Die Rampspoedige Reis van dieGouden Buys.

[Inhoud]Die Rampspoedige Reis van dieGouden Buys.Ongeluckig, of Droevigh Verhael van ’t SchipDEGOUDEN BUYS,Uytgevaren ten dienste van d’Oost-Indische Compagnie, ter Camer Enchuysen; in den Jare 1693, den 4. May, onder Commando van SchipperTHEUNIS BAANMAN.Uyt de Beëdigde Verklaringe t’ Samen-gestelt vanDANIEL SILLEMAN, Watermaker,ENLOURENS THYSZ, Timmerman.Die alleen van 190. Zielen zijn overgebleven.TE UTRECHT,Gedruckt by de Weduwe vanJ. vanPOOLSUM, Ordinaris Stads Druckster / woonende tegen over ’t Stadthuys / 1706.[131][Inhoud]INLEIDING.In die vorige hoofstuk het ons die beskrywing gehad van ’n skipbreuk in die Tafelbaai. Hieronder gee ons die volledige verhaal van die noodlottige reis in 1693 van die skip dieGouden Buysvanaf sy vertrek uit Enkhuizen op weg na Oos-Indië tot sy stranding op die kus van St.-Helena-Baai, nadat die skipper genoodsaak was daar anker uit te werp by gebrek aan manskappe om die reis mee voort te sit. Dit gaan swaar om vir ons ’n denkbeeld te vorm van die ontberinge en gevare verbonde aan ’n lang seereis in daardie dae. Storme, wat op die swaar want van die seilskepe veel meer vat gekry het as op ons moderne stoomskepe; swaar-gewapende kapers wat daarop uit was om die rykbelade handelskepe buit te maak; die lang duur van die reis; die gebrek aan ruimte en lig; die eentonigheid van die voeding en die skaarsheid van soetwater met hulle nasleep van siektes van allerlei aard, veral die gevreesde skeurbuik—al hierdie omstandighede het hul deel bygedra om ’n reis van en na Suid-Afrika ’n byna waaghalsige onderneming te maak. Van dit alles skep die relaas van die reis van dieGouden Buys’n treffende en skrikwekkende beeld. Van die 190 man wat op 12 April 1693 Enkhuizen verlaat het, het daar begin November van dieselfde jaar nog maar sewen-en-twintig oorgebly. Van hierdie manskappe het sewe aan land gegaan om van daar (St.-Helena-Baai) te probeer of hulle die[132]Kaap miskien nie kan bereik nie. Van die klomp wat aan boord gebly het, het nie een in lewe gebly nie; en van die sewe wat die skip verlaat het, het net twee man die ontberinge en teenspoede van die reis oorleef. Dit is op grond van die beëdigde verklaringe wat hierdie twee man, Daniel Silleman en Lourens Thijsz, ná hulle aankoms aan die Kaap gemaak het, en van die mondelinge mededelinge van eersgenoemde ná sy terugkeer in Holland, dat die verhaal saamgestel is (L. Thijsz is oorlede op die skip gedurende sy terugreis na die vaderland). Wie die skrywer is, word nie vermeld nie; maar dit is duidelik dat hy vir hom byna letterlik gehou het aan die gegewens wat Silleman vir hom verstrek het. Afgesien van die skriklike lye wat die twee oorblywende mans moes deurmaak, en die gruwelike noodmiddels waartoe hulle die toevlug moes neem, is interessant wat hulle meedeel oor die deurgaans vrindskaplike houding van die Hottentotte, sonder wie se hulp hulle sonder twyfel ook sou omgekom het.Die teks wat ons gee, is dié van die uitgawe van 1706, by die weduwee van J. van Poolsum, in Utrecht, waarvan ’n eksemplaar aanwesig is op die Kaapse argief. Daar bestaan nog ’n vroeër uitgawe gedruk in Enkhuizen by Hendrik van Straaten, waarvan ’n eksemplaar berus in die Fairbridge-biblioteek, nou in besit van mejuffrou D. Fairbridge, op Claremont. Ons het die twee drukke met mekaar vergelyk en geen noemenswaardige afwykinge tussen hulle ontdek nie. ’n Gedeeltelik gewysigde en gemoderniseerde[133]herdruk het reeds verskyn in dieZuid-Afrikaansche Tijdschriftvan Junie 1885 (blss. 257–280) onder die tietel „Een reis van Holland naar de Kaap 200 jaar geleden. Een verhaal van jammer en ellende.” Ook in Die Brandwag van 1 Desember 1911 het die laaste deel van die reisbeskrywing verskyn; maar die teks laat taamlik te wense oor en is partykeer heeltemal onverstaanbaar of misleidend as ’n gevolg van slordige afskrif en byvoeging of weglating van woorde.[134][Inhoud]DIE RAMPSPOEDIGE REIS VAN DIE GOUDEN BUYS.Droevig Verhaal van ’t schip de „Gouden Buys,”Uytgevaren voor de Camer van Enckhuysen, naer Oost-Indien, op den 4 Mey, Onder Commando van SchipperTheunis Baanman.Na dat de Heeren Bewindthebberen van de Oost-Indische Compagnie ter CamerEnckhuysen1de monsteringe van ’t Scheepsvolk bestaende in ruym 190 man op den 9. April 1693 hadden gedaen, zeylden ’t schip den 12. dito van de reede der stadtEnchuysenaf naTexelen geraeckte dien dagh voor de Ven en den 14. dito onder deVlieter2ten Ancker, alwaer de meeste inladinge gelijck oock ’t meerendeel des Scheeps-volck aen boort quam en op den 24. April den schipper met den boeckhouder en vordere Officieren. Van daer weer verzeylende quamen inTexelop deKoopvaarders Reedeen eyndelijck tusschen ’tNieuwe Diepen deHelder3ten ancker; daer gevonden hebbende ’t Schip deKoning Williamen ’t gajoot4de Kers, beijde van de camer vanAmsterdam,[135]mede gedestineert naer Indien: wierd ’er door de Heeren Gecommitteerdens van beijde dese respective cameren, en hare schippers met eenige doenmaels in Texel leggendeGuinees,Surinaams,Lissabonsvaerders5Compagnie en vorder admiraalschap gemaeckt6, de schepen der Ed. Maetschappij tot Commandeur en Vice Commandeur verkooren zijnde, meende man op den 1. Mey ’t Zee te geraken en waren al onder zeyl; doch de windt enigsins tot nadeel lopende most dese vloot weder te rug en koste in ’t vallen laten van ’t ancker het leven van een Matroos welcke met de poortuurlyn7over boort wierd geslagen en quam niet weer boven. Eyndelijck geraeckte men op den 4. Mey na zee, dog met seer groot perikel van het schip en volck; want het ancker met groote moeyte geligt zijnde, konde niet om hoog na begeerte gewonden werden, wat vlijt dat ’er oock by ’t gantsche scheepsvolck wierde aengewent, echter men schokte soo met een uytgestort Mars-Zeyl8na ’t Gat9; Doch niet sonder groote vreese van een ervaren lootsman, om hier door aen de lagerwal, of op ’t eygen ancker in ’t droogste van ’t Gat aen de gront te geraken; En hoe wel men hier door[136]seer belemmert was, sulcks dat men ’t achterste van de vloot geraekten, men quam eyndelijck buyten gaets en in zee.Den 7. dito sturf een soldaet.Den 10. dito sag men de Schotse kust10.Den 12. dito was men daer noch onder ’t landt en kregen een zwaren storm waerdoor wy genootsaeckt wierden een bijlegger te maken11. Het duerde tot den 17 dito, wanneer het weer wat bedaerde en een bakstagh wind12kregen.Den 18 dito quamen ons 4 schepen in ’t gesigt.Een den 19 dito sagen wijFairhil13.Den 20 dito passeerde deselve.Den 22 dito storf den opper kuiperReynder Luytsz. van Enchuisen.Den 26 dito sagen wij de klipRocolle14.Den 31 dito begon ons volck seer af te nemen en kregen verscheyden siecken, dogh storf niet meer als een man, zijnde den bottelierHarme Claasz.Langelens, van den 10. Juny tot op den 18. Juny aen toe. Doe men nu echter met veele tegen winden achter Engelandt was omgekomen begon den voortgang te beteren ende siecken eenigsins weder op te komen en was de toestandt van saken in ’t schip redelijck wel want men bevont[137]sig op den 12. Juny al op de hoogte van 34 graden 0 min. noorder breete en op den 18. dito op 24 graden 30 min. als wanneer het een goeden spoet maeckten, ’t geene alles den leeser uyt de brieven van den schipper geschreven aen zyn huysvrouw, als oock die van den boekhouder aen zijn vader en van andere officieren kan afnemen en sien.[Hier volg vier briewe wat die voorgaande bevestig.]Uyt dese brieven welcke gekomen zijn met de Surinaams en Guinees-vaerders, dien doen van haer affscheyden kan den leeser afnemen dat alles doen wel gestelt was en een yder met genoegen en goede eenigheyd de reys vervorderde, insonderheyd de officieren onder malkanderen, doch hoe wel sy met den anderen waren en wat goeden voortganck sy maeckten, sy scheenen als tot haer ongeluck te haesten; want eerS. Jaga15in ’t gesigt was warender al 14 dooden. Hier scheyde het galjootde Kersvan haer om ’t gemelde Eylandt aen te doen en de siekten weder toenemende ordonneerde den schipper twee beddinge voor de sieken op het onderdeck te maken en zeylden doen by de windt voort. Eyndelijck omtrent deLinie, als wanneer den schipper van deKoning Williamaan ons boort quam, en siende den bedroefden toestandt wenste ons wel met haar volk te konnen helpen, maar hadde selver mede veele sieken waar op hy tegens den avondt zeyl maakte en ons verliet; als wanneer in ’t Schipden Gouden Buys[138]ruym 40 dooden en aan de kant van de 50 sieken werden getelt. 7 a 8 weeken dreven in stilte omtrent deLinieom de selve te passeeren ’t geen de siekte door de groote hitte meer en meer vermeerderde, soo dat ’er op eenen dag wel 6 a 7 te gelyck sturven en over boort wierden geset.Droevigh was ’t om te aanschouwen, Godt dagelijks om uytkomst aanroepende; eyndelijk geraakte na veel suckelens door deLinie. Omtrent desen tijdt viel weder een matroos overboort en verdronck. Op sekeren avondt doen het gebedt soude geschieden, quamen alle de gesonden in de selve ende den schipper, ongeveer maar 30 man bij hem vernemende, vraagde den schipper aan de quaertiermeesterHarmen Jansz.of dit al het gesonde en de rest siek waren, het welk den schipper met verbaastheyd al suchtende dede uytbarsten: „Lieve God! zegen ons; is dit al mijn gesondt volck van 104 zielen dewelcke noch binnens boort moeten wesen? Wat wil dit noch worden?”Meenichmaal seyde de schipper, na ’t eyndigen van ’t gebed, dat soo daar by de siecken eenige lust tot het een of ’t andere waar, van dat geen by hem in de kajuit of in ’t schip was, sy het maar souden eyschen en halen en die niet selfs konde komen, om dat geene dat hy garen had te halen dat hy dan sijn maat ofte ymandt anders konde zenden en dat hem soude gegeven worden dat geene dat tot verquickinge soude kunnen dienen, gelijck sulcks meermaal is geschiedt en uytgedeelt. Wat na dese tijd passeerde wy de hooghte[139]vand’Abrollus16, alwaar ons een travaat17soo heftigh trof dat wy onse kruys-stengh18en groote-stengh19verlooren; onse voor-stengh was ook seer beschadigt maar bleef nog staan. Hier bleven wy 3 a 4 etmaal in desen desolaten staat leggen drijven; eyndelijck malkander nieuwe moedt gevende, kreegLourens Thijsz., derde timmerman, met hulp van ’t andere volck alles weder vaardigh; wy hadden doen al 3 timmerlieden doodt en de vierde lagh sieck ter kooy. Wy zeylden dan in Gods Naem weder henen, hopende nog met hulp van Godt het schip behouden over te brengen.4 a 5 Dagen hier naer verlooren onse onder stuerman ende de opper lagh in sijn kooy heel kranck; twee dagen hier naer sturf onse derde waak20, met onse schipper was het oock niet wel die ook seer begost te klagen.Omtrend desen tijd quam ons een schip in ’t gesight, zijnde als doen na gissinge omtrent 300 mijlen van deCaap; het schip ons naderende quam onse schipper met sijn siecke leeden voor den dag en liet onse reen met kettinge vast maken21; wy waren doen siecken als gesonden ruym 30 man[140]sterck, maakten alles dat tot tegenweer diende vaardigh22maar doen wy het selfde nader quamen, toonde hij een roode vlagh waer uyt wy vermoeden dat het een Deen ofte een Engels schip was. Hy bleef ander-half etmael by ons, als wanneer hy weder uyt ons gesight raakte, hebbende doen een goede windt, zeylende op ’t seggen van onse stuermans jonge die wat van de navigatie geleert hadde en vorder van den schipper onderrigt wierde voort, want wy hadden doen geen eene stuerman meer en onse schipper lag oock heel sieck in de kooy; oock hadden wy geen eene chirurgijn, in somme wy waren soo zwack van volck dat wy naeulijks het roer konde bedwingen.Eyndelijck raakten met hulp van onsen stuermans jonge soo verre dat wy den 11 October het landt in ’t gesigt kregen, alwaar wy digt onder en tot op een mijl na aen landt liepen. Kort hier op quam een travaad die ons marsseil vande raa23in zee deed wayen; onse schipper liet de gesonde in de kajuyt by hem komen die in 6 a 7 man bestonden en seyde: „Mannen, sou het niet beter wesen dat gy het zee-waerts lag?”24maar antwoordde[141]van neen, wat souden wy met ons kleyn getal volck uyt rechten? Eyndelijk op het lang aanhouden van den schipper staken met dese weynige machteloose nogtans weder ’t zee of ’t nog mogelijk waer om deCaapof deSaldange Baeyte konnen winnen dog alles te vergeefs. Na dat wy nu 8 dagen ’t zee hadden gezworven en ’t landt al weder uyt het gesigt waren geweest, kon men door contrarie windt geen hooger haven bestevenen; dies quamen wy ter voornoemde plaets inS. Helenaes Baeyten anker. Wy waren geen 6 man sterk bequaam eenige dienst te doen, de rest moesten haer op handen en voeten behelpen; trecken de groote en fokke raa25neder; maakte het voor marsseyl26los, besloegen27de blinde28en bergden de zeylen onder in ’t schip; bleven in dese gestalte omtrent 2 a 3 weeken leggen hopende door het een of ’t ander middel gered te werden.Als wy hier dan dus lange vruchteloos gelegen hadden, ontbood de schipper, die nu al 14 dagen plat te bedd’ had gelegen die gene die wat konde gaan in cajuyt by hem, alwaar wy met ons 13 a 14 man quamen. Hy seyde: „Mannen, wy hebben hier dus lang gelegen en sien geen hulp op uytkomste. Wie heeft lust om na de Saldange Baey te gaen die maer 12 a 14 mijlen van hier leyt, daer sult gy Christenen vinden om die te[142]spreeken.” Hier op traden wy met ons sevenen toe te wetenJacob Lepi29boekhouder,—de commandeur van de soldaten,—Flip Warlo,Schiman30,—Jan Christiaansz., botteliers-maat31,—Jan Harder, soldaat,—Daniel Silleman, watermaker32en ick,Lourens Thijsz, timmerman. Maekten ons dan vaardig om aen land te gaen en kreegen ter nauwer nood op den 11 November de schuyt buyten boort; namen de man twee beschuyten, een kan water, een bottel wyn, een met brandewyn, yder wat tobak, een paar pistolen, vier snaphanen en elck een hou-degen, waar mede by den schipper zijn gegaan die wy veel gesontheyd toewensten, gelijk hy ons yder man voor man by de hand vattede ook geluck toe-wenste met aanmoedinge van onse reyse kort voort te setten; wy lieten hem in een slechte staet heel krank leggen, wel te gemoet siende dat wy hem niet levendig souden weer vinden; trocken zo op de Reys.Hier mede sijn wy in de schuyt gegaen en na land geroeyt, alwaar tegen de middag zijnde den selven 11 Novemb. aan quamen; op ’t land gekomen zijnde dronken malkander toe uyt een bottel france wyn; hier op marscheerden wy in Gods naem de strand langs.[143]Als wy omtrent derdehalf uur33gegaan hadden, leyden het tegens een zand-heuvel aen strand neder, latende de zee aan de rechterhand soo ons van de schipper belast was, maakte wat vuyr en rookte een pijp toebak en ging met ons vijven leggen slapen latende twee de wacht houden die na verloop van eenigen tijd van twee andere verlost wierden; bragten dese nagt over sonder eenigh wild gedierte te vernemen, marcheerden des morgens weder soetjes voort want het hard lopen wegens de scheurbuyek ons benomen was, ’t welck ons ook geen meerder beschuyt had doen mede nemen. Tegen den avond, na dat wy vuyr gemaakt en een pijp toebak gerookt hadden, leyden wy ons weer te slapen en hielden wacht als vooren; in de nagt deden wy verscheyden schoten om eenige vreemde beesten die wy vermoedende waren van ons af te weeren en de nagt over gebragt zijnde, zijn wy met de morgenstond weder aan ’t marcheeren geraakt en quamen omtrent 10 uyren in de Bogt van de Baay. Dese bogt was omtrent twee en een halve mijl van de plaats daar wy met de schuyt aan quamen, daar wy echter door onse zwakheyd nu omtrent twee etmaal over gegaan hadden; alwaar wy een revier vonden die genaemt wierd (zo ons naderhand onderricht is) deBerg Revier; hadden geen meer water, weshalven verblijd waren maer het duirde niet lang door dien de rivier geen soet maer sout water hadde, alzo zijn uytgang in zee hadde, die alle ses uyren op en afliep; hier stonden wy te kijken en konden deselve niet passeeren van wegen sijn diepten: Dese[144]rivier is na gissing 4 a 500 voeten breet. Wy, niet wetende wat wy souden beginnen, sagen malkanderen bedroeft aen; vermits door de groote hette sulken dorst leden dat het onuytspreeckelijk was, resolveerden de revier hoger op te gaan, alwaar wy het water tamelijk begosten te krijgen, drinkende daar doen zo veel af dat het ons van onderen als een spuyt ontliep. Wy sagen malkanderen nochmaal bedroefder aan en seyden: „De schipper heeft ons leelijk bedrogen.”Den volgenden morgen, als onse boekhouder ouder gewoonte het gebed hadde gedaan, marcheerden wy weder de rivier hoger op en quamen eyndelijk zo verre daar het water heel zoet was, daar wy leggen bleven. Twee van onse mackers gingen de rivier noch hooger op om te sien of er geen hoop van uytkomste te vinden was; ende een stuckweegs opgegaan zijnde sagen zy aan de over kant twee leeuwen komen drincken, die zo haast sy haar sagen weder boswaart in vluchten. Sy proefden het water, maar bevonden het noch brak te wesen, keerden dan wederom en verhaalden ons wat sy gesien hadden. Resolveerden doen gesamentlijk de rivier hoger op te gaan tot dat wy op een vlakte quamen daar wy by malkander gingen zitten en schepten onse kannen met brack water, daar wy zo hartig van dronken dat het ons qualijk bequam. Wy maakten alhier vuyr en leyden ons daar rondom, maar konden de gantsche nacht niet rusten van wegens de pijn die wy in ons ligchaam kregen ’t welck wy oordeelden van het bracke water was spruytende.[145]Des morgens gingen weder met den dagh de rivier hoger op tot dat wy eindelijk bevonden dat het water vers wierdt alwaar wy een etmaal bleven leggen, maakte vuyr en schepte onse kannen weder vol, kookte het selve met wat safferaan (dat wy uyt ons schip mede genomen hadden) het welcke wy droncken om ons wat te verstercken, want nu in geen twee dagen gegeten hadde.’s Morgens vertrocken weder van hier de rivier langs ende des avondts nadat wy vuyr gemaakt hadden, stelden twee schilt wachten. Drie van ons geselschap vernamen een groot wilt beest, niet wetende wat voor een dier het was; sagen ook een zee koe in de rivier ende des anderen daags, als wy weder souden vertrecken, vonden ons genootsaakt een gedeelte van ons geweer wegh te werpen, overmids wy onmachtigh wierden de selve langer te dragen. Een van onse mackers gingh na het gebergte om te sien of hy yets soude kunnen bekomen; hy bleef wel drie dagen achter so dat wy meenden dat hem een wildt gediert verslonden hadde waar over met malkanderen bedroeft waren. Onse commandeur konde ook naeulijks meer voort komen want sijn gemacht was soo gezwollen als een bol van een hoedt; en onser aller beenen begonnen soo te zwellen dat wy niet langer gaen konden. Eyndelijck een weynigh verder gekomen sijnde vonden een vlack-velt, bewassen met riet, ’t welck ons dede resolveren een flotje te maken ende te sien of wy de rivier daar mede konde overkomen. Als doen quam onse macker voornoemt weder by ons die verhaelden, als dat hy meenden een Hottentot[146]gesien te hebben die voor hem wegh liep. Wy verheughden ons seer toen hy weder by ons quam vermids inde rivier een hoet hadde sien drijven die wy meenden de zijne geweest te hebben, maer bevonden als doen contrarie, soo dat wy niet konden bedencken waar dat die hoet van daen gekomen was. Ons vlotje klaar hebbende braghten het aan de kant van de rivier, doen is Daniel Silleman over de rivier gezwommen om eens te sien hoe het aan de ander kant mochte wesen, maar doen hy weder quam zeyd’ hy dat het een woest en wilt landt was, ’t welck ons dede resolveeren aan dese kandt te blijven en met malkanderen weder na ’t strant te gaen daer ons schip lagh; vulde dan onse kanne met water en gingen voort.Omtrent 1. half mijl verre gegaen zijnde, viel onse schimman Philip Warlo van wegens sijn zwackheyd neder, ende bleef daar leggen34. Hy dan siende geen uytkomste voor hem versoght ons maer voort te gaen; wy wenschen hem dan met schreyende oogen adieu. Wy gingen dan varder met onse zwacke leden, het boswaerts schuyns door na strant, hebbende nu also omtrent 2 en een half week met malkanderen gedoolt tot dat wy eyndelijk daer quamen. Een weynig langs de selve gegaen zijnde, vonden onse schipper in sijn combaers genaeyt doot leggen die van het wilt gedierte al een stuck uyt sijn bil gehaalt was. Wy lieten hem leggen want hadden geen kraght ook geen gereetschap[147]om hem te begraven. Kregen het schip int gesigt dat nog voor sijn anckers lagh, keerden weder na onse schuyt om met deselve na boort te varen en daar by gekomen zijnde, bevonden dat al het goet dat daar in gebleven was de zee uytgeslagen hadde, dat wy soo nauw als konden by een soghten. Ook was daar een stuck uyt de schuyt geraakt, maar onse timmerman brack de achter pleght35daar uyt en maakte weder een stuk daar van in deselve so dat wy de schuyt te naasten by weder kant en dight kregen. Doen bragten wy dreggen36met laagh water uyt en kregen de schuyt alsoo weder vlot, maar soo haast als wy hem vlot hadden, quam daar een brandingh en sloegh hem wel half vol water; kort daar op volghde nogh een ander, soo dat de schuyt daar meest door aan stucken raakten en wy de selve verlieten, ziende malkanderen bedroeft aan en geen kans overigh om weeder aan boort te geraken. Stacken een stock op en bonden daar een wit hemdt aan om ons in ’t schip te laten sien, maar vernamen geen teeken wederom, ’t welck ons dede vertrouwen dat sy alle mosten dood sijn; bleven dien naght daar op strandt en resolveerden om ’s anderen daaghs weder bos-waerts in te gaan, sijnde Jan Herder, soldaat, aldaar in onmacht blyven leggen, alsoo veel sout water hadde gedronken en storf.[148]Wy dan met ons vijven boswaerts ingaande, ten eynde om aldaar eenig voetsel en soetwater, of indien mooglijk was een eynde onses ongevals te soeken, vonden eenige swarte beessen37; bleven daar wel 2 a 3 dagen by leggen etende van deselve soo veel wy konden vermids wy uytgehongert waren, want in 14 dagen geen spijs genuttigt hadden.Na ’t verloop van dese dagen verlieten wy de beesten en zijn het bos verder door en door gegaan om weder aan de rivier-kandt te geraken, want den grooten dorst genootsaakten ons den dauw van de bladeren te licken ende ons eygen water te drincken, ’t welck ons also flaeuw en principael onse boeckhouder maakten dat hy daar neder viel en seyde: „Mannen, ik kan niet meer,” halende met eenen een brief van den schipper voor den dagh waar in soo wy meenden kennisse en berigt van den slechten toestants onses schip was en hoewel den boekhouder aan een yder van haar toestondt om na een goedt heen komen te soeken en hun leven soo sy best konde bergen, soo wilde den timmerman Lourens Thijsz. niet van hem scheyden, vermids oock sijn quade benen, maer bleef by den boeckhouder leggen.De andre drie nu gingen voort om de rivier op te soecken ende doen sy een weynigh van de boeckhouder en timmerman af waren deden sy een schoot die door haer op de selve wijs beantwoordt wierd waar mede malkander adieu wensten. Dese twee[149]bleven anderhalve dagh by malkanderen leggen als wanneer de gemelte boeckhouder zoo verzwakte dat hy niet meer spreken konde.Lourens Thijsz.dat siende, trooste hem met schriftuerlijke reden soo veel als hy konde en siende geen uytkomste wenste hem met schreyende oogen de saligheyt.Alsoo verliet ick,Lourens Thijsz., gemelte boekhouder en gingh dat wilde woeste bos alleen deur wandelen, tot dat ik eyndelijck aan een vlack velt geraakten daar een oliphant die my ongemollesteert liet gaan ontmoete, tot dat ick weder aan de voornoemde rivier quam alwaar ick ging neder sitten Godt danckende voor sijne genade ende groote barmhartigheyt dat hy my dus verre weder gebragt hadde. Ick schepte mijne kanne weder vol water, daer ick soo veel van dronck dat het mijn qualick bequam; mijn spijse was niet anders als gras en wilde beesten dreck. Soo bleef ick hier 6 dagen leggen; ik vernam hier verscheyden zee koeyen en telden wel 25 oliphanten die daer aan de rivier quamen drincken en weder boswaarts ingingen.De rivier langs gaende vonde ik een verrotte water-rot die ik van honger op at en quam alsoo weder by het vlotje dat wy met malkanderen gemaackt hadden, alwaar ik aan de overkant van de rivier eenige rook sagh op gaan het welck my dede ontkleden en op het vlotjen sitten gaen; dreef alsoo de rivier over. Hier over zijnde vondt ick een dooden haay daar ick mede hartigh van at. Naer het eeten der selver gingh ik boswaart in doch vondt geen menschen maar wel verscheyden soort van[150]beesten, als elanden, vogel-struyssen38en harte beesten, ’twelck my weder uyt het bos deed komen, keerende na het vlotje ende daar even op sijnde quamen twee leeuwen achter een hoeck van daan en gingen de rivier langs. Ick dreef de rivier over ontrent ter plaetse daar ick geweest was en ging deselve hooger op vijf dagen langh; vondt onderwegen een endt-vogel die ick op at.Des anderen daags vroeg in den morgenstondt ging ick op een hoogte neder sitten vol van groote flaeute en mistroostigheyt, want hadde doenmaels in drie dagen niet gegeten; schepte weer een weynigh moet en rees op en gingh wat varder boswaert in alwaar ick 3 schiltpadden vondt die uyt een bosje quamen kruypen; ick maakte aenstondts wat vuyr daer ick deselve op brade, gingh daer by neder sitten en kreeg mijn gebeede boeck, danckte Godt voor sijn genade dat hy mijn hadde deselve believen te verlenen. Noch in ’t bidden zijnde, hoorde ick eenig gerijssel meenende dat het beesten waren, soo dat ik schielijck opstondt en omme siende sag ick drie wilde menschen, yder met een pyl en boogh voor my staan. Ick verschrikte geweldig want ick sulcken soort van menschen nooyt gesien hadt; zy dan stelden haer in postuer met haar geweer, ende ick nam mijn pistool in de handt gingh also bevende op haar aen. Doen ick nu by haar quam was ’er een van haar die een weynigh Duyts39konde spreeken, die vraeghden my of ik een Duytsman39was; antwoorden hem van ja,[151]ende hy gaf my weder tot antwoortdat een Duytsman een goet man was. Ik verhaelen hem dat ons schip daar op ancker lagh en al ons volck gestorven sijnde wy met ons sevenen aan landt gekomen waren, waervan drie gestorven en drie noch in ’t bosch doolden, dien ik versogt of sy die wilden op soeken. Sy hadden eenige schiltpadden by haer die sy aenstonds voor my braden, ende een van haar haelde mijn kanne vol water, onderwijlen vroegen de andere na mijn toeback daar sy seer begeerig na zijn. De schildtpadden nu gebraden zijnde aten deselve te samen op; doen begeerden sy dat ik mijn boven kleederen soude uyt trecken en met haar mede gaen ’t welck ik deede, maer niet sonder groote vreese, want ik meende dat het menschen eters waren; ik gaf haer dan al mijn goedt om te dragen maer sy waren so gaau in ’t vooruyt loopen, dat ik haer niet konde volgen, soo dat sy my eyndelijk uyt het gesigt raakten, ’t welck my deede geloven dat sy met mijn goet weg waren.Ik volgde dan die selve passagie, tot dat ik haar vont sitten rooken een pijp toeback; ik sette my dan by haer neder ende een weynigh gerust hebbende, gingen weder te samen voort tot dat wy by haer hutte quamen40. Daer sagh ik haar vrouwen en kinderen die doen sy my sagen altemael vlughten, vermids sy sulcke menschen niet gewent waren soo ’t scheen. Brachten my dan in haar Opperhoofs wooningh daar ik veel koebeesten en schapen sag; sy gaven my harten vlees[152]en melck te eten en ’s anderen daeghs maakten sy my honingh bier om te drincken, brachten my oock eenige wortels41, die sy uyt de aerde graven ende in plaats van broot gebruyckten; ik at dat so hartig, sijnde van honger gans uytgeteert dat het my qualijk maakten; sy deden my hier op uyt haar hutte gaan vreesende dat ik soo aenstonds soude sterven. Doen ik nu in de lugt geraakte, quam ik aanstonts aan ’t braken dat my geweldigh verlichten en doen weder in haar hutte kroop, maer ick en konde tot geen slapen komen uyt vrees dat sy my noch om den hals soude brengen.’s Anderen daags quamen daar noch drie andere van haar geburen die heel anders van manieren en gedaanten waren; sy hadden lange baerden en waren gestadiger van wesen42. Doen vreesden ik weder dat sy my souden gedoodt hebben, maar bevondt heel contrarie want sy maakte een koe-beest vaerdigh om te slaghten die sy eerst met touwen bonden en gingen doen daar rontomme danssen, springen, speelen en maakte groote ceremonye volgens hare wijse; leyden my tusschen haer beyden daar by om het selve te aanschouwen ’t welck ik met groote verwonderinge aansagh. Dit gedaan zijnde maeckten sy het beest weder los, en lieten het selven weder naert bos loopen. (Mijns oordeels is dat ter eeren van dese drie gebuuren geschiet die sy genoot hadden, want sy haar met diversse soorten van spijse op hare wijse tracteerden.)[153]Soo braght ik dien nagt met haar ten eynde.Den dagh gekomen zijnde, namen wederom van malkanderen afscheyt en kusten my met haar handen toe. Ik had nu by haar twee etmaal geweest in welcken tijdt zy my getracteert hadden met alles wat sy konden by brengen. Maer het verloop der selve stuerde ick haar naer deSaldange Baeyen liet weten dat ick in haer wooninge was en hoedanigh zy my gevonden hadden.Sy gingen dan aanstonds henen en quamen ’s anderen daegs wederom; braghten een Hollander met haer; wy veraltereerde beyde doen wy malkanderen sagen en ’s morgens doen vertrocken wij na deSaldange Baey, nemende drie Hottentotten by ons. Onderwijlen dat wy op weg waren ontmoeten ons een oliphant, daar wy voor vlugten mosten; wy sagen verscheyden harte-beesten en vogel-struyssen.Eyndelijck aan deSaldange-Baeygekomen zijnde, maakten een van de Hottentotten vyer tot een teecken dat wy daar waren vermids daar noch een rivier tusschen ons en haar was43. Sy quamen dan aanstonds met een kleyn vaertuygh en haelden ons over; soo raakten ikLourens Thijsz.eyndelijck in deSaldange Baeyop den 1. of 2. Kers-Dagh, alwaar ik noch 14 dagen siek lagh en naer verloop der selve quam daar een vryman van deKaapom te vissen waar mede ik, zijnde wat beter na deKaapvertrock en nam mijn logement ten[154]huyse vande voorgenoemde vrijman genaamtLambert Adrijaansz.Verhaal van D. Silleman.Doen nuLourens Thijsz.aan deSaldange Baeywas aangekomen, wierd van daar aanstonds kennisse daar van aen de Gouverneur derKaapgesonden die ter aller yl een Vaertuygh44na ’t schipde Goude Buysaf-sond, gelijck hier na sal gesegt werden, waer door den watermakerDaniel Sillemanmede behouden wierd, want gelijck gesegt is den Commandeur der soldaten, den botteliers maat en ikDaniel Sillemanwatermaker, in manieren voorschreven van den zieltogende en neer-gezegenen boekhouder gescheyden sijnde, waren weynigh voort gegaan wanneer wy een schilpatje vonden; maakten vyer, braden het en aten te samen op; deden oock verscheyden schooten met onse pistolen om te doen hooren waer dat wy waren, meenende dat sy weder by ons soude komen, maer vernamen haer niet. Omtrent den avondt maeckten wy weder vuyr dat de botteliers maet (terwijl wy sliepen) brandende hieldt.Den volgende morgen begaven ons weder op wegh om by de rivier te komen en vonden drie schildpadden, die wy weder braden en te samen op aten; bleven daer een weynigh leggen om de groote hitte, tot dat de sonne wat gedaelt was wanneer wy weder voortgingen en drie dagen daer na aen de revier quamen, al waer wy weder ons kannen van[155]water versagen, maer wierden door al het water drincken seer hongerigh.Wy vonden dan aen de kant van de rivier tusschen de biesen amelyen of hanebollen45(soo men die in Hollandt noemt); aten daer van maer kosten onse honger daer mede niet verzaden; derhalven beraatslaegden weder boswaerts in te gaen om te sien of wy iets konde bekomen, alwaer by geval een schildpadt of twee vonden; keerden van daer weder na ’t strandt, daer wy onse verlaten schuyt, die aen stucken geslagen was vonden leggen; begaven ons met ons drien op een stuck van de schuyt te water, om weder aen boort te komen, maer wierden t’elkens met de zee weder te rugge gesmeten.Onderwijlen was ons water weder op geraeckt; wy dan sagen malkander seer bedroeft aen en keerden van disperatie weder boswaerts in om mondt kost voor ons te soeken; vonden eyndelijck van die blaeuwe bessen, daer voor heen van gemeldt is; aten van die selve en onthielden ons aldaer 14 dagen, drinkende ons eygen water, gelijck wy meermalen gedaen hadden. Doen verloren wy de boteliers maet, sijnde omtrent den 26. of 27. December ende een weynigh van het doode ligchaam gegaen sijnde, seyde de Commandeur tegens myDaniel Silleman: „Jan Crist of Christiaensz.(soo was sijn naem)is nu doodt en wy lijden grooten honger; laet ons weder te rugh gaen en snijden van het dickste vlees een stuck[156]af en laet ons het selve braden en op eten; Godt sal ons dat voor geen sonden reekenen.” Ik schrikte van so een voor-slagh en zeyde neen. Evenwel na veel tegenspreeken seyde hy, door honger geprangt sijnde: „Ik sal het dan voor my daer uyt snyden.” Ende alsoo mijn honger niet minder dan de sijne was, seyde ick tegens hem: „Wilt gy daer van snyden en braden, ick sal ’er u van helpen eeten.” Dit was nu tegens den avondt; ick kreegh hout en maeckte vuyr en hy ginck henen en sneed hem uyt het dick van ’t been een stuck omtrent soo groot als een handt en brade het; maer doen het gebraden was, konden wy daer niet van eten van wegen sijn droge tajigheyd; aten evenwel een mondt vol of twee daer van en staken het overschot in onse sack, willende sien of wy het den volgenden dag bequaem tot eten soude konnen maken; leyden ons hier op omtrent 20 treeden van ’t doode ligchaam (kraght en moedeloos zijnde) te slapen tot den volgende dag.En alsoo wy noch toback by ons hadden, bleven by malkanderen sitten en pijp toeback roocken tot ontrent de middagh, als wanneer ons de slaap overviel.Onderwylen quamen daer vierHottentots, gewapent met pijl en boogh by ons die my eerst aenriepen, waer op ick ontwaeckte en schrickte soodanige menschen te sien; stondt dan op en gingh een tree of thien te rugh by de Commandeur die noch sliep. Ick maeckte hem wacker; sy volghden my en setten hun met haer vieren rontom ons neder. (DeseHottentotswaren van deSaldange[157]Baeyafgesonden na datLourens Thijsz.daer was aengekomen om ons met ons driejen op te soeken; dog soude ons aparent soo kort niet hebben gevonden, maer wy hadden vuyr gemaeckt dicht onder eenig kleyn geboomte dat door de windt aen brandt geraeckt en vorder een groot gedeelte van ’t bos aen brandt stak.) Een van haer die krom Duyts sprack, vroeg ons of wy geen dorst hadden. Wy seyden van ja, want het was den 15. dagh dat wy niet anders als ons eygen water en den dan die wy ’s morgens van de bladeren lickte hadden genuttight. Sy maeckte vuyr en braden een schildtpadt voor ons dieDaniel Sillemanweygerde om te eten, seggende hy soude daer eerst van eten, waer op den Hottentot antwoorde: „Hongerige ziele, soude ick u kost op eten, dat doen wy niet.” Dies wy die eyndelick op aten.Als nu het water dat sy gebraght hadden uyt was, gaven wy haer elck acht dubbeltjes en vraeghden haer of sy meer wilden halen, dat wy haer dan meer geldt souden geven. Hier op gaen ’er twee weder om water ende de andere twee bleven by ons die wy wat toeback gaven. Een van de twee dewelck by ons bleef was die gene die wat Duyts konde en zeyde dat hy een capiteins soon was; de andere twee naer dat zy na gissinge vier uren waren wegh geweest quamen wederom en bragten water daer wy seer hartigh van droncken.Dat gedaen zijnde spraken sy van naer haer woninge te gaen; begaven ons met haer op de weg maer de Commandeur was soo zwack dat ’t elkens neder viel en sy waren soo gezwindt in ’t[158]vooruytloopen dat ick haer oock niet volgen konde, oock soo wilde ick myn maet niet verlaten. Sy dan waghten ons verscheyden reysen in en droegen onse rocken daer wy ons ’s nachts mede deckten; maer als sy sagen dat de commandeur niet voort konde komen en ick van hem niet gaen wilde, seyden sy dat wy hun in haer hutten soude vinden; namen onse rocken mede, denckende dat wy souden volgen, maer als sy een musquet schoot van ons af waren bleven sy stille staen en maeckte een misbaer, niet of sy menschen maer of ’t duyvels waren.Daer op quamen sy alle vier weder na ons toe loopen; wy dat siende, meenden dat sy ons om den hals soude brengen, maer twee van haer gaven haer geweer46over en siende dat ick noch gauwer als de commandeur was, vat my elck by een arm en liepen met my weg, latende de commandeur leggen. Hy, my dan soo siende mede slepen, kroop soo veel hy kost voort om my te volgen, maer na dat sy my een groot stuck weeghs hadde mede gesleept (en ick van haer geen goedt was verwachtende), sochte ik t’elkens van haer af te komen; haelde een knip-mesjen (dat ick by my hadde) uyt myn sack, waer mede ick na de eene stiet, dit voort los liet, en doen dede ick van gelijcken naer de andere die my oock los liet waer door ick gelegentheyd kreeg haer te ontvluchten, gelijck ick oock van haer ter zijden af in ’t bos liep. Doen maeckten[159]zy een groot geschreeuw waer op twee andere die al ’t geweer droegen en een stuck weeghs achter waren, na haer toe liepen en haer geweer overgaven; waer op sy alle vier na my toe quamen en met haer pijl en boog ons dreygden te doorschieten. De voornoemde Hottentots riepen tot verscheyden malen dat ick by haer soude komen maer ick en wilde niet uyt vreese als sy my in haer coralen47gesleept hadden, my slachten en eeten soude. Ondertusschen was de commandeur weder by my gekomen en als sy dan sagen dat ick niet met haer en wilde, smeeten onse rocken weder toe, maer een leeren rantsel daer omtrent 180 gulden aen geldt van my in was namen zy mede en lieten ons daer samen sitten.De nacht aenkomende leyden ons tot slapen ende den volgende morgen marcheerden wy weder te rugh en quamen ter plaetse daer wy te vooren die swarte bessen gegeten hadden; bleven daer 4 dagen by malkander leggen, want de commandeur konde niet een voet meer versetten en ick wilde hem niet verlaten. Ick pluckte somtijds wat bessen die ick hem brachte, maer eyndelijck van tijd tot tijd soo verzwackte dat hy op den 5. dagh naulijks meer geluyt konde geven. Ick bleef soo langh by hem dat de spraek hem quam te begeven en op den 30. of 31. December den geest gaf.Ziende dan geen ander uytkomst als de doodt, verliet hem en wenste weder by de Hottentots te zijn, doch die gedagten en konden my doen niet[160]helpen; derhalven resolveerde weder naer strandt te gaen, met voornemen so het verlaten schip daer noch lag, naer het selve te swemmen. Ick gaf my dan in de achter-middagh op wegh en marcheerden soo verre dat ick tegens den avondt ons schip weder in ’t gesight kreegh en soo mijn dochte sagh ick achter het schip noch een vaertuygh, maer konde het selve door de duysterheyt niet kennen, ging egter soo lange voort als ick sien konde, alsoo mijn hoope was Christen menschen te vinden. Als het dan gants duyster was geworden maekten ick vuyr, en een bos rijsen48by malkanderen geraept hebbende stak die in brandt en alsoo ick nogh weynigh toback op my hadde, rookte van deselve een pijpjen en begaf my om te slapen.Den volgende morgen marcheerden ik soo spoedig voort als mijn mogelijck was en quam omtrent ten 10 uren aen strant, zijnde den 2. January 1694 alwaer ick onse verlaten schip vondt van sijn ankers geslagen en tegens strant geset; oock sagh ick een schip met 3 masten in de baey, met noch een Engels vaertuygh, omtrent een mijl van land. Ick was seer verblijt als ick dit schip sagh ende begon met mijn Engelsche-Mus die ick op hadde te wencken waer op een schuytjen met twee man wierd afgestuert om my te halen. Als dit vaertuygh omtrent de brandingh was gekomen, liep ick van blijdtschap tot onder mijn armen in ’t water en gerraeckten alsoo behouden in ’t vaertuygh. Van dese twee maets verstondt ick dat het eene[161]schip met drie masten, denDageraetwas, en het Engels vaertuygh de chaloep del’Amie49, dewelcke van deCaapwaren afgeschickt om het schip deGouden Buysaf te halen. Zy roeyden my aen deGouden Buysalwaer den schipperJan Tackdieden Dageraetvoerde op was.Welck schip deDageraet, schipperJan Tackvoornoemt (op ordre van den Gouverneur van deCaapdie den 28. December d’eerste kennisse van deSaldange Baeyhad bekomen) den 29. dito was afgesonden en deTafel Baeyuyt gelaveert en quam op den 1. January 1694 aen het schip deGouden Buysdie voor omtrent 12 dagen van te voren van sijn anckers gedreven nu tegens de wal vanS. Helenaes Baeyaen vonden leggen op 15 voeten waters, hebbende alleen maer 23 duym water in; sulks schipperJan Tackmoet hadde, om ’t selve van strand af en weer in ’t diep te brengen; dies hy aen de Gouverneur van de Caap over de landt wegh daer van kennisse gaf waer op zijn Ed. hem toesondt ’t JachtTamboer, ’t Galjoot ’tHoen, en ’t vaertuygJupitermet 50 man die den 10. January daer aenkomen; waer op zy gesamentlijck te werck gaen, hebbende zijn ladinge uyt deselve genomen om te lichten en ’t schip in ’t vlot te brengen, gelijck dan sulcks oock op den 12. January daer een weynig na begon te lijcken, dewijl ’t schip nu maer 14 voet gaende, vermids alle[162]zware goederen daer uyt waren geborgen en reets op 12 voeten water was gebragt; op den 13. dito meende men ’t genoegsaem te hebben gewonnen, maer ’t weer en windt wat ontstelt sijnde, ’t geene de zee hooger deede dijnen als te vooren; raekte ’t schip geweldigh aen ’t stooten, sulcks de groote mast 2 voeten uyt sijn spoor lichte en ’t schip leck geraeckte, waer op geresolveert wierd de lins te kappen50en ’t schip weder na de wal te laten drijven, gelijck gedaen wierd; waer op het den 15. January op zy viel; dies men vorder alle wat nogh kon geborgen worden en daer noch in was als loot, yser en eenige andere waren met 9 anckers en touwen daer uyt lichten ende te samen gelaeden na deCaapweder keerden; welcke schepen als ’t jaghtTamboer, ’t galjoot’t HoenendeJupiterneffens de chaloep del’Amieop den 4 February weder naGouden Buyssijn afgesonden om verder alles te bergen wat nogh overigh was, gelijck zy oock deeden en den 7 February weder volladen te rugh keerden en ’t hare in salvo bragten: welcke goederen vorder naBataviamet de Compagnie schepen sijn versonden.Daer gekomen zijnde sagh my een yder met verwonderingh aen daar dien ick gandts swart en[163]mager van honger was, want het was nu 7 en een halve week dat ick van schip was gegaan. Ik eyschte drincken, en also geen water by de handt was, seyde den schipper het beter te zijn dat ick versterckende dranck nuttighde en liet een half-musjen51caneel-water geven dat ick graegh in dronck. Ondertussen vondt ick een vaetjen met water, daer in zynde 6 kannen water dat uyt de schuyt in ’t schip was gekomen en, alsoo ick noch niet machtig was het selve op te lichten (een teken van seer kleyne kragt), leyde het by my neer en dronck het meer als half leegh. Oock liet my de schipper een pint Franse wijn geven, die ick mede met smaeck uytdronck. Ick verstondt van ’t volck dat sy ’s avonds te vooren met haer schepen daer waren gekomen en dat sy wel seventhien a achtien doode lichamen gevonden hadden waer van eenige soodanigh gestelt waren, dat men haer niet konde handelen. Ongelooffelijke stanck wasser in ’t schip en alsoo den avondt viel en het niet geraden vonden om in die grooten stank het volck in het schip te laten, stapten sy alle in de boot en sloep om weder aen boort van haer schip te varen, maer voor haer vertrek van boort hoorden zy noch gekerm van een mensch, waer op zy weder uyt de sloep in het schip gingen om te besoeken en komende in de stuurboorts hut, vonden aldaer den hof-meesterJan Frantz. Doesborghheel kranck. Zoo haest hy ons sagh riep hy: „Slaet my niet doodt, ick sal seggen waer het geldt is.” Wy vermoeden[164]dat hy meenden dat wy quamen om het schip te berooven. Hy seyde dan: „Het geldt leydt onder de schipper sijn kooy.” Zy namen hem uyt het schip en quamen alle weder in de sloep, en bragten hem op het schip denDageraetalwaer van behoorlijcke medicamenten tot herstelling zijnder gesontheyd met de hulp van Godt wierde gegeven; dogh hy overleed na twee en een half etmael op denDageraet.Om weder tot mijn varhael te komen, so bragten sy my met mijn kisten en slaep goedt aen denDageraet. In ’t roeyen naer ’t schip voeren wy eerst aen de chaloupl’Amie, alwaer zy 2 gebraden vissen, twee geweyckte bisschuyten en een kanne water voor my overlanghde, aen de welck ick in ’t roeyen na deDageraetbegon te peuselen en op het schip gekomen zijnde wierd ick van de kock met warm water van ’t hooft tot de voeten gewassen; verschoonde my doen van alles en dit gedaen zijnde, sette de kock my schape vlees met geele wortelen voor om te eeten; daer toe wierd my so veel wijn gegeven als ick konde drincken.Wy bleven hier noch drie dagen leggen; onderwijlen wierd ons schipDe Dageraetgeladen met de gebergde goederen van het verlooren schipDe Gouden Buys, waer onder seventhien kisten met geldt waren.Onse ladingh in hebbende, gingen in Compagnye van de chaloupl’Amie(die oock volladen was) ’t zeyl en na dat wy twee dagen in zee geweest waren, kregen een storm dat wy in korten tijdt door de poorten tusschen deck drie voet water in kregen.[165]Wy deden dan met alle man soo veel met balijen en putsen dat wy eyndelick het schip weder leegh kregen; maer ’s anderen daegs, eendeels door contrarie windt en anderdeels om ons schip wat te kalleffateren deSaldange Baeyin liepen, alwaer wy oock visten ende in twee trecken met den Zegen wel een half schuyt vol vis vongen; de gevangen vis aan boort gebraght hebbende koockte, braede en backte deselve daer ick niet weynigh mijn part van kreegh, ’t welck een groote vervarssingh voor mijn was. Sy broghten my oock na de Compagnie post die in deSaldange Baeyleydt om een van myn mackers die sy seyden van deSwartendaer gebracht te zijn te besoecken, maer als ick daer quam verstondt ick dat hy daeghs te vooren met een vrijmans vaertuygh dat daar lagh was vertrocken. Ick verstont hier oock dat de swarte die my in ’t bos gevonden hadde, aldaer de tijdinge hadden gebragt dat sy ons beyde wel gevonden maer niet mede hadden konnen krijgen, gelijck waer was. Ick vroeg of zy mijn rantsel met geldt daer niet hadden gebraght, daer ick op tot antwoordt kreeg dat sy wel wisten wat geldt was en wijser waren het daer te brengen. Sy gaven ons dan te eten ende dat gedaen zijnde, voeren weder aen boort, maekten den volgende dagh zeyl en staken in zee. Na dat wy weder 2 daghen in zee geweest waren, kregen deTafelenLeewen Berghin ’t gesigt; die nacht was het heel stil weer en liet de stuerman in de honde-waght52[166]ons groote zeyl met de fock53op gijen54, streken ons mars-zeyl op de randt neder en lieten het alsoo drijven; na datter 6 glasen in de honde-waght uyt waren55zagen wy de brandings soo natuerlijck dat het ons heel ontstelde; hier op komt de schipper uyt sijn kooy, die hem in ’t begin van de honde-wagt tot slapen had geleydt en de sorgh aen de stuerman gelaten hadde, zeyde: „Mannen wat wil dit zijn? Heer, wat is dat? Soude wy wel aen de vaste wal sijn?” Dit seyde hy uyt oorsaecke van de groote mist die daer was en alsoo de zee boven gemeen hol gingh, was het wel te presumeeren dat wy digt by landt mosten wesen, lieten het diep loot werpen en bevonden op 10 vadem water te sijn. Hier op riep de schipper: „Mannene ’t sa, wacker! Het ancker voor van de boegh af en laet het vallen”; daer wel voort aengegaen wierdt maer de branding begost al voor ons te breken. Na dat wy 2 anckers hadden laten vallen en omtrent 100 vadem geviert56was eer het selve wilde houden, waren wy alsoo dight op de wal dat de brandingh met sulcken kraght voor ons schip storten dat onse groote blinde ree57in de eerste stortingh aen stucken brak waer op ons voor schip wierdt aen stucken geslagen. Een man[167]die voor de beetingh58stont, wierdt van de zee tegens deselve aen geslagen dat sijne ribben aen stucken waren; hy kroop noch na de cojuyt, maer bestorf het. Door de vuyle klippige gront raekten beyde onse cabel touwen aen stucken en wiert ons achter-schip tegens de wal geset dat hem het roer van syn gat af stiet en het voorschip dwars zee, soo dat hy met syn stuur-boort aen landt quaem te leggen en wierd al hoger op tegen de wal geset. Wy kregen van bakboort sulken zee, dat ons de focke mast midden door sloegh. Even te vooren hadden wy de schuyt in de taakels59gehangen om te sien of wy met deselve niet konde ontvluchten, maer wy sagen daer geen apparentie toe want d’eene zee was niet over ons hooft of kregen eer wy ons adem gehaelt hadden d’ander weder op ’t lijf. Wy vluchten dan d’eene parthy op ’t half-deck60, sommige op de hut61, eenige klommen in ’t want andere saten op het zonne-dek62, in somma elck sogt hem te salveeren als hy best konde. Ick was dan mede achter op geloopen; onderwijlen komt daer een zee en slaet de schuyt in sijn taakels aen stucken dat de achter en voorsteven bleef hangen en met deselve zee, raekte onse groote mast (die digt onder de mars wierdt aen stucken geslagen)[168]over boort; de zee die daer op volgden sloeg de boot die los in sijn klampen63stont mede over boord ende de groote mast noch eenmael aen stucken.Hier na wiert het voor schip tot aen ’t groote luyck van ’t achter schip van malkanderen geslagen so dat ondertusschen het agter schip hooger tegen strant aen schookte. Op het sonne-deck waren wel 15 a 16 gevlught dewelcke door een zee met het selve van ’t schip wierden geslagen en van ’t water alle over de klippen aen landt geset. Kort hier op wierdt het deck van de hut, daer de rest van ’t volck op was gevlught (behalven ick en de konstapels jonge64, gelight en quamen als de voorige aen landt. Ick op het vrak van ’t schip staende, trock mijn kleederen uyt om met swemmen aen ’t landt te komen, maer siende dat ’er verscheyden waren die beter swemmen konden als ick haer te water gaven, maer wat ter zijden het schip gekomen zijnde trock het water soo sterck dat het haer in zee sleepte en alsoo 15 a 16 man verdronck; ick moeder naekt dit ellendig schou-spel aensiende, quam weder een zee en slaet my met de jonge een stuck van boort in zee; ick verliet het stuck houdt, alsoo om siende veel houtwerck en vaten op my sagh afkomen, liet my na de gront toe sincken om van deselve niet beschadigt te werden. Onderwijlen raekten dit goedt alles over mijn hooft en weder boven komende, zag mijn door de vloet van ’t water een goedt stuck[169]van ’t wrack af, de tweede brandingh over viel mijn soo schielijck dat ick deselvige niet konde ontwijken; zij nam mijn op en smeet my los tegens de klippen in, alwaer ick door de bandieten65, die op het schieten daer gekomen waren, zijnde vijf sterk, gezwind daeruyt gehaelt wierd.)Op het landt gekomen zijnde, bragten sy my by een groot vuyr om te warmen dat sy gemaekt hadden; gewarmt hebbende setten sy my met noch vier andere op een wagen, bragten ons in haer woon huys en setten ons broot en kaas voor daer wy wat van aten. Na dat wy daer drie dagen hadden geweest, wierden met de boot van ’t schipSchoondijckdat aen deCaaplag van daer gehaelt en aen deCaapgebragt en aldaer gekomen zijnde, vondt ick mijn cammeraetLourens Thysz.op ’t hooft staen die in ’t bos met den boekhouder van ons was gescheyden; als hy my sag verwellekomde my met groote blijdtschap en nam my met hem in zijn logement, ten huyse van de voorgemelte vrymanLambert Adriaansz.alwaer ick wel wierde ontvangen en bleef logeeren.Eenige dagen hier naer, deden wy aen den secretaris van den Governeur het voor-verhaelde relaes, het welcken in ’t kortopgeschrevenzijnde, wy met eden bevestigen.[171]

[Inhoud]Die Rampspoedige Reis van dieGouden Buys.Ongeluckig, of Droevigh Verhael van ’t SchipDEGOUDEN BUYS,Uytgevaren ten dienste van d’Oost-Indische Compagnie, ter Camer Enchuysen; in den Jare 1693, den 4. May, onder Commando van SchipperTHEUNIS BAANMAN.Uyt de Beëdigde Verklaringe t’ Samen-gestelt vanDANIEL SILLEMAN, Watermaker,ENLOURENS THYSZ, Timmerman.Die alleen van 190. Zielen zijn overgebleven.TE UTRECHT,Gedruckt by de Weduwe vanJ. vanPOOLSUM, Ordinaris Stads Druckster / woonende tegen over ’t Stadthuys / 1706.[131][Inhoud]INLEIDING.In die vorige hoofstuk het ons die beskrywing gehad van ’n skipbreuk in die Tafelbaai. Hieronder gee ons die volledige verhaal van die noodlottige reis in 1693 van die skip dieGouden Buysvanaf sy vertrek uit Enkhuizen op weg na Oos-Indië tot sy stranding op die kus van St.-Helena-Baai, nadat die skipper genoodsaak was daar anker uit te werp by gebrek aan manskappe om die reis mee voort te sit. Dit gaan swaar om vir ons ’n denkbeeld te vorm van die ontberinge en gevare verbonde aan ’n lang seereis in daardie dae. Storme, wat op die swaar want van die seilskepe veel meer vat gekry het as op ons moderne stoomskepe; swaar-gewapende kapers wat daarop uit was om die rykbelade handelskepe buit te maak; die lang duur van die reis; die gebrek aan ruimte en lig; die eentonigheid van die voeding en die skaarsheid van soetwater met hulle nasleep van siektes van allerlei aard, veral die gevreesde skeurbuik—al hierdie omstandighede het hul deel bygedra om ’n reis van en na Suid-Afrika ’n byna waaghalsige onderneming te maak. Van dit alles skep die relaas van die reis van dieGouden Buys’n treffende en skrikwekkende beeld. Van die 190 man wat op 12 April 1693 Enkhuizen verlaat het, het daar begin November van dieselfde jaar nog maar sewen-en-twintig oorgebly. Van hierdie manskappe het sewe aan land gegaan om van daar (St.-Helena-Baai) te probeer of hulle die[132]Kaap miskien nie kan bereik nie. Van die klomp wat aan boord gebly het, het nie een in lewe gebly nie; en van die sewe wat die skip verlaat het, het net twee man die ontberinge en teenspoede van die reis oorleef. Dit is op grond van die beëdigde verklaringe wat hierdie twee man, Daniel Silleman en Lourens Thijsz, ná hulle aankoms aan die Kaap gemaak het, en van die mondelinge mededelinge van eersgenoemde ná sy terugkeer in Holland, dat die verhaal saamgestel is (L. Thijsz is oorlede op die skip gedurende sy terugreis na die vaderland). Wie die skrywer is, word nie vermeld nie; maar dit is duidelik dat hy vir hom byna letterlik gehou het aan die gegewens wat Silleman vir hom verstrek het. Afgesien van die skriklike lye wat die twee oorblywende mans moes deurmaak, en die gruwelike noodmiddels waartoe hulle die toevlug moes neem, is interessant wat hulle meedeel oor die deurgaans vrindskaplike houding van die Hottentotte, sonder wie se hulp hulle sonder twyfel ook sou omgekom het.Die teks wat ons gee, is dié van die uitgawe van 1706, by die weduwee van J. van Poolsum, in Utrecht, waarvan ’n eksemplaar aanwesig is op die Kaapse argief. Daar bestaan nog ’n vroeër uitgawe gedruk in Enkhuizen by Hendrik van Straaten, waarvan ’n eksemplaar berus in die Fairbridge-biblioteek, nou in besit van mejuffrou D. Fairbridge, op Claremont. Ons het die twee drukke met mekaar vergelyk en geen noemenswaardige afwykinge tussen hulle ontdek nie. ’n Gedeeltelik gewysigde en gemoderniseerde[133]herdruk het reeds verskyn in dieZuid-Afrikaansche Tijdschriftvan Junie 1885 (blss. 257–280) onder die tietel „Een reis van Holland naar de Kaap 200 jaar geleden. Een verhaal van jammer en ellende.” Ook in Die Brandwag van 1 Desember 1911 het die laaste deel van die reisbeskrywing verskyn; maar die teks laat taamlik te wense oor en is partykeer heeltemal onverstaanbaar of misleidend as ’n gevolg van slordige afskrif en byvoeging of weglating van woorde.[134][Inhoud]DIE RAMPSPOEDIGE REIS VAN DIE GOUDEN BUYS.Droevig Verhaal van ’t schip de „Gouden Buys,”Uytgevaren voor de Camer van Enckhuysen, naer Oost-Indien, op den 4 Mey, Onder Commando van SchipperTheunis Baanman.Na dat de Heeren Bewindthebberen van de Oost-Indische Compagnie ter CamerEnckhuysen1de monsteringe van ’t Scheepsvolk bestaende in ruym 190 man op den 9. April 1693 hadden gedaen, zeylden ’t schip den 12. dito van de reede der stadtEnchuysenaf naTexelen geraeckte dien dagh voor de Ven en den 14. dito onder deVlieter2ten Ancker, alwaer de meeste inladinge gelijck oock ’t meerendeel des Scheeps-volck aen boort quam en op den 24. April den schipper met den boeckhouder en vordere Officieren. Van daer weer verzeylende quamen inTexelop deKoopvaarders Reedeen eyndelijck tusschen ’tNieuwe Diepen deHelder3ten ancker; daer gevonden hebbende ’t Schip deKoning Williamen ’t gajoot4de Kers, beijde van de camer vanAmsterdam,[135]mede gedestineert naer Indien: wierd ’er door de Heeren Gecommitteerdens van beijde dese respective cameren, en hare schippers met eenige doenmaels in Texel leggendeGuinees,Surinaams,Lissabonsvaerders5Compagnie en vorder admiraalschap gemaeckt6, de schepen der Ed. Maetschappij tot Commandeur en Vice Commandeur verkooren zijnde, meende man op den 1. Mey ’t Zee te geraken en waren al onder zeyl; doch de windt enigsins tot nadeel lopende most dese vloot weder te rug en koste in ’t vallen laten van ’t ancker het leven van een Matroos welcke met de poortuurlyn7over boort wierd geslagen en quam niet weer boven. Eyndelijck geraeckte men op den 4. Mey na zee, dog met seer groot perikel van het schip en volck; want het ancker met groote moeyte geligt zijnde, konde niet om hoog na begeerte gewonden werden, wat vlijt dat ’er oock by ’t gantsche scheepsvolck wierde aengewent, echter men schokte soo met een uytgestort Mars-Zeyl8na ’t Gat9; Doch niet sonder groote vreese van een ervaren lootsman, om hier door aen de lagerwal, of op ’t eygen ancker in ’t droogste van ’t Gat aen de gront te geraken; En hoe wel men hier door[136]seer belemmert was, sulcks dat men ’t achterste van de vloot geraekten, men quam eyndelijck buyten gaets en in zee.Den 7. dito sturf een soldaet.Den 10. dito sag men de Schotse kust10.Den 12. dito was men daer noch onder ’t landt en kregen een zwaren storm waerdoor wy genootsaeckt wierden een bijlegger te maken11. Het duerde tot den 17 dito, wanneer het weer wat bedaerde en een bakstagh wind12kregen.Den 18 dito quamen ons 4 schepen in ’t gesigt.Een den 19 dito sagen wijFairhil13.Den 20 dito passeerde deselve.Den 22 dito storf den opper kuiperReynder Luytsz. van Enchuisen.Den 26 dito sagen wij de klipRocolle14.Den 31 dito begon ons volck seer af te nemen en kregen verscheyden siecken, dogh storf niet meer als een man, zijnde den bottelierHarme Claasz.Langelens, van den 10. Juny tot op den 18. Juny aen toe. Doe men nu echter met veele tegen winden achter Engelandt was omgekomen begon den voortgang te beteren ende siecken eenigsins weder op te komen en was de toestandt van saken in ’t schip redelijck wel want men bevont[137]sig op den 12. Juny al op de hoogte van 34 graden 0 min. noorder breete en op den 18. dito op 24 graden 30 min. als wanneer het een goeden spoet maeckten, ’t geene alles den leeser uyt de brieven van den schipper geschreven aen zyn huysvrouw, als oock die van den boekhouder aen zijn vader en van andere officieren kan afnemen en sien.[Hier volg vier briewe wat die voorgaande bevestig.]Uyt dese brieven welcke gekomen zijn met de Surinaams en Guinees-vaerders, dien doen van haer affscheyden kan den leeser afnemen dat alles doen wel gestelt was en een yder met genoegen en goede eenigheyd de reys vervorderde, insonderheyd de officieren onder malkanderen, doch hoe wel sy met den anderen waren en wat goeden voortganck sy maeckten, sy scheenen als tot haer ongeluck te haesten; want eerS. Jaga15in ’t gesigt was warender al 14 dooden. Hier scheyde het galjootde Kersvan haer om ’t gemelde Eylandt aen te doen en de siekten weder toenemende ordonneerde den schipper twee beddinge voor de sieken op het onderdeck te maken en zeylden doen by de windt voort. Eyndelijck omtrent deLinie, als wanneer den schipper van deKoning Williamaan ons boort quam, en siende den bedroefden toestandt wenste ons wel met haar volk te konnen helpen, maar hadde selver mede veele sieken waar op hy tegens den avondt zeyl maakte en ons verliet; als wanneer in ’t Schipden Gouden Buys[138]ruym 40 dooden en aan de kant van de 50 sieken werden getelt. 7 a 8 weeken dreven in stilte omtrent deLinieom de selve te passeeren ’t geen de siekte door de groote hitte meer en meer vermeerderde, soo dat ’er op eenen dag wel 6 a 7 te gelyck sturven en over boort wierden geset.Droevigh was ’t om te aanschouwen, Godt dagelijks om uytkomst aanroepende; eyndelijk geraakte na veel suckelens door deLinie. Omtrent desen tijdt viel weder een matroos overboort en verdronck. Op sekeren avondt doen het gebedt soude geschieden, quamen alle de gesonden in de selve ende den schipper, ongeveer maar 30 man bij hem vernemende, vraagde den schipper aan de quaertiermeesterHarmen Jansz.of dit al het gesonde en de rest siek waren, het welk den schipper met verbaastheyd al suchtende dede uytbarsten: „Lieve God! zegen ons; is dit al mijn gesondt volck van 104 zielen dewelcke noch binnens boort moeten wesen? Wat wil dit noch worden?”Meenichmaal seyde de schipper, na ’t eyndigen van ’t gebed, dat soo daar by de siecken eenige lust tot het een of ’t andere waar, van dat geen by hem in de kajuit of in ’t schip was, sy het maar souden eyschen en halen en die niet selfs konde komen, om dat geene dat hy garen had te halen dat hy dan sijn maat ofte ymandt anders konde zenden en dat hem soude gegeven worden dat geene dat tot verquickinge soude kunnen dienen, gelijck sulcks meermaal is geschiedt en uytgedeelt. Wat na dese tijd passeerde wy de hooghte[139]vand’Abrollus16, alwaar ons een travaat17soo heftigh trof dat wy onse kruys-stengh18en groote-stengh19verlooren; onse voor-stengh was ook seer beschadigt maar bleef nog staan. Hier bleven wy 3 a 4 etmaal in desen desolaten staat leggen drijven; eyndelijck malkander nieuwe moedt gevende, kreegLourens Thijsz., derde timmerman, met hulp van ’t andere volck alles weder vaardigh; wy hadden doen al 3 timmerlieden doodt en de vierde lagh sieck ter kooy. Wy zeylden dan in Gods Naem weder henen, hopende nog met hulp van Godt het schip behouden over te brengen.4 a 5 Dagen hier naer verlooren onse onder stuerman ende de opper lagh in sijn kooy heel kranck; twee dagen hier naer sturf onse derde waak20, met onse schipper was het oock niet wel die ook seer begost te klagen.Omtrend desen tijd quam ons een schip in ’t gesight, zijnde als doen na gissinge omtrent 300 mijlen van deCaap; het schip ons naderende quam onse schipper met sijn siecke leeden voor den dag en liet onse reen met kettinge vast maken21; wy waren doen siecken als gesonden ruym 30 man[140]sterck, maakten alles dat tot tegenweer diende vaardigh22maar doen wy het selfde nader quamen, toonde hij een roode vlagh waer uyt wy vermoeden dat het een Deen ofte een Engels schip was. Hy bleef ander-half etmael by ons, als wanneer hy weder uyt ons gesight raakte, hebbende doen een goede windt, zeylende op ’t seggen van onse stuermans jonge die wat van de navigatie geleert hadde en vorder van den schipper onderrigt wierde voort, want wy hadden doen geen eene stuerman meer en onse schipper lag oock heel sieck in de kooy; oock hadden wy geen eene chirurgijn, in somme wy waren soo zwack van volck dat wy naeulijks het roer konde bedwingen.Eyndelijck raakten met hulp van onsen stuermans jonge soo verre dat wy den 11 October het landt in ’t gesigt kregen, alwaar wy digt onder en tot op een mijl na aen landt liepen. Kort hier op quam een travaad die ons marsseil vande raa23in zee deed wayen; onse schipper liet de gesonde in de kajuyt by hem komen die in 6 a 7 man bestonden en seyde: „Mannen, sou het niet beter wesen dat gy het zee-waerts lag?”24maar antwoordde[141]van neen, wat souden wy met ons kleyn getal volck uyt rechten? Eyndelijk op het lang aanhouden van den schipper staken met dese weynige machteloose nogtans weder ’t zee of ’t nog mogelijk waer om deCaapof deSaldange Baeyte konnen winnen dog alles te vergeefs. Na dat wy nu 8 dagen ’t zee hadden gezworven en ’t landt al weder uyt het gesigt waren geweest, kon men door contrarie windt geen hooger haven bestevenen; dies quamen wy ter voornoemde plaets inS. Helenaes Baeyten anker. Wy waren geen 6 man sterk bequaam eenige dienst te doen, de rest moesten haer op handen en voeten behelpen; trecken de groote en fokke raa25neder; maakte het voor marsseyl26los, besloegen27de blinde28en bergden de zeylen onder in ’t schip; bleven in dese gestalte omtrent 2 a 3 weeken leggen hopende door het een of ’t ander middel gered te werden.Als wy hier dan dus lange vruchteloos gelegen hadden, ontbood de schipper, die nu al 14 dagen plat te bedd’ had gelegen die gene die wat konde gaan in cajuyt by hem, alwaar wy met ons 13 a 14 man quamen. Hy seyde: „Mannen, wy hebben hier dus lang gelegen en sien geen hulp op uytkomste. Wie heeft lust om na de Saldange Baey te gaen die maer 12 a 14 mijlen van hier leyt, daer sult gy Christenen vinden om die te[142]spreeken.” Hier op traden wy met ons sevenen toe te wetenJacob Lepi29boekhouder,—de commandeur van de soldaten,—Flip Warlo,Schiman30,—Jan Christiaansz., botteliers-maat31,—Jan Harder, soldaat,—Daniel Silleman, watermaker32en ick,Lourens Thijsz, timmerman. Maekten ons dan vaardig om aen land te gaen en kreegen ter nauwer nood op den 11 November de schuyt buyten boort; namen de man twee beschuyten, een kan water, een bottel wyn, een met brandewyn, yder wat tobak, een paar pistolen, vier snaphanen en elck een hou-degen, waar mede by den schipper zijn gegaan die wy veel gesontheyd toewensten, gelijk hy ons yder man voor man by de hand vattede ook geluck toe-wenste met aanmoedinge van onse reyse kort voort te setten; wy lieten hem in een slechte staet heel krank leggen, wel te gemoet siende dat wy hem niet levendig souden weer vinden; trocken zo op de Reys.Hier mede sijn wy in de schuyt gegaen en na land geroeyt, alwaar tegen de middag zijnde den selven 11 Novemb. aan quamen; op ’t land gekomen zijnde dronken malkander toe uyt een bottel france wyn; hier op marscheerden wy in Gods naem de strand langs.[143]Als wy omtrent derdehalf uur33gegaan hadden, leyden het tegens een zand-heuvel aen strand neder, latende de zee aan de rechterhand soo ons van de schipper belast was, maakte wat vuyr en rookte een pijp toebak en ging met ons vijven leggen slapen latende twee de wacht houden die na verloop van eenigen tijd van twee andere verlost wierden; bragten dese nagt over sonder eenigh wild gedierte te vernemen, marcheerden des morgens weder soetjes voort want het hard lopen wegens de scheurbuyek ons benomen was, ’t welck ons ook geen meerder beschuyt had doen mede nemen. Tegen den avond, na dat wy vuyr gemaakt en een pijp toebak gerookt hadden, leyden wy ons weer te slapen en hielden wacht als vooren; in de nagt deden wy verscheyden schoten om eenige vreemde beesten die wy vermoedende waren van ons af te weeren en de nagt over gebragt zijnde, zijn wy met de morgenstond weder aan ’t marcheeren geraakt en quamen omtrent 10 uyren in de Bogt van de Baay. Dese bogt was omtrent twee en een halve mijl van de plaats daar wy met de schuyt aan quamen, daar wy echter door onse zwakheyd nu omtrent twee etmaal over gegaan hadden; alwaar wy een revier vonden die genaemt wierd (zo ons naderhand onderricht is) deBerg Revier; hadden geen meer water, weshalven verblijd waren maer het duirde niet lang door dien de rivier geen soet maer sout water hadde, alzo zijn uytgang in zee hadde, die alle ses uyren op en afliep; hier stonden wy te kijken en konden deselve niet passeeren van wegen sijn diepten: Dese[144]rivier is na gissing 4 a 500 voeten breet. Wy, niet wetende wat wy souden beginnen, sagen malkanderen bedroeft aen; vermits door de groote hette sulken dorst leden dat het onuytspreeckelijk was, resolveerden de revier hoger op te gaan, alwaar wy het water tamelijk begosten te krijgen, drinkende daar doen zo veel af dat het ons van onderen als een spuyt ontliep. Wy sagen malkanderen nochmaal bedroefder aan en seyden: „De schipper heeft ons leelijk bedrogen.”Den volgenden morgen, als onse boekhouder ouder gewoonte het gebed hadde gedaan, marcheerden wy weder de rivier hoger op en quamen eyndelijk zo verre daar het water heel zoet was, daar wy leggen bleven. Twee van onse mackers gingen de rivier noch hooger op om te sien of er geen hoop van uytkomste te vinden was; ende een stuckweegs opgegaan zijnde sagen zy aan de over kant twee leeuwen komen drincken, die zo haast sy haar sagen weder boswaart in vluchten. Sy proefden het water, maar bevonden het noch brak te wesen, keerden dan wederom en verhaalden ons wat sy gesien hadden. Resolveerden doen gesamentlijk de rivier hoger op te gaan tot dat wy op een vlakte quamen daar wy by malkander gingen zitten en schepten onse kannen met brack water, daar wy zo hartig van dronken dat het ons qualijk bequam. Wy maakten alhier vuyr en leyden ons daar rondom, maar konden de gantsche nacht niet rusten van wegens de pijn die wy in ons ligchaam kregen ’t welck wy oordeelden van het bracke water was spruytende.[145]Des morgens gingen weder met den dagh de rivier hoger op tot dat wy eindelijk bevonden dat het water vers wierdt alwaar wy een etmaal bleven leggen, maakte vuyr en schepte onse kannen weder vol, kookte het selve met wat safferaan (dat wy uyt ons schip mede genomen hadden) het welcke wy droncken om ons wat te verstercken, want nu in geen twee dagen gegeten hadde.’s Morgens vertrocken weder van hier de rivier langs ende des avondts nadat wy vuyr gemaakt hadden, stelden twee schilt wachten. Drie van ons geselschap vernamen een groot wilt beest, niet wetende wat voor een dier het was; sagen ook een zee koe in de rivier ende des anderen daags, als wy weder souden vertrecken, vonden ons genootsaakt een gedeelte van ons geweer wegh te werpen, overmids wy onmachtigh wierden de selve langer te dragen. Een van onse mackers gingh na het gebergte om te sien of hy yets soude kunnen bekomen; hy bleef wel drie dagen achter so dat wy meenden dat hem een wildt gediert verslonden hadde waar over met malkanderen bedroeft waren. Onse commandeur konde ook naeulijks meer voort komen want sijn gemacht was soo gezwollen als een bol van een hoedt; en onser aller beenen begonnen soo te zwellen dat wy niet langer gaen konden. Eyndelijck een weynigh verder gekomen sijnde vonden een vlack-velt, bewassen met riet, ’t welck ons dede resolveren een flotje te maken ende te sien of wy de rivier daar mede konde overkomen. Als doen quam onse macker voornoemt weder by ons die verhaelden, als dat hy meenden een Hottentot[146]gesien te hebben die voor hem wegh liep. Wy verheughden ons seer toen hy weder by ons quam vermids inde rivier een hoet hadde sien drijven die wy meenden de zijne geweest te hebben, maer bevonden als doen contrarie, soo dat wy niet konden bedencken waar dat die hoet van daen gekomen was. Ons vlotje klaar hebbende braghten het aan de kant van de rivier, doen is Daniel Silleman over de rivier gezwommen om eens te sien hoe het aan de ander kant mochte wesen, maar doen hy weder quam zeyd’ hy dat het een woest en wilt landt was, ’t welck ons dede resolveeren aan dese kandt te blijven en met malkanderen weder na ’t strant te gaen daer ons schip lagh; vulde dan onse kanne met water en gingen voort.Omtrent 1. half mijl verre gegaen zijnde, viel onse schimman Philip Warlo van wegens sijn zwackheyd neder, ende bleef daar leggen34. Hy dan siende geen uytkomste voor hem versoght ons maer voort te gaen; wy wenschen hem dan met schreyende oogen adieu. Wy gingen dan varder met onse zwacke leden, het boswaerts schuyns door na strant, hebbende nu also omtrent 2 en een half week met malkanderen gedoolt tot dat wy eyndelijk daer quamen. Een weynig langs de selve gegaen zijnde, vonden onse schipper in sijn combaers genaeyt doot leggen die van het wilt gedierte al een stuck uyt sijn bil gehaalt was. Wy lieten hem leggen want hadden geen kraght ook geen gereetschap[147]om hem te begraven. Kregen het schip int gesigt dat nog voor sijn anckers lagh, keerden weder na onse schuyt om met deselve na boort te varen en daar by gekomen zijnde, bevonden dat al het goet dat daar in gebleven was de zee uytgeslagen hadde, dat wy soo nauw als konden by een soghten. Ook was daar een stuck uyt de schuyt geraakt, maar onse timmerman brack de achter pleght35daar uyt en maakte weder een stuk daar van in deselve so dat wy de schuyt te naasten by weder kant en dight kregen. Doen bragten wy dreggen36met laagh water uyt en kregen de schuyt alsoo weder vlot, maar soo haast als wy hem vlot hadden, quam daar een brandingh en sloegh hem wel half vol water; kort daar op volghde nogh een ander, soo dat de schuyt daar meest door aan stucken raakten en wy de selve verlieten, ziende malkanderen bedroeft aan en geen kans overigh om weeder aan boort te geraken. Stacken een stock op en bonden daar een wit hemdt aan om ons in ’t schip te laten sien, maar vernamen geen teeken wederom, ’t welck ons dede vertrouwen dat sy alle mosten dood sijn; bleven dien naght daar op strandt en resolveerden om ’s anderen daaghs weder bos-waerts in te gaan, sijnde Jan Herder, soldaat, aldaar in onmacht blyven leggen, alsoo veel sout water hadde gedronken en storf.[148]Wy dan met ons vijven boswaerts ingaande, ten eynde om aldaar eenig voetsel en soetwater, of indien mooglijk was een eynde onses ongevals te soeken, vonden eenige swarte beessen37; bleven daar wel 2 a 3 dagen by leggen etende van deselve soo veel wy konden vermids wy uytgehongert waren, want in 14 dagen geen spijs genuttigt hadden.Na ’t verloop van dese dagen verlieten wy de beesten en zijn het bos verder door en door gegaan om weder aan de rivier-kandt te geraken, want den grooten dorst genootsaakten ons den dauw van de bladeren te licken ende ons eygen water te drincken, ’t welck ons also flaeuw en principael onse boeckhouder maakten dat hy daar neder viel en seyde: „Mannen, ik kan niet meer,” halende met eenen een brief van den schipper voor den dagh waar in soo wy meenden kennisse en berigt van den slechten toestants onses schip was en hoewel den boekhouder aan een yder van haar toestondt om na een goedt heen komen te soeken en hun leven soo sy best konde bergen, soo wilde den timmerman Lourens Thijsz. niet van hem scheyden, vermids oock sijn quade benen, maer bleef by den boeckhouder leggen.De andre drie nu gingen voort om de rivier op te soecken ende doen sy een weynigh van de boeckhouder en timmerman af waren deden sy een schoot die door haer op de selve wijs beantwoordt wierd waar mede malkander adieu wensten. Dese twee[149]bleven anderhalve dagh by malkanderen leggen als wanneer de gemelte boeckhouder zoo verzwakte dat hy niet meer spreken konde.Lourens Thijsz.dat siende, trooste hem met schriftuerlijke reden soo veel als hy konde en siende geen uytkomste wenste hem met schreyende oogen de saligheyt.Alsoo verliet ick,Lourens Thijsz., gemelte boekhouder en gingh dat wilde woeste bos alleen deur wandelen, tot dat ik eyndelijck aan een vlack velt geraakten daar een oliphant die my ongemollesteert liet gaan ontmoete, tot dat ick weder aan de voornoemde rivier quam alwaar ick ging neder sitten Godt danckende voor sijne genade ende groote barmhartigheyt dat hy my dus verre weder gebragt hadde. Ick schepte mijne kanne weder vol water, daer ick soo veel van dronck dat het mijn qualick bequam; mijn spijse was niet anders als gras en wilde beesten dreck. Soo bleef ick hier 6 dagen leggen; ik vernam hier verscheyden zee koeyen en telden wel 25 oliphanten die daer aan de rivier quamen drincken en weder boswaarts ingingen.De rivier langs gaende vonde ik een verrotte water-rot die ik van honger op at en quam alsoo weder by het vlotje dat wy met malkanderen gemaackt hadden, alwaar ik aan de overkant van de rivier eenige rook sagh op gaan het welck my dede ontkleden en op het vlotjen sitten gaen; dreef alsoo de rivier over. Hier over zijnde vondt ick een dooden haay daar ick mede hartigh van at. Naer het eeten der selver gingh ik boswaart in doch vondt geen menschen maar wel verscheyden soort van[150]beesten, als elanden, vogel-struyssen38en harte beesten, ’twelck my weder uyt het bos deed komen, keerende na het vlotje ende daar even op sijnde quamen twee leeuwen achter een hoeck van daan en gingen de rivier langs. Ick dreef de rivier over ontrent ter plaetse daar ick geweest was en ging deselve hooger op vijf dagen langh; vondt onderwegen een endt-vogel die ick op at.Des anderen daags vroeg in den morgenstondt ging ick op een hoogte neder sitten vol van groote flaeute en mistroostigheyt, want hadde doenmaels in drie dagen niet gegeten; schepte weer een weynigh moet en rees op en gingh wat varder boswaert in alwaar ick 3 schiltpadden vondt die uyt een bosje quamen kruypen; ick maakte aenstondts wat vuyr daer ick deselve op brade, gingh daer by neder sitten en kreeg mijn gebeede boeck, danckte Godt voor sijn genade dat hy mijn hadde deselve believen te verlenen. Noch in ’t bidden zijnde, hoorde ick eenig gerijssel meenende dat het beesten waren, soo dat ik schielijck opstondt en omme siende sag ick drie wilde menschen, yder met een pyl en boogh voor my staan. Ick verschrikte geweldig want ick sulcken soort van menschen nooyt gesien hadt; zy dan stelden haer in postuer met haar geweer, ende ick nam mijn pistool in de handt gingh also bevende op haar aen. Doen ick nu by haar quam was ’er een van haar die een weynigh Duyts39konde spreeken, die vraeghden my of ik een Duytsman39was; antwoorden hem van ja,[151]ende hy gaf my weder tot antwoortdat een Duytsman een goet man was. Ik verhaelen hem dat ons schip daar op ancker lagh en al ons volck gestorven sijnde wy met ons sevenen aan landt gekomen waren, waervan drie gestorven en drie noch in ’t bosch doolden, dien ik versogt of sy die wilden op soeken. Sy hadden eenige schiltpadden by haer die sy aenstonds voor my braden, ende een van haar haelde mijn kanne vol water, onderwijlen vroegen de andere na mijn toeback daar sy seer begeerig na zijn. De schildtpadden nu gebraden zijnde aten deselve te samen op; doen begeerden sy dat ik mijn boven kleederen soude uyt trecken en met haar mede gaen ’t welck ik deede, maer niet sonder groote vreese, want ik meende dat het menschen eters waren; ik gaf haer dan al mijn goedt om te dragen maer sy waren so gaau in ’t vooruyt loopen, dat ik haer niet konde volgen, soo dat sy my eyndelijk uyt het gesigt raakten, ’t welck my deede geloven dat sy met mijn goet weg waren.Ik volgde dan die selve passagie, tot dat ik haar vont sitten rooken een pijp toeback; ik sette my dan by haer neder ende een weynigh gerust hebbende, gingen weder te samen voort tot dat wy by haer hutte quamen40. Daer sagh ik haar vrouwen en kinderen die doen sy my sagen altemael vlughten, vermids sy sulcke menschen niet gewent waren soo ’t scheen. Brachten my dan in haar Opperhoofs wooningh daar ik veel koebeesten en schapen sag; sy gaven my harten vlees[152]en melck te eten en ’s anderen daeghs maakten sy my honingh bier om te drincken, brachten my oock eenige wortels41, die sy uyt de aerde graven ende in plaats van broot gebruyckten; ik at dat so hartig, sijnde van honger gans uytgeteert dat het my qualijk maakten; sy deden my hier op uyt haar hutte gaan vreesende dat ik soo aenstonds soude sterven. Doen ik nu in de lugt geraakte, quam ik aanstonts aan ’t braken dat my geweldigh verlichten en doen weder in haar hutte kroop, maer ick en konde tot geen slapen komen uyt vrees dat sy my noch om den hals soude brengen.’s Anderen daags quamen daar noch drie andere van haar geburen die heel anders van manieren en gedaanten waren; sy hadden lange baerden en waren gestadiger van wesen42. Doen vreesden ik weder dat sy my souden gedoodt hebben, maar bevondt heel contrarie want sy maakte een koe-beest vaerdigh om te slaghten die sy eerst met touwen bonden en gingen doen daar rontomme danssen, springen, speelen en maakte groote ceremonye volgens hare wijse; leyden my tusschen haer beyden daar by om het selve te aanschouwen ’t welck ik met groote verwonderinge aansagh. Dit gedaan zijnde maeckten sy het beest weder los, en lieten het selven weder naert bos loopen. (Mijns oordeels is dat ter eeren van dese drie gebuuren geschiet die sy genoot hadden, want sy haar met diversse soorten van spijse op hare wijse tracteerden.)[153]Soo braght ik dien nagt met haar ten eynde.Den dagh gekomen zijnde, namen wederom van malkanderen afscheyt en kusten my met haar handen toe. Ik had nu by haar twee etmaal geweest in welcken tijdt zy my getracteert hadden met alles wat sy konden by brengen. Maer het verloop der selve stuerde ick haar naer deSaldange Baeyen liet weten dat ick in haer wooninge was en hoedanigh zy my gevonden hadden.Sy gingen dan aanstonds henen en quamen ’s anderen daegs wederom; braghten een Hollander met haer; wy veraltereerde beyde doen wy malkanderen sagen en ’s morgens doen vertrocken wij na deSaldange Baey, nemende drie Hottentotten by ons. Onderwijlen dat wy op weg waren ontmoeten ons een oliphant, daar wy voor vlugten mosten; wy sagen verscheyden harte-beesten en vogel-struyssen.Eyndelijck aan deSaldange-Baeygekomen zijnde, maakten een van de Hottentotten vyer tot een teecken dat wy daar waren vermids daar noch een rivier tusschen ons en haar was43. Sy quamen dan aanstonds met een kleyn vaertuygh en haelden ons over; soo raakten ikLourens Thijsz.eyndelijck in deSaldange Baeyop den 1. of 2. Kers-Dagh, alwaar ik noch 14 dagen siek lagh en naer verloop der selve quam daar een vryman van deKaapom te vissen waar mede ik, zijnde wat beter na deKaapvertrock en nam mijn logement ten[154]huyse vande voorgenoemde vrijman genaamtLambert Adrijaansz.Verhaal van D. Silleman.Doen nuLourens Thijsz.aan deSaldange Baeywas aangekomen, wierd van daar aanstonds kennisse daar van aen de Gouverneur derKaapgesonden die ter aller yl een Vaertuygh44na ’t schipde Goude Buysaf-sond, gelijck hier na sal gesegt werden, waer door den watermakerDaniel Sillemanmede behouden wierd, want gelijck gesegt is den Commandeur der soldaten, den botteliers maat en ikDaniel Sillemanwatermaker, in manieren voorschreven van den zieltogende en neer-gezegenen boekhouder gescheyden sijnde, waren weynigh voort gegaan wanneer wy een schilpatje vonden; maakten vyer, braden het en aten te samen op; deden oock verscheyden schooten met onse pistolen om te doen hooren waer dat wy waren, meenende dat sy weder by ons soude komen, maer vernamen haer niet. Omtrent den avondt maeckten wy weder vuyr dat de botteliers maet (terwijl wy sliepen) brandende hieldt.Den volgende morgen begaven ons weder op wegh om by de rivier te komen en vonden drie schildpadden, die wy weder braden en te samen op aten; bleven daer een weynigh leggen om de groote hitte, tot dat de sonne wat gedaelt was wanneer wy weder voortgingen en drie dagen daer na aen de revier quamen, al waer wy weder ons kannen van[155]water versagen, maer wierden door al het water drincken seer hongerigh.Wy vonden dan aen de kant van de rivier tusschen de biesen amelyen of hanebollen45(soo men die in Hollandt noemt); aten daer van maer kosten onse honger daer mede niet verzaden; derhalven beraatslaegden weder boswaerts in te gaen om te sien of wy iets konde bekomen, alwaer by geval een schildpadt of twee vonden; keerden van daer weder na ’t strandt, daer wy onse verlaten schuyt, die aen stucken geslagen was vonden leggen; begaven ons met ons drien op een stuck van de schuyt te water, om weder aen boort te komen, maer wierden t’elkens met de zee weder te rugge gesmeten.Onderwijlen was ons water weder op geraeckt; wy dan sagen malkander seer bedroeft aen en keerden van disperatie weder boswaerts in om mondt kost voor ons te soeken; vonden eyndelijck van die blaeuwe bessen, daer voor heen van gemeldt is; aten van die selve en onthielden ons aldaer 14 dagen, drinkende ons eygen water, gelijck wy meermalen gedaen hadden. Doen verloren wy de boteliers maet, sijnde omtrent den 26. of 27. December ende een weynigh van het doode ligchaam gegaen sijnde, seyde de Commandeur tegens myDaniel Silleman: „Jan Crist of Christiaensz.(soo was sijn naem)is nu doodt en wy lijden grooten honger; laet ons weder te rugh gaen en snijden van het dickste vlees een stuck[156]af en laet ons het selve braden en op eten; Godt sal ons dat voor geen sonden reekenen.” Ik schrikte van so een voor-slagh en zeyde neen. Evenwel na veel tegenspreeken seyde hy, door honger geprangt sijnde: „Ik sal het dan voor my daer uyt snyden.” Ende alsoo mijn honger niet minder dan de sijne was, seyde ick tegens hem: „Wilt gy daer van snyden en braden, ick sal ’er u van helpen eeten.” Dit was nu tegens den avondt; ick kreegh hout en maeckte vuyr en hy ginck henen en sneed hem uyt het dick van ’t been een stuck omtrent soo groot als een handt en brade het; maer doen het gebraden was, konden wy daer niet van eten van wegen sijn droge tajigheyd; aten evenwel een mondt vol of twee daer van en staken het overschot in onse sack, willende sien of wy het den volgenden dag bequaem tot eten soude konnen maken; leyden ons hier op omtrent 20 treeden van ’t doode ligchaam (kraght en moedeloos zijnde) te slapen tot den volgende dag.En alsoo wy noch toback by ons hadden, bleven by malkanderen sitten en pijp toeback roocken tot ontrent de middagh, als wanneer ons de slaap overviel.Onderwylen quamen daer vierHottentots, gewapent met pijl en boogh by ons die my eerst aenriepen, waer op ick ontwaeckte en schrickte soodanige menschen te sien; stondt dan op en gingh een tree of thien te rugh by de Commandeur die noch sliep. Ick maeckte hem wacker; sy volghden my en setten hun met haer vieren rontom ons neder. (DeseHottentotswaren van deSaldange[157]Baeyafgesonden na datLourens Thijsz.daer was aengekomen om ons met ons driejen op te soeken; dog soude ons aparent soo kort niet hebben gevonden, maer wy hadden vuyr gemaeckt dicht onder eenig kleyn geboomte dat door de windt aen brandt geraeckt en vorder een groot gedeelte van ’t bos aen brandt stak.) Een van haer die krom Duyts sprack, vroeg ons of wy geen dorst hadden. Wy seyden van ja, want het was den 15. dagh dat wy niet anders als ons eygen water en den dan die wy ’s morgens van de bladeren lickte hadden genuttight. Sy maeckte vuyr en braden een schildtpadt voor ons dieDaniel Sillemanweygerde om te eten, seggende hy soude daer eerst van eten, waer op den Hottentot antwoorde: „Hongerige ziele, soude ick u kost op eten, dat doen wy niet.” Dies wy die eyndelick op aten.Als nu het water dat sy gebraght hadden uyt was, gaven wy haer elck acht dubbeltjes en vraeghden haer of sy meer wilden halen, dat wy haer dan meer geldt souden geven. Hier op gaen ’er twee weder om water ende de andere twee bleven by ons die wy wat toeback gaven. Een van de twee dewelck by ons bleef was die gene die wat Duyts konde en zeyde dat hy een capiteins soon was; de andere twee naer dat zy na gissinge vier uren waren wegh geweest quamen wederom en bragten water daer wy seer hartigh van droncken.Dat gedaen zijnde spraken sy van naer haer woninge te gaen; begaven ons met haer op de weg maer de Commandeur was soo zwack dat ’t elkens neder viel en sy waren soo gezwindt in ’t[158]vooruytloopen dat ick haer oock niet volgen konde, oock soo wilde ick myn maet niet verlaten. Sy dan waghten ons verscheyden reysen in en droegen onse rocken daer wy ons ’s nachts mede deckten; maer als sy sagen dat de commandeur niet voort konde komen en ick van hem niet gaen wilde, seyden sy dat wy hun in haer hutten soude vinden; namen onse rocken mede, denckende dat wy souden volgen, maer als sy een musquet schoot van ons af waren bleven sy stille staen en maeckte een misbaer, niet of sy menschen maer of ’t duyvels waren.Daer op quamen sy alle vier weder na ons toe loopen; wy dat siende, meenden dat sy ons om den hals soude brengen, maer twee van haer gaven haer geweer46over en siende dat ick noch gauwer als de commandeur was, vat my elck by een arm en liepen met my weg, latende de commandeur leggen. Hy, my dan soo siende mede slepen, kroop soo veel hy kost voort om my te volgen, maer na dat sy my een groot stuck weeghs hadde mede gesleept (en ick van haer geen goedt was verwachtende), sochte ik t’elkens van haer af te komen; haelde een knip-mesjen (dat ick by my hadde) uyt myn sack, waer mede ick na de eene stiet, dit voort los liet, en doen dede ick van gelijcken naer de andere die my oock los liet waer door ick gelegentheyd kreeg haer te ontvluchten, gelijck ick oock van haer ter zijden af in ’t bos liep. Doen maeckten[159]zy een groot geschreeuw waer op twee andere die al ’t geweer droegen en een stuck weeghs achter waren, na haer toe liepen en haer geweer overgaven; waer op sy alle vier na my toe quamen en met haer pijl en boog ons dreygden te doorschieten. De voornoemde Hottentots riepen tot verscheyden malen dat ick by haer soude komen maer ick en wilde niet uyt vreese als sy my in haer coralen47gesleept hadden, my slachten en eeten soude. Ondertusschen was de commandeur weder by my gekomen en als sy dan sagen dat ick niet met haer en wilde, smeeten onse rocken weder toe, maer een leeren rantsel daer omtrent 180 gulden aen geldt van my in was namen zy mede en lieten ons daer samen sitten.De nacht aenkomende leyden ons tot slapen ende den volgende morgen marcheerden wy weder te rugh en quamen ter plaetse daer wy te vooren die swarte bessen gegeten hadden; bleven daer 4 dagen by malkander leggen, want de commandeur konde niet een voet meer versetten en ick wilde hem niet verlaten. Ick pluckte somtijds wat bessen die ick hem brachte, maer eyndelijck van tijd tot tijd soo verzwackte dat hy op den 5. dagh naulijks meer geluyt konde geven. Ick bleef soo langh by hem dat de spraek hem quam te begeven en op den 30. of 31. December den geest gaf.Ziende dan geen ander uytkomst als de doodt, verliet hem en wenste weder by de Hottentots te zijn, doch die gedagten en konden my doen niet[160]helpen; derhalven resolveerde weder naer strandt te gaen, met voornemen so het verlaten schip daer noch lag, naer het selve te swemmen. Ick gaf my dan in de achter-middagh op wegh en marcheerden soo verre dat ick tegens den avondt ons schip weder in ’t gesight kreegh en soo mijn dochte sagh ick achter het schip noch een vaertuygh, maer konde het selve door de duysterheyt niet kennen, ging egter soo lange voort als ick sien konde, alsoo mijn hoope was Christen menschen te vinden. Als het dan gants duyster was geworden maekten ick vuyr, en een bos rijsen48by malkanderen geraept hebbende stak die in brandt en alsoo ick nogh weynigh toback op my hadde, rookte van deselve een pijpjen en begaf my om te slapen.Den volgende morgen marcheerden ik soo spoedig voort als mijn mogelijck was en quam omtrent ten 10 uren aen strant, zijnde den 2. January 1694 alwaer ick onse verlaten schip vondt van sijn ankers geslagen en tegens strant geset; oock sagh ick een schip met 3 masten in de baey, met noch een Engels vaertuygh, omtrent een mijl van land. Ick was seer verblijt als ick dit schip sagh ende begon met mijn Engelsche-Mus die ick op hadde te wencken waer op een schuytjen met twee man wierd afgestuert om my te halen. Als dit vaertuygh omtrent de brandingh was gekomen, liep ick van blijdtschap tot onder mijn armen in ’t water en gerraeckten alsoo behouden in ’t vaertuygh. Van dese twee maets verstondt ick dat het eene[161]schip met drie masten, denDageraetwas, en het Engels vaertuygh de chaloep del’Amie49, dewelcke van deCaapwaren afgeschickt om het schip deGouden Buysaf te halen. Zy roeyden my aen deGouden Buysalwaer den schipperJan Tackdieden Dageraetvoerde op was.Welck schip deDageraet, schipperJan Tackvoornoemt (op ordre van den Gouverneur van deCaapdie den 28. December d’eerste kennisse van deSaldange Baeyhad bekomen) den 29. dito was afgesonden en deTafel Baeyuyt gelaveert en quam op den 1. January 1694 aen het schip deGouden Buysdie voor omtrent 12 dagen van te voren van sijn anckers gedreven nu tegens de wal vanS. Helenaes Baeyaen vonden leggen op 15 voeten waters, hebbende alleen maer 23 duym water in; sulks schipperJan Tackmoet hadde, om ’t selve van strand af en weer in ’t diep te brengen; dies hy aen de Gouverneur van de Caap over de landt wegh daer van kennisse gaf waer op zijn Ed. hem toesondt ’t JachtTamboer, ’t Galjoot ’tHoen, en ’t vaertuygJupitermet 50 man die den 10. January daer aenkomen; waer op zy gesamentlijck te werck gaen, hebbende zijn ladinge uyt deselve genomen om te lichten en ’t schip in ’t vlot te brengen, gelijck dan sulcks oock op den 12. January daer een weynig na begon te lijcken, dewijl ’t schip nu maer 14 voet gaende, vermids alle[162]zware goederen daer uyt waren geborgen en reets op 12 voeten water was gebragt; op den 13. dito meende men ’t genoegsaem te hebben gewonnen, maer ’t weer en windt wat ontstelt sijnde, ’t geene de zee hooger deede dijnen als te vooren; raekte ’t schip geweldigh aen ’t stooten, sulcks de groote mast 2 voeten uyt sijn spoor lichte en ’t schip leck geraeckte, waer op geresolveert wierd de lins te kappen50en ’t schip weder na de wal te laten drijven, gelijck gedaen wierd; waer op het den 15. January op zy viel; dies men vorder alle wat nogh kon geborgen worden en daer noch in was als loot, yser en eenige andere waren met 9 anckers en touwen daer uyt lichten ende te samen gelaeden na deCaapweder keerden; welcke schepen als ’t jaghtTamboer, ’t galjoot’t HoenendeJupiterneffens de chaloep del’Amieop den 4 February weder naGouden Buyssijn afgesonden om verder alles te bergen wat nogh overigh was, gelijck zy oock deeden en den 7 February weder volladen te rugh keerden en ’t hare in salvo bragten: welcke goederen vorder naBataviamet de Compagnie schepen sijn versonden.Daer gekomen zijnde sagh my een yder met verwonderingh aen daar dien ick gandts swart en[163]mager van honger was, want het was nu 7 en een halve week dat ick van schip was gegaan. Ik eyschte drincken, en also geen water by de handt was, seyde den schipper het beter te zijn dat ick versterckende dranck nuttighde en liet een half-musjen51caneel-water geven dat ick graegh in dronck. Ondertussen vondt ick een vaetjen met water, daer in zynde 6 kannen water dat uyt de schuyt in ’t schip was gekomen en, alsoo ick noch niet machtig was het selve op te lichten (een teken van seer kleyne kragt), leyde het by my neer en dronck het meer als half leegh. Oock liet my de schipper een pint Franse wijn geven, die ick mede met smaeck uytdronck. Ick verstondt van ’t volck dat sy ’s avonds te vooren met haer schepen daer waren gekomen en dat sy wel seventhien a achtien doode lichamen gevonden hadden waer van eenige soodanigh gestelt waren, dat men haer niet konde handelen. Ongelooffelijke stanck wasser in ’t schip en alsoo den avondt viel en het niet geraden vonden om in die grooten stank het volck in het schip te laten, stapten sy alle in de boot en sloep om weder aen boort van haer schip te varen, maer voor haer vertrek van boort hoorden zy noch gekerm van een mensch, waer op zy weder uyt de sloep in het schip gingen om te besoeken en komende in de stuurboorts hut, vonden aldaer den hof-meesterJan Frantz. Doesborghheel kranck. Zoo haest hy ons sagh riep hy: „Slaet my niet doodt, ick sal seggen waer het geldt is.” Wy vermoeden[164]dat hy meenden dat wy quamen om het schip te berooven. Hy seyde dan: „Het geldt leydt onder de schipper sijn kooy.” Zy namen hem uyt het schip en quamen alle weder in de sloep, en bragten hem op het schip denDageraetalwaer van behoorlijcke medicamenten tot herstelling zijnder gesontheyd met de hulp van Godt wierde gegeven; dogh hy overleed na twee en een half etmael op denDageraet.Om weder tot mijn varhael te komen, so bragten sy my met mijn kisten en slaep goedt aen denDageraet. In ’t roeyen naer ’t schip voeren wy eerst aen de chaloupl’Amie, alwaer zy 2 gebraden vissen, twee geweyckte bisschuyten en een kanne water voor my overlanghde, aen de welck ick in ’t roeyen na deDageraetbegon te peuselen en op het schip gekomen zijnde wierd ick van de kock met warm water van ’t hooft tot de voeten gewassen; verschoonde my doen van alles en dit gedaen zijnde, sette de kock my schape vlees met geele wortelen voor om te eeten; daer toe wierd my so veel wijn gegeven als ick konde drincken.Wy bleven hier noch drie dagen leggen; onderwijlen wierd ons schipDe Dageraetgeladen met de gebergde goederen van het verlooren schipDe Gouden Buys, waer onder seventhien kisten met geldt waren.Onse ladingh in hebbende, gingen in Compagnye van de chaloupl’Amie(die oock volladen was) ’t zeyl en na dat wy twee dagen in zee geweest waren, kregen een storm dat wy in korten tijdt door de poorten tusschen deck drie voet water in kregen.[165]Wy deden dan met alle man soo veel met balijen en putsen dat wy eyndelick het schip weder leegh kregen; maer ’s anderen daegs, eendeels door contrarie windt en anderdeels om ons schip wat te kalleffateren deSaldange Baeyin liepen, alwaer wy oock visten ende in twee trecken met den Zegen wel een half schuyt vol vis vongen; de gevangen vis aan boort gebraght hebbende koockte, braede en backte deselve daer ick niet weynigh mijn part van kreegh, ’t welck een groote vervarssingh voor mijn was. Sy broghten my oock na de Compagnie post die in deSaldange Baeyleydt om een van myn mackers die sy seyden van deSwartendaer gebracht te zijn te besoecken, maer als ick daer quam verstondt ick dat hy daeghs te vooren met een vrijmans vaertuygh dat daar lagh was vertrocken. Ick verstont hier oock dat de swarte die my in ’t bos gevonden hadde, aldaer de tijdinge hadden gebragt dat sy ons beyde wel gevonden maer niet mede hadden konnen krijgen, gelijck waer was. Ick vroeg of zy mijn rantsel met geldt daer niet hadden gebraght, daer ick op tot antwoordt kreeg dat sy wel wisten wat geldt was en wijser waren het daer te brengen. Sy gaven ons dan te eten ende dat gedaen zijnde, voeren weder aen boort, maekten den volgende dagh zeyl en staken in zee. Na dat wy weder 2 daghen in zee geweest waren, kregen deTafelenLeewen Berghin ’t gesigt; die nacht was het heel stil weer en liet de stuerman in de honde-waght52[166]ons groote zeyl met de fock53op gijen54, streken ons mars-zeyl op de randt neder en lieten het alsoo drijven; na datter 6 glasen in de honde-waght uyt waren55zagen wy de brandings soo natuerlijck dat het ons heel ontstelde; hier op komt de schipper uyt sijn kooy, die hem in ’t begin van de honde-wagt tot slapen had geleydt en de sorgh aen de stuerman gelaten hadde, zeyde: „Mannen wat wil dit zijn? Heer, wat is dat? Soude wy wel aen de vaste wal sijn?” Dit seyde hy uyt oorsaecke van de groote mist die daer was en alsoo de zee boven gemeen hol gingh, was het wel te presumeeren dat wy digt by landt mosten wesen, lieten het diep loot werpen en bevonden op 10 vadem water te sijn. Hier op riep de schipper: „Mannene ’t sa, wacker! Het ancker voor van de boegh af en laet het vallen”; daer wel voort aengegaen wierdt maer de branding begost al voor ons te breken. Na dat wy 2 anckers hadden laten vallen en omtrent 100 vadem geviert56was eer het selve wilde houden, waren wy alsoo dight op de wal dat de brandingh met sulcken kraght voor ons schip storten dat onse groote blinde ree57in de eerste stortingh aen stucken brak waer op ons voor schip wierdt aen stucken geslagen. Een man[167]die voor de beetingh58stont, wierdt van de zee tegens deselve aen geslagen dat sijne ribben aen stucken waren; hy kroop noch na de cojuyt, maer bestorf het. Door de vuyle klippige gront raekten beyde onse cabel touwen aen stucken en wiert ons achter-schip tegens de wal geset dat hem het roer van syn gat af stiet en het voorschip dwars zee, soo dat hy met syn stuur-boort aen landt quaem te leggen en wierd al hoger op tegen de wal geset. Wy kregen van bakboort sulken zee, dat ons de focke mast midden door sloegh. Even te vooren hadden wy de schuyt in de taakels59gehangen om te sien of wy met deselve niet konde ontvluchten, maer wy sagen daer geen apparentie toe want d’eene zee was niet over ons hooft of kregen eer wy ons adem gehaelt hadden d’ander weder op ’t lijf. Wy vluchten dan d’eene parthy op ’t half-deck60, sommige op de hut61, eenige klommen in ’t want andere saten op het zonne-dek62, in somma elck sogt hem te salveeren als hy best konde. Ick was dan mede achter op geloopen; onderwijlen komt daer een zee en slaet de schuyt in sijn taakels aen stucken dat de achter en voorsteven bleef hangen en met deselve zee, raekte onse groote mast (die digt onder de mars wierdt aen stucken geslagen)[168]over boort; de zee die daer op volgden sloeg de boot die los in sijn klampen63stont mede over boord ende de groote mast noch eenmael aen stucken.Hier na wiert het voor schip tot aen ’t groote luyck van ’t achter schip van malkanderen geslagen so dat ondertusschen het agter schip hooger tegen strant aen schookte. Op het sonne-deck waren wel 15 a 16 gevlught dewelcke door een zee met het selve van ’t schip wierden geslagen en van ’t water alle over de klippen aen landt geset. Kort hier op wierdt het deck van de hut, daer de rest van ’t volck op was gevlught (behalven ick en de konstapels jonge64, gelight en quamen als de voorige aen landt. Ick op het vrak van ’t schip staende, trock mijn kleederen uyt om met swemmen aen ’t landt te komen, maer siende dat ’er verscheyden waren die beter swemmen konden als ick haer te water gaven, maer wat ter zijden het schip gekomen zijnde trock het water soo sterck dat het haer in zee sleepte en alsoo 15 a 16 man verdronck; ick moeder naekt dit ellendig schou-spel aensiende, quam weder een zee en slaet my met de jonge een stuck van boort in zee; ick verliet het stuck houdt, alsoo om siende veel houtwerck en vaten op my sagh afkomen, liet my na de gront toe sincken om van deselve niet beschadigt te werden. Onderwijlen raekten dit goedt alles over mijn hooft en weder boven komende, zag mijn door de vloet van ’t water een goedt stuck[169]van ’t wrack af, de tweede brandingh over viel mijn soo schielijck dat ick deselvige niet konde ontwijken; zij nam mijn op en smeet my los tegens de klippen in, alwaer ick door de bandieten65, die op het schieten daer gekomen waren, zijnde vijf sterk, gezwind daeruyt gehaelt wierd.)Op het landt gekomen zijnde, bragten sy my by een groot vuyr om te warmen dat sy gemaekt hadden; gewarmt hebbende setten sy my met noch vier andere op een wagen, bragten ons in haer woon huys en setten ons broot en kaas voor daer wy wat van aten. Na dat wy daer drie dagen hadden geweest, wierden met de boot van ’t schipSchoondijckdat aen deCaaplag van daer gehaelt en aen deCaapgebragt en aldaer gekomen zijnde, vondt ick mijn cammeraetLourens Thysz.op ’t hooft staen die in ’t bos met den boekhouder van ons was gescheyden; als hy my sag verwellekomde my met groote blijdtschap en nam my met hem in zijn logement, ten huyse van de voorgemelte vrymanLambert Adriaansz.alwaer ick wel wierde ontvangen en bleef logeeren.Eenige dagen hier naer, deden wy aen den secretaris van den Governeur het voor-verhaelde relaes, het welcken in ’t kortopgeschrevenzijnde, wy met eden bevestigen.[171]

Die Rampspoedige Reis van dieGouden Buys.

Ongeluckig, of Droevigh Verhael van ’t SchipDEGOUDEN BUYS,Uytgevaren ten dienste van d’Oost-Indische Compagnie, ter Camer Enchuysen; in den Jare 1693, den 4. May, onder Commando van SchipperTHEUNIS BAANMAN.Uyt de Beëdigde Verklaringe t’ Samen-gestelt vanDANIEL SILLEMAN, Watermaker,ENLOURENS THYSZ, Timmerman.Die alleen van 190. Zielen zijn overgebleven.TE UTRECHT,Gedruckt by de Weduwe vanJ. vanPOOLSUM, Ordinaris Stads Druckster / woonende tegen over ’t Stadthuys / 1706.[131][Inhoud]INLEIDING.In die vorige hoofstuk het ons die beskrywing gehad van ’n skipbreuk in die Tafelbaai. Hieronder gee ons die volledige verhaal van die noodlottige reis in 1693 van die skip dieGouden Buysvanaf sy vertrek uit Enkhuizen op weg na Oos-Indië tot sy stranding op die kus van St.-Helena-Baai, nadat die skipper genoodsaak was daar anker uit te werp by gebrek aan manskappe om die reis mee voort te sit. Dit gaan swaar om vir ons ’n denkbeeld te vorm van die ontberinge en gevare verbonde aan ’n lang seereis in daardie dae. Storme, wat op die swaar want van die seilskepe veel meer vat gekry het as op ons moderne stoomskepe; swaar-gewapende kapers wat daarop uit was om die rykbelade handelskepe buit te maak; die lang duur van die reis; die gebrek aan ruimte en lig; die eentonigheid van die voeding en die skaarsheid van soetwater met hulle nasleep van siektes van allerlei aard, veral die gevreesde skeurbuik—al hierdie omstandighede het hul deel bygedra om ’n reis van en na Suid-Afrika ’n byna waaghalsige onderneming te maak. Van dit alles skep die relaas van die reis van dieGouden Buys’n treffende en skrikwekkende beeld. Van die 190 man wat op 12 April 1693 Enkhuizen verlaat het, het daar begin November van dieselfde jaar nog maar sewen-en-twintig oorgebly. Van hierdie manskappe het sewe aan land gegaan om van daar (St.-Helena-Baai) te probeer of hulle die[132]Kaap miskien nie kan bereik nie. Van die klomp wat aan boord gebly het, het nie een in lewe gebly nie; en van die sewe wat die skip verlaat het, het net twee man die ontberinge en teenspoede van die reis oorleef. Dit is op grond van die beëdigde verklaringe wat hierdie twee man, Daniel Silleman en Lourens Thijsz, ná hulle aankoms aan die Kaap gemaak het, en van die mondelinge mededelinge van eersgenoemde ná sy terugkeer in Holland, dat die verhaal saamgestel is (L. Thijsz is oorlede op die skip gedurende sy terugreis na die vaderland). Wie die skrywer is, word nie vermeld nie; maar dit is duidelik dat hy vir hom byna letterlik gehou het aan die gegewens wat Silleman vir hom verstrek het. Afgesien van die skriklike lye wat die twee oorblywende mans moes deurmaak, en die gruwelike noodmiddels waartoe hulle die toevlug moes neem, is interessant wat hulle meedeel oor die deurgaans vrindskaplike houding van die Hottentotte, sonder wie se hulp hulle sonder twyfel ook sou omgekom het.Die teks wat ons gee, is dié van die uitgawe van 1706, by die weduwee van J. van Poolsum, in Utrecht, waarvan ’n eksemplaar aanwesig is op die Kaapse argief. Daar bestaan nog ’n vroeër uitgawe gedruk in Enkhuizen by Hendrik van Straaten, waarvan ’n eksemplaar berus in die Fairbridge-biblioteek, nou in besit van mejuffrou D. Fairbridge, op Claremont. Ons het die twee drukke met mekaar vergelyk en geen noemenswaardige afwykinge tussen hulle ontdek nie. ’n Gedeeltelik gewysigde en gemoderniseerde[133]herdruk het reeds verskyn in dieZuid-Afrikaansche Tijdschriftvan Junie 1885 (blss. 257–280) onder die tietel „Een reis van Holland naar de Kaap 200 jaar geleden. Een verhaal van jammer en ellende.” Ook in Die Brandwag van 1 Desember 1911 het die laaste deel van die reisbeskrywing verskyn; maar die teks laat taamlik te wense oor en is partykeer heeltemal onverstaanbaar of misleidend as ’n gevolg van slordige afskrif en byvoeging of weglating van woorde.[134][Inhoud]DIE RAMPSPOEDIGE REIS VAN DIE GOUDEN BUYS.Droevig Verhaal van ’t schip de „Gouden Buys,”Uytgevaren voor de Camer van Enckhuysen, naer Oost-Indien, op den 4 Mey, Onder Commando van SchipperTheunis Baanman.Na dat de Heeren Bewindthebberen van de Oost-Indische Compagnie ter CamerEnckhuysen1de monsteringe van ’t Scheepsvolk bestaende in ruym 190 man op den 9. April 1693 hadden gedaen, zeylden ’t schip den 12. dito van de reede der stadtEnchuysenaf naTexelen geraeckte dien dagh voor de Ven en den 14. dito onder deVlieter2ten Ancker, alwaer de meeste inladinge gelijck oock ’t meerendeel des Scheeps-volck aen boort quam en op den 24. April den schipper met den boeckhouder en vordere Officieren. Van daer weer verzeylende quamen inTexelop deKoopvaarders Reedeen eyndelijck tusschen ’tNieuwe Diepen deHelder3ten ancker; daer gevonden hebbende ’t Schip deKoning Williamen ’t gajoot4de Kers, beijde van de camer vanAmsterdam,[135]mede gedestineert naer Indien: wierd ’er door de Heeren Gecommitteerdens van beijde dese respective cameren, en hare schippers met eenige doenmaels in Texel leggendeGuinees,Surinaams,Lissabonsvaerders5Compagnie en vorder admiraalschap gemaeckt6, de schepen der Ed. Maetschappij tot Commandeur en Vice Commandeur verkooren zijnde, meende man op den 1. Mey ’t Zee te geraken en waren al onder zeyl; doch de windt enigsins tot nadeel lopende most dese vloot weder te rug en koste in ’t vallen laten van ’t ancker het leven van een Matroos welcke met de poortuurlyn7over boort wierd geslagen en quam niet weer boven. Eyndelijck geraeckte men op den 4. Mey na zee, dog met seer groot perikel van het schip en volck; want het ancker met groote moeyte geligt zijnde, konde niet om hoog na begeerte gewonden werden, wat vlijt dat ’er oock by ’t gantsche scheepsvolck wierde aengewent, echter men schokte soo met een uytgestort Mars-Zeyl8na ’t Gat9; Doch niet sonder groote vreese van een ervaren lootsman, om hier door aen de lagerwal, of op ’t eygen ancker in ’t droogste van ’t Gat aen de gront te geraken; En hoe wel men hier door[136]seer belemmert was, sulcks dat men ’t achterste van de vloot geraekten, men quam eyndelijck buyten gaets en in zee.Den 7. dito sturf een soldaet.Den 10. dito sag men de Schotse kust10.Den 12. dito was men daer noch onder ’t landt en kregen een zwaren storm waerdoor wy genootsaeckt wierden een bijlegger te maken11. Het duerde tot den 17 dito, wanneer het weer wat bedaerde en een bakstagh wind12kregen.Den 18 dito quamen ons 4 schepen in ’t gesigt.Een den 19 dito sagen wijFairhil13.Den 20 dito passeerde deselve.Den 22 dito storf den opper kuiperReynder Luytsz. van Enchuisen.Den 26 dito sagen wij de klipRocolle14.Den 31 dito begon ons volck seer af te nemen en kregen verscheyden siecken, dogh storf niet meer als een man, zijnde den bottelierHarme Claasz.Langelens, van den 10. Juny tot op den 18. Juny aen toe. Doe men nu echter met veele tegen winden achter Engelandt was omgekomen begon den voortgang te beteren ende siecken eenigsins weder op te komen en was de toestandt van saken in ’t schip redelijck wel want men bevont[137]sig op den 12. Juny al op de hoogte van 34 graden 0 min. noorder breete en op den 18. dito op 24 graden 30 min. als wanneer het een goeden spoet maeckten, ’t geene alles den leeser uyt de brieven van den schipper geschreven aen zyn huysvrouw, als oock die van den boekhouder aen zijn vader en van andere officieren kan afnemen en sien.[Hier volg vier briewe wat die voorgaande bevestig.]Uyt dese brieven welcke gekomen zijn met de Surinaams en Guinees-vaerders, dien doen van haer affscheyden kan den leeser afnemen dat alles doen wel gestelt was en een yder met genoegen en goede eenigheyd de reys vervorderde, insonderheyd de officieren onder malkanderen, doch hoe wel sy met den anderen waren en wat goeden voortganck sy maeckten, sy scheenen als tot haer ongeluck te haesten; want eerS. Jaga15in ’t gesigt was warender al 14 dooden. Hier scheyde het galjootde Kersvan haer om ’t gemelde Eylandt aen te doen en de siekten weder toenemende ordonneerde den schipper twee beddinge voor de sieken op het onderdeck te maken en zeylden doen by de windt voort. Eyndelijck omtrent deLinie, als wanneer den schipper van deKoning Williamaan ons boort quam, en siende den bedroefden toestandt wenste ons wel met haar volk te konnen helpen, maar hadde selver mede veele sieken waar op hy tegens den avondt zeyl maakte en ons verliet; als wanneer in ’t Schipden Gouden Buys[138]ruym 40 dooden en aan de kant van de 50 sieken werden getelt. 7 a 8 weeken dreven in stilte omtrent deLinieom de selve te passeeren ’t geen de siekte door de groote hitte meer en meer vermeerderde, soo dat ’er op eenen dag wel 6 a 7 te gelyck sturven en over boort wierden geset.Droevigh was ’t om te aanschouwen, Godt dagelijks om uytkomst aanroepende; eyndelijk geraakte na veel suckelens door deLinie. Omtrent desen tijdt viel weder een matroos overboort en verdronck. Op sekeren avondt doen het gebedt soude geschieden, quamen alle de gesonden in de selve ende den schipper, ongeveer maar 30 man bij hem vernemende, vraagde den schipper aan de quaertiermeesterHarmen Jansz.of dit al het gesonde en de rest siek waren, het welk den schipper met verbaastheyd al suchtende dede uytbarsten: „Lieve God! zegen ons; is dit al mijn gesondt volck van 104 zielen dewelcke noch binnens boort moeten wesen? Wat wil dit noch worden?”Meenichmaal seyde de schipper, na ’t eyndigen van ’t gebed, dat soo daar by de siecken eenige lust tot het een of ’t andere waar, van dat geen by hem in de kajuit of in ’t schip was, sy het maar souden eyschen en halen en die niet selfs konde komen, om dat geene dat hy garen had te halen dat hy dan sijn maat ofte ymandt anders konde zenden en dat hem soude gegeven worden dat geene dat tot verquickinge soude kunnen dienen, gelijck sulcks meermaal is geschiedt en uytgedeelt. Wat na dese tijd passeerde wy de hooghte[139]vand’Abrollus16, alwaar ons een travaat17soo heftigh trof dat wy onse kruys-stengh18en groote-stengh19verlooren; onse voor-stengh was ook seer beschadigt maar bleef nog staan. Hier bleven wy 3 a 4 etmaal in desen desolaten staat leggen drijven; eyndelijck malkander nieuwe moedt gevende, kreegLourens Thijsz., derde timmerman, met hulp van ’t andere volck alles weder vaardigh; wy hadden doen al 3 timmerlieden doodt en de vierde lagh sieck ter kooy. Wy zeylden dan in Gods Naem weder henen, hopende nog met hulp van Godt het schip behouden over te brengen.4 a 5 Dagen hier naer verlooren onse onder stuerman ende de opper lagh in sijn kooy heel kranck; twee dagen hier naer sturf onse derde waak20, met onse schipper was het oock niet wel die ook seer begost te klagen.Omtrend desen tijd quam ons een schip in ’t gesight, zijnde als doen na gissinge omtrent 300 mijlen van deCaap; het schip ons naderende quam onse schipper met sijn siecke leeden voor den dag en liet onse reen met kettinge vast maken21; wy waren doen siecken als gesonden ruym 30 man[140]sterck, maakten alles dat tot tegenweer diende vaardigh22maar doen wy het selfde nader quamen, toonde hij een roode vlagh waer uyt wy vermoeden dat het een Deen ofte een Engels schip was. Hy bleef ander-half etmael by ons, als wanneer hy weder uyt ons gesight raakte, hebbende doen een goede windt, zeylende op ’t seggen van onse stuermans jonge die wat van de navigatie geleert hadde en vorder van den schipper onderrigt wierde voort, want wy hadden doen geen eene stuerman meer en onse schipper lag oock heel sieck in de kooy; oock hadden wy geen eene chirurgijn, in somme wy waren soo zwack van volck dat wy naeulijks het roer konde bedwingen.Eyndelijck raakten met hulp van onsen stuermans jonge soo verre dat wy den 11 October het landt in ’t gesigt kregen, alwaar wy digt onder en tot op een mijl na aen landt liepen. Kort hier op quam een travaad die ons marsseil vande raa23in zee deed wayen; onse schipper liet de gesonde in de kajuyt by hem komen die in 6 a 7 man bestonden en seyde: „Mannen, sou het niet beter wesen dat gy het zee-waerts lag?”24maar antwoordde[141]van neen, wat souden wy met ons kleyn getal volck uyt rechten? Eyndelijk op het lang aanhouden van den schipper staken met dese weynige machteloose nogtans weder ’t zee of ’t nog mogelijk waer om deCaapof deSaldange Baeyte konnen winnen dog alles te vergeefs. Na dat wy nu 8 dagen ’t zee hadden gezworven en ’t landt al weder uyt het gesigt waren geweest, kon men door contrarie windt geen hooger haven bestevenen; dies quamen wy ter voornoemde plaets inS. Helenaes Baeyten anker. Wy waren geen 6 man sterk bequaam eenige dienst te doen, de rest moesten haer op handen en voeten behelpen; trecken de groote en fokke raa25neder; maakte het voor marsseyl26los, besloegen27de blinde28en bergden de zeylen onder in ’t schip; bleven in dese gestalte omtrent 2 a 3 weeken leggen hopende door het een of ’t ander middel gered te werden.Als wy hier dan dus lange vruchteloos gelegen hadden, ontbood de schipper, die nu al 14 dagen plat te bedd’ had gelegen die gene die wat konde gaan in cajuyt by hem, alwaar wy met ons 13 a 14 man quamen. Hy seyde: „Mannen, wy hebben hier dus lang gelegen en sien geen hulp op uytkomste. Wie heeft lust om na de Saldange Baey te gaen die maer 12 a 14 mijlen van hier leyt, daer sult gy Christenen vinden om die te[142]spreeken.” Hier op traden wy met ons sevenen toe te wetenJacob Lepi29boekhouder,—de commandeur van de soldaten,—Flip Warlo,Schiman30,—Jan Christiaansz., botteliers-maat31,—Jan Harder, soldaat,—Daniel Silleman, watermaker32en ick,Lourens Thijsz, timmerman. Maekten ons dan vaardig om aen land te gaen en kreegen ter nauwer nood op den 11 November de schuyt buyten boort; namen de man twee beschuyten, een kan water, een bottel wyn, een met brandewyn, yder wat tobak, een paar pistolen, vier snaphanen en elck een hou-degen, waar mede by den schipper zijn gegaan die wy veel gesontheyd toewensten, gelijk hy ons yder man voor man by de hand vattede ook geluck toe-wenste met aanmoedinge van onse reyse kort voort te setten; wy lieten hem in een slechte staet heel krank leggen, wel te gemoet siende dat wy hem niet levendig souden weer vinden; trocken zo op de Reys.Hier mede sijn wy in de schuyt gegaen en na land geroeyt, alwaar tegen de middag zijnde den selven 11 Novemb. aan quamen; op ’t land gekomen zijnde dronken malkander toe uyt een bottel france wyn; hier op marscheerden wy in Gods naem de strand langs.[143]Als wy omtrent derdehalf uur33gegaan hadden, leyden het tegens een zand-heuvel aen strand neder, latende de zee aan de rechterhand soo ons van de schipper belast was, maakte wat vuyr en rookte een pijp toebak en ging met ons vijven leggen slapen latende twee de wacht houden die na verloop van eenigen tijd van twee andere verlost wierden; bragten dese nagt over sonder eenigh wild gedierte te vernemen, marcheerden des morgens weder soetjes voort want het hard lopen wegens de scheurbuyek ons benomen was, ’t welck ons ook geen meerder beschuyt had doen mede nemen. Tegen den avond, na dat wy vuyr gemaakt en een pijp toebak gerookt hadden, leyden wy ons weer te slapen en hielden wacht als vooren; in de nagt deden wy verscheyden schoten om eenige vreemde beesten die wy vermoedende waren van ons af te weeren en de nagt over gebragt zijnde, zijn wy met de morgenstond weder aan ’t marcheeren geraakt en quamen omtrent 10 uyren in de Bogt van de Baay. Dese bogt was omtrent twee en een halve mijl van de plaats daar wy met de schuyt aan quamen, daar wy echter door onse zwakheyd nu omtrent twee etmaal over gegaan hadden; alwaar wy een revier vonden die genaemt wierd (zo ons naderhand onderricht is) deBerg Revier; hadden geen meer water, weshalven verblijd waren maer het duirde niet lang door dien de rivier geen soet maer sout water hadde, alzo zijn uytgang in zee hadde, die alle ses uyren op en afliep; hier stonden wy te kijken en konden deselve niet passeeren van wegen sijn diepten: Dese[144]rivier is na gissing 4 a 500 voeten breet. Wy, niet wetende wat wy souden beginnen, sagen malkanderen bedroeft aen; vermits door de groote hette sulken dorst leden dat het onuytspreeckelijk was, resolveerden de revier hoger op te gaan, alwaar wy het water tamelijk begosten te krijgen, drinkende daar doen zo veel af dat het ons van onderen als een spuyt ontliep. Wy sagen malkanderen nochmaal bedroefder aan en seyden: „De schipper heeft ons leelijk bedrogen.”Den volgenden morgen, als onse boekhouder ouder gewoonte het gebed hadde gedaan, marcheerden wy weder de rivier hoger op en quamen eyndelijk zo verre daar het water heel zoet was, daar wy leggen bleven. Twee van onse mackers gingen de rivier noch hooger op om te sien of er geen hoop van uytkomste te vinden was; ende een stuckweegs opgegaan zijnde sagen zy aan de over kant twee leeuwen komen drincken, die zo haast sy haar sagen weder boswaart in vluchten. Sy proefden het water, maar bevonden het noch brak te wesen, keerden dan wederom en verhaalden ons wat sy gesien hadden. Resolveerden doen gesamentlijk de rivier hoger op te gaan tot dat wy op een vlakte quamen daar wy by malkander gingen zitten en schepten onse kannen met brack water, daar wy zo hartig van dronken dat het ons qualijk bequam. Wy maakten alhier vuyr en leyden ons daar rondom, maar konden de gantsche nacht niet rusten van wegens de pijn die wy in ons ligchaam kregen ’t welck wy oordeelden van het bracke water was spruytende.[145]Des morgens gingen weder met den dagh de rivier hoger op tot dat wy eindelijk bevonden dat het water vers wierdt alwaar wy een etmaal bleven leggen, maakte vuyr en schepte onse kannen weder vol, kookte het selve met wat safferaan (dat wy uyt ons schip mede genomen hadden) het welcke wy droncken om ons wat te verstercken, want nu in geen twee dagen gegeten hadde.’s Morgens vertrocken weder van hier de rivier langs ende des avondts nadat wy vuyr gemaakt hadden, stelden twee schilt wachten. Drie van ons geselschap vernamen een groot wilt beest, niet wetende wat voor een dier het was; sagen ook een zee koe in de rivier ende des anderen daags, als wy weder souden vertrecken, vonden ons genootsaakt een gedeelte van ons geweer wegh te werpen, overmids wy onmachtigh wierden de selve langer te dragen. Een van onse mackers gingh na het gebergte om te sien of hy yets soude kunnen bekomen; hy bleef wel drie dagen achter so dat wy meenden dat hem een wildt gediert verslonden hadde waar over met malkanderen bedroeft waren. Onse commandeur konde ook naeulijks meer voort komen want sijn gemacht was soo gezwollen als een bol van een hoedt; en onser aller beenen begonnen soo te zwellen dat wy niet langer gaen konden. Eyndelijck een weynigh verder gekomen sijnde vonden een vlack-velt, bewassen met riet, ’t welck ons dede resolveren een flotje te maken ende te sien of wy de rivier daar mede konde overkomen. Als doen quam onse macker voornoemt weder by ons die verhaelden, als dat hy meenden een Hottentot[146]gesien te hebben die voor hem wegh liep. Wy verheughden ons seer toen hy weder by ons quam vermids inde rivier een hoet hadde sien drijven die wy meenden de zijne geweest te hebben, maer bevonden als doen contrarie, soo dat wy niet konden bedencken waar dat die hoet van daen gekomen was. Ons vlotje klaar hebbende braghten het aan de kant van de rivier, doen is Daniel Silleman over de rivier gezwommen om eens te sien hoe het aan de ander kant mochte wesen, maar doen hy weder quam zeyd’ hy dat het een woest en wilt landt was, ’t welck ons dede resolveeren aan dese kandt te blijven en met malkanderen weder na ’t strant te gaen daer ons schip lagh; vulde dan onse kanne met water en gingen voort.Omtrent 1. half mijl verre gegaen zijnde, viel onse schimman Philip Warlo van wegens sijn zwackheyd neder, ende bleef daar leggen34. Hy dan siende geen uytkomste voor hem versoght ons maer voort te gaen; wy wenschen hem dan met schreyende oogen adieu. Wy gingen dan varder met onse zwacke leden, het boswaerts schuyns door na strant, hebbende nu also omtrent 2 en een half week met malkanderen gedoolt tot dat wy eyndelijk daer quamen. Een weynig langs de selve gegaen zijnde, vonden onse schipper in sijn combaers genaeyt doot leggen die van het wilt gedierte al een stuck uyt sijn bil gehaalt was. Wy lieten hem leggen want hadden geen kraght ook geen gereetschap[147]om hem te begraven. Kregen het schip int gesigt dat nog voor sijn anckers lagh, keerden weder na onse schuyt om met deselve na boort te varen en daar by gekomen zijnde, bevonden dat al het goet dat daar in gebleven was de zee uytgeslagen hadde, dat wy soo nauw als konden by een soghten. Ook was daar een stuck uyt de schuyt geraakt, maar onse timmerman brack de achter pleght35daar uyt en maakte weder een stuk daar van in deselve so dat wy de schuyt te naasten by weder kant en dight kregen. Doen bragten wy dreggen36met laagh water uyt en kregen de schuyt alsoo weder vlot, maar soo haast als wy hem vlot hadden, quam daar een brandingh en sloegh hem wel half vol water; kort daar op volghde nogh een ander, soo dat de schuyt daar meest door aan stucken raakten en wy de selve verlieten, ziende malkanderen bedroeft aan en geen kans overigh om weeder aan boort te geraken. Stacken een stock op en bonden daar een wit hemdt aan om ons in ’t schip te laten sien, maar vernamen geen teeken wederom, ’t welck ons dede vertrouwen dat sy alle mosten dood sijn; bleven dien naght daar op strandt en resolveerden om ’s anderen daaghs weder bos-waerts in te gaan, sijnde Jan Herder, soldaat, aldaar in onmacht blyven leggen, alsoo veel sout water hadde gedronken en storf.[148]Wy dan met ons vijven boswaerts ingaande, ten eynde om aldaar eenig voetsel en soetwater, of indien mooglijk was een eynde onses ongevals te soeken, vonden eenige swarte beessen37; bleven daar wel 2 a 3 dagen by leggen etende van deselve soo veel wy konden vermids wy uytgehongert waren, want in 14 dagen geen spijs genuttigt hadden.Na ’t verloop van dese dagen verlieten wy de beesten en zijn het bos verder door en door gegaan om weder aan de rivier-kandt te geraken, want den grooten dorst genootsaakten ons den dauw van de bladeren te licken ende ons eygen water te drincken, ’t welck ons also flaeuw en principael onse boeckhouder maakten dat hy daar neder viel en seyde: „Mannen, ik kan niet meer,” halende met eenen een brief van den schipper voor den dagh waar in soo wy meenden kennisse en berigt van den slechten toestants onses schip was en hoewel den boekhouder aan een yder van haar toestondt om na een goedt heen komen te soeken en hun leven soo sy best konde bergen, soo wilde den timmerman Lourens Thijsz. niet van hem scheyden, vermids oock sijn quade benen, maer bleef by den boeckhouder leggen.De andre drie nu gingen voort om de rivier op te soecken ende doen sy een weynigh van de boeckhouder en timmerman af waren deden sy een schoot die door haer op de selve wijs beantwoordt wierd waar mede malkander adieu wensten. Dese twee[149]bleven anderhalve dagh by malkanderen leggen als wanneer de gemelte boeckhouder zoo verzwakte dat hy niet meer spreken konde.Lourens Thijsz.dat siende, trooste hem met schriftuerlijke reden soo veel als hy konde en siende geen uytkomste wenste hem met schreyende oogen de saligheyt.Alsoo verliet ick,Lourens Thijsz., gemelte boekhouder en gingh dat wilde woeste bos alleen deur wandelen, tot dat ik eyndelijck aan een vlack velt geraakten daar een oliphant die my ongemollesteert liet gaan ontmoete, tot dat ick weder aan de voornoemde rivier quam alwaar ick ging neder sitten Godt danckende voor sijne genade ende groote barmhartigheyt dat hy my dus verre weder gebragt hadde. Ick schepte mijne kanne weder vol water, daer ick soo veel van dronck dat het mijn qualick bequam; mijn spijse was niet anders als gras en wilde beesten dreck. Soo bleef ick hier 6 dagen leggen; ik vernam hier verscheyden zee koeyen en telden wel 25 oliphanten die daer aan de rivier quamen drincken en weder boswaarts ingingen.De rivier langs gaende vonde ik een verrotte water-rot die ik van honger op at en quam alsoo weder by het vlotje dat wy met malkanderen gemaackt hadden, alwaar ik aan de overkant van de rivier eenige rook sagh op gaan het welck my dede ontkleden en op het vlotjen sitten gaen; dreef alsoo de rivier over. Hier over zijnde vondt ick een dooden haay daar ick mede hartigh van at. Naer het eeten der selver gingh ik boswaart in doch vondt geen menschen maar wel verscheyden soort van[150]beesten, als elanden, vogel-struyssen38en harte beesten, ’twelck my weder uyt het bos deed komen, keerende na het vlotje ende daar even op sijnde quamen twee leeuwen achter een hoeck van daan en gingen de rivier langs. Ick dreef de rivier over ontrent ter plaetse daar ick geweest was en ging deselve hooger op vijf dagen langh; vondt onderwegen een endt-vogel die ick op at.Des anderen daags vroeg in den morgenstondt ging ick op een hoogte neder sitten vol van groote flaeute en mistroostigheyt, want hadde doenmaels in drie dagen niet gegeten; schepte weer een weynigh moet en rees op en gingh wat varder boswaert in alwaar ick 3 schiltpadden vondt die uyt een bosje quamen kruypen; ick maakte aenstondts wat vuyr daer ick deselve op brade, gingh daer by neder sitten en kreeg mijn gebeede boeck, danckte Godt voor sijn genade dat hy mijn hadde deselve believen te verlenen. Noch in ’t bidden zijnde, hoorde ick eenig gerijssel meenende dat het beesten waren, soo dat ik schielijck opstondt en omme siende sag ick drie wilde menschen, yder met een pyl en boogh voor my staan. Ick verschrikte geweldig want ick sulcken soort van menschen nooyt gesien hadt; zy dan stelden haer in postuer met haar geweer, ende ick nam mijn pistool in de handt gingh also bevende op haar aen. Doen ick nu by haar quam was ’er een van haar die een weynigh Duyts39konde spreeken, die vraeghden my of ik een Duytsman39was; antwoorden hem van ja,[151]ende hy gaf my weder tot antwoortdat een Duytsman een goet man was. Ik verhaelen hem dat ons schip daar op ancker lagh en al ons volck gestorven sijnde wy met ons sevenen aan landt gekomen waren, waervan drie gestorven en drie noch in ’t bosch doolden, dien ik versogt of sy die wilden op soeken. Sy hadden eenige schiltpadden by haer die sy aenstonds voor my braden, ende een van haar haelde mijn kanne vol water, onderwijlen vroegen de andere na mijn toeback daar sy seer begeerig na zijn. De schildtpadden nu gebraden zijnde aten deselve te samen op; doen begeerden sy dat ik mijn boven kleederen soude uyt trecken en met haar mede gaen ’t welck ik deede, maer niet sonder groote vreese, want ik meende dat het menschen eters waren; ik gaf haer dan al mijn goedt om te dragen maer sy waren so gaau in ’t vooruyt loopen, dat ik haer niet konde volgen, soo dat sy my eyndelijk uyt het gesigt raakten, ’t welck my deede geloven dat sy met mijn goet weg waren.Ik volgde dan die selve passagie, tot dat ik haar vont sitten rooken een pijp toeback; ik sette my dan by haer neder ende een weynigh gerust hebbende, gingen weder te samen voort tot dat wy by haer hutte quamen40. Daer sagh ik haar vrouwen en kinderen die doen sy my sagen altemael vlughten, vermids sy sulcke menschen niet gewent waren soo ’t scheen. Brachten my dan in haar Opperhoofs wooningh daar ik veel koebeesten en schapen sag; sy gaven my harten vlees[152]en melck te eten en ’s anderen daeghs maakten sy my honingh bier om te drincken, brachten my oock eenige wortels41, die sy uyt de aerde graven ende in plaats van broot gebruyckten; ik at dat so hartig, sijnde van honger gans uytgeteert dat het my qualijk maakten; sy deden my hier op uyt haar hutte gaan vreesende dat ik soo aenstonds soude sterven. Doen ik nu in de lugt geraakte, quam ik aanstonts aan ’t braken dat my geweldigh verlichten en doen weder in haar hutte kroop, maer ick en konde tot geen slapen komen uyt vrees dat sy my noch om den hals soude brengen.’s Anderen daags quamen daar noch drie andere van haar geburen die heel anders van manieren en gedaanten waren; sy hadden lange baerden en waren gestadiger van wesen42. Doen vreesden ik weder dat sy my souden gedoodt hebben, maar bevondt heel contrarie want sy maakte een koe-beest vaerdigh om te slaghten die sy eerst met touwen bonden en gingen doen daar rontomme danssen, springen, speelen en maakte groote ceremonye volgens hare wijse; leyden my tusschen haer beyden daar by om het selve te aanschouwen ’t welck ik met groote verwonderinge aansagh. Dit gedaan zijnde maeckten sy het beest weder los, en lieten het selven weder naert bos loopen. (Mijns oordeels is dat ter eeren van dese drie gebuuren geschiet die sy genoot hadden, want sy haar met diversse soorten van spijse op hare wijse tracteerden.)[153]Soo braght ik dien nagt met haar ten eynde.Den dagh gekomen zijnde, namen wederom van malkanderen afscheyt en kusten my met haar handen toe. Ik had nu by haar twee etmaal geweest in welcken tijdt zy my getracteert hadden met alles wat sy konden by brengen. Maer het verloop der selve stuerde ick haar naer deSaldange Baeyen liet weten dat ick in haer wooninge was en hoedanigh zy my gevonden hadden.Sy gingen dan aanstonds henen en quamen ’s anderen daegs wederom; braghten een Hollander met haer; wy veraltereerde beyde doen wy malkanderen sagen en ’s morgens doen vertrocken wij na deSaldange Baey, nemende drie Hottentotten by ons. Onderwijlen dat wy op weg waren ontmoeten ons een oliphant, daar wy voor vlugten mosten; wy sagen verscheyden harte-beesten en vogel-struyssen.Eyndelijck aan deSaldange-Baeygekomen zijnde, maakten een van de Hottentotten vyer tot een teecken dat wy daar waren vermids daar noch een rivier tusschen ons en haar was43. Sy quamen dan aanstonds met een kleyn vaertuygh en haelden ons over; soo raakten ikLourens Thijsz.eyndelijck in deSaldange Baeyop den 1. of 2. Kers-Dagh, alwaar ik noch 14 dagen siek lagh en naer verloop der selve quam daar een vryman van deKaapom te vissen waar mede ik, zijnde wat beter na deKaapvertrock en nam mijn logement ten[154]huyse vande voorgenoemde vrijman genaamtLambert Adrijaansz.Verhaal van D. Silleman.Doen nuLourens Thijsz.aan deSaldange Baeywas aangekomen, wierd van daar aanstonds kennisse daar van aen de Gouverneur derKaapgesonden die ter aller yl een Vaertuygh44na ’t schipde Goude Buysaf-sond, gelijck hier na sal gesegt werden, waer door den watermakerDaniel Sillemanmede behouden wierd, want gelijck gesegt is den Commandeur der soldaten, den botteliers maat en ikDaniel Sillemanwatermaker, in manieren voorschreven van den zieltogende en neer-gezegenen boekhouder gescheyden sijnde, waren weynigh voort gegaan wanneer wy een schilpatje vonden; maakten vyer, braden het en aten te samen op; deden oock verscheyden schooten met onse pistolen om te doen hooren waer dat wy waren, meenende dat sy weder by ons soude komen, maer vernamen haer niet. Omtrent den avondt maeckten wy weder vuyr dat de botteliers maet (terwijl wy sliepen) brandende hieldt.Den volgende morgen begaven ons weder op wegh om by de rivier te komen en vonden drie schildpadden, die wy weder braden en te samen op aten; bleven daer een weynigh leggen om de groote hitte, tot dat de sonne wat gedaelt was wanneer wy weder voortgingen en drie dagen daer na aen de revier quamen, al waer wy weder ons kannen van[155]water versagen, maer wierden door al het water drincken seer hongerigh.Wy vonden dan aen de kant van de rivier tusschen de biesen amelyen of hanebollen45(soo men die in Hollandt noemt); aten daer van maer kosten onse honger daer mede niet verzaden; derhalven beraatslaegden weder boswaerts in te gaen om te sien of wy iets konde bekomen, alwaer by geval een schildpadt of twee vonden; keerden van daer weder na ’t strandt, daer wy onse verlaten schuyt, die aen stucken geslagen was vonden leggen; begaven ons met ons drien op een stuck van de schuyt te water, om weder aen boort te komen, maer wierden t’elkens met de zee weder te rugge gesmeten.Onderwijlen was ons water weder op geraeckt; wy dan sagen malkander seer bedroeft aen en keerden van disperatie weder boswaerts in om mondt kost voor ons te soeken; vonden eyndelijck van die blaeuwe bessen, daer voor heen van gemeldt is; aten van die selve en onthielden ons aldaer 14 dagen, drinkende ons eygen water, gelijck wy meermalen gedaen hadden. Doen verloren wy de boteliers maet, sijnde omtrent den 26. of 27. December ende een weynigh van het doode ligchaam gegaen sijnde, seyde de Commandeur tegens myDaniel Silleman: „Jan Crist of Christiaensz.(soo was sijn naem)is nu doodt en wy lijden grooten honger; laet ons weder te rugh gaen en snijden van het dickste vlees een stuck[156]af en laet ons het selve braden en op eten; Godt sal ons dat voor geen sonden reekenen.” Ik schrikte van so een voor-slagh en zeyde neen. Evenwel na veel tegenspreeken seyde hy, door honger geprangt sijnde: „Ik sal het dan voor my daer uyt snyden.” Ende alsoo mijn honger niet minder dan de sijne was, seyde ick tegens hem: „Wilt gy daer van snyden en braden, ick sal ’er u van helpen eeten.” Dit was nu tegens den avondt; ick kreegh hout en maeckte vuyr en hy ginck henen en sneed hem uyt het dick van ’t been een stuck omtrent soo groot als een handt en brade het; maer doen het gebraden was, konden wy daer niet van eten van wegen sijn droge tajigheyd; aten evenwel een mondt vol of twee daer van en staken het overschot in onse sack, willende sien of wy het den volgenden dag bequaem tot eten soude konnen maken; leyden ons hier op omtrent 20 treeden van ’t doode ligchaam (kraght en moedeloos zijnde) te slapen tot den volgende dag.En alsoo wy noch toback by ons hadden, bleven by malkanderen sitten en pijp toeback roocken tot ontrent de middagh, als wanneer ons de slaap overviel.Onderwylen quamen daer vierHottentots, gewapent met pijl en boogh by ons die my eerst aenriepen, waer op ick ontwaeckte en schrickte soodanige menschen te sien; stondt dan op en gingh een tree of thien te rugh by de Commandeur die noch sliep. Ick maeckte hem wacker; sy volghden my en setten hun met haer vieren rontom ons neder. (DeseHottentotswaren van deSaldange[157]Baeyafgesonden na datLourens Thijsz.daer was aengekomen om ons met ons driejen op te soeken; dog soude ons aparent soo kort niet hebben gevonden, maer wy hadden vuyr gemaeckt dicht onder eenig kleyn geboomte dat door de windt aen brandt geraeckt en vorder een groot gedeelte van ’t bos aen brandt stak.) Een van haer die krom Duyts sprack, vroeg ons of wy geen dorst hadden. Wy seyden van ja, want het was den 15. dagh dat wy niet anders als ons eygen water en den dan die wy ’s morgens van de bladeren lickte hadden genuttight. Sy maeckte vuyr en braden een schildtpadt voor ons dieDaniel Sillemanweygerde om te eten, seggende hy soude daer eerst van eten, waer op den Hottentot antwoorde: „Hongerige ziele, soude ick u kost op eten, dat doen wy niet.” Dies wy die eyndelick op aten.Als nu het water dat sy gebraght hadden uyt was, gaven wy haer elck acht dubbeltjes en vraeghden haer of sy meer wilden halen, dat wy haer dan meer geldt souden geven. Hier op gaen ’er twee weder om water ende de andere twee bleven by ons die wy wat toeback gaven. Een van de twee dewelck by ons bleef was die gene die wat Duyts konde en zeyde dat hy een capiteins soon was; de andere twee naer dat zy na gissinge vier uren waren wegh geweest quamen wederom en bragten water daer wy seer hartigh van droncken.Dat gedaen zijnde spraken sy van naer haer woninge te gaen; begaven ons met haer op de weg maer de Commandeur was soo zwack dat ’t elkens neder viel en sy waren soo gezwindt in ’t[158]vooruytloopen dat ick haer oock niet volgen konde, oock soo wilde ick myn maet niet verlaten. Sy dan waghten ons verscheyden reysen in en droegen onse rocken daer wy ons ’s nachts mede deckten; maer als sy sagen dat de commandeur niet voort konde komen en ick van hem niet gaen wilde, seyden sy dat wy hun in haer hutten soude vinden; namen onse rocken mede, denckende dat wy souden volgen, maer als sy een musquet schoot van ons af waren bleven sy stille staen en maeckte een misbaer, niet of sy menschen maer of ’t duyvels waren.Daer op quamen sy alle vier weder na ons toe loopen; wy dat siende, meenden dat sy ons om den hals soude brengen, maer twee van haer gaven haer geweer46over en siende dat ick noch gauwer als de commandeur was, vat my elck by een arm en liepen met my weg, latende de commandeur leggen. Hy, my dan soo siende mede slepen, kroop soo veel hy kost voort om my te volgen, maer na dat sy my een groot stuck weeghs hadde mede gesleept (en ick van haer geen goedt was verwachtende), sochte ik t’elkens van haer af te komen; haelde een knip-mesjen (dat ick by my hadde) uyt myn sack, waer mede ick na de eene stiet, dit voort los liet, en doen dede ick van gelijcken naer de andere die my oock los liet waer door ick gelegentheyd kreeg haer te ontvluchten, gelijck ick oock van haer ter zijden af in ’t bos liep. Doen maeckten[159]zy een groot geschreeuw waer op twee andere die al ’t geweer droegen en een stuck weeghs achter waren, na haer toe liepen en haer geweer overgaven; waer op sy alle vier na my toe quamen en met haer pijl en boog ons dreygden te doorschieten. De voornoemde Hottentots riepen tot verscheyden malen dat ick by haer soude komen maer ick en wilde niet uyt vreese als sy my in haer coralen47gesleept hadden, my slachten en eeten soude. Ondertusschen was de commandeur weder by my gekomen en als sy dan sagen dat ick niet met haer en wilde, smeeten onse rocken weder toe, maer een leeren rantsel daer omtrent 180 gulden aen geldt van my in was namen zy mede en lieten ons daer samen sitten.De nacht aenkomende leyden ons tot slapen ende den volgende morgen marcheerden wy weder te rugh en quamen ter plaetse daer wy te vooren die swarte bessen gegeten hadden; bleven daer 4 dagen by malkander leggen, want de commandeur konde niet een voet meer versetten en ick wilde hem niet verlaten. Ick pluckte somtijds wat bessen die ick hem brachte, maer eyndelijck van tijd tot tijd soo verzwackte dat hy op den 5. dagh naulijks meer geluyt konde geven. Ick bleef soo langh by hem dat de spraek hem quam te begeven en op den 30. of 31. December den geest gaf.Ziende dan geen ander uytkomst als de doodt, verliet hem en wenste weder by de Hottentots te zijn, doch die gedagten en konden my doen niet[160]helpen; derhalven resolveerde weder naer strandt te gaen, met voornemen so het verlaten schip daer noch lag, naer het selve te swemmen. Ick gaf my dan in de achter-middagh op wegh en marcheerden soo verre dat ick tegens den avondt ons schip weder in ’t gesight kreegh en soo mijn dochte sagh ick achter het schip noch een vaertuygh, maer konde het selve door de duysterheyt niet kennen, ging egter soo lange voort als ick sien konde, alsoo mijn hoope was Christen menschen te vinden. Als het dan gants duyster was geworden maekten ick vuyr, en een bos rijsen48by malkanderen geraept hebbende stak die in brandt en alsoo ick nogh weynigh toback op my hadde, rookte van deselve een pijpjen en begaf my om te slapen.Den volgende morgen marcheerden ik soo spoedig voort als mijn mogelijck was en quam omtrent ten 10 uren aen strant, zijnde den 2. January 1694 alwaer ick onse verlaten schip vondt van sijn ankers geslagen en tegens strant geset; oock sagh ick een schip met 3 masten in de baey, met noch een Engels vaertuygh, omtrent een mijl van land. Ick was seer verblijt als ick dit schip sagh ende begon met mijn Engelsche-Mus die ick op hadde te wencken waer op een schuytjen met twee man wierd afgestuert om my te halen. Als dit vaertuygh omtrent de brandingh was gekomen, liep ick van blijdtschap tot onder mijn armen in ’t water en gerraeckten alsoo behouden in ’t vaertuygh. Van dese twee maets verstondt ick dat het eene[161]schip met drie masten, denDageraetwas, en het Engels vaertuygh de chaloep del’Amie49, dewelcke van deCaapwaren afgeschickt om het schip deGouden Buysaf te halen. Zy roeyden my aen deGouden Buysalwaer den schipperJan Tackdieden Dageraetvoerde op was.Welck schip deDageraet, schipperJan Tackvoornoemt (op ordre van den Gouverneur van deCaapdie den 28. December d’eerste kennisse van deSaldange Baeyhad bekomen) den 29. dito was afgesonden en deTafel Baeyuyt gelaveert en quam op den 1. January 1694 aen het schip deGouden Buysdie voor omtrent 12 dagen van te voren van sijn anckers gedreven nu tegens de wal vanS. Helenaes Baeyaen vonden leggen op 15 voeten waters, hebbende alleen maer 23 duym water in; sulks schipperJan Tackmoet hadde, om ’t selve van strand af en weer in ’t diep te brengen; dies hy aen de Gouverneur van de Caap over de landt wegh daer van kennisse gaf waer op zijn Ed. hem toesondt ’t JachtTamboer, ’t Galjoot ’tHoen, en ’t vaertuygJupitermet 50 man die den 10. January daer aenkomen; waer op zy gesamentlijck te werck gaen, hebbende zijn ladinge uyt deselve genomen om te lichten en ’t schip in ’t vlot te brengen, gelijck dan sulcks oock op den 12. January daer een weynig na begon te lijcken, dewijl ’t schip nu maer 14 voet gaende, vermids alle[162]zware goederen daer uyt waren geborgen en reets op 12 voeten water was gebragt; op den 13. dito meende men ’t genoegsaem te hebben gewonnen, maer ’t weer en windt wat ontstelt sijnde, ’t geene de zee hooger deede dijnen als te vooren; raekte ’t schip geweldigh aen ’t stooten, sulcks de groote mast 2 voeten uyt sijn spoor lichte en ’t schip leck geraeckte, waer op geresolveert wierd de lins te kappen50en ’t schip weder na de wal te laten drijven, gelijck gedaen wierd; waer op het den 15. January op zy viel; dies men vorder alle wat nogh kon geborgen worden en daer noch in was als loot, yser en eenige andere waren met 9 anckers en touwen daer uyt lichten ende te samen gelaeden na deCaapweder keerden; welcke schepen als ’t jaghtTamboer, ’t galjoot’t HoenendeJupiterneffens de chaloep del’Amieop den 4 February weder naGouden Buyssijn afgesonden om verder alles te bergen wat nogh overigh was, gelijck zy oock deeden en den 7 February weder volladen te rugh keerden en ’t hare in salvo bragten: welcke goederen vorder naBataviamet de Compagnie schepen sijn versonden.Daer gekomen zijnde sagh my een yder met verwonderingh aen daar dien ick gandts swart en[163]mager van honger was, want het was nu 7 en een halve week dat ick van schip was gegaan. Ik eyschte drincken, en also geen water by de handt was, seyde den schipper het beter te zijn dat ick versterckende dranck nuttighde en liet een half-musjen51caneel-water geven dat ick graegh in dronck. Ondertussen vondt ick een vaetjen met water, daer in zynde 6 kannen water dat uyt de schuyt in ’t schip was gekomen en, alsoo ick noch niet machtig was het selve op te lichten (een teken van seer kleyne kragt), leyde het by my neer en dronck het meer als half leegh. Oock liet my de schipper een pint Franse wijn geven, die ick mede met smaeck uytdronck. Ick verstondt van ’t volck dat sy ’s avonds te vooren met haer schepen daer waren gekomen en dat sy wel seventhien a achtien doode lichamen gevonden hadden waer van eenige soodanigh gestelt waren, dat men haer niet konde handelen. Ongelooffelijke stanck wasser in ’t schip en alsoo den avondt viel en het niet geraden vonden om in die grooten stank het volck in het schip te laten, stapten sy alle in de boot en sloep om weder aen boort van haer schip te varen, maer voor haer vertrek van boort hoorden zy noch gekerm van een mensch, waer op zy weder uyt de sloep in het schip gingen om te besoeken en komende in de stuurboorts hut, vonden aldaer den hof-meesterJan Frantz. Doesborghheel kranck. Zoo haest hy ons sagh riep hy: „Slaet my niet doodt, ick sal seggen waer het geldt is.” Wy vermoeden[164]dat hy meenden dat wy quamen om het schip te berooven. Hy seyde dan: „Het geldt leydt onder de schipper sijn kooy.” Zy namen hem uyt het schip en quamen alle weder in de sloep, en bragten hem op het schip denDageraetalwaer van behoorlijcke medicamenten tot herstelling zijnder gesontheyd met de hulp van Godt wierde gegeven; dogh hy overleed na twee en een half etmael op denDageraet.Om weder tot mijn varhael te komen, so bragten sy my met mijn kisten en slaep goedt aen denDageraet. In ’t roeyen naer ’t schip voeren wy eerst aen de chaloupl’Amie, alwaer zy 2 gebraden vissen, twee geweyckte bisschuyten en een kanne water voor my overlanghde, aen de welck ick in ’t roeyen na deDageraetbegon te peuselen en op het schip gekomen zijnde wierd ick van de kock met warm water van ’t hooft tot de voeten gewassen; verschoonde my doen van alles en dit gedaen zijnde, sette de kock my schape vlees met geele wortelen voor om te eeten; daer toe wierd my so veel wijn gegeven als ick konde drincken.Wy bleven hier noch drie dagen leggen; onderwijlen wierd ons schipDe Dageraetgeladen met de gebergde goederen van het verlooren schipDe Gouden Buys, waer onder seventhien kisten met geldt waren.Onse ladingh in hebbende, gingen in Compagnye van de chaloupl’Amie(die oock volladen was) ’t zeyl en na dat wy twee dagen in zee geweest waren, kregen een storm dat wy in korten tijdt door de poorten tusschen deck drie voet water in kregen.[165]Wy deden dan met alle man soo veel met balijen en putsen dat wy eyndelick het schip weder leegh kregen; maer ’s anderen daegs, eendeels door contrarie windt en anderdeels om ons schip wat te kalleffateren deSaldange Baeyin liepen, alwaer wy oock visten ende in twee trecken met den Zegen wel een half schuyt vol vis vongen; de gevangen vis aan boort gebraght hebbende koockte, braede en backte deselve daer ick niet weynigh mijn part van kreegh, ’t welck een groote vervarssingh voor mijn was. Sy broghten my oock na de Compagnie post die in deSaldange Baeyleydt om een van myn mackers die sy seyden van deSwartendaer gebracht te zijn te besoecken, maer als ick daer quam verstondt ick dat hy daeghs te vooren met een vrijmans vaertuygh dat daar lagh was vertrocken. Ick verstont hier oock dat de swarte die my in ’t bos gevonden hadde, aldaer de tijdinge hadden gebragt dat sy ons beyde wel gevonden maer niet mede hadden konnen krijgen, gelijck waer was. Ick vroeg of zy mijn rantsel met geldt daer niet hadden gebraght, daer ick op tot antwoordt kreeg dat sy wel wisten wat geldt was en wijser waren het daer te brengen. Sy gaven ons dan te eten ende dat gedaen zijnde, voeren weder aen boort, maekten den volgende dagh zeyl en staken in zee. Na dat wy weder 2 daghen in zee geweest waren, kregen deTafelenLeewen Berghin ’t gesigt; die nacht was het heel stil weer en liet de stuerman in de honde-waght52[166]ons groote zeyl met de fock53op gijen54, streken ons mars-zeyl op de randt neder en lieten het alsoo drijven; na datter 6 glasen in de honde-waght uyt waren55zagen wy de brandings soo natuerlijck dat het ons heel ontstelde; hier op komt de schipper uyt sijn kooy, die hem in ’t begin van de honde-wagt tot slapen had geleydt en de sorgh aen de stuerman gelaten hadde, zeyde: „Mannen wat wil dit zijn? Heer, wat is dat? Soude wy wel aen de vaste wal sijn?” Dit seyde hy uyt oorsaecke van de groote mist die daer was en alsoo de zee boven gemeen hol gingh, was het wel te presumeeren dat wy digt by landt mosten wesen, lieten het diep loot werpen en bevonden op 10 vadem water te sijn. Hier op riep de schipper: „Mannene ’t sa, wacker! Het ancker voor van de boegh af en laet het vallen”; daer wel voort aengegaen wierdt maer de branding begost al voor ons te breken. Na dat wy 2 anckers hadden laten vallen en omtrent 100 vadem geviert56was eer het selve wilde houden, waren wy alsoo dight op de wal dat de brandingh met sulcken kraght voor ons schip storten dat onse groote blinde ree57in de eerste stortingh aen stucken brak waer op ons voor schip wierdt aen stucken geslagen. Een man[167]die voor de beetingh58stont, wierdt van de zee tegens deselve aen geslagen dat sijne ribben aen stucken waren; hy kroop noch na de cojuyt, maer bestorf het. Door de vuyle klippige gront raekten beyde onse cabel touwen aen stucken en wiert ons achter-schip tegens de wal geset dat hem het roer van syn gat af stiet en het voorschip dwars zee, soo dat hy met syn stuur-boort aen landt quaem te leggen en wierd al hoger op tegen de wal geset. Wy kregen van bakboort sulken zee, dat ons de focke mast midden door sloegh. Even te vooren hadden wy de schuyt in de taakels59gehangen om te sien of wy met deselve niet konde ontvluchten, maer wy sagen daer geen apparentie toe want d’eene zee was niet over ons hooft of kregen eer wy ons adem gehaelt hadden d’ander weder op ’t lijf. Wy vluchten dan d’eene parthy op ’t half-deck60, sommige op de hut61, eenige klommen in ’t want andere saten op het zonne-dek62, in somma elck sogt hem te salveeren als hy best konde. Ick was dan mede achter op geloopen; onderwijlen komt daer een zee en slaet de schuyt in sijn taakels aen stucken dat de achter en voorsteven bleef hangen en met deselve zee, raekte onse groote mast (die digt onder de mars wierdt aen stucken geslagen)[168]over boort; de zee die daer op volgden sloeg de boot die los in sijn klampen63stont mede over boord ende de groote mast noch eenmael aen stucken.Hier na wiert het voor schip tot aen ’t groote luyck van ’t achter schip van malkanderen geslagen so dat ondertusschen het agter schip hooger tegen strant aen schookte. Op het sonne-deck waren wel 15 a 16 gevlught dewelcke door een zee met het selve van ’t schip wierden geslagen en van ’t water alle over de klippen aen landt geset. Kort hier op wierdt het deck van de hut, daer de rest van ’t volck op was gevlught (behalven ick en de konstapels jonge64, gelight en quamen als de voorige aen landt. Ick op het vrak van ’t schip staende, trock mijn kleederen uyt om met swemmen aen ’t landt te komen, maer siende dat ’er verscheyden waren die beter swemmen konden als ick haer te water gaven, maer wat ter zijden het schip gekomen zijnde trock het water soo sterck dat het haer in zee sleepte en alsoo 15 a 16 man verdronck; ick moeder naekt dit ellendig schou-spel aensiende, quam weder een zee en slaet my met de jonge een stuck van boort in zee; ick verliet het stuck houdt, alsoo om siende veel houtwerck en vaten op my sagh afkomen, liet my na de gront toe sincken om van deselve niet beschadigt te werden. Onderwijlen raekten dit goedt alles over mijn hooft en weder boven komende, zag mijn door de vloet van ’t water een goedt stuck[169]van ’t wrack af, de tweede brandingh over viel mijn soo schielijck dat ick deselvige niet konde ontwijken; zij nam mijn op en smeet my los tegens de klippen in, alwaer ick door de bandieten65, die op het schieten daer gekomen waren, zijnde vijf sterk, gezwind daeruyt gehaelt wierd.)Op het landt gekomen zijnde, bragten sy my by een groot vuyr om te warmen dat sy gemaekt hadden; gewarmt hebbende setten sy my met noch vier andere op een wagen, bragten ons in haer woon huys en setten ons broot en kaas voor daer wy wat van aten. Na dat wy daer drie dagen hadden geweest, wierden met de boot van ’t schipSchoondijckdat aen deCaaplag van daer gehaelt en aen deCaapgebragt en aldaer gekomen zijnde, vondt ick mijn cammeraetLourens Thysz.op ’t hooft staen die in ’t bos met den boekhouder van ons was gescheyden; als hy my sag verwellekomde my met groote blijdtschap en nam my met hem in zijn logement, ten huyse van de voorgemelte vrymanLambert Adriaansz.alwaer ick wel wierde ontvangen en bleef logeeren.Eenige dagen hier naer, deden wy aen den secretaris van den Governeur het voor-verhaelde relaes, het welcken in ’t kortopgeschrevenzijnde, wy met eden bevestigen.[171]

Ongeluckig, of Droevigh Verhael van ’t SchipDEGOUDEN BUYS,Uytgevaren ten dienste van d’Oost-Indische Compagnie, ter Camer Enchuysen; in den Jare 1693, den 4. May, onder Commando van SchipperTHEUNIS BAANMAN.Uyt de Beëdigde Verklaringe t’ Samen-gestelt vanDANIEL SILLEMAN, Watermaker,ENLOURENS THYSZ, Timmerman.Die alleen van 190. Zielen zijn overgebleven.TE UTRECHT,Gedruckt by de Weduwe vanJ. vanPOOLSUM, Ordinaris Stads Druckster / woonende tegen over ’t Stadthuys / 1706.

Ongeluckig, of Droevigh Verhael van ’t SchipDEGOUDEN BUYS,

Uytgevaren ten dienste van d’Oost-Indische Compagnie, ter Camer Enchuysen; in den Jare 1693, den 4. May, onder Commando van Schipper

THEUNIS BAANMAN.

Uyt de Beëdigde Verklaringe t’ Samen-gestelt vanDANIEL SILLEMAN, Watermaker,ENLOURENS THYSZ, Timmerman.Die alleen van 190. Zielen zijn overgebleven.

TE UTRECHT,

Gedruckt by de Weduwe vanJ. vanPOOLSUM, Ordinaris Stads Druckster / woonende tegen over ’t Stadthuys / 1706.

[131]

[Inhoud]INLEIDING.In die vorige hoofstuk het ons die beskrywing gehad van ’n skipbreuk in die Tafelbaai. Hieronder gee ons die volledige verhaal van die noodlottige reis in 1693 van die skip dieGouden Buysvanaf sy vertrek uit Enkhuizen op weg na Oos-Indië tot sy stranding op die kus van St.-Helena-Baai, nadat die skipper genoodsaak was daar anker uit te werp by gebrek aan manskappe om die reis mee voort te sit. Dit gaan swaar om vir ons ’n denkbeeld te vorm van die ontberinge en gevare verbonde aan ’n lang seereis in daardie dae. Storme, wat op die swaar want van die seilskepe veel meer vat gekry het as op ons moderne stoomskepe; swaar-gewapende kapers wat daarop uit was om die rykbelade handelskepe buit te maak; die lang duur van die reis; die gebrek aan ruimte en lig; die eentonigheid van die voeding en die skaarsheid van soetwater met hulle nasleep van siektes van allerlei aard, veral die gevreesde skeurbuik—al hierdie omstandighede het hul deel bygedra om ’n reis van en na Suid-Afrika ’n byna waaghalsige onderneming te maak. Van dit alles skep die relaas van die reis van dieGouden Buys’n treffende en skrikwekkende beeld. Van die 190 man wat op 12 April 1693 Enkhuizen verlaat het, het daar begin November van dieselfde jaar nog maar sewen-en-twintig oorgebly. Van hierdie manskappe het sewe aan land gegaan om van daar (St.-Helena-Baai) te probeer of hulle die[132]Kaap miskien nie kan bereik nie. Van die klomp wat aan boord gebly het, het nie een in lewe gebly nie; en van die sewe wat die skip verlaat het, het net twee man die ontberinge en teenspoede van die reis oorleef. Dit is op grond van die beëdigde verklaringe wat hierdie twee man, Daniel Silleman en Lourens Thijsz, ná hulle aankoms aan die Kaap gemaak het, en van die mondelinge mededelinge van eersgenoemde ná sy terugkeer in Holland, dat die verhaal saamgestel is (L. Thijsz is oorlede op die skip gedurende sy terugreis na die vaderland). Wie die skrywer is, word nie vermeld nie; maar dit is duidelik dat hy vir hom byna letterlik gehou het aan die gegewens wat Silleman vir hom verstrek het. Afgesien van die skriklike lye wat die twee oorblywende mans moes deurmaak, en die gruwelike noodmiddels waartoe hulle die toevlug moes neem, is interessant wat hulle meedeel oor die deurgaans vrindskaplike houding van die Hottentotte, sonder wie se hulp hulle sonder twyfel ook sou omgekom het.Die teks wat ons gee, is dié van die uitgawe van 1706, by die weduwee van J. van Poolsum, in Utrecht, waarvan ’n eksemplaar aanwesig is op die Kaapse argief. Daar bestaan nog ’n vroeër uitgawe gedruk in Enkhuizen by Hendrik van Straaten, waarvan ’n eksemplaar berus in die Fairbridge-biblioteek, nou in besit van mejuffrou D. Fairbridge, op Claremont. Ons het die twee drukke met mekaar vergelyk en geen noemenswaardige afwykinge tussen hulle ontdek nie. ’n Gedeeltelik gewysigde en gemoderniseerde[133]herdruk het reeds verskyn in dieZuid-Afrikaansche Tijdschriftvan Junie 1885 (blss. 257–280) onder die tietel „Een reis van Holland naar de Kaap 200 jaar geleden. Een verhaal van jammer en ellende.” Ook in Die Brandwag van 1 Desember 1911 het die laaste deel van die reisbeskrywing verskyn; maar die teks laat taamlik te wense oor en is partykeer heeltemal onverstaanbaar of misleidend as ’n gevolg van slordige afskrif en byvoeging of weglating van woorde.[134]

INLEIDING.

In die vorige hoofstuk het ons die beskrywing gehad van ’n skipbreuk in die Tafelbaai. Hieronder gee ons die volledige verhaal van die noodlottige reis in 1693 van die skip dieGouden Buysvanaf sy vertrek uit Enkhuizen op weg na Oos-Indië tot sy stranding op die kus van St.-Helena-Baai, nadat die skipper genoodsaak was daar anker uit te werp by gebrek aan manskappe om die reis mee voort te sit. Dit gaan swaar om vir ons ’n denkbeeld te vorm van die ontberinge en gevare verbonde aan ’n lang seereis in daardie dae. Storme, wat op die swaar want van die seilskepe veel meer vat gekry het as op ons moderne stoomskepe; swaar-gewapende kapers wat daarop uit was om die rykbelade handelskepe buit te maak; die lang duur van die reis; die gebrek aan ruimte en lig; die eentonigheid van die voeding en die skaarsheid van soetwater met hulle nasleep van siektes van allerlei aard, veral die gevreesde skeurbuik—al hierdie omstandighede het hul deel bygedra om ’n reis van en na Suid-Afrika ’n byna waaghalsige onderneming te maak. Van dit alles skep die relaas van die reis van dieGouden Buys’n treffende en skrikwekkende beeld. Van die 190 man wat op 12 April 1693 Enkhuizen verlaat het, het daar begin November van dieselfde jaar nog maar sewen-en-twintig oorgebly. Van hierdie manskappe het sewe aan land gegaan om van daar (St.-Helena-Baai) te probeer of hulle die[132]Kaap miskien nie kan bereik nie. Van die klomp wat aan boord gebly het, het nie een in lewe gebly nie; en van die sewe wat die skip verlaat het, het net twee man die ontberinge en teenspoede van die reis oorleef. Dit is op grond van die beëdigde verklaringe wat hierdie twee man, Daniel Silleman en Lourens Thijsz, ná hulle aankoms aan die Kaap gemaak het, en van die mondelinge mededelinge van eersgenoemde ná sy terugkeer in Holland, dat die verhaal saamgestel is (L. Thijsz is oorlede op die skip gedurende sy terugreis na die vaderland). Wie die skrywer is, word nie vermeld nie; maar dit is duidelik dat hy vir hom byna letterlik gehou het aan die gegewens wat Silleman vir hom verstrek het. Afgesien van die skriklike lye wat die twee oorblywende mans moes deurmaak, en die gruwelike noodmiddels waartoe hulle die toevlug moes neem, is interessant wat hulle meedeel oor die deurgaans vrindskaplike houding van die Hottentotte, sonder wie se hulp hulle sonder twyfel ook sou omgekom het.Die teks wat ons gee, is dié van die uitgawe van 1706, by die weduwee van J. van Poolsum, in Utrecht, waarvan ’n eksemplaar aanwesig is op die Kaapse argief. Daar bestaan nog ’n vroeër uitgawe gedruk in Enkhuizen by Hendrik van Straaten, waarvan ’n eksemplaar berus in die Fairbridge-biblioteek, nou in besit van mejuffrou D. Fairbridge, op Claremont. Ons het die twee drukke met mekaar vergelyk en geen noemenswaardige afwykinge tussen hulle ontdek nie. ’n Gedeeltelik gewysigde en gemoderniseerde[133]herdruk het reeds verskyn in dieZuid-Afrikaansche Tijdschriftvan Junie 1885 (blss. 257–280) onder die tietel „Een reis van Holland naar de Kaap 200 jaar geleden. Een verhaal van jammer en ellende.” Ook in Die Brandwag van 1 Desember 1911 het die laaste deel van die reisbeskrywing verskyn; maar die teks laat taamlik te wense oor en is partykeer heeltemal onverstaanbaar of misleidend as ’n gevolg van slordige afskrif en byvoeging of weglating van woorde.[134]

In die vorige hoofstuk het ons die beskrywing gehad van ’n skipbreuk in die Tafelbaai. Hieronder gee ons die volledige verhaal van die noodlottige reis in 1693 van die skip dieGouden Buysvanaf sy vertrek uit Enkhuizen op weg na Oos-Indië tot sy stranding op die kus van St.-Helena-Baai, nadat die skipper genoodsaak was daar anker uit te werp by gebrek aan manskappe om die reis mee voort te sit. Dit gaan swaar om vir ons ’n denkbeeld te vorm van die ontberinge en gevare verbonde aan ’n lang seereis in daardie dae. Storme, wat op die swaar want van die seilskepe veel meer vat gekry het as op ons moderne stoomskepe; swaar-gewapende kapers wat daarop uit was om die rykbelade handelskepe buit te maak; die lang duur van die reis; die gebrek aan ruimte en lig; die eentonigheid van die voeding en die skaarsheid van soetwater met hulle nasleep van siektes van allerlei aard, veral die gevreesde skeurbuik—al hierdie omstandighede het hul deel bygedra om ’n reis van en na Suid-Afrika ’n byna waaghalsige onderneming te maak. Van dit alles skep die relaas van die reis van dieGouden Buys’n treffende en skrikwekkende beeld. Van die 190 man wat op 12 April 1693 Enkhuizen verlaat het, het daar begin November van dieselfde jaar nog maar sewen-en-twintig oorgebly. Van hierdie manskappe het sewe aan land gegaan om van daar (St.-Helena-Baai) te probeer of hulle die[132]Kaap miskien nie kan bereik nie. Van die klomp wat aan boord gebly het, het nie een in lewe gebly nie; en van die sewe wat die skip verlaat het, het net twee man die ontberinge en teenspoede van die reis oorleef. Dit is op grond van die beëdigde verklaringe wat hierdie twee man, Daniel Silleman en Lourens Thijsz, ná hulle aankoms aan die Kaap gemaak het, en van die mondelinge mededelinge van eersgenoemde ná sy terugkeer in Holland, dat die verhaal saamgestel is (L. Thijsz is oorlede op die skip gedurende sy terugreis na die vaderland). Wie die skrywer is, word nie vermeld nie; maar dit is duidelik dat hy vir hom byna letterlik gehou het aan die gegewens wat Silleman vir hom verstrek het. Afgesien van die skriklike lye wat die twee oorblywende mans moes deurmaak, en die gruwelike noodmiddels waartoe hulle die toevlug moes neem, is interessant wat hulle meedeel oor die deurgaans vrindskaplike houding van die Hottentotte, sonder wie se hulp hulle sonder twyfel ook sou omgekom het.

Die teks wat ons gee, is dié van die uitgawe van 1706, by die weduwee van J. van Poolsum, in Utrecht, waarvan ’n eksemplaar aanwesig is op die Kaapse argief. Daar bestaan nog ’n vroeër uitgawe gedruk in Enkhuizen by Hendrik van Straaten, waarvan ’n eksemplaar berus in die Fairbridge-biblioteek, nou in besit van mejuffrou D. Fairbridge, op Claremont. Ons het die twee drukke met mekaar vergelyk en geen noemenswaardige afwykinge tussen hulle ontdek nie. ’n Gedeeltelik gewysigde en gemoderniseerde[133]herdruk het reeds verskyn in dieZuid-Afrikaansche Tijdschriftvan Junie 1885 (blss. 257–280) onder die tietel „Een reis van Holland naar de Kaap 200 jaar geleden. Een verhaal van jammer en ellende.” Ook in Die Brandwag van 1 Desember 1911 het die laaste deel van die reisbeskrywing verskyn; maar die teks laat taamlik te wense oor en is partykeer heeltemal onverstaanbaar of misleidend as ’n gevolg van slordige afskrif en byvoeging of weglating van woorde.[134]

[Inhoud]DIE RAMPSPOEDIGE REIS VAN DIE GOUDEN BUYS.Droevig Verhaal van ’t schip de „Gouden Buys,”Uytgevaren voor de Camer van Enckhuysen, naer Oost-Indien, op den 4 Mey, Onder Commando van SchipperTheunis Baanman.Na dat de Heeren Bewindthebberen van de Oost-Indische Compagnie ter CamerEnckhuysen1de monsteringe van ’t Scheepsvolk bestaende in ruym 190 man op den 9. April 1693 hadden gedaen, zeylden ’t schip den 12. dito van de reede der stadtEnchuysenaf naTexelen geraeckte dien dagh voor de Ven en den 14. dito onder deVlieter2ten Ancker, alwaer de meeste inladinge gelijck oock ’t meerendeel des Scheeps-volck aen boort quam en op den 24. April den schipper met den boeckhouder en vordere Officieren. Van daer weer verzeylende quamen inTexelop deKoopvaarders Reedeen eyndelijck tusschen ’tNieuwe Diepen deHelder3ten ancker; daer gevonden hebbende ’t Schip deKoning Williamen ’t gajoot4de Kers, beijde van de camer vanAmsterdam,[135]mede gedestineert naer Indien: wierd ’er door de Heeren Gecommitteerdens van beijde dese respective cameren, en hare schippers met eenige doenmaels in Texel leggendeGuinees,Surinaams,Lissabonsvaerders5Compagnie en vorder admiraalschap gemaeckt6, de schepen der Ed. Maetschappij tot Commandeur en Vice Commandeur verkooren zijnde, meende man op den 1. Mey ’t Zee te geraken en waren al onder zeyl; doch de windt enigsins tot nadeel lopende most dese vloot weder te rug en koste in ’t vallen laten van ’t ancker het leven van een Matroos welcke met de poortuurlyn7over boort wierd geslagen en quam niet weer boven. Eyndelijck geraeckte men op den 4. Mey na zee, dog met seer groot perikel van het schip en volck; want het ancker met groote moeyte geligt zijnde, konde niet om hoog na begeerte gewonden werden, wat vlijt dat ’er oock by ’t gantsche scheepsvolck wierde aengewent, echter men schokte soo met een uytgestort Mars-Zeyl8na ’t Gat9; Doch niet sonder groote vreese van een ervaren lootsman, om hier door aen de lagerwal, of op ’t eygen ancker in ’t droogste van ’t Gat aen de gront te geraken; En hoe wel men hier door[136]seer belemmert was, sulcks dat men ’t achterste van de vloot geraekten, men quam eyndelijck buyten gaets en in zee.Den 7. dito sturf een soldaet.Den 10. dito sag men de Schotse kust10.Den 12. dito was men daer noch onder ’t landt en kregen een zwaren storm waerdoor wy genootsaeckt wierden een bijlegger te maken11. Het duerde tot den 17 dito, wanneer het weer wat bedaerde en een bakstagh wind12kregen.Den 18 dito quamen ons 4 schepen in ’t gesigt.Een den 19 dito sagen wijFairhil13.Den 20 dito passeerde deselve.Den 22 dito storf den opper kuiperReynder Luytsz. van Enchuisen.Den 26 dito sagen wij de klipRocolle14.Den 31 dito begon ons volck seer af te nemen en kregen verscheyden siecken, dogh storf niet meer als een man, zijnde den bottelierHarme Claasz.Langelens, van den 10. Juny tot op den 18. Juny aen toe. Doe men nu echter met veele tegen winden achter Engelandt was omgekomen begon den voortgang te beteren ende siecken eenigsins weder op te komen en was de toestandt van saken in ’t schip redelijck wel want men bevont[137]sig op den 12. Juny al op de hoogte van 34 graden 0 min. noorder breete en op den 18. dito op 24 graden 30 min. als wanneer het een goeden spoet maeckten, ’t geene alles den leeser uyt de brieven van den schipper geschreven aen zyn huysvrouw, als oock die van den boekhouder aen zijn vader en van andere officieren kan afnemen en sien.[Hier volg vier briewe wat die voorgaande bevestig.]Uyt dese brieven welcke gekomen zijn met de Surinaams en Guinees-vaerders, dien doen van haer affscheyden kan den leeser afnemen dat alles doen wel gestelt was en een yder met genoegen en goede eenigheyd de reys vervorderde, insonderheyd de officieren onder malkanderen, doch hoe wel sy met den anderen waren en wat goeden voortganck sy maeckten, sy scheenen als tot haer ongeluck te haesten; want eerS. Jaga15in ’t gesigt was warender al 14 dooden. Hier scheyde het galjootde Kersvan haer om ’t gemelde Eylandt aen te doen en de siekten weder toenemende ordonneerde den schipper twee beddinge voor de sieken op het onderdeck te maken en zeylden doen by de windt voort. Eyndelijck omtrent deLinie, als wanneer den schipper van deKoning Williamaan ons boort quam, en siende den bedroefden toestandt wenste ons wel met haar volk te konnen helpen, maar hadde selver mede veele sieken waar op hy tegens den avondt zeyl maakte en ons verliet; als wanneer in ’t Schipden Gouden Buys[138]ruym 40 dooden en aan de kant van de 50 sieken werden getelt. 7 a 8 weeken dreven in stilte omtrent deLinieom de selve te passeeren ’t geen de siekte door de groote hitte meer en meer vermeerderde, soo dat ’er op eenen dag wel 6 a 7 te gelyck sturven en over boort wierden geset.Droevigh was ’t om te aanschouwen, Godt dagelijks om uytkomst aanroepende; eyndelijk geraakte na veel suckelens door deLinie. Omtrent desen tijdt viel weder een matroos overboort en verdronck. Op sekeren avondt doen het gebedt soude geschieden, quamen alle de gesonden in de selve ende den schipper, ongeveer maar 30 man bij hem vernemende, vraagde den schipper aan de quaertiermeesterHarmen Jansz.of dit al het gesonde en de rest siek waren, het welk den schipper met verbaastheyd al suchtende dede uytbarsten: „Lieve God! zegen ons; is dit al mijn gesondt volck van 104 zielen dewelcke noch binnens boort moeten wesen? Wat wil dit noch worden?”Meenichmaal seyde de schipper, na ’t eyndigen van ’t gebed, dat soo daar by de siecken eenige lust tot het een of ’t andere waar, van dat geen by hem in de kajuit of in ’t schip was, sy het maar souden eyschen en halen en die niet selfs konde komen, om dat geene dat hy garen had te halen dat hy dan sijn maat ofte ymandt anders konde zenden en dat hem soude gegeven worden dat geene dat tot verquickinge soude kunnen dienen, gelijck sulcks meermaal is geschiedt en uytgedeelt. Wat na dese tijd passeerde wy de hooghte[139]vand’Abrollus16, alwaar ons een travaat17soo heftigh trof dat wy onse kruys-stengh18en groote-stengh19verlooren; onse voor-stengh was ook seer beschadigt maar bleef nog staan. Hier bleven wy 3 a 4 etmaal in desen desolaten staat leggen drijven; eyndelijck malkander nieuwe moedt gevende, kreegLourens Thijsz., derde timmerman, met hulp van ’t andere volck alles weder vaardigh; wy hadden doen al 3 timmerlieden doodt en de vierde lagh sieck ter kooy. Wy zeylden dan in Gods Naem weder henen, hopende nog met hulp van Godt het schip behouden over te brengen.4 a 5 Dagen hier naer verlooren onse onder stuerman ende de opper lagh in sijn kooy heel kranck; twee dagen hier naer sturf onse derde waak20, met onse schipper was het oock niet wel die ook seer begost te klagen.Omtrend desen tijd quam ons een schip in ’t gesight, zijnde als doen na gissinge omtrent 300 mijlen van deCaap; het schip ons naderende quam onse schipper met sijn siecke leeden voor den dag en liet onse reen met kettinge vast maken21; wy waren doen siecken als gesonden ruym 30 man[140]sterck, maakten alles dat tot tegenweer diende vaardigh22maar doen wy het selfde nader quamen, toonde hij een roode vlagh waer uyt wy vermoeden dat het een Deen ofte een Engels schip was. Hy bleef ander-half etmael by ons, als wanneer hy weder uyt ons gesight raakte, hebbende doen een goede windt, zeylende op ’t seggen van onse stuermans jonge die wat van de navigatie geleert hadde en vorder van den schipper onderrigt wierde voort, want wy hadden doen geen eene stuerman meer en onse schipper lag oock heel sieck in de kooy; oock hadden wy geen eene chirurgijn, in somme wy waren soo zwack van volck dat wy naeulijks het roer konde bedwingen.Eyndelijck raakten met hulp van onsen stuermans jonge soo verre dat wy den 11 October het landt in ’t gesigt kregen, alwaar wy digt onder en tot op een mijl na aen landt liepen. Kort hier op quam een travaad die ons marsseil vande raa23in zee deed wayen; onse schipper liet de gesonde in de kajuyt by hem komen die in 6 a 7 man bestonden en seyde: „Mannen, sou het niet beter wesen dat gy het zee-waerts lag?”24maar antwoordde[141]van neen, wat souden wy met ons kleyn getal volck uyt rechten? Eyndelijk op het lang aanhouden van den schipper staken met dese weynige machteloose nogtans weder ’t zee of ’t nog mogelijk waer om deCaapof deSaldange Baeyte konnen winnen dog alles te vergeefs. Na dat wy nu 8 dagen ’t zee hadden gezworven en ’t landt al weder uyt het gesigt waren geweest, kon men door contrarie windt geen hooger haven bestevenen; dies quamen wy ter voornoemde plaets inS. Helenaes Baeyten anker. Wy waren geen 6 man sterk bequaam eenige dienst te doen, de rest moesten haer op handen en voeten behelpen; trecken de groote en fokke raa25neder; maakte het voor marsseyl26los, besloegen27de blinde28en bergden de zeylen onder in ’t schip; bleven in dese gestalte omtrent 2 a 3 weeken leggen hopende door het een of ’t ander middel gered te werden.Als wy hier dan dus lange vruchteloos gelegen hadden, ontbood de schipper, die nu al 14 dagen plat te bedd’ had gelegen die gene die wat konde gaan in cajuyt by hem, alwaar wy met ons 13 a 14 man quamen. Hy seyde: „Mannen, wy hebben hier dus lang gelegen en sien geen hulp op uytkomste. Wie heeft lust om na de Saldange Baey te gaen die maer 12 a 14 mijlen van hier leyt, daer sult gy Christenen vinden om die te[142]spreeken.” Hier op traden wy met ons sevenen toe te wetenJacob Lepi29boekhouder,—de commandeur van de soldaten,—Flip Warlo,Schiman30,—Jan Christiaansz., botteliers-maat31,—Jan Harder, soldaat,—Daniel Silleman, watermaker32en ick,Lourens Thijsz, timmerman. Maekten ons dan vaardig om aen land te gaen en kreegen ter nauwer nood op den 11 November de schuyt buyten boort; namen de man twee beschuyten, een kan water, een bottel wyn, een met brandewyn, yder wat tobak, een paar pistolen, vier snaphanen en elck een hou-degen, waar mede by den schipper zijn gegaan die wy veel gesontheyd toewensten, gelijk hy ons yder man voor man by de hand vattede ook geluck toe-wenste met aanmoedinge van onse reyse kort voort te setten; wy lieten hem in een slechte staet heel krank leggen, wel te gemoet siende dat wy hem niet levendig souden weer vinden; trocken zo op de Reys.Hier mede sijn wy in de schuyt gegaen en na land geroeyt, alwaar tegen de middag zijnde den selven 11 Novemb. aan quamen; op ’t land gekomen zijnde dronken malkander toe uyt een bottel france wyn; hier op marscheerden wy in Gods naem de strand langs.[143]Als wy omtrent derdehalf uur33gegaan hadden, leyden het tegens een zand-heuvel aen strand neder, latende de zee aan de rechterhand soo ons van de schipper belast was, maakte wat vuyr en rookte een pijp toebak en ging met ons vijven leggen slapen latende twee de wacht houden die na verloop van eenigen tijd van twee andere verlost wierden; bragten dese nagt over sonder eenigh wild gedierte te vernemen, marcheerden des morgens weder soetjes voort want het hard lopen wegens de scheurbuyek ons benomen was, ’t welck ons ook geen meerder beschuyt had doen mede nemen. Tegen den avond, na dat wy vuyr gemaakt en een pijp toebak gerookt hadden, leyden wy ons weer te slapen en hielden wacht als vooren; in de nagt deden wy verscheyden schoten om eenige vreemde beesten die wy vermoedende waren van ons af te weeren en de nagt over gebragt zijnde, zijn wy met de morgenstond weder aan ’t marcheeren geraakt en quamen omtrent 10 uyren in de Bogt van de Baay. Dese bogt was omtrent twee en een halve mijl van de plaats daar wy met de schuyt aan quamen, daar wy echter door onse zwakheyd nu omtrent twee etmaal over gegaan hadden; alwaar wy een revier vonden die genaemt wierd (zo ons naderhand onderricht is) deBerg Revier; hadden geen meer water, weshalven verblijd waren maer het duirde niet lang door dien de rivier geen soet maer sout water hadde, alzo zijn uytgang in zee hadde, die alle ses uyren op en afliep; hier stonden wy te kijken en konden deselve niet passeeren van wegen sijn diepten: Dese[144]rivier is na gissing 4 a 500 voeten breet. Wy, niet wetende wat wy souden beginnen, sagen malkanderen bedroeft aen; vermits door de groote hette sulken dorst leden dat het onuytspreeckelijk was, resolveerden de revier hoger op te gaan, alwaar wy het water tamelijk begosten te krijgen, drinkende daar doen zo veel af dat het ons van onderen als een spuyt ontliep. Wy sagen malkanderen nochmaal bedroefder aan en seyden: „De schipper heeft ons leelijk bedrogen.”Den volgenden morgen, als onse boekhouder ouder gewoonte het gebed hadde gedaan, marcheerden wy weder de rivier hoger op en quamen eyndelijk zo verre daar het water heel zoet was, daar wy leggen bleven. Twee van onse mackers gingen de rivier noch hooger op om te sien of er geen hoop van uytkomste te vinden was; ende een stuckweegs opgegaan zijnde sagen zy aan de over kant twee leeuwen komen drincken, die zo haast sy haar sagen weder boswaart in vluchten. Sy proefden het water, maar bevonden het noch brak te wesen, keerden dan wederom en verhaalden ons wat sy gesien hadden. Resolveerden doen gesamentlijk de rivier hoger op te gaan tot dat wy op een vlakte quamen daar wy by malkander gingen zitten en schepten onse kannen met brack water, daar wy zo hartig van dronken dat het ons qualijk bequam. Wy maakten alhier vuyr en leyden ons daar rondom, maar konden de gantsche nacht niet rusten van wegens de pijn die wy in ons ligchaam kregen ’t welck wy oordeelden van het bracke water was spruytende.[145]Des morgens gingen weder met den dagh de rivier hoger op tot dat wy eindelijk bevonden dat het water vers wierdt alwaar wy een etmaal bleven leggen, maakte vuyr en schepte onse kannen weder vol, kookte het selve met wat safferaan (dat wy uyt ons schip mede genomen hadden) het welcke wy droncken om ons wat te verstercken, want nu in geen twee dagen gegeten hadde.’s Morgens vertrocken weder van hier de rivier langs ende des avondts nadat wy vuyr gemaakt hadden, stelden twee schilt wachten. Drie van ons geselschap vernamen een groot wilt beest, niet wetende wat voor een dier het was; sagen ook een zee koe in de rivier ende des anderen daags, als wy weder souden vertrecken, vonden ons genootsaakt een gedeelte van ons geweer wegh te werpen, overmids wy onmachtigh wierden de selve langer te dragen. Een van onse mackers gingh na het gebergte om te sien of hy yets soude kunnen bekomen; hy bleef wel drie dagen achter so dat wy meenden dat hem een wildt gediert verslonden hadde waar over met malkanderen bedroeft waren. Onse commandeur konde ook naeulijks meer voort komen want sijn gemacht was soo gezwollen als een bol van een hoedt; en onser aller beenen begonnen soo te zwellen dat wy niet langer gaen konden. Eyndelijck een weynigh verder gekomen sijnde vonden een vlack-velt, bewassen met riet, ’t welck ons dede resolveren een flotje te maken ende te sien of wy de rivier daar mede konde overkomen. Als doen quam onse macker voornoemt weder by ons die verhaelden, als dat hy meenden een Hottentot[146]gesien te hebben die voor hem wegh liep. Wy verheughden ons seer toen hy weder by ons quam vermids inde rivier een hoet hadde sien drijven die wy meenden de zijne geweest te hebben, maer bevonden als doen contrarie, soo dat wy niet konden bedencken waar dat die hoet van daen gekomen was. Ons vlotje klaar hebbende braghten het aan de kant van de rivier, doen is Daniel Silleman over de rivier gezwommen om eens te sien hoe het aan de ander kant mochte wesen, maar doen hy weder quam zeyd’ hy dat het een woest en wilt landt was, ’t welck ons dede resolveeren aan dese kandt te blijven en met malkanderen weder na ’t strant te gaen daer ons schip lagh; vulde dan onse kanne met water en gingen voort.Omtrent 1. half mijl verre gegaen zijnde, viel onse schimman Philip Warlo van wegens sijn zwackheyd neder, ende bleef daar leggen34. Hy dan siende geen uytkomste voor hem versoght ons maer voort te gaen; wy wenschen hem dan met schreyende oogen adieu. Wy gingen dan varder met onse zwacke leden, het boswaerts schuyns door na strant, hebbende nu also omtrent 2 en een half week met malkanderen gedoolt tot dat wy eyndelijk daer quamen. Een weynig langs de selve gegaen zijnde, vonden onse schipper in sijn combaers genaeyt doot leggen die van het wilt gedierte al een stuck uyt sijn bil gehaalt was. Wy lieten hem leggen want hadden geen kraght ook geen gereetschap[147]om hem te begraven. Kregen het schip int gesigt dat nog voor sijn anckers lagh, keerden weder na onse schuyt om met deselve na boort te varen en daar by gekomen zijnde, bevonden dat al het goet dat daar in gebleven was de zee uytgeslagen hadde, dat wy soo nauw als konden by een soghten. Ook was daar een stuck uyt de schuyt geraakt, maar onse timmerman brack de achter pleght35daar uyt en maakte weder een stuk daar van in deselve so dat wy de schuyt te naasten by weder kant en dight kregen. Doen bragten wy dreggen36met laagh water uyt en kregen de schuyt alsoo weder vlot, maar soo haast als wy hem vlot hadden, quam daar een brandingh en sloegh hem wel half vol water; kort daar op volghde nogh een ander, soo dat de schuyt daar meest door aan stucken raakten en wy de selve verlieten, ziende malkanderen bedroeft aan en geen kans overigh om weeder aan boort te geraken. Stacken een stock op en bonden daar een wit hemdt aan om ons in ’t schip te laten sien, maar vernamen geen teeken wederom, ’t welck ons dede vertrouwen dat sy alle mosten dood sijn; bleven dien naght daar op strandt en resolveerden om ’s anderen daaghs weder bos-waerts in te gaan, sijnde Jan Herder, soldaat, aldaar in onmacht blyven leggen, alsoo veel sout water hadde gedronken en storf.[148]Wy dan met ons vijven boswaerts ingaande, ten eynde om aldaar eenig voetsel en soetwater, of indien mooglijk was een eynde onses ongevals te soeken, vonden eenige swarte beessen37; bleven daar wel 2 a 3 dagen by leggen etende van deselve soo veel wy konden vermids wy uytgehongert waren, want in 14 dagen geen spijs genuttigt hadden.Na ’t verloop van dese dagen verlieten wy de beesten en zijn het bos verder door en door gegaan om weder aan de rivier-kandt te geraken, want den grooten dorst genootsaakten ons den dauw van de bladeren te licken ende ons eygen water te drincken, ’t welck ons also flaeuw en principael onse boeckhouder maakten dat hy daar neder viel en seyde: „Mannen, ik kan niet meer,” halende met eenen een brief van den schipper voor den dagh waar in soo wy meenden kennisse en berigt van den slechten toestants onses schip was en hoewel den boekhouder aan een yder van haar toestondt om na een goedt heen komen te soeken en hun leven soo sy best konde bergen, soo wilde den timmerman Lourens Thijsz. niet van hem scheyden, vermids oock sijn quade benen, maer bleef by den boeckhouder leggen.De andre drie nu gingen voort om de rivier op te soecken ende doen sy een weynigh van de boeckhouder en timmerman af waren deden sy een schoot die door haer op de selve wijs beantwoordt wierd waar mede malkander adieu wensten. Dese twee[149]bleven anderhalve dagh by malkanderen leggen als wanneer de gemelte boeckhouder zoo verzwakte dat hy niet meer spreken konde.Lourens Thijsz.dat siende, trooste hem met schriftuerlijke reden soo veel als hy konde en siende geen uytkomste wenste hem met schreyende oogen de saligheyt.Alsoo verliet ick,Lourens Thijsz., gemelte boekhouder en gingh dat wilde woeste bos alleen deur wandelen, tot dat ik eyndelijck aan een vlack velt geraakten daar een oliphant die my ongemollesteert liet gaan ontmoete, tot dat ick weder aan de voornoemde rivier quam alwaar ick ging neder sitten Godt danckende voor sijne genade ende groote barmhartigheyt dat hy my dus verre weder gebragt hadde. Ick schepte mijne kanne weder vol water, daer ick soo veel van dronck dat het mijn qualick bequam; mijn spijse was niet anders als gras en wilde beesten dreck. Soo bleef ick hier 6 dagen leggen; ik vernam hier verscheyden zee koeyen en telden wel 25 oliphanten die daer aan de rivier quamen drincken en weder boswaarts ingingen.De rivier langs gaende vonde ik een verrotte water-rot die ik van honger op at en quam alsoo weder by het vlotje dat wy met malkanderen gemaackt hadden, alwaar ik aan de overkant van de rivier eenige rook sagh op gaan het welck my dede ontkleden en op het vlotjen sitten gaen; dreef alsoo de rivier over. Hier over zijnde vondt ick een dooden haay daar ick mede hartigh van at. Naer het eeten der selver gingh ik boswaart in doch vondt geen menschen maar wel verscheyden soort van[150]beesten, als elanden, vogel-struyssen38en harte beesten, ’twelck my weder uyt het bos deed komen, keerende na het vlotje ende daar even op sijnde quamen twee leeuwen achter een hoeck van daan en gingen de rivier langs. Ick dreef de rivier over ontrent ter plaetse daar ick geweest was en ging deselve hooger op vijf dagen langh; vondt onderwegen een endt-vogel die ick op at.Des anderen daags vroeg in den morgenstondt ging ick op een hoogte neder sitten vol van groote flaeute en mistroostigheyt, want hadde doenmaels in drie dagen niet gegeten; schepte weer een weynigh moet en rees op en gingh wat varder boswaert in alwaar ick 3 schiltpadden vondt die uyt een bosje quamen kruypen; ick maakte aenstondts wat vuyr daer ick deselve op brade, gingh daer by neder sitten en kreeg mijn gebeede boeck, danckte Godt voor sijn genade dat hy mijn hadde deselve believen te verlenen. Noch in ’t bidden zijnde, hoorde ick eenig gerijssel meenende dat het beesten waren, soo dat ik schielijck opstondt en omme siende sag ick drie wilde menschen, yder met een pyl en boogh voor my staan. Ick verschrikte geweldig want ick sulcken soort van menschen nooyt gesien hadt; zy dan stelden haer in postuer met haar geweer, ende ick nam mijn pistool in de handt gingh also bevende op haar aen. Doen ick nu by haar quam was ’er een van haar die een weynigh Duyts39konde spreeken, die vraeghden my of ik een Duytsman39was; antwoorden hem van ja,[151]ende hy gaf my weder tot antwoortdat een Duytsman een goet man was. Ik verhaelen hem dat ons schip daar op ancker lagh en al ons volck gestorven sijnde wy met ons sevenen aan landt gekomen waren, waervan drie gestorven en drie noch in ’t bosch doolden, dien ik versogt of sy die wilden op soeken. Sy hadden eenige schiltpadden by haer die sy aenstonds voor my braden, ende een van haar haelde mijn kanne vol water, onderwijlen vroegen de andere na mijn toeback daar sy seer begeerig na zijn. De schildtpadden nu gebraden zijnde aten deselve te samen op; doen begeerden sy dat ik mijn boven kleederen soude uyt trecken en met haar mede gaen ’t welck ik deede, maer niet sonder groote vreese, want ik meende dat het menschen eters waren; ik gaf haer dan al mijn goedt om te dragen maer sy waren so gaau in ’t vooruyt loopen, dat ik haer niet konde volgen, soo dat sy my eyndelijk uyt het gesigt raakten, ’t welck my deede geloven dat sy met mijn goet weg waren.Ik volgde dan die selve passagie, tot dat ik haar vont sitten rooken een pijp toeback; ik sette my dan by haer neder ende een weynigh gerust hebbende, gingen weder te samen voort tot dat wy by haer hutte quamen40. Daer sagh ik haar vrouwen en kinderen die doen sy my sagen altemael vlughten, vermids sy sulcke menschen niet gewent waren soo ’t scheen. Brachten my dan in haar Opperhoofs wooningh daar ik veel koebeesten en schapen sag; sy gaven my harten vlees[152]en melck te eten en ’s anderen daeghs maakten sy my honingh bier om te drincken, brachten my oock eenige wortels41, die sy uyt de aerde graven ende in plaats van broot gebruyckten; ik at dat so hartig, sijnde van honger gans uytgeteert dat het my qualijk maakten; sy deden my hier op uyt haar hutte gaan vreesende dat ik soo aenstonds soude sterven. Doen ik nu in de lugt geraakte, quam ik aanstonts aan ’t braken dat my geweldigh verlichten en doen weder in haar hutte kroop, maer ick en konde tot geen slapen komen uyt vrees dat sy my noch om den hals soude brengen.’s Anderen daags quamen daar noch drie andere van haar geburen die heel anders van manieren en gedaanten waren; sy hadden lange baerden en waren gestadiger van wesen42. Doen vreesden ik weder dat sy my souden gedoodt hebben, maar bevondt heel contrarie want sy maakte een koe-beest vaerdigh om te slaghten die sy eerst met touwen bonden en gingen doen daar rontomme danssen, springen, speelen en maakte groote ceremonye volgens hare wijse; leyden my tusschen haer beyden daar by om het selve te aanschouwen ’t welck ik met groote verwonderinge aansagh. Dit gedaan zijnde maeckten sy het beest weder los, en lieten het selven weder naert bos loopen. (Mijns oordeels is dat ter eeren van dese drie gebuuren geschiet die sy genoot hadden, want sy haar met diversse soorten van spijse op hare wijse tracteerden.)[153]Soo braght ik dien nagt met haar ten eynde.Den dagh gekomen zijnde, namen wederom van malkanderen afscheyt en kusten my met haar handen toe. Ik had nu by haar twee etmaal geweest in welcken tijdt zy my getracteert hadden met alles wat sy konden by brengen. Maer het verloop der selve stuerde ick haar naer deSaldange Baeyen liet weten dat ick in haer wooninge was en hoedanigh zy my gevonden hadden.Sy gingen dan aanstonds henen en quamen ’s anderen daegs wederom; braghten een Hollander met haer; wy veraltereerde beyde doen wy malkanderen sagen en ’s morgens doen vertrocken wij na deSaldange Baey, nemende drie Hottentotten by ons. Onderwijlen dat wy op weg waren ontmoeten ons een oliphant, daar wy voor vlugten mosten; wy sagen verscheyden harte-beesten en vogel-struyssen.Eyndelijck aan deSaldange-Baeygekomen zijnde, maakten een van de Hottentotten vyer tot een teecken dat wy daar waren vermids daar noch een rivier tusschen ons en haar was43. Sy quamen dan aanstonds met een kleyn vaertuygh en haelden ons over; soo raakten ikLourens Thijsz.eyndelijck in deSaldange Baeyop den 1. of 2. Kers-Dagh, alwaar ik noch 14 dagen siek lagh en naer verloop der selve quam daar een vryman van deKaapom te vissen waar mede ik, zijnde wat beter na deKaapvertrock en nam mijn logement ten[154]huyse vande voorgenoemde vrijman genaamtLambert Adrijaansz.Verhaal van D. Silleman.Doen nuLourens Thijsz.aan deSaldange Baeywas aangekomen, wierd van daar aanstonds kennisse daar van aen de Gouverneur derKaapgesonden die ter aller yl een Vaertuygh44na ’t schipde Goude Buysaf-sond, gelijck hier na sal gesegt werden, waer door den watermakerDaniel Sillemanmede behouden wierd, want gelijck gesegt is den Commandeur der soldaten, den botteliers maat en ikDaniel Sillemanwatermaker, in manieren voorschreven van den zieltogende en neer-gezegenen boekhouder gescheyden sijnde, waren weynigh voort gegaan wanneer wy een schilpatje vonden; maakten vyer, braden het en aten te samen op; deden oock verscheyden schooten met onse pistolen om te doen hooren waer dat wy waren, meenende dat sy weder by ons soude komen, maer vernamen haer niet. Omtrent den avondt maeckten wy weder vuyr dat de botteliers maet (terwijl wy sliepen) brandende hieldt.Den volgende morgen begaven ons weder op wegh om by de rivier te komen en vonden drie schildpadden, die wy weder braden en te samen op aten; bleven daer een weynigh leggen om de groote hitte, tot dat de sonne wat gedaelt was wanneer wy weder voortgingen en drie dagen daer na aen de revier quamen, al waer wy weder ons kannen van[155]water versagen, maer wierden door al het water drincken seer hongerigh.Wy vonden dan aen de kant van de rivier tusschen de biesen amelyen of hanebollen45(soo men die in Hollandt noemt); aten daer van maer kosten onse honger daer mede niet verzaden; derhalven beraatslaegden weder boswaerts in te gaen om te sien of wy iets konde bekomen, alwaer by geval een schildpadt of twee vonden; keerden van daer weder na ’t strandt, daer wy onse verlaten schuyt, die aen stucken geslagen was vonden leggen; begaven ons met ons drien op een stuck van de schuyt te water, om weder aen boort te komen, maer wierden t’elkens met de zee weder te rugge gesmeten.Onderwijlen was ons water weder op geraeckt; wy dan sagen malkander seer bedroeft aen en keerden van disperatie weder boswaerts in om mondt kost voor ons te soeken; vonden eyndelijck van die blaeuwe bessen, daer voor heen van gemeldt is; aten van die selve en onthielden ons aldaer 14 dagen, drinkende ons eygen water, gelijck wy meermalen gedaen hadden. Doen verloren wy de boteliers maet, sijnde omtrent den 26. of 27. December ende een weynigh van het doode ligchaam gegaen sijnde, seyde de Commandeur tegens myDaniel Silleman: „Jan Crist of Christiaensz.(soo was sijn naem)is nu doodt en wy lijden grooten honger; laet ons weder te rugh gaen en snijden van het dickste vlees een stuck[156]af en laet ons het selve braden en op eten; Godt sal ons dat voor geen sonden reekenen.” Ik schrikte van so een voor-slagh en zeyde neen. Evenwel na veel tegenspreeken seyde hy, door honger geprangt sijnde: „Ik sal het dan voor my daer uyt snyden.” Ende alsoo mijn honger niet minder dan de sijne was, seyde ick tegens hem: „Wilt gy daer van snyden en braden, ick sal ’er u van helpen eeten.” Dit was nu tegens den avondt; ick kreegh hout en maeckte vuyr en hy ginck henen en sneed hem uyt het dick van ’t been een stuck omtrent soo groot als een handt en brade het; maer doen het gebraden was, konden wy daer niet van eten van wegen sijn droge tajigheyd; aten evenwel een mondt vol of twee daer van en staken het overschot in onse sack, willende sien of wy het den volgenden dag bequaem tot eten soude konnen maken; leyden ons hier op omtrent 20 treeden van ’t doode ligchaam (kraght en moedeloos zijnde) te slapen tot den volgende dag.En alsoo wy noch toback by ons hadden, bleven by malkanderen sitten en pijp toeback roocken tot ontrent de middagh, als wanneer ons de slaap overviel.Onderwylen quamen daer vierHottentots, gewapent met pijl en boogh by ons die my eerst aenriepen, waer op ick ontwaeckte en schrickte soodanige menschen te sien; stondt dan op en gingh een tree of thien te rugh by de Commandeur die noch sliep. Ick maeckte hem wacker; sy volghden my en setten hun met haer vieren rontom ons neder. (DeseHottentotswaren van deSaldange[157]Baeyafgesonden na datLourens Thijsz.daer was aengekomen om ons met ons driejen op te soeken; dog soude ons aparent soo kort niet hebben gevonden, maer wy hadden vuyr gemaeckt dicht onder eenig kleyn geboomte dat door de windt aen brandt geraeckt en vorder een groot gedeelte van ’t bos aen brandt stak.) Een van haer die krom Duyts sprack, vroeg ons of wy geen dorst hadden. Wy seyden van ja, want het was den 15. dagh dat wy niet anders als ons eygen water en den dan die wy ’s morgens van de bladeren lickte hadden genuttight. Sy maeckte vuyr en braden een schildtpadt voor ons dieDaniel Sillemanweygerde om te eten, seggende hy soude daer eerst van eten, waer op den Hottentot antwoorde: „Hongerige ziele, soude ick u kost op eten, dat doen wy niet.” Dies wy die eyndelick op aten.Als nu het water dat sy gebraght hadden uyt was, gaven wy haer elck acht dubbeltjes en vraeghden haer of sy meer wilden halen, dat wy haer dan meer geldt souden geven. Hier op gaen ’er twee weder om water ende de andere twee bleven by ons die wy wat toeback gaven. Een van de twee dewelck by ons bleef was die gene die wat Duyts konde en zeyde dat hy een capiteins soon was; de andere twee naer dat zy na gissinge vier uren waren wegh geweest quamen wederom en bragten water daer wy seer hartigh van droncken.Dat gedaen zijnde spraken sy van naer haer woninge te gaen; begaven ons met haer op de weg maer de Commandeur was soo zwack dat ’t elkens neder viel en sy waren soo gezwindt in ’t[158]vooruytloopen dat ick haer oock niet volgen konde, oock soo wilde ick myn maet niet verlaten. Sy dan waghten ons verscheyden reysen in en droegen onse rocken daer wy ons ’s nachts mede deckten; maer als sy sagen dat de commandeur niet voort konde komen en ick van hem niet gaen wilde, seyden sy dat wy hun in haer hutten soude vinden; namen onse rocken mede, denckende dat wy souden volgen, maer als sy een musquet schoot van ons af waren bleven sy stille staen en maeckte een misbaer, niet of sy menschen maer of ’t duyvels waren.Daer op quamen sy alle vier weder na ons toe loopen; wy dat siende, meenden dat sy ons om den hals soude brengen, maer twee van haer gaven haer geweer46over en siende dat ick noch gauwer als de commandeur was, vat my elck by een arm en liepen met my weg, latende de commandeur leggen. Hy, my dan soo siende mede slepen, kroop soo veel hy kost voort om my te volgen, maer na dat sy my een groot stuck weeghs hadde mede gesleept (en ick van haer geen goedt was verwachtende), sochte ik t’elkens van haer af te komen; haelde een knip-mesjen (dat ick by my hadde) uyt myn sack, waer mede ick na de eene stiet, dit voort los liet, en doen dede ick van gelijcken naer de andere die my oock los liet waer door ick gelegentheyd kreeg haer te ontvluchten, gelijck ick oock van haer ter zijden af in ’t bos liep. Doen maeckten[159]zy een groot geschreeuw waer op twee andere die al ’t geweer droegen en een stuck weeghs achter waren, na haer toe liepen en haer geweer overgaven; waer op sy alle vier na my toe quamen en met haer pijl en boog ons dreygden te doorschieten. De voornoemde Hottentots riepen tot verscheyden malen dat ick by haer soude komen maer ick en wilde niet uyt vreese als sy my in haer coralen47gesleept hadden, my slachten en eeten soude. Ondertusschen was de commandeur weder by my gekomen en als sy dan sagen dat ick niet met haer en wilde, smeeten onse rocken weder toe, maer een leeren rantsel daer omtrent 180 gulden aen geldt van my in was namen zy mede en lieten ons daer samen sitten.De nacht aenkomende leyden ons tot slapen ende den volgende morgen marcheerden wy weder te rugh en quamen ter plaetse daer wy te vooren die swarte bessen gegeten hadden; bleven daer 4 dagen by malkander leggen, want de commandeur konde niet een voet meer versetten en ick wilde hem niet verlaten. Ick pluckte somtijds wat bessen die ick hem brachte, maer eyndelijck van tijd tot tijd soo verzwackte dat hy op den 5. dagh naulijks meer geluyt konde geven. Ick bleef soo langh by hem dat de spraek hem quam te begeven en op den 30. of 31. December den geest gaf.Ziende dan geen ander uytkomst als de doodt, verliet hem en wenste weder by de Hottentots te zijn, doch die gedagten en konden my doen niet[160]helpen; derhalven resolveerde weder naer strandt te gaen, met voornemen so het verlaten schip daer noch lag, naer het selve te swemmen. Ick gaf my dan in de achter-middagh op wegh en marcheerden soo verre dat ick tegens den avondt ons schip weder in ’t gesight kreegh en soo mijn dochte sagh ick achter het schip noch een vaertuygh, maer konde het selve door de duysterheyt niet kennen, ging egter soo lange voort als ick sien konde, alsoo mijn hoope was Christen menschen te vinden. Als het dan gants duyster was geworden maekten ick vuyr, en een bos rijsen48by malkanderen geraept hebbende stak die in brandt en alsoo ick nogh weynigh toback op my hadde, rookte van deselve een pijpjen en begaf my om te slapen.Den volgende morgen marcheerden ik soo spoedig voort als mijn mogelijck was en quam omtrent ten 10 uren aen strant, zijnde den 2. January 1694 alwaer ick onse verlaten schip vondt van sijn ankers geslagen en tegens strant geset; oock sagh ick een schip met 3 masten in de baey, met noch een Engels vaertuygh, omtrent een mijl van land. Ick was seer verblijt als ick dit schip sagh ende begon met mijn Engelsche-Mus die ick op hadde te wencken waer op een schuytjen met twee man wierd afgestuert om my te halen. Als dit vaertuygh omtrent de brandingh was gekomen, liep ick van blijdtschap tot onder mijn armen in ’t water en gerraeckten alsoo behouden in ’t vaertuygh. Van dese twee maets verstondt ick dat het eene[161]schip met drie masten, denDageraetwas, en het Engels vaertuygh de chaloep del’Amie49, dewelcke van deCaapwaren afgeschickt om het schip deGouden Buysaf te halen. Zy roeyden my aen deGouden Buysalwaer den schipperJan Tackdieden Dageraetvoerde op was.Welck schip deDageraet, schipperJan Tackvoornoemt (op ordre van den Gouverneur van deCaapdie den 28. December d’eerste kennisse van deSaldange Baeyhad bekomen) den 29. dito was afgesonden en deTafel Baeyuyt gelaveert en quam op den 1. January 1694 aen het schip deGouden Buysdie voor omtrent 12 dagen van te voren van sijn anckers gedreven nu tegens de wal vanS. Helenaes Baeyaen vonden leggen op 15 voeten waters, hebbende alleen maer 23 duym water in; sulks schipperJan Tackmoet hadde, om ’t selve van strand af en weer in ’t diep te brengen; dies hy aen de Gouverneur van de Caap over de landt wegh daer van kennisse gaf waer op zijn Ed. hem toesondt ’t JachtTamboer, ’t Galjoot ’tHoen, en ’t vaertuygJupitermet 50 man die den 10. January daer aenkomen; waer op zy gesamentlijck te werck gaen, hebbende zijn ladinge uyt deselve genomen om te lichten en ’t schip in ’t vlot te brengen, gelijck dan sulcks oock op den 12. January daer een weynig na begon te lijcken, dewijl ’t schip nu maer 14 voet gaende, vermids alle[162]zware goederen daer uyt waren geborgen en reets op 12 voeten water was gebragt; op den 13. dito meende men ’t genoegsaem te hebben gewonnen, maer ’t weer en windt wat ontstelt sijnde, ’t geene de zee hooger deede dijnen als te vooren; raekte ’t schip geweldigh aen ’t stooten, sulcks de groote mast 2 voeten uyt sijn spoor lichte en ’t schip leck geraeckte, waer op geresolveert wierd de lins te kappen50en ’t schip weder na de wal te laten drijven, gelijck gedaen wierd; waer op het den 15. January op zy viel; dies men vorder alle wat nogh kon geborgen worden en daer noch in was als loot, yser en eenige andere waren met 9 anckers en touwen daer uyt lichten ende te samen gelaeden na deCaapweder keerden; welcke schepen als ’t jaghtTamboer, ’t galjoot’t HoenendeJupiterneffens de chaloep del’Amieop den 4 February weder naGouden Buyssijn afgesonden om verder alles te bergen wat nogh overigh was, gelijck zy oock deeden en den 7 February weder volladen te rugh keerden en ’t hare in salvo bragten: welcke goederen vorder naBataviamet de Compagnie schepen sijn versonden.Daer gekomen zijnde sagh my een yder met verwonderingh aen daar dien ick gandts swart en[163]mager van honger was, want het was nu 7 en een halve week dat ick van schip was gegaan. Ik eyschte drincken, en also geen water by de handt was, seyde den schipper het beter te zijn dat ick versterckende dranck nuttighde en liet een half-musjen51caneel-water geven dat ick graegh in dronck. Ondertussen vondt ick een vaetjen met water, daer in zynde 6 kannen water dat uyt de schuyt in ’t schip was gekomen en, alsoo ick noch niet machtig was het selve op te lichten (een teken van seer kleyne kragt), leyde het by my neer en dronck het meer als half leegh. Oock liet my de schipper een pint Franse wijn geven, die ick mede met smaeck uytdronck. Ick verstondt van ’t volck dat sy ’s avonds te vooren met haer schepen daer waren gekomen en dat sy wel seventhien a achtien doode lichamen gevonden hadden waer van eenige soodanigh gestelt waren, dat men haer niet konde handelen. Ongelooffelijke stanck wasser in ’t schip en alsoo den avondt viel en het niet geraden vonden om in die grooten stank het volck in het schip te laten, stapten sy alle in de boot en sloep om weder aen boort van haer schip te varen, maer voor haer vertrek van boort hoorden zy noch gekerm van een mensch, waer op zy weder uyt de sloep in het schip gingen om te besoeken en komende in de stuurboorts hut, vonden aldaer den hof-meesterJan Frantz. Doesborghheel kranck. Zoo haest hy ons sagh riep hy: „Slaet my niet doodt, ick sal seggen waer het geldt is.” Wy vermoeden[164]dat hy meenden dat wy quamen om het schip te berooven. Hy seyde dan: „Het geldt leydt onder de schipper sijn kooy.” Zy namen hem uyt het schip en quamen alle weder in de sloep, en bragten hem op het schip denDageraetalwaer van behoorlijcke medicamenten tot herstelling zijnder gesontheyd met de hulp van Godt wierde gegeven; dogh hy overleed na twee en een half etmael op denDageraet.Om weder tot mijn varhael te komen, so bragten sy my met mijn kisten en slaep goedt aen denDageraet. In ’t roeyen naer ’t schip voeren wy eerst aen de chaloupl’Amie, alwaer zy 2 gebraden vissen, twee geweyckte bisschuyten en een kanne water voor my overlanghde, aen de welck ick in ’t roeyen na deDageraetbegon te peuselen en op het schip gekomen zijnde wierd ick van de kock met warm water van ’t hooft tot de voeten gewassen; verschoonde my doen van alles en dit gedaen zijnde, sette de kock my schape vlees met geele wortelen voor om te eeten; daer toe wierd my so veel wijn gegeven als ick konde drincken.Wy bleven hier noch drie dagen leggen; onderwijlen wierd ons schipDe Dageraetgeladen met de gebergde goederen van het verlooren schipDe Gouden Buys, waer onder seventhien kisten met geldt waren.Onse ladingh in hebbende, gingen in Compagnye van de chaloupl’Amie(die oock volladen was) ’t zeyl en na dat wy twee dagen in zee geweest waren, kregen een storm dat wy in korten tijdt door de poorten tusschen deck drie voet water in kregen.[165]Wy deden dan met alle man soo veel met balijen en putsen dat wy eyndelick het schip weder leegh kregen; maer ’s anderen daegs, eendeels door contrarie windt en anderdeels om ons schip wat te kalleffateren deSaldange Baeyin liepen, alwaer wy oock visten ende in twee trecken met den Zegen wel een half schuyt vol vis vongen; de gevangen vis aan boort gebraght hebbende koockte, braede en backte deselve daer ick niet weynigh mijn part van kreegh, ’t welck een groote vervarssingh voor mijn was. Sy broghten my oock na de Compagnie post die in deSaldange Baeyleydt om een van myn mackers die sy seyden van deSwartendaer gebracht te zijn te besoecken, maer als ick daer quam verstondt ick dat hy daeghs te vooren met een vrijmans vaertuygh dat daar lagh was vertrocken. Ick verstont hier oock dat de swarte die my in ’t bos gevonden hadde, aldaer de tijdinge hadden gebragt dat sy ons beyde wel gevonden maer niet mede hadden konnen krijgen, gelijck waer was. Ick vroeg of zy mijn rantsel met geldt daer niet hadden gebraght, daer ick op tot antwoordt kreeg dat sy wel wisten wat geldt was en wijser waren het daer te brengen. Sy gaven ons dan te eten ende dat gedaen zijnde, voeren weder aen boort, maekten den volgende dagh zeyl en staken in zee. Na dat wy weder 2 daghen in zee geweest waren, kregen deTafelenLeewen Berghin ’t gesigt; die nacht was het heel stil weer en liet de stuerman in de honde-waght52[166]ons groote zeyl met de fock53op gijen54, streken ons mars-zeyl op de randt neder en lieten het alsoo drijven; na datter 6 glasen in de honde-waght uyt waren55zagen wy de brandings soo natuerlijck dat het ons heel ontstelde; hier op komt de schipper uyt sijn kooy, die hem in ’t begin van de honde-wagt tot slapen had geleydt en de sorgh aen de stuerman gelaten hadde, zeyde: „Mannen wat wil dit zijn? Heer, wat is dat? Soude wy wel aen de vaste wal sijn?” Dit seyde hy uyt oorsaecke van de groote mist die daer was en alsoo de zee boven gemeen hol gingh, was het wel te presumeeren dat wy digt by landt mosten wesen, lieten het diep loot werpen en bevonden op 10 vadem water te sijn. Hier op riep de schipper: „Mannene ’t sa, wacker! Het ancker voor van de boegh af en laet het vallen”; daer wel voort aengegaen wierdt maer de branding begost al voor ons te breken. Na dat wy 2 anckers hadden laten vallen en omtrent 100 vadem geviert56was eer het selve wilde houden, waren wy alsoo dight op de wal dat de brandingh met sulcken kraght voor ons schip storten dat onse groote blinde ree57in de eerste stortingh aen stucken brak waer op ons voor schip wierdt aen stucken geslagen. Een man[167]die voor de beetingh58stont, wierdt van de zee tegens deselve aen geslagen dat sijne ribben aen stucken waren; hy kroop noch na de cojuyt, maer bestorf het. Door de vuyle klippige gront raekten beyde onse cabel touwen aen stucken en wiert ons achter-schip tegens de wal geset dat hem het roer van syn gat af stiet en het voorschip dwars zee, soo dat hy met syn stuur-boort aen landt quaem te leggen en wierd al hoger op tegen de wal geset. Wy kregen van bakboort sulken zee, dat ons de focke mast midden door sloegh. Even te vooren hadden wy de schuyt in de taakels59gehangen om te sien of wy met deselve niet konde ontvluchten, maer wy sagen daer geen apparentie toe want d’eene zee was niet over ons hooft of kregen eer wy ons adem gehaelt hadden d’ander weder op ’t lijf. Wy vluchten dan d’eene parthy op ’t half-deck60, sommige op de hut61, eenige klommen in ’t want andere saten op het zonne-dek62, in somma elck sogt hem te salveeren als hy best konde. Ick was dan mede achter op geloopen; onderwijlen komt daer een zee en slaet de schuyt in sijn taakels aen stucken dat de achter en voorsteven bleef hangen en met deselve zee, raekte onse groote mast (die digt onder de mars wierdt aen stucken geslagen)[168]over boort; de zee die daer op volgden sloeg de boot die los in sijn klampen63stont mede over boord ende de groote mast noch eenmael aen stucken.Hier na wiert het voor schip tot aen ’t groote luyck van ’t achter schip van malkanderen geslagen so dat ondertusschen het agter schip hooger tegen strant aen schookte. Op het sonne-deck waren wel 15 a 16 gevlught dewelcke door een zee met het selve van ’t schip wierden geslagen en van ’t water alle over de klippen aen landt geset. Kort hier op wierdt het deck van de hut, daer de rest van ’t volck op was gevlught (behalven ick en de konstapels jonge64, gelight en quamen als de voorige aen landt. Ick op het vrak van ’t schip staende, trock mijn kleederen uyt om met swemmen aen ’t landt te komen, maer siende dat ’er verscheyden waren die beter swemmen konden als ick haer te water gaven, maer wat ter zijden het schip gekomen zijnde trock het water soo sterck dat het haer in zee sleepte en alsoo 15 a 16 man verdronck; ick moeder naekt dit ellendig schou-spel aensiende, quam weder een zee en slaet my met de jonge een stuck van boort in zee; ick verliet het stuck houdt, alsoo om siende veel houtwerck en vaten op my sagh afkomen, liet my na de gront toe sincken om van deselve niet beschadigt te werden. Onderwijlen raekten dit goedt alles over mijn hooft en weder boven komende, zag mijn door de vloet van ’t water een goedt stuck[169]van ’t wrack af, de tweede brandingh over viel mijn soo schielijck dat ick deselvige niet konde ontwijken; zij nam mijn op en smeet my los tegens de klippen in, alwaer ick door de bandieten65, die op het schieten daer gekomen waren, zijnde vijf sterk, gezwind daeruyt gehaelt wierd.)Op het landt gekomen zijnde, bragten sy my by een groot vuyr om te warmen dat sy gemaekt hadden; gewarmt hebbende setten sy my met noch vier andere op een wagen, bragten ons in haer woon huys en setten ons broot en kaas voor daer wy wat van aten. Na dat wy daer drie dagen hadden geweest, wierden met de boot van ’t schipSchoondijckdat aen deCaaplag van daer gehaelt en aen deCaapgebragt en aldaer gekomen zijnde, vondt ick mijn cammeraetLourens Thysz.op ’t hooft staen die in ’t bos met den boekhouder van ons was gescheyden; als hy my sag verwellekomde my met groote blijdtschap en nam my met hem in zijn logement, ten huyse van de voorgemelte vrymanLambert Adriaansz.alwaer ick wel wierde ontvangen en bleef logeeren.Eenige dagen hier naer, deden wy aen den secretaris van den Governeur het voor-verhaelde relaes, het welcken in ’t kortopgeschrevenzijnde, wy met eden bevestigen.[171]

DIE RAMPSPOEDIGE REIS VAN DIE GOUDEN BUYS.

Droevig Verhaal van ’t schip de „Gouden Buys,”Uytgevaren voor de Camer van Enckhuysen, naer Oost-Indien, op den 4 Mey, Onder Commando van SchipperTheunis Baanman.Na dat de Heeren Bewindthebberen van de Oost-Indische Compagnie ter CamerEnckhuysen1de monsteringe van ’t Scheepsvolk bestaende in ruym 190 man op den 9. April 1693 hadden gedaen, zeylden ’t schip den 12. dito van de reede der stadtEnchuysenaf naTexelen geraeckte dien dagh voor de Ven en den 14. dito onder deVlieter2ten Ancker, alwaer de meeste inladinge gelijck oock ’t meerendeel des Scheeps-volck aen boort quam en op den 24. April den schipper met den boeckhouder en vordere Officieren. Van daer weer verzeylende quamen inTexelop deKoopvaarders Reedeen eyndelijck tusschen ’tNieuwe Diepen deHelder3ten ancker; daer gevonden hebbende ’t Schip deKoning Williamen ’t gajoot4de Kers, beijde van de camer vanAmsterdam,[135]mede gedestineert naer Indien: wierd ’er door de Heeren Gecommitteerdens van beijde dese respective cameren, en hare schippers met eenige doenmaels in Texel leggendeGuinees,Surinaams,Lissabonsvaerders5Compagnie en vorder admiraalschap gemaeckt6, de schepen der Ed. Maetschappij tot Commandeur en Vice Commandeur verkooren zijnde, meende man op den 1. Mey ’t Zee te geraken en waren al onder zeyl; doch de windt enigsins tot nadeel lopende most dese vloot weder te rug en koste in ’t vallen laten van ’t ancker het leven van een Matroos welcke met de poortuurlyn7over boort wierd geslagen en quam niet weer boven. Eyndelijck geraeckte men op den 4. Mey na zee, dog met seer groot perikel van het schip en volck; want het ancker met groote moeyte geligt zijnde, konde niet om hoog na begeerte gewonden werden, wat vlijt dat ’er oock by ’t gantsche scheepsvolck wierde aengewent, echter men schokte soo met een uytgestort Mars-Zeyl8na ’t Gat9; Doch niet sonder groote vreese van een ervaren lootsman, om hier door aen de lagerwal, of op ’t eygen ancker in ’t droogste van ’t Gat aen de gront te geraken; En hoe wel men hier door[136]seer belemmert was, sulcks dat men ’t achterste van de vloot geraekten, men quam eyndelijck buyten gaets en in zee.Den 7. dito sturf een soldaet.Den 10. dito sag men de Schotse kust10.Den 12. dito was men daer noch onder ’t landt en kregen een zwaren storm waerdoor wy genootsaeckt wierden een bijlegger te maken11. Het duerde tot den 17 dito, wanneer het weer wat bedaerde en een bakstagh wind12kregen.Den 18 dito quamen ons 4 schepen in ’t gesigt.Een den 19 dito sagen wijFairhil13.Den 20 dito passeerde deselve.Den 22 dito storf den opper kuiperReynder Luytsz. van Enchuisen.Den 26 dito sagen wij de klipRocolle14.Den 31 dito begon ons volck seer af te nemen en kregen verscheyden siecken, dogh storf niet meer als een man, zijnde den bottelierHarme Claasz.Langelens, van den 10. Juny tot op den 18. Juny aen toe. Doe men nu echter met veele tegen winden achter Engelandt was omgekomen begon den voortgang te beteren ende siecken eenigsins weder op te komen en was de toestandt van saken in ’t schip redelijck wel want men bevont[137]sig op den 12. Juny al op de hoogte van 34 graden 0 min. noorder breete en op den 18. dito op 24 graden 30 min. als wanneer het een goeden spoet maeckten, ’t geene alles den leeser uyt de brieven van den schipper geschreven aen zyn huysvrouw, als oock die van den boekhouder aen zijn vader en van andere officieren kan afnemen en sien.[Hier volg vier briewe wat die voorgaande bevestig.]Uyt dese brieven welcke gekomen zijn met de Surinaams en Guinees-vaerders, dien doen van haer affscheyden kan den leeser afnemen dat alles doen wel gestelt was en een yder met genoegen en goede eenigheyd de reys vervorderde, insonderheyd de officieren onder malkanderen, doch hoe wel sy met den anderen waren en wat goeden voortganck sy maeckten, sy scheenen als tot haer ongeluck te haesten; want eerS. Jaga15in ’t gesigt was warender al 14 dooden. Hier scheyde het galjootde Kersvan haer om ’t gemelde Eylandt aen te doen en de siekten weder toenemende ordonneerde den schipper twee beddinge voor de sieken op het onderdeck te maken en zeylden doen by de windt voort. Eyndelijck omtrent deLinie, als wanneer den schipper van deKoning Williamaan ons boort quam, en siende den bedroefden toestandt wenste ons wel met haar volk te konnen helpen, maar hadde selver mede veele sieken waar op hy tegens den avondt zeyl maakte en ons verliet; als wanneer in ’t Schipden Gouden Buys[138]ruym 40 dooden en aan de kant van de 50 sieken werden getelt. 7 a 8 weeken dreven in stilte omtrent deLinieom de selve te passeeren ’t geen de siekte door de groote hitte meer en meer vermeerderde, soo dat ’er op eenen dag wel 6 a 7 te gelyck sturven en over boort wierden geset.Droevigh was ’t om te aanschouwen, Godt dagelijks om uytkomst aanroepende; eyndelijk geraakte na veel suckelens door deLinie. Omtrent desen tijdt viel weder een matroos overboort en verdronck. Op sekeren avondt doen het gebedt soude geschieden, quamen alle de gesonden in de selve ende den schipper, ongeveer maar 30 man bij hem vernemende, vraagde den schipper aan de quaertiermeesterHarmen Jansz.of dit al het gesonde en de rest siek waren, het welk den schipper met verbaastheyd al suchtende dede uytbarsten: „Lieve God! zegen ons; is dit al mijn gesondt volck van 104 zielen dewelcke noch binnens boort moeten wesen? Wat wil dit noch worden?”Meenichmaal seyde de schipper, na ’t eyndigen van ’t gebed, dat soo daar by de siecken eenige lust tot het een of ’t andere waar, van dat geen by hem in de kajuit of in ’t schip was, sy het maar souden eyschen en halen en die niet selfs konde komen, om dat geene dat hy garen had te halen dat hy dan sijn maat ofte ymandt anders konde zenden en dat hem soude gegeven worden dat geene dat tot verquickinge soude kunnen dienen, gelijck sulcks meermaal is geschiedt en uytgedeelt. Wat na dese tijd passeerde wy de hooghte[139]vand’Abrollus16, alwaar ons een travaat17soo heftigh trof dat wy onse kruys-stengh18en groote-stengh19verlooren; onse voor-stengh was ook seer beschadigt maar bleef nog staan. Hier bleven wy 3 a 4 etmaal in desen desolaten staat leggen drijven; eyndelijck malkander nieuwe moedt gevende, kreegLourens Thijsz., derde timmerman, met hulp van ’t andere volck alles weder vaardigh; wy hadden doen al 3 timmerlieden doodt en de vierde lagh sieck ter kooy. Wy zeylden dan in Gods Naem weder henen, hopende nog met hulp van Godt het schip behouden over te brengen.4 a 5 Dagen hier naer verlooren onse onder stuerman ende de opper lagh in sijn kooy heel kranck; twee dagen hier naer sturf onse derde waak20, met onse schipper was het oock niet wel die ook seer begost te klagen.Omtrend desen tijd quam ons een schip in ’t gesight, zijnde als doen na gissinge omtrent 300 mijlen van deCaap; het schip ons naderende quam onse schipper met sijn siecke leeden voor den dag en liet onse reen met kettinge vast maken21; wy waren doen siecken als gesonden ruym 30 man[140]sterck, maakten alles dat tot tegenweer diende vaardigh22maar doen wy het selfde nader quamen, toonde hij een roode vlagh waer uyt wy vermoeden dat het een Deen ofte een Engels schip was. Hy bleef ander-half etmael by ons, als wanneer hy weder uyt ons gesight raakte, hebbende doen een goede windt, zeylende op ’t seggen van onse stuermans jonge die wat van de navigatie geleert hadde en vorder van den schipper onderrigt wierde voort, want wy hadden doen geen eene stuerman meer en onse schipper lag oock heel sieck in de kooy; oock hadden wy geen eene chirurgijn, in somme wy waren soo zwack van volck dat wy naeulijks het roer konde bedwingen.Eyndelijck raakten met hulp van onsen stuermans jonge soo verre dat wy den 11 October het landt in ’t gesigt kregen, alwaar wy digt onder en tot op een mijl na aen landt liepen. Kort hier op quam een travaad die ons marsseil vande raa23in zee deed wayen; onse schipper liet de gesonde in de kajuyt by hem komen die in 6 a 7 man bestonden en seyde: „Mannen, sou het niet beter wesen dat gy het zee-waerts lag?”24maar antwoordde[141]van neen, wat souden wy met ons kleyn getal volck uyt rechten? Eyndelijk op het lang aanhouden van den schipper staken met dese weynige machteloose nogtans weder ’t zee of ’t nog mogelijk waer om deCaapof deSaldange Baeyte konnen winnen dog alles te vergeefs. Na dat wy nu 8 dagen ’t zee hadden gezworven en ’t landt al weder uyt het gesigt waren geweest, kon men door contrarie windt geen hooger haven bestevenen; dies quamen wy ter voornoemde plaets inS. Helenaes Baeyten anker. Wy waren geen 6 man sterk bequaam eenige dienst te doen, de rest moesten haer op handen en voeten behelpen; trecken de groote en fokke raa25neder; maakte het voor marsseyl26los, besloegen27de blinde28en bergden de zeylen onder in ’t schip; bleven in dese gestalte omtrent 2 a 3 weeken leggen hopende door het een of ’t ander middel gered te werden.Als wy hier dan dus lange vruchteloos gelegen hadden, ontbood de schipper, die nu al 14 dagen plat te bedd’ had gelegen die gene die wat konde gaan in cajuyt by hem, alwaar wy met ons 13 a 14 man quamen. Hy seyde: „Mannen, wy hebben hier dus lang gelegen en sien geen hulp op uytkomste. Wie heeft lust om na de Saldange Baey te gaen die maer 12 a 14 mijlen van hier leyt, daer sult gy Christenen vinden om die te[142]spreeken.” Hier op traden wy met ons sevenen toe te wetenJacob Lepi29boekhouder,—de commandeur van de soldaten,—Flip Warlo,Schiman30,—Jan Christiaansz., botteliers-maat31,—Jan Harder, soldaat,—Daniel Silleman, watermaker32en ick,Lourens Thijsz, timmerman. Maekten ons dan vaardig om aen land te gaen en kreegen ter nauwer nood op den 11 November de schuyt buyten boort; namen de man twee beschuyten, een kan water, een bottel wyn, een met brandewyn, yder wat tobak, een paar pistolen, vier snaphanen en elck een hou-degen, waar mede by den schipper zijn gegaan die wy veel gesontheyd toewensten, gelijk hy ons yder man voor man by de hand vattede ook geluck toe-wenste met aanmoedinge van onse reyse kort voort te setten; wy lieten hem in een slechte staet heel krank leggen, wel te gemoet siende dat wy hem niet levendig souden weer vinden; trocken zo op de Reys.Hier mede sijn wy in de schuyt gegaen en na land geroeyt, alwaar tegen de middag zijnde den selven 11 Novemb. aan quamen; op ’t land gekomen zijnde dronken malkander toe uyt een bottel france wyn; hier op marscheerden wy in Gods naem de strand langs.[143]Als wy omtrent derdehalf uur33gegaan hadden, leyden het tegens een zand-heuvel aen strand neder, latende de zee aan de rechterhand soo ons van de schipper belast was, maakte wat vuyr en rookte een pijp toebak en ging met ons vijven leggen slapen latende twee de wacht houden die na verloop van eenigen tijd van twee andere verlost wierden; bragten dese nagt over sonder eenigh wild gedierte te vernemen, marcheerden des morgens weder soetjes voort want het hard lopen wegens de scheurbuyek ons benomen was, ’t welck ons ook geen meerder beschuyt had doen mede nemen. Tegen den avond, na dat wy vuyr gemaakt en een pijp toebak gerookt hadden, leyden wy ons weer te slapen en hielden wacht als vooren; in de nagt deden wy verscheyden schoten om eenige vreemde beesten die wy vermoedende waren van ons af te weeren en de nagt over gebragt zijnde, zijn wy met de morgenstond weder aan ’t marcheeren geraakt en quamen omtrent 10 uyren in de Bogt van de Baay. Dese bogt was omtrent twee en een halve mijl van de plaats daar wy met de schuyt aan quamen, daar wy echter door onse zwakheyd nu omtrent twee etmaal over gegaan hadden; alwaar wy een revier vonden die genaemt wierd (zo ons naderhand onderricht is) deBerg Revier; hadden geen meer water, weshalven verblijd waren maer het duirde niet lang door dien de rivier geen soet maer sout water hadde, alzo zijn uytgang in zee hadde, die alle ses uyren op en afliep; hier stonden wy te kijken en konden deselve niet passeeren van wegen sijn diepten: Dese[144]rivier is na gissing 4 a 500 voeten breet. Wy, niet wetende wat wy souden beginnen, sagen malkanderen bedroeft aen; vermits door de groote hette sulken dorst leden dat het onuytspreeckelijk was, resolveerden de revier hoger op te gaan, alwaar wy het water tamelijk begosten te krijgen, drinkende daar doen zo veel af dat het ons van onderen als een spuyt ontliep. Wy sagen malkanderen nochmaal bedroefder aan en seyden: „De schipper heeft ons leelijk bedrogen.”Den volgenden morgen, als onse boekhouder ouder gewoonte het gebed hadde gedaan, marcheerden wy weder de rivier hoger op en quamen eyndelijk zo verre daar het water heel zoet was, daar wy leggen bleven. Twee van onse mackers gingen de rivier noch hooger op om te sien of er geen hoop van uytkomste te vinden was; ende een stuckweegs opgegaan zijnde sagen zy aan de over kant twee leeuwen komen drincken, die zo haast sy haar sagen weder boswaart in vluchten. Sy proefden het water, maar bevonden het noch brak te wesen, keerden dan wederom en verhaalden ons wat sy gesien hadden. Resolveerden doen gesamentlijk de rivier hoger op te gaan tot dat wy op een vlakte quamen daar wy by malkander gingen zitten en schepten onse kannen met brack water, daar wy zo hartig van dronken dat het ons qualijk bequam. Wy maakten alhier vuyr en leyden ons daar rondom, maar konden de gantsche nacht niet rusten van wegens de pijn die wy in ons ligchaam kregen ’t welck wy oordeelden van het bracke water was spruytende.[145]Des morgens gingen weder met den dagh de rivier hoger op tot dat wy eindelijk bevonden dat het water vers wierdt alwaar wy een etmaal bleven leggen, maakte vuyr en schepte onse kannen weder vol, kookte het selve met wat safferaan (dat wy uyt ons schip mede genomen hadden) het welcke wy droncken om ons wat te verstercken, want nu in geen twee dagen gegeten hadde.’s Morgens vertrocken weder van hier de rivier langs ende des avondts nadat wy vuyr gemaakt hadden, stelden twee schilt wachten. Drie van ons geselschap vernamen een groot wilt beest, niet wetende wat voor een dier het was; sagen ook een zee koe in de rivier ende des anderen daags, als wy weder souden vertrecken, vonden ons genootsaakt een gedeelte van ons geweer wegh te werpen, overmids wy onmachtigh wierden de selve langer te dragen. Een van onse mackers gingh na het gebergte om te sien of hy yets soude kunnen bekomen; hy bleef wel drie dagen achter so dat wy meenden dat hem een wildt gediert verslonden hadde waar over met malkanderen bedroeft waren. Onse commandeur konde ook naeulijks meer voort komen want sijn gemacht was soo gezwollen als een bol van een hoedt; en onser aller beenen begonnen soo te zwellen dat wy niet langer gaen konden. Eyndelijck een weynigh verder gekomen sijnde vonden een vlack-velt, bewassen met riet, ’t welck ons dede resolveren een flotje te maken ende te sien of wy de rivier daar mede konde overkomen. Als doen quam onse macker voornoemt weder by ons die verhaelden, als dat hy meenden een Hottentot[146]gesien te hebben die voor hem wegh liep. Wy verheughden ons seer toen hy weder by ons quam vermids inde rivier een hoet hadde sien drijven die wy meenden de zijne geweest te hebben, maer bevonden als doen contrarie, soo dat wy niet konden bedencken waar dat die hoet van daen gekomen was. Ons vlotje klaar hebbende braghten het aan de kant van de rivier, doen is Daniel Silleman over de rivier gezwommen om eens te sien hoe het aan de ander kant mochte wesen, maar doen hy weder quam zeyd’ hy dat het een woest en wilt landt was, ’t welck ons dede resolveeren aan dese kandt te blijven en met malkanderen weder na ’t strant te gaen daer ons schip lagh; vulde dan onse kanne met water en gingen voort.Omtrent 1. half mijl verre gegaen zijnde, viel onse schimman Philip Warlo van wegens sijn zwackheyd neder, ende bleef daar leggen34. Hy dan siende geen uytkomste voor hem versoght ons maer voort te gaen; wy wenschen hem dan met schreyende oogen adieu. Wy gingen dan varder met onse zwacke leden, het boswaerts schuyns door na strant, hebbende nu also omtrent 2 en een half week met malkanderen gedoolt tot dat wy eyndelijk daer quamen. Een weynig langs de selve gegaen zijnde, vonden onse schipper in sijn combaers genaeyt doot leggen die van het wilt gedierte al een stuck uyt sijn bil gehaalt was. Wy lieten hem leggen want hadden geen kraght ook geen gereetschap[147]om hem te begraven. Kregen het schip int gesigt dat nog voor sijn anckers lagh, keerden weder na onse schuyt om met deselve na boort te varen en daar by gekomen zijnde, bevonden dat al het goet dat daar in gebleven was de zee uytgeslagen hadde, dat wy soo nauw als konden by een soghten. Ook was daar een stuck uyt de schuyt geraakt, maar onse timmerman brack de achter pleght35daar uyt en maakte weder een stuk daar van in deselve so dat wy de schuyt te naasten by weder kant en dight kregen. Doen bragten wy dreggen36met laagh water uyt en kregen de schuyt alsoo weder vlot, maar soo haast als wy hem vlot hadden, quam daar een brandingh en sloegh hem wel half vol water; kort daar op volghde nogh een ander, soo dat de schuyt daar meest door aan stucken raakten en wy de selve verlieten, ziende malkanderen bedroeft aan en geen kans overigh om weeder aan boort te geraken. Stacken een stock op en bonden daar een wit hemdt aan om ons in ’t schip te laten sien, maar vernamen geen teeken wederom, ’t welck ons dede vertrouwen dat sy alle mosten dood sijn; bleven dien naght daar op strandt en resolveerden om ’s anderen daaghs weder bos-waerts in te gaan, sijnde Jan Herder, soldaat, aldaar in onmacht blyven leggen, alsoo veel sout water hadde gedronken en storf.[148]Wy dan met ons vijven boswaerts ingaande, ten eynde om aldaar eenig voetsel en soetwater, of indien mooglijk was een eynde onses ongevals te soeken, vonden eenige swarte beessen37; bleven daar wel 2 a 3 dagen by leggen etende van deselve soo veel wy konden vermids wy uytgehongert waren, want in 14 dagen geen spijs genuttigt hadden.Na ’t verloop van dese dagen verlieten wy de beesten en zijn het bos verder door en door gegaan om weder aan de rivier-kandt te geraken, want den grooten dorst genootsaakten ons den dauw van de bladeren te licken ende ons eygen water te drincken, ’t welck ons also flaeuw en principael onse boeckhouder maakten dat hy daar neder viel en seyde: „Mannen, ik kan niet meer,” halende met eenen een brief van den schipper voor den dagh waar in soo wy meenden kennisse en berigt van den slechten toestants onses schip was en hoewel den boekhouder aan een yder van haar toestondt om na een goedt heen komen te soeken en hun leven soo sy best konde bergen, soo wilde den timmerman Lourens Thijsz. niet van hem scheyden, vermids oock sijn quade benen, maer bleef by den boeckhouder leggen.De andre drie nu gingen voort om de rivier op te soecken ende doen sy een weynigh van de boeckhouder en timmerman af waren deden sy een schoot die door haer op de selve wijs beantwoordt wierd waar mede malkander adieu wensten. Dese twee[149]bleven anderhalve dagh by malkanderen leggen als wanneer de gemelte boeckhouder zoo verzwakte dat hy niet meer spreken konde.Lourens Thijsz.dat siende, trooste hem met schriftuerlijke reden soo veel als hy konde en siende geen uytkomste wenste hem met schreyende oogen de saligheyt.Alsoo verliet ick,Lourens Thijsz., gemelte boekhouder en gingh dat wilde woeste bos alleen deur wandelen, tot dat ik eyndelijck aan een vlack velt geraakten daar een oliphant die my ongemollesteert liet gaan ontmoete, tot dat ick weder aan de voornoemde rivier quam alwaar ick ging neder sitten Godt danckende voor sijne genade ende groote barmhartigheyt dat hy my dus verre weder gebragt hadde. Ick schepte mijne kanne weder vol water, daer ick soo veel van dronck dat het mijn qualick bequam; mijn spijse was niet anders als gras en wilde beesten dreck. Soo bleef ick hier 6 dagen leggen; ik vernam hier verscheyden zee koeyen en telden wel 25 oliphanten die daer aan de rivier quamen drincken en weder boswaarts ingingen.De rivier langs gaende vonde ik een verrotte water-rot die ik van honger op at en quam alsoo weder by het vlotje dat wy met malkanderen gemaackt hadden, alwaar ik aan de overkant van de rivier eenige rook sagh op gaan het welck my dede ontkleden en op het vlotjen sitten gaen; dreef alsoo de rivier over. Hier over zijnde vondt ick een dooden haay daar ick mede hartigh van at. Naer het eeten der selver gingh ik boswaart in doch vondt geen menschen maar wel verscheyden soort van[150]beesten, als elanden, vogel-struyssen38en harte beesten, ’twelck my weder uyt het bos deed komen, keerende na het vlotje ende daar even op sijnde quamen twee leeuwen achter een hoeck van daan en gingen de rivier langs. Ick dreef de rivier over ontrent ter plaetse daar ick geweest was en ging deselve hooger op vijf dagen langh; vondt onderwegen een endt-vogel die ick op at.Des anderen daags vroeg in den morgenstondt ging ick op een hoogte neder sitten vol van groote flaeute en mistroostigheyt, want hadde doenmaels in drie dagen niet gegeten; schepte weer een weynigh moet en rees op en gingh wat varder boswaert in alwaar ick 3 schiltpadden vondt die uyt een bosje quamen kruypen; ick maakte aenstondts wat vuyr daer ick deselve op brade, gingh daer by neder sitten en kreeg mijn gebeede boeck, danckte Godt voor sijn genade dat hy mijn hadde deselve believen te verlenen. Noch in ’t bidden zijnde, hoorde ick eenig gerijssel meenende dat het beesten waren, soo dat ik schielijck opstondt en omme siende sag ick drie wilde menschen, yder met een pyl en boogh voor my staan. Ick verschrikte geweldig want ick sulcken soort van menschen nooyt gesien hadt; zy dan stelden haer in postuer met haar geweer, ende ick nam mijn pistool in de handt gingh also bevende op haar aen. Doen ick nu by haar quam was ’er een van haar die een weynigh Duyts39konde spreeken, die vraeghden my of ik een Duytsman39was; antwoorden hem van ja,[151]ende hy gaf my weder tot antwoortdat een Duytsman een goet man was. Ik verhaelen hem dat ons schip daar op ancker lagh en al ons volck gestorven sijnde wy met ons sevenen aan landt gekomen waren, waervan drie gestorven en drie noch in ’t bosch doolden, dien ik versogt of sy die wilden op soeken. Sy hadden eenige schiltpadden by haer die sy aenstonds voor my braden, ende een van haar haelde mijn kanne vol water, onderwijlen vroegen de andere na mijn toeback daar sy seer begeerig na zijn. De schildtpadden nu gebraden zijnde aten deselve te samen op; doen begeerden sy dat ik mijn boven kleederen soude uyt trecken en met haar mede gaen ’t welck ik deede, maer niet sonder groote vreese, want ik meende dat het menschen eters waren; ik gaf haer dan al mijn goedt om te dragen maer sy waren so gaau in ’t vooruyt loopen, dat ik haer niet konde volgen, soo dat sy my eyndelijk uyt het gesigt raakten, ’t welck my deede geloven dat sy met mijn goet weg waren.Ik volgde dan die selve passagie, tot dat ik haar vont sitten rooken een pijp toeback; ik sette my dan by haer neder ende een weynigh gerust hebbende, gingen weder te samen voort tot dat wy by haer hutte quamen40. Daer sagh ik haar vrouwen en kinderen die doen sy my sagen altemael vlughten, vermids sy sulcke menschen niet gewent waren soo ’t scheen. Brachten my dan in haar Opperhoofs wooningh daar ik veel koebeesten en schapen sag; sy gaven my harten vlees[152]en melck te eten en ’s anderen daeghs maakten sy my honingh bier om te drincken, brachten my oock eenige wortels41, die sy uyt de aerde graven ende in plaats van broot gebruyckten; ik at dat so hartig, sijnde van honger gans uytgeteert dat het my qualijk maakten; sy deden my hier op uyt haar hutte gaan vreesende dat ik soo aenstonds soude sterven. Doen ik nu in de lugt geraakte, quam ik aanstonts aan ’t braken dat my geweldigh verlichten en doen weder in haar hutte kroop, maer ick en konde tot geen slapen komen uyt vrees dat sy my noch om den hals soude brengen.’s Anderen daags quamen daar noch drie andere van haar geburen die heel anders van manieren en gedaanten waren; sy hadden lange baerden en waren gestadiger van wesen42. Doen vreesden ik weder dat sy my souden gedoodt hebben, maar bevondt heel contrarie want sy maakte een koe-beest vaerdigh om te slaghten die sy eerst met touwen bonden en gingen doen daar rontomme danssen, springen, speelen en maakte groote ceremonye volgens hare wijse; leyden my tusschen haer beyden daar by om het selve te aanschouwen ’t welck ik met groote verwonderinge aansagh. Dit gedaan zijnde maeckten sy het beest weder los, en lieten het selven weder naert bos loopen. (Mijns oordeels is dat ter eeren van dese drie gebuuren geschiet die sy genoot hadden, want sy haar met diversse soorten van spijse op hare wijse tracteerden.)[153]Soo braght ik dien nagt met haar ten eynde.Den dagh gekomen zijnde, namen wederom van malkanderen afscheyt en kusten my met haar handen toe. Ik had nu by haar twee etmaal geweest in welcken tijdt zy my getracteert hadden met alles wat sy konden by brengen. Maer het verloop der selve stuerde ick haar naer deSaldange Baeyen liet weten dat ick in haer wooninge was en hoedanigh zy my gevonden hadden.Sy gingen dan aanstonds henen en quamen ’s anderen daegs wederom; braghten een Hollander met haer; wy veraltereerde beyde doen wy malkanderen sagen en ’s morgens doen vertrocken wij na deSaldange Baey, nemende drie Hottentotten by ons. Onderwijlen dat wy op weg waren ontmoeten ons een oliphant, daar wy voor vlugten mosten; wy sagen verscheyden harte-beesten en vogel-struyssen.Eyndelijck aan deSaldange-Baeygekomen zijnde, maakten een van de Hottentotten vyer tot een teecken dat wy daar waren vermids daar noch een rivier tusschen ons en haar was43. Sy quamen dan aanstonds met een kleyn vaertuygh en haelden ons over; soo raakten ikLourens Thijsz.eyndelijck in deSaldange Baeyop den 1. of 2. Kers-Dagh, alwaar ik noch 14 dagen siek lagh en naer verloop der selve quam daar een vryman van deKaapom te vissen waar mede ik, zijnde wat beter na deKaapvertrock en nam mijn logement ten[154]huyse vande voorgenoemde vrijman genaamtLambert Adrijaansz.Verhaal van D. Silleman.Doen nuLourens Thijsz.aan deSaldange Baeywas aangekomen, wierd van daar aanstonds kennisse daar van aen de Gouverneur derKaapgesonden die ter aller yl een Vaertuygh44na ’t schipde Goude Buysaf-sond, gelijck hier na sal gesegt werden, waer door den watermakerDaniel Sillemanmede behouden wierd, want gelijck gesegt is den Commandeur der soldaten, den botteliers maat en ikDaniel Sillemanwatermaker, in manieren voorschreven van den zieltogende en neer-gezegenen boekhouder gescheyden sijnde, waren weynigh voort gegaan wanneer wy een schilpatje vonden; maakten vyer, braden het en aten te samen op; deden oock verscheyden schooten met onse pistolen om te doen hooren waer dat wy waren, meenende dat sy weder by ons soude komen, maer vernamen haer niet. Omtrent den avondt maeckten wy weder vuyr dat de botteliers maet (terwijl wy sliepen) brandende hieldt.Den volgende morgen begaven ons weder op wegh om by de rivier te komen en vonden drie schildpadden, die wy weder braden en te samen op aten; bleven daer een weynigh leggen om de groote hitte, tot dat de sonne wat gedaelt was wanneer wy weder voortgingen en drie dagen daer na aen de revier quamen, al waer wy weder ons kannen van[155]water versagen, maer wierden door al het water drincken seer hongerigh.Wy vonden dan aen de kant van de rivier tusschen de biesen amelyen of hanebollen45(soo men die in Hollandt noemt); aten daer van maer kosten onse honger daer mede niet verzaden; derhalven beraatslaegden weder boswaerts in te gaen om te sien of wy iets konde bekomen, alwaer by geval een schildpadt of twee vonden; keerden van daer weder na ’t strandt, daer wy onse verlaten schuyt, die aen stucken geslagen was vonden leggen; begaven ons met ons drien op een stuck van de schuyt te water, om weder aen boort te komen, maer wierden t’elkens met de zee weder te rugge gesmeten.Onderwijlen was ons water weder op geraeckt; wy dan sagen malkander seer bedroeft aen en keerden van disperatie weder boswaerts in om mondt kost voor ons te soeken; vonden eyndelijck van die blaeuwe bessen, daer voor heen van gemeldt is; aten van die selve en onthielden ons aldaer 14 dagen, drinkende ons eygen water, gelijck wy meermalen gedaen hadden. Doen verloren wy de boteliers maet, sijnde omtrent den 26. of 27. December ende een weynigh van het doode ligchaam gegaen sijnde, seyde de Commandeur tegens myDaniel Silleman: „Jan Crist of Christiaensz.(soo was sijn naem)is nu doodt en wy lijden grooten honger; laet ons weder te rugh gaen en snijden van het dickste vlees een stuck[156]af en laet ons het selve braden en op eten; Godt sal ons dat voor geen sonden reekenen.” Ik schrikte van so een voor-slagh en zeyde neen. Evenwel na veel tegenspreeken seyde hy, door honger geprangt sijnde: „Ik sal het dan voor my daer uyt snyden.” Ende alsoo mijn honger niet minder dan de sijne was, seyde ick tegens hem: „Wilt gy daer van snyden en braden, ick sal ’er u van helpen eeten.” Dit was nu tegens den avondt; ick kreegh hout en maeckte vuyr en hy ginck henen en sneed hem uyt het dick van ’t been een stuck omtrent soo groot als een handt en brade het; maer doen het gebraden was, konden wy daer niet van eten van wegen sijn droge tajigheyd; aten evenwel een mondt vol of twee daer van en staken het overschot in onse sack, willende sien of wy het den volgenden dag bequaem tot eten soude konnen maken; leyden ons hier op omtrent 20 treeden van ’t doode ligchaam (kraght en moedeloos zijnde) te slapen tot den volgende dag.En alsoo wy noch toback by ons hadden, bleven by malkanderen sitten en pijp toeback roocken tot ontrent de middagh, als wanneer ons de slaap overviel.Onderwylen quamen daer vierHottentots, gewapent met pijl en boogh by ons die my eerst aenriepen, waer op ick ontwaeckte en schrickte soodanige menschen te sien; stondt dan op en gingh een tree of thien te rugh by de Commandeur die noch sliep. Ick maeckte hem wacker; sy volghden my en setten hun met haer vieren rontom ons neder. (DeseHottentotswaren van deSaldange[157]Baeyafgesonden na datLourens Thijsz.daer was aengekomen om ons met ons driejen op te soeken; dog soude ons aparent soo kort niet hebben gevonden, maer wy hadden vuyr gemaeckt dicht onder eenig kleyn geboomte dat door de windt aen brandt geraeckt en vorder een groot gedeelte van ’t bos aen brandt stak.) Een van haer die krom Duyts sprack, vroeg ons of wy geen dorst hadden. Wy seyden van ja, want het was den 15. dagh dat wy niet anders als ons eygen water en den dan die wy ’s morgens van de bladeren lickte hadden genuttight. Sy maeckte vuyr en braden een schildtpadt voor ons dieDaniel Sillemanweygerde om te eten, seggende hy soude daer eerst van eten, waer op den Hottentot antwoorde: „Hongerige ziele, soude ick u kost op eten, dat doen wy niet.” Dies wy die eyndelick op aten.Als nu het water dat sy gebraght hadden uyt was, gaven wy haer elck acht dubbeltjes en vraeghden haer of sy meer wilden halen, dat wy haer dan meer geldt souden geven. Hier op gaen ’er twee weder om water ende de andere twee bleven by ons die wy wat toeback gaven. Een van de twee dewelck by ons bleef was die gene die wat Duyts konde en zeyde dat hy een capiteins soon was; de andere twee naer dat zy na gissinge vier uren waren wegh geweest quamen wederom en bragten water daer wy seer hartigh van droncken.Dat gedaen zijnde spraken sy van naer haer woninge te gaen; begaven ons met haer op de weg maer de Commandeur was soo zwack dat ’t elkens neder viel en sy waren soo gezwindt in ’t[158]vooruytloopen dat ick haer oock niet volgen konde, oock soo wilde ick myn maet niet verlaten. Sy dan waghten ons verscheyden reysen in en droegen onse rocken daer wy ons ’s nachts mede deckten; maer als sy sagen dat de commandeur niet voort konde komen en ick van hem niet gaen wilde, seyden sy dat wy hun in haer hutten soude vinden; namen onse rocken mede, denckende dat wy souden volgen, maer als sy een musquet schoot van ons af waren bleven sy stille staen en maeckte een misbaer, niet of sy menschen maer of ’t duyvels waren.Daer op quamen sy alle vier weder na ons toe loopen; wy dat siende, meenden dat sy ons om den hals soude brengen, maer twee van haer gaven haer geweer46over en siende dat ick noch gauwer als de commandeur was, vat my elck by een arm en liepen met my weg, latende de commandeur leggen. Hy, my dan soo siende mede slepen, kroop soo veel hy kost voort om my te volgen, maer na dat sy my een groot stuck weeghs hadde mede gesleept (en ick van haer geen goedt was verwachtende), sochte ik t’elkens van haer af te komen; haelde een knip-mesjen (dat ick by my hadde) uyt myn sack, waer mede ick na de eene stiet, dit voort los liet, en doen dede ick van gelijcken naer de andere die my oock los liet waer door ick gelegentheyd kreeg haer te ontvluchten, gelijck ick oock van haer ter zijden af in ’t bos liep. Doen maeckten[159]zy een groot geschreeuw waer op twee andere die al ’t geweer droegen en een stuck weeghs achter waren, na haer toe liepen en haer geweer overgaven; waer op sy alle vier na my toe quamen en met haer pijl en boog ons dreygden te doorschieten. De voornoemde Hottentots riepen tot verscheyden malen dat ick by haer soude komen maer ick en wilde niet uyt vreese als sy my in haer coralen47gesleept hadden, my slachten en eeten soude. Ondertusschen was de commandeur weder by my gekomen en als sy dan sagen dat ick niet met haer en wilde, smeeten onse rocken weder toe, maer een leeren rantsel daer omtrent 180 gulden aen geldt van my in was namen zy mede en lieten ons daer samen sitten.De nacht aenkomende leyden ons tot slapen ende den volgende morgen marcheerden wy weder te rugh en quamen ter plaetse daer wy te vooren die swarte bessen gegeten hadden; bleven daer 4 dagen by malkander leggen, want de commandeur konde niet een voet meer versetten en ick wilde hem niet verlaten. Ick pluckte somtijds wat bessen die ick hem brachte, maer eyndelijck van tijd tot tijd soo verzwackte dat hy op den 5. dagh naulijks meer geluyt konde geven. Ick bleef soo langh by hem dat de spraek hem quam te begeven en op den 30. of 31. December den geest gaf.Ziende dan geen ander uytkomst als de doodt, verliet hem en wenste weder by de Hottentots te zijn, doch die gedagten en konden my doen niet[160]helpen; derhalven resolveerde weder naer strandt te gaen, met voornemen so het verlaten schip daer noch lag, naer het selve te swemmen. Ick gaf my dan in de achter-middagh op wegh en marcheerden soo verre dat ick tegens den avondt ons schip weder in ’t gesight kreegh en soo mijn dochte sagh ick achter het schip noch een vaertuygh, maer konde het selve door de duysterheyt niet kennen, ging egter soo lange voort als ick sien konde, alsoo mijn hoope was Christen menschen te vinden. Als het dan gants duyster was geworden maekten ick vuyr, en een bos rijsen48by malkanderen geraept hebbende stak die in brandt en alsoo ick nogh weynigh toback op my hadde, rookte van deselve een pijpjen en begaf my om te slapen.Den volgende morgen marcheerden ik soo spoedig voort als mijn mogelijck was en quam omtrent ten 10 uren aen strant, zijnde den 2. January 1694 alwaer ick onse verlaten schip vondt van sijn ankers geslagen en tegens strant geset; oock sagh ick een schip met 3 masten in de baey, met noch een Engels vaertuygh, omtrent een mijl van land. Ick was seer verblijt als ick dit schip sagh ende begon met mijn Engelsche-Mus die ick op hadde te wencken waer op een schuytjen met twee man wierd afgestuert om my te halen. Als dit vaertuygh omtrent de brandingh was gekomen, liep ick van blijdtschap tot onder mijn armen in ’t water en gerraeckten alsoo behouden in ’t vaertuygh. Van dese twee maets verstondt ick dat het eene[161]schip met drie masten, denDageraetwas, en het Engels vaertuygh de chaloep del’Amie49, dewelcke van deCaapwaren afgeschickt om het schip deGouden Buysaf te halen. Zy roeyden my aen deGouden Buysalwaer den schipperJan Tackdieden Dageraetvoerde op was.Welck schip deDageraet, schipperJan Tackvoornoemt (op ordre van den Gouverneur van deCaapdie den 28. December d’eerste kennisse van deSaldange Baeyhad bekomen) den 29. dito was afgesonden en deTafel Baeyuyt gelaveert en quam op den 1. January 1694 aen het schip deGouden Buysdie voor omtrent 12 dagen van te voren van sijn anckers gedreven nu tegens de wal vanS. Helenaes Baeyaen vonden leggen op 15 voeten waters, hebbende alleen maer 23 duym water in; sulks schipperJan Tackmoet hadde, om ’t selve van strand af en weer in ’t diep te brengen; dies hy aen de Gouverneur van de Caap over de landt wegh daer van kennisse gaf waer op zijn Ed. hem toesondt ’t JachtTamboer, ’t Galjoot ’tHoen, en ’t vaertuygJupitermet 50 man die den 10. January daer aenkomen; waer op zy gesamentlijck te werck gaen, hebbende zijn ladinge uyt deselve genomen om te lichten en ’t schip in ’t vlot te brengen, gelijck dan sulcks oock op den 12. January daer een weynig na begon te lijcken, dewijl ’t schip nu maer 14 voet gaende, vermids alle[162]zware goederen daer uyt waren geborgen en reets op 12 voeten water was gebragt; op den 13. dito meende men ’t genoegsaem te hebben gewonnen, maer ’t weer en windt wat ontstelt sijnde, ’t geene de zee hooger deede dijnen als te vooren; raekte ’t schip geweldigh aen ’t stooten, sulcks de groote mast 2 voeten uyt sijn spoor lichte en ’t schip leck geraeckte, waer op geresolveert wierd de lins te kappen50en ’t schip weder na de wal te laten drijven, gelijck gedaen wierd; waer op het den 15. January op zy viel; dies men vorder alle wat nogh kon geborgen worden en daer noch in was als loot, yser en eenige andere waren met 9 anckers en touwen daer uyt lichten ende te samen gelaeden na deCaapweder keerden; welcke schepen als ’t jaghtTamboer, ’t galjoot’t HoenendeJupiterneffens de chaloep del’Amieop den 4 February weder naGouden Buyssijn afgesonden om verder alles te bergen wat nogh overigh was, gelijck zy oock deeden en den 7 February weder volladen te rugh keerden en ’t hare in salvo bragten: welcke goederen vorder naBataviamet de Compagnie schepen sijn versonden.Daer gekomen zijnde sagh my een yder met verwonderingh aen daar dien ick gandts swart en[163]mager van honger was, want het was nu 7 en een halve week dat ick van schip was gegaan. Ik eyschte drincken, en also geen water by de handt was, seyde den schipper het beter te zijn dat ick versterckende dranck nuttighde en liet een half-musjen51caneel-water geven dat ick graegh in dronck. Ondertussen vondt ick een vaetjen met water, daer in zynde 6 kannen water dat uyt de schuyt in ’t schip was gekomen en, alsoo ick noch niet machtig was het selve op te lichten (een teken van seer kleyne kragt), leyde het by my neer en dronck het meer als half leegh. Oock liet my de schipper een pint Franse wijn geven, die ick mede met smaeck uytdronck. Ick verstondt van ’t volck dat sy ’s avonds te vooren met haer schepen daer waren gekomen en dat sy wel seventhien a achtien doode lichamen gevonden hadden waer van eenige soodanigh gestelt waren, dat men haer niet konde handelen. Ongelooffelijke stanck wasser in ’t schip en alsoo den avondt viel en het niet geraden vonden om in die grooten stank het volck in het schip te laten, stapten sy alle in de boot en sloep om weder aen boort van haer schip te varen, maer voor haer vertrek van boort hoorden zy noch gekerm van een mensch, waer op zy weder uyt de sloep in het schip gingen om te besoeken en komende in de stuurboorts hut, vonden aldaer den hof-meesterJan Frantz. Doesborghheel kranck. Zoo haest hy ons sagh riep hy: „Slaet my niet doodt, ick sal seggen waer het geldt is.” Wy vermoeden[164]dat hy meenden dat wy quamen om het schip te berooven. Hy seyde dan: „Het geldt leydt onder de schipper sijn kooy.” Zy namen hem uyt het schip en quamen alle weder in de sloep, en bragten hem op het schip denDageraetalwaer van behoorlijcke medicamenten tot herstelling zijnder gesontheyd met de hulp van Godt wierde gegeven; dogh hy overleed na twee en een half etmael op denDageraet.Om weder tot mijn varhael te komen, so bragten sy my met mijn kisten en slaep goedt aen denDageraet. In ’t roeyen naer ’t schip voeren wy eerst aen de chaloupl’Amie, alwaer zy 2 gebraden vissen, twee geweyckte bisschuyten en een kanne water voor my overlanghde, aen de welck ick in ’t roeyen na deDageraetbegon te peuselen en op het schip gekomen zijnde wierd ick van de kock met warm water van ’t hooft tot de voeten gewassen; verschoonde my doen van alles en dit gedaen zijnde, sette de kock my schape vlees met geele wortelen voor om te eeten; daer toe wierd my so veel wijn gegeven als ick konde drincken.Wy bleven hier noch drie dagen leggen; onderwijlen wierd ons schipDe Dageraetgeladen met de gebergde goederen van het verlooren schipDe Gouden Buys, waer onder seventhien kisten met geldt waren.Onse ladingh in hebbende, gingen in Compagnye van de chaloupl’Amie(die oock volladen was) ’t zeyl en na dat wy twee dagen in zee geweest waren, kregen een storm dat wy in korten tijdt door de poorten tusschen deck drie voet water in kregen.[165]Wy deden dan met alle man soo veel met balijen en putsen dat wy eyndelick het schip weder leegh kregen; maer ’s anderen daegs, eendeels door contrarie windt en anderdeels om ons schip wat te kalleffateren deSaldange Baeyin liepen, alwaer wy oock visten ende in twee trecken met den Zegen wel een half schuyt vol vis vongen; de gevangen vis aan boort gebraght hebbende koockte, braede en backte deselve daer ick niet weynigh mijn part van kreegh, ’t welck een groote vervarssingh voor mijn was. Sy broghten my oock na de Compagnie post die in deSaldange Baeyleydt om een van myn mackers die sy seyden van deSwartendaer gebracht te zijn te besoecken, maer als ick daer quam verstondt ick dat hy daeghs te vooren met een vrijmans vaertuygh dat daar lagh was vertrocken. Ick verstont hier oock dat de swarte die my in ’t bos gevonden hadde, aldaer de tijdinge hadden gebragt dat sy ons beyde wel gevonden maer niet mede hadden konnen krijgen, gelijck waer was. Ick vroeg of zy mijn rantsel met geldt daer niet hadden gebraght, daer ick op tot antwoordt kreeg dat sy wel wisten wat geldt was en wijser waren het daer te brengen. Sy gaven ons dan te eten ende dat gedaen zijnde, voeren weder aen boort, maekten den volgende dagh zeyl en staken in zee. Na dat wy weder 2 daghen in zee geweest waren, kregen deTafelenLeewen Berghin ’t gesigt; die nacht was het heel stil weer en liet de stuerman in de honde-waght52[166]ons groote zeyl met de fock53op gijen54, streken ons mars-zeyl op de randt neder en lieten het alsoo drijven; na datter 6 glasen in de honde-waght uyt waren55zagen wy de brandings soo natuerlijck dat het ons heel ontstelde; hier op komt de schipper uyt sijn kooy, die hem in ’t begin van de honde-wagt tot slapen had geleydt en de sorgh aen de stuerman gelaten hadde, zeyde: „Mannen wat wil dit zijn? Heer, wat is dat? Soude wy wel aen de vaste wal sijn?” Dit seyde hy uyt oorsaecke van de groote mist die daer was en alsoo de zee boven gemeen hol gingh, was het wel te presumeeren dat wy digt by landt mosten wesen, lieten het diep loot werpen en bevonden op 10 vadem water te sijn. Hier op riep de schipper: „Mannene ’t sa, wacker! Het ancker voor van de boegh af en laet het vallen”; daer wel voort aengegaen wierdt maer de branding begost al voor ons te breken. Na dat wy 2 anckers hadden laten vallen en omtrent 100 vadem geviert56was eer het selve wilde houden, waren wy alsoo dight op de wal dat de brandingh met sulcken kraght voor ons schip storten dat onse groote blinde ree57in de eerste stortingh aen stucken brak waer op ons voor schip wierdt aen stucken geslagen. Een man[167]die voor de beetingh58stont, wierdt van de zee tegens deselve aen geslagen dat sijne ribben aen stucken waren; hy kroop noch na de cojuyt, maer bestorf het. Door de vuyle klippige gront raekten beyde onse cabel touwen aen stucken en wiert ons achter-schip tegens de wal geset dat hem het roer van syn gat af stiet en het voorschip dwars zee, soo dat hy met syn stuur-boort aen landt quaem te leggen en wierd al hoger op tegen de wal geset. Wy kregen van bakboort sulken zee, dat ons de focke mast midden door sloegh. Even te vooren hadden wy de schuyt in de taakels59gehangen om te sien of wy met deselve niet konde ontvluchten, maer wy sagen daer geen apparentie toe want d’eene zee was niet over ons hooft of kregen eer wy ons adem gehaelt hadden d’ander weder op ’t lijf. Wy vluchten dan d’eene parthy op ’t half-deck60, sommige op de hut61, eenige klommen in ’t want andere saten op het zonne-dek62, in somma elck sogt hem te salveeren als hy best konde. Ick was dan mede achter op geloopen; onderwijlen komt daer een zee en slaet de schuyt in sijn taakels aen stucken dat de achter en voorsteven bleef hangen en met deselve zee, raekte onse groote mast (die digt onder de mars wierdt aen stucken geslagen)[168]over boort; de zee die daer op volgden sloeg de boot die los in sijn klampen63stont mede over boord ende de groote mast noch eenmael aen stucken.Hier na wiert het voor schip tot aen ’t groote luyck van ’t achter schip van malkanderen geslagen so dat ondertusschen het agter schip hooger tegen strant aen schookte. Op het sonne-deck waren wel 15 a 16 gevlught dewelcke door een zee met het selve van ’t schip wierden geslagen en van ’t water alle over de klippen aen landt geset. Kort hier op wierdt het deck van de hut, daer de rest van ’t volck op was gevlught (behalven ick en de konstapels jonge64, gelight en quamen als de voorige aen landt. Ick op het vrak van ’t schip staende, trock mijn kleederen uyt om met swemmen aen ’t landt te komen, maer siende dat ’er verscheyden waren die beter swemmen konden als ick haer te water gaven, maer wat ter zijden het schip gekomen zijnde trock het water soo sterck dat het haer in zee sleepte en alsoo 15 a 16 man verdronck; ick moeder naekt dit ellendig schou-spel aensiende, quam weder een zee en slaet my met de jonge een stuck van boort in zee; ick verliet het stuck houdt, alsoo om siende veel houtwerck en vaten op my sagh afkomen, liet my na de gront toe sincken om van deselve niet beschadigt te werden. Onderwijlen raekten dit goedt alles over mijn hooft en weder boven komende, zag mijn door de vloet van ’t water een goedt stuck[169]van ’t wrack af, de tweede brandingh over viel mijn soo schielijck dat ick deselvige niet konde ontwijken; zij nam mijn op en smeet my los tegens de klippen in, alwaer ick door de bandieten65, die op het schieten daer gekomen waren, zijnde vijf sterk, gezwind daeruyt gehaelt wierd.)Op het landt gekomen zijnde, bragten sy my by een groot vuyr om te warmen dat sy gemaekt hadden; gewarmt hebbende setten sy my met noch vier andere op een wagen, bragten ons in haer woon huys en setten ons broot en kaas voor daer wy wat van aten. Na dat wy daer drie dagen hadden geweest, wierden met de boot van ’t schipSchoondijckdat aen deCaaplag van daer gehaelt en aen deCaapgebragt en aldaer gekomen zijnde, vondt ick mijn cammeraetLourens Thysz.op ’t hooft staen die in ’t bos met den boekhouder van ons was gescheyden; als hy my sag verwellekomde my met groote blijdtschap en nam my met hem in zijn logement, ten huyse van de voorgemelte vrymanLambert Adriaansz.alwaer ick wel wierde ontvangen en bleef logeeren.Eenige dagen hier naer, deden wy aen den secretaris van den Governeur het voor-verhaelde relaes, het welcken in ’t kortopgeschrevenzijnde, wy met eden bevestigen.[171]

Droevig Verhaal van ’t schip de „Gouden Buys,”

Uytgevaren voor de Camer van Enckhuysen, naer Oost-Indien, op den 4 Mey, Onder Commando van SchipperTheunis Baanman.

Na dat de Heeren Bewindthebberen van de Oost-Indische Compagnie ter CamerEnckhuysen1de monsteringe van ’t Scheepsvolk bestaende in ruym 190 man op den 9. April 1693 hadden gedaen, zeylden ’t schip den 12. dito van de reede der stadtEnchuysenaf naTexelen geraeckte dien dagh voor de Ven en den 14. dito onder deVlieter2ten Ancker, alwaer de meeste inladinge gelijck oock ’t meerendeel des Scheeps-volck aen boort quam en op den 24. April den schipper met den boeckhouder en vordere Officieren. Van daer weer verzeylende quamen inTexelop deKoopvaarders Reedeen eyndelijck tusschen ’tNieuwe Diepen deHelder3ten ancker; daer gevonden hebbende ’t Schip deKoning Williamen ’t gajoot4de Kers, beijde van de camer vanAmsterdam,[135]mede gedestineert naer Indien: wierd ’er door de Heeren Gecommitteerdens van beijde dese respective cameren, en hare schippers met eenige doenmaels in Texel leggendeGuinees,Surinaams,Lissabonsvaerders5Compagnie en vorder admiraalschap gemaeckt6, de schepen der Ed. Maetschappij tot Commandeur en Vice Commandeur verkooren zijnde, meende man op den 1. Mey ’t Zee te geraken en waren al onder zeyl; doch de windt enigsins tot nadeel lopende most dese vloot weder te rug en koste in ’t vallen laten van ’t ancker het leven van een Matroos welcke met de poortuurlyn7over boort wierd geslagen en quam niet weer boven. Eyndelijck geraeckte men op den 4. Mey na zee, dog met seer groot perikel van het schip en volck; want het ancker met groote moeyte geligt zijnde, konde niet om hoog na begeerte gewonden werden, wat vlijt dat ’er oock by ’t gantsche scheepsvolck wierde aengewent, echter men schokte soo met een uytgestort Mars-Zeyl8na ’t Gat9; Doch niet sonder groote vreese van een ervaren lootsman, om hier door aen de lagerwal, of op ’t eygen ancker in ’t droogste van ’t Gat aen de gront te geraken; En hoe wel men hier door[136]seer belemmert was, sulcks dat men ’t achterste van de vloot geraekten, men quam eyndelijck buyten gaets en in zee.

Den 7. dito sturf een soldaet.

Den 10. dito sag men de Schotse kust10.

Den 12. dito was men daer noch onder ’t landt en kregen een zwaren storm waerdoor wy genootsaeckt wierden een bijlegger te maken11. Het duerde tot den 17 dito, wanneer het weer wat bedaerde en een bakstagh wind12kregen.

Den 18 dito quamen ons 4 schepen in ’t gesigt.

Een den 19 dito sagen wijFairhil13.

Den 20 dito passeerde deselve.

Den 22 dito storf den opper kuiperReynder Luytsz. van Enchuisen.

Den 26 dito sagen wij de klipRocolle14.

Den 31 dito begon ons volck seer af te nemen en kregen verscheyden siecken, dogh storf niet meer als een man, zijnde den bottelierHarme Claasz.Langelens, van den 10. Juny tot op den 18. Juny aen toe. Doe men nu echter met veele tegen winden achter Engelandt was omgekomen begon den voortgang te beteren ende siecken eenigsins weder op te komen en was de toestandt van saken in ’t schip redelijck wel want men bevont[137]sig op den 12. Juny al op de hoogte van 34 graden 0 min. noorder breete en op den 18. dito op 24 graden 30 min. als wanneer het een goeden spoet maeckten, ’t geene alles den leeser uyt de brieven van den schipper geschreven aen zyn huysvrouw, als oock die van den boekhouder aen zijn vader en van andere officieren kan afnemen en sien.

[Hier volg vier briewe wat die voorgaande bevestig.]

Uyt dese brieven welcke gekomen zijn met de Surinaams en Guinees-vaerders, dien doen van haer affscheyden kan den leeser afnemen dat alles doen wel gestelt was en een yder met genoegen en goede eenigheyd de reys vervorderde, insonderheyd de officieren onder malkanderen, doch hoe wel sy met den anderen waren en wat goeden voortganck sy maeckten, sy scheenen als tot haer ongeluck te haesten; want eerS. Jaga15in ’t gesigt was warender al 14 dooden. Hier scheyde het galjootde Kersvan haer om ’t gemelde Eylandt aen te doen en de siekten weder toenemende ordonneerde den schipper twee beddinge voor de sieken op het onderdeck te maken en zeylden doen by de windt voort. Eyndelijck omtrent deLinie, als wanneer den schipper van deKoning Williamaan ons boort quam, en siende den bedroefden toestandt wenste ons wel met haar volk te konnen helpen, maar hadde selver mede veele sieken waar op hy tegens den avondt zeyl maakte en ons verliet; als wanneer in ’t Schipden Gouden Buys[138]ruym 40 dooden en aan de kant van de 50 sieken werden getelt. 7 a 8 weeken dreven in stilte omtrent deLinieom de selve te passeeren ’t geen de siekte door de groote hitte meer en meer vermeerderde, soo dat ’er op eenen dag wel 6 a 7 te gelyck sturven en over boort wierden geset.

Droevigh was ’t om te aanschouwen, Godt dagelijks om uytkomst aanroepende; eyndelijk geraakte na veel suckelens door deLinie. Omtrent desen tijdt viel weder een matroos overboort en verdronck. Op sekeren avondt doen het gebedt soude geschieden, quamen alle de gesonden in de selve ende den schipper, ongeveer maar 30 man bij hem vernemende, vraagde den schipper aan de quaertiermeesterHarmen Jansz.of dit al het gesonde en de rest siek waren, het welk den schipper met verbaastheyd al suchtende dede uytbarsten: „Lieve God! zegen ons; is dit al mijn gesondt volck van 104 zielen dewelcke noch binnens boort moeten wesen? Wat wil dit noch worden?”

Meenichmaal seyde de schipper, na ’t eyndigen van ’t gebed, dat soo daar by de siecken eenige lust tot het een of ’t andere waar, van dat geen by hem in de kajuit of in ’t schip was, sy het maar souden eyschen en halen en die niet selfs konde komen, om dat geene dat hy garen had te halen dat hy dan sijn maat ofte ymandt anders konde zenden en dat hem soude gegeven worden dat geene dat tot verquickinge soude kunnen dienen, gelijck sulcks meermaal is geschiedt en uytgedeelt. Wat na dese tijd passeerde wy de hooghte[139]vand’Abrollus16, alwaar ons een travaat17soo heftigh trof dat wy onse kruys-stengh18en groote-stengh19verlooren; onse voor-stengh was ook seer beschadigt maar bleef nog staan. Hier bleven wy 3 a 4 etmaal in desen desolaten staat leggen drijven; eyndelijck malkander nieuwe moedt gevende, kreegLourens Thijsz., derde timmerman, met hulp van ’t andere volck alles weder vaardigh; wy hadden doen al 3 timmerlieden doodt en de vierde lagh sieck ter kooy. Wy zeylden dan in Gods Naem weder henen, hopende nog met hulp van Godt het schip behouden over te brengen.

4 a 5 Dagen hier naer verlooren onse onder stuerman ende de opper lagh in sijn kooy heel kranck; twee dagen hier naer sturf onse derde waak20, met onse schipper was het oock niet wel die ook seer begost te klagen.

Omtrend desen tijd quam ons een schip in ’t gesight, zijnde als doen na gissinge omtrent 300 mijlen van deCaap; het schip ons naderende quam onse schipper met sijn siecke leeden voor den dag en liet onse reen met kettinge vast maken21; wy waren doen siecken als gesonden ruym 30 man[140]sterck, maakten alles dat tot tegenweer diende vaardigh22maar doen wy het selfde nader quamen, toonde hij een roode vlagh waer uyt wy vermoeden dat het een Deen ofte een Engels schip was. Hy bleef ander-half etmael by ons, als wanneer hy weder uyt ons gesight raakte, hebbende doen een goede windt, zeylende op ’t seggen van onse stuermans jonge die wat van de navigatie geleert hadde en vorder van den schipper onderrigt wierde voort, want wy hadden doen geen eene stuerman meer en onse schipper lag oock heel sieck in de kooy; oock hadden wy geen eene chirurgijn, in somme wy waren soo zwack van volck dat wy naeulijks het roer konde bedwingen.

Eyndelijck raakten met hulp van onsen stuermans jonge soo verre dat wy den 11 October het landt in ’t gesigt kregen, alwaar wy digt onder en tot op een mijl na aen landt liepen. Kort hier op quam een travaad die ons marsseil vande raa23in zee deed wayen; onse schipper liet de gesonde in de kajuyt by hem komen die in 6 a 7 man bestonden en seyde: „Mannen, sou het niet beter wesen dat gy het zee-waerts lag?”24maar antwoordde[141]van neen, wat souden wy met ons kleyn getal volck uyt rechten? Eyndelijk op het lang aanhouden van den schipper staken met dese weynige machteloose nogtans weder ’t zee of ’t nog mogelijk waer om deCaapof deSaldange Baeyte konnen winnen dog alles te vergeefs. Na dat wy nu 8 dagen ’t zee hadden gezworven en ’t landt al weder uyt het gesigt waren geweest, kon men door contrarie windt geen hooger haven bestevenen; dies quamen wy ter voornoemde plaets inS. Helenaes Baeyten anker. Wy waren geen 6 man sterk bequaam eenige dienst te doen, de rest moesten haer op handen en voeten behelpen; trecken de groote en fokke raa25neder; maakte het voor marsseyl26los, besloegen27de blinde28en bergden de zeylen onder in ’t schip; bleven in dese gestalte omtrent 2 a 3 weeken leggen hopende door het een of ’t ander middel gered te werden.

Als wy hier dan dus lange vruchteloos gelegen hadden, ontbood de schipper, die nu al 14 dagen plat te bedd’ had gelegen die gene die wat konde gaan in cajuyt by hem, alwaar wy met ons 13 a 14 man quamen. Hy seyde: „Mannen, wy hebben hier dus lang gelegen en sien geen hulp op uytkomste. Wie heeft lust om na de Saldange Baey te gaen die maer 12 a 14 mijlen van hier leyt, daer sult gy Christenen vinden om die te[142]spreeken.” Hier op traden wy met ons sevenen toe te wetenJacob Lepi29boekhouder,—de commandeur van de soldaten,—Flip Warlo,Schiman30,—Jan Christiaansz., botteliers-maat31,—Jan Harder, soldaat,—Daniel Silleman, watermaker32en ick,Lourens Thijsz, timmerman. Maekten ons dan vaardig om aen land te gaen en kreegen ter nauwer nood op den 11 November de schuyt buyten boort; namen de man twee beschuyten, een kan water, een bottel wyn, een met brandewyn, yder wat tobak, een paar pistolen, vier snaphanen en elck een hou-degen, waar mede by den schipper zijn gegaan die wy veel gesontheyd toewensten, gelijk hy ons yder man voor man by de hand vattede ook geluck toe-wenste met aanmoedinge van onse reyse kort voort te setten; wy lieten hem in een slechte staet heel krank leggen, wel te gemoet siende dat wy hem niet levendig souden weer vinden; trocken zo op de Reys.

Hier mede sijn wy in de schuyt gegaen en na land geroeyt, alwaar tegen de middag zijnde den selven 11 Novemb. aan quamen; op ’t land gekomen zijnde dronken malkander toe uyt een bottel france wyn; hier op marscheerden wy in Gods naem de strand langs.[143]

Als wy omtrent derdehalf uur33gegaan hadden, leyden het tegens een zand-heuvel aen strand neder, latende de zee aan de rechterhand soo ons van de schipper belast was, maakte wat vuyr en rookte een pijp toebak en ging met ons vijven leggen slapen latende twee de wacht houden die na verloop van eenigen tijd van twee andere verlost wierden; bragten dese nagt over sonder eenigh wild gedierte te vernemen, marcheerden des morgens weder soetjes voort want het hard lopen wegens de scheurbuyek ons benomen was, ’t welck ons ook geen meerder beschuyt had doen mede nemen. Tegen den avond, na dat wy vuyr gemaakt en een pijp toebak gerookt hadden, leyden wy ons weer te slapen en hielden wacht als vooren; in de nagt deden wy verscheyden schoten om eenige vreemde beesten die wy vermoedende waren van ons af te weeren en de nagt over gebragt zijnde, zijn wy met de morgenstond weder aan ’t marcheeren geraakt en quamen omtrent 10 uyren in de Bogt van de Baay. Dese bogt was omtrent twee en een halve mijl van de plaats daar wy met de schuyt aan quamen, daar wy echter door onse zwakheyd nu omtrent twee etmaal over gegaan hadden; alwaar wy een revier vonden die genaemt wierd (zo ons naderhand onderricht is) deBerg Revier; hadden geen meer water, weshalven verblijd waren maer het duirde niet lang door dien de rivier geen soet maer sout water hadde, alzo zijn uytgang in zee hadde, die alle ses uyren op en afliep; hier stonden wy te kijken en konden deselve niet passeeren van wegen sijn diepten: Dese[144]rivier is na gissing 4 a 500 voeten breet. Wy, niet wetende wat wy souden beginnen, sagen malkanderen bedroeft aen; vermits door de groote hette sulken dorst leden dat het onuytspreeckelijk was, resolveerden de revier hoger op te gaan, alwaar wy het water tamelijk begosten te krijgen, drinkende daar doen zo veel af dat het ons van onderen als een spuyt ontliep. Wy sagen malkanderen nochmaal bedroefder aan en seyden: „De schipper heeft ons leelijk bedrogen.”

Den volgenden morgen, als onse boekhouder ouder gewoonte het gebed hadde gedaan, marcheerden wy weder de rivier hoger op en quamen eyndelijk zo verre daar het water heel zoet was, daar wy leggen bleven. Twee van onse mackers gingen de rivier noch hooger op om te sien of er geen hoop van uytkomste te vinden was; ende een stuckweegs opgegaan zijnde sagen zy aan de over kant twee leeuwen komen drincken, die zo haast sy haar sagen weder boswaart in vluchten. Sy proefden het water, maar bevonden het noch brak te wesen, keerden dan wederom en verhaalden ons wat sy gesien hadden. Resolveerden doen gesamentlijk de rivier hoger op te gaan tot dat wy op een vlakte quamen daar wy by malkander gingen zitten en schepten onse kannen met brack water, daar wy zo hartig van dronken dat het ons qualijk bequam. Wy maakten alhier vuyr en leyden ons daar rondom, maar konden de gantsche nacht niet rusten van wegens de pijn die wy in ons ligchaam kregen ’t welck wy oordeelden van het bracke water was spruytende.[145]

Des morgens gingen weder met den dagh de rivier hoger op tot dat wy eindelijk bevonden dat het water vers wierdt alwaar wy een etmaal bleven leggen, maakte vuyr en schepte onse kannen weder vol, kookte het selve met wat safferaan (dat wy uyt ons schip mede genomen hadden) het welcke wy droncken om ons wat te verstercken, want nu in geen twee dagen gegeten hadde.

’s Morgens vertrocken weder van hier de rivier langs ende des avondts nadat wy vuyr gemaakt hadden, stelden twee schilt wachten. Drie van ons geselschap vernamen een groot wilt beest, niet wetende wat voor een dier het was; sagen ook een zee koe in de rivier ende des anderen daags, als wy weder souden vertrecken, vonden ons genootsaakt een gedeelte van ons geweer wegh te werpen, overmids wy onmachtigh wierden de selve langer te dragen. Een van onse mackers gingh na het gebergte om te sien of hy yets soude kunnen bekomen; hy bleef wel drie dagen achter so dat wy meenden dat hem een wildt gediert verslonden hadde waar over met malkanderen bedroeft waren. Onse commandeur konde ook naeulijks meer voort komen want sijn gemacht was soo gezwollen als een bol van een hoedt; en onser aller beenen begonnen soo te zwellen dat wy niet langer gaen konden. Eyndelijck een weynigh verder gekomen sijnde vonden een vlack-velt, bewassen met riet, ’t welck ons dede resolveren een flotje te maken ende te sien of wy de rivier daar mede konde overkomen. Als doen quam onse macker voornoemt weder by ons die verhaelden, als dat hy meenden een Hottentot[146]gesien te hebben die voor hem wegh liep. Wy verheughden ons seer toen hy weder by ons quam vermids inde rivier een hoet hadde sien drijven die wy meenden de zijne geweest te hebben, maer bevonden als doen contrarie, soo dat wy niet konden bedencken waar dat die hoet van daen gekomen was. Ons vlotje klaar hebbende braghten het aan de kant van de rivier, doen is Daniel Silleman over de rivier gezwommen om eens te sien hoe het aan de ander kant mochte wesen, maar doen hy weder quam zeyd’ hy dat het een woest en wilt landt was, ’t welck ons dede resolveeren aan dese kandt te blijven en met malkanderen weder na ’t strant te gaen daer ons schip lagh; vulde dan onse kanne met water en gingen voort.

Omtrent 1. half mijl verre gegaen zijnde, viel onse schimman Philip Warlo van wegens sijn zwackheyd neder, ende bleef daar leggen34. Hy dan siende geen uytkomste voor hem versoght ons maer voort te gaen; wy wenschen hem dan met schreyende oogen adieu. Wy gingen dan varder met onse zwacke leden, het boswaerts schuyns door na strant, hebbende nu also omtrent 2 en een half week met malkanderen gedoolt tot dat wy eyndelijk daer quamen. Een weynig langs de selve gegaen zijnde, vonden onse schipper in sijn combaers genaeyt doot leggen die van het wilt gedierte al een stuck uyt sijn bil gehaalt was. Wy lieten hem leggen want hadden geen kraght ook geen gereetschap[147]om hem te begraven. Kregen het schip int gesigt dat nog voor sijn anckers lagh, keerden weder na onse schuyt om met deselve na boort te varen en daar by gekomen zijnde, bevonden dat al het goet dat daar in gebleven was de zee uytgeslagen hadde, dat wy soo nauw als konden by een soghten. Ook was daar een stuck uyt de schuyt geraakt, maar onse timmerman brack de achter pleght35daar uyt en maakte weder een stuk daar van in deselve so dat wy de schuyt te naasten by weder kant en dight kregen. Doen bragten wy dreggen36met laagh water uyt en kregen de schuyt alsoo weder vlot, maar soo haast als wy hem vlot hadden, quam daar een brandingh en sloegh hem wel half vol water; kort daar op volghde nogh een ander, soo dat de schuyt daar meest door aan stucken raakten en wy de selve verlieten, ziende malkanderen bedroeft aan en geen kans overigh om weeder aan boort te geraken. Stacken een stock op en bonden daar een wit hemdt aan om ons in ’t schip te laten sien, maar vernamen geen teeken wederom, ’t welck ons dede vertrouwen dat sy alle mosten dood sijn; bleven dien naght daar op strandt en resolveerden om ’s anderen daaghs weder bos-waerts in te gaan, sijnde Jan Herder, soldaat, aldaar in onmacht blyven leggen, alsoo veel sout water hadde gedronken en storf.[148]

Wy dan met ons vijven boswaerts ingaande, ten eynde om aldaar eenig voetsel en soetwater, of indien mooglijk was een eynde onses ongevals te soeken, vonden eenige swarte beessen37; bleven daar wel 2 a 3 dagen by leggen etende van deselve soo veel wy konden vermids wy uytgehongert waren, want in 14 dagen geen spijs genuttigt hadden.

Na ’t verloop van dese dagen verlieten wy de beesten en zijn het bos verder door en door gegaan om weder aan de rivier-kandt te geraken, want den grooten dorst genootsaakten ons den dauw van de bladeren te licken ende ons eygen water te drincken, ’t welck ons also flaeuw en principael onse boeckhouder maakten dat hy daar neder viel en seyde: „Mannen, ik kan niet meer,” halende met eenen een brief van den schipper voor den dagh waar in soo wy meenden kennisse en berigt van den slechten toestants onses schip was en hoewel den boekhouder aan een yder van haar toestondt om na een goedt heen komen te soeken en hun leven soo sy best konde bergen, soo wilde den timmerman Lourens Thijsz. niet van hem scheyden, vermids oock sijn quade benen, maer bleef by den boeckhouder leggen.

De andre drie nu gingen voort om de rivier op te soecken ende doen sy een weynigh van de boeckhouder en timmerman af waren deden sy een schoot die door haer op de selve wijs beantwoordt wierd waar mede malkander adieu wensten. Dese twee[149]bleven anderhalve dagh by malkanderen leggen als wanneer de gemelte boeckhouder zoo verzwakte dat hy niet meer spreken konde.Lourens Thijsz.dat siende, trooste hem met schriftuerlijke reden soo veel als hy konde en siende geen uytkomste wenste hem met schreyende oogen de saligheyt.

Alsoo verliet ick,Lourens Thijsz., gemelte boekhouder en gingh dat wilde woeste bos alleen deur wandelen, tot dat ik eyndelijck aan een vlack velt geraakten daar een oliphant die my ongemollesteert liet gaan ontmoete, tot dat ick weder aan de voornoemde rivier quam alwaar ick ging neder sitten Godt danckende voor sijne genade ende groote barmhartigheyt dat hy my dus verre weder gebragt hadde. Ick schepte mijne kanne weder vol water, daer ick soo veel van dronck dat het mijn qualick bequam; mijn spijse was niet anders als gras en wilde beesten dreck. Soo bleef ick hier 6 dagen leggen; ik vernam hier verscheyden zee koeyen en telden wel 25 oliphanten die daer aan de rivier quamen drincken en weder boswaarts ingingen.

De rivier langs gaende vonde ik een verrotte water-rot die ik van honger op at en quam alsoo weder by het vlotje dat wy met malkanderen gemaackt hadden, alwaar ik aan de overkant van de rivier eenige rook sagh op gaan het welck my dede ontkleden en op het vlotjen sitten gaen; dreef alsoo de rivier over. Hier over zijnde vondt ick een dooden haay daar ick mede hartigh van at. Naer het eeten der selver gingh ik boswaart in doch vondt geen menschen maar wel verscheyden soort van[150]beesten, als elanden, vogel-struyssen38en harte beesten, ’twelck my weder uyt het bos deed komen, keerende na het vlotje ende daar even op sijnde quamen twee leeuwen achter een hoeck van daan en gingen de rivier langs. Ick dreef de rivier over ontrent ter plaetse daar ick geweest was en ging deselve hooger op vijf dagen langh; vondt onderwegen een endt-vogel die ick op at.

Des anderen daags vroeg in den morgenstondt ging ick op een hoogte neder sitten vol van groote flaeute en mistroostigheyt, want hadde doenmaels in drie dagen niet gegeten; schepte weer een weynigh moet en rees op en gingh wat varder boswaert in alwaar ick 3 schiltpadden vondt die uyt een bosje quamen kruypen; ick maakte aenstondts wat vuyr daer ick deselve op brade, gingh daer by neder sitten en kreeg mijn gebeede boeck, danckte Godt voor sijn genade dat hy mijn hadde deselve believen te verlenen. Noch in ’t bidden zijnde, hoorde ick eenig gerijssel meenende dat het beesten waren, soo dat ik schielijck opstondt en omme siende sag ick drie wilde menschen, yder met een pyl en boogh voor my staan. Ick verschrikte geweldig want ick sulcken soort van menschen nooyt gesien hadt; zy dan stelden haer in postuer met haar geweer, ende ick nam mijn pistool in de handt gingh also bevende op haar aen. Doen ick nu by haar quam was ’er een van haar die een weynigh Duyts39konde spreeken, die vraeghden my of ik een Duytsman39was; antwoorden hem van ja,[151]ende hy gaf my weder tot antwoortdat een Duytsman een goet man was. Ik verhaelen hem dat ons schip daar op ancker lagh en al ons volck gestorven sijnde wy met ons sevenen aan landt gekomen waren, waervan drie gestorven en drie noch in ’t bosch doolden, dien ik versogt of sy die wilden op soeken. Sy hadden eenige schiltpadden by haer die sy aenstonds voor my braden, ende een van haar haelde mijn kanne vol water, onderwijlen vroegen de andere na mijn toeback daar sy seer begeerig na zijn. De schildtpadden nu gebraden zijnde aten deselve te samen op; doen begeerden sy dat ik mijn boven kleederen soude uyt trecken en met haar mede gaen ’t welck ik deede, maer niet sonder groote vreese, want ik meende dat het menschen eters waren; ik gaf haer dan al mijn goedt om te dragen maer sy waren so gaau in ’t vooruyt loopen, dat ik haer niet konde volgen, soo dat sy my eyndelijk uyt het gesigt raakten, ’t welck my deede geloven dat sy met mijn goet weg waren.

Ik volgde dan die selve passagie, tot dat ik haar vont sitten rooken een pijp toeback; ik sette my dan by haer neder ende een weynigh gerust hebbende, gingen weder te samen voort tot dat wy by haer hutte quamen40. Daer sagh ik haar vrouwen en kinderen die doen sy my sagen altemael vlughten, vermids sy sulcke menschen niet gewent waren soo ’t scheen. Brachten my dan in haar Opperhoofs wooningh daar ik veel koebeesten en schapen sag; sy gaven my harten vlees[152]en melck te eten en ’s anderen daeghs maakten sy my honingh bier om te drincken, brachten my oock eenige wortels41, die sy uyt de aerde graven ende in plaats van broot gebruyckten; ik at dat so hartig, sijnde van honger gans uytgeteert dat het my qualijk maakten; sy deden my hier op uyt haar hutte gaan vreesende dat ik soo aenstonds soude sterven. Doen ik nu in de lugt geraakte, quam ik aanstonts aan ’t braken dat my geweldigh verlichten en doen weder in haar hutte kroop, maer ick en konde tot geen slapen komen uyt vrees dat sy my noch om den hals soude brengen.

’s Anderen daags quamen daar noch drie andere van haar geburen die heel anders van manieren en gedaanten waren; sy hadden lange baerden en waren gestadiger van wesen42. Doen vreesden ik weder dat sy my souden gedoodt hebben, maar bevondt heel contrarie want sy maakte een koe-beest vaerdigh om te slaghten die sy eerst met touwen bonden en gingen doen daar rontomme danssen, springen, speelen en maakte groote ceremonye volgens hare wijse; leyden my tusschen haer beyden daar by om het selve te aanschouwen ’t welck ik met groote verwonderinge aansagh. Dit gedaan zijnde maeckten sy het beest weder los, en lieten het selven weder naert bos loopen. (Mijns oordeels is dat ter eeren van dese drie gebuuren geschiet die sy genoot hadden, want sy haar met diversse soorten van spijse op hare wijse tracteerden.)[153]Soo braght ik dien nagt met haar ten eynde.Den dagh gekomen zijnde, namen wederom van malkanderen afscheyt en kusten my met haar handen toe. Ik had nu by haar twee etmaal geweest in welcken tijdt zy my getracteert hadden met alles wat sy konden by brengen. Maer het verloop der selve stuerde ick haar naer deSaldange Baeyen liet weten dat ick in haer wooninge was en hoedanigh zy my gevonden hadden.

Sy gingen dan aanstonds henen en quamen ’s anderen daegs wederom; braghten een Hollander met haer; wy veraltereerde beyde doen wy malkanderen sagen en ’s morgens doen vertrocken wij na deSaldange Baey, nemende drie Hottentotten by ons. Onderwijlen dat wy op weg waren ontmoeten ons een oliphant, daar wy voor vlugten mosten; wy sagen verscheyden harte-beesten en vogel-struyssen.

Eyndelijck aan deSaldange-Baeygekomen zijnde, maakten een van de Hottentotten vyer tot een teecken dat wy daar waren vermids daar noch een rivier tusschen ons en haar was43. Sy quamen dan aanstonds met een kleyn vaertuygh en haelden ons over; soo raakten ikLourens Thijsz.eyndelijck in deSaldange Baeyop den 1. of 2. Kers-Dagh, alwaar ik noch 14 dagen siek lagh en naer verloop der selve quam daar een vryman van deKaapom te vissen waar mede ik, zijnde wat beter na deKaapvertrock en nam mijn logement ten[154]huyse vande voorgenoemde vrijman genaamtLambert Adrijaansz.

Verhaal van D. Silleman.Doen nuLourens Thijsz.aan deSaldange Baeywas aangekomen, wierd van daar aanstonds kennisse daar van aen de Gouverneur derKaapgesonden die ter aller yl een Vaertuygh44na ’t schipde Goude Buysaf-sond, gelijck hier na sal gesegt werden, waer door den watermakerDaniel Sillemanmede behouden wierd, want gelijck gesegt is den Commandeur der soldaten, den botteliers maat en ikDaniel Sillemanwatermaker, in manieren voorschreven van den zieltogende en neer-gezegenen boekhouder gescheyden sijnde, waren weynigh voort gegaan wanneer wy een schilpatje vonden; maakten vyer, braden het en aten te samen op; deden oock verscheyden schooten met onse pistolen om te doen hooren waer dat wy waren, meenende dat sy weder by ons soude komen, maer vernamen haer niet. Omtrent den avondt maeckten wy weder vuyr dat de botteliers maet (terwijl wy sliepen) brandende hieldt.Den volgende morgen begaven ons weder op wegh om by de rivier te komen en vonden drie schildpadden, die wy weder braden en te samen op aten; bleven daer een weynigh leggen om de groote hitte, tot dat de sonne wat gedaelt was wanneer wy weder voortgingen en drie dagen daer na aen de revier quamen, al waer wy weder ons kannen van[155]water versagen, maer wierden door al het water drincken seer hongerigh.Wy vonden dan aen de kant van de rivier tusschen de biesen amelyen of hanebollen45(soo men die in Hollandt noemt); aten daer van maer kosten onse honger daer mede niet verzaden; derhalven beraatslaegden weder boswaerts in te gaen om te sien of wy iets konde bekomen, alwaer by geval een schildpadt of twee vonden; keerden van daer weder na ’t strandt, daer wy onse verlaten schuyt, die aen stucken geslagen was vonden leggen; begaven ons met ons drien op een stuck van de schuyt te water, om weder aen boort te komen, maer wierden t’elkens met de zee weder te rugge gesmeten.Onderwijlen was ons water weder op geraeckt; wy dan sagen malkander seer bedroeft aen en keerden van disperatie weder boswaerts in om mondt kost voor ons te soeken; vonden eyndelijck van die blaeuwe bessen, daer voor heen van gemeldt is; aten van die selve en onthielden ons aldaer 14 dagen, drinkende ons eygen water, gelijck wy meermalen gedaen hadden. Doen verloren wy de boteliers maet, sijnde omtrent den 26. of 27. December ende een weynigh van het doode ligchaam gegaen sijnde, seyde de Commandeur tegens myDaniel Silleman: „Jan Crist of Christiaensz.(soo was sijn naem)is nu doodt en wy lijden grooten honger; laet ons weder te rugh gaen en snijden van het dickste vlees een stuck[156]af en laet ons het selve braden en op eten; Godt sal ons dat voor geen sonden reekenen.” Ik schrikte van so een voor-slagh en zeyde neen. Evenwel na veel tegenspreeken seyde hy, door honger geprangt sijnde: „Ik sal het dan voor my daer uyt snyden.” Ende alsoo mijn honger niet minder dan de sijne was, seyde ick tegens hem: „Wilt gy daer van snyden en braden, ick sal ’er u van helpen eeten.” Dit was nu tegens den avondt; ick kreegh hout en maeckte vuyr en hy ginck henen en sneed hem uyt het dick van ’t been een stuck omtrent soo groot als een handt en brade het; maer doen het gebraden was, konden wy daer niet van eten van wegen sijn droge tajigheyd; aten evenwel een mondt vol of twee daer van en staken het overschot in onse sack, willende sien of wy het den volgenden dag bequaem tot eten soude konnen maken; leyden ons hier op omtrent 20 treeden van ’t doode ligchaam (kraght en moedeloos zijnde) te slapen tot den volgende dag.En alsoo wy noch toback by ons hadden, bleven by malkanderen sitten en pijp toeback roocken tot ontrent de middagh, als wanneer ons de slaap overviel.Onderwylen quamen daer vierHottentots, gewapent met pijl en boogh by ons die my eerst aenriepen, waer op ick ontwaeckte en schrickte soodanige menschen te sien; stondt dan op en gingh een tree of thien te rugh by de Commandeur die noch sliep. Ick maeckte hem wacker; sy volghden my en setten hun met haer vieren rontom ons neder. (DeseHottentotswaren van deSaldange[157]Baeyafgesonden na datLourens Thijsz.daer was aengekomen om ons met ons driejen op te soeken; dog soude ons aparent soo kort niet hebben gevonden, maer wy hadden vuyr gemaeckt dicht onder eenig kleyn geboomte dat door de windt aen brandt geraeckt en vorder een groot gedeelte van ’t bos aen brandt stak.) Een van haer die krom Duyts sprack, vroeg ons of wy geen dorst hadden. Wy seyden van ja, want het was den 15. dagh dat wy niet anders als ons eygen water en den dan die wy ’s morgens van de bladeren lickte hadden genuttight. Sy maeckte vuyr en braden een schildtpadt voor ons dieDaniel Sillemanweygerde om te eten, seggende hy soude daer eerst van eten, waer op den Hottentot antwoorde: „Hongerige ziele, soude ick u kost op eten, dat doen wy niet.” Dies wy die eyndelick op aten.Als nu het water dat sy gebraght hadden uyt was, gaven wy haer elck acht dubbeltjes en vraeghden haer of sy meer wilden halen, dat wy haer dan meer geldt souden geven. Hier op gaen ’er twee weder om water ende de andere twee bleven by ons die wy wat toeback gaven. Een van de twee dewelck by ons bleef was die gene die wat Duyts konde en zeyde dat hy een capiteins soon was; de andere twee naer dat zy na gissinge vier uren waren wegh geweest quamen wederom en bragten water daer wy seer hartigh van droncken.Dat gedaen zijnde spraken sy van naer haer woninge te gaen; begaven ons met haer op de weg maer de Commandeur was soo zwack dat ’t elkens neder viel en sy waren soo gezwindt in ’t[158]vooruytloopen dat ick haer oock niet volgen konde, oock soo wilde ick myn maet niet verlaten. Sy dan waghten ons verscheyden reysen in en droegen onse rocken daer wy ons ’s nachts mede deckten; maer als sy sagen dat de commandeur niet voort konde komen en ick van hem niet gaen wilde, seyden sy dat wy hun in haer hutten soude vinden; namen onse rocken mede, denckende dat wy souden volgen, maer als sy een musquet schoot van ons af waren bleven sy stille staen en maeckte een misbaer, niet of sy menschen maer of ’t duyvels waren.Daer op quamen sy alle vier weder na ons toe loopen; wy dat siende, meenden dat sy ons om den hals soude brengen, maer twee van haer gaven haer geweer46over en siende dat ick noch gauwer als de commandeur was, vat my elck by een arm en liepen met my weg, latende de commandeur leggen. Hy, my dan soo siende mede slepen, kroop soo veel hy kost voort om my te volgen, maer na dat sy my een groot stuck weeghs hadde mede gesleept (en ick van haer geen goedt was verwachtende), sochte ik t’elkens van haer af te komen; haelde een knip-mesjen (dat ick by my hadde) uyt myn sack, waer mede ick na de eene stiet, dit voort los liet, en doen dede ick van gelijcken naer de andere die my oock los liet waer door ick gelegentheyd kreeg haer te ontvluchten, gelijck ick oock van haer ter zijden af in ’t bos liep. Doen maeckten[159]zy een groot geschreeuw waer op twee andere die al ’t geweer droegen en een stuck weeghs achter waren, na haer toe liepen en haer geweer overgaven; waer op sy alle vier na my toe quamen en met haer pijl en boog ons dreygden te doorschieten. De voornoemde Hottentots riepen tot verscheyden malen dat ick by haer soude komen maer ick en wilde niet uyt vreese als sy my in haer coralen47gesleept hadden, my slachten en eeten soude. Ondertusschen was de commandeur weder by my gekomen en als sy dan sagen dat ick niet met haer en wilde, smeeten onse rocken weder toe, maer een leeren rantsel daer omtrent 180 gulden aen geldt van my in was namen zy mede en lieten ons daer samen sitten.De nacht aenkomende leyden ons tot slapen ende den volgende morgen marcheerden wy weder te rugh en quamen ter plaetse daer wy te vooren die swarte bessen gegeten hadden; bleven daer 4 dagen by malkander leggen, want de commandeur konde niet een voet meer versetten en ick wilde hem niet verlaten. Ick pluckte somtijds wat bessen die ick hem brachte, maer eyndelijck van tijd tot tijd soo verzwackte dat hy op den 5. dagh naulijks meer geluyt konde geven. Ick bleef soo langh by hem dat de spraek hem quam te begeven en op den 30. of 31. December den geest gaf.Ziende dan geen ander uytkomst als de doodt, verliet hem en wenste weder by de Hottentots te zijn, doch die gedagten en konden my doen niet[160]helpen; derhalven resolveerde weder naer strandt te gaen, met voornemen so het verlaten schip daer noch lag, naer het selve te swemmen. Ick gaf my dan in de achter-middagh op wegh en marcheerden soo verre dat ick tegens den avondt ons schip weder in ’t gesight kreegh en soo mijn dochte sagh ick achter het schip noch een vaertuygh, maer konde het selve door de duysterheyt niet kennen, ging egter soo lange voort als ick sien konde, alsoo mijn hoope was Christen menschen te vinden. Als het dan gants duyster was geworden maekten ick vuyr, en een bos rijsen48by malkanderen geraept hebbende stak die in brandt en alsoo ick nogh weynigh toback op my hadde, rookte van deselve een pijpjen en begaf my om te slapen.Den volgende morgen marcheerden ik soo spoedig voort als mijn mogelijck was en quam omtrent ten 10 uren aen strant, zijnde den 2. January 1694 alwaer ick onse verlaten schip vondt van sijn ankers geslagen en tegens strant geset; oock sagh ick een schip met 3 masten in de baey, met noch een Engels vaertuygh, omtrent een mijl van land. Ick was seer verblijt als ick dit schip sagh ende begon met mijn Engelsche-Mus die ick op hadde te wencken waer op een schuytjen met twee man wierd afgestuert om my te halen. Als dit vaertuygh omtrent de brandingh was gekomen, liep ick van blijdtschap tot onder mijn armen in ’t water en gerraeckten alsoo behouden in ’t vaertuygh. Van dese twee maets verstondt ick dat het eene[161]schip met drie masten, denDageraetwas, en het Engels vaertuygh de chaloep del’Amie49, dewelcke van deCaapwaren afgeschickt om het schip deGouden Buysaf te halen. Zy roeyden my aen deGouden Buysalwaer den schipperJan Tackdieden Dageraetvoerde op was.Welck schip deDageraet, schipperJan Tackvoornoemt (op ordre van den Gouverneur van deCaapdie den 28. December d’eerste kennisse van deSaldange Baeyhad bekomen) den 29. dito was afgesonden en deTafel Baeyuyt gelaveert en quam op den 1. January 1694 aen het schip deGouden Buysdie voor omtrent 12 dagen van te voren van sijn anckers gedreven nu tegens de wal vanS. Helenaes Baeyaen vonden leggen op 15 voeten waters, hebbende alleen maer 23 duym water in; sulks schipperJan Tackmoet hadde, om ’t selve van strand af en weer in ’t diep te brengen; dies hy aen de Gouverneur van de Caap over de landt wegh daer van kennisse gaf waer op zijn Ed. hem toesondt ’t JachtTamboer, ’t Galjoot ’tHoen, en ’t vaertuygJupitermet 50 man die den 10. January daer aenkomen; waer op zy gesamentlijck te werck gaen, hebbende zijn ladinge uyt deselve genomen om te lichten en ’t schip in ’t vlot te brengen, gelijck dan sulcks oock op den 12. January daer een weynig na begon te lijcken, dewijl ’t schip nu maer 14 voet gaende, vermids alle[162]zware goederen daer uyt waren geborgen en reets op 12 voeten water was gebragt; op den 13. dito meende men ’t genoegsaem te hebben gewonnen, maer ’t weer en windt wat ontstelt sijnde, ’t geene de zee hooger deede dijnen als te vooren; raekte ’t schip geweldigh aen ’t stooten, sulcks de groote mast 2 voeten uyt sijn spoor lichte en ’t schip leck geraeckte, waer op geresolveert wierd de lins te kappen50en ’t schip weder na de wal te laten drijven, gelijck gedaen wierd; waer op het den 15. January op zy viel; dies men vorder alle wat nogh kon geborgen worden en daer noch in was als loot, yser en eenige andere waren met 9 anckers en touwen daer uyt lichten ende te samen gelaeden na deCaapweder keerden; welcke schepen als ’t jaghtTamboer, ’t galjoot’t HoenendeJupiterneffens de chaloep del’Amieop den 4 February weder naGouden Buyssijn afgesonden om verder alles te bergen wat nogh overigh was, gelijck zy oock deeden en den 7 February weder volladen te rugh keerden en ’t hare in salvo bragten: welcke goederen vorder naBataviamet de Compagnie schepen sijn versonden.Daer gekomen zijnde sagh my een yder met verwonderingh aen daar dien ick gandts swart en[163]mager van honger was, want het was nu 7 en een halve week dat ick van schip was gegaan. Ik eyschte drincken, en also geen water by de handt was, seyde den schipper het beter te zijn dat ick versterckende dranck nuttighde en liet een half-musjen51caneel-water geven dat ick graegh in dronck. Ondertussen vondt ick een vaetjen met water, daer in zynde 6 kannen water dat uyt de schuyt in ’t schip was gekomen en, alsoo ick noch niet machtig was het selve op te lichten (een teken van seer kleyne kragt), leyde het by my neer en dronck het meer als half leegh. Oock liet my de schipper een pint Franse wijn geven, die ick mede met smaeck uytdronck. Ick verstondt van ’t volck dat sy ’s avonds te vooren met haer schepen daer waren gekomen en dat sy wel seventhien a achtien doode lichamen gevonden hadden waer van eenige soodanigh gestelt waren, dat men haer niet konde handelen. Ongelooffelijke stanck wasser in ’t schip en alsoo den avondt viel en het niet geraden vonden om in die grooten stank het volck in het schip te laten, stapten sy alle in de boot en sloep om weder aen boort van haer schip te varen, maer voor haer vertrek van boort hoorden zy noch gekerm van een mensch, waer op zy weder uyt de sloep in het schip gingen om te besoeken en komende in de stuurboorts hut, vonden aldaer den hof-meesterJan Frantz. Doesborghheel kranck. Zoo haest hy ons sagh riep hy: „Slaet my niet doodt, ick sal seggen waer het geldt is.” Wy vermoeden[164]dat hy meenden dat wy quamen om het schip te berooven. Hy seyde dan: „Het geldt leydt onder de schipper sijn kooy.” Zy namen hem uyt het schip en quamen alle weder in de sloep, en bragten hem op het schip denDageraetalwaer van behoorlijcke medicamenten tot herstelling zijnder gesontheyd met de hulp van Godt wierde gegeven; dogh hy overleed na twee en een half etmael op denDageraet.Om weder tot mijn varhael te komen, so bragten sy my met mijn kisten en slaep goedt aen denDageraet. In ’t roeyen naer ’t schip voeren wy eerst aen de chaloupl’Amie, alwaer zy 2 gebraden vissen, twee geweyckte bisschuyten en een kanne water voor my overlanghde, aen de welck ick in ’t roeyen na deDageraetbegon te peuselen en op het schip gekomen zijnde wierd ick van de kock met warm water van ’t hooft tot de voeten gewassen; verschoonde my doen van alles en dit gedaen zijnde, sette de kock my schape vlees met geele wortelen voor om te eeten; daer toe wierd my so veel wijn gegeven als ick konde drincken.Wy bleven hier noch drie dagen leggen; onderwijlen wierd ons schipDe Dageraetgeladen met de gebergde goederen van het verlooren schipDe Gouden Buys, waer onder seventhien kisten met geldt waren.Onse ladingh in hebbende, gingen in Compagnye van de chaloupl’Amie(die oock volladen was) ’t zeyl en na dat wy twee dagen in zee geweest waren, kregen een storm dat wy in korten tijdt door de poorten tusschen deck drie voet water in kregen.[165]Wy deden dan met alle man soo veel met balijen en putsen dat wy eyndelick het schip weder leegh kregen; maer ’s anderen daegs, eendeels door contrarie windt en anderdeels om ons schip wat te kalleffateren deSaldange Baeyin liepen, alwaer wy oock visten ende in twee trecken met den Zegen wel een half schuyt vol vis vongen; de gevangen vis aan boort gebraght hebbende koockte, braede en backte deselve daer ick niet weynigh mijn part van kreegh, ’t welck een groote vervarssingh voor mijn was. Sy broghten my oock na de Compagnie post die in deSaldange Baeyleydt om een van myn mackers die sy seyden van deSwartendaer gebracht te zijn te besoecken, maer als ick daer quam verstondt ick dat hy daeghs te vooren met een vrijmans vaertuygh dat daar lagh was vertrocken. Ick verstont hier oock dat de swarte die my in ’t bos gevonden hadde, aldaer de tijdinge hadden gebragt dat sy ons beyde wel gevonden maer niet mede hadden konnen krijgen, gelijck waer was. Ick vroeg of zy mijn rantsel met geldt daer niet hadden gebraght, daer ick op tot antwoordt kreeg dat sy wel wisten wat geldt was en wijser waren het daer te brengen. Sy gaven ons dan te eten ende dat gedaen zijnde, voeren weder aen boort, maekten den volgende dagh zeyl en staken in zee. Na dat wy weder 2 daghen in zee geweest waren, kregen deTafelenLeewen Berghin ’t gesigt; die nacht was het heel stil weer en liet de stuerman in de honde-waght52[166]ons groote zeyl met de fock53op gijen54, streken ons mars-zeyl op de randt neder en lieten het alsoo drijven; na datter 6 glasen in de honde-waght uyt waren55zagen wy de brandings soo natuerlijck dat het ons heel ontstelde; hier op komt de schipper uyt sijn kooy, die hem in ’t begin van de honde-wagt tot slapen had geleydt en de sorgh aen de stuerman gelaten hadde, zeyde: „Mannen wat wil dit zijn? Heer, wat is dat? Soude wy wel aen de vaste wal sijn?” Dit seyde hy uyt oorsaecke van de groote mist die daer was en alsoo de zee boven gemeen hol gingh, was het wel te presumeeren dat wy digt by landt mosten wesen, lieten het diep loot werpen en bevonden op 10 vadem water te sijn. Hier op riep de schipper: „Mannene ’t sa, wacker! Het ancker voor van de boegh af en laet het vallen”; daer wel voort aengegaen wierdt maer de branding begost al voor ons te breken. Na dat wy 2 anckers hadden laten vallen en omtrent 100 vadem geviert56was eer het selve wilde houden, waren wy alsoo dight op de wal dat de brandingh met sulcken kraght voor ons schip storten dat onse groote blinde ree57in de eerste stortingh aen stucken brak waer op ons voor schip wierdt aen stucken geslagen. Een man[167]die voor de beetingh58stont, wierdt van de zee tegens deselve aen geslagen dat sijne ribben aen stucken waren; hy kroop noch na de cojuyt, maer bestorf het. Door de vuyle klippige gront raekten beyde onse cabel touwen aen stucken en wiert ons achter-schip tegens de wal geset dat hem het roer van syn gat af stiet en het voorschip dwars zee, soo dat hy met syn stuur-boort aen landt quaem te leggen en wierd al hoger op tegen de wal geset. Wy kregen van bakboort sulken zee, dat ons de focke mast midden door sloegh. Even te vooren hadden wy de schuyt in de taakels59gehangen om te sien of wy met deselve niet konde ontvluchten, maer wy sagen daer geen apparentie toe want d’eene zee was niet over ons hooft of kregen eer wy ons adem gehaelt hadden d’ander weder op ’t lijf. Wy vluchten dan d’eene parthy op ’t half-deck60, sommige op de hut61, eenige klommen in ’t want andere saten op het zonne-dek62, in somma elck sogt hem te salveeren als hy best konde. Ick was dan mede achter op geloopen; onderwijlen komt daer een zee en slaet de schuyt in sijn taakels aen stucken dat de achter en voorsteven bleef hangen en met deselve zee, raekte onse groote mast (die digt onder de mars wierdt aen stucken geslagen)[168]over boort; de zee die daer op volgden sloeg de boot die los in sijn klampen63stont mede over boord ende de groote mast noch eenmael aen stucken.Hier na wiert het voor schip tot aen ’t groote luyck van ’t achter schip van malkanderen geslagen so dat ondertusschen het agter schip hooger tegen strant aen schookte. Op het sonne-deck waren wel 15 a 16 gevlught dewelcke door een zee met het selve van ’t schip wierden geslagen en van ’t water alle over de klippen aen landt geset. Kort hier op wierdt het deck van de hut, daer de rest van ’t volck op was gevlught (behalven ick en de konstapels jonge64, gelight en quamen als de voorige aen landt. Ick op het vrak van ’t schip staende, trock mijn kleederen uyt om met swemmen aen ’t landt te komen, maer siende dat ’er verscheyden waren die beter swemmen konden als ick haer te water gaven, maer wat ter zijden het schip gekomen zijnde trock het water soo sterck dat het haer in zee sleepte en alsoo 15 a 16 man verdronck; ick moeder naekt dit ellendig schou-spel aensiende, quam weder een zee en slaet my met de jonge een stuck van boort in zee; ick verliet het stuck houdt, alsoo om siende veel houtwerck en vaten op my sagh afkomen, liet my na de gront toe sincken om van deselve niet beschadigt te werden. Onderwijlen raekten dit goedt alles over mijn hooft en weder boven komende, zag mijn door de vloet van ’t water een goedt stuck[169]van ’t wrack af, de tweede brandingh over viel mijn soo schielijck dat ick deselvige niet konde ontwijken; zij nam mijn op en smeet my los tegens de klippen in, alwaer ick door de bandieten65, die op het schieten daer gekomen waren, zijnde vijf sterk, gezwind daeruyt gehaelt wierd.)Op het landt gekomen zijnde, bragten sy my by een groot vuyr om te warmen dat sy gemaekt hadden; gewarmt hebbende setten sy my met noch vier andere op een wagen, bragten ons in haer woon huys en setten ons broot en kaas voor daer wy wat van aten. Na dat wy daer drie dagen hadden geweest, wierden met de boot van ’t schipSchoondijckdat aen deCaaplag van daer gehaelt en aen deCaapgebragt en aldaer gekomen zijnde, vondt ick mijn cammeraetLourens Thysz.op ’t hooft staen die in ’t bos met den boekhouder van ons was gescheyden; als hy my sag verwellekomde my met groote blijdtschap en nam my met hem in zijn logement, ten huyse van de voorgemelte vrymanLambert Adriaansz.alwaer ick wel wierde ontvangen en bleef logeeren.Eenige dagen hier naer, deden wy aen den secretaris van den Governeur het voor-verhaelde relaes, het welcken in ’t kortopgeschrevenzijnde, wy met eden bevestigen.[171]

Verhaal van D. Silleman.

Doen nuLourens Thijsz.aan deSaldange Baeywas aangekomen, wierd van daar aanstonds kennisse daar van aen de Gouverneur derKaapgesonden die ter aller yl een Vaertuygh44na ’t schipde Goude Buysaf-sond, gelijck hier na sal gesegt werden, waer door den watermakerDaniel Sillemanmede behouden wierd, want gelijck gesegt is den Commandeur der soldaten, den botteliers maat en ikDaniel Sillemanwatermaker, in manieren voorschreven van den zieltogende en neer-gezegenen boekhouder gescheyden sijnde, waren weynigh voort gegaan wanneer wy een schilpatje vonden; maakten vyer, braden het en aten te samen op; deden oock verscheyden schooten met onse pistolen om te doen hooren waer dat wy waren, meenende dat sy weder by ons soude komen, maer vernamen haer niet. Omtrent den avondt maeckten wy weder vuyr dat de botteliers maet (terwijl wy sliepen) brandende hieldt.Den volgende morgen begaven ons weder op wegh om by de rivier te komen en vonden drie schildpadden, die wy weder braden en te samen op aten; bleven daer een weynigh leggen om de groote hitte, tot dat de sonne wat gedaelt was wanneer wy weder voortgingen en drie dagen daer na aen de revier quamen, al waer wy weder ons kannen van[155]water versagen, maer wierden door al het water drincken seer hongerigh.Wy vonden dan aen de kant van de rivier tusschen de biesen amelyen of hanebollen45(soo men die in Hollandt noemt); aten daer van maer kosten onse honger daer mede niet verzaden; derhalven beraatslaegden weder boswaerts in te gaen om te sien of wy iets konde bekomen, alwaer by geval een schildpadt of twee vonden; keerden van daer weder na ’t strandt, daer wy onse verlaten schuyt, die aen stucken geslagen was vonden leggen; begaven ons met ons drien op een stuck van de schuyt te water, om weder aen boort te komen, maer wierden t’elkens met de zee weder te rugge gesmeten.Onderwijlen was ons water weder op geraeckt; wy dan sagen malkander seer bedroeft aen en keerden van disperatie weder boswaerts in om mondt kost voor ons te soeken; vonden eyndelijck van die blaeuwe bessen, daer voor heen van gemeldt is; aten van die selve en onthielden ons aldaer 14 dagen, drinkende ons eygen water, gelijck wy meermalen gedaen hadden. Doen verloren wy de boteliers maet, sijnde omtrent den 26. of 27. December ende een weynigh van het doode ligchaam gegaen sijnde, seyde de Commandeur tegens myDaniel Silleman: „Jan Crist of Christiaensz.(soo was sijn naem)is nu doodt en wy lijden grooten honger; laet ons weder te rugh gaen en snijden van het dickste vlees een stuck[156]af en laet ons het selve braden en op eten; Godt sal ons dat voor geen sonden reekenen.” Ik schrikte van so een voor-slagh en zeyde neen. Evenwel na veel tegenspreeken seyde hy, door honger geprangt sijnde: „Ik sal het dan voor my daer uyt snyden.” Ende alsoo mijn honger niet minder dan de sijne was, seyde ick tegens hem: „Wilt gy daer van snyden en braden, ick sal ’er u van helpen eeten.” Dit was nu tegens den avondt; ick kreegh hout en maeckte vuyr en hy ginck henen en sneed hem uyt het dick van ’t been een stuck omtrent soo groot als een handt en brade het; maer doen het gebraden was, konden wy daer niet van eten van wegen sijn droge tajigheyd; aten evenwel een mondt vol of twee daer van en staken het overschot in onse sack, willende sien of wy het den volgenden dag bequaem tot eten soude konnen maken; leyden ons hier op omtrent 20 treeden van ’t doode ligchaam (kraght en moedeloos zijnde) te slapen tot den volgende dag.En alsoo wy noch toback by ons hadden, bleven by malkanderen sitten en pijp toeback roocken tot ontrent de middagh, als wanneer ons de slaap overviel.Onderwylen quamen daer vierHottentots, gewapent met pijl en boogh by ons die my eerst aenriepen, waer op ick ontwaeckte en schrickte soodanige menschen te sien; stondt dan op en gingh een tree of thien te rugh by de Commandeur die noch sliep. Ick maeckte hem wacker; sy volghden my en setten hun met haer vieren rontom ons neder. (DeseHottentotswaren van deSaldange[157]Baeyafgesonden na datLourens Thijsz.daer was aengekomen om ons met ons driejen op te soeken; dog soude ons aparent soo kort niet hebben gevonden, maer wy hadden vuyr gemaeckt dicht onder eenig kleyn geboomte dat door de windt aen brandt geraeckt en vorder een groot gedeelte van ’t bos aen brandt stak.) Een van haer die krom Duyts sprack, vroeg ons of wy geen dorst hadden. Wy seyden van ja, want het was den 15. dagh dat wy niet anders als ons eygen water en den dan die wy ’s morgens van de bladeren lickte hadden genuttight. Sy maeckte vuyr en braden een schildtpadt voor ons dieDaniel Sillemanweygerde om te eten, seggende hy soude daer eerst van eten, waer op den Hottentot antwoorde: „Hongerige ziele, soude ick u kost op eten, dat doen wy niet.” Dies wy die eyndelick op aten.Als nu het water dat sy gebraght hadden uyt was, gaven wy haer elck acht dubbeltjes en vraeghden haer of sy meer wilden halen, dat wy haer dan meer geldt souden geven. Hier op gaen ’er twee weder om water ende de andere twee bleven by ons die wy wat toeback gaven. Een van de twee dewelck by ons bleef was die gene die wat Duyts konde en zeyde dat hy een capiteins soon was; de andere twee naer dat zy na gissinge vier uren waren wegh geweest quamen wederom en bragten water daer wy seer hartigh van droncken.Dat gedaen zijnde spraken sy van naer haer woninge te gaen; begaven ons met haer op de weg maer de Commandeur was soo zwack dat ’t elkens neder viel en sy waren soo gezwindt in ’t[158]vooruytloopen dat ick haer oock niet volgen konde, oock soo wilde ick myn maet niet verlaten. Sy dan waghten ons verscheyden reysen in en droegen onse rocken daer wy ons ’s nachts mede deckten; maer als sy sagen dat de commandeur niet voort konde komen en ick van hem niet gaen wilde, seyden sy dat wy hun in haer hutten soude vinden; namen onse rocken mede, denckende dat wy souden volgen, maer als sy een musquet schoot van ons af waren bleven sy stille staen en maeckte een misbaer, niet of sy menschen maer of ’t duyvels waren.Daer op quamen sy alle vier weder na ons toe loopen; wy dat siende, meenden dat sy ons om den hals soude brengen, maer twee van haer gaven haer geweer46over en siende dat ick noch gauwer als de commandeur was, vat my elck by een arm en liepen met my weg, latende de commandeur leggen. Hy, my dan soo siende mede slepen, kroop soo veel hy kost voort om my te volgen, maer na dat sy my een groot stuck weeghs hadde mede gesleept (en ick van haer geen goedt was verwachtende), sochte ik t’elkens van haer af te komen; haelde een knip-mesjen (dat ick by my hadde) uyt myn sack, waer mede ick na de eene stiet, dit voort los liet, en doen dede ick van gelijcken naer de andere die my oock los liet waer door ick gelegentheyd kreeg haer te ontvluchten, gelijck ick oock van haer ter zijden af in ’t bos liep. Doen maeckten[159]zy een groot geschreeuw waer op twee andere die al ’t geweer droegen en een stuck weeghs achter waren, na haer toe liepen en haer geweer overgaven; waer op sy alle vier na my toe quamen en met haer pijl en boog ons dreygden te doorschieten. De voornoemde Hottentots riepen tot verscheyden malen dat ick by haer soude komen maer ick en wilde niet uyt vreese als sy my in haer coralen47gesleept hadden, my slachten en eeten soude. Ondertusschen was de commandeur weder by my gekomen en als sy dan sagen dat ick niet met haer en wilde, smeeten onse rocken weder toe, maer een leeren rantsel daer omtrent 180 gulden aen geldt van my in was namen zy mede en lieten ons daer samen sitten.De nacht aenkomende leyden ons tot slapen ende den volgende morgen marcheerden wy weder te rugh en quamen ter plaetse daer wy te vooren die swarte bessen gegeten hadden; bleven daer 4 dagen by malkander leggen, want de commandeur konde niet een voet meer versetten en ick wilde hem niet verlaten. Ick pluckte somtijds wat bessen die ick hem brachte, maer eyndelijck van tijd tot tijd soo verzwackte dat hy op den 5. dagh naulijks meer geluyt konde geven. Ick bleef soo langh by hem dat de spraek hem quam te begeven en op den 30. of 31. December den geest gaf.Ziende dan geen ander uytkomst als de doodt, verliet hem en wenste weder by de Hottentots te zijn, doch die gedagten en konden my doen niet[160]helpen; derhalven resolveerde weder naer strandt te gaen, met voornemen so het verlaten schip daer noch lag, naer het selve te swemmen. Ick gaf my dan in de achter-middagh op wegh en marcheerden soo verre dat ick tegens den avondt ons schip weder in ’t gesight kreegh en soo mijn dochte sagh ick achter het schip noch een vaertuygh, maer konde het selve door de duysterheyt niet kennen, ging egter soo lange voort als ick sien konde, alsoo mijn hoope was Christen menschen te vinden. Als het dan gants duyster was geworden maekten ick vuyr, en een bos rijsen48by malkanderen geraept hebbende stak die in brandt en alsoo ick nogh weynigh toback op my hadde, rookte van deselve een pijpjen en begaf my om te slapen.Den volgende morgen marcheerden ik soo spoedig voort als mijn mogelijck was en quam omtrent ten 10 uren aen strant, zijnde den 2. January 1694 alwaer ick onse verlaten schip vondt van sijn ankers geslagen en tegens strant geset; oock sagh ick een schip met 3 masten in de baey, met noch een Engels vaertuygh, omtrent een mijl van land. Ick was seer verblijt als ick dit schip sagh ende begon met mijn Engelsche-Mus die ick op hadde te wencken waer op een schuytjen met twee man wierd afgestuert om my te halen. Als dit vaertuygh omtrent de brandingh was gekomen, liep ick van blijdtschap tot onder mijn armen in ’t water en gerraeckten alsoo behouden in ’t vaertuygh. Van dese twee maets verstondt ick dat het eene[161]schip met drie masten, denDageraetwas, en het Engels vaertuygh de chaloep del’Amie49, dewelcke van deCaapwaren afgeschickt om het schip deGouden Buysaf te halen. Zy roeyden my aen deGouden Buysalwaer den schipperJan Tackdieden Dageraetvoerde op was.Welck schip deDageraet, schipperJan Tackvoornoemt (op ordre van den Gouverneur van deCaapdie den 28. December d’eerste kennisse van deSaldange Baeyhad bekomen) den 29. dito was afgesonden en deTafel Baeyuyt gelaveert en quam op den 1. January 1694 aen het schip deGouden Buysdie voor omtrent 12 dagen van te voren van sijn anckers gedreven nu tegens de wal vanS. Helenaes Baeyaen vonden leggen op 15 voeten waters, hebbende alleen maer 23 duym water in; sulks schipperJan Tackmoet hadde, om ’t selve van strand af en weer in ’t diep te brengen; dies hy aen de Gouverneur van de Caap over de landt wegh daer van kennisse gaf waer op zijn Ed. hem toesondt ’t JachtTamboer, ’t Galjoot ’tHoen, en ’t vaertuygJupitermet 50 man die den 10. January daer aenkomen; waer op zy gesamentlijck te werck gaen, hebbende zijn ladinge uyt deselve genomen om te lichten en ’t schip in ’t vlot te brengen, gelijck dan sulcks oock op den 12. January daer een weynig na begon te lijcken, dewijl ’t schip nu maer 14 voet gaende, vermids alle[162]zware goederen daer uyt waren geborgen en reets op 12 voeten water was gebragt; op den 13. dito meende men ’t genoegsaem te hebben gewonnen, maer ’t weer en windt wat ontstelt sijnde, ’t geene de zee hooger deede dijnen als te vooren; raekte ’t schip geweldigh aen ’t stooten, sulcks de groote mast 2 voeten uyt sijn spoor lichte en ’t schip leck geraeckte, waer op geresolveert wierd de lins te kappen50en ’t schip weder na de wal te laten drijven, gelijck gedaen wierd; waer op het den 15. January op zy viel; dies men vorder alle wat nogh kon geborgen worden en daer noch in was als loot, yser en eenige andere waren met 9 anckers en touwen daer uyt lichten ende te samen gelaeden na deCaapweder keerden; welcke schepen als ’t jaghtTamboer, ’t galjoot’t HoenendeJupiterneffens de chaloep del’Amieop den 4 February weder naGouden Buyssijn afgesonden om verder alles te bergen wat nogh overigh was, gelijck zy oock deeden en den 7 February weder volladen te rugh keerden en ’t hare in salvo bragten: welcke goederen vorder naBataviamet de Compagnie schepen sijn versonden.Daer gekomen zijnde sagh my een yder met verwonderingh aen daar dien ick gandts swart en[163]mager van honger was, want het was nu 7 en een halve week dat ick van schip was gegaan. Ik eyschte drincken, en also geen water by de handt was, seyde den schipper het beter te zijn dat ick versterckende dranck nuttighde en liet een half-musjen51caneel-water geven dat ick graegh in dronck. Ondertussen vondt ick een vaetjen met water, daer in zynde 6 kannen water dat uyt de schuyt in ’t schip was gekomen en, alsoo ick noch niet machtig was het selve op te lichten (een teken van seer kleyne kragt), leyde het by my neer en dronck het meer als half leegh. Oock liet my de schipper een pint Franse wijn geven, die ick mede met smaeck uytdronck. Ick verstondt van ’t volck dat sy ’s avonds te vooren met haer schepen daer waren gekomen en dat sy wel seventhien a achtien doode lichamen gevonden hadden waer van eenige soodanigh gestelt waren, dat men haer niet konde handelen. Ongelooffelijke stanck wasser in ’t schip en alsoo den avondt viel en het niet geraden vonden om in die grooten stank het volck in het schip te laten, stapten sy alle in de boot en sloep om weder aen boort van haer schip te varen, maer voor haer vertrek van boort hoorden zy noch gekerm van een mensch, waer op zy weder uyt de sloep in het schip gingen om te besoeken en komende in de stuurboorts hut, vonden aldaer den hof-meesterJan Frantz. Doesborghheel kranck. Zoo haest hy ons sagh riep hy: „Slaet my niet doodt, ick sal seggen waer het geldt is.” Wy vermoeden[164]dat hy meenden dat wy quamen om het schip te berooven. Hy seyde dan: „Het geldt leydt onder de schipper sijn kooy.” Zy namen hem uyt het schip en quamen alle weder in de sloep, en bragten hem op het schip denDageraetalwaer van behoorlijcke medicamenten tot herstelling zijnder gesontheyd met de hulp van Godt wierde gegeven; dogh hy overleed na twee en een half etmael op denDageraet.Om weder tot mijn varhael te komen, so bragten sy my met mijn kisten en slaep goedt aen denDageraet. In ’t roeyen naer ’t schip voeren wy eerst aen de chaloupl’Amie, alwaer zy 2 gebraden vissen, twee geweyckte bisschuyten en een kanne water voor my overlanghde, aen de welck ick in ’t roeyen na deDageraetbegon te peuselen en op het schip gekomen zijnde wierd ick van de kock met warm water van ’t hooft tot de voeten gewassen; verschoonde my doen van alles en dit gedaen zijnde, sette de kock my schape vlees met geele wortelen voor om te eeten; daer toe wierd my so veel wijn gegeven als ick konde drincken.Wy bleven hier noch drie dagen leggen; onderwijlen wierd ons schipDe Dageraetgeladen met de gebergde goederen van het verlooren schipDe Gouden Buys, waer onder seventhien kisten met geldt waren.Onse ladingh in hebbende, gingen in Compagnye van de chaloupl’Amie(die oock volladen was) ’t zeyl en na dat wy twee dagen in zee geweest waren, kregen een storm dat wy in korten tijdt door de poorten tusschen deck drie voet water in kregen.[165]Wy deden dan met alle man soo veel met balijen en putsen dat wy eyndelick het schip weder leegh kregen; maer ’s anderen daegs, eendeels door contrarie windt en anderdeels om ons schip wat te kalleffateren deSaldange Baeyin liepen, alwaer wy oock visten ende in twee trecken met den Zegen wel een half schuyt vol vis vongen; de gevangen vis aan boort gebraght hebbende koockte, braede en backte deselve daer ick niet weynigh mijn part van kreegh, ’t welck een groote vervarssingh voor mijn was. Sy broghten my oock na de Compagnie post die in deSaldange Baeyleydt om een van myn mackers die sy seyden van deSwartendaer gebracht te zijn te besoecken, maer als ick daer quam verstondt ick dat hy daeghs te vooren met een vrijmans vaertuygh dat daar lagh was vertrocken. Ick verstont hier oock dat de swarte die my in ’t bos gevonden hadde, aldaer de tijdinge hadden gebragt dat sy ons beyde wel gevonden maer niet mede hadden konnen krijgen, gelijck waer was. Ick vroeg of zy mijn rantsel met geldt daer niet hadden gebraght, daer ick op tot antwoordt kreeg dat sy wel wisten wat geldt was en wijser waren het daer te brengen. Sy gaven ons dan te eten ende dat gedaen zijnde, voeren weder aen boort, maekten den volgende dagh zeyl en staken in zee. Na dat wy weder 2 daghen in zee geweest waren, kregen deTafelenLeewen Berghin ’t gesigt; die nacht was het heel stil weer en liet de stuerman in de honde-waght52[166]ons groote zeyl met de fock53op gijen54, streken ons mars-zeyl op de randt neder en lieten het alsoo drijven; na datter 6 glasen in de honde-waght uyt waren55zagen wy de brandings soo natuerlijck dat het ons heel ontstelde; hier op komt de schipper uyt sijn kooy, die hem in ’t begin van de honde-wagt tot slapen had geleydt en de sorgh aen de stuerman gelaten hadde, zeyde: „Mannen wat wil dit zijn? Heer, wat is dat? Soude wy wel aen de vaste wal sijn?” Dit seyde hy uyt oorsaecke van de groote mist die daer was en alsoo de zee boven gemeen hol gingh, was het wel te presumeeren dat wy digt by landt mosten wesen, lieten het diep loot werpen en bevonden op 10 vadem water te sijn. Hier op riep de schipper: „Mannene ’t sa, wacker! Het ancker voor van de boegh af en laet het vallen”; daer wel voort aengegaen wierdt maer de branding begost al voor ons te breken. Na dat wy 2 anckers hadden laten vallen en omtrent 100 vadem geviert56was eer het selve wilde houden, waren wy alsoo dight op de wal dat de brandingh met sulcken kraght voor ons schip storten dat onse groote blinde ree57in de eerste stortingh aen stucken brak waer op ons voor schip wierdt aen stucken geslagen. Een man[167]die voor de beetingh58stont, wierdt van de zee tegens deselve aen geslagen dat sijne ribben aen stucken waren; hy kroop noch na de cojuyt, maer bestorf het. Door de vuyle klippige gront raekten beyde onse cabel touwen aen stucken en wiert ons achter-schip tegens de wal geset dat hem het roer van syn gat af stiet en het voorschip dwars zee, soo dat hy met syn stuur-boort aen landt quaem te leggen en wierd al hoger op tegen de wal geset. Wy kregen van bakboort sulken zee, dat ons de focke mast midden door sloegh. Even te vooren hadden wy de schuyt in de taakels59gehangen om te sien of wy met deselve niet konde ontvluchten, maer wy sagen daer geen apparentie toe want d’eene zee was niet over ons hooft of kregen eer wy ons adem gehaelt hadden d’ander weder op ’t lijf. Wy vluchten dan d’eene parthy op ’t half-deck60, sommige op de hut61, eenige klommen in ’t want andere saten op het zonne-dek62, in somma elck sogt hem te salveeren als hy best konde. Ick was dan mede achter op geloopen; onderwijlen komt daer een zee en slaet de schuyt in sijn taakels aen stucken dat de achter en voorsteven bleef hangen en met deselve zee, raekte onse groote mast (die digt onder de mars wierdt aen stucken geslagen)[168]over boort; de zee die daer op volgden sloeg de boot die los in sijn klampen63stont mede over boord ende de groote mast noch eenmael aen stucken.Hier na wiert het voor schip tot aen ’t groote luyck van ’t achter schip van malkanderen geslagen so dat ondertusschen het agter schip hooger tegen strant aen schookte. Op het sonne-deck waren wel 15 a 16 gevlught dewelcke door een zee met het selve van ’t schip wierden geslagen en van ’t water alle over de klippen aen landt geset. Kort hier op wierdt het deck van de hut, daer de rest van ’t volck op was gevlught (behalven ick en de konstapels jonge64, gelight en quamen als de voorige aen landt. Ick op het vrak van ’t schip staende, trock mijn kleederen uyt om met swemmen aen ’t landt te komen, maer siende dat ’er verscheyden waren die beter swemmen konden als ick haer te water gaven, maer wat ter zijden het schip gekomen zijnde trock het water soo sterck dat het haer in zee sleepte en alsoo 15 a 16 man verdronck; ick moeder naekt dit ellendig schou-spel aensiende, quam weder een zee en slaet my met de jonge een stuck van boort in zee; ick verliet het stuck houdt, alsoo om siende veel houtwerck en vaten op my sagh afkomen, liet my na de gront toe sincken om van deselve niet beschadigt te werden. Onderwijlen raekten dit goedt alles over mijn hooft en weder boven komende, zag mijn door de vloet van ’t water een goedt stuck[169]van ’t wrack af, de tweede brandingh over viel mijn soo schielijck dat ick deselvige niet konde ontwijken; zij nam mijn op en smeet my los tegens de klippen in, alwaer ick door de bandieten65, die op het schieten daer gekomen waren, zijnde vijf sterk, gezwind daeruyt gehaelt wierd.)Op het landt gekomen zijnde, bragten sy my by een groot vuyr om te warmen dat sy gemaekt hadden; gewarmt hebbende setten sy my met noch vier andere op een wagen, bragten ons in haer woon huys en setten ons broot en kaas voor daer wy wat van aten. Na dat wy daer drie dagen hadden geweest, wierden met de boot van ’t schipSchoondijckdat aen deCaaplag van daer gehaelt en aen deCaapgebragt en aldaer gekomen zijnde, vondt ick mijn cammeraetLourens Thysz.op ’t hooft staen die in ’t bos met den boekhouder van ons was gescheyden; als hy my sag verwellekomde my met groote blijdtschap en nam my met hem in zijn logement, ten huyse van de voorgemelte vrymanLambert Adriaansz.alwaer ick wel wierde ontvangen en bleef logeeren.Eenige dagen hier naer, deden wy aen den secretaris van den Governeur het voor-verhaelde relaes, het welcken in ’t kortopgeschrevenzijnde, wy met eden bevestigen.[171]

Doen nuLourens Thijsz.aan deSaldange Baeywas aangekomen, wierd van daar aanstonds kennisse daar van aen de Gouverneur derKaapgesonden die ter aller yl een Vaertuygh44na ’t schipde Goude Buysaf-sond, gelijck hier na sal gesegt werden, waer door den watermakerDaniel Sillemanmede behouden wierd, want gelijck gesegt is den Commandeur der soldaten, den botteliers maat en ikDaniel Sillemanwatermaker, in manieren voorschreven van den zieltogende en neer-gezegenen boekhouder gescheyden sijnde, waren weynigh voort gegaan wanneer wy een schilpatje vonden; maakten vyer, braden het en aten te samen op; deden oock verscheyden schooten met onse pistolen om te doen hooren waer dat wy waren, meenende dat sy weder by ons soude komen, maer vernamen haer niet. Omtrent den avondt maeckten wy weder vuyr dat de botteliers maet (terwijl wy sliepen) brandende hieldt.

Den volgende morgen begaven ons weder op wegh om by de rivier te komen en vonden drie schildpadden, die wy weder braden en te samen op aten; bleven daer een weynigh leggen om de groote hitte, tot dat de sonne wat gedaelt was wanneer wy weder voortgingen en drie dagen daer na aen de revier quamen, al waer wy weder ons kannen van[155]water versagen, maer wierden door al het water drincken seer hongerigh.

Wy vonden dan aen de kant van de rivier tusschen de biesen amelyen of hanebollen45(soo men die in Hollandt noemt); aten daer van maer kosten onse honger daer mede niet verzaden; derhalven beraatslaegden weder boswaerts in te gaen om te sien of wy iets konde bekomen, alwaer by geval een schildpadt of twee vonden; keerden van daer weder na ’t strandt, daer wy onse verlaten schuyt, die aen stucken geslagen was vonden leggen; begaven ons met ons drien op een stuck van de schuyt te water, om weder aen boort te komen, maer wierden t’elkens met de zee weder te rugge gesmeten.

Onderwijlen was ons water weder op geraeckt; wy dan sagen malkander seer bedroeft aen en keerden van disperatie weder boswaerts in om mondt kost voor ons te soeken; vonden eyndelijck van die blaeuwe bessen, daer voor heen van gemeldt is; aten van die selve en onthielden ons aldaer 14 dagen, drinkende ons eygen water, gelijck wy meermalen gedaen hadden. Doen verloren wy de boteliers maet, sijnde omtrent den 26. of 27. December ende een weynigh van het doode ligchaam gegaen sijnde, seyde de Commandeur tegens myDaniel Silleman: „Jan Crist of Christiaensz.(soo was sijn naem)is nu doodt en wy lijden grooten honger; laet ons weder te rugh gaen en snijden van het dickste vlees een stuck[156]af en laet ons het selve braden en op eten; Godt sal ons dat voor geen sonden reekenen.” Ik schrikte van so een voor-slagh en zeyde neen. Evenwel na veel tegenspreeken seyde hy, door honger geprangt sijnde: „Ik sal het dan voor my daer uyt snyden.” Ende alsoo mijn honger niet minder dan de sijne was, seyde ick tegens hem: „Wilt gy daer van snyden en braden, ick sal ’er u van helpen eeten.” Dit was nu tegens den avondt; ick kreegh hout en maeckte vuyr en hy ginck henen en sneed hem uyt het dick van ’t been een stuck omtrent soo groot als een handt en brade het; maer doen het gebraden was, konden wy daer niet van eten van wegen sijn droge tajigheyd; aten evenwel een mondt vol of twee daer van en staken het overschot in onse sack, willende sien of wy het den volgenden dag bequaem tot eten soude konnen maken; leyden ons hier op omtrent 20 treeden van ’t doode ligchaam (kraght en moedeloos zijnde) te slapen tot den volgende dag.

En alsoo wy noch toback by ons hadden, bleven by malkanderen sitten en pijp toeback roocken tot ontrent de middagh, als wanneer ons de slaap overviel.

Onderwylen quamen daer vierHottentots, gewapent met pijl en boogh by ons die my eerst aenriepen, waer op ick ontwaeckte en schrickte soodanige menschen te sien; stondt dan op en gingh een tree of thien te rugh by de Commandeur die noch sliep. Ick maeckte hem wacker; sy volghden my en setten hun met haer vieren rontom ons neder. (DeseHottentotswaren van deSaldange[157]Baeyafgesonden na datLourens Thijsz.daer was aengekomen om ons met ons driejen op te soeken; dog soude ons aparent soo kort niet hebben gevonden, maer wy hadden vuyr gemaeckt dicht onder eenig kleyn geboomte dat door de windt aen brandt geraeckt en vorder een groot gedeelte van ’t bos aen brandt stak.) Een van haer die krom Duyts sprack, vroeg ons of wy geen dorst hadden. Wy seyden van ja, want het was den 15. dagh dat wy niet anders als ons eygen water en den dan die wy ’s morgens van de bladeren lickte hadden genuttight. Sy maeckte vuyr en braden een schildtpadt voor ons dieDaniel Sillemanweygerde om te eten, seggende hy soude daer eerst van eten, waer op den Hottentot antwoorde: „Hongerige ziele, soude ick u kost op eten, dat doen wy niet.” Dies wy die eyndelick op aten.

Als nu het water dat sy gebraght hadden uyt was, gaven wy haer elck acht dubbeltjes en vraeghden haer of sy meer wilden halen, dat wy haer dan meer geldt souden geven. Hier op gaen ’er twee weder om water ende de andere twee bleven by ons die wy wat toeback gaven. Een van de twee dewelck by ons bleef was die gene die wat Duyts konde en zeyde dat hy een capiteins soon was; de andere twee naer dat zy na gissinge vier uren waren wegh geweest quamen wederom en bragten water daer wy seer hartigh van droncken.

Dat gedaen zijnde spraken sy van naer haer woninge te gaen; begaven ons met haer op de weg maer de Commandeur was soo zwack dat ’t elkens neder viel en sy waren soo gezwindt in ’t[158]vooruytloopen dat ick haer oock niet volgen konde, oock soo wilde ick myn maet niet verlaten. Sy dan waghten ons verscheyden reysen in en droegen onse rocken daer wy ons ’s nachts mede deckten; maer als sy sagen dat de commandeur niet voort konde komen en ick van hem niet gaen wilde, seyden sy dat wy hun in haer hutten soude vinden; namen onse rocken mede, denckende dat wy souden volgen, maer als sy een musquet schoot van ons af waren bleven sy stille staen en maeckte een misbaer, niet of sy menschen maer of ’t duyvels waren.

Daer op quamen sy alle vier weder na ons toe loopen; wy dat siende, meenden dat sy ons om den hals soude brengen, maer twee van haer gaven haer geweer46over en siende dat ick noch gauwer als de commandeur was, vat my elck by een arm en liepen met my weg, latende de commandeur leggen. Hy, my dan soo siende mede slepen, kroop soo veel hy kost voort om my te volgen, maer na dat sy my een groot stuck weeghs hadde mede gesleept (en ick van haer geen goedt was verwachtende), sochte ik t’elkens van haer af te komen; haelde een knip-mesjen (dat ick by my hadde) uyt myn sack, waer mede ick na de eene stiet, dit voort los liet, en doen dede ick van gelijcken naer de andere die my oock los liet waer door ick gelegentheyd kreeg haer te ontvluchten, gelijck ick oock van haer ter zijden af in ’t bos liep. Doen maeckten[159]zy een groot geschreeuw waer op twee andere die al ’t geweer droegen en een stuck weeghs achter waren, na haer toe liepen en haer geweer overgaven; waer op sy alle vier na my toe quamen en met haer pijl en boog ons dreygden te doorschieten. De voornoemde Hottentots riepen tot verscheyden malen dat ick by haer soude komen maer ick en wilde niet uyt vreese als sy my in haer coralen47gesleept hadden, my slachten en eeten soude. Ondertusschen was de commandeur weder by my gekomen en als sy dan sagen dat ick niet met haer en wilde, smeeten onse rocken weder toe, maer een leeren rantsel daer omtrent 180 gulden aen geldt van my in was namen zy mede en lieten ons daer samen sitten.

De nacht aenkomende leyden ons tot slapen ende den volgende morgen marcheerden wy weder te rugh en quamen ter plaetse daer wy te vooren die swarte bessen gegeten hadden; bleven daer 4 dagen by malkander leggen, want de commandeur konde niet een voet meer versetten en ick wilde hem niet verlaten. Ick pluckte somtijds wat bessen die ick hem brachte, maer eyndelijck van tijd tot tijd soo verzwackte dat hy op den 5. dagh naulijks meer geluyt konde geven. Ick bleef soo langh by hem dat de spraek hem quam te begeven en op den 30. of 31. December den geest gaf.

Ziende dan geen ander uytkomst als de doodt, verliet hem en wenste weder by de Hottentots te zijn, doch die gedagten en konden my doen niet[160]helpen; derhalven resolveerde weder naer strandt te gaen, met voornemen so het verlaten schip daer noch lag, naer het selve te swemmen. Ick gaf my dan in de achter-middagh op wegh en marcheerden soo verre dat ick tegens den avondt ons schip weder in ’t gesight kreegh en soo mijn dochte sagh ick achter het schip noch een vaertuygh, maer konde het selve door de duysterheyt niet kennen, ging egter soo lange voort als ick sien konde, alsoo mijn hoope was Christen menschen te vinden. Als het dan gants duyster was geworden maekten ick vuyr, en een bos rijsen48by malkanderen geraept hebbende stak die in brandt en alsoo ick nogh weynigh toback op my hadde, rookte van deselve een pijpjen en begaf my om te slapen.

Den volgende morgen marcheerden ik soo spoedig voort als mijn mogelijck was en quam omtrent ten 10 uren aen strant, zijnde den 2. January 1694 alwaer ick onse verlaten schip vondt van sijn ankers geslagen en tegens strant geset; oock sagh ick een schip met 3 masten in de baey, met noch een Engels vaertuygh, omtrent een mijl van land. Ick was seer verblijt als ick dit schip sagh ende begon met mijn Engelsche-Mus die ick op hadde te wencken waer op een schuytjen met twee man wierd afgestuert om my te halen. Als dit vaertuygh omtrent de brandingh was gekomen, liep ick van blijdtschap tot onder mijn armen in ’t water en gerraeckten alsoo behouden in ’t vaertuygh. Van dese twee maets verstondt ick dat het eene[161]schip met drie masten, denDageraetwas, en het Engels vaertuygh de chaloep del’Amie49, dewelcke van deCaapwaren afgeschickt om het schip deGouden Buysaf te halen. Zy roeyden my aen deGouden Buysalwaer den schipperJan Tackdieden Dageraetvoerde op was.

Welck schip deDageraet, schipperJan Tackvoornoemt (op ordre van den Gouverneur van deCaapdie den 28. December d’eerste kennisse van deSaldange Baeyhad bekomen) den 29. dito was afgesonden en deTafel Baeyuyt gelaveert en quam op den 1. January 1694 aen het schip deGouden Buysdie voor omtrent 12 dagen van te voren van sijn anckers gedreven nu tegens de wal vanS. Helenaes Baeyaen vonden leggen op 15 voeten waters, hebbende alleen maer 23 duym water in; sulks schipperJan Tackmoet hadde, om ’t selve van strand af en weer in ’t diep te brengen; dies hy aen de Gouverneur van de Caap over de landt wegh daer van kennisse gaf waer op zijn Ed. hem toesondt ’t JachtTamboer, ’t Galjoot ’tHoen, en ’t vaertuygJupitermet 50 man die den 10. January daer aenkomen; waer op zy gesamentlijck te werck gaen, hebbende zijn ladinge uyt deselve genomen om te lichten en ’t schip in ’t vlot te brengen, gelijck dan sulcks oock op den 12. January daer een weynig na begon te lijcken, dewijl ’t schip nu maer 14 voet gaende, vermids alle[162]zware goederen daer uyt waren geborgen en reets op 12 voeten water was gebragt; op den 13. dito meende men ’t genoegsaem te hebben gewonnen, maer ’t weer en windt wat ontstelt sijnde, ’t geene de zee hooger deede dijnen als te vooren; raekte ’t schip geweldigh aen ’t stooten, sulcks de groote mast 2 voeten uyt sijn spoor lichte en ’t schip leck geraeckte, waer op geresolveert wierd de lins te kappen50en ’t schip weder na de wal te laten drijven, gelijck gedaen wierd; waer op het den 15. January op zy viel; dies men vorder alle wat nogh kon geborgen worden en daer noch in was als loot, yser en eenige andere waren met 9 anckers en touwen daer uyt lichten ende te samen gelaeden na deCaapweder keerden; welcke schepen als ’t jaghtTamboer, ’t galjoot’t HoenendeJupiterneffens de chaloep del’Amieop den 4 February weder naGouden Buyssijn afgesonden om verder alles te bergen wat nogh overigh was, gelijck zy oock deeden en den 7 February weder volladen te rugh keerden en ’t hare in salvo bragten: welcke goederen vorder naBataviamet de Compagnie schepen sijn versonden.

Daer gekomen zijnde sagh my een yder met verwonderingh aen daar dien ick gandts swart en[163]mager van honger was, want het was nu 7 en een halve week dat ick van schip was gegaan. Ik eyschte drincken, en also geen water by de handt was, seyde den schipper het beter te zijn dat ick versterckende dranck nuttighde en liet een half-musjen51caneel-water geven dat ick graegh in dronck. Ondertussen vondt ick een vaetjen met water, daer in zynde 6 kannen water dat uyt de schuyt in ’t schip was gekomen en, alsoo ick noch niet machtig was het selve op te lichten (een teken van seer kleyne kragt), leyde het by my neer en dronck het meer als half leegh. Oock liet my de schipper een pint Franse wijn geven, die ick mede met smaeck uytdronck. Ick verstondt van ’t volck dat sy ’s avonds te vooren met haer schepen daer waren gekomen en dat sy wel seventhien a achtien doode lichamen gevonden hadden waer van eenige soodanigh gestelt waren, dat men haer niet konde handelen. Ongelooffelijke stanck wasser in ’t schip en alsoo den avondt viel en het niet geraden vonden om in die grooten stank het volck in het schip te laten, stapten sy alle in de boot en sloep om weder aen boort van haer schip te varen, maer voor haer vertrek van boort hoorden zy noch gekerm van een mensch, waer op zy weder uyt de sloep in het schip gingen om te besoeken en komende in de stuurboorts hut, vonden aldaer den hof-meesterJan Frantz. Doesborghheel kranck. Zoo haest hy ons sagh riep hy: „Slaet my niet doodt, ick sal seggen waer het geldt is.” Wy vermoeden[164]dat hy meenden dat wy quamen om het schip te berooven. Hy seyde dan: „Het geldt leydt onder de schipper sijn kooy.” Zy namen hem uyt het schip en quamen alle weder in de sloep, en bragten hem op het schip denDageraetalwaer van behoorlijcke medicamenten tot herstelling zijnder gesontheyd met de hulp van Godt wierde gegeven; dogh hy overleed na twee en een half etmael op denDageraet.

Om weder tot mijn varhael te komen, so bragten sy my met mijn kisten en slaep goedt aen denDageraet. In ’t roeyen naer ’t schip voeren wy eerst aen de chaloupl’Amie, alwaer zy 2 gebraden vissen, twee geweyckte bisschuyten en een kanne water voor my overlanghde, aen de welck ick in ’t roeyen na deDageraetbegon te peuselen en op het schip gekomen zijnde wierd ick van de kock met warm water van ’t hooft tot de voeten gewassen; verschoonde my doen van alles en dit gedaen zijnde, sette de kock my schape vlees met geele wortelen voor om te eeten; daer toe wierd my so veel wijn gegeven als ick konde drincken.

Wy bleven hier noch drie dagen leggen; onderwijlen wierd ons schipDe Dageraetgeladen met de gebergde goederen van het verlooren schipDe Gouden Buys, waer onder seventhien kisten met geldt waren.

Onse ladingh in hebbende, gingen in Compagnye van de chaloupl’Amie(die oock volladen was) ’t zeyl en na dat wy twee dagen in zee geweest waren, kregen een storm dat wy in korten tijdt door de poorten tusschen deck drie voet water in kregen.[165]Wy deden dan met alle man soo veel met balijen en putsen dat wy eyndelick het schip weder leegh kregen; maer ’s anderen daegs, eendeels door contrarie windt en anderdeels om ons schip wat te kalleffateren deSaldange Baeyin liepen, alwaer wy oock visten ende in twee trecken met den Zegen wel een half schuyt vol vis vongen; de gevangen vis aan boort gebraght hebbende koockte, braede en backte deselve daer ick niet weynigh mijn part van kreegh, ’t welck een groote vervarssingh voor mijn was. Sy broghten my oock na de Compagnie post die in deSaldange Baeyleydt om een van myn mackers die sy seyden van deSwartendaer gebracht te zijn te besoecken, maer als ick daer quam verstondt ick dat hy daeghs te vooren met een vrijmans vaertuygh dat daar lagh was vertrocken. Ick verstont hier oock dat de swarte die my in ’t bos gevonden hadde, aldaer de tijdinge hadden gebragt dat sy ons beyde wel gevonden maer niet mede hadden konnen krijgen, gelijck waer was. Ick vroeg of zy mijn rantsel met geldt daer niet hadden gebraght, daer ick op tot antwoordt kreeg dat sy wel wisten wat geldt was en wijser waren het daer te brengen. Sy gaven ons dan te eten ende dat gedaen zijnde, voeren weder aen boort, maekten den volgende dagh zeyl en staken in zee. Na dat wy weder 2 daghen in zee geweest waren, kregen deTafelenLeewen Berghin ’t gesigt; die nacht was het heel stil weer en liet de stuerman in de honde-waght52[166]ons groote zeyl met de fock53op gijen54, streken ons mars-zeyl op de randt neder en lieten het alsoo drijven; na datter 6 glasen in de honde-waght uyt waren55zagen wy de brandings soo natuerlijck dat het ons heel ontstelde; hier op komt de schipper uyt sijn kooy, die hem in ’t begin van de honde-wagt tot slapen had geleydt en de sorgh aen de stuerman gelaten hadde, zeyde: „Mannen wat wil dit zijn? Heer, wat is dat? Soude wy wel aen de vaste wal sijn?” Dit seyde hy uyt oorsaecke van de groote mist die daer was en alsoo de zee boven gemeen hol gingh, was het wel te presumeeren dat wy digt by landt mosten wesen, lieten het diep loot werpen en bevonden op 10 vadem water te sijn. Hier op riep de schipper: „Mannene ’t sa, wacker! Het ancker voor van de boegh af en laet het vallen”; daer wel voort aengegaen wierdt maer de branding begost al voor ons te breken. Na dat wy 2 anckers hadden laten vallen en omtrent 100 vadem geviert56was eer het selve wilde houden, waren wy alsoo dight op de wal dat de brandingh met sulcken kraght voor ons schip storten dat onse groote blinde ree57in de eerste stortingh aen stucken brak waer op ons voor schip wierdt aen stucken geslagen. Een man[167]die voor de beetingh58stont, wierdt van de zee tegens deselve aen geslagen dat sijne ribben aen stucken waren; hy kroop noch na de cojuyt, maer bestorf het. Door de vuyle klippige gront raekten beyde onse cabel touwen aen stucken en wiert ons achter-schip tegens de wal geset dat hem het roer van syn gat af stiet en het voorschip dwars zee, soo dat hy met syn stuur-boort aen landt quaem te leggen en wierd al hoger op tegen de wal geset. Wy kregen van bakboort sulken zee, dat ons de focke mast midden door sloegh. Even te vooren hadden wy de schuyt in de taakels59gehangen om te sien of wy met deselve niet konde ontvluchten, maer wy sagen daer geen apparentie toe want d’eene zee was niet over ons hooft of kregen eer wy ons adem gehaelt hadden d’ander weder op ’t lijf. Wy vluchten dan d’eene parthy op ’t half-deck60, sommige op de hut61, eenige klommen in ’t want andere saten op het zonne-dek62, in somma elck sogt hem te salveeren als hy best konde. Ick was dan mede achter op geloopen; onderwijlen komt daer een zee en slaet de schuyt in sijn taakels aen stucken dat de achter en voorsteven bleef hangen en met deselve zee, raekte onse groote mast (die digt onder de mars wierdt aen stucken geslagen)[168]over boort; de zee die daer op volgden sloeg de boot die los in sijn klampen63stont mede over boord ende de groote mast noch eenmael aen stucken.

Hier na wiert het voor schip tot aen ’t groote luyck van ’t achter schip van malkanderen geslagen so dat ondertusschen het agter schip hooger tegen strant aen schookte. Op het sonne-deck waren wel 15 a 16 gevlught dewelcke door een zee met het selve van ’t schip wierden geslagen en van ’t water alle over de klippen aen landt geset. Kort hier op wierdt het deck van de hut, daer de rest van ’t volck op was gevlught (behalven ick en de konstapels jonge64, gelight en quamen als de voorige aen landt. Ick op het vrak van ’t schip staende, trock mijn kleederen uyt om met swemmen aen ’t landt te komen, maer siende dat ’er verscheyden waren die beter swemmen konden als ick haer te water gaven, maer wat ter zijden het schip gekomen zijnde trock het water soo sterck dat het haer in zee sleepte en alsoo 15 a 16 man verdronck; ick moeder naekt dit ellendig schou-spel aensiende, quam weder een zee en slaet my met de jonge een stuck van boort in zee; ick verliet het stuck houdt, alsoo om siende veel houtwerck en vaten op my sagh afkomen, liet my na de gront toe sincken om van deselve niet beschadigt te werden. Onderwijlen raekten dit goedt alles over mijn hooft en weder boven komende, zag mijn door de vloet van ’t water een goedt stuck[169]van ’t wrack af, de tweede brandingh over viel mijn soo schielijck dat ick deselvige niet konde ontwijken; zij nam mijn op en smeet my los tegens de klippen in, alwaer ick door de bandieten65, die op het schieten daer gekomen waren, zijnde vijf sterk, gezwind daeruyt gehaelt wierd.)

Op het landt gekomen zijnde, bragten sy my by een groot vuyr om te warmen dat sy gemaekt hadden; gewarmt hebbende setten sy my met noch vier andere op een wagen, bragten ons in haer woon huys en setten ons broot en kaas voor daer wy wat van aten. Na dat wy daer drie dagen hadden geweest, wierden met de boot van ’t schipSchoondijckdat aen deCaaplag van daer gehaelt en aen deCaapgebragt en aldaer gekomen zijnde, vondt ick mijn cammeraetLourens Thysz.op ’t hooft staen die in ’t bos met den boekhouder van ons was gescheyden; als hy my sag verwellekomde my met groote blijdtschap en nam my met hem in zijn logement, ten huyse van de voorgemelte vrymanLambert Adriaansz.alwaer ick wel wierde ontvangen en bleef logeeren.

Eenige dagen hier naer, deden wy aen den secretaris van den Governeur het voor-verhaelde relaes, het welcken in ’t kortopgeschrevenzijnde, wy met eden bevestigen.[171]


Back to IndexNext