SLOTWOORD

[Inhoud]SLOTWOORDZiedaar, hoofdzakelijk in de eigen woorden vanSchopenhauer, een niet al te onvolledig beeld van zijn leer. Uit de „Parerga und Paralipomena” behoefde ik niets mede te deelen, want zij zijn voortreffelijk in het Hollandsch vertaald door Dr. van den Bergh van Eysinga, predikant te Zutphen.Het is niet te loochenen, dat wij talrijke woorden van wijsheid te hooren kregen. Toch waagde ik het hier en daar een aanmerking in te vlechten. Ik had er meer[240]kunnen maken. Over ons kenvermogen spreekt Schopenhauer zóó, alsof het ons een beletsel is om te kennen. Hij meent dat alle begrippen, causaliteit alleen uitgezonderd, in aanschouwing wortelen. Die meening schijnt mij onjuist. Voorts: gelijk het niet raadzaam is margarine onder den naam van boter op de markt toe te laten of bedeeling voor pensioen te doen doorgaan, zoo is het bedenkelijk aan het begrip „wil” een zoo kolossale uitbreiding te geven, dat het echt menschelijke willen erdoor in de schaduw komt te staan. Maar dat zijn kleinigheden, immers in hoofdzaak enkel theoretische bedenkingen.Wat weerzin inboezemt en een rilling over het lijf jaagt, is de verachting van dezen genialen en bewonderenswaardigen man voor de wereld en het leven, zijn onverholen atheïsme, zijn pessimisme; welnu, dat alles vloeit uit een en dezelfde bron.Van „waarde” kan volgens Schopenhauer enkel sprake zijn als er handel gedreven wordt: zooveel gerst staat met zooveel tarwe gelijk. Volstrekte waarde is er niet. Schopenhauer heeft, van die onderstelling uitgaande, gelijk: als niets op zichzelf begeerlijk is, als geen einddoel ons wenkt, dan is het leven een kringloop over een gloeiende plaat, die slechts hier en daar wat koeler plekken oplevert, dan kan er van vooruitgang evenmin als van achteruitgang sprake zijn, dan is er enkel zinloos loopen, plaatsverwisseling. Schopenhauer heeft gelijk: als wij ook in de diepste diepten der ziel enkel[241]doeleinden aantreffen, die niet waard zijn gewild te worden, als het geheele leven, zelfs dat der besten, een akelige klucht is, als wij ons enkel met zeepbellen vermaken, dan is het willen-leven onzin, en het niet-willen-leven de hoogste wijsheid. Schopenhauer heeft gelijk: als er geen vast doel is, dan moet alle geschiedenis onbelangrijk heeten, dan weet wie Herodotus gelezen heeft genoeg van den zwaren en verwarden droom, die het menschelijk leven uitmaakt en behoeft men niet nieuwsgierig te zijn naar wat nog andere historici te vertellen hebben.Maar, mag ik vragen, verraadt het niet eenig gebrek aan zelfbezinning, te loochenen dat het leven een doel zou hebben? Vanwaar ons besef van volstrekte waarde, zoo alles, op de keper beschouwd, nietig en onbeteekenend is? Vanwaar ons denkbeeld van het onverderfelijke, wanneer wij in en buiten ons enkel het vergankelijke aantreffen? Hier geldt misschien het oude woord: „wij zouden u niet zoeken, o God, zoo wij u niet reeds gevonden hadden”. Men meene niet, dat dit een vermomde wederinvoering is van het ontologisch bewijs, een verkeerde conclusie van begrip tot bestaan. Mijn bedoeling is deze: als de waarde van alle bestaan nul is, waar halen wij dan den maatstaf vandaan, die ons veroorlooft het vonnis van nietigheid te vellen? Schopenhauer was veel te verstandig om de balans te willen opmaken van lust en onlust in deze wereld. Aan[242]het platte optimisme antwoordt hij terecht: het groote schandaal is niet het overwicht, maar het bestaan van het kwaad. Laten er duizenden in weelde en voorspoed leven; dat vermindert in geenen deele de ellende van een enkel ongelukskind. Wat wij echter moeten opmerken is, dat er onstoffelijke goederen zijn van duurzame beteekenis, zooals zielenadel en karaktersterkte, wetenschap en kunst, gerechtigheid, nationale onafhankelijkheid, staatkundige, maatschappelijke, geestelijke vrijheid, welke verder reiken dan de belangen van den nietigen enkeling. Deindividukan aan zulke zaken zijn hart verpanden; het bewijst dat het individueele bestaan geen zonde is, doet zelfs vermoeden, dat de mensch meer is dan een ééndagsvlieg. De wereld is niet voltooid en de mensch evenmin. Licht en duisternis, het heilige en het onheilige, recht en onrecht worstelen om den voorrang. Het is onzen taak in dien strijd aan den goeden kant te staan.Dat de mensch niet enkel voor zijn pleizier in de wereld is, wist men reeds lang voor Schopenhauer.Ook valt het te begrijpen dat iemand, die genot als maatstaf aanlegt, het leven slecht noemt. Geheel anders luidt het oordeel, als men meent dat het ’s menschen bestemming is in het rijk der geesten een rang te veroveren, zelf medebouwmeester te zijn van een geestelijk heelal.Schopenhauer zegt: „het geweten is het protokol[243]onzer daden”. Hij voegt er aan toe, dat wij meestal ons zelven tegenvallen, als wij door onze handelingen aan ons zelvenontdektworden. Wat wil dat anders zeggen dan dat wij tegenover een rechter staan, die in onzen boezem woont, beurtelings ons vrijspreekt en vonnist? En toch zou plicht een herschenschim zijn? Toch zou „het onvoorwaardelijk gebod” een misbaksel zijn, dat Kant enkel aan het toeval van zijn Joodsch-Christelijke opvoeding, aan zijn vroege kennismaking met de „de Tien geboden” te danken zou hebben? Neen, het „beter bewustzijn”, waarvan Schopenhauer zelf spreekt, „het beste in den mensch”, zooals hij het elders noemt, was bij hem, gelijk bij ieder onzer, een levende waarheid, maar mag tevens een afdoende weerlegging van zijn atheïsme en pessimisme worden genoemd. Schopenhauer prijst Mad. Guion, waar zij zegt: „mij is alles onverschillig; ikkanniets meer willen; ik weet dikwijls niet of ik leef dan wel niet leef”. Met Bossuet keuren wij dat quietisme af, dat jagen naar doode rust. Wij achten het beter den wil te stalen dan hem te dooden.Hadden wij ongelijk, toen wij op de eerste bladzijde van dit boek beweerden, dat de mensch Schopenhauer en zijn wijsbegeerte niet van elkander te scheiden zijn? De groote grief der moeder was reeds: gij zijt zoo bedilziek en erkent niets boven u.[245][Inhoud]INHOUDSOPGAVEBlz.Werk en persoonlijkheid bij Schopenhauer niet te scheiden1Tweeërlei geestesrichting, die van den intellektualist en die van den voluntarist1Vergelijking tusschen Hegel en Schopenhauer2Schopenhauer’s pessimisme en sympathie voor Buddhisme9Zijn betrekkelijk Kantianisme11Zijn moraal vertoont een Indisch karakter15Geen onderscheid tusschen u en mij16Verwantschap tusschen Schopenhauer en hedendaagsche geestesstroomingen18Schopenhauer’s inborst en levensgeschiedenis19Goethe en Schopenhauer23Schopenhauer wordt op zijn ouden dag beroemd27Zijn testament en dood29Fragmenten uit: „Ueber die vierfache Wurzel des Satzes vom zureichenden Grunde”32Verschil tusschen oorzaken, kengronden, zijnsgronden en beweegredenen33Oorzaken en hare werkingen zijn steeds veranderingen35Geen eerste oorzaak37[246]Het begrip substantie: enkel de stof blijft42Maar de stof is er niet buiten het bewustzijn45Het intellekt roept de stoffelijke dingen in het aanzijn46Bouwt ze op uit gewaarwordingen met behulp van tijd, ruimte en causaliteit, welke drie subjektieve opvattingswijzen zijn49Dus zijn de lichamen enkel aanschouwelijke voorstellingen50Tot welke de dieren beperkt blijven, terwijl de mensch er afgetrokken voorstellingen, begrippen, van maakt54De mensch is zoo een redelijk en sprekend wezen56Wanneer komen de wolven?64Fragmenten uit: „Welt als Wille und Vorstellung”66Vergelijking tusschen Locke en Schopenhauer66Het subjekt, dat alles kent, kent alleen zich zelf niet70Subjekt en objekt, de kenner en het gekende, zijn van elkaar onafscheidelijk70Daar tijd, ruimte en causaliteit manieren van opvatting zijn, worden zij van het subjekt uit, a priori, gekend, maar enkel bij de objekten aangetroffen71[247]Gelijk Kant bewees en Schopenhauer met eigen argumenten nader staaft72Oorzaak en werking zijn niet gelijktijdig81Het materialisme is dwaasheid volgens Schopenhauer84Hoe kan hij dan de wereld een hersenphenomeen noemen?89Verschil tusschen droom en werkelijkheid91Intellekt past bij mensch en dier de causaalwet toe95Maar het onredelijk dier is slaaf van het oogenblik97De bron der taal is bij de begrippen te zoeken, welke zelve zijn afgeleid uit aanschouwingen100Verschil tusschen aanschouwelijke en begripmatige kennis en betrekkelijke waarde van beide105Waarom lacht alleen de mensch?109Twee soorten van het lachwekkende110Over scherts, ernst, ironie en humor113Rechtstreeksche evidentie voorwaarde van bewijs115En op meetkundig gebied te verkiezen boven bewijs116De wereld is niet enkel voorstelling, maar tevens wil120Vraagteekens bij Schopenhauer’s uitspraken geplaatst121In het zelfbewustzijn verschijnt men aan zich zelf als willend124Maar die zelfkennis is geen kennis van echte[248]werkelijkheid, daar zij aan den tijdsvorm gebonden is125Ons eigenlijk wezen is een wil, die van tijd, ruimte en gronden onafhankelijk is, een ongebonden en onredelijke wil, van welken zich enkel zeggen laat wat hijnietis125Die zelfde onkenbare wil is het wezen van alle andere dingen126Bewustzijn, kennis is secundair, enkel doellooze wil is oorspronkelijk128Willen en werken zijn één136Verschijning van wil is allerwege aan de wet der noodzakelijkheid onderworpen142De verschijningen van den wil staan op verschillend peil144Er spiegelen zich in haar verschillende onverderfelijke ideeën af149De kunstenaar in ons verliest zich in de blijde aanschouwing der ideeën en wordt zoo tijdelijk van zijn egoïsme bevrijd, onttrokken aan het vergankelijke. Voorbeelden van ideeën150Definitie van kunst154Definitie van genialiteit155Verhouding van genialiteit en fantasie tot elkaar156Hoe genialiteit en waanzin, schoon zeer verschillend, aan elkander grenzen159[249]Wat hebben waanzinnige en dier gemeen en waarin verschillen zij?161In hoever een echt kunstwerk hooger staat dan de werkelijkheid163Uitnemendheid der Nederlandsche schilderschool166Verschil tusschen het schoone en het verhevene169In hoever ieder ding schoon is, maar de mensch het in schoonheid wint van alle schepselen171Over bouwkunst172Hoe de kunstenaar het schoone uit zich zelf put175Verschil tusschen ideeën en begrippen176Verschil tusschen echte kunstenaars en nabootsers177Over allegorie en symbool178Waarom muziek te midden der schoone kunsten een geheel eenige plaats inneemt180Hoe de natuur niet aan de individuen, enkel aan de soorten hecht186Waarom verliefdheid zich op een bepaald individu richt189Dit verschijnsel te vergelijken met werkingen van instinkt192Door welke enkel het belang der soort gediend wordt194Schopenhauer en Wagner196[250]Fragmenten uit: „Ueber den Willen in der Natur”197Copernicusen anderen noemen zwaarte een verlangen der stof197Waarom groote denkers dikwijls ietwat bijgeloovig zijn199Over magie200De onkreukbaarheid der natuurwetten is begrijpelijk202Hoe is zij te rijmen met Schopenhauer’s erkenning van magische gebeurtenissen?203Fragmenten uit: „Die beiden Grundprobleme der Ethik”204Hoe onbegrensd egoïsme te verklaren205Hoe boosaardigheid te verklaren207Hoe gewetensangst te verklaren209Hoe medelijden, bron van de twee kardinale deugden, te verklaren210Rechtvaardigheid onthoudt zich anderen kwaad te doen217Liefde beijvert zich anderen goed te doen217Onontbeerlijk zijn goede stelregels218Waarom mannen meer tot rechtvaardigheid, vrouwen meer tot medelijden overhellen219In Europa werd liefde het eerst door het Christendom als deugd erkend220[251]Onrecht is een positief, recht een negatief begrip222De Staatstaak worde beperkt opgevat. De Staat zij geen opvoedingsinstituut224Hongerlijders te voeden is geen „plicht”226Het karakter van ieder mensch is onveranderlijk228De motieven, voor welke een mensch toegankelijk is, worden door zijn karakter en zijn kennis bepaald en beslissen hoe hij zich gedraagt229De zoogenaamde „vrije wil” is een sprookje230Verantwoordelijk is ieder, want hij is wat hij wil234Raadzaam is het den levenswil te breken337Slotwoord239Hoe het kwam, dat Schopenhauer door den daemon van het pessimisme werd bezeten240Bevrijding er van slechts mogelijk door de erkenning van geestelijke waarden241Ook bij Schopenhauer ontbrak die erkenning niet geheel243ColofonBeschikbaarheidDit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line opwww.gutenberg.org.Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam opwww.pgdp.net.MetadataTitel:Uren met SchopenhauerAuteur:Arthur Schopenhauer (1788–1860)Infohttps://viaf.org/viaf/17229367/Redacteur:Bernard Hendrik Cornelis Karel van der Wijck (1836–1925)Infohttps://viaf.org/viaf/66406537/Aanmaakdatum bestand:2023-11-20 20:32:24 UTCTaal:Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel)Oorspronkelijke uitgiftedatum:1916CoderingDit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.Documentgeschiedenis2023-11-19 Begonnen.VerbeteringenDe volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:BladzijdeBronVerbeteringBewerkingsafstand2repenenredenen15wereldraadsalwereldraadsel124vriennvriend134derhoekender hoeken144,82bv.b.v.144,75[Niet in bron],148,169objectieveobjektieve155halstarrighalsstarrig164,242[Niet in bron].176,153subjectsubjekt180Bv.B.v.188subjecktsubjekt193toetsteentoetssteen1104kerngrondkengrond1112staatstraat1114doendoet1135.,1136dete1141[Niet in bron]”1142openbariugopenbaring1170individneelindividueel1214metafysikametaphysica3219drijveerendrijfveeren1239SchoppenhauerSchopenhauer1240,.1242indivuduindividu1243ondektontdekt1250CerpernicusCopernicus2

[Inhoud]SLOTWOORDZiedaar, hoofdzakelijk in de eigen woorden vanSchopenhauer, een niet al te onvolledig beeld van zijn leer. Uit de „Parerga und Paralipomena” behoefde ik niets mede te deelen, want zij zijn voortreffelijk in het Hollandsch vertaald door Dr. van den Bergh van Eysinga, predikant te Zutphen.Het is niet te loochenen, dat wij talrijke woorden van wijsheid te hooren kregen. Toch waagde ik het hier en daar een aanmerking in te vlechten. Ik had er meer[240]kunnen maken. Over ons kenvermogen spreekt Schopenhauer zóó, alsof het ons een beletsel is om te kennen. Hij meent dat alle begrippen, causaliteit alleen uitgezonderd, in aanschouwing wortelen. Die meening schijnt mij onjuist. Voorts: gelijk het niet raadzaam is margarine onder den naam van boter op de markt toe te laten of bedeeling voor pensioen te doen doorgaan, zoo is het bedenkelijk aan het begrip „wil” een zoo kolossale uitbreiding te geven, dat het echt menschelijke willen erdoor in de schaduw komt te staan. Maar dat zijn kleinigheden, immers in hoofdzaak enkel theoretische bedenkingen.Wat weerzin inboezemt en een rilling over het lijf jaagt, is de verachting van dezen genialen en bewonderenswaardigen man voor de wereld en het leven, zijn onverholen atheïsme, zijn pessimisme; welnu, dat alles vloeit uit een en dezelfde bron.Van „waarde” kan volgens Schopenhauer enkel sprake zijn als er handel gedreven wordt: zooveel gerst staat met zooveel tarwe gelijk. Volstrekte waarde is er niet. Schopenhauer heeft, van die onderstelling uitgaande, gelijk: als niets op zichzelf begeerlijk is, als geen einddoel ons wenkt, dan is het leven een kringloop over een gloeiende plaat, die slechts hier en daar wat koeler plekken oplevert, dan kan er van vooruitgang evenmin als van achteruitgang sprake zijn, dan is er enkel zinloos loopen, plaatsverwisseling. Schopenhauer heeft gelijk: als wij ook in de diepste diepten der ziel enkel[241]doeleinden aantreffen, die niet waard zijn gewild te worden, als het geheele leven, zelfs dat der besten, een akelige klucht is, als wij ons enkel met zeepbellen vermaken, dan is het willen-leven onzin, en het niet-willen-leven de hoogste wijsheid. Schopenhauer heeft gelijk: als er geen vast doel is, dan moet alle geschiedenis onbelangrijk heeten, dan weet wie Herodotus gelezen heeft genoeg van den zwaren en verwarden droom, die het menschelijk leven uitmaakt en behoeft men niet nieuwsgierig te zijn naar wat nog andere historici te vertellen hebben.Maar, mag ik vragen, verraadt het niet eenig gebrek aan zelfbezinning, te loochenen dat het leven een doel zou hebben? Vanwaar ons besef van volstrekte waarde, zoo alles, op de keper beschouwd, nietig en onbeteekenend is? Vanwaar ons denkbeeld van het onverderfelijke, wanneer wij in en buiten ons enkel het vergankelijke aantreffen? Hier geldt misschien het oude woord: „wij zouden u niet zoeken, o God, zoo wij u niet reeds gevonden hadden”. Men meene niet, dat dit een vermomde wederinvoering is van het ontologisch bewijs, een verkeerde conclusie van begrip tot bestaan. Mijn bedoeling is deze: als de waarde van alle bestaan nul is, waar halen wij dan den maatstaf vandaan, die ons veroorlooft het vonnis van nietigheid te vellen? Schopenhauer was veel te verstandig om de balans te willen opmaken van lust en onlust in deze wereld. Aan[242]het platte optimisme antwoordt hij terecht: het groote schandaal is niet het overwicht, maar het bestaan van het kwaad. Laten er duizenden in weelde en voorspoed leven; dat vermindert in geenen deele de ellende van een enkel ongelukskind. Wat wij echter moeten opmerken is, dat er onstoffelijke goederen zijn van duurzame beteekenis, zooals zielenadel en karaktersterkte, wetenschap en kunst, gerechtigheid, nationale onafhankelijkheid, staatkundige, maatschappelijke, geestelijke vrijheid, welke verder reiken dan de belangen van den nietigen enkeling. Deindividukan aan zulke zaken zijn hart verpanden; het bewijst dat het individueele bestaan geen zonde is, doet zelfs vermoeden, dat de mensch meer is dan een ééndagsvlieg. De wereld is niet voltooid en de mensch evenmin. Licht en duisternis, het heilige en het onheilige, recht en onrecht worstelen om den voorrang. Het is onzen taak in dien strijd aan den goeden kant te staan.Dat de mensch niet enkel voor zijn pleizier in de wereld is, wist men reeds lang voor Schopenhauer.Ook valt het te begrijpen dat iemand, die genot als maatstaf aanlegt, het leven slecht noemt. Geheel anders luidt het oordeel, als men meent dat het ’s menschen bestemming is in het rijk der geesten een rang te veroveren, zelf medebouwmeester te zijn van een geestelijk heelal.Schopenhauer zegt: „het geweten is het protokol[243]onzer daden”. Hij voegt er aan toe, dat wij meestal ons zelven tegenvallen, als wij door onze handelingen aan ons zelvenontdektworden. Wat wil dat anders zeggen dan dat wij tegenover een rechter staan, die in onzen boezem woont, beurtelings ons vrijspreekt en vonnist? En toch zou plicht een herschenschim zijn? Toch zou „het onvoorwaardelijk gebod” een misbaksel zijn, dat Kant enkel aan het toeval van zijn Joodsch-Christelijke opvoeding, aan zijn vroege kennismaking met de „de Tien geboden” te danken zou hebben? Neen, het „beter bewustzijn”, waarvan Schopenhauer zelf spreekt, „het beste in den mensch”, zooals hij het elders noemt, was bij hem, gelijk bij ieder onzer, een levende waarheid, maar mag tevens een afdoende weerlegging van zijn atheïsme en pessimisme worden genoemd. Schopenhauer prijst Mad. Guion, waar zij zegt: „mij is alles onverschillig; ikkanniets meer willen; ik weet dikwijls niet of ik leef dan wel niet leef”. Met Bossuet keuren wij dat quietisme af, dat jagen naar doode rust. Wij achten het beter den wil te stalen dan hem te dooden.Hadden wij ongelijk, toen wij op de eerste bladzijde van dit boek beweerden, dat de mensch Schopenhauer en zijn wijsbegeerte niet van elkander te scheiden zijn? De groote grief der moeder was reeds: gij zijt zoo bedilziek en erkent niets boven u.[245]

SLOTWOORD

Ziedaar, hoofdzakelijk in de eigen woorden vanSchopenhauer, een niet al te onvolledig beeld van zijn leer. Uit de „Parerga und Paralipomena” behoefde ik niets mede te deelen, want zij zijn voortreffelijk in het Hollandsch vertaald door Dr. van den Bergh van Eysinga, predikant te Zutphen.Het is niet te loochenen, dat wij talrijke woorden van wijsheid te hooren kregen. Toch waagde ik het hier en daar een aanmerking in te vlechten. Ik had er meer[240]kunnen maken. Over ons kenvermogen spreekt Schopenhauer zóó, alsof het ons een beletsel is om te kennen. Hij meent dat alle begrippen, causaliteit alleen uitgezonderd, in aanschouwing wortelen. Die meening schijnt mij onjuist. Voorts: gelijk het niet raadzaam is margarine onder den naam van boter op de markt toe te laten of bedeeling voor pensioen te doen doorgaan, zoo is het bedenkelijk aan het begrip „wil” een zoo kolossale uitbreiding te geven, dat het echt menschelijke willen erdoor in de schaduw komt te staan. Maar dat zijn kleinigheden, immers in hoofdzaak enkel theoretische bedenkingen.Wat weerzin inboezemt en een rilling over het lijf jaagt, is de verachting van dezen genialen en bewonderenswaardigen man voor de wereld en het leven, zijn onverholen atheïsme, zijn pessimisme; welnu, dat alles vloeit uit een en dezelfde bron.Van „waarde” kan volgens Schopenhauer enkel sprake zijn als er handel gedreven wordt: zooveel gerst staat met zooveel tarwe gelijk. Volstrekte waarde is er niet. Schopenhauer heeft, van die onderstelling uitgaande, gelijk: als niets op zichzelf begeerlijk is, als geen einddoel ons wenkt, dan is het leven een kringloop over een gloeiende plaat, die slechts hier en daar wat koeler plekken oplevert, dan kan er van vooruitgang evenmin als van achteruitgang sprake zijn, dan is er enkel zinloos loopen, plaatsverwisseling. Schopenhauer heeft gelijk: als wij ook in de diepste diepten der ziel enkel[241]doeleinden aantreffen, die niet waard zijn gewild te worden, als het geheele leven, zelfs dat der besten, een akelige klucht is, als wij ons enkel met zeepbellen vermaken, dan is het willen-leven onzin, en het niet-willen-leven de hoogste wijsheid. Schopenhauer heeft gelijk: als er geen vast doel is, dan moet alle geschiedenis onbelangrijk heeten, dan weet wie Herodotus gelezen heeft genoeg van den zwaren en verwarden droom, die het menschelijk leven uitmaakt en behoeft men niet nieuwsgierig te zijn naar wat nog andere historici te vertellen hebben.Maar, mag ik vragen, verraadt het niet eenig gebrek aan zelfbezinning, te loochenen dat het leven een doel zou hebben? Vanwaar ons besef van volstrekte waarde, zoo alles, op de keper beschouwd, nietig en onbeteekenend is? Vanwaar ons denkbeeld van het onverderfelijke, wanneer wij in en buiten ons enkel het vergankelijke aantreffen? Hier geldt misschien het oude woord: „wij zouden u niet zoeken, o God, zoo wij u niet reeds gevonden hadden”. Men meene niet, dat dit een vermomde wederinvoering is van het ontologisch bewijs, een verkeerde conclusie van begrip tot bestaan. Mijn bedoeling is deze: als de waarde van alle bestaan nul is, waar halen wij dan den maatstaf vandaan, die ons veroorlooft het vonnis van nietigheid te vellen? Schopenhauer was veel te verstandig om de balans te willen opmaken van lust en onlust in deze wereld. Aan[242]het platte optimisme antwoordt hij terecht: het groote schandaal is niet het overwicht, maar het bestaan van het kwaad. Laten er duizenden in weelde en voorspoed leven; dat vermindert in geenen deele de ellende van een enkel ongelukskind. Wat wij echter moeten opmerken is, dat er onstoffelijke goederen zijn van duurzame beteekenis, zooals zielenadel en karaktersterkte, wetenschap en kunst, gerechtigheid, nationale onafhankelijkheid, staatkundige, maatschappelijke, geestelijke vrijheid, welke verder reiken dan de belangen van den nietigen enkeling. Deindividukan aan zulke zaken zijn hart verpanden; het bewijst dat het individueele bestaan geen zonde is, doet zelfs vermoeden, dat de mensch meer is dan een ééndagsvlieg. De wereld is niet voltooid en de mensch evenmin. Licht en duisternis, het heilige en het onheilige, recht en onrecht worstelen om den voorrang. Het is onzen taak in dien strijd aan den goeden kant te staan.Dat de mensch niet enkel voor zijn pleizier in de wereld is, wist men reeds lang voor Schopenhauer.Ook valt het te begrijpen dat iemand, die genot als maatstaf aanlegt, het leven slecht noemt. Geheel anders luidt het oordeel, als men meent dat het ’s menschen bestemming is in het rijk der geesten een rang te veroveren, zelf medebouwmeester te zijn van een geestelijk heelal.Schopenhauer zegt: „het geweten is het protokol[243]onzer daden”. Hij voegt er aan toe, dat wij meestal ons zelven tegenvallen, als wij door onze handelingen aan ons zelvenontdektworden. Wat wil dat anders zeggen dan dat wij tegenover een rechter staan, die in onzen boezem woont, beurtelings ons vrijspreekt en vonnist? En toch zou plicht een herschenschim zijn? Toch zou „het onvoorwaardelijk gebod” een misbaksel zijn, dat Kant enkel aan het toeval van zijn Joodsch-Christelijke opvoeding, aan zijn vroege kennismaking met de „de Tien geboden” te danken zou hebben? Neen, het „beter bewustzijn”, waarvan Schopenhauer zelf spreekt, „het beste in den mensch”, zooals hij het elders noemt, was bij hem, gelijk bij ieder onzer, een levende waarheid, maar mag tevens een afdoende weerlegging van zijn atheïsme en pessimisme worden genoemd. Schopenhauer prijst Mad. Guion, waar zij zegt: „mij is alles onverschillig; ikkanniets meer willen; ik weet dikwijls niet of ik leef dan wel niet leef”. Met Bossuet keuren wij dat quietisme af, dat jagen naar doode rust. Wij achten het beter den wil te stalen dan hem te dooden.Hadden wij ongelijk, toen wij op de eerste bladzijde van dit boek beweerden, dat de mensch Schopenhauer en zijn wijsbegeerte niet van elkander te scheiden zijn? De groote grief der moeder was reeds: gij zijt zoo bedilziek en erkent niets boven u.[245]

Ziedaar, hoofdzakelijk in de eigen woorden vanSchopenhauer, een niet al te onvolledig beeld van zijn leer. Uit de „Parerga und Paralipomena” behoefde ik niets mede te deelen, want zij zijn voortreffelijk in het Hollandsch vertaald door Dr. van den Bergh van Eysinga, predikant te Zutphen.

Het is niet te loochenen, dat wij talrijke woorden van wijsheid te hooren kregen. Toch waagde ik het hier en daar een aanmerking in te vlechten. Ik had er meer[240]kunnen maken. Over ons kenvermogen spreekt Schopenhauer zóó, alsof het ons een beletsel is om te kennen. Hij meent dat alle begrippen, causaliteit alleen uitgezonderd, in aanschouwing wortelen. Die meening schijnt mij onjuist. Voorts: gelijk het niet raadzaam is margarine onder den naam van boter op de markt toe te laten of bedeeling voor pensioen te doen doorgaan, zoo is het bedenkelijk aan het begrip „wil” een zoo kolossale uitbreiding te geven, dat het echt menschelijke willen erdoor in de schaduw komt te staan. Maar dat zijn kleinigheden, immers in hoofdzaak enkel theoretische bedenkingen.Wat weerzin inboezemt en een rilling over het lijf jaagt, is de verachting van dezen genialen en bewonderenswaardigen man voor de wereld en het leven, zijn onverholen atheïsme, zijn pessimisme; welnu, dat alles vloeit uit een en dezelfde bron.

Van „waarde” kan volgens Schopenhauer enkel sprake zijn als er handel gedreven wordt: zooveel gerst staat met zooveel tarwe gelijk. Volstrekte waarde is er niet. Schopenhauer heeft, van die onderstelling uitgaande, gelijk: als niets op zichzelf begeerlijk is, als geen einddoel ons wenkt, dan is het leven een kringloop over een gloeiende plaat, die slechts hier en daar wat koeler plekken oplevert, dan kan er van vooruitgang evenmin als van achteruitgang sprake zijn, dan is er enkel zinloos loopen, plaatsverwisseling. Schopenhauer heeft gelijk: als wij ook in de diepste diepten der ziel enkel[241]doeleinden aantreffen, die niet waard zijn gewild te worden, als het geheele leven, zelfs dat der besten, een akelige klucht is, als wij ons enkel met zeepbellen vermaken, dan is het willen-leven onzin, en het niet-willen-leven de hoogste wijsheid. Schopenhauer heeft gelijk: als er geen vast doel is, dan moet alle geschiedenis onbelangrijk heeten, dan weet wie Herodotus gelezen heeft genoeg van den zwaren en verwarden droom, die het menschelijk leven uitmaakt en behoeft men niet nieuwsgierig te zijn naar wat nog andere historici te vertellen hebben.

Maar, mag ik vragen, verraadt het niet eenig gebrek aan zelfbezinning, te loochenen dat het leven een doel zou hebben? Vanwaar ons besef van volstrekte waarde, zoo alles, op de keper beschouwd, nietig en onbeteekenend is? Vanwaar ons denkbeeld van het onverderfelijke, wanneer wij in en buiten ons enkel het vergankelijke aantreffen? Hier geldt misschien het oude woord: „wij zouden u niet zoeken, o God, zoo wij u niet reeds gevonden hadden”. Men meene niet, dat dit een vermomde wederinvoering is van het ontologisch bewijs, een verkeerde conclusie van begrip tot bestaan. Mijn bedoeling is deze: als de waarde van alle bestaan nul is, waar halen wij dan den maatstaf vandaan, die ons veroorlooft het vonnis van nietigheid te vellen? Schopenhauer was veel te verstandig om de balans te willen opmaken van lust en onlust in deze wereld. Aan[242]het platte optimisme antwoordt hij terecht: het groote schandaal is niet het overwicht, maar het bestaan van het kwaad. Laten er duizenden in weelde en voorspoed leven; dat vermindert in geenen deele de ellende van een enkel ongelukskind. Wat wij echter moeten opmerken is, dat er onstoffelijke goederen zijn van duurzame beteekenis, zooals zielenadel en karaktersterkte, wetenschap en kunst, gerechtigheid, nationale onafhankelijkheid, staatkundige, maatschappelijke, geestelijke vrijheid, welke verder reiken dan de belangen van den nietigen enkeling. Deindividukan aan zulke zaken zijn hart verpanden; het bewijst dat het individueele bestaan geen zonde is, doet zelfs vermoeden, dat de mensch meer is dan een ééndagsvlieg. De wereld is niet voltooid en de mensch evenmin. Licht en duisternis, het heilige en het onheilige, recht en onrecht worstelen om den voorrang. Het is onzen taak in dien strijd aan den goeden kant te staan.

Dat de mensch niet enkel voor zijn pleizier in de wereld is, wist men reeds lang voor Schopenhauer.Ook valt het te begrijpen dat iemand, die genot als maatstaf aanlegt, het leven slecht noemt. Geheel anders luidt het oordeel, als men meent dat het ’s menschen bestemming is in het rijk der geesten een rang te veroveren, zelf medebouwmeester te zijn van een geestelijk heelal.

Schopenhauer zegt: „het geweten is het protokol[243]onzer daden”. Hij voegt er aan toe, dat wij meestal ons zelven tegenvallen, als wij door onze handelingen aan ons zelvenontdektworden. Wat wil dat anders zeggen dan dat wij tegenover een rechter staan, die in onzen boezem woont, beurtelings ons vrijspreekt en vonnist? En toch zou plicht een herschenschim zijn? Toch zou „het onvoorwaardelijk gebod” een misbaksel zijn, dat Kant enkel aan het toeval van zijn Joodsch-Christelijke opvoeding, aan zijn vroege kennismaking met de „de Tien geboden” te danken zou hebben? Neen, het „beter bewustzijn”, waarvan Schopenhauer zelf spreekt, „het beste in den mensch”, zooals hij het elders noemt, was bij hem, gelijk bij ieder onzer, een levende waarheid, maar mag tevens een afdoende weerlegging van zijn atheïsme en pessimisme worden genoemd. Schopenhauer prijst Mad. Guion, waar zij zegt: „mij is alles onverschillig; ikkanniets meer willen; ik weet dikwijls niet of ik leef dan wel niet leef”. Met Bossuet keuren wij dat quietisme af, dat jagen naar doode rust. Wij achten het beter den wil te stalen dan hem te dooden.

Hadden wij ongelijk, toen wij op de eerste bladzijde van dit boek beweerden, dat de mensch Schopenhauer en zijn wijsbegeerte niet van elkander te scheiden zijn? De groote grief der moeder was reeds: gij zijt zoo bedilziek en erkent niets boven u.[245]

[Inhoud]INHOUDSOPGAVEBlz.Werk en persoonlijkheid bij Schopenhauer niet te scheiden1Tweeërlei geestesrichting, die van den intellektualist en die van den voluntarist1Vergelijking tusschen Hegel en Schopenhauer2Schopenhauer’s pessimisme en sympathie voor Buddhisme9Zijn betrekkelijk Kantianisme11Zijn moraal vertoont een Indisch karakter15Geen onderscheid tusschen u en mij16Verwantschap tusschen Schopenhauer en hedendaagsche geestesstroomingen18Schopenhauer’s inborst en levensgeschiedenis19Goethe en Schopenhauer23Schopenhauer wordt op zijn ouden dag beroemd27Zijn testament en dood29Fragmenten uit: „Ueber die vierfache Wurzel des Satzes vom zureichenden Grunde”32Verschil tusschen oorzaken, kengronden, zijnsgronden en beweegredenen33Oorzaken en hare werkingen zijn steeds veranderingen35Geen eerste oorzaak37[246]Het begrip substantie: enkel de stof blijft42Maar de stof is er niet buiten het bewustzijn45Het intellekt roept de stoffelijke dingen in het aanzijn46Bouwt ze op uit gewaarwordingen met behulp van tijd, ruimte en causaliteit, welke drie subjektieve opvattingswijzen zijn49Dus zijn de lichamen enkel aanschouwelijke voorstellingen50Tot welke de dieren beperkt blijven, terwijl de mensch er afgetrokken voorstellingen, begrippen, van maakt54De mensch is zoo een redelijk en sprekend wezen56Wanneer komen de wolven?64Fragmenten uit: „Welt als Wille und Vorstellung”66Vergelijking tusschen Locke en Schopenhauer66Het subjekt, dat alles kent, kent alleen zich zelf niet70Subjekt en objekt, de kenner en het gekende, zijn van elkaar onafscheidelijk70Daar tijd, ruimte en causaliteit manieren van opvatting zijn, worden zij van het subjekt uit, a priori, gekend, maar enkel bij de objekten aangetroffen71[247]Gelijk Kant bewees en Schopenhauer met eigen argumenten nader staaft72Oorzaak en werking zijn niet gelijktijdig81Het materialisme is dwaasheid volgens Schopenhauer84Hoe kan hij dan de wereld een hersenphenomeen noemen?89Verschil tusschen droom en werkelijkheid91Intellekt past bij mensch en dier de causaalwet toe95Maar het onredelijk dier is slaaf van het oogenblik97De bron der taal is bij de begrippen te zoeken, welke zelve zijn afgeleid uit aanschouwingen100Verschil tusschen aanschouwelijke en begripmatige kennis en betrekkelijke waarde van beide105Waarom lacht alleen de mensch?109Twee soorten van het lachwekkende110Over scherts, ernst, ironie en humor113Rechtstreeksche evidentie voorwaarde van bewijs115En op meetkundig gebied te verkiezen boven bewijs116De wereld is niet enkel voorstelling, maar tevens wil120Vraagteekens bij Schopenhauer’s uitspraken geplaatst121In het zelfbewustzijn verschijnt men aan zich zelf als willend124Maar die zelfkennis is geen kennis van echte[248]werkelijkheid, daar zij aan den tijdsvorm gebonden is125Ons eigenlijk wezen is een wil, die van tijd, ruimte en gronden onafhankelijk is, een ongebonden en onredelijke wil, van welken zich enkel zeggen laat wat hijnietis125Die zelfde onkenbare wil is het wezen van alle andere dingen126Bewustzijn, kennis is secundair, enkel doellooze wil is oorspronkelijk128Willen en werken zijn één136Verschijning van wil is allerwege aan de wet der noodzakelijkheid onderworpen142De verschijningen van den wil staan op verschillend peil144Er spiegelen zich in haar verschillende onverderfelijke ideeën af149De kunstenaar in ons verliest zich in de blijde aanschouwing der ideeën en wordt zoo tijdelijk van zijn egoïsme bevrijd, onttrokken aan het vergankelijke. Voorbeelden van ideeën150Definitie van kunst154Definitie van genialiteit155Verhouding van genialiteit en fantasie tot elkaar156Hoe genialiteit en waanzin, schoon zeer verschillend, aan elkander grenzen159[249]Wat hebben waanzinnige en dier gemeen en waarin verschillen zij?161In hoever een echt kunstwerk hooger staat dan de werkelijkheid163Uitnemendheid der Nederlandsche schilderschool166Verschil tusschen het schoone en het verhevene169In hoever ieder ding schoon is, maar de mensch het in schoonheid wint van alle schepselen171Over bouwkunst172Hoe de kunstenaar het schoone uit zich zelf put175Verschil tusschen ideeën en begrippen176Verschil tusschen echte kunstenaars en nabootsers177Over allegorie en symbool178Waarom muziek te midden der schoone kunsten een geheel eenige plaats inneemt180Hoe de natuur niet aan de individuen, enkel aan de soorten hecht186Waarom verliefdheid zich op een bepaald individu richt189Dit verschijnsel te vergelijken met werkingen van instinkt192Door welke enkel het belang der soort gediend wordt194Schopenhauer en Wagner196[250]Fragmenten uit: „Ueber den Willen in der Natur”197Copernicusen anderen noemen zwaarte een verlangen der stof197Waarom groote denkers dikwijls ietwat bijgeloovig zijn199Over magie200De onkreukbaarheid der natuurwetten is begrijpelijk202Hoe is zij te rijmen met Schopenhauer’s erkenning van magische gebeurtenissen?203Fragmenten uit: „Die beiden Grundprobleme der Ethik”204Hoe onbegrensd egoïsme te verklaren205Hoe boosaardigheid te verklaren207Hoe gewetensangst te verklaren209Hoe medelijden, bron van de twee kardinale deugden, te verklaren210Rechtvaardigheid onthoudt zich anderen kwaad te doen217Liefde beijvert zich anderen goed te doen217Onontbeerlijk zijn goede stelregels218Waarom mannen meer tot rechtvaardigheid, vrouwen meer tot medelijden overhellen219In Europa werd liefde het eerst door het Christendom als deugd erkend220[251]Onrecht is een positief, recht een negatief begrip222De Staatstaak worde beperkt opgevat. De Staat zij geen opvoedingsinstituut224Hongerlijders te voeden is geen „plicht”226Het karakter van ieder mensch is onveranderlijk228De motieven, voor welke een mensch toegankelijk is, worden door zijn karakter en zijn kennis bepaald en beslissen hoe hij zich gedraagt229De zoogenaamde „vrije wil” is een sprookje230Verantwoordelijk is ieder, want hij is wat hij wil234Raadzaam is het den levenswil te breken337Slotwoord239Hoe het kwam, dat Schopenhauer door den daemon van het pessimisme werd bezeten240Bevrijding er van slechts mogelijk door de erkenning van geestelijke waarden241Ook bij Schopenhauer ontbrak die erkenning niet geheel243

INHOUDSOPGAVE

Blz.Werk en persoonlijkheid bij Schopenhauer niet te scheiden1Tweeërlei geestesrichting, die van den intellektualist en die van den voluntarist1Vergelijking tusschen Hegel en Schopenhauer2Schopenhauer’s pessimisme en sympathie voor Buddhisme9Zijn betrekkelijk Kantianisme11Zijn moraal vertoont een Indisch karakter15Geen onderscheid tusschen u en mij16Verwantschap tusschen Schopenhauer en hedendaagsche geestesstroomingen18Schopenhauer’s inborst en levensgeschiedenis19Goethe en Schopenhauer23Schopenhauer wordt op zijn ouden dag beroemd27Zijn testament en dood29Fragmenten uit: „Ueber die vierfache Wurzel des Satzes vom zureichenden Grunde”32Verschil tusschen oorzaken, kengronden, zijnsgronden en beweegredenen33Oorzaken en hare werkingen zijn steeds veranderingen35Geen eerste oorzaak37[246]Het begrip substantie: enkel de stof blijft42Maar de stof is er niet buiten het bewustzijn45Het intellekt roept de stoffelijke dingen in het aanzijn46Bouwt ze op uit gewaarwordingen met behulp van tijd, ruimte en causaliteit, welke drie subjektieve opvattingswijzen zijn49Dus zijn de lichamen enkel aanschouwelijke voorstellingen50Tot welke de dieren beperkt blijven, terwijl de mensch er afgetrokken voorstellingen, begrippen, van maakt54De mensch is zoo een redelijk en sprekend wezen56Wanneer komen de wolven?64Fragmenten uit: „Welt als Wille und Vorstellung”66Vergelijking tusschen Locke en Schopenhauer66Het subjekt, dat alles kent, kent alleen zich zelf niet70Subjekt en objekt, de kenner en het gekende, zijn van elkaar onafscheidelijk70Daar tijd, ruimte en causaliteit manieren van opvatting zijn, worden zij van het subjekt uit, a priori, gekend, maar enkel bij de objekten aangetroffen71[247]Gelijk Kant bewees en Schopenhauer met eigen argumenten nader staaft72Oorzaak en werking zijn niet gelijktijdig81Het materialisme is dwaasheid volgens Schopenhauer84Hoe kan hij dan de wereld een hersenphenomeen noemen?89Verschil tusschen droom en werkelijkheid91Intellekt past bij mensch en dier de causaalwet toe95Maar het onredelijk dier is slaaf van het oogenblik97De bron der taal is bij de begrippen te zoeken, welke zelve zijn afgeleid uit aanschouwingen100Verschil tusschen aanschouwelijke en begripmatige kennis en betrekkelijke waarde van beide105Waarom lacht alleen de mensch?109Twee soorten van het lachwekkende110Over scherts, ernst, ironie en humor113Rechtstreeksche evidentie voorwaarde van bewijs115En op meetkundig gebied te verkiezen boven bewijs116De wereld is niet enkel voorstelling, maar tevens wil120Vraagteekens bij Schopenhauer’s uitspraken geplaatst121In het zelfbewustzijn verschijnt men aan zich zelf als willend124Maar die zelfkennis is geen kennis van echte[248]werkelijkheid, daar zij aan den tijdsvorm gebonden is125Ons eigenlijk wezen is een wil, die van tijd, ruimte en gronden onafhankelijk is, een ongebonden en onredelijke wil, van welken zich enkel zeggen laat wat hijnietis125Die zelfde onkenbare wil is het wezen van alle andere dingen126Bewustzijn, kennis is secundair, enkel doellooze wil is oorspronkelijk128Willen en werken zijn één136Verschijning van wil is allerwege aan de wet der noodzakelijkheid onderworpen142De verschijningen van den wil staan op verschillend peil144Er spiegelen zich in haar verschillende onverderfelijke ideeën af149De kunstenaar in ons verliest zich in de blijde aanschouwing der ideeën en wordt zoo tijdelijk van zijn egoïsme bevrijd, onttrokken aan het vergankelijke. Voorbeelden van ideeën150Definitie van kunst154Definitie van genialiteit155Verhouding van genialiteit en fantasie tot elkaar156Hoe genialiteit en waanzin, schoon zeer verschillend, aan elkander grenzen159[249]Wat hebben waanzinnige en dier gemeen en waarin verschillen zij?161In hoever een echt kunstwerk hooger staat dan de werkelijkheid163Uitnemendheid der Nederlandsche schilderschool166Verschil tusschen het schoone en het verhevene169In hoever ieder ding schoon is, maar de mensch het in schoonheid wint van alle schepselen171Over bouwkunst172Hoe de kunstenaar het schoone uit zich zelf put175Verschil tusschen ideeën en begrippen176Verschil tusschen echte kunstenaars en nabootsers177Over allegorie en symbool178Waarom muziek te midden der schoone kunsten een geheel eenige plaats inneemt180Hoe de natuur niet aan de individuen, enkel aan de soorten hecht186Waarom verliefdheid zich op een bepaald individu richt189Dit verschijnsel te vergelijken met werkingen van instinkt192Door welke enkel het belang der soort gediend wordt194Schopenhauer en Wagner196[250]Fragmenten uit: „Ueber den Willen in der Natur”197Copernicusen anderen noemen zwaarte een verlangen der stof197Waarom groote denkers dikwijls ietwat bijgeloovig zijn199Over magie200De onkreukbaarheid der natuurwetten is begrijpelijk202Hoe is zij te rijmen met Schopenhauer’s erkenning van magische gebeurtenissen?203Fragmenten uit: „Die beiden Grundprobleme der Ethik”204Hoe onbegrensd egoïsme te verklaren205Hoe boosaardigheid te verklaren207Hoe gewetensangst te verklaren209Hoe medelijden, bron van de twee kardinale deugden, te verklaren210Rechtvaardigheid onthoudt zich anderen kwaad te doen217Liefde beijvert zich anderen goed te doen217Onontbeerlijk zijn goede stelregels218Waarom mannen meer tot rechtvaardigheid, vrouwen meer tot medelijden overhellen219In Europa werd liefde het eerst door het Christendom als deugd erkend220[251]Onrecht is een positief, recht een negatief begrip222De Staatstaak worde beperkt opgevat. De Staat zij geen opvoedingsinstituut224Hongerlijders te voeden is geen „plicht”226Het karakter van ieder mensch is onveranderlijk228De motieven, voor welke een mensch toegankelijk is, worden door zijn karakter en zijn kennis bepaald en beslissen hoe hij zich gedraagt229De zoogenaamde „vrije wil” is een sprookje230Verantwoordelijk is ieder, want hij is wat hij wil234Raadzaam is het den levenswil te breken337Slotwoord239Hoe het kwam, dat Schopenhauer door den daemon van het pessimisme werd bezeten240Bevrijding er van slechts mogelijk door de erkenning van geestelijke waarden241Ook bij Schopenhauer ontbrak die erkenning niet geheel243

Blz.

Werk en persoonlijkheid bij Schopenhauer niet te scheiden1

Tweeërlei geestesrichting, die van den intellektualist en die van den voluntarist1

Vergelijking tusschen Hegel en Schopenhauer2

Schopenhauer’s pessimisme en sympathie voor Buddhisme9

Zijn betrekkelijk Kantianisme11

Zijn moraal vertoont een Indisch karakter15

Geen onderscheid tusschen u en mij16

Verwantschap tusschen Schopenhauer en hedendaagsche geestesstroomingen18

Schopenhauer’s inborst en levensgeschiedenis19

Goethe en Schopenhauer23

Schopenhauer wordt op zijn ouden dag beroemd27

Zijn testament en dood29

Fragmenten uit: „Ueber die vierfache Wurzel des Satzes vom zureichenden Grunde”32

Verschil tusschen oorzaken, kengronden, zijnsgronden en beweegredenen33

Oorzaken en hare werkingen zijn steeds veranderingen35

Geen eerste oorzaak37[246]

Het begrip substantie: enkel de stof blijft42

Maar de stof is er niet buiten het bewustzijn45

Het intellekt roept de stoffelijke dingen in het aanzijn46

Bouwt ze op uit gewaarwordingen met behulp van tijd, ruimte en causaliteit, welke drie subjektieve opvattingswijzen zijn49

Dus zijn de lichamen enkel aanschouwelijke voorstellingen50

Tot welke de dieren beperkt blijven, terwijl de mensch er afgetrokken voorstellingen, begrippen, van maakt54

De mensch is zoo een redelijk en sprekend wezen56

Wanneer komen de wolven?64

Fragmenten uit: „Welt als Wille und Vorstellung”66

Vergelijking tusschen Locke en Schopenhauer66

Het subjekt, dat alles kent, kent alleen zich zelf niet70

Subjekt en objekt, de kenner en het gekende, zijn van elkaar onafscheidelijk70

Daar tijd, ruimte en causaliteit manieren van opvatting zijn, worden zij van het subjekt uit, a priori, gekend, maar enkel bij de objekten aangetroffen71[247]

Gelijk Kant bewees en Schopenhauer met eigen argumenten nader staaft72

Oorzaak en werking zijn niet gelijktijdig81

Het materialisme is dwaasheid volgens Schopenhauer84

Hoe kan hij dan de wereld een hersenphenomeen noemen?89

Verschil tusschen droom en werkelijkheid91

Intellekt past bij mensch en dier de causaalwet toe95

Maar het onredelijk dier is slaaf van het oogenblik97

De bron der taal is bij de begrippen te zoeken, welke zelve zijn afgeleid uit aanschouwingen100

Verschil tusschen aanschouwelijke en begripmatige kennis en betrekkelijke waarde van beide105

Waarom lacht alleen de mensch?109

Twee soorten van het lachwekkende110

Over scherts, ernst, ironie en humor113

Rechtstreeksche evidentie voorwaarde van bewijs115

En op meetkundig gebied te verkiezen boven bewijs116

De wereld is niet enkel voorstelling, maar tevens wil120

Vraagteekens bij Schopenhauer’s uitspraken geplaatst121

In het zelfbewustzijn verschijnt men aan zich zelf als willend124

Maar die zelfkennis is geen kennis van echte[248]werkelijkheid, daar zij aan den tijdsvorm gebonden is125

Ons eigenlijk wezen is een wil, die van tijd, ruimte en gronden onafhankelijk is, een ongebonden en onredelijke wil, van welken zich enkel zeggen laat wat hijnietis125

Die zelfde onkenbare wil is het wezen van alle andere dingen126

Bewustzijn, kennis is secundair, enkel doellooze wil is oorspronkelijk128

Willen en werken zijn één136

Verschijning van wil is allerwege aan de wet der noodzakelijkheid onderworpen142

De verschijningen van den wil staan op verschillend peil144

Er spiegelen zich in haar verschillende onverderfelijke ideeën af149

De kunstenaar in ons verliest zich in de blijde aanschouwing der ideeën en wordt zoo tijdelijk van zijn egoïsme bevrijd, onttrokken aan het vergankelijke. Voorbeelden van ideeën150

Definitie van kunst154

Definitie van genialiteit155

Verhouding van genialiteit en fantasie tot elkaar156

Hoe genialiteit en waanzin, schoon zeer verschillend, aan elkander grenzen159[249]

Wat hebben waanzinnige en dier gemeen en waarin verschillen zij?161

In hoever een echt kunstwerk hooger staat dan de werkelijkheid163

Uitnemendheid der Nederlandsche schilderschool166

Verschil tusschen het schoone en het verhevene169

In hoever ieder ding schoon is, maar de mensch het in schoonheid wint van alle schepselen171

Over bouwkunst172

Hoe de kunstenaar het schoone uit zich zelf put175

Verschil tusschen ideeën en begrippen176

Verschil tusschen echte kunstenaars en nabootsers177

Over allegorie en symbool178

Waarom muziek te midden der schoone kunsten een geheel eenige plaats inneemt180

Hoe de natuur niet aan de individuen, enkel aan de soorten hecht186

Waarom verliefdheid zich op een bepaald individu richt189

Dit verschijnsel te vergelijken met werkingen van instinkt192

Door welke enkel het belang der soort gediend wordt194

Schopenhauer en Wagner196[250]

Fragmenten uit: „Ueber den Willen in der Natur”197

Copernicusen anderen noemen zwaarte een verlangen der stof197

Waarom groote denkers dikwijls ietwat bijgeloovig zijn199

Over magie200

De onkreukbaarheid der natuurwetten is begrijpelijk202

Hoe is zij te rijmen met Schopenhauer’s erkenning van magische gebeurtenissen?203

Fragmenten uit: „Die beiden Grundprobleme der Ethik”204

Hoe onbegrensd egoïsme te verklaren205

Hoe boosaardigheid te verklaren207

Hoe gewetensangst te verklaren209

Hoe medelijden, bron van de twee kardinale deugden, te verklaren210

Rechtvaardigheid onthoudt zich anderen kwaad te doen217

Liefde beijvert zich anderen goed te doen217

Onontbeerlijk zijn goede stelregels218

Waarom mannen meer tot rechtvaardigheid, vrouwen meer tot medelijden overhellen219

In Europa werd liefde het eerst door het Christendom als deugd erkend220[251]

Onrecht is een positief, recht een negatief begrip222

De Staatstaak worde beperkt opgevat. De Staat zij geen opvoedingsinstituut224

Hongerlijders te voeden is geen „plicht”226

Het karakter van ieder mensch is onveranderlijk228

De motieven, voor welke een mensch toegankelijk is, worden door zijn karakter en zijn kennis bepaald en beslissen hoe hij zich gedraagt229

De zoogenaamde „vrije wil” is een sprookje230

Verantwoordelijk is ieder, want hij is wat hij wil234

Raadzaam is het den levenswil te breken337

Slotwoord239

Hoe het kwam, dat Schopenhauer door den daemon van het pessimisme werd bezeten240

Bevrijding er van slechts mogelijk door de erkenning van geestelijke waarden241

Ook bij Schopenhauer ontbrak die erkenning niet geheel243

ColofonBeschikbaarheidDit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line opwww.gutenberg.org.Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam opwww.pgdp.net.MetadataTitel:Uren met SchopenhauerAuteur:Arthur Schopenhauer (1788–1860)Infohttps://viaf.org/viaf/17229367/Redacteur:Bernard Hendrik Cornelis Karel van der Wijck (1836–1925)Infohttps://viaf.org/viaf/66406537/Aanmaakdatum bestand:2023-11-20 20:32:24 UTCTaal:Nederlands (Spelling De Vries-Te Winkel)Oorspronkelijke uitgiftedatum:1916CoderingDit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.Documentgeschiedenis2023-11-19 Begonnen.VerbeteringenDe volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:BladzijdeBronVerbeteringBewerkingsafstand2repenenredenen15wereldraadsalwereldraadsel124vriennvriend134derhoekender hoeken144,82bv.b.v.144,75[Niet in bron],148,169objectieveobjektieve155halstarrighalsstarrig164,242[Niet in bron].176,153subjectsubjekt180Bv.B.v.188subjecktsubjekt193toetsteentoetssteen1104kerngrondkengrond1112staatstraat1114doendoet1135.,1136dete1141[Niet in bron]”1142openbariugopenbaring1170individneelindividueel1214metafysikametaphysica3219drijveerendrijfveeren1239SchoppenhauerSchopenhauer1240,.1242indivuduindividu1243ondektontdekt1250CerpernicusCopernicus2

Dit eBoek is voor kosteloos gebruik door iedereen overal, met vrijwel geen beperkingen van welke soort dan ook. U mag het kopiëren, weggeven of hergebruiken onder de voorwaarden van de Project Gutenberg Licentie in dit eBoek of on-line opwww.gutenberg.org.

Dit eBoek is geproduceerd door het on-line gedistribueerd correctieteam opwww.pgdp.net.

Dit boek is weergegeven in oorspronkelijke schrijfwijze. Afgebroken woorden aan het einde van de regel zijn stilzwijgend hersteld. Kennelijke zetfouten in het origineel zijn verbeterd. Deze verbeteringen zijn aangegeven in de colofon aan het einde van dit boek.

De volgende verbeteringen zijn aangebracht in de tekst:


Back to IndexNext