Uit die Dagverhaal van Jan van Riebeeck.

[Inhoud]Uit die Dagverhaal van Jan van Riebeeck.[85][Inhoud]INLEIDING.Ons gee hieronder ’n paar uittreksels uit die dagverhaal van Van Riebeeck. Hierdie joernaal het hy aangelê en bygehou in opdrag vansymeesters, die Here XVII, wat hom instruksies saamgegee het, waarin o.a. voorgeskrywe word dat hy „correcte notitie ende dagregisters zou houden omtrent hetgeen voor zou vallen.” Op die belang en die aantreklikheid van die dagverhaal van die eerste kommandeur van die Kaap is dit nie nodig weer die aandag te vestig nie; dit is reeds ten oorvloede gedaan geword deur al die skrywers wat die stigtingsperiode behandel het. Tog bly dit ’n feit dat ofskoon die dagverhaal reeds driemaal die eer van uitgawe geniet het1, daar selfs in ons eie land maar min persone sou kan gevind word wat die moeite geneem het om dit van begin tot end deur te lees. Waarskynlik word die leser afgeskrik deur die buitengewone lengte van die verhaal (byna 2,000 bladsye in die uitgawe van die Historiese Genootskap), die gebrekkige styl en die verveligheid van sommige altyd terugkerende mededelinge en opmerkinge. Dit sou egter jammer[86]wees as hierdie onmiskenbare gebreke van die teks sy ewe onmiskenbaar goeie eienskappe uit die oog sou doen verloor: sy betroubaarheid, sy verskeidenheid en rykdom van informasie, sy aanskoulikheid van voorstelling. Daarom het ons dit goed geag om hier party van die mees skilderagtige toneeltjies oor te neem en aldus te laat sien watter hoogs boeiende lektuur ’n mens in die langdradige joernaal, met ’n bietjie goeie wil en geduld, kan ontdek. As dit die leser(es) mag bring tot ’n nader kennismaking met die dagverhaal, dan sal ons reeds een van die doeleindes waar hierdie uitgawe na streef, bereik het—nl. die opwek van belangstelling in ons historiese bronneliteratuur. In hierdie verband wil ons daarop wys dat die dagregister van Van Riebeeck trouens nie ’n alleenstaande verskynsel is nie. Ook die later kommandeurs en goewerneurs van die Kaap het almal sonder uitsondering, volgens die algemene gebruik in die besittings van die O.I.K., aantekening gehou of laat hou van die vernaamste gebeurtenisse wat van dag tot dag onder hulle aandag gekom het; die ononderbroke reeks dagregisters van 1651 tot 1795 vorm dan ook een van die mees belangrike en omvangryke versamelings historiese beskeide wat ons in die Kaapse argief kan aantref2.[87][Inhoud]UIT DIE DAGVERHAAL VAN JAN VAN RIEBEECK.24 April, Ao1652.—De wind westelijk met redelijk weer, zijn wij met al onze bagagie en familie na land gevaren, om aldaar te blijven in een loose planken tent, bij provisie wat rouw opgeslagen, opdat het werk wat beter mogte voortgaan3. Dezen voorleden nacht had het volk aan land een groote zeekoe gevangen, wel zoo zwaar als twee gemeene vette ossen, hebbende een zeer afgrijslijk monstreus hoofd en verscheide scherpe uitstekende tanden, waarvan de langste ⅞ el lang waren, met een korte hals en lage beenen, de voeten bijna van fatsoen als rhinoceros voeten, edoch gekliefd in vier partijen. Was zeer fel en wreed, en hadden genoeg te doen om te bedwingen, onaangezien met eenige kogels agter de ooren door het hoofd getroffen was, wesende de huid wel een duim dik en zoo hard, dat op sommige plaatsen geen musketkogel door konde geschoten worden: des hem regt voor in het hoofd lieten dood schieten, en het volk eten, alzoo het van goeden smaak was, loopende de melk uit de uyeren.[88]3 November, 1654.—Heden heeft ons wiltschut, op ’t versoeck van de Hottentoos, een leeuw doodschooten, wel soo groot als een redelijk koebeest, welcke onder de Hottentoos haer beesten was, sigh verborgen hebbende achter ende in eenige bossjens, ende oock een van de Hottentoos seer deerlijck met de claeuwen gequetst, die geen raedt wetende denselve om te brengen, schoon sij met hunne hasegaijen ende al de koebeesten hem hadden omsingelt, onsen wildschut omtrent haer vernemende, hadden versocht denselven doodt te schieten, gelijck hij met sijn snaphaen seer geluckelijck in d’ eerste schoot effectueerde, tot groote verwonderingh van de gemelte Hottentoos, dat soo fellen beest met een schoot soo strack ter neder gevelt wierd, ende ingevolge oock tot niet minder verschrickinge ende vreese voor ons schietgeweer.8 Januario, Ao1655.—Fray weer ende wint als voren. Quam ons een van de soutgarders aendienen, dat sij in de soutpannen een renocheros hadden geschoten, die noch levendigh was ende soo diep in de modder van de soutpannen gesoncken lagh, datter niet coste uytcomen; derhalven wij uyt curieusheydt eens derwaerts (omtrent 4 à 5 mijlen van hier) gingen om te sien, daer hem noch levendigh vonden, ende voorts lieten doot schieten: maer in gevalle op harde grond had geweest souden hem weynich of niet hebben cunnen schaden met schieten, alsoo meer als honderd schoten had eer hem doot cregen, stuytende veele cogels op ’t lijff weder aff, principalijck op sijn sijde, daer wij met bijlen een stuck lieten uithouwen ende[89]alsdoen tusschen de ribben in ’t ingewant schoten ende alsoo doot cregen4.Junius, Ao1655.—Primo do. ’s Morgens goet weer ende wint Westelijck. Verleden nacht hadde weder een lupert5in ’t hoenderhuys geweest, door versuym van den hoenderwachter, welcke ’t gat onder aen de deur, daer de hoenders uyt- en ingaen, hadde open gelaten, sulcx dat denselven weder 3 van onse 5 gansen (door d’ Heer van Goens6ons om aen te telen gegeven) hadde doot gebeten.Omme welcken lupert te dooden off te vangen, den stalknecht ende sieckenvaer7(onder een dack, doch met rijs gevlochten muyren affgeschoten, wonende, soo wel de paerden als oock de siecken) haer in voorsz. hoenderhuys hadden begeven, ende nadat den sieckenvaer (een seer stout persoon wesende) op den lupert had geschoten ende denselven eenighsints gequetst, was hij op hem gesprongen ende eenige claeuwen in ’t hoofft slaende, oock sodanigh in den arm gebeten, dat genootsaecht was den lupert los te laten, die oock den gemelten stalknecht eenigsints in ’t hoofft gequest had, doch sonderlingh niet te beduyden. Maer den sieckenvaer, voor desen meermael mette luperts in voorsz.[90]gelegentheyt doende ende gequest hebbende geweest, was lustigh principael in den arm getroffen.Een bijsondere saeck wierde gesien aen onse koebeesten in ’t crael, daer voorsz. hoender, paerden ende sieckenhuys staet. Deselve den gemelten lupert in ’t verhaelde hoenderhuys vernemende, hadden haer altemalen, dight op een getropt ende de horens na de deur toe, in een halve mane gestelt, sulcx den lupert genoegh te doen had om hem uytter koebeesten hoorns te redden ende ontvluchten, hoewel deselve beesten (na onse opinie) met haer bukken genoeghsaem hare vreese voor dat wilt gedierte te kennen gaven. Ende heefft ons dickwijls gebleecken, dat de luperts, leeuwen off tijgers, geen quaet aen de koebeesten hebben cunnen doen, dewelcke haer oock somtijts in ’t ronde hebben gestelt, ende de kalven alsoo achter in haren gemaeckten cirkel sodanigh bewaert, datter noyt imant van ’t wilt gedierte heefft cunnen ontrooft worden, ’twelcke somtijts seer speculatyff om sien is geweest.16 Juny, 1656.—Desen morgen door den stalknecht de paerden wat vroegh uytgelaeten sijnde om te weyen, is een van deselve (den cloecksten henghst) van ’t wild gedierte totaliter verscheurt geworden, waerby wy al groote incommodatie comen te lijden, vermits den grooten dienst die deselve elck voor sijn hoofft meer als voor 10 man cunnen doen in ’t ploegh trecken, cley, steen ende timmerhoudt halen uyt ’t bos, als andersints. Schijnt in ’t natte saysoen ’t wilt gedierte hier omtrent principaelst te regneren, ende dierhalven al[91]stercker ende hechter stalling voor de paerden moeten maken om voor dat wilt gediert bewaert te mogen wesen.Omtrent halff voormiddagh den Commandeur wandelende in de thuynen, bevond deselve over al door wiltspoor dapper betreden, ende weynigh daer nae, niet boven 40 a 50 treden schuyns voor hem even buyten de thuynen, een wackeren leeuw opspringen ende sijn loop (maer al sachiens) naden Taeffelbergh nemen; derhalven hem door den sergiant ende wiltschut, neffens noch 4 a 5 andre soldaten met snaphanen liet vervolgen, waerop oock datelijck wel omtrent een paer hondert Hottentoos met al haer schapen ende koebeesten denselven oock naedreven ende tegen ’t hangen van den Taeffelbergh in een diepe clooff sulcx besetteden, dat hij nergens als voorwarts door de schapen moest breecken, welcke de Hottentoos gestelt hadden als haer borstweer recht voor den leeuw daer hij onder een struyck verholen lagh, ende bleven sij staen buyten de schapen tusschen deselve ende haer koebeesten. Als den leeuw dan sigh bloot gaff ende al brullende wilde uytbreecken ende na een schaep grijpen, schoten sij met haer hasegayen telckens over de schapen na hem toe met een groot gebaar van schreeuwen, daer over den leeuw dan weder terugh deynsde, seer speculatyff om siende, doch dewijle deselve hem niet wel costen raecken, soo deed voor eerst den sergiant (beneffens onse wilt-schut ende andre daer omtrent 8 a 10 treden mede dicht bij de leeuw weesende) een mis- ende den wiltschut een treffelijcke wisschut met 3 kogels[92]recht in sijn hoofft, dat hij datelijck doot ter neder viel, als wanneer de Hottentoos lustige mannen schenen ende hen met de hasegayen sochten voorts hondert steecken nae sijn doot te geven, doch wiert haer, na dat noch al 3 a 4 haysegayen in ’t lijff gecreegen had, belet, om ’t vel niet te schennen ende fray op gevult inde groote sael (tot de kerck g’approprieert) op te hangen, ten welcken eynde met een kar thuys gebracht ende aldaer gewoogen sijnde, bevonden wiert swaer te sijn 426 ponden hollants8, langh behalven den staert (die 3½ voet rijnlants9langh was) 5½, ende bij de billen ofte over ’t lijff hoogh op sijn voeten staende 3½ idem voeten, sulx wel soo cloeck was als een gemeen Engels of Javaens paertie. Opgesneeden sijnde wierd in den maegh bevonden noch veel van ’t paerdenvleys, dat desen nacht verscheurt hadt, ende eenige egelverckenspennen ende poten etc.17 dito, is op dato, ten aensien het wilt gediert aen Compagnies vee dus veel schade doet, bij resolutie goetgevonden tot premie te stellen, voor een leeuw, die gevangen oft geschoten wordt 6, een tijger oft wolff 4, ende een lupert 3 realen van 810, sijnde den wiltschut voor eerst betaelt 2 cannen spaense wijn, 3 lb. tabacq ende 2 realen van 8. Alsoo bevonden is, dat nu de romp van voorsz.[93]leeuw buyten voor de poort van ’t hoorenwerck11leggende, den verleden nacht ’t wijffien was comen ruycken ende soecken, mitsgaders daervan oock had gegeten, wierdt er desen nacht verholen wacht omtrent gehouden, om ’t selve mogelijck sijnde oock te attrapperen, maer is niet weder vernoomen.17 April, 1658.—Is begonnen ordre te stellen op het schoolhouden voor de Angoolse compagnies-slaven ende slavinnen, per Amersfoort uyt de Portugese prijs gecomen12, welcq school te houden des morgens ende ’s namiddags, den sieckentrooster Pieter van der Stael13van Rotterdam, beneffens sijn cranckbesoeckersbedieninge is opgeleyt, te meer dewijl seer goet ende prompt in ’t lesen is van recht Hollants Nederduyts, ende omme de gemelte slaven te beter tot het school ende hooren oft leeren van de cristelijcke gebeden te animeren, is mede belast na ’t eyndigen elcq een croessjen brandewijn ende 2 duym tabacq te geven etc, alsoocq alle hare namen aengeteyckent, ende die geen hadden, namen gegeven, soowel gepaerde als ongepaerde, jongh ende oudt, alles in ’t bijwesen van den Commandeur, welcke sigh daervoor[94]eenige dagen sal laten bijvinden, omme alles terdegen in ordre ende dat volcq onder de behoorlijcke dissipline te brengen, waertoe ’t begin sigh redelijcq schijnt te verthoonen. Wordende oock elcq na behooren gecleedt voor de coude, die nu dagelijcx begint aen te comen, alsoocq de cloeckste hier ende daer aen ’t wercq gestelt, omme soo haer doenlijck van deselve dienst te mogen trecken.5 May, 1660.Ende quam tegen den avont den oversten van de Gorachouquas14, Choro genaempt, met een gevolgh wel van 100 man noch aen ’t fort, daeronder meest al sijn oudsten ende principaelsten, medebrengende 13 redelijcke oudt en jonge koebeesten tot vereeringe, met versoeck die in teycken van sijn aanbiedende vrundschap wilden aennemen.….Hemelsvaertsdaghden 6 dito is des morgen voor de predicatie, den gemelten oversten der Gorachouquas ende gevolgh met wedervereeringen van coper, cralen, tabacq ende pijpen begifticht, wel de dubbelde waerde van de voorsz. koebeesten, ende na de predicatie oock getracteert wordende met[95]eeten ende drincken, mitsgaders de baly met aracq ende brandewijn ondereen gemengt, midden in ’t pleyn van ’t fort, open gestelt sijnde met een locjen15daerin, soopen dit volcq soo droncken ende vol, datter de seltsaemste cuyren van de werelt aengesien wierden, soo met singen, dansen, springen ende meer andre vreemde continantien, vallende nu den eenen, dan den anderen van dronckenschap onder de voet, welcke dan van die nogh wat schappelijck waren, opgenomen, buyten ’t fort gedragen ende aldaer in ’t gras te slapen geleyt wierden, behalven den voorsz. oversten, die hem redelijck schappelijck hielt ende sigh niet boven halff vol en dronck, neffens drie a 4 van sijn oudsten, dogh eenige van die schenen haer echter niet te cunnen onthouden mede te danssen, ende de wijven clapten soo hard in de handen, dat men ’t wel 150 roeden buyten ’t fort hooren conde, sulcx dat sij schenen op haer maniere een heel vreedens triumph ende vreughde te houden16.[96]30 September, 1660.’s Namiddags quam den oppersten ofte coningh van de Chainouquas, genaempt Sousoa17, selffs met sijn soons vrouw op een grooten os sittende ende geleyt wordende door een van de ruyterwachters, binnen ’t fort gereden, daer sij door een van sijn volcq op de schouderen affgeholpen wierd, medebrengende 33 stucx oude en jonge koebeesten, die altemaelen voor coraelen, ende 15 schapen, welcke voor coper, tabacq ende pijpen ingeruylt sijn, mitsgaders voorsz. Sousoa ende volcq vrij goede cier aangedaen, seggende dat hem sijn volcq geseght hadde, den Commandeur sijn zoon voor broeder ende hem voor vader wilde aannemen, ende dat hij derhalven daerom sijn nieuwen soon eens quam besoecken ende besien wat het voor een man was etc., waerop na vereysch g’antwoort wierd ende over ende weder presentie gedaen, van onveranderlijcke ende altijtduyrende vruntschap te onderhouden, seggende: ten dien eynde noch nader wilde affcomen, opdat men den anderen te beter over ende weder souden cunnen bereyssen om coopmanschap te drijven, daer hij hem soo ’t scheen seer genegen toe thoonde,[97]werdende derhalven met kaes, vers broot ende suycker in een tinne schotel getracteert, ende op een matjen in des Commandeurs camer met voorsz. smeerige princesse (sijn soons vrouw) te sitten geset, sulcx noch noyt ymandt gedaen is, item oock eens op de claversingal gespeelt, alle ’t welcke hem wonderlijck aengenaem scheen, mitsgaders ’t bier, Spaens ende France wijn seer wel smaeckten, doch sooveel niet na sigh nam dat beschoncken wierd, werdende sijn volcq op de voorsael met hart broot ende brandewijn soodanigh getracteert, dat se lustigh songen ende sprongen ende wonderlijcke aperijen aenrechteden.Voorsz. Sousoa ende soons vrouw de huysingen onder ende boven hebbende laeten besien, ende gevraeght oft er wel volcq in ’t landt woonden die mede sulcke huysen hadden, antwoordt: jae, maer wat op ander maniere ende oock vast woonende,—wijsende naer den ringh aen des Commandeurs vinger, dat die luyden oock sulcq gout hadden, ende wijders aen ’t eynd van sijn eygen pingh, hoe groote ende cleyne witte blinckende gesteenten hij bij deselve gesien hadden, waerop hem France ende fijne gesteente, soo diamant als robijn ende ander coleur, item mede paerlkettingen etc. verthoont wordende, seyde, dat noyt anders gesien oft vernomen hadde als gout ende witte steenen, wijsende op diamanten, ende dat hy met dat volcq genaempt Chobona oft Choboqua18goede kennisse[98]had, oock wel sijn best doen wilde ymant van deselve herwaerts te crijgen, om de waerheyt aen ons te verthoonen etc. Ende alsoo seecker groot volcq (mede Hottentoos als hij) hem om syn macht seer jalours waren, ende daerom alle mogelicke affbreuck allomme sochten aen te doen, dat nu noch meer soude geschieden om hem den ommegangh met ons te becommeren; soo vraegde hij, off men hem tegen sijne vijanden, als se hem quaemen overlastigen, wel souden cunnen goetvinden met soldaten te adsisteren, waerop g’antwoord wierd, indien hy raedt wist ons van bestiael genoegsaem te voorsien ende te maken dat de Chobonas met haer gout ende gesteenten tot ons affquaemen, jae, mits het oocq geen van onse g’allieerde hieromtrent ende voornaementlijcq de Cochoquas19en waeren, met wiens oversten Oedasoa19wij vruntschap besproocken hadden etc.[99]Hy gaft tot antwoort: voorsz. sijne vijanden waren andre, ende versocht de gemelte assistentie tegens deselve niet, als met meeninge om eerst blijcq van sijn seggen te thonen; den Commandeur wist noch niet wat hy voor een man was, maer den tijt soude het hem doen openbaeren, willende met sijn principael leger in ’t Hottentoos Hollandt 1½ daghreyssens van hier comen woonen, om dagelijcq met den anderen verder te cunnen spreecken, ende sijne andere troppen ende volcq maer hier ende daer na gewoonte in vliegende legers laten heen ende weer gaan, met meer andere redenen die niet vreempt scheenen.Den 1 October quamen noch eenige van Sousoas volcq met 10 beesten na, die mede voor coraelen gereuylt wierden ende 5 schapen voor coper, welcke schapen, vermits ’t coper, jegenwoordigh yder wel sooveel costen als drie beesten, die, voor coraelen gereuylt wordende, jegenwoordigh niet boven de 9 a 10 stuyvers ’t stuck comen te staen, eenlijcq beswaert het tractement van eeten en drincken wat voor sooveel volcq, daer se telckens mede affcomen.Den 2 dito, voorsz. Sousoa met sijn soons vrouw ende volcq sigh gereet maeckende om te vertrecken, is denselven voor hem en dito vrouw, alsoocq sijn broeder ende een ander soon mede bij hem sijnde[100]met navolgende considerabel schenckagie vereert, te weten:42lb. geele ende}coper,8lb. root6dosijn coraelen ende france silver kettingkens,3paer france steene breseletten,4lb. tabacq,4lb. root corael,9stucx ijsere hoepen20,17lb. staffijser,2bijlen,3drijffijsers,7mingelen21brandewijn,2spiegeltjes, ende wel100lb. hart broot,alle hetwelcke, hem ende dese drie dagen genoten tractementen seer wel behaegende, scheyde met een bijsonder goet genoegen, latende syn soons vrouw op een witten bonten os setten, ende hij, des vissers huys gepasseert sijnde, gingh op een roden os sitten, hebbende tusschen ’t fort ende daer, met Eva te voet gaende, van veel saecken gesproocken, ende haer ’t volgende gerecommandeert den Commandeur te seggen, namentlijck:Dat als den Commandeur den tijt maer wilde verbeijden, wel soude mercken, dat hij de man was, die hem coste contentement doen, doch dat versocht mochte worden, ’t gene de Choboquas voor haer gout ende gesteenten begeeren, door sijn handt[101]mocht passeren, om by haer soowel als ons voor principael oorsaecq van die negotie etc. erkent te worden, hebbende rede door ’t landt al sijn volcq vrije toegangh ende de wegh open gestelt, ende consent te geven om tot ons te mogen comen handelen etc.Voorsz. bonten os, daer sijn soons vrouw op sat, was mede ingereuylt ende, om sijn gecregen goet te beter te dragen, hem op sijn versoeck geleendt, die hij beloofde by d’ eerste gelegenheyt met meer beestiael wederom te senden.Sondaghden 3 dito quamen even na de predicatie weder 13 a 14 persoonen van de Chainouquas, met 27 stucx schoone beesten, waervan 24 voor coraelen ende drie neffens 6 schapen voor coper ende tabacq ingeruylt wierden, hebbende dese luyden in ’t herwaerts comen haren coninck Sousoa gemist ende geseght, datter morgen noch meer volcq van de haere met bestiael souden hier comen, als leggende rede in ’t Hottentoos Hollandt gelegert, daer doorgaens hun loos rendezvous22meenen te houden, tot sigh Sousoa daer sal vast gelegert hebben.Dit wil een wackere knip op onse buyren haer neus wesen, vermits dese plaetse altijt haer beste weyden sijn geweest, hebbende, sedert Sousoa hier geweest is, sigh niet een Caepman noch Saldanhars oft ymandt derven verthoonen, ende de Strantlopers (hier altijt omtrent woonende) oocq niet derven hun ergens bijvougen, sulcx het schijnt desen Sousoa al vrij ontsien moet wesen.[103]1In extenso, volgens die oorspronklike teks, maar nie volledig nie (April 1652 tot end 1658) in dieZuid-Afrikaansch Tijdschrift, jaargange 1824 tot 1840; in extenso, volgens die oorspronklike teks en volledig van Desember 1651 tot Mei 1662, deur wyle prof. W. G. Brill inWerken van het Historisch Genootschap van Utrecht, Nieuwe Serie, Nos. 39 (1884), 58 (1892), 59 (1893); ook ’n deels saamgevatte, deels vertaalde uitgawe in die Engelse taal deur wyle ds. H. C. V. Leibbrandt, onder die tietel vanVan Riebeeck’s Journal, in diePrecis of the Archives-serie, 3 dele, Kaapstad, 1897.↑2’n Verkorte uitgawe in Engels van party daarvan vind ons in die reeds genoemdePrecis of the Archivesvan ds. Leibbrandt, waar benewens Van Riebeeck se dagverhaal ook die joernaal van 1662–70 (1901), dié van 1671, 1674 en 1676 (1902) en dié van 1699–1732 in voorkom.↑3Van Riebeeck was toe al byna drie weke aan die Kaap, maar het tot dan toe met sy famielie aan boord van dieDrommedarisgebly. Die timmerhout was by vergissing onder in die skip gelaai, sodat dit ’n hele tyd geduur het voor ’n voorlopige houtloods kon opgetrek word vir die kommandeur en huisgesin om in te woon. (Sien dr. E. C.Godée-Molsbergen,Jan van Riebeeck, Amsterdam, 1912, bls. 82.)↑4Johan Nieuhof in syZee- en lantreize door Oost-Indien(Amsterdam, 1682) verhaal ook hierdie anekdote en voeg daarby: „De Horen wort noch aen de Kaep in het fort bewaert en daer uit bijwijle de gesontheit gedronken.” (bls. 7).↑5Luipaard, of tier.↑6Rijckloff van Goens, die ouere, Ekstra-ordinaris Raad en later (1678) goewerneur-generaal van Indië.↑7Die sieketrooster Willem Barentz. Wijlant.↑8Die gewig van die ou-Hollandse pond was 494 gram as teenoor 453.6 gram vir ’n moderne Engelse pond.↑9Iets groter as die Engelse voet; die Rynlandse of Suid-Hollandse voet = 0.314 meter, die Engelse voet = 0.305 meter.↑10Reaal= ’n Spaanse silwermunt wat ook koers gehad het in die gebied van die O.I.K.; die waarde van hierdie reaal is gereken op 8 skellings of 48 stuiwers.↑11Die Hoornwerk was ’n buitewerk by die ingang van die fort, wat uit twee halwe bastions of bolwerke bestaan het. Sien planne van Van Riebeeck se fort, blss. 90 en 122 van Godée-Molsbergen,Jan van Riebeeck.↑12Hierdie slawe (166 in getal) was ’n maand tevore aan die Kaap aan land gesit deur die KompanjieskipAmersfoort. Die bemanning het hulle buit gemaak op ’n Portugese slaweskip wat hulle op die kus van Angola ingeruil het. Dit was die eerste aansienlike klomp slawe wat aan die Kaan ingevoer is.↑13Swaer van Van Riebeeck en opvolger van Wijlant, wat in 1656 na Batawië oorgeplaas is.↑14DieGorachouquas, of Tabakdiewe, soos die Hollanders hulle genoem het, (onder kaptein Choro) was saam met dieGoringhaiquas, of Saldanhars, of Kaapmans (onder kaptein Gogosoa, „de vette kaptein”) die vernaamste Hottentot-stamme wat hulle in die onmiddellike omgewing van die Fort en in die Kaapse Skiereiland opgehou het. Daar was ook nog dieGoringhaikonas, of Strandlopers, of Watermans, (onder „kaptein” Autohoemao, of Herry), maar hulle was maar ’n armoedige, onaansienlike klompie van omtrent vyftig siele.—Die besoek van Choro, hoof van die Gorachouquas, en van Soesoa, hoof van die Chainouquas, wat toe nog ten noorde van die Bergrivier rondgeswerf het, vind plaas ná die beëindiging van die eerste Hottentot-oorlog (1659–60) en die vredesluiting in April 1660.↑15Lokje, ofmokje= ’n bekertjie. Dapper (Naukeurige Beschryvinge der Afrikaensche Gewesten, Amsterdam, 1660, bls. 630) spreek in verband met hierdie episode van „een gansche Baly vol brandewijn met een houte kopje daar in.”↑16Dapper (op. cit., t.a.p.) gee die volgende aanvullende besonderhede, wat aan skilderagtigheid vir dié van Van Riebeeck seker nie moet onderdoen nie: „Wanneer den mannen het hooft begon te draien en de benen te waggelen, dikwils met vallen ter neder op d’ aerde, wierden ’er omtrent twee of drie-hondert stukjes tabaks, elk van een duim breet, bij handen vol te grabbel gesmeten, waer op onder hen zulk een groot getier en geschreeu ontstont, datze het gehoor bijna verdoofden en het geluit den ooren naulix verdraghelijk was; desgelijx bedreven zij geen minder gewelt wanneer daer na het zelffte met broot gedaen wiert. Na het eindigen van al deze grabbelingen, ging het bij hen, wanneer zij gansch[96]vol gedronken, en de hersenen met den wijn bestoven waeren, geduurigh op een danzen en springen, met zonderlinge grepen en op een vreemde wijze, bijna even eens gelijk de bakkers hier te lande hun deegh met de voeten in den troch bewerken, te weten al stampend nu met d’ een en dan met d’ andere voet, met uitstekende billen en het hooft al hangende geduurigh na d’ aerde, op een zelve zijde. Geen minder vrolyckheit bedreven de vrouwen geduurende het dansen der mannen, met klappen in de handen en geduurigh een zang vanha, ho, ho, ho, wel twee uuren aen den anderen te zingen.”↑17Soesoa was toe al baie oud, en sy seun Goeboe het feitlik in sy plaas regeer.↑18Die Chobona, of Choboqua, of Cabuners, ’n „swaerte natie” (Kaffers), wat veronderstel is die inwoners te wees van die fabelagtige ryk van Monomotapa „van waar de[98]Portugeesen in Mosambicque al haer gout crijgen” (Van Riebeeck seDagverhaal, Deel 3, Uitg.Historisch Genootschap van Utrecht, No. 59, bls. 447). Ses weke later sal Van Riebeeck ’n landtog uitstuur onder adelbors Jan Danckaert (12 November 1660–20 Januarie 1661) met die spesiale opdrag om die pad na die goudland te verken en handelsbetrekkinge met die „Monomotapers” aan te knoop en also o.a. die Portugese die voet dwars te sit: „Ende is oocq ’t gevoelen vastelijcq, dat de natie vermits der Portugeese heerse regeringe, tot onsen vredigen ommegangh wel genegen gevonden sullen worden” (Van Riebeeck seDagverhaal, t.a.p.). Die tog het op ’n totale mislukking uitgeloop; veel verder as die Olinfantsrivier het die reisigers nie gekom nie.↑19Die Cochoquas, of die Rechte Saldanhars, soos dieDagverhaalhulle dikwels noem, het toe hulle krale gehad in die buurt van Saldanhabaai. Hulle was verdeel in twee groepe—die een onder die byna honderdjarige Oedasoa,[99]aan die benedeloop van die Bergrivier, en die ander onder Gonnema aan die Klein-Bergrivier. Oedasoa was kaptein oor die talrykste trop en is beskou as die „opperheer” oor al die Cochoquas.↑ab20Hoepen= gladde ringe.↑21’nMingel, ofmengel, ’n ou-Hollandse inhoudsmaet = 1.21 lieter.↑22Vergaderplek.↑

[Inhoud]Uit die Dagverhaal van Jan van Riebeeck.[85][Inhoud]INLEIDING.Ons gee hieronder ’n paar uittreksels uit die dagverhaal van Van Riebeeck. Hierdie joernaal het hy aangelê en bygehou in opdrag vansymeesters, die Here XVII, wat hom instruksies saamgegee het, waarin o.a. voorgeskrywe word dat hy „correcte notitie ende dagregisters zou houden omtrent hetgeen voor zou vallen.” Op die belang en die aantreklikheid van die dagverhaal van die eerste kommandeur van die Kaap is dit nie nodig weer die aandag te vestig nie; dit is reeds ten oorvloede gedaan geword deur al die skrywers wat die stigtingsperiode behandel het. Tog bly dit ’n feit dat ofskoon die dagverhaal reeds driemaal die eer van uitgawe geniet het1, daar selfs in ons eie land maar min persone sou kan gevind word wat die moeite geneem het om dit van begin tot end deur te lees. Waarskynlik word die leser afgeskrik deur die buitengewone lengte van die verhaal (byna 2,000 bladsye in die uitgawe van die Historiese Genootskap), die gebrekkige styl en die verveligheid van sommige altyd terugkerende mededelinge en opmerkinge. Dit sou egter jammer[86]wees as hierdie onmiskenbare gebreke van die teks sy ewe onmiskenbaar goeie eienskappe uit die oog sou doen verloor: sy betroubaarheid, sy verskeidenheid en rykdom van informasie, sy aanskoulikheid van voorstelling. Daarom het ons dit goed geag om hier party van die mees skilderagtige toneeltjies oor te neem en aldus te laat sien watter hoogs boeiende lektuur ’n mens in die langdradige joernaal, met ’n bietjie goeie wil en geduld, kan ontdek. As dit die leser(es) mag bring tot ’n nader kennismaking met die dagverhaal, dan sal ons reeds een van die doeleindes waar hierdie uitgawe na streef, bereik het—nl. die opwek van belangstelling in ons historiese bronneliteratuur. In hierdie verband wil ons daarop wys dat die dagregister van Van Riebeeck trouens nie ’n alleenstaande verskynsel is nie. Ook die later kommandeurs en goewerneurs van die Kaap het almal sonder uitsondering, volgens die algemene gebruik in die besittings van die O.I.K., aantekening gehou of laat hou van die vernaamste gebeurtenisse wat van dag tot dag onder hulle aandag gekom het; die ononderbroke reeks dagregisters van 1651 tot 1795 vorm dan ook een van die mees belangrike en omvangryke versamelings historiese beskeide wat ons in die Kaapse argief kan aantref2.[87][Inhoud]UIT DIE DAGVERHAAL VAN JAN VAN RIEBEECK.24 April, Ao1652.—De wind westelijk met redelijk weer, zijn wij met al onze bagagie en familie na land gevaren, om aldaar te blijven in een loose planken tent, bij provisie wat rouw opgeslagen, opdat het werk wat beter mogte voortgaan3. Dezen voorleden nacht had het volk aan land een groote zeekoe gevangen, wel zoo zwaar als twee gemeene vette ossen, hebbende een zeer afgrijslijk monstreus hoofd en verscheide scherpe uitstekende tanden, waarvan de langste ⅞ el lang waren, met een korte hals en lage beenen, de voeten bijna van fatsoen als rhinoceros voeten, edoch gekliefd in vier partijen. Was zeer fel en wreed, en hadden genoeg te doen om te bedwingen, onaangezien met eenige kogels agter de ooren door het hoofd getroffen was, wesende de huid wel een duim dik en zoo hard, dat op sommige plaatsen geen musketkogel door konde geschoten worden: des hem regt voor in het hoofd lieten dood schieten, en het volk eten, alzoo het van goeden smaak was, loopende de melk uit de uyeren.[88]3 November, 1654.—Heden heeft ons wiltschut, op ’t versoeck van de Hottentoos, een leeuw doodschooten, wel soo groot als een redelijk koebeest, welcke onder de Hottentoos haer beesten was, sigh verborgen hebbende achter ende in eenige bossjens, ende oock een van de Hottentoos seer deerlijck met de claeuwen gequetst, die geen raedt wetende denselve om te brengen, schoon sij met hunne hasegaijen ende al de koebeesten hem hadden omsingelt, onsen wildschut omtrent haer vernemende, hadden versocht denselven doodt te schieten, gelijck hij met sijn snaphaen seer geluckelijck in d’ eerste schoot effectueerde, tot groote verwonderingh van de gemelte Hottentoos, dat soo fellen beest met een schoot soo strack ter neder gevelt wierd, ende ingevolge oock tot niet minder verschrickinge ende vreese voor ons schietgeweer.8 Januario, Ao1655.—Fray weer ende wint als voren. Quam ons een van de soutgarders aendienen, dat sij in de soutpannen een renocheros hadden geschoten, die noch levendigh was ende soo diep in de modder van de soutpannen gesoncken lagh, datter niet coste uytcomen; derhalven wij uyt curieusheydt eens derwaerts (omtrent 4 à 5 mijlen van hier) gingen om te sien, daer hem noch levendigh vonden, ende voorts lieten doot schieten: maer in gevalle op harde grond had geweest souden hem weynich of niet hebben cunnen schaden met schieten, alsoo meer als honderd schoten had eer hem doot cregen, stuytende veele cogels op ’t lijff weder aff, principalijck op sijn sijde, daer wij met bijlen een stuck lieten uithouwen ende[89]alsdoen tusschen de ribben in ’t ingewant schoten ende alsoo doot cregen4.Junius, Ao1655.—Primo do. ’s Morgens goet weer ende wint Westelijck. Verleden nacht hadde weder een lupert5in ’t hoenderhuys geweest, door versuym van den hoenderwachter, welcke ’t gat onder aen de deur, daer de hoenders uyt- en ingaen, hadde open gelaten, sulcx dat denselven weder 3 van onse 5 gansen (door d’ Heer van Goens6ons om aen te telen gegeven) hadde doot gebeten.Omme welcken lupert te dooden off te vangen, den stalknecht ende sieckenvaer7(onder een dack, doch met rijs gevlochten muyren affgeschoten, wonende, soo wel de paerden als oock de siecken) haer in voorsz. hoenderhuys hadden begeven, ende nadat den sieckenvaer (een seer stout persoon wesende) op den lupert had geschoten ende denselven eenighsints gequetst, was hij op hem gesprongen ende eenige claeuwen in ’t hoofft slaende, oock sodanigh in den arm gebeten, dat genootsaecht was den lupert los te laten, die oock den gemelten stalknecht eenigsints in ’t hoofft gequest had, doch sonderlingh niet te beduyden. Maer den sieckenvaer, voor desen meermael mette luperts in voorsz.[90]gelegentheyt doende ende gequest hebbende geweest, was lustigh principael in den arm getroffen.Een bijsondere saeck wierde gesien aen onse koebeesten in ’t crael, daer voorsz. hoender, paerden ende sieckenhuys staet. Deselve den gemelten lupert in ’t verhaelde hoenderhuys vernemende, hadden haer altemalen, dight op een getropt ende de horens na de deur toe, in een halve mane gestelt, sulcx den lupert genoegh te doen had om hem uytter koebeesten hoorns te redden ende ontvluchten, hoewel deselve beesten (na onse opinie) met haer bukken genoeghsaem hare vreese voor dat wilt gedierte te kennen gaven. Ende heefft ons dickwijls gebleecken, dat de luperts, leeuwen off tijgers, geen quaet aen de koebeesten hebben cunnen doen, dewelcke haer oock somtijts in ’t ronde hebben gestelt, ende de kalven alsoo achter in haren gemaeckten cirkel sodanigh bewaert, datter noyt imant van ’t wilt gedierte heefft cunnen ontrooft worden, ’twelcke somtijts seer speculatyff om sien is geweest.16 Juny, 1656.—Desen morgen door den stalknecht de paerden wat vroegh uytgelaeten sijnde om te weyen, is een van deselve (den cloecksten henghst) van ’t wild gedierte totaliter verscheurt geworden, waerby wy al groote incommodatie comen te lijden, vermits den grooten dienst die deselve elck voor sijn hoofft meer als voor 10 man cunnen doen in ’t ploegh trecken, cley, steen ende timmerhoudt halen uyt ’t bos, als andersints. Schijnt in ’t natte saysoen ’t wilt gedierte hier omtrent principaelst te regneren, ende dierhalven al[91]stercker ende hechter stalling voor de paerden moeten maken om voor dat wilt gediert bewaert te mogen wesen.Omtrent halff voormiddagh den Commandeur wandelende in de thuynen, bevond deselve over al door wiltspoor dapper betreden, ende weynigh daer nae, niet boven 40 a 50 treden schuyns voor hem even buyten de thuynen, een wackeren leeuw opspringen ende sijn loop (maer al sachiens) naden Taeffelbergh nemen; derhalven hem door den sergiant ende wiltschut, neffens noch 4 a 5 andre soldaten met snaphanen liet vervolgen, waerop oock datelijck wel omtrent een paer hondert Hottentoos met al haer schapen ende koebeesten denselven oock naedreven ende tegen ’t hangen van den Taeffelbergh in een diepe clooff sulcx besetteden, dat hij nergens als voorwarts door de schapen moest breecken, welcke de Hottentoos gestelt hadden als haer borstweer recht voor den leeuw daer hij onder een struyck verholen lagh, ende bleven sij staen buyten de schapen tusschen deselve ende haer koebeesten. Als den leeuw dan sigh bloot gaff ende al brullende wilde uytbreecken ende na een schaep grijpen, schoten sij met haer hasegayen telckens over de schapen na hem toe met een groot gebaar van schreeuwen, daer over den leeuw dan weder terugh deynsde, seer speculatyff om siende, doch dewijle deselve hem niet wel costen raecken, soo deed voor eerst den sergiant (beneffens onse wilt-schut ende andre daer omtrent 8 a 10 treden mede dicht bij de leeuw weesende) een mis- ende den wiltschut een treffelijcke wisschut met 3 kogels[92]recht in sijn hoofft, dat hij datelijck doot ter neder viel, als wanneer de Hottentoos lustige mannen schenen ende hen met de hasegayen sochten voorts hondert steecken nae sijn doot te geven, doch wiert haer, na dat noch al 3 a 4 haysegayen in ’t lijff gecreegen had, belet, om ’t vel niet te schennen ende fray op gevult inde groote sael (tot de kerck g’approprieert) op te hangen, ten welcken eynde met een kar thuys gebracht ende aldaer gewoogen sijnde, bevonden wiert swaer te sijn 426 ponden hollants8, langh behalven den staert (die 3½ voet rijnlants9langh was) 5½, ende bij de billen ofte over ’t lijff hoogh op sijn voeten staende 3½ idem voeten, sulx wel soo cloeck was als een gemeen Engels of Javaens paertie. Opgesneeden sijnde wierd in den maegh bevonden noch veel van ’t paerdenvleys, dat desen nacht verscheurt hadt, ende eenige egelverckenspennen ende poten etc.17 dito, is op dato, ten aensien het wilt gediert aen Compagnies vee dus veel schade doet, bij resolutie goetgevonden tot premie te stellen, voor een leeuw, die gevangen oft geschoten wordt 6, een tijger oft wolff 4, ende een lupert 3 realen van 810, sijnde den wiltschut voor eerst betaelt 2 cannen spaense wijn, 3 lb. tabacq ende 2 realen van 8. Alsoo bevonden is, dat nu de romp van voorsz.[93]leeuw buyten voor de poort van ’t hoorenwerck11leggende, den verleden nacht ’t wijffien was comen ruycken ende soecken, mitsgaders daervan oock had gegeten, wierdt er desen nacht verholen wacht omtrent gehouden, om ’t selve mogelijck sijnde oock te attrapperen, maer is niet weder vernoomen.17 April, 1658.—Is begonnen ordre te stellen op het schoolhouden voor de Angoolse compagnies-slaven ende slavinnen, per Amersfoort uyt de Portugese prijs gecomen12, welcq school te houden des morgens ende ’s namiddags, den sieckentrooster Pieter van der Stael13van Rotterdam, beneffens sijn cranckbesoeckersbedieninge is opgeleyt, te meer dewijl seer goet ende prompt in ’t lesen is van recht Hollants Nederduyts, ende omme de gemelte slaven te beter tot het school ende hooren oft leeren van de cristelijcke gebeden te animeren, is mede belast na ’t eyndigen elcq een croessjen brandewijn ende 2 duym tabacq te geven etc, alsoocq alle hare namen aengeteyckent, ende die geen hadden, namen gegeven, soowel gepaerde als ongepaerde, jongh ende oudt, alles in ’t bijwesen van den Commandeur, welcke sigh daervoor[94]eenige dagen sal laten bijvinden, omme alles terdegen in ordre ende dat volcq onder de behoorlijcke dissipline te brengen, waertoe ’t begin sigh redelijcq schijnt te verthoonen. Wordende oock elcq na behooren gecleedt voor de coude, die nu dagelijcx begint aen te comen, alsoocq de cloeckste hier ende daer aen ’t wercq gestelt, omme soo haer doenlijck van deselve dienst te mogen trecken.5 May, 1660.Ende quam tegen den avont den oversten van de Gorachouquas14, Choro genaempt, met een gevolgh wel van 100 man noch aen ’t fort, daeronder meest al sijn oudsten ende principaelsten, medebrengende 13 redelijcke oudt en jonge koebeesten tot vereeringe, met versoeck die in teycken van sijn aanbiedende vrundschap wilden aennemen.….Hemelsvaertsdaghden 6 dito is des morgen voor de predicatie, den gemelten oversten der Gorachouquas ende gevolgh met wedervereeringen van coper, cralen, tabacq ende pijpen begifticht, wel de dubbelde waerde van de voorsz. koebeesten, ende na de predicatie oock getracteert wordende met[95]eeten ende drincken, mitsgaders de baly met aracq ende brandewijn ondereen gemengt, midden in ’t pleyn van ’t fort, open gestelt sijnde met een locjen15daerin, soopen dit volcq soo droncken ende vol, datter de seltsaemste cuyren van de werelt aengesien wierden, soo met singen, dansen, springen ende meer andre vreemde continantien, vallende nu den eenen, dan den anderen van dronckenschap onder de voet, welcke dan van die nogh wat schappelijck waren, opgenomen, buyten ’t fort gedragen ende aldaer in ’t gras te slapen geleyt wierden, behalven den voorsz. oversten, die hem redelijck schappelijck hielt ende sigh niet boven halff vol en dronck, neffens drie a 4 van sijn oudsten, dogh eenige van die schenen haer echter niet te cunnen onthouden mede te danssen, ende de wijven clapten soo hard in de handen, dat men ’t wel 150 roeden buyten ’t fort hooren conde, sulcx dat sij schenen op haer maniere een heel vreedens triumph ende vreughde te houden16.[96]30 September, 1660.’s Namiddags quam den oppersten ofte coningh van de Chainouquas, genaempt Sousoa17, selffs met sijn soons vrouw op een grooten os sittende ende geleyt wordende door een van de ruyterwachters, binnen ’t fort gereden, daer sij door een van sijn volcq op de schouderen affgeholpen wierd, medebrengende 33 stucx oude en jonge koebeesten, die altemaelen voor coraelen, ende 15 schapen, welcke voor coper, tabacq ende pijpen ingeruylt sijn, mitsgaders voorsz. Sousoa ende volcq vrij goede cier aangedaen, seggende dat hem sijn volcq geseght hadde, den Commandeur sijn zoon voor broeder ende hem voor vader wilde aannemen, ende dat hij derhalven daerom sijn nieuwen soon eens quam besoecken ende besien wat het voor een man was etc., waerop na vereysch g’antwoort wierd ende over ende weder presentie gedaen, van onveranderlijcke ende altijtduyrende vruntschap te onderhouden, seggende: ten dien eynde noch nader wilde affcomen, opdat men den anderen te beter over ende weder souden cunnen bereyssen om coopmanschap te drijven, daer hij hem soo ’t scheen seer genegen toe thoonde,[97]werdende derhalven met kaes, vers broot ende suycker in een tinne schotel getracteert, ende op een matjen in des Commandeurs camer met voorsz. smeerige princesse (sijn soons vrouw) te sitten geset, sulcx noch noyt ymandt gedaen is, item oock eens op de claversingal gespeelt, alle ’t welcke hem wonderlijck aengenaem scheen, mitsgaders ’t bier, Spaens ende France wijn seer wel smaeckten, doch sooveel niet na sigh nam dat beschoncken wierd, werdende sijn volcq op de voorsael met hart broot ende brandewijn soodanigh getracteert, dat se lustigh songen ende sprongen ende wonderlijcke aperijen aenrechteden.Voorsz. Sousoa ende soons vrouw de huysingen onder ende boven hebbende laeten besien, ende gevraeght oft er wel volcq in ’t landt woonden die mede sulcke huysen hadden, antwoordt: jae, maer wat op ander maniere ende oock vast woonende,—wijsende naer den ringh aen des Commandeurs vinger, dat die luyden oock sulcq gout hadden, ende wijders aen ’t eynd van sijn eygen pingh, hoe groote ende cleyne witte blinckende gesteenten hij bij deselve gesien hadden, waerop hem France ende fijne gesteente, soo diamant als robijn ende ander coleur, item mede paerlkettingen etc. verthoont wordende, seyde, dat noyt anders gesien oft vernomen hadde als gout ende witte steenen, wijsende op diamanten, ende dat hy met dat volcq genaempt Chobona oft Choboqua18goede kennisse[98]had, oock wel sijn best doen wilde ymant van deselve herwaerts te crijgen, om de waerheyt aen ons te verthoonen etc. Ende alsoo seecker groot volcq (mede Hottentoos als hij) hem om syn macht seer jalours waren, ende daerom alle mogelicke affbreuck allomme sochten aen te doen, dat nu noch meer soude geschieden om hem den ommegangh met ons te becommeren; soo vraegde hij, off men hem tegen sijne vijanden, als se hem quaemen overlastigen, wel souden cunnen goetvinden met soldaten te adsisteren, waerop g’antwoord wierd, indien hy raedt wist ons van bestiael genoegsaem te voorsien ende te maken dat de Chobonas met haer gout ende gesteenten tot ons affquaemen, jae, mits het oocq geen van onse g’allieerde hieromtrent ende voornaementlijcq de Cochoquas19en waeren, met wiens oversten Oedasoa19wij vruntschap besproocken hadden etc.[99]Hy gaft tot antwoort: voorsz. sijne vijanden waren andre, ende versocht de gemelte assistentie tegens deselve niet, als met meeninge om eerst blijcq van sijn seggen te thonen; den Commandeur wist noch niet wat hy voor een man was, maer den tijt soude het hem doen openbaeren, willende met sijn principael leger in ’t Hottentoos Hollandt 1½ daghreyssens van hier comen woonen, om dagelijcq met den anderen verder te cunnen spreecken, ende sijne andere troppen ende volcq maer hier ende daer na gewoonte in vliegende legers laten heen ende weer gaan, met meer andere redenen die niet vreempt scheenen.Den 1 October quamen noch eenige van Sousoas volcq met 10 beesten na, die mede voor coraelen gereuylt wierden ende 5 schapen voor coper, welcke schapen, vermits ’t coper, jegenwoordigh yder wel sooveel costen als drie beesten, die, voor coraelen gereuylt wordende, jegenwoordigh niet boven de 9 a 10 stuyvers ’t stuck comen te staen, eenlijcq beswaert het tractement van eeten en drincken wat voor sooveel volcq, daer se telckens mede affcomen.Den 2 dito, voorsz. Sousoa met sijn soons vrouw ende volcq sigh gereet maeckende om te vertrecken, is denselven voor hem en dito vrouw, alsoocq sijn broeder ende een ander soon mede bij hem sijnde[100]met navolgende considerabel schenckagie vereert, te weten:42lb. geele ende}coper,8lb. root6dosijn coraelen ende france silver kettingkens,3paer france steene breseletten,4lb. tabacq,4lb. root corael,9stucx ijsere hoepen20,17lb. staffijser,2bijlen,3drijffijsers,7mingelen21brandewijn,2spiegeltjes, ende wel100lb. hart broot,alle hetwelcke, hem ende dese drie dagen genoten tractementen seer wel behaegende, scheyde met een bijsonder goet genoegen, latende syn soons vrouw op een witten bonten os setten, ende hij, des vissers huys gepasseert sijnde, gingh op een roden os sitten, hebbende tusschen ’t fort ende daer, met Eva te voet gaende, van veel saecken gesproocken, ende haer ’t volgende gerecommandeert den Commandeur te seggen, namentlijck:Dat als den Commandeur den tijt maer wilde verbeijden, wel soude mercken, dat hij de man was, die hem coste contentement doen, doch dat versocht mochte worden, ’t gene de Choboquas voor haer gout ende gesteenten begeeren, door sijn handt[101]mocht passeren, om by haer soowel als ons voor principael oorsaecq van die negotie etc. erkent te worden, hebbende rede door ’t landt al sijn volcq vrije toegangh ende de wegh open gestelt, ende consent te geven om tot ons te mogen comen handelen etc.Voorsz. bonten os, daer sijn soons vrouw op sat, was mede ingereuylt ende, om sijn gecregen goet te beter te dragen, hem op sijn versoeck geleendt, die hij beloofde by d’ eerste gelegenheyt met meer beestiael wederom te senden.Sondaghden 3 dito quamen even na de predicatie weder 13 a 14 persoonen van de Chainouquas, met 27 stucx schoone beesten, waervan 24 voor coraelen ende drie neffens 6 schapen voor coper ende tabacq ingeruylt wierden, hebbende dese luyden in ’t herwaerts comen haren coninck Sousoa gemist ende geseght, datter morgen noch meer volcq van de haere met bestiael souden hier comen, als leggende rede in ’t Hottentoos Hollandt gelegert, daer doorgaens hun loos rendezvous22meenen te houden, tot sigh Sousoa daer sal vast gelegert hebben.Dit wil een wackere knip op onse buyren haer neus wesen, vermits dese plaetse altijt haer beste weyden sijn geweest, hebbende, sedert Sousoa hier geweest is, sigh niet een Caepman noch Saldanhars oft ymandt derven verthoonen, ende de Strantlopers (hier altijt omtrent woonende) oocq niet derven hun ergens bijvougen, sulcx het schijnt desen Sousoa al vrij ontsien moet wesen.[103]1In extenso, volgens die oorspronklike teks, maar nie volledig nie (April 1652 tot end 1658) in dieZuid-Afrikaansch Tijdschrift, jaargange 1824 tot 1840; in extenso, volgens die oorspronklike teks en volledig van Desember 1651 tot Mei 1662, deur wyle prof. W. G. Brill inWerken van het Historisch Genootschap van Utrecht, Nieuwe Serie, Nos. 39 (1884), 58 (1892), 59 (1893); ook ’n deels saamgevatte, deels vertaalde uitgawe in die Engelse taal deur wyle ds. H. C. V. Leibbrandt, onder die tietel vanVan Riebeeck’s Journal, in diePrecis of the Archives-serie, 3 dele, Kaapstad, 1897.↑2’n Verkorte uitgawe in Engels van party daarvan vind ons in die reeds genoemdePrecis of the Archivesvan ds. Leibbrandt, waar benewens Van Riebeeck se dagverhaal ook die joernaal van 1662–70 (1901), dié van 1671, 1674 en 1676 (1902) en dié van 1699–1732 in voorkom.↑3Van Riebeeck was toe al byna drie weke aan die Kaap, maar het tot dan toe met sy famielie aan boord van dieDrommedarisgebly. Die timmerhout was by vergissing onder in die skip gelaai, sodat dit ’n hele tyd geduur het voor ’n voorlopige houtloods kon opgetrek word vir die kommandeur en huisgesin om in te woon. (Sien dr. E. C.Godée-Molsbergen,Jan van Riebeeck, Amsterdam, 1912, bls. 82.)↑4Johan Nieuhof in syZee- en lantreize door Oost-Indien(Amsterdam, 1682) verhaal ook hierdie anekdote en voeg daarby: „De Horen wort noch aen de Kaep in het fort bewaert en daer uit bijwijle de gesontheit gedronken.” (bls. 7).↑5Luipaard, of tier.↑6Rijckloff van Goens, die ouere, Ekstra-ordinaris Raad en later (1678) goewerneur-generaal van Indië.↑7Die sieketrooster Willem Barentz. Wijlant.↑8Die gewig van die ou-Hollandse pond was 494 gram as teenoor 453.6 gram vir ’n moderne Engelse pond.↑9Iets groter as die Engelse voet; die Rynlandse of Suid-Hollandse voet = 0.314 meter, die Engelse voet = 0.305 meter.↑10Reaal= ’n Spaanse silwermunt wat ook koers gehad het in die gebied van die O.I.K.; die waarde van hierdie reaal is gereken op 8 skellings of 48 stuiwers.↑11Die Hoornwerk was ’n buitewerk by die ingang van die fort, wat uit twee halwe bastions of bolwerke bestaan het. Sien planne van Van Riebeeck se fort, blss. 90 en 122 van Godée-Molsbergen,Jan van Riebeeck.↑12Hierdie slawe (166 in getal) was ’n maand tevore aan die Kaap aan land gesit deur die KompanjieskipAmersfoort. Die bemanning het hulle buit gemaak op ’n Portugese slaweskip wat hulle op die kus van Angola ingeruil het. Dit was die eerste aansienlike klomp slawe wat aan die Kaan ingevoer is.↑13Swaer van Van Riebeeck en opvolger van Wijlant, wat in 1656 na Batawië oorgeplaas is.↑14DieGorachouquas, of Tabakdiewe, soos die Hollanders hulle genoem het, (onder kaptein Choro) was saam met dieGoringhaiquas, of Saldanhars, of Kaapmans (onder kaptein Gogosoa, „de vette kaptein”) die vernaamste Hottentot-stamme wat hulle in die onmiddellike omgewing van die Fort en in die Kaapse Skiereiland opgehou het. Daar was ook nog dieGoringhaikonas, of Strandlopers, of Watermans, (onder „kaptein” Autohoemao, of Herry), maar hulle was maar ’n armoedige, onaansienlike klompie van omtrent vyftig siele.—Die besoek van Choro, hoof van die Gorachouquas, en van Soesoa, hoof van die Chainouquas, wat toe nog ten noorde van die Bergrivier rondgeswerf het, vind plaas ná die beëindiging van die eerste Hottentot-oorlog (1659–60) en die vredesluiting in April 1660.↑15Lokje, ofmokje= ’n bekertjie. Dapper (Naukeurige Beschryvinge der Afrikaensche Gewesten, Amsterdam, 1660, bls. 630) spreek in verband met hierdie episode van „een gansche Baly vol brandewijn met een houte kopje daar in.”↑16Dapper (op. cit., t.a.p.) gee die volgende aanvullende besonderhede, wat aan skilderagtigheid vir dié van Van Riebeeck seker nie moet onderdoen nie: „Wanneer den mannen het hooft begon te draien en de benen te waggelen, dikwils met vallen ter neder op d’ aerde, wierden ’er omtrent twee of drie-hondert stukjes tabaks, elk van een duim breet, bij handen vol te grabbel gesmeten, waer op onder hen zulk een groot getier en geschreeu ontstont, datze het gehoor bijna verdoofden en het geluit den ooren naulix verdraghelijk was; desgelijx bedreven zij geen minder gewelt wanneer daer na het zelffte met broot gedaen wiert. Na het eindigen van al deze grabbelingen, ging het bij hen, wanneer zij gansch[96]vol gedronken, en de hersenen met den wijn bestoven waeren, geduurigh op een danzen en springen, met zonderlinge grepen en op een vreemde wijze, bijna even eens gelijk de bakkers hier te lande hun deegh met de voeten in den troch bewerken, te weten al stampend nu met d’ een en dan met d’ andere voet, met uitstekende billen en het hooft al hangende geduurigh na d’ aerde, op een zelve zijde. Geen minder vrolyckheit bedreven de vrouwen geduurende het dansen der mannen, met klappen in de handen en geduurigh een zang vanha, ho, ho, ho, wel twee uuren aen den anderen te zingen.”↑17Soesoa was toe al baie oud, en sy seun Goeboe het feitlik in sy plaas regeer.↑18Die Chobona, of Choboqua, of Cabuners, ’n „swaerte natie” (Kaffers), wat veronderstel is die inwoners te wees van die fabelagtige ryk van Monomotapa „van waar de[98]Portugeesen in Mosambicque al haer gout crijgen” (Van Riebeeck seDagverhaal, Deel 3, Uitg.Historisch Genootschap van Utrecht, No. 59, bls. 447). Ses weke later sal Van Riebeeck ’n landtog uitstuur onder adelbors Jan Danckaert (12 November 1660–20 Januarie 1661) met die spesiale opdrag om die pad na die goudland te verken en handelsbetrekkinge met die „Monomotapers” aan te knoop en also o.a. die Portugese die voet dwars te sit: „Ende is oocq ’t gevoelen vastelijcq, dat de natie vermits der Portugeese heerse regeringe, tot onsen vredigen ommegangh wel genegen gevonden sullen worden” (Van Riebeeck seDagverhaal, t.a.p.). Die tog het op ’n totale mislukking uitgeloop; veel verder as die Olinfantsrivier het die reisigers nie gekom nie.↑19Die Cochoquas, of die Rechte Saldanhars, soos dieDagverhaalhulle dikwels noem, het toe hulle krale gehad in die buurt van Saldanhabaai. Hulle was verdeel in twee groepe—die een onder die byna honderdjarige Oedasoa,[99]aan die benedeloop van die Bergrivier, en die ander onder Gonnema aan die Klein-Bergrivier. Oedasoa was kaptein oor die talrykste trop en is beskou as die „opperheer” oor al die Cochoquas.↑ab20Hoepen= gladde ringe.↑21’nMingel, ofmengel, ’n ou-Hollandse inhoudsmaet = 1.21 lieter.↑22Vergaderplek.↑

Uit die Dagverhaal van Jan van Riebeeck.[85]

[85]

[Inhoud]INLEIDING.Ons gee hieronder ’n paar uittreksels uit die dagverhaal van Van Riebeeck. Hierdie joernaal het hy aangelê en bygehou in opdrag vansymeesters, die Here XVII, wat hom instruksies saamgegee het, waarin o.a. voorgeskrywe word dat hy „correcte notitie ende dagregisters zou houden omtrent hetgeen voor zou vallen.” Op die belang en die aantreklikheid van die dagverhaal van die eerste kommandeur van die Kaap is dit nie nodig weer die aandag te vestig nie; dit is reeds ten oorvloede gedaan geword deur al die skrywers wat die stigtingsperiode behandel het. Tog bly dit ’n feit dat ofskoon die dagverhaal reeds driemaal die eer van uitgawe geniet het1, daar selfs in ons eie land maar min persone sou kan gevind word wat die moeite geneem het om dit van begin tot end deur te lees. Waarskynlik word die leser afgeskrik deur die buitengewone lengte van die verhaal (byna 2,000 bladsye in die uitgawe van die Historiese Genootskap), die gebrekkige styl en die verveligheid van sommige altyd terugkerende mededelinge en opmerkinge. Dit sou egter jammer[86]wees as hierdie onmiskenbare gebreke van die teks sy ewe onmiskenbaar goeie eienskappe uit die oog sou doen verloor: sy betroubaarheid, sy verskeidenheid en rykdom van informasie, sy aanskoulikheid van voorstelling. Daarom het ons dit goed geag om hier party van die mees skilderagtige toneeltjies oor te neem en aldus te laat sien watter hoogs boeiende lektuur ’n mens in die langdradige joernaal, met ’n bietjie goeie wil en geduld, kan ontdek. As dit die leser(es) mag bring tot ’n nader kennismaking met die dagverhaal, dan sal ons reeds een van die doeleindes waar hierdie uitgawe na streef, bereik het—nl. die opwek van belangstelling in ons historiese bronneliteratuur. In hierdie verband wil ons daarop wys dat die dagregister van Van Riebeeck trouens nie ’n alleenstaande verskynsel is nie. Ook die later kommandeurs en goewerneurs van die Kaap het almal sonder uitsondering, volgens die algemene gebruik in die besittings van die O.I.K., aantekening gehou of laat hou van die vernaamste gebeurtenisse wat van dag tot dag onder hulle aandag gekom het; die ononderbroke reeks dagregisters van 1651 tot 1795 vorm dan ook een van die mees belangrike en omvangryke versamelings historiese beskeide wat ons in die Kaapse argief kan aantref2.[87][Inhoud]UIT DIE DAGVERHAAL VAN JAN VAN RIEBEECK.24 April, Ao1652.—De wind westelijk met redelijk weer, zijn wij met al onze bagagie en familie na land gevaren, om aldaar te blijven in een loose planken tent, bij provisie wat rouw opgeslagen, opdat het werk wat beter mogte voortgaan3. Dezen voorleden nacht had het volk aan land een groote zeekoe gevangen, wel zoo zwaar als twee gemeene vette ossen, hebbende een zeer afgrijslijk monstreus hoofd en verscheide scherpe uitstekende tanden, waarvan de langste ⅞ el lang waren, met een korte hals en lage beenen, de voeten bijna van fatsoen als rhinoceros voeten, edoch gekliefd in vier partijen. Was zeer fel en wreed, en hadden genoeg te doen om te bedwingen, onaangezien met eenige kogels agter de ooren door het hoofd getroffen was, wesende de huid wel een duim dik en zoo hard, dat op sommige plaatsen geen musketkogel door konde geschoten worden: des hem regt voor in het hoofd lieten dood schieten, en het volk eten, alzoo het van goeden smaak was, loopende de melk uit de uyeren.[88]3 November, 1654.—Heden heeft ons wiltschut, op ’t versoeck van de Hottentoos, een leeuw doodschooten, wel soo groot als een redelijk koebeest, welcke onder de Hottentoos haer beesten was, sigh verborgen hebbende achter ende in eenige bossjens, ende oock een van de Hottentoos seer deerlijck met de claeuwen gequetst, die geen raedt wetende denselve om te brengen, schoon sij met hunne hasegaijen ende al de koebeesten hem hadden omsingelt, onsen wildschut omtrent haer vernemende, hadden versocht denselven doodt te schieten, gelijck hij met sijn snaphaen seer geluckelijck in d’ eerste schoot effectueerde, tot groote verwonderingh van de gemelte Hottentoos, dat soo fellen beest met een schoot soo strack ter neder gevelt wierd, ende ingevolge oock tot niet minder verschrickinge ende vreese voor ons schietgeweer.8 Januario, Ao1655.—Fray weer ende wint als voren. Quam ons een van de soutgarders aendienen, dat sij in de soutpannen een renocheros hadden geschoten, die noch levendigh was ende soo diep in de modder van de soutpannen gesoncken lagh, datter niet coste uytcomen; derhalven wij uyt curieusheydt eens derwaerts (omtrent 4 à 5 mijlen van hier) gingen om te sien, daer hem noch levendigh vonden, ende voorts lieten doot schieten: maer in gevalle op harde grond had geweest souden hem weynich of niet hebben cunnen schaden met schieten, alsoo meer als honderd schoten had eer hem doot cregen, stuytende veele cogels op ’t lijff weder aff, principalijck op sijn sijde, daer wij met bijlen een stuck lieten uithouwen ende[89]alsdoen tusschen de ribben in ’t ingewant schoten ende alsoo doot cregen4.Junius, Ao1655.—Primo do. ’s Morgens goet weer ende wint Westelijck. Verleden nacht hadde weder een lupert5in ’t hoenderhuys geweest, door versuym van den hoenderwachter, welcke ’t gat onder aen de deur, daer de hoenders uyt- en ingaen, hadde open gelaten, sulcx dat denselven weder 3 van onse 5 gansen (door d’ Heer van Goens6ons om aen te telen gegeven) hadde doot gebeten.Omme welcken lupert te dooden off te vangen, den stalknecht ende sieckenvaer7(onder een dack, doch met rijs gevlochten muyren affgeschoten, wonende, soo wel de paerden als oock de siecken) haer in voorsz. hoenderhuys hadden begeven, ende nadat den sieckenvaer (een seer stout persoon wesende) op den lupert had geschoten ende denselven eenighsints gequetst, was hij op hem gesprongen ende eenige claeuwen in ’t hoofft slaende, oock sodanigh in den arm gebeten, dat genootsaecht was den lupert los te laten, die oock den gemelten stalknecht eenigsints in ’t hoofft gequest had, doch sonderlingh niet te beduyden. Maer den sieckenvaer, voor desen meermael mette luperts in voorsz.[90]gelegentheyt doende ende gequest hebbende geweest, was lustigh principael in den arm getroffen.Een bijsondere saeck wierde gesien aen onse koebeesten in ’t crael, daer voorsz. hoender, paerden ende sieckenhuys staet. Deselve den gemelten lupert in ’t verhaelde hoenderhuys vernemende, hadden haer altemalen, dight op een getropt ende de horens na de deur toe, in een halve mane gestelt, sulcx den lupert genoegh te doen had om hem uytter koebeesten hoorns te redden ende ontvluchten, hoewel deselve beesten (na onse opinie) met haer bukken genoeghsaem hare vreese voor dat wilt gedierte te kennen gaven. Ende heefft ons dickwijls gebleecken, dat de luperts, leeuwen off tijgers, geen quaet aen de koebeesten hebben cunnen doen, dewelcke haer oock somtijts in ’t ronde hebben gestelt, ende de kalven alsoo achter in haren gemaeckten cirkel sodanigh bewaert, datter noyt imant van ’t wilt gedierte heefft cunnen ontrooft worden, ’twelcke somtijts seer speculatyff om sien is geweest.16 Juny, 1656.—Desen morgen door den stalknecht de paerden wat vroegh uytgelaeten sijnde om te weyen, is een van deselve (den cloecksten henghst) van ’t wild gedierte totaliter verscheurt geworden, waerby wy al groote incommodatie comen te lijden, vermits den grooten dienst die deselve elck voor sijn hoofft meer als voor 10 man cunnen doen in ’t ploegh trecken, cley, steen ende timmerhoudt halen uyt ’t bos, als andersints. Schijnt in ’t natte saysoen ’t wilt gedierte hier omtrent principaelst te regneren, ende dierhalven al[91]stercker ende hechter stalling voor de paerden moeten maken om voor dat wilt gediert bewaert te mogen wesen.Omtrent halff voormiddagh den Commandeur wandelende in de thuynen, bevond deselve over al door wiltspoor dapper betreden, ende weynigh daer nae, niet boven 40 a 50 treden schuyns voor hem even buyten de thuynen, een wackeren leeuw opspringen ende sijn loop (maer al sachiens) naden Taeffelbergh nemen; derhalven hem door den sergiant ende wiltschut, neffens noch 4 a 5 andre soldaten met snaphanen liet vervolgen, waerop oock datelijck wel omtrent een paer hondert Hottentoos met al haer schapen ende koebeesten denselven oock naedreven ende tegen ’t hangen van den Taeffelbergh in een diepe clooff sulcx besetteden, dat hij nergens als voorwarts door de schapen moest breecken, welcke de Hottentoos gestelt hadden als haer borstweer recht voor den leeuw daer hij onder een struyck verholen lagh, ende bleven sij staen buyten de schapen tusschen deselve ende haer koebeesten. Als den leeuw dan sigh bloot gaff ende al brullende wilde uytbreecken ende na een schaep grijpen, schoten sij met haer hasegayen telckens over de schapen na hem toe met een groot gebaar van schreeuwen, daer over den leeuw dan weder terugh deynsde, seer speculatyff om siende, doch dewijle deselve hem niet wel costen raecken, soo deed voor eerst den sergiant (beneffens onse wilt-schut ende andre daer omtrent 8 a 10 treden mede dicht bij de leeuw weesende) een mis- ende den wiltschut een treffelijcke wisschut met 3 kogels[92]recht in sijn hoofft, dat hij datelijck doot ter neder viel, als wanneer de Hottentoos lustige mannen schenen ende hen met de hasegayen sochten voorts hondert steecken nae sijn doot te geven, doch wiert haer, na dat noch al 3 a 4 haysegayen in ’t lijff gecreegen had, belet, om ’t vel niet te schennen ende fray op gevult inde groote sael (tot de kerck g’approprieert) op te hangen, ten welcken eynde met een kar thuys gebracht ende aldaer gewoogen sijnde, bevonden wiert swaer te sijn 426 ponden hollants8, langh behalven den staert (die 3½ voet rijnlants9langh was) 5½, ende bij de billen ofte over ’t lijff hoogh op sijn voeten staende 3½ idem voeten, sulx wel soo cloeck was als een gemeen Engels of Javaens paertie. Opgesneeden sijnde wierd in den maegh bevonden noch veel van ’t paerdenvleys, dat desen nacht verscheurt hadt, ende eenige egelverckenspennen ende poten etc.17 dito, is op dato, ten aensien het wilt gediert aen Compagnies vee dus veel schade doet, bij resolutie goetgevonden tot premie te stellen, voor een leeuw, die gevangen oft geschoten wordt 6, een tijger oft wolff 4, ende een lupert 3 realen van 810, sijnde den wiltschut voor eerst betaelt 2 cannen spaense wijn, 3 lb. tabacq ende 2 realen van 8. Alsoo bevonden is, dat nu de romp van voorsz.[93]leeuw buyten voor de poort van ’t hoorenwerck11leggende, den verleden nacht ’t wijffien was comen ruycken ende soecken, mitsgaders daervan oock had gegeten, wierdt er desen nacht verholen wacht omtrent gehouden, om ’t selve mogelijck sijnde oock te attrapperen, maer is niet weder vernoomen.17 April, 1658.—Is begonnen ordre te stellen op het schoolhouden voor de Angoolse compagnies-slaven ende slavinnen, per Amersfoort uyt de Portugese prijs gecomen12, welcq school te houden des morgens ende ’s namiddags, den sieckentrooster Pieter van der Stael13van Rotterdam, beneffens sijn cranckbesoeckersbedieninge is opgeleyt, te meer dewijl seer goet ende prompt in ’t lesen is van recht Hollants Nederduyts, ende omme de gemelte slaven te beter tot het school ende hooren oft leeren van de cristelijcke gebeden te animeren, is mede belast na ’t eyndigen elcq een croessjen brandewijn ende 2 duym tabacq te geven etc, alsoocq alle hare namen aengeteyckent, ende die geen hadden, namen gegeven, soowel gepaerde als ongepaerde, jongh ende oudt, alles in ’t bijwesen van den Commandeur, welcke sigh daervoor[94]eenige dagen sal laten bijvinden, omme alles terdegen in ordre ende dat volcq onder de behoorlijcke dissipline te brengen, waertoe ’t begin sigh redelijcq schijnt te verthoonen. Wordende oock elcq na behooren gecleedt voor de coude, die nu dagelijcx begint aen te comen, alsoocq de cloeckste hier ende daer aen ’t wercq gestelt, omme soo haer doenlijck van deselve dienst te mogen trecken.5 May, 1660.Ende quam tegen den avont den oversten van de Gorachouquas14, Choro genaempt, met een gevolgh wel van 100 man noch aen ’t fort, daeronder meest al sijn oudsten ende principaelsten, medebrengende 13 redelijcke oudt en jonge koebeesten tot vereeringe, met versoeck die in teycken van sijn aanbiedende vrundschap wilden aennemen.….Hemelsvaertsdaghden 6 dito is des morgen voor de predicatie, den gemelten oversten der Gorachouquas ende gevolgh met wedervereeringen van coper, cralen, tabacq ende pijpen begifticht, wel de dubbelde waerde van de voorsz. koebeesten, ende na de predicatie oock getracteert wordende met[95]eeten ende drincken, mitsgaders de baly met aracq ende brandewijn ondereen gemengt, midden in ’t pleyn van ’t fort, open gestelt sijnde met een locjen15daerin, soopen dit volcq soo droncken ende vol, datter de seltsaemste cuyren van de werelt aengesien wierden, soo met singen, dansen, springen ende meer andre vreemde continantien, vallende nu den eenen, dan den anderen van dronckenschap onder de voet, welcke dan van die nogh wat schappelijck waren, opgenomen, buyten ’t fort gedragen ende aldaer in ’t gras te slapen geleyt wierden, behalven den voorsz. oversten, die hem redelijck schappelijck hielt ende sigh niet boven halff vol en dronck, neffens drie a 4 van sijn oudsten, dogh eenige van die schenen haer echter niet te cunnen onthouden mede te danssen, ende de wijven clapten soo hard in de handen, dat men ’t wel 150 roeden buyten ’t fort hooren conde, sulcx dat sij schenen op haer maniere een heel vreedens triumph ende vreughde te houden16.[96]30 September, 1660.’s Namiddags quam den oppersten ofte coningh van de Chainouquas, genaempt Sousoa17, selffs met sijn soons vrouw op een grooten os sittende ende geleyt wordende door een van de ruyterwachters, binnen ’t fort gereden, daer sij door een van sijn volcq op de schouderen affgeholpen wierd, medebrengende 33 stucx oude en jonge koebeesten, die altemaelen voor coraelen, ende 15 schapen, welcke voor coper, tabacq ende pijpen ingeruylt sijn, mitsgaders voorsz. Sousoa ende volcq vrij goede cier aangedaen, seggende dat hem sijn volcq geseght hadde, den Commandeur sijn zoon voor broeder ende hem voor vader wilde aannemen, ende dat hij derhalven daerom sijn nieuwen soon eens quam besoecken ende besien wat het voor een man was etc., waerop na vereysch g’antwoort wierd ende over ende weder presentie gedaen, van onveranderlijcke ende altijtduyrende vruntschap te onderhouden, seggende: ten dien eynde noch nader wilde affcomen, opdat men den anderen te beter over ende weder souden cunnen bereyssen om coopmanschap te drijven, daer hij hem soo ’t scheen seer genegen toe thoonde,[97]werdende derhalven met kaes, vers broot ende suycker in een tinne schotel getracteert, ende op een matjen in des Commandeurs camer met voorsz. smeerige princesse (sijn soons vrouw) te sitten geset, sulcx noch noyt ymandt gedaen is, item oock eens op de claversingal gespeelt, alle ’t welcke hem wonderlijck aengenaem scheen, mitsgaders ’t bier, Spaens ende France wijn seer wel smaeckten, doch sooveel niet na sigh nam dat beschoncken wierd, werdende sijn volcq op de voorsael met hart broot ende brandewijn soodanigh getracteert, dat se lustigh songen ende sprongen ende wonderlijcke aperijen aenrechteden.Voorsz. Sousoa ende soons vrouw de huysingen onder ende boven hebbende laeten besien, ende gevraeght oft er wel volcq in ’t landt woonden die mede sulcke huysen hadden, antwoordt: jae, maer wat op ander maniere ende oock vast woonende,—wijsende naer den ringh aen des Commandeurs vinger, dat die luyden oock sulcq gout hadden, ende wijders aen ’t eynd van sijn eygen pingh, hoe groote ende cleyne witte blinckende gesteenten hij bij deselve gesien hadden, waerop hem France ende fijne gesteente, soo diamant als robijn ende ander coleur, item mede paerlkettingen etc. verthoont wordende, seyde, dat noyt anders gesien oft vernomen hadde als gout ende witte steenen, wijsende op diamanten, ende dat hy met dat volcq genaempt Chobona oft Choboqua18goede kennisse[98]had, oock wel sijn best doen wilde ymant van deselve herwaerts te crijgen, om de waerheyt aen ons te verthoonen etc. Ende alsoo seecker groot volcq (mede Hottentoos als hij) hem om syn macht seer jalours waren, ende daerom alle mogelicke affbreuck allomme sochten aen te doen, dat nu noch meer soude geschieden om hem den ommegangh met ons te becommeren; soo vraegde hij, off men hem tegen sijne vijanden, als se hem quaemen overlastigen, wel souden cunnen goetvinden met soldaten te adsisteren, waerop g’antwoord wierd, indien hy raedt wist ons van bestiael genoegsaem te voorsien ende te maken dat de Chobonas met haer gout ende gesteenten tot ons affquaemen, jae, mits het oocq geen van onse g’allieerde hieromtrent ende voornaementlijcq de Cochoquas19en waeren, met wiens oversten Oedasoa19wij vruntschap besproocken hadden etc.[99]Hy gaft tot antwoort: voorsz. sijne vijanden waren andre, ende versocht de gemelte assistentie tegens deselve niet, als met meeninge om eerst blijcq van sijn seggen te thonen; den Commandeur wist noch niet wat hy voor een man was, maer den tijt soude het hem doen openbaeren, willende met sijn principael leger in ’t Hottentoos Hollandt 1½ daghreyssens van hier comen woonen, om dagelijcq met den anderen verder te cunnen spreecken, ende sijne andere troppen ende volcq maer hier ende daer na gewoonte in vliegende legers laten heen ende weer gaan, met meer andere redenen die niet vreempt scheenen.Den 1 October quamen noch eenige van Sousoas volcq met 10 beesten na, die mede voor coraelen gereuylt wierden ende 5 schapen voor coper, welcke schapen, vermits ’t coper, jegenwoordigh yder wel sooveel costen als drie beesten, die, voor coraelen gereuylt wordende, jegenwoordigh niet boven de 9 a 10 stuyvers ’t stuck comen te staen, eenlijcq beswaert het tractement van eeten en drincken wat voor sooveel volcq, daer se telckens mede affcomen.Den 2 dito, voorsz. Sousoa met sijn soons vrouw ende volcq sigh gereet maeckende om te vertrecken, is denselven voor hem en dito vrouw, alsoocq sijn broeder ende een ander soon mede bij hem sijnde[100]met navolgende considerabel schenckagie vereert, te weten:42lb. geele ende}coper,8lb. root6dosijn coraelen ende france silver kettingkens,3paer france steene breseletten,4lb. tabacq,4lb. root corael,9stucx ijsere hoepen20,17lb. staffijser,2bijlen,3drijffijsers,7mingelen21brandewijn,2spiegeltjes, ende wel100lb. hart broot,alle hetwelcke, hem ende dese drie dagen genoten tractementen seer wel behaegende, scheyde met een bijsonder goet genoegen, latende syn soons vrouw op een witten bonten os setten, ende hij, des vissers huys gepasseert sijnde, gingh op een roden os sitten, hebbende tusschen ’t fort ende daer, met Eva te voet gaende, van veel saecken gesproocken, ende haer ’t volgende gerecommandeert den Commandeur te seggen, namentlijck:Dat als den Commandeur den tijt maer wilde verbeijden, wel soude mercken, dat hij de man was, die hem coste contentement doen, doch dat versocht mochte worden, ’t gene de Choboquas voor haer gout ende gesteenten begeeren, door sijn handt[101]mocht passeren, om by haer soowel als ons voor principael oorsaecq van die negotie etc. erkent te worden, hebbende rede door ’t landt al sijn volcq vrije toegangh ende de wegh open gestelt, ende consent te geven om tot ons te mogen comen handelen etc.Voorsz. bonten os, daer sijn soons vrouw op sat, was mede ingereuylt ende, om sijn gecregen goet te beter te dragen, hem op sijn versoeck geleendt, die hij beloofde by d’ eerste gelegenheyt met meer beestiael wederom te senden.Sondaghden 3 dito quamen even na de predicatie weder 13 a 14 persoonen van de Chainouquas, met 27 stucx schoone beesten, waervan 24 voor coraelen ende drie neffens 6 schapen voor coper ende tabacq ingeruylt wierden, hebbende dese luyden in ’t herwaerts comen haren coninck Sousoa gemist ende geseght, datter morgen noch meer volcq van de haere met bestiael souden hier comen, als leggende rede in ’t Hottentoos Hollandt gelegert, daer doorgaens hun loos rendezvous22meenen te houden, tot sigh Sousoa daer sal vast gelegert hebben.Dit wil een wackere knip op onse buyren haer neus wesen, vermits dese plaetse altijt haer beste weyden sijn geweest, hebbende, sedert Sousoa hier geweest is, sigh niet een Caepman noch Saldanhars oft ymandt derven verthoonen, ende de Strantlopers (hier altijt omtrent woonende) oocq niet derven hun ergens bijvougen, sulcx het schijnt desen Sousoa al vrij ontsien moet wesen.[103]

[Inhoud]INLEIDING.Ons gee hieronder ’n paar uittreksels uit die dagverhaal van Van Riebeeck. Hierdie joernaal het hy aangelê en bygehou in opdrag vansymeesters, die Here XVII, wat hom instruksies saamgegee het, waarin o.a. voorgeskrywe word dat hy „correcte notitie ende dagregisters zou houden omtrent hetgeen voor zou vallen.” Op die belang en die aantreklikheid van die dagverhaal van die eerste kommandeur van die Kaap is dit nie nodig weer die aandag te vestig nie; dit is reeds ten oorvloede gedaan geword deur al die skrywers wat die stigtingsperiode behandel het. Tog bly dit ’n feit dat ofskoon die dagverhaal reeds driemaal die eer van uitgawe geniet het1, daar selfs in ons eie land maar min persone sou kan gevind word wat die moeite geneem het om dit van begin tot end deur te lees. Waarskynlik word die leser afgeskrik deur die buitengewone lengte van die verhaal (byna 2,000 bladsye in die uitgawe van die Historiese Genootskap), die gebrekkige styl en die verveligheid van sommige altyd terugkerende mededelinge en opmerkinge. Dit sou egter jammer[86]wees as hierdie onmiskenbare gebreke van die teks sy ewe onmiskenbaar goeie eienskappe uit die oog sou doen verloor: sy betroubaarheid, sy verskeidenheid en rykdom van informasie, sy aanskoulikheid van voorstelling. Daarom het ons dit goed geag om hier party van die mees skilderagtige toneeltjies oor te neem en aldus te laat sien watter hoogs boeiende lektuur ’n mens in die langdradige joernaal, met ’n bietjie goeie wil en geduld, kan ontdek. As dit die leser(es) mag bring tot ’n nader kennismaking met die dagverhaal, dan sal ons reeds een van die doeleindes waar hierdie uitgawe na streef, bereik het—nl. die opwek van belangstelling in ons historiese bronneliteratuur. In hierdie verband wil ons daarop wys dat die dagregister van Van Riebeeck trouens nie ’n alleenstaande verskynsel is nie. Ook die later kommandeurs en goewerneurs van die Kaap het almal sonder uitsondering, volgens die algemene gebruik in die besittings van die O.I.K., aantekening gehou of laat hou van die vernaamste gebeurtenisse wat van dag tot dag onder hulle aandag gekom het; die ononderbroke reeks dagregisters van 1651 tot 1795 vorm dan ook een van die mees belangrike en omvangryke versamelings historiese beskeide wat ons in die Kaapse argief kan aantref2.[87]

INLEIDING.

Ons gee hieronder ’n paar uittreksels uit die dagverhaal van Van Riebeeck. Hierdie joernaal het hy aangelê en bygehou in opdrag vansymeesters, die Here XVII, wat hom instruksies saamgegee het, waarin o.a. voorgeskrywe word dat hy „correcte notitie ende dagregisters zou houden omtrent hetgeen voor zou vallen.” Op die belang en die aantreklikheid van die dagverhaal van die eerste kommandeur van die Kaap is dit nie nodig weer die aandag te vestig nie; dit is reeds ten oorvloede gedaan geword deur al die skrywers wat die stigtingsperiode behandel het. Tog bly dit ’n feit dat ofskoon die dagverhaal reeds driemaal die eer van uitgawe geniet het1, daar selfs in ons eie land maar min persone sou kan gevind word wat die moeite geneem het om dit van begin tot end deur te lees. Waarskynlik word die leser afgeskrik deur die buitengewone lengte van die verhaal (byna 2,000 bladsye in die uitgawe van die Historiese Genootskap), die gebrekkige styl en die verveligheid van sommige altyd terugkerende mededelinge en opmerkinge. Dit sou egter jammer[86]wees as hierdie onmiskenbare gebreke van die teks sy ewe onmiskenbaar goeie eienskappe uit die oog sou doen verloor: sy betroubaarheid, sy verskeidenheid en rykdom van informasie, sy aanskoulikheid van voorstelling. Daarom het ons dit goed geag om hier party van die mees skilderagtige toneeltjies oor te neem en aldus te laat sien watter hoogs boeiende lektuur ’n mens in die langdradige joernaal, met ’n bietjie goeie wil en geduld, kan ontdek. As dit die leser(es) mag bring tot ’n nader kennismaking met die dagverhaal, dan sal ons reeds een van die doeleindes waar hierdie uitgawe na streef, bereik het—nl. die opwek van belangstelling in ons historiese bronneliteratuur. In hierdie verband wil ons daarop wys dat die dagregister van Van Riebeeck trouens nie ’n alleenstaande verskynsel is nie. Ook die later kommandeurs en goewerneurs van die Kaap het almal sonder uitsondering, volgens die algemene gebruik in die besittings van die O.I.K., aantekening gehou of laat hou van die vernaamste gebeurtenisse wat van dag tot dag onder hulle aandag gekom het; die ononderbroke reeks dagregisters van 1651 tot 1795 vorm dan ook een van die mees belangrike en omvangryke versamelings historiese beskeide wat ons in die Kaapse argief kan aantref2.[87]

Ons gee hieronder ’n paar uittreksels uit die dagverhaal van Van Riebeeck. Hierdie joernaal het hy aangelê en bygehou in opdrag vansymeesters, die Here XVII, wat hom instruksies saamgegee het, waarin o.a. voorgeskrywe word dat hy „correcte notitie ende dagregisters zou houden omtrent hetgeen voor zou vallen.” Op die belang en die aantreklikheid van die dagverhaal van die eerste kommandeur van die Kaap is dit nie nodig weer die aandag te vestig nie; dit is reeds ten oorvloede gedaan geword deur al die skrywers wat die stigtingsperiode behandel het. Tog bly dit ’n feit dat ofskoon die dagverhaal reeds driemaal die eer van uitgawe geniet het1, daar selfs in ons eie land maar min persone sou kan gevind word wat die moeite geneem het om dit van begin tot end deur te lees. Waarskynlik word die leser afgeskrik deur die buitengewone lengte van die verhaal (byna 2,000 bladsye in die uitgawe van die Historiese Genootskap), die gebrekkige styl en die verveligheid van sommige altyd terugkerende mededelinge en opmerkinge. Dit sou egter jammer[86]wees as hierdie onmiskenbare gebreke van die teks sy ewe onmiskenbaar goeie eienskappe uit die oog sou doen verloor: sy betroubaarheid, sy verskeidenheid en rykdom van informasie, sy aanskoulikheid van voorstelling. Daarom het ons dit goed geag om hier party van die mees skilderagtige toneeltjies oor te neem en aldus te laat sien watter hoogs boeiende lektuur ’n mens in die langdradige joernaal, met ’n bietjie goeie wil en geduld, kan ontdek. As dit die leser(es) mag bring tot ’n nader kennismaking met die dagverhaal, dan sal ons reeds een van die doeleindes waar hierdie uitgawe na streef, bereik het—nl. die opwek van belangstelling in ons historiese bronneliteratuur. In hierdie verband wil ons daarop wys dat die dagregister van Van Riebeeck trouens nie ’n alleenstaande verskynsel is nie. Ook die later kommandeurs en goewerneurs van die Kaap het almal sonder uitsondering, volgens die algemene gebruik in die besittings van die O.I.K., aantekening gehou of laat hou van die vernaamste gebeurtenisse wat van dag tot dag onder hulle aandag gekom het; die ononderbroke reeks dagregisters van 1651 tot 1795 vorm dan ook een van die mees belangrike en omvangryke versamelings historiese beskeide wat ons in die Kaapse argief kan aantref2.[87]

[Inhoud]UIT DIE DAGVERHAAL VAN JAN VAN RIEBEECK.24 April, Ao1652.—De wind westelijk met redelijk weer, zijn wij met al onze bagagie en familie na land gevaren, om aldaar te blijven in een loose planken tent, bij provisie wat rouw opgeslagen, opdat het werk wat beter mogte voortgaan3. Dezen voorleden nacht had het volk aan land een groote zeekoe gevangen, wel zoo zwaar als twee gemeene vette ossen, hebbende een zeer afgrijslijk monstreus hoofd en verscheide scherpe uitstekende tanden, waarvan de langste ⅞ el lang waren, met een korte hals en lage beenen, de voeten bijna van fatsoen als rhinoceros voeten, edoch gekliefd in vier partijen. Was zeer fel en wreed, en hadden genoeg te doen om te bedwingen, onaangezien met eenige kogels agter de ooren door het hoofd getroffen was, wesende de huid wel een duim dik en zoo hard, dat op sommige plaatsen geen musketkogel door konde geschoten worden: des hem regt voor in het hoofd lieten dood schieten, en het volk eten, alzoo het van goeden smaak was, loopende de melk uit de uyeren.[88]3 November, 1654.—Heden heeft ons wiltschut, op ’t versoeck van de Hottentoos, een leeuw doodschooten, wel soo groot als een redelijk koebeest, welcke onder de Hottentoos haer beesten was, sigh verborgen hebbende achter ende in eenige bossjens, ende oock een van de Hottentoos seer deerlijck met de claeuwen gequetst, die geen raedt wetende denselve om te brengen, schoon sij met hunne hasegaijen ende al de koebeesten hem hadden omsingelt, onsen wildschut omtrent haer vernemende, hadden versocht denselven doodt te schieten, gelijck hij met sijn snaphaen seer geluckelijck in d’ eerste schoot effectueerde, tot groote verwonderingh van de gemelte Hottentoos, dat soo fellen beest met een schoot soo strack ter neder gevelt wierd, ende ingevolge oock tot niet minder verschrickinge ende vreese voor ons schietgeweer.8 Januario, Ao1655.—Fray weer ende wint als voren. Quam ons een van de soutgarders aendienen, dat sij in de soutpannen een renocheros hadden geschoten, die noch levendigh was ende soo diep in de modder van de soutpannen gesoncken lagh, datter niet coste uytcomen; derhalven wij uyt curieusheydt eens derwaerts (omtrent 4 à 5 mijlen van hier) gingen om te sien, daer hem noch levendigh vonden, ende voorts lieten doot schieten: maer in gevalle op harde grond had geweest souden hem weynich of niet hebben cunnen schaden met schieten, alsoo meer als honderd schoten had eer hem doot cregen, stuytende veele cogels op ’t lijff weder aff, principalijck op sijn sijde, daer wij met bijlen een stuck lieten uithouwen ende[89]alsdoen tusschen de ribben in ’t ingewant schoten ende alsoo doot cregen4.Junius, Ao1655.—Primo do. ’s Morgens goet weer ende wint Westelijck. Verleden nacht hadde weder een lupert5in ’t hoenderhuys geweest, door versuym van den hoenderwachter, welcke ’t gat onder aen de deur, daer de hoenders uyt- en ingaen, hadde open gelaten, sulcx dat denselven weder 3 van onse 5 gansen (door d’ Heer van Goens6ons om aen te telen gegeven) hadde doot gebeten.Omme welcken lupert te dooden off te vangen, den stalknecht ende sieckenvaer7(onder een dack, doch met rijs gevlochten muyren affgeschoten, wonende, soo wel de paerden als oock de siecken) haer in voorsz. hoenderhuys hadden begeven, ende nadat den sieckenvaer (een seer stout persoon wesende) op den lupert had geschoten ende denselven eenighsints gequetst, was hij op hem gesprongen ende eenige claeuwen in ’t hoofft slaende, oock sodanigh in den arm gebeten, dat genootsaecht was den lupert los te laten, die oock den gemelten stalknecht eenigsints in ’t hoofft gequest had, doch sonderlingh niet te beduyden. Maer den sieckenvaer, voor desen meermael mette luperts in voorsz.[90]gelegentheyt doende ende gequest hebbende geweest, was lustigh principael in den arm getroffen.Een bijsondere saeck wierde gesien aen onse koebeesten in ’t crael, daer voorsz. hoender, paerden ende sieckenhuys staet. Deselve den gemelten lupert in ’t verhaelde hoenderhuys vernemende, hadden haer altemalen, dight op een getropt ende de horens na de deur toe, in een halve mane gestelt, sulcx den lupert genoegh te doen had om hem uytter koebeesten hoorns te redden ende ontvluchten, hoewel deselve beesten (na onse opinie) met haer bukken genoeghsaem hare vreese voor dat wilt gedierte te kennen gaven. Ende heefft ons dickwijls gebleecken, dat de luperts, leeuwen off tijgers, geen quaet aen de koebeesten hebben cunnen doen, dewelcke haer oock somtijts in ’t ronde hebben gestelt, ende de kalven alsoo achter in haren gemaeckten cirkel sodanigh bewaert, datter noyt imant van ’t wilt gedierte heefft cunnen ontrooft worden, ’twelcke somtijts seer speculatyff om sien is geweest.16 Juny, 1656.—Desen morgen door den stalknecht de paerden wat vroegh uytgelaeten sijnde om te weyen, is een van deselve (den cloecksten henghst) van ’t wild gedierte totaliter verscheurt geworden, waerby wy al groote incommodatie comen te lijden, vermits den grooten dienst die deselve elck voor sijn hoofft meer als voor 10 man cunnen doen in ’t ploegh trecken, cley, steen ende timmerhoudt halen uyt ’t bos, als andersints. Schijnt in ’t natte saysoen ’t wilt gedierte hier omtrent principaelst te regneren, ende dierhalven al[91]stercker ende hechter stalling voor de paerden moeten maken om voor dat wilt gediert bewaert te mogen wesen.Omtrent halff voormiddagh den Commandeur wandelende in de thuynen, bevond deselve over al door wiltspoor dapper betreden, ende weynigh daer nae, niet boven 40 a 50 treden schuyns voor hem even buyten de thuynen, een wackeren leeuw opspringen ende sijn loop (maer al sachiens) naden Taeffelbergh nemen; derhalven hem door den sergiant ende wiltschut, neffens noch 4 a 5 andre soldaten met snaphanen liet vervolgen, waerop oock datelijck wel omtrent een paer hondert Hottentoos met al haer schapen ende koebeesten denselven oock naedreven ende tegen ’t hangen van den Taeffelbergh in een diepe clooff sulcx besetteden, dat hij nergens als voorwarts door de schapen moest breecken, welcke de Hottentoos gestelt hadden als haer borstweer recht voor den leeuw daer hij onder een struyck verholen lagh, ende bleven sij staen buyten de schapen tusschen deselve ende haer koebeesten. Als den leeuw dan sigh bloot gaff ende al brullende wilde uytbreecken ende na een schaep grijpen, schoten sij met haer hasegayen telckens over de schapen na hem toe met een groot gebaar van schreeuwen, daer over den leeuw dan weder terugh deynsde, seer speculatyff om siende, doch dewijle deselve hem niet wel costen raecken, soo deed voor eerst den sergiant (beneffens onse wilt-schut ende andre daer omtrent 8 a 10 treden mede dicht bij de leeuw weesende) een mis- ende den wiltschut een treffelijcke wisschut met 3 kogels[92]recht in sijn hoofft, dat hij datelijck doot ter neder viel, als wanneer de Hottentoos lustige mannen schenen ende hen met de hasegayen sochten voorts hondert steecken nae sijn doot te geven, doch wiert haer, na dat noch al 3 a 4 haysegayen in ’t lijff gecreegen had, belet, om ’t vel niet te schennen ende fray op gevult inde groote sael (tot de kerck g’approprieert) op te hangen, ten welcken eynde met een kar thuys gebracht ende aldaer gewoogen sijnde, bevonden wiert swaer te sijn 426 ponden hollants8, langh behalven den staert (die 3½ voet rijnlants9langh was) 5½, ende bij de billen ofte over ’t lijff hoogh op sijn voeten staende 3½ idem voeten, sulx wel soo cloeck was als een gemeen Engels of Javaens paertie. Opgesneeden sijnde wierd in den maegh bevonden noch veel van ’t paerdenvleys, dat desen nacht verscheurt hadt, ende eenige egelverckenspennen ende poten etc.17 dito, is op dato, ten aensien het wilt gediert aen Compagnies vee dus veel schade doet, bij resolutie goetgevonden tot premie te stellen, voor een leeuw, die gevangen oft geschoten wordt 6, een tijger oft wolff 4, ende een lupert 3 realen van 810, sijnde den wiltschut voor eerst betaelt 2 cannen spaense wijn, 3 lb. tabacq ende 2 realen van 8. Alsoo bevonden is, dat nu de romp van voorsz.[93]leeuw buyten voor de poort van ’t hoorenwerck11leggende, den verleden nacht ’t wijffien was comen ruycken ende soecken, mitsgaders daervan oock had gegeten, wierdt er desen nacht verholen wacht omtrent gehouden, om ’t selve mogelijck sijnde oock te attrapperen, maer is niet weder vernoomen.17 April, 1658.—Is begonnen ordre te stellen op het schoolhouden voor de Angoolse compagnies-slaven ende slavinnen, per Amersfoort uyt de Portugese prijs gecomen12, welcq school te houden des morgens ende ’s namiddags, den sieckentrooster Pieter van der Stael13van Rotterdam, beneffens sijn cranckbesoeckersbedieninge is opgeleyt, te meer dewijl seer goet ende prompt in ’t lesen is van recht Hollants Nederduyts, ende omme de gemelte slaven te beter tot het school ende hooren oft leeren van de cristelijcke gebeden te animeren, is mede belast na ’t eyndigen elcq een croessjen brandewijn ende 2 duym tabacq te geven etc, alsoocq alle hare namen aengeteyckent, ende die geen hadden, namen gegeven, soowel gepaerde als ongepaerde, jongh ende oudt, alles in ’t bijwesen van den Commandeur, welcke sigh daervoor[94]eenige dagen sal laten bijvinden, omme alles terdegen in ordre ende dat volcq onder de behoorlijcke dissipline te brengen, waertoe ’t begin sigh redelijcq schijnt te verthoonen. Wordende oock elcq na behooren gecleedt voor de coude, die nu dagelijcx begint aen te comen, alsoocq de cloeckste hier ende daer aen ’t wercq gestelt, omme soo haer doenlijck van deselve dienst te mogen trecken.5 May, 1660.Ende quam tegen den avont den oversten van de Gorachouquas14, Choro genaempt, met een gevolgh wel van 100 man noch aen ’t fort, daeronder meest al sijn oudsten ende principaelsten, medebrengende 13 redelijcke oudt en jonge koebeesten tot vereeringe, met versoeck die in teycken van sijn aanbiedende vrundschap wilden aennemen.….Hemelsvaertsdaghden 6 dito is des morgen voor de predicatie, den gemelten oversten der Gorachouquas ende gevolgh met wedervereeringen van coper, cralen, tabacq ende pijpen begifticht, wel de dubbelde waerde van de voorsz. koebeesten, ende na de predicatie oock getracteert wordende met[95]eeten ende drincken, mitsgaders de baly met aracq ende brandewijn ondereen gemengt, midden in ’t pleyn van ’t fort, open gestelt sijnde met een locjen15daerin, soopen dit volcq soo droncken ende vol, datter de seltsaemste cuyren van de werelt aengesien wierden, soo met singen, dansen, springen ende meer andre vreemde continantien, vallende nu den eenen, dan den anderen van dronckenschap onder de voet, welcke dan van die nogh wat schappelijck waren, opgenomen, buyten ’t fort gedragen ende aldaer in ’t gras te slapen geleyt wierden, behalven den voorsz. oversten, die hem redelijck schappelijck hielt ende sigh niet boven halff vol en dronck, neffens drie a 4 van sijn oudsten, dogh eenige van die schenen haer echter niet te cunnen onthouden mede te danssen, ende de wijven clapten soo hard in de handen, dat men ’t wel 150 roeden buyten ’t fort hooren conde, sulcx dat sij schenen op haer maniere een heel vreedens triumph ende vreughde te houden16.[96]30 September, 1660.’s Namiddags quam den oppersten ofte coningh van de Chainouquas, genaempt Sousoa17, selffs met sijn soons vrouw op een grooten os sittende ende geleyt wordende door een van de ruyterwachters, binnen ’t fort gereden, daer sij door een van sijn volcq op de schouderen affgeholpen wierd, medebrengende 33 stucx oude en jonge koebeesten, die altemaelen voor coraelen, ende 15 schapen, welcke voor coper, tabacq ende pijpen ingeruylt sijn, mitsgaders voorsz. Sousoa ende volcq vrij goede cier aangedaen, seggende dat hem sijn volcq geseght hadde, den Commandeur sijn zoon voor broeder ende hem voor vader wilde aannemen, ende dat hij derhalven daerom sijn nieuwen soon eens quam besoecken ende besien wat het voor een man was etc., waerop na vereysch g’antwoort wierd ende over ende weder presentie gedaen, van onveranderlijcke ende altijtduyrende vruntschap te onderhouden, seggende: ten dien eynde noch nader wilde affcomen, opdat men den anderen te beter over ende weder souden cunnen bereyssen om coopmanschap te drijven, daer hij hem soo ’t scheen seer genegen toe thoonde,[97]werdende derhalven met kaes, vers broot ende suycker in een tinne schotel getracteert, ende op een matjen in des Commandeurs camer met voorsz. smeerige princesse (sijn soons vrouw) te sitten geset, sulcx noch noyt ymandt gedaen is, item oock eens op de claversingal gespeelt, alle ’t welcke hem wonderlijck aengenaem scheen, mitsgaders ’t bier, Spaens ende France wijn seer wel smaeckten, doch sooveel niet na sigh nam dat beschoncken wierd, werdende sijn volcq op de voorsael met hart broot ende brandewijn soodanigh getracteert, dat se lustigh songen ende sprongen ende wonderlijcke aperijen aenrechteden.Voorsz. Sousoa ende soons vrouw de huysingen onder ende boven hebbende laeten besien, ende gevraeght oft er wel volcq in ’t landt woonden die mede sulcke huysen hadden, antwoordt: jae, maer wat op ander maniere ende oock vast woonende,—wijsende naer den ringh aen des Commandeurs vinger, dat die luyden oock sulcq gout hadden, ende wijders aen ’t eynd van sijn eygen pingh, hoe groote ende cleyne witte blinckende gesteenten hij bij deselve gesien hadden, waerop hem France ende fijne gesteente, soo diamant als robijn ende ander coleur, item mede paerlkettingen etc. verthoont wordende, seyde, dat noyt anders gesien oft vernomen hadde als gout ende witte steenen, wijsende op diamanten, ende dat hy met dat volcq genaempt Chobona oft Choboqua18goede kennisse[98]had, oock wel sijn best doen wilde ymant van deselve herwaerts te crijgen, om de waerheyt aen ons te verthoonen etc. Ende alsoo seecker groot volcq (mede Hottentoos als hij) hem om syn macht seer jalours waren, ende daerom alle mogelicke affbreuck allomme sochten aen te doen, dat nu noch meer soude geschieden om hem den ommegangh met ons te becommeren; soo vraegde hij, off men hem tegen sijne vijanden, als se hem quaemen overlastigen, wel souden cunnen goetvinden met soldaten te adsisteren, waerop g’antwoord wierd, indien hy raedt wist ons van bestiael genoegsaem te voorsien ende te maken dat de Chobonas met haer gout ende gesteenten tot ons affquaemen, jae, mits het oocq geen van onse g’allieerde hieromtrent ende voornaementlijcq de Cochoquas19en waeren, met wiens oversten Oedasoa19wij vruntschap besproocken hadden etc.[99]Hy gaft tot antwoort: voorsz. sijne vijanden waren andre, ende versocht de gemelte assistentie tegens deselve niet, als met meeninge om eerst blijcq van sijn seggen te thonen; den Commandeur wist noch niet wat hy voor een man was, maer den tijt soude het hem doen openbaeren, willende met sijn principael leger in ’t Hottentoos Hollandt 1½ daghreyssens van hier comen woonen, om dagelijcq met den anderen verder te cunnen spreecken, ende sijne andere troppen ende volcq maer hier ende daer na gewoonte in vliegende legers laten heen ende weer gaan, met meer andere redenen die niet vreempt scheenen.Den 1 October quamen noch eenige van Sousoas volcq met 10 beesten na, die mede voor coraelen gereuylt wierden ende 5 schapen voor coper, welcke schapen, vermits ’t coper, jegenwoordigh yder wel sooveel costen als drie beesten, die, voor coraelen gereuylt wordende, jegenwoordigh niet boven de 9 a 10 stuyvers ’t stuck comen te staen, eenlijcq beswaert het tractement van eeten en drincken wat voor sooveel volcq, daer se telckens mede affcomen.Den 2 dito, voorsz. Sousoa met sijn soons vrouw ende volcq sigh gereet maeckende om te vertrecken, is denselven voor hem en dito vrouw, alsoocq sijn broeder ende een ander soon mede bij hem sijnde[100]met navolgende considerabel schenckagie vereert, te weten:42lb. geele ende}coper,8lb. root6dosijn coraelen ende france silver kettingkens,3paer france steene breseletten,4lb. tabacq,4lb. root corael,9stucx ijsere hoepen20,17lb. staffijser,2bijlen,3drijffijsers,7mingelen21brandewijn,2spiegeltjes, ende wel100lb. hart broot,alle hetwelcke, hem ende dese drie dagen genoten tractementen seer wel behaegende, scheyde met een bijsonder goet genoegen, latende syn soons vrouw op een witten bonten os setten, ende hij, des vissers huys gepasseert sijnde, gingh op een roden os sitten, hebbende tusschen ’t fort ende daer, met Eva te voet gaende, van veel saecken gesproocken, ende haer ’t volgende gerecommandeert den Commandeur te seggen, namentlijck:Dat als den Commandeur den tijt maer wilde verbeijden, wel soude mercken, dat hij de man was, die hem coste contentement doen, doch dat versocht mochte worden, ’t gene de Choboquas voor haer gout ende gesteenten begeeren, door sijn handt[101]mocht passeren, om by haer soowel als ons voor principael oorsaecq van die negotie etc. erkent te worden, hebbende rede door ’t landt al sijn volcq vrije toegangh ende de wegh open gestelt, ende consent te geven om tot ons te mogen comen handelen etc.Voorsz. bonten os, daer sijn soons vrouw op sat, was mede ingereuylt ende, om sijn gecregen goet te beter te dragen, hem op sijn versoeck geleendt, die hij beloofde by d’ eerste gelegenheyt met meer beestiael wederom te senden.Sondaghden 3 dito quamen even na de predicatie weder 13 a 14 persoonen van de Chainouquas, met 27 stucx schoone beesten, waervan 24 voor coraelen ende drie neffens 6 schapen voor coper ende tabacq ingeruylt wierden, hebbende dese luyden in ’t herwaerts comen haren coninck Sousoa gemist ende geseght, datter morgen noch meer volcq van de haere met bestiael souden hier comen, als leggende rede in ’t Hottentoos Hollandt gelegert, daer doorgaens hun loos rendezvous22meenen te houden, tot sigh Sousoa daer sal vast gelegert hebben.Dit wil een wackere knip op onse buyren haer neus wesen, vermits dese plaetse altijt haer beste weyden sijn geweest, hebbende, sedert Sousoa hier geweest is, sigh niet een Caepman noch Saldanhars oft ymandt derven verthoonen, ende de Strantlopers (hier altijt omtrent woonende) oocq niet derven hun ergens bijvougen, sulcx het schijnt desen Sousoa al vrij ontsien moet wesen.[103]

UIT DIE DAGVERHAAL VAN JAN VAN RIEBEECK.

24 April, Ao1652.—De wind westelijk met redelijk weer, zijn wij met al onze bagagie en familie na land gevaren, om aldaar te blijven in een loose planken tent, bij provisie wat rouw opgeslagen, opdat het werk wat beter mogte voortgaan3. Dezen voorleden nacht had het volk aan land een groote zeekoe gevangen, wel zoo zwaar als twee gemeene vette ossen, hebbende een zeer afgrijslijk monstreus hoofd en verscheide scherpe uitstekende tanden, waarvan de langste ⅞ el lang waren, met een korte hals en lage beenen, de voeten bijna van fatsoen als rhinoceros voeten, edoch gekliefd in vier partijen. Was zeer fel en wreed, en hadden genoeg te doen om te bedwingen, onaangezien met eenige kogels agter de ooren door het hoofd getroffen was, wesende de huid wel een duim dik en zoo hard, dat op sommige plaatsen geen musketkogel door konde geschoten worden: des hem regt voor in het hoofd lieten dood schieten, en het volk eten, alzoo het van goeden smaak was, loopende de melk uit de uyeren.[88]3 November, 1654.—Heden heeft ons wiltschut, op ’t versoeck van de Hottentoos, een leeuw doodschooten, wel soo groot als een redelijk koebeest, welcke onder de Hottentoos haer beesten was, sigh verborgen hebbende achter ende in eenige bossjens, ende oock een van de Hottentoos seer deerlijck met de claeuwen gequetst, die geen raedt wetende denselve om te brengen, schoon sij met hunne hasegaijen ende al de koebeesten hem hadden omsingelt, onsen wildschut omtrent haer vernemende, hadden versocht denselven doodt te schieten, gelijck hij met sijn snaphaen seer geluckelijck in d’ eerste schoot effectueerde, tot groote verwonderingh van de gemelte Hottentoos, dat soo fellen beest met een schoot soo strack ter neder gevelt wierd, ende ingevolge oock tot niet minder verschrickinge ende vreese voor ons schietgeweer.8 Januario, Ao1655.—Fray weer ende wint als voren. Quam ons een van de soutgarders aendienen, dat sij in de soutpannen een renocheros hadden geschoten, die noch levendigh was ende soo diep in de modder van de soutpannen gesoncken lagh, datter niet coste uytcomen; derhalven wij uyt curieusheydt eens derwaerts (omtrent 4 à 5 mijlen van hier) gingen om te sien, daer hem noch levendigh vonden, ende voorts lieten doot schieten: maer in gevalle op harde grond had geweest souden hem weynich of niet hebben cunnen schaden met schieten, alsoo meer als honderd schoten had eer hem doot cregen, stuytende veele cogels op ’t lijff weder aff, principalijck op sijn sijde, daer wij met bijlen een stuck lieten uithouwen ende[89]alsdoen tusschen de ribben in ’t ingewant schoten ende alsoo doot cregen4.Junius, Ao1655.—Primo do. ’s Morgens goet weer ende wint Westelijck. Verleden nacht hadde weder een lupert5in ’t hoenderhuys geweest, door versuym van den hoenderwachter, welcke ’t gat onder aen de deur, daer de hoenders uyt- en ingaen, hadde open gelaten, sulcx dat denselven weder 3 van onse 5 gansen (door d’ Heer van Goens6ons om aen te telen gegeven) hadde doot gebeten.Omme welcken lupert te dooden off te vangen, den stalknecht ende sieckenvaer7(onder een dack, doch met rijs gevlochten muyren affgeschoten, wonende, soo wel de paerden als oock de siecken) haer in voorsz. hoenderhuys hadden begeven, ende nadat den sieckenvaer (een seer stout persoon wesende) op den lupert had geschoten ende denselven eenighsints gequetst, was hij op hem gesprongen ende eenige claeuwen in ’t hoofft slaende, oock sodanigh in den arm gebeten, dat genootsaecht was den lupert los te laten, die oock den gemelten stalknecht eenigsints in ’t hoofft gequest had, doch sonderlingh niet te beduyden. Maer den sieckenvaer, voor desen meermael mette luperts in voorsz.[90]gelegentheyt doende ende gequest hebbende geweest, was lustigh principael in den arm getroffen.Een bijsondere saeck wierde gesien aen onse koebeesten in ’t crael, daer voorsz. hoender, paerden ende sieckenhuys staet. Deselve den gemelten lupert in ’t verhaelde hoenderhuys vernemende, hadden haer altemalen, dight op een getropt ende de horens na de deur toe, in een halve mane gestelt, sulcx den lupert genoegh te doen had om hem uytter koebeesten hoorns te redden ende ontvluchten, hoewel deselve beesten (na onse opinie) met haer bukken genoeghsaem hare vreese voor dat wilt gedierte te kennen gaven. Ende heefft ons dickwijls gebleecken, dat de luperts, leeuwen off tijgers, geen quaet aen de koebeesten hebben cunnen doen, dewelcke haer oock somtijts in ’t ronde hebben gestelt, ende de kalven alsoo achter in haren gemaeckten cirkel sodanigh bewaert, datter noyt imant van ’t wilt gedierte heefft cunnen ontrooft worden, ’twelcke somtijts seer speculatyff om sien is geweest.16 Juny, 1656.—Desen morgen door den stalknecht de paerden wat vroegh uytgelaeten sijnde om te weyen, is een van deselve (den cloecksten henghst) van ’t wild gedierte totaliter verscheurt geworden, waerby wy al groote incommodatie comen te lijden, vermits den grooten dienst die deselve elck voor sijn hoofft meer als voor 10 man cunnen doen in ’t ploegh trecken, cley, steen ende timmerhoudt halen uyt ’t bos, als andersints. Schijnt in ’t natte saysoen ’t wilt gedierte hier omtrent principaelst te regneren, ende dierhalven al[91]stercker ende hechter stalling voor de paerden moeten maken om voor dat wilt gediert bewaert te mogen wesen.Omtrent halff voormiddagh den Commandeur wandelende in de thuynen, bevond deselve over al door wiltspoor dapper betreden, ende weynigh daer nae, niet boven 40 a 50 treden schuyns voor hem even buyten de thuynen, een wackeren leeuw opspringen ende sijn loop (maer al sachiens) naden Taeffelbergh nemen; derhalven hem door den sergiant ende wiltschut, neffens noch 4 a 5 andre soldaten met snaphanen liet vervolgen, waerop oock datelijck wel omtrent een paer hondert Hottentoos met al haer schapen ende koebeesten denselven oock naedreven ende tegen ’t hangen van den Taeffelbergh in een diepe clooff sulcx besetteden, dat hij nergens als voorwarts door de schapen moest breecken, welcke de Hottentoos gestelt hadden als haer borstweer recht voor den leeuw daer hij onder een struyck verholen lagh, ende bleven sij staen buyten de schapen tusschen deselve ende haer koebeesten. Als den leeuw dan sigh bloot gaff ende al brullende wilde uytbreecken ende na een schaep grijpen, schoten sij met haer hasegayen telckens over de schapen na hem toe met een groot gebaar van schreeuwen, daer over den leeuw dan weder terugh deynsde, seer speculatyff om siende, doch dewijle deselve hem niet wel costen raecken, soo deed voor eerst den sergiant (beneffens onse wilt-schut ende andre daer omtrent 8 a 10 treden mede dicht bij de leeuw weesende) een mis- ende den wiltschut een treffelijcke wisschut met 3 kogels[92]recht in sijn hoofft, dat hij datelijck doot ter neder viel, als wanneer de Hottentoos lustige mannen schenen ende hen met de hasegayen sochten voorts hondert steecken nae sijn doot te geven, doch wiert haer, na dat noch al 3 a 4 haysegayen in ’t lijff gecreegen had, belet, om ’t vel niet te schennen ende fray op gevult inde groote sael (tot de kerck g’approprieert) op te hangen, ten welcken eynde met een kar thuys gebracht ende aldaer gewoogen sijnde, bevonden wiert swaer te sijn 426 ponden hollants8, langh behalven den staert (die 3½ voet rijnlants9langh was) 5½, ende bij de billen ofte over ’t lijff hoogh op sijn voeten staende 3½ idem voeten, sulx wel soo cloeck was als een gemeen Engels of Javaens paertie. Opgesneeden sijnde wierd in den maegh bevonden noch veel van ’t paerdenvleys, dat desen nacht verscheurt hadt, ende eenige egelverckenspennen ende poten etc.17 dito, is op dato, ten aensien het wilt gediert aen Compagnies vee dus veel schade doet, bij resolutie goetgevonden tot premie te stellen, voor een leeuw, die gevangen oft geschoten wordt 6, een tijger oft wolff 4, ende een lupert 3 realen van 810, sijnde den wiltschut voor eerst betaelt 2 cannen spaense wijn, 3 lb. tabacq ende 2 realen van 8. Alsoo bevonden is, dat nu de romp van voorsz.[93]leeuw buyten voor de poort van ’t hoorenwerck11leggende, den verleden nacht ’t wijffien was comen ruycken ende soecken, mitsgaders daervan oock had gegeten, wierdt er desen nacht verholen wacht omtrent gehouden, om ’t selve mogelijck sijnde oock te attrapperen, maer is niet weder vernoomen.17 April, 1658.—Is begonnen ordre te stellen op het schoolhouden voor de Angoolse compagnies-slaven ende slavinnen, per Amersfoort uyt de Portugese prijs gecomen12, welcq school te houden des morgens ende ’s namiddags, den sieckentrooster Pieter van der Stael13van Rotterdam, beneffens sijn cranckbesoeckersbedieninge is opgeleyt, te meer dewijl seer goet ende prompt in ’t lesen is van recht Hollants Nederduyts, ende omme de gemelte slaven te beter tot het school ende hooren oft leeren van de cristelijcke gebeden te animeren, is mede belast na ’t eyndigen elcq een croessjen brandewijn ende 2 duym tabacq te geven etc, alsoocq alle hare namen aengeteyckent, ende die geen hadden, namen gegeven, soowel gepaerde als ongepaerde, jongh ende oudt, alles in ’t bijwesen van den Commandeur, welcke sigh daervoor[94]eenige dagen sal laten bijvinden, omme alles terdegen in ordre ende dat volcq onder de behoorlijcke dissipline te brengen, waertoe ’t begin sigh redelijcq schijnt te verthoonen. Wordende oock elcq na behooren gecleedt voor de coude, die nu dagelijcx begint aen te comen, alsoocq de cloeckste hier ende daer aen ’t wercq gestelt, omme soo haer doenlijck van deselve dienst te mogen trecken.5 May, 1660.Ende quam tegen den avont den oversten van de Gorachouquas14, Choro genaempt, met een gevolgh wel van 100 man noch aen ’t fort, daeronder meest al sijn oudsten ende principaelsten, medebrengende 13 redelijcke oudt en jonge koebeesten tot vereeringe, met versoeck die in teycken van sijn aanbiedende vrundschap wilden aennemen.….Hemelsvaertsdaghden 6 dito is des morgen voor de predicatie, den gemelten oversten der Gorachouquas ende gevolgh met wedervereeringen van coper, cralen, tabacq ende pijpen begifticht, wel de dubbelde waerde van de voorsz. koebeesten, ende na de predicatie oock getracteert wordende met[95]eeten ende drincken, mitsgaders de baly met aracq ende brandewijn ondereen gemengt, midden in ’t pleyn van ’t fort, open gestelt sijnde met een locjen15daerin, soopen dit volcq soo droncken ende vol, datter de seltsaemste cuyren van de werelt aengesien wierden, soo met singen, dansen, springen ende meer andre vreemde continantien, vallende nu den eenen, dan den anderen van dronckenschap onder de voet, welcke dan van die nogh wat schappelijck waren, opgenomen, buyten ’t fort gedragen ende aldaer in ’t gras te slapen geleyt wierden, behalven den voorsz. oversten, die hem redelijck schappelijck hielt ende sigh niet boven halff vol en dronck, neffens drie a 4 van sijn oudsten, dogh eenige van die schenen haer echter niet te cunnen onthouden mede te danssen, ende de wijven clapten soo hard in de handen, dat men ’t wel 150 roeden buyten ’t fort hooren conde, sulcx dat sij schenen op haer maniere een heel vreedens triumph ende vreughde te houden16.[96]30 September, 1660.’s Namiddags quam den oppersten ofte coningh van de Chainouquas, genaempt Sousoa17, selffs met sijn soons vrouw op een grooten os sittende ende geleyt wordende door een van de ruyterwachters, binnen ’t fort gereden, daer sij door een van sijn volcq op de schouderen affgeholpen wierd, medebrengende 33 stucx oude en jonge koebeesten, die altemaelen voor coraelen, ende 15 schapen, welcke voor coper, tabacq ende pijpen ingeruylt sijn, mitsgaders voorsz. Sousoa ende volcq vrij goede cier aangedaen, seggende dat hem sijn volcq geseght hadde, den Commandeur sijn zoon voor broeder ende hem voor vader wilde aannemen, ende dat hij derhalven daerom sijn nieuwen soon eens quam besoecken ende besien wat het voor een man was etc., waerop na vereysch g’antwoort wierd ende over ende weder presentie gedaen, van onveranderlijcke ende altijtduyrende vruntschap te onderhouden, seggende: ten dien eynde noch nader wilde affcomen, opdat men den anderen te beter over ende weder souden cunnen bereyssen om coopmanschap te drijven, daer hij hem soo ’t scheen seer genegen toe thoonde,[97]werdende derhalven met kaes, vers broot ende suycker in een tinne schotel getracteert, ende op een matjen in des Commandeurs camer met voorsz. smeerige princesse (sijn soons vrouw) te sitten geset, sulcx noch noyt ymandt gedaen is, item oock eens op de claversingal gespeelt, alle ’t welcke hem wonderlijck aengenaem scheen, mitsgaders ’t bier, Spaens ende France wijn seer wel smaeckten, doch sooveel niet na sigh nam dat beschoncken wierd, werdende sijn volcq op de voorsael met hart broot ende brandewijn soodanigh getracteert, dat se lustigh songen ende sprongen ende wonderlijcke aperijen aenrechteden.Voorsz. Sousoa ende soons vrouw de huysingen onder ende boven hebbende laeten besien, ende gevraeght oft er wel volcq in ’t landt woonden die mede sulcke huysen hadden, antwoordt: jae, maer wat op ander maniere ende oock vast woonende,—wijsende naer den ringh aen des Commandeurs vinger, dat die luyden oock sulcq gout hadden, ende wijders aen ’t eynd van sijn eygen pingh, hoe groote ende cleyne witte blinckende gesteenten hij bij deselve gesien hadden, waerop hem France ende fijne gesteente, soo diamant als robijn ende ander coleur, item mede paerlkettingen etc. verthoont wordende, seyde, dat noyt anders gesien oft vernomen hadde als gout ende witte steenen, wijsende op diamanten, ende dat hy met dat volcq genaempt Chobona oft Choboqua18goede kennisse[98]had, oock wel sijn best doen wilde ymant van deselve herwaerts te crijgen, om de waerheyt aen ons te verthoonen etc. Ende alsoo seecker groot volcq (mede Hottentoos als hij) hem om syn macht seer jalours waren, ende daerom alle mogelicke affbreuck allomme sochten aen te doen, dat nu noch meer soude geschieden om hem den ommegangh met ons te becommeren; soo vraegde hij, off men hem tegen sijne vijanden, als se hem quaemen overlastigen, wel souden cunnen goetvinden met soldaten te adsisteren, waerop g’antwoord wierd, indien hy raedt wist ons van bestiael genoegsaem te voorsien ende te maken dat de Chobonas met haer gout ende gesteenten tot ons affquaemen, jae, mits het oocq geen van onse g’allieerde hieromtrent ende voornaementlijcq de Cochoquas19en waeren, met wiens oversten Oedasoa19wij vruntschap besproocken hadden etc.[99]Hy gaft tot antwoort: voorsz. sijne vijanden waren andre, ende versocht de gemelte assistentie tegens deselve niet, als met meeninge om eerst blijcq van sijn seggen te thonen; den Commandeur wist noch niet wat hy voor een man was, maer den tijt soude het hem doen openbaeren, willende met sijn principael leger in ’t Hottentoos Hollandt 1½ daghreyssens van hier comen woonen, om dagelijcq met den anderen verder te cunnen spreecken, ende sijne andere troppen ende volcq maer hier ende daer na gewoonte in vliegende legers laten heen ende weer gaan, met meer andere redenen die niet vreempt scheenen.Den 1 October quamen noch eenige van Sousoas volcq met 10 beesten na, die mede voor coraelen gereuylt wierden ende 5 schapen voor coper, welcke schapen, vermits ’t coper, jegenwoordigh yder wel sooveel costen als drie beesten, die, voor coraelen gereuylt wordende, jegenwoordigh niet boven de 9 a 10 stuyvers ’t stuck comen te staen, eenlijcq beswaert het tractement van eeten en drincken wat voor sooveel volcq, daer se telckens mede affcomen.Den 2 dito, voorsz. Sousoa met sijn soons vrouw ende volcq sigh gereet maeckende om te vertrecken, is denselven voor hem en dito vrouw, alsoocq sijn broeder ende een ander soon mede bij hem sijnde[100]met navolgende considerabel schenckagie vereert, te weten:42lb. geele ende}coper,8lb. root6dosijn coraelen ende france silver kettingkens,3paer france steene breseletten,4lb. tabacq,4lb. root corael,9stucx ijsere hoepen20,17lb. staffijser,2bijlen,3drijffijsers,7mingelen21brandewijn,2spiegeltjes, ende wel100lb. hart broot,alle hetwelcke, hem ende dese drie dagen genoten tractementen seer wel behaegende, scheyde met een bijsonder goet genoegen, latende syn soons vrouw op een witten bonten os setten, ende hij, des vissers huys gepasseert sijnde, gingh op een roden os sitten, hebbende tusschen ’t fort ende daer, met Eva te voet gaende, van veel saecken gesproocken, ende haer ’t volgende gerecommandeert den Commandeur te seggen, namentlijck:Dat als den Commandeur den tijt maer wilde verbeijden, wel soude mercken, dat hij de man was, die hem coste contentement doen, doch dat versocht mochte worden, ’t gene de Choboquas voor haer gout ende gesteenten begeeren, door sijn handt[101]mocht passeren, om by haer soowel als ons voor principael oorsaecq van die negotie etc. erkent te worden, hebbende rede door ’t landt al sijn volcq vrije toegangh ende de wegh open gestelt, ende consent te geven om tot ons te mogen comen handelen etc.Voorsz. bonten os, daer sijn soons vrouw op sat, was mede ingereuylt ende, om sijn gecregen goet te beter te dragen, hem op sijn versoeck geleendt, die hij beloofde by d’ eerste gelegenheyt met meer beestiael wederom te senden.Sondaghden 3 dito quamen even na de predicatie weder 13 a 14 persoonen van de Chainouquas, met 27 stucx schoone beesten, waervan 24 voor coraelen ende drie neffens 6 schapen voor coper ende tabacq ingeruylt wierden, hebbende dese luyden in ’t herwaerts comen haren coninck Sousoa gemist ende geseght, datter morgen noch meer volcq van de haere met bestiael souden hier comen, als leggende rede in ’t Hottentoos Hollandt gelegert, daer doorgaens hun loos rendezvous22meenen te houden, tot sigh Sousoa daer sal vast gelegert hebben.Dit wil een wackere knip op onse buyren haer neus wesen, vermits dese plaetse altijt haer beste weyden sijn geweest, hebbende, sedert Sousoa hier geweest is, sigh niet een Caepman noch Saldanhars oft ymandt derven verthoonen, ende de Strantlopers (hier altijt omtrent woonende) oocq niet derven hun ergens bijvougen, sulcx het schijnt desen Sousoa al vrij ontsien moet wesen.[103]

24 April, Ao1652.—De wind westelijk met redelijk weer, zijn wij met al onze bagagie en familie na land gevaren, om aldaar te blijven in een loose planken tent, bij provisie wat rouw opgeslagen, opdat het werk wat beter mogte voortgaan3. Dezen voorleden nacht had het volk aan land een groote zeekoe gevangen, wel zoo zwaar als twee gemeene vette ossen, hebbende een zeer afgrijslijk monstreus hoofd en verscheide scherpe uitstekende tanden, waarvan de langste ⅞ el lang waren, met een korte hals en lage beenen, de voeten bijna van fatsoen als rhinoceros voeten, edoch gekliefd in vier partijen. Was zeer fel en wreed, en hadden genoeg te doen om te bedwingen, onaangezien met eenige kogels agter de ooren door het hoofd getroffen was, wesende de huid wel een duim dik en zoo hard, dat op sommige plaatsen geen musketkogel door konde geschoten worden: des hem regt voor in het hoofd lieten dood schieten, en het volk eten, alzoo het van goeden smaak was, loopende de melk uit de uyeren.[88]

3 November, 1654.—Heden heeft ons wiltschut, op ’t versoeck van de Hottentoos, een leeuw doodschooten, wel soo groot als een redelijk koebeest, welcke onder de Hottentoos haer beesten was, sigh verborgen hebbende achter ende in eenige bossjens, ende oock een van de Hottentoos seer deerlijck met de claeuwen gequetst, die geen raedt wetende denselve om te brengen, schoon sij met hunne hasegaijen ende al de koebeesten hem hadden omsingelt, onsen wildschut omtrent haer vernemende, hadden versocht denselven doodt te schieten, gelijck hij met sijn snaphaen seer geluckelijck in d’ eerste schoot effectueerde, tot groote verwonderingh van de gemelte Hottentoos, dat soo fellen beest met een schoot soo strack ter neder gevelt wierd, ende ingevolge oock tot niet minder verschrickinge ende vreese voor ons schietgeweer.

8 Januario, Ao1655.—Fray weer ende wint als voren. Quam ons een van de soutgarders aendienen, dat sij in de soutpannen een renocheros hadden geschoten, die noch levendigh was ende soo diep in de modder van de soutpannen gesoncken lagh, datter niet coste uytcomen; derhalven wij uyt curieusheydt eens derwaerts (omtrent 4 à 5 mijlen van hier) gingen om te sien, daer hem noch levendigh vonden, ende voorts lieten doot schieten: maer in gevalle op harde grond had geweest souden hem weynich of niet hebben cunnen schaden met schieten, alsoo meer als honderd schoten had eer hem doot cregen, stuytende veele cogels op ’t lijff weder aff, principalijck op sijn sijde, daer wij met bijlen een stuck lieten uithouwen ende[89]alsdoen tusschen de ribben in ’t ingewant schoten ende alsoo doot cregen4.

Junius, Ao1655.—Primo do. ’s Morgens goet weer ende wint Westelijck. Verleden nacht hadde weder een lupert5in ’t hoenderhuys geweest, door versuym van den hoenderwachter, welcke ’t gat onder aen de deur, daer de hoenders uyt- en ingaen, hadde open gelaten, sulcx dat denselven weder 3 van onse 5 gansen (door d’ Heer van Goens6ons om aen te telen gegeven) hadde doot gebeten.

Omme welcken lupert te dooden off te vangen, den stalknecht ende sieckenvaer7(onder een dack, doch met rijs gevlochten muyren affgeschoten, wonende, soo wel de paerden als oock de siecken) haer in voorsz. hoenderhuys hadden begeven, ende nadat den sieckenvaer (een seer stout persoon wesende) op den lupert had geschoten ende denselven eenighsints gequetst, was hij op hem gesprongen ende eenige claeuwen in ’t hoofft slaende, oock sodanigh in den arm gebeten, dat genootsaecht was den lupert los te laten, die oock den gemelten stalknecht eenigsints in ’t hoofft gequest had, doch sonderlingh niet te beduyden. Maer den sieckenvaer, voor desen meermael mette luperts in voorsz.[90]gelegentheyt doende ende gequest hebbende geweest, was lustigh principael in den arm getroffen.

Een bijsondere saeck wierde gesien aen onse koebeesten in ’t crael, daer voorsz. hoender, paerden ende sieckenhuys staet. Deselve den gemelten lupert in ’t verhaelde hoenderhuys vernemende, hadden haer altemalen, dight op een getropt ende de horens na de deur toe, in een halve mane gestelt, sulcx den lupert genoegh te doen had om hem uytter koebeesten hoorns te redden ende ontvluchten, hoewel deselve beesten (na onse opinie) met haer bukken genoeghsaem hare vreese voor dat wilt gedierte te kennen gaven. Ende heefft ons dickwijls gebleecken, dat de luperts, leeuwen off tijgers, geen quaet aen de koebeesten hebben cunnen doen, dewelcke haer oock somtijts in ’t ronde hebben gestelt, ende de kalven alsoo achter in haren gemaeckten cirkel sodanigh bewaert, datter noyt imant van ’t wilt gedierte heefft cunnen ontrooft worden, ’twelcke somtijts seer speculatyff om sien is geweest.

16 Juny, 1656.—Desen morgen door den stalknecht de paerden wat vroegh uytgelaeten sijnde om te weyen, is een van deselve (den cloecksten henghst) van ’t wild gedierte totaliter verscheurt geworden, waerby wy al groote incommodatie comen te lijden, vermits den grooten dienst die deselve elck voor sijn hoofft meer als voor 10 man cunnen doen in ’t ploegh trecken, cley, steen ende timmerhoudt halen uyt ’t bos, als andersints. Schijnt in ’t natte saysoen ’t wilt gedierte hier omtrent principaelst te regneren, ende dierhalven al[91]stercker ende hechter stalling voor de paerden moeten maken om voor dat wilt gediert bewaert te mogen wesen.

Omtrent halff voormiddagh den Commandeur wandelende in de thuynen, bevond deselve over al door wiltspoor dapper betreden, ende weynigh daer nae, niet boven 40 a 50 treden schuyns voor hem even buyten de thuynen, een wackeren leeuw opspringen ende sijn loop (maer al sachiens) naden Taeffelbergh nemen; derhalven hem door den sergiant ende wiltschut, neffens noch 4 a 5 andre soldaten met snaphanen liet vervolgen, waerop oock datelijck wel omtrent een paer hondert Hottentoos met al haer schapen ende koebeesten denselven oock naedreven ende tegen ’t hangen van den Taeffelbergh in een diepe clooff sulcx besetteden, dat hij nergens als voorwarts door de schapen moest breecken, welcke de Hottentoos gestelt hadden als haer borstweer recht voor den leeuw daer hij onder een struyck verholen lagh, ende bleven sij staen buyten de schapen tusschen deselve ende haer koebeesten. Als den leeuw dan sigh bloot gaff ende al brullende wilde uytbreecken ende na een schaep grijpen, schoten sij met haer hasegayen telckens over de schapen na hem toe met een groot gebaar van schreeuwen, daer over den leeuw dan weder terugh deynsde, seer speculatyff om siende, doch dewijle deselve hem niet wel costen raecken, soo deed voor eerst den sergiant (beneffens onse wilt-schut ende andre daer omtrent 8 a 10 treden mede dicht bij de leeuw weesende) een mis- ende den wiltschut een treffelijcke wisschut met 3 kogels[92]recht in sijn hoofft, dat hij datelijck doot ter neder viel, als wanneer de Hottentoos lustige mannen schenen ende hen met de hasegayen sochten voorts hondert steecken nae sijn doot te geven, doch wiert haer, na dat noch al 3 a 4 haysegayen in ’t lijff gecreegen had, belet, om ’t vel niet te schennen ende fray op gevult inde groote sael (tot de kerck g’approprieert) op te hangen, ten welcken eynde met een kar thuys gebracht ende aldaer gewoogen sijnde, bevonden wiert swaer te sijn 426 ponden hollants8, langh behalven den staert (die 3½ voet rijnlants9langh was) 5½, ende bij de billen ofte over ’t lijff hoogh op sijn voeten staende 3½ idem voeten, sulx wel soo cloeck was als een gemeen Engels of Javaens paertie. Opgesneeden sijnde wierd in den maegh bevonden noch veel van ’t paerdenvleys, dat desen nacht verscheurt hadt, ende eenige egelverckenspennen ende poten etc.

17 dito, is op dato, ten aensien het wilt gediert aen Compagnies vee dus veel schade doet, bij resolutie goetgevonden tot premie te stellen, voor een leeuw, die gevangen oft geschoten wordt 6, een tijger oft wolff 4, ende een lupert 3 realen van 810, sijnde den wiltschut voor eerst betaelt 2 cannen spaense wijn, 3 lb. tabacq ende 2 realen van 8. Alsoo bevonden is, dat nu de romp van voorsz.[93]leeuw buyten voor de poort van ’t hoorenwerck11leggende, den verleden nacht ’t wijffien was comen ruycken ende soecken, mitsgaders daervan oock had gegeten, wierdt er desen nacht verholen wacht omtrent gehouden, om ’t selve mogelijck sijnde oock te attrapperen, maer is niet weder vernoomen.

17 April, 1658.—Is begonnen ordre te stellen op het schoolhouden voor de Angoolse compagnies-slaven ende slavinnen, per Amersfoort uyt de Portugese prijs gecomen12, welcq school te houden des morgens ende ’s namiddags, den sieckentrooster Pieter van der Stael13van Rotterdam, beneffens sijn cranckbesoeckersbedieninge is opgeleyt, te meer dewijl seer goet ende prompt in ’t lesen is van recht Hollants Nederduyts, ende omme de gemelte slaven te beter tot het school ende hooren oft leeren van de cristelijcke gebeden te animeren, is mede belast na ’t eyndigen elcq een croessjen brandewijn ende 2 duym tabacq te geven etc, alsoocq alle hare namen aengeteyckent, ende die geen hadden, namen gegeven, soowel gepaerde als ongepaerde, jongh ende oudt, alles in ’t bijwesen van den Commandeur, welcke sigh daervoor[94]eenige dagen sal laten bijvinden, omme alles terdegen in ordre ende dat volcq onder de behoorlijcke dissipline te brengen, waertoe ’t begin sigh redelijcq schijnt te verthoonen. Wordende oock elcq na behooren gecleedt voor de coude, die nu dagelijcx begint aen te comen, alsoocq de cloeckste hier ende daer aen ’t wercq gestelt, omme soo haer doenlijck van deselve dienst te mogen trecken.

5 May, 1660.Ende quam tegen den avont den oversten van de Gorachouquas14, Choro genaempt, met een gevolgh wel van 100 man noch aen ’t fort, daeronder meest al sijn oudsten ende principaelsten, medebrengende 13 redelijcke oudt en jonge koebeesten tot vereeringe, met versoeck die in teycken van sijn aanbiedende vrundschap wilden aennemen.….

Hemelsvaertsdaghden 6 dito is des morgen voor de predicatie, den gemelten oversten der Gorachouquas ende gevolgh met wedervereeringen van coper, cralen, tabacq ende pijpen begifticht, wel de dubbelde waerde van de voorsz. koebeesten, ende na de predicatie oock getracteert wordende met[95]eeten ende drincken, mitsgaders de baly met aracq ende brandewijn ondereen gemengt, midden in ’t pleyn van ’t fort, open gestelt sijnde met een locjen15daerin, soopen dit volcq soo droncken ende vol, datter de seltsaemste cuyren van de werelt aengesien wierden, soo met singen, dansen, springen ende meer andre vreemde continantien, vallende nu den eenen, dan den anderen van dronckenschap onder de voet, welcke dan van die nogh wat schappelijck waren, opgenomen, buyten ’t fort gedragen ende aldaer in ’t gras te slapen geleyt wierden, behalven den voorsz. oversten, die hem redelijck schappelijck hielt ende sigh niet boven halff vol en dronck, neffens drie a 4 van sijn oudsten, dogh eenige van die schenen haer echter niet te cunnen onthouden mede te danssen, ende de wijven clapten soo hard in de handen, dat men ’t wel 150 roeden buyten ’t fort hooren conde, sulcx dat sij schenen op haer maniere een heel vreedens triumph ende vreughde te houden16.[96]

30 September, 1660.’s Namiddags quam den oppersten ofte coningh van de Chainouquas, genaempt Sousoa17, selffs met sijn soons vrouw op een grooten os sittende ende geleyt wordende door een van de ruyterwachters, binnen ’t fort gereden, daer sij door een van sijn volcq op de schouderen affgeholpen wierd, medebrengende 33 stucx oude en jonge koebeesten, die altemaelen voor coraelen, ende 15 schapen, welcke voor coper, tabacq ende pijpen ingeruylt sijn, mitsgaders voorsz. Sousoa ende volcq vrij goede cier aangedaen, seggende dat hem sijn volcq geseght hadde, den Commandeur sijn zoon voor broeder ende hem voor vader wilde aannemen, ende dat hij derhalven daerom sijn nieuwen soon eens quam besoecken ende besien wat het voor een man was etc., waerop na vereysch g’antwoort wierd ende over ende weder presentie gedaen, van onveranderlijcke ende altijtduyrende vruntschap te onderhouden, seggende: ten dien eynde noch nader wilde affcomen, opdat men den anderen te beter over ende weder souden cunnen bereyssen om coopmanschap te drijven, daer hij hem soo ’t scheen seer genegen toe thoonde,[97]werdende derhalven met kaes, vers broot ende suycker in een tinne schotel getracteert, ende op een matjen in des Commandeurs camer met voorsz. smeerige princesse (sijn soons vrouw) te sitten geset, sulcx noch noyt ymandt gedaen is, item oock eens op de claversingal gespeelt, alle ’t welcke hem wonderlijck aengenaem scheen, mitsgaders ’t bier, Spaens ende France wijn seer wel smaeckten, doch sooveel niet na sigh nam dat beschoncken wierd, werdende sijn volcq op de voorsael met hart broot ende brandewijn soodanigh getracteert, dat se lustigh songen ende sprongen ende wonderlijcke aperijen aenrechteden.

Voorsz. Sousoa ende soons vrouw de huysingen onder ende boven hebbende laeten besien, ende gevraeght oft er wel volcq in ’t landt woonden die mede sulcke huysen hadden, antwoordt: jae, maer wat op ander maniere ende oock vast woonende,—wijsende naer den ringh aen des Commandeurs vinger, dat die luyden oock sulcq gout hadden, ende wijders aen ’t eynd van sijn eygen pingh, hoe groote ende cleyne witte blinckende gesteenten hij bij deselve gesien hadden, waerop hem France ende fijne gesteente, soo diamant als robijn ende ander coleur, item mede paerlkettingen etc. verthoont wordende, seyde, dat noyt anders gesien oft vernomen hadde als gout ende witte steenen, wijsende op diamanten, ende dat hy met dat volcq genaempt Chobona oft Choboqua18goede kennisse[98]had, oock wel sijn best doen wilde ymant van deselve herwaerts te crijgen, om de waerheyt aen ons te verthoonen etc. Ende alsoo seecker groot volcq (mede Hottentoos als hij) hem om syn macht seer jalours waren, ende daerom alle mogelicke affbreuck allomme sochten aen te doen, dat nu noch meer soude geschieden om hem den ommegangh met ons te becommeren; soo vraegde hij, off men hem tegen sijne vijanden, als se hem quaemen overlastigen, wel souden cunnen goetvinden met soldaten te adsisteren, waerop g’antwoord wierd, indien hy raedt wist ons van bestiael genoegsaem te voorsien ende te maken dat de Chobonas met haer gout ende gesteenten tot ons affquaemen, jae, mits het oocq geen van onse g’allieerde hieromtrent ende voornaementlijcq de Cochoquas19en waeren, met wiens oversten Oedasoa19wij vruntschap besproocken hadden etc.[99]

Hy gaft tot antwoort: voorsz. sijne vijanden waren andre, ende versocht de gemelte assistentie tegens deselve niet, als met meeninge om eerst blijcq van sijn seggen te thonen; den Commandeur wist noch niet wat hy voor een man was, maer den tijt soude het hem doen openbaeren, willende met sijn principael leger in ’t Hottentoos Hollandt 1½ daghreyssens van hier comen woonen, om dagelijcq met den anderen verder te cunnen spreecken, ende sijne andere troppen ende volcq maer hier ende daer na gewoonte in vliegende legers laten heen ende weer gaan, met meer andere redenen die niet vreempt scheenen.

Den 1 October quamen noch eenige van Sousoas volcq met 10 beesten na, die mede voor coraelen gereuylt wierden ende 5 schapen voor coper, welcke schapen, vermits ’t coper, jegenwoordigh yder wel sooveel costen als drie beesten, die, voor coraelen gereuylt wordende, jegenwoordigh niet boven de 9 a 10 stuyvers ’t stuck comen te staen, eenlijcq beswaert het tractement van eeten en drincken wat voor sooveel volcq, daer se telckens mede affcomen.

Den 2 dito, voorsz. Sousoa met sijn soons vrouw ende volcq sigh gereet maeckende om te vertrecken, is denselven voor hem en dito vrouw, alsoocq sijn broeder ende een ander soon mede bij hem sijnde[100]met navolgende considerabel schenckagie vereert, te weten:

42lb. geele ende}coper,8lb. root6dosijn coraelen ende france silver kettingkens,3paer france steene breseletten,4lb. tabacq,4lb. root corael,9stucx ijsere hoepen20,17lb. staffijser,2bijlen,3drijffijsers,7mingelen21brandewijn,2spiegeltjes, ende wel100lb. hart broot,

alle hetwelcke, hem ende dese drie dagen genoten tractementen seer wel behaegende, scheyde met een bijsonder goet genoegen, latende syn soons vrouw op een witten bonten os setten, ende hij, des vissers huys gepasseert sijnde, gingh op een roden os sitten, hebbende tusschen ’t fort ende daer, met Eva te voet gaende, van veel saecken gesproocken, ende haer ’t volgende gerecommandeert den Commandeur te seggen, namentlijck:

Dat als den Commandeur den tijt maer wilde verbeijden, wel soude mercken, dat hij de man was, die hem coste contentement doen, doch dat versocht mochte worden, ’t gene de Choboquas voor haer gout ende gesteenten begeeren, door sijn handt[101]mocht passeren, om by haer soowel als ons voor principael oorsaecq van die negotie etc. erkent te worden, hebbende rede door ’t landt al sijn volcq vrije toegangh ende de wegh open gestelt, ende consent te geven om tot ons te mogen comen handelen etc.

Voorsz. bonten os, daer sijn soons vrouw op sat, was mede ingereuylt ende, om sijn gecregen goet te beter te dragen, hem op sijn versoeck geleendt, die hij beloofde by d’ eerste gelegenheyt met meer beestiael wederom te senden.

Sondaghden 3 dito quamen even na de predicatie weder 13 a 14 persoonen van de Chainouquas, met 27 stucx schoone beesten, waervan 24 voor coraelen ende drie neffens 6 schapen voor coper ende tabacq ingeruylt wierden, hebbende dese luyden in ’t herwaerts comen haren coninck Sousoa gemist ende geseght, datter morgen noch meer volcq van de haere met bestiael souden hier comen, als leggende rede in ’t Hottentoos Hollandt gelegert, daer doorgaens hun loos rendezvous22meenen te houden, tot sigh Sousoa daer sal vast gelegert hebben.

Dit wil een wackere knip op onse buyren haer neus wesen, vermits dese plaetse altijt haer beste weyden sijn geweest, hebbende, sedert Sousoa hier geweest is, sigh niet een Caepman noch Saldanhars oft ymandt derven verthoonen, ende de Strantlopers (hier altijt omtrent woonende) oocq niet derven hun ergens bijvougen, sulcx het schijnt desen Sousoa al vrij ontsien moet wesen.[103]

1In extenso, volgens die oorspronklike teks, maar nie volledig nie (April 1652 tot end 1658) in dieZuid-Afrikaansch Tijdschrift, jaargange 1824 tot 1840; in extenso, volgens die oorspronklike teks en volledig van Desember 1651 tot Mei 1662, deur wyle prof. W. G. Brill inWerken van het Historisch Genootschap van Utrecht, Nieuwe Serie, Nos. 39 (1884), 58 (1892), 59 (1893); ook ’n deels saamgevatte, deels vertaalde uitgawe in die Engelse taal deur wyle ds. H. C. V. Leibbrandt, onder die tietel vanVan Riebeeck’s Journal, in diePrecis of the Archives-serie, 3 dele, Kaapstad, 1897.↑2’n Verkorte uitgawe in Engels van party daarvan vind ons in die reeds genoemdePrecis of the Archivesvan ds. Leibbrandt, waar benewens Van Riebeeck se dagverhaal ook die joernaal van 1662–70 (1901), dié van 1671, 1674 en 1676 (1902) en dié van 1699–1732 in voorkom.↑3Van Riebeeck was toe al byna drie weke aan die Kaap, maar het tot dan toe met sy famielie aan boord van dieDrommedarisgebly. Die timmerhout was by vergissing onder in die skip gelaai, sodat dit ’n hele tyd geduur het voor ’n voorlopige houtloods kon opgetrek word vir die kommandeur en huisgesin om in te woon. (Sien dr. E. C.Godée-Molsbergen,Jan van Riebeeck, Amsterdam, 1912, bls. 82.)↑4Johan Nieuhof in syZee- en lantreize door Oost-Indien(Amsterdam, 1682) verhaal ook hierdie anekdote en voeg daarby: „De Horen wort noch aen de Kaep in het fort bewaert en daer uit bijwijle de gesontheit gedronken.” (bls. 7).↑5Luipaard, of tier.↑6Rijckloff van Goens, die ouere, Ekstra-ordinaris Raad en later (1678) goewerneur-generaal van Indië.↑7Die sieketrooster Willem Barentz. Wijlant.↑8Die gewig van die ou-Hollandse pond was 494 gram as teenoor 453.6 gram vir ’n moderne Engelse pond.↑9Iets groter as die Engelse voet; die Rynlandse of Suid-Hollandse voet = 0.314 meter, die Engelse voet = 0.305 meter.↑10Reaal= ’n Spaanse silwermunt wat ook koers gehad het in die gebied van die O.I.K.; die waarde van hierdie reaal is gereken op 8 skellings of 48 stuiwers.↑11Die Hoornwerk was ’n buitewerk by die ingang van die fort, wat uit twee halwe bastions of bolwerke bestaan het. Sien planne van Van Riebeeck se fort, blss. 90 en 122 van Godée-Molsbergen,Jan van Riebeeck.↑12Hierdie slawe (166 in getal) was ’n maand tevore aan die Kaap aan land gesit deur die KompanjieskipAmersfoort. Die bemanning het hulle buit gemaak op ’n Portugese slaweskip wat hulle op die kus van Angola ingeruil het. Dit was die eerste aansienlike klomp slawe wat aan die Kaan ingevoer is.↑13Swaer van Van Riebeeck en opvolger van Wijlant, wat in 1656 na Batawië oorgeplaas is.↑14DieGorachouquas, of Tabakdiewe, soos die Hollanders hulle genoem het, (onder kaptein Choro) was saam met dieGoringhaiquas, of Saldanhars, of Kaapmans (onder kaptein Gogosoa, „de vette kaptein”) die vernaamste Hottentot-stamme wat hulle in die onmiddellike omgewing van die Fort en in die Kaapse Skiereiland opgehou het. Daar was ook nog dieGoringhaikonas, of Strandlopers, of Watermans, (onder „kaptein” Autohoemao, of Herry), maar hulle was maar ’n armoedige, onaansienlike klompie van omtrent vyftig siele.—Die besoek van Choro, hoof van die Gorachouquas, en van Soesoa, hoof van die Chainouquas, wat toe nog ten noorde van die Bergrivier rondgeswerf het, vind plaas ná die beëindiging van die eerste Hottentot-oorlog (1659–60) en die vredesluiting in April 1660.↑15Lokje, ofmokje= ’n bekertjie. Dapper (Naukeurige Beschryvinge der Afrikaensche Gewesten, Amsterdam, 1660, bls. 630) spreek in verband met hierdie episode van „een gansche Baly vol brandewijn met een houte kopje daar in.”↑16Dapper (op. cit., t.a.p.) gee die volgende aanvullende besonderhede, wat aan skilderagtigheid vir dié van Van Riebeeck seker nie moet onderdoen nie: „Wanneer den mannen het hooft begon te draien en de benen te waggelen, dikwils met vallen ter neder op d’ aerde, wierden ’er omtrent twee of drie-hondert stukjes tabaks, elk van een duim breet, bij handen vol te grabbel gesmeten, waer op onder hen zulk een groot getier en geschreeu ontstont, datze het gehoor bijna verdoofden en het geluit den ooren naulix verdraghelijk was; desgelijx bedreven zij geen minder gewelt wanneer daer na het zelffte met broot gedaen wiert. Na het eindigen van al deze grabbelingen, ging het bij hen, wanneer zij gansch[96]vol gedronken, en de hersenen met den wijn bestoven waeren, geduurigh op een danzen en springen, met zonderlinge grepen en op een vreemde wijze, bijna even eens gelijk de bakkers hier te lande hun deegh met de voeten in den troch bewerken, te weten al stampend nu met d’ een en dan met d’ andere voet, met uitstekende billen en het hooft al hangende geduurigh na d’ aerde, op een zelve zijde. Geen minder vrolyckheit bedreven de vrouwen geduurende het dansen der mannen, met klappen in de handen en geduurigh een zang vanha, ho, ho, ho, wel twee uuren aen den anderen te zingen.”↑17Soesoa was toe al baie oud, en sy seun Goeboe het feitlik in sy plaas regeer.↑18Die Chobona, of Choboqua, of Cabuners, ’n „swaerte natie” (Kaffers), wat veronderstel is die inwoners te wees van die fabelagtige ryk van Monomotapa „van waar de[98]Portugeesen in Mosambicque al haer gout crijgen” (Van Riebeeck seDagverhaal, Deel 3, Uitg.Historisch Genootschap van Utrecht, No. 59, bls. 447). Ses weke later sal Van Riebeeck ’n landtog uitstuur onder adelbors Jan Danckaert (12 November 1660–20 Januarie 1661) met die spesiale opdrag om die pad na die goudland te verken en handelsbetrekkinge met die „Monomotapers” aan te knoop en also o.a. die Portugese die voet dwars te sit: „Ende is oocq ’t gevoelen vastelijcq, dat de natie vermits der Portugeese heerse regeringe, tot onsen vredigen ommegangh wel genegen gevonden sullen worden” (Van Riebeeck seDagverhaal, t.a.p.). Die tog het op ’n totale mislukking uitgeloop; veel verder as die Olinfantsrivier het die reisigers nie gekom nie.↑19Die Cochoquas, of die Rechte Saldanhars, soos dieDagverhaalhulle dikwels noem, het toe hulle krale gehad in die buurt van Saldanhabaai. Hulle was verdeel in twee groepe—die een onder die byna honderdjarige Oedasoa,[99]aan die benedeloop van die Bergrivier, en die ander onder Gonnema aan die Klein-Bergrivier. Oedasoa was kaptein oor die talrykste trop en is beskou as die „opperheer” oor al die Cochoquas.↑ab20Hoepen= gladde ringe.↑21’nMingel, ofmengel, ’n ou-Hollandse inhoudsmaet = 1.21 lieter.↑22Vergaderplek.↑

1In extenso, volgens die oorspronklike teks, maar nie volledig nie (April 1652 tot end 1658) in dieZuid-Afrikaansch Tijdschrift, jaargange 1824 tot 1840; in extenso, volgens die oorspronklike teks en volledig van Desember 1651 tot Mei 1662, deur wyle prof. W. G. Brill inWerken van het Historisch Genootschap van Utrecht, Nieuwe Serie, Nos. 39 (1884), 58 (1892), 59 (1893); ook ’n deels saamgevatte, deels vertaalde uitgawe in die Engelse taal deur wyle ds. H. C. V. Leibbrandt, onder die tietel vanVan Riebeeck’s Journal, in diePrecis of the Archives-serie, 3 dele, Kaapstad, 1897.↑2’n Verkorte uitgawe in Engels van party daarvan vind ons in die reeds genoemdePrecis of the Archivesvan ds. Leibbrandt, waar benewens Van Riebeeck se dagverhaal ook die joernaal van 1662–70 (1901), dié van 1671, 1674 en 1676 (1902) en dié van 1699–1732 in voorkom.↑3Van Riebeeck was toe al byna drie weke aan die Kaap, maar het tot dan toe met sy famielie aan boord van dieDrommedarisgebly. Die timmerhout was by vergissing onder in die skip gelaai, sodat dit ’n hele tyd geduur het voor ’n voorlopige houtloods kon opgetrek word vir die kommandeur en huisgesin om in te woon. (Sien dr. E. C.Godée-Molsbergen,Jan van Riebeeck, Amsterdam, 1912, bls. 82.)↑4Johan Nieuhof in syZee- en lantreize door Oost-Indien(Amsterdam, 1682) verhaal ook hierdie anekdote en voeg daarby: „De Horen wort noch aen de Kaep in het fort bewaert en daer uit bijwijle de gesontheit gedronken.” (bls. 7).↑5Luipaard, of tier.↑6Rijckloff van Goens, die ouere, Ekstra-ordinaris Raad en later (1678) goewerneur-generaal van Indië.↑7Die sieketrooster Willem Barentz. Wijlant.↑8Die gewig van die ou-Hollandse pond was 494 gram as teenoor 453.6 gram vir ’n moderne Engelse pond.↑9Iets groter as die Engelse voet; die Rynlandse of Suid-Hollandse voet = 0.314 meter, die Engelse voet = 0.305 meter.↑10Reaal= ’n Spaanse silwermunt wat ook koers gehad het in die gebied van die O.I.K.; die waarde van hierdie reaal is gereken op 8 skellings of 48 stuiwers.↑11Die Hoornwerk was ’n buitewerk by die ingang van die fort, wat uit twee halwe bastions of bolwerke bestaan het. Sien planne van Van Riebeeck se fort, blss. 90 en 122 van Godée-Molsbergen,Jan van Riebeeck.↑12Hierdie slawe (166 in getal) was ’n maand tevore aan die Kaap aan land gesit deur die KompanjieskipAmersfoort. Die bemanning het hulle buit gemaak op ’n Portugese slaweskip wat hulle op die kus van Angola ingeruil het. Dit was die eerste aansienlike klomp slawe wat aan die Kaan ingevoer is.↑13Swaer van Van Riebeeck en opvolger van Wijlant, wat in 1656 na Batawië oorgeplaas is.↑14DieGorachouquas, of Tabakdiewe, soos die Hollanders hulle genoem het, (onder kaptein Choro) was saam met dieGoringhaiquas, of Saldanhars, of Kaapmans (onder kaptein Gogosoa, „de vette kaptein”) die vernaamste Hottentot-stamme wat hulle in die onmiddellike omgewing van die Fort en in die Kaapse Skiereiland opgehou het. Daar was ook nog dieGoringhaikonas, of Strandlopers, of Watermans, (onder „kaptein” Autohoemao, of Herry), maar hulle was maar ’n armoedige, onaansienlike klompie van omtrent vyftig siele.—Die besoek van Choro, hoof van die Gorachouquas, en van Soesoa, hoof van die Chainouquas, wat toe nog ten noorde van die Bergrivier rondgeswerf het, vind plaas ná die beëindiging van die eerste Hottentot-oorlog (1659–60) en die vredesluiting in April 1660.↑15Lokje, ofmokje= ’n bekertjie. Dapper (Naukeurige Beschryvinge der Afrikaensche Gewesten, Amsterdam, 1660, bls. 630) spreek in verband met hierdie episode van „een gansche Baly vol brandewijn met een houte kopje daar in.”↑16Dapper (op. cit., t.a.p.) gee die volgende aanvullende besonderhede, wat aan skilderagtigheid vir dié van Van Riebeeck seker nie moet onderdoen nie: „Wanneer den mannen het hooft begon te draien en de benen te waggelen, dikwils met vallen ter neder op d’ aerde, wierden ’er omtrent twee of drie-hondert stukjes tabaks, elk van een duim breet, bij handen vol te grabbel gesmeten, waer op onder hen zulk een groot getier en geschreeu ontstont, datze het gehoor bijna verdoofden en het geluit den ooren naulix verdraghelijk was; desgelijx bedreven zij geen minder gewelt wanneer daer na het zelffte met broot gedaen wiert. Na het eindigen van al deze grabbelingen, ging het bij hen, wanneer zij gansch[96]vol gedronken, en de hersenen met den wijn bestoven waeren, geduurigh op een danzen en springen, met zonderlinge grepen en op een vreemde wijze, bijna even eens gelijk de bakkers hier te lande hun deegh met de voeten in den troch bewerken, te weten al stampend nu met d’ een en dan met d’ andere voet, met uitstekende billen en het hooft al hangende geduurigh na d’ aerde, op een zelve zijde. Geen minder vrolyckheit bedreven de vrouwen geduurende het dansen der mannen, met klappen in de handen en geduurigh een zang vanha, ho, ho, ho, wel twee uuren aen den anderen te zingen.”↑17Soesoa was toe al baie oud, en sy seun Goeboe het feitlik in sy plaas regeer.↑18Die Chobona, of Choboqua, of Cabuners, ’n „swaerte natie” (Kaffers), wat veronderstel is die inwoners te wees van die fabelagtige ryk van Monomotapa „van waar de[98]Portugeesen in Mosambicque al haer gout crijgen” (Van Riebeeck seDagverhaal, Deel 3, Uitg.Historisch Genootschap van Utrecht, No. 59, bls. 447). Ses weke later sal Van Riebeeck ’n landtog uitstuur onder adelbors Jan Danckaert (12 November 1660–20 Januarie 1661) met die spesiale opdrag om die pad na die goudland te verken en handelsbetrekkinge met die „Monomotapers” aan te knoop en also o.a. die Portugese die voet dwars te sit: „Ende is oocq ’t gevoelen vastelijcq, dat de natie vermits der Portugeese heerse regeringe, tot onsen vredigen ommegangh wel genegen gevonden sullen worden” (Van Riebeeck seDagverhaal, t.a.p.). Die tog het op ’n totale mislukking uitgeloop; veel verder as die Olinfantsrivier het die reisigers nie gekom nie.↑19Die Cochoquas, of die Rechte Saldanhars, soos dieDagverhaalhulle dikwels noem, het toe hulle krale gehad in die buurt van Saldanhabaai. Hulle was verdeel in twee groepe—die een onder die byna honderdjarige Oedasoa,[99]aan die benedeloop van die Bergrivier, en die ander onder Gonnema aan die Klein-Bergrivier. Oedasoa was kaptein oor die talrykste trop en is beskou as die „opperheer” oor al die Cochoquas.↑ab20Hoepen= gladde ringe.↑21’nMingel, ofmengel, ’n ou-Hollandse inhoudsmaet = 1.21 lieter.↑22Vergaderplek.↑

1In extenso, volgens die oorspronklike teks, maar nie volledig nie (April 1652 tot end 1658) in dieZuid-Afrikaansch Tijdschrift, jaargange 1824 tot 1840; in extenso, volgens die oorspronklike teks en volledig van Desember 1651 tot Mei 1662, deur wyle prof. W. G. Brill inWerken van het Historisch Genootschap van Utrecht, Nieuwe Serie, Nos. 39 (1884), 58 (1892), 59 (1893); ook ’n deels saamgevatte, deels vertaalde uitgawe in die Engelse taal deur wyle ds. H. C. V. Leibbrandt, onder die tietel vanVan Riebeeck’s Journal, in diePrecis of the Archives-serie, 3 dele, Kaapstad, 1897.↑

1In extenso, volgens die oorspronklike teks, maar nie volledig nie (April 1652 tot end 1658) in dieZuid-Afrikaansch Tijdschrift, jaargange 1824 tot 1840; in extenso, volgens die oorspronklike teks en volledig van Desember 1651 tot Mei 1662, deur wyle prof. W. G. Brill inWerken van het Historisch Genootschap van Utrecht, Nieuwe Serie, Nos. 39 (1884), 58 (1892), 59 (1893); ook ’n deels saamgevatte, deels vertaalde uitgawe in die Engelse taal deur wyle ds. H. C. V. Leibbrandt, onder die tietel vanVan Riebeeck’s Journal, in diePrecis of the Archives-serie, 3 dele, Kaapstad, 1897.↑

2’n Verkorte uitgawe in Engels van party daarvan vind ons in die reeds genoemdePrecis of the Archivesvan ds. Leibbrandt, waar benewens Van Riebeeck se dagverhaal ook die joernaal van 1662–70 (1901), dié van 1671, 1674 en 1676 (1902) en dié van 1699–1732 in voorkom.↑

2’n Verkorte uitgawe in Engels van party daarvan vind ons in die reeds genoemdePrecis of the Archivesvan ds. Leibbrandt, waar benewens Van Riebeeck se dagverhaal ook die joernaal van 1662–70 (1901), dié van 1671, 1674 en 1676 (1902) en dié van 1699–1732 in voorkom.↑

3Van Riebeeck was toe al byna drie weke aan die Kaap, maar het tot dan toe met sy famielie aan boord van dieDrommedarisgebly. Die timmerhout was by vergissing onder in die skip gelaai, sodat dit ’n hele tyd geduur het voor ’n voorlopige houtloods kon opgetrek word vir die kommandeur en huisgesin om in te woon. (Sien dr. E. C.Godée-Molsbergen,Jan van Riebeeck, Amsterdam, 1912, bls. 82.)↑

3Van Riebeeck was toe al byna drie weke aan die Kaap, maar het tot dan toe met sy famielie aan boord van dieDrommedarisgebly. Die timmerhout was by vergissing onder in die skip gelaai, sodat dit ’n hele tyd geduur het voor ’n voorlopige houtloods kon opgetrek word vir die kommandeur en huisgesin om in te woon. (Sien dr. E. C.Godée-Molsbergen,Jan van Riebeeck, Amsterdam, 1912, bls. 82.)↑

4Johan Nieuhof in syZee- en lantreize door Oost-Indien(Amsterdam, 1682) verhaal ook hierdie anekdote en voeg daarby: „De Horen wort noch aen de Kaep in het fort bewaert en daer uit bijwijle de gesontheit gedronken.” (bls. 7).↑

4Johan Nieuhof in syZee- en lantreize door Oost-Indien(Amsterdam, 1682) verhaal ook hierdie anekdote en voeg daarby: „De Horen wort noch aen de Kaep in het fort bewaert en daer uit bijwijle de gesontheit gedronken.” (bls. 7).↑

5Luipaard, of tier.↑

5Luipaard, of tier.↑

6Rijckloff van Goens, die ouere, Ekstra-ordinaris Raad en later (1678) goewerneur-generaal van Indië.↑

6Rijckloff van Goens, die ouere, Ekstra-ordinaris Raad en later (1678) goewerneur-generaal van Indië.↑

7Die sieketrooster Willem Barentz. Wijlant.↑

7Die sieketrooster Willem Barentz. Wijlant.↑

8Die gewig van die ou-Hollandse pond was 494 gram as teenoor 453.6 gram vir ’n moderne Engelse pond.↑

8Die gewig van die ou-Hollandse pond was 494 gram as teenoor 453.6 gram vir ’n moderne Engelse pond.↑

9Iets groter as die Engelse voet; die Rynlandse of Suid-Hollandse voet = 0.314 meter, die Engelse voet = 0.305 meter.↑

9Iets groter as die Engelse voet; die Rynlandse of Suid-Hollandse voet = 0.314 meter, die Engelse voet = 0.305 meter.↑

10Reaal= ’n Spaanse silwermunt wat ook koers gehad het in die gebied van die O.I.K.; die waarde van hierdie reaal is gereken op 8 skellings of 48 stuiwers.↑

10Reaal= ’n Spaanse silwermunt wat ook koers gehad het in die gebied van die O.I.K.; die waarde van hierdie reaal is gereken op 8 skellings of 48 stuiwers.↑

11Die Hoornwerk was ’n buitewerk by die ingang van die fort, wat uit twee halwe bastions of bolwerke bestaan het. Sien planne van Van Riebeeck se fort, blss. 90 en 122 van Godée-Molsbergen,Jan van Riebeeck.↑

11Die Hoornwerk was ’n buitewerk by die ingang van die fort, wat uit twee halwe bastions of bolwerke bestaan het. Sien planne van Van Riebeeck se fort, blss. 90 en 122 van Godée-Molsbergen,Jan van Riebeeck.↑

12Hierdie slawe (166 in getal) was ’n maand tevore aan die Kaap aan land gesit deur die KompanjieskipAmersfoort. Die bemanning het hulle buit gemaak op ’n Portugese slaweskip wat hulle op die kus van Angola ingeruil het. Dit was die eerste aansienlike klomp slawe wat aan die Kaan ingevoer is.↑

12Hierdie slawe (166 in getal) was ’n maand tevore aan die Kaap aan land gesit deur die KompanjieskipAmersfoort. Die bemanning het hulle buit gemaak op ’n Portugese slaweskip wat hulle op die kus van Angola ingeruil het. Dit was die eerste aansienlike klomp slawe wat aan die Kaan ingevoer is.↑

13Swaer van Van Riebeeck en opvolger van Wijlant, wat in 1656 na Batawië oorgeplaas is.↑

13Swaer van Van Riebeeck en opvolger van Wijlant, wat in 1656 na Batawië oorgeplaas is.↑

14DieGorachouquas, of Tabakdiewe, soos die Hollanders hulle genoem het, (onder kaptein Choro) was saam met dieGoringhaiquas, of Saldanhars, of Kaapmans (onder kaptein Gogosoa, „de vette kaptein”) die vernaamste Hottentot-stamme wat hulle in die onmiddellike omgewing van die Fort en in die Kaapse Skiereiland opgehou het. Daar was ook nog dieGoringhaikonas, of Strandlopers, of Watermans, (onder „kaptein” Autohoemao, of Herry), maar hulle was maar ’n armoedige, onaansienlike klompie van omtrent vyftig siele.—Die besoek van Choro, hoof van die Gorachouquas, en van Soesoa, hoof van die Chainouquas, wat toe nog ten noorde van die Bergrivier rondgeswerf het, vind plaas ná die beëindiging van die eerste Hottentot-oorlog (1659–60) en die vredesluiting in April 1660.↑

14DieGorachouquas, of Tabakdiewe, soos die Hollanders hulle genoem het, (onder kaptein Choro) was saam met dieGoringhaiquas, of Saldanhars, of Kaapmans (onder kaptein Gogosoa, „de vette kaptein”) die vernaamste Hottentot-stamme wat hulle in die onmiddellike omgewing van die Fort en in die Kaapse Skiereiland opgehou het. Daar was ook nog dieGoringhaikonas, of Strandlopers, of Watermans, (onder „kaptein” Autohoemao, of Herry), maar hulle was maar ’n armoedige, onaansienlike klompie van omtrent vyftig siele.—Die besoek van Choro, hoof van die Gorachouquas, en van Soesoa, hoof van die Chainouquas, wat toe nog ten noorde van die Bergrivier rondgeswerf het, vind plaas ná die beëindiging van die eerste Hottentot-oorlog (1659–60) en die vredesluiting in April 1660.↑

15Lokje, ofmokje= ’n bekertjie. Dapper (Naukeurige Beschryvinge der Afrikaensche Gewesten, Amsterdam, 1660, bls. 630) spreek in verband met hierdie episode van „een gansche Baly vol brandewijn met een houte kopje daar in.”↑

15Lokje, ofmokje= ’n bekertjie. Dapper (Naukeurige Beschryvinge der Afrikaensche Gewesten, Amsterdam, 1660, bls. 630) spreek in verband met hierdie episode van „een gansche Baly vol brandewijn met een houte kopje daar in.”↑

16Dapper (op. cit., t.a.p.) gee die volgende aanvullende besonderhede, wat aan skilderagtigheid vir dié van Van Riebeeck seker nie moet onderdoen nie: „Wanneer den mannen het hooft begon te draien en de benen te waggelen, dikwils met vallen ter neder op d’ aerde, wierden ’er omtrent twee of drie-hondert stukjes tabaks, elk van een duim breet, bij handen vol te grabbel gesmeten, waer op onder hen zulk een groot getier en geschreeu ontstont, datze het gehoor bijna verdoofden en het geluit den ooren naulix verdraghelijk was; desgelijx bedreven zij geen minder gewelt wanneer daer na het zelffte met broot gedaen wiert. Na het eindigen van al deze grabbelingen, ging het bij hen, wanneer zij gansch[96]vol gedronken, en de hersenen met den wijn bestoven waeren, geduurigh op een danzen en springen, met zonderlinge grepen en op een vreemde wijze, bijna even eens gelijk de bakkers hier te lande hun deegh met de voeten in den troch bewerken, te weten al stampend nu met d’ een en dan met d’ andere voet, met uitstekende billen en het hooft al hangende geduurigh na d’ aerde, op een zelve zijde. Geen minder vrolyckheit bedreven de vrouwen geduurende het dansen der mannen, met klappen in de handen en geduurigh een zang vanha, ho, ho, ho, wel twee uuren aen den anderen te zingen.”↑

16Dapper (op. cit., t.a.p.) gee die volgende aanvullende besonderhede, wat aan skilderagtigheid vir dié van Van Riebeeck seker nie moet onderdoen nie: „Wanneer den mannen het hooft begon te draien en de benen te waggelen, dikwils met vallen ter neder op d’ aerde, wierden ’er omtrent twee of drie-hondert stukjes tabaks, elk van een duim breet, bij handen vol te grabbel gesmeten, waer op onder hen zulk een groot getier en geschreeu ontstont, datze het gehoor bijna verdoofden en het geluit den ooren naulix verdraghelijk was; desgelijx bedreven zij geen minder gewelt wanneer daer na het zelffte met broot gedaen wiert. Na het eindigen van al deze grabbelingen, ging het bij hen, wanneer zij gansch[96]vol gedronken, en de hersenen met den wijn bestoven waeren, geduurigh op een danzen en springen, met zonderlinge grepen en op een vreemde wijze, bijna even eens gelijk de bakkers hier te lande hun deegh met de voeten in den troch bewerken, te weten al stampend nu met d’ een en dan met d’ andere voet, met uitstekende billen en het hooft al hangende geduurigh na d’ aerde, op een zelve zijde. Geen minder vrolyckheit bedreven de vrouwen geduurende het dansen der mannen, met klappen in de handen en geduurigh een zang vanha, ho, ho, ho, wel twee uuren aen den anderen te zingen.”↑

17Soesoa was toe al baie oud, en sy seun Goeboe het feitlik in sy plaas regeer.↑

17Soesoa was toe al baie oud, en sy seun Goeboe het feitlik in sy plaas regeer.↑

18Die Chobona, of Choboqua, of Cabuners, ’n „swaerte natie” (Kaffers), wat veronderstel is die inwoners te wees van die fabelagtige ryk van Monomotapa „van waar de[98]Portugeesen in Mosambicque al haer gout crijgen” (Van Riebeeck seDagverhaal, Deel 3, Uitg.Historisch Genootschap van Utrecht, No. 59, bls. 447). Ses weke later sal Van Riebeeck ’n landtog uitstuur onder adelbors Jan Danckaert (12 November 1660–20 Januarie 1661) met die spesiale opdrag om die pad na die goudland te verken en handelsbetrekkinge met die „Monomotapers” aan te knoop en also o.a. die Portugese die voet dwars te sit: „Ende is oocq ’t gevoelen vastelijcq, dat de natie vermits der Portugeese heerse regeringe, tot onsen vredigen ommegangh wel genegen gevonden sullen worden” (Van Riebeeck seDagverhaal, t.a.p.). Die tog het op ’n totale mislukking uitgeloop; veel verder as die Olinfantsrivier het die reisigers nie gekom nie.↑

18Die Chobona, of Choboqua, of Cabuners, ’n „swaerte natie” (Kaffers), wat veronderstel is die inwoners te wees van die fabelagtige ryk van Monomotapa „van waar de[98]Portugeesen in Mosambicque al haer gout crijgen” (Van Riebeeck seDagverhaal, Deel 3, Uitg.Historisch Genootschap van Utrecht, No. 59, bls. 447). Ses weke later sal Van Riebeeck ’n landtog uitstuur onder adelbors Jan Danckaert (12 November 1660–20 Januarie 1661) met die spesiale opdrag om die pad na die goudland te verken en handelsbetrekkinge met die „Monomotapers” aan te knoop en also o.a. die Portugese die voet dwars te sit: „Ende is oocq ’t gevoelen vastelijcq, dat de natie vermits der Portugeese heerse regeringe, tot onsen vredigen ommegangh wel genegen gevonden sullen worden” (Van Riebeeck seDagverhaal, t.a.p.). Die tog het op ’n totale mislukking uitgeloop; veel verder as die Olinfantsrivier het die reisigers nie gekom nie.↑

19Die Cochoquas, of die Rechte Saldanhars, soos dieDagverhaalhulle dikwels noem, het toe hulle krale gehad in die buurt van Saldanhabaai. Hulle was verdeel in twee groepe—die een onder die byna honderdjarige Oedasoa,[99]aan die benedeloop van die Bergrivier, en die ander onder Gonnema aan die Klein-Bergrivier. Oedasoa was kaptein oor die talrykste trop en is beskou as die „opperheer” oor al die Cochoquas.↑ab

19Die Cochoquas, of die Rechte Saldanhars, soos dieDagverhaalhulle dikwels noem, het toe hulle krale gehad in die buurt van Saldanhabaai. Hulle was verdeel in twee groepe—die een onder die byna honderdjarige Oedasoa,[99]aan die benedeloop van die Bergrivier, en die ander onder Gonnema aan die Klein-Bergrivier. Oedasoa was kaptein oor die talrykste trop en is beskou as die „opperheer” oor al die Cochoquas.↑ab

20Hoepen= gladde ringe.↑

20Hoepen= gladde ringe.↑

21’nMingel, ofmengel, ’n ou-Hollandse inhoudsmaet = 1.21 lieter.↑

21’nMingel, ofmengel, ’n ou-Hollandse inhoudsmaet = 1.21 lieter.↑

22Vergaderplek.↑

22Vergaderplek.↑


Back to IndexNext