The Project Gutenberg eBook ofUren met SchopenhauerThis ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.Title: Uren met SchopenhauerAuthor: Arthur SchopenhauerTranslator: B. H. C. K. van der WijckRelease date: November 20, 2023 [eBook #72184]Language: DutchOriginal publication: Baarn: Hollandia-Drukkerij, 1916Credits: Wouter Franssen, Jeroen Hellingman, and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (Koninklijke Bibliotheek, The Hague)*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK UREN MET SCHOPENHAUER ***
This ebook is for the use of anyone anywhere in the United States and most other parts of the world at no cost and with almost no restrictions whatsoever. You may copy it, give it away or re-use it under the terms of the Project Gutenberg License included with this ebook or online atwww.gutenberg.org. If you are not located in the United States, you will have to check the laws of the country where you are located before using this eBook.
Title: Uren met SchopenhauerAuthor: Arthur SchopenhauerTranslator: B. H. C. K. van der WijckRelease date: November 20, 2023 [eBook #72184]Language: DutchOriginal publication: Baarn: Hollandia-Drukkerij, 1916Credits: Wouter Franssen, Jeroen Hellingman, and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (Koninklijke Bibliotheek, The Hague)
Title: Uren met Schopenhauer
Author: Arthur SchopenhauerTranslator: B. H. C. K. van der Wijck
Author: Arthur Schopenhauer
Translator: B. H. C. K. van der Wijck
Release date: November 20, 2023 [eBook #72184]
Language: Dutch
Original publication: Baarn: Hollandia-Drukkerij, 1916
Credits: Wouter Franssen, Jeroen Hellingman, and the Online Distributed Proofreading Team at https://www.pgdp.net/ for Project Gutenberg (Koninklijke Bibliotheek, The Hague)
*** START OF THE PROJECT GUTENBERG EBOOK UREN MET SCHOPENHAUER ***
[Inhoud][Inhoud]Decoratieve titelpagina met de tekst: BOEKEN VAN WIJSHEID EN SCHOONHEID: UREN MET SCHOPENHAUER.[Inhoud]UREN MET SCHOPENHAUER[Inhoud]Oorspronkelijke titelpagina.UREN MET SCHOPENHAUEREEN KEUR VAN STUKKEN UIT ZIJNE WERKEN, VERTAALD EN VAN EEN INLEIDING EN AANTEEKENINGEN VOORZIENDOORProf. Dr. Jhr.B. H. C. K. VAN DER WIJCKUITGEGEVEN DOOR DE HOLLANDIA-DRUKKERIJ TE BAARN IN HET JAAR MCMXVI[Inhoud]TWEEDE DRUK[1][Inhoud]Toen ik kort na de verschijning van zijn mooi boek over Auguste Comte tot Littré de opmerking maakte, dat zijn meester en vriend een hoogst onaangenaam mensch bleek geweest te zijn, luidde het beminnelijk maar eenzijdig antwoord: „N’importe; l’homme passe, l’œuvre reste”.Afscheiding van den persoon en zijn werk is onhoudbaar, tenzij het werk een stel onpersoonlijke, b.v. wiskundige waarheden behelst. Onhoudbaar, wanneer er van een levensopvatting, een wereldbeschouwing, een kunstwerk sprake is, omdat zich daarin temperament en karakter van den mensch afspiegelen.Hier moet ik tweeërlei geestesrichting, die van den intellektualist en die van den voluntarist, onderscheiden. Het verschil tusschen beiden doet zich reeds in de middeleeuwen voor. Men denke aan de tegenstelling tusschen Thomas van Aquino en Duns Scotus. De eerste meent, dat „het hoogste geluk in niets anders gezocht moet worden dan in verstandswerkzaamheid, wijl er geen verhevener begeerte is, dan die om de waarheid te doorgronden”. Het staat bij hem onvoorwaardelijk vast, dat de leer der Kerk de waarheid is, en nu is er volgens hem geen schooner levensdoel dan den inhoud van die leer zoo goed mogelijk te verstaan. Ook Duns Scotus gaat van de waarheid van het kerkelijk geloof uit en hij ontkent niet, dat er b.v. voor het bestaan van God bewijzen te leveren zijn, welke door[2]ieder, die zijn verstand wil gebruiken als afdoende moeten worden erkend. In de opvatting van het levensdoel echter staat bij Duns Scotus niet de theorie, maar de practijk op den voorgrond. De theologie moet volgens hem niet strekken om den mensch van zijne onkunde te verlossen, maar om hem door kracht vanredenentot dat zedelijk handelen te brengen, waarvan de zaligheid, het genieten van het goddelijke afhangt. Duns Scotus is even recht geloovig als Thomas en zelfs veel onverdraagzamer, maar scheurt het weefsel der redeneeringen van den laatste bij menige gelegenheid uiteen en zegt: niet het syllogisme heeft waarde voor den godsdienst, doch enkel het geloof, niet het verstand is de kern der menschelijke persoonlijkheid, doch de wil. Het verschil tusschen deze beide kerkleeraren bracht Luther er toe te zeggen: Duns Scotus is een voortreffelijk meester, maar Thomas van Aquino is een babbelaar.Ook in den nieuwen tijd doet zich het kontrast tusschen intellektualisme en voluntarisme gelden. Doch het neemt soms een anderen vorm aan. Let op tegenvoeters als Hegel en Schopenhauer. Tot recht verstand van Schopenhauer wil ik over de betrekking tusschen beiden iets zeggen.Meestal spreekt men van willen, waar met overdachten rade gehandeld wordt. Laat ons den term „wil” ruimer nemen en daaronder samenvatten: lust,[3]onlust, hartstocht, blinde drift, ieder streven in een zekere richting, drang tot zelfbehoud, kortom alles wat de schepselen der natuur op een zekere wijze doet werken. Men stelle daartegen over wat tot de sfeer van het intellekt behoort: gewaarwording, voorstelling, gedachte, rede. Dan laat zich met Schopenhauer zeggen: wil is het eerste en het algemeene, het alomtegenwoordige. Wil is heteerste, niet kennis, niet theorie. Wij noemen iets goed, wijl wij het begeeren; niet omgekeerd begeeren wij het, omdat wij inzien dat het goed is. De meest treffende schildering van een hoog en edel doel laat ons koud als ijs, tenzij onze wil met den inhoud van dat ideaal instemt. Het intellekt kent geen waarden, enkel het gemoed doet ons in geestdrift ontsteken. Als een moeder het voegzaam en goed noemt dat zij zorgt voor haar kind, dan is dat niet, omdat zij bewijzen kan dat dit gepast is, maar omdat het hart haar noopt over dat zwakke schepseltje te waken. Zoo is ook wil het meestalgemeene. Daar men het onbekende door het bekende en niet omgekeerd het bekende door het onbekende moet verklaren, ligt het voor de hand natuurkracht liever tot wil te herleiden, dan omgekeerd wil als kracht op te vatten. Wij zullen dus spreken van een onbewusten wil, die de sterren in hare banen doet rondloopen, die den boom zijn wortels omlaag, zijn takken omhoog doet drijven, van een overal werkzamen wil, van blinde aandrift,[4]die ten slotte enkel bij de hooger staande dieren, in voorstelling en denken, in het intellekt, zich een licht ontsteekt, om het begeerde door doeltreffende keuze van middelen des te zekerder te bereiken. Immers intellekt staat oorspronkelijk geheel in den dienst van het leven; eerst op een aanzienlijken trap van beschaving houdt het op slaaf te zijn, komt het tot vrijheid, vertoont het zich als onbaatzuchtige liefde tot waarheid. Ziedaar Schopenhauer’s leer.Neen, zegt de intellektualist als Hegel: rede, logos, God is oorsprong der wereld, is albeheerschend beginsel. Bewust of onbewust gaat ieder onderzoek van de hypothese uit, dat de werkelijkheid begrijpelijk is, dat zij in gedachten kan worden omgezet, dat dus gedachten in haar belichaamd zijn. Volgens deze onderstelling, zonder welke drang naar wetenschap doelloos zou zijn, is dus gedachte de wortel van het universum, albeweger, alomvattende oorzaak, aanvang en tevens doel der wereld. Om het in de taal der vromen uit te drukken: God is Schepper en tevens einddoel van het al. Waartoe dient de natuur? Welke is de zin, die zich in de geschiedenis van ons geslacht vertolkt? Natuur en geschiedenis zijn er om de werkelijkheid tot zelfbewustzijn te doen komen, om den eindigen mensch, die van Gods geslacht is, zich als een oneindig wereldwezen te doen kennen.Het onderscheid tusschen Hegel en Schopenhauer is,[5]dat zij zich het hoogste goed niet op dezelfde wijze afbeelden en dientengevolge aan het zijnde een verschillende taak opdragen. Voor Hegel is het edelste en voornaamste een denken, dat niet door invallen en vooroordeelen gestoord wordt, en enkel de wet van zijn ontwikkeling volgt. Waar zoo de individualiteit van den kleinen mensch op den achtergrond wordt gehouden, is er geen kloof meer tusschen zijne rede en de goddelijke rede, maar zijn beiden één. Van de macht van het vrije, zuiver zakelijke, echt geestelijke denken kan men alles verwachten; voor zoodanig denken bestaan er geen onpeilbare diepten, geen onbereikbare hoogten; steeds door dezelfde wet der noodzakelijkheid vooruitgedreven, raakt het ten slotte in het bezit der oneindigheid en wordt het in werkelijkheid wat het van den aanvang af in aanleg was: alomvattend zelfbewustzijn.Geheel anders stelt een man als Schopenhauer zich het hoogste ideaal voor. Alles was bij hem kolossaal: zijn intellektueele behoefte, die hem reeds vroeg naar een oplossing van hetwereldraadseldeed hunkeren en hem steeds met dezelfde problemen deed rondloopen tot hij ten slotte niet kon zeggen wat er het eerst in hem was geweest: zijn kenleer, zijn kosmologie, zijn ethika, zijn æsthetika. Het stelsel was in hem gegroeid, gelijk een kind in den moederschoot. Daar naast stond zijn buitensporig gevoel van eigenwaarde, dat hem op[6]alles deed vitten en hem op andere menschen, enkele genieën uitgezonderd, met geringschatting liet neerzien. Goethe, die zich tot den genialen jongeling aangetrokken gevoelde, schreef de volgende waarschuwende woorden in zijn album:„Willst du dich deines Wertes freuen,So musst der Welt du Wert verleih’n”.Ten slotte bezielde hem een heftige drang naar zinnelijk genot, die hem tot tijdelijke schade van zijn gezondheid achter Venus Vulgivaga deed aanloopen. Flaubert voert ergens de Ontucht aldus sprekende in: „Men rept zich naar samenkomsten, die angst inboezemen. Men legt zich ketenen aan, die men verwenscht. Vanwaar de betoovering der lichtekooien, de buitensporigheid der droomen—vanwaar mijne onmetelijke droefheid?” Deze woorden zouden Schopenhauer, die zoo diep neerslachtig kon zijn, uit de ziel zijn gesproken. Als 18-jarig jongeling, zong hij reeds van „de hel” van den zinnenlust.Zoo was hij dus een onharmonische natuur, die, gelijk andere denkers, op den zijnsgrond overbracht wat hij in zich zelf vond. Het innerlijk wezen der wereld is volgens hem wil, die niets wil dan als wil bestaan, blinde op geen doel gerichte wil, die geen bevrediging kent, bijgevolg onzalig is. Behalve den wil is er nog de materie. Die materie is niet een gewrocht van den[7]wil, maar zijn verschijning, geobjektiveerde wil, welke niets op zich zelf is, doch enkel in de voorstelling van individuën bestaat. Op zich zelf is er uitsluitend het innerlijk verscheurde, tegen zich zelf verdeelde, overal gelijke blinde willen. Zoo heeft dus de wereld twee zijden: een innerlijke en een uiterlijke; in beide opzichten is zij slecht en rampzalig. Is er verlossing mogelijk? Het intellekt, als het een hoogen graad van ontwikkeling bereikt, doorziet dat Wil vloekvaardig is en doet dan zeggen: Wil om te leven moet gedood worden, zal er vrede zijn. Groote wereldgodsdiensten, als Christendom en Buddhisme, wijzen ons hier den weg, die door bewonderenswaardige asceten met goed gevolg bewandeld werd. Ook kunst en wetenschap zijn middelen om, althans tijdelijk, verzachting van leed te verschaffen. Want de mensch vergeet zich zelf, als hij in onbaatzuchtige beschouwing opgaat.Verschillende personen smeden uit hetzelfde metaal verschillende wapenen.Hegel geloofde aan de heerschappij van rede in natuur en geschiedenis. Daaraan geloofden ook andere groote wijsgeeren, Kant, Fichte, Schelling, Schleiermacher, ieder op zijne wijze. Schopenhauer, hij het allereerst, niet. Die origineel waagde het luide te verkondigen, dat de wereld allerminst op een godsopenbaring gelijkt. Naar dat rondborstig getuigenis werd aanvankelijk niet geluisterd. Het druischte zoo geheel tegen de heerschende[8]overtuigingen in, dat men er geen notitie van nam. Wanneer er iets van zijn kloeke stem tot de vrijwillig dooven doordrong, dan werd zijn woord met hoon ontvangen. Schopenhauer vergold het hun dapper door ze allen te gader, Hegel in de eerste plaats, voor kwakzalvers en „Unsinnschmierer” uit te schelden.Zooals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten. Dit ietwat platte spreekwoord behelst een diepe waarheid. Ieder is geneigd wat hij als kern van zijn eigen wezen meent te ontdekken, voor kern der geheele werkelijkheid te houden. Tot Schopenhauer toe was alle philosofie min of meer een kompliment, dat het intellekt zich zelf maakte. Het begroette in de bespiegeling der denkers zich zelf als wereldmacht. Dit verandert bij Schopenhauer, die met zijn intellekt het tegendeel ervan, het onredelijke, op den wereldtroon plaatst. Natuurlijk heeft dit pessimisme ten gevolge. En even natuurlijk wordt het thans de groote vraag of en hoe Zeus (het Intellekt) er in slagen kan om den vloekwaardigen Titan, den wil om te bestaan, in den Tartarus te storten.Thans begrijpen wij hoe Hegel en Schopenhauer van dezelfde præmis uitgaande tot een geheel tegengestelde leer konden komen. Beiden houden vast aan het dogma der algemeene relativiteit. De dingen zijn er enkel in betrekking tot elkander en tot den geest, terwijl de geest er enkel in betrekking tot de dingen is. Doch als alles enkel voor iets anders bestaat, dan bestaat[9]niets voor zichzelf, dan is er op de keper beschouwd niets. Wij moeten dus aannemen, dat het één en het al, dat het universum, voor zich zelf bestaat, subjekt en tevens objekt, denken en zijn, éenheid van beide, geest is, dat het kan zeggen: ik heb zelfbesef. Het universum is het zelfstandige, dat van niets afhangt, waarvoor dus noodzakelijkheid en vrijheid samenvallen. Zoo concludeert Hegel en is optimist, intellektualist. Maar Schopenhauer zegt: wij moeten dus aannemen, dat het universum voor zich zelf bestaat, dat de blinde drift, het onredelijke in ons en buiten ons, dat de innerlijk verdeelde, onzalige wil het waarachtig zijnde is. Zoo is Schopenhauer pessimist en voluntarist.Schopenhauer’s onvoorwaardelijk pessimisme, dat zelfs de mogelijkheid der verbetering van individuen en maatschappelijke toestanden buitensluit, hangt samen met zijn blindheid voor bepaalde feiten van het geestelijk leven. Als rechtgeaard zoon van een romantisch tijdperk had hij groote sympathie voor mystici en voor asceten, ook als deze Christenen waren. Doch het geheim dat Christus der wereld geopenbaard heeft: het Koninkrijk Gods is binnen in u, het woont in u als een in den akker verborgen schat, had hem, zoo die boodschap ook tot hem doorgedrongen ware, weerhouden om het menschelijk lot enkel jammer en ellende te noemen. Schopenhauer droeg oogkleppen, welke hem beletten te zien wat niet in het kader van zijn stelsel[10]paste. Had hij beseft, dat onze aarde den hemel kan herbergen, dan zou hij de wereld niet zoo slecht hebben genoemd als maar eenigermate met haar voortbestaan zich nog laat rijmen. Doch hier steunt Schopenhauer op de leer van Buddha, welke verder van die van Christus af staat dan de eene ster van de andere. Niet volgens Christus, maar volgens Buddha is het leven enkel lijden en is het eenig begeerlijke verlossing van het lijden door den dood. Maar het gewone sterven is volgens Buddha en Schopenhauer geenechtsterven, want er bestaat zielsverhuizing: dezelfde individuen worden telkens opnieuw geboren. De werkelijk bevrijdende dood is enkel voor hem mogelijk, die alles wat hem aan het leven boeit van zich werpt, alle liefde, alle hopen, alle wenschen in zich vernietigt, m.a.w. levend sterft. Met deze leer, welke door Schopenhauer werd aanvaard, vormt de Christelijke, waaraan hij voorbijging, een tegenstelling.Overigens rijmt zijn pessimisme slecht met wat hij, ten deele althans, van Plato had overgenomen. Hij erkent eeuwige, onveranderlijke, boven tijd en ruimte verheven typen, ideeën of soorten, welke, met voortbrengende kracht uitgerust, zich verwerkelijken in de exemplaren van dieren en planten, die hier op aarde geboren worden en sterven. Hoe kan de blinde en onbepaalde wil van Schopenhauer, die enkel wil is om te willen, zich in grondvormen objektiveeren, welke de[11]beschouwing der natuur een artistiek genot doen zijn? Het idealisme van Plato is een willekeurig ingeschoven bestanddeel in het systeem van onzen irrationalist.„De wereld is mijne voorstelling”, ziedaar de eerste volzin van „Die Welt als Wille und Vorstellung”, het boek dat het systeem van Schopenhauer behelst. Hij noemt zich discipel van Kant, maar draagt er roem op een zelfstandig volgeling te zijn. Inderdaad wijkt hij zeer van Kant af. Van Schopenhauer kan gezegd worden, dat hij, de meest gelezene, immers de meest leesbare van alle moderne philosofen, ook het meest heeft bijgedragen om de kritiek van den behoedzamen Kant, die geen wetenschap buiten die der ervaring overeind liet staan, in vergetelheid te brengen. De voorzichtige oudere denker zou er zich wel voor gewacht hebben iets aangaande de wereld an sich, de wereld, die buiten het bewustzijn en op zich zelve bestaat, te verzekeren. Daarvoor was hij te anti-dogmatisch, te zeer overtuigd, dat men geen stelling zonder voldoenden kengrond mag aanvaarden. Maar idealist was hij evenzeer als Schopenhauer, want ook hij leerde dat de wereld der ervaring, de wereld der objekten, enkel in betrekking tot subjekten bestaat. Ook is het duidelijk wat Kant en Schopenhauer bedoelen. Het bestaan der wereld van objekten hangt volgens hen aan een enkelen lichten draad, het bewustzijn, waarin ze aanwezig is. Stel u voor dat alle bewustzijn uitgedoofd werd, die wereld zelve zou daarmede[12]verdwijnen. Het eigenaardige van een objekt is in de voorstelling van een subjekt te bestaan. Objekt en voorstelling zijn hetzelfde. Daaruit vloeit voort, dat de geheele wereld der objekten voorstelling is en blijft. Alleen het bewustzijn is ons rechtstreeks gegeven en die wereld is er enkel als inhoud van bewustzijn. Gelijk er geen objekt zonder subjekt is, bestaat er omgekeerd geen subjekt zonder objekt, geen bewustzijn zonder inhoud. Subjekt en objekt zijn onafscheidelijk gelijk rechts en links, gelijk noord en zuid.Schopenhauer tracht zijne stelling nader te staven door op de idealiteit van ruimte en tijd te wijzen. Hij gebruikt daarbij de argumenten, die Kant in zijne „transcendentale æsthetiek” heeft gegeven. B.v. dit, dat wij achtereenvolgens alles uit de ruimte kunnen wegdenken, maar de ruimte zelve niet kunnen kwijt raken. Zoodra wij welk stuk der materie ook ons voorstellen, moeten wij de geheele ruimte mededenken. Daaruit volgt dat de ruimte bij ons behoort, dat zij subjektief is, dat dus gestalte, grootte, beweging, al het ruimtelijke, eveneens subjektief moet heeten. „Wij kennen niet de dingen zooals zij op zich zelve zijn, maar slechts gelijk zij verschijnen. Dit is de groote leer van den grooten Kant”. Schopenhauer voegt er aan toe, dat het stellig de meest absurde, doch tevens de meest vruchtbare van alle dwalingen is, de oneindige ruimte als onafhankelijk van ons aanwezig te beschouwen.[13]dus te meenen dat een beeld van dat oneindige „door de oogen” in ons brein zou dringen. Wie de ongerijmdheid van die stelling doorziet, weet tevens dat de wereld enkel „hersenphænomeen” is, dus als zoodanig met den dood der hersenen verdwijnt, om een geheel andere wereld over te laten, de wereld van het op zich zelf zijnde, die van den wil, betreffende welke het onzin is te vragen: waar is zij? daar zij met ruimte en tijd niets te maken heeft.Schopenhauer zegt, dat de ruimte in ons hoofd is. Maar tevens, natuurlijk, dat ons hoofd in de ruimte is. Zoo plaatst hij met tergende zorgeloosheid schijnbaar tegenstrijdige stellingen naast elkander. Hij zegt, dat de hersenen de atlas zijn, waardoor de geheele wereld wordt gedragen, want de wereld is voorstelling, en voorstelling is volgens de leer der physiologen aan de hersenen gebonden. Maar anderzijds erkent hij, gelijk ieder die bij zijn zinnen is, dat alle hersenbrij te samen slechts een klein fragment van het universum uitmaakt. Hier is geen echte contradictie. Het zichtbare, dat wij hersenen noemen, is de vaste voorwaarde van dat andere onzichtbare, dat voorstelling, illusie heet. Dit is een physiologische waarheid, welke gelijk alle natuurkennis, van de wereld geldt, die in tijd en ruimte is uitgebreid en dan als op eigen voeten staande wordt aangemerkt. De metaphysische waarheid, de echte waarheid is deze, dat alle materie, de hersenen inkluis, slechts voorstelling[14]van het kennende subjekt is, dat hersenen en kennis beiden verschijningen zijn van het waarlijk zijnde: Wil. Nu rest nog het raadsel, hoe wil als kennend subjekt verschijnt. Dat is volgens Schopenhauer het groote mirakel, de hypothese, die door niets verklaard wordt, daar zij zelve alles verklaart.Om Schopenhauer wel te verstaan moet men in het oog houden, dat de wereld bij hem „de schaduw van een droom” is, fata morgana door het intellekt geschapen, dat in zijn kader: tijd, ruimte en causaliteit, gewaarwordingen opneemt. Het intellekt is in ieder kennend individu aanwezig, maar met geen individu te vereenzelvigen, zoodat de individuen kunnen geboren worden en sterven, terwijl de voorstelling van objekten blijft bestaan. Deze leer laat de empirische realiteit der wereld onaangetast, maar sluit in zich, dat de wereld in al hare deelen van het intellekt, het subjekt, afhangt. Ja zelfs hangt zij daarvan op tweeërlei manier af. Ten eerste is er, gelijk reeds Berkeley heeft ingezien, geen objekt denkbaar tenzij in de voorstelling van een subjekt; ten tweede gaat de wijze, waarop wordt voorgesteld, het objekt-zijn als ruimte vullend en aan tijd en causaliteit onderworpen, zooals Kant heeft geleerd, van het subjekt uit. Het intellekt is niet iets zelfstandigs, en de wereld der dingen is niet iets anders, dat eveneens op eigen voeten staat; dan toch ware het onbegrijpelijk, dat wij en zelfs de dieren zoo volkomen in[15]de wereld te huis zijn en ons van den aanvang af daarin terecht vinden; intellekt en wereld vormen één geheel, want het intellekt schept de wereldorde; omgekeerd ware het niets zonder die wereld, daar het dan zonder inhoud zou zijn. Intellekt en wereld zijn, ieder op zich zelve beschouwd, enkel afgetrokkenheden, onwezenlijk. Schopenhauer drukt dat in de taal der Indische wijzen uit, door van Maja te spreken, de moeder van allen schijn, de godin die ons een sluier voor de oogen bindt, in welks plooien het beeld van al het geschapene zich vertoont.Ook de moraal van Schopenhauer toont een Indisch karakter. Hier wijkt hij sterk van Kant af. Kant kiest zijn uitgangspunt in het plichtbesef. Daar de mensch een redelijk wezen is, kan hij afzien van neiging en eigenbelang en, een algemeen standpunt innemende, vragen: wat is behoorlijk? Hoe die vraag beantwoord wordt, is van ondergeschikte beteekenis. De kennis van den plicht laat verschillende graden toe, is niet overal evenzeer ontwikkeld. Daarenboven kan al naar gelang van omstandigheden de eisch van den plicht wisselen. Maar dát er een plicht is, weet ieder redelijk schepsel. Ziedaar een waarheid, welke hem door geen philosofie ter wereld kan worden ontfutseld, en aan ieder gezond menschenverstand is geopenbaard. Schopenhauer daarentegen bouwt niet op de redelijke natuur van den mensch, maar op het gevoel, op het medelijden, zijne[16]moraal. Medelijden is ons een openbaring van de eenheid van alle zijn. Het zegt ons, als wij tegenover een lijdend schepsel ons geplaatst zien:tat twam asi, dat zijt gij!Medelijden is vertolking in de taal des gemoeds van het feit, den Indischen wijzen reeds eeuwen bekend, dat de veelheid der wezens inbeelding is. Bij den aanblik van den schamelen bedelaar, die zijn hand naar ons uitstrekt, van den worm die aan onzen voet ineenkrimpt, bij het zien van al wat lijdt, zegt de wijze: dat ben ik! Het noopt om te helpen. Schopenhauer is te verstandig om medelijden als plicht voor te schrijven. Medelijden is een feit, een geheimzinnig feit, aan welks invloed zich zelfs de ruwste en onkundigste niet voortdurend kan onttrekken. Juist ten gevolge van zijn algemeenheid heeft het invoering van levensregels bewerkt, welke allen tot twee zich laten herleiden: doe niemand kwaad, sta allen bij zooveel ge kunt!Intusschen kan verzachting van individueel leed hem niet voldoen, die alle afzonderlijk bestaan als een ramp beschouwt. Smart is heilzaam, zegt Schopenhauer, daar zij van den lust om te leven geneest, en zoo de „Meeresstille des Gemüths” veroorzaakt, welke veroorlooft het Nirwana binnen te treden. Dat Nirwana, zoo luidt het slotwoord van het hoofdwerk, is niets voor den dwaas, wiens hart vol is van de dingen dezer wereld, maar alles voor wie doorziet, dat het universum met zijn zonnen en melkwegen inderdaad niets is.[17]Ten slotte moeten wij nog opmerken, dat Schopenhauer, ondanks het strengste determinisme, den mensch verantwoordelijk acht voor zijne daden. Het werken volgt op het zijn. Al onze handelingen vloeien met noodzakelijkheid uit het karakter voort, waarmee wij ter wereld zijn gekomen. Maar dat karakter, dat zich in den tijd aan zijn eigenaar openbaart, en hem verborgen zou blijven, indien hij niet velerlei aanleiding tot handelen had, bestaat tevens buiten den tijd in de vrije wereld van het bovenzinnelijke. Vandaar onze verantwoordelijkheid. Het is dus niet onze fout, dat wij doen wat wij doen, b.v. ons als lafaards gedragen, wanneer wij lafaards zijn, maar stellig is het onze schuld, dat wij zijn, zooals wij zijn. Schopenhauer maakt hier een degelijk onderscheid tusschen empirisch en intelligibel karakter als reeds door Kant werd aangegeven. Vrijheid is een geheimenis, maar als noodwendig tegenstuk van moeten is zij onloochenbaar.Ziedaar een ruwe schets van het systeem, dat gedurende de tweede helft der 19deeeuw in driemaal honderdduizend exemplaren is verspreid geworden en thans, terwijl de zon van Nietzsche reeds begint te tanen, nog steeds opgang maakt. Ik heb eens door een beroemd landgenoot hooren zeggen, dat het hem even onmogelijk zou zijn de leer van Schopenhauer als den Heidelberger catechismus onvoorwaardelijk te beamen. Die woorden wil ik graag voor mijne rekening nemen.[18]Als het onderscheid der individuen schijn is, rijst de vraag, wie er door dien schijn bedrogen wordt, en wie er met dien schijn bedriegt. Het eenig mogelijk, doch niet zeer verstaanbaar antwoord is hier: de oneindige wil draait zich een rad voor de oogen, is prooi van zelfmisleiding. Ik ben het met Schopenhauer eens: zoo’n dwaas en onzalig wezen behoort in het Nirwana weg te zinken. Alleen begrijp ik niet, hoe schepselen der inbeelding als gij, mijn lezer, en ik, daarbij een handje zouden kunnen helpen.Toch vindt onze wijsgeer nog tal van volgelingen. Geen wonder. Zijne leer ligt in de lijn van zekere hedendaagsche geestesstroomingen. Zoo wordt aan het pessimisme thans meer dan ooit recht toegekend. Het geloof aan den vooruitgang is geschokt. Het wordt niet meer als een axioma beschouwd, dat alles zal terecht komen. Het optimisme, dat onze vaderen veroorloofde zich op de golven van het wereldgebeuren met blij vertrouwen te laten verder dragen, schijnt thans lichtzinnig en ietwat kinderachtig. Dat de natuur in menig opzicht onbarmhartig is en zich om lief en leed van hare schepselen niet bekreunt, is een bittere waarheid, voor welke de oogen geopend zijn. Steeds meer dringt de gedachte door, dat het menschelijk leven slechts in zoover zin en waarde heeft, als wij zelve in staat en gezind zijn er een belangrijken inhoud aan te verleenen. Zoo noopt het pessimisme tot krachtsinspanning[19]volgens het woord van Schopenhauer zelf, die een van zijn boeken van het volgende motto heeft voorzien: „een gelukkig leven is onmogelijk; het hoogste wat wij bereiken kunnen is een heroïeke levensloop”.Ook ligt het in den geest van onzen tijd het mysterieuse van ons bestaan te erkennen. Welnu, volgens Schopenhauer is de verschijning van den wil onder een individueelen vorm, in de gestalte van een kennend en denkend subjekt, een onoplosbaar raadsel. Op zijne wijze is hij evolutionist. Van de leer van Darwin, wiens boek kort vóór zijn dood verscheen, wilde hij niets weten. Dat het hoogere uit het lagere, het meerdere uit het mindere zou voortspruiten, scheen hem tergende onzin. Maar wel stond het bij hem vast, dat de openbaringen van den wil een rangorde doorloopen en dat de verschijning van bewustzijn en rede, geheel nieuwe feiten, al de voorafgaande lagere levensvormen onderstellen, gelijk deze weder de onbewerktuigde natuur. Ook hier kan dus de tegenwoordige tijd bij Schopenhauer aanknoopen. Zelfs het tegenwoordig zoozeer verspreide pragmatisme, dat waarheid als een instrument om te handelen beschouwt, vindt steun bij Schopenhauer.Ook heeft Schopenhauer de leer van Kant weliswaar verminkt, maar tevens zóó gefiltreerd, dat ieder dilettant zich nu enkele hoofdtrekken er van met gemak kan toeëigenen. Ten slotte heeft hij met zijne beschouwingen over kunst en liefde niet enkel Wagner[20]en Nietzsche, maar ook dichters, romanschrijvers en dramatici bezield. Volgens Schopenhauer is wie zich door den hevigsten van alle hartstochten laat medesleepen de onbewuste dienaar van de soort, zijn liefde en begeerte waanzin, jacht op de schaduw van een schaduw. Is het niet alsof men Flaubert leest? Het werk van Schopenhauer, die stoute synthese van Kantianisme, Platonisme, Indische wijsheid en Europeesche natuurkennis is nog in menig opzicht jong en frisch.Arthur Schopenhauer werd in 1788 in de toenmalige vrije rijksstad Dantzig geboren. Zijn vader was een aanzienlijk koopman en veel ouder dan zijn moeder. Toen in 1793 Dantzig bij Pruissen werd ingelijfd vertrok de stoere republikein met zijn gezin, dat intusschen tot vier personen was aangegroeid, daar Arthur een zusje Adele had gekregen, naar Hamburg. De vader had zich voorgenomen van den knaap een koopman te maken, maar de aanleg van den jongen wees in andere richting. Toen de vader, misschien door zelfmoord, plotseling gestorven was, gevoelde de zoon zich verplicht den wensch van den overledene te eerbiedigen en nam hij dus plaats op de kantoorkruk. De betrekkelijk nog jonge weduwe ging zich vestigen in Weimar, waar zij de vriendschap van Goethe genoot, en talrijke, zeer bewonderde romans schreef. De brieven, die uit dien tijd bewaard zijn gebleven, doen Johanna Schopenhauer als een beminnelijke, verstandige en[21]helderziende vrouw kennen. Zoo schreef zij in 1807 aan haar toen 19-jarigen zoon: „Ik ken uw hart en weet dat weinig menschen beter zijn dan gij. Maar al uwe goede eigenschappen worden verduisterd en als het ware verlamd door uwe aanmatiging. Ge wilt alles beter weten dan andere menschen, bij ieder behalve bij u zelven gebreken ontdekken en in uw omgeving steeds alles naar uwe hand zetten … Als ge niet waart die ge zijt, dan zoudt ge eenvoudig belachelijk wezen, maar nu verbittert ge allen tegen u”. In hetzelfde jaar schrijft zij hem nog: „Ik misken niet de goede kanten van uwe natuur en wat mij afstoot is niet uwe innerlijke gezindheid, maar uwe manier van beschouwen, veroordeelen, de wijze waarop ge u gedraagt. Wanneer ge eenige dagen bij ons doorbrengt, komt het altoos tot geweldige tooneelen om niets en minder dan niets. Uwe eeuwige jeremiaden, uw begrafenisgezicht, uw orakeltoon, dat alles drukt ter neer. Ik weet dat ge uw zwartgalligheid van uw vader geërfd hebt; tracht haar te overwinnen”.In datzelfde jaar 1807 hield Arthur op klerk te zijn en begon hij zich met toestemming van zijn moeder tot de universitaire studiën aan het gymnasium van Gotha voor te bereiden. Satirieke verzen op een van de leeraren deden hem van daar verjagen. En nu kwam hij op het gymnasium te Weimar, maar zijn moeder wilde hem niet in huis hebben, en dus woonde hij bij[22]een der leeraren. In den tijd van twee jaar bracht hij het zoo ver in zijn klassieke studiën dat al de verloren tijd was ingehaald en hij in 1809 als student bij de faculteit der medicijnen aan de Universiteit te Göttingen kon worden ingeschreven. Hij was nu meerderjarig, had zijn klein fortuin in handen, en las Tacitus, Horatius, Lucretius, Herodotus, zonder zich veel om de geneeskunst te bekreunen, die hem bij nadere kennismaking niet scheen aan te trekken. Prof. Schulze (Aenesidemus), die zijn aanleg voor de philosofie doorzag, gaf hem den raad voorloopig enkel Plato en Kant te bestudeeren. Dien raad volgde hij op, en zoo werd hij door die twee groote denkers met de gedachte vertrouwd gemaakt, dat de wereld der verschijnselen en het ding op zich zelf twee zijn. Veel vrienden aan de academie schijnt hij niet gehad te hebben. In het curriculum vitae, dat hij later bij de Berlijner faculteit indiende, schreef hij betreffende zijn studentenjaren: „mijn rijper leeftijd, mijn rijker ervaring en mijn ongewoon karakter maakten dat ik verlaten en eenzaam was”. In het vreemdelingenboek van een oud kasteel schreef hij 5 Sept. 1811:„Wohl manches Mal saht ihr mich einsam wandern,Und ernst und einsam geh’ ich jetzt zu andern”.Toch knoopte hij in Göttingen eenige vriendschapsbanden aan, b.v. met Osann en in 1820 noemde hij in[23]een brief aan dezen gericht, de Göttinger jaren de schoonste van zijn leven.Vandaar ging hij naar Berlijn, waar hij Fichte en Schleiermacher hoorde, niet Hegel. Met Prof. Fichte disputeerde hij hevig op diens privatissima. Door den vrijheidsoorlog, voor welken hij volstrekt niets gevoelde, in het schrijven van zijn dissertatie gestoord, week hij uit naar Rudolstadt in Thüringen, waar hij tot zijn vreugde geen soldaat te zien, geen tamboer te hooren kreeg. Hij zond het handschrift van zijn dissertatie per post naar het naburige Jena, vanwaar hij na korten tijd, eveneens per post, zijn doctors-diploma ontving. Zijn dissertatie verscheen onder den titel: „Ueber die vierfache Wurzel des Satzes vom zureichenden Grunde”. Van dit merkwaardig geschrift, dat als de inleiding tot zijn hoofdwerk kan worden beschouwd, heeft hij later een vermeerderde editie in het licht gezonden.Arthur keerde thans naar Weimar terug, waar hij veel met Goethe sprak. Er was groot verschil tusschen die beide mannen, gelijk daaruit blijkt, dat Schopenhauer in 1813 aan den beroemden grijsaard kon schrijven: „Van u zelf weet ik, dat letterkundige arbeid voor u altijd bijzaak, en het werkelijke leven hoofdzaak is geweest. Bij mij is het omgekeerde het geval; mijn denken, mijn werk, dat alleen heeft voor mij waarde en beteekenis”. Maar tevens was er overeenkomst in geestesrichting. Beiden waren zieners en wilden putten[24]uit de levende bron van ervaring en bewustzijn. Vandaar dat voor Schopenhauer de philosofie niet zoozeer wetenschap als wel kunst was. Hij streefde er naar een volkomen objektieve en door geen langwijlige redeneeringen bedorven wijsbegeerte te stichten, welke een echt kunstgewrocht zou zijn, daar zij „niet op den trant der philosofasters, van Fichte en zelfs van Spinoza, tusschen subjekt en objekt den bedriegelijken sluier van afgetrokken begrippen zou dulden”. Goethe beschreef in die dagen, in een brief aan Knobel, zijn jongenvriendals een merkwaardig man, „die met helderziende koppigheid bezig is het kaartenspel van onze moderne philosofen in de war te sturen”. Met profetischen blik voegt hij er aan toe: „het staat te bezien of de meesters in het vak hem in hun gilde zullen opnemen. Ik vind hem vol geest”. Goethe, getroffen door de rol, die Schopenhauer in zijn dissertatie bij het meetkundig betoog aan de aanschouwing wilde zien toegewezen, spoorde hem tot optische studiën aan, waarvan hij zelf in die dagen vervuld was. Inderdaad deed Schopenhauer later als tweede van zijne geschriften een boek „Ueber das Sehen und die Farben” verschijnen. Vóór de publicatie had hij zijn manuscript aan Goethe ter beoordeeling toegezonden, maar ondanks al zijn dringen en smeeken was het hem niet gelukt aan den dichter, die hem telkens zeer beleefd antwoordde, een enkel teeken van goed- of afkeuring te ontlokken. Schopenhauer[25]had het verschil der kleuren op een andere wijze dan Goethe het deed verklaard.Johanna herbergde op dat oogenblik den romanschrijver Fr. Müller. Arthur toonde op zulk een wijze zijn misnoegen over de aanwezigheid van dien vreemdeling, dat de moeder er toe overging haar zoon de deur te wijzen. Dit geschiedde in Mei 1814. De breuk was onherstelbaar. Arthur ging naar Dresden en heeft noch zijn moeder, noch zijn zuster, met welke laatste hij ten minste voorloopig in briefwisseling bleef, ooit teruggezien.In Dresden, destijds de artistieke hoofdstad van Duitschland, genoot Arthur veel van kunst. Ook had hij er enkele vrienden, waarvan er één aan Adele schreef: „Uw broeder is van nature teeder en gemoedelijk”. Intusschen werkte hij ijverig aan zijn: „Welt als Wille und Vorstellung”. Het boek verscheen in 1818 bij Brockhaus, maar werd zoo slecht verkocht en zoo totaal geïgnoreerd, dat de uitgeversfirma na verloop van eenigen tijd van het grootste aantal der exemplaren papierpap maakte.Schopenhauer ging naar Italië. Zijn reis, gedurende welke hij in zijn journaal enkel philosofische gedachten neerschreef, werd op pijnlijke wijze afgebroken door de handelscrisis, die de firma trof, waaraan Johanna en Adele haar geheele vermogen en Arthur een aanzienlijk deel ervan hadden toevertrouwd. Hij verklaarde zich[26]bereid met moeder en zuster te deelen wat hij nog had overgehouden, maar weigerde halsstarrig in de schikking te treden, die door de overige schuldeischers werd aanvaard. Hij had geen koopmansgenie, doch stond op zijn recht en wantrouwde de menschen, ten gevolge waarvan hij hier de wijste partij koos. Na een paar jaar stond de firma weer overeind en kreeg Arthur al zijn geld terug, terwijl moeder en dochter twee derden van haar fortuin verloren hadden.Intusschen wist hij niet vooraf hoe de zaak zou loopen en trachtte hij zich dus aan de universiteit te Berlijn een positie als leeraar te scheppen. Op 23 Maart 1823 hield hij zijn proefles. Hegel opponeerde, maar Schopenhauer antwoordde zoo flink, dat hem de titel van privaat-docent verleend werd. Nu ging Schopenhauer een half jaar lang 5 uur college per week geven. Hij had weinig of geen succes. Was het, omdat hij dezelfde uren had gekozen als waarop Hegel zijne lessen gaf? Zoolang het intellektualisme zijn zegetocht nog niet voleindigd had, kon het voluntarisme in geen geval gehoor vinden. Nadat zijn fortuin zich hersteld had, keerde Schopenhauer naar Italië terug. Hij schrijft vroolijke brieven aan Osann en geeft een vermakelijke schets van den levenslust, de bedriegelijkheid en welgemanierdheid der Italianen. Toch keert hij weer naar Berlijn terug en slijt daar zes jaren van zijn leven, totdat de cholera in 1831 hem ten gevolge van een[27]droom, waaraan hij waarschuwende kracht toekent, naar het gezonde Frankfort doet verhuizen. Hier blijft hij 27 jaren, tot aan zijn dood in 1860. Ervan overtuigd dat het uur van zijn beroemdheid zal komen, daar hij naar zijn inzien het wereldraadsel opgelost en aan de menschheid daarmee den grootst mogelijken dienst heeft bewezen, bewerkt hij een tweede editie van zijn „Welt als Wille und Vorstellung” en schrijft hij tevens zijn „Parerga und Paralipomena”, die als een toelichting op het hoofdwerk kunnen gelden. Ook verzamelt hij bij natuurvorschers en geneesheeren feiten, welke als openbaringen van den levenswil kunnen gelden en doet, wellicht op zijn eigen kosten, na een zwijgen van 18 jaren, in 1836 „Ueber den Willen in der Natur” verschijnen. Het boek wordt niet opgemerkt.Zijn eerste voldoening van eigenliefde was, dat hij vermocht Rosenkrantz en Schubert te overtuigen dat niet, zooals hun plan was, de tweede, maar de eerste editie van de „Kritik der reinen Vernunft” bij de door hen voorgenomen uitgave van de complete werken van Kant moest worden gevolgd. Kort daarna in 1839 behaalt hij een gouden medaille met een verhandeling over de vrijheid van den wil bij de maatschappij van wetenschappen te Drontheim, maar een tweede prijsverhandeling over de grondslagen der moraal wordt door de maatschappij van wetenschappen te Kopenhagen afgewezen, vooral om het afschuwelijk schelden[28]op de „drie Sophisten”, Fichte, Schelling en Hegel. Hij vereenigt de twee stukken en geeft ze uit onder den titel „Die beiden Grundprobleme der Ethik”. De kritiek zwijgt ook dit werk dood. Eindelijk, in 1851 gelukt het zijn eersten discipel, een Jood van Russischen oorsprong, Julius Frauenstaedt, een uitgever in Berlijn te vinden voor de „Parerga”. Dit boek slaat in. Men ontdekt dat Schopenhauer een onovertroffen schrijver van essays is. Nu is de nieuwsgierigheid naar zijn vroegere werken opgewekt. Hij krijgt erkentelijke brieven van Bahnsen, een leeraar aan een gymnasium, van Lindner, een Berlijnsch journalist, van Adam von Doss, een Beiersch jurist, enz. De inhoud is steeds dezelfde. „De schillen zijn mij van de oogen gevallen. Vol verrassing roep ik uit: Heureka!” Een man als Saint-René-Taillandier schrijft over hem in deRevue des deux Mondes. Challemel-Lacour bezoekt hem en schrijft in deRevue des deux Mondesvan de ijskoude atmosfeer, welke hem bij die gelegenheid uit de half geopende deur van het „Niet” kwam toestroomen. Een niet minder bekend man, Foucher de Careil, dringt ook tot hem door en beschrijft hem als een grijsaard met levendige blauwe oogen, om welke een ietwat sarkastische glimlach speelt; het hooge voorhoofd met de uitstaande witte lokken verleent aan het geestig gelaat een stempel van zielenadel en voornaamheid. Zijn manieren zijn die van een man van de wereld. Hij is ouderwetsch gekleed[29]met een witte das en een kanten jabot. Van nature teruggetrokken, laat hij zich gaan als hij met vreemdelingen te doen heeft en dan is zijn gesprek buitengewoon levendig. Hij strooit rond met latijnsche, grieksche, fransche, engelsche, italiaansche citaten; de uren vliegen als minuten voorbij en als de middernachtsklok slaat, vertoonen zijn trekken niet de minste vermoeidheid en het vuur van zijn blik is geen seconde uitgedoofd geweest.Zoo was de avond van zijn leven de dageraad van zijn roem.Toen op 18 Sept. 1848 het oproer door de straten van Frankfort trok, leende hij met de grootste bereidwilligheid zijn kijker aan den Oostenrijkschen officier, die van uit zijn vensters op het souvereine gepeupel liet schieten, dat ginds op den brug een barricade opwierp. Twaalf jaar later bleek, dat hij aan de soldaten, die bij de verdediging van de wettelijke orde invalide waren geworden, het leeuwendeel van zijn vermogen had nagelaten. Geldgeschenken waren toegewezen aan bloedverwanten, aan een oude dienstmaagd, die tevens zijn meubels en zilverwerk kreeg, en aan een tooneelprinses, die indertijd zijn hartevriendin was geweest. Ook zijn hond had hij niet vergeten; deze erfde f 300 voor zijn levensonderhoud. Frauenstaedt kreeg de manuscripten en op hem gingen al de auteursrechten over. Gwinner, rechter in Frankfort, uitvoerder van den[30]laatsten wil, kwam in het bezit van zijn bibliotheek.Het was in tegenwoordigheid van dezen Gwinner, dat Schopenhauer eens, na lang op het portret van de Rancé, den stichter van de orde der Trappisten, te hebben gestaard, op neerslachtigen toon zei: „Dat is het werk der genade”. Schopenhauer heeft de wereldverloochenaars, zijn heiligen, vurig bewonderd, maar zelf niet als een hunner geleefd. Hij was geen zonnige natuur, stak vol grieven. Zoo tegen de vrouwen, de schepselen met lange haren en korte gedachten. Zoo vooral tegen de Joden, die met hun scheppingsleer de Europeesche menschheid vergiftigd hadden. Hij was niet goedhartig, maar wel volkomen eerlijk tegenover zichzelf en anderen; hij meende alles wat hij zeide; dat was zijn kracht als schrijver. Hij was veel vatbaarder voor pijnlijke dan voor aangename indrukken. Reeds in zijn jeugd was het zoo. Twee jaar lang heeft hij toen met zijn ouders door Europa gezworven. Als hij aan armoedige hutten voorbijkwam, was zijn genot voor den geheelen dag vergald. Men begrijpt dat hij in Toulon van het verblijf der galeiboeven een onuitwischbaren indruk had gekregen. Hij heeft zich dikwijls zeer eenzaam gevoeld en zich ten slotte met de gedachte getroost: zoo is het lot der Koningen! Waarom is hij ongehuwd gebleven? In Venetië was hij zoo verliefd op een rijke jonge dame van goeden huize, dat hij, jaloersch van hare bewondering voor Byron, den introductiebrief[31]bij den engelschen dichter, dien hij van Goethe had meegekregen, niet afgaf. Wij weten dit uit een brief van Arthur aan zijn zuster. Verder weten wij niets van deze episode in zijn leven. Wel weten we iets anders. Reeds in 1814 noteerde hij voor zich zelf een woord uit het Indisch geschrift „Oepnethak”: „als de kennis komt, verdwijnt de liefde”. Later werd datzelfde woord het motto voor een deel van zijn hoofdwerk.Schopenhauer was hartstochtelijk in ieder opzicht. Wanneer een gedachte hem voor den geest zweefde, liet hij alles in den steek om haar op te vangen, en hare waarde te toetsen. Hij heeft de weelde van het genie gekend en was er van overtuigd, dat zijn intellekt niet aan hem zelf, maar aan de wereld toebehoorde, dat hij een zending had. Zijn denken is de éénheid van zijn leven geweest. Zijn altijd bezige geest was er steeds op uit om één en dezelfde gedachte toe te lichten. Want zijn stelsel bestond, gelijk hij zelf heeft erkend, uit ééne gedachte: de tegenstelling van verschijnsel en wil. Hij vergeleek het met Thebe, waar men door honderd poorten kon binnen treden en steeds op hetzelfde middelpunt uitkwam.Op 4 Sept. 1860 werd hij dood op zijn kanapé gevonden.Doch genoeg over Schopenhauer en zijn werk. Thans willen wij hem zelf het woord geven.[32]
[Inhoud]
[Inhoud]Decoratieve titelpagina met de tekst: BOEKEN VAN WIJSHEID EN SCHOONHEID: UREN MET SCHOPENHAUER.
Decoratieve titelpagina met de tekst: BOEKEN VAN WIJSHEID EN SCHOONHEID: UREN MET SCHOPENHAUER.
Decoratieve titelpagina met de tekst: BOEKEN VAN WIJSHEID EN SCHOONHEID: UREN MET SCHOPENHAUER.
[Inhoud]UREN MET SCHOPENHAUER
UREN MET SCHOPENHAUER
UREN MET SCHOPENHAUER
[Inhoud]Oorspronkelijke titelpagina.
Oorspronkelijke titelpagina.
Oorspronkelijke titelpagina.
UREN MET SCHOPENHAUEREEN KEUR VAN STUKKEN UIT ZIJNE WERKEN, VERTAALD EN VAN EEN INLEIDING EN AANTEEKENINGEN VOORZIENDOORProf. Dr. Jhr.B. H. C. K. VAN DER WIJCKUITGEGEVEN DOOR DE HOLLANDIA-DRUKKERIJ TE BAARN IN HET JAAR MCMXVI
UREN MET SCHOPENHAUEREEN KEUR VAN STUKKEN UIT ZIJNE WERKEN, VERTAALD EN VAN EEN INLEIDING EN AANTEEKENINGEN VOORZIEN
DOORProf. Dr. Jhr.B. H. C. K. VAN DER WIJCK
UITGEGEVEN DOOR DE HOLLANDIA-DRUKKERIJ TE BAARN IN HET JAAR MCMXVI
[Inhoud]TWEEDE DRUK[1]
TWEEDE DRUK[1]
TWEEDE DRUK[1]
[Inhoud]Toen ik kort na de verschijning van zijn mooi boek over Auguste Comte tot Littré de opmerking maakte, dat zijn meester en vriend een hoogst onaangenaam mensch bleek geweest te zijn, luidde het beminnelijk maar eenzijdig antwoord: „N’importe; l’homme passe, l’œuvre reste”.Afscheiding van den persoon en zijn werk is onhoudbaar, tenzij het werk een stel onpersoonlijke, b.v. wiskundige waarheden behelst. Onhoudbaar, wanneer er van een levensopvatting, een wereldbeschouwing, een kunstwerk sprake is, omdat zich daarin temperament en karakter van den mensch afspiegelen.Hier moet ik tweeërlei geestesrichting, die van den intellektualist en die van den voluntarist, onderscheiden. Het verschil tusschen beiden doet zich reeds in de middeleeuwen voor. Men denke aan de tegenstelling tusschen Thomas van Aquino en Duns Scotus. De eerste meent, dat „het hoogste geluk in niets anders gezocht moet worden dan in verstandswerkzaamheid, wijl er geen verhevener begeerte is, dan die om de waarheid te doorgronden”. Het staat bij hem onvoorwaardelijk vast, dat de leer der Kerk de waarheid is, en nu is er volgens hem geen schooner levensdoel dan den inhoud van die leer zoo goed mogelijk te verstaan. Ook Duns Scotus gaat van de waarheid van het kerkelijk geloof uit en hij ontkent niet, dat er b.v. voor het bestaan van God bewijzen te leveren zijn, welke door[2]ieder, die zijn verstand wil gebruiken als afdoende moeten worden erkend. In de opvatting van het levensdoel echter staat bij Duns Scotus niet de theorie, maar de practijk op den voorgrond. De theologie moet volgens hem niet strekken om den mensch van zijne onkunde te verlossen, maar om hem door kracht vanredenentot dat zedelijk handelen te brengen, waarvan de zaligheid, het genieten van het goddelijke afhangt. Duns Scotus is even recht geloovig als Thomas en zelfs veel onverdraagzamer, maar scheurt het weefsel der redeneeringen van den laatste bij menige gelegenheid uiteen en zegt: niet het syllogisme heeft waarde voor den godsdienst, doch enkel het geloof, niet het verstand is de kern der menschelijke persoonlijkheid, doch de wil. Het verschil tusschen deze beide kerkleeraren bracht Luther er toe te zeggen: Duns Scotus is een voortreffelijk meester, maar Thomas van Aquino is een babbelaar.Ook in den nieuwen tijd doet zich het kontrast tusschen intellektualisme en voluntarisme gelden. Doch het neemt soms een anderen vorm aan. Let op tegenvoeters als Hegel en Schopenhauer. Tot recht verstand van Schopenhauer wil ik over de betrekking tusschen beiden iets zeggen.Meestal spreekt men van willen, waar met overdachten rade gehandeld wordt. Laat ons den term „wil” ruimer nemen en daaronder samenvatten: lust,[3]onlust, hartstocht, blinde drift, ieder streven in een zekere richting, drang tot zelfbehoud, kortom alles wat de schepselen der natuur op een zekere wijze doet werken. Men stelle daartegen over wat tot de sfeer van het intellekt behoort: gewaarwording, voorstelling, gedachte, rede. Dan laat zich met Schopenhauer zeggen: wil is het eerste en het algemeene, het alomtegenwoordige. Wil is heteerste, niet kennis, niet theorie. Wij noemen iets goed, wijl wij het begeeren; niet omgekeerd begeeren wij het, omdat wij inzien dat het goed is. De meest treffende schildering van een hoog en edel doel laat ons koud als ijs, tenzij onze wil met den inhoud van dat ideaal instemt. Het intellekt kent geen waarden, enkel het gemoed doet ons in geestdrift ontsteken. Als een moeder het voegzaam en goed noemt dat zij zorgt voor haar kind, dan is dat niet, omdat zij bewijzen kan dat dit gepast is, maar omdat het hart haar noopt over dat zwakke schepseltje te waken. Zoo is ook wil het meestalgemeene. Daar men het onbekende door het bekende en niet omgekeerd het bekende door het onbekende moet verklaren, ligt het voor de hand natuurkracht liever tot wil te herleiden, dan omgekeerd wil als kracht op te vatten. Wij zullen dus spreken van een onbewusten wil, die de sterren in hare banen doet rondloopen, die den boom zijn wortels omlaag, zijn takken omhoog doet drijven, van een overal werkzamen wil, van blinde aandrift,[4]die ten slotte enkel bij de hooger staande dieren, in voorstelling en denken, in het intellekt, zich een licht ontsteekt, om het begeerde door doeltreffende keuze van middelen des te zekerder te bereiken. Immers intellekt staat oorspronkelijk geheel in den dienst van het leven; eerst op een aanzienlijken trap van beschaving houdt het op slaaf te zijn, komt het tot vrijheid, vertoont het zich als onbaatzuchtige liefde tot waarheid. Ziedaar Schopenhauer’s leer.Neen, zegt de intellektualist als Hegel: rede, logos, God is oorsprong der wereld, is albeheerschend beginsel. Bewust of onbewust gaat ieder onderzoek van de hypothese uit, dat de werkelijkheid begrijpelijk is, dat zij in gedachten kan worden omgezet, dat dus gedachten in haar belichaamd zijn. Volgens deze onderstelling, zonder welke drang naar wetenschap doelloos zou zijn, is dus gedachte de wortel van het universum, albeweger, alomvattende oorzaak, aanvang en tevens doel der wereld. Om het in de taal der vromen uit te drukken: God is Schepper en tevens einddoel van het al. Waartoe dient de natuur? Welke is de zin, die zich in de geschiedenis van ons geslacht vertolkt? Natuur en geschiedenis zijn er om de werkelijkheid tot zelfbewustzijn te doen komen, om den eindigen mensch, die van Gods geslacht is, zich als een oneindig wereldwezen te doen kennen.Het onderscheid tusschen Hegel en Schopenhauer is,[5]dat zij zich het hoogste goed niet op dezelfde wijze afbeelden en dientengevolge aan het zijnde een verschillende taak opdragen. Voor Hegel is het edelste en voornaamste een denken, dat niet door invallen en vooroordeelen gestoord wordt, en enkel de wet van zijn ontwikkeling volgt. Waar zoo de individualiteit van den kleinen mensch op den achtergrond wordt gehouden, is er geen kloof meer tusschen zijne rede en de goddelijke rede, maar zijn beiden één. Van de macht van het vrije, zuiver zakelijke, echt geestelijke denken kan men alles verwachten; voor zoodanig denken bestaan er geen onpeilbare diepten, geen onbereikbare hoogten; steeds door dezelfde wet der noodzakelijkheid vooruitgedreven, raakt het ten slotte in het bezit der oneindigheid en wordt het in werkelijkheid wat het van den aanvang af in aanleg was: alomvattend zelfbewustzijn.Geheel anders stelt een man als Schopenhauer zich het hoogste ideaal voor. Alles was bij hem kolossaal: zijn intellektueele behoefte, die hem reeds vroeg naar een oplossing van hetwereldraadseldeed hunkeren en hem steeds met dezelfde problemen deed rondloopen tot hij ten slotte niet kon zeggen wat er het eerst in hem was geweest: zijn kenleer, zijn kosmologie, zijn ethika, zijn æsthetika. Het stelsel was in hem gegroeid, gelijk een kind in den moederschoot. Daar naast stond zijn buitensporig gevoel van eigenwaarde, dat hem op[6]alles deed vitten en hem op andere menschen, enkele genieën uitgezonderd, met geringschatting liet neerzien. Goethe, die zich tot den genialen jongeling aangetrokken gevoelde, schreef de volgende waarschuwende woorden in zijn album:„Willst du dich deines Wertes freuen,So musst der Welt du Wert verleih’n”.Ten slotte bezielde hem een heftige drang naar zinnelijk genot, die hem tot tijdelijke schade van zijn gezondheid achter Venus Vulgivaga deed aanloopen. Flaubert voert ergens de Ontucht aldus sprekende in: „Men rept zich naar samenkomsten, die angst inboezemen. Men legt zich ketenen aan, die men verwenscht. Vanwaar de betoovering der lichtekooien, de buitensporigheid der droomen—vanwaar mijne onmetelijke droefheid?” Deze woorden zouden Schopenhauer, die zoo diep neerslachtig kon zijn, uit de ziel zijn gesproken. Als 18-jarig jongeling, zong hij reeds van „de hel” van den zinnenlust.Zoo was hij dus een onharmonische natuur, die, gelijk andere denkers, op den zijnsgrond overbracht wat hij in zich zelf vond. Het innerlijk wezen der wereld is volgens hem wil, die niets wil dan als wil bestaan, blinde op geen doel gerichte wil, die geen bevrediging kent, bijgevolg onzalig is. Behalve den wil is er nog de materie. Die materie is niet een gewrocht van den[7]wil, maar zijn verschijning, geobjektiveerde wil, welke niets op zich zelf is, doch enkel in de voorstelling van individuën bestaat. Op zich zelf is er uitsluitend het innerlijk verscheurde, tegen zich zelf verdeelde, overal gelijke blinde willen. Zoo heeft dus de wereld twee zijden: een innerlijke en een uiterlijke; in beide opzichten is zij slecht en rampzalig. Is er verlossing mogelijk? Het intellekt, als het een hoogen graad van ontwikkeling bereikt, doorziet dat Wil vloekvaardig is en doet dan zeggen: Wil om te leven moet gedood worden, zal er vrede zijn. Groote wereldgodsdiensten, als Christendom en Buddhisme, wijzen ons hier den weg, die door bewonderenswaardige asceten met goed gevolg bewandeld werd. Ook kunst en wetenschap zijn middelen om, althans tijdelijk, verzachting van leed te verschaffen. Want de mensch vergeet zich zelf, als hij in onbaatzuchtige beschouwing opgaat.Verschillende personen smeden uit hetzelfde metaal verschillende wapenen.Hegel geloofde aan de heerschappij van rede in natuur en geschiedenis. Daaraan geloofden ook andere groote wijsgeeren, Kant, Fichte, Schelling, Schleiermacher, ieder op zijne wijze. Schopenhauer, hij het allereerst, niet. Die origineel waagde het luide te verkondigen, dat de wereld allerminst op een godsopenbaring gelijkt. Naar dat rondborstig getuigenis werd aanvankelijk niet geluisterd. Het druischte zoo geheel tegen de heerschende[8]overtuigingen in, dat men er geen notitie van nam. Wanneer er iets van zijn kloeke stem tot de vrijwillig dooven doordrong, dan werd zijn woord met hoon ontvangen. Schopenhauer vergold het hun dapper door ze allen te gader, Hegel in de eerste plaats, voor kwakzalvers en „Unsinnschmierer” uit te schelden.Zooals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten. Dit ietwat platte spreekwoord behelst een diepe waarheid. Ieder is geneigd wat hij als kern van zijn eigen wezen meent te ontdekken, voor kern der geheele werkelijkheid te houden. Tot Schopenhauer toe was alle philosofie min of meer een kompliment, dat het intellekt zich zelf maakte. Het begroette in de bespiegeling der denkers zich zelf als wereldmacht. Dit verandert bij Schopenhauer, die met zijn intellekt het tegendeel ervan, het onredelijke, op den wereldtroon plaatst. Natuurlijk heeft dit pessimisme ten gevolge. En even natuurlijk wordt het thans de groote vraag of en hoe Zeus (het Intellekt) er in slagen kan om den vloekwaardigen Titan, den wil om te bestaan, in den Tartarus te storten.Thans begrijpen wij hoe Hegel en Schopenhauer van dezelfde præmis uitgaande tot een geheel tegengestelde leer konden komen. Beiden houden vast aan het dogma der algemeene relativiteit. De dingen zijn er enkel in betrekking tot elkander en tot den geest, terwijl de geest er enkel in betrekking tot de dingen is. Doch als alles enkel voor iets anders bestaat, dan bestaat[9]niets voor zichzelf, dan is er op de keper beschouwd niets. Wij moeten dus aannemen, dat het één en het al, dat het universum, voor zich zelf bestaat, subjekt en tevens objekt, denken en zijn, éenheid van beide, geest is, dat het kan zeggen: ik heb zelfbesef. Het universum is het zelfstandige, dat van niets afhangt, waarvoor dus noodzakelijkheid en vrijheid samenvallen. Zoo concludeert Hegel en is optimist, intellektualist. Maar Schopenhauer zegt: wij moeten dus aannemen, dat het universum voor zich zelf bestaat, dat de blinde drift, het onredelijke in ons en buiten ons, dat de innerlijk verdeelde, onzalige wil het waarachtig zijnde is. Zoo is Schopenhauer pessimist en voluntarist.Schopenhauer’s onvoorwaardelijk pessimisme, dat zelfs de mogelijkheid der verbetering van individuen en maatschappelijke toestanden buitensluit, hangt samen met zijn blindheid voor bepaalde feiten van het geestelijk leven. Als rechtgeaard zoon van een romantisch tijdperk had hij groote sympathie voor mystici en voor asceten, ook als deze Christenen waren. Doch het geheim dat Christus der wereld geopenbaard heeft: het Koninkrijk Gods is binnen in u, het woont in u als een in den akker verborgen schat, had hem, zoo die boodschap ook tot hem doorgedrongen ware, weerhouden om het menschelijk lot enkel jammer en ellende te noemen. Schopenhauer droeg oogkleppen, welke hem beletten te zien wat niet in het kader van zijn stelsel[10]paste. Had hij beseft, dat onze aarde den hemel kan herbergen, dan zou hij de wereld niet zoo slecht hebben genoemd als maar eenigermate met haar voortbestaan zich nog laat rijmen. Doch hier steunt Schopenhauer op de leer van Buddha, welke verder van die van Christus af staat dan de eene ster van de andere. Niet volgens Christus, maar volgens Buddha is het leven enkel lijden en is het eenig begeerlijke verlossing van het lijden door den dood. Maar het gewone sterven is volgens Buddha en Schopenhauer geenechtsterven, want er bestaat zielsverhuizing: dezelfde individuen worden telkens opnieuw geboren. De werkelijk bevrijdende dood is enkel voor hem mogelijk, die alles wat hem aan het leven boeit van zich werpt, alle liefde, alle hopen, alle wenschen in zich vernietigt, m.a.w. levend sterft. Met deze leer, welke door Schopenhauer werd aanvaard, vormt de Christelijke, waaraan hij voorbijging, een tegenstelling.Overigens rijmt zijn pessimisme slecht met wat hij, ten deele althans, van Plato had overgenomen. Hij erkent eeuwige, onveranderlijke, boven tijd en ruimte verheven typen, ideeën of soorten, welke, met voortbrengende kracht uitgerust, zich verwerkelijken in de exemplaren van dieren en planten, die hier op aarde geboren worden en sterven. Hoe kan de blinde en onbepaalde wil van Schopenhauer, die enkel wil is om te willen, zich in grondvormen objektiveeren, welke de[11]beschouwing der natuur een artistiek genot doen zijn? Het idealisme van Plato is een willekeurig ingeschoven bestanddeel in het systeem van onzen irrationalist.„De wereld is mijne voorstelling”, ziedaar de eerste volzin van „Die Welt als Wille und Vorstellung”, het boek dat het systeem van Schopenhauer behelst. Hij noemt zich discipel van Kant, maar draagt er roem op een zelfstandig volgeling te zijn. Inderdaad wijkt hij zeer van Kant af. Van Schopenhauer kan gezegd worden, dat hij, de meest gelezene, immers de meest leesbare van alle moderne philosofen, ook het meest heeft bijgedragen om de kritiek van den behoedzamen Kant, die geen wetenschap buiten die der ervaring overeind liet staan, in vergetelheid te brengen. De voorzichtige oudere denker zou er zich wel voor gewacht hebben iets aangaande de wereld an sich, de wereld, die buiten het bewustzijn en op zich zelve bestaat, te verzekeren. Daarvoor was hij te anti-dogmatisch, te zeer overtuigd, dat men geen stelling zonder voldoenden kengrond mag aanvaarden. Maar idealist was hij evenzeer als Schopenhauer, want ook hij leerde dat de wereld der ervaring, de wereld der objekten, enkel in betrekking tot subjekten bestaat. Ook is het duidelijk wat Kant en Schopenhauer bedoelen. Het bestaan der wereld van objekten hangt volgens hen aan een enkelen lichten draad, het bewustzijn, waarin ze aanwezig is. Stel u voor dat alle bewustzijn uitgedoofd werd, die wereld zelve zou daarmede[12]verdwijnen. Het eigenaardige van een objekt is in de voorstelling van een subjekt te bestaan. Objekt en voorstelling zijn hetzelfde. Daaruit vloeit voort, dat de geheele wereld der objekten voorstelling is en blijft. Alleen het bewustzijn is ons rechtstreeks gegeven en die wereld is er enkel als inhoud van bewustzijn. Gelijk er geen objekt zonder subjekt is, bestaat er omgekeerd geen subjekt zonder objekt, geen bewustzijn zonder inhoud. Subjekt en objekt zijn onafscheidelijk gelijk rechts en links, gelijk noord en zuid.Schopenhauer tracht zijne stelling nader te staven door op de idealiteit van ruimte en tijd te wijzen. Hij gebruikt daarbij de argumenten, die Kant in zijne „transcendentale æsthetiek” heeft gegeven. B.v. dit, dat wij achtereenvolgens alles uit de ruimte kunnen wegdenken, maar de ruimte zelve niet kunnen kwijt raken. Zoodra wij welk stuk der materie ook ons voorstellen, moeten wij de geheele ruimte mededenken. Daaruit volgt dat de ruimte bij ons behoort, dat zij subjektief is, dat dus gestalte, grootte, beweging, al het ruimtelijke, eveneens subjektief moet heeten. „Wij kennen niet de dingen zooals zij op zich zelve zijn, maar slechts gelijk zij verschijnen. Dit is de groote leer van den grooten Kant”. Schopenhauer voegt er aan toe, dat het stellig de meest absurde, doch tevens de meest vruchtbare van alle dwalingen is, de oneindige ruimte als onafhankelijk van ons aanwezig te beschouwen.[13]dus te meenen dat een beeld van dat oneindige „door de oogen” in ons brein zou dringen. Wie de ongerijmdheid van die stelling doorziet, weet tevens dat de wereld enkel „hersenphænomeen” is, dus als zoodanig met den dood der hersenen verdwijnt, om een geheel andere wereld over te laten, de wereld van het op zich zelf zijnde, die van den wil, betreffende welke het onzin is te vragen: waar is zij? daar zij met ruimte en tijd niets te maken heeft.Schopenhauer zegt, dat de ruimte in ons hoofd is. Maar tevens, natuurlijk, dat ons hoofd in de ruimte is. Zoo plaatst hij met tergende zorgeloosheid schijnbaar tegenstrijdige stellingen naast elkander. Hij zegt, dat de hersenen de atlas zijn, waardoor de geheele wereld wordt gedragen, want de wereld is voorstelling, en voorstelling is volgens de leer der physiologen aan de hersenen gebonden. Maar anderzijds erkent hij, gelijk ieder die bij zijn zinnen is, dat alle hersenbrij te samen slechts een klein fragment van het universum uitmaakt. Hier is geen echte contradictie. Het zichtbare, dat wij hersenen noemen, is de vaste voorwaarde van dat andere onzichtbare, dat voorstelling, illusie heet. Dit is een physiologische waarheid, welke gelijk alle natuurkennis, van de wereld geldt, die in tijd en ruimte is uitgebreid en dan als op eigen voeten staande wordt aangemerkt. De metaphysische waarheid, de echte waarheid is deze, dat alle materie, de hersenen inkluis, slechts voorstelling[14]van het kennende subjekt is, dat hersenen en kennis beiden verschijningen zijn van het waarlijk zijnde: Wil. Nu rest nog het raadsel, hoe wil als kennend subjekt verschijnt. Dat is volgens Schopenhauer het groote mirakel, de hypothese, die door niets verklaard wordt, daar zij zelve alles verklaart.Om Schopenhauer wel te verstaan moet men in het oog houden, dat de wereld bij hem „de schaduw van een droom” is, fata morgana door het intellekt geschapen, dat in zijn kader: tijd, ruimte en causaliteit, gewaarwordingen opneemt. Het intellekt is in ieder kennend individu aanwezig, maar met geen individu te vereenzelvigen, zoodat de individuen kunnen geboren worden en sterven, terwijl de voorstelling van objekten blijft bestaan. Deze leer laat de empirische realiteit der wereld onaangetast, maar sluit in zich, dat de wereld in al hare deelen van het intellekt, het subjekt, afhangt. Ja zelfs hangt zij daarvan op tweeërlei manier af. Ten eerste is er, gelijk reeds Berkeley heeft ingezien, geen objekt denkbaar tenzij in de voorstelling van een subjekt; ten tweede gaat de wijze, waarop wordt voorgesteld, het objekt-zijn als ruimte vullend en aan tijd en causaliteit onderworpen, zooals Kant heeft geleerd, van het subjekt uit. Het intellekt is niet iets zelfstandigs, en de wereld der dingen is niet iets anders, dat eveneens op eigen voeten staat; dan toch ware het onbegrijpelijk, dat wij en zelfs de dieren zoo volkomen in[15]de wereld te huis zijn en ons van den aanvang af daarin terecht vinden; intellekt en wereld vormen één geheel, want het intellekt schept de wereldorde; omgekeerd ware het niets zonder die wereld, daar het dan zonder inhoud zou zijn. Intellekt en wereld zijn, ieder op zich zelve beschouwd, enkel afgetrokkenheden, onwezenlijk. Schopenhauer drukt dat in de taal der Indische wijzen uit, door van Maja te spreken, de moeder van allen schijn, de godin die ons een sluier voor de oogen bindt, in welks plooien het beeld van al het geschapene zich vertoont.Ook de moraal van Schopenhauer toont een Indisch karakter. Hier wijkt hij sterk van Kant af. Kant kiest zijn uitgangspunt in het plichtbesef. Daar de mensch een redelijk wezen is, kan hij afzien van neiging en eigenbelang en, een algemeen standpunt innemende, vragen: wat is behoorlijk? Hoe die vraag beantwoord wordt, is van ondergeschikte beteekenis. De kennis van den plicht laat verschillende graden toe, is niet overal evenzeer ontwikkeld. Daarenboven kan al naar gelang van omstandigheden de eisch van den plicht wisselen. Maar dát er een plicht is, weet ieder redelijk schepsel. Ziedaar een waarheid, welke hem door geen philosofie ter wereld kan worden ontfutseld, en aan ieder gezond menschenverstand is geopenbaard. Schopenhauer daarentegen bouwt niet op de redelijke natuur van den mensch, maar op het gevoel, op het medelijden, zijne[16]moraal. Medelijden is ons een openbaring van de eenheid van alle zijn. Het zegt ons, als wij tegenover een lijdend schepsel ons geplaatst zien:tat twam asi, dat zijt gij!Medelijden is vertolking in de taal des gemoeds van het feit, den Indischen wijzen reeds eeuwen bekend, dat de veelheid der wezens inbeelding is. Bij den aanblik van den schamelen bedelaar, die zijn hand naar ons uitstrekt, van den worm die aan onzen voet ineenkrimpt, bij het zien van al wat lijdt, zegt de wijze: dat ben ik! Het noopt om te helpen. Schopenhauer is te verstandig om medelijden als plicht voor te schrijven. Medelijden is een feit, een geheimzinnig feit, aan welks invloed zich zelfs de ruwste en onkundigste niet voortdurend kan onttrekken. Juist ten gevolge van zijn algemeenheid heeft het invoering van levensregels bewerkt, welke allen tot twee zich laten herleiden: doe niemand kwaad, sta allen bij zooveel ge kunt!Intusschen kan verzachting van individueel leed hem niet voldoen, die alle afzonderlijk bestaan als een ramp beschouwt. Smart is heilzaam, zegt Schopenhauer, daar zij van den lust om te leven geneest, en zoo de „Meeresstille des Gemüths” veroorzaakt, welke veroorlooft het Nirwana binnen te treden. Dat Nirwana, zoo luidt het slotwoord van het hoofdwerk, is niets voor den dwaas, wiens hart vol is van de dingen dezer wereld, maar alles voor wie doorziet, dat het universum met zijn zonnen en melkwegen inderdaad niets is.[17]Ten slotte moeten wij nog opmerken, dat Schopenhauer, ondanks het strengste determinisme, den mensch verantwoordelijk acht voor zijne daden. Het werken volgt op het zijn. Al onze handelingen vloeien met noodzakelijkheid uit het karakter voort, waarmee wij ter wereld zijn gekomen. Maar dat karakter, dat zich in den tijd aan zijn eigenaar openbaart, en hem verborgen zou blijven, indien hij niet velerlei aanleiding tot handelen had, bestaat tevens buiten den tijd in de vrije wereld van het bovenzinnelijke. Vandaar onze verantwoordelijkheid. Het is dus niet onze fout, dat wij doen wat wij doen, b.v. ons als lafaards gedragen, wanneer wij lafaards zijn, maar stellig is het onze schuld, dat wij zijn, zooals wij zijn. Schopenhauer maakt hier een degelijk onderscheid tusschen empirisch en intelligibel karakter als reeds door Kant werd aangegeven. Vrijheid is een geheimenis, maar als noodwendig tegenstuk van moeten is zij onloochenbaar.Ziedaar een ruwe schets van het systeem, dat gedurende de tweede helft der 19deeeuw in driemaal honderdduizend exemplaren is verspreid geworden en thans, terwijl de zon van Nietzsche reeds begint te tanen, nog steeds opgang maakt. Ik heb eens door een beroemd landgenoot hooren zeggen, dat het hem even onmogelijk zou zijn de leer van Schopenhauer als den Heidelberger catechismus onvoorwaardelijk te beamen. Die woorden wil ik graag voor mijne rekening nemen.[18]Als het onderscheid der individuen schijn is, rijst de vraag, wie er door dien schijn bedrogen wordt, en wie er met dien schijn bedriegt. Het eenig mogelijk, doch niet zeer verstaanbaar antwoord is hier: de oneindige wil draait zich een rad voor de oogen, is prooi van zelfmisleiding. Ik ben het met Schopenhauer eens: zoo’n dwaas en onzalig wezen behoort in het Nirwana weg te zinken. Alleen begrijp ik niet, hoe schepselen der inbeelding als gij, mijn lezer, en ik, daarbij een handje zouden kunnen helpen.Toch vindt onze wijsgeer nog tal van volgelingen. Geen wonder. Zijne leer ligt in de lijn van zekere hedendaagsche geestesstroomingen. Zoo wordt aan het pessimisme thans meer dan ooit recht toegekend. Het geloof aan den vooruitgang is geschokt. Het wordt niet meer als een axioma beschouwd, dat alles zal terecht komen. Het optimisme, dat onze vaderen veroorloofde zich op de golven van het wereldgebeuren met blij vertrouwen te laten verder dragen, schijnt thans lichtzinnig en ietwat kinderachtig. Dat de natuur in menig opzicht onbarmhartig is en zich om lief en leed van hare schepselen niet bekreunt, is een bittere waarheid, voor welke de oogen geopend zijn. Steeds meer dringt de gedachte door, dat het menschelijk leven slechts in zoover zin en waarde heeft, als wij zelve in staat en gezind zijn er een belangrijken inhoud aan te verleenen. Zoo noopt het pessimisme tot krachtsinspanning[19]volgens het woord van Schopenhauer zelf, die een van zijn boeken van het volgende motto heeft voorzien: „een gelukkig leven is onmogelijk; het hoogste wat wij bereiken kunnen is een heroïeke levensloop”.Ook ligt het in den geest van onzen tijd het mysterieuse van ons bestaan te erkennen. Welnu, volgens Schopenhauer is de verschijning van den wil onder een individueelen vorm, in de gestalte van een kennend en denkend subjekt, een onoplosbaar raadsel. Op zijne wijze is hij evolutionist. Van de leer van Darwin, wiens boek kort vóór zijn dood verscheen, wilde hij niets weten. Dat het hoogere uit het lagere, het meerdere uit het mindere zou voortspruiten, scheen hem tergende onzin. Maar wel stond het bij hem vast, dat de openbaringen van den wil een rangorde doorloopen en dat de verschijning van bewustzijn en rede, geheel nieuwe feiten, al de voorafgaande lagere levensvormen onderstellen, gelijk deze weder de onbewerktuigde natuur. Ook hier kan dus de tegenwoordige tijd bij Schopenhauer aanknoopen. Zelfs het tegenwoordig zoozeer verspreide pragmatisme, dat waarheid als een instrument om te handelen beschouwt, vindt steun bij Schopenhauer.Ook heeft Schopenhauer de leer van Kant weliswaar verminkt, maar tevens zóó gefiltreerd, dat ieder dilettant zich nu enkele hoofdtrekken er van met gemak kan toeëigenen. Ten slotte heeft hij met zijne beschouwingen over kunst en liefde niet enkel Wagner[20]en Nietzsche, maar ook dichters, romanschrijvers en dramatici bezield. Volgens Schopenhauer is wie zich door den hevigsten van alle hartstochten laat medesleepen de onbewuste dienaar van de soort, zijn liefde en begeerte waanzin, jacht op de schaduw van een schaduw. Is het niet alsof men Flaubert leest? Het werk van Schopenhauer, die stoute synthese van Kantianisme, Platonisme, Indische wijsheid en Europeesche natuurkennis is nog in menig opzicht jong en frisch.Arthur Schopenhauer werd in 1788 in de toenmalige vrije rijksstad Dantzig geboren. Zijn vader was een aanzienlijk koopman en veel ouder dan zijn moeder. Toen in 1793 Dantzig bij Pruissen werd ingelijfd vertrok de stoere republikein met zijn gezin, dat intusschen tot vier personen was aangegroeid, daar Arthur een zusje Adele had gekregen, naar Hamburg. De vader had zich voorgenomen van den knaap een koopman te maken, maar de aanleg van den jongen wees in andere richting. Toen de vader, misschien door zelfmoord, plotseling gestorven was, gevoelde de zoon zich verplicht den wensch van den overledene te eerbiedigen en nam hij dus plaats op de kantoorkruk. De betrekkelijk nog jonge weduwe ging zich vestigen in Weimar, waar zij de vriendschap van Goethe genoot, en talrijke, zeer bewonderde romans schreef. De brieven, die uit dien tijd bewaard zijn gebleven, doen Johanna Schopenhauer als een beminnelijke, verstandige en[21]helderziende vrouw kennen. Zoo schreef zij in 1807 aan haar toen 19-jarigen zoon: „Ik ken uw hart en weet dat weinig menschen beter zijn dan gij. Maar al uwe goede eigenschappen worden verduisterd en als het ware verlamd door uwe aanmatiging. Ge wilt alles beter weten dan andere menschen, bij ieder behalve bij u zelven gebreken ontdekken en in uw omgeving steeds alles naar uwe hand zetten … Als ge niet waart die ge zijt, dan zoudt ge eenvoudig belachelijk wezen, maar nu verbittert ge allen tegen u”. In hetzelfde jaar schrijft zij hem nog: „Ik misken niet de goede kanten van uwe natuur en wat mij afstoot is niet uwe innerlijke gezindheid, maar uwe manier van beschouwen, veroordeelen, de wijze waarop ge u gedraagt. Wanneer ge eenige dagen bij ons doorbrengt, komt het altoos tot geweldige tooneelen om niets en minder dan niets. Uwe eeuwige jeremiaden, uw begrafenisgezicht, uw orakeltoon, dat alles drukt ter neer. Ik weet dat ge uw zwartgalligheid van uw vader geërfd hebt; tracht haar te overwinnen”.In datzelfde jaar 1807 hield Arthur op klerk te zijn en begon hij zich met toestemming van zijn moeder tot de universitaire studiën aan het gymnasium van Gotha voor te bereiden. Satirieke verzen op een van de leeraren deden hem van daar verjagen. En nu kwam hij op het gymnasium te Weimar, maar zijn moeder wilde hem niet in huis hebben, en dus woonde hij bij[22]een der leeraren. In den tijd van twee jaar bracht hij het zoo ver in zijn klassieke studiën dat al de verloren tijd was ingehaald en hij in 1809 als student bij de faculteit der medicijnen aan de Universiteit te Göttingen kon worden ingeschreven. Hij was nu meerderjarig, had zijn klein fortuin in handen, en las Tacitus, Horatius, Lucretius, Herodotus, zonder zich veel om de geneeskunst te bekreunen, die hem bij nadere kennismaking niet scheen aan te trekken. Prof. Schulze (Aenesidemus), die zijn aanleg voor de philosofie doorzag, gaf hem den raad voorloopig enkel Plato en Kant te bestudeeren. Dien raad volgde hij op, en zoo werd hij door die twee groote denkers met de gedachte vertrouwd gemaakt, dat de wereld der verschijnselen en het ding op zich zelf twee zijn. Veel vrienden aan de academie schijnt hij niet gehad te hebben. In het curriculum vitae, dat hij later bij de Berlijner faculteit indiende, schreef hij betreffende zijn studentenjaren: „mijn rijper leeftijd, mijn rijker ervaring en mijn ongewoon karakter maakten dat ik verlaten en eenzaam was”. In het vreemdelingenboek van een oud kasteel schreef hij 5 Sept. 1811:„Wohl manches Mal saht ihr mich einsam wandern,Und ernst und einsam geh’ ich jetzt zu andern”.Toch knoopte hij in Göttingen eenige vriendschapsbanden aan, b.v. met Osann en in 1820 noemde hij in[23]een brief aan dezen gericht, de Göttinger jaren de schoonste van zijn leven.Vandaar ging hij naar Berlijn, waar hij Fichte en Schleiermacher hoorde, niet Hegel. Met Prof. Fichte disputeerde hij hevig op diens privatissima. Door den vrijheidsoorlog, voor welken hij volstrekt niets gevoelde, in het schrijven van zijn dissertatie gestoord, week hij uit naar Rudolstadt in Thüringen, waar hij tot zijn vreugde geen soldaat te zien, geen tamboer te hooren kreeg. Hij zond het handschrift van zijn dissertatie per post naar het naburige Jena, vanwaar hij na korten tijd, eveneens per post, zijn doctors-diploma ontving. Zijn dissertatie verscheen onder den titel: „Ueber die vierfache Wurzel des Satzes vom zureichenden Grunde”. Van dit merkwaardig geschrift, dat als de inleiding tot zijn hoofdwerk kan worden beschouwd, heeft hij later een vermeerderde editie in het licht gezonden.Arthur keerde thans naar Weimar terug, waar hij veel met Goethe sprak. Er was groot verschil tusschen die beide mannen, gelijk daaruit blijkt, dat Schopenhauer in 1813 aan den beroemden grijsaard kon schrijven: „Van u zelf weet ik, dat letterkundige arbeid voor u altijd bijzaak, en het werkelijke leven hoofdzaak is geweest. Bij mij is het omgekeerde het geval; mijn denken, mijn werk, dat alleen heeft voor mij waarde en beteekenis”. Maar tevens was er overeenkomst in geestesrichting. Beiden waren zieners en wilden putten[24]uit de levende bron van ervaring en bewustzijn. Vandaar dat voor Schopenhauer de philosofie niet zoozeer wetenschap als wel kunst was. Hij streefde er naar een volkomen objektieve en door geen langwijlige redeneeringen bedorven wijsbegeerte te stichten, welke een echt kunstgewrocht zou zijn, daar zij „niet op den trant der philosofasters, van Fichte en zelfs van Spinoza, tusschen subjekt en objekt den bedriegelijken sluier van afgetrokken begrippen zou dulden”. Goethe beschreef in die dagen, in een brief aan Knobel, zijn jongenvriendals een merkwaardig man, „die met helderziende koppigheid bezig is het kaartenspel van onze moderne philosofen in de war te sturen”. Met profetischen blik voegt hij er aan toe: „het staat te bezien of de meesters in het vak hem in hun gilde zullen opnemen. Ik vind hem vol geest”. Goethe, getroffen door de rol, die Schopenhauer in zijn dissertatie bij het meetkundig betoog aan de aanschouwing wilde zien toegewezen, spoorde hem tot optische studiën aan, waarvan hij zelf in die dagen vervuld was. Inderdaad deed Schopenhauer later als tweede van zijne geschriften een boek „Ueber das Sehen und die Farben” verschijnen. Vóór de publicatie had hij zijn manuscript aan Goethe ter beoordeeling toegezonden, maar ondanks al zijn dringen en smeeken was het hem niet gelukt aan den dichter, die hem telkens zeer beleefd antwoordde, een enkel teeken van goed- of afkeuring te ontlokken. Schopenhauer[25]had het verschil der kleuren op een andere wijze dan Goethe het deed verklaard.Johanna herbergde op dat oogenblik den romanschrijver Fr. Müller. Arthur toonde op zulk een wijze zijn misnoegen over de aanwezigheid van dien vreemdeling, dat de moeder er toe overging haar zoon de deur te wijzen. Dit geschiedde in Mei 1814. De breuk was onherstelbaar. Arthur ging naar Dresden en heeft noch zijn moeder, noch zijn zuster, met welke laatste hij ten minste voorloopig in briefwisseling bleef, ooit teruggezien.In Dresden, destijds de artistieke hoofdstad van Duitschland, genoot Arthur veel van kunst. Ook had hij er enkele vrienden, waarvan er één aan Adele schreef: „Uw broeder is van nature teeder en gemoedelijk”. Intusschen werkte hij ijverig aan zijn: „Welt als Wille und Vorstellung”. Het boek verscheen in 1818 bij Brockhaus, maar werd zoo slecht verkocht en zoo totaal geïgnoreerd, dat de uitgeversfirma na verloop van eenigen tijd van het grootste aantal der exemplaren papierpap maakte.Schopenhauer ging naar Italië. Zijn reis, gedurende welke hij in zijn journaal enkel philosofische gedachten neerschreef, werd op pijnlijke wijze afgebroken door de handelscrisis, die de firma trof, waaraan Johanna en Adele haar geheele vermogen en Arthur een aanzienlijk deel ervan hadden toevertrouwd. Hij verklaarde zich[26]bereid met moeder en zuster te deelen wat hij nog had overgehouden, maar weigerde halsstarrig in de schikking te treden, die door de overige schuldeischers werd aanvaard. Hij had geen koopmansgenie, doch stond op zijn recht en wantrouwde de menschen, ten gevolge waarvan hij hier de wijste partij koos. Na een paar jaar stond de firma weer overeind en kreeg Arthur al zijn geld terug, terwijl moeder en dochter twee derden van haar fortuin verloren hadden.Intusschen wist hij niet vooraf hoe de zaak zou loopen en trachtte hij zich dus aan de universiteit te Berlijn een positie als leeraar te scheppen. Op 23 Maart 1823 hield hij zijn proefles. Hegel opponeerde, maar Schopenhauer antwoordde zoo flink, dat hem de titel van privaat-docent verleend werd. Nu ging Schopenhauer een half jaar lang 5 uur college per week geven. Hij had weinig of geen succes. Was het, omdat hij dezelfde uren had gekozen als waarop Hegel zijne lessen gaf? Zoolang het intellektualisme zijn zegetocht nog niet voleindigd had, kon het voluntarisme in geen geval gehoor vinden. Nadat zijn fortuin zich hersteld had, keerde Schopenhauer naar Italië terug. Hij schrijft vroolijke brieven aan Osann en geeft een vermakelijke schets van den levenslust, de bedriegelijkheid en welgemanierdheid der Italianen. Toch keert hij weer naar Berlijn terug en slijt daar zes jaren van zijn leven, totdat de cholera in 1831 hem ten gevolge van een[27]droom, waaraan hij waarschuwende kracht toekent, naar het gezonde Frankfort doet verhuizen. Hier blijft hij 27 jaren, tot aan zijn dood in 1860. Ervan overtuigd dat het uur van zijn beroemdheid zal komen, daar hij naar zijn inzien het wereldraadsel opgelost en aan de menschheid daarmee den grootst mogelijken dienst heeft bewezen, bewerkt hij een tweede editie van zijn „Welt als Wille und Vorstellung” en schrijft hij tevens zijn „Parerga und Paralipomena”, die als een toelichting op het hoofdwerk kunnen gelden. Ook verzamelt hij bij natuurvorschers en geneesheeren feiten, welke als openbaringen van den levenswil kunnen gelden en doet, wellicht op zijn eigen kosten, na een zwijgen van 18 jaren, in 1836 „Ueber den Willen in der Natur” verschijnen. Het boek wordt niet opgemerkt.Zijn eerste voldoening van eigenliefde was, dat hij vermocht Rosenkrantz en Schubert te overtuigen dat niet, zooals hun plan was, de tweede, maar de eerste editie van de „Kritik der reinen Vernunft” bij de door hen voorgenomen uitgave van de complete werken van Kant moest worden gevolgd. Kort daarna in 1839 behaalt hij een gouden medaille met een verhandeling over de vrijheid van den wil bij de maatschappij van wetenschappen te Drontheim, maar een tweede prijsverhandeling over de grondslagen der moraal wordt door de maatschappij van wetenschappen te Kopenhagen afgewezen, vooral om het afschuwelijk schelden[28]op de „drie Sophisten”, Fichte, Schelling en Hegel. Hij vereenigt de twee stukken en geeft ze uit onder den titel „Die beiden Grundprobleme der Ethik”. De kritiek zwijgt ook dit werk dood. Eindelijk, in 1851 gelukt het zijn eersten discipel, een Jood van Russischen oorsprong, Julius Frauenstaedt, een uitgever in Berlijn te vinden voor de „Parerga”. Dit boek slaat in. Men ontdekt dat Schopenhauer een onovertroffen schrijver van essays is. Nu is de nieuwsgierigheid naar zijn vroegere werken opgewekt. Hij krijgt erkentelijke brieven van Bahnsen, een leeraar aan een gymnasium, van Lindner, een Berlijnsch journalist, van Adam von Doss, een Beiersch jurist, enz. De inhoud is steeds dezelfde. „De schillen zijn mij van de oogen gevallen. Vol verrassing roep ik uit: Heureka!” Een man als Saint-René-Taillandier schrijft over hem in deRevue des deux Mondes. Challemel-Lacour bezoekt hem en schrijft in deRevue des deux Mondesvan de ijskoude atmosfeer, welke hem bij die gelegenheid uit de half geopende deur van het „Niet” kwam toestroomen. Een niet minder bekend man, Foucher de Careil, dringt ook tot hem door en beschrijft hem als een grijsaard met levendige blauwe oogen, om welke een ietwat sarkastische glimlach speelt; het hooge voorhoofd met de uitstaande witte lokken verleent aan het geestig gelaat een stempel van zielenadel en voornaamheid. Zijn manieren zijn die van een man van de wereld. Hij is ouderwetsch gekleed[29]met een witte das en een kanten jabot. Van nature teruggetrokken, laat hij zich gaan als hij met vreemdelingen te doen heeft en dan is zijn gesprek buitengewoon levendig. Hij strooit rond met latijnsche, grieksche, fransche, engelsche, italiaansche citaten; de uren vliegen als minuten voorbij en als de middernachtsklok slaat, vertoonen zijn trekken niet de minste vermoeidheid en het vuur van zijn blik is geen seconde uitgedoofd geweest.Zoo was de avond van zijn leven de dageraad van zijn roem.Toen op 18 Sept. 1848 het oproer door de straten van Frankfort trok, leende hij met de grootste bereidwilligheid zijn kijker aan den Oostenrijkschen officier, die van uit zijn vensters op het souvereine gepeupel liet schieten, dat ginds op den brug een barricade opwierp. Twaalf jaar later bleek, dat hij aan de soldaten, die bij de verdediging van de wettelijke orde invalide waren geworden, het leeuwendeel van zijn vermogen had nagelaten. Geldgeschenken waren toegewezen aan bloedverwanten, aan een oude dienstmaagd, die tevens zijn meubels en zilverwerk kreeg, en aan een tooneelprinses, die indertijd zijn hartevriendin was geweest. Ook zijn hond had hij niet vergeten; deze erfde f 300 voor zijn levensonderhoud. Frauenstaedt kreeg de manuscripten en op hem gingen al de auteursrechten over. Gwinner, rechter in Frankfort, uitvoerder van den[30]laatsten wil, kwam in het bezit van zijn bibliotheek.Het was in tegenwoordigheid van dezen Gwinner, dat Schopenhauer eens, na lang op het portret van de Rancé, den stichter van de orde der Trappisten, te hebben gestaard, op neerslachtigen toon zei: „Dat is het werk der genade”. Schopenhauer heeft de wereldverloochenaars, zijn heiligen, vurig bewonderd, maar zelf niet als een hunner geleefd. Hij was geen zonnige natuur, stak vol grieven. Zoo tegen de vrouwen, de schepselen met lange haren en korte gedachten. Zoo vooral tegen de Joden, die met hun scheppingsleer de Europeesche menschheid vergiftigd hadden. Hij was niet goedhartig, maar wel volkomen eerlijk tegenover zichzelf en anderen; hij meende alles wat hij zeide; dat was zijn kracht als schrijver. Hij was veel vatbaarder voor pijnlijke dan voor aangename indrukken. Reeds in zijn jeugd was het zoo. Twee jaar lang heeft hij toen met zijn ouders door Europa gezworven. Als hij aan armoedige hutten voorbijkwam, was zijn genot voor den geheelen dag vergald. Men begrijpt dat hij in Toulon van het verblijf der galeiboeven een onuitwischbaren indruk had gekregen. Hij heeft zich dikwijls zeer eenzaam gevoeld en zich ten slotte met de gedachte getroost: zoo is het lot der Koningen! Waarom is hij ongehuwd gebleven? In Venetië was hij zoo verliefd op een rijke jonge dame van goeden huize, dat hij, jaloersch van hare bewondering voor Byron, den introductiebrief[31]bij den engelschen dichter, dien hij van Goethe had meegekregen, niet afgaf. Wij weten dit uit een brief van Arthur aan zijn zuster. Verder weten wij niets van deze episode in zijn leven. Wel weten we iets anders. Reeds in 1814 noteerde hij voor zich zelf een woord uit het Indisch geschrift „Oepnethak”: „als de kennis komt, verdwijnt de liefde”. Later werd datzelfde woord het motto voor een deel van zijn hoofdwerk.Schopenhauer was hartstochtelijk in ieder opzicht. Wanneer een gedachte hem voor den geest zweefde, liet hij alles in den steek om haar op te vangen, en hare waarde te toetsen. Hij heeft de weelde van het genie gekend en was er van overtuigd, dat zijn intellekt niet aan hem zelf, maar aan de wereld toebehoorde, dat hij een zending had. Zijn denken is de éénheid van zijn leven geweest. Zijn altijd bezige geest was er steeds op uit om één en dezelfde gedachte toe te lichten. Want zijn stelsel bestond, gelijk hij zelf heeft erkend, uit ééne gedachte: de tegenstelling van verschijnsel en wil. Hij vergeleek het met Thebe, waar men door honderd poorten kon binnen treden en steeds op hetzelfde middelpunt uitkwam.Op 4 Sept. 1860 werd hij dood op zijn kanapé gevonden.Doch genoeg over Schopenhauer en zijn werk. Thans willen wij hem zelf het woord geven.[32]
Toen ik kort na de verschijning van zijn mooi boek over Auguste Comte tot Littré de opmerking maakte, dat zijn meester en vriend een hoogst onaangenaam mensch bleek geweest te zijn, luidde het beminnelijk maar eenzijdig antwoord: „N’importe; l’homme passe, l’œuvre reste”.Afscheiding van den persoon en zijn werk is onhoudbaar, tenzij het werk een stel onpersoonlijke, b.v. wiskundige waarheden behelst. Onhoudbaar, wanneer er van een levensopvatting, een wereldbeschouwing, een kunstwerk sprake is, omdat zich daarin temperament en karakter van den mensch afspiegelen.Hier moet ik tweeërlei geestesrichting, die van den intellektualist en die van den voluntarist, onderscheiden. Het verschil tusschen beiden doet zich reeds in de middeleeuwen voor. Men denke aan de tegenstelling tusschen Thomas van Aquino en Duns Scotus. De eerste meent, dat „het hoogste geluk in niets anders gezocht moet worden dan in verstandswerkzaamheid, wijl er geen verhevener begeerte is, dan die om de waarheid te doorgronden”. Het staat bij hem onvoorwaardelijk vast, dat de leer der Kerk de waarheid is, en nu is er volgens hem geen schooner levensdoel dan den inhoud van die leer zoo goed mogelijk te verstaan. Ook Duns Scotus gaat van de waarheid van het kerkelijk geloof uit en hij ontkent niet, dat er b.v. voor het bestaan van God bewijzen te leveren zijn, welke door[2]ieder, die zijn verstand wil gebruiken als afdoende moeten worden erkend. In de opvatting van het levensdoel echter staat bij Duns Scotus niet de theorie, maar de practijk op den voorgrond. De theologie moet volgens hem niet strekken om den mensch van zijne onkunde te verlossen, maar om hem door kracht vanredenentot dat zedelijk handelen te brengen, waarvan de zaligheid, het genieten van het goddelijke afhangt. Duns Scotus is even recht geloovig als Thomas en zelfs veel onverdraagzamer, maar scheurt het weefsel der redeneeringen van den laatste bij menige gelegenheid uiteen en zegt: niet het syllogisme heeft waarde voor den godsdienst, doch enkel het geloof, niet het verstand is de kern der menschelijke persoonlijkheid, doch de wil. Het verschil tusschen deze beide kerkleeraren bracht Luther er toe te zeggen: Duns Scotus is een voortreffelijk meester, maar Thomas van Aquino is een babbelaar.Ook in den nieuwen tijd doet zich het kontrast tusschen intellektualisme en voluntarisme gelden. Doch het neemt soms een anderen vorm aan. Let op tegenvoeters als Hegel en Schopenhauer. Tot recht verstand van Schopenhauer wil ik over de betrekking tusschen beiden iets zeggen.Meestal spreekt men van willen, waar met overdachten rade gehandeld wordt. Laat ons den term „wil” ruimer nemen en daaronder samenvatten: lust,[3]onlust, hartstocht, blinde drift, ieder streven in een zekere richting, drang tot zelfbehoud, kortom alles wat de schepselen der natuur op een zekere wijze doet werken. Men stelle daartegen over wat tot de sfeer van het intellekt behoort: gewaarwording, voorstelling, gedachte, rede. Dan laat zich met Schopenhauer zeggen: wil is het eerste en het algemeene, het alomtegenwoordige. Wil is heteerste, niet kennis, niet theorie. Wij noemen iets goed, wijl wij het begeeren; niet omgekeerd begeeren wij het, omdat wij inzien dat het goed is. De meest treffende schildering van een hoog en edel doel laat ons koud als ijs, tenzij onze wil met den inhoud van dat ideaal instemt. Het intellekt kent geen waarden, enkel het gemoed doet ons in geestdrift ontsteken. Als een moeder het voegzaam en goed noemt dat zij zorgt voor haar kind, dan is dat niet, omdat zij bewijzen kan dat dit gepast is, maar omdat het hart haar noopt over dat zwakke schepseltje te waken. Zoo is ook wil het meestalgemeene. Daar men het onbekende door het bekende en niet omgekeerd het bekende door het onbekende moet verklaren, ligt het voor de hand natuurkracht liever tot wil te herleiden, dan omgekeerd wil als kracht op te vatten. Wij zullen dus spreken van een onbewusten wil, die de sterren in hare banen doet rondloopen, die den boom zijn wortels omlaag, zijn takken omhoog doet drijven, van een overal werkzamen wil, van blinde aandrift,[4]die ten slotte enkel bij de hooger staande dieren, in voorstelling en denken, in het intellekt, zich een licht ontsteekt, om het begeerde door doeltreffende keuze van middelen des te zekerder te bereiken. Immers intellekt staat oorspronkelijk geheel in den dienst van het leven; eerst op een aanzienlijken trap van beschaving houdt het op slaaf te zijn, komt het tot vrijheid, vertoont het zich als onbaatzuchtige liefde tot waarheid. Ziedaar Schopenhauer’s leer.Neen, zegt de intellektualist als Hegel: rede, logos, God is oorsprong der wereld, is albeheerschend beginsel. Bewust of onbewust gaat ieder onderzoek van de hypothese uit, dat de werkelijkheid begrijpelijk is, dat zij in gedachten kan worden omgezet, dat dus gedachten in haar belichaamd zijn. Volgens deze onderstelling, zonder welke drang naar wetenschap doelloos zou zijn, is dus gedachte de wortel van het universum, albeweger, alomvattende oorzaak, aanvang en tevens doel der wereld. Om het in de taal der vromen uit te drukken: God is Schepper en tevens einddoel van het al. Waartoe dient de natuur? Welke is de zin, die zich in de geschiedenis van ons geslacht vertolkt? Natuur en geschiedenis zijn er om de werkelijkheid tot zelfbewustzijn te doen komen, om den eindigen mensch, die van Gods geslacht is, zich als een oneindig wereldwezen te doen kennen.Het onderscheid tusschen Hegel en Schopenhauer is,[5]dat zij zich het hoogste goed niet op dezelfde wijze afbeelden en dientengevolge aan het zijnde een verschillende taak opdragen. Voor Hegel is het edelste en voornaamste een denken, dat niet door invallen en vooroordeelen gestoord wordt, en enkel de wet van zijn ontwikkeling volgt. Waar zoo de individualiteit van den kleinen mensch op den achtergrond wordt gehouden, is er geen kloof meer tusschen zijne rede en de goddelijke rede, maar zijn beiden één. Van de macht van het vrije, zuiver zakelijke, echt geestelijke denken kan men alles verwachten; voor zoodanig denken bestaan er geen onpeilbare diepten, geen onbereikbare hoogten; steeds door dezelfde wet der noodzakelijkheid vooruitgedreven, raakt het ten slotte in het bezit der oneindigheid en wordt het in werkelijkheid wat het van den aanvang af in aanleg was: alomvattend zelfbewustzijn.Geheel anders stelt een man als Schopenhauer zich het hoogste ideaal voor. Alles was bij hem kolossaal: zijn intellektueele behoefte, die hem reeds vroeg naar een oplossing van hetwereldraadseldeed hunkeren en hem steeds met dezelfde problemen deed rondloopen tot hij ten slotte niet kon zeggen wat er het eerst in hem was geweest: zijn kenleer, zijn kosmologie, zijn ethika, zijn æsthetika. Het stelsel was in hem gegroeid, gelijk een kind in den moederschoot. Daar naast stond zijn buitensporig gevoel van eigenwaarde, dat hem op[6]alles deed vitten en hem op andere menschen, enkele genieën uitgezonderd, met geringschatting liet neerzien. Goethe, die zich tot den genialen jongeling aangetrokken gevoelde, schreef de volgende waarschuwende woorden in zijn album:„Willst du dich deines Wertes freuen,So musst der Welt du Wert verleih’n”.Ten slotte bezielde hem een heftige drang naar zinnelijk genot, die hem tot tijdelijke schade van zijn gezondheid achter Venus Vulgivaga deed aanloopen. Flaubert voert ergens de Ontucht aldus sprekende in: „Men rept zich naar samenkomsten, die angst inboezemen. Men legt zich ketenen aan, die men verwenscht. Vanwaar de betoovering der lichtekooien, de buitensporigheid der droomen—vanwaar mijne onmetelijke droefheid?” Deze woorden zouden Schopenhauer, die zoo diep neerslachtig kon zijn, uit de ziel zijn gesproken. Als 18-jarig jongeling, zong hij reeds van „de hel” van den zinnenlust.Zoo was hij dus een onharmonische natuur, die, gelijk andere denkers, op den zijnsgrond overbracht wat hij in zich zelf vond. Het innerlijk wezen der wereld is volgens hem wil, die niets wil dan als wil bestaan, blinde op geen doel gerichte wil, die geen bevrediging kent, bijgevolg onzalig is. Behalve den wil is er nog de materie. Die materie is niet een gewrocht van den[7]wil, maar zijn verschijning, geobjektiveerde wil, welke niets op zich zelf is, doch enkel in de voorstelling van individuën bestaat. Op zich zelf is er uitsluitend het innerlijk verscheurde, tegen zich zelf verdeelde, overal gelijke blinde willen. Zoo heeft dus de wereld twee zijden: een innerlijke en een uiterlijke; in beide opzichten is zij slecht en rampzalig. Is er verlossing mogelijk? Het intellekt, als het een hoogen graad van ontwikkeling bereikt, doorziet dat Wil vloekvaardig is en doet dan zeggen: Wil om te leven moet gedood worden, zal er vrede zijn. Groote wereldgodsdiensten, als Christendom en Buddhisme, wijzen ons hier den weg, die door bewonderenswaardige asceten met goed gevolg bewandeld werd. Ook kunst en wetenschap zijn middelen om, althans tijdelijk, verzachting van leed te verschaffen. Want de mensch vergeet zich zelf, als hij in onbaatzuchtige beschouwing opgaat.Verschillende personen smeden uit hetzelfde metaal verschillende wapenen.Hegel geloofde aan de heerschappij van rede in natuur en geschiedenis. Daaraan geloofden ook andere groote wijsgeeren, Kant, Fichte, Schelling, Schleiermacher, ieder op zijne wijze. Schopenhauer, hij het allereerst, niet. Die origineel waagde het luide te verkondigen, dat de wereld allerminst op een godsopenbaring gelijkt. Naar dat rondborstig getuigenis werd aanvankelijk niet geluisterd. Het druischte zoo geheel tegen de heerschende[8]overtuigingen in, dat men er geen notitie van nam. Wanneer er iets van zijn kloeke stem tot de vrijwillig dooven doordrong, dan werd zijn woord met hoon ontvangen. Schopenhauer vergold het hun dapper door ze allen te gader, Hegel in de eerste plaats, voor kwakzalvers en „Unsinnschmierer” uit te schelden.Zooals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten. Dit ietwat platte spreekwoord behelst een diepe waarheid. Ieder is geneigd wat hij als kern van zijn eigen wezen meent te ontdekken, voor kern der geheele werkelijkheid te houden. Tot Schopenhauer toe was alle philosofie min of meer een kompliment, dat het intellekt zich zelf maakte. Het begroette in de bespiegeling der denkers zich zelf als wereldmacht. Dit verandert bij Schopenhauer, die met zijn intellekt het tegendeel ervan, het onredelijke, op den wereldtroon plaatst. Natuurlijk heeft dit pessimisme ten gevolge. En even natuurlijk wordt het thans de groote vraag of en hoe Zeus (het Intellekt) er in slagen kan om den vloekwaardigen Titan, den wil om te bestaan, in den Tartarus te storten.Thans begrijpen wij hoe Hegel en Schopenhauer van dezelfde præmis uitgaande tot een geheel tegengestelde leer konden komen. Beiden houden vast aan het dogma der algemeene relativiteit. De dingen zijn er enkel in betrekking tot elkander en tot den geest, terwijl de geest er enkel in betrekking tot de dingen is. Doch als alles enkel voor iets anders bestaat, dan bestaat[9]niets voor zichzelf, dan is er op de keper beschouwd niets. Wij moeten dus aannemen, dat het één en het al, dat het universum, voor zich zelf bestaat, subjekt en tevens objekt, denken en zijn, éenheid van beide, geest is, dat het kan zeggen: ik heb zelfbesef. Het universum is het zelfstandige, dat van niets afhangt, waarvoor dus noodzakelijkheid en vrijheid samenvallen. Zoo concludeert Hegel en is optimist, intellektualist. Maar Schopenhauer zegt: wij moeten dus aannemen, dat het universum voor zich zelf bestaat, dat de blinde drift, het onredelijke in ons en buiten ons, dat de innerlijk verdeelde, onzalige wil het waarachtig zijnde is. Zoo is Schopenhauer pessimist en voluntarist.Schopenhauer’s onvoorwaardelijk pessimisme, dat zelfs de mogelijkheid der verbetering van individuen en maatschappelijke toestanden buitensluit, hangt samen met zijn blindheid voor bepaalde feiten van het geestelijk leven. Als rechtgeaard zoon van een romantisch tijdperk had hij groote sympathie voor mystici en voor asceten, ook als deze Christenen waren. Doch het geheim dat Christus der wereld geopenbaard heeft: het Koninkrijk Gods is binnen in u, het woont in u als een in den akker verborgen schat, had hem, zoo die boodschap ook tot hem doorgedrongen ware, weerhouden om het menschelijk lot enkel jammer en ellende te noemen. Schopenhauer droeg oogkleppen, welke hem beletten te zien wat niet in het kader van zijn stelsel[10]paste. Had hij beseft, dat onze aarde den hemel kan herbergen, dan zou hij de wereld niet zoo slecht hebben genoemd als maar eenigermate met haar voortbestaan zich nog laat rijmen. Doch hier steunt Schopenhauer op de leer van Buddha, welke verder van die van Christus af staat dan de eene ster van de andere. Niet volgens Christus, maar volgens Buddha is het leven enkel lijden en is het eenig begeerlijke verlossing van het lijden door den dood. Maar het gewone sterven is volgens Buddha en Schopenhauer geenechtsterven, want er bestaat zielsverhuizing: dezelfde individuen worden telkens opnieuw geboren. De werkelijk bevrijdende dood is enkel voor hem mogelijk, die alles wat hem aan het leven boeit van zich werpt, alle liefde, alle hopen, alle wenschen in zich vernietigt, m.a.w. levend sterft. Met deze leer, welke door Schopenhauer werd aanvaard, vormt de Christelijke, waaraan hij voorbijging, een tegenstelling.Overigens rijmt zijn pessimisme slecht met wat hij, ten deele althans, van Plato had overgenomen. Hij erkent eeuwige, onveranderlijke, boven tijd en ruimte verheven typen, ideeën of soorten, welke, met voortbrengende kracht uitgerust, zich verwerkelijken in de exemplaren van dieren en planten, die hier op aarde geboren worden en sterven. Hoe kan de blinde en onbepaalde wil van Schopenhauer, die enkel wil is om te willen, zich in grondvormen objektiveeren, welke de[11]beschouwing der natuur een artistiek genot doen zijn? Het idealisme van Plato is een willekeurig ingeschoven bestanddeel in het systeem van onzen irrationalist.„De wereld is mijne voorstelling”, ziedaar de eerste volzin van „Die Welt als Wille und Vorstellung”, het boek dat het systeem van Schopenhauer behelst. Hij noemt zich discipel van Kant, maar draagt er roem op een zelfstandig volgeling te zijn. Inderdaad wijkt hij zeer van Kant af. Van Schopenhauer kan gezegd worden, dat hij, de meest gelezene, immers de meest leesbare van alle moderne philosofen, ook het meest heeft bijgedragen om de kritiek van den behoedzamen Kant, die geen wetenschap buiten die der ervaring overeind liet staan, in vergetelheid te brengen. De voorzichtige oudere denker zou er zich wel voor gewacht hebben iets aangaande de wereld an sich, de wereld, die buiten het bewustzijn en op zich zelve bestaat, te verzekeren. Daarvoor was hij te anti-dogmatisch, te zeer overtuigd, dat men geen stelling zonder voldoenden kengrond mag aanvaarden. Maar idealist was hij evenzeer als Schopenhauer, want ook hij leerde dat de wereld der ervaring, de wereld der objekten, enkel in betrekking tot subjekten bestaat. Ook is het duidelijk wat Kant en Schopenhauer bedoelen. Het bestaan der wereld van objekten hangt volgens hen aan een enkelen lichten draad, het bewustzijn, waarin ze aanwezig is. Stel u voor dat alle bewustzijn uitgedoofd werd, die wereld zelve zou daarmede[12]verdwijnen. Het eigenaardige van een objekt is in de voorstelling van een subjekt te bestaan. Objekt en voorstelling zijn hetzelfde. Daaruit vloeit voort, dat de geheele wereld der objekten voorstelling is en blijft. Alleen het bewustzijn is ons rechtstreeks gegeven en die wereld is er enkel als inhoud van bewustzijn. Gelijk er geen objekt zonder subjekt is, bestaat er omgekeerd geen subjekt zonder objekt, geen bewustzijn zonder inhoud. Subjekt en objekt zijn onafscheidelijk gelijk rechts en links, gelijk noord en zuid.Schopenhauer tracht zijne stelling nader te staven door op de idealiteit van ruimte en tijd te wijzen. Hij gebruikt daarbij de argumenten, die Kant in zijne „transcendentale æsthetiek” heeft gegeven. B.v. dit, dat wij achtereenvolgens alles uit de ruimte kunnen wegdenken, maar de ruimte zelve niet kunnen kwijt raken. Zoodra wij welk stuk der materie ook ons voorstellen, moeten wij de geheele ruimte mededenken. Daaruit volgt dat de ruimte bij ons behoort, dat zij subjektief is, dat dus gestalte, grootte, beweging, al het ruimtelijke, eveneens subjektief moet heeten. „Wij kennen niet de dingen zooals zij op zich zelve zijn, maar slechts gelijk zij verschijnen. Dit is de groote leer van den grooten Kant”. Schopenhauer voegt er aan toe, dat het stellig de meest absurde, doch tevens de meest vruchtbare van alle dwalingen is, de oneindige ruimte als onafhankelijk van ons aanwezig te beschouwen.[13]dus te meenen dat een beeld van dat oneindige „door de oogen” in ons brein zou dringen. Wie de ongerijmdheid van die stelling doorziet, weet tevens dat de wereld enkel „hersenphænomeen” is, dus als zoodanig met den dood der hersenen verdwijnt, om een geheel andere wereld over te laten, de wereld van het op zich zelf zijnde, die van den wil, betreffende welke het onzin is te vragen: waar is zij? daar zij met ruimte en tijd niets te maken heeft.Schopenhauer zegt, dat de ruimte in ons hoofd is. Maar tevens, natuurlijk, dat ons hoofd in de ruimte is. Zoo plaatst hij met tergende zorgeloosheid schijnbaar tegenstrijdige stellingen naast elkander. Hij zegt, dat de hersenen de atlas zijn, waardoor de geheele wereld wordt gedragen, want de wereld is voorstelling, en voorstelling is volgens de leer der physiologen aan de hersenen gebonden. Maar anderzijds erkent hij, gelijk ieder die bij zijn zinnen is, dat alle hersenbrij te samen slechts een klein fragment van het universum uitmaakt. Hier is geen echte contradictie. Het zichtbare, dat wij hersenen noemen, is de vaste voorwaarde van dat andere onzichtbare, dat voorstelling, illusie heet. Dit is een physiologische waarheid, welke gelijk alle natuurkennis, van de wereld geldt, die in tijd en ruimte is uitgebreid en dan als op eigen voeten staande wordt aangemerkt. De metaphysische waarheid, de echte waarheid is deze, dat alle materie, de hersenen inkluis, slechts voorstelling[14]van het kennende subjekt is, dat hersenen en kennis beiden verschijningen zijn van het waarlijk zijnde: Wil. Nu rest nog het raadsel, hoe wil als kennend subjekt verschijnt. Dat is volgens Schopenhauer het groote mirakel, de hypothese, die door niets verklaard wordt, daar zij zelve alles verklaart.Om Schopenhauer wel te verstaan moet men in het oog houden, dat de wereld bij hem „de schaduw van een droom” is, fata morgana door het intellekt geschapen, dat in zijn kader: tijd, ruimte en causaliteit, gewaarwordingen opneemt. Het intellekt is in ieder kennend individu aanwezig, maar met geen individu te vereenzelvigen, zoodat de individuen kunnen geboren worden en sterven, terwijl de voorstelling van objekten blijft bestaan. Deze leer laat de empirische realiteit der wereld onaangetast, maar sluit in zich, dat de wereld in al hare deelen van het intellekt, het subjekt, afhangt. Ja zelfs hangt zij daarvan op tweeërlei manier af. Ten eerste is er, gelijk reeds Berkeley heeft ingezien, geen objekt denkbaar tenzij in de voorstelling van een subjekt; ten tweede gaat de wijze, waarop wordt voorgesteld, het objekt-zijn als ruimte vullend en aan tijd en causaliteit onderworpen, zooals Kant heeft geleerd, van het subjekt uit. Het intellekt is niet iets zelfstandigs, en de wereld der dingen is niet iets anders, dat eveneens op eigen voeten staat; dan toch ware het onbegrijpelijk, dat wij en zelfs de dieren zoo volkomen in[15]de wereld te huis zijn en ons van den aanvang af daarin terecht vinden; intellekt en wereld vormen één geheel, want het intellekt schept de wereldorde; omgekeerd ware het niets zonder die wereld, daar het dan zonder inhoud zou zijn. Intellekt en wereld zijn, ieder op zich zelve beschouwd, enkel afgetrokkenheden, onwezenlijk. Schopenhauer drukt dat in de taal der Indische wijzen uit, door van Maja te spreken, de moeder van allen schijn, de godin die ons een sluier voor de oogen bindt, in welks plooien het beeld van al het geschapene zich vertoont.Ook de moraal van Schopenhauer toont een Indisch karakter. Hier wijkt hij sterk van Kant af. Kant kiest zijn uitgangspunt in het plichtbesef. Daar de mensch een redelijk wezen is, kan hij afzien van neiging en eigenbelang en, een algemeen standpunt innemende, vragen: wat is behoorlijk? Hoe die vraag beantwoord wordt, is van ondergeschikte beteekenis. De kennis van den plicht laat verschillende graden toe, is niet overal evenzeer ontwikkeld. Daarenboven kan al naar gelang van omstandigheden de eisch van den plicht wisselen. Maar dát er een plicht is, weet ieder redelijk schepsel. Ziedaar een waarheid, welke hem door geen philosofie ter wereld kan worden ontfutseld, en aan ieder gezond menschenverstand is geopenbaard. Schopenhauer daarentegen bouwt niet op de redelijke natuur van den mensch, maar op het gevoel, op het medelijden, zijne[16]moraal. Medelijden is ons een openbaring van de eenheid van alle zijn. Het zegt ons, als wij tegenover een lijdend schepsel ons geplaatst zien:tat twam asi, dat zijt gij!Medelijden is vertolking in de taal des gemoeds van het feit, den Indischen wijzen reeds eeuwen bekend, dat de veelheid der wezens inbeelding is. Bij den aanblik van den schamelen bedelaar, die zijn hand naar ons uitstrekt, van den worm die aan onzen voet ineenkrimpt, bij het zien van al wat lijdt, zegt de wijze: dat ben ik! Het noopt om te helpen. Schopenhauer is te verstandig om medelijden als plicht voor te schrijven. Medelijden is een feit, een geheimzinnig feit, aan welks invloed zich zelfs de ruwste en onkundigste niet voortdurend kan onttrekken. Juist ten gevolge van zijn algemeenheid heeft het invoering van levensregels bewerkt, welke allen tot twee zich laten herleiden: doe niemand kwaad, sta allen bij zooveel ge kunt!Intusschen kan verzachting van individueel leed hem niet voldoen, die alle afzonderlijk bestaan als een ramp beschouwt. Smart is heilzaam, zegt Schopenhauer, daar zij van den lust om te leven geneest, en zoo de „Meeresstille des Gemüths” veroorzaakt, welke veroorlooft het Nirwana binnen te treden. Dat Nirwana, zoo luidt het slotwoord van het hoofdwerk, is niets voor den dwaas, wiens hart vol is van de dingen dezer wereld, maar alles voor wie doorziet, dat het universum met zijn zonnen en melkwegen inderdaad niets is.[17]Ten slotte moeten wij nog opmerken, dat Schopenhauer, ondanks het strengste determinisme, den mensch verantwoordelijk acht voor zijne daden. Het werken volgt op het zijn. Al onze handelingen vloeien met noodzakelijkheid uit het karakter voort, waarmee wij ter wereld zijn gekomen. Maar dat karakter, dat zich in den tijd aan zijn eigenaar openbaart, en hem verborgen zou blijven, indien hij niet velerlei aanleiding tot handelen had, bestaat tevens buiten den tijd in de vrije wereld van het bovenzinnelijke. Vandaar onze verantwoordelijkheid. Het is dus niet onze fout, dat wij doen wat wij doen, b.v. ons als lafaards gedragen, wanneer wij lafaards zijn, maar stellig is het onze schuld, dat wij zijn, zooals wij zijn. Schopenhauer maakt hier een degelijk onderscheid tusschen empirisch en intelligibel karakter als reeds door Kant werd aangegeven. Vrijheid is een geheimenis, maar als noodwendig tegenstuk van moeten is zij onloochenbaar.Ziedaar een ruwe schets van het systeem, dat gedurende de tweede helft der 19deeeuw in driemaal honderdduizend exemplaren is verspreid geworden en thans, terwijl de zon van Nietzsche reeds begint te tanen, nog steeds opgang maakt. Ik heb eens door een beroemd landgenoot hooren zeggen, dat het hem even onmogelijk zou zijn de leer van Schopenhauer als den Heidelberger catechismus onvoorwaardelijk te beamen. Die woorden wil ik graag voor mijne rekening nemen.[18]Als het onderscheid der individuen schijn is, rijst de vraag, wie er door dien schijn bedrogen wordt, en wie er met dien schijn bedriegt. Het eenig mogelijk, doch niet zeer verstaanbaar antwoord is hier: de oneindige wil draait zich een rad voor de oogen, is prooi van zelfmisleiding. Ik ben het met Schopenhauer eens: zoo’n dwaas en onzalig wezen behoort in het Nirwana weg te zinken. Alleen begrijp ik niet, hoe schepselen der inbeelding als gij, mijn lezer, en ik, daarbij een handje zouden kunnen helpen.Toch vindt onze wijsgeer nog tal van volgelingen. Geen wonder. Zijne leer ligt in de lijn van zekere hedendaagsche geestesstroomingen. Zoo wordt aan het pessimisme thans meer dan ooit recht toegekend. Het geloof aan den vooruitgang is geschokt. Het wordt niet meer als een axioma beschouwd, dat alles zal terecht komen. Het optimisme, dat onze vaderen veroorloofde zich op de golven van het wereldgebeuren met blij vertrouwen te laten verder dragen, schijnt thans lichtzinnig en ietwat kinderachtig. Dat de natuur in menig opzicht onbarmhartig is en zich om lief en leed van hare schepselen niet bekreunt, is een bittere waarheid, voor welke de oogen geopend zijn. Steeds meer dringt de gedachte door, dat het menschelijk leven slechts in zoover zin en waarde heeft, als wij zelve in staat en gezind zijn er een belangrijken inhoud aan te verleenen. Zoo noopt het pessimisme tot krachtsinspanning[19]volgens het woord van Schopenhauer zelf, die een van zijn boeken van het volgende motto heeft voorzien: „een gelukkig leven is onmogelijk; het hoogste wat wij bereiken kunnen is een heroïeke levensloop”.Ook ligt het in den geest van onzen tijd het mysterieuse van ons bestaan te erkennen. Welnu, volgens Schopenhauer is de verschijning van den wil onder een individueelen vorm, in de gestalte van een kennend en denkend subjekt, een onoplosbaar raadsel. Op zijne wijze is hij evolutionist. Van de leer van Darwin, wiens boek kort vóór zijn dood verscheen, wilde hij niets weten. Dat het hoogere uit het lagere, het meerdere uit het mindere zou voortspruiten, scheen hem tergende onzin. Maar wel stond het bij hem vast, dat de openbaringen van den wil een rangorde doorloopen en dat de verschijning van bewustzijn en rede, geheel nieuwe feiten, al de voorafgaande lagere levensvormen onderstellen, gelijk deze weder de onbewerktuigde natuur. Ook hier kan dus de tegenwoordige tijd bij Schopenhauer aanknoopen. Zelfs het tegenwoordig zoozeer verspreide pragmatisme, dat waarheid als een instrument om te handelen beschouwt, vindt steun bij Schopenhauer.Ook heeft Schopenhauer de leer van Kant weliswaar verminkt, maar tevens zóó gefiltreerd, dat ieder dilettant zich nu enkele hoofdtrekken er van met gemak kan toeëigenen. Ten slotte heeft hij met zijne beschouwingen over kunst en liefde niet enkel Wagner[20]en Nietzsche, maar ook dichters, romanschrijvers en dramatici bezield. Volgens Schopenhauer is wie zich door den hevigsten van alle hartstochten laat medesleepen de onbewuste dienaar van de soort, zijn liefde en begeerte waanzin, jacht op de schaduw van een schaduw. Is het niet alsof men Flaubert leest? Het werk van Schopenhauer, die stoute synthese van Kantianisme, Platonisme, Indische wijsheid en Europeesche natuurkennis is nog in menig opzicht jong en frisch.Arthur Schopenhauer werd in 1788 in de toenmalige vrije rijksstad Dantzig geboren. Zijn vader was een aanzienlijk koopman en veel ouder dan zijn moeder. Toen in 1793 Dantzig bij Pruissen werd ingelijfd vertrok de stoere republikein met zijn gezin, dat intusschen tot vier personen was aangegroeid, daar Arthur een zusje Adele had gekregen, naar Hamburg. De vader had zich voorgenomen van den knaap een koopman te maken, maar de aanleg van den jongen wees in andere richting. Toen de vader, misschien door zelfmoord, plotseling gestorven was, gevoelde de zoon zich verplicht den wensch van den overledene te eerbiedigen en nam hij dus plaats op de kantoorkruk. De betrekkelijk nog jonge weduwe ging zich vestigen in Weimar, waar zij de vriendschap van Goethe genoot, en talrijke, zeer bewonderde romans schreef. De brieven, die uit dien tijd bewaard zijn gebleven, doen Johanna Schopenhauer als een beminnelijke, verstandige en[21]helderziende vrouw kennen. Zoo schreef zij in 1807 aan haar toen 19-jarigen zoon: „Ik ken uw hart en weet dat weinig menschen beter zijn dan gij. Maar al uwe goede eigenschappen worden verduisterd en als het ware verlamd door uwe aanmatiging. Ge wilt alles beter weten dan andere menschen, bij ieder behalve bij u zelven gebreken ontdekken en in uw omgeving steeds alles naar uwe hand zetten … Als ge niet waart die ge zijt, dan zoudt ge eenvoudig belachelijk wezen, maar nu verbittert ge allen tegen u”. In hetzelfde jaar schrijft zij hem nog: „Ik misken niet de goede kanten van uwe natuur en wat mij afstoot is niet uwe innerlijke gezindheid, maar uwe manier van beschouwen, veroordeelen, de wijze waarop ge u gedraagt. Wanneer ge eenige dagen bij ons doorbrengt, komt het altoos tot geweldige tooneelen om niets en minder dan niets. Uwe eeuwige jeremiaden, uw begrafenisgezicht, uw orakeltoon, dat alles drukt ter neer. Ik weet dat ge uw zwartgalligheid van uw vader geërfd hebt; tracht haar te overwinnen”.In datzelfde jaar 1807 hield Arthur op klerk te zijn en begon hij zich met toestemming van zijn moeder tot de universitaire studiën aan het gymnasium van Gotha voor te bereiden. Satirieke verzen op een van de leeraren deden hem van daar verjagen. En nu kwam hij op het gymnasium te Weimar, maar zijn moeder wilde hem niet in huis hebben, en dus woonde hij bij[22]een der leeraren. In den tijd van twee jaar bracht hij het zoo ver in zijn klassieke studiën dat al de verloren tijd was ingehaald en hij in 1809 als student bij de faculteit der medicijnen aan de Universiteit te Göttingen kon worden ingeschreven. Hij was nu meerderjarig, had zijn klein fortuin in handen, en las Tacitus, Horatius, Lucretius, Herodotus, zonder zich veel om de geneeskunst te bekreunen, die hem bij nadere kennismaking niet scheen aan te trekken. Prof. Schulze (Aenesidemus), die zijn aanleg voor de philosofie doorzag, gaf hem den raad voorloopig enkel Plato en Kant te bestudeeren. Dien raad volgde hij op, en zoo werd hij door die twee groote denkers met de gedachte vertrouwd gemaakt, dat de wereld der verschijnselen en het ding op zich zelf twee zijn. Veel vrienden aan de academie schijnt hij niet gehad te hebben. In het curriculum vitae, dat hij later bij de Berlijner faculteit indiende, schreef hij betreffende zijn studentenjaren: „mijn rijper leeftijd, mijn rijker ervaring en mijn ongewoon karakter maakten dat ik verlaten en eenzaam was”. In het vreemdelingenboek van een oud kasteel schreef hij 5 Sept. 1811:„Wohl manches Mal saht ihr mich einsam wandern,Und ernst und einsam geh’ ich jetzt zu andern”.Toch knoopte hij in Göttingen eenige vriendschapsbanden aan, b.v. met Osann en in 1820 noemde hij in[23]een brief aan dezen gericht, de Göttinger jaren de schoonste van zijn leven.Vandaar ging hij naar Berlijn, waar hij Fichte en Schleiermacher hoorde, niet Hegel. Met Prof. Fichte disputeerde hij hevig op diens privatissima. Door den vrijheidsoorlog, voor welken hij volstrekt niets gevoelde, in het schrijven van zijn dissertatie gestoord, week hij uit naar Rudolstadt in Thüringen, waar hij tot zijn vreugde geen soldaat te zien, geen tamboer te hooren kreeg. Hij zond het handschrift van zijn dissertatie per post naar het naburige Jena, vanwaar hij na korten tijd, eveneens per post, zijn doctors-diploma ontving. Zijn dissertatie verscheen onder den titel: „Ueber die vierfache Wurzel des Satzes vom zureichenden Grunde”. Van dit merkwaardig geschrift, dat als de inleiding tot zijn hoofdwerk kan worden beschouwd, heeft hij later een vermeerderde editie in het licht gezonden.Arthur keerde thans naar Weimar terug, waar hij veel met Goethe sprak. Er was groot verschil tusschen die beide mannen, gelijk daaruit blijkt, dat Schopenhauer in 1813 aan den beroemden grijsaard kon schrijven: „Van u zelf weet ik, dat letterkundige arbeid voor u altijd bijzaak, en het werkelijke leven hoofdzaak is geweest. Bij mij is het omgekeerde het geval; mijn denken, mijn werk, dat alleen heeft voor mij waarde en beteekenis”. Maar tevens was er overeenkomst in geestesrichting. Beiden waren zieners en wilden putten[24]uit de levende bron van ervaring en bewustzijn. Vandaar dat voor Schopenhauer de philosofie niet zoozeer wetenschap als wel kunst was. Hij streefde er naar een volkomen objektieve en door geen langwijlige redeneeringen bedorven wijsbegeerte te stichten, welke een echt kunstgewrocht zou zijn, daar zij „niet op den trant der philosofasters, van Fichte en zelfs van Spinoza, tusschen subjekt en objekt den bedriegelijken sluier van afgetrokken begrippen zou dulden”. Goethe beschreef in die dagen, in een brief aan Knobel, zijn jongenvriendals een merkwaardig man, „die met helderziende koppigheid bezig is het kaartenspel van onze moderne philosofen in de war te sturen”. Met profetischen blik voegt hij er aan toe: „het staat te bezien of de meesters in het vak hem in hun gilde zullen opnemen. Ik vind hem vol geest”. Goethe, getroffen door de rol, die Schopenhauer in zijn dissertatie bij het meetkundig betoog aan de aanschouwing wilde zien toegewezen, spoorde hem tot optische studiën aan, waarvan hij zelf in die dagen vervuld was. Inderdaad deed Schopenhauer later als tweede van zijne geschriften een boek „Ueber das Sehen und die Farben” verschijnen. Vóór de publicatie had hij zijn manuscript aan Goethe ter beoordeeling toegezonden, maar ondanks al zijn dringen en smeeken was het hem niet gelukt aan den dichter, die hem telkens zeer beleefd antwoordde, een enkel teeken van goed- of afkeuring te ontlokken. Schopenhauer[25]had het verschil der kleuren op een andere wijze dan Goethe het deed verklaard.Johanna herbergde op dat oogenblik den romanschrijver Fr. Müller. Arthur toonde op zulk een wijze zijn misnoegen over de aanwezigheid van dien vreemdeling, dat de moeder er toe overging haar zoon de deur te wijzen. Dit geschiedde in Mei 1814. De breuk was onherstelbaar. Arthur ging naar Dresden en heeft noch zijn moeder, noch zijn zuster, met welke laatste hij ten minste voorloopig in briefwisseling bleef, ooit teruggezien.In Dresden, destijds de artistieke hoofdstad van Duitschland, genoot Arthur veel van kunst. Ook had hij er enkele vrienden, waarvan er één aan Adele schreef: „Uw broeder is van nature teeder en gemoedelijk”. Intusschen werkte hij ijverig aan zijn: „Welt als Wille und Vorstellung”. Het boek verscheen in 1818 bij Brockhaus, maar werd zoo slecht verkocht en zoo totaal geïgnoreerd, dat de uitgeversfirma na verloop van eenigen tijd van het grootste aantal der exemplaren papierpap maakte.Schopenhauer ging naar Italië. Zijn reis, gedurende welke hij in zijn journaal enkel philosofische gedachten neerschreef, werd op pijnlijke wijze afgebroken door de handelscrisis, die de firma trof, waaraan Johanna en Adele haar geheele vermogen en Arthur een aanzienlijk deel ervan hadden toevertrouwd. Hij verklaarde zich[26]bereid met moeder en zuster te deelen wat hij nog had overgehouden, maar weigerde halsstarrig in de schikking te treden, die door de overige schuldeischers werd aanvaard. Hij had geen koopmansgenie, doch stond op zijn recht en wantrouwde de menschen, ten gevolge waarvan hij hier de wijste partij koos. Na een paar jaar stond de firma weer overeind en kreeg Arthur al zijn geld terug, terwijl moeder en dochter twee derden van haar fortuin verloren hadden.Intusschen wist hij niet vooraf hoe de zaak zou loopen en trachtte hij zich dus aan de universiteit te Berlijn een positie als leeraar te scheppen. Op 23 Maart 1823 hield hij zijn proefles. Hegel opponeerde, maar Schopenhauer antwoordde zoo flink, dat hem de titel van privaat-docent verleend werd. Nu ging Schopenhauer een half jaar lang 5 uur college per week geven. Hij had weinig of geen succes. Was het, omdat hij dezelfde uren had gekozen als waarop Hegel zijne lessen gaf? Zoolang het intellektualisme zijn zegetocht nog niet voleindigd had, kon het voluntarisme in geen geval gehoor vinden. Nadat zijn fortuin zich hersteld had, keerde Schopenhauer naar Italië terug. Hij schrijft vroolijke brieven aan Osann en geeft een vermakelijke schets van den levenslust, de bedriegelijkheid en welgemanierdheid der Italianen. Toch keert hij weer naar Berlijn terug en slijt daar zes jaren van zijn leven, totdat de cholera in 1831 hem ten gevolge van een[27]droom, waaraan hij waarschuwende kracht toekent, naar het gezonde Frankfort doet verhuizen. Hier blijft hij 27 jaren, tot aan zijn dood in 1860. Ervan overtuigd dat het uur van zijn beroemdheid zal komen, daar hij naar zijn inzien het wereldraadsel opgelost en aan de menschheid daarmee den grootst mogelijken dienst heeft bewezen, bewerkt hij een tweede editie van zijn „Welt als Wille und Vorstellung” en schrijft hij tevens zijn „Parerga und Paralipomena”, die als een toelichting op het hoofdwerk kunnen gelden. Ook verzamelt hij bij natuurvorschers en geneesheeren feiten, welke als openbaringen van den levenswil kunnen gelden en doet, wellicht op zijn eigen kosten, na een zwijgen van 18 jaren, in 1836 „Ueber den Willen in der Natur” verschijnen. Het boek wordt niet opgemerkt.Zijn eerste voldoening van eigenliefde was, dat hij vermocht Rosenkrantz en Schubert te overtuigen dat niet, zooals hun plan was, de tweede, maar de eerste editie van de „Kritik der reinen Vernunft” bij de door hen voorgenomen uitgave van de complete werken van Kant moest worden gevolgd. Kort daarna in 1839 behaalt hij een gouden medaille met een verhandeling over de vrijheid van den wil bij de maatschappij van wetenschappen te Drontheim, maar een tweede prijsverhandeling over de grondslagen der moraal wordt door de maatschappij van wetenschappen te Kopenhagen afgewezen, vooral om het afschuwelijk schelden[28]op de „drie Sophisten”, Fichte, Schelling en Hegel. Hij vereenigt de twee stukken en geeft ze uit onder den titel „Die beiden Grundprobleme der Ethik”. De kritiek zwijgt ook dit werk dood. Eindelijk, in 1851 gelukt het zijn eersten discipel, een Jood van Russischen oorsprong, Julius Frauenstaedt, een uitgever in Berlijn te vinden voor de „Parerga”. Dit boek slaat in. Men ontdekt dat Schopenhauer een onovertroffen schrijver van essays is. Nu is de nieuwsgierigheid naar zijn vroegere werken opgewekt. Hij krijgt erkentelijke brieven van Bahnsen, een leeraar aan een gymnasium, van Lindner, een Berlijnsch journalist, van Adam von Doss, een Beiersch jurist, enz. De inhoud is steeds dezelfde. „De schillen zijn mij van de oogen gevallen. Vol verrassing roep ik uit: Heureka!” Een man als Saint-René-Taillandier schrijft over hem in deRevue des deux Mondes. Challemel-Lacour bezoekt hem en schrijft in deRevue des deux Mondesvan de ijskoude atmosfeer, welke hem bij die gelegenheid uit de half geopende deur van het „Niet” kwam toestroomen. Een niet minder bekend man, Foucher de Careil, dringt ook tot hem door en beschrijft hem als een grijsaard met levendige blauwe oogen, om welke een ietwat sarkastische glimlach speelt; het hooge voorhoofd met de uitstaande witte lokken verleent aan het geestig gelaat een stempel van zielenadel en voornaamheid. Zijn manieren zijn die van een man van de wereld. Hij is ouderwetsch gekleed[29]met een witte das en een kanten jabot. Van nature teruggetrokken, laat hij zich gaan als hij met vreemdelingen te doen heeft en dan is zijn gesprek buitengewoon levendig. Hij strooit rond met latijnsche, grieksche, fransche, engelsche, italiaansche citaten; de uren vliegen als minuten voorbij en als de middernachtsklok slaat, vertoonen zijn trekken niet de minste vermoeidheid en het vuur van zijn blik is geen seconde uitgedoofd geweest.Zoo was de avond van zijn leven de dageraad van zijn roem.Toen op 18 Sept. 1848 het oproer door de straten van Frankfort trok, leende hij met de grootste bereidwilligheid zijn kijker aan den Oostenrijkschen officier, die van uit zijn vensters op het souvereine gepeupel liet schieten, dat ginds op den brug een barricade opwierp. Twaalf jaar later bleek, dat hij aan de soldaten, die bij de verdediging van de wettelijke orde invalide waren geworden, het leeuwendeel van zijn vermogen had nagelaten. Geldgeschenken waren toegewezen aan bloedverwanten, aan een oude dienstmaagd, die tevens zijn meubels en zilverwerk kreeg, en aan een tooneelprinses, die indertijd zijn hartevriendin was geweest. Ook zijn hond had hij niet vergeten; deze erfde f 300 voor zijn levensonderhoud. Frauenstaedt kreeg de manuscripten en op hem gingen al de auteursrechten over. Gwinner, rechter in Frankfort, uitvoerder van den[30]laatsten wil, kwam in het bezit van zijn bibliotheek.Het was in tegenwoordigheid van dezen Gwinner, dat Schopenhauer eens, na lang op het portret van de Rancé, den stichter van de orde der Trappisten, te hebben gestaard, op neerslachtigen toon zei: „Dat is het werk der genade”. Schopenhauer heeft de wereldverloochenaars, zijn heiligen, vurig bewonderd, maar zelf niet als een hunner geleefd. Hij was geen zonnige natuur, stak vol grieven. Zoo tegen de vrouwen, de schepselen met lange haren en korte gedachten. Zoo vooral tegen de Joden, die met hun scheppingsleer de Europeesche menschheid vergiftigd hadden. Hij was niet goedhartig, maar wel volkomen eerlijk tegenover zichzelf en anderen; hij meende alles wat hij zeide; dat was zijn kracht als schrijver. Hij was veel vatbaarder voor pijnlijke dan voor aangename indrukken. Reeds in zijn jeugd was het zoo. Twee jaar lang heeft hij toen met zijn ouders door Europa gezworven. Als hij aan armoedige hutten voorbijkwam, was zijn genot voor den geheelen dag vergald. Men begrijpt dat hij in Toulon van het verblijf der galeiboeven een onuitwischbaren indruk had gekregen. Hij heeft zich dikwijls zeer eenzaam gevoeld en zich ten slotte met de gedachte getroost: zoo is het lot der Koningen! Waarom is hij ongehuwd gebleven? In Venetië was hij zoo verliefd op een rijke jonge dame van goeden huize, dat hij, jaloersch van hare bewondering voor Byron, den introductiebrief[31]bij den engelschen dichter, dien hij van Goethe had meegekregen, niet afgaf. Wij weten dit uit een brief van Arthur aan zijn zuster. Verder weten wij niets van deze episode in zijn leven. Wel weten we iets anders. Reeds in 1814 noteerde hij voor zich zelf een woord uit het Indisch geschrift „Oepnethak”: „als de kennis komt, verdwijnt de liefde”. Later werd datzelfde woord het motto voor een deel van zijn hoofdwerk.Schopenhauer was hartstochtelijk in ieder opzicht. Wanneer een gedachte hem voor den geest zweefde, liet hij alles in den steek om haar op te vangen, en hare waarde te toetsen. Hij heeft de weelde van het genie gekend en was er van overtuigd, dat zijn intellekt niet aan hem zelf, maar aan de wereld toebehoorde, dat hij een zending had. Zijn denken is de éénheid van zijn leven geweest. Zijn altijd bezige geest was er steeds op uit om één en dezelfde gedachte toe te lichten. Want zijn stelsel bestond, gelijk hij zelf heeft erkend, uit ééne gedachte: de tegenstelling van verschijnsel en wil. Hij vergeleek het met Thebe, waar men door honderd poorten kon binnen treden en steeds op hetzelfde middelpunt uitkwam.Op 4 Sept. 1860 werd hij dood op zijn kanapé gevonden.Doch genoeg over Schopenhauer en zijn werk. Thans willen wij hem zelf het woord geven.[32]
Toen ik kort na de verschijning van zijn mooi boek over Auguste Comte tot Littré de opmerking maakte, dat zijn meester en vriend een hoogst onaangenaam mensch bleek geweest te zijn, luidde het beminnelijk maar eenzijdig antwoord: „N’importe; l’homme passe, l’œuvre reste”.
Afscheiding van den persoon en zijn werk is onhoudbaar, tenzij het werk een stel onpersoonlijke, b.v. wiskundige waarheden behelst. Onhoudbaar, wanneer er van een levensopvatting, een wereldbeschouwing, een kunstwerk sprake is, omdat zich daarin temperament en karakter van den mensch afspiegelen.
Hier moet ik tweeërlei geestesrichting, die van den intellektualist en die van den voluntarist, onderscheiden. Het verschil tusschen beiden doet zich reeds in de middeleeuwen voor. Men denke aan de tegenstelling tusschen Thomas van Aquino en Duns Scotus. De eerste meent, dat „het hoogste geluk in niets anders gezocht moet worden dan in verstandswerkzaamheid, wijl er geen verhevener begeerte is, dan die om de waarheid te doorgronden”. Het staat bij hem onvoorwaardelijk vast, dat de leer der Kerk de waarheid is, en nu is er volgens hem geen schooner levensdoel dan den inhoud van die leer zoo goed mogelijk te verstaan. Ook Duns Scotus gaat van de waarheid van het kerkelijk geloof uit en hij ontkent niet, dat er b.v. voor het bestaan van God bewijzen te leveren zijn, welke door[2]ieder, die zijn verstand wil gebruiken als afdoende moeten worden erkend. In de opvatting van het levensdoel echter staat bij Duns Scotus niet de theorie, maar de practijk op den voorgrond. De theologie moet volgens hem niet strekken om den mensch van zijne onkunde te verlossen, maar om hem door kracht vanredenentot dat zedelijk handelen te brengen, waarvan de zaligheid, het genieten van het goddelijke afhangt. Duns Scotus is even recht geloovig als Thomas en zelfs veel onverdraagzamer, maar scheurt het weefsel der redeneeringen van den laatste bij menige gelegenheid uiteen en zegt: niet het syllogisme heeft waarde voor den godsdienst, doch enkel het geloof, niet het verstand is de kern der menschelijke persoonlijkheid, doch de wil. Het verschil tusschen deze beide kerkleeraren bracht Luther er toe te zeggen: Duns Scotus is een voortreffelijk meester, maar Thomas van Aquino is een babbelaar.
Ook in den nieuwen tijd doet zich het kontrast tusschen intellektualisme en voluntarisme gelden. Doch het neemt soms een anderen vorm aan. Let op tegenvoeters als Hegel en Schopenhauer. Tot recht verstand van Schopenhauer wil ik over de betrekking tusschen beiden iets zeggen.
Meestal spreekt men van willen, waar met overdachten rade gehandeld wordt. Laat ons den term „wil” ruimer nemen en daaronder samenvatten: lust,[3]onlust, hartstocht, blinde drift, ieder streven in een zekere richting, drang tot zelfbehoud, kortom alles wat de schepselen der natuur op een zekere wijze doet werken. Men stelle daartegen over wat tot de sfeer van het intellekt behoort: gewaarwording, voorstelling, gedachte, rede. Dan laat zich met Schopenhauer zeggen: wil is het eerste en het algemeene, het alomtegenwoordige. Wil is heteerste, niet kennis, niet theorie. Wij noemen iets goed, wijl wij het begeeren; niet omgekeerd begeeren wij het, omdat wij inzien dat het goed is. De meest treffende schildering van een hoog en edel doel laat ons koud als ijs, tenzij onze wil met den inhoud van dat ideaal instemt. Het intellekt kent geen waarden, enkel het gemoed doet ons in geestdrift ontsteken. Als een moeder het voegzaam en goed noemt dat zij zorgt voor haar kind, dan is dat niet, omdat zij bewijzen kan dat dit gepast is, maar omdat het hart haar noopt over dat zwakke schepseltje te waken. Zoo is ook wil het meestalgemeene. Daar men het onbekende door het bekende en niet omgekeerd het bekende door het onbekende moet verklaren, ligt het voor de hand natuurkracht liever tot wil te herleiden, dan omgekeerd wil als kracht op te vatten. Wij zullen dus spreken van een onbewusten wil, die de sterren in hare banen doet rondloopen, die den boom zijn wortels omlaag, zijn takken omhoog doet drijven, van een overal werkzamen wil, van blinde aandrift,[4]die ten slotte enkel bij de hooger staande dieren, in voorstelling en denken, in het intellekt, zich een licht ontsteekt, om het begeerde door doeltreffende keuze van middelen des te zekerder te bereiken. Immers intellekt staat oorspronkelijk geheel in den dienst van het leven; eerst op een aanzienlijken trap van beschaving houdt het op slaaf te zijn, komt het tot vrijheid, vertoont het zich als onbaatzuchtige liefde tot waarheid. Ziedaar Schopenhauer’s leer.
Neen, zegt de intellektualist als Hegel: rede, logos, God is oorsprong der wereld, is albeheerschend beginsel. Bewust of onbewust gaat ieder onderzoek van de hypothese uit, dat de werkelijkheid begrijpelijk is, dat zij in gedachten kan worden omgezet, dat dus gedachten in haar belichaamd zijn. Volgens deze onderstelling, zonder welke drang naar wetenschap doelloos zou zijn, is dus gedachte de wortel van het universum, albeweger, alomvattende oorzaak, aanvang en tevens doel der wereld. Om het in de taal der vromen uit te drukken: God is Schepper en tevens einddoel van het al. Waartoe dient de natuur? Welke is de zin, die zich in de geschiedenis van ons geslacht vertolkt? Natuur en geschiedenis zijn er om de werkelijkheid tot zelfbewustzijn te doen komen, om den eindigen mensch, die van Gods geslacht is, zich als een oneindig wereldwezen te doen kennen.
Het onderscheid tusschen Hegel en Schopenhauer is,[5]dat zij zich het hoogste goed niet op dezelfde wijze afbeelden en dientengevolge aan het zijnde een verschillende taak opdragen. Voor Hegel is het edelste en voornaamste een denken, dat niet door invallen en vooroordeelen gestoord wordt, en enkel de wet van zijn ontwikkeling volgt. Waar zoo de individualiteit van den kleinen mensch op den achtergrond wordt gehouden, is er geen kloof meer tusschen zijne rede en de goddelijke rede, maar zijn beiden één. Van de macht van het vrije, zuiver zakelijke, echt geestelijke denken kan men alles verwachten; voor zoodanig denken bestaan er geen onpeilbare diepten, geen onbereikbare hoogten; steeds door dezelfde wet der noodzakelijkheid vooruitgedreven, raakt het ten slotte in het bezit der oneindigheid en wordt het in werkelijkheid wat het van den aanvang af in aanleg was: alomvattend zelfbewustzijn.
Geheel anders stelt een man als Schopenhauer zich het hoogste ideaal voor. Alles was bij hem kolossaal: zijn intellektueele behoefte, die hem reeds vroeg naar een oplossing van hetwereldraadseldeed hunkeren en hem steeds met dezelfde problemen deed rondloopen tot hij ten slotte niet kon zeggen wat er het eerst in hem was geweest: zijn kenleer, zijn kosmologie, zijn ethika, zijn æsthetika. Het stelsel was in hem gegroeid, gelijk een kind in den moederschoot. Daar naast stond zijn buitensporig gevoel van eigenwaarde, dat hem op[6]alles deed vitten en hem op andere menschen, enkele genieën uitgezonderd, met geringschatting liet neerzien. Goethe, die zich tot den genialen jongeling aangetrokken gevoelde, schreef de volgende waarschuwende woorden in zijn album:
„Willst du dich deines Wertes freuen,So musst der Welt du Wert verleih’n”.
„Willst du dich deines Wertes freuen,
So musst der Welt du Wert verleih’n”.
Ten slotte bezielde hem een heftige drang naar zinnelijk genot, die hem tot tijdelijke schade van zijn gezondheid achter Venus Vulgivaga deed aanloopen. Flaubert voert ergens de Ontucht aldus sprekende in: „Men rept zich naar samenkomsten, die angst inboezemen. Men legt zich ketenen aan, die men verwenscht. Vanwaar de betoovering der lichtekooien, de buitensporigheid der droomen—vanwaar mijne onmetelijke droefheid?” Deze woorden zouden Schopenhauer, die zoo diep neerslachtig kon zijn, uit de ziel zijn gesproken. Als 18-jarig jongeling, zong hij reeds van „de hel” van den zinnenlust.
Zoo was hij dus een onharmonische natuur, die, gelijk andere denkers, op den zijnsgrond overbracht wat hij in zich zelf vond. Het innerlijk wezen der wereld is volgens hem wil, die niets wil dan als wil bestaan, blinde op geen doel gerichte wil, die geen bevrediging kent, bijgevolg onzalig is. Behalve den wil is er nog de materie. Die materie is niet een gewrocht van den[7]wil, maar zijn verschijning, geobjektiveerde wil, welke niets op zich zelf is, doch enkel in de voorstelling van individuën bestaat. Op zich zelf is er uitsluitend het innerlijk verscheurde, tegen zich zelf verdeelde, overal gelijke blinde willen. Zoo heeft dus de wereld twee zijden: een innerlijke en een uiterlijke; in beide opzichten is zij slecht en rampzalig. Is er verlossing mogelijk? Het intellekt, als het een hoogen graad van ontwikkeling bereikt, doorziet dat Wil vloekvaardig is en doet dan zeggen: Wil om te leven moet gedood worden, zal er vrede zijn. Groote wereldgodsdiensten, als Christendom en Buddhisme, wijzen ons hier den weg, die door bewonderenswaardige asceten met goed gevolg bewandeld werd. Ook kunst en wetenschap zijn middelen om, althans tijdelijk, verzachting van leed te verschaffen. Want de mensch vergeet zich zelf, als hij in onbaatzuchtige beschouwing opgaat.
Verschillende personen smeden uit hetzelfde metaal verschillende wapenen.
Hegel geloofde aan de heerschappij van rede in natuur en geschiedenis. Daaraan geloofden ook andere groote wijsgeeren, Kant, Fichte, Schelling, Schleiermacher, ieder op zijne wijze. Schopenhauer, hij het allereerst, niet. Die origineel waagde het luide te verkondigen, dat de wereld allerminst op een godsopenbaring gelijkt. Naar dat rondborstig getuigenis werd aanvankelijk niet geluisterd. Het druischte zoo geheel tegen de heerschende[8]overtuigingen in, dat men er geen notitie van nam. Wanneer er iets van zijn kloeke stem tot de vrijwillig dooven doordrong, dan werd zijn woord met hoon ontvangen. Schopenhauer vergold het hun dapper door ze allen te gader, Hegel in de eerste plaats, voor kwakzalvers en „Unsinnschmierer” uit te schelden.
Zooals de waard is, vertrouwt hij zijn gasten. Dit ietwat platte spreekwoord behelst een diepe waarheid. Ieder is geneigd wat hij als kern van zijn eigen wezen meent te ontdekken, voor kern der geheele werkelijkheid te houden. Tot Schopenhauer toe was alle philosofie min of meer een kompliment, dat het intellekt zich zelf maakte. Het begroette in de bespiegeling der denkers zich zelf als wereldmacht. Dit verandert bij Schopenhauer, die met zijn intellekt het tegendeel ervan, het onredelijke, op den wereldtroon plaatst. Natuurlijk heeft dit pessimisme ten gevolge. En even natuurlijk wordt het thans de groote vraag of en hoe Zeus (het Intellekt) er in slagen kan om den vloekwaardigen Titan, den wil om te bestaan, in den Tartarus te storten.
Thans begrijpen wij hoe Hegel en Schopenhauer van dezelfde præmis uitgaande tot een geheel tegengestelde leer konden komen. Beiden houden vast aan het dogma der algemeene relativiteit. De dingen zijn er enkel in betrekking tot elkander en tot den geest, terwijl de geest er enkel in betrekking tot de dingen is. Doch als alles enkel voor iets anders bestaat, dan bestaat[9]niets voor zichzelf, dan is er op de keper beschouwd niets. Wij moeten dus aannemen, dat het één en het al, dat het universum, voor zich zelf bestaat, subjekt en tevens objekt, denken en zijn, éenheid van beide, geest is, dat het kan zeggen: ik heb zelfbesef. Het universum is het zelfstandige, dat van niets afhangt, waarvoor dus noodzakelijkheid en vrijheid samenvallen. Zoo concludeert Hegel en is optimist, intellektualist. Maar Schopenhauer zegt: wij moeten dus aannemen, dat het universum voor zich zelf bestaat, dat de blinde drift, het onredelijke in ons en buiten ons, dat de innerlijk verdeelde, onzalige wil het waarachtig zijnde is. Zoo is Schopenhauer pessimist en voluntarist.
Schopenhauer’s onvoorwaardelijk pessimisme, dat zelfs de mogelijkheid der verbetering van individuen en maatschappelijke toestanden buitensluit, hangt samen met zijn blindheid voor bepaalde feiten van het geestelijk leven. Als rechtgeaard zoon van een romantisch tijdperk had hij groote sympathie voor mystici en voor asceten, ook als deze Christenen waren. Doch het geheim dat Christus der wereld geopenbaard heeft: het Koninkrijk Gods is binnen in u, het woont in u als een in den akker verborgen schat, had hem, zoo die boodschap ook tot hem doorgedrongen ware, weerhouden om het menschelijk lot enkel jammer en ellende te noemen. Schopenhauer droeg oogkleppen, welke hem beletten te zien wat niet in het kader van zijn stelsel[10]paste. Had hij beseft, dat onze aarde den hemel kan herbergen, dan zou hij de wereld niet zoo slecht hebben genoemd als maar eenigermate met haar voortbestaan zich nog laat rijmen. Doch hier steunt Schopenhauer op de leer van Buddha, welke verder van die van Christus af staat dan de eene ster van de andere. Niet volgens Christus, maar volgens Buddha is het leven enkel lijden en is het eenig begeerlijke verlossing van het lijden door den dood. Maar het gewone sterven is volgens Buddha en Schopenhauer geenechtsterven, want er bestaat zielsverhuizing: dezelfde individuen worden telkens opnieuw geboren. De werkelijk bevrijdende dood is enkel voor hem mogelijk, die alles wat hem aan het leven boeit van zich werpt, alle liefde, alle hopen, alle wenschen in zich vernietigt, m.a.w. levend sterft. Met deze leer, welke door Schopenhauer werd aanvaard, vormt de Christelijke, waaraan hij voorbijging, een tegenstelling.
Overigens rijmt zijn pessimisme slecht met wat hij, ten deele althans, van Plato had overgenomen. Hij erkent eeuwige, onveranderlijke, boven tijd en ruimte verheven typen, ideeën of soorten, welke, met voortbrengende kracht uitgerust, zich verwerkelijken in de exemplaren van dieren en planten, die hier op aarde geboren worden en sterven. Hoe kan de blinde en onbepaalde wil van Schopenhauer, die enkel wil is om te willen, zich in grondvormen objektiveeren, welke de[11]beschouwing der natuur een artistiek genot doen zijn? Het idealisme van Plato is een willekeurig ingeschoven bestanddeel in het systeem van onzen irrationalist.
„De wereld is mijne voorstelling”, ziedaar de eerste volzin van „Die Welt als Wille und Vorstellung”, het boek dat het systeem van Schopenhauer behelst. Hij noemt zich discipel van Kant, maar draagt er roem op een zelfstandig volgeling te zijn. Inderdaad wijkt hij zeer van Kant af. Van Schopenhauer kan gezegd worden, dat hij, de meest gelezene, immers de meest leesbare van alle moderne philosofen, ook het meest heeft bijgedragen om de kritiek van den behoedzamen Kant, die geen wetenschap buiten die der ervaring overeind liet staan, in vergetelheid te brengen. De voorzichtige oudere denker zou er zich wel voor gewacht hebben iets aangaande de wereld an sich, de wereld, die buiten het bewustzijn en op zich zelve bestaat, te verzekeren. Daarvoor was hij te anti-dogmatisch, te zeer overtuigd, dat men geen stelling zonder voldoenden kengrond mag aanvaarden. Maar idealist was hij evenzeer als Schopenhauer, want ook hij leerde dat de wereld der ervaring, de wereld der objekten, enkel in betrekking tot subjekten bestaat. Ook is het duidelijk wat Kant en Schopenhauer bedoelen. Het bestaan der wereld van objekten hangt volgens hen aan een enkelen lichten draad, het bewustzijn, waarin ze aanwezig is. Stel u voor dat alle bewustzijn uitgedoofd werd, die wereld zelve zou daarmede[12]verdwijnen. Het eigenaardige van een objekt is in de voorstelling van een subjekt te bestaan. Objekt en voorstelling zijn hetzelfde. Daaruit vloeit voort, dat de geheele wereld der objekten voorstelling is en blijft. Alleen het bewustzijn is ons rechtstreeks gegeven en die wereld is er enkel als inhoud van bewustzijn. Gelijk er geen objekt zonder subjekt is, bestaat er omgekeerd geen subjekt zonder objekt, geen bewustzijn zonder inhoud. Subjekt en objekt zijn onafscheidelijk gelijk rechts en links, gelijk noord en zuid.
Schopenhauer tracht zijne stelling nader te staven door op de idealiteit van ruimte en tijd te wijzen. Hij gebruikt daarbij de argumenten, die Kant in zijne „transcendentale æsthetiek” heeft gegeven. B.v. dit, dat wij achtereenvolgens alles uit de ruimte kunnen wegdenken, maar de ruimte zelve niet kunnen kwijt raken. Zoodra wij welk stuk der materie ook ons voorstellen, moeten wij de geheele ruimte mededenken. Daaruit volgt dat de ruimte bij ons behoort, dat zij subjektief is, dat dus gestalte, grootte, beweging, al het ruimtelijke, eveneens subjektief moet heeten. „Wij kennen niet de dingen zooals zij op zich zelve zijn, maar slechts gelijk zij verschijnen. Dit is de groote leer van den grooten Kant”. Schopenhauer voegt er aan toe, dat het stellig de meest absurde, doch tevens de meest vruchtbare van alle dwalingen is, de oneindige ruimte als onafhankelijk van ons aanwezig te beschouwen.[13]dus te meenen dat een beeld van dat oneindige „door de oogen” in ons brein zou dringen. Wie de ongerijmdheid van die stelling doorziet, weet tevens dat de wereld enkel „hersenphænomeen” is, dus als zoodanig met den dood der hersenen verdwijnt, om een geheel andere wereld over te laten, de wereld van het op zich zelf zijnde, die van den wil, betreffende welke het onzin is te vragen: waar is zij? daar zij met ruimte en tijd niets te maken heeft.
Schopenhauer zegt, dat de ruimte in ons hoofd is. Maar tevens, natuurlijk, dat ons hoofd in de ruimte is. Zoo plaatst hij met tergende zorgeloosheid schijnbaar tegenstrijdige stellingen naast elkander. Hij zegt, dat de hersenen de atlas zijn, waardoor de geheele wereld wordt gedragen, want de wereld is voorstelling, en voorstelling is volgens de leer der physiologen aan de hersenen gebonden. Maar anderzijds erkent hij, gelijk ieder die bij zijn zinnen is, dat alle hersenbrij te samen slechts een klein fragment van het universum uitmaakt. Hier is geen echte contradictie. Het zichtbare, dat wij hersenen noemen, is de vaste voorwaarde van dat andere onzichtbare, dat voorstelling, illusie heet. Dit is een physiologische waarheid, welke gelijk alle natuurkennis, van de wereld geldt, die in tijd en ruimte is uitgebreid en dan als op eigen voeten staande wordt aangemerkt. De metaphysische waarheid, de echte waarheid is deze, dat alle materie, de hersenen inkluis, slechts voorstelling[14]van het kennende subjekt is, dat hersenen en kennis beiden verschijningen zijn van het waarlijk zijnde: Wil. Nu rest nog het raadsel, hoe wil als kennend subjekt verschijnt. Dat is volgens Schopenhauer het groote mirakel, de hypothese, die door niets verklaard wordt, daar zij zelve alles verklaart.
Om Schopenhauer wel te verstaan moet men in het oog houden, dat de wereld bij hem „de schaduw van een droom” is, fata morgana door het intellekt geschapen, dat in zijn kader: tijd, ruimte en causaliteit, gewaarwordingen opneemt. Het intellekt is in ieder kennend individu aanwezig, maar met geen individu te vereenzelvigen, zoodat de individuen kunnen geboren worden en sterven, terwijl de voorstelling van objekten blijft bestaan. Deze leer laat de empirische realiteit der wereld onaangetast, maar sluit in zich, dat de wereld in al hare deelen van het intellekt, het subjekt, afhangt. Ja zelfs hangt zij daarvan op tweeërlei manier af. Ten eerste is er, gelijk reeds Berkeley heeft ingezien, geen objekt denkbaar tenzij in de voorstelling van een subjekt; ten tweede gaat de wijze, waarop wordt voorgesteld, het objekt-zijn als ruimte vullend en aan tijd en causaliteit onderworpen, zooals Kant heeft geleerd, van het subjekt uit. Het intellekt is niet iets zelfstandigs, en de wereld der dingen is niet iets anders, dat eveneens op eigen voeten staat; dan toch ware het onbegrijpelijk, dat wij en zelfs de dieren zoo volkomen in[15]de wereld te huis zijn en ons van den aanvang af daarin terecht vinden; intellekt en wereld vormen één geheel, want het intellekt schept de wereldorde; omgekeerd ware het niets zonder die wereld, daar het dan zonder inhoud zou zijn. Intellekt en wereld zijn, ieder op zich zelve beschouwd, enkel afgetrokkenheden, onwezenlijk. Schopenhauer drukt dat in de taal der Indische wijzen uit, door van Maja te spreken, de moeder van allen schijn, de godin die ons een sluier voor de oogen bindt, in welks plooien het beeld van al het geschapene zich vertoont.
Ook de moraal van Schopenhauer toont een Indisch karakter. Hier wijkt hij sterk van Kant af. Kant kiest zijn uitgangspunt in het plichtbesef. Daar de mensch een redelijk wezen is, kan hij afzien van neiging en eigenbelang en, een algemeen standpunt innemende, vragen: wat is behoorlijk? Hoe die vraag beantwoord wordt, is van ondergeschikte beteekenis. De kennis van den plicht laat verschillende graden toe, is niet overal evenzeer ontwikkeld. Daarenboven kan al naar gelang van omstandigheden de eisch van den plicht wisselen. Maar dát er een plicht is, weet ieder redelijk schepsel. Ziedaar een waarheid, welke hem door geen philosofie ter wereld kan worden ontfutseld, en aan ieder gezond menschenverstand is geopenbaard. Schopenhauer daarentegen bouwt niet op de redelijke natuur van den mensch, maar op het gevoel, op het medelijden, zijne[16]moraal. Medelijden is ons een openbaring van de eenheid van alle zijn. Het zegt ons, als wij tegenover een lijdend schepsel ons geplaatst zien:tat twam asi, dat zijt gij!Medelijden is vertolking in de taal des gemoeds van het feit, den Indischen wijzen reeds eeuwen bekend, dat de veelheid der wezens inbeelding is. Bij den aanblik van den schamelen bedelaar, die zijn hand naar ons uitstrekt, van den worm die aan onzen voet ineenkrimpt, bij het zien van al wat lijdt, zegt de wijze: dat ben ik! Het noopt om te helpen. Schopenhauer is te verstandig om medelijden als plicht voor te schrijven. Medelijden is een feit, een geheimzinnig feit, aan welks invloed zich zelfs de ruwste en onkundigste niet voortdurend kan onttrekken. Juist ten gevolge van zijn algemeenheid heeft het invoering van levensregels bewerkt, welke allen tot twee zich laten herleiden: doe niemand kwaad, sta allen bij zooveel ge kunt!
Intusschen kan verzachting van individueel leed hem niet voldoen, die alle afzonderlijk bestaan als een ramp beschouwt. Smart is heilzaam, zegt Schopenhauer, daar zij van den lust om te leven geneest, en zoo de „Meeresstille des Gemüths” veroorzaakt, welke veroorlooft het Nirwana binnen te treden. Dat Nirwana, zoo luidt het slotwoord van het hoofdwerk, is niets voor den dwaas, wiens hart vol is van de dingen dezer wereld, maar alles voor wie doorziet, dat het universum met zijn zonnen en melkwegen inderdaad niets is.[17]
Ten slotte moeten wij nog opmerken, dat Schopenhauer, ondanks het strengste determinisme, den mensch verantwoordelijk acht voor zijne daden. Het werken volgt op het zijn. Al onze handelingen vloeien met noodzakelijkheid uit het karakter voort, waarmee wij ter wereld zijn gekomen. Maar dat karakter, dat zich in den tijd aan zijn eigenaar openbaart, en hem verborgen zou blijven, indien hij niet velerlei aanleiding tot handelen had, bestaat tevens buiten den tijd in de vrije wereld van het bovenzinnelijke. Vandaar onze verantwoordelijkheid. Het is dus niet onze fout, dat wij doen wat wij doen, b.v. ons als lafaards gedragen, wanneer wij lafaards zijn, maar stellig is het onze schuld, dat wij zijn, zooals wij zijn. Schopenhauer maakt hier een degelijk onderscheid tusschen empirisch en intelligibel karakter als reeds door Kant werd aangegeven. Vrijheid is een geheimenis, maar als noodwendig tegenstuk van moeten is zij onloochenbaar.
Ziedaar een ruwe schets van het systeem, dat gedurende de tweede helft der 19deeeuw in driemaal honderdduizend exemplaren is verspreid geworden en thans, terwijl de zon van Nietzsche reeds begint te tanen, nog steeds opgang maakt. Ik heb eens door een beroemd landgenoot hooren zeggen, dat het hem even onmogelijk zou zijn de leer van Schopenhauer als den Heidelberger catechismus onvoorwaardelijk te beamen. Die woorden wil ik graag voor mijne rekening nemen.[18]Als het onderscheid der individuen schijn is, rijst de vraag, wie er door dien schijn bedrogen wordt, en wie er met dien schijn bedriegt. Het eenig mogelijk, doch niet zeer verstaanbaar antwoord is hier: de oneindige wil draait zich een rad voor de oogen, is prooi van zelfmisleiding. Ik ben het met Schopenhauer eens: zoo’n dwaas en onzalig wezen behoort in het Nirwana weg te zinken. Alleen begrijp ik niet, hoe schepselen der inbeelding als gij, mijn lezer, en ik, daarbij een handje zouden kunnen helpen.
Toch vindt onze wijsgeer nog tal van volgelingen. Geen wonder. Zijne leer ligt in de lijn van zekere hedendaagsche geestesstroomingen. Zoo wordt aan het pessimisme thans meer dan ooit recht toegekend. Het geloof aan den vooruitgang is geschokt. Het wordt niet meer als een axioma beschouwd, dat alles zal terecht komen. Het optimisme, dat onze vaderen veroorloofde zich op de golven van het wereldgebeuren met blij vertrouwen te laten verder dragen, schijnt thans lichtzinnig en ietwat kinderachtig. Dat de natuur in menig opzicht onbarmhartig is en zich om lief en leed van hare schepselen niet bekreunt, is een bittere waarheid, voor welke de oogen geopend zijn. Steeds meer dringt de gedachte door, dat het menschelijk leven slechts in zoover zin en waarde heeft, als wij zelve in staat en gezind zijn er een belangrijken inhoud aan te verleenen. Zoo noopt het pessimisme tot krachtsinspanning[19]volgens het woord van Schopenhauer zelf, die een van zijn boeken van het volgende motto heeft voorzien: „een gelukkig leven is onmogelijk; het hoogste wat wij bereiken kunnen is een heroïeke levensloop”.
Ook ligt het in den geest van onzen tijd het mysterieuse van ons bestaan te erkennen. Welnu, volgens Schopenhauer is de verschijning van den wil onder een individueelen vorm, in de gestalte van een kennend en denkend subjekt, een onoplosbaar raadsel. Op zijne wijze is hij evolutionist. Van de leer van Darwin, wiens boek kort vóór zijn dood verscheen, wilde hij niets weten. Dat het hoogere uit het lagere, het meerdere uit het mindere zou voortspruiten, scheen hem tergende onzin. Maar wel stond het bij hem vast, dat de openbaringen van den wil een rangorde doorloopen en dat de verschijning van bewustzijn en rede, geheel nieuwe feiten, al de voorafgaande lagere levensvormen onderstellen, gelijk deze weder de onbewerktuigde natuur. Ook hier kan dus de tegenwoordige tijd bij Schopenhauer aanknoopen. Zelfs het tegenwoordig zoozeer verspreide pragmatisme, dat waarheid als een instrument om te handelen beschouwt, vindt steun bij Schopenhauer.
Ook heeft Schopenhauer de leer van Kant weliswaar verminkt, maar tevens zóó gefiltreerd, dat ieder dilettant zich nu enkele hoofdtrekken er van met gemak kan toeëigenen. Ten slotte heeft hij met zijne beschouwingen over kunst en liefde niet enkel Wagner[20]en Nietzsche, maar ook dichters, romanschrijvers en dramatici bezield. Volgens Schopenhauer is wie zich door den hevigsten van alle hartstochten laat medesleepen de onbewuste dienaar van de soort, zijn liefde en begeerte waanzin, jacht op de schaduw van een schaduw. Is het niet alsof men Flaubert leest? Het werk van Schopenhauer, die stoute synthese van Kantianisme, Platonisme, Indische wijsheid en Europeesche natuurkennis is nog in menig opzicht jong en frisch.
Arthur Schopenhauer werd in 1788 in de toenmalige vrije rijksstad Dantzig geboren. Zijn vader was een aanzienlijk koopman en veel ouder dan zijn moeder. Toen in 1793 Dantzig bij Pruissen werd ingelijfd vertrok de stoere republikein met zijn gezin, dat intusschen tot vier personen was aangegroeid, daar Arthur een zusje Adele had gekregen, naar Hamburg. De vader had zich voorgenomen van den knaap een koopman te maken, maar de aanleg van den jongen wees in andere richting. Toen de vader, misschien door zelfmoord, plotseling gestorven was, gevoelde de zoon zich verplicht den wensch van den overledene te eerbiedigen en nam hij dus plaats op de kantoorkruk. De betrekkelijk nog jonge weduwe ging zich vestigen in Weimar, waar zij de vriendschap van Goethe genoot, en talrijke, zeer bewonderde romans schreef. De brieven, die uit dien tijd bewaard zijn gebleven, doen Johanna Schopenhauer als een beminnelijke, verstandige en[21]helderziende vrouw kennen. Zoo schreef zij in 1807 aan haar toen 19-jarigen zoon: „Ik ken uw hart en weet dat weinig menschen beter zijn dan gij. Maar al uwe goede eigenschappen worden verduisterd en als het ware verlamd door uwe aanmatiging. Ge wilt alles beter weten dan andere menschen, bij ieder behalve bij u zelven gebreken ontdekken en in uw omgeving steeds alles naar uwe hand zetten … Als ge niet waart die ge zijt, dan zoudt ge eenvoudig belachelijk wezen, maar nu verbittert ge allen tegen u”. In hetzelfde jaar schrijft zij hem nog: „Ik misken niet de goede kanten van uwe natuur en wat mij afstoot is niet uwe innerlijke gezindheid, maar uwe manier van beschouwen, veroordeelen, de wijze waarop ge u gedraagt. Wanneer ge eenige dagen bij ons doorbrengt, komt het altoos tot geweldige tooneelen om niets en minder dan niets. Uwe eeuwige jeremiaden, uw begrafenisgezicht, uw orakeltoon, dat alles drukt ter neer. Ik weet dat ge uw zwartgalligheid van uw vader geërfd hebt; tracht haar te overwinnen”.
In datzelfde jaar 1807 hield Arthur op klerk te zijn en begon hij zich met toestemming van zijn moeder tot de universitaire studiën aan het gymnasium van Gotha voor te bereiden. Satirieke verzen op een van de leeraren deden hem van daar verjagen. En nu kwam hij op het gymnasium te Weimar, maar zijn moeder wilde hem niet in huis hebben, en dus woonde hij bij[22]een der leeraren. In den tijd van twee jaar bracht hij het zoo ver in zijn klassieke studiën dat al de verloren tijd was ingehaald en hij in 1809 als student bij de faculteit der medicijnen aan de Universiteit te Göttingen kon worden ingeschreven. Hij was nu meerderjarig, had zijn klein fortuin in handen, en las Tacitus, Horatius, Lucretius, Herodotus, zonder zich veel om de geneeskunst te bekreunen, die hem bij nadere kennismaking niet scheen aan te trekken. Prof. Schulze (Aenesidemus), die zijn aanleg voor de philosofie doorzag, gaf hem den raad voorloopig enkel Plato en Kant te bestudeeren. Dien raad volgde hij op, en zoo werd hij door die twee groote denkers met de gedachte vertrouwd gemaakt, dat de wereld der verschijnselen en het ding op zich zelf twee zijn. Veel vrienden aan de academie schijnt hij niet gehad te hebben. In het curriculum vitae, dat hij later bij de Berlijner faculteit indiende, schreef hij betreffende zijn studentenjaren: „mijn rijper leeftijd, mijn rijker ervaring en mijn ongewoon karakter maakten dat ik verlaten en eenzaam was”. In het vreemdelingenboek van een oud kasteel schreef hij 5 Sept. 1811:
„Wohl manches Mal saht ihr mich einsam wandern,Und ernst und einsam geh’ ich jetzt zu andern”.
„Wohl manches Mal saht ihr mich einsam wandern,
Und ernst und einsam geh’ ich jetzt zu andern”.
Toch knoopte hij in Göttingen eenige vriendschapsbanden aan, b.v. met Osann en in 1820 noemde hij in[23]een brief aan dezen gericht, de Göttinger jaren de schoonste van zijn leven.
Vandaar ging hij naar Berlijn, waar hij Fichte en Schleiermacher hoorde, niet Hegel. Met Prof. Fichte disputeerde hij hevig op diens privatissima. Door den vrijheidsoorlog, voor welken hij volstrekt niets gevoelde, in het schrijven van zijn dissertatie gestoord, week hij uit naar Rudolstadt in Thüringen, waar hij tot zijn vreugde geen soldaat te zien, geen tamboer te hooren kreeg. Hij zond het handschrift van zijn dissertatie per post naar het naburige Jena, vanwaar hij na korten tijd, eveneens per post, zijn doctors-diploma ontving. Zijn dissertatie verscheen onder den titel: „Ueber die vierfache Wurzel des Satzes vom zureichenden Grunde”. Van dit merkwaardig geschrift, dat als de inleiding tot zijn hoofdwerk kan worden beschouwd, heeft hij later een vermeerderde editie in het licht gezonden.
Arthur keerde thans naar Weimar terug, waar hij veel met Goethe sprak. Er was groot verschil tusschen die beide mannen, gelijk daaruit blijkt, dat Schopenhauer in 1813 aan den beroemden grijsaard kon schrijven: „Van u zelf weet ik, dat letterkundige arbeid voor u altijd bijzaak, en het werkelijke leven hoofdzaak is geweest. Bij mij is het omgekeerde het geval; mijn denken, mijn werk, dat alleen heeft voor mij waarde en beteekenis”. Maar tevens was er overeenkomst in geestesrichting. Beiden waren zieners en wilden putten[24]uit de levende bron van ervaring en bewustzijn. Vandaar dat voor Schopenhauer de philosofie niet zoozeer wetenschap als wel kunst was. Hij streefde er naar een volkomen objektieve en door geen langwijlige redeneeringen bedorven wijsbegeerte te stichten, welke een echt kunstgewrocht zou zijn, daar zij „niet op den trant der philosofasters, van Fichte en zelfs van Spinoza, tusschen subjekt en objekt den bedriegelijken sluier van afgetrokken begrippen zou dulden”. Goethe beschreef in die dagen, in een brief aan Knobel, zijn jongenvriendals een merkwaardig man, „die met helderziende koppigheid bezig is het kaartenspel van onze moderne philosofen in de war te sturen”. Met profetischen blik voegt hij er aan toe: „het staat te bezien of de meesters in het vak hem in hun gilde zullen opnemen. Ik vind hem vol geest”. Goethe, getroffen door de rol, die Schopenhauer in zijn dissertatie bij het meetkundig betoog aan de aanschouwing wilde zien toegewezen, spoorde hem tot optische studiën aan, waarvan hij zelf in die dagen vervuld was. Inderdaad deed Schopenhauer later als tweede van zijne geschriften een boek „Ueber das Sehen und die Farben” verschijnen. Vóór de publicatie had hij zijn manuscript aan Goethe ter beoordeeling toegezonden, maar ondanks al zijn dringen en smeeken was het hem niet gelukt aan den dichter, die hem telkens zeer beleefd antwoordde, een enkel teeken van goed- of afkeuring te ontlokken. Schopenhauer[25]had het verschil der kleuren op een andere wijze dan Goethe het deed verklaard.
Johanna herbergde op dat oogenblik den romanschrijver Fr. Müller. Arthur toonde op zulk een wijze zijn misnoegen over de aanwezigheid van dien vreemdeling, dat de moeder er toe overging haar zoon de deur te wijzen. Dit geschiedde in Mei 1814. De breuk was onherstelbaar. Arthur ging naar Dresden en heeft noch zijn moeder, noch zijn zuster, met welke laatste hij ten minste voorloopig in briefwisseling bleef, ooit teruggezien.
In Dresden, destijds de artistieke hoofdstad van Duitschland, genoot Arthur veel van kunst. Ook had hij er enkele vrienden, waarvan er één aan Adele schreef: „Uw broeder is van nature teeder en gemoedelijk”. Intusschen werkte hij ijverig aan zijn: „Welt als Wille und Vorstellung”. Het boek verscheen in 1818 bij Brockhaus, maar werd zoo slecht verkocht en zoo totaal geïgnoreerd, dat de uitgeversfirma na verloop van eenigen tijd van het grootste aantal der exemplaren papierpap maakte.
Schopenhauer ging naar Italië. Zijn reis, gedurende welke hij in zijn journaal enkel philosofische gedachten neerschreef, werd op pijnlijke wijze afgebroken door de handelscrisis, die de firma trof, waaraan Johanna en Adele haar geheele vermogen en Arthur een aanzienlijk deel ervan hadden toevertrouwd. Hij verklaarde zich[26]bereid met moeder en zuster te deelen wat hij nog had overgehouden, maar weigerde halsstarrig in de schikking te treden, die door de overige schuldeischers werd aanvaard. Hij had geen koopmansgenie, doch stond op zijn recht en wantrouwde de menschen, ten gevolge waarvan hij hier de wijste partij koos. Na een paar jaar stond de firma weer overeind en kreeg Arthur al zijn geld terug, terwijl moeder en dochter twee derden van haar fortuin verloren hadden.
Intusschen wist hij niet vooraf hoe de zaak zou loopen en trachtte hij zich dus aan de universiteit te Berlijn een positie als leeraar te scheppen. Op 23 Maart 1823 hield hij zijn proefles. Hegel opponeerde, maar Schopenhauer antwoordde zoo flink, dat hem de titel van privaat-docent verleend werd. Nu ging Schopenhauer een half jaar lang 5 uur college per week geven. Hij had weinig of geen succes. Was het, omdat hij dezelfde uren had gekozen als waarop Hegel zijne lessen gaf? Zoolang het intellektualisme zijn zegetocht nog niet voleindigd had, kon het voluntarisme in geen geval gehoor vinden. Nadat zijn fortuin zich hersteld had, keerde Schopenhauer naar Italië terug. Hij schrijft vroolijke brieven aan Osann en geeft een vermakelijke schets van den levenslust, de bedriegelijkheid en welgemanierdheid der Italianen. Toch keert hij weer naar Berlijn terug en slijt daar zes jaren van zijn leven, totdat de cholera in 1831 hem ten gevolge van een[27]droom, waaraan hij waarschuwende kracht toekent, naar het gezonde Frankfort doet verhuizen. Hier blijft hij 27 jaren, tot aan zijn dood in 1860. Ervan overtuigd dat het uur van zijn beroemdheid zal komen, daar hij naar zijn inzien het wereldraadsel opgelost en aan de menschheid daarmee den grootst mogelijken dienst heeft bewezen, bewerkt hij een tweede editie van zijn „Welt als Wille und Vorstellung” en schrijft hij tevens zijn „Parerga und Paralipomena”, die als een toelichting op het hoofdwerk kunnen gelden. Ook verzamelt hij bij natuurvorschers en geneesheeren feiten, welke als openbaringen van den levenswil kunnen gelden en doet, wellicht op zijn eigen kosten, na een zwijgen van 18 jaren, in 1836 „Ueber den Willen in der Natur” verschijnen. Het boek wordt niet opgemerkt.
Zijn eerste voldoening van eigenliefde was, dat hij vermocht Rosenkrantz en Schubert te overtuigen dat niet, zooals hun plan was, de tweede, maar de eerste editie van de „Kritik der reinen Vernunft” bij de door hen voorgenomen uitgave van de complete werken van Kant moest worden gevolgd. Kort daarna in 1839 behaalt hij een gouden medaille met een verhandeling over de vrijheid van den wil bij de maatschappij van wetenschappen te Drontheim, maar een tweede prijsverhandeling over de grondslagen der moraal wordt door de maatschappij van wetenschappen te Kopenhagen afgewezen, vooral om het afschuwelijk schelden[28]op de „drie Sophisten”, Fichte, Schelling en Hegel. Hij vereenigt de twee stukken en geeft ze uit onder den titel „Die beiden Grundprobleme der Ethik”. De kritiek zwijgt ook dit werk dood. Eindelijk, in 1851 gelukt het zijn eersten discipel, een Jood van Russischen oorsprong, Julius Frauenstaedt, een uitgever in Berlijn te vinden voor de „Parerga”. Dit boek slaat in. Men ontdekt dat Schopenhauer een onovertroffen schrijver van essays is. Nu is de nieuwsgierigheid naar zijn vroegere werken opgewekt. Hij krijgt erkentelijke brieven van Bahnsen, een leeraar aan een gymnasium, van Lindner, een Berlijnsch journalist, van Adam von Doss, een Beiersch jurist, enz. De inhoud is steeds dezelfde. „De schillen zijn mij van de oogen gevallen. Vol verrassing roep ik uit: Heureka!” Een man als Saint-René-Taillandier schrijft over hem in deRevue des deux Mondes. Challemel-Lacour bezoekt hem en schrijft in deRevue des deux Mondesvan de ijskoude atmosfeer, welke hem bij die gelegenheid uit de half geopende deur van het „Niet” kwam toestroomen. Een niet minder bekend man, Foucher de Careil, dringt ook tot hem door en beschrijft hem als een grijsaard met levendige blauwe oogen, om welke een ietwat sarkastische glimlach speelt; het hooge voorhoofd met de uitstaande witte lokken verleent aan het geestig gelaat een stempel van zielenadel en voornaamheid. Zijn manieren zijn die van een man van de wereld. Hij is ouderwetsch gekleed[29]met een witte das en een kanten jabot. Van nature teruggetrokken, laat hij zich gaan als hij met vreemdelingen te doen heeft en dan is zijn gesprek buitengewoon levendig. Hij strooit rond met latijnsche, grieksche, fransche, engelsche, italiaansche citaten; de uren vliegen als minuten voorbij en als de middernachtsklok slaat, vertoonen zijn trekken niet de minste vermoeidheid en het vuur van zijn blik is geen seconde uitgedoofd geweest.
Zoo was de avond van zijn leven de dageraad van zijn roem.
Toen op 18 Sept. 1848 het oproer door de straten van Frankfort trok, leende hij met de grootste bereidwilligheid zijn kijker aan den Oostenrijkschen officier, die van uit zijn vensters op het souvereine gepeupel liet schieten, dat ginds op den brug een barricade opwierp. Twaalf jaar later bleek, dat hij aan de soldaten, die bij de verdediging van de wettelijke orde invalide waren geworden, het leeuwendeel van zijn vermogen had nagelaten. Geldgeschenken waren toegewezen aan bloedverwanten, aan een oude dienstmaagd, die tevens zijn meubels en zilverwerk kreeg, en aan een tooneelprinses, die indertijd zijn hartevriendin was geweest. Ook zijn hond had hij niet vergeten; deze erfde f 300 voor zijn levensonderhoud. Frauenstaedt kreeg de manuscripten en op hem gingen al de auteursrechten over. Gwinner, rechter in Frankfort, uitvoerder van den[30]laatsten wil, kwam in het bezit van zijn bibliotheek.
Het was in tegenwoordigheid van dezen Gwinner, dat Schopenhauer eens, na lang op het portret van de Rancé, den stichter van de orde der Trappisten, te hebben gestaard, op neerslachtigen toon zei: „Dat is het werk der genade”. Schopenhauer heeft de wereldverloochenaars, zijn heiligen, vurig bewonderd, maar zelf niet als een hunner geleefd. Hij was geen zonnige natuur, stak vol grieven. Zoo tegen de vrouwen, de schepselen met lange haren en korte gedachten. Zoo vooral tegen de Joden, die met hun scheppingsleer de Europeesche menschheid vergiftigd hadden. Hij was niet goedhartig, maar wel volkomen eerlijk tegenover zichzelf en anderen; hij meende alles wat hij zeide; dat was zijn kracht als schrijver. Hij was veel vatbaarder voor pijnlijke dan voor aangename indrukken. Reeds in zijn jeugd was het zoo. Twee jaar lang heeft hij toen met zijn ouders door Europa gezworven. Als hij aan armoedige hutten voorbijkwam, was zijn genot voor den geheelen dag vergald. Men begrijpt dat hij in Toulon van het verblijf der galeiboeven een onuitwischbaren indruk had gekregen. Hij heeft zich dikwijls zeer eenzaam gevoeld en zich ten slotte met de gedachte getroost: zoo is het lot der Koningen! Waarom is hij ongehuwd gebleven? In Venetië was hij zoo verliefd op een rijke jonge dame van goeden huize, dat hij, jaloersch van hare bewondering voor Byron, den introductiebrief[31]bij den engelschen dichter, dien hij van Goethe had meegekregen, niet afgaf. Wij weten dit uit een brief van Arthur aan zijn zuster. Verder weten wij niets van deze episode in zijn leven. Wel weten we iets anders. Reeds in 1814 noteerde hij voor zich zelf een woord uit het Indisch geschrift „Oepnethak”: „als de kennis komt, verdwijnt de liefde”. Later werd datzelfde woord het motto voor een deel van zijn hoofdwerk.
Schopenhauer was hartstochtelijk in ieder opzicht. Wanneer een gedachte hem voor den geest zweefde, liet hij alles in den steek om haar op te vangen, en hare waarde te toetsen. Hij heeft de weelde van het genie gekend en was er van overtuigd, dat zijn intellekt niet aan hem zelf, maar aan de wereld toebehoorde, dat hij een zending had. Zijn denken is de éénheid van zijn leven geweest. Zijn altijd bezige geest was er steeds op uit om één en dezelfde gedachte toe te lichten. Want zijn stelsel bestond, gelijk hij zelf heeft erkend, uit ééne gedachte: de tegenstelling van verschijnsel en wil. Hij vergeleek het met Thebe, waar men door honderd poorten kon binnen treden en steeds op hetzelfde middelpunt uitkwam.
Op 4 Sept. 1860 werd hij dood op zijn kanapé gevonden.
Doch genoeg over Schopenhauer en zijn werk. Thans willen wij hem zelf het woord geven.[32]