V.

[Inhoud]V.Van ’n ongelukkigen tijd, ’n onverwachte ontmoeting en ’n groote verandering.M’n vriendschap met Andries en alles, wat daar ’et gevolg van was, had dus wel ’n prettige verandering in m’n leven gebracht. En toch, hoeveel verrukkelijke uurtjes me die eerste tijd van m’n omgang met hem en z’n ouërs ook bracht, ik heb me in den[103]loop van dat jaar ook dikwijls, heel dikwijlsongelukkiggevoeld, ongelukkiger eigenlijk dan ooit in vroegere of latere jaren. Hoe dat zoo kwam, zal ik je nu vertellen.Om met ’et minst erge te beginnen, daar was in de eerste plaats m’n school. Met den dag voelde ik me minder opgewassen tegen ’et werk, dat daar van me verlangd werd. De sommen en thema’s, die ik telkens en telkens weer over moest maken, groeiden langzaam maar zeker aan tot ’n berg, die onmogelijk meer om door te komen was. ’Et hagelde extra-uren op m’n arm hoofd; nu ’es moest ik wekenlang ’s morgens om acht in plaats van om negen uur komen, dan weer geregeld van vier tot vijf blijven, zoodat ik naar huis moest rennen, in tien minuten m’n eten naar binnen slaan, en dan terugdraven, om met ’n steek in m’n zij om zes uur weer aan ’et werk te trekken. M’n Woensdagmiddagen werden me zoo goed als allemaal, m’n Zaterdagmiddagen vaak genoeg afgenomen. En als al die moeite nu nog maar ’n beetje beloond was geworden. Maar ik voelde me eigenlijk voortdurend dommer worden en ’et was volstrekt geen zeldzaamheid, dat ik in ’n thema, die ik voor den derden of vierden keer over moest maken, meer fouten had dan toen ik ’em voor de eerste maal maakte.’Et was dus te begrijpen, dat ik zachtjesaan ’n gruwelijken hekel aan school kreeg. Er kwamen gedachten bij me op, zooals er vroeger nooit in m’n hoofd gekomen waren, die me zelf in ’et begin zoo vreemd en slecht leken, dat ze me haast bang voor me zelf maakten. „Als die ellendige school ’es afbrandde!” of „als m’nheer Belmans ’es erg ziek werd!”[104]waren nog ’n paar van de onschuldigste. Wat ik nooit geweest was, onverschillig, werd ik nu. Ik wist zoo zeker, dat al m’n inspanning toch geen snars zou helpen, dat ik me niet meer inspande. Of m’n onderwijzer of m’nheer Belmans teleurgesteld keken of mopperden of standjes gaven of op hun poot speelden, ’et liet me zoo koud als ijs. Kortom, ik keek hen en m’n boeken en m’n schriften en m’n heele school aan met oogen vol haat, die ze alle met elkaar zou vernietigd hebben, als-i niet zoo machteloos geweest was.Natuurlijk wist Andries dit allemaal even goed als ik, en beklaagde die me en troostte die me, zoo goed-i kon. Ook was-i altijd klaar, om me te helpen, en ’n enkele maal kon ik door ’et werk over te schrijven, dat hij vooraf voor me gemaakt had, aan ’n paar dreigende extra-uren ontkomen. Maar ’et spreekt van zelf, dat dit niet altijd ging.En toch, die narigheid op school, al nam-i ’et grootst aantal uren in beslag, was niet ’et ergste. Er waren dan toch nog Zondagen en vrije avonden, waarop ik daaraan ook werkelijk niet dacht. Maar er was iets anders, dat me nooit met rust liet, dat maakte, dat ik me altijd ongelukkig voelde, ook in dien vrijen tijd en dan juist ’et meest, dat me zelfs niet rustig liet slapen en soms m’n prettigste oogenblikken bij Andries aan huis of in den schouwburg plotseling vergalde, ’et gevoel, dat ik thuis door m’n ouërs niet behandeld werd zooals ’et hoorde.Niet, dat er bij me thuis iets veranderd was! Alles ging z’n ouë gangetje: m’n moeder klaagde over ’er zenuwen en m’n vader was in z’n zaak of uit, en ik[105]ging m’n eigen gang en was zóó vrij, dat ik geloof, dat m’n ouërs ’et niet eens gemerkt zouën hebben, als ik ’es ’n keer den heelen nacht uitgebleven was. Aan al die dingen was ik van jongs af gewend geweest en ik had er nooit iets bijzonders bij gedacht en alles genomen, zooals ’et was. Maar sedert ik bij Andries aan huis kwam en daar zag, hoe die z’n ouërs tegen hem waren, en hoe ze met elkaar omgingen, nu begon ik te voelen, dat mij iets ontbrak, dat ik thuis iets miste, en dat gevoel werd hoe langer hoe sterker. Ik kreeg ’n diep medelijden met me zelf: wat alle andere kinderen van hun ouërs ondervonden, liefde en hartelijkheid, dat werd mij onthouden. Wat voor aardigheid of gezelligheid was er ooit bij mij thuis; we kwamen er eigenlijk allemaal alleen maar om te eten en te slapen, en verder leefden we haast als drie vreemde menschen, die ’es ’n enkelen keer ’n paar woorden met mekaar wisselden, en dan nog lang niet altijd vriendelijke woorden. En ook over m’n huis, over m’n vader en m’n moeder kwamen leelijke gedachten bij me op, die ik wel weer probeerde weg te denken en waarvoor ik me schaamde, maar die me toch vaak norsch en brutaal tegen m’n ouërs maakten, wat ik vroeger nooit geweest was.’Et duurde vrij lang, vóórdat ik ook over deze dingen m’n hart bij Andries uitstortte. Misschien zou ik ’et nooit gedaan hebben, als ik ’et niet noodig gevonden had, om ’em begrijpelijk te maken, waarom ik ’em nooit weerom inviteerde. Maar ik vond ’et zòo ellendig, dat ik altijd maar bij hem aan huis kwam en allerlei pretjes had, en hem nooit terug kon vragen, dat ik er eindelijk over begon. En toen ik eenmaal[106]met m’n vriendje over m’n huiselijke narigheden gesproken had, deed ik dat telkens weer, en als m’n vader of m’n moeder iets gezegd of gedaan hadden, dat ik bizonder onaardig of onhartelijk vond, dan verzuimde ik nooit om ’em dat te vertellen. Veel wist Andries er niet op te zeggen. Waarschijnlijk kon-i zich van ’n omgang als bij ons thuis moeilijk ’n voorstelling maken. Hij deed dus gewoonlijk alleen maar z’n best, om me op andere gedachten te brengen, door over wat anders te beginnen, en om door z’n eigen hartelijkheid me m’n gemis thuis te vergoeden. Ja, ’et leek me tusschenbeide wel ’es toe, alsof Andries er thuis ook over gesproken had, want ik meende in de manier, waarop z’n moeder me soms kon aankijken, iets van medelijden te zien. Ik kan me dat intusschen wel verbeeld hebben, maar dat ze, als ’et mogelijk was, nog liever en vriendelijker voor me was als in ’et begin, is zeker. Ik hield dan ook zooveel van ’er, dat ik rijk had willen wezen, om prachtige cadeautjes voor ’er te koopen. Maar alles, wat ik doen kon, was, m’n dubbeltje zakgeld zuinig te bewaren, en van tijd tot tijd ’es wat bloemen voor ’er te koopen, die naast de vele mooie, die Andries z’n vader geregeld voor haar meebracht, toch maar ’n poover figuur maakten.Zoo ging de eene maand na de andere voorbij: thuis alles bij ’et ouë, op school van week tot week ellendiger, en m’n stemming hoe langer hoe slechter. Had ik Andries niet gehad, dan geloof ik wezenlijk, dat ik den een of anderen dag van huis weggeloopen zou zijn of iets anders krankzinnigs gedaan zou hebben.Hoe dat eigenlijk met ’et stelsel van de stoomerij[107]overeen te brengen was, snap ik niet recht, maar we hadden op ’et instituut Belmans lange vacanties. Dat was tenminste één lichtpuntje. Ik had dan ook al weken en weken verlangend naar de Paaschvacantie uitgezien, die ’n dag of zestien duren zou. ’Et denken daaraan had me eigenlijk alleen op de been gehouën, want ’et ging in den laatsten tijd op school werkelijk zòo allertreurigst, dat ’et me nu nog verwondert, dat de onderwijzer me de boeken niet naar m’n hoofd smeet en me op straat zette.We zullen nog ’n dag of zes van de vacantie af geweest zijn, toen Andries me ’s morgens bij ’t naar school gaan met ’n nieuwtje verraste, dat voor mij niet minder dan ’n Jobstijding was. Hij en z’n moeder zouën voor ’n dag of veertien naar Rotterdam gaan, om daar bij menschen, die ze kenden, te logeeren. Ik kon wel aan Andries merken, dat-i ’et in z’n hart prettig vond, maar omdat-i wel begreep, dat ’et voor mij allesbehalve prettig was, sprak-i er zoo weinig mogelijk over. ’Et was voor mij dan ook ’n vreeselijke teleurstelling. We hadden samen al allerlei plannetjes gemaakt; één keer zou ik zeker mee naar den schouwburg gegaan zijn, en nu kwam die akelige logeerpartij uit de lucht vallen en alles bederven. M’n humeur werd er natuurlijk niet beter op, en ik moest me heel erg inspannen, om er tegenover Andries niet al te veel van te laten merken. Als ’et niet zoo’n goeïe jongen geweest was, zou ’et tusschen ons beiden toch misschien mis geworden zijn, want al dee ik nog zoo m’n best, kortaf en kribberig en vervelend was ik telkens, ook tegen hem.Dinsdags om twaalf uur begon onze vacantie en[108]nog dienzelfden middag vertrok Andries met z’n ouërs naar Rotterdam. Z’n vader zou maar voor een of twee dagen meegaan, geloof ik, en dan in z’n eentje terugkomen. Ik had gezegd, dat ik aan ’et station zou komen, om ze daar goeïe reis te wenschen. Maar toen ik thuis koffie gedronken had, raakte ik weer in zoo’n verdrietige bui, dat ik besloot om ’et niet te doen. Wat had ik met die gelukkige menschen te maken! Daar hoorde ik niet bij! Ik moest maar liever heelemaal niet meer met Andries omgaan. Die was knap op school, die had ’n moeder en ’n vader, die lief en hartelijk tegen ’em waren, die ging logeeren bij aardige, vroolijke menschen, die zou ’n heerlijke vacantie hebben! En ik! Daar zat ik weer, moederziel alleen, in onze ongezellige, veel te groote huiskamer! Ik bleef hangen en mokken tot bij drieën. En toen begon ik ineens te denken, dat ik in elk geval toch niet de minste reden had, om onaardig te zijn tegen Andries of z’n lieve moeder, en dat ’et tegenover hen heel onbehoorlijk was, om m’n belofte niet te houën. En hoewel ik eigenlijk wel had kunnen begrijpen, dat ’et niet meer gaan zou, zette ik m’n pet op en rende als ’n krankzinnige toch nog naar ’et station. Maar al liep ik ook nog zoo hard, ’n afstand van ruim ’n half uur kon ik niet in ’n minuut of acht afleggen, en toen ik met ’n hoofd als ’n rooïe kool en ’n bonzend hart aan ’et station kwam, was de trein van Andries in geen velden of wegen meer te zien. Woedend op mezelf en de heele wereld ging ik op ’n bank op ’et perron zitten, om ’n beetje op adem te komen, en slenterde toen naar huis.De twee of drie eerste dagen van de vacantie waren[109]eenvoudig verschrikkelijk. Ik leefde mezelf in den weg. Ik had geen lust, om iets te doen. ’n Paar boeken, die Andries me als ’n kleinen troost geleend had, verveelden me al, als ik twee bladzijden gelezen had. Natuurlijk lag dat niet aan de boeken, maar aan mezelf. Ik hing op ’n stoel of op de canapé met m’n hoofd in m’n hand, of ging op klaarlichten dag languit op m’n bed liggen. Ik grauwde en snauwde tegen m’n huisgenooten en liep in ’n plasregen de straat op, expres om me nat te laten regenen, wat me dan ook zoo goed lukte, dat ik me, toen ik terug kwam, van hoofd totteenenmoest verschoonen. Ik kreeg ’n paar prentbriefkaarten van Andries, maar die smeet ik, haast zonder ze te bekijken, in ’n hoek.Ging ik op ’n bank op ’et perron zitten.Ging ik op ’n bank op ’et perron zitten.Op den morgen van den vierden dag was ik weer[110]’es de straat op geloopen en had ’n uur lang met m’n ziel onder m’n arm door de stad geslenterd, zonder eigenlijk zelf te weten, waar ik liep. Ik stond te kijken voor ’n boekwinkel, meer uit gewoonte dan wel om werkelijk iets te zien, toen ik ineens ’n luide stem achter me hoorde: „Zoo, Hans, wat heb ik jou in lang niet gezien!” Ik hoefde me niet eens om te draaien, om te weten, wie me daar aansprak. Dat was de stem van meester Lindeman. Ik zei ’em goeïendag en-i gaf me ’n hand.„En hoe staat ’et leven?”„Goed m’nheer!”„Je bent lang geworden. Maar ik vind je er toch niet zoo goed uitzien als vroeger. Ben je ziek geweest?”„Nee, m’nheer.”„Zoo, des te beter! En waar ben je nu op school?”„Op ’n instituut, m’nheer. Bij Belmans op de Veergracht.”„Zoo, ben je daar? En bevalt ’et je daar goed?”„Och ja, m’nheer.”„En nu heb je zeker ook vacantie? Moet je ergens naar toe?”„Nee, m’nheer, ik loop maar wat.”„Nu, loop dan ’n eindje met me mee! En vertel me ’es wat van je school en zoo. Je lijkt me zoo stil geworden. We zijn toch altijd samen goeïe vrienden geweest, niet Hans?”Ik liep dus naast meester Lindeman voort, en probeerde, ’em op ’n onverschilligen toon ’et een en ander te vertellen, niet van wat ik werkelijk dacht en voelde, maar zoo ’et uitwendige van de dingen.[111]Maar ’et ging niet. ’Et vriendelijke gezicht van m’n ouën meester deed al ’et verdriet en al ’et stille gemok, waarmee ik den laatsten tijd had rondgeloopen, tot ’n uitbarsting komen. Ik brak midden in m’n vertellen af, en zei snikkende: „O m’nheer, ik ben zoo ongelukkig!”Meester Lindeman keek me verbaasd aan. Hij zei echter niets anders dan ’n paar maal: „Wel, Hans!” en sloeg zoo gauw mogelijk ’n stille dwarsstraat met me in, dat niet alle menschen m’n behuilde gezicht zouën zien. Zonder iets te zeggen liepen we ’n eind naast elkaar voort. Toen zei-i:„Wil je mee naar m’n huis gaan, Hans? Dan kunnen we ’es samen praten.”Toen we aan z’n huis kwamen, sloot meester Lindeman z’n deur open, en bracht me dadelijk naar ’n kamer, waar niemand anders was. Ik was daar blij om, want ik zou op dat oogenblik niet graag met z’n vrouw of z’n dochtertje hebben moeten praten. Toen liet-i me even alleen, maar kwam dadelijk terug met ’n glas water. Ik dronk wat, veegde m’n betraande oogen af, en kwam ’n beetje tot bedaren. Meester Lindeman ging tegenover me zitten, en zei na ’n poosje:„Nu, Hans, vertel me nu maar ’es, wat je op je hart hebt. Misschien kan ik je helpen of je ’n goeïen raad geven. En al kan ik dat niet, dan is ’et toch beter, dat je alles ’es vrijuit zegt, dan dat je er zoo in stilte mee rondloopt. Dat heb ik zelf ook dikwijls ondervonden, als ik ’es verdriet had.”En ik begon te vertellen, van m’n school en van m’n huis, eerst nog ’n beetje hakkelend, maar langzamerhand[112]vlotter, en ik zei eerlijk alles, wat ik gedacht en gevoeld had. Meester Lindeman luisterde toe met ’n vriendelijk-ernstig gezicht, knikte me nu en dan ’es toe, maar viel me geen enkele maal in de rede. Toen ik uitgesproken had, stond-i op, stapte ’n paar keer de kamer op en neer, bleef toen voor me staan en zei:„Zoo, Hans, nu moet je ’es naar mij luisteren. Je hebt me daar over twee dingen gesproken, over je school en over je huis, die we eventjes afzonderlijk zullen houën. Dat zoo’n instituut Belmans niet geschikt voor jou is, dat hoef je mij niet te vertellen. Dat weet ik wel. Evenmin als de Hoogere Burgerschool geschikt voor je zou geweest zijn. Je weet, dat ik indertijd je vader ’n brief geschreven heb. Nu, daar stond dat ook in. Je vader heeft daar toen niet op geantwoord, en ’et spijt me, dat ik toen niet zelf naar ’em toe gegaan ben. Want zulke dingen kan je toch ’et beste mondeling bespreken. En daarom zal ik dat verzuim goed maken. Ik zal nù naar je vader toegaan, om ’es met ’em over je te praten. Ik zal je ’n briefje meegeven, om te vragen, wanneer je vader me even ontvangen kan. Want van dat instituut moet je af, hoe eer hoe beter. Je kàn wel leeren, maar niet alles even makkelijk, en die instamperij met stoom zou je suf maken. En ziek bovendien! Je ziet er wezenlijk slecht uit. En dat moet je vader toch ook zelf inzien.”„Maar moet ik dan weer naar ’n andere school?” vroeg ik.„Ja, dat weet ik niet! Misschien was ’et wel ’et beste, als je … maar daar zal ik met je vader wel[113]’es over praten. Wat wou je eigenlijk graag worden? Of heb je daar nog nooit over nagedacht?”„Tooneelspeler!” zei ik.Meester Lindeman keek me met ’n paar groote oogen aan. „Tooneelspeler? Hoe kom je daar zoo bij?”Ik vertelde ’em nu van m’n vriendje Andries en z’n vader, en van m’n kennismaking met den schouwburg. Hij luisterde weer geduldig en oplettend, en zei toen:„Ja, Hans, van die dingen heb ik heelemaal geen verstand. Daar kan ik je dus geen raad in geven. In elk geval ben je op ’et oogenblik toch nog veel te jong, om tooneelspeler te worden. En zou je geen lust hebben in ’n andere betrekking?”„Och, dat weet ik niet, m’nheer. Ik zou in elk geval erg blij wezen, als ik van school af was.”„Precies! Dat dacht ik ook! Dus als ik je vader nu ’es wist te bewegen, om je van school te nemen, en je bijvoorbeeld op ’n kantoor te doen, om daar de werkzaamheden te leeren, dan zou je dat wel willen?”„O ja, m’nheer!”„En dan zou je daar je best doen?”„Ja, m’heer, als ik dan later … ”„Nee, laten we dat „later” nu maar laten rusten. Dat is dus afgesproken. En nu dat andere, waar je me over gesproken hebt. ’Et is eigenlijk niet zoo makkelijk, om daarover te praten. Maar ik wil er toch ’n paar dingen over zeggen. Je bent zoo’n kleine jongen niet meer, dus ik denk, dat je me wel zult begrijpen. Kijk ’es, ik heb in m’n leven dit ondervonden: als de eene mensch zich over den ander beklaagt, dan heeft in de meeste gevallen de klager[114]evenveel of nog grooter schuld dan die ander. En als ik daarom zelf dacht, dat ik reden had om over iemand ontevreden te zijn, dan begon ik te zoeken, of ’et misschien ook aan mij kon liggen. En, geloof me, Hans, haast altijd vond ik, dat ’et werkelijk zoo was.”„Maar, m’nheer, ik …”„Nee, Hans, er verder met je over praten, doe ik niet! Denk maar ’es rustig na, over wat ik je gezegd heb en maak dan met je zelf uit, of je er je voordeel mee kan doen. En nu nog één ding: stel je ’es voor, Hans, dat ik heel graag wou, dat iemand veel van me hield. Wat zou ik dan moeten doen? Naar ’em toe gaan en kommandeeren: Hou van me? Ik denk niet, dat dat veel helpen zou. Waarom hou je veel van je vriendje?”„Omdat ’et zoo’n aardige jongen is.”„Precies! Aardig en hartelijk! Tegen anderen en tegen jou! Nu, en laten we er nu verder over zwijgen! Ik zal je vader vragen, of ’et goed is, als ik van avond even bij ’em kom. Tot hoe laat is-i thuis?”„Tot ’n uur of acht, m’nheer.”„Goed, dan kom ik om half acht! En ga je morgen ’es ’n ferme wandeling met me doen?”„Als ’et u blieft, m’nheer!”„Mooi! Kom me dan om negen uur halen en steek ’n paar boterhammen bij je. En zeg dan thuis, dat we om ’n uur of vijf terug komen. Ik moet m’n beenen ook weer ’es wat werk geven.”Meester Lindeman schreef ’n briefje, ik bedankte ’em voor z’n moeite en z’n raad, en stapte naar huis.Dien heelen middag dacht ik over ons gesprek na.[115]Van ’et bezoek van Meester Lindeman bij m’n vader stelde ik me wel niet al te veel voor, maar ’et leek me toch niet onmogelijk, dat ’et wat zou uitwerken. ’Et was in elk geval beter, dan dat ik zelf over m’n school moest beginnen te klagen. Meester Lindeman was toch ook onderwijzer, en zelf had-i bij de zaak heelemaal geen belang: misschien zou m’n vader dus aan wat-i zei toch wel wat waarde hechten. Ik vond ’et in elk geval aardig van ’em, dat-i die moeite voor me wou doen, en dat ik den volgenden dag met ’em mocht wandelen, vond ik heerlijk.Met ’et andere, wat Meester Lindeman gezegd had, was ik in ’et eerst niet zoo ingenomen. Ik moest de fout bij mezelf zoeken. Maar wat deed ik dan toch voor kwaad? Nu ja, in de laatste maanden was ik brommerig en snauwerig thuis, maar dat was ik vroeger toch niet. En ondeugend of ongehoorzaam was ik eigenlijk nooit geweest. Als me thuis iets gezegd werd, deed ik ’et, en plagerig van aard of levenmakerig was ik niet.Maar hoe langer ik er over nadacht, hoe meer ik toch begon te voelen, dat er aan mijn kant ook wel ’n beetje schuld kon zijn. Toen ik nog jonger was, vroeg ik m’n vader dikwijls, of ik met ’em mee mocht, en dat gebeurde wel lang niet altijd, maar toch nu en dan. En bij die wandelingen of onder ’et eten vertelde ik vroeger vaak dingen van school of andere dingen, waar m’n hart vol van was, en daar kon m’n vader toch soms wel met plezier naar luisteren. En ik dacht nog weer aan den dag, dien m’n vader bij me in Zandvoort had doorgebracht, en hoe gezellig die geweest was. En ik kwam tot ’et besluit, dat ik[116]in ieder geval probeeren zou, me thuis ’n beetje aangenamer te maken.Dat goeïe voornemen had al dadelijk tot gevolg, dat m’n stemming beter werd, dan ze de laatste dagen geweest was, en dat ik lust kreeg, om ’n briefkaart aan Andries te schrijven en verder voor den eten nog ’n uurtje te gaan lezen. Toen m’n vader thuis kwam, zei ik ’em vriendelijker goeïendag als ik in lang gedaan had en ’et leek me toe, dat zijn „Dag Hans” ook vriendelijker klonk. Meteen gaf ik ’em m’n briefje. Hij las ’et, en zei:„Lindeman? Wie is dat?”„Dat is ’n onderwijzer van m’n vorige school, vader.”„En hoe kom je aan dat briefje?”„Dat heeft m’nheer me voor u meegegeven.”„Ben je dan naar ’em toe geweest?”„Nee, vader; ik heb ’em op straat ontmoet.”„Zoo! En waarover wou-i me spreken?”„Ik … ik geloof … over m’n school, vader.”„Over je school? Dat snap ik niet. Wat heeft die m’nheer Lindeboom met je tegenwoordige school te maken?”„Lindeman, vader.”„Nu ja! Enfin, we zullen ’et wel hooren! Als de man maar niet al te lang van stof is. Want veel tijd heb ik niet.”Ik begreep dus, dat m’n vader Meester Lindeman wou ontvangen. Dat was al wàt gewonnen. We gingen eten. Ik deed m’n best, om spraakzamer te zijn dan gewoonlijk, en vertelde, dat ik den volgenden dag ’n verre wandeling ging maken en natuurlijk[117]ook met wien. Vader zei, dat schoolmeesters toch maar ’n makkelijk baantje hadden met die lange vacanties, en m’n moeder vroeg, of ik dan niet met Andries ging. Nu vertelde ik van dien z’n logeeren in Rotterdam, en zoo werd er dien middag aan tafel meer gesproken, als in ’n heelen tijd gebeurd was.Precies om half acht kwam Meester Lindeman. M’n moeder was naar ’er kamer gegaan, en natuurlijk bleef ik ook niet bij ’et gesprek. Ik was met m’n boek naar boven gegaan, maar ik was te zenuwachtig om te kunnen lezen. Half en half verwachtte ik, dat ik naar beneden geroepen zou worden, maar dat gebeurde niet. Ik bleef dus maar luisteren, niet om iets van ’et gesprek te verstaan, want dat was onmogelijk, maar om te hooren, wanneer de bezoeker heen zou gaan. ’Et duurde lang, veel langer, dan ik gedacht had. Eindelijk, ’et was dicht bij half negen, hoorde ik stemmen in de gang, en ’n oogenblik later sloeg de straatdeur dicht. Ik dacht nu, dat m’n vader me wel roepen zou, maar dat deed-i niet. Ik had wel naar hem toe kunnen gaan, maar daar zag ik toch ’n beetje tegen op. ’Et duurde intusschen geen tien minuten, of ik hoorde voor de tweede maal de straatdeur dichtslaan, en ik begreep, dat m’n vader vertrokken was. Ik zou dus nog niet te weten komen, wat er over m’n lot beslist was. Maar morgen! Dan zou Meester Lindeman me alles vertellen! Ik las nog ’n half uurtje, en ging tijdig naar bed.Den volgenden morgen tegen negen uur was ik op weg naar Meester Lindeman. ’Et weer was niet bepaald schitterend, wel droog, maar er woei ’n hevige wind en ’et was tamelijk koud. Ik was zelfs ’n beetje[118]bang, dat onze wandeling er door in duigen zou vallen, maar toen ik bij Meester Lindeman aanschelde, deed-i me zelf open, kant en klaar, en begroette me met ’n vroolijk: „Morgen, Hans! ’n Stevig briesje, hè? Ik heb er tenminste m’n pet maar bij opgezet! Zoo kan ik er tegen!”Z’n opgeruimd gezicht en z’n vroolijke toon maakten, dat ik al wat gerustgesteld raakte over den afloop van z’n gesprek met vader, maar toch bleef ik verlangen, om ’et fijne van de zaak te hooren. Nu, daar hoefde ik niet lang op te wachten. Zooals Meester Lindeman zei, had m’n vader met aandacht naar ’em geluisterd, en wel niet veel geantwoord, en in ’t geheel geen bepaalde belofte gedaan, maar toch ook niet laten blijken, dat-i ’et idee om me van school te nemen zoo totaal onmogelijk vond. Hij zou er ’es goed over denken, had-i aan ’t eind gezegd, en ook ’es met m’nheer Belmans gaan spreken. „En Hans,” zei Meester Lindeman, „geloof jij maar niet, dat je vader niet van je houdt, want toen ik zei, dat ik je er slecht uit vond zien, kon ik duidelijk merken, dat ’em dat hinderde.”We deden dien dag ’n prettige wandeling, al woei ’et op de buitenwegen ook tusschenbeide zoo hard, dat we moeite hadden, om op de been te blijven. Eén keer ging m’n pet er van door, maar na ’n woeste jacht over ’n omgeploegd land, waar ik vijftigmaal struikelde en vijfmaal viel, kreeg Meester Lindeman ’em toch weer te pakken. In ’n soort van boerenherberg aten we onze boterhammen op en kreeg ik van Meester Lindeman ’n glas melk, en later trakteerde hij me nog op ’n kop chocolade. We spraken[119]over alles en nog wat, zongen op ’n stillen weg af en toe samen ’n oud schoolliedje, en ik had ’et best naar m’n zin. Toch zou ik misschien nog meer plezier gehad hebben, als ik niet telkens weer had moeten denken aan wat m’n vader nu eigenlijk doen zou. Maar dat moest ik afwachten. Tegen half vijf nam ik afscheid van Meester Lindeman voor de deur van z’n woning, ik bedankte em, en beloofde ’em dadelijk alles te komen vertellen, zoodra ik iets zekers wist, en stapte naar huis.Thuis vond ik ’n brief van Andries, waarin veel stond van de pret, die-i in Rotterdam had, maar toch ook, dat-i wou, dat ik er bij was, en dat-i naar mij verlangde. Ik begon maar meteen aan ’n antwoord, en besteedde den tijd, die er nog voor ’et eten overbleef, aan ’n tamelijk langen brief, die vroolijker uitviel dan ik gedacht zou hebben. Van m’n ontmoeting met Meester Lindeman vertelde ik natuurlijk wel en ook van onze wandeling, maar over al ’et andere sprak ik niet.Toen m’n vader thuis kwam, zat ik nog te schrijven. Hij kwam even over m’n schouër kijken, gaf me ’n tikje op m’n rug en zei: „Zoo, Hans, schrijf je ’es aan je vrind?” Maar toen ging-i vóór me staan, en keek me aan, veel langer en oplettender, dan-i ooit gedaan had. Ik werd er verlegen van. Eindelijk zei-i: „Nou, ik vind, dat je er nogal goed uitziet! Wat heb je ’n kleur!”„Ja, vader, ik heb in den wind geloopen.”„Gewandeld?”„Ja, vader. Met Meester Lindeman.”„Zoo. Die schijnt wel veel met je op te hebben.”[120]„Ja, vader. Hij is op school altijd erg aardig tegen me geweest.”„Zoo. Maar dat is toch geen reden, dat je naar hem toeloopt, als je denkt, dat je je ergens over te beklagen hebt. Dan kon je bij mij komen.”„Maar, vader, ik ben niet naar ’em toe geloopen. Ik heb ’em toevallig op straat ontmoet.”„Goed. Maar toen heb je ’em toch je nood geklaagd. En aan andere menschen.”„Aan andere menschen, vader?”„Ja, zeker! Ik heb gisterenavond Andries z’n vader gesproken, en die begon ook al over jou. Je schijnt er goed slag van te hebben, om bij vreemde menschen ’n wit voetje te krijgen.”Ik wist niet, wat ik hoorde. Andries z’n vader? Had die over mij gesproken? Dan moest Andries …We werden geroepen om te eten. Aan tafel werd eerst over onverschillige dingen gesproken, maar opeens zei m’n vader tegen m’n moeder:„Ik denk er over, om Hans maar van school te nemen.”M’n moeder zette groote oogen op. „Van school te nemen?”„Ja, als ’et toch niets geeft! Dan is ’et maar geld in ’et water smijten. En als je dan nog te hooren krijgt, dat-i er ziek van zal worden!”M’n moeder ’er oogen werden nog grooter. „Ziek worden? Wie zegt dat dan?”„Wel, Hans z’n vrinden. Menschen, bij wie-i z’n beklag gaat doen, en die mij natuurlijk voor ’n barbaar van ’n vader houën.”Ik wou wat zeggen, maar m’n vader viel me meteen in de rede:[121]„Nee, je hoeft je niet te verdedigen. ’Et is nu eenmaal gebeurd.”„Maar wat wou je dan met den jongen beginnen?” vroeg m’n moeder.„Ik zal zien, dat ik ’em op ’n kantoor krijg. Natuurlijk niet, om dadelijk wat te verdienen, maar in hoofdzaak om te leeren. Misschien is dat voor later nog wel zoo goed. Als de jongens met ’n hoofd vol geleerderigheid van de school komen, staan hun handen gewoonlijk heelemaal verkeerd.”Ik had wel op willen springen van blijdschap. Dat m’n vader zoo gauw toe zou geven, had ik nooit gedacht. Aan dat gemartel op school zou dus ’n eind komen. Toen ’et eten was afgeloopen en m’n vader de krant ging zitten lezen en als gewoonlijk spoedig half indommelde, bleef ik in de kamer en deed, alsof ik ’n boek las, maar eigenlijk loerde ik op ’et oogenblik, dat-i wakker zou worden. Eindelijk gaapte m’n vader ’n paar maal, rekte zich ’es uit, stond op en ging voor den spiegel z’n haar en snor wat in orde maken. Ik ging naar ’em toe, en zei:„Vader!”„Wat is er, Hans?”„Ik dank u wel, dat u me van school wil nemen.”„Als je nou maar beter je best doet, als je op kantoor bent.”„Ja, vader.”„En als er nou weer ’es wat is, zeg ’et dan tegen mij!”„Ja, vader. Maar ik heb er heusch tegen Andries z’n vader nooit iets van gezegd.”„Maar tegen mij ook niet!”[122]„Nee, vader. Dat dorst ik niet. Ik dacht, dat u er boos om zou zijn.”„Boos? Ik ben nooit boos. Maar je vertelt me haast nooit iets. En dan moet ik van andere menschen hooren, dat je zoo’n aardige jongen bent. Ik merk niet veel van die aardigheid.”„Maar ik zie u haast nooit, vader.”„Ja, ik kan niet helpen, dat ik ’et altijd zoo druk heb. Maar vroeger ging je toch ’s Zondags nog wel ’es met me wandelen.”„Maar dat zou ik nog heel graag willen, vader.”„Zoo. Nou, laten we dan overmorgen gaan, als ’et tenminste goed weer is.”„Als’tublieft, vader!”Ik zou je van m’n schooljaren vertellen, en dus moet ik hier eindigen. Want naar school ging ik niet meer. Na de Paaschvacantie bleef ik nog ’n paar weken thuis, en den 1en Mei kwam ik in betrekking op ’n groot tabakskantoor. Een van de patroons was ’n kennis van m’n vader, en al vond ik ’et werk daar ook soms wel wat eentonig, ’et beviel me er duizend percent beter dan op school. Ik had vrij veel vrijen tijd, ook al moest ik in de avonduren nog ’n paar privaatlessen nemen in dingen, die voor m’n betrekking later noodig zouën zijn. Wel bleef ik in stilte nog altijd bij m’n voornemen, om, als ik groot was, tooneelspeler te worden, maar ik sprak er met niemand over en mopperde nooit.Andries en ik bleven dikke vrinden, en ik kwam nog even geregeld bij ’em thuis als vroeger. Ook Meester Lindeman zag ik dikwijls, want van hèm[123]was ’et, dat ik een van m’n privaatlessen kreeg.De wandeling, die m’n vader me beloofd had, vond werkelijk plaats, en ’et bleef niet de eenige. Al was ’et niet elke week, toch trokken we er vrij vaak samen op uit, en ook in huis bemoeide m’n vader zich meer met me dan vroeger. En wanneer ik ’em dan van m’n kantoor vertelde, of van ’n stuk, dat ik gezien had, en hij naar me luisterde of om me lachte, dan benijdde ik Andries niet langer om z’n ouërs.Zooals ik je in ’et begin zei, heb ik altijd veel van vertellen gehouën. Wat ik vroeger met m’n mond deed, heb ik nu met ’n pen gedaan, voor ’et eerst van m’n leven. Mij is ’et best bevallen. Als ’et jou ook bevallen is, zal je nog wel ’es meer van me hooren. Want ik heb je eigenlijk nog heel veel te vertellen, en wel in de eerste plaats, hoe ik aan m’n tegenwoordig beroep gekomen ben.Want tooneelspeler ben ik toch geworden![125]

[Inhoud]V.Van ’n ongelukkigen tijd, ’n onverwachte ontmoeting en ’n groote verandering.M’n vriendschap met Andries en alles, wat daar ’et gevolg van was, had dus wel ’n prettige verandering in m’n leven gebracht. En toch, hoeveel verrukkelijke uurtjes me die eerste tijd van m’n omgang met hem en z’n ouërs ook bracht, ik heb me in den[103]loop van dat jaar ook dikwijls, heel dikwijlsongelukkiggevoeld, ongelukkiger eigenlijk dan ooit in vroegere of latere jaren. Hoe dat zoo kwam, zal ik je nu vertellen.Om met ’et minst erge te beginnen, daar was in de eerste plaats m’n school. Met den dag voelde ik me minder opgewassen tegen ’et werk, dat daar van me verlangd werd. De sommen en thema’s, die ik telkens en telkens weer over moest maken, groeiden langzaam maar zeker aan tot ’n berg, die onmogelijk meer om door te komen was. ’Et hagelde extra-uren op m’n arm hoofd; nu ’es moest ik wekenlang ’s morgens om acht in plaats van om negen uur komen, dan weer geregeld van vier tot vijf blijven, zoodat ik naar huis moest rennen, in tien minuten m’n eten naar binnen slaan, en dan terugdraven, om met ’n steek in m’n zij om zes uur weer aan ’et werk te trekken. M’n Woensdagmiddagen werden me zoo goed als allemaal, m’n Zaterdagmiddagen vaak genoeg afgenomen. En als al die moeite nu nog maar ’n beetje beloond was geworden. Maar ik voelde me eigenlijk voortdurend dommer worden en ’et was volstrekt geen zeldzaamheid, dat ik in ’n thema, die ik voor den derden of vierden keer over moest maken, meer fouten had dan toen ik ’em voor de eerste maal maakte.’Et was dus te begrijpen, dat ik zachtjesaan ’n gruwelijken hekel aan school kreeg. Er kwamen gedachten bij me op, zooals er vroeger nooit in m’n hoofd gekomen waren, die me zelf in ’et begin zoo vreemd en slecht leken, dat ze me haast bang voor me zelf maakten. „Als die ellendige school ’es afbrandde!” of „als m’nheer Belmans ’es erg ziek werd!”[104]waren nog ’n paar van de onschuldigste. Wat ik nooit geweest was, onverschillig, werd ik nu. Ik wist zoo zeker, dat al m’n inspanning toch geen snars zou helpen, dat ik me niet meer inspande. Of m’n onderwijzer of m’nheer Belmans teleurgesteld keken of mopperden of standjes gaven of op hun poot speelden, ’et liet me zoo koud als ijs. Kortom, ik keek hen en m’n boeken en m’n schriften en m’n heele school aan met oogen vol haat, die ze alle met elkaar zou vernietigd hebben, als-i niet zoo machteloos geweest was.Natuurlijk wist Andries dit allemaal even goed als ik, en beklaagde die me en troostte die me, zoo goed-i kon. Ook was-i altijd klaar, om me te helpen, en ’n enkele maal kon ik door ’et werk over te schrijven, dat hij vooraf voor me gemaakt had, aan ’n paar dreigende extra-uren ontkomen. Maar ’et spreekt van zelf, dat dit niet altijd ging.En toch, die narigheid op school, al nam-i ’et grootst aantal uren in beslag, was niet ’et ergste. Er waren dan toch nog Zondagen en vrije avonden, waarop ik daaraan ook werkelijk niet dacht. Maar er was iets anders, dat me nooit met rust liet, dat maakte, dat ik me altijd ongelukkig voelde, ook in dien vrijen tijd en dan juist ’et meest, dat me zelfs niet rustig liet slapen en soms m’n prettigste oogenblikken bij Andries aan huis of in den schouwburg plotseling vergalde, ’et gevoel, dat ik thuis door m’n ouërs niet behandeld werd zooals ’et hoorde.Niet, dat er bij me thuis iets veranderd was! Alles ging z’n ouë gangetje: m’n moeder klaagde over ’er zenuwen en m’n vader was in z’n zaak of uit, en ik[105]ging m’n eigen gang en was zóó vrij, dat ik geloof, dat m’n ouërs ’et niet eens gemerkt zouën hebben, als ik ’es ’n keer den heelen nacht uitgebleven was. Aan al die dingen was ik van jongs af gewend geweest en ik had er nooit iets bijzonders bij gedacht en alles genomen, zooals ’et was. Maar sedert ik bij Andries aan huis kwam en daar zag, hoe die z’n ouërs tegen hem waren, en hoe ze met elkaar omgingen, nu begon ik te voelen, dat mij iets ontbrak, dat ik thuis iets miste, en dat gevoel werd hoe langer hoe sterker. Ik kreeg ’n diep medelijden met me zelf: wat alle andere kinderen van hun ouërs ondervonden, liefde en hartelijkheid, dat werd mij onthouden. Wat voor aardigheid of gezelligheid was er ooit bij mij thuis; we kwamen er eigenlijk allemaal alleen maar om te eten en te slapen, en verder leefden we haast als drie vreemde menschen, die ’es ’n enkelen keer ’n paar woorden met mekaar wisselden, en dan nog lang niet altijd vriendelijke woorden. En ook over m’n huis, over m’n vader en m’n moeder kwamen leelijke gedachten bij me op, die ik wel weer probeerde weg te denken en waarvoor ik me schaamde, maar die me toch vaak norsch en brutaal tegen m’n ouërs maakten, wat ik vroeger nooit geweest was.’Et duurde vrij lang, vóórdat ik ook over deze dingen m’n hart bij Andries uitstortte. Misschien zou ik ’et nooit gedaan hebben, als ik ’et niet noodig gevonden had, om ’em begrijpelijk te maken, waarom ik ’em nooit weerom inviteerde. Maar ik vond ’et zòo ellendig, dat ik altijd maar bij hem aan huis kwam en allerlei pretjes had, en hem nooit terug kon vragen, dat ik er eindelijk over begon. En toen ik eenmaal[106]met m’n vriendje over m’n huiselijke narigheden gesproken had, deed ik dat telkens weer, en als m’n vader of m’n moeder iets gezegd of gedaan hadden, dat ik bizonder onaardig of onhartelijk vond, dan verzuimde ik nooit om ’em dat te vertellen. Veel wist Andries er niet op te zeggen. Waarschijnlijk kon-i zich van ’n omgang als bij ons thuis moeilijk ’n voorstelling maken. Hij deed dus gewoonlijk alleen maar z’n best, om me op andere gedachten te brengen, door over wat anders te beginnen, en om door z’n eigen hartelijkheid me m’n gemis thuis te vergoeden. Ja, ’et leek me tusschenbeide wel ’es toe, alsof Andries er thuis ook over gesproken had, want ik meende in de manier, waarop z’n moeder me soms kon aankijken, iets van medelijden te zien. Ik kan me dat intusschen wel verbeeld hebben, maar dat ze, als ’et mogelijk was, nog liever en vriendelijker voor me was als in ’et begin, is zeker. Ik hield dan ook zooveel van ’er, dat ik rijk had willen wezen, om prachtige cadeautjes voor ’er te koopen. Maar alles, wat ik doen kon, was, m’n dubbeltje zakgeld zuinig te bewaren, en van tijd tot tijd ’es wat bloemen voor ’er te koopen, die naast de vele mooie, die Andries z’n vader geregeld voor haar meebracht, toch maar ’n poover figuur maakten.Zoo ging de eene maand na de andere voorbij: thuis alles bij ’et ouë, op school van week tot week ellendiger, en m’n stemming hoe langer hoe slechter. Had ik Andries niet gehad, dan geloof ik wezenlijk, dat ik den een of anderen dag van huis weggeloopen zou zijn of iets anders krankzinnigs gedaan zou hebben.Hoe dat eigenlijk met ’et stelsel van de stoomerij[107]overeen te brengen was, snap ik niet recht, maar we hadden op ’et instituut Belmans lange vacanties. Dat was tenminste één lichtpuntje. Ik had dan ook al weken en weken verlangend naar de Paaschvacantie uitgezien, die ’n dag of zestien duren zou. ’Et denken daaraan had me eigenlijk alleen op de been gehouën, want ’et ging in den laatsten tijd op school werkelijk zòo allertreurigst, dat ’et me nu nog verwondert, dat de onderwijzer me de boeken niet naar m’n hoofd smeet en me op straat zette.We zullen nog ’n dag of zes van de vacantie af geweest zijn, toen Andries me ’s morgens bij ’t naar school gaan met ’n nieuwtje verraste, dat voor mij niet minder dan ’n Jobstijding was. Hij en z’n moeder zouën voor ’n dag of veertien naar Rotterdam gaan, om daar bij menschen, die ze kenden, te logeeren. Ik kon wel aan Andries merken, dat-i ’et in z’n hart prettig vond, maar omdat-i wel begreep, dat ’et voor mij allesbehalve prettig was, sprak-i er zoo weinig mogelijk over. ’Et was voor mij dan ook ’n vreeselijke teleurstelling. We hadden samen al allerlei plannetjes gemaakt; één keer zou ik zeker mee naar den schouwburg gegaan zijn, en nu kwam die akelige logeerpartij uit de lucht vallen en alles bederven. M’n humeur werd er natuurlijk niet beter op, en ik moest me heel erg inspannen, om er tegenover Andries niet al te veel van te laten merken. Als ’et niet zoo’n goeïe jongen geweest was, zou ’et tusschen ons beiden toch misschien mis geworden zijn, want al dee ik nog zoo m’n best, kortaf en kribberig en vervelend was ik telkens, ook tegen hem.Dinsdags om twaalf uur begon onze vacantie en[108]nog dienzelfden middag vertrok Andries met z’n ouërs naar Rotterdam. Z’n vader zou maar voor een of twee dagen meegaan, geloof ik, en dan in z’n eentje terugkomen. Ik had gezegd, dat ik aan ’et station zou komen, om ze daar goeïe reis te wenschen. Maar toen ik thuis koffie gedronken had, raakte ik weer in zoo’n verdrietige bui, dat ik besloot om ’et niet te doen. Wat had ik met die gelukkige menschen te maken! Daar hoorde ik niet bij! Ik moest maar liever heelemaal niet meer met Andries omgaan. Die was knap op school, die had ’n moeder en ’n vader, die lief en hartelijk tegen ’em waren, die ging logeeren bij aardige, vroolijke menschen, die zou ’n heerlijke vacantie hebben! En ik! Daar zat ik weer, moederziel alleen, in onze ongezellige, veel te groote huiskamer! Ik bleef hangen en mokken tot bij drieën. En toen begon ik ineens te denken, dat ik in elk geval toch niet de minste reden had, om onaardig te zijn tegen Andries of z’n lieve moeder, en dat ’et tegenover hen heel onbehoorlijk was, om m’n belofte niet te houën. En hoewel ik eigenlijk wel had kunnen begrijpen, dat ’et niet meer gaan zou, zette ik m’n pet op en rende als ’n krankzinnige toch nog naar ’et station. Maar al liep ik ook nog zoo hard, ’n afstand van ruim ’n half uur kon ik niet in ’n minuut of acht afleggen, en toen ik met ’n hoofd als ’n rooïe kool en ’n bonzend hart aan ’et station kwam, was de trein van Andries in geen velden of wegen meer te zien. Woedend op mezelf en de heele wereld ging ik op ’n bank op ’et perron zitten, om ’n beetje op adem te komen, en slenterde toen naar huis.De twee of drie eerste dagen van de vacantie waren[109]eenvoudig verschrikkelijk. Ik leefde mezelf in den weg. Ik had geen lust, om iets te doen. ’n Paar boeken, die Andries me als ’n kleinen troost geleend had, verveelden me al, als ik twee bladzijden gelezen had. Natuurlijk lag dat niet aan de boeken, maar aan mezelf. Ik hing op ’n stoel of op de canapé met m’n hoofd in m’n hand, of ging op klaarlichten dag languit op m’n bed liggen. Ik grauwde en snauwde tegen m’n huisgenooten en liep in ’n plasregen de straat op, expres om me nat te laten regenen, wat me dan ook zoo goed lukte, dat ik me, toen ik terug kwam, van hoofd totteenenmoest verschoonen. Ik kreeg ’n paar prentbriefkaarten van Andries, maar die smeet ik, haast zonder ze te bekijken, in ’n hoek.Ging ik op ’n bank op ’et perron zitten.Ging ik op ’n bank op ’et perron zitten.Op den morgen van den vierden dag was ik weer[110]’es de straat op geloopen en had ’n uur lang met m’n ziel onder m’n arm door de stad geslenterd, zonder eigenlijk zelf te weten, waar ik liep. Ik stond te kijken voor ’n boekwinkel, meer uit gewoonte dan wel om werkelijk iets te zien, toen ik ineens ’n luide stem achter me hoorde: „Zoo, Hans, wat heb ik jou in lang niet gezien!” Ik hoefde me niet eens om te draaien, om te weten, wie me daar aansprak. Dat was de stem van meester Lindeman. Ik zei ’em goeïendag en-i gaf me ’n hand.„En hoe staat ’et leven?”„Goed m’nheer!”„Je bent lang geworden. Maar ik vind je er toch niet zoo goed uitzien als vroeger. Ben je ziek geweest?”„Nee, m’nheer.”„Zoo, des te beter! En waar ben je nu op school?”„Op ’n instituut, m’nheer. Bij Belmans op de Veergracht.”„Zoo, ben je daar? En bevalt ’et je daar goed?”„Och ja, m’nheer.”„En nu heb je zeker ook vacantie? Moet je ergens naar toe?”„Nee, m’nheer, ik loop maar wat.”„Nu, loop dan ’n eindje met me mee! En vertel me ’es wat van je school en zoo. Je lijkt me zoo stil geworden. We zijn toch altijd samen goeïe vrienden geweest, niet Hans?”Ik liep dus naast meester Lindeman voort, en probeerde, ’em op ’n onverschilligen toon ’et een en ander te vertellen, niet van wat ik werkelijk dacht en voelde, maar zoo ’et uitwendige van de dingen.[111]Maar ’et ging niet. ’Et vriendelijke gezicht van m’n ouën meester deed al ’et verdriet en al ’et stille gemok, waarmee ik den laatsten tijd had rondgeloopen, tot ’n uitbarsting komen. Ik brak midden in m’n vertellen af, en zei snikkende: „O m’nheer, ik ben zoo ongelukkig!”Meester Lindeman keek me verbaasd aan. Hij zei echter niets anders dan ’n paar maal: „Wel, Hans!” en sloeg zoo gauw mogelijk ’n stille dwarsstraat met me in, dat niet alle menschen m’n behuilde gezicht zouën zien. Zonder iets te zeggen liepen we ’n eind naast elkaar voort. Toen zei-i:„Wil je mee naar m’n huis gaan, Hans? Dan kunnen we ’es samen praten.”Toen we aan z’n huis kwamen, sloot meester Lindeman z’n deur open, en bracht me dadelijk naar ’n kamer, waar niemand anders was. Ik was daar blij om, want ik zou op dat oogenblik niet graag met z’n vrouw of z’n dochtertje hebben moeten praten. Toen liet-i me even alleen, maar kwam dadelijk terug met ’n glas water. Ik dronk wat, veegde m’n betraande oogen af, en kwam ’n beetje tot bedaren. Meester Lindeman ging tegenover me zitten, en zei na ’n poosje:„Nu, Hans, vertel me nu maar ’es, wat je op je hart hebt. Misschien kan ik je helpen of je ’n goeïen raad geven. En al kan ik dat niet, dan is ’et toch beter, dat je alles ’es vrijuit zegt, dan dat je er zoo in stilte mee rondloopt. Dat heb ik zelf ook dikwijls ondervonden, als ik ’es verdriet had.”En ik begon te vertellen, van m’n school en van m’n huis, eerst nog ’n beetje hakkelend, maar langzamerhand[112]vlotter, en ik zei eerlijk alles, wat ik gedacht en gevoeld had. Meester Lindeman luisterde toe met ’n vriendelijk-ernstig gezicht, knikte me nu en dan ’es toe, maar viel me geen enkele maal in de rede. Toen ik uitgesproken had, stond-i op, stapte ’n paar keer de kamer op en neer, bleef toen voor me staan en zei:„Zoo, Hans, nu moet je ’es naar mij luisteren. Je hebt me daar over twee dingen gesproken, over je school en over je huis, die we eventjes afzonderlijk zullen houën. Dat zoo’n instituut Belmans niet geschikt voor jou is, dat hoef je mij niet te vertellen. Dat weet ik wel. Evenmin als de Hoogere Burgerschool geschikt voor je zou geweest zijn. Je weet, dat ik indertijd je vader ’n brief geschreven heb. Nu, daar stond dat ook in. Je vader heeft daar toen niet op geantwoord, en ’et spijt me, dat ik toen niet zelf naar ’em toe gegaan ben. Want zulke dingen kan je toch ’et beste mondeling bespreken. En daarom zal ik dat verzuim goed maken. Ik zal nù naar je vader toegaan, om ’es met ’em over je te praten. Ik zal je ’n briefje meegeven, om te vragen, wanneer je vader me even ontvangen kan. Want van dat instituut moet je af, hoe eer hoe beter. Je kàn wel leeren, maar niet alles even makkelijk, en die instamperij met stoom zou je suf maken. En ziek bovendien! Je ziet er wezenlijk slecht uit. En dat moet je vader toch ook zelf inzien.”„Maar moet ik dan weer naar ’n andere school?” vroeg ik.„Ja, dat weet ik niet! Misschien was ’et wel ’et beste, als je … maar daar zal ik met je vader wel[113]’es over praten. Wat wou je eigenlijk graag worden? Of heb je daar nog nooit over nagedacht?”„Tooneelspeler!” zei ik.Meester Lindeman keek me met ’n paar groote oogen aan. „Tooneelspeler? Hoe kom je daar zoo bij?”Ik vertelde ’em nu van m’n vriendje Andries en z’n vader, en van m’n kennismaking met den schouwburg. Hij luisterde weer geduldig en oplettend, en zei toen:„Ja, Hans, van die dingen heb ik heelemaal geen verstand. Daar kan ik je dus geen raad in geven. In elk geval ben je op ’et oogenblik toch nog veel te jong, om tooneelspeler te worden. En zou je geen lust hebben in ’n andere betrekking?”„Och, dat weet ik niet, m’nheer. Ik zou in elk geval erg blij wezen, als ik van school af was.”„Precies! Dat dacht ik ook! Dus als ik je vader nu ’es wist te bewegen, om je van school te nemen, en je bijvoorbeeld op ’n kantoor te doen, om daar de werkzaamheden te leeren, dan zou je dat wel willen?”„O ja, m’nheer!”„En dan zou je daar je best doen?”„Ja, m’heer, als ik dan later … ”„Nee, laten we dat „later” nu maar laten rusten. Dat is dus afgesproken. En nu dat andere, waar je me over gesproken hebt. ’Et is eigenlijk niet zoo makkelijk, om daarover te praten. Maar ik wil er toch ’n paar dingen over zeggen. Je bent zoo’n kleine jongen niet meer, dus ik denk, dat je me wel zult begrijpen. Kijk ’es, ik heb in m’n leven dit ondervonden: als de eene mensch zich over den ander beklaagt, dan heeft in de meeste gevallen de klager[114]evenveel of nog grooter schuld dan die ander. En als ik daarom zelf dacht, dat ik reden had om over iemand ontevreden te zijn, dan begon ik te zoeken, of ’et misschien ook aan mij kon liggen. En, geloof me, Hans, haast altijd vond ik, dat ’et werkelijk zoo was.”„Maar, m’nheer, ik …”„Nee, Hans, er verder met je over praten, doe ik niet! Denk maar ’es rustig na, over wat ik je gezegd heb en maak dan met je zelf uit, of je er je voordeel mee kan doen. En nu nog één ding: stel je ’es voor, Hans, dat ik heel graag wou, dat iemand veel van me hield. Wat zou ik dan moeten doen? Naar ’em toe gaan en kommandeeren: Hou van me? Ik denk niet, dat dat veel helpen zou. Waarom hou je veel van je vriendje?”„Omdat ’et zoo’n aardige jongen is.”„Precies! Aardig en hartelijk! Tegen anderen en tegen jou! Nu, en laten we er nu verder over zwijgen! Ik zal je vader vragen, of ’et goed is, als ik van avond even bij ’em kom. Tot hoe laat is-i thuis?”„Tot ’n uur of acht, m’nheer.”„Goed, dan kom ik om half acht! En ga je morgen ’es ’n ferme wandeling met me doen?”„Als ’et u blieft, m’nheer!”„Mooi! Kom me dan om negen uur halen en steek ’n paar boterhammen bij je. En zeg dan thuis, dat we om ’n uur of vijf terug komen. Ik moet m’n beenen ook weer ’es wat werk geven.”Meester Lindeman schreef ’n briefje, ik bedankte ’em voor z’n moeite en z’n raad, en stapte naar huis.Dien heelen middag dacht ik over ons gesprek na.[115]Van ’et bezoek van Meester Lindeman bij m’n vader stelde ik me wel niet al te veel voor, maar ’et leek me toch niet onmogelijk, dat ’et wat zou uitwerken. ’Et was in elk geval beter, dan dat ik zelf over m’n school moest beginnen te klagen. Meester Lindeman was toch ook onderwijzer, en zelf had-i bij de zaak heelemaal geen belang: misschien zou m’n vader dus aan wat-i zei toch wel wat waarde hechten. Ik vond ’et in elk geval aardig van ’em, dat-i die moeite voor me wou doen, en dat ik den volgenden dag met ’em mocht wandelen, vond ik heerlijk.Met ’et andere, wat Meester Lindeman gezegd had, was ik in ’et eerst niet zoo ingenomen. Ik moest de fout bij mezelf zoeken. Maar wat deed ik dan toch voor kwaad? Nu ja, in de laatste maanden was ik brommerig en snauwerig thuis, maar dat was ik vroeger toch niet. En ondeugend of ongehoorzaam was ik eigenlijk nooit geweest. Als me thuis iets gezegd werd, deed ik ’et, en plagerig van aard of levenmakerig was ik niet.Maar hoe langer ik er over nadacht, hoe meer ik toch begon te voelen, dat er aan mijn kant ook wel ’n beetje schuld kon zijn. Toen ik nog jonger was, vroeg ik m’n vader dikwijls, of ik met ’em mee mocht, en dat gebeurde wel lang niet altijd, maar toch nu en dan. En bij die wandelingen of onder ’et eten vertelde ik vroeger vaak dingen van school of andere dingen, waar m’n hart vol van was, en daar kon m’n vader toch soms wel met plezier naar luisteren. En ik dacht nog weer aan den dag, dien m’n vader bij me in Zandvoort had doorgebracht, en hoe gezellig die geweest was. En ik kwam tot ’et besluit, dat ik[116]in ieder geval probeeren zou, me thuis ’n beetje aangenamer te maken.Dat goeïe voornemen had al dadelijk tot gevolg, dat m’n stemming beter werd, dan ze de laatste dagen geweest was, en dat ik lust kreeg, om ’n briefkaart aan Andries te schrijven en verder voor den eten nog ’n uurtje te gaan lezen. Toen m’n vader thuis kwam, zei ik ’em vriendelijker goeïendag als ik in lang gedaan had en ’et leek me toe, dat zijn „Dag Hans” ook vriendelijker klonk. Meteen gaf ik ’em m’n briefje. Hij las ’et, en zei:„Lindeman? Wie is dat?”„Dat is ’n onderwijzer van m’n vorige school, vader.”„En hoe kom je aan dat briefje?”„Dat heeft m’nheer me voor u meegegeven.”„Ben je dan naar ’em toe geweest?”„Nee, vader; ik heb ’em op straat ontmoet.”„Zoo! En waarover wou-i me spreken?”„Ik … ik geloof … over m’n school, vader.”„Over je school? Dat snap ik niet. Wat heeft die m’nheer Lindeboom met je tegenwoordige school te maken?”„Lindeman, vader.”„Nu ja! Enfin, we zullen ’et wel hooren! Als de man maar niet al te lang van stof is. Want veel tijd heb ik niet.”Ik begreep dus, dat m’n vader Meester Lindeman wou ontvangen. Dat was al wàt gewonnen. We gingen eten. Ik deed m’n best, om spraakzamer te zijn dan gewoonlijk, en vertelde, dat ik den volgenden dag ’n verre wandeling ging maken en natuurlijk[117]ook met wien. Vader zei, dat schoolmeesters toch maar ’n makkelijk baantje hadden met die lange vacanties, en m’n moeder vroeg, of ik dan niet met Andries ging. Nu vertelde ik van dien z’n logeeren in Rotterdam, en zoo werd er dien middag aan tafel meer gesproken, als in ’n heelen tijd gebeurd was.Precies om half acht kwam Meester Lindeman. M’n moeder was naar ’er kamer gegaan, en natuurlijk bleef ik ook niet bij ’et gesprek. Ik was met m’n boek naar boven gegaan, maar ik was te zenuwachtig om te kunnen lezen. Half en half verwachtte ik, dat ik naar beneden geroepen zou worden, maar dat gebeurde niet. Ik bleef dus maar luisteren, niet om iets van ’et gesprek te verstaan, want dat was onmogelijk, maar om te hooren, wanneer de bezoeker heen zou gaan. ’Et duurde lang, veel langer, dan ik gedacht had. Eindelijk, ’et was dicht bij half negen, hoorde ik stemmen in de gang, en ’n oogenblik later sloeg de straatdeur dicht. Ik dacht nu, dat m’n vader me wel roepen zou, maar dat deed-i niet. Ik had wel naar hem toe kunnen gaan, maar daar zag ik toch ’n beetje tegen op. ’Et duurde intusschen geen tien minuten, of ik hoorde voor de tweede maal de straatdeur dichtslaan, en ik begreep, dat m’n vader vertrokken was. Ik zou dus nog niet te weten komen, wat er over m’n lot beslist was. Maar morgen! Dan zou Meester Lindeman me alles vertellen! Ik las nog ’n half uurtje, en ging tijdig naar bed.Den volgenden morgen tegen negen uur was ik op weg naar Meester Lindeman. ’Et weer was niet bepaald schitterend, wel droog, maar er woei ’n hevige wind en ’et was tamelijk koud. Ik was zelfs ’n beetje[118]bang, dat onze wandeling er door in duigen zou vallen, maar toen ik bij Meester Lindeman aanschelde, deed-i me zelf open, kant en klaar, en begroette me met ’n vroolijk: „Morgen, Hans! ’n Stevig briesje, hè? Ik heb er tenminste m’n pet maar bij opgezet! Zoo kan ik er tegen!”Z’n opgeruimd gezicht en z’n vroolijke toon maakten, dat ik al wat gerustgesteld raakte over den afloop van z’n gesprek met vader, maar toch bleef ik verlangen, om ’et fijne van de zaak te hooren. Nu, daar hoefde ik niet lang op te wachten. Zooals Meester Lindeman zei, had m’n vader met aandacht naar ’em geluisterd, en wel niet veel geantwoord, en in ’t geheel geen bepaalde belofte gedaan, maar toch ook niet laten blijken, dat-i ’et idee om me van school te nemen zoo totaal onmogelijk vond. Hij zou er ’es goed over denken, had-i aan ’t eind gezegd, en ook ’es met m’nheer Belmans gaan spreken. „En Hans,” zei Meester Lindeman, „geloof jij maar niet, dat je vader niet van je houdt, want toen ik zei, dat ik je er slecht uit vond zien, kon ik duidelijk merken, dat ’em dat hinderde.”We deden dien dag ’n prettige wandeling, al woei ’et op de buitenwegen ook tusschenbeide zoo hard, dat we moeite hadden, om op de been te blijven. Eén keer ging m’n pet er van door, maar na ’n woeste jacht over ’n omgeploegd land, waar ik vijftigmaal struikelde en vijfmaal viel, kreeg Meester Lindeman ’em toch weer te pakken. In ’n soort van boerenherberg aten we onze boterhammen op en kreeg ik van Meester Lindeman ’n glas melk, en later trakteerde hij me nog op ’n kop chocolade. We spraken[119]over alles en nog wat, zongen op ’n stillen weg af en toe samen ’n oud schoolliedje, en ik had ’et best naar m’n zin. Toch zou ik misschien nog meer plezier gehad hebben, als ik niet telkens weer had moeten denken aan wat m’n vader nu eigenlijk doen zou. Maar dat moest ik afwachten. Tegen half vijf nam ik afscheid van Meester Lindeman voor de deur van z’n woning, ik bedankte em, en beloofde ’em dadelijk alles te komen vertellen, zoodra ik iets zekers wist, en stapte naar huis.Thuis vond ik ’n brief van Andries, waarin veel stond van de pret, die-i in Rotterdam had, maar toch ook, dat-i wou, dat ik er bij was, en dat-i naar mij verlangde. Ik begon maar meteen aan ’n antwoord, en besteedde den tijd, die er nog voor ’et eten overbleef, aan ’n tamelijk langen brief, die vroolijker uitviel dan ik gedacht zou hebben. Van m’n ontmoeting met Meester Lindeman vertelde ik natuurlijk wel en ook van onze wandeling, maar over al ’et andere sprak ik niet.Toen m’n vader thuis kwam, zat ik nog te schrijven. Hij kwam even over m’n schouër kijken, gaf me ’n tikje op m’n rug en zei: „Zoo, Hans, schrijf je ’es aan je vrind?” Maar toen ging-i vóór me staan, en keek me aan, veel langer en oplettender, dan-i ooit gedaan had. Ik werd er verlegen van. Eindelijk zei-i: „Nou, ik vind, dat je er nogal goed uitziet! Wat heb je ’n kleur!”„Ja, vader, ik heb in den wind geloopen.”„Gewandeld?”„Ja, vader. Met Meester Lindeman.”„Zoo. Die schijnt wel veel met je op te hebben.”[120]„Ja, vader. Hij is op school altijd erg aardig tegen me geweest.”„Zoo. Maar dat is toch geen reden, dat je naar hem toeloopt, als je denkt, dat je je ergens over te beklagen hebt. Dan kon je bij mij komen.”„Maar, vader, ik ben niet naar ’em toe geloopen. Ik heb ’em toevallig op straat ontmoet.”„Goed. Maar toen heb je ’em toch je nood geklaagd. En aan andere menschen.”„Aan andere menschen, vader?”„Ja, zeker! Ik heb gisterenavond Andries z’n vader gesproken, en die begon ook al over jou. Je schijnt er goed slag van te hebben, om bij vreemde menschen ’n wit voetje te krijgen.”Ik wist niet, wat ik hoorde. Andries z’n vader? Had die over mij gesproken? Dan moest Andries …We werden geroepen om te eten. Aan tafel werd eerst over onverschillige dingen gesproken, maar opeens zei m’n vader tegen m’n moeder:„Ik denk er over, om Hans maar van school te nemen.”M’n moeder zette groote oogen op. „Van school te nemen?”„Ja, als ’et toch niets geeft! Dan is ’et maar geld in ’et water smijten. En als je dan nog te hooren krijgt, dat-i er ziek van zal worden!”M’n moeder ’er oogen werden nog grooter. „Ziek worden? Wie zegt dat dan?”„Wel, Hans z’n vrinden. Menschen, bij wie-i z’n beklag gaat doen, en die mij natuurlijk voor ’n barbaar van ’n vader houën.”Ik wou wat zeggen, maar m’n vader viel me meteen in de rede:[121]„Nee, je hoeft je niet te verdedigen. ’Et is nu eenmaal gebeurd.”„Maar wat wou je dan met den jongen beginnen?” vroeg m’n moeder.„Ik zal zien, dat ik ’em op ’n kantoor krijg. Natuurlijk niet, om dadelijk wat te verdienen, maar in hoofdzaak om te leeren. Misschien is dat voor later nog wel zoo goed. Als de jongens met ’n hoofd vol geleerderigheid van de school komen, staan hun handen gewoonlijk heelemaal verkeerd.”Ik had wel op willen springen van blijdschap. Dat m’n vader zoo gauw toe zou geven, had ik nooit gedacht. Aan dat gemartel op school zou dus ’n eind komen. Toen ’et eten was afgeloopen en m’n vader de krant ging zitten lezen en als gewoonlijk spoedig half indommelde, bleef ik in de kamer en deed, alsof ik ’n boek las, maar eigenlijk loerde ik op ’et oogenblik, dat-i wakker zou worden. Eindelijk gaapte m’n vader ’n paar maal, rekte zich ’es uit, stond op en ging voor den spiegel z’n haar en snor wat in orde maken. Ik ging naar ’em toe, en zei:„Vader!”„Wat is er, Hans?”„Ik dank u wel, dat u me van school wil nemen.”„Als je nou maar beter je best doet, als je op kantoor bent.”„Ja, vader.”„En als er nou weer ’es wat is, zeg ’et dan tegen mij!”„Ja, vader. Maar ik heb er heusch tegen Andries z’n vader nooit iets van gezegd.”„Maar tegen mij ook niet!”[122]„Nee, vader. Dat dorst ik niet. Ik dacht, dat u er boos om zou zijn.”„Boos? Ik ben nooit boos. Maar je vertelt me haast nooit iets. En dan moet ik van andere menschen hooren, dat je zoo’n aardige jongen bent. Ik merk niet veel van die aardigheid.”„Maar ik zie u haast nooit, vader.”„Ja, ik kan niet helpen, dat ik ’et altijd zoo druk heb. Maar vroeger ging je toch ’s Zondags nog wel ’es met me wandelen.”„Maar dat zou ik nog heel graag willen, vader.”„Zoo. Nou, laten we dan overmorgen gaan, als ’et tenminste goed weer is.”„Als’tublieft, vader!”Ik zou je van m’n schooljaren vertellen, en dus moet ik hier eindigen. Want naar school ging ik niet meer. Na de Paaschvacantie bleef ik nog ’n paar weken thuis, en den 1en Mei kwam ik in betrekking op ’n groot tabakskantoor. Een van de patroons was ’n kennis van m’n vader, en al vond ik ’et werk daar ook soms wel wat eentonig, ’et beviel me er duizend percent beter dan op school. Ik had vrij veel vrijen tijd, ook al moest ik in de avonduren nog ’n paar privaatlessen nemen in dingen, die voor m’n betrekking later noodig zouën zijn. Wel bleef ik in stilte nog altijd bij m’n voornemen, om, als ik groot was, tooneelspeler te worden, maar ik sprak er met niemand over en mopperde nooit.Andries en ik bleven dikke vrinden, en ik kwam nog even geregeld bij ’em thuis als vroeger. Ook Meester Lindeman zag ik dikwijls, want van hèm[123]was ’et, dat ik een van m’n privaatlessen kreeg.De wandeling, die m’n vader me beloofd had, vond werkelijk plaats, en ’et bleef niet de eenige. Al was ’et niet elke week, toch trokken we er vrij vaak samen op uit, en ook in huis bemoeide m’n vader zich meer met me dan vroeger. En wanneer ik ’em dan van m’n kantoor vertelde, of van ’n stuk, dat ik gezien had, en hij naar me luisterde of om me lachte, dan benijdde ik Andries niet langer om z’n ouërs.Zooals ik je in ’et begin zei, heb ik altijd veel van vertellen gehouën. Wat ik vroeger met m’n mond deed, heb ik nu met ’n pen gedaan, voor ’et eerst van m’n leven. Mij is ’et best bevallen. Als ’et jou ook bevallen is, zal je nog wel ’es meer van me hooren. Want ik heb je eigenlijk nog heel veel te vertellen, en wel in de eerste plaats, hoe ik aan m’n tegenwoordig beroep gekomen ben.Want tooneelspeler ben ik toch geworden![125]

V.Van ’n ongelukkigen tijd, ’n onverwachte ontmoeting en ’n groote verandering.

M’n vriendschap met Andries en alles, wat daar ’et gevolg van was, had dus wel ’n prettige verandering in m’n leven gebracht. En toch, hoeveel verrukkelijke uurtjes me die eerste tijd van m’n omgang met hem en z’n ouërs ook bracht, ik heb me in den[103]loop van dat jaar ook dikwijls, heel dikwijlsongelukkiggevoeld, ongelukkiger eigenlijk dan ooit in vroegere of latere jaren. Hoe dat zoo kwam, zal ik je nu vertellen.Om met ’et minst erge te beginnen, daar was in de eerste plaats m’n school. Met den dag voelde ik me minder opgewassen tegen ’et werk, dat daar van me verlangd werd. De sommen en thema’s, die ik telkens en telkens weer over moest maken, groeiden langzaam maar zeker aan tot ’n berg, die onmogelijk meer om door te komen was. ’Et hagelde extra-uren op m’n arm hoofd; nu ’es moest ik wekenlang ’s morgens om acht in plaats van om negen uur komen, dan weer geregeld van vier tot vijf blijven, zoodat ik naar huis moest rennen, in tien minuten m’n eten naar binnen slaan, en dan terugdraven, om met ’n steek in m’n zij om zes uur weer aan ’et werk te trekken. M’n Woensdagmiddagen werden me zoo goed als allemaal, m’n Zaterdagmiddagen vaak genoeg afgenomen. En als al die moeite nu nog maar ’n beetje beloond was geworden. Maar ik voelde me eigenlijk voortdurend dommer worden en ’et was volstrekt geen zeldzaamheid, dat ik in ’n thema, die ik voor den derden of vierden keer over moest maken, meer fouten had dan toen ik ’em voor de eerste maal maakte.’Et was dus te begrijpen, dat ik zachtjesaan ’n gruwelijken hekel aan school kreeg. Er kwamen gedachten bij me op, zooals er vroeger nooit in m’n hoofd gekomen waren, die me zelf in ’et begin zoo vreemd en slecht leken, dat ze me haast bang voor me zelf maakten. „Als die ellendige school ’es afbrandde!” of „als m’nheer Belmans ’es erg ziek werd!”[104]waren nog ’n paar van de onschuldigste. Wat ik nooit geweest was, onverschillig, werd ik nu. Ik wist zoo zeker, dat al m’n inspanning toch geen snars zou helpen, dat ik me niet meer inspande. Of m’n onderwijzer of m’nheer Belmans teleurgesteld keken of mopperden of standjes gaven of op hun poot speelden, ’et liet me zoo koud als ijs. Kortom, ik keek hen en m’n boeken en m’n schriften en m’n heele school aan met oogen vol haat, die ze alle met elkaar zou vernietigd hebben, als-i niet zoo machteloos geweest was.Natuurlijk wist Andries dit allemaal even goed als ik, en beklaagde die me en troostte die me, zoo goed-i kon. Ook was-i altijd klaar, om me te helpen, en ’n enkele maal kon ik door ’et werk over te schrijven, dat hij vooraf voor me gemaakt had, aan ’n paar dreigende extra-uren ontkomen. Maar ’et spreekt van zelf, dat dit niet altijd ging.En toch, die narigheid op school, al nam-i ’et grootst aantal uren in beslag, was niet ’et ergste. Er waren dan toch nog Zondagen en vrije avonden, waarop ik daaraan ook werkelijk niet dacht. Maar er was iets anders, dat me nooit met rust liet, dat maakte, dat ik me altijd ongelukkig voelde, ook in dien vrijen tijd en dan juist ’et meest, dat me zelfs niet rustig liet slapen en soms m’n prettigste oogenblikken bij Andries aan huis of in den schouwburg plotseling vergalde, ’et gevoel, dat ik thuis door m’n ouërs niet behandeld werd zooals ’et hoorde.Niet, dat er bij me thuis iets veranderd was! Alles ging z’n ouë gangetje: m’n moeder klaagde over ’er zenuwen en m’n vader was in z’n zaak of uit, en ik[105]ging m’n eigen gang en was zóó vrij, dat ik geloof, dat m’n ouërs ’et niet eens gemerkt zouën hebben, als ik ’es ’n keer den heelen nacht uitgebleven was. Aan al die dingen was ik van jongs af gewend geweest en ik had er nooit iets bijzonders bij gedacht en alles genomen, zooals ’et was. Maar sedert ik bij Andries aan huis kwam en daar zag, hoe die z’n ouërs tegen hem waren, en hoe ze met elkaar omgingen, nu begon ik te voelen, dat mij iets ontbrak, dat ik thuis iets miste, en dat gevoel werd hoe langer hoe sterker. Ik kreeg ’n diep medelijden met me zelf: wat alle andere kinderen van hun ouërs ondervonden, liefde en hartelijkheid, dat werd mij onthouden. Wat voor aardigheid of gezelligheid was er ooit bij mij thuis; we kwamen er eigenlijk allemaal alleen maar om te eten en te slapen, en verder leefden we haast als drie vreemde menschen, die ’es ’n enkelen keer ’n paar woorden met mekaar wisselden, en dan nog lang niet altijd vriendelijke woorden. En ook over m’n huis, over m’n vader en m’n moeder kwamen leelijke gedachten bij me op, die ik wel weer probeerde weg te denken en waarvoor ik me schaamde, maar die me toch vaak norsch en brutaal tegen m’n ouërs maakten, wat ik vroeger nooit geweest was.’Et duurde vrij lang, vóórdat ik ook over deze dingen m’n hart bij Andries uitstortte. Misschien zou ik ’et nooit gedaan hebben, als ik ’et niet noodig gevonden had, om ’em begrijpelijk te maken, waarom ik ’em nooit weerom inviteerde. Maar ik vond ’et zòo ellendig, dat ik altijd maar bij hem aan huis kwam en allerlei pretjes had, en hem nooit terug kon vragen, dat ik er eindelijk over begon. En toen ik eenmaal[106]met m’n vriendje over m’n huiselijke narigheden gesproken had, deed ik dat telkens weer, en als m’n vader of m’n moeder iets gezegd of gedaan hadden, dat ik bizonder onaardig of onhartelijk vond, dan verzuimde ik nooit om ’em dat te vertellen. Veel wist Andries er niet op te zeggen. Waarschijnlijk kon-i zich van ’n omgang als bij ons thuis moeilijk ’n voorstelling maken. Hij deed dus gewoonlijk alleen maar z’n best, om me op andere gedachten te brengen, door over wat anders te beginnen, en om door z’n eigen hartelijkheid me m’n gemis thuis te vergoeden. Ja, ’et leek me tusschenbeide wel ’es toe, alsof Andries er thuis ook over gesproken had, want ik meende in de manier, waarop z’n moeder me soms kon aankijken, iets van medelijden te zien. Ik kan me dat intusschen wel verbeeld hebben, maar dat ze, als ’et mogelijk was, nog liever en vriendelijker voor me was als in ’et begin, is zeker. Ik hield dan ook zooveel van ’er, dat ik rijk had willen wezen, om prachtige cadeautjes voor ’er te koopen. Maar alles, wat ik doen kon, was, m’n dubbeltje zakgeld zuinig te bewaren, en van tijd tot tijd ’es wat bloemen voor ’er te koopen, die naast de vele mooie, die Andries z’n vader geregeld voor haar meebracht, toch maar ’n poover figuur maakten.Zoo ging de eene maand na de andere voorbij: thuis alles bij ’et ouë, op school van week tot week ellendiger, en m’n stemming hoe langer hoe slechter. Had ik Andries niet gehad, dan geloof ik wezenlijk, dat ik den een of anderen dag van huis weggeloopen zou zijn of iets anders krankzinnigs gedaan zou hebben.Hoe dat eigenlijk met ’et stelsel van de stoomerij[107]overeen te brengen was, snap ik niet recht, maar we hadden op ’et instituut Belmans lange vacanties. Dat was tenminste één lichtpuntje. Ik had dan ook al weken en weken verlangend naar de Paaschvacantie uitgezien, die ’n dag of zestien duren zou. ’Et denken daaraan had me eigenlijk alleen op de been gehouën, want ’et ging in den laatsten tijd op school werkelijk zòo allertreurigst, dat ’et me nu nog verwondert, dat de onderwijzer me de boeken niet naar m’n hoofd smeet en me op straat zette.We zullen nog ’n dag of zes van de vacantie af geweest zijn, toen Andries me ’s morgens bij ’t naar school gaan met ’n nieuwtje verraste, dat voor mij niet minder dan ’n Jobstijding was. Hij en z’n moeder zouën voor ’n dag of veertien naar Rotterdam gaan, om daar bij menschen, die ze kenden, te logeeren. Ik kon wel aan Andries merken, dat-i ’et in z’n hart prettig vond, maar omdat-i wel begreep, dat ’et voor mij allesbehalve prettig was, sprak-i er zoo weinig mogelijk over. ’Et was voor mij dan ook ’n vreeselijke teleurstelling. We hadden samen al allerlei plannetjes gemaakt; één keer zou ik zeker mee naar den schouwburg gegaan zijn, en nu kwam die akelige logeerpartij uit de lucht vallen en alles bederven. M’n humeur werd er natuurlijk niet beter op, en ik moest me heel erg inspannen, om er tegenover Andries niet al te veel van te laten merken. Als ’et niet zoo’n goeïe jongen geweest was, zou ’et tusschen ons beiden toch misschien mis geworden zijn, want al dee ik nog zoo m’n best, kortaf en kribberig en vervelend was ik telkens, ook tegen hem.Dinsdags om twaalf uur begon onze vacantie en[108]nog dienzelfden middag vertrok Andries met z’n ouërs naar Rotterdam. Z’n vader zou maar voor een of twee dagen meegaan, geloof ik, en dan in z’n eentje terugkomen. Ik had gezegd, dat ik aan ’et station zou komen, om ze daar goeïe reis te wenschen. Maar toen ik thuis koffie gedronken had, raakte ik weer in zoo’n verdrietige bui, dat ik besloot om ’et niet te doen. Wat had ik met die gelukkige menschen te maken! Daar hoorde ik niet bij! Ik moest maar liever heelemaal niet meer met Andries omgaan. Die was knap op school, die had ’n moeder en ’n vader, die lief en hartelijk tegen ’em waren, die ging logeeren bij aardige, vroolijke menschen, die zou ’n heerlijke vacantie hebben! En ik! Daar zat ik weer, moederziel alleen, in onze ongezellige, veel te groote huiskamer! Ik bleef hangen en mokken tot bij drieën. En toen begon ik ineens te denken, dat ik in elk geval toch niet de minste reden had, om onaardig te zijn tegen Andries of z’n lieve moeder, en dat ’et tegenover hen heel onbehoorlijk was, om m’n belofte niet te houën. En hoewel ik eigenlijk wel had kunnen begrijpen, dat ’et niet meer gaan zou, zette ik m’n pet op en rende als ’n krankzinnige toch nog naar ’et station. Maar al liep ik ook nog zoo hard, ’n afstand van ruim ’n half uur kon ik niet in ’n minuut of acht afleggen, en toen ik met ’n hoofd als ’n rooïe kool en ’n bonzend hart aan ’et station kwam, was de trein van Andries in geen velden of wegen meer te zien. Woedend op mezelf en de heele wereld ging ik op ’n bank op ’et perron zitten, om ’n beetje op adem te komen, en slenterde toen naar huis.De twee of drie eerste dagen van de vacantie waren[109]eenvoudig verschrikkelijk. Ik leefde mezelf in den weg. Ik had geen lust, om iets te doen. ’n Paar boeken, die Andries me als ’n kleinen troost geleend had, verveelden me al, als ik twee bladzijden gelezen had. Natuurlijk lag dat niet aan de boeken, maar aan mezelf. Ik hing op ’n stoel of op de canapé met m’n hoofd in m’n hand, of ging op klaarlichten dag languit op m’n bed liggen. Ik grauwde en snauwde tegen m’n huisgenooten en liep in ’n plasregen de straat op, expres om me nat te laten regenen, wat me dan ook zoo goed lukte, dat ik me, toen ik terug kwam, van hoofd totteenenmoest verschoonen. Ik kreeg ’n paar prentbriefkaarten van Andries, maar die smeet ik, haast zonder ze te bekijken, in ’n hoek.Ging ik op ’n bank op ’et perron zitten.Ging ik op ’n bank op ’et perron zitten.Op den morgen van den vierden dag was ik weer[110]’es de straat op geloopen en had ’n uur lang met m’n ziel onder m’n arm door de stad geslenterd, zonder eigenlijk zelf te weten, waar ik liep. Ik stond te kijken voor ’n boekwinkel, meer uit gewoonte dan wel om werkelijk iets te zien, toen ik ineens ’n luide stem achter me hoorde: „Zoo, Hans, wat heb ik jou in lang niet gezien!” Ik hoefde me niet eens om te draaien, om te weten, wie me daar aansprak. Dat was de stem van meester Lindeman. Ik zei ’em goeïendag en-i gaf me ’n hand.„En hoe staat ’et leven?”„Goed m’nheer!”„Je bent lang geworden. Maar ik vind je er toch niet zoo goed uitzien als vroeger. Ben je ziek geweest?”„Nee, m’nheer.”„Zoo, des te beter! En waar ben je nu op school?”„Op ’n instituut, m’nheer. Bij Belmans op de Veergracht.”„Zoo, ben je daar? En bevalt ’et je daar goed?”„Och ja, m’nheer.”„En nu heb je zeker ook vacantie? Moet je ergens naar toe?”„Nee, m’nheer, ik loop maar wat.”„Nu, loop dan ’n eindje met me mee! En vertel me ’es wat van je school en zoo. Je lijkt me zoo stil geworden. We zijn toch altijd samen goeïe vrienden geweest, niet Hans?”Ik liep dus naast meester Lindeman voort, en probeerde, ’em op ’n onverschilligen toon ’et een en ander te vertellen, niet van wat ik werkelijk dacht en voelde, maar zoo ’et uitwendige van de dingen.[111]Maar ’et ging niet. ’Et vriendelijke gezicht van m’n ouën meester deed al ’et verdriet en al ’et stille gemok, waarmee ik den laatsten tijd had rondgeloopen, tot ’n uitbarsting komen. Ik brak midden in m’n vertellen af, en zei snikkende: „O m’nheer, ik ben zoo ongelukkig!”Meester Lindeman keek me verbaasd aan. Hij zei echter niets anders dan ’n paar maal: „Wel, Hans!” en sloeg zoo gauw mogelijk ’n stille dwarsstraat met me in, dat niet alle menschen m’n behuilde gezicht zouën zien. Zonder iets te zeggen liepen we ’n eind naast elkaar voort. Toen zei-i:„Wil je mee naar m’n huis gaan, Hans? Dan kunnen we ’es samen praten.”Toen we aan z’n huis kwamen, sloot meester Lindeman z’n deur open, en bracht me dadelijk naar ’n kamer, waar niemand anders was. Ik was daar blij om, want ik zou op dat oogenblik niet graag met z’n vrouw of z’n dochtertje hebben moeten praten. Toen liet-i me even alleen, maar kwam dadelijk terug met ’n glas water. Ik dronk wat, veegde m’n betraande oogen af, en kwam ’n beetje tot bedaren. Meester Lindeman ging tegenover me zitten, en zei na ’n poosje:„Nu, Hans, vertel me nu maar ’es, wat je op je hart hebt. Misschien kan ik je helpen of je ’n goeïen raad geven. En al kan ik dat niet, dan is ’et toch beter, dat je alles ’es vrijuit zegt, dan dat je er zoo in stilte mee rondloopt. Dat heb ik zelf ook dikwijls ondervonden, als ik ’es verdriet had.”En ik begon te vertellen, van m’n school en van m’n huis, eerst nog ’n beetje hakkelend, maar langzamerhand[112]vlotter, en ik zei eerlijk alles, wat ik gedacht en gevoeld had. Meester Lindeman luisterde toe met ’n vriendelijk-ernstig gezicht, knikte me nu en dan ’es toe, maar viel me geen enkele maal in de rede. Toen ik uitgesproken had, stond-i op, stapte ’n paar keer de kamer op en neer, bleef toen voor me staan en zei:„Zoo, Hans, nu moet je ’es naar mij luisteren. Je hebt me daar over twee dingen gesproken, over je school en over je huis, die we eventjes afzonderlijk zullen houën. Dat zoo’n instituut Belmans niet geschikt voor jou is, dat hoef je mij niet te vertellen. Dat weet ik wel. Evenmin als de Hoogere Burgerschool geschikt voor je zou geweest zijn. Je weet, dat ik indertijd je vader ’n brief geschreven heb. Nu, daar stond dat ook in. Je vader heeft daar toen niet op geantwoord, en ’et spijt me, dat ik toen niet zelf naar ’em toe gegaan ben. Want zulke dingen kan je toch ’et beste mondeling bespreken. En daarom zal ik dat verzuim goed maken. Ik zal nù naar je vader toegaan, om ’es met ’em over je te praten. Ik zal je ’n briefje meegeven, om te vragen, wanneer je vader me even ontvangen kan. Want van dat instituut moet je af, hoe eer hoe beter. Je kàn wel leeren, maar niet alles even makkelijk, en die instamperij met stoom zou je suf maken. En ziek bovendien! Je ziet er wezenlijk slecht uit. En dat moet je vader toch ook zelf inzien.”„Maar moet ik dan weer naar ’n andere school?” vroeg ik.„Ja, dat weet ik niet! Misschien was ’et wel ’et beste, als je … maar daar zal ik met je vader wel[113]’es over praten. Wat wou je eigenlijk graag worden? Of heb je daar nog nooit over nagedacht?”„Tooneelspeler!” zei ik.Meester Lindeman keek me met ’n paar groote oogen aan. „Tooneelspeler? Hoe kom je daar zoo bij?”Ik vertelde ’em nu van m’n vriendje Andries en z’n vader, en van m’n kennismaking met den schouwburg. Hij luisterde weer geduldig en oplettend, en zei toen:„Ja, Hans, van die dingen heb ik heelemaal geen verstand. Daar kan ik je dus geen raad in geven. In elk geval ben je op ’et oogenblik toch nog veel te jong, om tooneelspeler te worden. En zou je geen lust hebben in ’n andere betrekking?”„Och, dat weet ik niet, m’nheer. Ik zou in elk geval erg blij wezen, als ik van school af was.”„Precies! Dat dacht ik ook! Dus als ik je vader nu ’es wist te bewegen, om je van school te nemen, en je bijvoorbeeld op ’n kantoor te doen, om daar de werkzaamheden te leeren, dan zou je dat wel willen?”„O ja, m’nheer!”„En dan zou je daar je best doen?”„Ja, m’heer, als ik dan later … ”„Nee, laten we dat „later” nu maar laten rusten. Dat is dus afgesproken. En nu dat andere, waar je me over gesproken hebt. ’Et is eigenlijk niet zoo makkelijk, om daarover te praten. Maar ik wil er toch ’n paar dingen over zeggen. Je bent zoo’n kleine jongen niet meer, dus ik denk, dat je me wel zult begrijpen. Kijk ’es, ik heb in m’n leven dit ondervonden: als de eene mensch zich over den ander beklaagt, dan heeft in de meeste gevallen de klager[114]evenveel of nog grooter schuld dan die ander. En als ik daarom zelf dacht, dat ik reden had om over iemand ontevreden te zijn, dan begon ik te zoeken, of ’et misschien ook aan mij kon liggen. En, geloof me, Hans, haast altijd vond ik, dat ’et werkelijk zoo was.”„Maar, m’nheer, ik …”„Nee, Hans, er verder met je over praten, doe ik niet! Denk maar ’es rustig na, over wat ik je gezegd heb en maak dan met je zelf uit, of je er je voordeel mee kan doen. En nu nog één ding: stel je ’es voor, Hans, dat ik heel graag wou, dat iemand veel van me hield. Wat zou ik dan moeten doen? Naar ’em toe gaan en kommandeeren: Hou van me? Ik denk niet, dat dat veel helpen zou. Waarom hou je veel van je vriendje?”„Omdat ’et zoo’n aardige jongen is.”„Precies! Aardig en hartelijk! Tegen anderen en tegen jou! Nu, en laten we er nu verder over zwijgen! Ik zal je vader vragen, of ’et goed is, als ik van avond even bij ’em kom. Tot hoe laat is-i thuis?”„Tot ’n uur of acht, m’nheer.”„Goed, dan kom ik om half acht! En ga je morgen ’es ’n ferme wandeling met me doen?”„Als ’et u blieft, m’nheer!”„Mooi! Kom me dan om negen uur halen en steek ’n paar boterhammen bij je. En zeg dan thuis, dat we om ’n uur of vijf terug komen. Ik moet m’n beenen ook weer ’es wat werk geven.”Meester Lindeman schreef ’n briefje, ik bedankte ’em voor z’n moeite en z’n raad, en stapte naar huis.Dien heelen middag dacht ik over ons gesprek na.[115]Van ’et bezoek van Meester Lindeman bij m’n vader stelde ik me wel niet al te veel voor, maar ’et leek me toch niet onmogelijk, dat ’et wat zou uitwerken. ’Et was in elk geval beter, dan dat ik zelf over m’n school moest beginnen te klagen. Meester Lindeman was toch ook onderwijzer, en zelf had-i bij de zaak heelemaal geen belang: misschien zou m’n vader dus aan wat-i zei toch wel wat waarde hechten. Ik vond ’et in elk geval aardig van ’em, dat-i die moeite voor me wou doen, en dat ik den volgenden dag met ’em mocht wandelen, vond ik heerlijk.Met ’et andere, wat Meester Lindeman gezegd had, was ik in ’et eerst niet zoo ingenomen. Ik moest de fout bij mezelf zoeken. Maar wat deed ik dan toch voor kwaad? Nu ja, in de laatste maanden was ik brommerig en snauwerig thuis, maar dat was ik vroeger toch niet. En ondeugend of ongehoorzaam was ik eigenlijk nooit geweest. Als me thuis iets gezegd werd, deed ik ’et, en plagerig van aard of levenmakerig was ik niet.Maar hoe langer ik er over nadacht, hoe meer ik toch begon te voelen, dat er aan mijn kant ook wel ’n beetje schuld kon zijn. Toen ik nog jonger was, vroeg ik m’n vader dikwijls, of ik met ’em mee mocht, en dat gebeurde wel lang niet altijd, maar toch nu en dan. En bij die wandelingen of onder ’et eten vertelde ik vroeger vaak dingen van school of andere dingen, waar m’n hart vol van was, en daar kon m’n vader toch soms wel met plezier naar luisteren. En ik dacht nog weer aan den dag, dien m’n vader bij me in Zandvoort had doorgebracht, en hoe gezellig die geweest was. En ik kwam tot ’et besluit, dat ik[116]in ieder geval probeeren zou, me thuis ’n beetje aangenamer te maken.Dat goeïe voornemen had al dadelijk tot gevolg, dat m’n stemming beter werd, dan ze de laatste dagen geweest was, en dat ik lust kreeg, om ’n briefkaart aan Andries te schrijven en verder voor den eten nog ’n uurtje te gaan lezen. Toen m’n vader thuis kwam, zei ik ’em vriendelijker goeïendag als ik in lang gedaan had en ’et leek me toe, dat zijn „Dag Hans” ook vriendelijker klonk. Meteen gaf ik ’em m’n briefje. Hij las ’et, en zei:„Lindeman? Wie is dat?”„Dat is ’n onderwijzer van m’n vorige school, vader.”„En hoe kom je aan dat briefje?”„Dat heeft m’nheer me voor u meegegeven.”„Ben je dan naar ’em toe geweest?”„Nee, vader; ik heb ’em op straat ontmoet.”„Zoo! En waarover wou-i me spreken?”„Ik … ik geloof … over m’n school, vader.”„Over je school? Dat snap ik niet. Wat heeft die m’nheer Lindeboom met je tegenwoordige school te maken?”„Lindeman, vader.”„Nu ja! Enfin, we zullen ’et wel hooren! Als de man maar niet al te lang van stof is. Want veel tijd heb ik niet.”Ik begreep dus, dat m’n vader Meester Lindeman wou ontvangen. Dat was al wàt gewonnen. We gingen eten. Ik deed m’n best, om spraakzamer te zijn dan gewoonlijk, en vertelde, dat ik den volgenden dag ’n verre wandeling ging maken en natuurlijk[117]ook met wien. Vader zei, dat schoolmeesters toch maar ’n makkelijk baantje hadden met die lange vacanties, en m’n moeder vroeg, of ik dan niet met Andries ging. Nu vertelde ik van dien z’n logeeren in Rotterdam, en zoo werd er dien middag aan tafel meer gesproken, als in ’n heelen tijd gebeurd was.Precies om half acht kwam Meester Lindeman. M’n moeder was naar ’er kamer gegaan, en natuurlijk bleef ik ook niet bij ’et gesprek. Ik was met m’n boek naar boven gegaan, maar ik was te zenuwachtig om te kunnen lezen. Half en half verwachtte ik, dat ik naar beneden geroepen zou worden, maar dat gebeurde niet. Ik bleef dus maar luisteren, niet om iets van ’et gesprek te verstaan, want dat was onmogelijk, maar om te hooren, wanneer de bezoeker heen zou gaan. ’Et duurde lang, veel langer, dan ik gedacht had. Eindelijk, ’et was dicht bij half negen, hoorde ik stemmen in de gang, en ’n oogenblik later sloeg de straatdeur dicht. Ik dacht nu, dat m’n vader me wel roepen zou, maar dat deed-i niet. Ik had wel naar hem toe kunnen gaan, maar daar zag ik toch ’n beetje tegen op. ’Et duurde intusschen geen tien minuten, of ik hoorde voor de tweede maal de straatdeur dichtslaan, en ik begreep, dat m’n vader vertrokken was. Ik zou dus nog niet te weten komen, wat er over m’n lot beslist was. Maar morgen! Dan zou Meester Lindeman me alles vertellen! Ik las nog ’n half uurtje, en ging tijdig naar bed.Den volgenden morgen tegen negen uur was ik op weg naar Meester Lindeman. ’Et weer was niet bepaald schitterend, wel droog, maar er woei ’n hevige wind en ’et was tamelijk koud. Ik was zelfs ’n beetje[118]bang, dat onze wandeling er door in duigen zou vallen, maar toen ik bij Meester Lindeman aanschelde, deed-i me zelf open, kant en klaar, en begroette me met ’n vroolijk: „Morgen, Hans! ’n Stevig briesje, hè? Ik heb er tenminste m’n pet maar bij opgezet! Zoo kan ik er tegen!”Z’n opgeruimd gezicht en z’n vroolijke toon maakten, dat ik al wat gerustgesteld raakte over den afloop van z’n gesprek met vader, maar toch bleef ik verlangen, om ’et fijne van de zaak te hooren. Nu, daar hoefde ik niet lang op te wachten. Zooals Meester Lindeman zei, had m’n vader met aandacht naar ’em geluisterd, en wel niet veel geantwoord, en in ’t geheel geen bepaalde belofte gedaan, maar toch ook niet laten blijken, dat-i ’et idee om me van school te nemen zoo totaal onmogelijk vond. Hij zou er ’es goed over denken, had-i aan ’t eind gezegd, en ook ’es met m’nheer Belmans gaan spreken. „En Hans,” zei Meester Lindeman, „geloof jij maar niet, dat je vader niet van je houdt, want toen ik zei, dat ik je er slecht uit vond zien, kon ik duidelijk merken, dat ’em dat hinderde.”We deden dien dag ’n prettige wandeling, al woei ’et op de buitenwegen ook tusschenbeide zoo hard, dat we moeite hadden, om op de been te blijven. Eén keer ging m’n pet er van door, maar na ’n woeste jacht over ’n omgeploegd land, waar ik vijftigmaal struikelde en vijfmaal viel, kreeg Meester Lindeman ’em toch weer te pakken. In ’n soort van boerenherberg aten we onze boterhammen op en kreeg ik van Meester Lindeman ’n glas melk, en later trakteerde hij me nog op ’n kop chocolade. We spraken[119]over alles en nog wat, zongen op ’n stillen weg af en toe samen ’n oud schoolliedje, en ik had ’et best naar m’n zin. Toch zou ik misschien nog meer plezier gehad hebben, als ik niet telkens weer had moeten denken aan wat m’n vader nu eigenlijk doen zou. Maar dat moest ik afwachten. Tegen half vijf nam ik afscheid van Meester Lindeman voor de deur van z’n woning, ik bedankte em, en beloofde ’em dadelijk alles te komen vertellen, zoodra ik iets zekers wist, en stapte naar huis.Thuis vond ik ’n brief van Andries, waarin veel stond van de pret, die-i in Rotterdam had, maar toch ook, dat-i wou, dat ik er bij was, en dat-i naar mij verlangde. Ik begon maar meteen aan ’n antwoord, en besteedde den tijd, die er nog voor ’et eten overbleef, aan ’n tamelijk langen brief, die vroolijker uitviel dan ik gedacht zou hebben. Van m’n ontmoeting met Meester Lindeman vertelde ik natuurlijk wel en ook van onze wandeling, maar over al ’et andere sprak ik niet.Toen m’n vader thuis kwam, zat ik nog te schrijven. Hij kwam even over m’n schouër kijken, gaf me ’n tikje op m’n rug en zei: „Zoo, Hans, schrijf je ’es aan je vrind?” Maar toen ging-i vóór me staan, en keek me aan, veel langer en oplettender, dan-i ooit gedaan had. Ik werd er verlegen van. Eindelijk zei-i: „Nou, ik vind, dat je er nogal goed uitziet! Wat heb je ’n kleur!”„Ja, vader, ik heb in den wind geloopen.”„Gewandeld?”„Ja, vader. Met Meester Lindeman.”„Zoo. Die schijnt wel veel met je op te hebben.”[120]„Ja, vader. Hij is op school altijd erg aardig tegen me geweest.”„Zoo. Maar dat is toch geen reden, dat je naar hem toeloopt, als je denkt, dat je je ergens over te beklagen hebt. Dan kon je bij mij komen.”„Maar, vader, ik ben niet naar ’em toe geloopen. Ik heb ’em toevallig op straat ontmoet.”„Goed. Maar toen heb je ’em toch je nood geklaagd. En aan andere menschen.”„Aan andere menschen, vader?”„Ja, zeker! Ik heb gisterenavond Andries z’n vader gesproken, en die begon ook al over jou. Je schijnt er goed slag van te hebben, om bij vreemde menschen ’n wit voetje te krijgen.”Ik wist niet, wat ik hoorde. Andries z’n vader? Had die over mij gesproken? Dan moest Andries …We werden geroepen om te eten. Aan tafel werd eerst over onverschillige dingen gesproken, maar opeens zei m’n vader tegen m’n moeder:„Ik denk er over, om Hans maar van school te nemen.”M’n moeder zette groote oogen op. „Van school te nemen?”„Ja, als ’et toch niets geeft! Dan is ’et maar geld in ’et water smijten. En als je dan nog te hooren krijgt, dat-i er ziek van zal worden!”M’n moeder ’er oogen werden nog grooter. „Ziek worden? Wie zegt dat dan?”„Wel, Hans z’n vrinden. Menschen, bij wie-i z’n beklag gaat doen, en die mij natuurlijk voor ’n barbaar van ’n vader houën.”Ik wou wat zeggen, maar m’n vader viel me meteen in de rede:[121]„Nee, je hoeft je niet te verdedigen. ’Et is nu eenmaal gebeurd.”„Maar wat wou je dan met den jongen beginnen?” vroeg m’n moeder.„Ik zal zien, dat ik ’em op ’n kantoor krijg. Natuurlijk niet, om dadelijk wat te verdienen, maar in hoofdzaak om te leeren. Misschien is dat voor later nog wel zoo goed. Als de jongens met ’n hoofd vol geleerderigheid van de school komen, staan hun handen gewoonlijk heelemaal verkeerd.”Ik had wel op willen springen van blijdschap. Dat m’n vader zoo gauw toe zou geven, had ik nooit gedacht. Aan dat gemartel op school zou dus ’n eind komen. Toen ’et eten was afgeloopen en m’n vader de krant ging zitten lezen en als gewoonlijk spoedig half indommelde, bleef ik in de kamer en deed, alsof ik ’n boek las, maar eigenlijk loerde ik op ’et oogenblik, dat-i wakker zou worden. Eindelijk gaapte m’n vader ’n paar maal, rekte zich ’es uit, stond op en ging voor den spiegel z’n haar en snor wat in orde maken. Ik ging naar ’em toe, en zei:„Vader!”„Wat is er, Hans?”„Ik dank u wel, dat u me van school wil nemen.”„Als je nou maar beter je best doet, als je op kantoor bent.”„Ja, vader.”„En als er nou weer ’es wat is, zeg ’et dan tegen mij!”„Ja, vader. Maar ik heb er heusch tegen Andries z’n vader nooit iets van gezegd.”„Maar tegen mij ook niet!”[122]„Nee, vader. Dat dorst ik niet. Ik dacht, dat u er boos om zou zijn.”„Boos? Ik ben nooit boos. Maar je vertelt me haast nooit iets. En dan moet ik van andere menschen hooren, dat je zoo’n aardige jongen bent. Ik merk niet veel van die aardigheid.”„Maar ik zie u haast nooit, vader.”„Ja, ik kan niet helpen, dat ik ’et altijd zoo druk heb. Maar vroeger ging je toch ’s Zondags nog wel ’es met me wandelen.”„Maar dat zou ik nog heel graag willen, vader.”„Zoo. Nou, laten we dan overmorgen gaan, als ’et tenminste goed weer is.”„Als’tublieft, vader!”Ik zou je van m’n schooljaren vertellen, en dus moet ik hier eindigen. Want naar school ging ik niet meer. Na de Paaschvacantie bleef ik nog ’n paar weken thuis, en den 1en Mei kwam ik in betrekking op ’n groot tabakskantoor. Een van de patroons was ’n kennis van m’n vader, en al vond ik ’et werk daar ook soms wel wat eentonig, ’et beviel me er duizend percent beter dan op school. Ik had vrij veel vrijen tijd, ook al moest ik in de avonduren nog ’n paar privaatlessen nemen in dingen, die voor m’n betrekking later noodig zouën zijn. Wel bleef ik in stilte nog altijd bij m’n voornemen, om, als ik groot was, tooneelspeler te worden, maar ik sprak er met niemand over en mopperde nooit.Andries en ik bleven dikke vrinden, en ik kwam nog even geregeld bij ’em thuis als vroeger. Ook Meester Lindeman zag ik dikwijls, want van hèm[123]was ’et, dat ik een van m’n privaatlessen kreeg.De wandeling, die m’n vader me beloofd had, vond werkelijk plaats, en ’et bleef niet de eenige. Al was ’et niet elke week, toch trokken we er vrij vaak samen op uit, en ook in huis bemoeide m’n vader zich meer met me dan vroeger. En wanneer ik ’em dan van m’n kantoor vertelde, of van ’n stuk, dat ik gezien had, en hij naar me luisterde of om me lachte, dan benijdde ik Andries niet langer om z’n ouërs.Zooals ik je in ’et begin zei, heb ik altijd veel van vertellen gehouën. Wat ik vroeger met m’n mond deed, heb ik nu met ’n pen gedaan, voor ’et eerst van m’n leven. Mij is ’et best bevallen. Als ’et jou ook bevallen is, zal je nog wel ’es meer van me hooren. Want ik heb je eigenlijk nog heel veel te vertellen, en wel in de eerste plaats, hoe ik aan m’n tegenwoordig beroep gekomen ben.Want tooneelspeler ben ik toch geworden![125]

M’n vriendschap met Andries en alles, wat daar ’et gevolg van was, had dus wel ’n prettige verandering in m’n leven gebracht. En toch, hoeveel verrukkelijke uurtjes me die eerste tijd van m’n omgang met hem en z’n ouërs ook bracht, ik heb me in den[103]loop van dat jaar ook dikwijls, heel dikwijlsongelukkiggevoeld, ongelukkiger eigenlijk dan ooit in vroegere of latere jaren. Hoe dat zoo kwam, zal ik je nu vertellen.

Om met ’et minst erge te beginnen, daar was in de eerste plaats m’n school. Met den dag voelde ik me minder opgewassen tegen ’et werk, dat daar van me verlangd werd. De sommen en thema’s, die ik telkens en telkens weer over moest maken, groeiden langzaam maar zeker aan tot ’n berg, die onmogelijk meer om door te komen was. ’Et hagelde extra-uren op m’n arm hoofd; nu ’es moest ik wekenlang ’s morgens om acht in plaats van om negen uur komen, dan weer geregeld van vier tot vijf blijven, zoodat ik naar huis moest rennen, in tien minuten m’n eten naar binnen slaan, en dan terugdraven, om met ’n steek in m’n zij om zes uur weer aan ’et werk te trekken. M’n Woensdagmiddagen werden me zoo goed als allemaal, m’n Zaterdagmiddagen vaak genoeg afgenomen. En als al die moeite nu nog maar ’n beetje beloond was geworden. Maar ik voelde me eigenlijk voortdurend dommer worden en ’et was volstrekt geen zeldzaamheid, dat ik in ’n thema, die ik voor den derden of vierden keer over moest maken, meer fouten had dan toen ik ’em voor de eerste maal maakte.

’Et was dus te begrijpen, dat ik zachtjesaan ’n gruwelijken hekel aan school kreeg. Er kwamen gedachten bij me op, zooals er vroeger nooit in m’n hoofd gekomen waren, die me zelf in ’et begin zoo vreemd en slecht leken, dat ze me haast bang voor me zelf maakten. „Als die ellendige school ’es afbrandde!” of „als m’nheer Belmans ’es erg ziek werd!”[104]waren nog ’n paar van de onschuldigste. Wat ik nooit geweest was, onverschillig, werd ik nu. Ik wist zoo zeker, dat al m’n inspanning toch geen snars zou helpen, dat ik me niet meer inspande. Of m’n onderwijzer of m’nheer Belmans teleurgesteld keken of mopperden of standjes gaven of op hun poot speelden, ’et liet me zoo koud als ijs. Kortom, ik keek hen en m’n boeken en m’n schriften en m’n heele school aan met oogen vol haat, die ze alle met elkaar zou vernietigd hebben, als-i niet zoo machteloos geweest was.

Natuurlijk wist Andries dit allemaal even goed als ik, en beklaagde die me en troostte die me, zoo goed-i kon. Ook was-i altijd klaar, om me te helpen, en ’n enkele maal kon ik door ’et werk over te schrijven, dat hij vooraf voor me gemaakt had, aan ’n paar dreigende extra-uren ontkomen. Maar ’et spreekt van zelf, dat dit niet altijd ging.

En toch, die narigheid op school, al nam-i ’et grootst aantal uren in beslag, was niet ’et ergste. Er waren dan toch nog Zondagen en vrije avonden, waarop ik daaraan ook werkelijk niet dacht. Maar er was iets anders, dat me nooit met rust liet, dat maakte, dat ik me altijd ongelukkig voelde, ook in dien vrijen tijd en dan juist ’et meest, dat me zelfs niet rustig liet slapen en soms m’n prettigste oogenblikken bij Andries aan huis of in den schouwburg plotseling vergalde, ’et gevoel, dat ik thuis door m’n ouërs niet behandeld werd zooals ’et hoorde.

Niet, dat er bij me thuis iets veranderd was! Alles ging z’n ouë gangetje: m’n moeder klaagde over ’er zenuwen en m’n vader was in z’n zaak of uit, en ik[105]ging m’n eigen gang en was zóó vrij, dat ik geloof, dat m’n ouërs ’et niet eens gemerkt zouën hebben, als ik ’es ’n keer den heelen nacht uitgebleven was. Aan al die dingen was ik van jongs af gewend geweest en ik had er nooit iets bijzonders bij gedacht en alles genomen, zooals ’et was. Maar sedert ik bij Andries aan huis kwam en daar zag, hoe die z’n ouërs tegen hem waren, en hoe ze met elkaar omgingen, nu begon ik te voelen, dat mij iets ontbrak, dat ik thuis iets miste, en dat gevoel werd hoe langer hoe sterker. Ik kreeg ’n diep medelijden met me zelf: wat alle andere kinderen van hun ouërs ondervonden, liefde en hartelijkheid, dat werd mij onthouden. Wat voor aardigheid of gezelligheid was er ooit bij mij thuis; we kwamen er eigenlijk allemaal alleen maar om te eten en te slapen, en verder leefden we haast als drie vreemde menschen, die ’es ’n enkelen keer ’n paar woorden met mekaar wisselden, en dan nog lang niet altijd vriendelijke woorden. En ook over m’n huis, over m’n vader en m’n moeder kwamen leelijke gedachten bij me op, die ik wel weer probeerde weg te denken en waarvoor ik me schaamde, maar die me toch vaak norsch en brutaal tegen m’n ouërs maakten, wat ik vroeger nooit geweest was.

’Et duurde vrij lang, vóórdat ik ook over deze dingen m’n hart bij Andries uitstortte. Misschien zou ik ’et nooit gedaan hebben, als ik ’et niet noodig gevonden had, om ’em begrijpelijk te maken, waarom ik ’em nooit weerom inviteerde. Maar ik vond ’et zòo ellendig, dat ik altijd maar bij hem aan huis kwam en allerlei pretjes had, en hem nooit terug kon vragen, dat ik er eindelijk over begon. En toen ik eenmaal[106]met m’n vriendje over m’n huiselijke narigheden gesproken had, deed ik dat telkens weer, en als m’n vader of m’n moeder iets gezegd of gedaan hadden, dat ik bizonder onaardig of onhartelijk vond, dan verzuimde ik nooit om ’em dat te vertellen. Veel wist Andries er niet op te zeggen. Waarschijnlijk kon-i zich van ’n omgang als bij ons thuis moeilijk ’n voorstelling maken. Hij deed dus gewoonlijk alleen maar z’n best, om me op andere gedachten te brengen, door over wat anders te beginnen, en om door z’n eigen hartelijkheid me m’n gemis thuis te vergoeden. Ja, ’et leek me tusschenbeide wel ’es toe, alsof Andries er thuis ook over gesproken had, want ik meende in de manier, waarop z’n moeder me soms kon aankijken, iets van medelijden te zien. Ik kan me dat intusschen wel verbeeld hebben, maar dat ze, als ’et mogelijk was, nog liever en vriendelijker voor me was als in ’et begin, is zeker. Ik hield dan ook zooveel van ’er, dat ik rijk had willen wezen, om prachtige cadeautjes voor ’er te koopen. Maar alles, wat ik doen kon, was, m’n dubbeltje zakgeld zuinig te bewaren, en van tijd tot tijd ’es wat bloemen voor ’er te koopen, die naast de vele mooie, die Andries z’n vader geregeld voor haar meebracht, toch maar ’n poover figuur maakten.

Zoo ging de eene maand na de andere voorbij: thuis alles bij ’et ouë, op school van week tot week ellendiger, en m’n stemming hoe langer hoe slechter. Had ik Andries niet gehad, dan geloof ik wezenlijk, dat ik den een of anderen dag van huis weggeloopen zou zijn of iets anders krankzinnigs gedaan zou hebben.

Hoe dat eigenlijk met ’et stelsel van de stoomerij[107]overeen te brengen was, snap ik niet recht, maar we hadden op ’et instituut Belmans lange vacanties. Dat was tenminste één lichtpuntje. Ik had dan ook al weken en weken verlangend naar de Paaschvacantie uitgezien, die ’n dag of zestien duren zou. ’Et denken daaraan had me eigenlijk alleen op de been gehouën, want ’et ging in den laatsten tijd op school werkelijk zòo allertreurigst, dat ’et me nu nog verwondert, dat de onderwijzer me de boeken niet naar m’n hoofd smeet en me op straat zette.

We zullen nog ’n dag of zes van de vacantie af geweest zijn, toen Andries me ’s morgens bij ’t naar school gaan met ’n nieuwtje verraste, dat voor mij niet minder dan ’n Jobstijding was. Hij en z’n moeder zouën voor ’n dag of veertien naar Rotterdam gaan, om daar bij menschen, die ze kenden, te logeeren. Ik kon wel aan Andries merken, dat-i ’et in z’n hart prettig vond, maar omdat-i wel begreep, dat ’et voor mij allesbehalve prettig was, sprak-i er zoo weinig mogelijk over. ’Et was voor mij dan ook ’n vreeselijke teleurstelling. We hadden samen al allerlei plannetjes gemaakt; één keer zou ik zeker mee naar den schouwburg gegaan zijn, en nu kwam die akelige logeerpartij uit de lucht vallen en alles bederven. M’n humeur werd er natuurlijk niet beter op, en ik moest me heel erg inspannen, om er tegenover Andries niet al te veel van te laten merken. Als ’et niet zoo’n goeïe jongen geweest was, zou ’et tusschen ons beiden toch misschien mis geworden zijn, want al dee ik nog zoo m’n best, kortaf en kribberig en vervelend was ik telkens, ook tegen hem.

Dinsdags om twaalf uur begon onze vacantie en[108]nog dienzelfden middag vertrok Andries met z’n ouërs naar Rotterdam. Z’n vader zou maar voor een of twee dagen meegaan, geloof ik, en dan in z’n eentje terugkomen. Ik had gezegd, dat ik aan ’et station zou komen, om ze daar goeïe reis te wenschen. Maar toen ik thuis koffie gedronken had, raakte ik weer in zoo’n verdrietige bui, dat ik besloot om ’et niet te doen. Wat had ik met die gelukkige menschen te maken! Daar hoorde ik niet bij! Ik moest maar liever heelemaal niet meer met Andries omgaan. Die was knap op school, die had ’n moeder en ’n vader, die lief en hartelijk tegen ’em waren, die ging logeeren bij aardige, vroolijke menschen, die zou ’n heerlijke vacantie hebben! En ik! Daar zat ik weer, moederziel alleen, in onze ongezellige, veel te groote huiskamer! Ik bleef hangen en mokken tot bij drieën. En toen begon ik ineens te denken, dat ik in elk geval toch niet de minste reden had, om onaardig te zijn tegen Andries of z’n lieve moeder, en dat ’et tegenover hen heel onbehoorlijk was, om m’n belofte niet te houën. En hoewel ik eigenlijk wel had kunnen begrijpen, dat ’et niet meer gaan zou, zette ik m’n pet op en rende als ’n krankzinnige toch nog naar ’et station. Maar al liep ik ook nog zoo hard, ’n afstand van ruim ’n half uur kon ik niet in ’n minuut of acht afleggen, en toen ik met ’n hoofd als ’n rooïe kool en ’n bonzend hart aan ’et station kwam, was de trein van Andries in geen velden of wegen meer te zien. Woedend op mezelf en de heele wereld ging ik op ’n bank op ’et perron zitten, om ’n beetje op adem te komen, en slenterde toen naar huis.

De twee of drie eerste dagen van de vacantie waren[109]eenvoudig verschrikkelijk. Ik leefde mezelf in den weg. Ik had geen lust, om iets te doen. ’n Paar boeken, die Andries me als ’n kleinen troost geleend had, verveelden me al, als ik twee bladzijden gelezen had. Natuurlijk lag dat niet aan de boeken, maar aan mezelf. Ik hing op ’n stoel of op de canapé met m’n hoofd in m’n hand, of ging op klaarlichten dag languit op m’n bed liggen. Ik grauwde en snauwde tegen m’n huisgenooten en liep in ’n plasregen de straat op, expres om me nat te laten regenen, wat me dan ook zoo goed lukte, dat ik me, toen ik terug kwam, van hoofd totteenenmoest verschoonen. Ik kreeg ’n paar prentbriefkaarten van Andries, maar die smeet ik, haast zonder ze te bekijken, in ’n hoek.

Ging ik op ’n bank op ’et perron zitten.Ging ik op ’n bank op ’et perron zitten.

Ging ik op ’n bank op ’et perron zitten.

Op den morgen van den vierden dag was ik weer[110]’es de straat op geloopen en had ’n uur lang met m’n ziel onder m’n arm door de stad geslenterd, zonder eigenlijk zelf te weten, waar ik liep. Ik stond te kijken voor ’n boekwinkel, meer uit gewoonte dan wel om werkelijk iets te zien, toen ik ineens ’n luide stem achter me hoorde: „Zoo, Hans, wat heb ik jou in lang niet gezien!” Ik hoefde me niet eens om te draaien, om te weten, wie me daar aansprak. Dat was de stem van meester Lindeman. Ik zei ’em goeïendag en-i gaf me ’n hand.

„En hoe staat ’et leven?”

„Goed m’nheer!”

„Je bent lang geworden. Maar ik vind je er toch niet zoo goed uitzien als vroeger. Ben je ziek geweest?”

„Nee, m’nheer.”

„Zoo, des te beter! En waar ben je nu op school?”

„Op ’n instituut, m’nheer. Bij Belmans op de Veergracht.”

„Zoo, ben je daar? En bevalt ’et je daar goed?”

„Och ja, m’nheer.”

„En nu heb je zeker ook vacantie? Moet je ergens naar toe?”

„Nee, m’nheer, ik loop maar wat.”

„Nu, loop dan ’n eindje met me mee! En vertel me ’es wat van je school en zoo. Je lijkt me zoo stil geworden. We zijn toch altijd samen goeïe vrienden geweest, niet Hans?”

Ik liep dus naast meester Lindeman voort, en probeerde, ’em op ’n onverschilligen toon ’et een en ander te vertellen, niet van wat ik werkelijk dacht en voelde, maar zoo ’et uitwendige van de dingen.[111]Maar ’et ging niet. ’Et vriendelijke gezicht van m’n ouën meester deed al ’et verdriet en al ’et stille gemok, waarmee ik den laatsten tijd had rondgeloopen, tot ’n uitbarsting komen. Ik brak midden in m’n vertellen af, en zei snikkende: „O m’nheer, ik ben zoo ongelukkig!”

Meester Lindeman keek me verbaasd aan. Hij zei echter niets anders dan ’n paar maal: „Wel, Hans!” en sloeg zoo gauw mogelijk ’n stille dwarsstraat met me in, dat niet alle menschen m’n behuilde gezicht zouën zien. Zonder iets te zeggen liepen we ’n eind naast elkaar voort. Toen zei-i:

„Wil je mee naar m’n huis gaan, Hans? Dan kunnen we ’es samen praten.”

Toen we aan z’n huis kwamen, sloot meester Lindeman z’n deur open, en bracht me dadelijk naar ’n kamer, waar niemand anders was. Ik was daar blij om, want ik zou op dat oogenblik niet graag met z’n vrouw of z’n dochtertje hebben moeten praten. Toen liet-i me even alleen, maar kwam dadelijk terug met ’n glas water. Ik dronk wat, veegde m’n betraande oogen af, en kwam ’n beetje tot bedaren. Meester Lindeman ging tegenover me zitten, en zei na ’n poosje:

„Nu, Hans, vertel me nu maar ’es, wat je op je hart hebt. Misschien kan ik je helpen of je ’n goeïen raad geven. En al kan ik dat niet, dan is ’et toch beter, dat je alles ’es vrijuit zegt, dan dat je er zoo in stilte mee rondloopt. Dat heb ik zelf ook dikwijls ondervonden, als ik ’es verdriet had.”

En ik begon te vertellen, van m’n school en van m’n huis, eerst nog ’n beetje hakkelend, maar langzamerhand[112]vlotter, en ik zei eerlijk alles, wat ik gedacht en gevoeld had. Meester Lindeman luisterde toe met ’n vriendelijk-ernstig gezicht, knikte me nu en dan ’es toe, maar viel me geen enkele maal in de rede. Toen ik uitgesproken had, stond-i op, stapte ’n paar keer de kamer op en neer, bleef toen voor me staan en zei:

„Zoo, Hans, nu moet je ’es naar mij luisteren. Je hebt me daar over twee dingen gesproken, over je school en over je huis, die we eventjes afzonderlijk zullen houën. Dat zoo’n instituut Belmans niet geschikt voor jou is, dat hoef je mij niet te vertellen. Dat weet ik wel. Evenmin als de Hoogere Burgerschool geschikt voor je zou geweest zijn. Je weet, dat ik indertijd je vader ’n brief geschreven heb. Nu, daar stond dat ook in. Je vader heeft daar toen niet op geantwoord, en ’et spijt me, dat ik toen niet zelf naar ’em toe gegaan ben. Want zulke dingen kan je toch ’et beste mondeling bespreken. En daarom zal ik dat verzuim goed maken. Ik zal nù naar je vader toegaan, om ’es met ’em over je te praten. Ik zal je ’n briefje meegeven, om te vragen, wanneer je vader me even ontvangen kan. Want van dat instituut moet je af, hoe eer hoe beter. Je kàn wel leeren, maar niet alles even makkelijk, en die instamperij met stoom zou je suf maken. En ziek bovendien! Je ziet er wezenlijk slecht uit. En dat moet je vader toch ook zelf inzien.”

„Maar moet ik dan weer naar ’n andere school?” vroeg ik.

„Ja, dat weet ik niet! Misschien was ’et wel ’et beste, als je … maar daar zal ik met je vader wel[113]’es over praten. Wat wou je eigenlijk graag worden? Of heb je daar nog nooit over nagedacht?”

„Tooneelspeler!” zei ik.

Meester Lindeman keek me met ’n paar groote oogen aan. „Tooneelspeler? Hoe kom je daar zoo bij?”

Ik vertelde ’em nu van m’n vriendje Andries en z’n vader, en van m’n kennismaking met den schouwburg. Hij luisterde weer geduldig en oplettend, en zei toen:

„Ja, Hans, van die dingen heb ik heelemaal geen verstand. Daar kan ik je dus geen raad in geven. In elk geval ben je op ’et oogenblik toch nog veel te jong, om tooneelspeler te worden. En zou je geen lust hebben in ’n andere betrekking?”

„Och, dat weet ik niet, m’nheer. Ik zou in elk geval erg blij wezen, als ik van school af was.”

„Precies! Dat dacht ik ook! Dus als ik je vader nu ’es wist te bewegen, om je van school te nemen, en je bijvoorbeeld op ’n kantoor te doen, om daar de werkzaamheden te leeren, dan zou je dat wel willen?”

„O ja, m’nheer!”

„En dan zou je daar je best doen?”

„Ja, m’heer, als ik dan later … ”

„Nee, laten we dat „later” nu maar laten rusten. Dat is dus afgesproken. En nu dat andere, waar je me over gesproken hebt. ’Et is eigenlijk niet zoo makkelijk, om daarover te praten. Maar ik wil er toch ’n paar dingen over zeggen. Je bent zoo’n kleine jongen niet meer, dus ik denk, dat je me wel zult begrijpen. Kijk ’es, ik heb in m’n leven dit ondervonden: als de eene mensch zich over den ander beklaagt, dan heeft in de meeste gevallen de klager[114]evenveel of nog grooter schuld dan die ander. En als ik daarom zelf dacht, dat ik reden had om over iemand ontevreden te zijn, dan begon ik te zoeken, of ’et misschien ook aan mij kon liggen. En, geloof me, Hans, haast altijd vond ik, dat ’et werkelijk zoo was.”

„Maar, m’nheer, ik …”

„Nee, Hans, er verder met je over praten, doe ik niet! Denk maar ’es rustig na, over wat ik je gezegd heb en maak dan met je zelf uit, of je er je voordeel mee kan doen. En nu nog één ding: stel je ’es voor, Hans, dat ik heel graag wou, dat iemand veel van me hield. Wat zou ik dan moeten doen? Naar ’em toe gaan en kommandeeren: Hou van me? Ik denk niet, dat dat veel helpen zou. Waarom hou je veel van je vriendje?”

„Omdat ’et zoo’n aardige jongen is.”

„Precies! Aardig en hartelijk! Tegen anderen en tegen jou! Nu, en laten we er nu verder over zwijgen! Ik zal je vader vragen, of ’et goed is, als ik van avond even bij ’em kom. Tot hoe laat is-i thuis?”

„Tot ’n uur of acht, m’nheer.”

„Goed, dan kom ik om half acht! En ga je morgen ’es ’n ferme wandeling met me doen?”

„Als ’et u blieft, m’nheer!”

„Mooi! Kom me dan om negen uur halen en steek ’n paar boterhammen bij je. En zeg dan thuis, dat we om ’n uur of vijf terug komen. Ik moet m’n beenen ook weer ’es wat werk geven.”

Meester Lindeman schreef ’n briefje, ik bedankte ’em voor z’n moeite en z’n raad, en stapte naar huis.

Dien heelen middag dacht ik over ons gesprek na.[115]Van ’et bezoek van Meester Lindeman bij m’n vader stelde ik me wel niet al te veel voor, maar ’et leek me toch niet onmogelijk, dat ’et wat zou uitwerken. ’Et was in elk geval beter, dan dat ik zelf over m’n school moest beginnen te klagen. Meester Lindeman was toch ook onderwijzer, en zelf had-i bij de zaak heelemaal geen belang: misschien zou m’n vader dus aan wat-i zei toch wel wat waarde hechten. Ik vond ’et in elk geval aardig van ’em, dat-i die moeite voor me wou doen, en dat ik den volgenden dag met ’em mocht wandelen, vond ik heerlijk.

Met ’et andere, wat Meester Lindeman gezegd had, was ik in ’et eerst niet zoo ingenomen. Ik moest de fout bij mezelf zoeken. Maar wat deed ik dan toch voor kwaad? Nu ja, in de laatste maanden was ik brommerig en snauwerig thuis, maar dat was ik vroeger toch niet. En ondeugend of ongehoorzaam was ik eigenlijk nooit geweest. Als me thuis iets gezegd werd, deed ik ’et, en plagerig van aard of levenmakerig was ik niet.

Maar hoe langer ik er over nadacht, hoe meer ik toch begon te voelen, dat er aan mijn kant ook wel ’n beetje schuld kon zijn. Toen ik nog jonger was, vroeg ik m’n vader dikwijls, of ik met ’em mee mocht, en dat gebeurde wel lang niet altijd, maar toch nu en dan. En bij die wandelingen of onder ’et eten vertelde ik vroeger vaak dingen van school of andere dingen, waar m’n hart vol van was, en daar kon m’n vader toch soms wel met plezier naar luisteren. En ik dacht nog weer aan den dag, dien m’n vader bij me in Zandvoort had doorgebracht, en hoe gezellig die geweest was. En ik kwam tot ’et besluit, dat ik[116]in ieder geval probeeren zou, me thuis ’n beetje aangenamer te maken.

Dat goeïe voornemen had al dadelijk tot gevolg, dat m’n stemming beter werd, dan ze de laatste dagen geweest was, en dat ik lust kreeg, om ’n briefkaart aan Andries te schrijven en verder voor den eten nog ’n uurtje te gaan lezen. Toen m’n vader thuis kwam, zei ik ’em vriendelijker goeïendag als ik in lang gedaan had en ’et leek me toe, dat zijn „Dag Hans” ook vriendelijker klonk. Meteen gaf ik ’em m’n briefje. Hij las ’et, en zei:

„Lindeman? Wie is dat?”

„Dat is ’n onderwijzer van m’n vorige school, vader.”

„En hoe kom je aan dat briefje?”

„Dat heeft m’nheer me voor u meegegeven.”

„Ben je dan naar ’em toe geweest?”

„Nee, vader; ik heb ’em op straat ontmoet.”

„Zoo! En waarover wou-i me spreken?”

„Ik … ik geloof … over m’n school, vader.”

„Over je school? Dat snap ik niet. Wat heeft die m’nheer Lindeboom met je tegenwoordige school te maken?”

„Lindeman, vader.”

„Nu ja! Enfin, we zullen ’et wel hooren! Als de man maar niet al te lang van stof is. Want veel tijd heb ik niet.”

Ik begreep dus, dat m’n vader Meester Lindeman wou ontvangen. Dat was al wàt gewonnen. We gingen eten. Ik deed m’n best, om spraakzamer te zijn dan gewoonlijk, en vertelde, dat ik den volgenden dag ’n verre wandeling ging maken en natuurlijk[117]ook met wien. Vader zei, dat schoolmeesters toch maar ’n makkelijk baantje hadden met die lange vacanties, en m’n moeder vroeg, of ik dan niet met Andries ging. Nu vertelde ik van dien z’n logeeren in Rotterdam, en zoo werd er dien middag aan tafel meer gesproken, als in ’n heelen tijd gebeurd was.

Precies om half acht kwam Meester Lindeman. M’n moeder was naar ’er kamer gegaan, en natuurlijk bleef ik ook niet bij ’et gesprek. Ik was met m’n boek naar boven gegaan, maar ik was te zenuwachtig om te kunnen lezen. Half en half verwachtte ik, dat ik naar beneden geroepen zou worden, maar dat gebeurde niet. Ik bleef dus maar luisteren, niet om iets van ’et gesprek te verstaan, want dat was onmogelijk, maar om te hooren, wanneer de bezoeker heen zou gaan. ’Et duurde lang, veel langer, dan ik gedacht had. Eindelijk, ’et was dicht bij half negen, hoorde ik stemmen in de gang, en ’n oogenblik later sloeg de straatdeur dicht. Ik dacht nu, dat m’n vader me wel roepen zou, maar dat deed-i niet. Ik had wel naar hem toe kunnen gaan, maar daar zag ik toch ’n beetje tegen op. ’Et duurde intusschen geen tien minuten, of ik hoorde voor de tweede maal de straatdeur dichtslaan, en ik begreep, dat m’n vader vertrokken was. Ik zou dus nog niet te weten komen, wat er over m’n lot beslist was. Maar morgen! Dan zou Meester Lindeman me alles vertellen! Ik las nog ’n half uurtje, en ging tijdig naar bed.

Den volgenden morgen tegen negen uur was ik op weg naar Meester Lindeman. ’Et weer was niet bepaald schitterend, wel droog, maar er woei ’n hevige wind en ’et was tamelijk koud. Ik was zelfs ’n beetje[118]bang, dat onze wandeling er door in duigen zou vallen, maar toen ik bij Meester Lindeman aanschelde, deed-i me zelf open, kant en klaar, en begroette me met ’n vroolijk: „Morgen, Hans! ’n Stevig briesje, hè? Ik heb er tenminste m’n pet maar bij opgezet! Zoo kan ik er tegen!”

Z’n opgeruimd gezicht en z’n vroolijke toon maakten, dat ik al wat gerustgesteld raakte over den afloop van z’n gesprek met vader, maar toch bleef ik verlangen, om ’et fijne van de zaak te hooren. Nu, daar hoefde ik niet lang op te wachten. Zooals Meester Lindeman zei, had m’n vader met aandacht naar ’em geluisterd, en wel niet veel geantwoord, en in ’t geheel geen bepaalde belofte gedaan, maar toch ook niet laten blijken, dat-i ’et idee om me van school te nemen zoo totaal onmogelijk vond. Hij zou er ’es goed over denken, had-i aan ’t eind gezegd, en ook ’es met m’nheer Belmans gaan spreken. „En Hans,” zei Meester Lindeman, „geloof jij maar niet, dat je vader niet van je houdt, want toen ik zei, dat ik je er slecht uit vond zien, kon ik duidelijk merken, dat ’em dat hinderde.”

We deden dien dag ’n prettige wandeling, al woei ’et op de buitenwegen ook tusschenbeide zoo hard, dat we moeite hadden, om op de been te blijven. Eén keer ging m’n pet er van door, maar na ’n woeste jacht over ’n omgeploegd land, waar ik vijftigmaal struikelde en vijfmaal viel, kreeg Meester Lindeman ’em toch weer te pakken. In ’n soort van boerenherberg aten we onze boterhammen op en kreeg ik van Meester Lindeman ’n glas melk, en later trakteerde hij me nog op ’n kop chocolade. We spraken[119]over alles en nog wat, zongen op ’n stillen weg af en toe samen ’n oud schoolliedje, en ik had ’et best naar m’n zin. Toch zou ik misschien nog meer plezier gehad hebben, als ik niet telkens weer had moeten denken aan wat m’n vader nu eigenlijk doen zou. Maar dat moest ik afwachten. Tegen half vijf nam ik afscheid van Meester Lindeman voor de deur van z’n woning, ik bedankte em, en beloofde ’em dadelijk alles te komen vertellen, zoodra ik iets zekers wist, en stapte naar huis.

Thuis vond ik ’n brief van Andries, waarin veel stond van de pret, die-i in Rotterdam had, maar toch ook, dat-i wou, dat ik er bij was, en dat-i naar mij verlangde. Ik begon maar meteen aan ’n antwoord, en besteedde den tijd, die er nog voor ’et eten overbleef, aan ’n tamelijk langen brief, die vroolijker uitviel dan ik gedacht zou hebben. Van m’n ontmoeting met Meester Lindeman vertelde ik natuurlijk wel en ook van onze wandeling, maar over al ’et andere sprak ik niet.

Toen m’n vader thuis kwam, zat ik nog te schrijven. Hij kwam even over m’n schouër kijken, gaf me ’n tikje op m’n rug en zei: „Zoo, Hans, schrijf je ’es aan je vrind?” Maar toen ging-i vóór me staan, en keek me aan, veel langer en oplettender, dan-i ooit gedaan had. Ik werd er verlegen van. Eindelijk zei-i: „Nou, ik vind, dat je er nogal goed uitziet! Wat heb je ’n kleur!”

„Ja, vader, ik heb in den wind geloopen.”

„Gewandeld?”

„Ja, vader. Met Meester Lindeman.”

„Zoo. Die schijnt wel veel met je op te hebben.”[120]

„Ja, vader. Hij is op school altijd erg aardig tegen me geweest.”

„Zoo. Maar dat is toch geen reden, dat je naar hem toeloopt, als je denkt, dat je je ergens over te beklagen hebt. Dan kon je bij mij komen.”

„Maar, vader, ik ben niet naar ’em toe geloopen. Ik heb ’em toevallig op straat ontmoet.”

„Goed. Maar toen heb je ’em toch je nood geklaagd. En aan andere menschen.”

„Aan andere menschen, vader?”

„Ja, zeker! Ik heb gisterenavond Andries z’n vader gesproken, en die begon ook al over jou. Je schijnt er goed slag van te hebben, om bij vreemde menschen ’n wit voetje te krijgen.”

Ik wist niet, wat ik hoorde. Andries z’n vader? Had die over mij gesproken? Dan moest Andries …

We werden geroepen om te eten. Aan tafel werd eerst over onverschillige dingen gesproken, maar opeens zei m’n vader tegen m’n moeder:

„Ik denk er over, om Hans maar van school te nemen.”

M’n moeder zette groote oogen op. „Van school te nemen?”

„Ja, als ’et toch niets geeft! Dan is ’et maar geld in ’et water smijten. En als je dan nog te hooren krijgt, dat-i er ziek van zal worden!”

M’n moeder ’er oogen werden nog grooter. „Ziek worden? Wie zegt dat dan?”

„Wel, Hans z’n vrinden. Menschen, bij wie-i z’n beklag gaat doen, en die mij natuurlijk voor ’n barbaar van ’n vader houën.”

Ik wou wat zeggen, maar m’n vader viel me meteen in de rede:[121]

„Nee, je hoeft je niet te verdedigen. ’Et is nu eenmaal gebeurd.”

„Maar wat wou je dan met den jongen beginnen?” vroeg m’n moeder.

„Ik zal zien, dat ik ’em op ’n kantoor krijg. Natuurlijk niet, om dadelijk wat te verdienen, maar in hoofdzaak om te leeren. Misschien is dat voor later nog wel zoo goed. Als de jongens met ’n hoofd vol geleerderigheid van de school komen, staan hun handen gewoonlijk heelemaal verkeerd.”

Ik had wel op willen springen van blijdschap. Dat m’n vader zoo gauw toe zou geven, had ik nooit gedacht. Aan dat gemartel op school zou dus ’n eind komen. Toen ’et eten was afgeloopen en m’n vader de krant ging zitten lezen en als gewoonlijk spoedig half indommelde, bleef ik in de kamer en deed, alsof ik ’n boek las, maar eigenlijk loerde ik op ’et oogenblik, dat-i wakker zou worden. Eindelijk gaapte m’n vader ’n paar maal, rekte zich ’es uit, stond op en ging voor den spiegel z’n haar en snor wat in orde maken. Ik ging naar ’em toe, en zei:

„Vader!”

„Wat is er, Hans?”

„Ik dank u wel, dat u me van school wil nemen.”

„Als je nou maar beter je best doet, als je op kantoor bent.”

„Ja, vader.”

„En als er nou weer ’es wat is, zeg ’et dan tegen mij!”

„Ja, vader. Maar ik heb er heusch tegen Andries z’n vader nooit iets van gezegd.”

„Maar tegen mij ook niet!”[122]

„Nee, vader. Dat dorst ik niet. Ik dacht, dat u er boos om zou zijn.”

„Boos? Ik ben nooit boos. Maar je vertelt me haast nooit iets. En dan moet ik van andere menschen hooren, dat je zoo’n aardige jongen bent. Ik merk niet veel van die aardigheid.”

„Maar ik zie u haast nooit, vader.”

„Ja, ik kan niet helpen, dat ik ’et altijd zoo druk heb. Maar vroeger ging je toch ’s Zondags nog wel ’es met me wandelen.”

„Maar dat zou ik nog heel graag willen, vader.”

„Zoo. Nou, laten we dan overmorgen gaan, als ’et tenminste goed weer is.”

„Als’tublieft, vader!”

Ik zou je van m’n schooljaren vertellen, en dus moet ik hier eindigen. Want naar school ging ik niet meer. Na de Paaschvacantie bleef ik nog ’n paar weken thuis, en den 1en Mei kwam ik in betrekking op ’n groot tabakskantoor. Een van de patroons was ’n kennis van m’n vader, en al vond ik ’et werk daar ook soms wel wat eentonig, ’et beviel me er duizend percent beter dan op school. Ik had vrij veel vrijen tijd, ook al moest ik in de avonduren nog ’n paar privaatlessen nemen in dingen, die voor m’n betrekking later noodig zouën zijn. Wel bleef ik in stilte nog altijd bij m’n voornemen, om, als ik groot was, tooneelspeler te worden, maar ik sprak er met niemand over en mopperde nooit.

Andries en ik bleven dikke vrinden, en ik kwam nog even geregeld bij ’em thuis als vroeger. Ook Meester Lindeman zag ik dikwijls, want van hèm[123]was ’et, dat ik een van m’n privaatlessen kreeg.

De wandeling, die m’n vader me beloofd had, vond werkelijk plaats, en ’et bleef niet de eenige. Al was ’et niet elke week, toch trokken we er vrij vaak samen op uit, en ook in huis bemoeide m’n vader zich meer met me dan vroeger. En wanneer ik ’em dan van m’n kantoor vertelde, of van ’n stuk, dat ik gezien had, en hij naar me luisterde of om me lachte, dan benijdde ik Andries niet langer om z’n ouërs.

Zooals ik je in ’et begin zei, heb ik altijd veel van vertellen gehouën. Wat ik vroeger met m’n mond deed, heb ik nu met ’n pen gedaan, voor ’et eerst van m’n leven. Mij is ’et best bevallen. Als ’et jou ook bevallen is, zal je nog wel ’es meer van me hooren. Want ik heb je eigenlijk nog heel veel te vertellen, en wel in de eerste plaats, hoe ik aan m’n tegenwoordig beroep gekomen ben.

Want tooneelspeler ben ik toch geworden![125]


Back to IndexNext