XVIII.

XVIII.Toen mevrouw Odintsof den volgenden morgen kwam ontbijten, zat Bazarof al over zijn thee gebogen en richtte plotseling zijn oogen op haar... zij richtte zich tot hem, alsof hij haar gestooten had en hij meende te bemerken, dat ze nog bleeker zag dan den vorigen avond. Hij verdween spoedig in zijn kamer en kwam pas bij het tweede ontbijt terug. Het was een regenachtige morgen. Allen waren in den salon bijeen. Arkadiej nam het laatste nummer van een tijdschrift en begon voor te lezen. De vorstin scheen hierover zeer verwonderd, alsof hij een fout tegen de etikette had begaan, en monsterde hem met boozen blik, waarop hij echter niet lette.—Jevgenij Wassiljewitsj, zei mevrouw Odintsof, wilt u even meegaan naar mijn kamer, ik wilde u vragen, u noemde gisteren den titel van een boek...Ze stond op en ging naar de deur. De tante keek om zich heen, en haar gezicht zei duidelijk: kijk, kijk, hoe ik versteld sta! Zij keek weer naar Arkadiej, maar deze wisselde een snellen blik met Katja, die naast hem zat, en las overluid verder. Mevrouw Odintsof liep naar haar kamer, Bazarof volgde met neergeslagen oogen en hoorde het ruischen van het zijden morgenkleed voor hem... Anna Sergejevna zette zich in denzelfden stoel als den vorigen avond en ook Bazarof hernam zijn plaats.—Hoe heette dat boek? vroeg ze na een oogenblik.—Pelouse en Fremy.Notions Générales, antwoordde hij. Maar ik kan u ook Ganot Handboek der experimenteele physica aanbevelen. De afbeeldingen zijn meer gedetailleerd en het boek is...—Neem me niet kwalijk, Jevgenij Wassiljewitsj, viel ze hem in de rede, ik heb u niet laten komen, om over handboeken te praten. Ik zou ons gesprek van gisteravond weer willen hervatten. U ging zoo opeens weg... het is u toch niet onaangenaam?—Ik ben tot uw dienst. Waarover spraken we gisteren ook weer?Mevrouw Odintsof keek hem van terzijde aan.—Ik geloof, dat we over het geluk spraken. Ik sprak over mijzelf. Maar ik moet u iets vragen, omdat ik dat woord geluk noemde. Waarom schijnt het genot van muziek, van een mooien avond, van een intiem gesprek met iemand, die ons sympathiek is, eigenlijk alleen maar een belofte, de afglans van een onbekend geluk, dat wellicht ergens wacht, maar nooit het geluk zelf, nooit een geluk dat we in werkelijkheid genieten?—Antwoord me hierop... maar misschien kent u dit gevoel in het geheel niet.—Kent u den bekenden versregel:Nur wo wir nicht sind, dort is das Glück? antwoordde Bazarof. Trouwens u hebt me gisteren gezegd, dat u geen bevredigd-zijn kent. En verder komen mij inderdaad dergelijke gedachten nooit in den zin.—Vindt u ze belachelijk?—Dat niet, maar ik ken dat zoo niet.—Ik zou wel willen weten, waaraan u op het oogenblik denkt.—Hoe meent u? Ik begrijp u niet.—Ik had al zoo lang eens met u willen uitspreken. Ik hoef niet te zeggen, dat u niet de eerste de beste bent. Dat weet u wel. Op uw leeftijd heeft men nog een langen weg voor zich. Wat bent u van plan? Wat verwacht u van de toekomst? Wat is uw doel? En wat gaat er om in uw binnenste? Met éen woord, wat en wie bent u?—U doet me versteld staan, mevrouw. U weet toch, dat ik natuurwetenschappen beoefen. En wat mij persoonlijk betreft...—Ja, wie bent u?—Ik had reeds het genoegen, u mee te deelen, dat ik goevernements-geneesheer hoop te worden.Mevrouw Odintsof gaf teekenen, van ongeduld.—Waarom spreekt u zoo? zei ze. U gelooft zelf niet, wat u zegt. Arkadiej had zoo kunnen antwoorden, maar u...—Maar waarom zou Arkadiej...—Och wat! Zoo een klein arbeidsveld zou u toch nooit bevredigen. Bekent u niet zelf, dat u niet gelooft in de medische wetenschap? U met uw zelfgevoel, distrikts-geneesheer? U zegt dat maar, om mijn vraag te ontloopen. Ik boezem u geen vertrouwen in. Toch geloof ik, dat ik u zou kunnen begrijpen, Jevgenij Wassiljewitsj. Ik was zelf arm en vol zelfgevoel zooals u. Ik heb waarschijnlijk hetzelfde meegemaakt.—Dat is goed en wel, Anna Sergejevna, maar ik ben niet gewoon, anderen mijn hart te openen, u moet me niet kwalijk nemen. En buitendien bestaat er zulk een kloof tusschen ons...—Och kom, zult u me nog eens voor de voeten gooien, dat ik aristocrate ben? Ik heb u toch zeker wel bewezen...—Buitendien, ging Bazarof voort, begrijp ik niet, welk genoegen er in kan liggen over de toekomst te spreken, die in ’t algemeen zoo weinig met ons te maken heeft. Doet zich een gelegenheid voor, iets te praesteeren, des te beter, en anders zal het wel het best zijn, zoo weinig mogelijk onnoodig gepraat te hebben.—U noemt vriendschappelijke gedachtenwisseling onnoodige praat. U acht mij ten slotte als vrouw uw vertrouwen niet waard? U veracht zoo een beetje het vrouwelijk geslacht!—Ik verachtugeenszins, Anna Sergejevna, en dat weet u heel goed.—Neen, ik weet niets. Maar het zij zoo. Dat u niet over uw toekomst wilt spreken, kan ik begrijpen, maar wat er op het oogenblik in u omgaat...—Omgaat? herhaalde Bazarof. Ben ik soms een staat of een maatschappij? In ieder geval is dat niet erg belangrijk. En buitendien, moeten wij dan altijd maar luide verkondigen, wat er in ons omgaat?—Ik zie niet in, waarom men niet eerlijk uit zou komen voor wat men op het hart heeft!—Zou u dat kunnen?—Ja, antwoordde mevrouw Odintsof na een oogenblik.Bazarof boog.—Dan bent u gelukkiger dan ik, zei hij.Anna Sergejevna zag hem aan, alsof ze een verklaring verwachtte.—U hebt goed praten, antwoordde zij, maar ik ben toch geneigd, te gelooven, dat wij elkaar niet vergeefs hebben ontmoet en dat wij goede vrienden zullen blijven. Ik ben overtuigd, dat uw geslotenheid, uw... hoe zal ik zeggen... hardheid op den duur verdwijnen zal.—U vindt mij dus gesloten... of... hard?—Ja.Bazarof stond op en ging naar het venster.—En u wilt de oorzaken van die geslotenheid leeren kennen, u wilt weten, wat er in mij omgaat?—Ja, antwoordde mevrouw Odintsof, met een ontroering, waarvan ze zich nog geen rekenschap kon geven.—En u zult niet boos worden?—Neen!—Niet? Bazarof stond met den rug naar haar toe.—Weet dan, dat ik u dwaas, krankzinnig lief heb... u hebt mij gedwongen, het te zeggen.Mevrouw Odintsof strekte haar armen. Bazarof drukte zijn voorhoofd tegen de ruit. Hij had het gevoel van stikken, beefde over al zijn leden; maar dat was niet de opgewondenheid van prille jeugd, niet de zalige verrukking eener eerste liefdesbekentenis, dat was het lijfsverlangen, dat in hem streed, die wilde, heftige kracht, die op het Booze lijkt en wellicht daarmee verwant is.Mevrouw Odintsof gevoelde angst en medelijden tegelijk.—Jevgenij Wassiljewitsj, zei ze zacht, en wellicht ongewild lag er diepe teederheid in haar stem.Hij keerde zich om, keek haar aan met verterendenblik en trok haar bij de handen hartstochtelijk naar zich toe.Zij kon zich niet dadelijk losrukken... maar na eenige oogenblikken was ze gevlucht in den versten hoek der kamer. Hij op haar toe...—U hebt me niet begrepen! riep ze met heesche stem.Nog een stap en ze zou geschreeuwd hebben. Dat was aan haar houding duidelijk kenbaar. Bazarof beet zich de lippen en liet haar alleen.Een half uur later bracht een kamermeisje haar een briefje van Bazarof. Daar stond in: „Moet ik vandaag nog vertrekken, of kan ik tot morgen blijven?” Zij antwoordde: „Waarom vertrekken? Ik heb u niet begrepen en u hebt mij niet begrepen.” Terwijl ze die woorden opschreef, dacht ze: ik heb me zelf niet begrepen.Bij het middagmaal verscheen ze pas. Den geheelen morgen was ze heen en weer blijven loopen in haar kamer, was nu eens voor den spiegel, dan weer voor het venster blijven staan, terwijl ze voortdurend haar hals met een zakdoek afveegde. Ze verbeeldde zich, dat daar een gloeiend-roode vlek moest zijn. Ze had zich afgevraagd, waarom ze Bazarof tot die bekentenis gedwongen had en of ze het al niet reeds lang vermoedde.Ik ben schuldig, zei ze hardop, maar wie kan alles vooruitzien?Ze werd kalmer-droomend en schrok blozend bij de herinnering aan Bazarofs wilde blikken, toen hij op haar af was gekomen.Of... misschien... zei ze dan weer opeens, bleef staan en schudde haar lokken. Toen ze inden spiegel haar licht opzij gebogen hoofd zag, met den geheimzinnigen glimlach in de halfgeloken oogen en op den half-open mond, ontroerde haar dit beeld, alsof het iets vreemds en dieps verborg.—Neen, neen, zei ze ten slotte, God weet, waartoe dit leiden kan. Met zoo iets valt niet te spelen. De rust is toch het best op aarde...Haar gemoedsrust werd dan ook niet verstoord. Maar ze was droevig en vergoot zelfs enkele tranen, zonder te weten waarom. Het was geen gevoel van schaamte of vernederd-zijn, ze voelde zich niet eens deemoedig geworden. Ze voelde alleen wat schuld. Geleid door allerlei onduidelijke gevoelens, het bewustzijn van een doelloos vervlietend leven en het verlangen naar nieuwe ontroeringen, was ze tot een grens gegaan en toen ze over die grens een blik wierp, had ze geen afgrond, maar toch leegheid en leelijkheid gezien...

XVIII.Toen mevrouw Odintsof den volgenden morgen kwam ontbijten, zat Bazarof al over zijn thee gebogen en richtte plotseling zijn oogen op haar... zij richtte zich tot hem, alsof hij haar gestooten had en hij meende te bemerken, dat ze nog bleeker zag dan den vorigen avond. Hij verdween spoedig in zijn kamer en kwam pas bij het tweede ontbijt terug. Het was een regenachtige morgen. Allen waren in den salon bijeen. Arkadiej nam het laatste nummer van een tijdschrift en begon voor te lezen. De vorstin scheen hierover zeer verwonderd, alsof hij een fout tegen de etikette had begaan, en monsterde hem met boozen blik, waarop hij echter niet lette.—Jevgenij Wassiljewitsj, zei mevrouw Odintsof, wilt u even meegaan naar mijn kamer, ik wilde u vragen, u noemde gisteren den titel van een boek...Ze stond op en ging naar de deur. De tante keek om zich heen, en haar gezicht zei duidelijk: kijk, kijk, hoe ik versteld sta! Zij keek weer naar Arkadiej, maar deze wisselde een snellen blik met Katja, die naast hem zat, en las overluid verder. Mevrouw Odintsof liep naar haar kamer, Bazarof volgde met neergeslagen oogen en hoorde het ruischen van het zijden morgenkleed voor hem... Anna Sergejevna zette zich in denzelfden stoel als den vorigen avond en ook Bazarof hernam zijn plaats.—Hoe heette dat boek? vroeg ze na een oogenblik.—Pelouse en Fremy.Notions Générales, antwoordde hij. Maar ik kan u ook Ganot Handboek der experimenteele physica aanbevelen. De afbeeldingen zijn meer gedetailleerd en het boek is...—Neem me niet kwalijk, Jevgenij Wassiljewitsj, viel ze hem in de rede, ik heb u niet laten komen, om over handboeken te praten. Ik zou ons gesprek van gisteravond weer willen hervatten. U ging zoo opeens weg... het is u toch niet onaangenaam?—Ik ben tot uw dienst. Waarover spraken we gisteren ook weer?Mevrouw Odintsof keek hem van terzijde aan.—Ik geloof, dat we over het geluk spraken. Ik sprak over mijzelf. Maar ik moet u iets vragen, omdat ik dat woord geluk noemde. Waarom schijnt het genot van muziek, van een mooien avond, van een intiem gesprek met iemand, die ons sympathiek is, eigenlijk alleen maar een belofte, de afglans van een onbekend geluk, dat wellicht ergens wacht, maar nooit het geluk zelf, nooit een geluk dat we in werkelijkheid genieten?—Antwoord me hierop... maar misschien kent u dit gevoel in het geheel niet.—Kent u den bekenden versregel:Nur wo wir nicht sind, dort is das Glück? antwoordde Bazarof. Trouwens u hebt me gisteren gezegd, dat u geen bevredigd-zijn kent. En verder komen mij inderdaad dergelijke gedachten nooit in den zin.—Vindt u ze belachelijk?—Dat niet, maar ik ken dat zoo niet.—Ik zou wel willen weten, waaraan u op het oogenblik denkt.—Hoe meent u? Ik begrijp u niet.—Ik had al zoo lang eens met u willen uitspreken. Ik hoef niet te zeggen, dat u niet de eerste de beste bent. Dat weet u wel. Op uw leeftijd heeft men nog een langen weg voor zich. Wat bent u van plan? Wat verwacht u van de toekomst? Wat is uw doel? En wat gaat er om in uw binnenste? Met éen woord, wat en wie bent u?—U doet me versteld staan, mevrouw. U weet toch, dat ik natuurwetenschappen beoefen. En wat mij persoonlijk betreft...—Ja, wie bent u?—Ik had reeds het genoegen, u mee te deelen, dat ik goevernements-geneesheer hoop te worden.Mevrouw Odintsof gaf teekenen, van ongeduld.—Waarom spreekt u zoo? zei ze. U gelooft zelf niet, wat u zegt. Arkadiej had zoo kunnen antwoorden, maar u...—Maar waarom zou Arkadiej...—Och wat! Zoo een klein arbeidsveld zou u toch nooit bevredigen. Bekent u niet zelf, dat u niet gelooft in de medische wetenschap? U met uw zelfgevoel, distrikts-geneesheer? U zegt dat maar, om mijn vraag te ontloopen. Ik boezem u geen vertrouwen in. Toch geloof ik, dat ik u zou kunnen begrijpen, Jevgenij Wassiljewitsj. Ik was zelf arm en vol zelfgevoel zooals u. Ik heb waarschijnlijk hetzelfde meegemaakt.—Dat is goed en wel, Anna Sergejevna, maar ik ben niet gewoon, anderen mijn hart te openen, u moet me niet kwalijk nemen. En buitendien bestaat er zulk een kloof tusschen ons...—Och kom, zult u me nog eens voor de voeten gooien, dat ik aristocrate ben? Ik heb u toch zeker wel bewezen...—Buitendien, ging Bazarof voort, begrijp ik niet, welk genoegen er in kan liggen over de toekomst te spreken, die in ’t algemeen zoo weinig met ons te maken heeft. Doet zich een gelegenheid voor, iets te praesteeren, des te beter, en anders zal het wel het best zijn, zoo weinig mogelijk onnoodig gepraat te hebben.—U noemt vriendschappelijke gedachtenwisseling onnoodige praat. U acht mij ten slotte als vrouw uw vertrouwen niet waard? U veracht zoo een beetje het vrouwelijk geslacht!—Ik verachtugeenszins, Anna Sergejevna, en dat weet u heel goed.—Neen, ik weet niets. Maar het zij zoo. Dat u niet over uw toekomst wilt spreken, kan ik begrijpen, maar wat er op het oogenblik in u omgaat...—Omgaat? herhaalde Bazarof. Ben ik soms een staat of een maatschappij? In ieder geval is dat niet erg belangrijk. En buitendien, moeten wij dan altijd maar luide verkondigen, wat er in ons omgaat?—Ik zie niet in, waarom men niet eerlijk uit zou komen voor wat men op het hart heeft!—Zou u dat kunnen?—Ja, antwoordde mevrouw Odintsof na een oogenblik.Bazarof boog.—Dan bent u gelukkiger dan ik, zei hij.Anna Sergejevna zag hem aan, alsof ze een verklaring verwachtte.—U hebt goed praten, antwoordde zij, maar ik ben toch geneigd, te gelooven, dat wij elkaar niet vergeefs hebben ontmoet en dat wij goede vrienden zullen blijven. Ik ben overtuigd, dat uw geslotenheid, uw... hoe zal ik zeggen... hardheid op den duur verdwijnen zal.—U vindt mij dus gesloten... of... hard?—Ja.Bazarof stond op en ging naar het venster.—En u wilt de oorzaken van die geslotenheid leeren kennen, u wilt weten, wat er in mij omgaat?—Ja, antwoordde mevrouw Odintsof, met een ontroering, waarvan ze zich nog geen rekenschap kon geven.—En u zult niet boos worden?—Neen!—Niet? Bazarof stond met den rug naar haar toe.—Weet dan, dat ik u dwaas, krankzinnig lief heb... u hebt mij gedwongen, het te zeggen.Mevrouw Odintsof strekte haar armen. Bazarof drukte zijn voorhoofd tegen de ruit. Hij had het gevoel van stikken, beefde over al zijn leden; maar dat was niet de opgewondenheid van prille jeugd, niet de zalige verrukking eener eerste liefdesbekentenis, dat was het lijfsverlangen, dat in hem streed, die wilde, heftige kracht, die op het Booze lijkt en wellicht daarmee verwant is.Mevrouw Odintsof gevoelde angst en medelijden tegelijk.—Jevgenij Wassiljewitsj, zei ze zacht, en wellicht ongewild lag er diepe teederheid in haar stem.Hij keerde zich om, keek haar aan met verterendenblik en trok haar bij de handen hartstochtelijk naar zich toe.Zij kon zich niet dadelijk losrukken... maar na eenige oogenblikken was ze gevlucht in den versten hoek der kamer. Hij op haar toe...—U hebt me niet begrepen! riep ze met heesche stem.Nog een stap en ze zou geschreeuwd hebben. Dat was aan haar houding duidelijk kenbaar. Bazarof beet zich de lippen en liet haar alleen.Een half uur later bracht een kamermeisje haar een briefje van Bazarof. Daar stond in: „Moet ik vandaag nog vertrekken, of kan ik tot morgen blijven?” Zij antwoordde: „Waarom vertrekken? Ik heb u niet begrepen en u hebt mij niet begrepen.” Terwijl ze die woorden opschreef, dacht ze: ik heb me zelf niet begrepen.Bij het middagmaal verscheen ze pas. Den geheelen morgen was ze heen en weer blijven loopen in haar kamer, was nu eens voor den spiegel, dan weer voor het venster blijven staan, terwijl ze voortdurend haar hals met een zakdoek afveegde. Ze verbeeldde zich, dat daar een gloeiend-roode vlek moest zijn. Ze had zich afgevraagd, waarom ze Bazarof tot die bekentenis gedwongen had en of ze het al niet reeds lang vermoedde.Ik ben schuldig, zei ze hardop, maar wie kan alles vooruitzien?Ze werd kalmer-droomend en schrok blozend bij de herinnering aan Bazarofs wilde blikken, toen hij op haar af was gekomen.Of... misschien... zei ze dan weer opeens, bleef staan en schudde haar lokken. Toen ze inden spiegel haar licht opzij gebogen hoofd zag, met den geheimzinnigen glimlach in de halfgeloken oogen en op den half-open mond, ontroerde haar dit beeld, alsof het iets vreemds en dieps verborg.—Neen, neen, zei ze ten slotte, God weet, waartoe dit leiden kan. Met zoo iets valt niet te spelen. De rust is toch het best op aarde...Haar gemoedsrust werd dan ook niet verstoord. Maar ze was droevig en vergoot zelfs enkele tranen, zonder te weten waarom. Het was geen gevoel van schaamte of vernederd-zijn, ze voelde zich niet eens deemoedig geworden. Ze voelde alleen wat schuld. Geleid door allerlei onduidelijke gevoelens, het bewustzijn van een doelloos vervlietend leven en het verlangen naar nieuwe ontroeringen, was ze tot een grens gegaan en toen ze over die grens een blik wierp, had ze geen afgrond, maar toch leegheid en leelijkheid gezien...

XVIII.

Toen mevrouw Odintsof den volgenden morgen kwam ontbijten, zat Bazarof al over zijn thee gebogen en richtte plotseling zijn oogen op haar... zij richtte zich tot hem, alsof hij haar gestooten had en hij meende te bemerken, dat ze nog bleeker zag dan den vorigen avond. Hij verdween spoedig in zijn kamer en kwam pas bij het tweede ontbijt terug. Het was een regenachtige morgen. Allen waren in den salon bijeen. Arkadiej nam het laatste nummer van een tijdschrift en begon voor te lezen. De vorstin scheen hierover zeer verwonderd, alsof hij een fout tegen de etikette had begaan, en monsterde hem met boozen blik, waarop hij echter niet lette.—Jevgenij Wassiljewitsj, zei mevrouw Odintsof, wilt u even meegaan naar mijn kamer, ik wilde u vragen, u noemde gisteren den titel van een boek...Ze stond op en ging naar de deur. De tante keek om zich heen, en haar gezicht zei duidelijk: kijk, kijk, hoe ik versteld sta! Zij keek weer naar Arkadiej, maar deze wisselde een snellen blik met Katja, die naast hem zat, en las overluid verder. Mevrouw Odintsof liep naar haar kamer, Bazarof volgde met neergeslagen oogen en hoorde het ruischen van het zijden morgenkleed voor hem... Anna Sergejevna zette zich in denzelfden stoel als den vorigen avond en ook Bazarof hernam zijn plaats.—Hoe heette dat boek? vroeg ze na een oogenblik.—Pelouse en Fremy.Notions Générales, antwoordde hij. Maar ik kan u ook Ganot Handboek der experimenteele physica aanbevelen. De afbeeldingen zijn meer gedetailleerd en het boek is...—Neem me niet kwalijk, Jevgenij Wassiljewitsj, viel ze hem in de rede, ik heb u niet laten komen, om over handboeken te praten. Ik zou ons gesprek van gisteravond weer willen hervatten. U ging zoo opeens weg... het is u toch niet onaangenaam?—Ik ben tot uw dienst. Waarover spraken we gisteren ook weer?Mevrouw Odintsof keek hem van terzijde aan.—Ik geloof, dat we over het geluk spraken. Ik sprak over mijzelf. Maar ik moet u iets vragen, omdat ik dat woord geluk noemde. Waarom schijnt het genot van muziek, van een mooien avond, van een intiem gesprek met iemand, die ons sympathiek is, eigenlijk alleen maar een belofte, de afglans van een onbekend geluk, dat wellicht ergens wacht, maar nooit het geluk zelf, nooit een geluk dat we in werkelijkheid genieten?—Antwoord me hierop... maar misschien kent u dit gevoel in het geheel niet.—Kent u den bekenden versregel:Nur wo wir nicht sind, dort is das Glück? antwoordde Bazarof. Trouwens u hebt me gisteren gezegd, dat u geen bevredigd-zijn kent. En verder komen mij inderdaad dergelijke gedachten nooit in den zin.—Vindt u ze belachelijk?—Dat niet, maar ik ken dat zoo niet.—Ik zou wel willen weten, waaraan u op het oogenblik denkt.—Hoe meent u? Ik begrijp u niet.—Ik had al zoo lang eens met u willen uitspreken. Ik hoef niet te zeggen, dat u niet de eerste de beste bent. Dat weet u wel. Op uw leeftijd heeft men nog een langen weg voor zich. Wat bent u van plan? Wat verwacht u van de toekomst? Wat is uw doel? En wat gaat er om in uw binnenste? Met éen woord, wat en wie bent u?—U doet me versteld staan, mevrouw. U weet toch, dat ik natuurwetenschappen beoefen. En wat mij persoonlijk betreft...—Ja, wie bent u?—Ik had reeds het genoegen, u mee te deelen, dat ik goevernements-geneesheer hoop te worden.Mevrouw Odintsof gaf teekenen, van ongeduld.—Waarom spreekt u zoo? zei ze. U gelooft zelf niet, wat u zegt. Arkadiej had zoo kunnen antwoorden, maar u...—Maar waarom zou Arkadiej...—Och wat! Zoo een klein arbeidsveld zou u toch nooit bevredigen. Bekent u niet zelf, dat u niet gelooft in de medische wetenschap? U met uw zelfgevoel, distrikts-geneesheer? U zegt dat maar, om mijn vraag te ontloopen. Ik boezem u geen vertrouwen in. Toch geloof ik, dat ik u zou kunnen begrijpen, Jevgenij Wassiljewitsj. Ik was zelf arm en vol zelfgevoel zooals u. Ik heb waarschijnlijk hetzelfde meegemaakt.—Dat is goed en wel, Anna Sergejevna, maar ik ben niet gewoon, anderen mijn hart te openen, u moet me niet kwalijk nemen. En buitendien bestaat er zulk een kloof tusschen ons...—Och kom, zult u me nog eens voor de voeten gooien, dat ik aristocrate ben? Ik heb u toch zeker wel bewezen...—Buitendien, ging Bazarof voort, begrijp ik niet, welk genoegen er in kan liggen over de toekomst te spreken, die in ’t algemeen zoo weinig met ons te maken heeft. Doet zich een gelegenheid voor, iets te praesteeren, des te beter, en anders zal het wel het best zijn, zoo weinig mogelijk onnoodig gepraat te hebben.—U noemt vriendschappelijke gedachtenwisseling onnoodige praat. U acht mij ten slotte als vrouw uw vertrouwen niet waard? U veracht zoo een beetje het vrouwelijk geslacht!—Ik verachtugeenszins, Anna Sergejevna, en dat weet u heel goed.—Neen, ik weet niets. Maar het zij zoo. Dat u niet over uw toekomst wilt spreken, kan ik begrijpen, maar wat er op het oogenblik in u omgaat...—Omgaat? herhaalde Bazarof. Ben ik soms een staat of een maatschappij? In ieder geval is dat niet erg belangrijk. En buitendien, moeten wij dan altijd maar luide verkondigen, wat er in ons omgaat?—Ik zie niet in, waarom men niet eerlijk uit zou komen voor wat men op het hart heeft!—Zou u dat kunnen?—Ja, antwoordde mevrouw Odintsof na een oogenblik.Bazarof boog.—Dan bent u gelukkiger dan ik, zei hij.Anna Sergejevna zag hem aan, alsof ze een verklaring verwachtte.—U hebt goed praten, antwoordde zij, maar ik ben toch geneigd, te gelooven, dat wij elkaar niet vergeefs hebben ontmoet en dat wij goede vrienden zullen blijven. Ik ben overtuigd, dat uw geslotenheid, uw... hoe zal ik zeggen... hardheid op den duur verdwijnen zal.—U vindt mij dus gesloten... of... hard?—Ja.Bazarof stond op en ging naar het venster.—En u wilt de oorzaken van die geslotenheid leeren kennen, u wilt weten, wat er in mij omgaat?—Ja, antwoordde mevrouw Odintsof, met een ontroering, waarvan ze zich nog geen rekenschap kon geven.—En u zult niet boos worden?—Neen!—Niet? Bazarof stond met den rug naar haar toe.—Weet dan, dat ik u dwaas, krankzinnig lief heb... u hebt mij gedwongen, het te zeggen.Mevrouw Odintsof strekte haar armen. Bazarof drukte zijn voorhoofd tegen de ruit. Hij had het gevoel van stikken, beefde over al zijn leden; maar dat was niet de opgewondenheid van prille jeugd, niet de zalige verrukking eener eerste liefdesbekentenis, dat was het lijfsverlangen, dat in hem streed, die wilde, heftige kracht, die op het Booze lijkt en wellicht daarmee verwant is.Mevrouw Odintsof gevoelde angst en medelijden tegelijk.—Jevgenij Wassiljewitsj, zei ze zacht, en wellicht ongewild lag er diepe teederheid in haar stem.Hij keerde zich om, keek haar aan met verterendenblik en trok haar bij de handen hartstochtelijk naar zich toe.Zij kon zich niet dadelijk losrukken... maar na eenige oogenblikken was ze gevlucht in den versten hoek der kamer. Hij op haar toe...—U hebt me niet begrepen! riep ze met heesche stem.Nog een stap en ze zou geschreeuwd hebben. Dat was aan haar houding duidelijk kenbaar. Bazarof beet zich de lippen en liet haar alleen.Een half uur later bracht een kamermeisje haar een briefje van Bazarof. Daar stond in: „Moet ik vandaag nog vertrekken, of kan ik tot morgen blijven?” Zij antwoordde: „Waarom vertrekken? Ik heb u niet begrepen en u hebt mij niet begrepen.” Terwijl ze die woorden opschreef, dacht ze: ik heb me zelf niet begrepen.Bij het middagmaal verscheen ze pas. Den geheelen morgen was ze heen en weer blijven loopen in haar kamer, was nu eens voor den spiegel, dan weer voor het venster blijven staan, terwijl ze voortdurend haar hals met een zakdoek afveegde. Ze verbeeldde zich, dat daar een gloeiend-roode vlek moest zijn. Ze had zich afgevraagd, waarom ze Bazarof tot die bekentenis gedwongen had en of ze het al niet reeds lang vermoedde.Ik ben schuldig, zei ze hardop, maar wie kan alles vooruitzien?Ze werd kalmer-droomend en schrok blozend bij de herinnering aan Bazarofs wilde blikken, toen hij op haar af was gekomen.Of... misschien... zei ze dan weer opeens, bleef staan en schudde haar lokken. Toen ze inden spiegel haar licht opzij gebogen hoofd zag, met den geheimzinnigen glimlach in de halfgeloken oogen en op den half-open mond, ontroerde haar dit beeld, alsof het iets vreemds en dieps verborg.—Neen, neen, zei ze ten slotte, God weet, waartoe dit leiden kan. Met zoo iets valt niet te spelen. De rust is toch het best op aarde...Haar gemoedsrust werd dan ook niet verstoord. Maar ze was droevig en vergoot zelfs enkele tranen, zonder te weten waarom. Het was geen gevoel van schaamte of vernederd-zijn, ze voelde zich niet eens deemoedig geworden. Ze voelde alleen wat schuld. Geleid door allerlei onduidelijke gevoelens, het bewustzijn van een doelloos vervlietend leven en het verlangen naar nieuwe ontroeringen, was ze tot een grens gegaan en toen ze over die grens een blik wierp, had ze geen afgrond, maar toch leegheid en leelijkheid gezien...

Toen mevrouw Odintsof den volgenden morgen kwam ontbijten, zat Bazarof al over zijn thee gebogen en richtte plotseling zijn oogen op haar... zij richtte zich tot hem, alsof hij haar gestooten had en hij meende te bemerken, dat ze nog bleeker zag dan den vorigen avond. Hij verdween spoedig in zijn kamer en kwam pas bij het tweede ontbijt terug. Het was een regenachtige morgen. Allen waren in den salon bijeen. Arkadiej nam het laatste nummer van een tijdschrift en begon voor te lezen. De vorstin scheen hierover zeer verwonderd, alsof hij een fout tegen de etikette had begaan, en monsterde hem met boozen blik, waarop hij echter niet lette.

—Jevgenij Wassiljewitsj, zei mevrouw Odintsof, wilt u even meegaan naar mijn kamer, ik wilde u vragen, u noemde gisteren den titel van een boek...

Ze stond op en ging naar de deur. De tante keek om zich heen, en haar gezicht zei duidelijk: kijk, kijk, hoe ik versteld sta! Zij keek weer naar Arkadiej, maar deze wisselde een snellen blik met Katja, die naast hem zat, en las overluid verder. Mevrouw Odintsof liep naar haar kamer, Bazarof volgde met neergeslagen oogen en hoorde het ruischen van het zijden morgenkleed voor hem... Anna Sergejevna zette zich in denzelfden stoel als den vorigen avond en ook Bazarof hernam zijn plaats.

—Hoe heette dat boek? vroeg ze na een oogenblik.

—Pelouse en Fremy.Notions Générales, antwoordde hij. Maar ik kan u ook Ganot Handboek der experimenteele physica aanbevelen. De afbeeldingen zijn meer gedetailleerd en het boek is...

—Neem me niet kwalijk, Jevgenij Wassiljewitsj, viel ze hem in de rede, ik heb u niet laten komen, om over handboeken te praten. Ik zou ons gesprek van gisteravond weer willen hervatten. U ging zoo opeens weg... het is u toch niet onaangenaam?

—Ik ben tot uw dienst. Waarover spraken we gisteren ook weer?

Mevrouw Odintsof keek hem van terzijde aan.

—Ik geloof, dat we over het geluk spraken. Ik sprak over mijzelf. Maar ik moet u iets vragen, omdat ik dat woord geluk noemde. Waarom schijnt het genot van muziek, van een mooien avond, van een intiem gesprek met iemand, die ons sympathiek is, eigenlijk alleen maar een belofte, de afglans van een onbekend geluk, dat wellicht ergens wacht, maar nooit het geluk zelf, nooit een geluk dat we in werkelijkheid genieten?—Antwoord me hierop... maar misschien kent u dit gevoel in het geheel niet.

—Kent u den bekenden versregel:Nur wo wir nicht sind, dort is das Glück? antwoordde Bazarof. Trouwens u hebt me gisteren gezegd, dat u geen bevredigd-zijn kent. En verder komen mij inderdaad dergelijke gedachten nooit in den zin.

—Vindt u ze belachelijk?

—Dat niet, maar ik ken dat zoo niet.

—Ik zou wel willen weten, waaraan u op het oogenblik denkt.

—Hoe meent u? Ik begrijp u niet.

—Ik had al zoo lang eens met u willen uitspreken. Ik hoef niet te zeggen, dat u niet de eerste de beste bent. Dat weet u wel. Op uw leeftijd heeft men nog een langen weg voor zich. Wat bent u van plan? Wat verwacht u van de toekomst? Wat is uw doel? En wat gaat er om in uw binnenste? Met éen woord, wat en wie bent u?

—U doet me versteld staan, mevrouw. U weet toch, dat ik natuurwetenschappen beoefen. En wat mij persoonlijk betreft...

—Ja, wie bent u?

—Ik had reeds het genoegen, u mee te deelen, dat ik goevernements-geneesheer hoop te worden.

Mevrouw Odintsof gaf teekenen, van ongeduld.

—Waarom spreekt u zoo? zei ze. U gelooft zelf niet, wat u zegt. Arkadiej had zoo kunnen antwoorden, maar u...

—Maar waarom zou Arkadiej...

—Och wat! Zoo een klein arbeidsveld zou u toch nooit bevredigen. Bekent u niet zelf, dat u niet gelooft in de medische wetenschap? U met uw zelfgevoel, distrikts-geneesheer? U zegt dat maar, om mijn vraag te ontloopen. Ik boezem u geen vertrouwen in. Toch geloof ik, dat ik u zou kunnen begrijpen, Jevgenij Wassiljewitsj. Ik was zelf arm en vol zelfgevoel zooals u. Ik heb waarschijnlijk hetzelfde meegemaakt.

—Dat is goed en wel, Anna Sergejevna, maar ik ben niet gewoon, anderen mijn hart te openen, u moet me niet kwalijk nemen. En buitendien bestaat er zulk een kloof tusschen ons...

—Och kom, zult u me nog eens voor de voeten gooien, dat ik aristocrate ben? Ik heb u toch zeker wel bewezen...

—Buitendien, ging Bazarof voort, begrijp ik niet, welk genoegen er in kan liggen over de toekomst te spreken, die in ’t algemeen zoo weinig met ons te maken heeft. Doet zich een gelegenheid voor, iets te praesteeren, des te beter, en anders zal het wel het best zijn, zoo weinig mogelijk onnoodig gepraat te hebben.

—U noemt vriendschappelijke gedachtenwisseling onnoodige praat. U acht mij ten slotte als vrouw uw vertrouwen niet waard? U veracht zoo een beetje het vrouwelijk geslacht!

—Ik verachtugeenszins, Anna Sergejevna, en dat weet u heel goed.

—Neen, ik weet niets. Maar het zij zoo. Dat u niet over uw toekomst wilt spreken, kan ik begrijpen, maar wat er op het oogenblik in u omgaat...

—Omgaat? herhaalde Bazarof. Ben ik soms een staat of een maatschappij? In ieder geval is dat niet erg belangrijk. En buitendien, moeten wij dan altijd maar luide verkondigen, wat er in ons omgaat?

—Ik zie niet in, waarom men niet eerlijk uit zou komen voor wat men op het hart heeft!

—Zou u dat kunnen?

—Ja, antwoordde mevrouw Odintsof na een oogenblik.

Bazarof boog.

—Dan bent u gelukkiger dan ik, zei hij.

Anna Sergejevna zag hem aan, alsof ze een verklaring verwachtte.

—U hebt goed praten, antwoordde zij, maar ik ben toch geneigd, te gelooven, dat wij elkaar niet vergeefs hebben ontmoet en dat wij goede vrienden zullen blijven. Ik ben overtuigd, dat uw geslotenheid, uw... hoe zal ik zeggen... hardheid op den duur verdwijnen zal.

—U vindt mij dus gesloten... of... hard?

—Ja.

Bazarof stond op en ging naar het venster.

—En u wilt de oorzaken van die geslotenheid leeren kennen, u wilt weten, wat er in mij omgaat?

—Ja, antwoordde mevrouw Odintsof, met een ontroering, waarvan ze zich nog geen rekenschap kon geven.

—En u zult niet boos worden?

—Neen!

—Niet? Bazarof stond met den rug naar haar toe.

—Weet dan, dat ik u dwaas, krankzinnig lief heb... u hebt mij gedwongen, het te zeggen.

Mevrouw Odintsof strekte haar armen. Bazarof drukte zijn voorhoofd tegen de ruit. Hij had het gevoel van stikken, beefde over al zijn leden; maar dat was niet de opgewondenheid van prille jeugd, niet de zalige verrukking eener eerste liefdesbekentenis, dat was het lijfsverlangen, dat in hem streed, die wilde, heftige kracht, die op het Booze lijkt en wellicht daarmee verwant is.

Mevrouw Odintsof gevoelde angst en medelijden tegelijk.

—Jevgenij Wassiljewitsj, zei ze zacht, en wellicht ongewild lag er diepe teederheid in haar stem.

Hij keerde zich om, keek haar aan met verterendenblik en trok haar bij de handen hartstochtelijk naar zich toe.

Zij kon zich niet dadelijk losrukken... maar na eenige oogenblikken was ze gevlucht in den versten hoek der kamer. Hij op haar toe...

—U hebt me niet begrepen! riep ze met heesche stem.

Nog een stap en ze zou geschreeuwd hebben. Dat was aan haar houding duidelijk kenbaar. Bazarof beet zich de lippen en liet haar alleen.

Een half uur later bracht een kamermeisje haar een briefje van Bazarof. Daar stond in: „Moet ik vandaag nog vertrekken, of kan ik tot morgen blijven?” Zij antwoordde: „Waarom vertrekken? Ik heb u niet begrepen en u hebt mij niet begrepen.” Terwijl ze die woorden opschreef, dacht ze: ik heb me zelf niet begrepen.

Bij het middagmaal verscheen ze pas. Den geheelen morgen was ze heen en weer blijven loopen in haar kamer, was nu eens voor den spiegel, dan weer voor het venster blijven staan, terwijl ze voortdurend haar hals met een zakdoek afveegde. Ze verbeeldde zich, dat daar een gloeiend-roode vlek moest zijn. Ze had zich afgevraagd, waarom ze Bazarof tot die bekentenis gedwongen had en of ze het al niet reeds lang vermoedde.

Ik ben schuldig, zei ze hardop, maar wie kan alles vooruitzien?

Ze werd kalmer-droomend en schrok blozend bij de herinnering aan Bazarofs wilde blikken, toen hij op haar af was gekomen.

Of... misschien... zei ze dan weer opeens, bleef staan en schudde haar lokken. Toen ze inden spiegel haar licht opzij gebogen hoofd zag, met den geheimzinnigen glimlach in de halfgeloken oogen en op den half-open mond, ontroerde haar dit beeld, alsof het iets vreemds en dieps verborg.

—Neen, neen, zei ze ten slotte, God weet, waartoe dit leiden kan. Met zoo iets valt niet te spelen. De rust is toch het best op aarde...

Haar gemoedsrust werd dan ook niet verstoord. Maar ze was droevig en vergoot zelfs enkele tranen, zonder te weten waarom. Het was geen gevoel van schaamte of vernederd-zijn, ze voelde zich niet eens deemoedig geworden. Ze voelde alleen wat schuld. Geleid door allerlei onduidelijke gevoelens, het bewustzijn van een doelloos vervlietend leven en het verlangen naar nieuwe ontroeringen, was ze tot een grens gegaan en toen ze over die grens een blik wierp, had ze geen afgrond, maar toch leegheid en leelijkheid gezien...


Back to IndexNext