eigenlijk ’n flauwe, gemeene streek van de jongens was geweest. Ik moet eerlijk bekennen, dat ’et door de manier, waarop Andries over de zaak sprak, eerst goed tot me doordrong, hoe laf en verkeerd ’n dergelijke grap eigenlijk was. Ik durf wel van mezelf te[72]verzekeren, dat ik nooit zoo iets op touw zou hebben gezet, maar ik weet niet zoo vast, of ik niet meegedaan zou hebben, als andere jongens ’et me gevraagd hadden. En er om gelachen had ik zeker wel. Niet omdat ik gewoon was, om ’et verdriet van ’n ander verheugd te zijn, maar omdat ik er niet aan dacht, dat die ander leed hàd. Maar alles, wat Andries dien avond over dat mosselenvrouwtje zei, klonk zoo hartelijk, dat ik me inwendig ’n beetje schaamde, dat ’et gebeurde mij zelf eerst zoo koel had gelaten. En toen ik afscheid van m’n vriendje genomen had, dacht ik bij mezelf: „ik vind je ’n aardigen jongen en ’n goeïen jongen”.Toen we den volgenden morgen bij de brug over de Veergracht kwamen, zochten onze oogen dadelijk de plek, waar ’et mosselenvrouwtje altijd te vinden was. Zij was er niet. We hoefden daaruit nog wel niet af te leiden, dat ze den vorigen dag ’n ongeluk gekregen had, maar ’et maakte ons toch ongerust. We hadden zoo gehoopt, ’er weer op ’er post te vinden. Andries had zelfs voorgesteld, dat we aan ’er stalletje ’n portie mosselen zouën gaan eten, als ’n soort van vergoeding. Toen ik zei, dat ik nog nooit mosselen geproefd had en niet wist, of ik ze lusten zou, zei Andries: „Ik ook niet, maar dan doen we maar net, of we er een eten, en we laten de rest staan.” Hij was zelfs van plan, om al de jongens ’etzelfde te vragen, en had gehoopt, ’et vrouwtje op die manier ’n reuzenklandizie te bezorgen. Maar dat viel nu allemaal in ’et water.... op school geweest om zich te beklagen.… op school geweest om zich te beklagen.Toen m’nheer Belmans dien morgen onze klas binnenstapte, om als gewoonlijk z’n Fransche les te[73]geven, stond z’n gezicht nog barscher en onvriendelijker dan anders. Nog langer dan anders keek-i ons strak aan, zonder ’n woord te zeggen. Ik heb wel ’es gehoord, dat ’n slang ’n vogeltje, dat-i verslinden wil, zóó weet aan te kijken, dat ’et arme diertje niet in staat is, om weg te vliegen, maar stijf van schrik blijft zitten. Wij jongens voelden ons, dunkt me, eenigszins als zoo’n vogeltje, als de oogen van m’nheer Belmans achter z’n glinsterende brilleglazen op ons gericht waren. Nog vóór-i den mond had open gedaan, waren we er allemaal van overtuigd, dat-i van de zaak af wist. En dat was ook zoo. ’Et bleek, dat de zoon van ’et mosselenvrouwtje nog den vorigen avond op school geweest was, om zich te beklagen. Z’n moeder had bij haar val ’n arm gebroken, en lag nu in et gasthuis. Van menschen, die bij ’et ongeval tegenwoordig waren geweest, had-i gehoord, dat ze ’n troep jongens hard hadden zien[74]wegloopen, en dat die jongens op onze school gingen.Nadat m’nheer Belmans ons dit alles op z’n gewone afgemeten manier en met z’n gewone zachte stem had medegedeeld, vroeg-i: „Wie van jelui weet me van ’et gebeurde iets te vertellen?” Zooals ’et gewoonlijk bij zoo’n algemeene vraag gaat, de heele klas bleef zwijgen. De brilleglazen van m’nheer Belmans flikkerden sterker dan ooit, maar niemand stak ’n vinger op. Nu geloof ik vast, dat de meeste jongens wèl geantwoord zouën hebben, als m’nheer ze afzonderlijk gevraagd had, of ze er iets van wisten, vooral omdat de eigenlijke aanleggers niet bij ons in de klas zaten. Maar m’nheer Belmans was er de man niet naar, om te dulden, dat ’n vraag van hem onbeantwoord bleef. Hij herhaalde z’n vraag dus zelfs niet, maar zei na ’n doodsche stilte van minstens vijf minuten alleen nog: „Dan weet ik, wat me te doen staat”. En daarna begon-i gewoon met de les, en liet ons om twaalf uur naar huis gaan, alsof er niets bizonders aan de hand was.Op straat werden natuurlijk de hoofden bij elkaar gestoken, en klonk van tien kanten tegelijk de vraag: „Wat zou de ouë doen?” Ja, dat wist niemand. Walraven, die van z’n misselijkheid genezen was, en van ons allen de meeste reden had, om zich bezorgd te maken, schreeuwde ’n paar maal: „Als jelui je mond maar houdt!” Wat ons ’et meeste verwonderde, was, dat we van ’n paar jongens uit de hoogste klas hoorden, dat m’nheer Belmans daar geen woord van de zaak gerept had. Daar snapten we niets van.Onderweg spraken Andries en ik weer over niets anders. We hadden allebei erg te doen met ’et arme[75]vrouwtje. Die gebroken arm zou wel weer in orde komen, meenden we, maar ’n week of zes duurde zoo’n geschiedenis toch wel, en al dien tijd zou ze geen cent verdienen. Andries was ’et eigenlijk weer, die van dat laatste sprak, want daaraan zou ik niet gedacht hebben, en-i maakte meteen al plannen, om onder de jongens ’n collecte te houën en zoo geld bij elkaar te krijgen voor ’n schadevergoeding. Ik praatte maar mee, al dacht ik bij me zelf, dat van mijn kant voor die collecte niet veel te verwachten was. Niet, dat ik geen medelijden met de stumper had, of bizonder gierig van aard was, maar ik kreeg van m’n vader ’n dubbeltje zakgeld in de week, en daarvan zou ’et vrouwtje niet vet soppen.We waren dien middag op school pas met ons werk begonnen, toen m’nheer Belmans de deur van onze klas opendeed, en ’n man in ’n witte kiel met ’n pet op binnenliet. We keken allemaal verwonderd op, behalve onze onderwijzer, die al van de zaak scheen te weten, en ons dadelijk liet ophouën met werken. M’nheer Belmans zei geen woord, en de vreemde man, die ’n rood gezicht, ’n rooie snor en ’n paar rooïe bakkebaarden had, ging midden voor de klas staan, en keek alle jongens éen voor éen strak aan. Maar ’et duurde niet lang, of-i stapte regelrecht op Andries aan, tikte ’n paar maal met ’n korten, dikken wijsvinger midden op z’n borst, draaide zich om naar m’nheer Belmans en zei: „Dien jongeheer heb ik gisteren zien wegloopen.” M’nheer Belmans vertrok geen spier van z’n gezicht, zei alleen: „ik dank u”, en liet den man heen gaan.Daarna keerde hij zich naar Andries en vroeg:[76]„Van Ulft, ben jij gisteren avond aan de overzij geweest?”„Ja, m’nheer!”„Dus jij wist wèl, wat er gebeurd was?”„Ja, m’nheer!”„Dus jij hebt gelògen!”„Ja, m’nheer, maar .…”„Zwijg! Jij krijgt in de eerste plaats voor je liegen ’n strenge straf! En vertel nu alles, wat je weet!”Nu had ik van ’et oogenblik af, dat de man Andries aanwees, al op heete kolen gezeten. ’Et leek me verschrikkelijk onrechtvaardig, dat de jongen, die van allemaal misschien ’et minst in staat was, om zoo’n grap uit te halen, en die zooveel medelijden met ’et mosselenvrouwtje getoond had, nu als een van de hoofdschuldigen zou aangezien worden. En toen ik nu van ’n strenge straf voor hem hoorde spreken, werd ’et me te machtig. Ik vergat m’n angst voor de flikkerende brilleglazen en de ijzige kalmte van m’nheer Belmans, en riep nog vóor Andries op z’n laatste vraag kon antwoorden:„We weten er allemaal van! We hebben ’et allemaal gezien! En Andries heeft niets gedaan!”Nooit zal ik ’et gezicht van m’nheer Belmans vergeten! Als ’et heele plafond naar beneden gekomen was, had-i er onmogelijk met meer ontzetting naar kunnen kijken als nu naar mij. Hij werd eerst bleek, toen rood, strekte toen den arm uit en wees naar de deur, zonder ’n woord te zeggen, maar zoo, dat ik aan z’n bedoeling niet behoefde te twijfelen. Ik verliet dus m’n plaats, nam m’n weg achter om de klas heen, om niet langs m’nheer Belmans te moeten, en ging buiten de deur in de gang staan.[77]En Andries heeft niets gedaan!En Andries heeft niets gedaan!Hoe ’et verder met de zaak ging, hoef ik niet in bijzonderheden te vertellen. ’Et lukte m’nheer Belmans natuurlijk, de aanleggers te vinden. Dat die in de hoogste klas zaten, verwonderde hem ’et meest. Hij was zòo overtuigd geweest, dat jongens, die al ’n jaar of langer onder zijn voortreffelijke leiding waren, nooit tot zoo iets in staat zouën zijn, dat-i in die klas niet eens iets gevraagd had. Ik, kan hier meteen wel zeggen, dat de bovenmenschelijke strengheid van m’nheer Belmans in ’et algemeen minder uitwerking had, dan hij er zich van scheen voor te stellen. Tenminste, buiten de school. In den korten tijd, dat ik op zijn instituut geweest ben, hebben de veertig jongens daar meer gemeene streken en straatschenderijen uitgehaald dan de driehonderd van m’n vorige school in al de acht jaren. Eigenaardig voor de manier van doen van m’nheer Belmans was zeker ook, dat-i de jongens, die schuld hadden aan ’et ongeluk van ’et vrouwtje, strafte, maar minder zwaar dan Andries en mij. Heel eerlijk en rechtvaardig leek ons dit niet,[78]maar, zooals ik al gezegd heb, ’et heele voorval maakte, dat wij ons nog meer dan vroeger bij elkaar aansloten.De straf, die Andries zoo onverdiend had opgeloopen, deed ’em z’n medelijden met ’et mosselenvrouwtje toch niet vergeten. Hij kwam weer met z’n plan van ’n collecte onder de jongens op de proppen, en sprak daarover met onzen onderwijzer. Die vond dat plan prachtig, sprak er over tegen de jongens uit onze klas, beloofde er ook in de hoogste klas ’n balletje van op te gooien, en verklaarde zich bereid, ’et geld in ontvangst te nemen.Ik zelf raakte door dit plan ’n beetje in verlegenheid. Andries zei, dat-i eenvoudig thuis de zaak aan z’n vader en moeder zou vertellen, en dat die zeker wat zouën willen geven. Hij bracht dan ook den volgenden dag al vijf gulden mee. Maar wat zou ik doen? Van de scheutigheid van mijn ouërs voor onbekende mosselenvrouwtjes had ik niet veel verwachting, en met éen of twee dubbeltjes van me zelf dorst ik niet aan te komen.Den eersten keer den besten, dat ik m’n vader even te pakken kon krijgen,—ik was net thuisgekomen uit de avondschool en hij stond klaar, om uit te gaan—vroeg ik:„Vader, krijg ik van u voor m’n verjaardag ’n nieuw horloge?”M’n vader keek vreemd op.„Voor je verjaardag? Ben je dan niet in … in December jarig?”„Drie Januari, vader!”„Nou ja, precies. En we hebben nu September![79]Tegen dien tijd zijn we misschien dood en begraven!”„Ja, vader, maar ik bedoel ook eigenlijk, àls u dan van plan was, om me ’n horloge te geven .…”„Van plan? Ik ben niets van plan! Denk je, dat ik maanden van te voren over jouw verjaardag loop te piekeren. Ik heb wel andere dingen aan m’n hoofd.”Z’n portemonnaie uit z’n zak haalde ....Z’nportemonnaieuit z’n zak haalde .…„Ja, vader, maar ik wou u vragen, of u me dan nu niet vast wat geld zou willen geven.…. ’n rijksdaalder of zoo, en dan met m’n verjaardag minder.… of niets.”„Ben je gek? Waarvoor heb jij geld noodig?”Ik begon nu de geschiedenis te vertellen, tamelijk hakkelend, want na et begin van ’et gesprek met m’n vader twijfelde ik heel erg aan[80]’ngoeïenuitslag. Ik kon ook niet zeggen, dat m’n vader met bizonder veel belangstelling luisterde of erg begaan scheen met ’et vrouwtje. ’Et viel me dus nog erg mee, toen vader, voordat ik nog aan ’et eind van m’n verhaal gekomen was, z’n portemonnaie uit z’n zak haalde, ’n gulden op tafel lei en zei:„Daar dan! Maar wacht nou in ’et vervolg met je bevliegingen van liefdadigheid tot je zelf geld verdient!”En daarmee verliet-i de kamer.Met veel moeite leende ik van ons dienstmeisje drie dubbeltjes, als voorschot op m’n zakgeld; twee dubbeltjes had ik zelf nog, en zoo kon ik dus den volgenden morgen ’n daalder aan onzen onderwijzer geven. Ik denk, dat Andries ’et wel wat weinig vond, maar-i zei er gelukkig niets van. Als-i geweten had, hoeveel moeite ’et me gekost had, om dat weinige bij elkaar te krijgen, zou-i er wel anders over gedacht hebben. Maar dat vertelde ik ’em natuurlijk niet.

[Inhoud]III.Van m’n nieuwe school, m’n nieuwen meester, m’n nieuwen vriend en ’n mosselenvrouwtje.Op een van de eerste dagen van September stapte ik dus voor de eerste maal naar m’n nieuwe school. De afstand van m’n woning naar de Veergracht was vrij groot, maar dat was niets bizonders voor me, want ook m’n ouë school lag tamelijk ver van ons huis, al was ’et dan ook in ’n heel andere buurt.Ik was tamelijk vroeg gegaan, omdat ik bang was, dat ik misschien eerst nog zou moeten zoeken, maar dat was niet noodig. De Veergracht was niet heel lang, en ik wist, dat de school aan de stille zij moest staan. ’n Huis of vier van den hoek zag ik dan ook al ’n groot wit bord, dat langs den heelen voorgevel van ’et huis liep, en waarop met ossen van letters „Instituut Belmans” stond. Als dat bord er niet geweest was, zou je niet gedacht hebben, dat daar ’n school was, want ’et was eenvoudig ’n groot heerenhuis van drie verdiepingen, en ’et zag er precies zoo uit als de andere huizen op die gracht. Ik keek ’et ’es goed aan: er was ’n hooge stoep, voor de ramen hingen overgordijnen, en er was van buiten niets te ontdekken, dat op ’n schoollokaal leek.Ook vond ik niet, zooals bij m’n ouë school, ’n bende jongens, die tegen de deur aangedrukt stonden of daar voor aan ’et spelen waren. Ik dacht, dat ik misschien veel te vroeg gekomen was, maar net hoorde ik ’n torenklok kwart voor negenen spelen. Dan ging vroeger onze schooldeur al open. Ik drentelde[54]dus maar wat heen en weer, en nu merkte ik, dat ik toch niet de eenige scheen te zijn, die daar naar school moest. Hier en daar op de gracht liep ’n heer of ’n dame met ’n jongen van mijn leeftijd, die ook blijkbaar op iets wachtten. Langzamerhand kwamen er meer, ook wel ’n enkele jongen alleen, en als we elkaar passeerden, keken we elkaar aan, of we zeggen wilden: „Ben jij er ook een?” Maar op de drukte voor ’n gewone school leek ’et toch niemendal.’n heer of dame met ’n jongen van mijn leeftijd.’n heer of dame met ’n jongen van mijn leeftijd.Hoe dichter ’et bij negen uur werd, hoe meer de wachtenden zich bij de stoep van ’et instituut ophoopten, en ik voegde me nu ook maar bij ’et groepje groote menschen en jongens, dat daar staan bleef. Eindelijk trok een van de heeren de stoute schoenen aan, en schelde. ’Et duurde nog weer tamelijk lang, maar ten laatste werd dan toch de deur onder de stoep door ’n dienstmeisje opengedaan, die meteen weer naar achteren ging en blijkbaar verwachtte, dat we haar wel zouën volgen. Ik liet natuurlijk de groote menschen voorgaan en ging met ’n groepje van drie, vier jongens naar binnen.[55]Op dat portaal stond ’n m’nheer met ’n kaal hoofd.Op dat portaal stond ’n m’nheer met ’n kaal hoofd.We liepen ’n lange tamelijk donkere gang door, klommen ’n trap op, en kwamen toen op ’n ruim portaal, waar ’n aantal kapstokken waren, ’et eerste wat er ’n beetje schoolachtig uitzag. Op dat portaal stond ’n m’nheer met ’n kaal hoofd, dat glom als ’n spiegel, en met geen enkel haartje op z’n geheele gezicht, met ’n gouden bril op en in ’et zwart, die de dames en heeren begroette, met ieder van hen ’n paar woorden wisselde, dan den jongen, dien ze brachten, van hen overnam, en naar binnen stuurde. Er stond op dat portaal ’n deur open, en daarachter scheen dus ’et schoollokaal te zijn. De jongens, die alleen gekomen waren, hielden zich ’n beetje op den achtergrond, maar toen alle vaders en moeders weer heengegaan waren, zei de heer: „Ga jelui ook maar naar binnen, jongens.”[56]’Et lokaal, dat ik binnenstapte, was niets anders dan ’n ruime kamer, met effen blauwachtig grijs behangsel op den muur en linoleum op den vloer, met ’n schoorsteen en drie openslaande ramen, die op den tuin uitzagen. Er stonden geen gewone schoolbanken in, maar ’n soort van donkerbruin geschilderde houten lessenaars met ’n houten stoel er achter. Verder waren er ’n paar borden op ezels, en aan de wanden hingen landkaarten en schoolplaten. Over ’et geheel zag ’et er wel ’n tikje gezelliger uit dan de lokalen in ’n gewone school.Ik volgde ’et voorbeeld van de andere jongens en ging voor ’n lessenaar zitten. ’Et gaf je wel ’n gevoel van deftigheid, zoo alleen te zitten, zoo iets van ’n m’nheer, die voor z’n schrijftafel zit. Ik telde ’es, hoeveel van die dingen er stonden: er waren er twintig. Twaalf daarvan waren op dat oogenblik bezet.De heer van ’et portaal—ik begreep nu, dat ’et m’nheer Belmans zelf was—kwam binnen, en ging voor de klas staan. Zonder iets te zeggen, bleef hij ons zeker vijf minuten lang strak aankijken. Waarom, weet ik niet, want ’et was al dadelijk doodstil. Ik keek ook wederkeerig hem ’es goed aan, behalve wanneer z’n glinsterende brilleglazen precies naar mijn kant keken, want dan sloeg ik onwillekeurig m’n oogen neer. Ik kon niet zeggen, dat z’n gezicht me bizonder beviel. Aan overmaat van vriendelijkheid scheen m’nheer Belmans in elk geval niet te lijden. Maar ik kwam voor me zelf tot ’et besluit, dat zoo’n gezicht zeker bij ’n stoominrichting hoorde.Eindelijk scheen m’nheer Belmans ons lang genoeg bekeken te hebben en begon-i met ’n heel zachte[57]stem en heel langzaam te spreken. ’Et bleek nu, dat wij allemaal, zooals we daar zaten, nieuwelingen waren, en dat de school eigenlijk pas den volgenden dag zou beginnen. We werden er nadrukkelijk op gewezen, dat er op ’et instituut Belmans gewerkt moest worden, hard gewerkt, en onder deze voorwaarde werden ons de schitterendste resultaten voorspeld. We kregen verder te hooren, dat onze schooluren dezelfde zouën zijn, als waaraan we op onze ouë school gewoon waren, dus van negen tot twaalf en van twee tot vier, behalve Woensdags en Zaterdags, maar dat we bovendien elken avond van zes tot acht op school moesten komen, om ons huiswerk daar te maken. Alleen den Zaterdagavond waren we daar vrij van. Dit waren, zei m’nheer Belmans uitdrukkelijk, de gewone uren; voor jongens, die ’et noodig hadden, kwamen daar natuurlijk nog extra-uren bij. Ik raakte aan ’et peinzen over de vraag, of zulke jongens, die ’et noodig hadden, dan eigenlijk nog wel den tijd zouën hebben, om te eten en te slapen, maar ik begreep al weer, dat al zulke dingen nu eenmaal bij ’n stoominrichting hoorden.Nadat m’nheer Belmans ons op deze manier ’n beetje had voorbereid op de heerlijkheden, die ons op z’n instituut te wachten stonden, zei-i, dat-i ons nu wat werk zou opgeven, om ons voorloopig zoo’n beetje aan den tand te voelen. We kregen ieder ’n paar groote vellen papier, van dezelfde soort als ik op ’et examen had gehad, en moesten ’n opstel en vijf sommen maken, en ’n stukje in ’et Fransch vertalen. De sommen en de vertaling stonden al op den achterkant van de borden geschreven, en ’et onderwerp[58]voor ’et opstel mochten we zelf kiezen. Om twaalf uur moesten we al ’et werk inleveren.M’nheer Belmans ging op ’n stoel voor de klas zitten, nam ’n boek uit de lade en stak ’n sigaar op met ’n bandje er om. In onze lessenaars vonden we inkt en ’n penhouër, en we konden dus aan ’et werk trekken.’Et spreekt vanzelf, dat ik met ’et opstel begon. Ik vertelde ’et avontuur, dat ik ’n week geleden in Zandvoort gehad had, en voor ik ’et zelf wist, had ik een van de reusachtige vellen, die voor me lagen, aan drie kanten bijna geheel volgeschreven. Dat zou zeker wel voldoende zijn. Maar nu ’et andere werk. Zou ik daarvoor nog tijd genoeg over hebben? Ik wist er niets van, want ’n horloge had ik niet, en ’et kon even goed elf uur als tien uur wezen. Ik zag wel ’n paar jongens, die ’n horloge droegen, maar ze zaten te ver van me af, om ze wat te vragen. En zelfs toen ik even rond keek, richtte m’nheer Belmans zoo’n vertoornden blik op me, dat ik ’n gevoel kreeg, of ik me aan de vreeselijkste misdaad had schuldig gemaakt. Ik werkte dus maar weer ijverig door.Met de vijf sommen was ik gauw klaar. Dat wil zeggen, toen ik ze eenmaal gelezen had, was ik er vast van overtuigd, dat ik er geen een van maken kon. Daar was weer m’n ouë kennis: „Als ik drie en ’n zevende maal ’et geld, dat Jan zou hebben, wanneer-i twee en twee vijfde maal ’et geld, dat Piet heeft er bij kreeg, voeg bij zeven en vijf zesde keer ’et geld, dat …” en-i maakte me duizelig. En daar was weer ’n duivelachtig vat met onmogelijk veel[59]kranen op de onwaarschijnlijkste plaatsen, die allemaal op verschillende tijden werden opengezet en allemaal verschillende hoeveelheden water doorlieten.Kortom, ’et waren m’n ouë plaaggeesten, alleen nog wat onbegrijpelijker en nog wat ingewikkelder. En op ’et vel papier, dat ik voor m’n rekenwerk bestemd had, kwam alleen m’n naam te staan en No. 1, en verder bleef ’et blank.Ook de vertaling was veel te moeilijk voor me. ’Et was ’n klein verhaaltje van ’n jongen, die ging schaatsenrijden, en in ’et water valt en gered wordt, maar kou vat en ik weet niet meer welke ziekte krijgt. Er kwamen ’n aantal woorden in, die ik nooit geleerd had of althans me op dat oogenblik niet kon herinneren. Toch begon ik maar voor ’et vaderland weg te vertalen. Voor de woorden, die ik niet wist, liet ik ’n open ruimte: die mocht m’nheer Belmans invullen, als-i lust had. Ik schreef vrij vlug door, maar toch was ik pas even over de helft, toen m’nheer Belmans opstond, en tot m’n verrassing zei: „Jongens, eindigen! Je kunt nog even je werk nakijken, en dan haal ik ’et op.” Dat deed-i dan ook gauw daarna en ik stopte m’n papier met sommen—ik bedoel, waarop m’n sommen hadden moeten staan—onder de andere, en gaf ’em alles over, zonder ’em aan te kijken. Toen kregen we nog te hooren, dat we dien middag vrij waren, maar dat we den volgenden morgen om negen uur terug verwacht werden, en dat dan de school in ernst begon. En toen konden we vertrekken.In ’et portaal bleven we nog allemaal zwijgen, want m’nheer Belmans stond in de deur van ’et lokaal, en[60]keek ons aan, of we allemaal z’n doodsvijanden waren. Zelfs op de trap en in de gang waagde nog haast geen van de jongens ’n woord te fluisteren, maar op straat kwamen de tongen los. En geen wonder, we hadden in drie uur tijd letterlijk geen woord gesproken.Er vormden zich groepjes van jongens, die misschien elkaar al van vroeger kenden, en de anderen praatten mee, nu ’es hier en dan ’es daar. Er werd gesproken over m’nheer Belmans—niet heel vleiend natuurlijk—, over ’et moeilijke werk, en over de lange schooldagen, die ons boven ’et hoofd hingen. Maar dat had nog geen vijf minuten geduurd, of we werden opgeschrikt door ’n nijdig tikken tegen ’et raam van de onderste voorkamer, en toen we opkeken, zagen we ’et strenge gezicht van m’nheer Belmans tusschen de overgordijnen. Dat maakte meteen ’n eind aan ons gesprek, we namen onze petten af, en liepen door, met ’et gevoel van ’n afgeranselden hond.De meeste jongens gingen niet den kant uit, dien ik op moest, en van de drie, die dat wel deden, moesten er twee bij de brug linksaf. Er bleef er dus nog maar een over, die me gezelschap hield. Al gauw wist ik, dat-i Andries van Ulft heette, en in de Voorstraat woonde, dus tamelijk wel in mijn buurt. We spraken met elkaar over allerlei dingen, over onze vroegere school, over ’et examen voor de Burgerschool, waar-i net als ik voor gesjeesd was, en natuurlijk over onze verwachtingen van de nieuwe school en van m’nheer Belmans, van wien-i me nog wist te vertellen, dat de jongens ’em altijd „de ouë”[61]noemden. Dat had-i van ’n jongen gehoord, die daar al langer op school was, en dien-i kende. We konden heel goed met elkaar opschieten, en toen-i bij de Voorstraat van me wegging en ik ’et laatste stukje van m’n weg alleen vervolgde, dacht ik bij me zelf, dat ik ’et ’n aardigen jongen vond, en dat ik hoopte, dat we vriendjes zouën worden.Vriendjes! Die had ik eigenlijk nog nooit gehad. Of ik had er vijftig gehad, zooals je ’et nemen wilt. Nu ’es had ik met dien, dan weer met ’n anderen jongen wat drukker omgegaan, dan met de overige jongens uit m’n klas, en ik was ook wel ’es ’n enkele maal bij deez’ of genen aan huis geweest om te spelen. Maar omdat ik ze nooit weerom vragen mocht, bleef dat altijd bij een of twee keer, en zonder dat ik eigenlijk met iemand ruzie kreeg, raakte zoo’n vriendschap altijd weer gauw uit. En ik moet er bij zeggen, dat ’et me niet veel schelen kon. Jongens om mee te spelen of mee te praten kon ik altijd wel vinden. En dat ’et heerlijk was, om iemand te hebben, aan wien je alles kon vertellen, waar je over dacht, ook de dingen, die je niet zoo aan iedereen zou willen zeggen, iemand, die je beklaagde, als je verdriet had, en zich verheugde, als je ’es ergens heel blij mee was, dat wist ik niet.Van alles, wat ik thuis vertelde van m’n eersten morgen op ’et instituut Belmans, had ’et feit, dat ik daar elken avond van zessen tot achten terug moest komen, om m’n huiswerk te maken, de meeste belangstelling. M’n moeder verwachtte er meer rust voor zich zelf van, en m’n vader zei: „Zie je wel, op die school wordt gewèrkt.” Alleen zou ’et lastig[62]worden met ’et middageten. Vader kon niet voor half zeven thuis zijn, en ik kon dus in ’et vervolg niet tegelijk met m’n ouërs eten. Na achten was wat laat, en er werd dus besloten, dat ik vooraf zou eten, om ’n uur of vijf. Voordeel had ik bij die nieuwe regeling niet, want ’et werd nu gewoonlijk zoo ingericht, dat er elken dag ’n behoorlijke portie eten overbleef, die dan den volgenden dag voor mij werd opgewarmd. Alleen Zaterdags en Zondags at ik voortaan gelijk met de anderen, en ik zag m’n vader nu nog minder dan vroeger, soms zelfs dagen achtereen in ’et geheel niet.Toen ik den volgenden morgen tegen negen uur op de Veergracht kwam, waren er wel wat meer jongens dan den vorigen dag, maar zoo druk als bij ’n gewone school was ’et toch lang niet. En dat was geen wonder. Op m’n vorige school waren ’n driehonderd jongens geweest en hier waren er in ’et geheel ’n dikke veertig. ’Et scheen hier ook geen gewoonte te zijn, de deur om kwart voor negenen open te zetten; éen of twee minuten voor den tijd werden we pas binnengelaten.Ik had natuurlijk naar Andries uitgekeken, maar ’em nergens gezien. Net op ’et oogenblik, dat ik naar binnen wou gaan, kwam-i aanloopen. Ik ging ’em tegemoet, en-i vertelde me, dat-i bij den hoek van de Voorstraat ’n tijdje op me gewacht had, en dat ’et daardoor ’n beetje laat was geworden. Ik zei, dat ’et me speet, dat ik ’et niet geweten had, en dat ik ’et erg aardig van ’em vond. In ’t vervolg zou ik ook op hem wachten. Dat was afgesproken en we gingen samen in school.[63]We kwamen weer in ’etzelfde lokaal te zitten, waar we den vorigen dag geweest waren, maar er zaten nu vier jongens meer. Die waren al vroeger daar op school geweest, en niet verhoogd geworden. Een van de vier had zelfs al twee jaar in diezelfde klas gezeten, ’n groote, forsche jongen van zeventien jaar, met lang zwart haar en al ’n klein snorretje, en met ’n gouden ring met ’n grooten zwarten steen aan z’n pink, in mijn oog al haast ’n m’nheer. Ik begon dus te begrijpen, dat zelfs ’n stoominrichting niet altijd z’n doel bereikte, vooral toen ik later merkte, hoe ongelooflijk dom die jongen met z’n ring was. Ik had alle reden om heelemaal niet trotsch te zijn op m’n eigen knapheid, maar bij dien jongen vergeleken was ik ’n kraan.In plaats van m’nheer Belmans kregen we als onderwijzer ’n m’nheer, die veel jonger was en er ook niet zoo onvriendelijk uitzag. Toch was ook hij tamelijk strak en streng en op geen stukken na ’n Meester Lindeman. We kregen van hem les in alle vakken, die daar op school onderwezen werden, behalve in ’et Fransch. Daarvoor kwam m’nheer Belmans zelf elken dag ’n uur. Andere onderwijzers had onze klas niet, want aan gymnastiek, zingen en teekenen deden we niet.Wat nu de manier aangaat, waarop we op ’et instituut Belmans onderwijs kregen, die verschilde niet zoo heel erg van wat ik ’et laatste jaar op school gewend was. Maar toch wel ’n beetje. In de eerste plaats maakte de meester daar zich veel drukker, om ons de dingen uit te leggen, om ons duidelijk te maken, waarom je zoo en niet anders doen moest.[64]’Et was niet genoeg, dat je wistthree-fifths colon two-sevenths equals three-fifths times seven-halvesof de inhoud is lengte maal breedte maal hoogte, maar je moest dat ook kunnen verklaren. Hier leerde je alleen ’et kunstje, en verder werd er geen woord over vuil gemaakt. ’Et zal wel niet met alle jongens ’etzelfde geweest zijn, maar mij leek de laatste manier veel beter. Hoe langer ’n uitlegging duurde en hoe vaker ’n verklaring herhaald werd, hoe onduidelijker de zaak voor me werd, zoodat ik me ten slotte bij de toepassing van ’et kunstje zelf telkens vergiste.Verder moesten we veel meer schriftelijk werk maken dan vroeger, thema’s, sommen en taaloefeningen, zooveel, dat ik vooral in ’et begin kramp in m’n vingers kreeg, wat ik vóór dien tijd nooit gehad had. Op m’n vorige school waren alle jongens altijd even ver, maar hier liet men ieder zoo hard vooruitkomen als-i kon, en we waren nog geen veertien dagen op school, of de vlugste rekenaar was mij bij voorbeeld ’n goeïe honderd sommen voor, en zat ik nog op thema twaalf te zweeten, terwijl Andries nummer achtendertig inleverde.’Et grootste verschil tusschen vroeger en nu zat em natuurlijk wel daarin, dat we ’s avonds van zessen tot achten op school moesten komen, om daar lessen te leeren en werk te maken, wat we anders als huiswerk meegekregen zouën hebben. Ik had daartegen eigenlijk ’et meest opgezien, en dat ’et ’n pretje was, om daar nog die twee extra-uren op school te zitten, vooral op mooie herfst- of zomeravonden, wil ik dan ook niet zeggen. Maar toch, ’et had ook z’n goeïe zij. Als je nu eindelijk naar huis ging, dan was je[65]tenminste van al den schoolrommel heelemaal af. Je hoefde niet onder ’et spelen of ’et lezen van ’n mooi boek telkens te denken aan ’n rist jaartallen, die je er voor den volgenden dag nog in moest pompen, of aan ’n reusachtige vormsom, die je nog te maken had, en waarvan je zoo goed als zeker vooruit wist, dat jij er zooiets vanStartFraction 1295368735 Over 49028362183 EndFractionuit zou krijgen, terwijl de meester beweerd had, dat ’et antwoord ’n „mooi” getal was. Ook kon je onder ’et werk af en toe ’es iets aan den onderwijzer vragen, wat vooral voor mij, die thuis nooit op eenige hulp had kunnen rekenen, ’n groote verbetering was.Toch zou ik met m’n nieuwe school zeker niet half zoo ingenomen geweest zijn, als ik daardoor Andries niet had leeren kennen. Wat ik den eersten dag den besten gehoopt had, gebeurde: we wèrden vriendjes. Andries was wel in dezelfde stad geboren als ik, maar had ’n jaar of vijf met z’n ouërs in Rotterdam gewoond. Daar had hij dus ook school gegaan. Maar nu waren z’n ouërs weer uit Rotterdam vertrokken, en daarom had-i ook examen gedaan voor dezelfde Burgerschool als ik. Hij had dus ook geen vriendjes, en zoo sloten we ons bij elkaar aan. In de eerste weken gingen we alleen geregeld samen naar school en weer naar huis, maar ’et duurde niet lang, of ik maakte ook kennis met z’n ouërs. Vóór ik je echter meer van onzen omgang vertel en van alles, wat ik daaraan te danken had, wil ik je iets zeggen van ’n voorval, dat vrij kort na onze komst op school plaats had, en dat er veel toe heeft bijgedragen om ons tweetjes aan elkaar te binden.Ik heb, meen ik, al gezegd, dat ’et instituut[66]Belmans aan de stille zij van de Veergracht stond. Er was werkelijk ’n kolossaal verschil in drukte tusschen de twee kanten van die gracht. De lokalen, waarin op onze school les gegeven werd, lagen alle aan den tuinkant, maar al was dat niet ’et geval geweest, van ’et leven op onze gracht zouën we niet veel hinder gehad hebben. Maar aan den overkant zag ’et er heel anders uit. Daar waren ’n stuk of wat kantoren van stoombootdiensten voor ’et vervoer van goederen naar allerlei plaatsen. Enkele van die kantoren werden gehouën in kleine houten huisjes, die aan den waterkant stonden, andere in kelders of benedenhuizen. Den heelen dag was ’et daar ’n gerij van wagens en karren, die goederen kwamen brengen en halen. Aan den waterkant stond ’et altijd vol met kisten en pakken en doozen; daar lagen ijzeren staven naast potten met bloemen, manden met flesschen wijn naast[67]zakken meel, stapels baksteenen naast piramides van kazen. Daar stond soms ’n heele verhuisboel tusschen in, en ook wel koeien en bokken en kippen. En daar waren eeuwig mannen aan ’et sjouwen en hijschen, aan ’et rollen van vaten en ’et duwen van handkarren, en als ’et twee weken achter elkaar niet geregend had, was die kant van de Veergracht nòg vuil en modderig.Den heelen dag was ’et daar ’n gerij van wagens en karren.Den heelen dag was ’et daar ’n gerij van wagens en karren.Dan stonden er ook nog ’n paar pakhuizen op die gracht, waar wel niet elken dag, maar toch van tijd tot tijd alweer zakken en kisten uit- of ingeheschen werden, en eindelijk was er ’n groote fabriek, waar zeker wel ’n paar honderd mannen en jongens werkten. Die fabriek gaf alleen maar drukte bij ’et aan- en uitgaan, maar op die oogenblikken was de gracht dan ook zoo vol, dat iemand, die daar niet bekend was, zou gedacht hebben, dat de koning in de stad was of dat er ’n huis in brand stond.Nu zat er iederen dag op den hoek van die drukke gracht, pal bij de brug, ’n oud vrouwtje, dat mosselen en haring verkocht. Hoe vroeg ze daar verscheen, weet ik niet, maar als we ’s morgens naar school gingen, zat ze er, en ook om twaalf en om twee uur. Alleen als om vier uur de school uitging, zagen we haar niet, maar tegen zes uur kwam ze weer opdagen. Als ik ’s avonds wat vroeg bij school was en nog wat rondslenterde, had ik wel ’es gezien, dat haar stalletje werd opgeslagen. Er was dan ’n man bij, zeker ’er zoon, die de handkar duwde, waar haar koopwaar en alles, wat ze verder noodig had, in lag: ’n paar planken, ’n matten stoel, ’n groote ijzeren pot, enz. De man hielp ’er, om den boel in elkaar[68]te zetten, en als dat gedaan was en zij rustig op ’er stoel achter ’et stalletje zat, ging hij weer heen. Om zes uur ging altijd de fabriek uit, en dat zal wel de reden geweest zijn, waarom ’et mosselenvrouwtje zorgde, dat ze tegen dien tijd weer op ’er post was. Of ze over ’et algemeen goeïe zaken deed, kan ik niet zeggen, want daarvoor heb ik er te weinig op gelet. Maar ik zou ’et wel denken, want ’n punt, waar meer menschen van de haring- en mosselenetende soort bij elkaar waren, zou er in de heele stad moeilijk te vinden geweest zijn.... jongens van ons zagen staan, die ergens naar schenen te kijken.… jongens van ons zagen staan, die ergens naar schenen te kijken.We zullen ’n dag of veertien op school geweest zijn, toen Andries en ik ’n paar minuten voor zessen den hoek omsloegen van onze schoolgracht, en we op de brug ’n troep jongens van ons zagen staan, die ergens naar schenen te kijken. Er waren ook jongens van onze klas bij, en een, die ons in de gaten kreeg, riep: „Hallo, kom ’es hier?” We liepen de brug op, en kregen nu van allerlei kanten te gelijk te hooren,[69]wat er aan de hand was. ’n Paar jongens zouën ’n mop uithalen, nee maar, ’n reuzemop. Ze hadden ’n lang, stevig touw mee gebracht, en nu zouën ze ’et eene eind daarvan probeeren vast te maken aan ’et mosselenstalletje, en dan ’et andere achter aan ’n kar of rijtuig vastbinden. Als dan de kar voortging, nam-i ’et stalletje op sleeptouw, en de mop was gelukt. ’n Paar andere jongens waren meegegaan, om haring of mosselen te gaan eten en daardoor de aandacht van ’et vrouwtje af te leiden. Toen ik keek, zag ik dan ook vier of vijf jongens, waaronder ook den grooten jongen met z’n gouden ring uit onze klas, vóor ’et stalletje staan, maar veel meer konden we te midden van ’et gewoel, dat er bij den hoek van de Veergracht heerschte, niet onderscheiden. We hadden er ook geen tijd toe. De torenklok begon te spelen, en op ’etzelfde oogenblik ontstond er ’n opschudding op de plek, waarheen al onze oogen gericht waren. We hoorden gillen, schreeuwen, zagen jongens weghollen, en zonder eigenlijk goed gezien te hebben, wat er gebeurd was, vlogen we de brug af en de gracht op naar onze school.Ik was uit al m’n macht meegerend, zonder op Andries te letten, en eerst toen ik hijgende voor m’n lessenaar zat, merkte ik, dat hij er nog niet was. Ik begreep dat niet recht, want hij kon harder loopen dan ik. ’Et duurde intusschen niet heel lang, of-i kwam binnen. ’s Avonds werd ’et op school niet zoo heel precies met den tijd genomen, en ’et liep dan ook zonder standje voor ’em af. Maar ik zag aan z’n gezicht, dat-i niet heelemaal in z’n gewone doen was; ’et stond lang zoo vroolijk niet als anders. Graag[70]zou ik even ’n praatje met ’em gemaakt hebben, maar dat ging niet, want we zaten tamelijk ver van elkaar. Ik keek later nog ’n paar maal naar hem, en telkens vond ik, dat-i bizonder ernstig keek.De avond ging verder voorbij als altijd. Ik had half en half verwacht, dat er iemand bij m’nheer Belmans zou zijn gekomen, om zich te beklagen over den streek, dien onze jongens uitgehaald hadden. Maar dat scheen niet gebeurd te zijn, althans wij hoorden van niets. ’Et eenige bizondere, wat er gebeurde, was, dat de groote jongen met z’n ring—z’n naam was Walraven—misselijk werd. Hij moest ’n paar maal de klas uitgaan, zag zoo wit als ’n doek, en kreeg eindelijk verlof, om maar naar huis te gaan. Ik denk, dat-i er niet aan gewend was, om na ’et middageten ’n portie mosselen of ’n paar mootjes haring aan ’n stalletje als dessert te gebruiken, en dat z’n maag er niet tegen kon. Maar in m’n hart gunde ik ’em z’n misselijkheid, want ik vond ’et ’n naren jongen.Ik verlangde dien avond nog wat harder naar ’et einde van den schooltijd als gewoonlijk, want ik was nieuwsgierig, om van Andries te hooren, waarom-i zoo laat gekomen was. Ik vermoedde natuurlijk wel, dat-i nog even naar den overkant van de gracht geloopen was, om te kijken, hoe ’et geval daar was afgeloopen. Nu, dat was ook zoo. Toen de school uitging, liepen we eerst nog even met de meeste andere jongens mee de brug op, om te kijken, of er nog wat bijzonders te zien was. Maar dat was niet ’et geval. De gracht was tamelijk stil, en ’et plekje van ’et mosselenvrouwtje was leeg. De jongens praatten[71]en lachten onder elkaar nog wel ’n oogenblikje over ’et gebeurde, en er waren er ook wel, die beweerden dat ze gezien hadden, dat de kar ’et stalletje ’n heel eind voortgesleept had, maar ik geloof, dat ze zich dat maar verbeeldden. Andries zei niets, en weldra sloegen wij met ons tweetjes den weg naar huis in.Onderweg kwam z’n tong los. Toen hij naar de plaats van de opschudding was toegehold, had-i zich eerst door ’n kluw van menschen en karren en kisten moeten heen wringen, en dat was ’em niet eens heelemaal gelukt. Maar toch had-i genoeg gezien en gehoord, om er uit op te maken, hoe ’et gegaan was. De kar had werkelijk ’et stalletje ’n eindje meegetrokken, maar de voerman had onraad gemerkt en al gauw stil gehouden. Er zouën dus wel wat mosselen en ’n stuk of wat mootjes haring op de straatsteenen terecht zijn gekomen, en misschien ’n paar bordjes en kommetjes en flesschen gebroken zijn, maar dat zou toch wel niet zoo heel erg zijn. Maar ’et vrouwtje, dat daar plotseling ’er stalletje op den loop had zien gaan, was van den schrik, of misschien omdat ze er met ’er armen op geleund had, voorover van ’er stoel gevallen. Of ze zich erg bezeerd had, wist Andries niet, want hij was er niet dicht genoeg bij kunnen komen, en-i had ook niet langer durven blijven.We hoopten allebei, dat ’et zonder groot ongeluk afgeloopen was, en waren ’et er over eens, dat ’et eigenlijk ’n flauwe, gemeene streek van de jongens was geweest. Ik moet eerlijk bekennen, dat ’et door de manier, waarop Andries over de zaak sprak, eerst goed tot me doordrong, hoe laf en verkeerd ’n dergelijke grap eigenlijk was. Ik durf wel van mezelf te[72]verzekeren, dat ik nooit zoo iets op touw zou hebben gezet, maar ik weet niet zoo vast, of ik niet meegedaan zou hebben, als andere jongens ’et me gevraagd hadden. En er om gelachen had ik zeker wel. Niet omdat ik gewoon was, om ’et verdriet van ’n ander verheugd te zijn, maar omdat ik er niet aan dacht, dat die ander leed hàd. Maar alles, wat Andries dien avond over dat mosselenvrouwtje zei, klonk zoo hartelijk, dat ik me inwendig ’n beetje schaamde, dat ’et gebeurde mij zelf eerst zoo koel had gelaten. En toen ik afscheid van m’n vriendje genomen had, dacht ik bij mezelf: „ik vind je ’n aardigen jongen en ’n goeïen jongen”.Toen we den volgenden morgen bij de brug over de Veergracht kwamen, zochten onze oogen dadelijk de plek, waar ’et mosselenvrouwtje altijd te vinden was. Zij was er niet. We hoefden daaruit nog wel niet af te leiden, dat ze den vorigen dag ’n ongeluk gekregen had, maar ’et maakte ons toch ongerust. We hadden zoo gehoopt, ’er weer op ’er post te vinden. Andries had zelfs voorgesteld, dat we aan ’er stalletje ’n portie mosselen zouën gaan eten, als ’n soort van vergoeding. Toen ik zei, dat ik nog nooit mosselen geproefd had en niet wist, of ik ze lusten zou, zei Andries: „Ik ook niet, maar dan doen we maar net, of we er een eten, en we laten de rest staan.” Hij was zelfs van plan, om al de jongens ’etzelfde te vragen, en had gehoopt, ’et vrouwtje op die manier ’n reuzenklandizie te bezorgen. Maar dat viel nu allemaal in ’et water.... op school geweest om zich te beklagen.… op school geweest om zich te beklagen.Toen m’nheer Belmans dien morgen onze klas binnenstapte, om als gewoonlijk z’n Fransche les te[73]geven, stond z’n gezicht nog barscher en onvriendelijker dan anders. Nog langer dan anders keek-i ons strak aan, zonder ’n woord te zeggen. Ik heb wel ’es gehoord, dat ’n slang ’n vogeltje, dat-i verslinden wil, zóó weet aan te kijken, dat ’et arme diertje niet in staat is, om weg te vliegen, maar stijf van schrik blijft zitten. Wij jongens voelden ons, dunkt me, eenigszins als zoo’n vogeltje, als de oogen van m’nheer Belmans achter z’n glinsterende brilleglazen op ons gericht waren. Nog vóór-i den mond had open gedaan, waren we er allemaal van overtuigd, dat-i van de zaak af wist. En dat was ook zoo. ’Et bleek, dat de zoon van ’et mosselenvrouwtje nog den vorigen avond op school geweest was, om zich te beklagen. Z’n moeder had bij haar val ’n arm gebroken, en lag nu in et gasthuis. Van menschen, die bij ’et ongeval tegenwoordig waren geweest, had-i gehoord, dat ze ’n troep jongens hard hadden zien[74]wegloopen, en dat die jongens op onze school gingen.Nadat m’nheer Belmans ons dit alles op z’n gewone afgemeten manier en met z’n gewone zachte stem had medegedeeld, vroeg-i: „Wie van jelui weet me van ’et gebeurde iets te vertellen?” Zooals ’et gewoonlijk bij zoo’n algemeene vraag gaat, de heele klas bleef zwijgen. De brilleglazen van m’nheer Belmans flikkerden sterker dan ooit, maar niemand stak ’n vinger op. Nu geloof ik vast, dat de meeste jongens wèl geantwoord zouën hebben, als m’nheer ze afzonderlijk gevraagd had, of ze er iets van wisten, vooral omdat de eigenlijke aanleggers niet bij ons in de klas zaten. Maar m’nheer Belmans was er de man niet naar, om te dulden, dat ’n vraag van hem onbeantwoord bleef. Hij herhaalde z’n vraag dus zelfs niet, maar zei na ’n doodsche stilte van minstens vijf minuten alleen nog: „Dan weet ik, wat me te doen staat”. En daarna begon-i gewoon met de les, en liet ons om twaalf uur naar huis gaan, alsof er niets bizonders aan de hand was.Op straat werden natuurlijk de hoofden bij elkaar gestoken, en klonk van tien kanten tegelijk de vraag: „Wat zou de ouë doen?” Ja, dat wist niemand. Walraven, die van z’n misselijkheid genezen was, en van ons allen de meeste reden had, om zich bezorgd te maken, schreeuwde ’n paar maal: „Als jelui je mond maar houdt!” Wat ons ’et meeste verwonderde, was, dat we van ’n paar jongens uit de hoogste klas hoorden, dat m’nheer Belmans daar geen woord van de zaak gerept had. Daar snapten we niets van.Onderweg spraken Andries en ik weer over niets anders. We hadden allebei erg te doen met ’et arme[75]vrouwtje. Die gebroken arm zou wel weer in orde komen, meenden we, maar ’n week of zes duurde zoo’n geschiedenis toch wel, en al dien tijd zou ze geen cent verdienen. Andries was ’et eigenlijk weer, die van dat laatste sprak, want daaraan zou ik niet gedacht hebben, en-i maakte meteen al plannen, om onder de jongens ’n collecte te houën en zoo geld bij elkaar te krijgen voor ’n schadevergoeding. Ik praatte maar mee, al dacht ik bij me zelf, dat van mijn kant voor die collecte niet veel te verwachten was. Niet, dat ik geen medelijden met de stumper had, of bizonder gierig van aard was, maar ik kreeg van m’n vader ’n dubbeltje zakgeld in de week, en daarvan zou ’et vrouwtje niet vet soppen.We waren dien middag op school pas met ons werk begonnen, toen m’nheer Belmans de deur van onze klas opendeed, en ’n man in ’n witte kiel met ’n pet op binnenliet. We keken allemaal verwonderd op, behalve onze onderwijzer, die al van de zaak scheen te weten, en ons dadelijk liet ophouën met werken. M’nheer Belmans zei geen woord, en de vreemde man, die ’n rood gezicht, ’n rooie snor en ’n paar rooïe bakkebaarden had, ging midden voor de klas staan, en keek alle jongens éen voor éen strak aan. Maar ’et duurde niet lang, of-i stapte regelrecht op Andries aan, tikte ’n paar maal met ’n korten, dikken wijsvinger midden op z’n borst, draaide zich om naar m’nheer Belmans en zei: „Dien jongeheer heb ik gisteren zien wegloopen.” M’nheer Belmans vertrok geen spier van z’n gezicht, zei alleen: „ik dank u”, en liet den man heen gaan.Daarna keerde hij zich naar Andries en vroeg:[76]„Van Ulft, ben jij gisteren avond aan de overzij geweest?”„Ja, m’nheer!”„Dus jij wist wèl, wat er gebeurd was?”„Ja, m’nheer!”„Dus jij hebt gelògen!”„Ja, m’nheer, maar .…”„Zwijg! Jij krijgt in de eerste plaats voor je liegen ’n strenge straf! En vertel nu alles, wat je weet!”Nu had ik van ’et oogenblik af, dat de man Andries aanwees, al op heete kolen gezeten. ’Et leek me verschrikkelijk onrechtvaardig, dat de jongen, die van allemaal misschien ’et minst in staat was, om zoo’n grap uit te halen, en die zooveel medelijden met ’et mosselenvrouwtje getoond had, nu als een van de hoofdschuldigen zou aangezien worden. En toen ik nu van ’n strenge straf voor hem hoorde spreken, werd ’et me te machtig. Ik vergat m’n angst voor de flikkerende brilleglazen en de ijzige kalmte van m’nheer Belmans, en riep nog vóor Andries op z’n laatste vraag kon antwoorden:„We weten er allemaal van! We hebben ’et allemaal gezien! En Andries heeft niets gedaan!”Nooit zal ik ’et gezicht van m’nheer Belmans vergeten! Als ’et heele plafond naar beneden gekomen was, had-i er onmogelijk met meer ontzetting naar kunnen kijken als nu naar mij. Hij werd eerst bleek, toen rood, strekte toen den arm uit en wees naar de deur, zonder ’n woord te zeggen, maar zoo, dat ik aan z’n bedoeling niet behoefde te twijfelen. Ik verliet dus m’n plaats, nam m’n weg achter om de klas heen, om niet langs m’nheer Belmans te moeten, en ging buiten de deur in de gang staan.[77]En Andries heeft niets gedaan!En Andries heeft niets gedaan!Hoe ’et verder met de zaak ging, hoef ik niet in bijzonderheden te vertellen. ’Et lukte m’nheer Belmans natuurlijk, de aanleggers te vinden. Dat die in de hoogste klas zaten, verwonderde hem ’et meest. Hij was zòo overtuigd geweest, dat jongens, die al ’n jaar of langer onder zijn voortreffelijke leiding waren, nooit tot zoo iets in staat zouën zijn, dat-i in die klas niet eens iets gevraagd had. Ik, kan hier meteen wel zeggen, dat de bovenmenschelijke strengheid van m’nheer Belmans in ’et algemeen minder uitwerking had, dan hij er zich van scheen voor te stellen. Tenminste, buiten de school. In den korten tijd, dat ik op zijn instituut geweest ben, hebben de veertig jongens daar meer gemeene streken en straatschenderijen uitgehaald dan de driehonderd van m’n vorige school in al de acht jaren. Eigenaardig voor de manier van doen van m’nheer Belmans was zeker ook, dat-i de jongens, die schuld hadden aan ’et ongeluk van ’et vrouwtje, strafte, maar minder zwaar dan Andries en mij. Heel eerlijk en rechtvaardig leek ons dit niet,[78]maar, zooals ik al gezegd heb, ’et heele voorval maakte, dat wij ons nog meer dan vroeger bij elkaar aansloten.De straf, die Andries zoo onverdiend had opgeloopen, deed ’em z’n medelijden met ’et mosselenvrouwtje toch niet vergeten. Hij kwam weer met z’n plan van ’n collecte onder de jongens op de proppen, en sprak daarover met onzen onderwijzer. Die vond dat plan prachtig, sprak er over tegen de jongens uit onze klas, beloofde er ook in de hoogste klas ’n balletje van op te gooien, en verklaarde zich bereid, ’et geld in ontvangst te nemen.Ik zelf raakte door dit plan ’n beetje in verlegenheid. Andries zei, dat-i eenvoudig thuis de zaak aan z’n vader en moeder zou vertellen, en dat die zeker wat zouën willen geven. Hij bracht dan ook den volgenden dag al vijf gulden mee. Maar wat zou ik doen? Van de scheutigheid van mijn ouërs voor onbekende mosselenvrouwtjes had ik niet veel verwachting, en met éen of twee dubbeltjes van me zelf dorst ik niet aan te komen.Den eersten keer den besten, dat ik m’n vader even te pakken kon krijgen,—ik was net thuisgekomen uit de avondschool en hij stond klaar, om uit te gaan—vroeg ik:„Vader, krijg ik van u voor m’n verjaardag ’n nieuw horloge?”M’n vader keek vreemd op.„Voor je verjaardag? Ben je dan niet in … in December jarig?”„Drie Januari, vader!”„Nou ja, precies. En we hebben nu September![79]Tegen dien tijd zijn we misschien dood en begraven!”„Ja, vader, maar ik bedoel ook eigenlijk, àls u dan van plan was, om me ’n horloge te geven .…”„Van plan? Ik ben niets van plan! Denk je, dat ik maanden van te voren over jouw verjaardag loop te piekeren. Ik heb wel andere dingen aan m’n hoofd.”Z’n portemonnaie uit z’n zak haalde ....Z’nportemonnaieuit z’n zak haalde .…„Ja, vader, maar ik wou u vragen, of u me dan nu niet vast wat geld zou willen geven.…. ’n rijksdaalder of zoo, en dan met m’n verjaardag minder.… of niets.”„Ben je gek? Waarvoor heb jij geld noodig?”Ik begon nu de geschiedenis te vertellen, tamelijk hakkelend, want na et begin van ’et gesprek met m’n vader twijfelde ik heel erg aan[80]’ngoeïenuitslag. Ik kon ook niet zeggen, dat m’n vader met bizonder veel belangstelling luisterde of erg begaan scheen met ’et vrouwtje. ’Et viel me dus nog erg mee, toen vader, voordat ik nog aan ’et eind van m’n verhaal gekomen was, z’n portemonnaie uit z’n zak haalde, ’n gulden op tafel lei en zei:„Daar dan! Maar wacht nou in ’et vervolg met je bevliegingen van liefdadigheid tot je zelf geld verdient!”En daarmee verliet-i de kamer.Met veel moeite leende ik van ons dienstmeisje drie dubbeltjes, als voorschot op m’n zakgeld; twee dubbeltjes had ik zelf nog, en zoo kon ik dus den volgenden morgen ’n daalder aan onzen onderwijzer geven. Ik denk, dat Andries ’et wel wat weinig vond, maar-i zei er gelukkig niets van. Als-i geweten had, hoeveel moeite ’et me gekost had, om dat weinige bij elkaar te krijgen, zou-i er wel anders over gedacht hebben. Maar dat vertelde ik ’em natuurlijk niet.

III.Van m’n nieuwe school, m’n nieuwen meester, m’n nieuwen vriend en ’n mosselenvrouwtje.

Op een van de eerste dagen van September stapte ik dus voor de eerste maal naar m’n nieuwe school. De afstand van m’n woning naar de Veergracht was vrij groot, maar dat was niets bizonders voor me, want ook m’n ouë school lag tamelijk ver van ons huis, al was ’et dan ook in ’n heel andere buurt.Ik was tamelijk vroeg gegaan, omdat ik bang was, dat ik misschien eerst nog zou moeten zoeken, maar dat was niet noodig. De Veergracht was niet heel lang, en ik wist, dat de school aan de stille zij moest staan. ’n Huis of vier van den hoek zag ik dan ook al ’n groot wit bord, dat langs den heelen voorgevel van ’et huis liep, en waarop met ossen van letters „Instituut Belmans” stond. Als dat bord er niet geweest was, zou je niet gedacht hebben, dat daar ’n school was, want ’et was eenvoudig ’n groot heerenhuis van drie verdiepingen, en ’et zag er precies zoo uit als de andere huizen op die gracht. Ik keek ’et ’es goed aan: er was ’n hooge stoep, voor de ramen hingen overgordijnen, en er was van buiten niets te ontdekken, dat op ’n schoollokaal leek.Ook vond ik niet, zooals bij m’n ouë school, ’n bende jongens, die tegen de deur aangedrukt stonden of daar voor aan ’et spelen waren. Ik dacht, dat ik misschien veel te vroeg gekomen was, maar net hoorde ik ’n torenklok kwart voor negenen spelen. Dan ging vroeger onze schooldeur al open. Ik drentelde[54]dus maar wat heen en weer, en nu merkte ik, dat ik toch niet de eenige scheen te zijn, die daar naar school moest. Hier en daar op de gracht liep ’n heer of ’n dame met ’n jongen van mijn leeftijd, die ook blijkbaar op iets wachtten. Langzamerhand kwamen er meer, ook wel ’n enkele jongen alleen, en als we elkaar passeerden, keken we elkaar aan, of we zeggen wilden: „Ben jij er ook een?” Maar op de drukte voor ’n gewone school leek ’et toch niemendal.’n heer of dame met ’n jongen van mijn leeftijd.’n heer of dame met ’n jongen van mijn leeftijd.Hoe dichter ’et bij negen uur werd, hoe meer de wachtenden zich bij de stoep van ’et instituut ophoopten, en ik voegde me nu ook maar bij ’et groepje groote menschen en jongens, dat daar staan bleef. Eindelijk trok een van de heeren de stoute schoenen aan, en schelde. ’Et duurde nog weer tamelijk lang, maar ten laatste werd dan toch de deur onder de stoep door ’n dienstmeisje opengedaan, die meteen weer naar achteren ging en blijkbaar verwachtte, dat we haar wel zouën volgen. Ik liet natuurlijk de groote menschen voorgaan en ging met ’n groepje van drie, vier jongens naar binnen.[55]Op dat portaal stond ’n m’nheer met ’n kaal hoofd.Op dat portaal stond ’n m’nheer met ’n kaal hoofd.We liepen ’n lange tamelijk donkere gang door, klommen ’n trap op, en kwamen toen op ’n ruim portaal, waar ’n aantal kapstokken waren, ’et eerste wat er ’n beetje schoolachtig uitzag. Op dat portaal stond ’n m’nheer met ’n kaal hoofd, dat glom als ’n spiegel, en met geen enkel haartje op z’n geheele gezicht, met ’n gouden bril op en in ’et zwart, die de dames en heeren begroette, met ieder van hen ’n paar woorden wisselde, dan den jongen, dien ze brachten, van hen overnam, en naar binnen stuurde. Er stond op dat portaal ’n deur open, en daarachter scheen dus ’et schoollokaal te zijn. De jongens, die alleen gekomen waren, hielden zich ’n beetje op den achtergrond, maar toen alle vaders en moeders weer heengegaan waren, zei de heer: „Ga jelui ook maar naar binnen, jongens.”[56]’Et lokaal, dat ik binnenstapte, was niets anders dan ’n ruime kamer, met effen blauwachtig grijs behangsel op den muur en linoleum op den vloer, met ’n schoorsteen en drie openslaande ramen, die op den tuin uitzagen. Er stonden geen gewone schoolbanken in, maar ’n soort van donkerbruin geschilderde houten lessenaars met ’n houten stoel er achter. Verder waren er ’n paar borden op ezels, en aan de wanden hingen landkaarten en schoolplaten. Over ’et geheel zag ’et er wel ’n tikje gezelliger uit dan de lokalen in ’n gewone school.Ik volgde ’et voorbeeld van de andere jongens en ging voor ’n lessenaar zitten. ’Et gaf je wel ’n gevoel van deftigheid, zoo alleen te zitten, zoo iets van ’n m’nheer, die voor z’n schrijftafel zit. Ik telde ’es, hoeveel van die dingen er stonden: er waren er twintig. Twaalf daarvan waren op dat oogenblik bezet.De heer van ’et portaal—ik begreep nu, dat ’et m’nheer Belmans zelf was—kwam binnen, en ging voor de klas staan. Zonder iets te zeggen, bleef hij ons zeker vijf minuten lang strak aankijken. Waarom, weet ik niet, want ’et was al dadelijk doodstil. Ik keek ook wederkeerig hem ’es goed aan, behalve wanneer z’n glinsterende brilleglazen precies naar mijn kant keken, want dan sloeg ik onwillekeurig m’n oogen neer. Ik kon niet zeggen, dat z’n gezicht me bizonder beviel. Aan overmaat van vriendelijkheid scheen m’nheer Belmans in elk geval niet te lijden. Maar ik kwam voor me zelf tot ’et besluit, dat zoo’n gezicht zeker bij ’n stoominrichting hoorde.Eindelijk scheen m’nheer Belmans ons lang genoeg bekeken te hebben en begon-i met ’n heel zachte[57]stem en heel langzaam te spreken. ’Et bleek nu, dat wij allemaal, zooals we daar zaten, nieuwelingen waren, en dat de school eigenlijk pas den volgenden dag zou beginnen. We werden er nadrukkelijk op gewezen, dat er op ’et instituut Belmans gewerkt moest worden, hard gewerkt, en onder deze voorwaarde werden ons de schitterendste resultaten voorspeld. We kregen verder te hooren, dat onze schooluren dezelfde zouën zijn, als waaraan we op onze ouë school gewoon waren, dus van negen tot twaalf en van twee tot vier, behalve Woensdags en Zaterdags, maar dat we bovendien elken avond van zes tot acht op school moesten komen, om ons huiswerk daar te maken. Alleen den Zaterdagavond waren we daar vrij van. Dit waren, zei m’nheer Belmans uitdrukkelijk, de gewone uren; voor jongens, die ’et noodig hadden, kwamen daar natuurlijk nog extra-uren bij. Ik raakte aan ’et peinzen over de vraag, of zulke jongens, die ’et noodig hadden, dan eigenlijk nog wel den tijd zouën hebben, om te eten en te slapen, maar ik begreep al weer, dat al zulke dingen nu eenmaal bij ’n stoominrichting hoorden.Nadat m’nheer Belmans ons op deze manier ’n beetje had voorbereid op de heerlijkheden, die ons op z’n instituut te wachten stonden, zei-i, dat-i ons nu wat werk zou opgeven, om ons voorloopig zoo’n beetje aan den tand te voelen. We kregen ieder ’n paar groote vellen papier, van dezelfde soort als ik op ’et examen had gehad, en moesten ’n opstel en vijf sommen maken, en ’n stukje in ’et Fransch vertalen. De sommen en de vertaling stonden al op den achterkant van de borden geschreven, en ’et onderwerp[58]voor ’et opstel mochten we zelf kiezen. Om twaalf uur moesten we al ’et werk inleveren.M’nheer Belmans ging op ’n stoel voor de klas zitten, nam ’n boek uit de lade en stak ’n sigaar op met ’n bandje er om. In onze lessenaars vonden we inkt en ’n penhouër, en we konden dus aan ’et werk trekken.’Et spreekt vanzelf, dat ik met ’et opstel begon. Ik vertelde ’et avontuur, dat ik ’n week geleden in Zandvoort gehad had, en voor ik ’et zelf wist, had ik een van de reusachtige vellen, die voor me lagen, aan drie kanten bijna geheel volgeschreven. Dat zou zeker wel voldoende zijn. Maar nu ’et andere werk. Zou ik daarvoor nog tijd genoeg over hebben? Ik wist er niets van, want ’n horloge had ik niet, en ’et kon even goed elf uur als tien uur wezen. Ik zag wel ’n paar jongens, die ’n horloge droegen, maar ze zaten te ver van me af, om ze wat te vragen. En zelfs toen ik even rond keek, richtte m’nheer Belmans zoo’n vertoornden blik op me, dat ik ’n gevoel kreeg, of ik me aan de vreeselijkste misdaad had schuldig gemaakt. Ik werkte dus maar weer ijverig door.Met de vijf sommen was ik gauw klaar. Dat wil zeggen, toen ik ze eenmaal gelezen had, was ik er vast van overtuigd, dat ik er geen een van maken kon. Daar was weer m’n ouë kennis: „Als ik drie en ’n zevende maal ’et geld, dat Jan zou hebben, wanneer-i twee en twee vijfde maal ’et geld, dat Piet heeft er bij kreeg, voeg bij zeven en vijf zesde keer ’et geld, dat …” en-i maakte me duizelig. En daar was weer ’n duivelachtig vat met onmogelijk veel[59]kranen op de onwaarschijnlijkste plaatsen, die allemaal op verschillende tijden werden opengezet en allemaal verschillende hoeveelheden water doorlieten.Kortom, ’et waren m’n ouë plaaggeesten, alleen nog wat onbegrijpelijker en nog wat ingewikkelder. En op ’et vel papier, dat ik voor m’n rekenwerk bestemd had, kwam alleen m’n naam te staan en No. 1, en verder bleef ’et blank.Ook de vertaling was veel te moeilijk voor me. ’Et was ’n klein verhaaltje van ’n jongen, die ging schaatsenrijden, en in ’et water valt en gered wordt, maar kou vat en ik weet niet meer welke ziekte krijgt. Er kwamen ’n aantal woorden in, die ik nooit geleerd had of althans me op dat oogenblik niet kon herinneren. Toch begon ik maar voor ’et vaderland weg te vertalen. Voor de woorden, die ik niet wist, liet ik ’n open ruimte: die mocht m’nheer Belmans invullen, als-i lust had. Ik schreef vrij vlug door, maar toch was ik pas even over de helft, toen m’nheer Belmans opstond, en tot m’n verrassing zei: „Jongens, eindigen! Je kunt nog even je werk nakijken, en dan haal ik ’et op.” Dat deed-i dan ook gauw daarna en ik stopte m’n papier met sommen—ik bedoel, waarop m’n sommen hadden moeten staan—onder de andere, en gaf ’em alles over, zonder ’em aan te kijken. Toen kregen we nog te hooren, dat we dien middag vrij waren, maar dat we den volgenden morgen om negen uur terug verwacht werden, en dat dan de school in ernst begon. En toen konden we vertrekken.In ’et portaal bleven we nog allemaal zwijgen, want m’nheer Belmans stond in de deur van ’et lokaal, en[60]keek ons aan, of we allemaal z’n doodsvijanden waren. Zelfs op de trap en in de gang waagde nog haast geen van de jongens ’n woord te fluisteren, maar op straat kwamen de tongen los. En geen wonder, we hadden in drie uur tijd letterlijk geen woord gesproken.Er vormden zich groepjes van jongens, die misschien elkaar al van vroeger kenden, en de anderen praatten mee, nu ’es hier en dan ’es daar. Er werd gesproken over m’nheer Belmans—niet heel vleiend natuurlijk—, over ’et moeilijke werk, en over de lange schooldagen, die ons boven ’et hoofd hingen. Maar dat had nog geen vijf minuten geduurd, of we werden opgeschrikt door ’n nijdig tikken tegen ’et raam van de onderste voorkamer, en toen we opkeken, zagen we ’et strenge gezicht van m’nheer Belmans tusschen de overgordijnen. Dat maakte meteen ’n eind aan ons gesprek, we namen onze petten af, en liepen door, met ’et gevoel van ’n afgeranselden hond.De meeste jongens gingen niet den kant uit, dien ik op moest, en van de drie, die dat wel deden, moesten er twee bij de brug linksaf. Er bleef er dus nog maar een over, die me gezelschap hield. Al gauw wist ik, dat-i Andries van Ulft heette, en in de Voorstraat woonde, dus tamelijk wel in mijn buurt. We spraken met elkaar over allerlei dingen, over onze vroegere school, over ’et examen voor de Burgerschool, waar-i net als ik voor gesjeesd was, en natuurlijk over onze verwachtingen van de nieuwe school en van m’nheer Belmans, van wien-i me nog wist te vertellen, dat de jongens ’em altijd „de ouë”[61]noemden. Dat had-i van ’n jongen gehoord, die daar al langer op school was, en dien-i kende. We konden heel goed met elkaar opschieten, en toen-i bij de Voorstraat van me wegging en ik ’et laatste stukje van m’n weg alleen vervolgde, dacht ik bij me zelf, dat ik ’et ’n aardigen jongen vond, en dat ik hoopte, dat we vriendjes zouën worden.Vriendjes! Die had ik eigenlijk nog nooit gehad. Of ik had er vijftig gehad, zooals je ’et nemen wilt. Nu ’es had ik met dien, dan weer met ’n anderen jongen wat drukker omgegaan, dan met de overige jongens uit m’n klas, en ik was ook wel ’es ’n enkele maal bij deez’ of genen aan huis geweest om te spelen. Maar omdat ik ze nooit weerom vragen mocht, bleef dat altijd bij een of twee keer, en zonder dat ik eigenlijk met iemand ruzie kreeg, raakte zoo’n vriendschap altijd weer gauw uit. En ik moet er bij zeggen, dat ’et me niet veel schelen kon. Jongens om mee te spelen of mee te praten kon ik altijd wel vinden. En dat ’et heerlijk was, om iemand te hebben, aan wien je alles kon vertellen, waar je over dacht, ook de dingen, die je niet zoo aan iedereen zou willen zeggen, iemand, die je beklaagde, als je verdriet had, en zich verheugde, als je ’es ergens heel blij mee was, dat wist ik niet.Van alles, wat ik thuis vertelde van m’n eersten morgen op ’et instituut Belmans, had ’et feit, dat ik daar elken avond van zessen tot achten terug moest komen, om m’n huiswerk te maken, de meeste belangstelling. M’n moeder verwachtte er meer rust voor zich zelf van, en m’n vader zei: „Zie je wel, op die school wordt gewèrkt.” Alleen zou ’et lastig[62]worden met ’et middageten. Vader kon niet voor half zeven thuis zijn, en ik kon dus in ’et vervolg niet tegelijk met m’n ouërs eten. Na achten was wat laat, en er werd dus besloten, dat ik vooraf zou eten, om ’n uur of vijf. Voordeel had ik bij die nieuwe regeling niet, want ’et werd nu gewoonlijk zoo ingericht, dat er elken dag ’n behoorlijke portie eten overbleef, die dan den volgenden dag voor mij werd opgewarmd. Alleen Zaterdags en Zondags at ik voortaan gelijk met de anderen, en ik zag m’n vader nu nog minder dan vroeger, soms zelfs dagen achtereen in ’et geheel niet.Toen ik den volgenden morgen tegen negen uur op de Veergracht kwam, waren er wel wat meer jongens dan den vorigen dag, maar zoo druk als bij ’n gewone school was ’et toch lang niet. En dat was geen wonder. Op m’n vorige school waren ’n driehonderd jongens geweest en hier waren er in ’et geheel ’n dikke veertig. ’Et scheen hier ook geen gewoonte te zijn, de deur om kwart voor negenen open te zetten; éen of twee minuten voor den tijd werden we pas binnengelaten.Ik had natuurlijk naar Andries uitgekeken, maar ’em nergens gezien. Net op ’et oogenblik, dat ik naar binnen wou gaan, kwam-i aanloopen. Ik ging ’em tegemoet, en-i vertelde me, dat-i bij den hoek van de Voorstraat ’n tijdje op me gewacht had, en dat ’et daardoor ’n beetje laat was geworden. Ik zei, dat ’et me speet, dat ik ’et niet geweten had, en dat ik ’et erg aardig van ’em vond. In ’t vervolg zou ik ook op hem wachten. Dat was afgesproken en we gingen samen in school.[63]We kwamen weer in ’etzelfde lokaal te zitten, waar we den vorigen dag geweest waren, maar er zaten nu vier jongens meer. Die waren al vroeger daar op school geweest, en niet verhoogd geworden. Een van de vier had zelfs al twee jaar in diezelfde klas gezeten, ’n groote, forsche jongen van zeventien jaar, met lang zwart haar en al ’n klein snorretje, en met ’n gouden ring met ’n grooten zwarten steen aan z’n pink, in mijn oog al haast ’n m’nheer. Ik begon dus te begrijpen, dat zelfs ’n stoominrichting niet altijd z’n doel bereikte, vooral toen ik later merkte, hoe ongelooflijk dom die jongen met z’n ring was. Ik had alle reden om heelemaal niet trotsch te zijn op m’n eigen knapheid, maar bij dien jongen vergeleken was ik ’n kraan.In plaats van m’nheer Belmans kregen we als onderwijzer ’n m’nheer, die veel jonger was en er ook niet zoo onvriendelijk uitzag. Toch was ook hij tamelijk strak en streng en op geen stukken na ’n Meester Lindeman. We kregen van hem les in alle vakken, die daar op school onderwezen werden, behalve in ’et Fransch. Daarvoor kwam m’nheer Belmans zelf elken dag ’n uur. Andere onderwijzers had onze klas niet, want aan gymnastiek, zingen en teekenen deden we niet.Wat nu de manier aangaat, waarop we op ’et instituut Belmans onderwijs kregen, die verschilde niet zoo heel erg van wat ik ’et laatste jaar op school gewend was. Maar toch wel ’n beetje. In de eerste plaats maakte de meester daar zich veel drukker, om ons de dingen uit te leggen, om ons duidelijk te maken, waarom je zoo en niet anders doen moest.[64]’Et was niet genoeg, dat je wistthree-fifths colon two-sevenths equals three-fifths times seven-halvesof de inhoud is lengte maal breedte maal hoogte, maar je moest dat ook kunnen verklaren. Hier leerde je alleen ’et kunstje, en verder werd er geen woord over vuil gemaakt. ’Et zal wel niet met alle jongens ’etzelfde geweest zijn, maar mij leek de laatste manier veel beter. Hoe langer ’n uitlegging duurde en hoe vaker ’n verklaring herhaald werd, hoe onduidelijker de zaak voor me werd, zoodat ik me ten slotte bij de toepassing van ’et kunstje zelf telkens vergiste.Verder moesten we veel meer schriftelijk werk maken dan vroeger, thema’s, sommen en taaloefeningen, zooveel, dat ik vooral in ’et begin kramp in m’n vingers kreeg, wat ik vóór dien tijd nooit gehad had. Op m’n vorige school waren alle jongens altijd even ver, maar hier liet men ieder zoo hard vooruitkomen als-i kon, en we waren nog geen veertien dagen op school, of de vlugste rekenaar was mij bij voorbeeld ’n goeïe honderd sommen voor, en zat ik nog op thema twaalf te zweeten, terwijl Andries nummer achtendertig inleverde.’Et grootste verschil tusschen vroeger en nu zat em natuurlijk wel daarin, dat we ’s avonds van zessen tot achten op school moesten komen, om daar lessen te leeren en werk te maken, wat we anders als huiswerk meegekregen zouën hebben. Ik had daartegen eigenlijk ’et meest opgezien, en dat ’et ’n pretje was, om daar nog die twee extra-uren op school te zitten, vooral op mooie herfst- of zomeravonden, wil ik dan ook niet zeggen. Maar toch, ’et had ook z’n goeïe zij. Als je nu eindelijk naar huis ging, dan was je[65]tenminste van al den schoolrommel heelemaal af. Je hoefde niet onder ’et spelen of ’et lezen van ’n mooi boek telkens te denken aan ’n rist jaartallen, die je er voor den volgenden dag nog in moest pompen, of aan ’n reusachtige vormsom, die je nog te maken had, en waarvan je zoo goed als zeker vooruit wist, dat jij er zooiets vanStartFraction 1295368735 Over 49028362183 EndFractionuit zou krijgen, terwijl de meester beweerd had, dat ’et antwoord ’n „mooi” getal was. Ook kon je onder ’et werk af en toe ’es iets aan den onderwijzer vragen, wat vooral voor mij, die thuis nooit op eenige hulp had kunnen rekenen, ’n groote verbetering was.Toch zou ik met m’n nieuwe school zeker niet half zoo ingenomen geweest zijn, als ik daardoor Andries niet had leeren kennen. Wat ik den eersten dag den besten gehoopt had, gebeurde: we wèrden vriendjes. Andries was wel in dezelfde stad geboren als ik, maar had ’n jaar of vijf met z’n ouërs in Rotterdam gewoond. Daar had hij dus ook school gegaan. Maar nu waren z’n ouërs weer uit Rotterdam vertrokken, en daarom had-i ook examen gedaan voor dezelfde Burgerschool als ik. Hij had dus ook geen vriendjes, en zoo sloten we ons bij elkaar aan. In de eerste weken gingen we alleen geregeld samen naar school en weer naar huis, maar ’et duurde niet lang, of ik maakte ook kennis met z’n ouërs. Vóór ik je echter meer van onzen omgang vertel en van alles, wat ik daaraan te danken had, wil ik je iets zeggen van ’n voorval, dat vrij kort na onze komst op school plaats had, en dat er veel toe heeft bijgedragen om ons tweetjes aan elkaar te binden.Ik heb, meen ik, al gezegd, dat ’et instituut[66]Belmans aan de stille zij van de Veergracht stond. Er was werkelijk ’n kolossaal verschil in drukte tusschen de twee kanten van die gracht. De lokalen, waarin op onze school les gegeven werd, lagen alle aan den tuinkant, maar al was dat niet ’et geval geweest, van ’et leven op onze gracht zouën we niet veel hinder gehad hebben. Maar aan den overkant zag ’et er heel anders uit. Daar waren ’n stuk of wat kantoren van stoombootdiensten voor ’et vervoer van goederen naar allerlei plaatsen. Enkele van die kantoren werden gehouën in kleine houten huisjes, die aan den waterkant stonden, andere in kelders of benedenhuizen. Den heelen dag was ’et daar ’n gerij van wagens en karren, die goederen kwamen brengen en halen. Aan den waterkant stond ’et altijd vol met kisten en pakken en doozen; daar lagen ijzeren staven naast potten met bloemen, manden met flesschen wijn naast[67]zakken meel, stapels baksteenen naast piramides van kazen. Daar stond soms ’n heele verhuisboel tusschen in, en ook wel koeien en bokken en kippen. En daar waren eeuwig mannen aan ’et sjouwen en hijschen, aan ’et rollen van vaten en ’et duwen van handkarren, en als ’et twee weken achter elkaar niet geregend had, was die kant van de Veergracht nòg vuil en modderig.Den heelen dag was ’et daar ’n gerij van wagens en karren.Den heelen dag was ’et daar ’n gerij van wagens en karren.Dan stonden er ook nog ’n paar pakhuizen op die gracht, waar wel niet elken dag, maar toch van tijd tot tijd alweer zakken en kisten uit- of ingeheschen werden, en eindelijk was er ’n groote fabriek, waar zeker wel ’n paar honderd mannen en jongens werkten. Die fabriek gaf alleen maar drukte bij ’et aan- en uitgaan, maar op die oogenblikken was de gracht dan ook zoo vol, dat iemand, die daar niet bekend was, zou gedacht hebben, dat de koning in de stad was of dat er ’n huis in brand stond.Nu zat er iederen dag op den hoek van die drukke gracht, pal bij de brug, ’n oud vrouwtje, dat mosselen en haring verkocht. Hoe vroeg ze daar verscheen, weet ik niet, maar als we ’s morgens naar school gingen, zat ze er, en ook om twaalf en om twee uur. Alleen als om vier uur de school uitging, zagen we haar niet, maar tegen zes uur kwam ze weer opdagen. Als ik ’s avonds wat vroeg bij school was en nog wat rondslenterde, had ik wel ’es gezien, dat haar stalletje werd opgeslagen. Er was dan ’n man bij, zeker ’er zoon, die de handkar duwde, waar haar koopwaar en alles, wat ze verder noodig had, in lag: ’n paar planken, ’n matten stoel, ’n groote ijzeren pot, enz. De man hielp ’er, om den boel in elkaar[68]te zetten, en als dat gedaan was en zij rustig op ’er stoel achter ’et stalletje zat, ging hij weer heen. Om zes uur ging altijd de fabriek uit, en dat zal wel de reden geweest zijn, waarom ’et mosselenvrouwtje zorgde, dat ze tegen dien tijd weer op ’er post was. Of ze over ’et algemeen goeïe zaken deed, kan ik niet zeggen, want daarvoor heb ik er te weinig op gelet. Maar ik zou ’et wel denken, want ’n punt, waar meer menschen van de haring- en mosselenetende soort bij elkaar waren, zou er in de heele stad moeilijk te vinden geweest zijn.... jongens van ons zagen staan, die ergens naar schenen te kijken.… jongens van ons zagen staan, die ergens naar schenen te kijken.We zullen ’n dag of veertien op school geweest zijn, toen Andries en ik ’n paar minuten voor zessen den hoek omsloegen van onze schoolgracht, en we op de brug ’n troep jongens van ons zagen staan, die ergens naar schenen te kijken. Er waren ook jongens van onze klas bij, en een, die ons in de gaten kreeg, riep: „Hallo, kom ’es hier?” We liepen de brug op, en kregen nu van allerlei kanten te gelijk te hooren,[69]wat er aan de hand was. ’n Paar jongens zouën ’n mop uithalen, nee maar, ’n reuzemop. Ze hadden ’n lang, stevig touw mee gebracht, en nu zouën ze ’et eene eind daarvan probeeren vast te maken aan ’et mosselenstalletje, en dan ’et andere achter aan ’n kar of rijtuig vastbinden. Als dan de kar voortging, nam-i ’et stalletje op sleeptouw, en de mop was gelukt. ’n Paar andere jongens waren meegegaan, om haring of mosselen te gaan eten en daardoor de aandacht van ’et vrouwtje af te leiden. Toen ik keek, zag ik dan ook vier of vijf jongens, waaronder ook den grooten jongen met z’n gouden ring uit onze klas, vóor ’et stalletje staan, maar veel meer konden we te midden van ’et gewoel, dat er bij den hoek van de Veergracht heerschte, niet onderscheiden. We hadden er ook geen tijd toe. De torenklok begon te spelen, en op ’etzelfde oogenblik ontstond er ’n opschudding op de plek, waarheen al onze oogen gericht waren. We hoorden gillen, schreeuwen, zagen jongens weghollen, en zonder eigenlijk goed gezien te hebben, wat er gebeurd was, vlogen we de brug af en de gracht op naar onze school.Ik was uit al m’n macht meegerend, zonder op Andries te letten, en eerst toen ik hijgende voor m’n lessenaar zat, merkte ik, dat hij er nog niet was. Ik begreep dat niet recht, want hij kon harder loopen dan ik. ’Et duurde intusschen niet heel lang, of-i kwam binnen. ’s Avonds werd ’et op school niet zoo heel precies met den tijd genomen, en ’et liep dan ook zonder standje voor ’em af. Maar ik zag aan z’n gezicht, dat-i niet heelemaal in z’n gewone doen was; ’et stond lang zoo vroolijk niet als anders. Graag[70]zou ik even ’n praatje met ’em gemaakt hebben, maar dat ging niet, want we zaten tamelijk ver van elkaar. Ik keek later nog ’n paar maal naar hem, en telkens vond ik, dat-i bizonder ernstig keek.De avond ging verder voorbij als altijd. Ik had half en half verwacht, dat er iemand bij m’nheer Belmans zou zijn gekomen, om zich te beklagen over den streek, dien onze jongens uitgehaald hadden. Maar dat scheen niet gebeurd te zijn, althans wij hoorden van niets. ’Et eenige bizondere, wat er gebeurde, was, dat de groote jongen met z’n ring—z’n naam was Walraven—misselijk werd. Hij moest ’n paar maal de klas uitgaan, zag zoo wit als ’n doek, en kreeg eindelijk verlof, om maar naar huis te gaan. Ik denk, dat-i er niet aan gewend was, om na ’et middageten ’n portie mosselen of ’n paar mootjes haring aan ’n stalletje als dessert te gebruiken, en dat z’n maag er niet tegen kon. Maar in m’n hart gunde ik ’em z’n misselijkheid, want ik vond ’et ’n naren jongen.Ik verlangde dien avond nog wat harder naar ’et einde van den schooltijd als gewoonlijk, want ik was nieuwsgierig, om van Andries te hooren, waarom-i zoo laat gekomen was. Ik vermoedde natuurlijk wel, dat-i nog even naar den overkant van de gracht geloopen was, om te kijken, hoe ’et geval daar was afgeloopen. Nu, dat was ook zoo. Toen de school uitging, liepen we eerst nog even met de meeste andere jongens mee de brug op, om te kijken, of er nog wat bijzonders te zien was. Maar dat was niet ’et geval. De gracht was tamelijk stil, en ’et plekje van ’et mosselenvrouwtje was leeg. De jongens praatten[71]en lachten onder elkaar nog wel ’n oogenblikje over ’et gebeurde, en er waren er ook wel, die beweerden dat ze gezien hadden, dat de kar ’et stalletje ’n heel eind voortgesleept had, maar ik geloof, dat ze zich dat maar verbeeldden. Andries zei niets, en weldra sloegen wij met ons tweetjes den weg naar huis in.Onderweg kwam z’n tong los. Toen hij naar de plaats van de opschudding was toegehold, had-i zich eerst door ’n kluw van menschen en karren en kisten moeten heen wringen, en dat was ’em niet eens heelemaal gelukt. Maar toch had-i genoeg gezien en gehoord, om er uit op te maken, hoe ’et gegaan was. De kar had werkelijk ’et stalletje ’n eindje meegetrokken, maar de voerman had onraad gemerkt en al gauw stil gehouden. Er zouën dus wel wat mosselen en ’n stuk of wat mootjes haring op de straatsteenen terecht zijn gekomen, en misschien ’n paar bordjes en kommetjes en flesschen gebroken zijn, maar dat zou toch wel niet zoo heel erg zijn. Maar ’et vrouwtje, dat daar plotseling ’er stalletje op den loop had zien gaan, was van den schrik, of misschien omdat ze er met ’er armen op geleund had, voorover van ’er stoel gevallen. Of ze zich erg bezeerd had, wist Andries niet, want hij was er niet dicht genoeg bij kunnen komen, en-i had ook niet langer durven blijven.We hoopten allebei, dat ’et zonder groot ongeluk afgeloopen was, en waren ’et er over eens, dat ’et eigenlijk ’n flauwe, gemeene streek van de jongens was geweest. Ik moet eerlijk bekennen, dat ’et door de manier, waarop Andries over de zaak sprak, eerst goed tot me doordrong, hoe laf en verkeerd ’n dergelijke grap eigenlijk was. Ik durf wel van mezelf te[72]verzekeren, dat ik nooit zoo iets op touw zou hebben gezet, maar ik weet niet zoo vast, of ik niet meegedaan zou hebben, als andere jongens ’et me gevraagd hadden. En er om gelachen had ik zeker wel. Niet omdat ik gewoon was, om ’et verdriet van ’n ander verheugd te zijn, maar omdat ik er niet aan dacht, dat die ander leed hàd. Maar alles, wat Andries dien avond over dat mosselenvrouwtje zei, klonk zoo hartelijk, dat ik me inwendig ’n beetje schaamde, dat ’et gebeurde mij zelf eerst zoo koel had gelaten. En toen ik afscheid van m’n vriendje genomen had, dacht ik bij mezelf: „ik vind je ’n aardigen jongen en ’n goeïen jongen”.Toen we den volgenden morgen bij de brug over de Veergracht kwamen, zochten onze oogen dadelijk de plek, waar ’et mosselenvrouwtje altijd te vinden was. Zij was er niet. We hoefden daaruit nog wel niet af te leiden, dat ze den vorigen dag ’n ongeluk gekregen had, maar ’et maakte ons toch ongerust. We hadden zoo gehoopt, ’er weer op ’er post te vinden. Andries had zelfs voorgesteld, dat we aan ’er stalletje ’n portie mosselen zouën gaan eten, als ’n soort van vergoeding. Toen ik zei, dat ik nog nooit mosselen geproefd had en niet wist, of ik ze lusten zou, zei Andries: „Ik ook niet, maar dan doen we maar net, of we er een eten, en we laten de rest staan.” Hij was zelfs van plan, om al de jongens ’etzelfde te vragen, en had gehoopt, ’et vrouwtje op die manier ’n reuzenklandizie te bezorgen. Maar dat viel nu allemaal in ’et water.... op school geweest om zich te beklagen.… op school geweest om zich te beklagen.Toen m’nheer Belmans dien morgen onze klas binnenstapte, om als gewoonlijk z’n Fransche les te[73]geven, stond z’n gezicht nog barscher en onvriendelijker dan anders. Nog langer dan anders keek-i ons strak aan, zonder ’n woord te zeggen. Ik heb wel ’es gehoord, dat ’n slang ’n vogeltje, dat-i verslinden wil, zóó weet aan te kijken, dat ’et arme diertje niet in staat is, om weg te vliegen, maar stijf van schrik blijft zitten. Wij jongens voelden ons, dunkt me, eenigszins als zoo’n vogeltje, als de oogen van m’nheer Belmans achter z’n glinsterende brilleglazen op ons gericht waren. Nog vóór-i den mond had open gedaan, waren we er allemaal van overtuigd, dat-i van de zaak af wist. En dat was ook zoo. ’Et bleek, dat de zoon van ’et mosselenvrouwtje nog den vorigen avond op school geweest was, om zich te beklagen. Z’n moeder had bij haar val ’n arm gebroken, en lag nu in et gasthuis. Van menschen, die bij ’et ongeval tegenwoordig waren geweest, had-i gehoord, dat ze ’n troep jongens hard hadden zien[74]wegloopen, en dat die jongens op onze school gingen.Nadat m’nheer Belmans ons dit alles op z’n gewone afgemeten manier en met z’n gewone zachte stem had medegedeeld, vroeg-i: „Wie van jelui weet me van ’et gebeurde iets te vertellen?” Zooals ’et gewoonlijk bij zoo’n algemeene vraag gaat, de heele klas bleef zwijgen. De brilleglazen van m’nheer Belmans flikkerden sterker dan ooit, maar niemand stak ’n vinger op. Nu geloof ik vast, dat de meeste jongens wèl geantwoord zouën hebben, als m’nheer ze afzonderlijk gevraagd had, of ze er iets van wisten, vooral omdat de eigenlijke aanleggers niet bij ons in de klas zaten. Maar m’nheer Belmans was er de man niet naar, om te dulden, dat ’n vraag van hem onbeantwoord bleef. Hij herhaalde z’n vraag dus zelfs niet, maar zei na ’n doodsche stilte van minstens vijf minuten alleen nog: „Dan weet ik, wat me te doen staat”. En daarna begon-i gewoon met de les, en liet ons om twaalf uur naar huis gaan, alsof er niets bizonders aan de hand was.Op straat werden natuurlijk de hoofden bij elkaar gestoken, en klonk van tien kanten tegelijk de vraag: „Wat zou de ouë doen?” Ja, dat wist niemand. Walraven, die van z’n misselijkheid genezen was, en van ons allen de meeste reden had, om zich bezorgd te maken, schreeuwde ’n paar maal: „Als jelui je mond maar houdt!” Wat ons ’et meeste verwonderde, was, dat we van ’n paar jongens uit de hoogste klas hoorden, dat m’nheer Belmans daar geen woord van de zaak gerept had. Daar snapten we niets van.Onderweg spraken Andries en ik weer over niets anders. We hadden allebei erg te doen met ’et arme[75]vrouwtje. Die gebroken arm zou wel weer in orde komen, meenden we, maar ’n week of zes duurde zoo’n geschiedenis toch wel, en al dien tijd zou ze geen cent verdienen. Andries was ’et eigenlijk weer, die van dat laatste sprak, want daaraan zou ik niet gedacht hebben, en-i maakte meteen al plannen, om onder de jongens ’n collecte te houën en zoo geld bij elkaar te krijgen voor ’n schadevergoeding. Ik praatte maar mee, al dacht ik bij me zelf, dat van mijn kant voor die collecte niet veel te verwachten was. Niet, dat ik geen medelijden met de stumper had, of bizonder gierig van aard was, maar ik kreeg van m’n vader ’n dubbeltje zakgeld in de week, en daarvan zou ’et vrouwtje niet vet soppen.We waren dien middag op school pas met ons werk begonnen, toen m’nheer Belmans de deur van onze klas opendeed, en ’n man in ’n witte kiel met ’n pet op binnenliet. We keken allemaal verwonderd op, behalve onze onderwijzer, die al van de zaak scheen te weten, en ons dadelijk liet ophouën met werken. M’nheer Belmans zei geen woord, en de vreemde man, die ’n rood gezicht, ’n rooie snor en ’n paar rooïe bakkebaarden had, ging midden voor de klas staan, en keek alle jongens éen voor éen strak aan. Maar ’et duurde niet lang, of-i stapte regelrecht op Andries aan, tikte ’n paar maal met ’n korten, dikken wijsvinger midden op z’n borst, draaide zich om naar m’nheer Belmans en zei: „Dien jongeheer heb ik gisteren zien wegloopen.” M’nheer Belmans vertrok geen spier van z’n gezicht, zei alleen: „ik dank u”, en liet den man heen gaan.Daarna keerde hij zich naar Andries en vroeg:[76]„Van Ulft, ben jij gisteren avond aan de overzij geweest?”„Ja, m’nheer!”„Dus jij wist wèl, wat er gebeurd was?”„Ja, m’nheer!”„Dus jij hebt gelògen!”„Ja, m’nheer, maar .…”„Zwijg! Jij krijgt in de eerste plaats voor je liegen ’n strenge straf! En vertel nu alles, wat je weet!”Nu had ik van ’et oogenblik af, dat de man Andries aanwees, al op heete kolen gezeten. ’Et leek me verschrikkelijk onrechtvaardig, dat de jongen, die van allemaal misschien ’et minst in staat was, om zoo’n grap uit te halen, en die zooveel medelijden met ’et mosselenvrouwtje getoond had, nu als een van de hoofdschuldigen zou aangezien worden. En toen ik nu van ’n strenge straf voor hem hoorde spreken, werd ’et me te machtig. Ik vergat m’n angst voor de flikkerende brilleglazen en de ijzige kalmte van m’nheer Belmans, en riep nog vóor Andries op z’n laatste vraag kon antwoorden:„We weten er allemaal van! We hebben ’et allemaal gezien! En Andries heeft niets gedaan!”Nooit zal ik ’et gezicht van m’nheer Belmans vergeten! Als ’et heele plafond naar beneden gekomen was, had-i er onmogelijk met meer ontzetting naar kunnen kijken als nu naar mij. Hij werd eerst bleek, toen rood, strekte toen den arm uit en wees naar de deur, zonder ’n woord te zeggen, maar zoo, dat ik aan z’n bedoeling niet behoefde te twijfelen. Ik verliet dus m’n plaats, nam m’n weg achter om de klas heen, om niet langs m’nheer Belmans te moeten, en ging buiten de deur in de gang staan.[77]En Andries heeft niets gedaan!En Andries heeft niets gedaan!Hoe ’et verder met de zaak ging, hoef ik niet in bijzonderheden te vertellen. ’Et lukte m’nheer Belmans natuurlijk, de aanleggers te vinden. Dat die in de hoogste klas zaten, verwonderde hem ’et meest. Hij was zòo overtuigd geweest, dat jongens, die al ’n jaar of langer onder zijn voortreffelijke leiding waren, nooit tot zoo iets in staat zouën zijn, dat-i in die klas niet eens iets gevraagd had. Ik, kan hier meteen wel zeggen, dat de bovenmenschelijke strengheid van m’nheer Belmans in ’et algemeen minder uitwerking had, dan hij er zich van scheen voor te stellen. Tenminste, buiten de school. In den korten tijd, dat ik op zijn instituut geweest ben, hebben de veertig jongens daar meer gemeene streken en straatschenderijen uitgehaald dan de driehonderd van m’n vorige school in al de acht jaren. Eigenaardig voor de manier van doen van m’nheer Belmans was zeker ook, dat-i de jongens, die schuld hadden aan ’et ongeluk van ’et vrouwtje, strafte, maar minder zwaar dan Andries en mij. Heel eerlijk en rechtvaardig leek ons dit niet,[78]maar, zooals ik al gezegd heb, ’et heele voorval maakte, dat wij ons nog meer dan vroeger bij elkaar aansloten.De straf, die Andries zoo onverdiend had opgeloopen, deed ’em z’n medelijden met ’et mosselenvrouwtje toch niet vergeten. Hij kwam weer met z’n plan van ’n collecte onder de jongens op de proppen, en sprak daarover met onzen onderwijzer. Die vond dat plan prachtig, sprak er over tegen de jongens uit onze klas, beloofde er ook in de hoogste klas ’n balletje van op te gooien, en verklaarde zich bereid, ’et geld in ontvangst te nemen.Ik zelf raakte door dit plan ’n beetje in verlegenheid. Andries zei, dat-i eenvoudig thuis de zaak aan z’n vader en moeder zou vertellen, en dat die zeker wat zouën willen geven. Hij bracht dan ook den volgenden dag al vijf gulden mee. Maar wat zou ik doen? Van de scheutigheid van mijn ouërs voor onbekende mosselenvrouwtjes had ik niet veel verwachting, en met éen of twee dubbeltjes van me zelf dorst ik niet aan te komen.Den eersten keer den besten, dat ik m’n vader even te pakken kon krijgen,—ik was net thuisgekomen uit de avondschool en hij stond klaar, om uit te gaan—vroeg ik:„Vader, krijg ik van u voor m’n verjaardag ’n nieuw horloge?”M’n vader keek vreemd op.„Voor je verjaardag? Ben je dan niet in … in December jarig?”„Drie Januari, vader!”„Nou ja, precies. En we hebben nu September![79]Tegen dien tijd zijn we misschien dood en begraven!”„Ja, vader, maar ik bedoel ook eigenlijk, àls u dan van plan was, om me ’n horloge te geven .…”„Van plan? Ik ben niets van plan! Denk je, dat ik maanden van te voren over jouw verjaardag loop te piekeren. Ik heb wel andere dingen aan m’n hoofd.”Z’n portemonnaie uit z’n zak haalde ....Z’nportemonnaieuit z’n zak haalde .…„Ja, vader, maar ik wou u vragen, of u me dan nu niet vast wat geld zou willen geven.…. ’n rijksdaalder of zoo, en dan met m’n verjaardag minder.… of niets.”„Ben je gek? Waarvoor heb jij geld noodig?”Ik begon nu de geschiedenis te vertellen, tamelijk hakkelend, want na et begin van ’et gesprek met m’n vader twijfelde ik heel erg aan[80]’ngoeïenuitslag. Ik kon ook niet zeggen, dat m’n vader met bizonder veel belangstelling luisterde of erg begaan scheen met ’et vrouwtje. ’Et viel me dus nog erg mee, toen vader, voordat ik nog aan ’et eind van m’n verhaal gekomen was, z’n portemonnaie uit z’n zak haalde, ’n gulden op tafel lei en zei:„Daar dan! Maar wacht nou in ’et vervolg met je bevliegingen van liefdadigheid tot je zelf geld verdient!”En daarmee verliet-i de kamer.Met veel moeite leende ik van ons dienstmeisje drie dubbeltjes, als voorschot op m’n zakgeld; twee dubbeltjes had ik zelf nog, en zoo kon ik dus den volgenden morgen ’n daalder aan onzen onderwijzer geven. Ik denk, dat Andries ’et wel wat weinig vond, maar-i zei er gelukkig niets van. Als-i geweten had, hoeveel moeite ’et me gekost had, om dat weinige bij elkaar te krijgen, zou-i er wel anders over gedacht hebben. Maar dat vertelde ik ’em natuurlijk niet.

Op een van de eerste dagen van September stapte ik dus voor de eerste maal naar m’n nieuwe school. De afstand van m’n woning naar de Veergracht was vrij groot, maar dat was niets bizonders voor me, want ook m’n ouë school lag tamelijk ver van ons huis, al was ’et dan ook in ’n heel andere buurt.

Ik was tamelijk vroeg gegaan, omdat ik bang was, dat ik misschien eerst nog zou moeten zoeken, maar dat was niet noodig. De Veergracht was niet heel lang, en ik wist, dat de school aan de stille zij moest staan. ’n Huis of vier van den hoek zag ik dan ook al ’n groot wit bord, dat langs den heelen voorgevel van ’et huis liep, en waarop met ossen van letters „Instituut Belmans” stond. Als dat bord er niet geweest was, zou je niet gedacht hebben, dat daar ’n school was, want ’et was eenvoudig ’n groot heerenhuis van drie verdiepingen, en ’et zag er precies zoo uit als de andere huizen op die gracht. Ik keek ’et ’es goed aan: er was ’n hooge stoep, voor de ramen hingen overgordijnen, en er was van buiten niets te ontdekken, dat op ’n schoollokaal leek.

Ook vond ik niet, zooals bij m’n ouë school, ’n bende jongens, die tegen de deur aangedrukt stonden of daar voor aan ’et spelen waren. Ik dacht, dat ik misschien veel te vroeg gekomen was, maar net hoorde ik ’n torenklok kwart voor negenen spelen. Dan ging vroeger onze schooldeur al open. Ik drentelde[54]dus maar wat heen en weer, en nu merkte ik, dat ik toch niet de eenige scheen te zijn, die daar naar school moest. Hier en daar op de gracht liep ’n heer of ’n dame met ’n jongen van mijn leeftijd, die ook blijkbaar op iets wachtten. Langzamerhand kwamen er meer, ook wel ’n enkele jongen alleen, en als we elkaar passeerden, keken we elkaar aan, of we zeggen wilden: „Ben jij er ook een?” Maar op de drukte voor ’n gewone school leek ’et toch niemendal.

’n heer of dame met ’n jongen van mijn leeftijd.’n heer of dame met ’n jongen van mijn leeftijd.

’n heer of dame met ’n jongen van mijn leeftijd.

Hoe dichter ’et bij negen uur werd, hoe meer de wachtenden zich bij de stoep van ’et instituut ophoopten, en ik voegde me nu ook maar bij ’et groepje groote menschen en jongens, dat daar staan bleef. Eindelijk trok een van de heeren de stoute schoenen aan, en schelde. ’Et duurde nog weer tamelijk lang, maar ten laatste werd dan toch de deur onder de stoep door ’n dienstmeisje opengedaan, die meteen weer naar achteren ging en blijkbaar verwachtte, dat we haar wel zouën volgen. Ik liet natuurlijk de groote menschen voorgaan en ging met ’n groepje van drie, vier jongens naar binnen.[55]

Op dat portaal stond ’n m’nheer met ’n kaal hoofd.Op dat portaal stond ’n m’nheer met ’n kaal hoofd.

Op dat portaal stond ’n m’nheer met ’n kaal hoofd.

We liepen ’n lange tamelijk donkere gang door, klommen ’n trap op, en kwamen toen op ’n ruim portaal, waar ’n aantal kapstokken waren, ’et eerste wat er ’n beetje schoolachtig uitzag. Op dat portaal stond ’n m’nheer met ’n kaal hoofd, dat glom als ’n spiegel, en met geen enkel haartje op z’n geheele gezicht, met ’n gouden bril op en in ’et zwart, die de dames en heeren begroette, met ieder van hen ’n paar woorden wisselde, dan den jongen, dien ze brachten, van hen overnam, en naar binnen stuurde. Er stond op dat portaal ’n deur open, en daarachter scheen dus ’et schoollokaal te zijn. De jongens, die alleen gekomen waren, hielden zich ’n beetje op den achtergrond, maar toen alle vaders en moeders weer heengegaan waren, zei de heer: „Ga jelui ook maar naar binnen, jongens.”[56]

’Et lokaal, dat ik binnenstapte, was niets anders dan ’n ruime kamer, met effen blauwachtig grijs behangsel op den muur en linoleum op den vloer, met ’n schoorsteen en drie openslaande ramen, die op den tuin uitzagen. Er stonden geen gewone schoolbanken in, maar ’n soort van donkerbruin geschilderde houten lessenaars met ’n houten stoel er achter. Verder waren er ’n paar borden op ezels, en aan de wanden hingen landkaarten en schoolplaten. Over ’et geheel zag ’et er wel ’n tikje gezelliger uit dan de lokalen in ’n gewone school.

Ik volgde ’et voorbeeld van de andere jongens en ging voor ’n lessenaar zitten. ’Et gaf je wel ’n gevoel van deftigheid, zoo alleen te zitten, zoo iets van ’n m’nheer, die voor z’n schrijftafel zit. Ik telde ’es, hoeveel van die dingen er stonden: er waren er twintig. Twaalf daarvan waren op dat oogenblik bezet.

De heer van ’et portaal—ik begreep nu, dat ’et m’nheer Belmans zelf was—kwam binnen, en ging voor de klas staan. Zonder iets te zeggen, bleef hij ons zeker vijf minuten lang strak aankijken. Waarom, weet ik niet, want ’et was al dadelijk doodstil. Ik keek ook wederkeerig hem ’es goed aan, behalve wanneer z’n glinsterende brilleglazen precies naar mijn kant keken, want dan sloeg ik onwillekeurig m’n oogen neer. Ik kon niet zeggen, dat z’n gezicht me bizonder beviel. Aan overmaat van vriendelijkheid scheen m’nheer Belmans in elk geval niet te lijden. Maar ik kwam voor me zelf tot ’et besluit, dat zoo’n gezicht zeker bij ’n stoominrichting hoorde.

Eindelijk scheen m’nheer Belmans ons lang genoeg bekeken te hebben en begon-i met ’n heel zachte[57]stem en heel langzaam te spreken. ’Et bleek nu, dat wij allemaal, zooals we daar zaten, nieuwelingen waren, en dat de school eigenlijk pas den volgenden dag zou beginnen. We werden er nadrukkelijk op gewezen, dat er op ’et instituut Belmans gewerkt moest worden, hard gewerkt, en onder deze voorwaarde werden ons de schitterendste resultaten voorspeld. We kregen verder te hooren, dat onze schooluren dezelfde zouën zijn, als waaraan we op onze ouë school gewoon waren, dus van negen tot twaalf en van twee tot vier, behalve Woensdags en Zaterdags, maar dat we bovendien elken avond van zes tot acht op school moesten komen, om ons huiswerk daar te maken. Alleen den Zaterdagavond waren we daar vrij van. Dit waren, zei m’nheer Belmans uitdrukkelijk, de gewone uren; voor jongens, die ’et noodig hadden, kwamen daar natuurlijk nog extra-uren bij. Ik raakte aan ’et peinzen over de vraag, of zulke jongens, die ’et noodig hadden, dan eigenlijk nog wel den tijd zouën hebben, om te eten en te slapen, maar ik begreep al weer, dat al zulke dingen nu eenmaal bij ’n stoominrichting hoorden.

Nadat m’nheer Belmans ons op deze manier ’n beetje had voorbereid op de heerlijkheden, die ons op z’n instituut te wachten stonden, zei-i, dat-i ons nu wat werk zou opgeven, om ons voorloopig zoo’n beetje aan den tand te voelen. We kregen ieder ’n paar groote vellen papier, van dezelfde soort als ik op ’et examen had gehad, en moesten ’n opstel en vijf sommen maken, en ’n stukje in ’et Fransch vertalen. De sommen en de vertaling stonden al op den achterkant van de borden geschreven, en ’et onderwerp[58]voor ’et opstel mochten we zelf kiezen. Om twaalf uur moesten we al ’et werk inleveren.

M’nheer Belmans ging op ’n stoel voor de klas zitten, nam ’n boek uit de lade en stak ’n sigaar op met ’n bandje er om. In onze lessenaars vonden we inkt en ’n penhouër, en we konden dus aan ’et werk trekken.

’Et spreekt vanzelf, dat ik met ’et opstel begon. Ik vertelde ’et avontuur, dat ik ’n week geleden in Zandvoort gehad had, en voor ik ’et zelf wist, had ik een van de reusachtige vellen, die voor me lagen, aan drie kanten bijna geheel volgeschreven. Dat zou zeker wel voldoende zijn. Maar nu ’et andere werk. Zou ik daarvoor nog tijd genoeg over hebben? Ik wist er niets van, want ’n horloge had ik niet, en ’et kon even goed elf uur als tien uur wezen. Ik zag wel ’n paar jongens, die ’n horloge droegen, maar ze zaten te ver van me af, om ze wat te vragen. En zelfs toen ik even rond keek, richtte m’nheer Belmans zoo’n vertoornden blik op me, dat ik ’n gevoel kreeg, of ik me aan de vreeselijkste misdaad had schuldig gemaakt. Ik werkte dus maar weer ijverig door.

Met de vijf sommen was ik gauw klaar. Dat wil zeggen, toen ik ze eenmaal gelezen had, was ik er vast van overtuigd, dat ik er geen een van maken kon. Daar was weer m’n ouë kennis: „Als ik drie en ’n zevende maal ’et geld, dat Jan zou hebben, wanneer-i twee en twee vijfde maal ’et geld, dat Piet heeft er bij kreeg, voeg bij zeven en vijf zesde keer ’et geld, dat …” en-i maakte me duizelig. En daar was weer ’n duivelachtig vat met onmogelijk veel[59]kranen op de onwaarschijnlijkste plaatsen, die allemaal op verschillende tijden werden opengezet en allemaal verschillende hoeveelheden water doorlieten.

Kortom, ’et waren m’n ouë plaaggeesten, alleen nog wat onbegrijpelijker en nog wat ingewikkelder. En op ’et vel papier, dat ik voor m’n rekenwerk bestemd had, kwam alleen m’n naam te staan en No. 1, en verder bleef ’et blank.

Ook de vertaling was veel te moeilijk voor me. ’Et was ’n klein verhaaltje van ’n jongen, die ging schaatsenrijden, en in ’et water valt en gered wordt, maar kou vat en ik weet niet meer welke ziekte krijgt. Er kwamen ’n aantal woorden in, die ik nooit geleerd had of althans me op dat oogenblik niet kon herinneren. Toch begon ik maar voor ’et vaderland weg te vertalen. Voor de woorden, die ik niet wist, liet ik ’n open ruimte: die mocht m’nheer Belmans invullen, als-i lust had. Ik schreef vrij vlug door, maar toch was ik pas even over de helft, toen m’nheer Belmans opstond, en tot m’n verrassing zei: „Jongens, eindigen! Je kunt nog even je werk nakijken, en dan haal ik ’et op.” Dat deed-i dan ook gauw daarna en ik stopte m’n papier met sommen—ik bedoel, waarop m’n sommen hadden moeten staan—onder de andere, en gaf ’em alles over, zonder ’em aan te kijken. Toen kregen we nog te hooren, dat we dien middag vrij waren, maar dat we den volgenden morgen om negen uur terug verwacht werden, en dat dan de school in ernst begon. En toen konden we vertrekken.

In ’et portaal bleven we nog allemaal zwijgen, want m’nheer Belmans stond in de deur van ’et lokaal, en[60]keek ons aan, of we allemaal z’n doodsvijanden waren. Zelfs op de trap en in de gang waagde nog haast geen van de jongens ’n woord te fluisteren, maar op straat kwamen de tongen los. En geen wonder, we hadden in drie uur tijd letterlijk geen woord gesproken.

Er vormden zich groepjes van jongens, die misschien elkaar al van vroeger kenden, en de anderen praatten mee, nu ’es hier en dan ’es daar. Er werd gesproken over m’nheer Belmans—niet heel vleiend natuurlijk—, over ’et moeilijke werk, en over de lange schooldagen, die ons boven ’et hoofd hingen. Maar dat had nog geen vijf minuten geduurd, of we werden opgeschrikt door ’n nijdig tikken tegen ’et raam van de onderste voorkamer, en toen we opkeken, zagen we ’et strenge gezicht van m’nheer Belmans tusschen de overgordijnen. Dat maakte meteen ’n eind aan ons gesprek, we namen onze petten af, en liepen door, met ’et gevoel van ’n afgeranselden hond.

De meeste jongens gingen niet den kant uit, dien ik op moest, en van de drie, die dat wel deden, moesten er twee bij de brug linksaf. Er bleef er dus nog maar een over, die me gezelschap hield. Al gauw wist ik, dat-i Andries van Ulft heette, en in de Voorstraat woonde, dus tamelijk wel in mijn buurt. We spraken met elkaar over allerlei dingen, over onze vroegere school, over ’et examen voor de Burgerschool, waar-i net als ik voor gesjeesd was, en natuurlijk over onze verwachtingen van de nieuwe school en van m’nheer Belmans, van wien-i me nog wist te vertellen, dat de jongens ’em altijd „de ouë”[61]noemden. Dat had-i van ’n jongen gehoord, die daar al langer op school was, en dien-i kende. We konden heel goed met elkaar opschieten, en toen-i bij de Voorstraat van me wegging en ik ’et laatste stukje van m’n weg alleen vervolgde, dacht ik bij me zelf, dat ik ’et ’n aardigen jongen vond, en dat ik hoopte, dat we vriendjes zouën worden.

Vriendjes! Die had ik eigenlijk nog nooit gehad. Of ik had er vijftig gehad, zooals je ’et nemen wilt. Nu ’es had ik met dien, dan weer met ’n anderen jongen wat drukker omgegaan, dan met de overige jongens uit m’n klas, en ik was ook wel ’es ’n enkele maal bij deez’ of genen aan huis geweest om te spelen. Maar omdat ik ze nooit weerom vragen mocht, bleef dat altijd bij een of twee keer, en zonder dat ik eigenlijk met iemand ruzie kreeg, raakte zoo’n vriendschap altijd weer gauw uit. En ik moet er bij zeggen, dat ’et me niet veel schelen kon. Jongens om mee te spelen of mee te praten kon ik altijd wel vinden. En dat ’et heerlijk was, om iemand te hebben, aan wien je alles kon vertellen, waar je over dacht, ook de dingen, die je niet zoo aan iedereen zou willen zeggen, iemand, die je beklaagde, als je verdriet had, en zich verheugde, als je ’es ergens heel blij mee was, dat wist ik niet.

Van alles, wat ik thuis vertelde van m’n eersten morgen op ’et instituut Belmans, had ’et feit, dat ik daar elken avond van zessen tot achten terug moest komen, om m’n huiswerk te maken, de meeste belangstelling. M’n moeder verwachtte er meer rust voor zich zelf van, en m’n vader zei: „Zie je wel, op die school wordt gewèrkt.” Alleen zou ’et lastig[62]worden met ’et middageten. Vader kon niet voor half zeven thuis zijn, en ik kon dus in ’et vervolg niet tegelijk met m’n ouërs eten. Na achten was wat laat, en er werd dus besloten, dat ik vooraf zou eten, om ’n uur of vijf. Voordeel had ik bij die nieuwe regeling niet, want ’et werd nu gewoonlijk zoo ingericht, dat er elken dag ’n behoorlijke portie eten overbleef, die dan den volgenden dag voor mij werd opgewarmd. Alleen Zaterdags en Zondags at ik voortaan gelijk met de anderen, en ik zag m’n vader nu nog minder dan vroeger, soms zelfs dagen achtereen in ’et geheel niet.

Toen ik den volgenden morgen tegen negen uur op de Veergracht kwam, waren er wel wat meer jongens dan den vorigen dag, maar zoo druk als bij ’n gewone school was ’et toch lang niet. En dat was geen wonder. Op m’n vorige school waren ’n driehonderd jongens geweest en hier waren er in ’et geheel ’n dikke veertig. ’Et scheen hier ook geen gewoonte te zijn, de deur om kwart voor negenen open te zetten; éen of twee minuten voor den tijd werden we pas binnengelaten.

Ik had natuurlijk naar Andries uitgekeken, maar ’em nergens gezien. Net op ’et oogenblik, dat ik naar binnen wou gaan, kwam-i aanloopen. Ik ging ’em tegemoet, en-i vertelde me, dat-i bij den hoek van de Voorstraat ’n tijdje op me gewacht had, en dat ’et daardoor ’n beetje laat was geworden. Ik zei, dat ’et me speet, dat ik ’et niet geweten had, en dat ik ’et erg aardig van ’em vond. In ’t vervolg zou ik ook op hem wachten. Dat was afgesproken en we gingen samen in school.[63]

We kwamen weer in ’etzelfde lokaal te zitten, waar we den vorigen dag geweest waren, maar er zaten nu vier jongens meer. Die waren al vroeger daar op school geweest, en niet verhoogd geworden. Een van de vier had zelfs al twee jaar in diezelfde klas gezeten, ’n groote, forsche jongen van zeventien jaar, met lang zwart haar en al ’n klein snorretje, en met ’n gouden ring met ’n grooten zwarten steen aan z’n pink, in mijn oog al haast ’n m’nheer. Ik begon dus te begrijpen, dat zelfs ’n stoominrichting niet altijd z’n doel bereikte, vooral toen ik later merkte, hoe ongelooflijk dom die jongen met z’n ring was. Ik had alle reden om heelemaal niet trotsch te zijn op m’n eigen knapheid, maar bij dien jongen vergeleken was ik ’n kraan.

In plaats van m’nheer Belmans kregen we als onderwijzer ’n m’nheer, die veel jonger was en er ook niet zoo onvriendelijk uitzag. Toch was ook hij tamelijk strak en streng en op geen stukken na ’n Meester Lindeman. We kregen van hem les in alle vakken, die daar op school onderwezen werden, behalve in ’et Fransch. Daarvoor kwam m’nheer Belmans zelf elken dag ’n uur. Andere onderwijzers had onze klas niet, want aan gymnastiek, zingen en teekenen deden we niet.

Wat nu de manier aangaat, waarop we op ’et instituut Belmans onderwijs kregen, die verschilde niet zoo heel erg van wat ik ’et laatste jaar op school gewend was. Maar toch wel ’n beetje. In de eerste plaats maakte de meester daar zich veel drukker, om ons de dingen uit te leggen, om ons duidelijk te maken, waarom je zoo en niet anders doen moest.[64]’Et was niet genoeg, dat je wistthree-fifths colon two-sevenths equals three-fifths times seven-halvesof de inhoud is lengte maal breedte maal hoogte, maar je moest dat ook kunnen verklaren. Hier leerde je alleen ’et kunstje, en verder werd er geen woord over vuil gemaakt. ’Et zal wel niet met alle jongens ’etzelfde geweest zijn, maar mij leek de laatste manier veel beter. Hoe langer ’n uitlegging duurde en hoe vaker ’n verklaring herhaald werd, hoe onduidelijker de zaak voor me werd, zoodat ik me ten slotte bij de toepassing van ’et kunstje zelf telkens vergiste.

Verder moesten we veel meer schriftelijk werk maken dan vroeger, thema’s, sommen en taaloefeningen, zooveel, dat ik vooral in ’et begin kramp in m’n vingers kreeg, wat ik vóór dien tijd nooit gehad had. Op m’n vorige school waren alle jongens altijd even ver, maar hier liet men ieder zoo hard vooruitkomen als-i kon, en we waren nog geen veertien dagen op school, of de vlugste rekenaar was mij bij voorbeeld ’n goeïe honderd sommen voor, en zat ik nog op thema twaalf te zweeten, terwijl Andries nummer achtendertig inleverde.

’Et grootste verschil tusschen vroeger en nu zat em natuurlijk wel daarin, dat we ’s avonds van zessen tot achten op school moesten komen, om daar lessen te leeren en werk te maken, wat we anders als huiswerk meegekregen zouën hebben. Ik had daartegen eigenlijk ’et meest opgezien, en dat ’et ’n pretje was, om daar nog die twee extra-uren op school te zitten, vooral op mooie herfst- of zomeravonden, wil ik dan ook niet zeggen. Maar toch, ’et had ook z’n goeïe zij. Als je nu eindelijk naar huis ging, dan was je[65]tenminste van al den schoolrommel heelemaal af. Je hoefde niet onder ’et spelen of ’et lezen van ’n mooi boek telkens te denken aan ’n rist jaartallen, die je er voor den volgenden dag nog in moest pompen, of aan ’n reusachtige vormsom, die je nog te maken had, en waarvan je zoo goed als zeker vooruit wist, dat jij er zooiets vanStartFraction 1295368735 Over 49028362183 EndFractionuit zou krijgen, terwijl de meester beweerd had, dat ’et antwoord ’n „mooi” getal was. Ook kon je onder ’et werk af en toe ’es iets aan den onderwijzer vragen, wat vooral voor mij, die thuis nooit op eenige hulp had kunnen rekenen, ’n groote verbetering was.

Toch zou ik met m’n nieuwe school zeker niet half zoo ingenomen geweest zijn, als ik daardoor Andries niet had leeren kennen. Wat ik den eersten dag den besten gehoopt had, gebeurde: we wèrden vriendjes. Andries was wel in dezelfde stad geboren als ik, maar had ’n jaar of vijf met z’n ouërs in Rotterdam gewoond. Daar had hij dus ook school gegaan. Maar nu waren z’n ouërs weer uit Rotterdam vertrokken, en daarom had-i ook examen gedaan voor dezelfde Burgerschool als ik. Hij had dus ook geen vriendjes, en zoo sloten we ons bij elkaar aan. In de eerste weken gingen we alleen geregeld samen naar school en weer naar huis, maar ’et duurde niet lang, of ik maakte ook kennis met z’n ouërs. Vóór ik je echter meer van onzen omgang vertel en van alles, wat ik daaraan te danken had, wil ik je iets zeggen van ’n voorval, dat vrij kort na onze komst op school plaats had, en dat er veel toe heeft bijgedragen om ons tweetjes aan elkaar te binden.

Ik heb, meen ik, al gezegd, dat ’et instituut[66]Belmans aan de stille zij van de Veergracht stond. Er was werkelijk ’n kolossaal verschil in drukte tusschen de twee kanten van die gracht. De lokalen, waarin op onze school les gegeven werd, lagen alle aan den tuinkant, maar al was dat niet ’et geval geweest, van ’et leven op onze gracht zouën we niet veel hinder gehad hebben. Maar aan den overkant zag ’et er heel anders uit. Daar waren ’n stuk of wat kantoren van stoombootdiensten voor ’et vervoer van goederen naar allerlei plaatsen. Enkele van die kantoren werden gehouën in kleine houten huisjes, die aan den waterkant stonden, andere in kelders of benedenhuizen. Den heelen dag was ’et daar ’n gerij van wagens en karren, die goederen kwamen brengen en halen. Aan den waterkant stond ’et altijd vol met kisten en pakken en doozen; daar lagen ijzeren staven naast potten met bloemen, manden met flesschen wijn naast[67]zakken meel, stapels baksteenen naast piramides van kazen. Daar stond soms ’n heele verhuisboel tusschen in, en ook wel koeien en bokken en kippen. En daar waren eeuwig mannen aan ’et sjouwen en hijschen, aan ’et rollen van vaten en ’et duwen van handkarren, en als ’et twee weken achter elkaar niet geregend had, was die kant van de Veergracht nòg vuil en modderig.

Den heelen dag was ’et daar ’n gerij van wagens en karren.Den heelen dag was ’et daar ’n gerij van wagens en karren.

Den heelen dag was ’et daar ’n gerij van wagens en karren.

Dan stonden er ook nog ’n paar pakhuizen op die gracht, waar wel niet elken dag, maar toch van tijd tot tijd alweer zakken en kisten uit- of ingeheschen werden, en eindelijk was er ’n groote fabriek, waar zeker wel ’n paar honderd mannen en jongens werkten. Die fabriek gaf alleen maar drukte bij ’et aan- en uitgaan, maar op die oogenblikken was de gracht dan ook zoo vol, dat iemand, die daar niet bekend was, zou gedacht hebben, dat de koning in de stad was of dat er ’n huis in brand stond.

Nu zat er iederen dag op den hoek van die drukke gracht, pal bij de brug, ’n oud vrouwtje, dat mosselen en haring verkocht. Hoe vroeg ze daar verscheen, weet ik niet, maar als we ’s morgens naar school gingen, zat ze er, en ook om twaalf en om twee uur. Alleen als om vier uur de school uitging, zagen we haar niet, maar tegen zes uur kwam ze weer opdagen. Als ik ’s avonds wat vroeg bij school was en nog wat rondslenterde, had ik wel ’es gezien, dat haar stalletje werd opgeslagen. Er was dan ’n man bij, zeker ’er zoon, die de handkar duwde, waar haar koopwaar en alles, wat ze verder noodig had, in lag: ’n paar planken, ’n matten stoel, ’n groote ijzeren pot, enz. De man hielp ’er, om den boel in elkaar[68]te zetten, en als dat gedaan was en zij rustig op ’er stoel achter ’et stalletje zat, ging hij weer heen. Om zes uur ging altijd de fabriek uit, en dat zal wel de reden geweest zijn, waarom ’et mosselenvrouwtje zorgde, dat ze tegen dien tijd weer op ’er post was. Of ze over ’et algemeen goeïe zaken deed, kan ik niet zeggen, want daarvoor heb ik er te weinig op gelet. Maar ik zou ’et wel denken, want ’n punt, waar meer menschen van de haring- en mosselenetende soort bij elkaar waren, zou er in de heele stad moeilijk te vinden geweest zijn.

... jongens van ons zagen staan, die ergens naar schenen te kijken.… jongens van ons zagen staan, die ergens naar schenen te kijken.

… jongens van ons zagen staan, die ergens naar schenen te kijken.

We zullen ’n dag of veertien op school geweest zijn, toen Andries en ik ’n paar minuten voor zessen den hoek omsloegen van onze schoolgracht, en we op de brug ’n troep jongens van ons zagen staan, die ergens naar schenen te kijken. Er waren ook jongens van onze klas bij, en een, die ons in de gaten kreeg, riep: „Hallo, kom ’es hier?” We liepen de brug op, en kregen nu van allerlei kanten te gelijk te hooren,[69]wat er aan de hand was. ’n Paar jongens zouën ’n mop uithalen, nee maar, ’n reuzemop. Ze hadden ’n lang, stevig touw mee gebracht, en nu zouën ze ’et eene eind daarvan probeeren vast te maken aan ’et mosselenstalletje, en dan ’et andere achter aan ’n kar of rijtuig vastbinden. Als dan de kar voortging, nam-i ’et stalletje op sleeptouw, en de mop was gelukt. ’n Paar andere jongens waren meegegaan, om haring of mosselen te gaan eten en daardoor de aandacht van ’et vrouwtje af te leiden. Toen ik keek, zag ik dan ook vier of vijf jongens, waaronder ook den grooten jongen met z’n gouden ring uit onze klas, vóor ’et stalletje staan, maar veel meer konden we te midden van ’et gewoel, dat er bij den hoek van de Veergracht heerschte, niet onderscheiden. We hadden er ook geen tijd toe. De torenklok begon te spelen, en op ’etzelfde oogenblik ontstond er ’n opschudding op de plek, waarheen al onze oogen gericht waren. We hoorden gillen, schreeuwen, zagen jongens weghollen, en zonder eigenlijk goed gezien te hebben, wat er gebeurd was, vlogen we de brug af en de gracht op naar onze school.

Ik was uit al m’n macht meegerend, zonder op Andries te letten, en eerst toen ik hijgende voor m’n lessenaar zat, merkte ik, dat hij er nog niet was. Ik begreep dat niet recht, want hij kon harder loopen dan ik. ’Et duurde intusschen niet heel lang, of-i kwam binnen. ’s Avonds werd ’et op school niet zoo heel precies met den tijd genomen, en ’et liep dan ook zonder standje voor ’em af. Maar ik zag aan z’n gezicht, dat-i niet heelemaal in z’n gewone doen was; ’et stond lang zoo vroolijk niet als anders. Graag[70]zou ik even ’n praatje met ’em gemaakt hebben, maar dat ging niet, want we zaten tamelijk ver van elkaar. Ik keek later nog ’n paar maal naar hem, en telkens vond ik, dat-i bizonder ernstig keek.

De avond ging verder voorbij als altijd. Ik had half en half verwacht, dat er iemand bij m’nheer Belmans zou zijn gekomen, om zich te beklagen over den streek, dien onze jongens uitgehaald hadden. Maar dat scheen niet gebeurd te zijn, althans wij hoorden van niets. ’Et eenige bizondere, wat er gebeurde, was, dat de groote jongen met z’n ring—z’n naam was Walraven—misselijk werd. Hij moest ’n paar maal de klas uitgaan, zag zoo wit als ’n doek, en kreeg eindelijk verlof, om maar naar huis te gaan. Ik denk, dat-i er niet aan gewend was, om na ’et middageten ’n portie mosselen of ’n paar mootjes haring aan ’n stalletje als dessert te gebruiken, en dat z’n maag er niet tegen kon. Maar in m’n hart gunde ik ’em z’n misselijkheid, want ik vond ’et ’n naren jongen.

Ik verlangde dien avond nog wat harder naar ’et einde van den schooltijd als gewoonlijk, want ik was nieuwsgierig, om van Andries te hooren, waarom-i zoo laat gekomen was. Ik vermoedde natuurlijk wel, dat-i nog even naar den overkant van de gracht geloopen was, om te kijken, hoe ’et geval daar was afgeloopen. Nu, dat was ook zoo. Toen de school uitging, liepen we eerst nog even met de meeste andere jongens mee de brug op, om te kijken, of er nog wat bijzonders te zien was. Maar dat was niet ’et geval. De gracht was tamelijk stil, en ’et plekje van ’et mosselenvrouwtje was leeg. De jongens praatten[71]en lachten onder elkaar nog wel ’n oogenblikje over ’et gebeurde, en er waren er ook wel, die beweerden dat ze gezien hadden, dat de kar ’et stalletje ’n heel eind voortgesleept had, maar ik geloof, dat ze zich dat maar verbeeldden. Andries zei niets, en weldra sloegen wij met ons tweetjes den weg naar huis in.

Onderweg kwam z’n tong los. Toen hij naar de plaats van de opschudding was toegehold, had-i zich eerst door ’n kluw van menschen en karren en kisten moeten heen wringen, en dat was ’em niet eens heelemaal gelukt. Maar toch had-i genoeg gezien en gehoord, om er uit op te maken, hoe ’et gegaan was. De kar had werkelijk ’et stalletje ’n eindje meegetrokken, maar de voerman had onraad gemerkt en al gauw stil gehouden. Er zouën dus wel wat mosselen en ’n stuk of wat mootjes haring op de straatsteenen terecht zijn gekomen, en misschien ’n paar bordjes en kommetjes en flesschen gebroken zijn, maar dat zou toch wel niet zoo heel erg zijn. Maar ’et vrouwtje, dat daar plotseling ’er stalletje op den loop had zien gaan, was van den schrik, of misschien omdat ze er met ’er armen op geleund had, voorover van ’er stoel gevallen. Of ze zich erg bezeerd had, wist Andries niet, want hij was er niet dicht genoeg bij kunnen komen, en-i had ook niet langer durven blijven.

We hoopten allebei, dat ’et zonder groot ongeluk afgeloopen was, en waren ’et er over eens, dat ’et eigenlijk ’n flauwe, gemeene streek van de jongens was geweest. Ik moet eerlijk bekennen, dat ’et door de manier, waarop Andries over de zaak sprak, eerst goed tot me doordrong, hoe laf en verkeerd ’n dergelijke grap eigenlijk was. Ik durf wel van mezelf te[72]verzekeren, dat ik nooit zoo iets op touw zou hebben gezet, maar ik weet niet zoo vast, of ik niet meegedaan zou hebben, als andere jongens ’et me gevraagd hadden. En er om gelachen had ik zeker wel. Niet omdat ik gewoon was, om ’et verdriet van ’n ander verheugd te zijn, maar omdat ik er niet aan dacht, dat die ander leed hàd. Maar alles, wat Andries dien avond over dat mosselenvrouwtje zei, klonk zoo hartelijk, dat ik me inwendig ’n beetje schaamde, dat ’et gebeurde mij zelf eerst zoo koel had gelaten. En toen ik afscheid van m’n vriendje genomen had, dacht ik bij mezelf: „ik vind je ’n aardigen jongen en ’n goeïen jongen”.

Toen we den volgenden morgen bij de brug over de Veergracht kwamen, zochten onze oogen dadelijk de plek, waar ’et mosselenvrouwtje altijd te vinden was. Zij was er niet. We hoefden daaruit nog wel niet af te leiden, dat ze den vorigen dag ’n ongeluk gekregen had, maar ’et maakte ons toch ongerust. We hadden zoo gehoopt, ’er weer op ’er post te vinden. Andries had zelfs voorgesteld, dat we aan ’er stalletje ’n portie mosselen zouën gaan eten, als ’n soort van vergoeding. Toen ik zei, dat ik nog nooit mosselen geproefd had en niet wist, of ik ze lusten zou, zei Andries: „Ik ook niet, maar dan doen we maar net, of we er een eten, en we laten de rest staan.” Hij was zelfs van plan, om al de jongens ’etzelfde te vragen, en had gehoopt, ’et vrouwtje op die manier ’n reuzenklandizie te bezorgen. Maar dat viel nu allemaal in ’et water.

... op school geweest om zich te beklagen.… op school geweest om zich te beklagen.

… op school geweest om zich te beklagen.

Toen m’nheer Belmans dien morgen onze klas binnenstapte, om als gewoonlijk z’n Fransche les te[73]geven, stond z’n gezicht nog barscher en onvriendelijker dan anders. Nog langer dan anders keek-i ons strak aan, zonder ’n woord te zeggen. Ik heb wel ’es gehoord, dat ’n slang ’n vogeltje, dat-i verslinden wil, zóó weet aan te kijken, dat ’et arme diertje niet in staat is, om weg te vliegen, maar stijf van schrik blijft zitten. Wij jongens voelden ons, dunkt me, eenigszins als zoo’n vogeltje, als de oogen van m’nheer Belmans achter z’n glinsterende brilleglazen op ons gericht waren. Nog vóór-i den mond had open gedaan, waren we er allemaal van overtuigd, dat-i van de zaak af wist. En dat was ook zoo. ’Et bleek, dat de zoon van ’et mosselenvrouwtje nog den vorigen avond op school geweest was, om zich te beklagen. Z’n moeder had bij haar val ’n arm gebroken, en lag nu in et gasthuis. Van menschen, die bij ’et ongeval tegenwoordig waren geweest, had-i gehoord, dat ze ’n troep jongens hard hadden zien[74]wegloopen, en dat die jongens op onze school gingen.

Nadat m’nheer Belmans ons dit alles op z’n gewone afgemeten manier en met z’n gewone zachte stem had medegedeeld, vroeg-i: „Wie van jelui weet me van ’et gebeurde iets te vertellen?” Zooals ’et gewoonlijk bij zoo’n algemeene vraag gaat, de heele klas bleef zwijgen. De brilleglazen van m’nheer Belmans flikkerden sterker dan ooit, maar niemand stak ’n vinger op. Nu geloof ik vast, dat de meeste jongens wèl geantwoord zouën hebben, als m’nheer ze afzonderlijk gevraagd had, of ze er iets van wisten, vooral omdat de eigenlijke aanleggers niet bij ons in de klas zaten. Maar m’nheer Belmans was er de man niet naar, om te dulden, dat ’n vraag van hem onbeantwoord bleef. Hij herhaalde z’n vraag dus zelfs niet, maar zei na ’n doodsche stilte van minstens vijf minuten alleen nog: „Dan weet ik, wat me te doen staat”. En daarna begon-i gewoon met de les, en liet ons om twaalf uur naar huis gaan, alsof er niets bizonders aan de hand was.

Op straat werden natuurlijk de hoofden bij elkaar gestoken, en klonk van tien kanten tegelijk de vraag: „Wat zou de ouë doen?” Ja, dat wist niemand. Walraven, die van z’n misselijkheid genezen was, en van ons allen de meeste reden had, om zich bezorgd te maken, schreeuwde ’n paar maal: „Als jelui je mond maar houdt!” Wat ons ’et meeste verwonderde, was, dat we van ’n paar jongens uit de hoogste klas hoorden, dat m’nheer Belmans daar geen woord van de zaak gerept had. Daar snapten we niets van.

Onderweg spraken Andries en ik weer over niets anders. We hadden allebei erg te doen met ’et arme[75]vrouwtje. Die gebroken arm zou wel weer in orde komen, meenden we, maar ’n week of zes duurde zoo’n geschiedenis toch wel, en al dien tijd zou ze geen cent verdienen. Andries was ’et eigenlijk weer, die van dat laatste sprak, want daaraan zou ik niet gedacht hebben, en-i maakte meteen al plannen, om onder de jongens ’n collecte te houën en zoo geld bij elkaar te krijgen voor ’n schadevergoeding. Ik praatte maar mee, al dacht ik bij me zelf, dat van mijn kant voor die collecte niet veel te verwachten was. Niet, dat ik geen medelijden met de stumper had, of bizonder gierig van aard was, maar ik kreeg van m’n vader ’n dubbeltje zakgeld in de week, en daarvan zou ’et vrouwtje niet vet soppen.

We waren dien middag op school pas met ons werk begonnen, toen m’nheer Belmans de deur van onze klas opendeed, en ’n man in ’n witte kiel met ’n pet op binnenliet. We keken allemaal verwonderd op, behalve onze onderwijzer, die al van de zaak scheen te weten, en ons dadelijk liet ophouën met werken. M’nheer Belmans zei geen woord, en de vreemde man, die ’n rood gezicht, ’n rooie snor en ’n paar rooïe bakkebaarden had, ging midden voor de klas staan, en keek alle jongens éen voor éen strak aan. Maar ’et duurde niet lang, of-i stapte regelrecht op Andries aan, tikte ’n paar maal met ’n korten, dikken wijsvinger midden op z’n borst, draaide zich om naar m’nheer Belmans en zei: „Dien jongeheer heb ik gisteren zien wegloopen.” M’nheer Belmans vertrok geen spier van z’n gezicht, zei alleen: „ik dank u”, en liet den man heen gaan.

Daarna keerde hij zich naar Andries en vroeg:[76]„Van Ulft, ben jij gisteren avond aan de overzij geweest?”

„Ja, m’nheer!”

„Dus jij wist wèl, wat er gebeurd was?”

„Ja, m’nheer!”

„Dus jij hebt gelògen!”

„Ja, m’nheer, maar .…”

„Zwijg! Jij krijgt in de eerste plaats voor je liegen ’n strenge straf! En vertel nu alles, wat je weet!”

Nu had ik van ’et oogenblik af, dat de man Andries aanwees, al op heete kolen gezeten. ’Et leek me verschrikkelijk onrechtvaardig, dat de jongen, die van allemaal misschien ’et minst in staat was, om zoo’n grap uit te halen, en die zooveel medelijden met ’et mosselenvrouwtje getoond had, nu als een van de hoofdschuldigen zou aangezien worden. En toen ik nu van ’n strenge straf voor hem hoorde spreken, werd ’et me te machtig. Ik vergat m’n angst voor de flikkerende brilleglazen en de ijzige kalmte van m’nheer Belmans, en riep nog vóor Andries op z’n laatste vraag kon antwoorden:

„We weten er allemaal van! We hebben ’et allemaal gezien! En Andries heeft niets gedaan!”

Nooit zal ik ’et gezicht van m’nheer Belmans vergeten! Als ’et heele plafond naar beneden gekomen was, had-i er onmogelijk met meer ontzetting naar kunnen kijken als nu naar mij. Hij werd eerst bleek, toen rood, strekte toen den arm uit en wees naar de deur, zonder ’n woord te zeggen, maar zoo, dat ik aan z’n bedoeling niet behoefde te twijfelen. Ik verliet dus m’n plaats, nam m’n weg achter om de klas heen, om niet langs m’nheer Belmans te moeten, en ging buiten de deur in de gang staan.[77]

En Andries heeft niets gedaan!En Andries heeft niets gedaan!

En Andries heeft niets gedaan!

Hoe ’et verder met de zaak ging, hoef ik niet in bijzonderheden te vertellen. ’Et lukte m’nheer Belmans natuurlijk, de aanleggers te vinden. Dat die in de hoogste klas zaten, verwonderde hem ’et meest. Hij was zòo overtuigd geweest, dat jongens, die al ’n jaar of langer onder zijn voortreffelijke leiding waren, nooit tot zoo iets in staat zouën zijn, dat-i in die klas niet eens iets gevraagd had. Ik, kan hier meteen wel zeggen, dat de bovenmenschelijke strengheid van m’nheer Belmans in ’et algemeen minder uitwerking had, dan hij er zich van scheen voor te stellen. Tenminste, buiten de school. In den korten tijd, dat ik op zijn instituut geweest ben, hebben de veertig jongens daar meer gemeene streken en straatschenderijen uitgehaald dan de driehonderd van m’n vorige school in al de acht jaren. Eigenaardig voor de manier van doen van m’nheer Belmans was zeker ook, dat-i de jongens, die schuld hadden aan ’et ongeluk van ’et vrouwtje, strafte, maar minder zwaar dan Andries en mij. Heel eerlijk en rechtvaardig leek ons dit niet,[78]maar, zooals ik al gezegd heb, ’et heele voorval maakte, dat wij ons nog meer dan vroeger bij elkaar aansloten.

De straf, die Andries zoo onverdiend had opgeloopen, deed ’em z’n medelijden met ’et mosselenvrouwtje toch niet vergeten. Hij kwam weer met z’n plan van ’n collecte onder de jongens op de proppen, en sprak daarover met onzen onderwijzer. Die vond dat plan prachtig, sprak er over tegen de jongens uit onze klas, beloofde er ook in de hoogste klas ’n balletje van op te gooien, en verklaarde zich bereid, ’et geld in ontvangst te nemen.

Ik zelf raakte door dit plan ’n beetje in verlegenheid. Andries zei, dat-i eenvoudig thuis de zaak aan z’n vader en moeder zou vertellen, en dat die zeker wat zouën willen geven. Hij bracht dan ook den volgenden dag al vijf gulden mee. Maar wat zou ik doen? Van de scheutigheid van mijn ouërs voor onbekende mosselenvrouwtjes had ik niet veel verwachting, en met éen of twee dubbeltjes van me zelf dorst ik niet aan te komen.

Den eersten keer den besten, dat ik m’n vader even te pakken kon krijgen,—ik was net thuisgekomen uit de avondschool en hij stond klaar, om uit te gaan—vroeg ik:

„Vader, krijg ik van u voor m’n verjaardag ’n nieuw horloge?”

M’n vader keek vreemd op.

„Voor je verjaardag? Ben je dan niet in … in December jarig?”

„Drie Januari, vader!”

„Nou ja, precies. En we hebben nu September![79]Tegen dien tijd zijn we misschien dood en begraven!”

„Ja, vader, maar ik bedoel ook eigenlijk, àls u dan van plan was, om me ’n horloge te geven .…”

„Van plan? Ik ben niets van plan! Denk je, dat ik maanden van te voren over jouw verjaardag loop te piekeren. Ik heb wel andere dingen aan m’n hoofd.”

Z’n portemonnaie uit z’n zak haalde ....Z’nportemonnaieuit z’n zak haalde .…

Z’nportemonnaieuit z’n zak haalde .…

„Ja, vader, maar ik wou u vragen, of u me dan nu niet vast wat geld zou willen geven.…. ’n rijksdaalder of zoo, en dan met m’n verjaardag minder.… of niets.”

„Ben je gek? Waarvoor heb jij geld noodig?”

Ik begon nu de geschiedenis te vertellen, tamelijk hakkelend, want na et begin van ’et gesprek met m’n vader twijfelde ik heel erg aan[80]’ngoeïenuitslag. Ik kon ook niet zeggen, dat m’n vader met bizonder veel belangstelling luisterde of erg begaan scheen met ’et vrouwtje. ’Et viel me dus nog erg mee, toen vader, voordat ik nog aan ’et eind van m’n verhaal gekomen was, z’n portemonnaie uit z’n zak haalde, ’n gulden op tafel lei en zei:

„Daar dan! Maar wacht nou in ’et vervolg met je bevliegingen van liefdadigheid tot je zelf geld verdient!”

En daarmee verliet-i de kamer.

Met veel moeite leende ik van ons dienstmeisje drie dubbeltjes, als voorschot op m’n zakgeld; twee dubbeltjes had ik zelf nog, en zoo kon ik dus den volgenden morgen ’n daalder aan onzen onderwijzer geven. Ik denk, dat Andries ’et wel wat weinig vond, maar-i zei er gelukkig niets van. Als-i geweten had, hoeveel moeite ’et me gekost had, om dat weinige bij elkaar te krijgen, zou-i er wel anders over gedacht hebben. Maar dat vertelde ik ’em natuurlijk niet.


Back to IndexNext