Chapter 6

Great wits to madness sure are near allied,And thin partitions do their bounds divide.Aan waanzin is de groote geest verwant,En beiden scheidt slechts een zeer dunne wand.Bij veelvuldig bezoek van krankzinnigenhuizen heb ik enkele lijders met onmiskenbaar grooten aanleg aangetroffen; hun genialiteit scheen duidelijk door den waanzin heen, die echter geheel de overhand had. Dit kan niet toevallig zijn, want het aantal waanzinnigen is betrekkelijk zeer klein, terwijl een geniaal individu een hoogst zeldzame uitzondering mag heeten. Ik wil kort mijn meening[161]zeggen over den grond van de verwantschap tusschen waanzin en genialiteit.De kennis van den waanzinnige heeft met die van het dier gemeen, dat beiden tot het aanwezige beperkt zijn. Toch is er verschil. Het dier heeft geen voorstelling van het verleden, ofschoon het door de kracht der gewoonte er de werking van ondervindt; na jaren herkent de hond zijn vroegeren meester, d.w.z. ondervindt bij zijn aanblik den ouden indruk. Doch van den sedert verloopen tijd herinnert het dier zich niets. De waanzinnige daarentegen draagt in zijn rede een valsch beeld van het verleden met zich rond en onder den invloed van dat beeld is hij niet in staat van het heden op de juiste manier partij te trekken, iets wat het dier wel vermag. Dat heftig geestelijk leed, onverwachte ontzettende gebeurtenissen dikwijls waanzin veroorzaken, verklaar ik op de volgende wijze. Voorzoover leed als werkelijke gebeurtenis tot het heden beperkt blijft, is het voorbijgaande en niet ondragelijk zwaar; overmatig groot wordt het eerst alsblijvendesmart, maar als zoodanig steunt het op het geheugen en is het dus gedachte; wanneer nu een uiterst smartelijk weten of herdenken een zoo ontzettende kwelling is, dat zij[162]niet langer te dragen is en de individu er onder bezwijken zou, dan grijpt de in de engte gedreven natuur naar den waanzin als naar het laatste middel om het leven te redden; de zoo fel gepijnigde geest verscheurt den draad van het geheugen, vult de leemten met waanvoorstellingen aan en ontvlucht op die wijze zijn verdriet, gelijk men een door koud vuur aangetast been afzet en het door een houten vervangt. Als voorbeeld noem ik den razenden Ajax, Koning Lear en Ophelia. Hoewel scheppingen van het genie, zijn ze aan levende personen gelijk te stellen. Een zwakke overeenkomst met dezen overgang van smart tot waanzin is dat wij allen een pijnlijke herinnering, die ons plotseling invalt, werktuigelijk door heftige bewegingen of luide klanken trachten te verjagen om zoo met geweld ons zelven te verstrooien.Men lette ook hierop, dat de geniale mensch de kennis van den samenhang der dingen uit het oog verliest. Eén geval geldt bij hem voor duizende, één ding vertegenwoordigt bij hem een geheele soort. Het objekt van zijn beschouwing verschijnt hem in zoo helder licht, dat de schakels der keten, waardoor het met allerlei andere dingen[163]verbonden is, verduisterd worden, en dat juist is weer een punt van overeenkomst met den waanzin. Wat in het voorhanden ding slechts onvolkomen en door bijomstandigheden verzwakt aanwezig is, wordt door de beschouwingswijze van het genie tot volkomenheid verheven. Zoo ziet het genie overal uitersten en vervalt ook zijn handelen tot uitersten. Hij weet de rechte maat niet te treffen. Hij kent de ideeën, maar niet de individuen. Dikwijls heeft men opgemerkt, dat een dichter, die den mensch diep en grondig doorziet, zich door de menschen om den tuin laat leiden en een speeltuig is in de handen van den listige.Het vermogen om ideeën te aanschouwen, ieder genie in buitengewone mate eigen, komt ook den gewonen sterveling in geringer graad toe; anders zou hij evenmin in staat zijn de gewrochten der kunst te genieten als ze zelf voort te brengen, en zouden woorden als schoonheid en verhevenheid voor hem louter klanken zijn. Het æsthetisch welbehagen is een en hetzelfde, het moge door een werk der kunst of door aanschouwing van natuur en leven te voorschijn worden geroepen. Dat uit het kunstwerk de idee duidelijker tot ons[164]spreekt dan uit de natuur of het leven, moet daaraan worden toegeschreven, dat de kunstenaar in staat is alle storende toevalligheden, welke den glans der idee in de werkelijkheid verduisteren, opzettelijk weg te laten. De kunstenaar laat ons door zijne oogen in de wereld kijken. Dat hij die oogen heeft, waardoor hij het typische der dingen ontdekt, is natuurgave, maar techniek, verworven kunst is het, dat hij ons door zijn oogen kan doen zien.Alle willen ontspruit uit behoefte, dus uit gebrek, dus uit lijden. Aan dat lijden maakt de vervulling der behoefte een einde. Maar tegenover één wensch, die wordt bevredigd, blijven er ten minste tien onvoldaan. De verlangens gaan tot in het oneindige, het begeeren duurt lang, maar de voldoening wordt kortstondig en karig toegemeten. Dikwijls is ze zelfs niet meer dan schijnbaar. De bevredigde wensch maakt terstond voor een nieuwen plaats. Gene blijkt de reeds gekende, deze is de nog onbekende dwaling. Duurzame, niet meer wijkende bevrediging is door niets te verschaffen. De vervulde behoefte is gelijk een aalmoes den bedelaar toegeworpen; zij rekt zijn leven voor heden, zoodat hij morgen opnieuw[165]zijn ellende zal kunnen gevoelen.—Daarom, zoolang ons bewustzijn vol is van ons willen, zoolang wij aan den drang der wenschen met zijn gedurig hopen en vreezen ons overgeven, valt ons geen blijvend geluk, geen rust te beurt. Hetzij wij genot najagen of onheil ontvlieden, in den grond der zaak komt dat op hetzelfde neer: de zorg voor den steeds eischenden wil, onverschillig onder welke gestalte, neemt het bewustzijn in beslag en zweept het voortdurend verder. Zonder rust geen echt welzijn. Zoo ligt het subjekt van het willen voortdurend op het draaiende rad van Ixion, het schept bestendig in het doorzeefde vat der Danaïden, het is de eeuwig smachtende Tantalus. Gaat men daarentegen op in aanschouwing, vergeet men zijn individualiteit, verliest men zich in het objekt, daar het buiten alle betrekking tot andere objekten en ons zelf wordt opgevat, komt het als idee van zijn soort tegenover ons te staan en wordt zoo de mensch willoos subjekt van kennis, dan zijn voorwerp en subjekt beiden uit het gewoel des tijds omhoog gebeurd en komt het op hetzelfde neer of men uit een kerker dan wel uit een paleis de zon prachtig ziet ondergaan.[166]Zulk een toestand, waarbij het kennen het overwicht heeft op het willen, kan, indien de vereischte stemming des gemoeds er is, in iedere omgeving worden te voorschijn geroepen. Dit toonen ons de voortreffelijke Nederlanders, die hun objektieve beschouwing op de meest onbeteekenende dingen richten en een duurzaam monument van hun geestesrust in hun „stillevens” ons te aanschouwen geven. Wie die doeken ziet, voelt zich ontroerd, daar ze hem den stillen, rustigen, willoozen gemoedstoestand van den kunstenaar vertegenwoordigen, die noodig was om zoo nietige dingen met zoo groote liefde gade te slaan, en het beschouwde zoo bezonnen weer te geven; terwijl het beeld ons oproept om aan dergelijke stemming deel te hebben, wordt onze ontroering misschien nog verhoogd door de tegenstelling met ons eigen onrustig, heftig, troebel willen. In denzelfden geest hebben dikwijls landschapschilders, in het bizonder Ruysdael gearbeid en zoo dezelfde werking op nog blijder trant te voorschijn geroepen. Thans zal men begrijpen, hoe de door hartstochten voortgezweepte, door nood en zorgen gekwelde plotseling zich verkwikt, opgevroolijkt en overeind gericht kan gevoelen, wanneer het hem gelukt[167]zich aan den slavendienst van den wil voor een oogenblik te ontworstelen en een enkelen vrijen blik op een schoon natuurtafereel te richten.Die zaligheid van het willooze aanschouwen is het ten slotte, welke over het verleden en het vèr-afzijnde een zoo tooverachtig licht uitgiet en door zelfmisleiding dat alles veel fraaier doet schijnen dan het was. Immers als we lang verloopen dagen in een ver verwijderd oord ons voorstellen, dan zijn het de dingen alleen, die onze fantasie terugroept, niet het subjekt van het willen, dat toen evenzeer als thans zijn ongeneeselijk leed met zich ronddroeg. Dit laatste is vergeten, omdat het sedert voor zoo menig ander verdriet heeft plaats geruimd. Nu werkt de objektieve aanschouwing in de herinnering op dezelfde manier als de tegenwoordige dat zou doen, indien wij maar in staat waren ons willoos aan haar over te geven. Daardoor komt het dat, vooral wanneer wij meer dan gewoonlijk door nood en angst ons gekweld gevoelen, de plotselinge herinnering aan tooneelen uit het verleden en aan ver afgelegen oorden, als een verloren paradijs aan ons voorbijvliegt.De æsthetische toestand van zuivere aanschouwing[168]wordt, gelijk vanzelf spreekt, het gemakkelijkst geboren wanneer de voorwerpen door rijkdom en bepaaldheid van gestalte duidelijke vertegenwoordigers van hunne ideeën en dus in den objektieven zin des woords schoon zijn. Dat is de reden waarom licht het meest verblijdende van alle dingen is en als symbool van al het goede en zegenrijke geldt. In alle godsdiensten beteekent het: eeuwig heil—maar duisternis daarentegen verdoemenis. Er komt bij, dat het zien niet, gelijk de aandoening van andere zinnen, op zich zelf reeds aangenaam of onaangenaam behoeft te zijn; eerst de in het verstand geboren aanschouwing brengt het objekt in betrekking met den wil. Reeds bij het gehoor is dit anders: geluiden kunnen rechtstreeks pijnlijk zijn of streelend, afgezien van harmonie en melodie. Het gevoel is nog meer aan dezen onmiddellijken invloed op den wil onderworpen: toch is er een tasten, dat niet met smart of wellust gepaard gaat. Reuk en smaak daarentegen bezorgen altijd lust of onlust. De beide laatstgenoemde zinnen zijn dus het meest door den wil bezoedeld, en heeten daarom de onedele, of wel, zooals bij Kant, de subjektieve zinnen. De blijdschap over het licht[169]is enkel blijdschap over deobjektievemogelijkheid van zuivere, aanschouwelijke kennis, waarbij de wil op nonactiviteit is gesteld en dus het æsthetisch genot tot zijn recht kan komen. Men denke maar eens aan de groote schoonheid, welke de afspiegeling der voorwerpen in het water te voorschijn toovert.Wanneer echter die voorwerpen, wier door licht bestraalde gestalten ons tot kontemplatie uitnoodigen, vijandig staan tegenover het menschelijk lichaam door hun allen weerstand verpletterende overmacht, of wel door hun onmetelijken omvang den mensch dwingen zijn nietigheid te gevoelen, terwijl bij de beschouwing, ofschoon dat alles waargenomen en erkend wordt, het met opzet buiten rekening blijft, de mensch dus met geweld zich losscheurt van zijn wil, ten einde enkel kennend subjekt te zijn, hij zich zoo boven zichzelf verheft, dan vervult hem het gevoel van het verhevene, dan beseft hij wat verhevenheid is. Er is verschil tusschen gevoel voor het verhevene en dat voor het schoone: bij het laatste wint het zuivere kennen zonder strijd de bovenhand, daar de eigenaardigheid van het objekt waardoor het zijn idee afspiegelt, zonder weerstand en dus onmerkbaar[170]den wil tot zwijgen brengt, de in zijn dienst staande kennis van verhoudingen uit het bewustzijn verwijdert en zoo enkel het zuiver objekt der kennis overblijft; bij het verhevene daarentegen wordt die toestand van zuivere kennis eerst daardoor gewonnen, dat men met geweld zijn aandacht aftrekt van de vijandige betrekkingen, waarin het objekt tot ons staat, en men zich dus vrij, met bewustzijn, boven het met lust en onlust rekening houdend inzicht verheft. Die verheven stemming moet niet enkel gewonnen, maar ook gehandhaafd worden, gaat dus gepaard met voortdurend denken aan den wil, doch niet aanindividueelwillen, zooals vreezen of wenschen, maar aan menschelijk willen in het algemeen, in zoover het door zijn objektieve verschijning, het menschelijk lichaam, wordt uitgedrukt. Indien een werkelijk bepaald willen in het bewustzijn optrad ten gevolge van persoonlijk gevaar, waarmede het objekt ons bedreigde, dan zou de zoo in beweging gebrachte individueele wil terstond de bovenhand erlangen, de rust der kontemplatie verstoord worden, de indruk van het verhevene verloren gaan, voor angst plaats maken; de individu zou trachten zich te redden en daarbij iedere andere[171]gedachte uit het bewustzijn verdrongen worden.Uit een objektief oogpunt is er geen wezenlijk verschil tusschen het schoone en het verhevene, want in beide gevallen is het voorwerp der æsthetische beschouwing niet het enkele ding, maar de daarin zich openbarende idee, welke met tijd en zelfs met ruimte niets te maken heeft, want niet de mij voor oogen zwevende uitgebreide gestalte, maar de uitdrukking, de beteekenis er van, haar innerlijk wezen, dat wat zich voor mij ontsluit en mij toespreekt, ziedaar de idee, welke bij groot verschil van ruimte- en tijdsbetrekkingen geheel dezelfde kan zijn. Daar in ieder ding de wil op zekeren trap van zijn ontwikkeling verschijnt, en het dus uitdrukking van een idee is, moet ieder ding schoon heeten. Het bleek ons reeds, dat zelfs het meest onaanzienlijke in de Nederlandsche schilderschool zich als schoon bewaarheidt, daar het onbaatzuchtige beschouwing gedoogt. Schooner is evenwel het eene dan het andere daardoor, dat het tot die zuiver objektieve beschouwing uitnoodigt, ja er als het ware toe dwingt, in welk geval wij ietszeerschoon noemen. Zoo is de mensch meer dan alle andere schepselen schoon en de openbaring van zijn[172]wezen het hoogste doel der kunst, want de idee die uit dit schepsel spreekt, openbaart ons den wil op den hoogsten trap van zijn ontwikkeling. Menschelijke gestalte en uitdrukking van menschelijk zieleleven bekleeden in de beeldende kunst de voornaamste plaats, zooals het menschelijk handelen in de poëzie den eersten rang inneemt. Toch heeft ieder ding zijn eigenaardige schoonheid, en dat geldt zelfs van het onbewerktuigde, het vormlooze. Hier openbaren zich de ideeën, welke de wil op de laagste trappen van zijn ontwikkeling inneemt, en die om zoo te zeggen de diepste, nagalmende bastonen der natuur doen weerklinken.De bouwkunst, enkel als schoone, niet als nuttige kunst opgevat, heeft geen ander doel dan de ideeën, welke de wil op de laatste trappen inneemt, tot duidelijke aanschouwing te brengen: zwaarte, cohesie, vastheid, hardheid, de algemeene eigenschappen van den steen, doch daarenboven nog het licht, dat in menig opzicht een tegenstelling met die eerste, eenvoudigste, dofste zichtbaarheden van den wil vormt. Zelfs hier openbaart zich het wezen van den wil in tweedracht, want eigenlijk is de strijd tusschen zwaarte en[173]vastheid het eenige æsthetische motief der architektuur; dien strijd op menigvuldige wijze volkomen duidelijk te voorschijn te doen treden, is hare taak. Zij vervult ze door aan die onverdelgbare krachten den kortsten weg tot hare openbaring te versperren en ze langs een omweg te leiden, waardoor de strijd verlengd en het onuitputtelijk streven van beide krachten op menigvuldige wijze zichtbaar wordt. De gansche steenmassa zou, aan haar oorspronkelijke neiging overgelaten, een enkelen klomp uitmaken, zoo nauw mogelijk met den aardbodem verbonden, want dat is het, waartoe de zwaarte, als hoedanig de wil hier verschijnt, onophoudelijk dringt, terwijl de vastheid, eveneens openbaring van den wil, weerstand biedt. Maar, zooals gezegd, die neiging, dat streven wordt door de bouwkunst verplicht langs een omweg zijn bevrediging te zoeken. Zoo worden de balken gedwongen, door middel van de zuilen, niet rechtstreeks, de aarde te drukken; het gewelf moet zich zelf dragen en enkel door tusschenkomst van de pilaren kan het zijn streven naar omlaag voldoen. Maar juist door die belemmeringen ontvouwen zich de krachten, welke in de ruwe steenmassa huizen, zoo duidelijk[174]en veelzijdig mogelijk: verder kan het zuiver æsthetisch doel der bouwkunst niet gaan. De schoonheid van een gebouw bestaat in de zichtbare doelmatigheid van ieder deel, niet ten opzichte van het daarbuiten liggend doel des menschen, maar ten opzichte van de stevigheid van het geheel; tot haar moet ieder onderdeel door zijn plaats, zijn grootte, zijn vorm in zoo noodwendige verhouding staan, dat, wanneer het kon worden weggenomen, het gansche gebouw zou instorten. Want slechts in zoover als ieder deel zooveel draagt als het voegzaam kan, en juist daar en in die mate gesteund wordt als noodwendig is, ontplooit zich de strijd tusschen vastheid en zwaarte, welke het leven, de wilsuitingen van den steen zijn, tot volkomen zichtbaarheid. Voor willekeur mag er bij dit alles geen plaats zijn. De vorm van ieder deel moet door zijn bestemming en zijn verhouding tot het geheel zijn bepaald. Zoo is b.v. de gewonden zuil smakeloos.Voor het æsthetisch genot van een bouwwerk is het onontbeerlijk van zijn materie, wat haar gewicht, cohesie en vastheid betreft, een rechtstreeksche, aanschouwelijke kennis te hebben, en onze vreugde over zoodanig werk zou door de[175]mededeeling, dat het uit puimsteen bestond, zeer verzwakken, want dan zou het een schijnvertooning zijn.Het eenige en bestendige thema is hier steun en last; de grondwet luidt: geen last zonder voldoenden steun, geen steun zonder daarvoor passenden last.Ik herinner mij bij Cicero gelezen te hebben, dat hij, door de straten van Athene wandelende, tot zijn verbazing, enkel leelijke menschen zag. Waar hebben dan de groote beeldhouwers hunne heerlijke godengestalten vandaan gehaald! Schopenhauer, die over alles heeft nagedacht, weet ook op die vraag een antwoord.Dat wij allen de menschelijke schoonheid opmerken, wanneer wij haar zien, en dit in den echten kunstenaar met zooveel klaarheid geschiedt, dat hij haar toont, zooals hij haar nooit gezien heeft, dat hij dus de natuur in zijn werk overtreft, is slechts op ééne wijze te verklaren:wij zelvezijn de wil, wiens hoogste openbaring: hèt menschelijk lichaam, hier beoordeeld en gevonden wordt. Daardoor alleen kunnen wij vooruitloopen op wat de natuur zich inspant om voort te brengen; de wil der natuur is hier ons eigen wezen; het echte[176]genie heeft maar een half woord noodig om de natuur te verstaan en zuiver uit te spreken wat zij stamelende ten gehoore brengt; zoo gelukt het hem de schoonheid van den vorm in het harde marmer uit te drukken, en, het door hem geschapen beeld aan de min of meer mislukte gewrochten der natuur overstellende, deze laatste als het ware toe te roepen: „dát was het, wat gij zeggen wildet!” „Ja”, zegt de kenner, „dat was het!” De mogelijkheid, dat zoo de kunstenaar het ideaal van menschelijke schoonheid aan zich zelf ontleent, en dat de kenner, als hij het in beeld tegenover zich ziet staan, het als zoodanig waardeert, berust hierop, dat kunstenaar en kenner beiden het „an sich” der natuur, de zich verwerkelijkende wil zelve zijn. Want enkel het gelijke wordt door het gelijke verstaan. Enkel natuur kan zich zelve doorgronden, enkel geest kan geest begrijpen.Voor æsthetisch genot en artistieke schepping is het noodig deideeënder dingen te aanschouwen, welke geheel iets anders zijn dan de op de dingen passendebegrippen. Het begrip is afgetrokken, enkel bepaald in zoover het grenzen trekt, binnen zijn eigen sfeer geheel[177]onbepaald. Het is door definitie voor mededeeling vatbaar. De idee daarentegen is een visioen in alle mogelijke opzichten volkomen bepaald; zij vertegenwoordigt op volmaakte en aanschouwelijke wijze het begrip en ook de oneindige menigte afzonderlijke dingen, welke onder het bereik van het begrip vallen. Het begrip is uit de veelheid afgeleide eenheid, maar de idee is de oorspronkelijke eenheid, welke ten gevolge van onze waarnemingsvormen, ruimte en tijd, in veelheid uiteenvalt. De idee roept in hem, die haar aanschouwt, nieuwe voorstellingen op; zij is als een levend met teelkracht uitgerust organisme, dat iets nieuws voortbrengt. Het begrip is, hoe nuttig en bruikbaar ook voor leven en wetenschap, eeuwig onvruchtbaar voor de kunst. Daarentegen is de idee de echte en eenige bron van ieder kunstwerk. In haar krachtige oorspronkelijkheid ontspruit zij uit het leven zelf, uit de wereld, maar enkel in dien mensch, die door de geestdrift van het genie bezield wordt. Juist omdat de idee aanschouwelijk is en blijft, schept de kunstenaar zonder doel, gelijk de God van Spinoza; hij kan van zijn werken geen rekenschap geven; hij arbeidt, gelijk de menschen het uitdrukken, enkel[178]door gevoel gedreven, onbewust, instinktmatig. De nabootsers daarentegen, zij, die zich een zekere manier hebben eigen gemaakt, gaan in de kunst van het begrip uit; zij merken op wat het is, dat bij de echte kunstwerken behaagt, vormen zich daarvan een duidelijk begrip, bootsen het nu in het geheim met wijs opzet na. Als parasieten zuigen zij hun voedsel uit vreemde werken en vertoonen gelijk polypen de kleur van dat, waarop zij teren. De domme menigte van zeker tijdstip, die zelve eveneens slechts begrippen kent en daaraan hecht, neemt wat de manier van den dag vertoont met bijval op, maar na weinige jaren reeds is zulk maakwerk ongenietbaar, want de tijdgeest is een andere geworden, d.i. de heerschende begrippen, waarin die niet-geniale gewrochten wortelen konden, zijn verouderd en door nieuwe vervangen. De echte kunstgewrochten daarentegen, welke rechtstreeks uit de natuur, uit het leven zijn geput, blijven eeuwig jong en eeuwig frisch.Eenallegorieis een kunstwerk, dat iets anders beteekent dan het te aanschouwen of te lezen geeft, nl. een begrip. Hier moet dus beeld of schilderij een gedachte opwekken, welke het[179]woord op veel volkomener wijze rechtstreeks kan uitdrukken. Het doel der kunst, voorstelling van een aanschouwelijke idee, wordt zoo uit het oog verloren. Wanneer de samenhang tusschen het teeken en het beteekende geheel conventioneel is, dan hebben wij met die soort van allegorie te maken, welkesymboolis. Zoo is de roos symbool van het zwijgen, de laurier van den roem, de schelp van het pelgrimschap enz. De Grieksche beeldhouwkunst richt zich tot de aanschouwing en is dus æsthetisch; die van Hindostan tot het begrip en is dus symbolisch. Het voorbeeld van Winckelmann, die de allegorie, in plaats van haar als vreemd aan de kunst te verwerpen, overal in bescherming neemt en als hoogste doel der kunst de aanduiding van algemeene begrippen noemt, bewijst, dat men zeer gevoelig kan zijn voor kunstschoon en daarover juist oordeelen, zonder nochtans van het wezen van schoonheid en kunst rekenschap te kunnen geven, gelijk men edel en deugdzaam in hooge mate kan zijn en een fijn geweten hebben, dat nauwkeurig als een goudschaal in ieder bizonder geval beslist wat goed en behoorlijk is, zonder dat men daarom de ethische beteekenis van handelingen[180]op wijsgeerigen trant weet te doorgronden en in woorden uit te drukken.Te midden van de schoone kunsten neemt volgens Schopenhauer de muziek een geheel eigen plaats in. Om de theorie, die hij over haar ontvouwt, juist te vatten, moeten wij op het volgende letten. Voor opzettelijk handelen, dat doel zal treffen, wordt kennis vereischt. Het intellekt is volgens Schopenhauer dan ook oorspronkelijk enkel bestemd om motieven aan het handelen te verschaffen. Vandaar dat bij de dieren en zelfs bij de meeste menschen de lust om waar te nemen gaat kwijnen, zoodra er niets mee te bereiken valt. Bij sommigen is er echter een overschot van verstandelijke kracht, dat tot aanschouwing kan worden besteed, welke, aan de doeleinden van den wil gemeten,nutteloosen daarom juist zuiverobjektiefis. Als er niet gevraagd wordt naar de betrekkingen waarin een ding, rechtstreeks of zijdelings, mogelijkerwijze tot den wil staat, er dus niet gelet wordt op de plaats waar en den tijd waarin, niet op de oorzaken waardoor en de middelen waartoe, als men m.a.w. alleen het voorwerp in het oog vat, dan staat men, wel niet tegenover den wil, die zich in dat ding vertoont, want wil wordt enkel gekend door bewustzijn van eigen streven, maar tegenover de idee, die zich in het verschijnsel afspiegelt. Dan is men zonder begeerte en louter kennend subjekt.[181]Dan ondervindt men den wellust, die extase heet; dan verliest men zich in het aanschouwde.Ziedaar het genot, dat door alle kunsten bezorgd wordt, met uitzondering van de muziek. Zij alleen brengt ons niet met aanschouwelijke ideeën in betrekking, maar ontsluiert ons den grond van al het aanschouwelijke, het wezen aller wezens, den wil. In dit gedeelte van Schopenhauer’s schoonheidsleer laten zich twee partijen van ongelijke waarde onderscheiden. Op fantastische wijze, als een echt romantikus, trekt hij een hoogst willekeurige parallel tusschen de wereld der geluiden en de wereld der ideeën. De grondbas met zijn diepe tonen vertegenwoordigt de onbewerktuigde stof; de hoogere tonen heeten overeenkomst te hebben met planten en dieren; de intervallen van de toonladder duiden de scheiding der levende wezens in verschillende soorten aan enz. Aantrekkelijker dan deze poging om in alles, wat op muzikaal gebied gevonden wordt, een kosmisch symbool te ontdekken, is zijne beschouwing over de ontroering, die zich van den mensch meester maakt, bij het luisteren naar een voortreffelijk toondicht.De muziek is een zoo groote en heerlijke kunst, werkt zoo machtig op het gemoed, wordt zoo volledig als een algemeene taal door ieder beschaafd mensch verstaan, overtreft zoozeer in duidelijkheid zelfs de aanschouwelijke wereld, dat[182]wij zeker meer in haar te zoeken hebben dan het onbewust tellen, waarvoor Leibnitz haar hield, daar hij enkel op de uitwendige schaal en niet op de kern lette. Ware zij niets meer dan dat, zoo moest de bevrediging, welke zij verschaft, gelijksoortig zijn aan die, welke wij bij de juiste uitkomst van een rekensom gevoelen, en ze kon niet die zalige vreugde zijn, waarmede wij de diepste diepten van ons wezen vertolkt gevoelen. Om de æsthetische werking der muziek te verstaan, moeten wij haar een veel ernstiger en dieper beteekenis toekennen, die op het innerlijk wezen van wereld en mensch betrekking heeft. De getalsverhoudingen, waarin zij zich laat oplossen, kunnen hoogstens enkel als teekenen gelden.Het doel van alle overige kunsten is ons met de ideeën bekend te maken; daar onze wereld niets anders is dan de verschijning van ideeën in veelheid van dingen, is de muziek, die alle ideeën overslaat, van de wereld der verschijnselen geheel onafhankelijk. Muziek zou, als zij zonder instrumenten kon bestaan, ook al ware de wereld er niet, toch kunnen genoten worden, wat zich niet van de overige kunsten zeggen laat. Muziek[183]is even rechtstreeksche afspiegeling van den wereldwil als de wereld zelve dat is. Daardoor juist is de werking der muziek zooveel machtiger dan die der overige kunsten: want deze spreken enkel van de schaduw, zij van het wezen.Begrip is hier, gelijk overal in de kunst, onvruchtbaar. De komponist openbaart het diepste wezen der wereld en spreekt de hoogste wijsheid uit in een taal, die zijn rede niet verstaat, gelijk de magnetische somnambule mededeelingen doet over dingen, van welke zij in wakenden toestand geen besef heeft. Daarom is bij den komponist, meer dan bij iemand anders, de mensch van den kunstenaar geheel te scheiden.Juist omdat de muziek het innerlijk wezen der wereld vertolkt en nooit tot het verschijnende zelf in rechtstreeksche betrekking staat, kan zij geen uitdrukking geven aan bizondere, bepaalde blijdschap, droefheid, ontzetting, onder die en die omstandigheden, maar slechtsdevreugde,desmart,denjubel, de gemoedsrust, om zoo te zeggen in het afgetrokkene, het wezenlijke van dat alles, zonder eenig bijwerk, ten gehoore brengen. Toch verstaan wij haar volkomen. Dat is de reden waarom onze fantasie zoo licht door[184]haar in beweging wordt gebracht en dan beproeft die onzichtbare en toch zoo levendig tot ons sprekende geestelijke wereld met vleesch en been te bekleeden, haar dus in een analoog voorbeeld te belichamen. Ziedaar de oorsprong van het gezang met woorden en ten slotte van de opera, maar een groote fout is het, wanneer datgene, wat hoofdzaak moet zijn, de muziek, daarbij in ondergeschikte stelling geraakt. Juist de algemeenheid van de muziek, waardoor het buiten hare macht ligt bizondere gebeurtenissen te vertolken of bepaalde toestanden aan te wijzen, schenkt haar de hooge waarde, welke zij als geneesmiddel van menschelijk lijden heeft. Wanneer dus de muziek te zeer zich bij de woorden tracht aan te sluiten en naar de gebeurtenissen zich tracht te schikken, dan beproeft zij een taal te spreken, die de hare niet is. Van deze fout heeft Rossini zich meer dan iemand anders vrij gehouden; zijne muziek spreekt zoo duidelijk en zuiver haar eigen taal, dat zij de woorden in het geheel niet noodig heeft, en, enkel met instrumenten uitgevoerd, hare volle werking blijft uitoefenen.Uit de innige verhouding, waarin de muziek tot het ware wezen van alle dingen staat, is ook[185]dit te verklaren, dat, wanneer begeleidende muziek ten volle past bij een handeling, gebeurtenis, tooneelinrichting, omgeving, zij als de duidelijkste kommentaar daarop zich gelden doet; eveneens is het hem, die zich aan den indruk van een symfonie geheel overgeeft, als zag hij alle mogelijke gebeurtenissen des levens aan zich voorbijtrekken; toch kan hij, wanneer hij zich bezint, geen overeenkomst aangeven tusschen het toondicht en de dingen die hem voor den geest zweven. Immers de muziek is daarin van alle andere kunsten verschillend, dat ze geen afbeelding van de wereld der voorstelling, maar van den wil zelven is en dus niet het physische maar het metaphysische tot uitdrukking brengt. Men zou de wereld evengoed een belichaming van muziek als van wil kunnen noemen.Het onuitsprekelijk innige van muziek, dat haar als een paradijs doet zijn, waarin wij geheel ons tehuis gevoelen, terwijl het toch onmetelijk ver van ons af ligt, dat volkomen begrijpelijke en toch zoo vreemde van muziek, vindt daarin zijn oorsprong, dat ze alle bewegingen van de diepste diepten onzer ziel wedergeeft, maar geheel buiten de werkelijkheid om en dus zonder eenige bezoedeling met ’s levens ellende.[186]De wereld als voorstelling is de spiegel, waarin de wereld als wil zich zelf aanschouwt. Oorspronkelijk is de wil blinde, doffe drang; enkel daar, waar kennis, met andere woorden voorstelling, geboren wordt, komt de wil tot zelfbewustzijn, bespeurt hij, wat het is, dat hij wil, dat hij namelijk niet anders wil dan deze wereld, het leven juist zooals het is.Tevens ontdekt de wil dan dat de individuen voor hem geen waarde hebben en dat het hem enkel om de soorten te doen is. Op naïeve wijze verkondigt zoo de natuur deze groote waarheid, dat uitsluitend de ideeën werkelijkheid bezitten. De juiste theorie der geslachtsliefde is geheel in overeenstemming met deze leer, gelijk wij thans zien zullen.Alle verliefdheid, hoe etherisch zij zich ook moge aanstellen, wortelt enkel in het sexueele verlangen en is enkel een nader bepaald, op dit of dat individu gericht instinkt. Wanneer men, dit in aanmerking nemende, de gewichtige rol gadeslaat, welke de liefde, in al haar graden en schakeeringen, niet enkel op het tooneel en in de romans, maar ook in de werkelijke wereld vervult, waar zij, naast de liefde tot het leven[187]zich als de sterkste van alle drijfveeren openbaart, de helft der krachten en gedachten der jongere menschheid voortdurend in beslag neemt, het laatste doel van bijna ieder menschelijk streven is, op de gewichtigste aangelegenheden den nadeeligsten invloed erlangt, de ernstigste bezigheden ieder oogenblik doet afbreken, soms zelfs de helderste hoofden voor een wijle in verwarring brengt, zich niet ontziet te midden van de verhandelingen der staatsmannen en de onderzoekingen der geleerden storend met haar nesterijen in te grijpen, haar liefdesbrieven en haarlokken, zelfs in portefeuilles van ministers en manuscripten van philosofen, weet binnen te smokkelen, niet minder dagelijks de hevigste en meest ingewikkelde twisten doet ontbranden, de hechtste banden verscheurt, betrekkingen van de allerhoogste waarde ontbindt, nu eens leven of gezondheid, dan weer rijkdom, aanzien en voorspoed tot haar offer kiest, ja den braafste gewetenloos, den trouwste verraderlijk maakt, dus over het geheel genomen als een vijandige demon optreedt, die er op uit is verwarring te stichten en alles omver te werpen;—dan móet men wel uitroepen: Waartoe al die drukte? Waartoe dat dringen en razen, die angst[188]en die nood? Het komt er toch maar op aan, dat ieder Hans zijn Gretchen krijgt: waarom moet zulk een kleinigheid een zoo gewichtige rol spelen, en telkens stoornis en verwarring te weeg brengen in het wèl geordende menschelijke leven?—De geest der waarheid antwoordt hier aan iederen ernstigen denker: het is geen kleinigheid die hier op het spel staat, het geldt hier een zaak, gewichtiger dan alle andere doeleinden, en daarom de diepe ernst, waarmee ieder haar behartigt, ten volle waard. Dàt namelijk, wat hier beslist moet worden, is niets minder dan de samenstelling der volgende generatie. Door die beuzelachtige minnarijen wordt uitgemaakt, welke handelende personen op het tooneel zullen werkzaam zijn, wanneer wij zelve zullen zijn afgetreden. En van de samenstelling van dat op ons volgende geslacht hangen weer tallooze later komende geslachten af. Dit hooge gewicht der zaak, waarbij het niet om wèl en wee van thans levende individuen, maar om bestaan en karakter van het menschelijk geslacht in toekomstige tijden gaat, heeft ten gevolge, dat de wil van den enkeling hier in verhoogde macht als wil der soort te voorschijn treedt; dit is het, waarop het pathetische en het[189]verhevene van alle liefdesaangelegenheden, het alles te boven gaande van hare verrukkingen en smarten berust, wat de dichters in talrijke voorbeelden sedert duizenden van jaren niet moede worden ons voor oogen te stellen; geen onderwerp is zoo belangrijk als dit, daar het hier het wel en wee der soort betreft en dus tot alle overige, welke slechts het welzijn der enkelingen raken, zich als een lichaam tot een vlak verhoudt. Daarom juist is het zoo moeielijk een drama zonder minnehandel belangrijk te doen zijn en daarom geldt het hier een thema, dat zelfs door het dagelijksch gebruik niet afgezaagd wordt.Wat in het bewustzijn zich voordoet als het sexueele verlangen op een bepaald individu gericht, is op zich zelf de wil als een bepaald individu geboren te worden. In dit geval weet de geslachtsdrift, ofschoon op zich zelve een subjektieve behoefte, zeer geschikt het masker van objektieve bewondering aan te nemen en zoo het bewustzijn om den tuin te leiden; tot bereiking van hare doeleinden heeft de natuur die krijgslist van noode. Dat het echter, hoe objektief en hoe verheven ook die bewondering moge schijnen, bij alle verliefdheid toch enkel om de voortbrenging[190]van een bepaald individu te doen is, wordt vooral daardoor bevestigd, dat niet weerkeerige liefde, maar bezit, als hoofdzaak hier beschouwd wordt. De zekerheid van beantwoorde liefde kan nooit over het gemis aan bezit troosten; integendeel heeft menigmaal zulk een toestand tot zelfmoord geleid. Daarentegen neemt iemand, die hevig verliefd is, wanneer hij zijn liefde niet beantwoord kan krijgen, het desnoods met de door geschenken afgekochte gunst van een vrouw of ook met verkrachting voor lief. Bij iederen liefdesroman is het doel, ook al begrijpen de partijen het zelve niet, dat er dit of dat bepaalde kind worde verwekt; de manier, waarop dit doel bereikt wordt, is bijzaak. Hoe luide ook de gevoelvolle, verliefde paartjes zich tegen het grove realisme van dergelijke beschouwing mogen verzetten, toch dwalen zij. Werkelijk is het de toekomstige generatie in haar individueele bepaaldheid, die, bij al de omslachtigheden en eindelooze bemoeienissen tot het erlangen der geliefde vrouw, er naar hunkert om te voorschijn te treden. De aanwassende genegenheid van een minnend paar is eigenlijk reeds de drang om te leven van het nieuwe individu, dat zij zouden kunnen en zouden willen verwekken;[191]ja, in de blikken vol verlangen, waarmede zij elkander aanzien, ontvlamt reeds het nieuwe leven en kondigt het zich aan als een toekomstige, harmonisch samengestelde individualiteit.Het egoïsme is een zoo diep gewortelde eigenschap bij alle individuen dat, wil men ze aan het werk zetten, zelfzuchtige doeleinden de eenige zijn, waarop men met zekerheid rekenen kan. Nu heeft zeker de soort op het individu een nader, hooger en ouder recht dan het voorbijgaande individu op zich zelf: wanneer echter het individu voor bestaan en welzijn der soort zorgen en zelfs offers brengen moet, dan kan aan zijn intellekt, dat er enkel op ingericht is om zelfzuchtige doeleinden na te streven, het gewicht dier aangelegenheid niet zoo duidelijk worden gemaakt, dat er dienovereenkomstig gehandeld wordt. Derhalve kan in zoodanig geval de natuur haar doel slechts daardoor bereiken, dat zij den individu een zekerenwaanin het gemoed plant, ten gevolge van welken hem als een goed voor hem zelf toeschijnt wat in waarheid slechts een goed voor de soort is, zoodat hij de soort dient, terwijl hij meent zich zelf te dienen; bij welke gebeurtenis hem een hersenschim voor den geest zweeft, die als[192]beweegkracht de plaats van werkelijkheid inneemt en bestemd is onmiddellijk daarna te verdwijnen. Deze waan is het instinkt. In de allermeeste gevallen is instinkt de genius der soort, welke datgene wat der soort ten nutte komt door den wil verrichten doet. Deuitwendige verschijningvan het instinkt nemen wij het best bij de dieren waar, doch debinnenzijdeer van kunnen wij, gelijk al het innerlijke, enkel aan ons zelven leeren kennen. Nu is het een zeer bepaald, hoogst samengesteld instinkt, dat de keuze van een individu voor geslachtsbevrediging met zoo diepen ernst en groote eigenzinnigheid juist op een bepaalden persoon richt … De duizelingwekkende verrukking, die zich van den man bij den aanblik van juist die en geen andere vrouw meester maakt en hem de vereeniging met haar als het hoogste goed voorspiegelt, is een instinkt, dat op het welzijn der soort is gericht, terwijl de mensch zich verbeeldt enkel zijn eigen genot te zoeken. Inderdaad ontsluiert zich hier het wezen van alle instinkt. Het is een werken, dat meestal door een bepaald doel, n.l. het welzijn der soort, wordt geleid, terwijl in werkelijkheid dat doel niet tot het besef van den werkenden individu komt. De[193]zorgvuldigheid, waarmede een insekt een bepaalde bloem of vrucht of de een of andere larve opzoekt, om juist dáár zijn eieren te leggen, en, om dat te bereiken, moeite noch gevaar ontziet, vertoont groote overeenkomst met die, waarmede een man de vrouw uitkiest tot geslachtsbevrediging en daarbij zijn eigen levensgeluk dikwijls opoffert of zelfs door misdaad als echtbreuk of verkrachting zijn doel weet te bereiken, en dat alles om aan den souvereinen wil der natuur te gehoorzamen en ten koste van den individu het belang der soort te dienen. Een waan is het, die den man voorgoochelt, dat hij in de armen van een bepaalde vrouw en van geen andere een oneindig grooter bevrediging zal vinden; dus meent hij voor zijn eigen genot zich moeite en opoffering te getroosten, terwijl het er enkel om te doen is, dat een bepaald individu, dat enkel van dat ouderenpaar afkomstig kan zijn, in het aanzijn zal treden. Overeenkomstig deze opvatting ziet ieder verliefde, wanneer hij eindelijk zijn doel bereikt heeft, zich wonderlijk ontgoocheld en bevreemdt het hem, dat de hartstochtelijk begeerde gemeenschap geen grooter geluk schonk, dan hij ook elders had kunnen vinden.[194]Dit alles werpt licht op het instinkt, dat den vogel zijn nest doet bouwen, het insekt naar prooi doet jagen, die, voor dat diertje zelf ongenietbaar, als voedsel voor de toekomstige larven naast de eieren wordt gelegd. Al die dieren worden ongetwijfeld door een waan geleid, welke den dienst der soort achter het masker van een egoïstisch doel verbergt.In dit verband wijst Schopenhauer er vervolgens op, dat de man naar afwisseling haakt, terwijl de vrouw in den regel aanhankelijk blijft aan den individu harer keuze. Hij verklaart dit uit het doel der natuur, dat op behoud en sterke vermeerdering der soort gericht is; de man kan in korten tijd een talrijk nakroost verwekken, terwijl de vrouw in dienzelfden tijd slechts één kind kan ter wereld brengen. Ook drijft de natuur de vrouw om den voeder en beschermer der kinderen voor zich te behouden. Echtelijke trouw is voor den man, volgens Schopenhauer, een kunstmatig verkregen produkt der beschaving, terwijl zij voor de vrouw natuurlijk is en echtbreuk bij haar, niet enkel wegens de gevolgen, maar ook om zijn tegennatuurlijk karakter, veel onvergeeflijker is dan bij den man. Schopenhauer vat zijne beschouwing in deze woorden samen:Het liefdesverlangen, door de dichters van alle[195]tijden op alle wijzen bezongen, terwijl het onderwerp onuitputtelijk blijft, dat verlangen, waardoor aan het bezit van een bepaalde vrouw de voorstelling van oneindige zaligheid wordt vastgeknoopt, terwijl de gedachte dat zij buiten zijn bereik zou kunnen blijven den man onuitsprekelijk doet lijden, dat verlangen en die pijn der liefde kunnen niet wortelen in de behoeften van een vergankelijk individu; hier hooren wij de verzuchtingen van den genius der soort, welke in tegenstelling met den individu oneindig leven heeft, en dus voor oneindige wenschen en oneindige smarten vatbaar is. Maar die wenschen en smarten zijn opgesloten in de enge borst van een sterveling, welke onder dien machtigen druk schijnt te willen barsten. Alleen de genius der soort is in staat om met één blik te zien, welke waarde voor hare doeleinden een zeker paar menschen kan hebben. De groote hartstochten ontstaan dan ook in den regel bij den eersten aanblik. Daarom is het verlies der geliefde door een mededinger of door den dood voor den vurigen minnaar een smart, die alle andere te boven gaat. Zij treft hem niet enkel als individu, maar grijpt hem aan in zijn eeuwig wezen, in het leven der soort, tot welks[196]lastdrager en wilsuitvoerder hij geroepen werd. Om die reden is ijverzucht zoo grimmig en pijnlijk en is er geen grooter offer denkbaar dan van een geliefde te moeten afstand doen. Een held schaamt er zich voor jammerkreten te slaken, maar liefdesklachten laat hij hooren, want in dezen is het niet hij zelf, maar de soort, die haar schreiende stem verheft.Het lijdt geen twijfel of Wagner heeft zich o. a. bij zijn schepping van Tristan en Isolde door Schopenhauer tot die hooge opvatting der liefde laten bezielen, volgens welke zij oneindig meer is dan een festijn, waaraan een paar menschen in hun wittebroodsweken zelfzuchtig te gast gaan.[197]

Great wits to madness sure are near allied,And thin partitions do their bounds divide.Aan waanzin is de groote geest verwant,En beiden scheidt slechts een zeer dunne wand.Bij veelvuldig bezoek van krankzinnigenhuizen heb ik enkele lijders met onmiskenbaar grooten aanleg aangetroffen; hun genialiteit scheen duidelijk door den waanzin heen, die echter geheel de overhand had. Dit kan niet toevallig zijn, want het aantal waanzinnigen is betrekkelijk zeer klein, terwijl een geniaal individu een hoogst zeldzame uitzondering mag heeten. Ik wil kort mijn meening[161]zeggen over den grond van de verwantschap tusschen waanzin en genialiteit.De kennis van den waanzinnige heeft met die van het dier gemeen, dat beiden tot het aanwezige beperkt zijn. Toch is er verschil. Het dier heeft geen voorstelling van het verleden, ofschoon het door de kracht der gewoonte er de werking van ondervindt; na jaren herkent de hond zijn vroegeren meester, d.w.z. ondervindt bij zijn aanblik den ouden indruk. Doch van den sedert verloopen tijd herinnert het dier zich niets. De waanzinnige daarentegen draagt in zijn rede een valsch beeld van het verleden met zich rond en onder den invloed van dat beeld is hij niet in staat van het heden op de juiste manier partij te trekken, iets wat het dier wel vermag. Dat heftig geestelijk leed, onverwachte ontzettende gebeurtenissen dikwijls waanzin veroorzaken, verklaar ik op de volgende wijze. Voorzoover leed als werkelijke gebeurtenis tot het heden beperkt blijft, is het voorbijgaande en niet ondragelijk zwaar; overmatig groot wordt het eerst alsblijvendesmart, maar als zoodanig steunt het op het geheugen en is het dus gedachte; wanneer nu een uiterst smartelijk weten of herdenken een zoo ontzettende kwelling is, dat zij[162]niet langer te dragen is en de individu er onder bezwijken zou, dan grijpt de in de engte gedreven natuur naar den waanzin als naar het laatste middel om het leven te redden; de zoo fel gepijnigde geest verscheurt den draad van het geheugen, vult de leemten met waanvoorstellingen aan en ontvlucht op die wijze zijn verdriet, gelijk men een door koud vuur aangetast been afzet en het door een houten vervangt. Als voorbeeld noem ik den razenden Ajax, Koning Lear en Ophelia. Hoewel scheppingen van het genie, zijn ze aan levende personen gelijk te stellen. Een zwakke overeenkomst met dezen overgang van smart tot waanzin is dat wij allen een pijnlijke herinnering, die ons plotseling invalt, werktuigelijk door heftige bewegingen of luide klanken trachten te verjagen om zoo met geweld ons zelven te verstrooien.Men lette ook hierop, dat de geniale mensch de kennis van den samenhang der dingen uit het oog verliest. Eén geval geldt bij hem voor duizende, één ding vertegenwoordigt bij hem een geheele soort. Het objekt van zijn beschouwing verschijnt hem in zoo helder licht, dat de schakels der keten, waardoor het met allerlei andere dingen[163]verbonden is, verduisterd worden, en dat juist is weer een punt van overeenkomst met den waanzin. Wat in het voorhanden ding slechts onvolkomen en door bijomstandigheden verzwakt aanwezig is, wordt door de beschouwingswijze van het genie tot volkomenheid verheven. Zoo ziet het genie overal uitersten en vervalt ook zijn handelen tot uitersten. Hij weet de rechte maat niet te treffen. Hij kent de ideeën, maar niet de individuen. Dikwijls heeft men opgemerkt, dat een dichter, die den mensch diep en grondig doorziet, zich door de menschen om den tuin laat leiden en een speeltuig is in de handen van den listige.Het vermogen om ideeën te aanschouwen, ieder genie in buitengewone mate eigen, komt ook den gewonen sterveling in geringer graad toe; anders zou hij evenmin in staat zijn de gewrochten der kunst te genieten als ze zelf voort te brengen, en zouden woorden als schoonheid en verhevenheid voor hem louter klanken zijn. Het æsthetisch welbehagen is een en hetzelfde, het moge door een werk der kunst of door aanschouwing van natuur en leven te voorschijn worden geroepen. Dat uit het kunstwerk de idee duidelijker tot ons[164]spreekt dan uit de natuur of het leven, moet daaraan worden toegeschreven, dat de kunstenaar in staat is alle storende toevalligheden, welke den glans der idee in de werkelijkheid verduisteren, opzettelijk weg te laten. De kunstenaar laat ons door zijne oogen in de wereld kijken. Dat hij die oogen heeft, waardoor hij het typische der dingen ontdekt, is natuurgave, maar techniek, verworven kunst is het, dat hij ons door zijn oogen kan doen zien.Alle willen ontspruit uit behoefte, dus uit gebrek, dus uit lijden. Aan dat lijden maakt de vervulling der behoefte een einde. Maar tegenover één wensch, die wordt bevredigd, blijven er ten minste tien onvoldaan. De verlangens gaan tot in het oneindige, het begeeren duurt lang, maar de voldoening wordt kortstondig en karig toegemeten. Dikwijls is ze zelfs niet meer dan schijnbaar. De bevredigde wensch maakt terstond voor een nieuwen plaats. Gene blijkt de reeds gekende, deze is de nog onbekende dwaling. Duurzame, niet meer wijkende bevrediging is door niets te verschaffen. De vervulde behoefte is gelijk een aalmoes den bedelaar toegeworpen; zij rekt zijn leven voor heden, zoodat hij morgen opnieuw[165]zijn ellende zal kunnen gevoelen.—Daarom, zoolang ons bewustzijn vol is van ons willen, zoolang wij aan den drang der wenschen met zijn gedurig hopen en vreezen ons overgeven, valt ons geen blijvend geluk, geen rust te beurt. Hetzij wij genot najagen of onheil ontvlieden, in den grond der zaak komt dat op hetzelfde neer: de zorg voor den steeds eischenden wil, onverschillig onder welke gestalte, neemt het bewustzijn in beslag en zweept het voortdurend verder. Zonder rust geen echt welzijn. Zoo ligt het subjekt van het willen voortdurend op het draaiende rad van Ixion, het schept bestendig in het doorzeefde vat der Danaïden, het is de eeuwig smachtende Tantalus. Gaat men daarentegen op in aanschouwing, vergeet men zijn individualiteit, verliest men zich in het objekt, daar het buiten alle betrekking tot andere objekten en ons zelf wordt opgevat, komt het als idee van zijn soort tegenover ons te staan en wordt zoo de mensch willoos subjekt van kennis, dan zijn voorwerp en subjekt beiden uit het gewoel des tijds omhoog gebeurd en komt het op hetzelfde neer of men uit een kerker dan wel uit een paleis de zon prachtig ziet ondergaan.[166]Zulk een toestand, waarbij het kennen het overwicht heeft op het willen, kan, indien de vereischte stemming des gemoeds er is, in iedere omgeving worden te voorschijn geroepen. Dit toonen ons de voortreffelijke Nederlanders, die hun objektieve beschouwing op de meest onbeteekenende dingen richten en een duurzaam monument van hun geestesrust in hun „stillevens” ons te aanschouwen geven. Wie die doeken ziet, voelt zich ontroerd, daar ze hem den stillen, rustigen, willoozen gemoedstoestand van den kunstenaar vertegenwoordigen, die noodig was om zoo nietige dingen met zoo groote liefde gade te slaan, en het beschouwde zoo bezonnen weer te geven; terwijl het beeld ons oproept om aan dergelijke stemming deel te hebben, wordt onze ontroering misschien nog verhoogd door de tegenstelling met ons eigen onrustig, heftig, troebel willen. In denzelfden geest hebben dikwijls landschapschilders, in het bizonder Ruysdael gearbeid en zoo dezelfde werking op nog blijder trant te voorschijn geroepen. Thans zal men begrijpen, hoe de door hartstochten voortgezweepte, door nood en zorgen gekwelde plotseling zich verkwikt, opgevroolijkt en overeind gericht kan gevoelen, wanneer het hem gelukt[167]zich aan den slavendienst van den wil voor een oogenblik te ontworstelen en een enkelen vrijen blik op een schoon natuurtafereel te richten.Die zaligheid van het willooze aanschouwen is het ten slotte, welke over het verleden en het vèr-afzijnde een zoo tooverachtig licht uitgiet en door zelfmisleiding dat alles veel fraaier doet schijnen dan het was. Immers als we lang verloopen dagen in een ver verwijderd oord ons voorstellen, dan zijn het de dingen alleen, die onze fantasie terugroept, niet het subjekt van het willen, dat toen evenzeer als thans zijn ongeneeselijk leed met zich ronddroeg. Dit laatste is vergeten, omdat het sedert voor zoo menig ander verdriet heeft plaats geruimd. Nu werkt de objektieve aanschouwing in de herinnering op dezelfde manier als de tegenwoordige dat zou doen, indien wij maar in staat waren ons willoos aan haar over te geven. Daardoor komt het dat, vooral wanneer wij meer dan gewoonlijk door nood en angst ons gekweld gevoelen, de plotselinge herinnering aan tooneelen uit het verleden en aan ver afgelegen oorden, als een verloren paradijs aan ons voorbijvliegt.De æsthetische toestand van zuivere aanschouwing[168]wordt, gelijk vanzelf spreekt, het gemakkelijkst geboren wanneer de voorwerpen door rijkdom en bepaaldheid van gestalte duidelijke vertegenwoordigers van hunne ideeën en dus in den objektieven zin des woords schoon zijn. Dat is de reden waarom licht het meest verblijdende van alle dingen is en als symbool van al het goede en zegenrijke geldt. In alle godsdiensten beteekent het: eeuwig heil—maar duisternis daarentegen verdoemenis. Er komt bij, dat het zien niet, gelijk de aandoening van andere zinnen, op zich zelf reeds aangenaam of onaangenaam behoeft te zijn; eerst de in het verstand geboren aanschouwing brengt het objekt in betrekking met den wil. Reeds bij het gehoor is dit anders: geluiden kunnen rechtstreeks pijnlijk zijn of streelend, afgezien van harmonie en melodie. Het gevoel is nog meer aan dezen onmiddellijken invloed op den wil onderworpen: toch is er een tasten, dat niet met smart of wellust gepaard gaat. Reuk en smaak daarentegen bezorgen altijd lust of onlust. De beide laatstgenoemde zinnen zijn dus het meest door den wil bezoedeld, en heeten daarom de onedele, of wel, zooals bij Kant, de subjektieve zinnen. De blijdschap over het licht[169]is enkel blijdschap over deobjektievemogelijkheid van zuivere, aanschouwelijke kennis, waarbij de wil op nonactiviteit is gesteld en dus het æsthetisch genot tot zijn recht kan komen. Men denke maar eens aan de groote schoonheid, welke de afspiegeling der voorwerpen in het water te voorschijn toovert.Wanneer echter die voorwerpen, wier door licht bestraalde gestalten ons tot kontemplatie uitnoodigen, vijandig staan tegenover het menschelijk lichaam door hun allen weerstand verpletterende overmacht, of wel door hun onmetelijken omvang den mensch dwingen zijn nietigheid te gevoelen, terwijl bij de beschouwing, ofschoon dat alles waargenomen en erkend wordt, het met opzet buiten rekening blijft, de mensch dus met geweld zich losscheurt van zijn wil, ten einde enkel kennend subjekt te zijn, hij zich zoo boven zichzelf verheft, dan vervult hem het gevoel van het verhevene, dan beseft hij wat verhevenheid is. Er is verschil tusschen gevoel voor het verhevene en dat voor het schoone: bij het laatste wint het zuivere kennen zonder strijd de bovenhand, daar de eigenaardigheid van het objekt waardoor het zijn idee afspiegelt, zonder weerstand en dus onmerkbaar[170]den wil tot zwijgen brengt, de in zijn dienst staande kennis van verhoudingen uit het bewustzijn verwijdert en zoo enkel het zuiver objekt der kennis overblijft; bij het verhevene daarentegen wordt die toestand van zuivere kennis eerst daardoor gewonnen, dat men met geweld zijn aandacht aftrekt van de vijandige betrekkingen, waarin het objekt tot ons staat, en men zich dus vrij, met bewustzijn, boven het met lust en onlust rekening houdend inzicht verheft. Die verheven stemming moet niet enkel gewonnen, maar ook gehandhaafd worden, gaat dus gepaard met voortdurend denken aan den wil, doch niet aanindividueelwillen, zooals vreezen of wenschen, maar aan menschelijk willen in het algemeen, in zoover het door zijn objektieve verschijning, het menschelijk lichaam, wordt uitgedrukt. Indien een werkelijk bepaald willen in het bewustzijn optrad ten gevolge van persoonlijk gevaar, waarmede het objekt ons bedreigde, dan zou de zoo in beweging gebrachte individueele wil terstond de bovenhand erlangen, de rust der kontemplatie verstoord worden, de indruk van het verhevene verloren gaan, voor angst plaats maken; de individu zou trachten zich te redden en daarbij iedere andere[171]gedachte uit het bewustzijn verdrongen worden.Uit een objektief oogpunt is er geen wezenlijk verschil tusschen het schoone en het verhevene, want in beide gevallen is het voorwerp der æsthetische beschouwing niet het enkele ding, maar de daarin zich openbarende idee, welke met tijd en zelfs met ruimte niets te maken heeft, want niet de mij voor oogen zwevende uitgebreide gestalte, maar de uitdrukking, de beteekenis er van, haar innerlijk wezen, dat wat zich voor mij ontsluit en mij toespreekt, ziedaar de idee, welke bij groot verschil van ruimte- en tijdsbetrekkingen geheel dezelfde kan zijn. Daar in ieder ding de wil op zekeren trap van zijn ontwikkeling verschijnt, en het dus uitdrukking van een idee is, moet ieder ding schoon heeten. Het bleek ons reeds, dat zelfs het meest onaanzienlijke in de Nederlandsche schilderschool zich als schoon bewaarheidt, daar het onbaatzuchtige beschouwing gedoogt. Schooner is evenwel het eene dan het andere daardoor, dat het tot die zuiver objektieve beschouwing uitnoodigt, ja er als het ware toe dwingt, in welk geval wij ietszeerschoon noemen. Zoo is de mensch meer dan alle andere schepselen schoon en de openbaring van zijn[172]wezen het hoogste doel der kunst, want de idee die uit dit schepsel spreekt, openbaart ons den wil op den hoogsten trap van zijn ontwikkeling. Menschelijke gestalte en uitdrukking van menschelijk zieleleven bekleeden in de beeldende kunst de voornaamste plaats, zooals het menschelijk handelen in de poëzie den eersten rang inneemt. Toch heeft ieder ding zijn eigenaardige schoonheid, en dat geldt zelfs van het onbewerktuigde, het vormlooze. Hier openbaren zich de ideeën, welke de wil op de laagste trappen van zijn ontwikkeling inneemt, en die om zoo te zeggen de diepste, nagalmende bastonen der natuur doen weerklinken.De bouwkunst, enkel als schoone, niet als nuttige kunst opgevat, heeft geen ander doel dan de ideeën, welke de wil op de laatste trappen inneemt, tot duidelijke aanschouwing te brengen: zwaarte, cohesie, vastheid, hardheid, de algemeene eigenschappen van den steen, doch daarenboven nog het licht, dat in menig opzicht een tegenstelling met die eerste, eenvoudigste, dofste zichtbaarheden van den wil vormt. Zelfs hier openbaart zich het wezen van den wil in tweedracht, want eigenlijk is de strijd tusschen zwaarte en[173]vastheid het eenige æsthetische motief der architektuur; dien strijd op menigvuldige wijze volkomen duidelijk te voorschijn te doen treden, is hare taak. Zij vervult ze door aan die onverdelgbare krachten den kortsten weg tot hare openbaring te versperren en ze langs een omweg te leiden, waardoor de strijd verlengd en het onuitputtelijk streven van beide krachten op menigvuldige wijze zichtbaar wordt. De gansche steenmassa zou, aan haar oorspronkelijke neiging overgelaten, een enkelen klomp uitmaken, zoo nauw mogelijk met den aardbodem verbonden, want dat is het, waartoe de zwaarte, als hoedanig de wil hier verschijnt, onophoudelijk dringt, terwijl de vastheid, eveneens openbaring van den wil, weerstand biedt. Maar, zooals gezegd, die neiging, dat streven wordt door de bouwkunst verplicht langs een omweg zijn bevrediging te zoeken. Zoo worden de balken gedwongen, door middel van de zuilen, niet rechtstreeks, de aarde te drukken; het gewelf moet zich zelf dragen en enkel door tusschenkomst van de pilaren kan het zijn streven naar omlaag voldoen. Maar juist door die belemmeringen ontvouwen zich de krachten, welke in de ruwe steenmassa huizen, zoo duidelijk[174]en veelzijdig mogelijk: verder kan het zuiver æsthetisch doel der bouwkunst niet gaan. De schoonheid van een gebouw bestaat in de zichtbare doelmatigheid van ieder deel, niet ten opzichte van het daarbuiten liggend doel des menschen, maar ten opzichte van de stevigheid van het geheel; tot haar moet ieder onderdeel door zijn plaats, zijn grootte, zijn vorm in zoo noodwendige verhouding staan, dat, wanneer het kon worden weggenomen, het gansche gebouw zou instorten. Want slechts in zoover als ieder deel zooveel draagt als het voegzaam kan, en juist daar en in die mate gesteund wordt als noodwendig is, ontplooit zich de strijd tusschen vastheid en zwaarte, welke het leven, de wilsuitingen van den steen zijn, tot volkomen zichtbaarheid. Voor willekeur mag er bij dit alles geen plaats zijn. De vorm van ieder deel moet door zijn bestemming en zijn verhouding tot het geheel zijn bepaald. Zoo is b.v. de gewonden zuil smakeloos.Voor het æsthetisch genot van een bouwwerk is het onontbeerlijk van zijn materie, wat haar gewicht, cohesie en vastheid betreft, een rechtstreeksche, aanschouwelijke kennis te hebben, en onze vreugde over zoodanig werk zou door de[175]mededeeling, dat het uit puimsteen bestond, zeer verzwakken, want dan zou het een schijnvertooning zijn.Het eenige en bestendige thema is hier steun en last; de grondwet luidt: geen last zonder voldoenden steun, geen steun zonder daarvoor passenden last.Ik herinner mij bij Cicero gelezen te hebben, dat hij, door de straten van Athene wandelende, tot zijn verbazing, enkel leelijke menschen zag. Waar hebben dan de groote beeldhouwers hunne heerlijke godengestalten vandaan gehaald! Schopenhauer, die over alles heeft nagedacht, weet ook op die vraag een antwoord.Dat wij allen de menschelijke schoonheid opmerken, wanneer wij haar zien, en dit in den echten kunstenaar met zooveel klaarheid geschiedt, dat hij haar toont, zooals hij haar nooit gezien heeft, dat hij dus de natuur in zijn werk overtreft, is slechts op ééne wijze te verklaren:wij zelvezijn de wil, wiens hoogste openbaring: hèt menschelijk lichaam, hier beoordeeld en gevonden wordt. Daardoor alleen kunnen wij vooruitloopen op wat de natuur zich inspant om voort te brengen; de wil der natuur is hier ons eigen wezen; het echte[176]genie heeft maar een half woord noodig om de natuur te verstaan en zuiver uit te spreken wat zij stamelende ten gehoore brengt; zoo gelukt het hem de schoonheid van den vorm in het harde marmer uit te drukken, en, het door hem geschapen beeld aan de min of meer mislukte gewrochten der natuur overstellende, deze laatste als het ware toe te roepen: „dát was het, wat gij zeggen wildet!” „Ja”, zegt de kenner, „dat was het!” De mogelijkheid, dat zoo de kunstenaar het ideaal van menschelijke schoonheid aan zich zelf ontleent, en dat de kenner, als hij het in beeld tegenover zich ziet staan, het als zoodanig waardeert, berust hierop, dat kunstenaar en kenner beiden het „an sich” der natuur, de zich verwerkelijkende wil zelve zijn. Want enkel het gelijke wordt door het gelijke verstaan. Enkel natuur kan zich zelve doorgronden, enkel geest kan geest begrijpen.Voor æsthetisch genot en artistieke schepping is het noodig deideeënder dingen te aanschouwen, welke geheel iets anders zijn dan de op de dingen passendebegrippen. Het begrip is afgetrokken, enkel bepaald in zoover het grenzen trekt, binnen zijn eigen sfeer geheel[177]onbepaald. Het is door definitie voor mededeeling vatbaar. De idee daarentegen is een visioen in alle mogelijke opzichten volkomen bepaald; zij vertegenwoordigt op volmaakte en aanschouwelijke wijze het begrip en ook de oneindige menigte afzonderlijke dingen, welke onder het bereik van het begrip vallen. Het begrip is uit de veelheid afgeleide eenheid, maar de idee is de oorspronkelijke eenheid, welke ten gevolge van onze waarnemingsvormen, ruimte en tijd, in veelheid uiteenvalt. De idee roept in hem, die haar aanschouwt, nieuwe voorstellingen op; zij is als een levend met teelkracht uitgerust organisme, dat iets nieuws voortbrengt. Het begrip is, hoe nuttig en bruikbaar ook voor leven en wetenschap, eeuwig onvruchtbaar voor de kunst. Daarentegen is de idee de echte en eenige bron van ieder kunstwerk. In haar krachtige oorspronkelijkheid ontspruit zij uit het leven zelf, uit de wereld, maar enkel in dien mensch, die door de geestdrift van het genie bezield wordt. Juist omdat de idee aanschouwelijk is en blijft, schept de kunstenaar zonder doel, gelijk de God van Spinoza; hij kan van zijn werken geen rekenschap geven; hij arbeidt, gelijk de menschen het uitdrukken, enkel[178]door gevoel gedreven, onbewust, instinktmatig. De nabootsers daarentegen, zij, die zich een zekere manier hebben eigen gemaakt, gaan in de kunst van het begrip uit; zij merken op wat het is, dat bij de echte kunstwerken behaagt, vormen zich daarvan een duidelijk begrip, bootsen het nu in het geheim met wijs opzet na. Als parasieten zuigen zij hun voedsel uit vreemde werken en vertoonen gelijk polypen de kleur van dat, waarop zij teren. De domme menigte van zeker tijdstip, die zelve eveneens slechts begrippen kent en daaraan hecht, neemt wat de manier van den dag vertoont met bijval op, maar na weinige jaren reeds is zulk maakwerk ongenietbaar, want de tijdgeest is een andere geworden, d.i. de heerschende begrippen, waarin die niet-geniale gewrochten wortelen konden, zijn verouderd en door nieuwe vervangen. De echte kunstgewrochten daarentegen, welke rechtstreeks uit de natuur, uit het leven zijn geput, blijven eeuwig jong en eeuwig frisch.Eenallegorieis een kunstwerk, dat iets anders beteekent dan het te aanschouwen of te lezen geeft, nl. een begrip. Hier moet dus beeld of schilderij een gedachte opwekken, welke het[179]woord op veel volkomener wijze rechtstreeks kan uitdrukken. Het doel der kunst, voorstelling van een aanschouwelijke idee, wordt zoo uit het oog verloren. Wanneer de samenhang tusschen het teeken en het beteekende geheel conventioneel is, dan hebben wij met die soort van allegorie te maken, welkesymboolis. Zoo is de roos symbool van het zwijgen, de laurier van den roem, de schelp van het pelgrimschap enz. De Grieksche beeldhouwkunst richt zich tot de aanschouwing en is dus æsthetisch; die van Hindostan tot het begrip en is dus symbolisch. Het voorbeeld van Winckelmann, die de allegorie, in plaats van haar als vreemd aan de kunst te verwerpen, overal in bescherming neemt en als hoogste doel der kunst de aanduiding van algemeene begrippen noemt, bewijst, dat men zeer gevoelig kan zijn voor kunstschoon en daarover juist oordeelen, zonder nochtans van het wezen van schoonheid en kunst rekenschap te kunnen geven, gelijk men edel en deugdzaam in hooge mate kan zijn en een fijn geweten hebben, dat nauwkeurig als een goudschaal in ieder bizonder geval beslist wat goed en behoorlijk is, zonder dat men daarom de ethische beteekenis van handelingen[180]op wijsgeerigen trant weet te doorgronden en in woorden uit te drukken.Te midden van de schoone kunsten neemt volgens Schopenhauer de muziek een geheel eigen plaats in. Om de theorie, die hij over haar ontvouwt, juist te vatten, moeten wij op het volgende letten. Voor opzettelijk handelen, dat doel zal treffen, wordt kennis vereischt. Het intellekt is volgens Schopenhauer dan ook oorspronkelijk enkel bestemd om motieven aan het handelen te verschaffen. Vandaar dat bij de dieren en zelfs bij de meeste menschen de lust om waar te nemen gaat kwijnen, zoodra er niets mee te bereiken valt. Bij sommigen is er echter een overschot van verstandelijke kracht, dat tot aanschouwing kan worden besteed, welke, aan de doeleinden van den wil gemeten,nutteloosen daarom juist zuiverobjektiefis. Als er niet gevraagd wordt naar de betrekkingen waarin een ding, rechtstreeks of zijdelings, mogelijkerwijze tot den wil staat, er dus niet gelet wordt op de plaats waar en den tijd waarin, niet op de oorzaken waardoor en de middelen waartoe, als men m.a.w. alleen het voorwerp in het oog vat, dan staat men, wel niet tegenover den wil, die zich in dat ding vertoont, want wil wordt enkel gekend door bewustzijn van eigen streven, maar tegenover de idee, die zich in het verschijnsel afspiegelt. Dan is men zonder begeerte en louter kennend subjekt.[181]Dan ondervindt men den wellust, die extase heet; dan verliest men zich in het aanschouwde.Ziedaar het genot, dat door alle kunsten bezorgd wordt, met uitzondering van de muziek. Zij alleen brengt ons niet met aanschouwelijke ideeën in betrekking, maar ontsluiert ons den grond van al het aanschouwelijke, het wezen aller wezens, den wil. In dit gedeelte van Schopenhauer’s schoonheidsleer laten zich twee partijen van ongelijke waarde onderscheiden. Op fantastische wijze, als een echt romantikus, trekt hij een hoogst willekeurige parallel tusschen de wereld der geluiden en de wereld der ideeën. De grondbas met zijn diepe tonen vertegenwoordigt de onbewerktuigde stof; de hoogere tonen heeten overeenkomst te hebben met planten en dieren; de intervallen van de toonladder duiden de scheiding der levende wezens in verschillende soorten aan enz. Aantrekkelijker dan deze poging om in alles, wat op muzikaal gebied gevonden wordt, een kosmisch symbool te ontdekken, is zijne beschouwing over de ontroering, die zich van den mensch meester maakt, bij het luisteren naar een voortreffelijk toondicht.De muziek is een zoo groote en heerlijke kunst, werkt zoo machtig op het gemoed, wordt zoo volledig als een algemeene taal door ieder beschaafd mensch verstaan, overtreft zoozeer in duidelijkheid zelfs de aanschouwelijke wereld, dat[182]wij zeker meer in haar te zoeken hebben dan het onbewust tellen, waarvoor Leibnitz haar hield, daar hij enkel op de uitwendige schaal en niet op de kern lette. Ware zij niets meer dan dat, zoo moest de bevrediging, welke zij verschaft, gelijksoortig zijn aan die, welke wij bij de juiste uitkomst van een rekensom gevoelen, en ze kon niet die zalige vreugde zijn, waarmede wij de diepste diepten van ons wezen vertolkt gevoelen. Om de æsthetische werking der muziek te verstaan, moeten wij haar een veel ernstiger en dieper beteekenis toekennen, die op het innerlijk wezen van wereld en mensch betrekking heeft. De getalsverhoudingen, waarin zij zich laat oplossen, kunnen hoogstens enkel als teekenen gelden.Het doel van alle overige kunsten is ons met de ideeën bekend te maken; daar onze wereld niets anders is dan de verschijning van ideeën in veelheid van dingen, is de muziek, die alle ideeën overslaat, van de wereld der verschijnselen geheel onafhankelijk. Muziek zou, als zij zonder instrumenten kon bestaan, ook al ware de wereld er niet, toch kunnen genoten worden, wat zich niet van de overige kunsten zeggen laat. Muziek[183]is even rechtstreeksche afspiegeling van den wereldwil als de wereld zelve dat is. Daardoor juist is de werking der muziek zooveel machtiger dan die der overige kunsten: want deze spreken enkel van de schaduw, zij van het wezen.Begrip is hier, gelijk overal in de kunst, onvruchtbaar. De komponist openbaart het diepste wezen der wereld en spreekt de hoogste wijsheid uit in een taal, die zijn rede niet verstaat, gelijk de magnetische somnambule mededeelingen doet over dingen, van welke zij in wakenden toestand geen besef heeft. Daarom is bij den komponist, meer dan bij iemand anders, de mensch van den kunstenaar geheel te scheiden.Juist omdat de muziek het innerlijk wezen der wereld vertolkt en nooit tot het verschijnende zelf in rechtstreeksche betrekking staat, kan zij geen uitdrukking geven aan bizondere, bepaalde blijdschap, droefheid, ontzetting, onder die en die omstandigheden, maar slechtsdevreugde,desmart,denjubel, de gemoedsrust, om zoo te zeggen in het afgetrokkene, het wezenlijke van dat alles, zonder eenig bijwerk, ten gehoore brengen. Toch verstaan wij haar volkomen. Dat is de reden waarom onze fantasie zoo licht door[184]haar in beweging wordt gebracht en dan beproeft die onzichtbare en toch zoo levendig tot ons sprekende geestelijke wereld met vleesch en been te bekleeden, haar dus in een analoog voorbeeld te belichamen. Ziedaar de oorsprong van het gezang met woorden en ten slotte van de opera, maar een groote fout is het, wanneer datgene, wat hoofdzaak moet zijn, de muziek, daarbij in ondergeschikte stelling geraakt. Juist de algemeenheid van de muziek, waardoor het buiten hare macht ligt bizondere gebeurtenissen te vertolken of bepaalde toestanden aan te wijzen, schenkt haar de hooge waarde, welke zij als geneesmiddel van menschelijk lijden heeft. Wanneer dus de muziek te zeer zich bij de woorden tracht aan te sluiten en naar de gebeurtenissen zich tracht te schikken, dan beproeft zij een taal te spreken, die de hare niet is. Van deze fout heeft Rossini zich meer dan iemand anders vrij gehouden; zijne muziek spreekt zoo duidelijk en zuiver haar eigen taal, dat zij de woorden in het geheel niet noodig heeft, en, enkel met instrumenten uitgevoerd, hare volle werking blijft uitoefenen.Uit de innige verhouding, waarin de muziek tot het ware wezen van alle dingen staat, is ook[185]dit te verklaren, dat, wanneer begeleidende muziek ten volle past bij een handeling, gebeurtenis, tooneelinrichting, omgeving, zij als de duidelijkste kommentaar daarop zich gelden doet; eveneens is het hem, die zich aan den indruk van een symfonie geheel overgeeft, als zag hij alle mogelijke gebeurtenissen des levens aan zich voorbijtrekken; toch kan hij, wanneer hij zich bezint, geen overeenkomst aangeven tusschen het toondicht en de dingen die hem voor den geest zweven. Immers de muziek is daarin van alle andere kunsten verschillend, dat ze geen afbeelding van de wereld der voorstelling, maar van den wil zelven is en dus niet het physische maar het metaphysische tot uitdrukking brengt. Men zou de wereld evengoed een belichaming van muziek als van wil kunnen noemen.Het onuitsprekelijk innige van muziek, dat haar als een paradijs doet zijn, waarin wij geheel ons tehuis gevoelen, terwijl het toch onmetelijk ver van ons af ligt, dat volkomen begrijpelijke en toch zoo vreemde van muziek, vindt daarin zijn oorsprong, dat ze alle bewegingen van de diepste diepten onzer ziel wedergeeft, maar geheel buiten de werkelijkheid om en dus zonder eenige bezoedeling met ’s levens ellende.[186]De wereld als voorstelling is de spiegel, waarin de wereld als wil zich zelf aanschouwt. Oorspronkelijk is de wil blinde, doffe drang; enkel daar, waar kennis, met andere woorden voorstelling, geboren wordt, komt de wil tot zelfbewustzijn, bespeurt hij, wat het is, dat hij wil, dat hij namelijk niet anders wil dan deze wereld, het leven juist zooals het is.Tevens ontdekt de wil dan dat de individuen voor hem geen waarde hebben en dat het hem enkel om de soorten te doen is. Op naïeve wijze verkondigt zoo de natuur deze groote waarheid, dat uitsluitend de ideeën werkelijkheid bezitten. De juiste theorie der geslachtsliefde is geheel in overeenstemming met deze leer, gelijk wij thans zien zullen.Alle verliefdheid, hoe etherisch zij zich ook moge aanstellen, wortelt enkel in het sexueele verlangen en is enkel een nader bepaald, op dit of dat individu gericht instinkt. Wanneer men, dit in aanmerking nemende, de gewichtige rol gadeslaat, welke de liefde, in al haar graden en schakeeringen, niet enkel op het tooneel en in de romans, maar ook in de werkelijke wereld vervult, waar zij, naast de liefde tot het leven[187]zich als de sterkste van alle drijfveeren openbaart, de helft der krachten en gedachten der jongere menschheid voortdurend in beslag neemt, het laatste doel van bijna ieder menschelijk streven is, op de gewichtigste aangelegenheden den nadeeligsten invloed erlangt, de ernstigste bezigheden ieder oogenblik doet afbreken, soms zelfs de helderste hoofden voor een wijle in verwarring brengt, zich niet ontziet te midden van de verhandelingen der staatsmannen en de onderzoekingen der geleerden storend met haar nesterijen in te grijpen, haar liefdesbrieven en haarlokken, zelfs in portefeuilles van ministers en manuscripten van philosofen, weet binnen te smokkelen, niet minder dagelijks de hevigste en meest ingewikkelde twisten doet ontbranden, de hechtste banden verscheurt, betrekkingen van de allerhoogste waarde ontbindt, nu eens leven of gezondheid, dan weer rijkdom, aanzien en voorspoed tot haar offer kiest, ja den braafste gewetenloos, den trouwste verraderlijk maakt, dus over het geheel genomen als een vijandige demon optreedt, die er op uit is verwarring te stichten en alles omver te werpen;—dan móet men wel uitroepen: Waartoe al die drukte? Waartoe dat dringen en razen, die angst[188]en die nood? Het komt er toch maar op aan, dat ieder Hans zijn Gretchen krijgt: waarom moet zulk een kleinigheid een zoo gewichtige rol spelen, en telkens stoornis en verwarring te weeg brengen in het wèl geordende menschelijke leven?—De geest der waarheid antwoordt hier aan iederen ernstigen denker: het is geen kleinigheid die hier op het spel staat, het geldt hier een zaak, gewichtiger dan alle andere doeleinden, en daarom de diepe ernst, waarmee ieder haar behartigt, ten volle waard. Dàt namelijk, wat hier beslist moet worden, is niets minder dan de samenstelling der volgende generatie. Door die beuzelachtige minnarijen wordt uitgemaakt, welke handelende personen op het tooneel zullen werkzaam zijn, wanneer wij zelve zullen zijn afgetreden. En van de samenstelling van dat op ons volgende geslacht hangen weer tallooze later komende geslachten af. Dit hooge gewicht der zaak, waarbij het niet om wèl en wee van thans levende individuen, maar om bestaan en karakter van het menschelijk geslacht in toekomstige tijden gaat, heeft ten gevolge, dat de wil van den enkeling hier in verhoogde macht als wil der soort te voorschijn treedt; dit is het, waarop het pathetische en het[189]verhevene van alle liefdesaangelegenheden, het alles te boven gaande van hare verrukkingen en smarten berust, wat de dichters in talrijke voorbeelden sedert duizenden van jaren niet moede worden ons voor oogen te stellen; geen onderwerp is zoo belangrijk als dit, daar het hier het wel en wee der soort betreft en dus tot alle overige, welke slechts het welzijn der enkelingen raken, zich als een lichaam tot een vlak verhoudt. Daarom juist is het zoo moeielijk een drama zonder minnehandel belangrijk te doen zijn en daarom geldt het hier een thema, dat zelfs door het dagelijksch gebruik niet afgezaagd wordt.Wat in het bewustzijn zich voordoet als het sexueele verlangen op een bepaald individu gericht, is op zich zelf de wil als een bepaald individu geboren te worden. In dit geval weet de geslachtsdrift, ofschoon op zich zelve een subjektieve behoefte, zeer geschikt het masker van objektieve bewondering aan te nemen en zoo het bewustzijn om den tuin te leiden; tot bereiking van hare doeleinden heeft de natuur die krijgslist van noode. Dat het echter, hoe objektief en hoe verheven ook die bewondering moge schijnen, bij alle verliefdheid toch enkel om de voortbrenging[190]van een bepaald individu te doen is, wordt vooral daardoor bevestigd, dat niet weerkeerige liefde, maar bezit, als hoofdzaak hier beschouwd wordt. De zekerheid van beantwoorde liefde kan nooit over het gemis aan bezit troosten; integendeel heeft menigmaal zulk een toestand tot zelfmoord geleid. Daarentegen neemt iemand, die hevig verliefd is, wanneer hij zijn liefde niet beantwoord kan krijgen, het desnoods met de door geschenken afgekochte gunst van een vrouw of ook met verkrachting voor lief. Bij iederen liefdesroman is het doel, ook al begrijpen de partijen het zelve niet, dat er dit of dat bepaalde kind worde verwekt; de manier, waarop dit doel bereikt wordt, is bijzaak. Hoe luide ook de gevoelvolle, verliefde paartjes zich tegen het grove realisme van dergelijke beschouwing mogen verzetten, toch dwalen zij. Werkelijk is het de toekomstige generatie in haar individueele bepaaldheid, die, bij al de omslachtigheden en eindelooze bemoeienissen tot het erlangen der geliefde vrouw, er naar hunkert om te voorschijn te treden. De aanwassende genegenheid van een minnend paar is eigenlijk reeds de drang om te leven van het nieuwe individu, dat zij zouden kunnen en zouden willen verwekken;[191]ja, in de blikken vol verlangen, waarmede zij elkander aanzien, ontvlamt reeds het nieuwe leven en kondigt het zich aan als een toekomstige, harmonisch samengestelde individualiteit.Het egoïsme is een zoo diep gewortelde eigenschap bij alle individuen dat, wil men ze aan het werk zetten, zelfzuchtige doeleinden de eenige zijn, waarop men met zekerheid rekenen kan. Nu heeft zeker de soort op het individu een nader, hooger en ouder recht dan het voorbijgaande individu op zich zelf: wanneer echter het individu voor bestaan en welzijn der soort zorgen en zelfs offers brengen moet, dan kan aan zijn intellekt, dat er enkel op ingericht is om zelfzuchtige doeleinden na te streven, het gewicht dier aangelegenheid niet zoo duidelijk worden gemaakt, dat er dienovereenkomstig gehandeld wordt. Derhalve kan in zoodanig geval de natuur haar doel slechts daardoor bereiken, dat zij den individu een zekerenwaanin het gemoed plant, ten gevolge van welken hem als een goed voor hem zelf toeschijnt wat in waarheid slechts een goed voor de soort is, zoodat hij de soort dient, terwijl hij meent zich zelf te dienen; bij welke gebeurtenis hem een hersenschim voor den geest zweeft, die als[192]beweegkracht de plaats van werkelijkheid inneemt en bestemd is onmiddellijk daarna te verdwijnen. Deze waan is het instinkt. In de allermeeste gevallen is instinkt de genius der soort, welke datgene wat der soort ten nutte komt door den wil verrichten doet. Deuitwendige verschijningvan het instinkt nemen wij het best bij de dieren waar, doch debinnenzijdeer van kunnen wij, gelijk al het innerlijke, enkel aan ons zelven leeren kennen. Nu is het een zeer bepaald, hoogst samengesteld instinkt, dat de keuze van een individu voor geslachtsbevrediging met zoo diepen ernst en groote eigenzinnigheid juist op een bepaalden persoon richt … De duizelingwekkende verrukking, die zich van den man bij den aanblik van juist die en geen andere vrouw meester maakt en hem de vereeniging met haar als het hoogste goed voorspiegelt, is een instinkt, dat op het welzijn der soort is gericht, terwijl de mensch zich verbeeldt enkel zijn eigen genot te zoeken. Inderdaad ontsluiert zich hier het wezen van alle instinkt. Het is een werken, dat meestal door een bepaald doel, n.l. het welzijn der soort, wordt geleid, terwijl in werkelijkheid dat doel niet tot het besef van den werkenden individu komt. De[193]zorgvuldigheid, waarmede een insekt een bepaalde bloem of vrucht of de een of andere larve opzoekt, om juist dáár zijn eieren te leggen, en, om dat te bereiken, moeite noch gevaar ontziet, vertoont groote overeenkomst met die, waarmede een man de vrouw uitkiest tot geslachtsbevrediging en daarbij zijn eigen levensgeluk dikwijls opoffert of zelfs door misdaad als echtbreuk of verkrachting zijn doel weet te bereiken, en dat alles om aan den souvereinen wil der natuur te gehoorzamen en ten koste van den individu het belang der soort te dienen. Een waan is het, die den man voorgoochelt, dat hij in de armen van een bepaalde vrouw en van geen andere een oneindig grooter bevrediging zal vinden; dus meent hij voor zijn eigen genot zich moeite en opoffering te getroosten, terwijl het er enkel om te doen is, dat een bepaald individu, dat enkel van dat ouderenpaar afkomstig kan zijn, in het aanzijn zal treden. Overeenkomstig deze opvatting ziet ieder verliefde, wanneer hij eindelijk zijn doel bereikt heeft, zich wonderlijk ontgoocheld en bevreemdt het hem, dat de hartstochtelijk begeerde gemeenschap geen grooter geluk schonk, dan hij ook elders had kunnen vinden.[194]Dit alles werpt licht op het instinkt, dat den vogel zijn nest doet bouwen, het insekt naar prooi doet jagen, die, voor dat diertje zelf ongenietbaar, als voedsel voor de toekomstige larven naast de eieren wordt gelegd. Al die dieren worden ongetwijfeld door een waan geleid, welke den dienst der soort achter het masker van een egoïstisch doel verbergt.In dit verband wijst Schopenhauer er vervolgens op, dat de man naar afwisseling haakt, terwijl de vrouw in den regel aanhankelijk blijft aan den individu harer keuze. Hij verklaart dit uit het doel der natuur, dat op behoud en sterke vermeerdering der soort gericht is; de man kan in korten tijd een talrijk nakroost verwekken, terwijl de vrouw in dienzelfden tijd slechts één kind kan ter wereld brengen. Ook drijft de natuur de vrouw om den voeder en beschermer der kinderen voor zich te behouden. Echtelijke trouw is voor den man, volgens Schopenhauer, een kunstmatig verkregen produkt der beschaving, terwijl zij voor de vrouw natuurlijk is en echtbreuk bij haar, niet enkel wegens de gevolgen, maar ook om zijn tegennatuurlijk karakter, veel onvergeeflijker is dan bij den man. Schopenhauer vat zijne beschouwing in deze woorden samen:Het liefdesverlangen, door de dichters van alle[195]tijden op alle wijzen bezongen, terwijl het onderwerp onuitputtelijk blijft, dat verlangen, waardoor aan het bezit van een bepaalde vrouw de voorstelling van oneindige zaligheid wordt vastgeknoopt, terwijl de gedachte dat zij buiten zijn bereik zou kunnen blijven den man onuitsprekelijk doet lijden, dat verlangen en die pijn der liefde kunnen niet wortelen in de behoeften van een vergankelijk individu; hier hooren wij de verzuchtingen van den genius der soort, welke in tegenstelling met den individu oneindig leven heeft, en dus voor oneindige wenschen en oneindige smarten vatbaar is. Maar die wenschen en smarten zijn opgesloten in de enge borst van een sterveling, welke onder dien machtigen druk schijnt te willen barsten. Alleen de genius der soort is in staat om met één blik te zien, welke waarde voor hare doeleinden een zeker paar menschen kan hebben. De groote hartstochten ontstaan dan ook in den regel bij den eersten aanblik. Daarom is het verlies der geliefde door een mededinger of door den dood voor den vurigen minnaar een smart, die alle andere te boven gaat. Zij treft hem niet enkel als individu, maar grijpt hem aan in zijn eeuwig wezen, in het leven der soort, tot welks[196]lastdrager en wilsuitvoerder hij geroepen werd. Om die reden is ijverzucht zoo grimmig en pijnlijk en is er geen grooter offer denkbaar dan van een geliefde te moeten afstand doen. Een held schaamt er zich voor jammerkreten te slaken, maar liefdesklachten laat hij hooren, want in dezen is het niet hij zelf, maar de soort, die haar schreiende stem verheft.Het lijdt geen twijfel of Wagner heeft zich o. a. bij zijn schepping van Tristan en Isolde door Schopenhauer tot die hooge opvatting der liefde laten bezielen, volgens welke zij oneindig meer is dan een festijn, waaraan een paar menschen in hun wittebroodsweken zelfzuchtig te gast gaan.[197]

Great wits to madness sure are near allied,And thin partitions do their bounds divide.Aan waanzin is de groote geest verwant,En beiden scheidt slechts een zeer dunne wand.Bij veelvuldig bezoek van krankzinnigenhuizen heb ik enkele lijders met onmiskenbaar grooten aanleg aangetroffen; hun genialiteit scheen duidelijk door den waanzin heen, die echter geheel de overhand had. Dit kan niet toevallig zijn, want het aantal waanzinnigen is betrekkelijk zeer klein, terwijl een geniaal individu een hoogst zeldzame uitzondering mag heeten. Ik wil kort mijn meening[161]zeggen over den grond van de verwantschap tusschen waanzin en genialiteit.De kennis van den waanzinnige heeft met die van het dier gemeen, dat beiden tot het aanwezige beperkt zijn. Toch is er verschil. Het dier heeft geen voorstelling van het verleden, ofschoon het door de kracht der gewoonte er de werking van ondervindt; na jaren herkent de hond zijn vroegeren meester, d.w.z. ondervindt bij zijn aanblik den ouden indruk. Doch van den sedert verloopen tijd herinnert het dier zich niets. De waanzinnige daarentegen draagt in zijn rede een valsch beeld van het verleden met zich rond en onder den invloed van dat beeld is hij niet in staat van het heden op de juiste manier partij te trekken, iets wat het dier wel vermag. Dat heftig geestelijk leed, onverwachte ontzettende gebeurtenissen dikwijls waanzin veroorzaken, verklaar ik op de volgende wijze. Voorzoover leed als werkelijke gebeurtenis tot het heden beperkt blijft, is het voorbijgaande en niet ondragelijk zwaar; overmatig groot wordt het eerst alsblijvendesmart, maar als zoodanig steunt het op het geheugen en is het dus gedachte; wanneer nu een uiterst smartelijk weten of herdenken een zoo ontzettende kwelling is, dat zij[162]niet langer te dragen is en de individu er onder bezwijken zou, dan grijpt de in de engte gedreven natuur naar den waanzin als naar het laatste middel om het leven te redden; de zoo fel gepijnigde geest verscheurt den draad van het geheugen, vult de leemten met waanvoorstellingen aan en ontvlucht op die wijze zijn verdriet, gelijk men een door koud vuur aangetast been afzet en het door een houten vervangt. Als voorbeeld noem ik den razenden Ajax, Koning Lear en Ophelia. Hoewel scheppingen van het genie, zijn ze aan levende personen gelijk te stellen. Een zwakke overeenkomst met dezen overgang van smart tot waanzin is dat wij allen een pijnlijke herinnering, die ons plotseling invalt, werktuigelijk door heftige bewegingen of luide klanken trachten te verjagen om zoo met geweld ons zelven te verstrooien.Men lette ook hierop, dat de geniale mensch de kennis van den samenhang der dingen uit het oog verliest. Eén geval geldt bij hem voor duizende, één ding vertegenwoordigt bij hem een geheele soort. Het objekt van zijn beschouwing verschijnt hem in zoo helder licht, dat de schakels der keten, waardoor het met allerlei andere dingen[163]verbonden is, verduisterd worden, en dat juist is weer een punt van overeenkomst met den waanzin. Wat in het voorhanden ding slechts onvolkomen en door bijomstandigheden verzwakt aanwezig is, wordt door de beschouwingswijze van het genie tot volkomenheid verheven. Zoo ziet het genie overal uitersten en vervalt ook zijn handelen tot uitersten. Hij weet de rechte maat niet te treffen. Hij kent de ideeën, maar niet de individuen. Dikwijls heeft men opgemerkt, dat een dichter, die den mensch diep en grondig doorziet, zich door de menschen om den tuin laat leiden en een speeltuig is in de handen van den listige.Het vermogen om ideeën te aanschouwen, ieder genie in buitengewone mate eigen, komt ook den gewonen sterveling in geringer graad toe; anders zou hij evenmin in staat zijn de gewrochten der kunst te genieten als ze zelf voort te brengen, en zouden woorden als schoonheid en verhevenheid voor hem louter klanken zijn. Het æsthetisch welbehagen is een en hetzelfde, het moge door een werk der kunst of door aanschouwing van natuur en leven te voorschijn worden geroepen. Dat uit het kunstwerk de idee duidelijker tot ons[164]spreekt dan uit de natuur of het leven, moet daaraan worden toegeschreven, dat de kunstenaar in staat is alle storende toevalligheden, welke den glans der idee in de werkelijkheid verduisteren, opzettelijk weg te laten. De kunstenaar laat ons door zijne oogen in de wereld kijken. Dat hij die oogen heeft, waardoor hij het typische der dingen ontdekt, is natuurgave, maar techniek, verworven kunst is het, dat hij ons door zijn oogen kan doen zien.Alle willen ontspruit uit behoefte, dus uit gebrek, dus uit lijden. Aan dat lijden maakt de vervulling der behoefte een einde. Maar tegenover één wensch, die wordt bevredigd, blijven er ten minste tien onvoldaan. De verlangens gaan tot in het oneindige, het begeeren duurt lang, maar de voldoening wordt kortstondig en karig toegemeten. Dikwijls is ze zelfs niet meer dan schijnbaar. De bevredigde wensch maakt terstond voor een nieuwen plaats. Gene blijkt de reeds gekende, deze is de nog onbekende dwaling. Duurzame, niet meer wijkende bevrediging is door niets te verschaffen. De vervulde behoefte is gelijk een aalmoes den bedelaar toegeworpen; zij rekt zijn leven voor heden, zoodat hij morgen opnieuw[165]zijn ellende zal kunnen gevoelen.—Daarom, zoolang ons bewustzijn vol is van ons willen, zoolang wij aan den drang der wenschen met zijn gedurig hopen en vreezen ons overgeven, valt ons geen blijvend geluk, geen rust te beurt. Hetzij wij genot najagen of onheil ontvlieden, in den grond der zaak komt dat op hetzelfde neer: de zorg voor den steeds eischenden wil, onverschillig onder welke gestalte, neemt het bewustzijn in beslag en zweept het voortdurend verder. Zonder rust geen echt welzijn. Zoo ligt het subjekt van het willen voortdurend op het draaiende rad van Ixion, het schept bestendig in het doorzeefde vat der Danaïden, het is de eeuwig smachtende Tantalus. Gaat men daarentegen op in aanschouwing, vergeet men zijn individualiteit, verliest men zich in het objekt, daar het buiten alle betrekking tot andere objekten en ons zelf wordt opgevat, komt het als idee van zijn soort tegenover ons te staan en wordt zoo de mensch willoos subjekt van kennis, dan zijn voorwerp en subjekt beiden uit het gewoel des tijds omhoog gebeurd en komt het op hetzelfde neer of men uit een kerker dan wel uit een paleis de zon prachtig ziet ondergaan.[166]Zulk een toestand, waarbij het kennen het overwicht heeft op het willen, kan, indien de vereischte stemming des gemoeds er is, in iedere omgeving worden te voorschijn geroepen. Dit toonen ons de voortreffelijke Nederlanders, die hun objektieve beschouwing op de meest onbeteekenende dingen richten en een duurzaam monument van hun geestesrust in hun „stillevens” ons te aanschouwen geven. Wie die doeken ziet, voelt zich ontroerd, daar ze hem den stillen, rustigen, willoozen gemoedstoestand van den kunstenaar vertegenwoordigen, die noodig was om zoo nietige dingen met zoo groote liefde gade te slaan, en het beschouwde zoo bezonnen weer te geven; terwijl het beeld ons oproept om aan dergelijke stemming deel te hebben, wordt onze ontroering misschien nog verhoogd door de tegenstelling met ons eigen onrustig, heftig, troebel willen. In denzelfden geest hebben dikwijls landschapschilders, in het bizonder Ruysdael gearbeid en zoo dezelfde werking op nog blijder trant te voorschijn geroepen. Thans zal men begrijpen, hoe de door hartstochten voortgezweepte, door nood en zorgen gekwelde plotseling zich verkwikt, opgevroolijkt en overeind gericht kan gevoelen, wanneer het hem gelukt[167]zich aan den slavendienst van den wil voor een oogenblik te ontworstelen en een enkelen vrijen blik op een schoon natuurtafereel te richten.Die zaligheid van het willooze aanschouwen is het ten slotte, welke over het verleden en het vèr-afzijnde een zoo tooverachtig licht uitgiet en door zelfmisleiding dat alles veel fraaier doet schijnen dan het was. Immers als we lang verloopen dagen in een ver verwijderd oord ons voorstellen, dan zijn het de dingen alleen, die onze fantasie terugroept, niet het subjekt van het willen, dat toen evenzeer als thans zijn ongeneeselijk leed met zich ronddroeg. Dit laatste is vergeten, omdat het sedert voor zoo menig ander verdriet heeft plaats geruimd. Nu werkt de objektieve aanschouwing in de herinnering op dezelfde manier als de tegenwoordige dat zou doen, indien wij maar in staat waren ons willoos aan haar over te geven. Daardoor komt het dat, vooral wanneer wij meer dan gewoonlijk door nood en angst ons gekweld gevoelen, de plotselinge herinnering aan tooneelen uit het verleden en aan ver afgelegen oorden, als een verloren paradijs aan ons voorbijvliegt.De æsthetische toestand van zuivere aanschouwing[168]wordt, gelijk vanzelf spreekt, het gemakkelijkst geboren wanneer de voorwerpen door rijkdom en bepaaldheid van gestalte duidelijke vertegenwoordigers van hunne ideeën en dus in den objektieven zin des woords schoon zijn. Dat is de reden waarom licht het meest verblijdende van alle dingen is en als symbool van al het goede en zegenrijke geldt. In alle godsdiensten beteekent het: eeuwig heil—maar duisternis daarentegen verdoemenis. Er komt bij, dat het zien niet, gelijk de aandoening van andere zinnen, op zich zelf reeds aangenaam of onaangenaam behoeft te zijn; eerst de in het verstand geboren aanschouwing brengt het objekt in betrekking met den wil. Reeds bij het gehoor is dit anders: geluiden kunnen rechtstreeks pijnlijk zijn of streelend, afgezien van harmonie en melodie. Het gevoel is nog meer aan dezen onmiddellijken invloed op den wil onderworpen: toch is er een tasten, dat niet met smart of wellust gepaard gaat. Reuk en smaak daarentegen bezorgen altijd lust of onlust. De beide laatstgenoemde zinnen zijn dus het meest door den wil bezoedeld, en heeten daarom de onedele, of wel, zooals bij Kant, de subjektieve zinnen. De blijdschap over het licht[169]is enkel blijdschap over deobjektievemogelijkheid van zuivere, aanschouwelijke kennis, waarbij de wil op nonactiviteit is gesteld en dus het æsthetisch genot tot zijn recht kan komen. Men denke maar eens aan de groote schoonheid, welke de afspiegeling der voorwerpen in het water te voorschijn toovert.Wanneer echter die voorwerpen, wier door licht bestraalde gestalten ons tot kontemplatie uitnoodigen, vijandig staan tegenover het menschelijk lichaam door hun allen weerstand verpletterende overmacht, of wel door hun onmetelijken omvang den mensch dwingen zijn nietigheid te gevoelen, terwijl bij de beschouwing, ofschoon dat alles waargenomen en erkend wordt, het met opzet buiten rekening blijft, de mensch dus met geweld zich losscheurt van zijn wil, ten einde enkel kennend subjekt te zijn, hij zich zoo boven zichzelf verheft, dan vervult hem het gevoel van het verhevene, dan beseft hij wat verhevenheid is. Er is verschil tusschen gevoel voor het verhevene en dat voor het schoone: bij het laatste wint het zuivere kennen zonder strijd de bovenhand, daar de eigenaardigheid van het objekt waardoor het zijn idee afspiegelt, zonder weerstand en dus onmerkbaar[170]den wil tot zwijgen brengt, de in zijn dienst staande kennis van verhoudingen uit het bewustzijn verwijdert en zoo enkel het zuiver objekt der kennis overblijft; bij het verhevene daarentegen wordt die toestand van zuivere kennis eerst daardoor gewonnen, dat men met geweld zijn aandacht aftrekt van de vijandige betrekkingen, waarin het objekt tot ons staat, en men zich dus vrij, met bewustzijn, boven het met lust en onlust rekening houdend inzicht verheft. Die verheven stemming moet niet enkel gewonnen, maar ook gehandhaafd worden, gaat dus gepaard met voortdurend denken aan den wil, doch niet aanindividueelwillen, zooals vreezen of wenschen, maar aan menschelijk willen in het algemeen, in zoover het door zijn objektieve verschijning, het menschelijk lichaam, wordt uitgedrukt. Indien een werkelijk bepaald willen in het bewustzijn optrad ten gevolge van persoonlijk gevaar, waarmede het objekt ons bedreigde, dan zou de zoo in beweging gebrachte individueele wil terstond de bovenhand erlangen, de rust der kontemplatie verstoord worden, de indruk van het verhevene verloren gaan, voor angst plaats maken; de individu zou trachten zich te redden en daarbij iedere andere[171]gedachte uit het bewustzijn verdrongen worden.Uit een objektief oogpunt is er geen wezenlijk verschil tusschen het schoone en het verhevene, want in beide gevallen is het voorwerp der æsthetische beschouwing niet het enkele ding, maar de daarin zich openbarende idee, welke met tijd en zelfs met ruimte niets te maken heeft, want niet de mij voor oogen zwevende uitgebreide gestalte, maar de uitdrukking, de beteekenis er van, haar innerlijk wezen, dat wat zich voor mij ontsluit en mij toespreekt, ziedaar de idee, welke bij groot verschil van ruimte- en tijdsbetrekkingen geheel dezelfde kan zijn. Daar in ieder ding de wil op zekeren trap van zijn ontwikkeling verschijnt, en het dus uitdrukking van een idee is, moet ieder ding schoon heeten. Het bleek ons reeds, dat zelfs het meest onaanzienlijke in de Nederlandsche schilderschool zich als schoon bewaarheidt, daar het onbaatzuchtige beschouwing gedoogt. Schooner is evenwel het eene dan het andere daardoor, dat het tot die zuiver objektieve beschouwing uitnoodigt, ja er als het ware toe dwingt, in welk geval wij ietszeerschoon noemen. Zoo is de mensch meer dan alle andere schepselen schoon en de openbaring van zijn[172]wezen het hoogste doel der kunst, want de idee die uit dit schepsel spreekt, openbaart ons den wil op den hoogsten trap van zijn ontwikkeling. Menschelijke gestalte en uitdrukking van menschelijk zieleleven bekleeden in de beeldende kunst de voornaamste plaats, zooals het menschelijk handelen in de poëzie den eersten rang inneemt. Toch heeft ieder ding zijn eigenaardige schoonheid, en dat geldt zelfs van het onbewerktuigde, het vormlooze. Hier openbaren zich de ideeën, welke de wil op de laagste trappen van zijn ontwikkeling inneemt, en die om zoo te zeggen de diepste, nagalmende bastonen der natuur doen weerklinken.De bouwkunst, enkel als schoone, niet als nuttige kunst opgevat, heeft geen ander doel dan de ideeën, welke de wil op de laatste trappen inneemt, tot duidelijke aanschouwing te brengen: zwaarte, cohesie, vastheid, hardheid, de algemeene eigenschappen van den steen, doch daarenboven nog het licht, dat in menig opzicht een tegenstelling met die eerste, eenvoudigste, dofste zichtbaarheden van den wil vormt. Zelfs hier openbaart zich het wezen van den wil in tweedracht, want eigenlijk is de strijd tusschen zwaarte en[173]vastheid het eenige æsthetische motief der architektuur; dien strijd op menigvuldige wijze volkomen duidelijk te voorschijn te doen treden, is hare taak. Zij vervult ze door aan die onverdelgbare krachten den kortsten weg tot hare openbaring te versperren en ze langs een omweg te leiden, waardoor de strijd verlengd en het onuitputtelijk streven van beide krachten op menigvuldige wijze zichtbaar wordt. De gansche steenmassa zou, aan haar oorspronkelijke neiging overgelaten, een enkelen klomp uitmaken, zoo nauw mogelijk met den aardbodem verbonden, want dat is het, waartoe de zwaarte, als hoedanig de wil hier verschijnt, onophoudelijk dringt, terwijl de vastheid, eveneens openbaring van den wil, weerstand biedt. Maar, zooals gezegd, die neiging, dat streven wordt door de bouwkunst verplicht langs een omweg zijn bevrediging te zoeken. Zoo worden de balken gedwongen, door middel van de zuilen, niet rechtstreeks, de aarde te drukken; het gewelf moet zich zelf dragen en enkel door tusschenkomst van de pilaren kan het zijn streven naar omlaag voldoen. Maar juist door die belemmeringen ontvouwen zich de krachten, welke in de ruwe steenmassa huizen, zoo duidelijk[174]en veelzijdig mogelijk: verder kan het zuiver æsthetisch doel der bouwkunst niet gaan. De schoonheid van een gebouw bestaat in de zichtbare doelmatigheid van ieder deel, niet ten opzichte van het daarbuiten liggend doel des menschen, maar ten opzichte van de stevigheid van het geheel; tot haar moet ieder onderdeel door zijn plaats, zijn grootte, zijn vorm in zoo noodwendige verhouding staan, dat, wanneer het kon worden weggenomen, het gansche gebouw zou instorten. Want slechts in zoover als ieder deel zooveel draagt als het voegzaam kan, en juist daar en in die mate gesteund wordt als noodwendig is, ontplooit zich de strijd tusschen vastheid en zwaarte, welke het leven, de wilsuitingen van den steen zijn, tot volkomen zichtbaarheid. Voor willekeur mag er bij dit alles geen plaats zijn. De vorm van ieder deel moet door zijn bestemming en zijn verhouding tot het geheel zijn bepaald. Zoo is b.v. de gewonden zuil smakeloos.Voor het æsthetisch genot van een bouwwerk is het onontbeerlijk van zijn materie, wat haar gewicht, cohesie en vastheid betreft, een rechtstreeksche, aanschouwelijke kennis te hebben, en onze vreugde over zoodanig werk zou door de[175]mededeeling, dat het uit puimsteen bestond, zeer verzwakken, want dan zou het een schijnvertooning zijn.Het eenige en bestendige thema is hier steun en last; de grondwet luidt: geen last zonder voldoenden steun, geen steun zonder daarvoor passenden last.Ik herinner mij bij Cicero gelezen te hebben, dat hij, door de straten van Athene wandelende, tot zijn verbazing, enkel leelijke menschen zag. Waar hebben dan de groote beeldhouwers hunne heerlijke godengestalten vandaan gehaald! Schopenhauer, die over alles heeft nagedacht, weet ook op die vraag een antwoord.Dat wij allen de menschelijke schoonheid opmerken, wanneer wij haar zien, en dit in den echten kunstenaar met zooveel klaarheid geschiedt, dat hij haar toont, zooals hij haar nooit gezien heeft, dat hij dus de natuur in zijn werk overtreft, is slechts op ééne wijze te verklaren:wij zelvezijn de wil, wiens hoogste openbaring: hèt menschelijk lichaam, hier beoordeeld en gevonden wordt. Daardoor alleen kunnen wij vooruitloopen op wat de natuur zich inspant om voort te brengen; de wil der natuur is hier ons eigen wezen; het echte[176]genie heeft maar een half woord noodig om de natuur te verstaan en zuiver uit te spreken wat zij stamelende ten gehoore brengt; zoo gelukt het hem de schoonheid van den vorm in het harde marmer uit te drukken, en, het door hem geschapen beeld aan de min of meer mislukte gewrochten der natuur overstellende, deze laatste als het ware toe te roepen: „dát was het, wat gij zeggen wildet!” „Ja”, zegt de kenner, „dat was het!” De mogelijkheid, dat zoo de kunstenaar het ideaal van menschelijke schoonheid aan zich zelf ontleent, en dat de kenner, als hij het in beeld tegenover zich ziet staan, het als zoodanig waardeert, berust hierop, dat kunstenaar en kenner beiden het „an sich” der natuur, de zich verwerkelijkende wil zelve zijn. Want enkel het gelijke wordt door het gelijke verstaan. Enkel natuur kan zich zelve doorgronden, enkel geest kan geest begrijpen.Voor æsthetisch genot en artistieke schepping is het noodig deideeënder dingen te aanschouwen, welke geheel iets anders zijn dan de op de dingen passendebegrippen. Het begrip is afgetrokken, enkel bepaald in zoover het grenzen trekt, binnen zijn eigen sfeer geheel[177]onbepaald. Het is door definitie voor mededeeling vatbaar. De idee daarentegen is een visioen in alle mogelijke opzichten volkomen bepaald; zij vertegenwoordigt op volmaakte en aanschouwelijke wijze het begrip en ook de oneindige menigte afzonderlijke dingen, welke onder het bereik van het begrip vallen. Het begrip is uit de veelheid afgeleide eenheid, maar de idee is de oorspronkelijke eenheid, welke ten gevolge van onze waarnemingsvormen, ruimte en tijd, in veelheid uiteenvalt. De idee roept in hem, die haar aanschouwt, nieuwe voorstellingen op; zij is als een levend met teelkracht uitgerust organisme, dat iets nieuws voortbrengt. Het begrip is, hoe nuttig en bruikbaar ook voor leven en wetenschap, eeuwig onvruchtbaar voor de kunst. Daarentegen is de idee de echte en eenige bron van ieder kunstwerk. In haar krachtige oorspronkelijkheid ontspruit zij uit het leven zelf, uit de wereld, maar enkel in dien mensch, die door de geestdrift van het genie bezield wordt. Juist omdat de idee aanschouwelijk is en blijft, schept de kunstenaar zonder doel, gelijk de God van Spinoza; hij kan van zijn werken geen rekenschap geven; hij arbeidt, gelijk de menschen het uitdrukken, enkel[178]door gevoel gedreven, onbewust, instinktmatig. De nabootsers daarentegen, zij, die zich een zekere manier hebben eigen gemaakt, gaan in de kunst van het begrip uit; zij merken op wat het is, dat bij de echte kunstwerken behaagt, vormen zich daarvan een duidelijk begrip, bootsen het nu in het geheim met wijs opzet na. Als parasieten zuigen zij hun voedsel uit vreemde werken en vertoonen gelijk polypen de kleur van dat, waarop zij teren. De domme menigte van zeker tijdstip, die zelve eveneens slechts begrippen kent en daaraan hecht, neemt wat de manier van den dag vertoont met bijval op, maar na weinige jaren reeds is zulk maakwerk ongenietbaar, want de tijdgeest is een andere geworden, d.i. de heerschende begrippen, waarin die niet-geniale gewrochten wortelen konden, zijn verouderd en door nieuwe vervangen. De echte kunstgewrochten daarentegen, welke rechtstreeks uit de natuur, uit het leven zijn geput, blijven eeuwig jong en eeuwig frisch.Eenallegorieis een kunstwerk, dat iets anders beteekent dan het te aanschouwen of te lezen geeft, nl. een begrip. Hier moet dus beeld of schilderij een gedachte opwekken, welke het[179]woord op veel volkomener wijze rechtstreeks kan uitdrukken. Het doel der kunst, voorstelling van een aanschouwelijke idee, wordt zoo uit het oog verloren. Wanneer de samenhang tusschen het teeken en het beteekende geheel conventioneel is, dan hebben wij met die soort van allegorie te maken, welkesymboolis. Zoo is de roos symbool van het zwijgen, de laurier van den roem, de schelp van het pelgrimschap enz. De Grieksche beeldhouwkunst richt zich tot de aanschouwing en is dus æsthetisch; die van Hindostan tot het begrip en is dus symbolisch. Het voorbeeld van Winckelmann, die de allegorie, in plaats van haar als vreemd aan de kunst te verwerpen, overal in bescherming neemt en als hoogste doel der kunst de aanduiding van algemeene begrippen noemt, bewijst, dat men zeer gevoelig kan zijn voor kunstschoon en daarover juist oordeelen, zonder nochtans van het wezen van schoonheid en kunst rekenschap te kunnen geven, gelijk men edel en deugdzaam in hooge mate kan zijn en een fijn geweten hebben, dat nauwkeurig als een goudschaal in ieder bizonder geval beslist wat goed en behoorlijk is, zonder dat men daarom de ethische beteekenis van handelingen[180]op wijsgeerigen trant weet te doorgronden en in woorden uit te drukken.Te midden van de schoone kunsten neemt volgens Schopenhauer de muziek een geheel eigen plaats in. Om de theorie, die hij over haar ontvouwt, juist te vatten, moeten wij op het volgende letten. Voor opzettelijk handelen, dat doel zal treffen, wordt kennis vereischt. Het intellekt is volgens Schopenhauer dan ook oorspronkelijk enkel bestemd om motieven aan het handelen te verschaffen. Vandaar dat bij de dieren en zelfs bij de meeste menschen de lust om waar te nemen gaat kwijnen, zoodra er niets mee te bereiken valt. Bij sommigen is er echter een overschot van verstandelijke kracht, dat tot aanschouwing kan worden besteed, welke, aan de doeleinden van den wil gemeten,nutteloosen daarom juist zuiverobjektiefis. Als er niet gevraagd wordt naar de betrekkingen waarin een ding, rechtstreeks of zijdelings, mogelijkerwijze tot den wil staat, er dus niet gelet wordt op de plaats waar en den tijd waarin, niet op de oorzaken waardoor en de middelen waartoe, als men m.a.w. alleen het voorwerp in het oog vat, dan staat men, wel niet tegenover den wil, die zich in dat ding vertoont, want wil wordt enkel gekend door bewustzijn van eigen streven, maar tegenover de idee, die zich in het verschijnsel afspiegelt. Dan is men zonder begeerte en louter kennend subjekt.[181]Dan ondervindt men den wellust, die extase heet; dan verliest men zich in het aanschouwde.Ziedaar het genot, dat door alle kunsten bezorgd wordt, met uitzondering van de muziek. Zij alleen brengt ons niet met aanschouwelijke ideeën in betrekking, maar ontsluiert ons den grond van al het aanschouwelijke, het wezen aller wezens, den wil. In dit gedeelte van Schopenhauer’s schoonheidsleer laten zich twee partijen van ongelijke waarde onderscheiden. Op fantastische wijze, als een echt romantikus, trekt hij een hoogst willekeurige parallel tusschen de wereld der geluiden en de wereld der ideeën. De grondbas met zijn diepe tonen vertegenwoordigt de onbewerktuigde stof; de hoogere tonen heeten overeenkomst te hebben met planten en dieren; de intervallen van de toonladder duiden de scheiding der levende wezens in verschillende soorten aan enz. Aantrekkelijker dan deze poging om in alles, wat op muzikaal gebied gevonden wordt, een kosmisch symbool te ontdekken, is zijne beschouwing over de ontroering, die zich van den mensch meester maakt, bij het luisteren naar een voortreffelijk toondicht.De muziek is een zoo groote en heerlijke kunst, werkt zoo machtig op het gemoed, wordt zoo volledig als een algemeene taal door ieder beschaafd mensch verstaan, overtreft zoozeer in duidelijkheid zelfs de aanschouwelijke wereld, dat[182]wij zeker meer in haar te zoeken hebben dan het onbewust tellen, waarvoor Leibnitz haar hield, daar hij enkel op de uitwendige schaal en niet op de kern lette. Ware zij niets meer dan dat, zoo moest de bevrediging, welke zij verschaft, gelijksoortig zijn aan die, welke wij bij de juiste uitkomst van een rekensom gevoelen, en ze kon niet die zalige vreugde zijn, waarmede wij de diepste diepten van ons wezen vertolkt gevoelen. Om de æsthetische werking der muziek te verstaan, moeten wij haar een veel ernstiger en dieper beteekenis toekennen, die op het innerlijk wezen van wereld en mensch betrekking heeft. De getalsverhoudingen, waarin zij zich laat oplossen, kunnen hoogstens enkel als teekenen gelden.Het doel van alle overige kunsten is ons met de ideeën bekend te maken; daar onze wereld niets anders is dan de verschijning van ideeën in veelheid van dingen, is de muziek, die alle ideeën overslaat, van de wereld der verschijnselen geheel onafhankelijk. Muziek zou, als zij zonder instrumenten kon bestaan, ook al ware de wereld er niet, toch kunnen genoten worden, wat zich niet van de overige kunsten zeggen laat. Muziek[183]is even rechtstreeksche afspiegeling van den wereldwil als de wereld zelve dat is. Daardoor juist is de werking der muziek zooveel machtiger dan die der overige kunsten: want deze spreken enkel van de schaduw, zij van het wezen.Begrip is hier, gelijk overal in de kunst, onvruchtbaar. De komponist openbaart het diepste wezen der wereld en spreekt de hoogste wijsheid uit in een taal, die zijn rede niet verstaat, gelijk de magnetische somnambule mededeelingen doet over dingen, van welke zij in wakenden toestand geen besef heeft. Daarom is bij den komponist, meer dan bij iemand anders, de mensch van den kunstenaar geheel te scheiden.Juist omdat de muziek het innerlijk wezen der wereld vertolkt en nooit tot het verschijnende zelf in rechtstreeksche betrekking staat, kan zij geen uitdrukking geven aan bizondere, bepaalde blijdschap, droefheid, ontzetting, onder die en die omstandigheden, maar slechtsdevreugde,desmart,denjubel, de gemoedsrust, om zoo te zeggen in het afgetrokkene, het wezenlijke van dat alles, zonder eenig bijwerk, ten gehoore brengen. Toch verstaan wij haar volkomen. Dat is de reden waarom onze fantasie zoo licht door[184]haar in beweging wordt gebracht en dan beproeft die onzichtbare en toch zoo levendig tot ons sprekende geestelijke wereld met vleesch en been te bekleeden, haar dus in een analoog voorbeeld te belichamen. Ziedaar de oorsprong van het gezang met woorden en ten slotte van de opera, maar een groote fout is het, wanneer datgene, wat hoofdzaak moet zijn, de muziek, daarbij in ondergeschikte stelling geraakt. Juist de algemeenheid van de muziek, waardoor het buiten hare macht ligt bizondere gebeurtenissen te vertolken of bepaalde toestanden aan te wijzen, schenkt haar de hooge waarde, welke zij als geneesmiddel van menschelijk lijden heeft. Wanneer dus de muziek te zeer zich bij de woorden tracht aan te sluiten en naar de gebeurtenissen zich tracht te schikken, dan beproeft zij een taal te spreken, die de hare niet is. Van deze fout heeft Rossini zich meer dan iemand anders vrij gehouden; zijne muziek spreekt zoo duidelijk en zuiver haar eigen taal, dat zij de woorden in het geheel niet noodig heeft, en, enkel met instrumenten uitgevoerd, hare volle werking blijft uitoefenen.Uit de innige verhouding, waarin de muziek tot het ware wezen van alle dingen staat, is ook[185]dit te verklaren, dat, wanneer begeleidende muziek ten volle past bij een handeling, gebeurtenis, tooneelinrichting, omgeving, zij als de duidelijkste kommentaar daarop zich gelden doet; eveneens is het hem, die zich aan den indruk van een symfonie geheel overgeeft, als zag hij alle mogelijke gebeurtenissen des levens aan zich voorbijtrekken; toch kan hij, wanneer hij zich bezint, geen overeenkomst aangeven tusschen het toondicht en de dingen die hem voor den geest zweven. Immers de muziek is daarin van alle andere kunsten verschillend, dat ze geen afbeelding van de wereld der voorstelling, maar van den wil zelven is en dus niet het physische maar het metaphysische tot uitdrukking brengt. Men zou de wereld evengoed een belichaming van muziek als van wil kunnen noemen.Het onuitsprekelijk innige van muziek, dat haar als een paradijs doet zijn, waarin wij geheel ons tehuis gevoelen, terwijl het toch onmetelijk ver van ons af ligt, dat volkomen begrijpelijke en toch zoo vreemde van muziek, vindt daarin zijn oorsprong, dat ze alle bewegingen van de diepste diepten onzer ziel wedergeeft, maar geheel buiten de werkelijkheid om en dus zonder eenige bezoedeling met ’s levens ellende.[186]De wereld als voorstelling is de spiegel, waarin de wereld als wil zich zelf aanschouwt. Oorspronkelijk is de wil blinde, doffe drang; enkel daar, waar kennis, met andere woorden voorstelling, geboren wordt, komt de wil tot zelfbewustzijn, bespeurt hij, wat het is, dat hij wil, dat hij namelijk niet anders wil dan deze wereld, het leven juist zooals het is.Tevens ontdekt de wil dan dat de individuen voor hem geen waarde hebben en dat het hem enkel om de soorten te doen is. Op naïeve wijze verkondigt zoo de natuur deze groote waarheid, dat uitsluitend de ideeën werkelijkheid bezitten. De juiste theorie der geslachtsliefde is geheel in overeenstemming met deze leer, gelijk wij thans zien zullen.Alle verliefdheid, hoe etherisch zij zich ook moge aanstellen, wortelt enkel in het sexueele verlangen en is enkel een nader bepaald, op dit of dat individu gericht instinkt. Wanneer men, dit in aanmerking nemende, de gewichtige rol gadeslaat, welke de liefde, in al haar graden en schakeeringen, niet enkel op het tooneel en in de romans, maar ook in de werkelijke wereld vervult, waar zij, naast de liefde tot het leven[187]zich als de sterkste van alle drijfveeren openbaart, de helft der krachten en gedachten der jongere menschheid voortdurend in beslag neemt, het laatste doel van bijna ieder menschelijk streven is, op de gewichtigste aangelegenheden den nadeeligsten invloed erlangt, de ernstigste bezigheden ieder oogenblik doet afbreken, soms zelfs de helderste hoofden voor een wijle in verwarring brengt, zich niet ontziet te midden van de verhandelingen der staatsmannen en de onderzoekingen der geleerden storend met haar nesterijen in te grijpen, haar liefdesbrieven en haarlokken, zelfs in portefeuilles van ministers en manuscripten van philosofen, weet binnen te smokkelen, niet minder dagelijks de hevigste en meest ingewikkelde twisten doet ontbranden, de hechtste banden verscheurt, betrekkingen van de allerhoogste waarde ontbindt, nu eens leven of gezondheid, dan weer rijkdom, aanzien en voorspoed tot haar offer kiest, ja den braafste gewetenloos, den trouwste verraderlijk maakt, dus over het geheel genomen als een vijandige demon optreedt, die er op uit is verwarring te stichten en alles omver te werpen;—dan móet men wel uitroepen: Waartoe al die drukte? Waartoe dat dringen en razen, die angst[188]en die nood? Het komt er toch maar op aan, dat ieder Hans zijn Gretchen krijgt: waarom moet zulk een kleinigheid een zoo gewichtige rol spelen, en telkens stoornis en verwarring te weeg brengen in het wèl geordende menschelijke leven?—De geest der waarheid antwoordt hier aan iederen ernstigen denker: het is geen kleinigheid die hier op het spel staat, het geldt hier een zaak, gewichtiger dan alle andere doeleinden, en daarom de diepe ernst, waarmee ieder haar behartigt, ten volle waard. Dàt namelijk, wat hier beslist moet worden, is niets minder dan de samenstelling der volgende generatie. Door die beuzelachtige minnarijen wordt uitgemaakt, welke handelende personen op het tooneel zullen werkzaam zijn, wanneer wij zelve zullen zijn afgetreden. En van de samenstelling van dat op ons volgende geslacht hangen weer tallooze later komende geslachten af. Dit hooge gewicht der zaak, waarbij het niet om wèl en wee van thans levende individuen, maar om bestaan en karakter van het menschelijk geslacht in toekomstige tijden gaat, heeft ten gevolge, dat de wil van den enkeling hier in verhoogde macht als wil der soort te voorschijn treedt; dit is het, waarop het pathetische en het[189]verhevene van alle liefdesaangelegenheden, het alles te boven gaande van hare verrukkingen en smarten berust, wat de dichters in talrijke voorbeelden sedert duizenden van jaren niet moede worden ons voor oogen te stellen; geen onderwerp is zoo belangrijk als dit, daar het hier het wel en wee der soort betreft en dus tot alle overige, welke slechts het welzijn der enkelingen raken, zich als een lichaam tot een vlak verhoudt. Daarom juist is het zoo moeielijk een drama zonder minnehandel belangrijk te doen zijn en daarom geldt het hier een thema, dat zelfs door het dagelijksch gebruik niet afgezaagd wordt.Wat in het bewustzijn zich voordoet als het sexueele verlangen op een bepaald individu gericht, is op zich zelf de wil als een bepaald individu geboren te worden. In dit geval weet de geslachtsdrift, ofschoon op zich zelve een subjektieve behoefte, zeer geschikt het masker van objektieve bewondering aan te nemen en zoo het bewustzijn om den tuin te leiden; tot bereiking van hare doeleinden heeft de natuur die krijgslist van noode. Dat het echter, hoe objektief en hoe verheven ook die bewondering moge schijnen, bij alle verliefdheid toch enkel om de voortbrenging[190]van een bepaald individu te doen is, wordt vooral daardoor bevestigd, dat niet weerkeerige liefde, maar bezit, als hoofdzaak hier beschouwd wordt. De zekerheid van beantwoorde liefde kan nooit over het gemis aan bezit troosten; integendeel heeft menigmaal zulk een toestand tot zelfmoord geleid. Daarentegen neemt iemand, die hevig verliefd is, wanneer hij zijn liefde niet beantwoord kan krijgen, het desnoods met de door geschenken afgekochte gunst van een vrouw of ook met verkrachting voor lief. Bij iederen liefdesroman is het doel, ook al begrijpen de partijen het zelve niet, dat er dit of dat bepaalde kind worde verwekt; de manier, waarop dit doel bereikt wordt, is bijzaak. Hoe luide ook de gevoelvolle, verliefde paartjes zich tegen het grove realisme van dergelijke beschouwing mogen verzetten, toch dwalen zij. Werkelijk is het de toekomstige generatie in haar individueele bepaaldheid, die, bij al de omslachtigheden en eindelooze bemoeienissen tot het erlangen der geliefde vrouw, er naar hunkert om te voorschijn te treden. De aanwassende genegenheid van een minnend paar is eigenlijk reeds de drang om te leven van het nieuwe individu, dat zij zouden kunnen en zouden willen verwekken;[191]ja, in de blikken vol verlangen, waarmede zij elkander aanzien, ontvlamt reeds het nieuwe leven en kondigt het zich aan als een toekomstige, harmonisch samengestelde individualiteit.Het egoïsme is een zoo diep gewortelde eigenschap bij alle individuen dat, wil men ze aan het werk zetten, zelfzuchtige doeleinden de eenige zijn, waarop men met zekerheid rekenen kan. Nu heeft zeker de soort op het individu een nader, hooger en ouder recht dan het voorbijgaande individu op zich zelf: wanneer echter het individu voor bestaan en welzijn der soort zorgen en zelfs offers brengen moet, dan kan aan zijn intellekt, dat er enkel op ingericht is om zelfzuchtige doeleinden na te streven, het gewicht dier aangelegenheid niet zoo duidelijk worden gemaakt, dat er dienovereenkomstig gehandeld wordt. Derhalve kan in zoodanig geval de natuur haar doel slechts daardoor bereiken, dat zij den individu een zekerenwaanin het gemoed plant, ten gevolge van welken hem als een goed voor hem zelf toeschijnt wat in waarheid slechts een goed voor de soort is, zoodat hij de soort dient, terwijl hij meent zich zelf te dienen; bij welke gebeurtenis hem een hersenschim voor den geest zweeft, die als[192]beweegkracht de plaats van werkelijkheid inneemt en bestemd is onmiddellijk daarna te verdwijnen. Deze waan is het instinkt. In de allermeeste gevallen is instinkt de genius der soort, welke datgene wat der soort ten nutte komt door den wil verrichten doet. Deuitwendige verschijningvan het instinkt nemen wij het best bij de dieren waar, doch debinnenzijdeer van kunnen wij, gelijk al het innerlijke, enkel aan ons zelven leeren kennen. Nu is het een zeer bepaald, hoogst samengesteld instinkt, dat de keuze van een individu voor geslachtsbevrediging met zoo diepen ernst en groote eigenzinnigheid juist op een bepaalden persoon richt … De duizelingwekkende verrukking, die zich van den man bij den aanblik van juist die en geen andere vrouw meester maakt en hem de vereeniging met haar als het hoogste goed voorspiegelt, is een instinkt, dat op het welzijn der soort is gericht, terwijl de mensch zich verbeeldt enkel zijn eigen genot te zoeken. Inderdaad ontsluiert zich hier het wezen van alle instinkt. Het is een werken, dat meestal door een bepaald doel, n.l. het welzijn der soort, wordt geleid, terwijl in werkelijkheid dat doel niet tot het besef van den werkenden individu komt. De[193]zorgvuldigheid, waarmede een insekt een bepaalde bloem of vrucht of de een of andere larve opzoekt, om juist dáár zijn eieren te leggen, en, om dat te bereiken, moeite noch gevaar ontziet, vertoont groote overeenkomst met die, waarmede een man de vrouw uitkiest tot geslachtsbevrediging en daarbij zijn eigen levensgeluk dikwijls opoffert of zelfs door misdaad als echtbreuk of verkrachting zijn doel weet te bereiken, en dat alles om aan den souvereinen wil der natuur te gehoorzamen en ten koste van den individu het belang der soort te dienen. Een waan is het, die den man voorgoochelt, dat hij in de armen van een bepaalde vrouw en van geen andere een oneindig grooter bevrediging zal vinden; dus meent hij voor zijn eigen genot zich moeite en opoffering te getroosten, terwijl het er enkel om te doen is, dat een bepaald individu, dat enkel van dat ouderenpaar afkomstig kan zijn, in het aanzijn zal treden. Overeenkomstig deze opvatting ziet ieder verliefde, wanneer hij eindelijk zijn doel bereikt heeft, zich wonderlijk ontgoocheld en bevreemdt het hem, dat de hartstochtelijk begeerde gemeenschap geen grooter geluk schonk, dan hij ook elders had kunnen vinden.[194]Dit alles werpt licht op het instinkt, dat den vogel zijn nest doet bouwen, het insekt naar prooi doet jagen, die, voor dat diertje zelf ongenietbaar, als voedsel voor de toekomstige larven naast de eieren wordt gelegd. Al die dieren worden ongetwijfeld door een waan geleid, welke den dienst der soort achter het masker van een egoïstisch doel verbergt.In dit verband wijst Schopenhauer er vervolgens op, dat de man naar afwisseling haakt, terwijl de vrouw in den regel aanhankelijk blijft aan den individu harer keuze. Hij verklaart dit uit het doel der natuur, dat op behoud en sterke vermeerdering der soort gericht is; de man kan in korten tijd een talrijk nakroost verwekken, terwijl de vrouw in dienzelfden tijd slechts één kind kan ter wereld brengen. Ook drijft de natuur de vrouw om den voeder en beschermer der kinderen voor zich te behouden. Echtelijke trouw is voor den man, volgens Schopenhauer, een kunstmatig verkregen produkt der beschaving, terwijl zij voor de vrouw natuurlijk is en echtbreuk bij haar, niet enkel wegens de gevolgen, maar ook om zijn tegennatuurlijk karakter, veel onvergeeflijker is dan bij den man. Schopenhauer vat zijne beschouwing in deze woorden samen:Het liefdesverlangen, door de dichters van alle[195]tijden op alle wijzen bezongen, terwijl het onderwerp onuitputtelijk blijft, dat verlangen, waardoor aan het bezit van een bepaalde vrouw de voorstelling van oneindige zaligheid wordt vastgeknoopt, terwijl de gedachte dat zij buiten zijn bereik zou kunnen blijven den man onuitsprekelijk doet lijden, dat verlangen en die pijn der liefde kunnen niet wortelen in de behoeften van een vergankelijk individu; hier hooren wij de verzuchtingen van den genius der soort, welke in tegenstelling met den individu oneindig leven heeft, en dus voor oneindige wenschen en oneindige smarten vatbaar is. Maar die wenschen en smarten zijn opgesloten in de enge borst van een sterveling, welke onder dien machtigen druk schijnt te willen barsten. Alleen de genius der soort is in staat om met één blik te zien, welke waarde voor hare doeleinden een zeker paar menschen kan hebben. De groote hartstochten ontstaan dan ook in den regel bij den eersten aanblik. Daarom is het verlies der geliefde door een mededinger of door den dood voor den vurigen minnaar een smart, die alle andere te boven gaat. Zij treft hem niet enkel als individu, maar grijpt hem aan in zijn eeuwig wezen, in het leven der soort, tot welks[196]lastdrager en wilsuitvoerder hij geroepen werd. Om die reden is ijverzucht zoo grimmig en pijnlijk en is er geen grooter offer denkbaar dan van een geliefde te moeten afstand doen. Een held schaamt er zich voor jammerkreten te slaken, maar liefdesklachten laat hij hooren, want in dezen is het niet hij zelf, maar de soort, die haar schreiende stem verheft.Het lijdt geen twijfel of Wagner heeft zich o. a. bij zijn schepping van Tristan en Isolde door Schopenhauer tot die hooge opvatting der liefde laten bezielen, volgens welke zij oneindig meer is dan een festijn, waaraan een paar menschen in hun wittebroodsweken zelfzuchtig te gast gaan.[197]

Great wits to madness sure are near allied,And thin partitions do their bounds divide.Aan waanzin is de groote geest verwant,En beiden scheidt slechts een zeer dunne wand.

Great wits to madness sure are near allied,

And thin partitions do their bounds divide.

Aan waanzin is de groote geest verwant,

En beiden scheidt slechts een zeer dunne wand.

Bij veelvuldig bezoek van krankzinnigenhuizen heb ik enkele lijders met onmiskenbaar grooten aanleg aangetroffen; hun genialiteit scheen duidelijk door den waanzin heen, die echter geheel de overhand had. Dit kan niet toevallig zijn, want het aantal waanzinnigen is betrekkelijk zeer klein, terwijl een geniaal individu een hoogst zeldzame uitzondering mag heeten. Ik wil kort mijn meening[161]zeggen over den grond van de verwantschap tusschen waanzin en genialiteit.

De kennis van den waanzinnige heeft met die van het dier gemeen, dat beiden tot het aanwezige beperkt zijn. Toch is er verschil. Het dier heeft geen voorstelling van het verleden, ofschoon het door de kracht der gewoonte er de werking van ondervindt; na jaren herkent de hond zijn vroegeren meester, d.w.z. ondervindt bij zijn aanblik den ouden indruk. Doch van den sedert verloopen tijd herinnert het dier zich niets. De waanzinnige daarentegen draagt in zijn rede een valsch beeld van het verleden met zich rond en onder den invloed van dat beeld is hij niet in staat van het heden op de juiste manier partij te trekken, iets wat het dier wel vermag. Dat heftig geestelijk leed, onverwachte ontzettende gebeurtenissen dikwijls waanzin veroorzaken, verklaar ik op de volgende wijze. Voorzoover leed als werkelijke gebeurtenis tot het heden beperkt blijft, is het voorbijgaande en niet ondragelijk zwaar; overmatig groot wordt het eerst alsblijvendesmart, maar als zoodanig steunt het op het geheugen en is het dus gedachte; wanneer nu een uiterst smartelijk weten of herdenken een zoo ontzettende kwelling is, dat zij[162]niet langer te dragen is en de individu er onder bezwijken zou, dan grijpt de in de engte gedreven natuur naar den waanzin als naar het laatste middel om het leven te redden; de zoo fel gepijnigde geest verscheurt den draad van het geheugen, vult de leemten met waanvoorstellingen aan en ontvlucht op die wijze zijn verdriet, gelijk men een door koud vuur aangetast been afzet en het door een houten vervangt. Als voorbeeld noem ik den razenden Ajax, Koning Lear en Ophelia. Hoewel scheppingen van het genie, zijn ze aan levende personen gelijk te stellen. Een zwakke overeenkomst met dezen overgang van smart tot waanzin is dat wij allen een pijnlijke herinnering, die ons plotseling invalt, werktuigelijk door heftige bewegingen of luide klanken trachten te verjagen om zoo met geweld ons zelven te verstrooien.

Men lette ook hierop, dat de geniale mensch de kennis van den samenhang der dingen uit het oog verliest. Eén geval geldt bij hem voor duizende, één ding vertegenwoordigt bij hem een geheele soort. Het objekt van zijn beschouwing verschijnt hem in zoo helder licht, dat de schakels der keten, waardoor het met allerlei andere dingen[163]verbonden is, verduisterd worden, en dat juist is weer een punt van overeenkomst met den waanzin. Wat in het voorhanden ding slechts onvolkomen en door bijomstandigheden verzwakt aanwezig is, wordt door de beschouwingswijze van het genie tot volkomenheid verheven. Zoo ziet het genie overal uitersten en vervalt ook zijn handelen tot uitersten. Hij weet de rechte maat niet te treffen. Hij kent de ideeën, maar niet de individuen. Dikwijls heeft men opgemerkt, dat een dichter, die den mensch diep en grondig doorziet, zich door de menschen om den tuin laat leiden en een speeltuig is in de handen van den listige.

Het vermogen om ideeën te aanschouwen, ieder genie in buitengewone mate eigen, komt ook den gewonen sterveling in geringer graad toe; anders zou hij evenmin in staat zijn de gewrochten der kunst te genieten als ze zelf voort te brengen, en zouden woorden als schoonheid en verhevenheid voor hem louter klanken zijn. Het æsthetisch welbehagen is een en hetzelfde, het moge door een werk der kunst of door aanschouwing van natuur en leven te voorschijn worden geroepen. Dat uit het kunstwerk de idee duidelijker tot ons[164]spreekt dan uit de natuur of het leven, moet daaraan worden toegeschreven, dat de kunstenaar in staat is alle storende toevalligheden, welke den glans der idee in de werkelijkheid verduisteren, opzettelijk weg te laten. De kunstenaar laat ons door zijne oogen in de wereld kijken. Dat hij die oogen heeft, waardoor hij het typische der dingen ontdekt, is natuurgave, maar techniek, verworven kunst is het, dat hij ons door zijn oogen kan doen zien.

Alle willen ontspruit uit behoefte, dus uit gebrek, dus uit lijden. Aan dat lijden maakt de vervulling der behoefte een einde. Maar tegenover één wensch, die wordt bevredigd, blijven er ten minste tien onvoldaan. De verlangens gaan tot in het oneindige, het begeeren duurt lang, maar de voldoening wordt kortstondig en karig toegemeten. Dikwijls is ze zelfs niet meer dan schijnbaar. De bevredigde wensch maakt terstond voor een nieuwen plaats. Gene blijkt de reeds gekende, deze is de nog onbekende dwaling. Duurzame, niet meer wijkende bevrediging is door niets te verschaffen. De vervulde behoefte is gelijk een aalmoes den bedelaar toegeworpen; zij rekt zijn leven voor heden, zoodat hij morgen opnieuw[165]zijn ellende zal kunnen gevoelen.—Daarom, zoolang ons bewustzijn vol is van ons willen, zoolang wij aan den drang der wenschen met zijn gedurig hopen en vreezen ons overgeven, valt ons geen blijvend geluk, geen rust te beurt. Hetzij wij genot najagen of onheil ontvlieden, in den grond der zaak komt dat op hetzelfde neer: de zorg voor den steeds eischenden wil, onverschillig onder welke gestalte, neemt het bewustzijn in beslag en zweept het voortdurend verder. Zonder rust geen echt welzijn. Zoo ligt het subjekt van het willen voortdurend op het draaiende rad van Ixion, het schept bestendig in het doorzeefde vat der Danaïden, het is de eeuwig smachtende Tantalus. Gaat men daarentegen op in aanschouwing, vergeet men zijn individualiteit, verliest men zich in het objekt, daar het buiten alle betrekking tot andere objekten en ons zelf wordt opgevat, komt het als idee van zijn soort tegenover ons te staan en wordt zoo de mensch willoos subjekt van kennis, dan zijn voorwerp en subjekt beiden uit het gewoel des tijds omhoog gebeurd en komt het op hetzelfde neer of men uit een kerker dan wel uit een paleis de zon prachtig ziet ondergaan.[166]

Zulk een toestand, waarbij het kennen het overwicht heeft op het willen, kan, indien de vereischte stemming des gemoeds er is, in iedere omgeving worden te voorschijn geroepen. Dit toonen ons de voortreffelijke Nederlanders, die hun objektieve beschouwing op de meest onbeteekenende dingen richten en een duurzaam monument van hun geestesrust in hun „stillevens” ons te aanschouwen geven. Wie die doeken ziet, voelt zich ontroerd, daar ze hem den stillen, rustigen, willoozen gemoedstoestand van den kunstenaar vertegenwoordigen, die noodig was om zoo nietige dingen met zoo groote liefde gade te slaan, en het beschouwde zoo bezonnen weer te geven; terwijl het beeld ons oproept om aan dergelijke stemming deel te hebben, wordt onze ontroering misschien nog verhoogd door de tegenstelling met ons eigen onrustig, heftig, troebel willen. In denzelfden geest hebben dikwijls landschapschilders, in het bizonder Ruysdael gearbeid en zoo dezelfde werking op nog blijder trant te voorschijn geroepen. Thans zal men begrijpen, hoe de door hartstochten voortgezweepte, door nood en zorgen gekwelde plotseling zich verkwikt, opgevroolijkt en overeind gericht kan gevoelen, wanneer het hem gelukt[167]zich aan den slavendienst van den wil voor een oogenblik te ontworstelen en een enkelen vrijen blik op een schoon natuurtafereel te richten.

Die zaligheid van het willooze aanschouwen is het ten slotte, welke over het verleden en het vèr-afzijnde een zoo tooverachtig licht uitgiet en door zelfmisleiding dat alles veel fraaier doet schijnen dan het was. Immers als we lang verloopen dagen in een ver verwijderd oord ons voorstellen, dan zijn het de dingen alleen, die onze fantasie terugroept, niet het subjekt van het willen, dat toen evenzeer als thans zijn ongeneeselijk leed met zich ronddroeg. Dit laatste is vergeten, omdat het sedert voor zoo menig ander verdriet heeft plaats geruimd. Nu werkt de objektieve aanschouwing in de herinnering op dezelfde manier als de tegenwoordige dat zou doen, indien wij maar in staat waren ons willoos aan haar over te geven. Daardoor komt het dat, vooral wanneer wij meer dan gewoonlijk door nood en angst ons gekweld gevoelen, de plotselinge herinnering aan tooneelen uit het verleden en aan ver afgelegen oorden, als een verloren paradijs aan ons voorbijvliegt.

De æsthetische toestand van zuivere aanschouwing[168]wordt, gelijk vanzelf spreekt, het gemakkelijkst geboren wanneer de voorwerpen door rijkdom en bepaaldheid van gestalte duidelijke vertegenwoordigers van hunne ideeën en dus in den objektieven zin des woords schoon zijn. Dat is de reden waarom licht het meest verblijdende van alle dingen is en als symbool van al het goede en zegenrijke geldt. In alle godsdiensten beteekent het: eeuwig heil—maar duisternis daarentegen verdoemenis. Er komt bij, dat het zien niet, gelijk de aandoening van andere zinnen, op zich zelf reeds aangenaam of onaangenaam behoeft te zijn; eerst de in het verstand geboren aanschouwing brengt het objekt in betrekking met den wil. Reeds bij het gehoor is dit anders: geluiden kunnen rechtstreeks pijnlijk zijn of streelend, afgezien van harmonie en melodie. Het gevoel is nog meer aan dezen onmiddellijken invloed op den wil onderworpen: toch is er een tasten, dat niet met smart of wellust gepaard gaat. Reuk en smaak daarentegen bezorgen altijd lust of onlust. De beide laatstgenoemde zinnen zijn dus het meest door den wil bezoedeld, en heeten daarom de onedele, of wel, zooals bij Kant, de subjektieve zinnen. De blijdschap over het licht[169]is enkel blijdschap over deobjektievemogelijkheid van zuivere, aanschouwelijke kennis, waarbij de wil op nonactiviteit is gesteld en dus het æsthetisch genot tot zijn recht kan komen. Men denke maar eens aan de groote schoonheid, welke de afspiegeling der voorwerpen in het water te voorschijn toovert.

Wanneer echter die voorwerpen, wier door licht bestraalde gestalten ons tot kontemplatie uitnoodigen, vijandig staan tegenover het menschelijk lichaam door hun allen weerstand verpletterende overmacht, of wel door hun onmetelijken omvang den mensch dwingen zijn nietigheid te gevoelen, terwijl bij de beschouwing, ofschoon dat alles waargenomen en erkend wordt, het met opzet buiten rekening blijft, de mensch dus met geweld zich losscheurt van zijn wil, ten einde enkel kennend subjekt te zijn, hij zich zoo boven zichzelf verheft, dan vervult hem het gevoel van het verhevene, dan beseft hij wat verhevenheid is. Er is verschil tusschen gevoel voor het verhevene en dat voor het schoone: bij het laatste wint het zuivere kennen zonder strijd de bovenhand, daar de eigenaardigheid van het objekt waardoor het zijn idee afspiegelt, zonder weerstand en dus onmerkbaar[170]den wil tot zwijgen brengt, de in zijn dienst staande kennis van verhoudingen uit het bewustzijn verwijdert en zoo enkel het zuiver objekt der kennis overblijft; bij het verhevene daarentegen wordt die toestand van zuivere kennis eerst daardoor gewonnen, dat men met geweld zijn aandacht aftrekt van de vijandige betrekkingen, waarin het objekt tot ons staat, en men zich dus vrij, met bewustzijn, boven het met lust en onlust rekening houdend inzicht verheft. Die verheven stemming moet niet enkel gewonnen, maar ook gehandhaafd worden, gaat dus gepaard met voortdurend denken aan den wil, doch niet aanindividueelwillen, zooals vreezen of wenschen, maar aan menschelijk willen in het algemeen, in zoover het door zijn objektieve verschijning, het menschelijk lichaam, wordt uitgedrukt. Indien een werkelijk bepaald willen in het bewustzijn optrad ten gevolge van persoonlijk gevaar, waarmede het objekt ons bedreigde, dan zou de zoo in beweging gebrachte individueele wil terstond de bovenhand erlangen, de rust der kontemplatie verstoord worden, de indruk van het verhevene verloren gaan, voor angst plaats maken; de individu zou trachten zich te redden en daarbij iedere andere[171]gedachte uit het bewustzijn verdrongen worden.

Uit een objektief oogpunt is er geen wezenlijk verschil tusschen het schoone en het verhevene, want in beide gevallen is het voorwerp der æsthetische beschouwing niet het enkele ding, maar de daarin zich openbarende idee, welke met tijd en zelfs met ruimte niets te maken heeft, want niet de mij voor oogen zwevende uitgebreide gestalte, maar de uitdrukking, de beteekenis er van, haar innerlijk wezen, dat wat zich voor mij ontsluit en mij toespreekt, ziedaar de idee, welke bij groot verschil van ruimte- en tijdsbetrekkingen geheel dezelfde kan zijn. Daar in ieder ding de wil op zekeren trap van zijn ontwikkeling verschijnt, en het dus uitdrukking van een idee is, moet ieder ding schoon heeten. Het bleek ons reeds, dat zelfs het meest onaanzienlijke in de Nederlandsche schilderschool zich als schoon bewaarheidt, daar het onbaatzuchtige beschouwing gedoogt. Schooner is evenwel het eene dan het andere daardoor, dat het tot die zuiver objektieve beschouwing uitnoodigt, ja er als het ware toe dwingt, in welk geval wij ietszeerschoon noemen. Zoo is de mensch meer dan alle andere schepselen schoon en de openbaring van zijn[172]wezen het hoogste doel der kunst, want de idee die uit dit schepsel spreekt, openbaart ons den wil op den hoogsten trap van zijn ontwikkeling. Menschelijke gestalte en uitdrukking van menschelijk zieleleven bekleeden in de beeldende kunst de voornaamste plaats, zooals het menschelijk handelen in de poëzie den eersten rang inneemt. Toch heeft ieder ding zijn eigenaardige schoonheid, en dat geldt zelfs van het onbewerktuigde, het vormlooze. Hier openbaren zich de ideeën, welke de wil op de laagste trappen van zijn ontwikkeling inneemt, en die om zoo te zeggen de diepste, nagalmende bastonen der natuur doen weerklinken.

De bouwkunst, enkel als schoone, niet als nuttige kunst opgevat, heeft geen ander doel dan de ideeën, welke de wil op de laatste trappen inneemt, tot duidelijke aanschouwing te brengen: zwaarte, cohesie, vastheid, hardheid, de algemeene eigenschappen van den steen, doch daarenboven nog het licht, dat in menig opzicht een tegenstelling met die eerste, eenvoudigste, dofste zichtbaarheden van den wil vormt. Zelfs hier openbaart zich het wezen van den wil in tweedracht, want eigenlijk is de strijd tusschen zwaarte en[173]vastheid het eenige æsthetische motief der architektuur; dien strijd op menigvuldige wijze volkomen duidelijk te voorschijn te doen treden, is hare taak. Zij vervult ze door aan die onverdelgbare krachten den kortsten weg tot hare openbaring te versperren en ze langs een omweg te leiden, waardoor de strijd verlengd en het onuitputtelijk streven van beide krachten op menigvuldige wijze zichtbaar wordt. De gansche steenmassa zou, aan haar oorspronkelijke neiging overgelaten, een enkelen klomp uitmaken, zoo nauw mogelijk met den aardbodem verbonden, want dat is het, waartoe de zwaarte, als hoedanig de wil hier verschijnt, onophoudelijk dringt, terwijl de vastheid, eveneens openbaring van den wil, weerstand biedt. Maar, zooals gezegd, die neiging, dat streven wordt door de bouwkunst verplicht langs een omweg zijn bevrediging te zoeken. Zoo worden de balken gedwongen, door middel van de zuilen, niet rechtstreeks, de aarde te drukken; het gewelf moet zich zelf dragen en enkel door tusschenkomst van de pilaren kan het zijn streven naar omlaag voldoen. Maar juist door die belemmeringen ontvouwen zich de krachten, welke in de ruwe steenmassa huizen, zoo duidelijk[174]en veelzijdig mogelijk: verder kan het zuiver æsthetisch doel der bouwkunst niet gaan. De schoonheid van een gebouw bestaat in de zichtbare doelmatigheid van ieder deel, niet ten opzichte van het daarbuiten liggend doel des menschen, maar ten opzichte van de stevigheid van het geheel; tot haar moet ieder onderdeel door zijn plaats, zijn grootte, zijn vorm in zoo noodwendige verhouding staan, dat, wanneer het kon worden weggenomen, het gansche gebouw zou instorten. Want slechts in zoover als ieder deel zooveel draagt als het voegzaam kan, en juist daar en in die mate gesteund wordt als noodwendig is, ontplooit zich de strijd tusschen vastheid en zwaarte, welke het leven, de wilsuitingen van den steen zijn, tot volkomen zichtbaarheid. Voor willekeur mag er bij dit alles geen plaats zijn. De vorm van ieder deel moet door zijn bestemming en zijn verhouding tot het geheel zijn bepaald. Zoo is b.v. de gewonden zuil smakeloos.

Voor het æsthetisch genot van een bouwwerk is het onontbeerlijk van zijn materie, wat haar gewicht, cohesie en vastheid betreft, een rechtstreeksche, aanschouwelijke kennis te hebben, en onze vreugde over zoodanig werk zou door de[175]mededeeling, dat het uit puimsteen bestond, zeer verzwakken, want dan zou het een schijnvertooning zijn.

Het eenige en bestendige thema is hier steun en last; de grondwet luidt: geen last zonder voldoenden steun, geen steun zonder daarvoor passenden last.

Ik herinner mij bij Cicero gelezen te hebben, dat hij, door de straten van Athene wandelende, tot zijn verbazing, enkel leelijke menschen zag. Waar hebben dan de groote beeldhouwers hunne heerlijke godengestalten vandaan gehaald! Schopenhauer, die over alles heeft nagedacht, weet ook op die vraag een antwoord.

Ik herinner mij bij Cicero gelezen te hebben, dat hij, door de straten van Athene wandelende, tot zijn verbazing, enkel leelijke menschen zag. Waar hebben dan de groote beeldhouwers hunne heerlijke godengestalten vandaan gehaald! Schopenhauer, die over alles heeft nagedacht, weet ook op die vraag een antwoord.

Dat wij allen de menschelijke schoonheid opmerken, wanneer wij haar zien, en dit in den echten kunstenaar met zooveel klaarheid geschiedt, dat hij haar toont, zooals hij haar nooit gezien heeft, dat hij dus de natuur in zijn werk overtreft, is slechts op ééne wijze te verklaren:wij zelvezijn de wil, wiens hoogste openbaring: hèt menschelijk lichaam, hier beoordeeld en gevonden wordt. Daardoor alleen kunnen wij vooruitloopen op wat de natuur zich inspant om voort te brengen; de wil der natuur is hier ons eigen wezen; het echte[176]genie heeft maar een half woord noodig om de natuur te verstaan en zuiver uit te spreken wat zij stamelende ten gehoore brengt; zoo gelukt het hem de schoonheid van den vorm in het harde marmer uit te drukken, en, het door hem geschapen beeld aan de min of meer mislukte gewrochten der natuur overstellende, deze laatste als het ware toe te roepen: „dát was het, wat gij zeggen wildet!” „Ja”, zegt de kenner, „dat was het!” De mogelijkheid, dat zoo de kunstenaar het ideaal van menschelijke schoonheid aan zich zelf ontleent, en dat de kenner, als hij het in beeld tegenover zich ziet staan, het als zoodanig waardeert, berust hierop, dat kunstenaar en kenner beiden het „an sich” der natuur, de zich verwerkelijkende wil zelve zijn. Want enkel het gelijke wordt door het gelijke verstaan. Enkel natuur kan zich zelve doorgronden, enkel geest kan geest begrijpen.

Voor æsthetisch genot en artistieke schepping is het noodig deideeënder dingen te aanschouwen, welke geheel iets anders zijn dan de op de dingen passendebegrippen. Het begrip is afgetrokken, enkel bepaald in zoover het grenzen trekt, binnen zijn eigen sfeer geheel[177]onbepaald. Het is door definitie voor mededeeling vatbaar. De idee daarentegen is een visioen in alle mogelijke opzichten volkomen bepaald; zij vertegenwoordigt op volmaakte en aanschouwelijke wijze het begrip en ook de oneindige menigte afzonderlijke dingen, welke onder het bereik van het begrip vallen. Het begrip is uit de veelheid afgeleide eenheid, maar de idee is de oorspronkelijke eenheid, welke ten gevolge van onze waarnemingsvormen, ruimte en tijd, in veelheid uiteenvalt. De idee roept in hem, die haar aanschouwt, nieuwe voorstellingen op; zij is als een levend met teelkracht uitgerust organisme, dat iets nieuws voortbrengt. Het begrip is, hoe nuttig en bruikbaar ook voor leven en wetenschap, eeuwig onvruchtbaar voor de kunst. Daarentegen is de idee de echte en eenige bron van ieder kunstwerk. In haar krachtige oorspronkelijkheid ontspruit zij uit het leven zelf, uit de wereld, maar enkel in dien mensch, die door de geestdrift van het genie bezield wordt. Juist omdat de idee aanschouwelijk is en blijft, schept de kunstenaar zonder doel, gelijk de God van Spinoza; hij kan van zijn werken geen rekenschap geven; hij arbeidt, gelijk de menschen het uitdrukken, enkel[178]door gevoel gedreven, onbewust, instinktmatig. De nabootsers daarentegen, zij, die zich een zekere manier hebben eigen gemaakt, gaan in de kunst van het begrip uit; zij merken op wat het is, dat bij de echte kunstwerken behaagt, vormen zich daarvan een duidelijk begrip, bootsen het nu in het geheim met wijs opzet na. Als parasieten zuigen zij hun voedsel uit vreemde werken en vertoonen gelijk polypen de kleur van dat, waarop zij teren. De domme menigte van zeker tijdstip, die zelve eveneens slechts begrippen kent en daaraan hecht, neemt wat de manier van den dag vertoont met bijval op, maar na weinige jaren reeds is zulk maakwerk ongenietbaar, want de tijdgeest is een andere geworden, d.i. de heerschende begrippen, waarin die niet-geniale gewrochten wortelen konden, zijn verouderd en door nieuwe vervangen. De echte kunstgewrochten daarentegen, welke rechtstreeks uit de natuur, uit het leven zijn geput, blijven eeuwig jong en eeuwig frisch.

Eenallegorieis een kunstwerk, dat iets anders beteekent dan het te aanschouwen of te lezen geeft, nl. een begrip. Hier moet dus beeld of schilderij een gedachte opwekken, welke het[179]woord op veel volkomener wijze rechtstreeks kan uitdrukken. Het doel der kunst, voorstelling van een aanschouwelijke idee, wordt zoo uit het oog verloren. Wanneer de samenhang tusschen het teeken en het beteekende geheel conventioneel is, dan hebben wij met die soort van allegorie te maken, welkesymboolis. Zoo is de roos symbool van het zwijgen, de laurier van den roem, de schelp van het pelgrimschap enz. De Grieksche beeldhouwkunst richt zich tot de aanschouwing en is dus æsthetisch; die van Hindostan tot het begrip en is dus symbolisch. Het voorbeeld van Winckelmann, die de allegorie, in plaats van haar als vreemd aan de kunst te verwerpen, overal in bescherming neemt en als hoogste doel der kunst de aanduiding van algemeene begrippen noemt, bewijst, dat men zeer gevoelig kan zijn voor kunstschoon en daarover juist oordeelen, zonder nochtans van het wezen van schoonheid en kunst rekenschap te kunnen geven, gelijk men edel en deugdzaam in hooge mate kan zijn en een fijn geweten hebben, dat nauwkeurig als een goudschaal in ieder bizonder geval beslist wat goed en behoorlijk is, zonder dat men daarom de ethische beteekenis van handelingen[180]op wijsgeerigen trant weet te doorgronden en in woorden uit te drukken.

Te midden van de schoone kunsten neemt volgens Schopenhauer de muziek een geheel eigen plaats in. Om de theorie, die hij over haar ontvouwt, juist te vatten, moeten wij op het volgende letten. Voor opzettelijk handelen, dat doel zal treffen, wordt kennis vereischt. Het intellekt is volgens Schopenhauer dan ook oorspronkelijk enkel bestemd om motieven aan het handelen te verschaffen. Vandaar dat bij de dieren en zelfs bij de meeste menschen de lust om waar te nemen gaat kwijnen, zoodra er niets mee te bereiken valt. Bij sommigen is er echter een overschot van verstandelijke kracht, dat tot aanschouwing kan worden besteed, welke, aan de doeleinden van den wil gemeten,nutteloosen daarom juist zuiverobjektiefis. Als er niet gevraagd wordt naar de betrekkingen waarin een ding, rechtstreeks of zijdelings, mogelijkerwijze tot den wil staat, er dus niet gelet wordt op de plaats waar en den tijd waarin, niet op de oorzaken waardoor en de middelen waartoe, als men m.a.w. alleen het voorwerp in het oog vat, dan staat men, wel niet tegenover den wil, die zich in dat ding vertoont, want wil wordt enkel gekend door bewustzijn van eigen streven, maar tegenover de idee, die zich in het verschijnsel afspiegelt. Dan is men zonder begeerte en louter kennend subjekt.[181]Dan ondervindt men den wellust, die extase heet; dan verliest men zich in het aanschouwde.Ziedaar het genot, dat door alle kunsten bezorgd wordt, met uitzondering van de muziek. Zij alleen brengt ons niet met aanschouwelijke ideeën in betrekking, maar ontsluiert ons den grond van al het aanschouwelijke, het wezen aller wezens, den wil. In dit gedeelte van Schopenhauer’s schoonheidsleer laten zich twee partijen van ongelijke waarde onderscheiden. Op fantastische wijze, als een echt romantikus, trekt hij een hoogst willekeurige parallel tusschen de wereld der geluiden en de wereld der ideeën. De grondbas met zijn diepe tonen vertegenwoordigt de onbewerktuigde stof; de hoogere tonen heeten overeenkomst te hebben met planten en dieren; de intervallen van de toonladder duiden de scheiding der levende wezens in verschillende soorten aan enz. Aantrekkelijker dan deze poging om in alles, wat op muzikaal gebied gevonden wordt, een kosmisch symbool te ontdekken, is zijne beschouwing over de ontroering, die zich van den mensch meester maakt, bij het luisteren naar een voortreffelijk toondicht.

Te midden van de schoone kunsten neemt volgens Schopenhauer de muziek een geheel eigen plaats in. Om de theorie, die hij over haar ontvouwt, juist te vatten, moeten wij op het volgende letten. Voor opzettelijk handelen, dat doel zal treffen, wordt kennis vereischt. Het intellekt is volgens Schopenhauer dan ook oorspronkelijk enkel bestemd om motieven aan het handelen te verschaffen. Vandaar dat bij de dieren en zelfs bij de meeste menschen de lust om waar te nemen gaat kwijnen, zoodra er niets mee te bereiken valt. Bij sommigen is er echter een overschot van verstandelijke kracht, dat tot aanschouwing kan worden besteed, welke, aan de doeleinden van den wil gemeten,nutteloosen daarom juist zuiverobjektiefis. Als er niet gevraagd wordt naar de betrekkingen waarin een ding, rechtstreeks of zijdelings, mogelijkerwijze tot den wil staat, er dus niet gelet wordt op de plaats waar en den tijd waarin, niet op de oorzaken waardoor en de middelen waartoe, als men m.a.w. alleen het voorwerp in het oog vat, dan staat men, wel niet tegenover den wil, die zich in dat ding vertoont, want wil wordt enkel gekend door bewustzijn van eigen streven, maar tegenover de idee, die zich in het verschijnsel afspiegelt. Dan is men zonder begeerte en louter kennend subjekt.[181]Dan ondervindt men den wellust, die extase heet; dan verliest men zich in het aanschouwde.

Ziedaar het genot, dat door alle kunsten bezorgd wordt, met uitzondering van de muziek. Zij alleen brengt ons niet met aanschouwelijke ideeën in betrekking, maar ontsluiert ons den grond van al het aanschouwelijke, het wezen aller wezens, den wil. In dit gedeelte van Schopenhauer’s schoonheidsleer laten zich twee partijen van ongelijke waarde onderscheiden. Op fantastische wijze, als een echt romantikus, trekt hij een hoogst willekeurige parallel tusschen de wereld der geluiden en de wereld der ideeën. De grondbas met zijn diepe tonen vertegenwoordigt de onbewerktuigde stof; de hoogere tonen heeten overeenkomst te hebben met planten en dieren; de intervallen van de toonladder duiden de scheiding der levende wezens in verschillende soorten aan enz. Aantrekkelijker dan deze poging om in alles, wat op muzikaal gebied gevonden wordt, een kosmisch symbool te ontdekken, is zijne beschouwing over de ontroering, die zich van den mensch meester maakt, bij het luisteren naar een voortreffelijk toondicht.

De muziek is een zoo groote en heerlijke kunst, werkt zoo machtig op het gemoed, wordt zoo volledig als een algemeene taal door ieder beschaafd mensch verstaan, overtreft zoozeer in duidelijkheid zelfs de aanschouwelijke wereld, dat[182]wij zeker meer in haar te zoeken hebben dan het onbewust tellen, waarvoor Leibnitz haar hield, daar hij enkel op de uitwendige schaal en niet op de kern lette. Ware zij niets meer dan dat, zoo moest de bevrediging, welke zij verschaft, gelijksoortig zijn aan die, welke wij bij de juiste uitkomst van een rekensom gevoelen, en ze kon niet die zalige vreugde zijn, waarmede wij de diepste diepten van ons wezen vertolkt gevoelen. Om de æsthetische werking der muziek te verstaan, moeten wij haar een veel ernstiger en dieper beteekenis toekennen, die op het innerlijk wezen van wereld en mensch betrekking heeft. De getalsverhoudingen, waarin zij zich laat oplossen, kunnen hoogstens enkel als teekenen gelden.

Het doel van alle overige kunsten is ons met de ideeën bekend te maken; daar onze wereld niets anders is dan de verschijning van ideeën in veelheid van dingen, is de muziek, die alle ideeën overslaat, van de wereld der verschijnselen geheel onafhankelijk. Muziek zou, als zij zonder instrumenten kon bestaan, ook al ware de wereld er niet, toch kunnen genoten worden, wat zich niet van de overige kunsten zeggen laat. Muziek[183]is even rechtstreeksche afspiegeling van den wereldwil als de wereld zelve dat is. Daardoor juist is de werking der muziek zooveel machtiger dan die der overige kunsten: want deze spreken enkel van de schaduw, zij van het wezen.

Begrip is hier, gelijk overal in de kunst, onvruchtbaar. De komponist openbaart het diepste wezen der wereld en spreekt de hoogste wijsheid uit in een taal, die zijn rede niet verstaat, gelijk de magnetische somnambule mededeelingen doet over dingen, van welke zij in wakenden toestand geen besef heeft. Daarom is bij den komponist, meer dan bij iemand anders, de mensch van den kunstenaar geheel te scheiden.

Juist omdat de muziek het innerlijk wezen der wereld vertolkt en nooit tot het verschijnende zelf in rechtstreeksche betrekking staat, kan zij geen uitdrukking geven aan bizondere, bepaalde blijdschap, droefheid, ontzetting, onder die en die omstandigheden, maar slechtsdevreugde,desmart,denjubel, de gemoedsrust, om zoo te zeggen in het afgetrokkene, het wezenlijke van dat alles, zonder eenig bijwerk, ten gehoore brengen. Toch verstaan wij haar volkomen. Dat is de reden waarom onze fantasie zoo licht door[184]haar in beweging wordt gebracht en dan beproeft die onzichtbare en toch zoo levendig tot ons sprekende geestelijke wereld met vleesch en been te bekleeden, haar dus in een analoog voorbeeld te belichamen. Ziedaar de oorsprong van het gezang met woorden en ten slotte van de opera, maar een groote fout is het, wanneer datgene, wat hoofdzaak moet zijn, de muziek, daarbij in ondergeschikte stelling geraakt. Juist de algemeenheid van de muziek, waardoor het buiten hare macht ligt bizondere gebeurtenissen te vertolken of bepaalde toestanden aan te wijzen, schenkt haar de hooge waarde, welke zij als geneesmiddel van menschelijk lijden heeft. Wanneer dus de muziek te zeer zich bij de woorden tracht aan te sluiten en naar de gebeurtenissen zich tracht te schikken, dan beproeft zij een taal te spreken, die de hare niet is. Van deze fout heeft Rossini zich meer dan iemand anders vrij gehouden; zijne muziek spreekt zoo duidelijk en zuiver haar eigen taal, dat zij de woorden in het geheel niet noodig heeft, en, enkel met instrumenten uitgevoerd, hare volle werking blijft uitoefenen.

Uit de innige verhouding, waarin de muziek tot het ware wezen van alle dingen staat, is ook[185]dit te verklaren, dat, wanneer begeleidende muziek ten volle past bij een handeling, gebeurtenis, tooneelinrichting, omgeving, zij als de duidelijkste kommentaar daarop zich gelden doet; eveneens is het hem, die zich aan den indruk van een symfonie geheel overgeeft, als zag hij alle mogelijke gebeurtenissen des levens aan zich voorbijtrekken; toch kan hij, wanneer hij zich bezint, geen overeenkomst aangeven tusschen het toondicht en de dingen die hem voor den geest zweven. Immers de muziek is daarin van alle andere kunsten verschillend, dat ze geen afbeelding van de wereld der voorstelling, maar van den wil zelven is en dus niet het physische maar het metaphysische tot uitdrukking brengt. Men zou de wereld evengoed een belichaming van muziek als van wil kunnen noemen.

Het onuitsprekelijk innige van muziek, dat haar als een paradijs doet zijn, waarin wij geheel ons tehuis gevoelen, terwijl het toch onmetelijk ver van ons af ligt, dat volkomen begrijpelijke en toch zoo vreemde van muziek, vindt daarin zijn oorsprong, dat ze alle bewegingen van de diepste diepten onzer ziel wedergeeft, maar geheel buiten de werkelijkheid om en dus zonder eenige bezoedeling met ’s levens ellende.[186]

De wereld als voorstelling is de spiegel, waarin de wereld als wil zich zelf aanschouwt. Oorspronkelijk is de wil blinde, doffe drang; enkel daar, waar kennis, met andere woorden voorstelling, geboren wordt, komt de wil tot zelfbewustzijn, bespeurt hij, wat het is, dat hij wil, dat hij namelijk niet anders wil dan deze wereld, het leven juist zooals het is.

Tevens ontdekt de wil dan dat de individuen voor hem geen waarde hebben en dat het hem enkel om de soorten te doen is. Op naïeve wijze verkondigt zoo de natuur deze groote waarheid, dat uitsluitend de ideeën werkelijkheid bezitten. De juiste theorie der geslachtsliefde is geheel in overeenstemming met deze leer, gelijk wij thans zien zullen.

Alle verliefdheid, hoe etherisch zij zich ook moge aanstellen, wortelt enkel in het sexueele verlangen en is enkel een nader bepaald, op dit of dat individu gericht instinkt. Wanneer men, dit in aanmerking nemende, de gewichtige rol gadeslaat, welke de liefde, in al haar graden en schakeeringen, niet enkel op het tooneel en in de romans, maar ook in de werkelijke wereld vervult, waar zij, naast de liefde tot het leven[187]zich als de sterkste van alle drijfveeren openbaart, de helft der krachten en gedachten der jongere menschheid voortdurend in beslag neemt, het laatste doel van bijna ieder menschelijk streven is, op de gewichtigste aangelegenheden den nadeeligsten invloed erlangt, de ernstigste bezigheden ieder oogenblik doet afbreken, soms zelfs de helderste hoofden voor een wijle in verwarring brengt, zich niet ontziet te midden van de verhandelingen der staatsmannen en de onderzoekingen der geleerden storend met haar nesterijen in te grijpen, haar liefdesbrieven en haarlokken, zelfs in portefeuilles van ministers en manuscripten van philosofen, weet binnen te smokkelen, niet minder dagelijks de hevigste en meest ingewikkelde twisten doet ontbranden, de hechtste banden verscheurt, betrekkingen van de allerhoogste waarde ontbindt, nu eens leven of gezondheid, dan weer rijkdom, aanzien en voorspoed tot haar offer kiest, ja den braafste gewetenloos, den trouwste verraderlijk maakt, dus over het geheel genomen als een vijandige demon optreedt, die er op uit is verwarring te stichten en alles omver te werpen;—dan móet men wel uitroepen: Waartoe al die drukte? Waartoe dat dringen en razen, die angst[188]en die nood? Het komt er toch maar op aan, dat ieder Hans zijn Gretchen krijgt: waarom moet zulk een kleinigheid een zoo gewichtige rol spelen, en telkens stoornis en verwarring te weeg brengen in het wèl geordende menschelijke leven?—De geest der waarheid antwoordt hier aan iederen ernstigen denker: het is geen kleinigheid die hier op het spel staat, het geldt hier een zaak, gewichtiger dan alle andere doeleinden, en daarom de diepe ernst, waarmee ieder haar behartigt, ten volle waard. Dàt namelijk, wat hier beslist moet worden, is niets minder dan de samenstelling der volgende generatie. Door die beuzelachtige minnarijen wordt uitgemaakt, welke handelende personen op het tooneel zullen werkzaam zijn, wanneer wij zelve zullen zijn afgetreden. En van de samenstelling van dat op ons volgende geslacht hangen weer tallooze later komende geslachten af. Dit hooge gewicht der zaak, waarbij het niet om wèl en wee van thans levende individuen, maar om bestaan en karakter van het menschelijk geslacht in toekomstige tijden gaat, heeft ten gevolge, dat de wil van den enkeling hier in verhoogde macht als wil der soort te voorschijn treedt; dit is het, waarop het pathetische en het[189]verhevene van alle liefdesaangelegenheden, het alles te boven gaande van hare verrukkingen en smarten berust, wat de dichters in talrijke voorbeelden sedert duizenden van jaren niet moede worden ons voor oogen te stellen; geen onderwerp is zoo belangrijk als dit, daar het hier het wel en wee der soort betreft en dus tot alle overige, welke slechts het welzijn der enkelingen raken, zich als een lichaam tot een vlak verhoudt. Daarom juist is het zoo moeielijk een drama zonder minnehandel belangrijk te doen zijn en daarom geldt het hier een thema, dat zelfs door het dagelijksch gebruik niet afgezaagd wordt.

Wat in het bewustzijn zich voordoet als het sexueele verlangen op een bepaald individu gericht, is op zich zelf de wil als een bepaald individu geboren te worden. In dit geval weet de geslachtsdrift, ofschoon op zich zelve een subjektieve behoefte, zeer geschikt het masker van objektieve bewondering aan te nemen en zoo het bewustzijn om den tuin te leiden; tot bereiking van hare doeleinden heeft de natuur die krijgslist van noode. Dat het echter, hoe objektief en hoe verheven ook die bewondering moge schijnen, bij alle verliefdheid toch enkel om de voortbrenging[190]van een bepaald individu te doen is, wordt vooral daardoor bevestigd, dat niet weerkeerige liefde, maar bezit, als hoofdzaak hier beschouwd wordt. De zekerheid van beantwoorde liefde kan nooit over het gemis aan bezit troosten; integendeel heeft menigmaal zulk een toestand tot zelfmoord geleid. Daarentegen neemt iemand, die hevig verliefd is, wanneer hij zijn liefde niet beantwoord kan krijgen, het desnoods met de door geschenken afgekochte gunst van een vrouw of ook met verkrachting voor lief. Bij iederen liefdesroman is het doel, ook al begrijpen de partijen het zelve niet, dat er dit of dat bepaalde kind worde verwekt; de manier, waarop dit doel bereikt wordt, is bijzaak. Hoe luide ook de gevoelvolle, verliefde paartjes zich tegen het grove realisme van dergelijke beschouwing mogen verzetten, toch dwalen zij. Werkelijk is het de toekomstige generatie in haar individueele bepaaldheid, die, bij al de omslachtigheden en eindelooze bemoeienissen tot het erlangen der geliefde vrouw, er naar hunkert om te voorschijn te treden. De aanwassende genegenheid van een minnend paar is eigenlijk reeds de drang om te leven van het nieuwe individu, dat zij zouden kunnen en zouden willen verwekken;[191]ja, in de blikken vol verlangen, waarmede zij elkander aanzien, ontvlamt reeds het nieuwe leven en kondigt het zich aan als een toekomstige, harmonisch samengestelde individualiteit.

Het egoïsme is een zoo diep gewortelde eigenschap bij alle individuen dat, wil men ze aan het werk zetten, zelfzuchtige doeleinden de eenige zijn, waarop men met zekerheid rekenen kan. Nu heeft zeker de soort op het individu een nader, hooger en ouder recht dan het voorbijgaande individu op zich zelf: wanneer echter het individu voor bestaan en welzijn der soort zorgen en zelfs offers brengen moet, dan kan aan zijn intellekt, dat er enkel op ingericht is om zelfzuchtige doeleinden na te streven, het gewicht dier aangelegenheid niet zoo duidelijk worden gemaakt, dat er dienovereenkomstig gehandeld wordt. Derhalve kan in zoodanig geval de natuur haar doel slechts daardoor bereiken, dat zij den individu een zekerenwaanin het gemoed plant, ten gevolge van welken hem als een goed voor hem zelf toeschijnt wat in waarheid slechts een goed voor de soort is, zoodat hij de soort dient, terwijl hij meent zich zelf te dienen; bij welke gebeurtenis hem een hersenschim voor den geest zweeft, die als[192]beweegkracht de plaats van werkelijkheid inneemt en bestemd is onmiddellijk daarna te verdwijnen. Deze waan is het instinkt. In de allermeeste gevallen is instinkt de genius der soort, welke datgene wat der soort ten nutte komt door den wil verrichten doet. Deuitwendige verschijningvan het instinkt nemen wij het best bij de dieren waar, doch debinnenzijdeer van kunnen wij, gelijk al het innerlijke, enkel aan ons zelven leeren kennen. Nu is het een zeer bepaald, hoogst samengesteld instinkt, dat de keuze van een individu voor geslachtsbevrediging met zoo diepen ernst en groote eigenzinnigheid juist op een bepaalden persoon richt … De duizelingwekkende verrukking, die zich van den man bij den aanblik van juist die en geen andere vrouw meester maakt en hem de vereeniging met haar als het hoogste goed voorspiegelt, is een instinkt, dat op het welzijn der soort is gericht, terwijl de mensch zich verbeeldt enkel zijn eigen genot te zoeken. Inderdaad ontsluiert zich hier het wezen van alle instinkt. Het is een werken, dat meestal door een bepaald doel, n.l. het welzijn der soort, wordt geleid, terwijl in werkelijkheid dat doel niet tot het besef van den werkenden individu komt. De[193]zorgvuldigheid, waarmede een insekt een bepaalde bloem of vrucht of de een of andere larve opzoekt, om juist dáár zijn eieren te leggen, en, om dat te bereiken, moeite noch gevaar ontziet, vertoont groote overeenkomst met die, waarmede een man de vrouw uitkiest tot geslachtsbevrediging en daarbij zijn eigen levensgeluk dikwijls opoffert of zelfs door misdaad als echtbreuk of verkrachting zijn doel weet te bereiken, en dat alles om aan den souvereinen wil der natuur te gehoorzamen en ten koste van den individu het belang der soort te dienen. Een waan is het, die den man voorgoochelt, dat hij in de armen van een bepaalde vrouw en van geen andere een oneindig grooter bevrediging zal vinden; dus meent hij voor zijn eigen genot zich moeite en opoffering te getroosten, terwijl het er enkel om te doen is, dat een bepaald individu, dat enkel van dat ouderenpaar afkomstig kan zijn, in het aanzijn zal treden. Overeenkomstig deze opvatting ziet ieder verliefde, wanneer hij eindelijk zijn doel bereikt heeft, zich wonderlijk ontgoocheld en bevreemdt het hem, dat de hartstochtelijk begeerde gemeenschap geen grooter geluk schonk, dan hij ook elders had kunnen vinden.[194]

Dit alles werpt licht op het instinkt, dat den vogel zijn nest doet bouwen, het insekt naar prooi doet jagen, die, voor dat diertje zelf ongenietbaar, als voedsel voor de toekomstige larven naast de eieren wordt gelegd. Al die dieren worden ongetwijfeld door een waan geleid, welke den dienst der soort achter het masker van een egoïstisch doel verbergt.

In dit verband wijst Schopenhauer er vervolgens op, dat de man naar afwisseling haakt, terwijl de vrouw in den regel aanhankelijk blijft aan den individu harer keuze. Hij verklaart dit uit het doel der natuur, dat op behoud en sterke vermeerdering der soort gericht is; de man kan in korten tijd een talrijk nakroost verwekken, terwijl de vrouw in dienzelfden tijd slechts één kind kan ter wereld brengen. Ook drijft de natuur de vrouw om den voeder en beschermer der kinderen voor zich te behouden. Echtelijke trouw is voor den man, volgens Schopenhauer, een kunstmatig verkregen produkt der beschaving, terwijl zij voor de vrouw natuurlijk is en echtbreuk bij haar, niet enkel wegens de gevolgen, maar ook om zijn tegennatuurlijk karakter, veel onvergeeflijker is dan bij den man. Schopenhauer vat zijne beschouwing in deze woorden samen:

In dit verband wijst Schopenhauer er vervolgens op, dat de man naar afwisseling haakt, terwijl de vrouw in den regel aanhankelijk blijft aan den individu harer keuze. Hij verklaart dit uit het doel der natuur, dat op behoud en sterke vermeerdering der soort gericht is; de man kan in korten tijd een talrijk nakroost verwekken, terwijl de vrouw in dienzelfden tijd slechts één kind kan ter wereld brengen. Ook drijft de natuur de vrouw om den voeder en beschermer der kinderen voor zich te behouden. Echtelijke trouw is voor den man, volgens Schopenhauer, een kunstmatig verkregen produkt der beschaving, terwijl zij voor de vrouw natuurlijk is en echtbreuk bij haar, niet enkel wegens de gevolgen, maar ook om zijn tegennatuurlijk karakter, veel onvergeeflijker is dan bij den man. Schopenhauer vat zijne beschouwing in deze woorden samen:

Het liefdesverlangen, door de dichters van alle[195]tijden op alle wijzen bezongen, terwijl het onderwerp onuitputtelijk blijft, dat verlangen, waardoor aan het bezit van een bepaalde vrouw de voorstelling van oneindige zaligheid wordt vastgeknoopt, terwijl de gedachte dat zij buiten zijn bereik zou kunnen blijven den man onuitsprekelijk doet lijden, dat verlangen en die pijn der liefde kunnen niet wortelen in de behoeften van een vergankelijk individu; hier hooren wij de verzuchtingen van den genius der soort, welke in tegenstelling met den individu oneindig leven heeft, en dus voor oneindige wenschen en oneindige smarten vatbaar is. Maar die wenschen en smarten zijn opgesloten in de enge borst van een sterveling, welke onder dien machtigen druk schijnt te willen barsten. Alleen de genius der soort is in staat om met één blik te zien, welke waarde voor hare doeleinden een zeker paar menschen kan hebben. De groote hartstochten ontstaan dan ook in den regel bij den eersten aanblik. Daarom is het verlies der geliefde door een mededinger of door den dood voor den vurigen minnaar een smart, die alle andere te boven gaat. Zij treft hem niet enkel als individu, maar grijpt hem aan in zijn eeuwig wezen, in het leven der soort, tot welks[196]lastdrager en wilsuitvoerder hij geroepen werd. Om die reden is ijverzucht zoo grimmig en pijnlijk en is er geen grooter offer denkbaar dan van een geliefde te moeten afstand doen. Een held schaamt er zich voor jammerkreten te slaken, maar liefdesklachten laat hij hooren, want in dezen is het niet hij zelf, maar de soort, die haar schreiende stem verheft.

Het lijdt geen twijfel of Wagner heeft zich o. a. bij zijn schepping van Tristan en Isolde door Schopenhauer tot die hooge opvatting der liefde laten bezielen, volgens welke zij oneindig meer is dan een festijn, waaraan een paar menschen in hun wittebroodsweken zelfzuchtig te gast gaan.

Het lijdt geen twijfel of Wagner heeft zich o. a. bij zijn schepping van Tristan en Isolde door Schopenhauer tot die hooge opvatting der liefde laten bezielen, volgens welke zij oneindig meer is dan een festijn, waaraan een paar menschen in hun wittebroodsweken zelfzuchtig te gast gaan.

[197]


Back to IndexNext