XVI.

XVI.Het huis, dat mevrouw Odintsof bewoonde, lag tegen een open heuvel dicht bij een steenen kerk met groen dak en witte zuilen, in den gevel een fresco-voorstelling van de Opstanding in Italiaanschen stijl. Vooral een door de zon gebruinde welgedane soldaat op den voorgrond, wekte de bewondering der boeren het meest. Achter de kerk stonden twee rijen boerenwoningen met schoorsteenen hier en daar boven de rieten daken uitstekend. Het heerenhuis was gebouwd in denzelfden stijl als de kerk, den zoogenaamden alexandrijnschen. Het was eveneens geel geverfd, had ook een groen dak, witte zuilen en een gevel met een wapen. De goevernementsarchitect had beide gebouwen ontworpen en de heer Odintsof was hiermede zeer ingenomen, want van die waardelooze nieuwigheden hield hij niet. Het huisstond te midden van boomen in den ouden tuin. Een laan met stijf besnoeide dennen voerde naar den hoofdingang.De vrienden troffen in de zijkamer twee forsche livreiknechten, waarvan de éene den huisbewaarder ging roepen. Deze, een dik man in zwarten rok, verscheen onverwijld en geleidde de gasten langs een met breeden looper bekleede trap naar een ruim vertrek, waar reeds twee bedden en toiletbenoodigdheden aanwezig waren. Het huis bevond zich in goed onderhouden staat. Overal zindelijk, ordelijk en er hing iets als van de officieele geur in de ontvangzalen der ministeriën.—Anna Sergejevna verzocht u over een half uur beneden te komen, zei de hofmeester, is er voor het oogenblik nog iets van uw dienst?—Heelemaal niets, waardige dienaar, antwoordde Bazarof, behalve indien u de goedheid zoudt willen hebben, een borrel te laten brengen.—Heel wel, antwoordde de hofmeester, eenigszins onthutst, en verwijderde zich met krakende laarzen.—Daar zit lijn in, grand genre! riep Bazarof. Noemen jullie, menschen van adel, dat niet zoo? Zij is een hertogin, dat moet ik zeggen.—Een deftige hertogin, die zoo maar twee aristocraten van ons soort te logeeren vraagt! zei Arkadiej.—Vooral een aristocraat als ik, een dokter in spe, zoon van een dokter en kleinzoon van een koster. Ik weet niet, of ik je dat al eens heb gezegd. Maar ik ben de kleinzoon van eenkoster, net als Speranski, zei Bazarof minder luid. Maar in ieder geval is onze dame verwend door de fortuin. En hoe verwend! Moeten we niet onzen rok aantrekken?Arkadiej trok alleen maar de schouders op, maar in waarheid gevoelde hij zich niet bizonder op zijn gemak. Een half uur later ging hij met Bazarof naar den salon. Dit was een hoog, groot vertrek, zonder veel smaak overdadig-rijk ingericht. Kostbare, massale meubels, met traditioneele regelmatigheid langs de wanden opgesteld, met bruin-goud-doorstikt trijp overtrokken, waren uit Moscou afkomstig. De heer Odintsofzaliger had ze door bemiddeling van een vriend, een franschen wijnhandelaar, laten maken. Boven de sofa in het midden hing het portret van een blonden man met gezwollen gezicht, die nogal boos op de bezoekers neer keek.—Dat moet man zaliger zijn, fluisterde Bazarof zijn vriend in het oor en hij voegde erbij: zullen we maar weer inpakken?Maar op dit oogenblik trad de vrouw des huizes binnen. Ze droeg een lichtkleurig kleed, het haar had ze glad achter de ooren gekamd, waardoor ze met het frissche van haar gezicht op een jong meisje leek.—Ik ben u dankbaar, dat u woord hebt gehouden, zei ze, ik hoop, dat u hier eenigen tijd zult blijven. U zult zien, dat het leven hier niet onaangenaam is. Ik zal u aan mijn zuster voorstellen, ze speelt heel goed piano. Dat zal u vrijwel onverschillig zijn, mijnheer Bazarof, maar u houdt geloof ik van muziek, mijnheer Kirsanof.Behalve mijn zuster is er nog een tante in huis, en éen van onze buren komt wel eens een spelletje spelen. Zooals u ziet, is ons gezelschap dus niet groot. Maar wilt u niet gaan zitten?Deze kleine „inleiding” werd met volmaakte gemakkelijkheid voorgedragen. Mevrouw Odintsof scheen de woorden uit het hoofd geleerd te hebben. Ze begon daarop een gesprek met Arkadiej. Het bleek, dat haar moeder een intieme vriendin van de zijne was geweest en dat deze haar vriendin deelgenoot had gemaakt van haar liefde tot Nikolaas Petrowitsj. Arkadiej sprak vol bewondering van zijn moeder. In dien tijd bladerde Bazarof in een album.—Wat ben ik tam geworden, dacht hij.Een mooie windhond met licht-blauw halslint kwam binnen. Zijn nagels tikten op de parketvloer. Een jong meisje van achttien jaar, met donkere oogen en zwart haar volgde het dier. Haar gezichtje was niet volkomen regelmatig, maar had iets treffends. Ze droeg een mandje vol bloemen.—Dat is mijn Katja, zei mevrouw Odintsof en wenkte haar zuster naderbij. Het meisje kwam dicht bij haar zitten en begon de bloemen te schikken. De hond, die Fifi heette, maakte kennis met de gasten éen voor een, kwispelde met zijn krulstaart en drukte zijn kouden neus tegen hun hand.—Heb je die allemaal zelf geplukt? vroeg mevrouw Odintsof.—Ja, zei Katja.—Komt tante thee drinken?—Ze komt dadelijk.Bij het spreken glimlachte ze, schuchter, maar met iets opens in haar blik, terwijl ze met aardige onbeholpenheid van beneden naar boven keek. Alles aan haar sprak van jeugd: de stem, het lichte dons langs de wangen, de mat-roode handen en de nog tenger-smalle schouders. Ze bloosde telkens en haalde haastig en diep adem.Mevrouw Odintsof richtte zich tot Bazarof:—Dat is alleen beleefdheid, Jevgenij Wassiljewitsj, dat u dat album zoo oplettend bekijkt. Het kan u volstrekt geen belang inboezemen. Kom toch bij ons zitten en laten we over het een of ander gaan kibbelen.Bazarof kwam.—Graag, waarover zullen we het hebben?—Dat kan me niet schelen. Ik zeg u vooruit, dat ik van tegenspreken houd.—U?—Ja, verwondert u dat? Waarom?— Omdat u een koele en rustige natuur hebt, voor zoover ik dat kan beoordeelen. Wie strijden wil, moet zich ook kunnen laten meesleepen.—Hoe hebt u me in zoo korten tijd leeren kennen? U moet in de eerste plaats weten, dat ik ongeduldig en vasthoudend ben. Vraagt u Katja maar. En dan laat ik mij heel gemakkelijk meesleepen.Bazarof keek haar zwijgend aan.—Kan zijn, antwoordde hij, dat zult u beter weten, dan ik. U wilt dus volstrekt kibbelen? Goed. Ik heb in uw album natuurgezichten van Saksisch Zwitserland bekeken en u beweert, dat me dieonverschillig zijn. U zei dat, omdat u veronderstelde, dat ik geen gevoel voor het schoone heb. En daarin hebt u gelijk. Maar die tafereelen konden mij toch van geologisch standpunt interesseeren, bijvoorbeeld voor de berg-formaties.—Dat geef ik niet toe. Als geoloog zoudt u eerder een boek, een wetenschappelijk werk raadplegen en geen teekeningen.—Een teekening geeft mij met éen oogopslag, wat in een boek tien bladzijden beschrijving eischt.Zij antwoordde niets.—U hebt dus geen kunstzin, ging ze voort en leunde met den arm op de tafel, zoodat haar gezicht dichter bij dat van Bazarof kwam. Hoe speelt u het klaar zonder dien?—Mag ik vragen, waar kunstzin goed voor is?—Alleen al, om de menschen te bestudeeren.Bazarof glimlachte.—In de eerste plaats, ging hij voort, hebben we levenservaring, in de tweede plaats, moet ik u zeggen, dat ik het volstrekt niet noodig vind, iedereen te leeren kennen. Alle menschen lijken op elkaar, naar lichaam en ziel. Iedereen heeft een stel hersens, een hart, een milt, longen, alles op dezelfde wijze ingericht. En ook de zoogenaamde psychische eigenschappen zijn vrijwel dezelfde. Er zijn maar kleine verschillen. Eén enkelexemplaaris genoeg, om de rest te beoordeelen. De menschen zijn als de boomen in het woud. Geen botanicus zal het in zijn hoofd krijgen, ze allemaal te gaan bestudeeren.Katja, die langzaam met haar bloemen bezig was, keek verwonderd op naar Bazarof, maarbloosde tot achter de ooren, toen hij zijn sterken, vrijmoedigen blik op haar richtte. Mevrouw Odintsof schudde het hoofd.—De boomen van het woud! herhaalde ze. Er is dus volgens u geen onderscheid tusschen een goed en een slecht mensch, tusschen dom en geestig?—O zeker! Zooals tusschen gezond en ziek. De longen van een teringlijder zijn anders als bij u of bij mij. Maar de bouw is dezelfde. We kennen zoo ten naaste bij de oorzaken van sommige physieke kwalen. De psychische vinden hun ontstaan in de opvoeding, in de vele dwaasheden, waarmee men ons het hoofd volstopt, in de onwijze gesteldheid van ons maatschappelijk rechtssysteem. Gaat u de maatschappij hervormen en die ziekten zullen verdwijnen.Bazarof zei dit alles op een toon, waarin lag: of je me gelooft of niet, dat is me volkomen onverschillig. Hij streek met zijn lange vingers door zijn baard en zijn blik doorliep de geheele kamer.—En denkt u, dat er geen dommen en slechten meer bestaan, zoodra de maatschappij hervormd is? vroeg mevrouw Odintsof.—Dit staat in ieder geval vast, dat zoodra de maatschappij eenmaal redelijk is ingericht, het er niets meer toe doet, of een mensch dom of slim, goed of slecht, is!—Ik begrijp wat u bedoelt, de milt zal bij iedereen gelijk zijn!—Juist, mevrouw.Mevrouw Odintsof wendde zich tot Arkadiej.—En hoe denkt u hierover? vroeg ze hem.—Ik ben het met Jevgenij eens, antwoordde hij.Katja keek hem aan, zoo van onder op.—Ik ben verwonderd over u, heeren, zei mevrouw Odintsof. We zullen op dit alles terugkomen. Ik verwacht tante met de thee. Oude menschen moeten we sparen.Haar tante, vorstin Ch., een kleine, schrale, oude vrouw met een uitgedroogd gezicht, en strenge, harde oogen, trad binnen, verwaardigde zich nauwelijks de gasten toe te knikken en zette zich in een breeden, fluweelen fauteuil, die uitsluitend voor haar bestemd was. Katja bracht haar een voetkussen, de oude dankte niet eens met een blik, haar handen bewogen even onder den gelen sjaal, die haar dorre leden bijna geheel bedekte. Ze hield van het geld en had dan ook goud-gele linten aan haar kapje.—Hoe hebt u geslapen, tante? vroeg mevrouw Odintsof gedwongen.—De hond is er nog, antwoordde ze onvriendelijk en toen ze zag, dat Fifi angstig op haar toe kwam, riep ze: Vort! Vort!Katja riep het dier en deed de deur open. De hond sprong vroolijk op haar toe, daar hij dacht, dat hij uit zou gaan. Maar toen hij zich in zijn eentje buitengesloten zag, begon hij tegen de deur te krabben en te keffen. De oude vrouw fronste de wenkbrauwen. Katja wilde gaan.—De thee is klaar, zei mevrouw Odintsof. Mag ik u verzoeken, heeren? Tante, komt u?De vorstin stond langzaam op en ging het eerst naar de eetkamer. Een klein knechtje in kozakkenuniformschoof luidruchtig een grooten stoel vol kussens bij de tafel en de vorstin ging zitten. Katja, die de thee schenken moest, bediende haar eerst in een met wapens versierden kop. De oude vrouw deed honig in haar thee, want het gebruik van suiker beschouwde ze als een misdaad en buitendien vond ze die te duur, al kostte het haar geen kopeke. Meteen vroeg ze met een heesche stem:—Wat zegt vorst Ivan in zijn brief?Niemand antwoordde en de gasten bemerkten al spoedig, dat men met al dat eerebetoon weinig om haar gaf. Bazarof dacht: die dient als decoratie, een vorstin, dat staat goed in een salon...Na de thee stelde de gastvrouw een wandeling voor. Maar het begon wat te regenen en men ging terug naar den salon, de vorstin uitgezonderd. De buurman kwam om zijn partijtje. Hij heette Porfijriej Platonitsj, een kort, dikbuikig mannetje, kaalhoofdig, met korte beentjes, die wel op een draaibank gefabriceerd leken. Overigens was hij een vriendelijk, opgewekt heertje. Anna Sergejevna, die voortdurend met Bazarof praatte, vroeg hem of hij niet een spelletje préférence mee wilde doen. Bazarof stemde toe met de opmerking, dat hij zich oefenen moest in de bezigheden van een plattelandsdokter.—Past u maar op, zei Anna Sergejevna, u zult uw meester vinden. En jij, Katja, moest wat spelen voor Arkadiej Nikolajitsj. Hij houdt van muziek en wij hooren het dan ook.Katja haastte zich niet naar de piano en Arkadiej, die inderdaad van muziek hield, volgde haarschoorvoetend. Hij dacht, dat mevrouw Odintsof hem kwijt wilde zijn, en zooals alle jonge lieden van zijn leeftijd, werd hij aangetast door dat verwarrende, pijnlijke gevoel, dat de liefde vooraf gaat. Katja sloeg de piano open en vroeg Arkadiej, zonder hem aan te zien, wat ze zou spelen.—Wat u wilt, antwoordde hij onverschillig.—Van wat voor muziek houdt u het meest? vroeg ze, zonder omzien.—Van de classieke, was zijn antwoord, even onverschillig.—Houdt u van Mozart?—Ja.Katja nam de C-mineur sonate-fantazie. Ze speelde goed, ofschoon haar voordracht wat stijf en koud was. Ze zat onbewegelijk, keek strak naar de muziek en hield de lippen op elkaar geklemd. Maar tegen het einde, kwam er wat blos op haar gezicht, een haarlok liet los en viel over haar oogen.Arkadiej luisterde met genoegen naar het laatste gedeelte der sonate, waar de heerlijke blijheid eener zingende melodie plotseling gestoord wordt door de harde kreten eener bijna tragische smart...Maar de gedachten, die Mozarts muziek in hem wekten, betrokken zich geenszins op Katja. Als hij haar zag, dacht hij alleen maar: dat kind speelt goed en ze is niet onaardig...Toen de sonate uit was, vroeg Katja, zonder de handen van de toetsen te nemen:—Is het genoeg?Arkadiej antwoordde, dat hij geen misbruik van haar goedheid wilde maken en begon over Mozartte spreken. Hij vroeg, of zij die sonate zelf uitgezocht had of dat iemand haar aanbevolen had. Katja antwoordde met een enkel woord, zakelijk. Zij had zich in zich zelf teruggetrokken, als een slak in haar huisje. In zulke stemmingen duurde het lang, eer zij iemand durfde aanzien. Haar gezichtje teekende dan een uitdrukking van killen trots, ze scheen een klein onbeteekenend kind. Ze was toch niet inkennig van nature, maar haar zuster, die haar opvoeding leidde, zonder te begrijpen, wat ze noodig had, had haar zoo schuw gemaakt. Het eenige wat Arkadiej doen kon, om zich een dragelijke houding te geven, was, den hond te roepen, wien hij, goedig, maar leeg glimlachend, den kop streelde. Katja ging weer aan haar bloemen.Bazarof had niet meer geluk. Mevrouw Odintsof speelde goed evenals Porphyrij Platonitsj. Bazarof verloor en al was het niet veel, het verlies deed hem onaangenaam aan. Bij het avondeten bracht de gastvrouw het gesprek weer op de botanie.—Zullen we morgenochtend gaan wandelen? vroeg ze Bazarof. Ik zou graag de latijnsche namen van de veldbloemen en haar eigenschappen leeren kennen.—Waarom wilt u de latijnsche namen weten? vroeg hij.—Er moet in alles orde zijn, antwoordde ze.—Een bewonderenswaardige vrouw, riep Arkadiej, toen hij met Bazarof op hun kamer alleen was.—Ja, antwoordde Bazarof, ze heeft wel hersens, en ze weet zich te redden.—Hoe bedoel je?—Op tweeërlei manier. Ik ben overtuigd, dat ze haar geld uitmuntend beheert. Als hier iemand bewonderenswaardig is, dan is het de zuster.—Wat? Die kleine zwarte heks?—Ja, die kleine zwarte heks. Die is intact en frisch, schuw en stil. Ze verdient, dat men zich met haar bezig houdt. Daar is van te maken wat je wilt. Terwijl de ander...Arkadiej antwoordde niet. En zij gingen slapen, ieder met zijn eigen gedachten.Mevrouw Odintsof dacht ook aan haar gasten dien avond. Bazarofs scherp oordeel en eenvoud behaagden haar. Hij was nog een nieuw probleem voor haar en dat maakte nieuwsgierig.Zij was een vreemde vrouw. Zonder vooroordeelen, zonder vast geloof zelfs, schrok ze voor niets terug en kwam toch niet veel verder. Ze zag scherp in veel dingen, stelde in allerlei belang, zonder dat iets haar kon bevredigen. Ik weet trouwens niet, of ze wel een volle bevrediging verlangde. Zij was weetgierig en onverschillig tegelijk. Haar twijfelen bleef niet zonder sporen, maar werd nooit zoo sterk, dat haar gemoedsrust geschokt was. Indien ze niet rijk en onafhankelijk was geweest, zou ze zich wellicht in het levensgewoel gestort en de hartstochten hebben leeren kennen...Maar nu verliep haar leven zonder moeilijkheden, al greep haar de verveling soms wel aan en ze leefde van dag tot dag, zonder overhaasting, zonder angst of opgewondenheid. Soms rezen verleidelijke beelden voor haar vrouw-verlangen op, maar die verdwenen weer, haar zielsrust werdniet geschokt en zij betreurde niets. Haar verbeelding overschreed dan de grenzen der gestelde moraal-van-iederen-dag. Maar zelfs dan vloeide het bloed door haar sterk-rustige, edel-harmonische leden kalm, als altijd. Dikwijls als ze ’s morgens warm en opgewekt haar geurig bad verliet, kon ze gaan droomen over de ijdelheid aller dingen, over de vreugdeloosheid, moeiten en lasten des levens. Een stuwend willen greep haar dan aan, zij voelde verlangen tot daden in zich ontwaken... een tochtende windstoot langs het half-open venster was voldoende haar tot huiverende bezinning te brengen, ze was alleen nog maar boos op den wind en hoopte, dat hij zou gaan liggen. Zooals alle vrouwen, die niet kunnen liefhebben, verlangde ze altijd iets, zonder precies te weten wat. Inderdaad verlangde ze niets, ofschoon ze dacht, alles te verlangen. Ze had haar echtgenoot nauwelijks kunnen dulden. Uit berekening was ze getrouwd. Indien ze hem niet voor een goed mensch gehouden had, zou ze zeker niet getrouwd zijn. Maar ze had zich vergist en had een onbewusten afkeer tegen den man gehouden, dien ze onrein, lomp, traag, altijd verveeld en krachteloos vond.—Wel had ze op reis een jongen, knappen Zweed ontmoet, ridderlijk, blauwoogig, hoog, open van voorhoofd, die een diepen indruk op haar had gemaakt, maar zonder bezwaren was ze naar Rusland teruggekeerd.—Die dokter is een merkwaardig man! dacht ze in haar mooi bed op kanten kussen, onder zijden deken rustend. Anna Sergejevna had iets geërfd van haar vaders zin voor weelde. Ze hadveel van hem gehouden, hoe minderwaardig hij ook was, en hij had zijn dochter aanbeden, vertrouwde haar alles toe, ging met haar om, als met een goeden vriend en vroeg dikwijls haar raad. Van haar moeder had ze slechts een vage herinnering.—Die dokter is een merkwaardig man! dacht ze weer, rekte zich in haar bed, glimlachte en legde de armen onder het hoofd. Daarop las ze enkele pagina’s van een slechten franschen roman, liet het boek vallen en sliep in, blank, rein en koel...Na het ontbijt den volgenden morgen ging ze botaniseeren met Bazarof. Ze kwamen tegen het middagmaal terug. Arkadiej was niet uitgegaan en had een vol uur met Katja doorgebracht. Hij had zich niet verveeld. Ze had aangeboden, de sonate van den vorigen avond nog eens te spelen. Maar toen hij eindelijk mevrouw Odintsof weer zag, kromp zijn hart onwillekeurig samen. Ze kwam wat vermoeid den tuin door. Haar wangen met hooger blos, haar oogen glanzend onder den ronden strooien hoed. De tengere stengel van een paardebloem draaide ze tusschen de vingers. Haar manteltje was van de schouders op de armen gegleden en de lange linten van haar hoed golfden over de borst. Bazarof liep met vasten tred, rustig als altijd, achter haar. Maar aan de uitdrukking van haar gezicht bemerkte Arkadiej iets, dat hem onaangenaam aandeed.Bazarof riep hem een goeden morgen toe en ging naar zijn kamer.Mevrouw Odintsof drukte hem verstrooid de hand en liep hem ook voorbij.—Goeden morgen? dacht Arkadiej, hebben we elkaar dan nog niet gezien vandaag?...

XVI.Het huis, dat mevrouw Odintsof bewoonde, lag tegen een open heuvel dicht bij een steenen kerk met groen dak en witte zuilen, in den gevel een fresco-voorstelling van de Opstanding in Italiaanschen stijl. Vooral een door de zon gebruinde welgedane soldaat op den voorgrond, wekte de bewondering der boeren het meest. Achter de kerk stonden twee rijen boerenwoningen met schoorsteenen hier en daar boven de rieten daken uitstekend. Het heerenhuis was gebouwd in denzelfden stijl als de kerk, den zoogenaamden alexandrijnschen. Het was eveneens geel geverfd, had ook een groen dak, witte zuilen en een gevel met een wapen. De goevernementsarchitect had beide gebouwen ontworpen en de heer Odintsof was hiermede zeer ingenomen, want van die waardelooze nieuwigheden hield hij niet. Het huisstond te midden van boomen in den ouden tuin. Een laan met stijf besnoeide dennen voerde naar den hoofdingang.De vrienden troffen in de zijkamer twee forsche livreiknechten, waarvan de éene den huisbewaarder ging roepen. Deze, een dik man in zwarten rok, verscheen onverwijld en geleidde de gasten langs een met breeden looper bekleede trap naar een ruim vertrek, waar reeds twee bedden en toiletbenoodigdheden aanwezig waren. Het huis bevond zich in goed onderhouden staat. Overal zindelijk, ordelijk en er hing iets als van de officieele geur in de ontvangzalen der ministeriën.—Anna Sergejevna verzocht u over een half uur beneden te komen, zei de hofmeester, is er voor het oogenblik nog iets van uw dienst?—Heelemaal niets, waardige dienaar, antwoordde Bazarof, behalve indien u de goedheid zoudt willen hebben, een borrel te laten brengen.—Heel wel, antwoordde de hofmeester, eenigszins onthutst, en verwijderde zich met krakende laarzen.—Daar zit lijn in, grand genre! riep Bazarof. Noemen jullie, menschen van adel, dat niet zoo? Zij is een hertogin, dat moet ik zeggen.—Een deftige hertogin, die zoo maar twee aristocraten van ons soort te logeeren vraagt! zei Arkadiej.—Vooral een aristocraat als ik, een dokter in spe, zoon van een dokter en kleinzoon van een koster. Ik weet niet, of ik je dat al eens heb gezegd. Maar ik ben de kleinzoon van eenkoster, net als Speranski, zei Bazarof minder luid. Maar in ieder geval is onze dame verwend door de fortuin. En hoe verwend! Moeten we niet onzen rok aantrekken?Arkadiej trok alleen maar de schouders op, maar in waarheid gevoelde hij zich niet bizonder op zijn gemak. Een half uur later ging hij met Bazarof naar den salon. Dit was een hoog, groot vertrek, zonder veel smaak overdadig-rijk ingericht. Kostbare, massale meubels, met traditioneele regelmatigheid langs de wanden opgesteld, met bruin-goud-doorstikt trijp overtrokken, waren uit Moscou afkomstig. De heer Odintsofzaliger had ze door bemiddeling van een vriend, een franschen wijnhandelaar, laten maken. Boven de sofa in het midden hing het portret van een blonden man met gezwollen gezicht, die nogal boos op de bezoekers neer keek.—Dat moet man zaliger zijn, fluisterde Bazarof zijn vriend in het oor en hij voegde erbij: zullen we maar weer inpakken?Maar op dit oogenblik trad de vrouw des huizes binnen. Ze droeg een lichtkleurig kleed, het haar had ze glad achter de ooren gekamd, waardoor ze met het frissche van haar gezicht op een jong meisje leek.—Ik ben u dankbaar, dat u woord hebt gehouden, zei ze, ik hoop, dat u hier eenigen tijd zult blijven. U zult zien, dat het leven hier niet onaangenaam is. Ik zal u aan mijn zuster voorstellen, ze speelt heel goed piano. Dat zal u vrijwel onverschillig zijn, mijnheer Bazarof, maar u houdt geloof ik van muziek, mijnheer Kirsanof.Behalve mijn zuster is er nog een tante in huis, en éen van onze buren komt wel eens een spelletje spelen. Zooals u ziet, is ons gezelschap dus niet groot. Maar wilt u niet gaan zitten?Deze kleine „inleiding” werd met volmaakte gemakkelijkheid voorgedragen. Mevrouw Odintsof scheen de woorden uit het hoofd geleerd te hebben. Ze begon daarop een gesprek met Arkadiej. Het bleek, dat haar moeder een intieme vriendin van de zijne was geweest en dat deze haar vriendin deelgenoot had gemaakt van haar liefde tot Nikolaas Petrowitsj. Arkadiej sprak vol bewondering van zijn moeder. In dien tijd bladerde Bazarof in een album.—Wat ben ik tam geworden, dacht hij.Een mooie windhond met licht-blauw halslint kwam binnen. Zijn nagels tikten op de parketvloer. Een jong meisje van achttien jaar, met donkere oogen en zwart haar volgde het dier. Haar gezichtje was niet volkomen regelmatig, maar had iets treffends. Ze droeg een mandje vol bloemen.—Dat is mijn Katja, zei mevrouw Odintsof en wenkte haar zuster naderbij. Het meisje kwam dicht bij haar zitten en begon de bloemen te schikken. De hond, die Fifi heette, maakte kennis met de gasten éen voor een, kwispelde met zijn krulstaart en drukte zijn kouden neus tegen hun hand.—Heb je die allemaal zelf geplukt? vroeg mevrouw Odintsof.—Ja, zei Katja.—Komt tante thee drinken?—Ze komt dadelijk.Bij het spreken glimlachte ze, schuchter, maar met iets opens in haar blik, terwijl ze met aardige onbeholpenheid van beneden naar boven keek. Alles aan haar sprak van jeugd: de stem, het lichte dons langs de wangen, de mat-roode handen en de nog tenger-smalle schouders. Ze bloosde telkens en haalde haastig en diep adem.Mevrouw Odintsof richtte zich tot Bazarof:—Dat is alleen beleefdheid, Jevgenij Wassiljewitsj, dat u dat album zoo oplettend bekijkt. Het kan u volstrekt geen belang inboezemen. Kom toch bij ons zitten en laten we over het een of ander gaan kibbelen.Bazarof kwam.—Graag, waarover zullen we het hebben?—Dat kan me niet schelen. Ik zeg u vooruit, dat ik van tegenspreken houd.—U?—Ja, verwondert u dat? Waarom?— Omdat u een koele en rustige natuur hebt, voor zoover ik dat kan beoordeelen. Wie strijden wil, moet zich ook kunnen laten meesleepen.—Hoe hebt u me in zoo korten tijd leeren kennen? U moet in de eerste plaats weten, dat ik ongeduldig en vasthoudend ben. Vraagt u Katja maar. En dan laat ik mij heel gemakkelijk meesleepen.Bazarof keek haar zwijgend aan.—Kan zijn, antwoordde hij, dat zult u beter weten, dan ik. U wilt dus volstrekt kibbelen? Goed. Ik heb in uw album natuurgezichten van Saksisch Zwitserland bekeken en u beweert, dat me dieonverschillig zijn. U zei dat, omdat u veronderstelde, dat ik geen gevoel voor het schoone heb. En daarin hebt u gelijk. Maar die tafereelen konden mij toch van geologisch standpunt interesseeren, bijvoorbeeld voor de berg-formaties.—Dat geef ik niet toe. Als geoloog zoudt u eerder een boek, een wetenschappelijk werk raadplegen en geen teekeningen.—Een teekening geeft mij met éen oogopslag, wat in een boek tien bladzijden beschrijving eischt.Zij antwoordde niets.—U hebt dus geen kunstzin, ging ze voort en leunde met den arm op de tafel, zoodat haar gezicht dichter bij dat van Bazarof kwam. Hoe speelt u het klaar zonder dien?—Mag ik vragen, waar kunstzin goed voor is?—Alleen al, om de menschen te bestudeeren.Bazarof glimlachte.—In de eerste plaats, ging hij voort, hebben we levenservaring, in de tweede plaats, moet ik u zeggen, dat ik het volstrekt niet noodig vind, iedereen te leeren kennen. Alle menschen lijken op elkaar, naar lichaam en ziel. Iedereen heeft een stel hersens, een hart, een milt, longen, alles op dezelfde wijze ingericht. En ook de zoogenaamde psychische eigenschappen zijn vrijwel dezelfde. Er zijn maar kleine verschillen. Eén enkelexemplaaris genoeg, om de rest te beoordeelen. De menschen zijn als de boomen in het woud. Geen botanicus zal het in zijn hoofd krijgen, ze allemaal te gaan bestudeeren.Katja, die langzaam met haar bloemen bezig was, keek verwonderd op naar Bazarof, maarbloosde tot achter de ooren, toen hij zijn sterken, vrijmoedigen blik op haar richtte. Mevrouw Odintsof schudde het hoofd.—De boomen van het woud! herhaalde ze. Er is dus volgens u geen onderscheid tusschen een goed en een slecht mensch, tusschen dom en geestig?—O zeker! Zooals tusschen gezond en ziek. De longen van een teringlijder zijn anders als bij u of bij mij. Maar de bouw is dezelfde. We kennen zoo ten naaste bij de oorzaken van sommige physieke kwalen. De psychische vinden hun ontstaan in de opvoeding, in de vele dwaasheden, waarmee men ons het hoofd volstopt, in de onwijze gesteldheid van ons maatschappelijk rechtssysteem. Gaat u de maatschappij hervormen en die ziekten zullen verdwijnen.Bazarof zei dit alles op een toon, waarin lag: of je me gelooft of niet, dat is me volkomen onverschillig. Hij streek met zijn lange vingers door zijn baard en zijn blik doorliep de geheele kamer.—En denkt u, dat er geen dommen en slechten meer bestaan, zoodra de maatschappij hervormd is? vroeg mevrouw Odintsof.—Dit staat in ieder geval vast, dat zoodra de maatschappij eenmaal redelijk is ingericht, het er niets meer toe doet, of een mensch dom of slim, goed of slecht, is!—Ik begrijp wat u bedoelt, de milt zal bij iedereen gelijk zijn!—Juist, mevrouw.Mevrouw Odintsof wendde zich tot Arkadiej.—En hoe denkt u hierover? vroeg ze hem.—Ik ben het met Jevgenij eens, antwoordde hij.Katja keek hem aan, zoo van onder op.—Ik ben verwonderd over u, heeren, zei mevrouw Odintsof. We zullen op dit alles terugkomen. Ik verwacht tante met de thee. Oude menschen moeten we sparen.Haar tante, vorstin Ch., een kleine, schrale, oude vrouw met een uitgedroogd gezicht, en strenge, harde oogen, trad binnen, verwaardigde zich nauwelijks de gasten toe te knikken en zette zich in een breeden, fluweelen fauteuil, die uitsluitend voor haar bestemd was. Katja bracht haar een voetkussen, de oude dankte niet eens met een blik, haar handen bewogen even onder den gelen sjaal, die haar dorre leden bijna geheel bedekte. Ze hield van het geld en had dan ook goud-gele linten aan haar kapje.—Hoe hebt u geslapen, tante? vroeg mevrouw Odintsof gedwongen.—De hond is er nog, antwoordde ze onvriendelijk en toen ze zag, dat Fifi angstig op haar toe kwam, riep ze: Vort! Vort!Katja riep het dier en deed de deur open. De hond sprong vroolijk op haar toe, daar hij dacht, dat hij uit zou gaan. Maar toen hij zich in zijn eentje buitengesloten zag, begon hij tegen de deur te krabben en te keffen. De oude vrouw fronste de wenkbrauwen. Katja wilde gaan.—De thee is klaar, zei mevrouw Odintsof. Mag ik u verzoeken, heeren? Tante, komt u?De vorstin stond langzaam op en ging het eerst naar de eetkamer. Een klein knechtje in kozakkenuniformschoof luidruchtig een grooten stoel vol kussens bij de tafel en de vorstin ging zitten. Katja, die de thee schenken moest, bediende haar eerst in een met wapens versierden kop. De oude vrouw deed honig in haar thee, want het gebruik van suiker beschouwde ze als een misdaad en buitendien vond ze die te duur, al kostte het haar geen kopeke. Meteen vroeg ze met een heesche stem:—Wat zegt vorst Ivan in zijn brief?Niemand antwoordde en de gasten bemerkten al spoedig, dat men met al dat eerebetoon weinig om haar gaf. Bazarof dacht: die dient als decoratie, een vorstin, dat staat goed in een salon...Na de thee stelde de gastvrouw een wandeling voor. Maar het begon wat te regenen en men ging terug naar den salon, de vorstin uitgezonderd. De buurman kwam om zijn partijtje. Hij heette Porfijriej Platonitsj, een kort, dikbuikig mannetje, kaalhoofdig, met korte beentjes, die wel op een draaibank gefabriceerd leken. Overigens was hij een vriendelijk, opgewekt heertje. Anna Sergejevna, die voortdurend met Bazarof praatte, vroeg hem of hij niet een spelletje préférence mee wilde doen. Bazarof stemde toe met de opmerking, dat hij zich oefenen moest in de bezigheden van een plattelandsdokter.—Past u maar op, zei Anna Sergejevna, u zult uw meester vinden. En jij, Katja, moest wat spelen voor Arkadiej Nikolajitsj. Hij houdt van muziek en wij hooren het dan ook.Katja haastte zich niet naar de piano en Arkadiej, die inderdaad van muziek hield, volgde haarschoorvoetend. Hij dacht, dat mevrouw Odintsof hem kwijt wilde zijn, en zooals alle jonge lieden van zijn leeftijd, werd hij aangetast door dat verwarrende, pijnlijke gevoel, dat de liefde vooraf gaat. Katja sloeg de piano open en vroeg Arkadiej, zonder hem aan te zien, wat ze zou spelen.—Wat u wilt, antwoordde hij onverschillig.—Van wat voor muziek houdt u het meest? vroeg ze, zonder omzien.—Van de classieke, was zijn antwoord, even onverschillig.—Houdt u van Mozart?—Ja.Katja nam de C-mineur sonate-fantazie. Ze speelde goed, ofschoon haar voordracht wat stijf en koud was. Ze zat onbewegelijk, keek strak naar de muziek en hield de lippen op elkaar geklemd. Maar tegen het einde, kwam er wat blos op haar gezicht, een haarlok liet los en viel over haar oogen.Arkadiej luisterde met genoegen naar het laatste gedeelte der sonate, waar de heerlijke blijheid eener zingende melodie plotseling gestoord wordt door de harde kreten eener bijna tragische smart...Maar de gedachten, die Mozarts muziek in hem wekten, betrokken zich geenszins op Katja. Als hij haar zag, dacht hij alleen maar: dat kind speelt goed en ze is niet onaardig...Toen de sonate uit was, vroeg Katja, zonder de handen van de toetsen te nemen:—Is het genoeg?Arkadiej antwoordde, dat hij geen misbruik van haar goedheid wilde maken en begon over Mozartte spreken. Hij vroeg, of zij die sonate zelf uitgezocht had of dat iemand haar aanbevolen had. Katja antwoordde met een enkel woord, zakelijk. Zij had zich in zich zelf teruggetrokken, als een slak in haar huisje. In zulke stemmingen duurde het lang, eer zij iemand durfde aanzien. Haar gezichtje teekende dan een uitdrukking van killen trots, ze scheen een klein onbeteekenend kind. Ze was toch niet inkennig van nature, maar haar zuster, die haar opvoeding leidde, zonder te begrijpen, wat ze noodig had, had haar zoo schuw gemaakt. Het eenige wat Arkadiej doen kon, om zich een dragelijke houding te geven, was, den hond te roepen, wien hij, goedig, maar leeg glimlachend, den kop streelde. Katja ging weer aan haar bloemen.Bazarof had niet meer geluk. Mevrouw Odintsof speelde goed evenals Porphyrij Platonitsj. Bazarof verloor en al was het niet veel, het verlies deed hem onaangenaam aan. Bij het avondeten bracht de gastvrouw het gesprek weer op de botanie.—Zullen we morgenochtend gaan wandelen? vroeg ze Bazarof. Ik zou graag de latijnsche namen van de veldbloemen en haar eigenschappen leeren kennen.—Waarom wilt u de latijnsche namen weten? vroeg hij.—Er moet in alles orde zijn, antwoordde ze.—Een bewonderenswaardige vrouw, riep Arkadiej, toen hij met Bazarof op hun kamer alleen was.—Ja, antwoordde Bazarof, ze heeft wel hersens, en ze weet zich te redden.—Hoe bedoel je?—Op tweeërlei manier. Ik ben overtuigd, dat ze haar geld uitmuntend beheert. Als hier iemand bewonderenswaardig is, dan is het de zuster.—Wat? Die kleine zwarte heks?—Ja, die kleine zwarte heks. Die is intact en frisch, schuw en stil. Ze verdient, dat men zich met haar bezig houdt. Daar is van te maken wat je wilt. Terwijl de ander...Arkadiej antwoordde niet. En zij gingen slapen, ieder met zijn eigen gedachten.Mevrouw Odintsof dacht ook aan haar gasten dien avond. Bazarofs scherp oordeel en eenvoud behaagden haar. Hij was nog een nieuw probleem voor haar en dat maakte nieuwsgierig.Zij was een vreemde vrouw. Zonder vooroordeelen, zonder vast geloof zelfs, schrok ze voor niets terug en kwam toch niet veel verder. Ze zag scherp in veel dingen, stelde in allerlei belang, zonder dat iets haar kon bevredigen. Ik weet trouwens niet, of ze wel een volle bevrediging verlangde. Zij was weetgierig en onverschillig tegelijk. Haar twijfelen bleef niet zonder sporen, maar werd nooit zoo sterk, dat haar gemoedsrust geschokt was. Indien ze niet rijk en onafhankelijk was geweest, zou ze zich wellicht in het levensgewoel gestort en de hartstochten hebben leeren kennen...Maar nu verliep haar leven zonder moeilijkheden, al greep haar de verveling soms wel aan en ze leefde van dag tot dag, zonder overhaasting, zonder angst of opgewondenheid. Soms rezen verleidelijke beelden voor haar vrouw-verlangen op, maar die verdwenen weer, haar zielsrust werdniet geschokt en zij betreurde niets. Haar verbeelding overschreed dan de grenzen der gestelde moraal-van-iederen-dag. Maar zelfs dan vloeide het bloed door haar sterk-rustige, edel-harmonische leden kalm, als altijd. Dikwijls als ze ’s morgens warm en opgewekt haar geurig bad verliet, kon ze gaan droomen over de ijdelheid aller dingen, over de vreugdeloosheid, moeiten en lasten des levens. Een stuwend willen greep haar dan aan, zij voelde verlangen tot daden in zich ontwaken... een tochtende windstoot langs het half-open venster was voldoende haar tot huiverende bezinning te brengen, ze was alleen nog maar boos op den wind en hoopte, dat hij zou gaan liggen. Zooals alle vrouwen, die niet kunnen liefhebben, verlangde ze altijd iets, zonder precies te weten wat. Inderdaad verlangde ze niets, ofschoon ze dacht, alles te verlangen. Ze had haar echtgenoot nauwelijks kunnen dulden. Uit berekening was ze getrouwd. Indien ze hem niet voor een goed mensch gehouden had, zou ze zeker niet getrouwd zijn. Maar ze had zich vergist en had een onbewusten afkeer tegen den man gehouden, dien ze onrein, lomp, traag, altijd verveeld en krachteloos vond.—Wel had ze op reis een jongen, knappen Zweed ontmoet, ridderlijk, blauwoogig, hoog, open van voorhoofd, die een diepen indruk op haar had gemaakt, maar zonder bezwaren was ze naar Rusland teruggekeerd.—Die dokter is een merkwaardig man! dacht ze in haar mooi bed op kanten kussen, onder zijden deken rustend. Anna Sergejevna had iets geërfd van haar vaders zin voor weelde. Ze hadveel van hem gehouden, hoe minderwaardig hij ook was, en hij had zijn dochter aanbeden, vertrouwde haar alles toe, ging met haar om, als met een goeden vriend en vroeg dikwijls haar raad. Van haar moeder had ze slechts een vage herinnering.—Die dokter is een merkwaardig man! dacht ze weer, rekte zich in haar bed, glimlachte en legde de armen onder het hoofd. Daarop las ze enkele pagina’s van een slechten franschen roman, liet het boek vallen en sliep in, blank, rein en koel...Na het ontbijt den volgenden morgen ging ze botaniseeren met Bazarof. Ze kwamen tegen het middagmaal terug. Arkadiej was niet uitgegaan en had een vol uur met Katja doorgebracht. Hij had zich niet verveeld. Ze had aangeboden, de sonate van den vorigen avond nog eens te spelen. Maar toen hij eindelijk mevrouw Odintsof weer zag, kromp zijn hart onwillekeurig samen. Ze kwam wat vermoeid den tuin door. Haar wangen met hooger blos, haar oogen glanzend onder den ronden strooien hoed. De tengere stengel van een paardebloem draaide ze tusschen de vingers. Haar manteltje was van de schouders op de armen gegleden en de lange linten van haar hoed golfden over de borst. Bazarof liep met vasten tred, rustig als altijd, achter haar. Maar aan de uitdrukking van haar gezicht bemerkte Arkadiej iets, dat hem onaangenaam aandeed.Bazarof riep hem een goeden morgen toe en ging naar zijn kamer.Mevrouw Odintsof drukte hem verstrooid de hand en liep hem ook voorbij.—Goeden morgen? dacht Arkadiej, hebben we elkaar dan nog niet gezien vandaag?...

XVI.

Het huis, dat mevrouw Odintsof bewoonde, lag tegen een open heuvel dicht bij een steenen kerk met groen dak en witte zuilen, in den gevel een fresco-voorstelling van de Opstanding in Italiaanschen stijl. Vooral een door de zon gebruinde welgedane soldaat op den voorgrond, wekte de bewondering der boeren het meest. Achter de kerk stonden twee rijen boerenwoningen met schoorsteenen hier en daar boven de rieten daken uitstekend. Het heerenhuis was gebouwd in denzelfden stijl als de kerk, den zoogenaamden alexandrijnschen. Het was eveneens geel geverfd, had ook een groen dak, witte zuilen en een gevel met een wapen. De goevernementsarchitect had beide gebouwen ontworpen en de heer Odintsof was hiermede zeer ingenomen, want van die waardelooze nieuwigheden hield hij niet. Het huisstond te midden van boomen in den ouden tuin. Een laan met stijf besnoeide dennen voerde naar den hoofdingang.De vrienden troffen in de zijkamer twee forsche livreiknechten, waarvan de éene den huisbewaarder ging roepen. Deze, een dik man in zwarten rok, verscheen onverwijld en geleidde de gasten langs een met breeden looper bekleede trap naar een ruim vertrek, waar reeds twee bedden en toiletbenoodigdheden aanwezig waren. Het huis bevond zich in goed onderhouden staat. Overal zindelijk, ordelijk en er hing iets als van de officieele geur in de ontvangzalen der ministeriën.—Anna Sergejevna verzocht u over een half uur beneden te komen, zei de hofmeester, is er voor het oogenblik nog iets van uw dienst?—Heelemaal niets, waardige dienaar, antwoordde Bazarof, behalve indien u de goedheid zoudt willen hebben, een borrel te laten brengen.—Heel wel, antwoordde de hofmeester, eenigszins onthutst, en verwijderde zich met krakende laarzen.—Daar zit lijn in, grand genre! riep Bazarof. Noemen jullie, menschen van adel, dat niet zoo? Zij is een hertogin, dat moet ik zeggen.—Een deftige hertogin, die zoo maar twee aristocraten van ons soort te logeeren vraagt! zei Arkadiej.—Vooral een aristocraat als ik, een dokter in spe, zoon van een dokter en kleinzoon van een koster. Ik weet niet, of ik je dat al eens heb gezegd. Maar ik ben de kleinzoon van eenkoster, net als Speranski, zei Bazarof minder luid. Maar in ieder geval is onze dame verwend door de fortuin. En hoe verwend! Moeten we niet onzen rok aantrekken?Arkadiej trok alleen maar de schouders op, maar in waarheid gevoelde hij zich niet bizonder op zijn gemak. Een half uur later ging hij met Bazarof naar den salon. Dit was een hoog, groot vertrek, zonder veel smaak overdadig-rijk ingericht. Kostbare, massale meubels, met traditioneele regelmatigheid langs de wanden opgesteld, met bruin-goud-doorstikt trijp overtrokken, waren uit Moscou afkomstig. De heer Odintsofzaliger had ze door bemiddeling van een vriend, een franschen wijnhandelaar, laten maken. Boven de sofa in het midden hing het portret van een blonden man met gezwollen gezicht, die nogal boos op de bezoekers neer keek.—Dat moet man zaliger zijn, fluisterde Bazarof zijn vriend in het oor en hij voegde erbij: zullen we maar weer inpakken?Maar op dit oogenblik trad de vrouw des huizes binnen. Ze droeg een lichtkleurig kleed, het haar had ze glad achter de ooren gekamd, waardoor ze met het frissche van haar gezicht op een jong meisje leek.—Ik ben u dankbaar, dat u woord hebt gehouden, zei ze, ik hoop, dat u hier eenigen tijd zult blijven. U zult zien, dat het leven hier niet onaangenaam is. Ik zal u aan mijn zuster voorstellen, ze speelt heel goed piano. Dat zal u vrijwel onverschillig zijn, mijnheer Bazarof, maar u houdt geloof ik van muziek, mijnheer Kirsanof.Behalve mijn zuster is er nog een tante in huis, en éen van onze buren komt wel eens een spelletje spelen. Zooals u ziet, is ons gezelschap dus niet groot. Maar wilt u niet gaan zitten?Deze kleine „inleiding” werd met volmaakte gemakkelijkheid voorgedragen. Mevrouw Odintsof scheen de woorden uit het hoofd geleerd te hebben. Ze begon daarop een gesprek met Arkadiej. Het bleek, dat haar moeder een intieme vriendin van de zijne was geweest en dat deze haar vriendin deelgenoot had gemaakt van haar liefde tot Nikolaas Petrowitsj. Arkadiej sprak vol bewondering van zijn moeder. In dien tijd bladerde Bazarof in een album.—Wat ben ik tam geworden, dacht hij.Een mooie windhond met licht-blauw halslint kwam binnen. Zijn nagels tikten op de parketvloer. Een jong meisje van achttien jaar, met donkere oogen en zwart haar volgde het dier. Haar gezichtje was niet volkomen regelmatig, maar had iets treffends. Ze droeg een mandje vol bloemen.—Dat is mijn Katja, zei mevrouw Odintsof en wenkte haar zuster naderbij. Het meisje kwam dicht bij haar zitten en begon de bloemen te schikken. De hond, die Fifi heette, maakte kennis met de gasten éen voor een, kwispelde met zijn krulstaart en drukte zijn kouden neus tegen hun hand.—Heb je die allemaal zelf geplukt? vroeg mevrouw Odintsof.—Ja, zei Katja.—Komt tante thee drinken?—Ze komt dadelijk.Bij het spreken glimlachte ze, schuchter, maar met iets opens in haar blik, terwijl ze met aardige onbeholpenheid van beneden naar boven keek. Alles aan haar sprak van jeugd: de stem, het lichte dons langs de wangen, de mat-roode handen en de nog tenger-smalle schouders. Ze bloosde telkens en haalde haastig en diep adem.Mevrouw Odintsof richtte zich tot Bazarof:—Dat is alleen beleefdheid, Jevgenij Wassiljewitsj, dat u dat album zoo oplettend bekijkt. Het kan u volstrekt geen belang inboezemen. Kom toch bij ons zitten en laten we over het een of ander gaan kibbelen.Bazarof kwam.—Graag, waarover zullen we het hebben?—Dat kan me niet schelen. Ik zeg u vooruit, dat ik van tegenspreken houd.—U?—Ja, verwondert u dat? Waarom?— Omdat u een koele en rustige natuur hebt, voor zoover ik dat kan beoordeelen. Wie strijden wil, moet zich ook kunnen laten meesleepen.—Hoe hebt u me in zoo korten tijd leeren kennen? U moet in de eerste plaats weten, dat ik ongeduldig en vasthoudend ben. Vraagt u Katja maar. En dan laat ik mij heel gemakkelijk meesleepen.Bazarof keek haar zwijgend aan.—Kan zijn, antwoordde hij, dat zult u beter weten, dan ik. U wilt dus volstrekt kibbelen? Goed. Ik heb in uw album natuurgezichten van Saksisch Zwitserland bekeken en u beweert, dat me dieonverschillig zijn. U zei dat, omdat u veronderstelde, dat ik geen gevoel voor het schoone heb. En daarin hebt u gelijk. Maar die tafereelen konden mij toch van geologisch standpunt interesseeren, bijvoorbeeld voor de berg-formaties.—Dat geef ik niet toe. Als geoloog zoudt u eerder een boek, een wetenschappelijk werk raadplegen en geen teekeningen.—Een teekening geeft mij met éen oogopslag, wat in een boek tien bladzijden beschrijving eischt.Zij antwoordde niets.—U hebt dus geen kunstzin, ging ze voort en leunde met den arm op de tafel, zoodat haar gezicht dichter bij dat van Bazarof kwam. Hoe speelt u het klaar zonder dien?—Mag ik vragen, waar kunstzin goed voor is?—Alleen al, om de menschen te bestudeeren.Bazarof glimlachte.—In de eerste plaats, ging hij voort, hebben we levenservaring, in de tweede plaats, moet ik u zeggen, dat ik het volstrekt niet noodig vind, iedereen te leeren kennen. Alle menschen lijken op elkaar, naar lichaam en ziel. Iedereen heeft een stel hersens, een hart, een milt, longen, alles op dezelfde wijze ingericht. En ook de zoogenaamde psychische eigenschappen zijn vrijwel dezelfde. Er zijn maar kleine verschillen. Eén enkelexemplaaris genoeg, om de rest te beoordeelen. De menschen zijn als de boomen in het woud. Geen botanicus zal het in zijn hoofd krijgen, ze allemaal te gaan bestudeeren.Katja, die langzaam met haar bloemen bezig was, keek verwonderd op naar Bazarof, maarbloosde tot achter de ooren, toen hij zijn sterken, vrijmoedigen blik op haar richtte. Mevrouw Odintsof schudde het hoofd.—De boomen van het woud! herhaalde ze. Er is dus volgens u geen onderscheid tusschen een goed en een slecht mensch, tusschen dom en geestig?—O zeker! Zooals tusschen gezond en ziek. De longen van een teringlijder zijn anders als bij u of bij mij. Maar de bouw is dezelfde. We kennen zoo ten naaste bij de oorzaken van sommige physieke kwalen. De psychische vinden hun ontstaan in de opvoeding, in de vele dwaasheden, waarmee men ons het hoofd volstopt, in de onwijze gesteldheid van ons maatschappelijk rechtssysteem. Gaat u de maatschappij hervormen en die ziekten zullen verdwijnen.Bazarof zei dit alles op een toon, waarin lag: of je me gelooft of niet, dat is me volkomen onverschillig. Hij streek met zijn lange vingers door zijn baard en zijn blik doorliep de geheele kamer.—En denkt u, dat er geen dommen en slechten meer bestaan, zoodra de maatschappij hervormd is? vroeg mevrouw Odintsof.—Dit staat in ieder geval vast, dat zoodra de maatschappij eenmaal redelijk is ingericht, het er niets meer toe doet, of een mensch dom of slim, goed of slecht, is!—Ik begrijp wat u bedoelt, de milt zal bij iedereen gelijk zijn!—Juist, mevrouw.Mevrouw Odintsof wendde zich tot Arkadiej.—En hoe denkt u hierover? vroeg ze hem.—Ik ben het met Jevgenij eens, antwoordde hij.Katja keek hem aan, zoo van onder op.—Ik ben verwonderd over u, heeren, zei mevrouw Odintsof. We zullen op dit alles terugkomen. Ik verwacht tante met de thee. Oude menschen moeten we sparen.Haar tante, vorstin Ch., een kleine, schrale, oude vrouw met een uitgedroogd gezicht, en strenge, harde oogen, trad binnen, verwaardigde zich nauwelijks de gasten toe te knikken en zette zich in een breeden, fluweelen fauteuil, die uitsluitend voor haar bestemd was. Katja bracht haar een voetkussen, de oude dankte niet eens met een blik, haar handen bewogen even onder den gelen sjaal, die haar dorre leden bijna geheel bedekte. Ze hield van het geld en had dan ook goud-gele linten aan haar kapje.—Hoe hebt u geslapen, tante? vroeg mevrouw Odintsof gedwongen.—De hond is er nog, antwoordde ze onvriendelijk en toen ze zag, dat Fifi angstig op haar toe kwam, riep ze: Vort! Vort!Katja riep het dier en deed de deur open. De hond sprong vroolijk op haar toe, daar hij dacht, dat hij uit zou gaan. Maar toen hij zich in zijn eentje buitengesloten zag, begon hij tegen de deur te krabben en te keffen. De oude vrouw fronste de wenkbrauwen. Katja wilde gaan.—De thee is klaar, zei mevrouw Odintsof. Mag ik u verzoeken, heeren? Tante, komt u?De vorstin stond langzaam op en ging het eerst naar de eetkamer. Een klein knechtje in kozakkenuniformschoof luidruchtig een grooten stoel vol kussens bij de tafel en de vorstin ging zitten. Katja, die de thee schenken moest, bediende haar eerst in een met wapens versierden kop. De oude vrouw deed honig in haar thee, want het gebruik van suiker beschouwde ze als een misdaad en buitendien vond ze die te duur, al kostte het haar geen kopeke. Meteen vroeg ze met een heesche stem:—Wat zegt vorst Ivan in zijn brief?Niemand antwoordde en de gasten bemerkten al spoedig, dat men met al dat eerebetoon weinig om haar gaf. Bazarof dacht: die dient als decoratie, een vorstin, dat staat goed in een salon...Na de thee stelde de gastvrouw een wandeling voor. Maar het begon wat te regenen en men ging terug naar den salon, de vorstin uitgezonderd. De buurman kwam om zijn partijtje. Hij heette Porfijriej Platonitsj, een kort, dikbuikig mannetje, kaalhoofdig, met korte beentjes, die wel op een draaibank gefabriceerd leken. Overigens was hij een vriendelijk, opgewekt heertje. Anna Sergejevna, die voortdurend met Bazarof praatte, vroeg hem of hij niet een spelletje préférence mee wilde doen. Bazarof stemde toe met de opmerking, dat hij zich oefenen moest in de bezigheden van een plattelandsdokter.—Past u maar op, zei Anna Sergejevna, u zult uw meester vinden. En jij, Katja, moest wat spelen voor Arkadiej Nikolajitsj. Hij houdt van muziek en wij hooren het dan ook.Katja haastte zich niet naar de piano en Arkadiej, die inderdaad van muziek hield, volgde haarschoorvoetend. Hij dacht, dat mevrouw Odintsof hem kwijt wilde zijn, en zooals alle jonge lieden van zijn leeftijd, werd hij aangetast door dat verwarrende, pijnlijke gevoel, dat de liefde vooraf gaat. Katja sloeg de piano open en vroeg Arkadiej, zonder hem aan te zien, wat ze zou spelen.—Wat u wilt, antwoordde hij onverschillig.—Van wat voor muziek houdt u het meest? vroeg ze, zonder omzien.—Van de classieke, was zijn antwoord, even onverschillig.—Houdt u van Mozart?—Ja.Katja nam de C-mineur sonate-fantazie. Ze speelde goed, ofschoon haar voordracht wat stijf en koud was. Ze zat onbewegelijk, keek strak naar de muziek en hield de lippen op elkaar geklemd. Maar tegen het einde, kwam er wat blos op haar gezicht, een haarlok liet los en viel over haar oogen.Arkadiej luisterde met genoegen naar het laatste gedeelte der sonate, waar de heerlijke blijheid eener zingende melodie plotseling gestoord wordt door de harde kreten eener bijna tragische smart...Maar de gedachten, die Mozarts muziek in hem wekten, betrokken zich geenszins op Katja. Als hij haar zag, dacht hij alleen maar: dat kind speelt goed en ze is niet onaardig...Toen de sonate uit was, vroeg Katja, zonder de handen van de toetsen te nemen:—Is het genoeg?Arkadiej antwoordde, dat hij geen misbruik van haar goedheid wilde maken en begon over Mozartte spreken. Hij vroeg, of zij die sonate zelf uitgezocht had of dat iemand haar aanbevolen had. Katja antwoordde met een enkel woord, zakelijk. Zij had zich in zich zelf teruggetrokken, als een slak in haar huisje. In zulke stemmingen duurde het lang, eer zij iemand durfde aanzien. Haar gezichtje teekende dan een uitdrukking van killen trots, ze scheen een klein onbeteekenend kind. Ze was toch niet inkennig van nature, maar haar zuster, die haar opvoeding leidde, zonder te begrijpen, wat ze noodig had, had haar zoo schuw gemaakt. Het eenige wat Arkadiej doen kon, om zich een dragelijke houding te geven, was, den hond te roepen, wien hij, goedig, maar leeg glimlachend, den kop streelde. Katja ging weer aan haar bloemen.Bazarof had niet meer geluk. Mevrouw Odintsof speelde goed evenals Porphyrij Platonitsj. Bazarof verloor en al was het niet veel, het verlies deed hem onaangenaam aan. Bij het avondeten bracht de gastvrouw het gesprek weer op de botanie.—Zullen we morgenochtend gaan wandelen? vroeg ze Bazarof. Ik zou graag de latijnsche namen van de veldbloemen en haar eigenschappen leeren kennen.—Waarom wilt u de latijnsche namen weten? vroeg hij.—Er moet in alles orde zijn, antwoordde ze.—Een bewonderenswaardige vrouw, riep Arkadiej, toen hij met Bazarof op hun kamer alleen was.—Ja, antwoordde Bazarof, ze heeft wel hersens, en ze weet zich te redden.—Hoe bedoel je?—Op tweeërlei manier. Ik ben overtuigd, dat ze haar geld uitmuntend beheert. Als hier iemand bewonderenswaardig is, dan is het de zuster.—Wat? Die kleine zwarte heks?—Ja, die kleine zwarte heks. Die is intact en frisch, schuw en stil. Ze verdient, dat men zich met haar bezig houdt. Daar is van te maken wat je wilt. Terwijl de ander...Arkadiej antwoordde niet. En zij gingen slapen, ieder met zijn eigen gedachten.Mevrouw Odintsof dacht ook aan haar gasten dien avond. Bazarofs scherp oordeel en eenvoud behaagden haar. Hij was nog een nieuw probleem voor haar en dat maakte nieuwsgierig.Zij was een vreemde vrouw. Zonder vooroordeelen, zonder vast geloof zelfs, schrok ze voor niets terug en kwam toch niet veel verder. Ze zag scherp in veel dingen, stelde in allerlei belang, zonder dat iets haar kon bevredigen. Ik weet trouwens niet, of ze wel een volle bevrediging verlangde. Zij was weetgierig en onverschillig tegelijk. Haar twijfelen bleef niet zonder sporen, maar werd nooit zoo sterk, dat haar gemoedsrust geschokt was. Indien ze niet rijk en onafhankelijk was geweest, zou ze zich wellicht in het levensgewoel gestort en de hartstochten hebben leeren kennen...Maar nu verliep haar leven zonder moeilijkheden, al greep haar de verveling soms wel aan en ze leefde van dag tot dag, zonder overhaasting, zonder angst of opgewondenheid. Soms rezen verleidelijke beelden voor haar vrouw-verlangen op, maar die verdwenen weer, haar zielsrust werdniet geschokt en zij betreurde niets. Haar verbeelding overschreed dan de grenzen der gestelde moraal-van-iederen-dag. Maar zelfs dan vloeide het bloed door haar sterk-rustige, edel-harmonische leden kalm, als altijd. Dikwijls als ze ’s morgens warm en opgewekt haar geurig bad verliet, kon ze gaan droomen over de ijdelheid aller dingen, over de vreugdeloosheid, moeiten en lasten des levens. Een stuwend willen greep haar dan aan, zij voelde verlangen tot daden in zich ontwaken... een tochtende windstoot langs het half-open venster was voldoende haar tot huiverende bezinning te brengen, ze was alleen nog maar boos op den wind en hoopte, dat hij zou gaan liggen. Zooals alle vrouwen, die niet kunnen liefhebben, verlangde ze altijd iets, zonder precies te weten wat. Inderdaad verlangde ze niets, ofschoon ze dacht, alles te verlangen. Ze had haar echtgenoot nauwelijks kunnen dulden. Uit berekening was ze getrouwd. Indien ze hem niet voor een goed mensch gehouden had, zou ze zeker niet getrouwd zijn. Maar ze had zich vergist en had een onbewusten afkeer tegen den man gehouden, dien ze onrein, lomp, traag, altijd verveeld en krachteloos vond.—Wel had ze op reis een jongen, knappen Zweed ontmoet, ridderlijk, blauwoogig, hoog, open van voorhoofd, die een diepen indruk op haar had gemaakt, maar zonder bezwaren was ze naar Rusland teruggekeerd.—Die dokter is een merkwaardig man! dacht ze in haar mooi bed op kanten kussen, onder zijden deken rustend. Anna Sergejevna had iets geërfd van haar vaders zin voor weelde. Ze hadveel van hem gehouden, hoe minderwaardig hij ook was, en hij had zijn dochter aanbeden, vertrouwde haar alles toe, ging met haar om, als met een goeden vriend en vroeg dikwijls haar raad. Van haar moeder had ze slechts een vage herinnering.—Die dokter is een merkwaardig man! dacht ze weer, rekte zich in haar bed, glimlachte en legde de armen onder het hoofd. Daarop las ze enkele pagina’s van een slechten franschen roman, liet het boek vallen en sliep in, blank, rein en koel...Na het ontbijt den volgenden morgen ging ze botaniseeren met Bazarof. Ze kwamen tegen het middagmaal terug. Arkadiej was niet uitgegaan en had een vol uur met Katja doorgebracht. Hij had zich niet verveeld. Ze had aangeboden, de sonate van den vorigen avond nog eens te spelen. Maar toen hij eindelijk mevrouw Odintsof weer zag, kromp zijn hart onwillekeurig samen. Ze kwam wat vermoeid den tuin door. Haar wangen met hooger blos, haar oogen glanzend onder den ronden strooien hoed. De tengere stengel van een paardebloem draaide ze tusschen de vingers. Haar manteltje was van de schouders op de armen gegleden en de lange linten van haar hoed golfden over de borst. Bazarof liep met vasten tred, rustig als altijd, achter haar. Maar aan de uitdrukking van haar gezicht bemerkte Arkadiej iets, dat hem onaangenaam aandeed.Bazarof riep hem een goeden morgen toe en ging naar zijn kamer.Mevrouw Odintsof drukte hem verstrooid de hand en liep hem ook voorbij.—Goeden morgen? dacht Arkadiej, hebben we elkaar dan nog niet gezien vandaag?...

Het huis, dat mevrouw Odintsof bewoonde, lag tegen een open heuvel dicht bij een steenen kerk met groen dak en witte zuilen, in den gevel een fresco-voorstelling van de Opstanding in Italiaanschen stijl. Vooral een door de zon gebruinde welgedane soldaat op den voorgrond, wekte de bewondering der boeren het meest. Achter de kerk stonden twee rijen boerenwoningen met schoorsteenen hier en daar boven de rieten daken uitstekend. Het heerenhuis was gebouwd in denzelfden stijl als de kerk, den zoogenaamden alexandrijnschen. Het was eveneens geel geverfd, had ook een groen dak, witte zuilen en een gevel met een wapen. De goevernementsarchitect had beide gebouwen ontworpen en de heer Odintsof was hiermede zeer ingenomen, want van die waardelooze nieuwigheden hield hij niet. Het huisstond te midden van boomen in den ouden tuin. Een laan met stijf besnoeide dennen voerde naar den hoofdingang.

De vrienden troffen in de zijkamer twee forsche livreiknechten, waarvan de éene den huisbewaarder ging roepen. Deze, een dik man in zwarten rok, verscheen onverwijld en geleidde de gasten langs een met breeden looper bekleede trap naar een ruim vertrek, waar reeds twee bedden en toiletbenoodigdheden aanwezig waren. Het huis bevond zich in goed onderhouden staat. Overal zindelijk, ordelijk en er hing iets als van de officieele geur in de ontvangzalen der ministeriën.

—Anna Sergejevna verzocht u over een half uur beneden te komen, zei de hofmeester, is er voor het oogenblik nog iets van uw dienst?

—Heelemaal niets, waardige dienaar, antwoordde Bazarof, behalve indien u de goedheid zoudt willen hebben, een borrel te laten brengen.

—Heel wel, antwoordde de hofmeester, eenigszins onthutst, en verwijderde zich met krakende laarzen.

—Daar zit lijn in, grand genre! riep Bazarof. Noemen jullie, menschen van adel, dat niet zoo? Zij is een hertogin, dat moet ik zeggen.

—Een deftige hertogin, die zoo maar twee aristocraten van ons soort te logeeren vraagt! zei Arkadiej.

—Vooral een aristocraat als ik, een dokter in spe, zoon van een dokter en kleinzoon van een koster. Ik weet niet, of ik je dat al eens heb gezegd. Maar ik ben de kleinzoon van eenkoster, net als Speranski, zei Bazarof minder luid. Maar in ieder geval is onze dame verwend door de fortuin. En hoe verwend! Moeten we niet onzen rok aantrekken?

Arkadiej trok alleen maar de schouders op, maar in waarheid gevoelde hij zich niet bizonder op zijn gemak. Een half uur later ging hij met Bazarof naar den salon. Dit was een hoog, groot vertrek, zonder veel smaak overdadig-rijk ingericht. Kostbare, massale meubels, met traditioneele regelmatigheid langs de wanden opgesteld, met bruin-goud-doorstikt trijp overtrokken, waren uit Moscou afkomstig. De heer Odintsofzaliger had ze door bemiddeling van een vriend, een franschen wijnhandelaar, laten maken. Boven de sofa in het midden hing het portret van een blonden man met gezwollen gezicht, die nogal boos op de bezoekers neer keek.

—Dat moet man zaliger zijn, fluisterde Bazarof zijn vriend in het oor en hij voegde erbij: zullen we maar weer inpakken?

Maar op dit oogenblik trad de vrouw des huizes binnen. Ze droeg een lichtkleurig kleed, het haar had ze glad achter de ooren gekamd, waardoor ze met het frissche van haar gezicht op een jong meisje leek.

—Ik ben u dankbaar, dat u woord hebt gehouden, zei ze, ik hoop, dat u hier eenigen tijd zult blijven. U zult zien, dat het leven hier niet onaangenaam is. Ik zal u aan mijn zuster voorstellen, ze speelt heel goed piano. Dat zal u vrijwel onverschillig zijn, mijnheer Bazarof, maar u houdt geloof ik van muziek, mijnheer Kirsanof.Behalve mijn zuster is er nog een tante in huis, en éen van onze buren komt wel eens een spelletje spelen. Zooals u ziet, is ons gezelschap dus niet groot. Maar wilt u niet gaan zitten?

Deze kleine „inleiding” werd met volmaakte gemakkelijkheid voorgedragen. Mevrouw Odintsof scheen de woorden uit het hoofd geleerd te hebben. Ze begon daarop een gesprek met Arkadiej. Het bleek, dat haar moeder een intieme vriendin van de zijne was geweest en dat deze haar vriendin deelgenoot had gemaakt van haar liefde tot Nikolaas Petrowitsj. Arkadiej sprak vol bewondering van zijn moeder. In dien tijd bladerde Bazarof in een album.

—Wat ben ik tam geworden, dacht hij.

Een mooie windhond met licht-blauw halslint kwam binnen. Zijn nagels tikten op de parketvloer. Een jong meisje van achttien jaar, met donkere oogen en zwart haar volgde het dier. Haar gezichtje was niet volkomen regelmatig, maar had iets treffends. Ze droeg een mandje vol bloemen.

—Dat is mijn Katja, zei mevrouw Odintsof en wenkte haar zuster naderbij. Het meisje kwam dicht bij haar zitten en begon de bloemen te schikken. De hond, die Fifi heette, maakte kennis met de gasten éen voor een, kwispelde met zijn krulstaart en drukte zijn kouden neus tegen hun hand.

—Heb je die allemaal zelf geplukt? vroeg mevrouw Odintsof.

—Ja, zei Katja.

—Komt tante thee drinken?

—Ze komt dadelijk.

Bij het spreken glimlachte ze, schuchter, maar met iets opens in haar blik, terwijl ze met aardige onbeholpenheid van beneden naar boven keek. Alles aan haar sprak van jeugd: de stem, het lichte dons langs de wangen, de mat-roode handen en de nog tenger-smalle schouders. Ze bloosde telkens en haalde haastig en diep adem.

Mevrouw Odintsof richtte zich tot Bazarof:

—Dat is alleen beleefdheid, Jevgenij Wassiljewitsj, dat u dat album zoo oplettend bekijkt. Het kan u volstrekt geen belang inboezemen. Kom toch bij ons zitten en laten we over het een of ander gaan kibbelen.

Bazarof kwam.

—Graag, waarover zullen we het hebben?

—Dat kan me niet schelen. Ik zeg u vooruit, dat ik van tegenspreken houd.

—U?

—Ja, verwondert u dat? Waarom?

— Omdat u een koele en rustige natuur hebt, voor zoover ik dat kan beoordeelen. Wie strijden wil, moet zich ook kunnen laten meesleepen.

—Hoe hebt u me in zoo korten tijd leeren kennen? U moet in de eerste plaats weten, dat ik ongeduldig en vasthoudend ben. Vraagt u Katja maar. En dan laat ik mij heel gemakkelijk meesleepen.

Bazarof keek haar zwijgend aan.

—Kan zijn, antwoordde hij, dat zult u beter weten, dan ik. U wilt dus volstrekt kibbelen? Goed. Ik heb in uw album natuurgezichten van Saksisch Zwitserland bekeken en u beweert, dat me dieonverschillig zijn. U zei dat, omdat u veronderstelde, dat ik geen gevoel voor het schoone heb. En daarin hebt u gelijk. Maar die tafereelen konden mij toch van geologisch standpunt interesseeren, bijvoorbeeld voor de berg-formaties.

—Dat geef ik niet toe. Als geoloog zoudt u eerder een boek, een wetenschappelijk werk raadplegen en geen teekeningen.

—Een teekening geeft mij met éen oogopslag, wat in een boek tien bladzijden beschrijving eischt.

Zij antwoordde niets.

—U hebt dus geen kunstzin, ging ze voort en leunde met den arm op de tafel, zoodat haar gezicht dichter bij dat van Bazarof kwam. Hoe speelt u het klaar zonder dien?

—Mag ik vragen, waar kunstzin goed voor is?

—Alleen al, om de menschen te bestudeeren.

Bazarof glimlachte.

—In de eerste plaats, ging hij voort, hebben we levenservaring, in de tweede plaats, moet ik u zeggen, dat ik het volstrekt niet noodig vind, iedereen te leeren kennen. Alle menschen lijken op elkaar, naar lichaam en ziel. Iedereen heeft een stel hersens, een hart, een milt, longen, alles op dezelfde wijze ingericht. En ook de zoogenaamde psychische eigenschappen zijn vrijwel dezelfde. Er zijn maar kleine verschillen. Eén enkelexemplaaris genoeg, om de rest te beoordeelen. De menschen zijn als de boomen in het woud. Geen botanicus zal het in zijn hoofd krijgen, ze allemaal te gaan bestudeeren.

Katja, die langzaam met haar bloemen bezig was, keek verwonderd op naar Bazarof, maarbloosde tot achter de ooren, toen hij zijn sterken, vrijmoedigen blik op haar richtte. Mevrouw Odintsof schudde het hoofd.

—De boomen van het woud! herhaalde ze. Er is dus volgens u geen onderscheid tusschen een goed en een slecht mensch, tusschen dom en geestig?

—O zeker! Zooals tusschen gezond en ziek. De longen van een teringlijder zijn anders als bij u of bij mij. Maar de bouw is dezelfde. We kennen zoo ten naaste bij de oorzaken van sommige physieke kwalen. De psychische vinden hun ontstaan in de opvoeding, in de vele dwaasheden, waarmee men ons het hoofd volstopt, in de onwijze gesteldheid van ons maatschappelijk rechtssysteem. Gaat u de maatschappij hervormen en die ziekten zullen verdwijnen.

Bazarof zei dit alles op een toon, waarin lag: of je me gelooft of niet, dat is me volkomen onverschillig. Hij streek met zijn lange vingers door zijn baard en zijn blik doorliep de geheele kamer.

—En denkt u, dat er geen dommen en slechten meer bestaan, zoodra de maatschappij hervormd is? vroeg mevrouw Odintsof.

—Dit staat in ieder geval vast, dat zoodra de maatschappij eenmaal redelijk is ingericht, het er niets meer toe doet, of een mensch dom of slim, goed of slecht, is!

—Ik begrijp wat u bedoelt, de milt zal bij iedereen gelijk zijn!

—Juist, mevrouw.

Mevrouw Odintsof wendde zich tot Arkadiej.

—En hoe denkt u hierover? vroeg ze hem.

—Ik ben het met Jevgenij eens, antwoordde hij.

Katja keek hem aan, zoo van onder op.

—Ik ben verwonderd over u, heeren, zei mevrouw Odintsof. We zullen op dit alles terugkomen. Ik verwacht tante met de thee. Oude menschen moeten we sparen.

Haar tante, vorstin Ch., een kleine, schrale, oude vrouw met een uitgedroogd gezicht, en strenge, harde oogen, trad binnen, verwaardigde zich nauwelijks de gasten toe te knikken en zette zich in een breeden, fluweelen fauteuil, die uitsluitend voor haar bestemd was. Katja bracht haar een voetkussen, de oude dankte niet eens met een blik, haar handen bewogen even onder den gelen sjaal, die haar dorre leden bijna geheel bedekte. Ze hield van het geld en had dan ook goud-gele linten aan haar kapje.

—Hoe hebt u geslapen, tante? vroeg mevrouw Odintsof gedwongen.

—De hond is er nog, antwoordde ze onvriendelijk en toen ze zag, dat Fifi angstig op haar toe kwam, riep ze: Vort! Vort!

Katja riep het dier en deed de deur open. De hond sprong vroolijk op haar toe, daar hij dacht, dat hij uit zou gaan. Maar toen hij zich in zijn eentje buitengesloten zag, begon hij tegen de deur te krabben en te keffen. De oude vrouw fronste de wenkbrauwen. Katja wilde gaan.

—De thee is klaar, zei mevrouw Odintsof. Mag ik u verzoeken, heeren? Tante, komt u?

De vorstin stond langzaam op en ging het eerst naar de eetkamer. Een klein knechtje in kozakkenuniformschoof luidruchtig een grooten stoel vol kussens bij de tafel en de vorstin ging zitten. Katja, die de thee schenken moest, bediende haar eerst in een met wapens versierden kop. De oude vrouw deed honig in haar thee, want het gebruik van suiker beschouwde ze als een misdaad en buitendien vond ze die te duur, al kostte het haar geen kopeke. Meteen vroeg ze met een heesche stem:

—Wat zegt vorst Ivan in zijn brief?

Niemand antwoordde en de gasten bemerkten al spoedig, dat men met al dat eerebetoon weinig om haar gaf. Bazarof dacht: die dient als decoratie, een vorstin, dat staat goed in een salon...

Na de thee stelde de gastvrouw een wandeling voor. Maar het begon wat te regenen en men ging terug naar den salon, de vorstin uitgezonderd. De buurman kwam om zijn partijtje. Hij heette Porfijriej Platonitsj, een kort, dikbuikig mannetje, kaalhoofdig, met korte beentjes, die wel op een draaibank gefabriceerd leken. Overigens was hij een vriendelijk, opgewekt heertje. Anna Sergejevna, die voortdurend met Bazarof praatte, vroeg hem of hij niet een spelletje préférence mee wilde doen. Bazarof stemde toe met de opmerking, dat hij zich oefenen moest in de bezigheden van een plattelandsdokter.

—Past u maar op, zei Anna Sergejevna, u zult uw meester vinden. En jij, Katja, moest wat spelen voor Arkadiej Nikolajitsj. Hij houdt van muziek en wij hooren het dan ook.

Katja haastte zich niet naar de piano en Arkadiej, die inderdaad van muziek hield, volgde haarschoorvoetend. Hij dacht, dat mevrouw Odintsof hem kwijt wilde zijn, en zooals alle jonge lieden van zijn leeftijd, werd hij aangetast door dat verwarrende, pijnlijke gevoel, dat de liefde vooraf gaat. Katja sloeg de piano open en vroeg Arkadiej, zonder hem aan te zien, wat ze zou spelen.

—Wat u wilt, antwoordde hij onverschillig.

—Van wat voor muziek houdt u het meest? vroeg ze, zonder omzien.

—Van de classieke, was zijn antwoord, even onverschillig.

—Houdt u van Mozart?

—Ja.

Katja nam de C-mineur sonate-fantazie. Ze speelde goed, ofschoon haar voordracht wat stijf en koud was. Ze zat onbewegelijk, keek strak naar de muziek en hield de lippen op elkaar geklemd. Maar tegen het einde, kwam er wat blos op haar gezicht, een haarlok liet los en viel over haar oogen.

Arkadiej luisterde met genoegen naar het laatste gedeelte der sonate, waar de heerlijke blijheid eener zingende melodie plotseling gestoord wordt door de harde kreten eener bijna tragische smart...

Maar de gedachten, die Mozarts muziek in hem wekten, betrokken zich geenszins op Katja. Als hij haar zag, dacht hij alleen maar: dat kind speelt goed en ze is niet onaardig...

Toen de sonate uit was, vroeg Katja, zonder de handen van de toetsen te nemen:

—Is het genoeg?

Arkadiej antwoordde, dat hij geen misbruik van haar goedheid wilde maken en begon over Mozartte spreken. Hij vroeg, of zij die sonate zelf uitgezocht had of dat iemand haar aanbevolen had. Katja antwoordde met een enkel woord, zakelijk. Zij had zich in zich zelf teruggetrokken, als een slak in haar huisje. In zulke stemmingen duurde het lang, eer zij iemand durfde aanzien. Haar gezichtje teekende dan een uitdrukking van killen trots, ze scheen een klein onbeteekenend kind. Ze was toch niet inkennig van nature, maar haar zuster, die haar opvoeding leidde, zonder te begrijpen, wat ze noodig had, had haar zoo schuw gemaakt. Het eenige wat Arkadiej doen kon, om zich een dragelijke houding te geven, was, den hond te roepen, wien hij, goedig, maar leeg glimlachend, den kop streelde. Katja ging weer aan haar bloemen.

Bazarof had niet meer geluk. Mevrouw Odintsof speelde goed evenals Porphyrij Platonitsj. Bazarof verloor en al was het niet veel, het verlies deed hem onaangenaam aan. Bij het avondeten bracht de gastvrouw het gesprek weer op de botanie.

—Zullen we morgenochtend gaan wandelen? vroeg ze Bazarof. Ik zou graag de latijnsche namen van de veldbloemen en haar eigenschappen leeren kennen.

—Waarom wilt u de latijnsche namen weten? vroeg hij.

—Er moet in alles orde zijn, antwoordde ze.

—Een bewonderenswaardige vrouw, riep Arkadiej, toen hij met Bazarof op hun kamer alleen was.

—Ja, antwoordde Bazarof, ze heeft wel hersens, en ze weet zich te redden.

—Hoe bedoel je?

—Op tweeërlei manier. Ik ben overtuigd, dat ze haar geld uitmuntend beheert. Als hier iemand bewonderenswaardig is, dan is het de zuster.

—Wat? Die kleine zwarte heks?

—Ja, die kleine zwarte heks. Die is intact en frisch, schuw en stil. Ze verdient, dat men zich met haar bezig houdt. Daar is van te maken wat je wilt. Terwijl de ander...

Arkadiej antwoordde niet. En zij gingen slapen, ieder met zijn eigen gedachten.

Mevrouw Odintsof dacht ook aan haar gasten dien avond. Bazarofs scherp oordeel en eenvoud behaagden haar. Hij was nog een nieuw probleem voor haar en dat maakte nieuwsgierig.

Zij was een vreemde vrouw. Zonder vooroordeelen, zonder vast geloof zelfs, schrok ze voor niets terug en kwam toch niet veel verder. Ze zag scherp in veel dingen, stelde in allerlei belang, zonder dat iets haar kon bevredigen. Ik weet trouwens niet, of ze wel een volle bevrediging verlangde. Zij was weetgierig en onverschillig tegelijk. Haar twijfelen bleef niet zonder sporen, maar werd nooit zoo sterk, dat haar gemoedsrust geschokt was. Indien ze niet rijk en onafhankelijk was geweest, zou ze zich wellicht in het levensgewoel gestort en de hartstochten hebben leeren kennen...

Maar nu verliep haar leven zonder moeilijkheden, al greep haar de verveling soms wel aan en ze leefde van dag tot dag, zonder overhaasting, zonder angst of opgewondenheid. Soms rezen verleidelijke beelden voor haar vrouw-verlangen op, maar die verdwenen weer, haar zielsrust werdniet geschokt en zij betreurde niets. Haar verbeelding overschreed dan de grenzen der gestelde moraal-van-iederen-dag. Maar zelfs dan vloeide het bloed door haar sterk-rustige, edel-harmonische leden kalm, als altijd. Dikwijls als ze ’s morgens warm en opgewekt haar geurig bad verliet, kon ze gaan droomen over de ijdelheid aller dingen, over de vreugdeloosheid, moeiten en lasten des levens. Een stuwend willen greep haar dan aan, zij voelde verlangen tot daden in zich ontwaken... een tochtende windstoot langs het half-open venster was voldoende haar tot huiverende bezinning te brengen, ze was alleen nog maar boos op den wind en hoopte, dat hij zou gaan liggen. Zooals alle vrouwen, die niet kunnen liefhebben, verlangde ze altijd iets, zonder precies te weten wat. Inderdaad verlangde ze niets, ofschoon ze dacht, alles te verlangen. Ze had haar echtgenoot nauwelijks kunnen dulden. Uit berekening was ze getrouwd. Indien ze hem niet voor een goed mensch gehouden had, zou ze zeker niet getrouwd zijn. Maar ze had zich vergist en had een onbewusten afkeer tegen den man gehouden, dien ze onrein, lomp, traag, altijd verveeld en krachteloos vond.—Wel had ze op reis een jongen, knappen Zweed ontmoet, ridderlijk, blauwoogig, hoog, open van voorhoofd, die een diepen indruk op haar had gemaakt, maar zonder bezwaren was ze naar Rusland teruggekeerd.

—Die dokter is een merkwaardig man! dacht ze in haar mooi bed op kanten kussen, onder zijden deken rustend. Anna Sergejevna had iets geërfd van haar vaders zin voor weelde. Ze hadveel van hem gehouden, hoe minderwaardig hij ook was, en hij had zijn dochter aanbeden, vertrouwde haar alles toe, ging met haar om, als met een goeden vriend en vroeg dikwijls haar raad. Van haar moeder had ze slechts een vage herinnering.

—Die dokter is een merkwaardig man! dacht ze weer, rekte zich in haar bed, glimlachte en legde de armen onder het hoofd. Daarop las ze enkele pagina’s van een slechten franschen roman, liet het boek vallen en sliep in, blank, rein en koel...

Na het ontbijt den volgenden morgen ging ze botaniseeren met Bazarof. Ze kwamen tegen het middagmaal terug. Arkadiej was niet uitgegaan en had een vol uur met Katja doorgebracht. Hij had zich niet verveeld. Ze had aangeboden, de sonate van den vorigen avond nog eens te spelen. Maar toen hij eindelijk mevrouw Odintsof weer zag, kromp zijn hart onwillekeurig samen. Ze kwam wat vermoeid den tuin door. Haar wangen met hooger blos, haar oogen glanzend onder den ronden strooien hoed. De tengere stengel van een paardebloem draaide ze tusschen de vingers. Haar manteltje was van de schouders op de armen gegleden en de lange linten van haar hoed golfden over de borst. Bazarof liep met vasten tred, rustig als altijd, achter haar. Maar aan de uitdrukking van haar gezicht bemerkte Arkadiej iets, dat hem onaangenaam aandeed.

Bazarof riep hem een goeden morgen toe en ging naar zijn kamer.

Mevrouw Odintsof drukte hem verstrooid de hand en liep hem ook voorbij.

—Goeden morgen? dacht Arkadiej, hebben we elkaar dan nog niet gezien vandaag?...


Back to IndexNext