XIV.

XIV.Het bal bij den goeverneur had eenige dagen later plaats. Mathias Ilitsj bleek inderdaad de koning van het feest. De predwodietjel1verklaarde ieder, die het wilde hooren, dat hij uitsluitend te zijner eer was gekomen. De goeverneur zelf ging gedurende het bal, met de grootste nauwgezetheid voort, regeeringszaken af te handelen. Mathias Ilitsj' opgewekte stemming deed niets af aan den adel zijner houding. Voor ieder had hij een vriendelijk woord, voor den een met een nuance van hoogachting, voor den ander min of meer uit de hoogte. „En vrai chevalier français” overstelpte hij de dames met beleefdheden en lachte voortdurend in dien fijnen, geluidloozen toonaard, zooals dat voor een man van aanzien past. Hij klopte Arkadiej op den schouder en noemde hem duidelijk hoorbaar zijn besten neef.Bazarof, die een eenigszins kalen rok aan had, mocht zich gelukkig achten met een verstrooiden, maar welwillenden blik nu en dan en een minzaam gemompel, waarin alleen den superlatief-uitgangen het voornaamwoord „ik” verstaanbaar waren. Sitnikof kreeg een vinger toegestoken, waarbij hij glimlachte zonder hem aan te zien. En zelfs mevrouw Koeksjin, die zonder crinoline en met vuile handschoenen, maar met een grooten paradijsvogel in het haar verschenen was, wist hem eenenchantéte ontlokken. Er waren veel menschen en vooral veel heeren. De gerokte stonden meest tegen de muren, maar de militairen dansten hartstochtelijk. Onder deze blonk één uit, die zes weken in Parijs was geweest en derhalve uitdrukkingen alsah! fichtre! pst! mon bibi!had meegebracht, welke hij dan ook volmaakt, met echt Parijsch flair uitsprak, hetgeen echter niet verhinderde, dat hijsi j’aurais, in plaats vansi j’avaiszei enabolumentvoor „zeer zeker”. Hij sprak dus Russisch-Fransch, waar mee de Franschen, den spot drijven, zoolang zij ons niet verzekeren, dat wij hun taal sprekencomme des anges!Arkadiej danste weinig en Bazarof in ’t geheel niet. Met Sitnikof trokken zij zich in een hoekje terug. Deze maakte opmerkingen, die zoogenaamd scherp waren en glimlachte daarbij verachtend, terwijl hij uitdagend rondkeek en bizonder met zich zelf ingenomen was. Maar op een gegeven oogenblik veranderde zijn houding en fluisterde hij Arkadiej opgewonden toe:—Daar is mevrouw Odintsof.Arkadiej keek en zag een slanke, in het zwart gekleede vrouw binnenkomen. Het voorname in haar wezen verraste hem. Haar bloote armen rondden teêr langs de ranke lichaamslijn, lichte fochsiabloesem vielen van haar glanzend kapsel over demooie schouders. Haar klare oogen waren meer verstandig en rustig dan peinzend. Een blank voorhoofd welfde zich zacht daarboven. Heel even glimlachte haar mond. Beminlijke en teedere kracht ademde heel haar wezen.—Kent u haar? vroeg Arkadiej.—Heel goed. Zal ik u voorstellen?—Gaarne... na dezen dans.Bazarof merkte mevrouw Odintsof ook op.—Wie is die daar? vroeg hij. Dat is heel iets anders als de rest.Na den dans bracht Sitnikof Arkadiej bij mevrouw Odintsof. Maar hij scheen lang niet zoo bevriend met haar als hij gezegd had. Hij kon niet goed uit zijn woorden komen en zij keek hem met eenige verbazing aan. Er kwam echter iets vriendelijks in haar gezicht, toen zij Arkadiej’s familienaam hoorde. Ze vroeg, of hij de zoon van Nikolaas Petrowitsj was.—Ja, antwoordde hij.—Ik heb uw vader tweemaal gezien en dikwijls over hem hooren spreken. Ik ben verheugd, u te hebben leeren kennen.Op dit oogenblik kwam een adjudant haar vragen voor een quadrille en ze nam aan.—U danst dus? vroeg Arkadiej eerbiedig.—Ja, maar waarom denkt u, dat ik niet zou dansen? Vindt u mij te oud om te dansen?—Hoe kunt u dat veronderstellen? Mag ik misschien de volgende mazurka?Zij glimlachte.—Heel graag, antwoordde ze en keek hem aan zooals gehuwde zusters hun jongere broedersaankijken. Ze was wat ouder dan Arkadiej. Negen en twintig. Maar Arkadiej voelde zich in haar tegenwoordigheid als een jong student, een schooljongen, alsof het verschil in leeftijd nog veel grooter was. Mathias Ilitsj kwam met majestueus gebaar op haar toe en begon zijn complimenten. Arkadiej trad terug. Maar volgde haar met de oogen gedurende den dans. Ze praatte even natuurlijk met haar danser als met Mathias Ilitsj, en daarbij bewoog ze hoofd en oogen langzaam van de eene zijde naar de andere. Arkadiej hoorde haar twee of driemaal zachtjes lachen. Ze had, zooals bijna alle Russische vrouwen, een misschien wat grooten neus en haar teint was niet volkomen blank. Toch moest Arkadiej zich zelf bekennen, dat hij nooit een meer volmaakte schoonheid had gezien. Voortdurend hoorde hij den toon van haar stem. Hij vond zelfs, dat de plooien van haar kleed anders vielen als bij andere vrouwen, rijker, meer harmonisch, doordat al haar bewegingen van zulk een edele, natuurlijke gratie waren.Bij de eerste tonen der mazurka beefde Arkadiej. Hij ging naast haar zitten en omdat hij niet wist, wat te zeggen, streek hij verlegen met de hand door het haar. Maar dat duurde niet lang. Haar kalmte bracht hem tot zich zelf. En weldra keuvelde hij onbevangen over zijn oom en vader, van hun levenswijs in Petersburg en op het land. Mevrouw Odintsof luisterde met welwillende oplettendheid, terwijl ze haar waaier op en neer bewoog. Alleen door de komst van cavaliers, die hun dans verzochten, werden zij nu en dan gestoord. Sitnikof kwam tweemaal. Daarna keerde zij weer terugen speelde weer met den waaier, zonder dat eenige opwinding haar borst sneller deed kloppen. En Arkadiej vertelde verder, gelukkig, haar naast zich te weten, haar oogen en voorhoofd, haar ernstig, lief gezicht te kunnen zien. Zij sprak weinig, maar als een vrouw met zekere levenswijsheid. Arkadiej begreep, dat haar jaren niet zonder ontroeringen waren geweest, dat ze had leeren nadenken.—Wien had u straks bij u, toen Sitnikof u voorstelde? vroeg ze.—Hebt u hem opgemerkt? Een typische kop, vindt u niet? Dat is mijn vriend Bazarof.En Arkadiej begon nu over hem te spreken. Hij verviel daarbij in allerlei bizonderheden en raakte zoo in vuur, dat mevrouw Odintsof met veel belangstelling naar hem omkeek. Toen was de mazurka afgeloopen. Het speet Arkadiej, dat hij zich nu verwijderen moest. De tijd was zoo aangenaam vergaan. Wel had hij voortdurend gevoeld, dat ze hem met zekere kleinachting behandelde maar hij was daar dankbaar voor. Want jonge harten voelen zich niet vernederd door de beschermende welwillendheid eener schoone vrouw.De muziek zweeg.—Dank u, zei mevrouw Odintsof, en stond op, u hebt beloofd, mij te bezoeken. Ik hoop, dat u dan uw vriend meebrengt. Ik ben zeer benieuwd, een man te leeren kennen, die den moed heeft aan niets te gelooven.De goeverneur trad op mevrouw Odintsof toe, deelde haar mede, dat het souper wachtte en bood haar zakelijk den arm. Zij keek bij het weggaan nog eens naar Arkadiej om en knikte hem glimlachendtoe. Hij boog diep, volgde haar met de oogen, hoe elastisch-elegant die gestalte in de zwarte zijde—en dacht: ze heeft me allang vergeten! En meteen kwam een gevoel van vrede door zijn ziel, streelend...—En, vroeg Bazarof hem, zoodra hij terug was in hun hoekje, heb je geluk gehad? Ik heb me laten vertellen, dat die vrouw... nu ja... Trouwens, de man, die het me verzekerde, kan wel een idioot zijn. Wat denk jij? Zou ze werkelijk... hm... hm...—Ik weet niet, wat je bedoelt met hm, hm, antwoordde Arkadiej.—De lieve onschuld!—Als ’t zoo bedoeld is, begrijp ik je zegsman niet. Mevrouw Odintsof is charmant, maar zoo koel en stil, dat...— Stille wateren hebben diepe gronden, zei Bazarof. Is ze koud? Dat maakt haar belangrijk. Hou je niet van ijs, en zoo?—Dat is best mogelijk, zei Arkadiej, ik wil daar niet over oordeelen. Maar ze wil kennis met je maken en heeft me gevraagd, je mee te brengen.—Je hebt haar zeker fijne dingen van me verteld. Maar dat neem ik je niet kwalijk. Maar wie ze ook is, een gewone kokette of een geëmancipeerde als mevrouw Koeksjin, mooie schouders heeft ze!Het cynische in deze woorden deed Arkadiej pijn, maar zooals meestal gooide hij het over een anderen boeg en verweet zijn vriend iets geheel anders:—Waarom gun je den vrouwen hun recht op denken niet? vroeg hij fluisterend.—Omdat ik gemerkt heb, dat alle vrouwen, die van dat recht gebruik maken, ware vogelverschrikkers zijn.Hiermede eindigde het gesprek. De vrienden gingen weg onmiddellijk na het souper. Madame Koeksjin wierp hem een boos lachje toe. Zij hadden haar niet de minste oplettendheid bewezen en haar ijdelheid was beleedigd. Zij bleef tot het einde en danste nog om vier uur ’s morgens met Sitnikof een polka op parijsche manier.En met dit hartverheffende tooneel eindigde het bal bij den goeverneur.1De oudste, voorzitter, des adels van het goevernement.↑

XIV.Het bal bij den goeverneur had eenige dagen later plaats. Mathias Ilitsj bleek inderdaad de koning van het feest. De predwodietjel1verklaarde ieder, die het wilde hooren, dat hij uitsluitend te zijner eer was gekomen. De goeverneur zelf ging gedurende het bal, met de grootste nauwgezetheid voort, regeeringszaken af te handelen. Mathias Ilitsj' opgewekte stemming deed niets af aan den adel zijner houding. Voor ieder had hij een vriendelijk woord, voor den een met een nuance van hoogachting, voor den ander min of meer uit de hoogte. „En vrai chevalier français” overstelpte hij de dames met beleefdheden en lachte voortdurend in dien fijnen, geluidloozen toonaard, zooals dat voor een man van aanzien past. Hij klopte Arkadiej op den schouder en noemde hem duidelijk hoorbaar zijn besten neef.Bazarof, die een eenigszins kalen rok aan had, mocht zich gelukkig achten met een verstrooiden, maar welwillenden blik nu en dan en een minzaam gemompel, waarin alleen den superlatief-uitgangen het voornaamwoord „ik” verstaanbaar waren. Sitnikof kreeg een vinger toegestoken, waarbij hij glimlachte zonder hem aan te zien. En zelfs mevrouw Koeksjin, die zonder crinoline en met vuile handschoenen, maar met een grooten paradijsvogel in het haar verschenen was, wist hem eenenchantéte ontlokken. Er waren veel menschen en vooral veel heeren. De gerokte stonden meest tegen de muren, maar de militairen dansten hartstochtelijk. Onder deze blonk één uit, die zes weken in Parijs was geweest en derhalve uitdrukkingen alsah! fichtre! pst! mon bibi!had meegebracht, welke hij dan ook volmaakt, met echt Parijsch flair uitsprak, hetgeen echter niet verhinderde, dat hijsi j’aurais, in plaats vansi j’avaiszei enabolumentvoor „zeer zeker”. Hij sprak dus Russisch-Fransch, waar mee de Franschen, den spot drijven, zoolang zij ons niet verzekeren, dat wij hun taal sprekencomme des anges!Arkadiej danste weinig en Bazarof in ’t geheel niet. Met Sitnikof trokken zij zich in een hoekje terug. Deze maakte opmerkingen, die zoogenaamd scherp waren en glimlachte daarbij verachtend, terwijl hij uitdagend rondkeek en bizonder met zich zelf ingenomen was. Maar op een gegeven oogenblik veranderde zijn houding en fluisterde hij Arkadiej opgewonden toe:—Daar is mevrouw Odintsof.Arkadiej keek en zag een slanke, in het zwart gekleede vrouw binnenkomen. Het voorname in haar wezen verraste hem. Haar bloote armen rondden teêr langs de ranke lichaamslijn, lichte fochsiabloesem vielen van haar glanzend kapsel over demooie schouders. Haar klare oogen waren meer verstandig en rustig dan peinzend. Een blank voorhoofd welfde zich zacht daarboven. Heel even glimlachte haar mond. Beminlijke en teedere kracht ademde heel haar wezen.—Kent u haar? vroeg Arkadiej.—Heel goed. Zal ik u voorstellen?—Gaarne... na dezen dans.Bazarof merkte mevrouw Odintsof ook op.—Wie is die daar? vroeg hij. Dat is heel iets anders als de rest.Na den dans bracht Sitnikof Arkadiej bij mevrouw Odintsof. Maar hij scheen lang niet zoo bevriend met haar als hij gezegd had. Hij kon niet goed uit zijn woorden komen en zij keek hem met eenige verbazing aan. Er kwam echter iets vriendelijks in haar gezicht, toen zij Arkadiej’s familienaam hoorde. Ze vroeg, of hij de zoon van Nikolaas Petrowitsj was.—Ja, antwoordde hij.—Ik heb uw vader tweemaal gezien en dikwijls over hem hooren spreken. Ik ben verheugd, u te hebben leeren kennen.Op dit oogenblik kwam een adjudant haar vragen voor een quadrille en ze nam aan.—U danst dus? vroeg Arkadiej eerbiedig.—Ja, maar waarom denkt u, dat ik niet zou dansen? Vindt u mij te oud om te dansen?—Hoe kunt u dat veronderstellen? Mag ik misschien de volgende mazurka?Zij glimlachte.—Heel graag, antwoordde ze en keek hem aan zooals gehuwde zusters hun jongere broedersaankijken. Ze was wat ouder dan Arkadiej. Negen en twintig. Maar Arkadiej voelde zich in haar tegenwoordigheid als een jong student, een schooljongen, alsof het verschil in leeftijd nog veel grooter was. Mathias Ilitsj kwam met majestueus gebaar op haar toe en begon zijn complimenten. Arkadiej trad terug. Maar volgde haar met de oogen gedurende den dans. Ze praatte even natuurlijk met haar danser als met Mathias Ilitsj, en daarbij bewoog ze hoofd en oogen langzaam van de eene zijde naar de andere. Arkadiej hoorde haar twee of driemaal zachtjes lachen. Ze had, zooals bijna alle Russische vrouwen, een misschien wat grooten neus en haar teint was niet volkomen blank. Toch moest Arkadiej zich zelf bekennen, dat hij nooit een meer volmaakte schoonheid had gezien. Voortdurend hoorde hij den toon van haar stem. Hij vond zelfs, dat de plooien van haar kleed anders vielen als bij andere vrouwen, rijker, meer harmonisch, doordat al haar bewegingen van zulk een edele, natuurlijke gratie waren.Bij de eerste tonen der mazurka beefde Arkadiej. Hij ging naast haar zitten en omdat hij niet wist, wat te zeggen, streek hij verlegen met de hand door het haar. Maar dat duurde niet lang. Haar kalmte bracht hem tot zich zelf. En weldra keuvelde hij onbevangen over zijn oom en vader, van hun levenswijs in Petersburg en op het land. Mevrouw Odintsof luisterde met welwillende oplettendheid, terwijl ze haar waaier op en neer bewoog. Alleen door de komst van cavaliers, die hun dans verzochten, werden zij nu en dan gestoord. Sitnikof kwam tweemaal. Daarna keerde zij weer terugen speelde weer met den waaier, zonder dat eenige opwinding haar borst sneller deed kloppen. En Arkadiej vertelde verder, gelukkig, haar naast zich te weten, haar oogen en voorhoofd, haar ernstig, lief gezicht te kunnen zien. Zij sprak weinig, maar als een vrouw met zekere levenswijsheid. Arkadiej begreep, dat haar jaren niet zonder ontroeringen waren geweest, dat ze had leeren nadenken.—Wien had u straks bij u, toen Sitnikof u voorstelde? vroeg ze.—Hebt u hem opgemerkt? Een typische kop, vindt u niet? Dat is mijn vriend Bazarof.En Arkadiej begon nu over hem te spreken. Hij verviel daarbij in allerlei bizonderheden en raakte zoo in vuur, dat mevrouw Odintsof met veel belangstelling naar hem omkeek. Toen was de mazurka afgeloopen. Het speet Arkadiej, dat hij zich nu verwijderen moest. De tijd was zoo aangenaam vergaan. Wel had hij voortdurend gevoeld, dat ze hem met zekere kleinachting behandelde maar hij was daar dankbaar voor. Want jonge harten voelen zich niet vernederd door de beschermende welwillendheid eener schoone vrouw.De muziek zweeg.—Dank u, zei mevrouw Odintsof, en stond op, u hebt beloofd, mij te bezoeken. Ik hoop, dat u dan uw vriend meebrengt. Ik ben zeer benieuwd, een man te leeren kennen, die den moed heeft aan niets te gelooven.De goeverneur trad op mevrouw Odintsof toe, deelde haar mede, dat het souper wachtte en bood haar zakelijk den arm. Zij keek bij het weggaan nog eens naar Arkadiej om en knikte hem glimlachendtoe. Hij boog diep, volgde haar met de oogen, hoe elastisch-elegant die gestalte in de zwarte zijde—en dacht: ze heeft me allang vergeten! En meteen kwam een gevoel van vrede door zijn ziel, streelend...—En, vroeg Bazarof hem, zoodra hij terug was in hun hoekje, heb je geluk gehad? Ik heb me laten vertellen, dat die vrouw... nu ja... Trouwens, de man, die het me verzekerde, kan wel een idioot zijn. Wat denk jij? Zou ze werkelijk... hm... hm...—Ik weet niet, wat je bedoelt met hm, hm, antwoordde Arkadiej.—De lieve onschuld!—Als ’t zoo bedoeld is, begrijp ik je zegsman niet. Mevrouw Odintsof is charmant, maar zoo koel en stil, dat...— Stille wateren hebben diepe gronden, zei Bazarof. Is ze koud? Dat maakt haar belangrijk. Hou je niet van ijs, en zoo?—Dat is best mogelijk, zei Arkadiej, ik wil daar niet over oordeelen. Maar ze wil kennis met je maken en heeft me gevraagd, je mee te brengen.—Je hebt haar zeker fijne dingen van me verteld. Maar dat neem ik je niet kwalijk. Maar wie ze ook is, een gewone kokette of een geëmancipeerde als mevrouw Koeksjin, mooie schouders heeft ze!Het cynische in deze woorden deed Arkadiej pijn, maar zooals meestal gooide hij het over een anderen boeg en verweet zijn vriend iets geheel anders:—Waarom gun je den vrouwen hun recht op denken niet? vroeg hij fluisterend.—Omdat ik gemerkt heb, dat alle vrouwen, die van dat recht gebruik maken, ware vogelverschrikkers zijn.Hiermede eindigde het gesprek. De vrienden gingen weg onmiddellijk na het souper. Madame Koeksjin wierp hem een boos lachje toe. Zij hadden haar niet de minste oplettendheid bewezen en haar ijdelheid was beleedigd. Zij bleef tot het einde en danste nog om vier uur ’s morgens met Sitnikof een polka op parijsche manier.En met dit hartverheffende tooneel eindigde het bal bij den goeverneur.1De oudste, voorzitter, des adels van het goevernement.↑

XIV.

Het bal bij den goeverneur had eenige dagen later plaats. Mathias Ilitsj bleek inderdaad de koning van het feest. De predwodietjel1verklaarde ieder, die het wilde hooren, dat hij uitsluitend te zijner eer was gekomen. De goeverneur zelf ging gedurende het bal, met de grootste nauwgezetheid voort, regeeringszaken af te handelen. Mathias Ilitsj' opgewekte stemming deed niets af aan den adel zijner houding. Voor ieder had hij een vriendelijk woord, voor den een met een nuance van hoogachting, voor den ander min of meer uit de hoogte. „En vrai chevalier français” overstelpte hij de dames met beleefdheden en lachte voortdurend in dien fijnen, geluidloozen toonaard, zooals dat voor een man van aanzien past. Hij klopte Arkadiej op den schouder en noemde hem duidelijk hoorbaar zijn besten neef.Bazarof, die een eenigszins kalen rok aan had, mocht zich gelukkig achten met een verstrooiden, maar welwillenden blik nu en dan en een minzaam gemompel, waarin alleen den superlatief-uitgangen het voornaamwoord „ik” verstaanbaar waren. Sitnikof kreeg een vinger toegestoken, waarbij hij glimlachte zonder hem aan te zien. En zelfs mevrouw Koeksjin, die zonder crinoline en met vuile handschoenen, maar met een grooten paradijsvogel in het haar verschenen was, wist hem eenenchantéte ontlokken. Er waren veel menschen en vooral veel heeren. De gerokte stonden meest tegen de muren, maar de militairen dansten hartstochtelijk. Onder deze blonk één uit, die zes weken in Parijs was geweest en derhalve uitdrukkingen alsah! fichtre! pst! mon bibi!had meegebracht, welke hij dan ook volmaakt, met echt Parijsch flair uitsprak, hetgeen echter niet verhinderde, dat hijsi j’aurais, in plaats vansi j’avaiszei enabolumentvoor „zeer zeker”. Hij sprak dus Russisch-Fransch, waar mee de Franschen, den spot drijven, zoolang zij ons niet verzekeren, dat wij hun taal sprekencomme des anges!Arkadiej danste weinig en Bazarof in ’t geheel niet. Met Sitnikof trokken zij zich in een hoekje terug. Deze maakte opmerkingen, die zoogenaamd scherp waren en glimlachte daarbij verachtend, terwijl hij uitdagend rondkeek en bizonder met zich zelf ingenomen was. Maar op een gegeven oogenblik veranderde zijn houding en fluisterde hij Arkadiej opgewonden toe:—Daar is mevrouw Odintsof.Arkadiej keek en zag een slanke, in het zwart gekleede vrouw binnenkomen. Het voorname in haar wezen verraste hem. Haar bloote armen rondden teêr langs de ranke lichaamslijn, lichte fochsiabloesem vielen van haar glanzend kapsel over demooie schouders. Haar klare oogen waren meer verstandig en rustig dan peinzend. Een blank voorhoofd welfde zich zacht daarboven. Heel even glimlachte haar mond. Beminlijke en teedere kracht ademde heel haar wezen.—Kent u haar? vroeg Arkadiej.—Heel goed. Zal ik u voorstellen?—Gaarne... na dezen dans.Bazarof merkte mevrouw Odintsof ook op.—Wie is die daar? vroeg hij. Dat is heel iets anders als de rest.Na den dans bracht Sitnikof Arkadiej bij mevrouw Odintsof. Maar hij scheen lang niet zoo bevriend met haar als hij gezegd had. Hij kon niet goed uit zijn woorden komen en zij keek hem met eenige verbazing aan. Er kwam echter iets vriendelijks in haar gezicht, toen zij Arkadiej’s familienaam hoorde. Ze vroeg, of hij de zoon van Nikolaas Petrowitsj was.—Ja, antwoordde hij.—Ik heb uw vader tweemaal gezien en dikwijls over hem hooren spreken. Ik ben verheugd, u te hebben leeren kennen.Op dit oogenblik kwam een adjudant haar vragen voor een quadrille en ze nam aan.—U danst dus? vroeg Arkadiej eerbiedig.—Ja, maar waarom denkt u, dat ik niet zou dansen? Vindt u mij te oud om te dansen?—Hoe kunt u dat veronderstellen? Mag ik misschien de volgende mazurka?Zij glimlachte.—Heel graag, antwoordde ze en keek hem aan zooals gehuwde zusters hun jongere broedersaankijken. Ze was wat ouder dan Arkadiej. Negen en twintig. Maar Arkadiej voelde zich in haar tegenwoordigheid als een jong student, een schooljongen, alsof het verschil in leeftijd nog veel grooter was. Mathias Ilitsj kwam met majestueus gebaar op haar toe en begon zijn complimenten. Arkadiej trad terug. Maar volgde haar met de oogen gedurende den dans. Ze praatte even natuurlijk met haar danser als met Mathias Ilitsj, en daarbij bewoog ze hoofd en oogen langzaam van de eene zijde naar de andere. Arkadiej hoorde haar twee of driemaal zachtjes lachen. Ze had, zooals bijna alle Russische vrouwen, een misschien wat grooten neus en haar teint was niet volkomen blank. Toch moest Arkadiej zich zelf bekennen, dat hij nooit een meer volmaakte schoonheid had gezien. Voortdurend hoorde hij den toon van haar stem. Hij vond zelfs, dat de plooien van haar kleed anders vielen als bij andere vrouwen, rijker, meer harmonisch, doordat al haar bewegingen van zulk een edele, natuurlijke gratie waren.Bij de eerste tonen der mazurka beefde Arkadiej. Hij ging naast haar zitten en omdat hij niet wist, wat te zeggen, streek hij verlegen met de hand door het haar. Maar dat duurde niet lang. Haar kalmte bracht hem tot zich zelf. En weldra keuvelde hij onbevangen over zijn oom en vader, van hun levenswijs in Petersburg en op het land. Mevrouw Odintsof luisterde met welwillende oplettendheid, terwijl ze haar waaier op en neer bewoog. Alleen door de komst van cavaliers, die hun dans verzochten, werden zij nu en dan gestoord. Sitnikof kwam tweemaal. Daarna keerde zij weer terugen speelde weer met den waaier, zonder dat eenige opwinding haar borst sneller deed kloppen. En Arkadiej vertelde verder, gelukkig, haar naast zich te weten, haar oogen en voorhoofd, haar ernstig, lief gezicht te kunnen zien. Zij sprak weinig, maar als een vrouw met zekere levenswijsheid. Arkadiej begreep, dat haar jaren niet zonder ontroeringen waren geweest, dat ze had leeren nadenken.—Wien had u straks bij u, toen Sitnikof u voorstelde? vroeg ze.—Hebt u hem opgemerkt? Een typische kop, vindt u niet? Dat is mijn vriend Bazarof.En Arkadiej begon nu over hem te spreken. Hij verviel daarbij in allerlei bizonderheden en raakte zoo in vuur, dat mevrouw Odintsof met veel belangstelling naar hem omkeek. Toen was de mazurka afgeloopen. Het speet Arkadiej, dat hij zich nu verwijderen moest. De tijd was zoo aangenaam vergaan. Wel had hij voortdurend gevoeld, dat ze hem met zekere kleinachting behandelde maar hij was daar dankbaar voor. Want jonge harten voelen zich niet vernederd door de beschermende welwillendheid eener schoone vrouw.De muziek zweeg.—Dank u, zei mevrouw Odintsof, en stond op, u hebt beloofd, mij te bezoeken. Ik hoop, dat u dan uw vriend meebrengt. Ik ben zeer benieuwd, een man te leeren kennen, die den moed heeft aan niets te gelooven.De goeverneur trad op mevrouw Odintsof toe, deelde haar mede, dat het souper wachtte en bood haar zakelijk den arm. Zij keek bij het weggaan nog eens naar Arkadiej om en knikte hem glimlachendtoe. Hij boog diep, volgde haar met de oogen, hoe elastisch-elegant die gestalte in de zwarte zijde—en dacht: ze heeft me allang vergeten! En meteen kwam een gevoel van vrede door zijn ziel, streelend...—En, vroeg Bazarof hem, zoodra hij terug was in hun hoekje, heb je geluk gehad? Ik heb me laten vertellen, dat die vrouw... nu ja... Trouwens, de man, die het me verzekerde, kan wel een idioot zijn. Wat denk jij? Zou ze werkelijk... hm... hm...—Ik weet niet, wat je bedoelt met hm, hm, antwoordde Arkadiej.—De lieve onschuld!—Als ’t zoo bedoeld is, begrijp ik je zegsman niet. Mevrouw Odintsof is charmant, maar zoo koel en stil, dat...— Stille wateren hebben diepe gronden, zei Bazarof. Is ze koud? Dat maakt haar belangrijk. Hou je niet van ijs, en zoo?—Dat is best mogelijk, zei Arkadiej, ik wil daar niet over oordeelen. Maar ze wil kennis met je maken en heeft me gevraagd, je mee te brengen.—Je hebt haar zeker fijne dingen van me verteld. Maar dat neem ik je niet kwalijk. Maar wie ze ook is, een gewone kokette of een geëmancipeerde als mevrouw Koeksjin, mooie schouders heeft ze!Het cynische in deze woorden deed Arkadiej pijn, maar zooals meestal gooide hij het over een anderen boeg en verweet zijn vriend iets geheel anders:—Waarom gun je den vrouwen hun recht op denken niet? vroeg hij fluisterend.—Omdat ik gemerkt heb, dat alle vrouwen, die van dat recht gebruik maken, ware vogelverschrikkers zijn.Hiermede eindigde het gesprek. De vrienden gingen weg onmiddellijk na het souper. Madame Koeksjin wierp hem een boos lachje toe. Zij hadden haar niet de minste oplettendheid bewezen en haar ijdelheid was beleedigd. Zij bleef tot het einde en danste nog om vier uur ’s morgens met Sitnikof een polka op parijsche manier.En met dit hartverheffende tooneel eindigde het bal bij den goeverneur.

Het bal bij den goeverneur had eenige dagen later plaats. Mathias Ilitsj bleek inderdaad de koning van het feest. De predwodietjel1verklaarde ieder, die het wilde hooren, dat hij uitsluitend te zijner eer was gekomen. De goeverneur zelf ging gedurende het bal, met de grootste nauwgezetheid voort, regeeringszaken af te handelen. Mathias Ilitsj' opgewekte stemming deed niets af aan den adel zijner houding. Voor ieder had hij een vriendelijk woord, voor den een met een nuance van hoogachting, voor den ander min of meer uit de hoogte. „En vrai chevalier français” overstelpte hij de dames met beleefdheden en lachte voortdurend in dien fijnen, geluidloozen toonaard, zooals dat voor een man van aanzien past. Hij klopte Arkadiej op den schouder en noemde hem duidelijk hoorbaar zijn besten neef.Bazarof, die een eenigszins kalen rok aan had, mocht zich gelukkig achten met een verstrooiden, maar welwillenden blik nu en dan en een minzaam gemompel, waarin alleen den superlatief-uitgangen het voornaamwoord „ik” verstaanbaar waren. Sitnikof kreeg een vinger toegestoken, waarbij hij glimlachte zonder hem aan te zien. En zelfs mevrouw Koeksjin, die zonder crinoline en met vuile handschoenen, maar met een grooten paradijsvogel in het haar verschenen was, wist hem eenenchantéte ontlokken. Er waren veel menschen en vooral veel heeren. De gerokte stonden meest tegen de muren, maar de militairen dansten hartstochtelijk. Onder deze blonk één uit, die zes weken in Parijs was geweest en derhalve uitdrukkingen alsah! fichtre! pst! mon bibi!had meegebracht, welke hij dan ook volmaakt, met echt Parijsch flair uitsprak, hetgeen echter niet verhinderde, dat hijsi j’aurais, in plaats vansi j’avaiszei enabolumentvoor „zeer zeker”. Hij sprak dus Russisch-Fransch, waar mee de Franschen, den spot drijven, zoolang zij ons niet verzekeren, dat wij hun taal sprekencomme des anges!

Arkadiej danste weinig en Bazarof in ’t geheel niet. Met Sitnikof trokken zij zich in een hoekje terug. Deze maakte opmerkingen, die zoogenaamd scherp waren en glimlachte daarbij verachtend, terwijl hij uitdagend rondkeek en bizonder met zich zelf ingenomen was. Maar op een gegeven oogenblik veranderde zijn houding en fluisterde hij Arkadiej opgewonden toe:

—Daar is mevrouw Odintsof.

Arkadiej keek en zag een slanke, in het zwart gekleede vrouw binnenkomen. Het voorname in haar wezen verraste hem. Haar bloote armen rondden teêr langs de ranke lichaamslijn, lichte fochsiabloesem vielen van haar glanzend kapsel over demooie schouders. Haar klare oogen waren meer verstandig en rustig dan peinzend. Een blank voorhoofd welfde zich zacht daarboven. Heel even glimlachte haar mond. Beminlijke en teedere kracht ademde heel haar wezen.

—Kent u haar? vroeg Arkadiej.

—Heel goed. Zal ik u voorstellen?

—Gaarne... na dezen dans.

Bazarof merkte mevrouw Odintsof ook op.

—Wie is die daar? vroeg hij. Dat is heel iets anders als de rest.

Na den dans bracht Sitnikof Arkadiej bij mevrouw Odintsof. Maar hij scheen lang niet zoo bevriend met haar als hij gezegd had. Hij kon niet goed uit zijn woorden komen en zij keek hem met eenige verbazing aan. Er kwam echter iets vriendelijks in haar gezicht, toen zij Arkadiej’s familienaam hoorde. Ze vroeg, of hij de zoon van Nikolaas Petrowitsj was.

—Ja, antwoordde hij.

—Ik heb uw vader tweemaal gezien en dikwijls over hem hooren spreken. Ik ben verheugd, u te hebben leeren kennen.

Op dit oogenblik kwam een adjudant haar vragen voor een quadrille en ze nam aan.

—U danst dus? vroeg Arkadiej eerbiedig.

—Ja, maar waarom denkt u, dat ik niet zou dansen? Vindt u mij te oud om te dansen?

—Hoe kunt u dat veronderstellen? Mag ik misschien de volgende mazurka?

Zij glimlachte.

—Heel graag, antwoordde ze en keek hem aan zooals gehuwde zusters hun jongere broedersaankijken. Ze was wat ouder dan Arkadiej. Negen en twintig. Maar Arkadiej voelde zich in haar tegenwoordigheid als een jong student, een schooljongen, alsof het verschil in leeftijd nog veel grooter was. Mathias Ilitsj kwam met majestueus gebaar op haar toe en begon zijn complimenten. Arkadiej trad terug. Maar volgde haar met de oogen gedurende den dans. Ze praatte even natuurlijk met haar danser als met Mathias Ilitsj, en daarbij bewoog ze hoofd en oogen langzaam van de eene zijde naar de andere. Arkadiej hoorde haar twee of driemaal zachtjes lachen. Ze had, zooals bijna alle Russische vrouwen, een misschien wat grooten neus en haar teint was niet volkomen blank. Toch moest Arkadiej zich zelf bekennen, dat hij nooit een meer volmaakte schoonheid had gezien. Voortdurend hoorde hij den toon van haar stem. Hij vond zelfs, dat de plooien van haar kleed anders vielen als bij andere vrouwen, rijker, meer harmonisch, doordat al haar bewegingen van zulk een edele, natuurlijke gratie waren.

Bij de eerste tonen der mazurka beefde Arkadiej. Hij ging naast haar zitten en omdat hij niet wist, wat te zeggen, streek hij verlegen met de hand door het haar. Maar dat duurde niet lang. Haar kalmte bracht hem tot zich zelf. En weldra keuvelde hij onbevangen over zijn oom en vader, van hun levenswijs in Petersburg en op het land. Mevrouw Odintsof luisterde met welwillende oplettendheid, terwijl ze haar waaier op en neer bewoog. Alleen door de komst van cavaliers, die hun dans verzochten, werden zij nu en dan gestoord. Sitnikof kwam tweemaal. Daarna keerde zij weer terugen speelde weer met den waaier, zonder dat eenige opwinding haar borst sneller deed kloppen. En Arkadiej vertelde verder, gelukkig, haar naast zich te weten, haar oogen en voorhoofd, haar ernstig, lief gezicht te kunnen zien. Zij sprak weinig, maar als een vrouw met zekere levenswijsheid. Arkadiej begreep, dat haar jaren niet zonder ontroeringen waren geweest, dat ze had leeren nadenken.

—Wien had u straks bij u, toen Sitnikof u voorstelde? vroeg ze.

—Hebt u hem opgemerkt? Een typische kop, vindt u niet? Dat is mijn vriend Bazarof.

En Arkadiej begon nu over hem te spreken. Hij verviel daarbij in allerlei bizonderheden en raakte zoo in vuur, dat mevrouw Odintsof met veel belangstelling naar hem omkeek. Toen was de mazurka afgeloopen. Het speet Arkadiej, dat hij zich nu verwijderen moest. De tijd was zoo aangenaam vergaan. Wel had hij voortdurend gevoeld, dat ze hem met zekere kleinachting behandelde maar hij was daar dankbaar voor. Want jonge harten voelen zich niet vernederd door de beschermende welwillendheid eener schoone vrouw.

De muziek zweeg.

—Dank u, zei mevrouw Odintsof, en stond op, u hebt beloofd, mij te bezoeken. Ik hoop, dat u dan uw vriend meebrengt. Ik ben zeer benieuwd, een man te leeren kennen, die den moed heeft aan niets te gelooven.

De goeverneur trad op mevrouw Odintsof toe, deelde haar mede, dat het souper wachtte en bood haar zakelijk den arm. Zij keek bij het weggaan nog eens naar Arkadiej om en knikte hem glimlachendtoe. Hij boog diep, volgde haar met de oogen, hoe elastisch-elegant die gestalte in de zwarte zijde—en dacht: ze heeft me allang vergeten! En meteen kwam een gevoel van vrede door zijn ziel, streelend...

—En, vroeg Bazarof hem, zoodra hij terug was in hun hoekje, heb je geluk gehad? Ik heb me laten vertellen, dat die vrouw... nu ja... Trouwens, de man, die het me verzekerde, kan wel een idioot zijn. Wat denk jij? Zou ze werkelijk... hm... hm...

—Ik weet niet, wat je bedoelt met hm, hm, antwoordde Arkadiej.

—De lieve onschuld!

—Als ’t zoo bedoeld is, begrijp ik je zegsman niet. Mevrouw Odintsof is charmant, maar zoo koel en stil, dat...

— Stille wateren hebben diepe gronden, zei Bazarof. Is ze koud? Dat maakt haar belangrijk. Hou je niet van ijs, en zoo?

—Dat is best mogelijk, zei Arkadiej, ik wil daar niet over oordeelen. Maar ze wil kennis met je maken en heeft me gevraagd, je mee te brengen.

—Je hebt haar zeker fijne dingen van me verteld. Maar dat neem ik je niet kwalijk. Maar wie ze ook is, een gewone kokette of een geëmancipeerde als mevrouw Koeksjin, mooie schouders heeft ze!

Het cynische in deze woorden deed Arkadiej pijn, maar zooals meestal gooide hij het over een anderen boeg en verweet zijn vriend iets geheel anders:

—Waarom gun je den vrouwen hun recht op denken niet? vroeg hij fluisterend.

—Omdat ik gemerkt heb, dat alle vrouwen, die van dat recht gebruik maken, ware vogelverschrikkers zijn.

Hiermede eindigde het gesprek. De vrienden gingen weg onmiddellijk na het souper. Madame Koeksjin wierp hem een boos lachje toe. Zij hadden haar niet de minste oplettendheid bewezen en haar ijdelheid was beleedigd. Zij bleef tot het einde en danste nog om vier uur ’s morgens met Sitnikof een polka op parijsche manier.

En met dit hartverheffende tooneel eindigde het bal bij den goeverneur.

1De oudste, voorzitter, des adels van het goevernement.↑

1De oudste, voorzitter, des adels van het goevernement.↑

1De oudste, voorzitter, des adels van het goevernement.↑


Back to IndexNext