III.

III.Den 11 April 1858 landde de heer Russell Wallace te Dorey, aan den oever eener fraaie baai gelegen, aan wier uiteinde zich een hooge kaap verheft, die met twee of drie kleine eilandjes eene veilige ankerplaats voor de schepen vormt. Wij vonden daar, zegt hij, een hollandsche brik, die steenkolen kwam brengen voor de oorlogsstoomboot deEtna, die iederen dag werd verwacht, en langs de kusten van Nieuw-Guinea kruiste, ten einde eene plek op te sporen, geschikt voor de vestiging eener kolonie. Des avonds brachten wij een bezoek aan boord van de brik, alvorens ik in het dorp Dorey aan wal ging, waar ik eene geschikte plaats voor mijne woning moest opzoeken. De heer Otto, een duitsche zendeling, had de beleefdheid, voor mij eene overeenkomst aan te gaan met de inlandsche hoofden, die reeds den volgenden morgen lieden uitzonden om hout, rotting, en bamboes te hakken en te verzamelen.De dorpjes Mansinam en Dorey waren in sommige opzichten nieuw voor mij. De huizen zijn boven het water gebouwd, en niet te bereiken dan over lange, smalle, ruw bewerkte bruggetjes of loopplanken. De woningen zijn zeer laag; het dak heeft de gedaante van een groote schuit, met de kiel naar boven. De palen, waarop de huizen, de bruggen en de portalen rusten, zijn niet veel meer dan gedraaide stokken, zonder eenige orde geplaatst en er zeer versleten uitziende. De vloeren bestaan uit soortgelijke stokken, zoo slecht geschikt en zoo ver van elkander, dat het mij bijna onmogelijk was daarover te loopen. Bij wijze van muren, heeft men brokken van planken van oude booten, verrotte matten, palmbladeren, zonder eenige orde of symmetrie geschikt, die er zoo smerig, armoedig en verwaarloosd uitzien, als men zich denken kan. Aan het einde van het dak hangen menschenschedels, zegeteekenen uit de gevechten met de Arfakis uit het gebergte, die dikwijls het dorp overvallen. Het zoogenaamde huis van den dorpsraad, dat de gedaante van een kano heeft, rust op wat zwaarder palen, ruw behouwen, en eenigermate het beeld vertoonende van een man of eene vrouw; op het portaal voor den hoofdingang zijn zeer onkiesche beeldwerken geplaatst.Inboorling van Dorey.Inboorling van Dorey.De bewoners van deze ellendige huizen hebben zeer veel gelijkenis met de bewoners derArou-eilanden; sommigen hunner zijn inderdaad zeer schoon, groot en welgemaakt van gestalte, met sterk sprekende trekken en lange arendsneuzen. De kleur hunner huid is donkerbruin, dikwijls bij zwart af; de kolossale kapsels, wolfshoofden genaamd, zijn hier nog meer in de mode dan elders, en worden als eene schoonheid van den eersten rang beschouwd; eene groote zestandige vork van bamboes wordt doorgaans bij wijze van kam gebruikt, en in ledige oogenblikken is ieder daarmede bezig om zijn hairen in orde te houden en te voorkomen, dat de groote natuurlijke pruik niet hopeloos en reddeloos in de war gerake.De drie eerste dagen na onze aankomst werden gebruikt om mijne hut te bouwen, waartoe ik, behalve de hulp van mijn eigen volk, ook die van een dozijn Papoeas noodig had. Het was alles behalve gemakkelijk, deze laatsten aan het werk te krijgen en te houden: nauwelijks verstonden zij een enkel woord maleisch, en om hun mijne bevelen te geven, moest ik mijne toevlucht nemen tot gebarenspraak en zeer duidelijke aanwijzingen. Maar wanneer ik hun nu, bij voorbeeld, met veel moeite aan het verstand had gebracht, dat ik andere stokken noodig had, dan gingen er geen twee, maar zes of acht heen om ze te halen, hoewel blijkbaar een paar man volkomen voldoende waren voor dien arbeid, en ik de anderen vrij wat beter gebruiken kon. Op zekeren ochtend brachten zij met huntienen maar eene enkele bijl mede, hoewel zij zeer goed wisten, dat ik op dat oogenblik zulke werktuigen niet beschikbaar had.Papoea uit de omstreken van Dorey.Papoeauit de omstreken van Dorey.Mijne woning stond op een kleinen heuvel, twee honderd el van het strand en nevens den voornaamsten weg, die van de hutten naar de ontgonnen terreinen in het bosch loopt. Op een afstand van twintig el vloot een kleine beek, waarin wij ons des morgens baadden, en die ons uitnemend drinkwater verschafte. Ik liet het kreupelhout in het rond weghakken, opdat licht en lucht ongehinderd tot de woning zouden kunnen doordringen: sommige groote woudboomen verspreidden nabij de hut eene liefelijke schaduw. Onze hut, twintig voet lang en vijftien voet breed, was uit boomstammen opgetrokken; de vloer was van bamboes, de deur van rijswerk; een groot venster zag op de zee uit: ik zette daar mijne tafel in, die door een laag beschot van mijn bed was gescheiden. Ik kocht groote matten van palmbladen, die uitnemend geschikt waren om tot beschotten en wanden te dienen; de matten, die ik medegebracht had, werden op het dak gelegd en met atap bedekt, dat de inlanders voor mij vervaardigden. Een weinig achterwaarts van het huis stond een klein vertrekje dat tot keuken diende; en mijne bedienden plaatsten onder een afdak de bank, waarop ik de vogelhuiden bereidde. Ik liet mijn levensmiddelen en mijn bagage uit het schip halen; ik betaalde mijne wilden met messen en bijlen, en zond hen weg.Den volgenden morgen vervolgde onze goelet hare reis naar de oostelijke eilanden, en ik was nu meer dan waarschijnlijk de eenige Europeaan, in het groote land der Papoeas tijdelijk gevestigd.Daar ik de inboorlingen niet volkomen vertrouwde,hielden wij bij beurten de wacht, en zorgden dat onze geweren steeds geladen waren: voorzorgsmaatregelen, die wij weldra, na verloop van eenigen tijd, nalieten, nadat ons de vredelievende gezindheid onzer buren was gebleken. Bovendien konden wij er tamelijk gerust op zijn, dat zij het nooit zouden durven wagen, vijf welgewapende mannen aan te vallen. Wij waren nog een paar dagen bezig met de laatste hand aan ons huis te leggen, met gaten te stoppen en plankjes te bevestigen om mijne exemplaren te laten drogen, met een pad te banen tot aan de beek; en den grond voor het huis te effenen.Papoea uit de omstreken van Dorey.Papoeauit de omstreken van Dorey.De stoomboot deEtnawas nog niet aangekomen; de met steenkolen geladen brik, die, zoo als het contract luidde, een maand lang op de boot gewacht had, ging den 17enweder onder zeil, en op dienzelfden dag gingen onze jagers voor het eerst ter jacht in het woud. Zij brachten mij een prachtige kroonduif en eenige andere gewone vogels mede. Den volgenden morgen kwamen zij terug met een volwassen, geheel ongeschonden paradijsvogel, een paar papou-loris (Lorius domicella), vier andere loris en papagaaien, een indische spreeuw, een ijsvogel en twee of drie vogels van mindere waarde.Inmiddels ging ik een bezoek brengen aan het dorp, aan de andere zijde van den heuvel, die Dorey beheerscht, gelegen, en nam een kleinen voorraad van katoenen stoffen, messen en glaskoralen mede, ten einde de vriendschap te winnen van het opperhoofd, door wiens tusschenkomst ik eenige manschappen hoopte te verkrijgen, die mij bij de vogeljacht van dienst konden zijn.De hutten van het dorp liggen verstrooid te midden van open plekken in het woud, die op zeer onvolkomen wijze bebouwd zijn. De twee hutten, die ik bezocht, hebben in het midden een gang, waarop kleine zijgangetjes uitkomen, die elk naar twee kamers voeren, waarvan ieder door een afzonderlijk gezin wordt bewoond. De woningen zijn minstens vijf el boven den grond verheven en rusten op een woud van palen, maar zijn zoo slordig gemaakt en zoo slecht onderhouden, dat een kind zonder moeite tusschen de reten van den planken vloer zou kunnen doorkruipen. De bewoners van dit dorp kwamen mij voor, leelijker te zijn dan die van Dorey: waarschijnlijk zijn zij de echte oorspronkelijke bewoners van dit deel van Nieuw-Guinea; zij leven van landbouw en van de opbrengst der jacht, terwijl de kustbewoners van vischvangst en een weinig handel leven, en eenigszins het voorkomen hebben van volkplanters, die van elders zijn gekomen. Deze bewoners of Arfakis verschillen onderling in vrij sterke mate; zij zijn over het algemeen zwart, maar sommigen zijn bruin, zooals de Maleiers. Hunne hairen, hoewel meer of minder gekroesd, zijn somwijlen kort en niet wollig en zeer zwaar; ik geloof, dat dit het gevolg is van natuurlijke rasverscheidenheid en niet van kunstmatige zorg of mode. Zeer velen lijden aan huidziekten en scheurbuik.Het oude opperhoofd scheen zeer in zijn schik met mijn geschenk, en beloofde mij (door tusschenkomst van een tolk, dien ik mede had gebracht) dat hij mijne manschappen zou beschermen wanneer zij in de omstreken gingen jagen, en ook dat hij mij vogels en andere dieren zou bezorgen. Gedurende ons gesprek, rookten de inlanders tabak uit houten pijpen, van een langen rechten steel voorzien.Het regensaizoen spoedde ten einde; de gansche landstreek was doortrokken van vochtigheid. De inboorlingen verwaarloozen de wegen en voetpaden zoo zeer, dat zij dikwijls niet meer zijn dan donkere tunnels met een dak van wild dooreen gegroeide takken, en haast verzinkende in den modder. DePapoea, die geen kleederen heeft welke nat kunnen worden, ploetert ongestoord door die poelen voort, en wascht zich daarna weer schoon in de naburige beek; maar ik, die een broek en laarzen droeg, vond het uiterst onaangenaam, dat ik iederen morgen tot aan de knieën door het slijk moest waden. Lahagi, mijn houthakker, was sedert onze komst nog niet van zijne mat kunnen opstaan: anders zou ik hem hebben opgedragen, op de slechtste punten toegankelijke wegen te banen. De eerste tien dagen regende het regelmatig des avonds en des nachts; maar door ijverig gebruik te maken van de uren waarop de zon scheen, gelukte het mij mijne verzameling niet onbelangrijk te verrijken; behalve eenige nieuwe exemplaren, bezat ik weldra al de vogels en de insecten, die Lesson van zijne reis met het schip deCoquilleheeft medegebracht. Maar Dorey is niet de meest geschikte plaats om paradijsvogels te verzamelen; geen enkele inboorling verstaat de kunst om huiden te bereiden. De vogels, die hier te koop worden aangeboden, zijn afkomstig van Amberbaki, veertig mijlen meer westwaarts, waar de lieden van het dorp ze gaan halen.De lage gronden nabij de kust en de eilandjes in de baai schijnen van rotsen gevormd, die eerst sedert korten tijd boven de oppervlakte van het water zijn opgeheven; zij zijn bezaaid met overblijfselen van polijpen. De kleine heuvelketen, die achter het huis heen tot aan het voorgebergte loopt, bestaat bijna geheel uit koraalrots, schoon er ook sporen van andere rotsformatie worden aangetroffen. Aan de overzijde der baai verheft zich de indrukwekkende massa van het Arfakgebergte, dat, volgens de fransche natuurkundigen, eene hoogte van tienduizend voet zou bereiken en door geheel wilde stammen wordt bewoond. De inwoners van Dorey, die veel van deze hunne woeste naburen te lijden hebben, zijn voor deze bergbewoners uitermate bevreesd; zij zelven weten zeer goed, hoe duur hun de enkele schedels zijn te staan gekomen, die zij als zegeteekenen rondom hunne hutten hebben opgehangen.Den 15enMei stoomde deEtnaeindelijk de haven van Dorey binnen: maar het kolenschip was vertrokken, en men moest zijne terugkomst afwachten. Het oorlogsschip wierp het anker uit vlak tegenover mijne woning: ik hoorde de klok het half uur slaan: een eigenaardig geluid hier te midden der plechtige stilte van het woud. De kapitein, de dokter, de machinist en eenige officieren kwamen mij bezoeken: de matrozen spoelden hun linnengoed in mijne beek, en de zoon van den vorst van Tidor kwam zich daarin met zijne makkers baden. Voor het overige had ikweinig omgang met de bemanning, en werd ik niet, zoo als ik aanvankelijk gevreesd had, door de komst van het schip in mijn arbeid gestoord. Het weer was nu tamelijk fraai, maar de vogels en de insecten waren vrij schaarsch; vooral onder deze laatsten vond ik ter nauwernood eene nieuwe soort. Over het algemeen zijn de insecten hier minder schoon dan op Amboina, en ik kon mij zelven niet ontveinzen dat Dorey niet juist het beloofde land is voor een natuuronderzoeker: vlinders zijn zeer zeldzaam, en de meesten die ik hier vond, had ik reeds op de Arou-eilanden gevangen.Onder de insecten waren wel de merkwaardigste zekere soort van gehoornde vliegen, waarvan ik vier verschillende soorten heb aangetroffen op rottend hout en omgevallen boomen. Deze merkwaardige tweevleugeligen, door den heer W. W. Jaunders onder den naam vanElaphomia, of vliegen met hertshoornen, beschreven, zijn ongeveer een halven duim lang en hebben zeer groote pooten, die zij zoo weten te plaatsen, dat zij haar schraal lichaam tamelijk hoog kunnen opheffen. Hunne voorpooten zijn veel korter en worden dikwijls, even als voelhorens, naar voren uitgestoken; de hoornen komen onder het oog te voorschijn en schijnen eene voortzetting te zijn van het voorste gedeelte van de oogholte. Bij de grootste en merkwaardigste soort,Elaphomia cewicornis, zijn zij bijna zoo lang als het geheele lichaam en hebben twee takken; zij zijn zwart van kleur met witte punten; het lichaam en de pooten zijn geelachtig bruin, en de oogen (gedurende het leven) violet en groen. DeElaphomia wallacei, donkerbruin van kleur met gele strepen en vlekken, heeft hoornen ter lengte van ongeveer een derde van haar lichaam: zij zijn plat en vormen een langwerpigen driehoek. De kleur dezer hoornen is prachtig rood, met zwarte zoomen, en een heldere streep in het midden; het voorste gedeelte van den kop is eveneens rooskleurig, de oogen purper-violet, met een groene streep in het midden: al deze kleuren geven aan het insect een zeer eigenaardig en schitterend voorkomen. De derde soort,Elaphomia alcicornis(met de elandshoornen) is wat kleiner dan de beide vorigen, en komt in kleur het meest overeen met deElaphomia wallacei; de zeer merkwaardige hoornen vormen een soort van plat lemmer, rondom van scherpe tanden voorzien en geheel gelijkende op elandshoornen in miniatuur; de kleur is geelachtig bruin. De vierde soort,Eliphomia brevicornis, wijkt aanmerkelijk van de anderen af; haar zwaarder lichaam is bijna zwart, met een witten ring onder aan den buik; de vleugels zijn voorzien van donkere strepen; het platte, saamgedrongen hoofd draagt zeer kleine platte horens, die er bijna uitzien als de onvolwassen hoornen der andere soorten. De wijfjes van alle soorten missen deze horens.De inlanders waren mij niet bijzonder behulpzaam bij het vermeerderen mijner collectie. Ter nauwernood dooden deze arme lieden nu en dan een vogel, een varkentje, een kangoeroe of eenig ander dier. Naar men mij verzekerde, waren de kangoeroes hier in den omtrek te vinden; mijne jagers, die dagelijks het bosch doorkruisen, hebben er echter nooit een gezien. De eenige vogels, die men hier in zeker aantal aantreft, zijn kakatoes, loris en papegaaien; zelfs duiven zijn hier zeldzaam, en behooren meest tot enkele bekende soorten.Den 5enJuni keerde het kolenschip van Amboina terug, met een nieuwen voorraad voor de stoomboot. Het hout, dat bijna reeds geheel was ingeladen, werd nu weder gelost, en in de plaats daarvan de steenkolen ingenomen; en den 17 Juni vertrokken de boot en de brik beiden naar de Humboldtsbaai. De haven werd wederom stil en eenzaam, en wij konden weer iets te eten krijgen. Immers zoo lang de schepen op de reede lagen, brachten de inlanders daar letterlijk alles heen, visschen en groenten; meermalen gebeurde het, dat ik mij voor twee maaltijden met een papegaai moest tevreden stellen.Een langer verblijf in het binnenland achter Dorey zou waarschijnlijk goede resultaten opleveren: want men heeft mij vandaar een exemplaar bezorgd van het wijfje van den prachtigenPtiloris magnificus, wiens borst met een schubbig harnas is bekleed. Op Ternate had men mij gesproken van een vogel, die zeker in Europa niet bekend is, den koning der zwarte paradijsvogels, wiens staart en zijvederen gelijken op die der gewone soort, maar die overigens geheel zwart van kleur is. De inwoners van Dorey wisten mij daaromtrent niets mede te deelen, hoewel zij naar mijne beschrijving de meeste andere soorten zeer goed herkenden en wisten te vinden.Bij het vertrek van deEtnaleed ik erg aan koortsen; toen die ophielden, deed mijn mond, mijne tong, mijn tandvleesch mij zoo erge pijn, dat ik gedurende langen tijd, ook ten gevolge van het opzwellen mijner lippen, niets anders dan vloeibare spijs kon gebruiken. Overigens was ik welvarend, maar twee van mijne bedienden waren zoo ernstig ongesteld, dat ik mij zeer ongerust over hen maakte: de een leed aan dyssenterie, de andere aan koorts. Ik deed al wat in mijn vermogen was om hen met mijn zeer beknopte medicijndoos te hulp te komen; maar een hunner stierf niettemin, den 26 Juni, na een lijden van eenige weken. Hij was een goede jongen, wel niet over-ijverig, maar die zich toch trouw van zijn plicht kweet. Hij was eerst achttien jaren oud; geboortig van Boutong, mohammedaan van zijn geloof, even als mijne andere bedienden. Ik stelde hun eenige ellen wit katoen ter hand, en zij begroeven het lijk van den armen jongen overeenkomstig de gebruiken hunner godsdienst in het verre vreemde land.Den 6enJuli keerde deEtnate Dorey terug. Hoewel het midden in den zomer was, was het weder toch vochtig en regenachtig. Wij konden ons ter nauwernood het noodige voor onslevensonderhoudverschaffen; koorts, verkoudheid, dyssenterie weken niet uit onze woning; ik wenschte hartelijk dat ik Nieuw-Guinea weder kon verlaten. De kapitein van de stoomboot kwam mij bezoeken; hij was onuitputtelijk in het uitweiden over de schoonheden van de Humboldtsbaai, die, naar zijn zeggen, het zeer ver van de golf van Dorey won. De haven is beter. De inlanders, die door veelvuldige aanraking met maleische handelaars nog niet bedorven zijn, en die geen andere vreemdelingenhebben gezien dan de bemanning van enkele walvischvaarders, staan, zoowel in een physiek als in een zedelijk opzicht, veel hooger dan de bewoners dezer streken. Zij gaan geheel naakt. Hunne hutten, boven het water of op den grond gebouwd, zijn hecht en netjes: hunne velden wel bebouwd; en de goed onderhouden wegen doen alleen bij wijze van tegenstelling aan de poelen van Dorey denken. In den beginne wantrouwden de inlanders de onbekende gasten; en toen de sloepen werden uitgezet en naar de kust roeiden, namen dePapoeaseene vijandige houding aan, spanden hun bogen en dreigden op de vreemdelingen, indien zij durfden naderen, te schieten. De kapitein was verstandig genoeg, om bevel te geven tot den terugtocht; maar hij liet eenige geschenken op het strand neder leggen; en na twee- of driemaal de proef te hebben herhaald, liet men den Hollanders toe aan wal te komen, den omtrek te bezoeken, en vruchten en groenten in te koopen. Een inboorling van Dorey, dien men als tolk had medegenomen, kon geen woord van hunne taal verstaan, zoodat men zich met gebaren en teekenen behelpen moest. Voor het overige brachten de Hollanders noch vogels, noch nieuwe viervoetige dieren mede; maar uit de vederen, waarmede de inlanders zich tooiden, bleek toch dat de paradijsvogels ook in die streken gevonden werden, zooals waarschijnlijk in geheel Nieuw-Guinea.Wapenen enz. der bewoners van Timor.Wapenen enz. der bewoners van Timor.Het is inderdaad opmerkelijk, hoe, bij een zeer lagen trap van beschaving, een volk toch kunstzin en smaak kan hebben: de lieden van Dorey zijn inderdaad beeldhouwers en schilders. Aan de buitenzijde van hunne woningen vinden we geen enkele plank, die niet met ruw bewerkte, maar zeer karakteristieke figuren prijken. De hooge en smalle punten hunner prauwen zijn zoo fijn en keurig uitgesneden als kantwerk, en meermalen is dit beeldwerk niet minder smaakvol van lijnen als keurig van bewerking. Aan het uiteinde zijn zij altijd versierd met een beeld, waarvan het hoofd met casuarisvederen prijkt; die eene zekere gelijkenis vertoonen met het eigenaardig kapsel derPapoeas. De dobbers van hunne hengels, de houten spanen, waarmede zij het leem voor hun aardewerk kneden, hunne tabaksdoozen en andere artikelen voor huiselijk gebruik zijn met smaak gesneden en gebeeldhouwd en met fraaie arabesken versierd. Indien men niet wist, dat de meest volkomen onbeschaafdheid met deze zekere mechanische kunstvaardigheid gepaard kan gaan, zou men niet licht willen gelooven dat zij, die deze inderdaad fraaie zaken vervaardigen, toch ontbloot zijn van ieder begrip van orde, maatschappelijke samenleving, welvaart en welvoegelijkheid. Zij wonen in ellendige, bouwvallige, in de hoogste mate onzindelijke krotten; zij hebben noch banken, noch zitplaatsen, noch tafels; borstels zijn hen onbekend, enzij hebben geene andere kleeding of dekking dan boomschors, smerige vodden of pakdoek. Zij denken er niet aan, de overhangende takken of de wortels weg te ruimen, die de paden, welke naar hunne akkers voeren, onbegaanbaar maken, zoodat men zich een weg moet banen dwars door dichte struiken en houtgewas, tusschen doode stammen en doornige lianen, en door slijkpoelen waden, die niet uitdrogen, omdat er nooit een zonnestraal in schijnt. Zij voeden zich uitsluitend met wortels en groenten; visch en wildbraad zijn voor hen eene uitgezochte lekkernij, die zij maar zelden mogen genieten; huidziekten zijn dan ook bij hen zeer algemeen, en de lichamen hunner kinderen zijn meestal met zweren en gezwellen bedekt. En ondanks dit alles, hebben zij eene zeer stellige neiging en smaak voor de beeldende kunsten, en besteden hunne ledige uren aan het vervaardigen van kunstwerken, die om hunne sierlijkheid en zuiveren vorm zelfs in onze teekenscholen bewondering zouden verwekken.Wapenen en gereedschappen der Papoeas.Wapenen en gereedschappen derPapoeas.Gedurende den laatsten tijd van mijn verblijf in Nieuw-Guinea werd het weder zeer slecht; mijn eenige schutter was ziek; er waren geen vogels meer te zien, en mij bleef niets te doen over, dan insecten te zoeken. Zoodra de regen maar even ophield, doorsnuffelde ik ijverig den ganschen omtrek, en bracht een aantal nieuwe soorten mede naar huis. Op de doode boomen, de half vergane stammen, de verdorde maar nog aan de takken hangende bladeren, vond ik eene groote menigte van zeer kleine kevers. Wat schoonheid en grootte betreft, konden zij, het is waar, niet wedijveren met die van Borneo; maar uit het oogpunt der verscheidenheid mag mijne collectie van Nieuw-Guinea gerustop eene eereplaats aanspraak maken. In de eerste twee of drie weken, toen ik de goede plekjes nog niet gevonden had, bracht ik elken dag ongeveer een dertigtal kevers van verschillende soorten te huis, half zooveel kapellen, en nog eenige andere insecten. Dit getal steeg echter tot gemiddeld negen-en-veertig per dag. Den 31 Mei vond ik, tusschen de doode boomen en onder de vergane bast, acht-en-zeventig verschillende soorten: meer dan ik nog ooit op eenen dag verzameld had. Den 30 Juni keerde ik met vijf-en-negentig verschillende soorten van kevers naar huis: waarschijnlijk zal ik nooit meer in mijn leven, in een enkelen dag, zulk een rijken oogst binnenhalen. Het was zeer warm weder: en van des morgens tien tot des namiddags drie uren bezocht ik al mijne bekende plekjes, de struiken doorsnuffelende, de vergane boomschors afschillende, de rottende bladeren schuddende: te huis gekomen, had ik niet minder dan zes uren noodig om mijn buit te rangschikken, de kevers op te prikken, en hun pooten uit te spreiden. In het geheel verzamelde ik, binnen drie maanden tijds, op een terrein van nauwelijks een vierkante mijl in omtrek, bijkans duizend verschillende soorten van kevers; ik schat dit getal ongeveer op de helft der keversoorten, die deze plek bewonen, en op ongeveer een kwart van het aantal soorten, dat men vinden zou, indien de nasporingen over een terrein van dertig kilometers in het vierkant werden uitgestrekt.Den 22 Juli voer de goeletEsther-Helenade haven binnen, en vijf dagen later nam ik, zonder smart of spijt, afscheid van Dorey: nergens had ik zooveel ontberingen moeten lijden en met zooveel moeilijkheden te kampen gehad. Mijn ijver als natuuronderzoeker was bijna bezweken in die gestadige worsteling met ziekten, onvoldoend voedsel, en vooral met de mieren en vliegen. Deze reis, waarnaar ik zoo lang met vurig verlangen had uitgezien, had in geen enkel opzicht aan mijne verwachting beantwoord. Ik had geen enkele van de zeldzame paradijsvogels gezien, die ik gehoopt had hier te vinden; ik bracht van Dorey geen enkelen bijzonder fraaien of merkwaardigen vogel, geen enkel prachtig insect mede. Maar ik mag Dorey de eer niet betwisten, dat het buitengemeen rijk aan mieren is. Vooral eene zekere kleine zwarte mier komt hier in ongeloofelijken overvloed voor, en is eene ware landplaag. Bijna alle boomen en struiken wemelen van deze mieren, wier groote papierachtige nesten ge overal aantreft. Zij overmeesterden binnen weinige uren mijne woning, bouwden onder het dak een groot mierennest, en op alle palen en balken breede papieren tunnels; zij overstroomden mijne tafel, terwijl ik bezig was mijne insecten te rangschikken, roofden die voor mijne oogen weg, en scheurden ze zelfs van de kaartjes af, waarop ik ze vastplakte, zoodra ik maar een oogenblik mijn arbeid staakte. Zij kropen op mijne handen en mijn gezicht, drongen onder mijne kleederen tot op mijne huid door, en liepen overal langs mijn lichaam: wel is waar zonder veel pijn te doen, zoo lang zij geen tegenstand ontmoetten, maar zoodra zij gestoord werden, vinnig bijtende; ik moest telkens mijne kleederen uittrekken, om mij van deze fatale vijanden te ontslaan. De nacht bracht geen verlossing van deze kwelling: de mieren volgden mij in mijn bed: en ik geloof niet, dat ik gedurende de drie en een halve maand van mijn verblijf te Dorey, een enkel uur heb doorgebracht, zonder door deze mieren geplaagd te worden. Zij zijn op verre na niet zoo vraatzuchtig als anderen van haar geslacht; maar van wege haar ongeloofelijk aantal en hare alomtegenwoordigheid, moest ik voortdurend op mijne hoede zijn.De groote blauwe vliegen veroorzaakten mij niet minder last: zij streken bij gansche zwermen neder op de overblijfselen van opgezette vogels, en bedekten de vederen met tallooze eiertjes, waaruit reeds den volgenden morgen larven te voorschijn kwamen, als zij niet tijdig werden weggenomen. Zij verborgen zich onder de vleugelen of onder de huiden, die te drogen lagen, en het gebeurde somwijlen dat die huiden, door de myriaden eieren, binnen weinige uren gelegd, bijkans een halve duim in de hoogte werden getild. Die eitjes kleefden zoo vast aan de vederen, dat ze niet dan met groote moeite en met het uiterste geduld konden worden verwijderd, zonder den vogel te beschadigen.Den 29 Juli verlieten wij Dorey; onophoudelijk hadden wij met westenwinden en windstilte te kampen, zoodat de terugreis naar Ternate, die anders, met gunstigen wind, in vijf dagen kon geschieden, nu volle zeventien dagen duurde. Het was mij een waar genot, toen ik weder in mijne gemakkelijke, prettige woning nederzat, melk in mijn thee en mijn koffie kon krijgen, versch brood en boter, gevogelte en visch bij iederen maaltijd. Dit uitstapje naar Nieuw-Guinea had ons allen uitgeput.

III.Den 11 April 1858 landde de heer Russell Wallace te Dorey, aan den oever eener fraaie baai gelegen, aan wier uiteinde zich een hooge kaap verheft, die met twee of drie kleine eilandjes eene veilige ankerplaats voor de schepen vormt. Wij vonden daar, zegt hij, een hollandsche brik, die steenkolen kwam brengen voor de oorlogsstoomboot deEtna, die iederen dag werd verwacht, en langs de kusten van Nieuw-Guinea kruiste, ten einde eene plek op te sporen, geschikt voor de vestiging eener kolonie. Des avonds brachten wij een bezoek aan boord van de brik, alvorens ik in het dorp Dorey aan wal ging, waar ik eene geschikte plaats voor mijne woning moest opzoeken. De heer Otto, een duitsche zendeling, had de beleefdheid, voor mij eene overeenkomst aan te gaan met de inlandsche hoofden, die reeds den volgenden morgen lieden uitzonden om hout, rotting, en bamboes te hakken en te verzamelen.De dorpjes Mansinam en Dorey waren in sommige opzichten nieuw voor mij. De huizen zijn boven het water gebouwd, en niet te bereiken dan over lange, smalle, ruw bewerkte bruggetjes of loopplanken. De woningen zijn zeer laag; het dak heeft de gedaante van een groote schuit, met de kiel naar boven. De palen, waarop de huizen, de bruggen en de portalen rusten, zijn niet veel meer dan gedraaide stokken, zonder eenige orde geplaatst en er zeer versleten uitziende. De vloeren bestaan uit soortgelijke stokken, zoo slecht geschikt en zoo ver van elkander, dat het mij bijna onmogelijk was daarover te loopen. Bij wijze van muren, heeft men brokken van planken van oude booten, verrotte matten, palmbladeren, zonder eenige orde of symmetrie geschikt, die er zoo smerig, armoedig en verwaarloosd uitzien, als men zich denken kan. Aan het einde van het dak hangen menschenschedels, zegeteekenen uit de gevechten met de Arfakis uit het gebergte, die dikwijls het dorp overvallen. Het zoogenaamde huis van den dorpsraad, dat de gedaante van een kano heeft, rust op wat zwaarder palen, ruw behouwen, en eenigermate het beeld vertoonende van een man of eene vrouw; op het portaal voor den hoofdingang zijn zeer onkiesche beeldwerken geplaatst.Inboorling van Dorey.Inboorling van Dorey.De bewoners van deze ellendige huizen hebben zeer veel gelijkenis met de bewoners derArou-eilanden; sommigen hunner zijn inderdaad zeer schoon, groot en welgemaakt van gestalte, met sterk sprekende trekken en lange arendsneuzen. De kleur hunner huid is donkerbruin, dikwijls bij zwart af; de kolossale kapsels, wolfshoofden genaamd, zijn hier nog meer in de mode dan elders, en worden als eene schoonheid van den eersten rang beschouwd; eene groote zestandige vork van bamboes wordt doorgaans bij wijze van kam gebruikt, en in ledige oogenblikken is ieder daarmede bezig om zijn hairen in orde te houden en te voorkomen, dat de groote natuurlijke pruik niet hopeloos en reddeloos in de war gerake.De drie eerste dagen na onze aankomst werden gebruikt om mijne hut te bouwen, waartoe ik, behalve de hulp van mijn eigen volk, ook die van een dozijn Papoeas noodig had. Het was alles behalve gemakkelijk, deze laatsten aan het werk te krijgen en te houden: nauwelijks verstonden zij een enkel woord maleisch, en om hun mijne bevelen te geven, moest ik mijne toevlucht nemen tot gebarenspraak en zeer duidelijke aanwijzingen. Maar wanneer ik hun nu, bij voorbeeld, met veel moeite aan het verstand had gebracht, dat ik andere stokken noodig had, dan gingen er geen twee, maar zes of acht heen om ze te halen, hoewel blijkbaar een paar man volkomen voldoende waren voor dien arbeid, en ik de anderen vrij wat beter gebruiken kon. Op zekeren ochtend brachten zij met huntienen maar eene enkele bijl mede, hoewel zij zeer goed wisten, dat ik op dat oogenblik zulke werktuigen niet beschikbaar had.Papoea uit de omstreken van Dorey.Papoeauit de omstreken van Dorey.Mijne woning stond op een kleinen heuvel, twee honderd el van het strand en nevens den voornaamsten weg, die van de hutten naar de ontgonnen terreinen in het bosch loopt. Op een afstand van twintig el vloot een kleine beek, waarin wij ons des morgens baadden, en die ons uitnemend drinkwater verschafte. Ik liet het kreupelhout in het rond weghakken, opdat licht en lucht ongehinderd tot de woning zouden kunnen doordringen: sommige groote woudboomen verspreidden nabij de hut eene liefelijke schaduw. Onze hut, twintig voet lang en vijftien voet breed, was uit boomstammen opgetrokken; de vloer was van bamboes, de deur van rijswerk; een groot venster zag op de zee uit: ik zette daar mijne tafel in, die door een laag beschot van mijn bed was gescheiden. Ik kocht groote matten van palmbladen, die uitnemend geschikt waren om tot beschotten en wanden te dienen; de matten, die ik medegebracht had, werden op het dak gelegd en met atap bedekt, dat de inlanders voor mij vervaardigden. Een weinig achterwaarts van het huis stond een klein vertrekje dat tot keuken diende; en mijne bedienden plaatsten onder een afdak de bank, waarop ik de vogelhuiden bereidde. Ik liet mijn levensmiddelen en mijn bagage uit het schip halen; ik betaalde mijne wilden met messen en bijlen, en zond hen weg.Den volgenden morgen vervolgde onze goelet hare reis naar de oostelijke eilanden, en ik was nu meer dan waarschijnlijk de eenige Europeaan, in het groote land der Papoeas tijdelijk gevestigd.Daar ik de inboorlingen niet volkomen vertrouwde,hielden wij bij beurten de wacht, en zorgden dat onze geweren steeds geladen waren: voorzorgsmaatregelen, die wij weldra, na verloop van eenigen tijd, nalieten, nadat ons de vredelievende gezindheid onzer buren was gebleken. Bovendien konden wij er tamelijk gerust op zijn, dat zij het nooit zouden durven wagen, vijf welgewapende mannen aan te vallen. Wij waren nog een paar dagen bezig met de laatste hand aan ons huis te leggen, met gaten te stoppen en plankjes te bevestigen om mijne exemplaren te laten drogen, met een pad te banen tot aan de beek; en den grond voor het huis te effenen.Papoea uit de omstreken van Dorey.Papoeauit de omstreken van Dorey.De stoomboot deEtnawas nog niet aangekomen; de met steenkolen geladen brik, die, zoo als het contract luidde, een maand lang op de boot gewacht had, ging den 17enweder onder zeil, en op dienzelfden dag gingen onze jagers voor het eerst ter jacht in het woud. Zij brachten mij een prachtige kroonduif en eenige andere gewone vogels mede. Den volgenden morgen kwamen zij terug met een volwassen, geheel ongeschonden paradijsvogel, een paar papou-loris (Lorius domicella), vier andere loris en papagaaien, een indische spreeuw, een ijsvogel en twee of drie vogels van mindere waarde.Inmiddels ging ik een bezoek brengen aan het dorp, aan de andere zijde van den heuvel, die Dorey beheerscht, gelegen, en nam een kleinen voorraad van katoenen stoffen, messen en glaskoralen mede, ten einde de vriendschap te winnen van het opperhoofd, door wiens tusschenkomst ik eenige manschappen hoopte te verkrijgen, die mij bij de vogeljacht van dienst konden zijn.De hutten van het dorp liggen verstrooid te midden van open plekken in het woud, die op zeer onvolkomen wijze bebouwd zijn. De twee hutten, die ik bezocht, hebben in het midden een gang, waarop kleine zijgangetjes uitkomen, die elk naar twee kamers voeren, waarvan ieder door een afzonderlijk gezin wordt bewoond. De woningen zijn minstens vijf el boven den grond verheven en rusten op een woud van palen, maar zijn zoo slordig gemaakt en zoo slecht onderhouden, dat een kind zonder moeite tusschen de reten van den planken vloer zou kunnen doorkruipen. De bewoners van dit dorp kwamen mij voor, leelijker te zijn dan die van Dorey: waarschijnlijk zijn zij de echte oorspronkelijke bewoners van dit deel van Nieuw-Guinea; zij leven van landbouw en van de opbrengst der jacht, terwijl de kustbewoners van vischvangst en een weinig handel leven, en eenigszins het voorkomen hebben van volkplanters, die van elders zijn gekomen. Deze bewoners of Arfakis verschillen onderling in vrij sterke mate; zij zijn over het algemeen zwart, maar sommigen zijn bruin, zooals de Maleiers. Hunne hairen, hoewel meer of minder gekroesd, zijn somwijlen kort en niet wollig en zeer zwaar; ik geloof, dat dit het gevolg is van natuurlijke rasverscheidenheid en niet van kunstmatige zorg of mode. Zeer velen lijden aan huidziekten en scheurbuik.Het oude opperhoofd scheen zeer in zijn schik met mijn geschenk, en beloofde mij (door tusschenkomst van een tolk, dien ik mede had gebracht) dat hij mijne manschappen zou beschermen wanneer zij in de omstreken gingen jagen, en ook dat hij mij vogels en andere dieren zou bezorgen. Gedurende ons gesprek, rookten de inlanders tabak uit houten pijpen, van een langen rechten steel voorzien.Het regensaizoen spoedde ten einde; de gansche landstreek was doortrokken van vochtigheid. De inboorlingen verwaarloozen de wegen en voetpaden zoo zeer, dat zij dikwijls niet meer zijn dan donkere tunnels met een dak van wild dooreen gegroeide takken, en haast verzinkende in den modder. DePapoea, die geen kleederen heeft welke nat kunnen worden, ploetert ongestoord door die poelen voort, en wascht zich daarna weer schoon in de naburige beek; maar ik, die een broek en laarzen droeg, vond het uiterst onaangenaam, dat ik iederen morgen tot aan de knieën door het slijk moest waden. Lahagi, mijn houthakker, was sedert onze komst nog niet van zijne mat kunnen opstaan: anders zou ik hem hebben opgedragen, op de slechtste punten toegankelijke wegen te banen. De eerste tien dagen regende het regelmatig des avonds en des nachts; maar door ijverig gebruik te maken van de uren waarop de zon scheen, gelukte het mij mijne verzameling niet onbelangrijk te verrijken; behalve eenige nieuwe exemplaren, bezat ik weldra al de vogels en de insecten, die Lesson van zijne reis met het schip deCoquilleheeft medegebracht. Maar Dorey is niet de meest geschikte plaats om paradijsvogels te verzamelen; geen enkele inboorling verstaat de kunst om huiden te bereiden. De vogels, die hier te koop worden aangeboden, zijn afkomstig van Amberbaki, veertig mijlen meer westwaarts, waar de lieden van het dorp ze gaan halen.De lage gronden nabij de kust en de eilandjes in de baai schijnen van rotsen gevormd, die eerst sedert korten tijd boven de oppervlakte van het water zijn opgeheven; zij zijn bezaaid met overblijfselen van polijpen. De kleine heuvelketen, die achter het huis heen tot aan het voorgebergte loopt, bestaat bijna geheel uit koraalrots, schoon er ook sporen van andere rotsformatie worden aangetroffen. Aan de overzijde der baai verheft zich de indrukwekkende massa van het Arfakgebergte, dat, volgens de fransche natuurkundigen, eene hoogte van tienduizend voet zou bereiken en door geheel wilde stammen wordt bewoond. De inwoners van Dorey, die veel van deze hunne woeste naburen te lijden hebben, zijn voor deze bergbewoners uitermate bevreesd; zij zelven weten zeer goed, hoe duur hun de enkele schedels zijn te staan gekomen, die zij als zegeteekenen rondom hunne hutten hebben opgehangen.Den 15enMei stoomde deEtnaeindelijk de haven van Dorey binnen: maar het kolenschip was vertrokken, en men moest zijne terugkomst afwachten. Het oorlogsschip wierp het anker uit vlak tegenover mijne woning: ik hoorde de klok het half uur slaan: een eigenaardig geluid hier te midden der plechtige stilte van het woud. De kapitein, de dokter, de machinist en eenige officieren kwamen mij bezoeken: de matrozen spoelden hun linnengoed in mijne beek, en de zoon van den vorst van Tidor kwam zich daarin met zijne makkers baden. Voor het overige had ikweinig omgang met de bemanning, en werd ik niet, zoo als ik aanvankelijk gevreesd had, door de komst van het schip in mijn arbeid gestoord. Het weer was nu tamelijk fraai, maar de vogels en de insecten waren vrij schaarsch; vooral onder deze laatsten vond ik ter nauwernood eene nieuwe soort. Over het algemeen zijn de insecten hier minder schoon dan op Amboina, en ik kon mij zelven niet ontveinzen dat Dorey niet juist het beloofde land is voor een natuuronderzoeker: vlinders zijn zeer zeldzaam, en de meesten die ik hier vond, had ik reeds op de Arou-eilanden gevangen.Onder de insecten waren wel de merkwaardigste zekere soort van gehoornde vliegen, waarvan ik vier verschillende soorten heb aangetroffen op rottend hout en omgevallen boomen. Deze merkwaardige tweevleugeligen, door den heer W. W. Jaunders onder den naam vanElaphomia, of vliegen met hertshoornen, beschreven, zijn ongeveer een halven duim lang en hebben zeer groote pooten, die zij zoo weten te plaatsen, dat zij haar schraal lichaam tamelijk hoog kunnen opheffen. Hunne voorpooten zijn veel korter en worden dikwijls, even als voelhorens, naar voren uitgestoken; de hoornen komen onder het oog te voorschijn en schijnen eene voortzetting te zijn van het voorste gedeelte van de oogholte. Bij de grootste en merkwaardigste soort,Elaphomia cewicornis, zijn zij bijna zoo lang als het geheele lichaam en hebben twee takken; zij zijn zwart van kleur met witte punten; het lichaam en de pooten zijn geelachtig bruin, en de oogen (gedurende het leven) violet en groen. DeElaphomia wallacei, donkerbruin van kleur met gele strepen en vlekken, heeft hoornen ter lengte van ongeveer een derde van haar lichaam: zij zijn plat en vormen een langwerpigen driehoek. De kleur dezer hoornen is prachtig rood, met zwarte zoomen, en een heldere streep in het midden; het voorste gedeelte van den kop is eveneens rooskleurig, de oogen purper-violet, met een groene streep in het midden: al deze kleuren geven aan het insect een zeer eigenaardig en schitterend voorkomen. De derde soort,Elaphomia alcicornis(met de elandshoornen) is wat kleiner dan de beide vorigen, en komt in kleur het meest overeen met deElaphomia wallacei; de zeer merkwaardige hoornen vormen een soort van plat lemmer, rondom van scherpe tanden voorzien en geheel gelijkende op elandshoornen in miniatuur; de kleur is geelachtig bruin. De vierde soort,Eliphomia brevicornis, wijkt aanmerkelijk van de anderen af; haar zwaarder lichaam is bijna zwart, met een witten ring onder aan den buik; de vleugels zijn voorzien van donkere strepen; het platte, saamgedrongen hoofd draagt zeer kleine platte horens, die er bijna uitzien als de onvolwassen hoornen der andere soorten. De wijfjes van alle soorten missen deze horens.De inlanders waren mij niet bijzonder behulpzaam bij het vermeerderen mijner collectie. Ter nauwernood dooden deze arme lieden nu en dan een vogel, een varkentje, een kangoeroe of eenig ander dier. Naar men mij verzekerde, waren de kangoeroes hier in den omtrek te vinden; mijne jagers, die dagelijks het bosch doorkruisen, hebben er echter nooit een gezien. De eenige vogels, die men hier in zeker aantal aantreft, zijn kakatoes, loris en papegaaien; zelfs duiven zijn hier zeldzaam, en behooren meest tot enkele bekende soorten.Den 5enJuni keerde het kolenschip van Amboina terug, met een nieuwen voorraad voor de stoomboot. Het hout, dat bijna reeds geheel was ingeladen, werd nu weder gelost, en in de plaats daarvan de steenkolen ingenomen; en den 17 Juni vertrokken de boot en de brik beiden naar de Humboldtsbaai. De haven werd wederom stil en eenzaam, en wij konden weer iets te eten krijgen. Immers zoo lang de schepen op de reede lagen, brachten de inlanders daar letterlijk alles heen, visschen en groenten; meermalen gebeurde het, dat ik mij voor twee maaltijden met een papegaai moest tevreden stellen.Een langer verblijf in het binnenland achter Dorey zou waarschijnlijk goede resultaten opleveren: want men heeft mij vandaar een exemplaar bezorgd van het wijfje van den prachtigenPtiloris magnificus, wiens borst met een schubbig harnas is bekleed. Op Ternate had men mij gesproken van een vogel, die zeker in Europa niet bekend is, den koning der zwarte paradijsvogels, wiens staart en zijvederen gelijken op die der gewone soort, maar die overigens geheel zwart van kleur is. De inwoners van Dorey wisten mij daaromtrent niets mede te deelen, hoewel zij naar mijne beschrijving de meeste andere soorten zeer goed herkenden en wisten te vinden.Bij het vertrek van deEtnaleed ik erg aan koortsen; toen die ophielden, deed mijn mond, mijne tong, mijn tandvleesch mij zoo erge pijn, dat ik gedurende langen tijd, ook ten gevolge van het opzwellen mijner lippen, niets anders dan vloeibare spijs kon gebruiken. Overigens was ik welvarend, maar twee van mijne bedienden waren zoo ernstig ongesteld, dat ik mij zeer ongerust over hen maakte: de een leed aan dyssenterie, de andere aan koorts. Ik deed al wat in mijn vermogen was om hen met mijn zeer beknopte medicijndoos te hulp te komen; maar een hunner stierf niettemin, den 26 Juni, na een lijden van eenige weken. Hij was een goede jongen, wel niet over-ijverig, maar die zich toch trouw van zijn plicht kweet. Hij was eerst achttien jaren oud; geboortig van Boutong, mohammedaan van zijn geloof, even als mijne andere bedienden. Ik stelde hun eenige ellen wit katoen ter hand, en zij begroeven het lijk van den armen jongen overeenkomstig de gebruiken hunner godsdienst in het verre vreemde land.Den 6enJuli keerde deEtnate Dorey terug. Hoewel het midden in den zomer was, was het weder toch vochtig en regenachtig. Wij konden ons ter nauwernood het noodige voor onslevensonderhoudverschaffen; koorts, verkoudheid, dyssenterie weken niet uit onze woning; ik wenschte hartelijk dat ik Nieuw-Guinea weder kon verlaten. De kapitein van de stoomboot kwam mij bezoeken; hij was onuitputtelijk in het uitweiden over de schoonheden van de Humboldtsbaai, die, naar zijn zeggen, het zeer ver van de golf van Dorey won. De haven is beter. De inlanders, die door veelvuldige aanraking met maleische handelaars nog niet bedorven zijn, en die geen andere vreemdelingenhebben gezien dan de bemanning van enkele walvischvaarders, staan, zoowel in een physiek als in een zedelijk opzicht, veel hooger dan de bewoners dezer streken. Zij gaan geheel naakt. Hunne hutten, boven het water of op den grond gebouwd, zijn hecht en netjes: hunne velden wel bebouwd; en de goed onderhouden wegen doen alleen bij wijze van tegenstelling aan de poelen van Dorey denken. In den beginne wantrouwden de inlanders de onbekende gasten; en toen de sloepen werden uitgezet en naar de kust roeiden, namen dePapoeaseene vijandige houding aan, spanden hun bogen en dreigden op de vreemdelingen, indien zij durfden naderen, te schieten. De kapitein was verstandig genoeg, om bevel te geven tot den terugtocht; maar hij liet eenige geschenken op het strand neder leggen; en na twee- of driemaal de proef te hebben herhaald, liet men den Hollanders toe aan wal te komen, den omtrek te bezoeken, en vruchten en groenten in te koopen. Een inboorling van Dorey, dien men als tolk had medegenomen, kon geen woord van hunne taal verstaan, zoodat men zich met gebaren en teekenen behelpen moest. Voor het overige brachten de Hollanders noch vogels, noch nieuwe viervoetige dieren mede; maar uit de vederen, waarmede de inlanders zich tooiden, bleek toch dat de paradijsvogels ook in die streken gevonden werden, zooals waarschijnlijk in geheel Nieuw-Guinea.Wapenen enz. der bewoners van Timor.Wapenen enz. der bewoners van Timor.Het is inderdaad opmerkelijk, hoe, bij een zeer lagen trap van beschaving, een volk toch kunstzin en smaak kan hebben: de lieden van Dorey zijn inderdaad beeldhouwers en schilders. Aan de buitenzijde van hunne woningen vinden we geen enkele plank, die niet met ruw bewerkte, maar zeer karakteristieke figuren prijken. De hooge en smalle punten hunner prauwen zijn zoo fijn en keurig uitgesneden als kantwerk, en meermalen is dit beeldwerk niet minder smaakvol van lijnen als keurig van bewerking. Aan het uiteinde zijn zij altijd versierd met een beeld, waarvan het hoofd met casuarisvederen prijkt; die eene zekere gelijkenis vertoonen met het eigenaardig kapsel derPapoeas. De dobbers van hunne hengels, de houten spanen, waarmede zij het leem voor hun aardewerk kneden, hunne tabaksdoozen en andere artikelen voor huiselijk gebruik zijn met smaak gesneden en gebeeldhouwd en met fraaie arabesken versierd. Indien men niet wist, dat de meest volkomen onbeschaafdheid met deze zekere mechanische kunstvaardigheid gepaard kan gaan, zou men niet licht willen gelooven dat zij, die deze inderdaad fraaie zaken vervaardigen, toch ontbloot zijn van ieder begrip van orde, maatschappelijke samenleving, welvaart en welvoegelijkheid. Zij wonen in ellendige, bouwvallige, in de hoogste mate onzindelijke krotten; zij hebben noch banken, noch zitplaatsen, noch tafels; borstels zijn hen onbekend, enzij hebben geene andere kleeding of dekking dan boomschors, smerige vodden of pakdoek. Zij denken er niet aan, de overhangende takken of de wortels weg te ruimen, die de paden, welke naar hunne akkers voeren, onbegaanbaar maken, zoodat men zich een weg moet banen dwars door dichte struiken en houtgewas, tusschen doode stammen en doornige lianen, en door slijkpoelen waden, die niet uitdrogen, omdat er nooit een zonnestraal in schijnt. Zij voeden zich uitsluitend met wortels en groenten; visch en wildbraad zijn voor hen eene uitgezochte lekkernij, die zij maar zelden mogen genieten; huidziekten zijn dan ook bij hen zeer algemeen, en de lichamen hunner kinderen zijn meestal met zweren en gezwellen bedekt. En ondanks dit alles, hebben zij eene zeer stellige neiging en smaak voor de beeldende kunsten, en besteden hunne ledige uren aan het vervaardigen van kunstwerken, die om hunne sierlijkheid en zuiveren vorm zelfs in onze teekenscholen bewondering zouden verwekken.Wapenen en gereedschappen der Papoeas.Wapenen en gereedschappen derPapoeas.Gedurende den laatsten tijd van mijn verblijf in Nieuw-Guinea werd het weder zeer slecht; mijn eenige schutter was ziek; er waren geen vogels meer te zien, en mij bleef niets te doen over, dan insecten te zoeken. Zoodra de regen maar even ophield, doorsnuffelde ik ijverig den ganschen omtrek, en bracht een aantal nieuwe soorten mede naar huis. Op de doode boomen, de half vergane stammen, de verdorde maar nog aan de takken hangende bladeren, vond ik eene groote menigte van zeer kleine kevers. Wat schoonheid en grootte betreft, konden zij, het is waar, niet wedijveren met die van Borneo; maar uit het oogpunt der verscheidenheid mag mijne collectie van Nieuw-Guinea gerustop eene eereplaats aanspraak maken. In de eerste twee of drie weken, toen ik de goede plekjes nog niet gevonden had, bracht ik elken dag ongeveer een dertigtal kevers van verschillende soorten te huis, half zooveel kapellen, en nog eenige andere insecten. Dit getal steeg echter tot gemiddeld negen-en-veertig per dag. Den 31 Mei vond ik, tusschen de doode boomen en onder de vergane bast, acht-en-zeventig verschillende soorten: meer dan ik nog ooit op eenen dag verzameld had. Den 30 Juni keerde ik met vijf-en-negentig verschillende soorten van kevers naar huis: waarschijnlijk zal ik nooit meer in mijn leven, in een enkelen dag, zulk een rijken oogst binnenhalen. Het was zeer warm weder: en van des morgens tien tot des namiddags drie uren bezocht ik al mijne bekende plekjes, de struiken doorsnuffelende, de vergane boomschors afschillende, de rottende bladeren schuddende: te huis gekomen, had ik niet minder dan zes uren noodig om mijn buit te rangschikken, de kevers op te prikken, en hun pooten uit te spreiden. In het geheel verzamelde ik, binnen drie maanden tijds, op een terrein van nauwelijks een vierkante mijl in omtrek, bijkans duizend verschillende soorten van kevers; ik schat dit getal ongeveer op de helft der keversoorten, die deze plek bewonen, en op ongeveer een kwart van het aantal soorten, dat men vinden zou, indien de nasporingen over een terrein van dertig kilometers in het vierkant werden uitgestrekt.Den 22 Juli voer de goeletEsther-Helenade haven binnen, en vijf dagen later nam ik, zonder smart of spijt, afscheid van Dorey: nergens had ik zooveel ontberingen moeten lijden en met zooveel moeilijkheden te kampen gehad. Mijn ijver als natuuronderzoeker was bijna bezweken in die gestadige worsteling met ziekten, onvoldoend voedsel, en vooral met de mieren en vliegen. Deze reis, waarnaar ik zoo lang met vurig verlangen had uitgezien, had in geen enkel opzicht aan mijne verwachting beantwoord. Ik had geen enkele van de zeldzame paradijsvogels gezien, die ik gehoopt had hier te vinden; ik bracht van Dorey geen enkelen bijzonder fraaien of merkwaardigen vogel, geen enkel prachtig insect mede. Maar ik mag Dorey de eer niet betwisten, dat het buitengemeen rijk aan mieren is. Vooral eene zekere kleine zwarte mier komt hier in ongeloofelijken overvloed voor, en is eene ware landplaag. Bijna alle boomen en struiken wemelen van deze mieren, wier groote papierachtige nesten ge overal aantreft. Zij overmeesterden binnen weinige uren mijne woning, bouwden onder het dak een groot mierennest, en op alle palen en balken breede papieren tunnels; zij overstroomden mijne tafel, terwijl ik bezig was mijne insecten te rangschikken, roofden die voor mijne oogen weg, en scheurden ze zelfs van de kaartjes af, waarop ik ze vastplakte, zoodra ik maar een oogenblik mijn arbeid staakte. Zij kropen op mijne handen en mijn gezicht, drongen onder mijne kleederen tot op mijne huid door, en liepen overal langs mijn lichaam: wel is waar zonder veel pijn te doen, zoo lang zij geen tegenstand ontmoetten, maar zoodra zij gestoord werden, vinnig bijtende; ik moest telkens mijne kleederen uittrekken, om mij van deze fatale vijanden te ontslaan. De nacht bracht geen verlossing van deze kwelling: de mieren volgden mij in mijn bed: en ik geloof niet, dat ik gedurende de drie en een halve maand van mijn verblijf te Dorey, een enkel uur heb doorgebracht, zonder door deze mieren geplaagd te worden. Zij zijn op verre na niet zoo vraatzuchtig als anderen van haar geslacht; maar van wege haar ongeloofelijk aantal en hare alomtegenwoordigheid, moest ik voortdurend op mijne hoede zijn.De groote blauwe vliegen veroorzaakten mij niet minder last: zij streken bij gansche zwermen neder op de overblijfselen van opgezette vogels, en bedekten de vederen met tallooze eiertjes, waaruit reeds den volgenden morgen larven te voorschijn kwamen, als zij niet tijdig werden weggenomen. Zij verborgen zich onder de vleugelen of onder de huiden, die te drogen lagen, en het gebeurde somwijlen dat die huiden, door de myriaden eieren, binnen weinige uren gelegd, bijkans een halve duim in de hoogte werden getild. Die eitjes kleefden zoo vast aan de vederen, dat ze niet dan met groote moeite en met het uiterste geduld konden worden verwijderd, zonder den vogel te beschadigen.Den 29 Juli verlieten wij Dorey; onophoudelijk hadden wij met westenwinden en windstilte te kampen, zoodat de terugreis naar Ternate, die anders, met gunstigen wind, in vijf dagen kon geschieden, nu volle zeventien dagen duurde. Het was mij een waar genot, toen ik weder in mijne gemakkelijke, prettige woning nederzat, melk in mijn thee en mijn koffie kon krijgen, versch brood en boter, gevogelte en visch bij iederen maaltijd. Dit uitstapje naar Nieuw-Guinea had ons allen uitgeput.

III.Den 11 April 1858 landde de heer Russell Wallace te Dorey, aan den oever eener fraaie baai gelegen, aan wier uiteinde zich een hooge kaap verheft, die met twee of drie kleine eilandjes eene veilige ankerplaats voor de schepen vormt. Wij vonden daar, zegt hij, een hollandsche brik, die steenkolen kwam brengen voor de oorlogsstoomboot deEtna, die iederen dag werd verwacht, en langs de kusten van Nieuw-Guinea kruiste, ten einde eene plek op te sporen, geschikt voor de vestiging eener kolonie. Des avonds brachten wij een bezoek aan boord van de brik, alvorens ik in het dorp Dorey aan wal ging, waar ik eene geschikte plaats voor mijne woning moest opzoeken. De heer Otto, een duitsche zendeling, had de beleefdheid, voor mij eene overeenkomst aan te gaan met de inlandsche hoofden, die reeds den volgenden morgen lieden uitzonden om hout, rotting, en bamboes te hakken en te verzamelen.De dorpjes Mansinam en Dorey waren in sommige opzichten nieuw voor mij. De huizen zijn boven het water gebouwd, en niet te bereiken dan over lange, smalle, ruw bewerkte bruggetjes of loopplanken. De woningen zijn zeer laag; het dak heeft de gedaante van een groote schuit, met de kiel naar boven. De palen, waarop de huizen, de bruggen en de portalen rusten, zijn niet veel meer dan gedraaide stokken, zonder eenige orde geplaatst en er zeer versleten uitziende. De vloeren bestaan uit soortgelijke stokken, zoo slecht geschikt en zoo ver van elkander, dat het mij bijna onmogelijk was daarover te loopen. Bij wijze van muren, heeft men brokken van planken van oude booten, verrotte matten, palmbladeren, zonder eenige orde of symmetrie geschikt, die er zoo smerig, armoedig en verwaarloosd uitzien, als men zich denken kan. Aan het einde van het dak hangen menschenschedels, zegeteekenen uit de gevechten met de Arfakis uit het gebergte, die dikwijls het dorp overvallen. Het zoogenaamde huis van den dorpsraad, dat de gedaante van een kano heeft, rust op wat zwaarder palen, ruw behouwen, en eenigermate het beeld vertoonende van een man of eene vrouw; op het portaal voor den hoofdingang zijn zeer onkiesche beeldwerken geplaatst.Inboorling van Dorey.Inboorling van Dorey.De bewoners van deze ellendige huizen hebben zeer veel gelijkenis met de bewoners derArou-eilanden; sommigen hunner zijn inderdaad zeer schoon, groot en welgemaakt van gestalte, met sterk sprekende trekken en lange arendsneuzen. De kleur hunner huid is donkerbruin, dikwijls bij zwart af; de kolossale kapsels, wolfshoofden genaamd, zijn hier nog meer in de mode dan elders, en worden als eene schoonheid van den eersten rang beschouwd; eene groote zestandige vork van bamboes wordt doorgaans bij wijze van kam gebruikt, en in ledige oogenblikken is ieder daarmede bezig om zijn hairen in orde te houden en te voorkomen, dat de groote natuurlijke pruik niet hopeloos en reddeloos in de war gerake.De drie eerste dagen na onze aankomst werden gebruikt om mijne hut te bouwen, waartoe ik, behalve de hulp van mijn eigen volk, ook die van een dozijn Papoeas noodig had. Het was alles behalve gemakkelijk, deze laatsten aan het werk te krijgen en te houden: nauwelijks verstonden zij een enkel woord maleisch, en om hun mijne bevelen te geven, moest ik mijne toevlucht nemen tot gebarenspraak en zeer duidelijke aanwijzingen. Maar wanneer ik hun nu, bij voorbeeld, met veel moeite aan het verstand had gebracht, dat ik andere stokken noodig had, dan gingen er geen twee, maar zes of acht heen om ze te halen, hoewel blijkbaar een paar man volkomen voldoende waren voor dien arbeid, en ik de anderen vrij wat beter gebruiken kon. Op zekeren ochtend brachten zij met huntienen maar eene enkele bijl mede, hoewel zij zeer goed wisten, dat ik op dat oogenblik zulke werktuigen niet beschikbaar had.Papoea uit de omstreken van Dorey.Papoeauit de omstreken van Dorey.Mijne woning stond op een kleinen heuvel, twee honderd el van het strand en nevens den voornaamsten weg, die van de hutten naar de ontgonnen terreinen in het bosch loopt. Op een afstand van twintig el vloot een kleine beek, waarin wij ons des morgens baadden, en die ons uitnemend drinkwater verschafte. Ik liet het kreupelhout in het rond weghakken, opdat licht en lucht ongehinderd tot de woning zouden kunnen doordringen: sommige groote woudboomen verspreidden nabij de hut eene liefelijke schaduw. Onze hut, twintig voet lang en vijftien voet breed, was uit boomstammen opgetrokken; de vloer was van bamboes, de deur van rijswerk; een groot venster zag op de zee uit: ik zette daar mijne tafel in, die door een laag beschot van mijn bed was gescheiden. Ik kocht groote matten van palmbladen, die uitnemend geschikt waren om tot beschotten en wanden te dienen; de matten, die ik medegebracht had, werden op het dak gelegd en met atap bedekt, dat de inlanders voor mij vervaardigden. Een weinig achterwaarts van het huis stond een klein vertrekje dat tot keuken diende; en mijne bedienden plaatsten onder een afdak de bank, waarop ik de vogelhuiden bereidde. Ik liet mijn levensmiddelen en mijn bagage uit het schip halen; ik betaalde mijne wilden met messen en bijlen, en zond hen weg.Den volgenden morgen vervolgde onze goelet hare reis naar de oostelijke eilanden, en ik was nu meer dan waarschijnlijk de eenige Europeaan, in het groote land der Papoeas tijdelijk gevestigd.Daar ik de inboorlingen niet volkomen vertrouwde,hielden wij bij beurten de wacht, en zorgden dat onze geweren steeds geladen waren: voorzorgsmaatregelen, die wij weldra, na verloop van eenigen tijd, nalieten, nadat ons de vredelievende gezindheid onzer buren was gebleken. Bovendien konden wij er tamelijk gerust op zijn, dat zij het nooit zouden durven wagen, vijf welgewapende mannen aan te vallen. Wij waren nog een paar dagen bezig met de laatste hand aan ons huis te leggen, met gaten te stoppen en plankjes te bevestigen om mijne exemplaren te laten drogen, met een pad te banen tot aan de beek; en den grond voor het huis te effenen.Papoea uit de omstreken van Dorey.Papoeauit de omstreken van Dorey.De stoomboot deEtnawas nog niet aangekomen; de met steenkolen geladen brik, die, zoo als het contract luidde, een maand lang op de boot gewacht had, ging den 17enweder onder zeil, en op dienzelfden dag gingen onze jagers voor het eerst ter jacht in het woud. Zij brachten mij een prachtige kroonduif en eenige andere gewone vogels mede. Den volgenden morgen kwamen zij terug met een volwassen, geheel ongeschonden paradijsvogel, een paar papou-loris (Lorius domicella), vier andere loris en papagaaien, een indische spreeuw, een ijsvogel en twee of drie vogels van mindere waarde.Inmiddels ging ik een bezoek brengen aan het dorp, aan de andere zijde van den heuvel, die Dorey beheerscht, gelegen, en nam een kleinen voorraad van katoenen stoffen, messen en glaskoralen mede, ten einde de vriendschap te winnen van het opperhoofd, door wiens tusschenkomst ik eenige manschappen hoopte te verkrijgen, die mij bij de vogeljacht van dienst konden zijn.De hutten van het dorp liggen verstrooid te midden van open plekken in het woud, die op zeer onvolkomen wijze bebouwd zijn. De twee hutten, die ik bezocht, hebben in het midden een gang, waarop kleine zijgangetjes uitkomen, die elk naar twee kamers voeren, waarvan ieder door een afzonderlijk gezin wordt bewoond. De woningen zijn minstens vijf el boven den grond verheven en rusten op een woud van palen, maar zijn zoo slordig gemaakt en zoo slecht onderhouden, dat een kind zonder moeite tusschen de reten van den planken vloer zou kunnen doorkruipen. De bewoners van dit dorp kwamen mij voor, leelijker te zijn dan die van Dorey: waarschijnlijk zijn zij de echte oorspronkelijke bewoners van dit deel van Nieuw-Guinea; zij leven van landbouw en van de opbrengst der jacht, terwijl de kustbewoners van vischvangst en een weinig handel leven, en eenigszins het voorkomen hebben van volkplanters, die van elders zijn gekomen. Deze bewoners of Arfakis verschillen onderling in vrij sterke mate; zij zijn over het algemeen zwart, maar sommigen zijn bruin, zooals de Maleiers. Hunne hairen, hoewel meer of minder gekroesd, zijn somwijlen kort en niet wollig en zeer zwaar; ik geloof, dat dit het gevolg is van natuurlijke rasverscheidenheid en niet van kunstmatige zorg of mode. Zeer velen lijden aan huidziekten en scheurbuik.Het oude opperhoofd scheen zeer in zijn schik met mijn geschenk, en beloofde mij (door tusschenkomst van een tolk, dien ik mede had gebracht) dat hij mijne manschappen zou beschermen wanneer zij in de omstreken gingen jagen, en ook dat hij mij vogels en andere dieren zou bezorgen. Gedurende ons gesprek, rookten de inlanders tabak uit houten pijpen, van een langen rechten steel voorzien.Het regensaizoen spoedde ten einde; de gansche landstreek was doortrokken van vochtigheid. De inboorlingen verwaarloozen de wegen en voetpaden zoo zeer, dat zij dikwijls niet meer zijn dan donkere tunnels met een dak van wild dooreen gegroeide takken, en haast verzinkende in den modder. DePapoea, die geen kleederen heeft welke nat kunnen worden, ploetert ongestoord door die poelen voort, en wascht zich daarna weer schoon in de naburige beek; maar ik, die een broek en laarzen droeg, vond het uiterst onaangenaam, dat ik iederen morgen tot aan de knieën door het slijk moest waden. Lahagi, mijn houthakker, was sedert onze komst nog niet van zijne mat kunnen opstaan: anders zou ik hem hebben opgedragen, op de slechtste punten toegankelijke wegen te banen. De eerste tien dagen regende het regelmatig des avonds en des nachts; maar door ijverig gebruik te maken van de uren waarop de zon scheen, gelukte het mij mijne verzameling niet onbelangrijk te verrijken; behalve eenige nieuwe exemplaren, bezat ik weldra al de vogels en de insecten, die Lesson van zijne reis met het schip deCoquilleheeft medegebracht. Maar Dorey is niet de meest geschikte plaats om paradijsvogels te verzamelen; geen enkele inboorling verstaat de kunst om huiden te bereiden. De vogels, die hier te koop worden aangeboden, zijn afkomstig van Amberbaki, veertig mijlen meer westwaarts, waar de lieden van het dorp ze gaan halen.De lage gronden nabij de kust en de eilandjes in de baai schijnen van rotsen gevormd, die eerst sedert korten tijd boven de oppervlakte van het water zijn opgeheven; zij zijn bezaaid met overblijfselen van polijpen. De kleine heuvelketen, die achter het huis heen tot aan het voorgebergte loopt, bestaat bijna geheel uit koraalrots, schoon er ook sporen van andere rotsformatie worden aangetroffen. Aan de overzijde der baai verheft zich de indrukwekkende massa van het Arfakgebergte, dat, volgens de fransche natuurkundigen, eene hoogte van tienduizend voet zou bereiken en door geheel wilde stammen wordt bewoond. De inwoners van Dorey, die veel van deze hunne woeste naburen te lijden hebben, zijn voor deze bergbewoners uitermate bevreesd; zij zelven weten zeer goed, hoe duur hun de enkele schedels zijn te staan gekomen, die zij als zegeteekenen rondom hunne hutten hebben opgehangen.Den 15enMei stoomde deEtnaeindelijk de haven van Dorey binnen: maar het kolenschip was vertrokken, en men moest zijne terugkomst afwachten. Het oorlogsschip wierp het anker uit vlak tegenover mijne woning: ik hoorde de klok het half uur slaan: een eigenaardig geluid hier te midden der plechtige stilte van het woud. De kapitein, de dokter, de machinist en eenige officieren kwamen mij bezoeken: de matrozen spoelden hun linnengoed in mijne beek, en de zoon van den vorst van Tidor kwam zich daarin met zijne makkers baden. Voor het overige had ikweinig omgang met de bemanning, en werd ik niet, zoo als ik aanvankelijk gevreesd had, door de komst van het schip in mijn arbeid gestoord. Het weer was nu tamelijk fraai, maar de vogels en de insecten waren vrij schaarsch; vooral onder deze laatsten vond ik ter nauwernood eene nieuwe soort. Over het algemeen zijn de insecten hier minder schoon dan op Amboina, en ik kon mij zelven niet ontveinzen dat Dorey niet juist het beloofde land is voor een natuuronderzoeker: vlinders zijn zeer zeldzaam, en de meesten die ik hier vond, had ik reeds op de Arou-eilanden gevangen.Onder de insecten waren wel de merkwaardigste zekere soort van gehoornde vliegen, waarvan ik vier verschillende soorten heb aangetroffen op rottend hout en omgevallen boomen. Deze merkwaardige tweevleugeligen, door den heer W. W. Jaunders onder den naam vanElaphomia, of vliegen met hertshoornen, beschreven, zijn ongeveer een halven duim lang en hebben zeer groote pooten, die zij zoo weten te plaatsen, dat zij haar schraal lichaam tamelijk hoog kunnen opheffen. Hunne voorpooten zijn veel korter en worden dikwijls, even als voelhorens, naar voren uitgestoken; de hoornen komen onder het oog te voorschijn en schijnen eene voortzetting te zijn van het voorste gedeelte van de oogholte. Bij de grootste en merkwaardigste soort,Elaphomia cewicornis, zijn zij bijna zoo lang als het geheele lichaam en hebben twee takken; zij zijn zwart van kleur met witte punten; het lichaam en de pooten zijn geelachtig bruin, en de oogen (gedurende het leven) violet en groen. DeElaphomia wallacei, donkerbruin van kleur met gele strepen en vlekken, heeft hoornen ter lengte van ongeveer een derde van haar lichaam: zij zijn plat en vormen een langwerpigen driehoek. De kleur dezer hoornen is prachtig rood, met zwarte zoomen, en een heldere streep in het midden; het voorste gedeelte van den kop is eveneens rooskleurig, de oogen purper-violet, met een groene streep in het midden: al deze kleuren geven aan het insect een zeer eigenaardig en schitterend voorkomen. De derde soort,Elaphomia alcicornis(met de elandshoornen) is wat kleiner dan de beide vorigen, en komt in kleur het meest overeen met deElaphomia wallacei; de zeer merkwaardige hoornen vormen een soort van plat lemmer, rondom van scherpe tanden voorzien en geheel gelijkende op elandshoornen in miniatuur; de kleur is geelachtig bruin. De vierde soort,Eliphomia brevicornis, wijkt aanmerkelijk van de anderen af; haar zwaarder lichaam is bijna zwart, met een witten ring onder aan den buik; de vleugels zijn voorzien van donkere strepen; het platte, saamgedrongen hoofd draagt zeer kleine platte horens, die er bijna uitzien als de onvolwassen hoornen der andere soorten. De wijfjes van alle soorten missen deze horens.De inlanders waren mij niet bijzonder behulpzaam bij het vermeerderen mijner collectie. Ter nauwernood dooden deze arme lieden nu en dan een vogel, een varkentje, een kangoeroe of eenig ander dier. Naar men mij verzekerde, waren de kangoeroes hier in den omtrek te vinden; mijne jagers, die dagelijks het bosch doorkruisen, hebben er echter nooit een gezien. De eenige vogels, die men hier in zeker aantal aantreft, zijn kakatoes, loris en papegaaien; zelfs duiven zijn hier zeldzaam, en behooren meest tot enkele bekende soorten.Den 5enJuni keerde het kolenschip van Amboina terug, met een nieuwen voorraad voor de stoomboot. Het hout, dat bijna reeds geheel was ingeladen, werd nu weder gelost, en in de plaats daarvan de steenkolen ingenomen; en den 17 Juni vertrokken de boot en de brik beiden naar de Humboldtsbaai. De haven werd wederom stil en eenzaam, en wij konden weer iets te eten krijgen. Immers zoo lang de schepen op de reede lagen, brachten de inlanders daar letterlijk alles heen, visschen en groenten; meermalen gebeurde het, dat ik mij voor twee maaltijden met een papegaai moest tevreden stellen.Een langer verblijf in het binnenland achter Dorey zou waarschijnlijk goede resultaten opleveren: want men heeft mij vandaar een exemplaar bezorgd van het wijfje van den prachtigenPtiloris magnificus, wiens borst met een schubbig harnas is bekleed. Op Ternate had men mij gesproken van een vogel, die zeker in Europa niet bekend is, den koning der zwarte paradijsvogels, wiens staart en zijvederen gelijken op die der gewone soort, maar die overigens geheel zwart van kleur is. De inwoners van Dorey wisten mij daaromtrent niets mede te deelen, hoewel zij naar mijne beschrijving de meeste andere soorten zeer goed herkenden en wisten te vinden.Bij het vertrek van deEtnaleed ik erg aan koortsen; toen die ophielden, deed mijn mond, mijne tong, mijn tandvleesch mij zoo erge pijn, dat ik gedurende langen tijd, ook ten gevolge van het opzwellen mijner lippen, niets anders dan vloeibare spijs kon gebruiken. Overigens was ik welvarend, maar twee van mijne bedienden waren zoo ernstig ongesteld, dat ik mij zeer ongerust over hen maakte: de een leed aan dyssenterie, de andere aan koorts. Ik deed al wat in mijn vermogen was om hen met mijn zeer beknopte medicijndoos te hulp te komen; maar een hunner stierf niettemin, den 26 Juni, na een lijden van eenige weken. Hij was een goede jongen, wel niet over-ijverig, maar die zich toch trouw van zijn plicht kweet. Hij was eerst achttien jaren oud; geboortig van Boutong, mohammedaan van zijn geloof, even als mijne andere bedienden. Ik stelde hun eenige ellen wit katoen ter hand, en zij begroeven het lijk van den armen jongen overeenkomstig de gebruiken hunner godsdienst in het verre vreemde land.Den 6enJuli keerde deEtnate Dorey terug. Hoewel het midden in den zomer was, was het weder toch vochtig en regenachtig. Wij konden ons ter nauwernood het noodige voor onslevensonderhoudverschaffen; koorts, verkoudheid, dyssenterie weken niet uit onze woning; ik wenschte hartelijk dat ik Nieuw-Guinea weder kon verlaten. De kapitein van de stoomboot kwam mij bezoeken; hij was onuitputtelijk in het uitweiden over de schoonheden van de Humboldtsbaai, die, naar zijn zeggen, het zeer ver van de golf van Dorey won. De haven is beter. De inlanders, die door veelvuldige aanraking met maleische handelaars nog niet bedorven zijn, en die geen andere vreemdelingenhebben gezien dan de bemanning van enkele walvischvaarders, staan, zoowel in een physiek als in een zedelijk opzicht, veel hooger dan de bewoners dezer streken. Zij gaan geheel naakt. Hunne hutten, boven het water of op den grond gebouwd, zijn hecht en netjes: hunne velden wel bebouwd; en de goed onderhouden wegen doen alleen bij wijze van tegenstelling aan de poelen van Dorey denken. In den beginne wantrouwden de inlanders de onbekende gasten; en toen de sloepen werden uitgezet en naar de kust roeiden, namen dePapoeaseene vijandige houding aan, spanden hun bogen en dreigden op de vreemdelingen, indien zij durfden naderen, te schieten. De kapitein was verstandig genoeg, om bevel te geven tot den terugtocht; maar hij liet eenige geschenken op het strand neder leggen; en na twee- of driemaal de proef te hebben herhaald, liet men den Hollanders toe aan wal te komen, den omtrek te bezoeken, en vruchten en groenten in te koopen. Een inboorling van Dorey, dien men als tolk had medegenomen, kon geen woord van hunne taal verstaan, zoodat men zich met gebaren en teekenen behelpen moest. Voor het overige brachten de Hollanders noch vogels, noch nieuwe viervoetige dieren mede; maar uit de vederen, waarmede de inlanders zich tooiden, bleek toch dat de paradijsvogels ook in die streken gevonden werden, zooals waarschijnlijk in geheel Nieuw-Guinea.Wapenen enz. der bewoners van Timor.Wapenen enz. der bewoners van Timor.Het is inderdaad opmerkelijk, hoe, bij een zeer lagen trap van beschaving, een volk toch kunstzin en smaak kan hebben: de lieden van Dorey zijn inderdaad beeldhouwers en schilders. Aan de buitenzijde van hunne woningen vinden we geen enkele plank, die niet met ruw bewerkte, maar zeer karakteristieke figuren prijken. De hooge en smalle punten hunner prauwen zijn zoo fijn en keurig uitgesneden als kantwerk, en meermalen is dit beeldwerk niet minder smaakvol van lijnen als keurig van bewerking. Aan het uiteinde zijn zij altijd versierd met een beeld, waarvan het hoofd met casuarisvederen prijkt; die eene zekere gelijkenis vertoonen met het eigenaardig kapsel derPapoeas. De dobbers van hunne hengels, de houten spanen, waarmede zij het leem voor hun aardewerk kneden, hunne tabaksdoozen en andere artikelen voor huiselijk gebruik zijn met smaak gesneden en gebeeldhouwd en met fraaie arabesken versierd. Indien men niet wist, dat de meest volkomen onbeschaafdheid met deze zekere mechanische kunstvaardigheid gepaard kan gaan, zou men niet licht willen gelooven dat zij, die deze inderdaad fraaie zaken vervaardigen, toch ontbloot zijn van ieder begrip van orde, maatschappelijke samenleving, welvaart en welvoegelijkheid. Zij wonen in ellendige, bouwvallige, in de hoogste mate onzindelijke krotten; zij hebben noch banken, noch zitplaatsen, noch tafels; borstels zijn hen onbekend, enzij hebben geene andere kleeding of dekking dan boomschors, smerige vodden of pakdoek. Zij denken er niet aan, de overhangende takken of de wortels weg te ruimen, die de paden, welke naar hunne akkers voeren, onbegaanbaar maken, zoodat men zich een weg moet banen dwars door dichte struiken en houtgewas, tusschen doode stammen en doornige lianen, en door slijkpoelen waden, die niet uitdrogen, omdat er nooit een zonnestraal in schijnt. Zij voeden zich uitsluitend met wortels en groenten; visch en wildbraad zijn voor hen eene uitgezochte lekkernij, die zij maar zelden mogen genieten; huidziekten zijn dan ook bij hen zeer algemeen, en de lichamen hunner kinderen zijn meestal met zweren en gezwellen bedekt. En ondanks dit alles, hebben zij eene zeer stellige neiging en smaak voor de beeldende kunsten, en besteden hunne ledige uren aan het vervaardigen van kunstwerken, die om hunne sierlijkheid en zuiveren vorm zelfs in onze teekenscholen bewondering zouden verwekken.Wapenen en gereedschappen der Papoeas.Wapenen en gereedschappen derPapoeas.Gedurende den laatsten tijd van mijn verblijf in Nieuw-Guinea werd het weder zeer slecht; mijn eenige schutter was ziek; er waren geen vogels meer te zien, en mij bleef niets te doen over, dan insecten te zoeken. Zoodra de regen maar even ophield, doorsnuffelde ik ijverig den ganschen omtrek, en bracht een aantal nieuwe soorten mede naar huis. Op de doode boomen, de half vergane stammen, de verdorde maar nog aan de takken hangende bladeren, vond ik eene groote menigte van zeer kleine kevers. Wat schoonheid en grootte betreft, konden zij, het is waar, niet wedijveren met die van Borneo; maar uit het oogpunt der verscheidenheid mag mijne collectie van Nieuw-Guinea gerustop eene eereplaats aanspraak maken. In de eerste twee of drie weken, toen ik de goede plekjes nog niet gevonden had, bracht ik elken dag ongeveer een dertigtal kevers van verschillende soorten te huis, half zooveel kapellen, en nog eenige andere insecten. Dit getal steeg echter tot gemiddeld negen-en-veertig per dag. Den 31 Mei vond ik, tusschen de doode boomen en onder de vergane bast, acht-en-zeventig verschillende soorten: meer dan ik nog ooit op eenen dag verzameld had. Den 30 Juni keerde ik met vijf-en-negentig verschillende soorten van kevers naar huis: waarschijnlijk zal ik nooit meer in mijn leven, in een enkelen dag, zulk een rijken oogst binnenhalen. Het was zeer warm weder: en van des morgens tien tot des namiddags drie uren bezocht ik al mijne bekende plekjes, de struiken doorsnuffelende, de vergane boomschors afschillende, de rottende bladeren schuddende: te huis gekomen, had ik niet minder dan zes uren noodig om mijn buit te rangschikken, de kevers op te prikken, en hun pooten uit te spreiden. In het geheel verzamelde ik, binnen drie maanden tijds, op een terrein van nauwelijks een vierkante mijl in omtrek, bijkans duizend verschillende soorten van kevers; ik schat dit getal ongeveer op de helft der keversoorten, die deze plek bewonen, en op ongeveer een kwart van het aantal soorten, dat men vinden zou, indien de nasporingen over een terrein van dertig kilometers in het vierkant werden uitgestrekt.Den 22 Juli voer de goeletEsther-Helenade haven binnen, en vijf dagen later nam ik, zonder smart of spijt, afscheid van Dorey: nergens had ik zooveel ontberingen moeten lijden en met zooveel moeilijkheden te kampen gehad. Mijn ijver als natuuronderzoeker was bijna bezweken in die gestadige worsteling met ziekten, onvoldoend voedsel, en vooral met de mieren en vliegen. Deze reis, waarnaar ik zoo lang met vurig verlangen had uitgezien, had in geen enkel opzicht aan mijne verwachting beantwoord. Ik had geen enkele van de zeldzame paradijsvogels gezien, die ik gehoopt had hier te vinden; ik bracht van Dorey geen enkelen bijzonder fraaien of merkwaardigen vogel, geen enkel prachtig insect mede. Maar ik mag Dorey de eer niet betwisten, dat het buitengemeen rijk aan mieren is. Vooral eene zekere kleine zwarte mier komt hier in ongeloofelijken overvloed voor, en is eene ware landplaag. Bijna alle boomen en struiken wemelen van deze mieren, wier groote papierachtige nesten ge overal aantreft. Zij overmeesterden binnen weinige uren mijne woning, bouwden onder het dak een groot mierennest, en op alle palen en balken breede papieren tunnels; zij overstroomden mijne tafel, terwijl ik bezig was mijne insecten te rangschikken, roofden die voor mijne oogen weg, en scheurden ze zelfs van de kaartjes af, waarop ik ze vastplakte, zoodra ik maar een oogenblik mijn arbeid staakte. Zij kropen op mijne handen en mijn gezicht, drongen onder mijne kleederen tot op mijne huid door, en liepen overal langs mijn lichaam: wel is waar zonder veel pijn te doen, zoo lang zij geen tegenstand ontmoetten, maar zoodra zij gestoord werden, vinnig bijtende; ik moest telkens mijne kleederen uittrekken, om mij van deze fatale vijanden te ontslaan. De nacht bracht geen verlossing van deze kwelling: de mieren volgden mij in mijn bed: en ik geloof niet, dat ik gedurende de drie en een halve maand van mijn verblijf te Dorey, een enkel uur heb doorgebracht, zonder door deze mieren geplaagd te worden. Zij zijn op verre na niet zoo vraatzuchtig als anderen van haar geslacht; maar van wege haar ongeloofelijk aantal en hare alomtegenwoordigheid, moest ik voortdurend op mijne hoede zijn.De groote blauwe vliegen veroorzaakten mij niet minder last: zij streken bij gansche zwermen neder op de overblijfselen van opgezette vogels, en bedekten de vederen met tallooze eiertjes, waaruit reeds den volgenden morgen larven te voorschijn kwamen, als zij niet tijdig werden weggenomen. Zij verborgen zich onder de vleugelen of onder de huiden, die te drogen lagen, en het gebeurde somwijlen dat die huiden, door de myriaden eieren, binnen weinige uren gelegd, bijkans een halve duim in de hoogte werden getild. Die eitjes kleefden zoo vast aan de vederen, dat ze niet dan met groote moeite en met het uiterste geduld konden worden verwijderd, zonder den vogel te beschadigen.Den 29 Juli verlieten wij Dorey; onophoudelijk hadden wij met westenwinden en windstilte te kampen, zoodat de terugreis naar Ternate, die anders, met gunstigen wind, in vijf dagen kon geschieden, nu volle zeventien dagen duurde. Het was mij een waar genot, toen ik weder in mijne gemakkelijke, prettige woning nederzat, melk in mijn thee en mijn koffie kon krijgen, versch brood en boter, gevogelte en visch bij iederen maaltijd. Dit uitstapje naar Nieuw-Guinea had ons allen uitgeput.

III.Den 11 April 1858 landde de heer Russell Wallace te Dorey, aan den oever eener fraaie baai gelegen, aan wier uiteinde zich een hooge kaap verheft, die met twee of drie kleine eilandjes eene veilige ankerplaats voor de schepen vormt. Wij vonden daar, zegt hij, een hollandsche brik, die steenkolen kwam brengen voor de oorlogsstoomboot deEtna, die iederen dag werd verwacht, en langs de kusten van Nieuw-Guinea kruiste, ten einde eene plek op te sporen, geschikt voor de vestiging eener kolonie. Des avonds brachten wij een bezoek aan boord van de brik, alvorens ik in het dorp Dorey aan wal ging, waar ik eene geschikte plaats voor mijne woning moest opzoeken. De heer Otto, een duitsche zendeling, had de beleefdheid, voor mij eene overeenkomst aan te gaan met de inlandsche hoofden, die reeds den volgenden morgen lieden uitzonden om hout, rotting, en bamboes te hakken en te verzamelen.De dorpjes Mansinam en Dorey waren in sommige opzichten nieuw voor mij. De huizen zijn boven het water gebouwd, en niet te bereiken dan over lange, smalle, ruw bewerkte bruggetjes of loopplanken. De woningen zijn zeer laag; het dak heeft de gedaante van een groote schuit, met de kiel naar boven. De palen, waarop de huizen, de bruggen en de portalen rusten, zijn niet veel meer dan gedraaide stokken, zonder eenige orde geplaatst en er zeer versleten uitziende. De vloeren bestaan uit soortgelijke stokken, zoo slecht geschikt en zoo ver van elkander, dat het mij bijna onmogelijk was daarover te loopen. Bij wijze van muren, heeft men brokken van planken van oude booten, verrotte matten, palmbladeren, zonder eenige orde of symmetrie geschikt, die er zoo smerig, armoedig en verwaarloosd uitzien, als men zich denken kan. Aan het einde van het dak hangen menschenschedels, zegeteekenen uit de gevechten met de Arfakis uit het gebergte, die dikwijls het dorp overvallen. Het zoogenaamde huis van den dorpsraad, dat de gedaante van een kano heeft, rust op wat zwaarder palen, ruw behouwen, en eenigermate het beeld vertoonende van een man of eene vrouw; op het portaal voor den hoofdingang zijn zeer onkiesche beeldwerken geplaatst.Inboorling van Dorey.Inboorling van Dorey.De bewoners van deze ellendige huizen hebben zeer veel gelijkenis met de bewoners derArou-eilanden; sommigen hunner zijn inderdaad zeer schoon, groot en welgemaakt van gestalte, met sterk sprekende trekken en lange arendsneuzen. De kleur hunner huid is donkerbruin, dikwijls bij zwart af; de kolossale kapsels, wolfshoofden genaamd, zijn hier nog meer in de mode dan elders, en worden als eene schoonheid van den eersten rang beschouwd; eene groote zestandige vork van bamboes wordt doorgaans bij wijze van kam gebruikt, en in ledige oogenblikken is ieder daarmede bezig om zijn hairen in orde te houden en te voorkomen, dat de groote natuurlijke pruik niet hopeloos en reddeloos in de war gerake.De drie eerste dagen na onze aankomst werden gebruikt om mijne hut te bouwen, waartoe ik, behalve de hulp van mijn eigen volk, ook die van een dozijn Papoeas noodig had. Het was alles behalve gemakkelijk, deze laatsten aan het werk te krijgen en te houden: nauwelijks verstonden zij een enkel woord maleisch, en om hun mijne bevelen te geven, moest ik mijne toevlucht nemen tot gebarenspraak en zeer duidelijke aanwijzingen. Maar wanneer ik hun nu, bij voorbeeld, met veel moeite aan het verstand had gebracht, dat ik andere stokken noodig had, dan gingen er geen twee, maar zes of acht heen om ze te halen, hoewel blijkbaar een paar man volkomen voldoende waren voor dien arbeid, en ik de anderen vrij wat beter gebruiken kon. Op zekeren ochtend brachten zij met huntienen maar eene enkele bijl mede, hoewel zij zeer goed wisten, dat ik op dat oogenblik zulke werktuigen niet beschikbaar had.Papoea uit de omstreken van Dorey.Papoeauit de omstreken van Dorey.Mijne woning stond op een kleinen heuvel, twee honderd el van het strand en nevens den voornaamsten weg, die van de hutten naar de ontgonnen terreinen in het bosch loopt. Op een afstand van twintig el vloot een kleine beek, waarin wij ons des morgens baadden, en die ons uitnemend drinkwater verschafte. Ik liet het kreupelhout in het rond weghakken, opdat licht en lucht ongehinderd tot de woning zouden kunnen doordringen: sommige groote woudboomen verspreidden nabij de hut eene liefelijke schaduw. Onze hut, twintig voet lang en vijftien voet breed, was uit boomstammen opgetrokken; de vloer was van bamboes, de deur van rijswerk; een groot venster zag op de zee uit: ik zette daar mijne tafel in, die door een laag beschot van mijn bed was gescheiden. Ik kocht groote matten van palmbladen, die uitnemend geschikt waren om tot beschotten en wanden te dienen; de matten, die ik medegebracht had, werden op het dak gelegd en met atap bedekt, dat de inlanders voor mij vervaardigden. Een weinig achterwaarts van het huis stond een klein vertrekje dat tot keuken diende; en mijne bedienden plaatsten onder een afdak de bank, waarop ik de vogelhuiden bereidde. Ik liet mijn levensmiddelen en mijn bagage uit het schip halen; ik betaalde mijne wilden met messen en bijlen, en zond hen weg.Den volgenden morgen vervolgde onze goelet hare reis naar de oostelijke eilanden, en ik was nu meer dan waarschijnlijk de eenige Europeaan, in het groote land der Papoeas tijdelijk gevestigd.Daar ik de inboorlingen niet volkomen vertrouwde,hielden wij bij beurten de wacht, en zorgden dat onze geweren steeds geladen waren: voorzorgsmaatregelen, die wij weldra, na verloop van eenigen tijd, nalieten, nadat ons de vredelievende gezindheid onzer buren was gebleken. Bovendien konden wij er tamelijk gerust op zijn, dat zij het nooit zouden durven wagen, vijf welgewapende mannen aan te vallen. Wij waren nog een paar dagen bezig met de laatste hand aan ons huis te leggen, met gaten te stoppen en plankjes te bevestigen om mijne exemplaren te laten drogen, met een pad te banen tot aan de beek; en den grond voor het huis te effenen.Papoea uit de omstreken van Dorey.Papoeauit de omstreken van Dorey.De stoomboot deEtnawas nog niet aangekomen; de met steenkolen geladen brik, die, zoo als het contract luidde, een maand lang op de boot gewacht had, ging den 17enweder onder zeil, en op dienzelfden dag gingen onze jagers voor het eerst ter jacht in het woud. Zij brachten mij een prachtige kroonduif en eenige andere gewone vogels mede. Den volgenden morgen kwamen zij terug met een volwassen, geheel ongeschonden paradijsvogel, een paar papou-loris (Lorius domicella), vier andere loris en papagaaien, een indische spreeuw, een ijsvogel en twee of drie vogels van mindere waarde.Inmiddels ging ik een bezoek brengen aan het dorp, aan de andere zijde van den heuvel, die Dorey beheerscht, gelegen, en nam een kleinen voorraad van katoenen stoffen, messen en glaskoralen mede, ten einde de vriendschap te winnen van het opperhoofd, door wiens tusschenkomst ik eenige manschappen hoopte te verkrijgen, die mij bij de vogeljacht van dienst konden zijn.De hutten van het dorp liggen verstrooid te midden van open plekken in het woud, die op zeer onvolkomen wijze bebouwd zijn. De twee hutten, die ik bezocht, hebben in het midden een gang, waarop kleine zijgangetjes uitkomen, die elk naar twee kamers voeren, waarvan ieder door een afzonderlijk gezin wordt bewoond. De woningen zijn minstens vijf el boven den grond verheven en rusten op een woud van palen, maar zijn zoo slordig gemaakt en zoo slecht onderhouden, dat een kind zonder moeite tusschen de reten van den planken vloer zou kunnen doorkruipen. De bewoners van dit dorp kwamen mij voor, leelijker te zijn dan die van Dorey: waarschijnlijk zijn zij de echte oorspronkelijke bewoners van dit deel van Nieuw-Guinea; zij leven van landbouw en van de opbrengst der jacht, terwijl de kustbewoners van vischvangst en een weinig handel leven, en eenigszins het voorkomen hebben van volkplanters, die van elders zijn gekomen. Deze bewoners of Arfakis verschillen onderling in vrij sterke mate; zij zijn over het algemeen zwart, maar sommigen zijn bruin, zooals de Maleiers. Hunne hairen, hoewel meer of minder gekroesd, zijn somwijlen kort en niet wollig en zeer zwaar; ik geloof, dat dit het gevolg is van natuurlijke rasverscheidenheid en niet van kunstmatige zorg of mode. Zeer velen lijden aan huidziekten en scheurbuik.Het oude opperhoofd scheen zeer in zijn schik met mijn geschenk, en beloofde mij (door tusschenkomst van een tolk, dien ik mede had gebracht) dat hij mijne manschappen zou beschermen wanneer zij in de omstreken gingen jagen, en ook dat hij mij vogels en andere dieren zou bezorgen. Gedurende ons gesprek, rookten de inlanders tabak uit houten pijpen, van een langen rechten steel voorzien.Het regensaizoen spoedde ten einde; de gansche landstreek was doortrokken van vochtigheid. De inboorlingen verwaarloozen de wegen en voetpaden zoo zeer, dat zij dikwijls niet meer zijn dan donkere tunnels met een dak van wild dooreen gegroeide takken, en haast verzinkende in den modder. DePapoea, die geen kleederen heeft welke nat kunnen worden, ploetert ongestoord door die poelen voort, en wascht zich daarna weer schoon in de naburige beek; maar ik, die een broek en laarzen droeg, vond het uiterst onaangenaam, dat ik iederen morgen tot aan de knieën door het slijk moest waden. Lahagi, mijn houthakker, was sedert onze komst nog niet van zijne mat kunnen opstaan: anders zou ik hem hebben opgedragen, op de slechtste punten toegankelijke wegen te banen. De eerste tien dagen regende het regelmatig des avonds en des nachts; maar door ijverig gebruik te maken van de uren waarop de zon scheen, gelukte het mij mijne verzameling niet onbelangrijk te verrijken; behalve eenige nieuwe exemplaren, bezat ik weldra al de vogels en de insecten, die Lesson van zijne reis met het schip deCoquilleheeft medegebracht. Maar Dorey is niet de meest geschikte plaats om paradijsvogels te verzamelen; geen enkele inboorling verstaat de kunst om huiden te bereiden. De vogels, die hier te koop worden aangeboden, zijn afkomstig van Amberbaki, veertig mijlen meer westwaarts, waar de lieden van het dorp ze gaan halen.De lage gronden nabij de kust en de eilandjes in de baai schijnen van rotsen gevormd, die eerst sedert korten tijd boven de oppervlakte van het water zijn opgeheven; zij zijn bezaaid met overblijfselen van polijpen. De kleine heuvelketen, die achter het huis heen tot aan het voorgebergte loopt, bestaat bijna geheel uit koraalrots, schoon er ook sporen van andere rotsformatie worden aangetroffen. Aan de overzijde der baai verheft zich de indrukwekkende massa van het Arfakgebergte, dat, volgens de fransche natuurkundigen, eene hoogte van tienduizend voet zou bereiken en door geheel wilde stammen wordt bewoond. De inwoners van Dorey, die veel van deze hunne woeste naburen te lijden hebben, zijn voor deze bergbewoners uitermate bevreesd; zij zelven weten zeer goed, hoe duur hun de enkele schedels zijn te staan gekomen, die zij als zegeteekenen rondom hunne hutten hebben opgehangen.Den 15enMei stoomde deEtnaeindelijk de haven van Dorey binnen: maar het kolenschip was vertrokken, en men moest zijne terugkomst afwachten. Het oorlogsschip wierp het anker uit vlak tegenover mijne woning: ik hoorde de klok het half uur slaan: een eigenaardig geluid hier te midden der plechtige stilte van het woud. De kapitein, de dokter, de machinist en eenige officieren kwamen mij bezoeken: de matrozen spoelden hun linnengoed in mijne beek, en de zoon van den vorst van Tidor kwam zich daarin met zijne makkers baden. Voor het overige had ikweinig omgang met de bemanning, en werd ik niet, zoo als ik aanvankelijk gevreesd had, door de komst van het schip in mijn arbeid gestoord. Het weer was nu tamelijk fraai, maar de vogels en de insecten waren vrij schaarsch; vooral onder deze laatsten vond ik ter nauwernood eene nieuwe soort. Over het algemeen zijn de insecten hier minder schoon dan op Amboina, en ik kon mij zelven niet ontveinzen dat Dorey niet juist het beloofde land is voor een natuuronderzoeker: vlinders zijn zeer zeldzaam, en de meesten die ik hier vond, had ik reeds op de Arou-eilanden gevangen.Onder de insecten waren wel de merkwaardigste zekere soort van gehoornde vliegen, waarvan ik vier verschillende soorten heb aangetroffen op rottend hout en omgevallen boomen. Deze merkwaardige tweevleugeligen, door den heer W. W. Jaunders onder den naam vanElaphomia, of vliegen met hertshoornen, beschreven, zijn ongeveer een halven duim lang en hebben zeer groote pooten, die zij zoo weten te plaatsen, dat zij haar schraal lichaam tamelijk hoog kunnen opheffen. Hunne voorpooten zijn veel korter en worden dikwijls, even als voelhorens, naar voren uitgestoken; de hoornen komen onder het oog te voorschijn en schijnen eene voortzetting te zijn van het voorste gedeelte van de oogholte. Bij de grootste en merkwaardigste soort,Elaphomia cewicornis, zijn zij bijna zoo lang als het geheele lichaam en hebben twee takken; zij zijn zwart van kleur met witte punten; het lichaam en de pooten zijn geelachtig bruin, en de oogen (gedurende het leven) violet en groen. DeElaphomia wallacei, donkerbruin van kleur met gele strepen en vlekken, heeft hoornen ter lengte van ongeveer een derde van haar lichaam: zij zijn plat en vormen een langwerpigen driehoek. De kleur dezer hoornen is prachtig rood, met zwarte zoomen, en een heldere streep in het midden; het voorste gedeelte van den kop is eveneens rooskleurig, de oogen purper-violet, met een groene streep in het midden: al deze kleuren geven aan het insect een zeer eigenaardig en schitterend voorkomen. De derde soort,Elaphomia alcicornis(met de elandshoornen) is wat kleiner dan de beide vorigen, en komt in kleur het meest overeen met deElaphomia wallacei; de zeer merkwaardige hoornen vormen een soort van plat lemmer, rondom van scherpe tanden voorzien en geheel gelijkende op elandshoornen in miniatuur; de kleur is geelachtig bruin. De vierde soort,Eliphomia brevicornis, wijkt aanmerkelijk van de anderen af; haar zwaarder lichaam is bijna zwart, met een witten ring onder aan den buik; de vleugels zijn voorzien van donkere strepen; het platte, saamgedrongen hoofd draagt zeer kleine platte horens, die er bijna uitzien als de onvolwassen hoornen der andere soorten. De wijfjes van alle soorten missen deze horens.De inlanders waren mij niet bijzonder behulpzaam bij het vermeerderen mijner collectie. Ter nauwernood dooden deze arme lieden nu en dan een vogel, een varkentje, een kangoeroe of eenig ander dier. Naar men mij verzekerde, waren de kangoeroes hier in den omtrek te vinden; mijne jagers, die dagelijks het bosch doorkruisen, hebben er echter nooit een gezien. De eenige vogels, die men hier in zeker aantal aantreft, zijn kakatoes, loris en papegaaien; zelfs duiven zijn hier zeldzaam, en behooren meest tot enkele bekende soorten.Den 5enJuni keerde het kolenschip van Amboina terug, met een nieuwen voorraad voor de stoomboot. Het hout, dat bijna reeds geheel was ingeladen, werd nu weder gelost, en in de plaats daarvan de steenkolen ingenomen; en den 17 Juni vertrokken de boot en de brik beiden naar de Humboldtsbaai. De haven werd wederom stil en eenzaam, en wij konden weer iets te eten krijgen. Immers zoo lang de schepen op de reede lagen, brachten de inlanders daar letterlijk alles heen, visschen en groenten; meermalen gebeurde het, dat ik mij voor twee maaltijden met een papegaai moest tevreden stellen.Een langer verblijf in het binnenland achter Dorey zou waarschijnlijk goede resultaten opleveren: want men heeft mij vandaar een exemplaar bezorgd van het wijfje van den prachtigenPtiloris magnificus, wiens borst met een schubbig harnas is bekleed. Op Ternate had men mij gesproken van een vogel, die zeker in Europa niet bekend is, den koning der zwarte paradijsvogels, wiens staart en zijvederen gelijken op die der gewone soort, maar die overigens geheel zwart van kleur is. De inwoners van Dorey wisten mij daaromtrent niets mede te deelen, hoewel zij naar mijne beschrijving de meeste andere soorten zeer goed herkenden en wisten te vinden.Bij het vertrek van deEtnaleed ik erg aan koortsen; toen die ophielden, deed mijn mond, mijne tong, mijn tandvleesch mij zoo erge pijn, dat ik gedurende langen tijd, ook ten gevolge van het opzwellen mijner lippen, niets anders dan vloeibare spijs kon gebruiken. Overigens was ik welvarend, maar twee van mijne bedienden waren zoo ernstig ongesteld, dat ik mij zeer ongerust over hen maakte: de een leed aan dyssenterie, de andere aan koorts. Ik deed al wat in mijn vermogen was om hen met mijn zeer beknopte medicijndoos te hulp te komen; maar een hunner stierf niettemin, den 26 Juni, na een lijden van eenige weken. Hij was een goede jongen, wel niet over-ijverig, maar die zich toch trouw van zijn plicht kweet. Hij was eerst achttien jaren oud; geboortig van Boutong, mohammedaan van zijn geloof, even als mijne andere bedienden. Ik stelde hun eenige ellen wit katoen ter hand, en zij begroeven het lijk van den armen jongen overeenkomstig de gebruiken hunner godsdienst in het verre vreemde land.Den 6enJuli keerde deEtnate Dorey terug. Hoewel het midden in den zomer was, was het weder toch vochtig en regenachtig. Wij konden ons ter nauwernood het noodige voor onslevensonderhoudverschaffen; koorts, verkoudheid, dyssenterie weken niet uit onze woning; ik wenschte hartelijk dat ik Nieuw-Guinea weder kon verlaten. De kapitein van de stoomboot kwam mij bezoeken; hij was onuitputtelijk in het uitweiden over de schoonheden van de Humboldtsbaai, die, naar zijn zeggen, het zeer ver van de golf van Dorey won. De haven is beter. De inlanders, die door veelvuldige aanraking met maleische handelaars nog niet bedorven zijn, en die geen andere vreemdelingenhebben gezien dan de bemanning van enkele walvischvaarders, staan, zoowel in een physiek als in een zedelijk opzicht, veel hooger dan de bewoners dezer streken. Zij gaan geheel naakt. Hunne hutten, boven het water of op den grond gebouwd, zijn hecht en netjes: hunne velden wel bebouwd; en de goed onderhouden wegen doen alleen bij wijze van tegenstelling aan de poelen van Dorey denken. In den beginne wantrouwden de inlanders de onbekende gasten; en toen de sloepen werden uitgezet en naar de kust roeiden, namen dePapoeaseene vijandige houding aan, spanden hun bogen en dreigden op de vreemdelingen, indien zij durfden naderen, te schieten. De kapitein was verstandig genoeg, om bevel te geven tot den terugtocht; maar hij liet eenige geschenken op het strand neder leggen; en na twee- of driemaal de proef te hebben herhaald, liet men den Hollanders toe aan wal te komen, den omtrek te bezoeken, en vruchten en groenten in te koopen. Een inboorling van Dorey, dien men als tolk had medegenomen, kon geen woord van hunne taal verstaan, zoodat men zich met gebaren en teekenen behelpen moest. Voor het overige brachten de Hollanders noch vogels, noch nieuwe viervoetige dieren mede; maar uit de vederen, waarmede de inlanders zich tooiden, bleek toch dat de paradijsvogels ook in die streken gevonden werden, zooals waarschijnlijk in geheel Nieuw-Guinea.Wapenen enz. der bewoners van Timor.Wapenen enz. der bewoners van Timor.Het is inderdaad opmerkelijk, hoe, bij een zeer lagen trap van beschaving, een volk toch kunstzin en smaak kan hebben: de lieden van Dorey zijn inderdaad beeldhouwers en schilders. Aan de buitenzijde van hunne woningen vinden we geen enkele plank, die niet met ruw bewerkte, maar zeer karakteristieke figuren prijken. De hooge en smalle punten hunner prauwen zijn zoo fijn en keurig uitgesneden als kantwerk, en meermalen is dit beeldwerk niet minder smaakvol van lijnen als keurig van bewerking. Aan het uiteinde zijn zij altijd versierd met een beeld, waarvan het hoofd met casuarisvederen prijkt; die eene zekere gelijkenis vertoonen met het eigenaardig kapsel derPapoeas. De dobbers van hunne hengels, de houten spanen, waarmede zij het leem voor hun aardewerk kneden, hunne tabaksdoozen en andere artikelen voor huiselijk gebruik zijn met smaak gesneden en gebeeldhouwd en met fraaie arabesken versierd. Indien men niet wist, dat de meest volkomen onbeschaafdheid met deze zekere mechanische kunstvaardigheid gepaard kan gaan, zou men niet licht willen gelooven dat zij, die deze inderdaad fraaie zaken vervaardigen, toch ontbloot zijn van ieder begrip van orde, maatschappelijke samenleving, welvaart en welvoegelijkheid. Zij wonen in ellendige, bouwvallige, in de hoogste mate onzindelijke krotten; zij hebben noch banken, noch zitplaatsen, noch tafels; borstels zijn hen onbekend, enzij hebben geene andere kleeding of dekking dan boomschors, smerige vodden of pakdoek. Zij denken er niet aan, de overhangende takken of de wortels weg te ruimen, die de paden, welke naar hunne akkers voeren, onbegaanbaar maken, zoodat men zich een weg moet banen dwars door dichte struiken en houtgewas, tusschen doode stammen en doornige lianen, en door slijkpoelen waden, die niet uitdrogen, omdat er nooit een zonnestraal in schijnt. Zij voeden zich uitsluitend met wortels en groenten; visch en wildbraad zijn voor hen eene uitgezochte lekkernij, die zij maar zelden mogen genieten; huidziekten zijn dan ook bij hen zeer algemeen, en de lichamen hunner kinderen zijn meestal met zweren en gezwellen bedekt. En ondanks dit alles, hebben zij eene zeer stellige neiging en smaak voor de beeldende kunsten, en besteden hunne ledige uren aan het vervaardigen van kunstwerken, die om hunne sierlijkheid en zuiveren vorm zelfs in onze teekenscholen bewondering zouden verwekken.Wapenen en gereedschappen der Papoeas.Wapenen en gereedschappen derPapoeas.Gedurende den laatsten tijd van mijn verblijf in Nieuw-Guinea werd het weder zeer slecht; mijn eenige schutter was ziek; er waren geen vogels meer te zien, en mij bleef niets te doen over, dan insecten te zoeken. Zoodra de regen maar even ophield, doorsnuffelde ik ijverig den ganschen omtrek, en bracht een aantal nieuwe soorten mede naar huis. Op de doode boomen, de half vergane stammen, de verdorde maar nog aan de takken hangende bladeren, vond ik eene groote menigte van zeer kleine kevers. Wat schoonheid en grootte betreft, konden zij, het is waar, niet wedijveren met die van Borneo; maar uit het oogpunt der verscheidenheid mag mijne collectie van Nieuw-Guinea gerustop eene eereplaats aanspraak maken. In de eerste twee of drie weken, toen ik de goede plekjes nog niet gevonden had, bracht ik elken dag ongeveer een dertigtal kevers van verschillende soorten te huis, half zooveel kapellen, en nog eenige andere insecten. Dit getal steeg echter tot gemiddeld negen-en-veertig per dag. Den 31 Mei vond ik, tusschen de doode boomen en onder de vergane bast, acht-en-zeventig verschillende soorten: meer dan ik nog ooit op eenen dag verzameld had. Den 30 Juni keerde ik met vijf-en-negentig verschillende soorten van kevers naar huis: waarschijnlijk zal ik nooit meer in mijn leven, in een enkelen dag, zulk een rijken oogst binnenhalen. Het was zeer warm weder: en van des morgens tien tot des namiddags drie uren bezocht ik al mijne bekende plekjes, de struiken doorsnuffelende, de vergane boomschors afschillende, de rottende bladeren schuddende: te huis gekomen, had ik niet minder dan zes uren noodig om mijn buit te rangschikken, de kevers op te prikken, en hun pooten uit te spreiden. In het geheel verzamelde ik, binnen drie maanden tijds, op een terrein van nauwelijks een vierkante mijl in omtrek, bijkans duizend verschillende soorten van kevers; ik schat dit getal ongeveer op de helft der keversoorten, die deze plek bewonen, en op ongeveer een kwart van het aantal soorten, dat men vinden zou, indien de nasporingen over een terrein van dertig kilometers in het vierkant werden uitgestrekt.Den 22 Juli voer de goeletEsther-Helenade haven binnen, en vijf dagen later nam ik, zonder smart of spijt, afscheid van Dorey: nergens had ik zooveel ontberingen moeten lijden en met zooveel moeilijkheden te kampen gehad. Mijn ijver als natuuronderzoeker was bijna bezweken in die gestadige worsteling met ziekten, onvoldoend voedsel, en vooral met de mieren en vliegen. Deze reis, waarnaar ik zoo lang met vurig verlangen had uitgezien, had in geen enkel opzicht aan mijne verwachting beantwoord. Ik had geen enkele van de zeldzame paradijsvogels gezien, die ik gehoopt had hier te vinden; ik bracht van Dorey geen enkelen bijzonder fraaien of merkwaardigen vogel, geen enkel prachtig insect mede. Maar ik mag Dorey de eer niet betwisten, dat het buitengemeen rijk aan mieren is. Vooral eene zekere kleine zwarte mier komt hier in ongeloofelijken overvloed voor, en is eene ware landplaag. Bijna alle boomen en struiken wemelen van deze mieren, wier groote papierachtige nesten ge overal aantreft. Zij overmeesterden binnen weinige uren mijne woning, bouwden onder het dak een groot mierennest, en op alle palen en balken breede papieren tunnels; zij overstroomden mijne tafel, terwijl ik bezig was mijne insecten te rangschikken, roofden die voor mijne oogen weg, en scheurden ze zelfs van de kaartjes af, waarop ik ze vastplakte, zoodra ik maar een oogenblik mijn arbeid staakte. Zij kropen op mijne handen en mijn gezicht, drongen onder mijne kleederen tot op mijne huid door, en liepen overal langs mijn lichaam: wel is waar zonder veel pijn te doen, zoo lang zij geen tegenstand ontmoetten, maar zoodra zij gestoord werden, vinnig bijtende; ik moest telkens mijne kleederen uittrekken, om mij van deze fatale vijanden te ontslaan. De nacht bracht geen verlossing van deze kwelling: de mieren volgden mij in mijn bed: en ik geloof niet, dat ik gedurende de drie en een halve maand van mijn verblijf te Dorey, een enkel uur heb doorgebracht, zonder door deze mieren geplaagd te worden. Zij zijn op verre na niet zoo vraatzuchtig als anderen van haar geslacht; maar van wege haar ongeloofelijk aantal en hare alomtegenwoordigheid, moest ik voortdurend op mijne hoede zijn.De groote blauwe vliegen veroorzaakten mij niet minder last: zij streken bij gansche zwermen neder op de overblijfselen van opgezette vogels, en bedekten de vederen met tallooze eiertjes, waaruit reeds den volgenden morgen larven te voorschijn kwamen, als zij niet tijdig werden weggenomen. Zij verborgen zich onder de vleugelen of onder de huiden, die te drogen lagen, en het gebeurde somwijlen dat die huiden, door de myriaden eieren, binnen weinige uren gelegd, bijkans een halve duim in de hoogte werden getild. Die eitjes kleefden zoo vast aan de vederen, dat ze niet dan met groote moeite en met het uiterste geduld konden worden verwijderd, zonder den vogel te beschadigen.Den 29 Juli verlieten wij Dorey; onophoudelijk hadden wij met westenwinden en windstilte te kampen, zoodat de terugreis naar Ternate, die anders, met gunstigen wind, in vijf dagen kon geschieden, nu volle zeventien dagen duurde. Het was mij een waar genot, toen ik weder in mijne gemakkelijke, prettige woning nederzat, melk in mijn thee en mijn koffie kon krijgen, versch brood en boter, gevogelte en visch bij iederen maaltijd. Dit uitstapje naar Nieuw-Guinea had ons allen uitgeput.

III.

Den 11 April 1858 landde de heer Russell Wallace te Dorey, aan den oever eener fraaie baai gelegen, aan wier uiteinde zich een hooge kaap verheft, die met twee of drie kleine eilandjes eene veilige ankerplaats voor de schepen vormt. Wij vonden daar, zegt hij, een hollandsche brik, die steenkolen kwam brengen voor de oorlogsstoomboot deEtna, die iederen dag werd verwacht, en langs de kusten van Nieuw-Guinea kruiste, ten einde eene plek op te sporen, geschikt voor de vestiging eener kolonie. Des avonds brachten wij een bezoek aan boord van de brik, alvorens ik in het dorp Dorey aan wal ging, waar ik eene geschikte plaats voor mijne woning moest opzoeken. De heer Otto, een duitsche zendeling, had de beleefdheid, voor mij eene overeenkomst aan te gaan met de inlandsche hoofden, die reeds den volgenden morgen lieden uitzonden om hout, rotting, en bamboes te hakken en te verzamelen.De dorpjes Mansinam en Dorey waren in sommige opzichten nieuw voor mij. De huizen zijn boven het water gebouwd, en niet te bereiken dan over lange, smalle, ruw bewerkte bruggetjes of loopplanken. De woningen zijn zeer laag; het dak heeft de gedaante van een groote schuit, met de kiel naar boven. De palen, waarop de huizen, de bruggen en de portalen rusten, zijn niet veel meer dan gedraaide stokken, zonder eenige orde geplaatst en er zeer versleten uitziende. De vloeren bestaan uit soortgelijke stokken, zoo slecht geschikt en zoo ver van elkander, dat het mij bijna onmogelijk was daarover te loopen. Bij wijze van muren, heeft men brokken van planken van oude booten, verrotte matten, palmbladeren, zonder eenige orde of symmetrie geschikt, die er zoo smerig, armoedig en verwaarloosd uitzien, als men zich denken kan. Aan het einde van het dak hangen menschenschedels, zegeteekenen uit de gevechten met de Arfakis uit het gebergte, die dikwijls het dorp overvallen. Het zoogenaamde huis van den dorpsraad, dat de gedaante van een kano heeft, rust op wat zwaarder palen, ruw behouwen, en eenigermate het beeld vertoonende van een man of eene vrouw; op het portaal voor den hoofdingang zijn zeer onkiesche beeldwerken geplaatst.Inboorling van Dorey.Inboorling van Dorey.De bewoners van deze ellendige huizen hebben zeer veel gelijkenis met de bewoners derArou-eilanden; sommigen hunner zijn inderdaad zeer schoon, groot en welgemaakt van gestalte, met sterk sprekende trekken en lange arendsneuzen. De kleur hunner huid is donkerbruin, dikwijls bij zwart af; de kolossale kapsels, wolfshoofden genaamd, zijn hier nog meer in de mode dan elders, en worden als eene schoonheid van den eersten rang beschouwd; eene groote zestandige vork van bamboes wordt doorgaans bij wijze van kam gebruikt, en in ledige oogenblikken is ieder daarmede bezig om zijn hairen in orde te houden en te voorkomen, dat de groote natuurlijke pruik niet hopeloos en reddeloos in de war gerake.De drie eerste dagen na onze aankomst werden gebruikt om mijne hut te bouwen, waartoe ik, behalve de hulp van mijn eigen volk, ook die van een dozijn Papoeas noodig had. Het was alles behalve gemakkelijk, deze laatsten aan het werk te krijgen en te houden: nauwelijks verstonden zij een enkel woord maleisch, en om hun mijne bevelen te geven, moest ik mijne toevlucht nemen tot gebarenspraak en zeer duidelijke aanwijzingen. Maar wanneer ik hun nu, bij voorbeeld, met veel moeite aan het verstand had gebracht, dat ik andere stokken noodig had, dan gingen er geen twee, maar zes of acht heen om ze te halen, hoewel blijkbaar een paar man volkomen voldoende waren voor dien arbeid, en ik de anderen vrij wat beter gebruiken kon. Op zekeren ochtend brachten zij met huntienen maar eene enkele bijl mede, hoewel zij zeer goed wisten, dat ik op dat oogenblik zulke werktuigen niet beschikbaar had.Papoea uit de omstreken van Dorey.Papoeauit de omstreken van Dorey.Mijne woning stond op een kleinen heuvel, twee honderd el van het strand en nevens den voornaamsten weg, die van de hutten naar de ontgonnen terreinen in het bosch loopt. Op een afstand van twintig el vloot een kleine beek, waarin wij ons des morgens baadden, en die ons uitnemend drinkwater verschafte. Ik liet het kreupelhout in het rond weghakken, opdat licht en lucht ongehinderd tot de woning zouden kunnen doordringen: sommige groote woudboomen verspreidden nabij de hut eene liefelijke schaduw. Onze hut, twintig voet lang en vijftien voet breed, was uit boomstammen opgetrokken; de vloer was van bamboes, de deur van rijswerk; een groot venster zag op de zee uit: ik zette daar mijne tafel in, die door een laag beschot van mijn bed was gescheiden. Ik kocht groote matten van palmbladen, die uitnemend geschikt waren om tot beschotten en wanden te dienen; de matten, die ik medegebracht had, werden op het dak gelegd en met atap bedekt, dat de inlanders voor mij vervaardigden. Een weinig achterwaarts van het huis stond een klein vertrekje dat tot keuken diende; en mijne bedienden plaatsten onder een afdak de bank, waarop ik de vogelhuiden bereidde. Ik liet mijn levensmiddelen en mijn bagage uit het schip halen; ik betaalde mijne wilden met messen en bijlen, en zond hen weg.Den volgenden morgen vervolgde onze goelet hare reis naar de oostelijke eilanden, en ik was nu meer dan waarschijnlijk de eenige Europeaan, in het groote land der Papoeas tijdelijk gevestigd.Daar ik de inboorlingen niet volkomen vertrouwde,hielden wij bij beurten de wacht, en zorgden dat onze geweren steeds geladen waren: voorzorgsmaatregelen, die wij weldra, na verloop van eenigen tijd, nalieten, nadat ons de vredelievende gezindheid onzer buren was gebleken. Bovendien konden wij er tamelijk gerust op zijn, dat zij het nooit zouden durven wagen, vijf welgewapende mannen aan te vallen. Wij waren nog een paar dagen bezig met de laatste hand aan ons huis te leggen, met gaten te stoppen en plankjes te bevestigen om mijne exemplaren te laten drogen, met een pad te banen tot aan de beek; en den grond voor het huis te effenen.Papoea uit de omstreken van Dorey.Papoeauit de omstreken van Dorey.De stoomboot deEtnawas nog niet aangekomen; de met steenkolen geladen brik, die, zoo als het contract luidde, een maand lang op de boot gewacht had, ging den 17enweder onder zeil, en op dienzelfden dag gingen onze jagers voor het eerst ter jacht in het woud. Zij brachten mij een prachtige kroonduif en eenige andere gewone vogels mede. Den volgenden morgen kwamen zij terug met een volwassen, geheel ongeschonden paradijsvogel, een paar papou-loris (Lorius domicella), vier andere loris en papagaaien, een indische spreeuw, een ijsvogel en twee of drie vogels van mindere waarde.Inmiddels ging ik een bezoek brengen aan het dorp, aan de andere zijde van den heuvel, die Dorey beheerscht, gelegen, en nam een kleinen voorraad van katoenen stoffen, messen en glaskoralen mede, ten einde de vriendschap te winnen van het opperhoofd, door wiens tusschenkomst ik eenige manschappen hoopte te verkrijgen, die mij bij de vogeljacht van dienst konden zijn.De hutten van het dorp liggen verstrooid te midden van open plekken in het woud, die op zeer onvolkomen wijze bebouwd zijn. De twee hutten, die ik bezocht, hebben in het midden een gang, waarop kleine zijgangetjes uitkomen, die elk naar twee kamers voeren, waarvan ieder door een afzonderlijk gezin wordt bewoond. De woningen zijn minstens vijf el boven den grond verheven en rusten op een woud van palen, maar zijn zoo slordig gemaakt en zoo slecht onderhouden, dat een kind zonder moeite tusschen de reten van den planken vloer zou kunnen doorkruipen. De bewoners van dit dorp kwamen mij voor, leelijker te zijn dan die van Dorey: waarschijnlijk zijn zij de echte oorspronkelijke bewoners van dit deel van Nieuw-Guinea; zij leven van landbouw en van de opbrengst der jacht, terwijl de kustbewoners van vischvangst en een weinig handel leven, en eenigszins het voorkomen hebben van volkplanters, die van elders zijn gekomen. Deze bewoners of Arfakis verschillen onderling in vrij sterke mate; zij zijn over het algemeen zwart, maar sommigen zijn bruin, zooals de Maleiers. Hunne hairen, hoewel meer of minder gekroesd, zijn somwijlen kort en niet wollig en zeer zwaar; ik geloof, dat dit het gevolg is van natuurlijke rasverscheidenheid en niet van kunstmatige zorg of mode. Zeer velen lijden aan huidziekten en scheurbuik.Het oude opperhoofd scheen zeer in zijn schik met mijn geschenk, en beloofde mij (door tusschenkomst van een tolk, dien ik mede had gebracht) dat hij mijne manschappen zou beschermen wanneer zij in de omstreken gingen jagen, en ook dat hij mij vogels en andere dieren zou bezorgen. Gedurende ons gesprek, rookten de inlanders tabak uit houten pijpen, van een langen rechten steel voorzien.Het regensaizoen spoedde ten einde; de gansche landstreek was doortrokken van vochtigheid. De inboorlingen verwaarloozen de wegen en voetpaden zoo zeer, dat zij dikwijls niet meer zijn dan donkere tunnels met een dak van wild dooreen gegroeide takken, en haast verzinkende in den modder. DePapoea, die geen kleederen heeft welke nat kunnen worden, ploetert ongestoord door die poelen voort, en wascht zich daarna weer schoon in de naburige beek; maar ik, die een broek en laarzen droeg, vond het uiterst onaangenaam, dat ik iederen morgen tot aan de knieën door het slijk moest waden. Lahagi, mijn houthakker, was sedert onze komst nog niet van zijne mat kunnen opstaan: anders zou ik hem hebben opgedragen, op de slechtste punten toegankelijke wegen te banen. De eerste tien dagen regende het regelmatig des avonds en des nachts; maar door ijverig gebruik te maken van de uren waarop de zon scheen, gelukte het mij mijne verzameling niet onbelangrijk te verrijken; behalve eenige nieuwe exemplaren, bezat ik weldra al de vogels en de insecten, die Lesson van zijne reis met het schip deCoquilleheeft medegebracht. Maar Dorey is niet de meest geschikte plaats om paradijsvogels te verzamelen; geen enkele inboorling verstaat de kunst om huiden te bereiden. De vogels, die hier te koop worden aangeboden, zijn afkomstig van Amberbaki, veertig mijlen meer westwaarts, waar de lieden van het dorp ze gaan halen.De lage gronden nabij de kust en de eilandjes in de baai schijnen van rotsen gevormd, die eerst sedert korten tijd boven de oppervlakte van het water zijn opgeheven; zij zijn bezaaid met overblijfselen van polijpen. De kleine heuvelketen, die achter het huis heen tot aan het voorgebergte loopt, bestaat bijna geheel uit koraalrots, schoon er ook sporen van andere rotsformatie worden aangetroffen. Aan de overzijde der baai verheft zich de indrukwekkende massa van het Arfakgebergte, dat, volgens de fransche natuurkundigen, eene hoogte van tienduizend voet zou bereiken en door geheel wilde stammen wordt bewoond. De inwoners van Dorey, die veel van deze hunne woeste naburen te lijden hebben, zijn voor deze bergbewoners uitermate bevreesd; zij zelven weten zeer goed, hoe duur hun de enkele schedels zijn te staan gekomen, die zij als zegeteekenen rondom hunne hutten hebben opgehangen.Den 15enMei stoomde deEtnaeindelijk de haven van Dorey binnen: maar het kolenschip was vertrokken, en men moest zijne terugkomst afwachten. Het oorlogsschip wierp het anker uit vlak tegenover mijne woning: ik hoorde de klok het half uur slaan: een eigenaardig geluid hier te midden der plechtige stilte van het woud. De kapitein, de dokter, de machinist en eenige officieren kwamen mij bezoeken: de matrozen spoelden hun linnengoed in mijne beek, en de zoon van den vorst van Tidor kwam zich daarin met zijne makkers baden. Voor het overige had ikweinig omgang met de bemanning, en werd ik niet, zoo als ik aanvankelijk gevreesd had, door de komst van het schip in mijn arbeid gestoord. Het weer was nu tamelijk fraai, maar de vogels en de insecten waren vrij schaarsch; vooral onder deze laatsten vond ik ter nauwernood eene nieuwe soort. Over het algemeen zijn de insecten hier minder schoon dan op Amboina, en ik kon mij zelven niet ontveinzen dat Dorey niet juist het beloofde land is voor een natuuronderzoeker: vlinders zijn zeer zeldzaam, en de meesten die ik hier vond, had ik reeds op de Arou-eilanden gevangen.Onder de insecten waren wel de merkwaardigste zekere soort van gehoornde vliegen, waarvan ik vier verschillende soorten heb aangetroffen op rottend hout en omgevallen boomen. Deze merkwaardige tweevleugeligen, door den heer W. W. Jaunders onder den naam vanElaphomia, of vliegen met hertshoornen, beschreven, zijn ongeveer een halven duim lang en hebben zeer groote pooten, die zij zoo weten te plaatsen, dat zij haar schraal lichaam tamelijk hoog kunnen opheffen. Hunne voorpooten zijn veel korter en worden dikwijls, even als voelhorens, naar voren uitgestoken; de hoornen komen onder het oog te voorschijn en schijnen eene voortzetting te zijn van het voorste gedeelte van de oogholte. Bij de grootste en merkwaardigste soort,Elaphomia cewicornis, zijn zij bijna zoo lang als het geheele lichaam en hebben twee takken; zij zijn zwart van kleur met witte punten; het lichaam en de pooten zijn geelachtig bruin, en de oogen (gedurende het leven) violet en groen. DeElaphomia wallacei, donkerbruin van kleur met gele strepen en vlekken, heeft hoornen ter lengte van ongeveer een derde van haar lichaam: zij zijn plat en vormen een langwerpigen driehoek. De kleur dezer hoornen is prachtig rood, met zwarte zoomen, en een heldere streep in het midden; het voorste gedeelte van den kop is eveneens rooskleurig, de oogen purper-violet, met een groene streep in het midden: al deze kleuren geven aan het insect een zeer eigenaardig en schitterend voorkomen. De derde soort,Elaphomia alcicornis(met de elandshoornen) is wat kleiner dan de beide vorigen, en komt in kleur het meest overeen met deElaphomia wallacei; de zeer merkwaardige hoornen vormen een soort van plat lemmer, rondom van scherpe tanden voorzien en geheel gelijkende op elandshoornen in miniatuur; de kleur is geelachtig bruin. De vierde soort,Eliphomia brevicornis, wijkt aanmerkelijk van de anderen af; haar zwaarder lichaam is bijna zwart, met een witten ring onder aan den buik; de vleugels zijn voorzien van donkere strepen; het platte, saamgedrongen hoofd draagt zeer kleine platte horens, die er bijna uitzien als de onvolwassen hoornen der andere soorten. De wijfjes van alle soorten missen deze horens.De inlanders waren mij niet bijzonder behulpzaam bij het vermeerderen mijner collectie. Ter nauwernood dooden deze arme lieden nu en dan een vogel, een varkentje, een kangoeroe of eenig ander dier. Naar men mij verzekerde, waren de kangoeroes hier in den omtrek te vinden; mijne jagers, die dagelijks het bosch doorkruisen, hebben er echter nooit een gezien. De eenige vogels, die men hier in zeker aantal aantreft, zijn kakatoes, loris en papegaaien; zelfs duiven zijn hier zeldzaam, en behooren meest tot enkele bekende soorten.Den 5enJuni keerde het kolenschip van Amboina terug, met een nieuwen voorraad voor de stoomboot. Het hout, dat bijna reeds geheel was ingeladen, werd nu weder gelost, en in de plaats daarvan de steenkolen ingenomen; en den 17 Juni vertrokken de boot en de brik beiden naar de Humboldtsbaai. De haven werd wederom stil en eenzaam, en wij konden weer iets te eten krijgen. Immers zoo lang de schepen op de reede lagen, brachten de inlanders daar letterlijk alles heen, visschen en groenten; meermalen gebeurde het, dat ik mij voor twee maaltijden met een papegaai moest tevreden stellen.Een langer verblijf in het binnenland achter Dorey zou waarschijnlijk goede resultaten opleveren: want men heeft mij vandaar een exemplaar bezorgd van het wijfje van den prachtigenPtiloris magnificus, wiens borst met een schubbig harnas is bekleed. Op Ternate had men mij gesproken van een vogel, die zeker in Europa niet bekend is, den koning der zwarte paradijsvogels, wiens staart en zijvederen gelijken op die der gewone soort, maar die overigens geheel zwart van kleur is. De inwoners van Dorey wisten mij daaromtrent niets mede te deelen, hoewel zij naar mijne beschrijving de meeste andere soorten zeer goed herkenden en wisten te vinden.Bij het vertrek van deEtnaleed ik erg aan koortsen; toen die ophielden, deed mijn mond, mijne tong, mijn tandvleesch mij zoo erge pijn, dat ik gedurende langen tijd, ook ten gevolge van het opzwellen mijner lippen, niets anders dan vloeibare spijs kon gebruiken. Overigens was ik welvarend, maar twee van mijne bedienden waren zoo ernstig ongesteld, dat ik mij zeer ongerust over hen maakte: de een leed aan dyssenterie, de andere aan koorts. Ik deed al wat in mijn vermogen was om hen met mijn zeer beknopte medicijndoos te hulp te komen; maar een hunner stierf niettemin, den 26 Juni, na een lijden van eenige weken. Hij was een goede jongen, wel niet over-ijverig, maar die zich toch trouw van zijn plicht kweet. Hij was eerst achttien jaren oud; geboortig van Boutong, mohammedaan van zijn geloof, even als mijne andere bedienden. Ik stelde hun eenige ellen wit katoen ter hand, en zij begroeven het lijk van den armen jongen overeenkomstig de gebruiken hunner godsdienst in het verre vreemde land.Den 6enJuli keerde deEtnate Dorey terug. Hoewel het midden in den zomer was, was het weder toch vochtig en regenachtig. Wij konden ons ter nauwernood het noodige voor onslevensonderhoudverschaffen; koorts, verkoudheid, dyssenterie weken niet uit onze woning; ik wenschte hartelijk dat ik Nieuw-Guinea weder kon verlaten. De kapitein van de stoomboot kwam mij bezoeken; hij was onuitputtelijk in het uitweiden over de schoonheden van de Humboldtsbaai, die, naar zijn zeggen, het zeer ver van de golf van Dorey won. De haven is beter. De inlanders, die door veelvuldige aanraking met maleische handelaars nog niet bedorven zijn, en die geen andere vreemdelingenhebben gezien dan de bemanning van enkele walvischvaarders, staan, zoowel in een physiek als in een zedelijk opzicht, veel hooger dan de bewoners dezer streken. Zij gaan geheel naakt. Hunne hutten, boven het water of op den grond gebouwd, zijn hecht en netjes: hunne velden wel bebouwd; en de goed onderhouden wegen doen alleen bij wijze van tegenstelling aan de poelen van Dorey denken. In den beginne wantrouwden de inlanders de onbekende gasten; en toen de sloepen werden uitgezet en naar de kust roeiden, namen dePapoeaseene vijandige houding aan, spanden hun bogen en dreigden op de vreemdelingen, indien zij durfden naderen, te schieten. De kapitein was verstandig genoeg, om bevel te geven tot den terugtocht; maar hij liet eenige geschenken op het strand neder leggen; en na twee- of driemaal de proef te hebben herhaald, liet men den Hollanders toe aan wal te komen, den omtrek te bezoeken, en vruchten en groenten in te koopen. Een inboorling van Dorey, dien men als tolk had medegenomen, kon geen woord van hunne taal verstaan, zoodat men zich met gebaren en teekenen behelpen moest. Voor het overige brachten de Hollanders noch vogels, noch nieuwe viervoetige dieren mede; maar uit de vederen, waarmede de inlanders zich tooiden, bleek toch dat de paradijsvogels ook in die streken gevonden werden, zooals waarschijnlijk in geheel Nieuw-Guinea.Wapenen enz. der bewoners van Timor.Wapenen enz. der bewoners van Timor.Het is inderdaad opmerkelijk, hoe, bij een zeer lagen trap van beschaving, een volk toch kunstzin en smaak kan hebben: de lieden van Dorey zijn inderdaad beeldhouwers en schilders. Aan de buitenzijde van hunne woningen vinden we geen enkele plank, die niet met ruw bewerkte, maar zeer karakteristieke figuren prijken. De hooge en smalle punten hunner prauwen zijn zoo fijn en keurig uitgesneden als kantwerk, en meermalen is dit beeldwerk niet minder smaakvol van lijnen als keurig van bewerking. Aan het uiteinde zijn zij altijd versierd met een beeld, waarvan het hoofd met casuarisvederen prijkt; die eene zekere gelijkenis vertoonen met het eigenaardig kapsel derPapoeas. De dobbers van hunne hengels, de houten spanen, waarmede zij het leem voor hun aardewerk kneden, hunne tabaksdoozen en andere artikelen voor huiselijk gebruik zijn met smaak gesneden en gebeeldhouwd en met fraaie arabesken versierd. Indien men niet wist, dat de meest volkomen onbeschaafdheid met deze zekere mechanische kunstvaardigheid gepaard kan gaan, zou men niet licht willen gelooven dat zij, die deze inderdaad fraaie zaken vervaardigen, toch ontbloot zijn van ieder begrip van orde, maatschappelijke samenleving, welvaart en welvoegelijkheid. Zij wonen in ellendige, bouwvallige, in de hoogste mate onzindelijke krotten; zij hebben noch banken, noch zitplaatsen, noch tafels; borstels zijn hen onbekend, enzij hebben geene andere kleeding of dekking dan boomschors, smerige vodden of pakdoek. Zij denken er niet aan, de overhangende takken of de wortels weg te ruimen, die de paden, welke naar hunne akkers voeren, onbegaanbaar maken, zoodat men zich een weg moet banen dwars door dichte struiken en houtgewas, tusschen doode stammen en doornige lianen, en door slijkpoelen waden, die niet uitdrogen, omdat er nooit een zonnestraal in schijnt. Zij voeden zich uitsluitend met wortels en groenten; visch en wildbraad zijn voor hen eene uitgezochte lekkernij, die zij maar zelden mogen genieten; huidziekten zijn dan ook bij hen zeer algemeen, en de lichamen hunner kinderen zijn meestal met zweren en gezwellen bedekt. En ondanks dit alles, hebben zij eene zeer stellige neiging en smaak voor de beeldende kunsten, en besteden hunne ledige uren aan het vervaardigen van kunstwerken, die om hunne sierlijkheid en zuiveren vorm zelfs in onze teekenscholen bewondering zouden verwekken.Wapenen en gereedschappen der Papoeas.Wapenen en gereedschappen derPapoeas.Gedurende den laatsten tijd van mijn verblijf in Nieuw-Guinea werd het weder zeer slecht; mijn eenige schutter was ziek; er waren geen vogels meer te zien, en mij bleef niets te doen over, dan insecten te zoeken. Zoodra de regen maar even ophield, doorsnuffelde ik ijverig den ganschen omtrek, en bracht een aantal nieuwe soorten mede naar huis. Op de doode boomen, de half vergane stammen, de verdorde maar nog aan de takken hangende bladeren, vond ik eene groote menigte van zeer kleine kevers. Wat schoonheid en grootte betreft, konden zij, het is waar, niet wedijveren met die van Borneo; maar uit het oogpunt der verscheidenheid mag mijne collectie van Nieuw-Guinea gerustop eene eereplaats aanspraak maken. In de eerste twee of drie weken, toen ik de goede plekjes nog niet gevonden had, bracht ik elken dag ongeveer een dertigtal kevers van verschillende soorten te huis, half zooveel kapellen, en nog eenige andere insecten. Dit getal steeg echter tot gemiddeld negen-en-veertig per dag. Den 31 Mei vond ik, tusschen de doode boomen en onder de vergane bast, acht-en-zeventig verschillende soorten: meer dan ik nog ooit op eenen dag verzameld had. Den 30 Juni keerde ik met vijf-en-negentig verschillende soorten van kevers naar huis: waarschijnlijk zal ik nooit meer in mijn leven, in een enkelen dag, zulk een rijken oogst binnenhalen. Het was zeer warm weder: en van des morgens tien tot des namiddags drie uren bezocht ik al mijne bekende plekjes, de struiken doorsnuffelende, de vergane boomschors afschillende, de rottende bladeren schuddende: te huis gekomen, had ik niet minder dan zes uren noodig om mijn buit te rangschikken, de kevers op te prikken, en hun pooten uit te spreiden. In het geheel verzamelde ik, binnen drie maanden tijds, op een terrein van nauwelijks een vierkante mijl in omtrek, bijkans duizend verschillende soorten van kevers; ik schat dit getal ongeveer op de helft der keversoorten, die deze plek bewonen, en op ongeveer een kwart van het aantal soorten, dat men vinden zou, indien de nasporingen over een terrein van dertig kilometers in het vierkant werden uitgestrekt.Den 22 Juli voer de goeletEsther-Helenade haven binnen, en vijf dagen later nam ik, zonder smart of spijt, afscheid van Dorey: nergens had ik zooveel ontberingen moeten lijden en met zooveel moeilijkheden te kampen gehad. Mijn ijver als natuuronderzoeker was bijna bezweken in die gestadige worsteling met ziekten, onvoldoend voedsel, en vooral met de mieren en vliegen. Deze reis, waarnaar ik zoo lang met vurig verlangen had uitgezien, had in geen enkel opzicht aan mijne verwachting beantwoord. Ik had geen enkele van de zeldzame paradijsvogels gezien, die ik gehoopt had hier te vinden; ik bracht van Dorey geen enkelen bijzonder fraaien of merkwaardigen vogel, geen enkel prachtig insect mede. Maar ik mag Dorey de eer niet betwisten, dat het buitengemeen rijk aan mieren is. Vooral eene zekere kleine zwarte mier komt hier in ongeloofelijken overvloed voor, en is eene ware landplaag. Bijna alle boomen en struiken wemelen van deze mieren, wier groote papierachtige nesten ge overal aantreft. Zij overmeesterden binnen weinige uren mijne woning, bouwden onder het dak een groot mierennest, en op alle palen en balken breede papieren tunnels; zij overstroomden mijne tafel, terwijl ik bezig was mijne insecten te rangschikken, roofden die voor mijne oogen weg, en scheurden ze zelfs van de kaartjes af, waarop ik ze vastplakte, zoodra ik maar een oogenblik mijn arbeid staakte. Zij kropen op mijne handen en mijn gezicht, drongen onder mijne kleederen tot op mijne huid door, en liepen overal langs mijn lichaam: wel is waar zonder veel pijn te doen, zoo lang zij geen tegenstand ontmoetten, maar zoodra zij gestoord werden, vinnig bijtende; ik moest telkens mijne kleederen uittrekken, om mij van deze fatale vijanden te ontslaan. De nacht bracht geen verlossing van deze kwelling: de mieren volgden mij in mijn bed: en ik geloof niet, dat ik gedurende de drie en een halve maand van mijn verblijf te Dorey, een enkel uur heb doorgebracht, zonder door deze mieren geplaagd te worden. Zij zijn op verre na niet zoo vraatzuchtig als anderen van haar geslacht; maar van wege haar ongeloofelijk aantal en hare alomtegenwoordigheid, moest ik voortdurend op mijne hoede zijn.De groote blauwe vliegen veroorzaakten mij niet minder last: zij streken bij gansche zwermen neder op de overblijfselen van opgezette vogels, en bedekten de vederen met tallooze eiertjes, waaruit reeds den volgenden morgen larven te voorschijn kwamen, als zij niet tijdig werden weggenomen. Zij verborgen zich onder de vleugelen of onder de huiden, die te drogen lagen, en het gebeurde somwijlen dat die huiden, door de myriaden eieren, binnen weinige uren gelegd, bijkans een halve duim in de hoogte werden getild. Die eitjes kleefden zoo vast aan de vederen, dat ze niet dan met groote moeite en met het uiterste geduld konden worden verwijderd, zonder den vogel te beschadigen.Den 29 Juli verlieten wij Dorey; onophoudelijk hadden wij met westenwinden en windstilte te kampen, zoodat de terugreis naar Ternate, die anders, met gunstigen wind, in vijf dagen kon geschieden, nu volle zeventien dagen duurde. Het was mij een waar genot, toen ik weder in mijne gemakkelijke, prettige woning nederzat, melk in mijn thee en mijn koffie kon krijgen, versch brood en boter, gevogelte en visch bij iederen maaltijd. Dit uitstapje naar Nieuw-Guinea had ons allen uitgeput.

Den 11 April 1858 landde de heer Russell Wallace te Dorey, aan den oever eener fraaie baai gelegen, aan wier uiteinde zich een hooge kaap verheft, die met twee of drie kleine eilandjes eene veilige ankerplaats voor de schepen vormt. Wij vonden daar, zegt hij, een hollandsche brik, die steenkolen kwam brengen voor de oorlogsstoomboot deEtna, die iederen dag werd verwacht, en langs de kusten van Nieuw-Guinea kruiste, ten einde eene plek op te sporen, geschikt voor de vestiging eener kolonie. Des avonds brachten wij een bezoek aan boord van de brik, alvorens ik in het dorp Dorey aan wal ging, waar ik eene geschikte plaats voor mijne woning moest opzoeken. De heer Otto, een duitsche zendeling, had de beleefdheid, voor mij eene overeenkomst aan te gaan met de inlandsche hoofden, die reeds den volgenden morgen lieden uitzonden om hout, rotting, en bamboes te hakken en te verzamelen.

De dorpjes Mansinam en Dorey waren in sommige opzichten nieuw voor mij. De huizen zijn boven het water gebouwd, en niet te bereiken dan over lange, smalle, ruw bewerkte bruggetjes of loopplanken. De woningen zijn zeer laag; het dak heeft de gedaante van een groote schuit, met de kiel naar boven. De palen, waarop de huizen, de bruggen en de portalen rusten, zijn niet veel meer dan gedraaide stokken, zonder eenige orde geplaatst en er zeer versleten uitziende. De vloeren bestaan uit soortgelijke stokken, zoo slecht geschikt en zoo ver van elkander, dat het mij bijna onmogelijk was daarover te loopen. Bij wijze van muren, heeft men brokken van planken van oude booten, verrotte matten, palmbladeren, zonder eenige orde of symmetrie geschikt, die er zoo smerig, armoedig en verwaarloosd uitzien, als men zich denken kan. Aan het einde van het dak hangen menschenschedels, zegeteekenen uit de gevechten met de Arfakis uit het gebergte, die dikwijls het dorp overvallen. Het zoogenaamde huis van den dorpsraad, dat de gedaante van een kano heeft, rust op wat zwaarder palen, ruw behouwen, en eenigermate het beeld vertoonende van een man of eene vrouw; op het portaal voor den hoofdingang zijn zeer onkiesche beeldwerken geplaatst.

Inboorling van Dorey.Inboorling van Dorey.

Inboorling van Dorey.

De bewoners van deze ellendige huizen hebben zeer veel gelijkenis met de bewoners derArou-eilanden; sommigen hunner zijn inderdaad zeer schoon, groot en welgemaakt van gestalte, met sterk sprekende trekken en lange arendsneuzen. De kleur hunner huid is donkerbruin, dikwijls bij zwart af; de kolossale kapsels, wolfshoofden genaamd, zijn hier nog meer in de mode dan elders, en worden als eene schoonheid van den eersten rang beschouwd; eene groote zestandige vork van bamboes wordt doorgaans bij wijze van kam gebruikt, en in ledige oogenblikken is ieder daarmede bezig om zijn hairen in orde te houden en te voorkomen, dat de groote natuurlijke pruik niet hopeloos en reddeloos in de war gerake.

De drie eerste dagen na onze aankomst werden gebruikt om mijne hut te bouwen, waartoe ik, behalve de hulp van mijn eigen volk, ook die van een dozijn Papoeas noodig had. Het was alles behalve gemakkelijk, deze laatsten aan het werk te krijgen en te houden: nauwelijks verstonden zij een enkel woord maleisch, en om hun mijne bevelen te geven, moest ik mijne toevlucht nemen tot gebarenspraak en zeer duidelijke aanwijzingen. Maar wanneer ik hun nu, bij voorbeeld, met veel moeite aan het verstand had gebracht, dat ik andere stokken noodig had, dan gingen er geen twee, maar zes of acht heen om ze te halen, hoewel blijkbaar een paar man volkomen voldoende waren voor dien arbeid, en ik de anderen vrij wat beter gebruiken kon. Op zekeren ochtend brachten zij met huntienen maar eene enkele bijl mede, hoewel zij zeer goed wisten, dat ik op dat oogenblik zulke werktuigen niet beschikbaar had.

Papoea uit de omstreken van Dorey.Papoeauit de omstreken van Dorey.

Papoeauit de omstreken van Dorey.

Mijne woning stond op een kleinen heuvel, twee honderd el van het strand en nevens den voornaamsten weg, die van de hutten naar de ontgonnen terreinen in het bosch loopt. Op een afstand van twintig el vloot een kleine beek, waarin wij ons des morgens baadden, en die ons uitnemend drinkwater verschafte. Ik liet het kreupelhout in het rond weghakken, opdat licht en lucht ongehinderd tot de woning zouden kunnen doordringen: sommige groote woudboomen verspreidden nabij de hut eene liefelijke schaduw. Onze hut, twintig voet lang en vijftien voet breed, was uit boomstammen opgetrokken; de vloer was van bamboes, de deur van rijswerk; een groot venster zag op de zee uit: ik zette daar mijne tafel in, die door een laag beschot van mijn bed was gescheiden. Ik kocht groote matten van palmbladen, die uitnemend geschikt waren om tot beschotten en wanden te dienen; de matten, die ik medegebracht had, werden op het dak gelegd en met atap bedekt, dat de inlanders voor mij vervaardigden. Een weinig achterwaarts van het huis stond een klein vertrekje dat tot keuken diende; en mijne bedienden plaatsten onder een afdak de bank, waarop ik de vogelhuiden bereidde. Ik liet mijn levensmiddelen en mijn bagage uit het schip halen; ik betaalde mijne wilden met messen en bijlen, en zond hen weg.

Den volgenden morgen vervolgde onze goelet hare reis naar de oostelijke eilanden, en ik was nu meer dan waarschijnlijk de eenige Europeaan, in het groote land der Papoeas tijdelijk gevestigd.

Daar ik de inboorlingen niet volkomen vertrouwde,hielden wij bij beurten de wacht, en zorgden dat onze geweren steeds geladen waren: voorzorgsmaatregelen, die wij weldra, na verloop van eenigen tijd, nalieten, nadat ons de vredelievende gezindheid onzer buren was gebleken. Bovendien konden wij er tamelijk gerust op zijn, dat zij het nooit zouden durven wagen, vijf welgewapende mannen aan te vallen. Wij waren nog een paar dagen bezig met de laatste hand aan ons huis te leggen, met gaten te stoppen en plankjes te bevestigen om mijne exemplaren te laten drogen, met een pad te banen tot aan de beek; en den grond voor het huis te effenen.

Papoea uit de omstreken van Dorey.Papoeauit de omstreken van Dorey.

Papoeauit de omstreken van Dorey.

De stoomboot deEtnawas nog niet aangekomen; de met steenkolen geladen brik, die, zoo als het contract luidde, een maand lang op de boot gewacht had, ging den 17enweder onder zeil, en op dienzelfden dag gingen onze jagers voor het eerst ter jacht in het woud. Zij brachten mij een prachtige kroonduif en eenige andere gewone vogels mede. Den volgenden morgen kwamen zij terug met een volwassen, geheel ongeschonden paradijsvogel, een paar papou-loris (Lorius domicella), vier andere loris en papagaaien, een indische spreeuw, een ijsvogel en twee of drie vogels van mindere waarde.

Inmiddels ging ik een bezoek brengen aan het dorp, aan de andere zijde van den heuvel, die Dorey beheerscht, gelegen, en nam een kleinen voorraad van katoenen stoffen, messen en glaskoralen mede, ten einde de vriendschap te winnen van het opperhoofd, door wiens tusschenkomst ik eenige manschappen hoopte te verkrijgen, die mij bij de vogeljacht van dienst konden zijn.

De hutten van het dorp liggen verstrooid te midden van open plekken in het woud, die op zeer onvolkomen wijze bebouwd zijn. De twee hutten, die ik bezocht, hebben in het midden een gang, waarop kleine zijgangetjes uitkomen, die elk naar twee kamers voeren, waarvan ieder door een afzonderlijk gezin wordt bewoond. De woningen zijn minstens vijf el boven den grond verheven en rusten op een woud van palen, maar zijn zoo slordig gemaakt en zoo slecht onderhouden, dat een kind zonder moeite tusschen de reten van den planken vloer zou kunnen doorkruipen. De bewoners van dit dorp kwamen mij voor, leelijker te zijn dan die van Dorey: waarschijnlijk zijn zij de echte oorspronkelijke bewoners van dit deel van Nieuw-Guinea; zij leven van landbouw en van de opbrengst der jacht, terwijl de kustbewoners van vischvangst en een weinig handel leven, en eenigszins het voorkomen hebben van volkplanters, die van elders zijn gekomen. Deze bewoners of Arfakis verschillen onderling in vrij sterke mate; zij zijn over het algemeen zwart, maar sommigen zijn bruin, zooals de Maleiers. Hunne hairen, hoewel meer of minder gekroesd, zijn somwijlen kort en niet wollig en zeer zwaar; ik geloof, dat dit het gevolg is van natuurlijke rasverscheidenheid en niet van kunstmatige zorg of mode. Zeer velen lijden aan huidziekten en scheurbuik.

Het oude opperhoofd scheen zeer in zijn schik met mijn geschenk, en beloofde mij (door tusschenkomst van een tolk, dien ik mede had gebracht) dat hij mijne manschappen zou beschermen wanneer zij in de omstreken gingen jagen, en ook dat hij mij vogels en andere dieren zou bezorgen. Gedurende ons gesprek, rookten de inlanders tabak uit houten pijpen, van een langen rechten steel voorzien.

Het regensaizoen spoedde ten einde; de gansche landstreek was doortrokken van vochtigheid. De inboorlingen verwaarloozen de wegen en voetpaden zoo zeer, dat zij dikwijls niet meer zijn dan donkere tunnels met een dak van wild dooreen gegroeide takken, en haast verzinkende in den modder. DePapoea, die geen kleederen heeft welke nat kunnen worden, ploetert ongestoord door die poelen voort, en wascht zich daarna weer schoon in de naburige beek; maar ik, die een broek en laarzen droeg, vond het uiterst onaangenaam, dat ik iederen morgen tot aan de knieën door het slijk moest waden. Lahagi, mijn houthakker, was sedert onze komst nog niet van zijne mat kunnen opstaan: anders zou ik hem hebben opgedragen, op de slechtste punten toegankelijke wegen te banen. De eerste tien dagen regende het regelmatig des avonds en des nachts; maar door ijverig gebruik te maken van de uren waarop de zon scheen, gelukte het mij mijne verzameling niet onbelangrijk te verrijken; behalve eenige nieuwe exemplaren, bezat ik weldra al de vogels en de insecten, die Lesson van zijne reis met het schip deCoquilleheeft medegebracht. Maar Dorey is niet de meest geschikte plaats om paradijsvogels te verzamelen; geen enkele inboorling verstaat de kunst om huiden te bereiden. De vogels, die hier te koop worden aangeboden, zijn afkomstig van Amberbaki, veertig mijlen meer westwaarts, waar de lieden van het dorp ze gaan halen.

De lage gronden nabij de kust en de eilandjes in de baai schijnen van rotsen gevormd, die eerst sedert korten tijd boven de oppervlakte van het water zijn opgeheven; zij zijn bezaaid met overblijfselen van polijpen. De kleine heuvelketen, die achter het huis heen tot aan het voorgebergte loopt, bestaat bijna geheel uit koraalrots, schoon er ook sporen van andere rotsformatie worden aangetroffen. Aan de overzijde der baai verheft zich de indrukwekkende massa van het Arfakgebergte, dat, volgens de fransche natuurkundigen, eene hoogte van tienduizend voet zou bereiken en door geheel wilde stammen wordt bewoond. De inwoners van Dorey, die veel van deze hunne woeste naburen te lijden hebben, zijn voor deze bergbewoners uitermate bevreesd; zij zelven weten zeer goed, hoe duur hun de enkele schedels zijn te staan gekomen, die zij als zegeteekenen rondom hunne hutten hebben opgehangen.

Den 15enMei stoomde deEtnaeindelijk de haven van Dorey binnen: maar het kolenschip was vertrokken, en men moest zijne terugkomst afwachten. Het oorlogsschip wierp het anker uit vlak tegenover mijne woning: ik hoorde de klok het half uur slaan: een eigenaardig geluid hier te midden der plechtige stilte van het woud. De kapitein, de dokter, de machinist en eenige officieren kwamen mij bezoeken: de matrozen spoelden hun linnengoed in mijne beek, en de zoon van den vorst van Tidor kwam zich daarin met zijne makkers baden. Voor het overige had ikweinig omgang met de bemanning, en werd ik niet, zoo als ik aanvankelijk gevreesd had, door de komst van het schip in mijn arbeid gestoord. Het weer was nu tamelijk fraai, maar de vogels en de insecten waren vrij schaarsch; vooral onder deze laatsten vond ik ter nauwernood eene nieuwe soort. Over het algemeen zijn de insecten hier minder schoon dan op Amboina, en ik kon mij zelven niet ontveinzen dat Dorey niet juist het beloofde land is voor een natuuronderzoeker: vlinders zijn zeer zeldzaam, en de meesten die ik hier vond, had ik reeds op de Arou-eilanden gevangen.

Onder de insecten waren wel de merkwaardigste zekere soort van gehoornde vliegen, waarvan ik vier verschillende soorten heb aangetroffen op rottend hout en omgevallen boomen. Deze merkwaardige tweevleugeligen, door den heer W. W. Jaunders onder den naam vanElaphomia, of vliegen met hertshoornen, beschreven, zijn ongeveer een halven duim lang en hebben zeer groote pooten, die zij zoo weten te plaatsen, dat zij haar schraal lichaam tamelijk hoog kunnen opheffen. Hunne voorpooten zijn veel korter en worden dikwijls, even als voelhorens, naar voren uitgestoken; de hoornen komen onder het oog te voorschijn en schijnen eene voortzetting te zijn van het voorste gedeelte van de oogholte. Bij de grootste en merkwaardigste soort,Elaphomia cewicornis, zijn zij bijna zoo lang als het geheele lichaam en hebben twee takken; zij zijn zwart van kleur met witte punten; het lichaam en de pooten zijn geelachtig bruin, en de oogen (gedurende het leven) violet en groen. DeElaphomia wallacei, donkerbruin van kleur met gele strepen en vlekken, heeft hoornen ter lengte van ongeveer een derde van haar lichaam: zij zijn plat en vormen een langwerpigen driehoek. De kleur dezer hoornen is prachtig rood, met zwarte zoomen, en een heldere streep in het midden; het voorste gedeelte van den kop is eveneens rooskleurig, de oogen purper-violet, met een groene streep in het midden: al deze kleuren geven aan het insect een zeer eigenaardig en schitterend voorkomen. De derde soort,Elaphomia alcicornis(met de elandshoornen) is wat kleiner dan de beide vorigen, en komt in kleur het meest overeen met deElaphomia wallacei; de zeer merkwaardige hoornen vormen een soort van plat lemmer, rondom van scherpe tanden voorzien en geheel gelijkende op elandshoornen in miniatuur; de kleur is geelachtig bruin. De vierde soort,Eliphomia brevicornis, wijkt aanmerkelijk van de anderen af; haar zwaarder lichaam is bijna zwart, met een witten ring onder aan den buik; de vleugels zijn voorzien van donkere strepen; het platte, saamgedrongen hoofd draagt zeer kleine platte horens, die er bijna uitzien als de onvolwassen hoornen der andere soorten. De wijfjes van alle soorten missen deze horens.

De inlanders waren mij niet bijzonder behulpzaam bij het vermeerderen mijner collectie. Ter nauwernood dooden deze arme lieden nu en dan een vogel, een varkentje, een kangoeroe of eenig ander dier. Naar men mij verzekerde, waren de kangoeroes hier in den omtrek te vinden; mijne jagers, die dagelijks het bosch doorkruisen, hebben er echter nooit een gezien. De eenige vogels, die men hier in zeker aantal aantreft, zijn kakatoes, loris en papegaaien; zelfs duiven zijn hier zeldzaam, en behooren meest tot enkele bekende soorten.

Den 5enJuni keerde het kolenschip van Amboina terug, met een nieuwen voorraad voor de stoomboot. Het hout, dat bijna reeds geheel was ingeladen, werd nu weder gelost, en in de plaats daarvan de steenkolen ingenomen; en den 17 Juni vertrokken de boot en de brik beiden naar de Humboldtsbaai. De haven werd wederom stil en eenzaam, en wij konden weer iets te eten krijgen. Immers zoo lang de schepen op de reede lagen, brachten de inlanders daar letterlijk alles heen, visschen en groenten; meermalen gebeurde het, dat ik mij voor twee maaltijden met een papegaai moest tevreden stellen.

Een langer verblijf in het binnenland achter Dorey zou waarschijnlijk goede resultaten opleveren: want men heeft mij vandaar een exemplaar bezorgd van het wijfje van den prachtigenPtiloris magnificus, wiens borst met een schubbig harnas is bekleed. Op Ternate had men mij gesproken van een vogel, die zeker in Europa niet bekend is, den koning der zwarte paradijsvogels, wiens staart en zijvederen gelijken op die der gewone soort, maar die overigens geheel zwart van kleur is. De inwoners van Dorey wisten mij daaromtrent niets mede te deelen, hoewel zij naar mijne beschrijving de meeste andere soorten zeer goed herkenden en wisten te vinden.

Bij het vertrek van deEtnaleed ik erg aan koortsen; toen die ophielden, deed mijn mond, mijne tong, mijn tandvleesch mij zoo erge pijn, dat ik gedurende langen tijd, ook ten gevolge van het opzwellen mijner lippen, niets anders dan vloeibare spijs kon gebruiken. Overigens was ik welvarend, maar twee van mijne bedienden waren zoo ernstig ongesteld, dat ik mij zeer ongerust over hen maakte: de een leed aan dyssenterie, de andere aan koorts. Ik deed al wat in mijn vermogen was om hen met mijn zeer beknopte medicijndoos te hulp te komen; maar een hunner stierf niettemin, den 26 Juni, na een lijden van eenige weken. Hij was een goede jongen, wel niet over-ijverig, maar die zich toch trouw van zijn plicht kweet. Hij was eerst achttien jaren oud; geboortig van Boutong, mohammedaan van zijn geloof, even als mijne andere bedienden. Ik stelde hun eenige ellen wit katoen ter hand, en zij begroeven het lijk van den armen jongen overeenkomstig de gebruiken hunner godsdienst in het verre vreemde land.

Den 6enJuli keerde deEtnate Dorey terug. Hoewel het midden in den zomer was, was het weder toch vochtig en regenachtig. Wij konden ons ter nauwernood het noodige voor onslevensonderhoudverschaffen; koorts, verkoudheid, dyssenterie weken niet uit onze woning; ik wenschte hartelijk dat ik Nieuw-Guinea weder kon verlaten. De kapitein van de stoomboot kwam mij bezoeken; hij was onuitputtelijk in het uitweiden over de schoonheden van de Humboldtsbaai, die, naar zijn zeggen, het zeer ver van de golf van Dorey won. De haven is beter. De inlanders, die door veelvuldige aanraking met maleische handelaars nog niet bedorven zijn, en die geen andere vreemdelingenhebben gezien dan de bemanning van enkele walvischvaarders, staan, zoowel in een physiek als in een zedelijk opzicht, veel hooger dan de bewoners dezer streken. Zij gaan geheel naakt. Hunne hutten, boven het water of op den grond gebouwd, zijn hecht en netjes: hunne velden wel bebouwd; en de goed onderhouden wegen doen alleen bij wijze van tegenstelling aan de poelen van Dorey denken. In den beginne wantrouwden de inlanders de onbekende gasten; en toen de sloepen werden uitgezet en naar de kust roeiden, namen dePapoeaseene vijandige houding aan, spanden hun bogen en dreigden op de vreemdelingen, indien zij durfden naderen, te schieten. De kapitein was verstandig genoeg, om bevel te geven tot den terugtocht; maar hij liet eenige geschenken op het strand neder leggen; en na twee- of driemaal de proef te hebben herhaald, liet men den Hollanders toe aan wal te komen, den omtrek te bezoeken, en vruchten en groenten in te koopen. Een inboorling van Dorey, dien men als tolk had medegenomen, kon geen woord van hunne taal verstaan, zoodat men zich met gebaren en teekenen behelpen moest. Voor het overige brachten de Hollanders noch vogels, noch nieuwe viervoetige dieren mede; maar uit de vederen, waarmede de inlanders zich tooiden, bleek toch dat de paradijsvogels ook in die streken gevonden werden, zooals waarschijnlijk in geheel Nieuw-Guinea.

Wapenen enz. der bewoners van Timor.Wapenen enz. der bewoners van Timor.

Wapenen enz. der bewoners van Timor.

Het is inderdaad opmerkelijk, hoe, bij een zeer lagen trap van beschaving, een volk toch kunstzin en smaak kan hebben: de lieden van Dorey zijn inderdaad beeldhouwers en schilders. Aan de buitenzijde van hunne woningen vinden we geen enkele plank, die niet met ruw bewerkte, maar zeer karakteristieke figuren prijken. De hooge en smalle punten hunner prauwen zijn zoo fijn en keurig uitgesneden als kantwerk, en meermalen is dit beeldwerk niet minder smaakvol van lijnen als keurig van bewerking. Aan het uiteinde zijn zij altijd versierd met een beeld, waarvan het hoofd met casuarisvederen prijkt; die eene zekere gelijkenis vertoonen met het eigenaardig kapsel derPapoeas. De dobbers van hunne hengels, de houten spanen, waarmede zij het leem voor hun aardewerk kneden, hunne tabaksdoozen en andere artikelen voor huiselijk gebruik zijn met smaak gesneden en gebeeldhouwd en met fraaie arabesken versierd. Indien men niet wist, dat de meest volkomen onbeschaafdheid met deze zekere mechanische kunstvaardigheid gepaard kan gaan, zou men niet licht willen gelooven dat zij, die deze inderdaad fraaie zaken vervaardigen, toch ontbloot zijn van ieder begrip van orde, maatschappelijke samenleving, welvaart en welvoegelijkheid. Zij wonen in ellendige, bouwvallige, in de hoogste mate onzindelijke krotten; zij hebben noch banken, noch zitplaatsen, noch tafels; borstels zijn hen onbekend, enzij hebben geene andere kleeding of dekking dan boomschors, smerige vodden of pakdoek. Zij denken er niet aan, de overhangende takken of de wortels weg te ruimen, die de paden, welke naar hunne akkers voeren, onbegaanbaar maken, zoodat men zich een weg moet banen dwars door dichte struiken en houtgewas, tusschen doode stammen en doornige lianen, en door slijkpoelen waden, die niet uitdrogen, omdat er nooit een zonnestraal in schijnt. Zij voeden zich uitsluitend met wortels en groenten; visch en wildbraad zijn voor hen eene uitgezochte lekkernij, die zij maar zelden mogen genieten; huidziekten zijn dan ook bij hen zeer algemeen, en de lichamen hunner kinderen zijn meestal met zweren en gezwellen bedekt. En ondanks dit alles, hebben zij eene zeer stellige neiging en smaak voor de beeldende kunsten, en besteden hunne ledige uren aan het vervaardigen van kunstwerken, die om hunne sierlijkheid en zuiveren vorm zelfs in onze teekenscholen bewondering zouden verwekken.

Wapenen en gereedschappen der Papoeas.Wapenen en gereedschappen derPapoeas.

Wapenen en gereedschappen derPapoeas.

Gedurende den laatsten tijd van mijn verblijf in Nieuw-Guinea werd het weder zeer slecht; mijn eenige schutter was ziek; er waren geen vogels meer te zien, en mij bleef niets te doen over, dan insecten te zoeken. Zoodra de regen maar even ophield, doorsnuffelde ik ijverig den ganschen omtrek, en bracht een aantal nieuwe soorten mede naar huis. Op de doode boomen, de half vergane stammen, de verdorde maar nog aan de takken hangende bladeren, vond ik eene groote menigte van zeer kleine kevers. Wat schoonheid en grootte betreft, konden zij, het is waar, niet wedijveren met die van Borneo; maar uit het oogpunt der verscheidenheid mag mijne collectie van Nieuw-Guinea gerustop eene eereplaats aanspraak maken. In de eerste twee of drie weken, toen ik de goede plekjes nog niet gevonden had, bracht ik elken dag ongeveer een dertigtal kevers van verschillende soorten te huis, half zooveel kapellen, en nog eenige andere insecten. Dit getal steeg echter tot gemiddeld negen-en-veertig per dag. Den 31 Mei vond ik, tusschen de doode boomen en onder de vergane bast, acht-en-zeventig verschillende soorten: meer dan ik nog ooit op eenen dag verzameld had. Den 30 Juni keerde ik met vijf-en-negentig verschillende soorten van kevers naar huis: waarschijnlijk zal ik nooit meer in mijn leven, in een enkelen dag, zulk een rijken oogst binnenhalen. Het was zeer warm weder: en van des morgens tien tot des namiddags drie uren bezocht ik al mijne bekende plekjes, de struiken doorsnuffelende, de vergane boomschors afschillende, de rottende bladeren schuddende: te huis gekomen, had ik niet minder dan zes uren noodig om mijn buit te rangschikken, de kevers op te prikken, en hun pooten uit te spreiden. In het geheel verzamelde ik, binnen drie maanden tijds, op een terrein van nauwelijks een vierkante mijl in omtrek, bijkans duizend verschillende soorten van kevers; ik schat dit getal ongeveer op de helft der keversoorten, die deze plek bewonen, en op ongeveer een kwart van het aantal soorten, dat men vinden zou, indien de nasporingen over een terrein van dertig kilometers in het vierkant werden uitgestrekt.

Den 22 Juli voer de goeletEsther-Helenade haven binnen, en vijf dagen later nam ik, zonder smart of spijt, afscheid van Dorey: nergens had ik zooveel ontberingen moeten lijden en met zooveel moeilijkheden te kampen gehad. Mijn ijver als natuuronderzoeker was bijna bezweken in die gestadige worsteling met ziekten, onvoldoend voedsel, en vooral met de mieren en vliegen. Deze reis, waarnaar ik zoo lang met vurig verlangen had uitgezien, had in geen enkel opzicht aan mijne verwachting beantwoord. Ik had geen enkele van de zeldzame paradijsvogels gezien, die ik gehoopt had hier te vinden; ik bracht van Dorey geen enkelen bijzonder fraaien of merkwaardigen vogel, geen enkel prachtig insect mede. Maar ik mag Dorey de eer niet betwisten, dat het buitengemeen rijk aan mieren is. Vooral eene zekere kleine zwarte mier komt hier in ongeloofelijken overvloed voor, en is eene ware landplaag. Bijna alle boomen en struiken wemelen van deze mieren, wier groote papierachtige nesten ge overal aantreft. Zij overmeesterden binnen weinige uren mijne woning, bouwden onder het dak een groot mierennest, en op alle palen en balken breede papieren tunnels; zij overstroomden mijne tafel, terwijl ik bezig was mijne insecten te rangschikken, roofden die voor mijne oogen weg, en scheurden ze zelfs van de kaartjes af, waarop ik ze vastplakte, zoodra ik maar een oogenblik mijn arbeid staakte. Zij kropen op mijne handen en mijn gezicht, drongen onder mijne kleederen tot op mijne huid door, en liepen overal langs mijn lichaam: wel is waar zonder veel pijn te doen, zoo lang zij geen tegenstand ontmoetten, maar zoodra zij gestoord werden, vinnig bijtende; ik moest telkens mijne kleederen uittrekken, om mij van deze fatale vijanden te ontslaan. De nacht bracht geen verlossing van deze kwelling: de mieren volgden mij in mijn bed: en ik geloof niet, dat ik gedurende de drie en een halve maand van mijn verblijf te Dorey, een enkel uur heb doorgebracht, zonder door deze mieren geplaagd te worden. Zij zijn op verre na niet zoo vraatzuchtig als anderen van haar geslacht; maar van wege haar ongeloofelijk aantal en hare alomtegenwoordigheid, moest ik voortdurend op mijne hoede zijn.

De groote blauwe vliegen veroorzaakten mij niet minder last: zij streken bij gansche zwermen neder op de overblijfselen van opgezette vogels, en bedekten de vederen met tallooze eiertjes, waaruit reeds den volgenden morgen larven te voorschijn kwamen, als zij niet tijdig werden weggenomen. Zij verborgen zich onder de vleugelen of onder de huiden, die te drogen lagen, en het gebeurde somwijlen dat die huiden, door de myriaden eieren, binnen weinige uren gelegd, bijkans een halve duim in de hoogte werden getild. Die eitjes kleefden zoo vast aan de vederen, dat ze niet dan met groote moeite en met het uiterste geduld konden worden verwijderd, zonder den vogel te beschadigen.

Den 29 Juli verlieten wij Dorey; onophoudelijk hadden wij met westenwinden en windstilte te kampen, zoodat de terugreis naar Ternate, die anders, met gunstigen wind, in vijf dagen kon geschieden, nu volle zeventien dagen duurde. Het was mij een waar genot, toen ik weder in mijne gemakkelijke, prettige woning nederzat, melk in mijn thee en mijn koffie kon krijgen, versch brood en boter, gevogelte en visch bij iederen maaltijd. Dit uitstapje naar Nieuw-Guinea had ons allen uitgeput.


Back to IndexNext