XXI.De twee vrienden spraken geen woord tot aan Fedote’s huis. Bazarof was ontevreden met zich zelf en Arkadiej was ontstemd over zijn vriend. Die onbestemde droefenis knaagde hem, zooals alleen jonge menschen dat kennen, wanneer ze hun eerste schreden in het leven doen.Toen de paarden verwisseld waren en de koetsier weer op den bok zat, vroeg hij welke richting, rechts of links, hij rijden moest.Arkadiej schrok. Rechts ging het naar de stad en vandaar naar zijn woning, links naar mevrouw Odintsof.Hij keek Bazarof aan.—Links, Jevgenij? vroeg hij.Bazarof keek hem niet aan.—Onzin, mompelde hij.—Ik weet, dat het onzin is, antwoordde Arkadiej.—Maar wat zou dat? Het is niet de eerste dwaasheid, die we begaan.Bazarof trok de klep van zijn muts omlaag.—Zooals je wilt, zei hij.—Hou links! riep Arkadiej den koetsier toe.De tarantas reed in de richting van Nikolskoi. De beide vrienden, eenmaal besloten tot een dwaasheid, zwegen hardnekkiger dan eerst. Zij schenen woedend.Uit de wijze, waarop de hofmeester van mevrouw Odintsof hen op het bordes ontving, maakten de vrienden dadelijk op, dat zij verkeerd hadden gehandeld. Het was vrij duidelijk, dat zij volstrektniet werden verwacht. Verzocht, in den salon te gaan, moesten ze daar lang wachten en voelden, dat ze een treurig figuur sloegen.Eindelijk verscheen mevrouw Odintsof. Ze sprak hen toe met de haar eigen wellevendheid, maar scheen verwonderd over hun onverwachte terugkomst. Uit haar afgemeten woorden en terughoudendheid was evenwel te merken, dat deze terugkomst haar niet bizonder aangenaam was. Ze haastten zich dan ook mee te deelen, dat ze op weg waren naar de stad en maar even in het voorbijkomen waren afgestapt. Haar antwoord sprak meer van bevreemding. Zij verzocht Arkadiej zijn vader van harentwege te groeten en zond om haar tante. Deze verscheen, nog al slaperig, en dit maakte de weinig aantrekkelijke uitdrukking in haar tanig, verwelkt gezicht nog hatelijker. Katja moest wegens ongesteldheid haar kamer houden. Arkadiej voelde op dit oogenblik, dat hij niet alleen om de vrouw des huizes was gekomen.Zoo gingen vier uren in vrij onverschilligen gesprektoon voorbij. Anna Sergejevna sprak of luisterde, zonder te glimlachen. Bij het vertrek der vrienden scheen haar oude vriendelijkheid teruggekeerd.—U moet mij niet onvriendelijk vinden, zei ze, bekommer u daar niet om en komt u beiden maar spoedig eens terug.Bazarof en Arkadiej antwoordden met een buiging, stapten in hun tarantas en lieten zich onverwijld naar Marjino brengen, waar ze zonder stoornissen in den avond van den volgenden dag aankwamen.Gedurende de reis kwam de naam van mevrouw Odintsof niet over hun lippen, Bazarof bewaarde een hardnekkig stilzwijgen en staarde voor zich uit.In Marjino werden ze met open armen ontvangen.De lange afwezigheid van zijn zoon was Nikolaas gaan verontrusten. Hij sprong op, schreeuwde, stampte met de voeten op den vloer, toen Fenitsjka met stralende oogen kwam zeggen, dat de jonge heeren er waren. Zelfs Paul was aangenaam verrast en glimlachte vriendelijk, toen hij de reizigers begroette. Er werd over de reis gesproken, door Arkadiej verreweg het meest, vooral bij het avondeten, dat tot na middernacht duurde. Nikolaas had ettelijke flesschen porter laten komen, afkomstig van Moscou en die smaakte hem zoo goed, dat zijn wangen purperrood begonnen te gloeien en hij niet ophield kinderlijk-naïef te lachen.Zelfs de bedienden werden aangestoken door de algemeene vroolijkheid.Doeniasja liep maar heen en weer en sloeg de deuren hard achter zich dicht en Peter deed nog tegen drie uur in den nacht vergeefsche pogingen een kozakkenlied op zijn gitaar te spelen. De snaren van zijn instrument trilden met weemoedig liefelijke tonen door de landelijke stilte van den nacht. Maar verder dan de eerste maten kwam de ontwikkelde kamerdienaar niet. Muzikale en andere talenten had de natuur hem nu eenmaal ontzegd.Toch leefde men niet zonder zorgen op Marjino. En Nikolaas allerminst. Aan allerlei kleine dingen had hij zich te ergeren, iederen dag. Degehuurde arbeiders brachten hem voortdurend in verlegenheid. Sommigen eischten hooger loon en afrekening, anderen liepen weg met voorschot. Paarden werden ziek, aan de werktuigen haperde telkens iets en het werk werd slecht gedaan. Een dorschmachine, die uit Moscou gekomen was, bleek te zwaar voor het gebruik. Een ander werktuig raakte defect den eersten dag, dat het in gebruik genomen werd. De veestallen brandden half af door een oude, half-blinde koeienmeid, die haar zieke koe van de „betoovering” had willen genezen door gloeiende kolen. Later vertelde ze, dat de brand ontstaan was, doordat de heer allerlei nieuwigheden, als kaasbereiding, had ingevoerd. De opzichter werd lui en dik, zooals iedere Rus, die op den zak van een ander leeft. Hij voerde niets uit, dan, wanneer Nikolaas in de buurt was, een varken; dat wat ver van zijn hok was, met een steen te gooien, of kleine, half-naakte kinderen uit te schelden. Den overigen tijd sliep hij. De boeren, die pacht moesten betalen, deden het niet en stalen hout. De wakers vingen soms boerenpaarden op, die aan het grazen waren op de weilanden van het goed. Nikolaas had tot een geldstraf besloten. Maar nadat ze eenige dagen op kosten van den heer waren gevoederd, werden ze gewoonlijk weer teruggegeven. En de verwarring werd nog grooter, toen de boeren onderling ruzie kregen. Broeders eischten verdeeling, omdat respectieve echtgenooten het niet onder één dak met elkander konden vinden. Ieder oogenblik hadden er vechtpartijen plaats in het dorp. Een troep boerenzag men op een dag, alsof het afgesproken was, plotseling samenscholen voor het bureau van den opzichter en vandaar gingen ze met ontevreden gezichten en meerendeels dronken, naar den heer zelf en verlangden gerechtigheid. Het rumoer en geschreeuw werd vergroot door het gillen en jammeren van de vrouwen en het vloeken en dreigen der mannen. De strijd moest bijgelegd worden. Dat ging niet zonder overschreeuwen tot schor wordens toe en men wist toch, dat al die inspanning vruchteloos zou zijn. Bij het oogsten waren er geen handen genoeg. Een vrije boer uit de buurt, die men op zijn eerlijk gezicht vertrouwde, had zich verbonden arbeiders te leveren tegen twee roebel per dessatine, maar hield zijn woord niet. De vrouwelijke arbeidskrachten eischten schandelijk hooge loonen en intusschen begon het koren uit te vallen. Dezelfde geschiedenis herhaalde zich bij den hooioogst en alsof dit alles nog niet genoeg ware, verlangde de voogdijraad onder dreigementen onmiddellijk aanzuivering van achterstallige rente.—Ik houd het niet uit, riep Nikolaas Petrowitsj vertwijfeld. Ik kan met die menschen onmogelijk gaan vechten en principieel roep ik de politie er niet bij. Zonder vrees voor straf kan men niets gedaan krijgen.—Du calme, du calme, antwoordde Paul Petrowitsj, maar scheen intusschen allerminst tevreden met den gang van zaken en streek peinzend zijn knevel op.Bazarof bleef buiten dezen kwesties, trouwens door zijn positie in huis kon het ook moeilijkanders. Hij had den dag na zijn terugkeer zijn onderzoekingen met kikvorschen en insekten weer opgevat, zijn chemische verbindingen, en was geheel in zijn werk verdiept. Arkadiej beschouwde het als zijn plicht, zijn vader zooal niet te helpen, dan toch zijn bereidwilligheid te toonen. De huishoudelijke aangelegenheden stonden hem niet tegen. Hij nam zich zelfs voor, later al zijn krachten te wijden aan de agricultuur en wat daarmee samenhing. Voorloopig evenwel was hij met andere dingen vervuld. Tot zijn groote verwondering moest hij voortdurend aan Nikolskoi denken. Vroeger zou hij de schouders hebben opgehaald, als iemand hem gezegd had, dat hij zich onder één dak met Bazarof zou kunnen vervelen. Maar hij verveelde zich inderdaad onder zulk een dak, nog wel het vaderlijke dak! En wenschte zich ver weg. Hij maakte lange wandelingen, maar dat hielp niet.Eens gedurende een gesprek met zijn vader bleek, dat deze verscheiden, belangwekkende brieven had bewaard, afkomstig van zijn vrouw, die deze van de moeder van mevrouw Odintsof had ontvangen. Arkadiej smeekte ze te mogen lezen. En na veel zoeken haalde Nikolaas Petrowitsj ze onder papieren te voorschijn en gaf ze zijn zoon. Toen hij die half verbleekte brieven eenmaal had, voelde hij zich rustiger, alsof hij eindelijk een doel had gevonden.—U beiden, hoort u, heeft ze gezegd.Die gedachte kon hij niet vergeten.—Ik ga er heen. De duivel zal me halen, ik ga. Maar dan dacht hij weer aan hun laatste bezoekop Nikolskoi, en de koele ontvangst en schuchtere angst maakte hem weer besluiteloos.Maar ten slotte won het toch dat jeugdige „wie weet”..., het stille verlangen, zijn geluk te beproeven en zonder helpers of beschermers te onderzoeken, waartoe men in staat is...Geen tien dagen na hun terugkeer op Marjino vertrok Arkadiej onder het voorwendsel, de inrichting der zondagscholen te bestudeeren naar stad en van daar naar Nikolskoi.De wijze, waarop hij den koetsier tot spoed aanzette, had iets van den jongen officier, die ten strijde trekt. Blijheid, angst en ongeduld streden in zijn hart. „Niet nadenken,” drong hij zich zelf voortdurend.De koetsier, die hem reed, was een geslepen boer, die voor elke kroeg stil hield met de opmerking, of men den duivel niet wegzuipen moest...En als de duivel weggezopen was, klom hij weer op zijn bok en spaarde zijn paarden niet.Eindelijk werd het hooge dak van het welbekende huis zichtbaar.—Wat ga ik beginnen? woelde het door zijn brein, maar omkeeren was niet meer mogelijk.De paarden renden in gestrekten draf. De koetsier vuurde ze aan met schreeuwen en fluiten.Reeds dreunde het houten bruggetje onder de paardenhoeven en de wielen. Daar is de lange dennenlaan, die pal staat als een muur. Een rose japonnetje wordt zichtbaar tegen het groen, een jong gezichtje kijkt onder een parasol uit... hij herkent Katja en zij hem. Hij beveelt stil te houden, springt uit het rijtuig en ijlt haar tegemoet.—Bent u het! riep Katja en bloosde lichtelijk, gaat u mee naar mijn zuster. Ze is hier in den tuin, ze zal blij zijn, u weer te zien.Katja geleidde Arkadiej in den tuin. Die ontmoeting beloofde geluk, dacht hij, dit weerzien vervulde hem met blijdschap, alsof zij een heel lieve verwante was. Alles ging goed. Geen hofmeester, geen deftigheid, geen wachten in een stijven salon. Hij zag mevrouw Odintsof aan het einde van een laan. Zij liep voor hen uit en keerde zich op het geluid der naderende voetstappen om. Arkadiej stond op het punt, zijn zeker-voelen te verliezen, maar haar eerste woorden stelden hem gerust:—Zoo, vluchteling! zei ze met haar vleiende, evenwichtig-rustige stem, en liep hem, even knipoogend voor de zon, tegemoet, waar heb je hem gevonden Katja?—Ik kom u iets brengen, wat u zeker niet verwacht, begon hij.—U brengt u zelf mee, en dat is de hoofdzaak.
XXI.De twee vrienden spraken geen woord tot aan Fedote’s huis. Bazarof was ontevreden met zich zelf en Arkadiej was ontstemd over zijn vriend. Die onbestemde droefenis knaagde hem, zooals alleen jonge menschen dat kennen, wanneer ze hun eerste schreden in het leven doen.Toen de paarden verwisseld waren en de koetsier weer op den bok zat, vroeg hij welke richting, rechts of links, hij rijden moest.Arkadiej schrok. Rechts ging het naar de stad en vandaar naar zijn woning, links naar mevrouw Odintsof.Hij keek Bazarof aan.—Links, Jevgenij? vroeg hij.Bazarof keek hem niet aan.—Onzin, mompelde hij.—Ik weet, dat het onzin is, antwoordde Arkadiej.—Maar wat zou dat? Het is niet de eerste dwaasheid, die we begaan.Bazarof trok de klep van zijn muts omlaag.—Zooals je wilt, zei hij.—Hou links! riep Arkadiej den koetsier toe.De tarantas reed in de richting van Nikolskoi. De beide vrienden, eenmaal besloten tot een dwaasheid, zwegen hardnekkiger dan eerst. Zij schenen woedend.Uit de wijze, waarop de hofmeester van mevrouw Odintsof hen op het bordes ontving, maakten de vrienden dadelijk op, dat zij verkeerd hadden gehandeld. Het was vrij duidelijk, dat zij volstrektniet werden verwacht. Verzocht, in den salon te gaan, moesten ze daar lang wachten en voelden, dat ze een treurig figuur sloegen.Eindelijk verscheen mevrouw Odintsof. Ze sprak hen toe met de haar eigen wellevendheid, maar scheen verwonderd over hun onverwachte terugkomst. Uit haar afgemeten woorden en terughoudendheid was evenwel te merken, dat deze terugkomst haar niet bizonder aangenaam was. Ze haastten zich dan ook mee te deelen, dat ze op weg waren naar de stad en maar even in het voorbijkomen waren afgestapt. Haar antwoord sprak meer van bevreemding. Zij verzocht Arkadiej zijn vader van harentwege te groeten en zond om haar tante. Deze verscheen, nog al slaperig, en dit maakte de weinig aantrekkelijke uitdrukking in haar tanig, verwelkt gezicht nog hatelijker. Katja moest wegens ongesteldheid haar kamer houden. Arkadiej voelde op dit oogenblik, dat hij niet alleen om de vrouw des huizes was gekomen.Zoo gingen vier uren in vrij onverschilligen gesprektoon voorbij. Anna Sergejevna sprak of luisterde, zonder te glimlachen. Bij het vertrek der vrienden scheen haar oude vriendelijkheid teruggekeerd.—U moet mij niet onvriendelijk vinden, zei ze, bekommer u daar niet om en komt u beiden maar spoedig eens terug.Bazarof en Arkadiej antwoordden met een buiging, stapten in hun tarantas en lieten zich onverwijld naar Marjino brengen, waar ze zonder stoornissen in den avond van den volgenden dag aankwamen.Gedurende de reis kwam de naam van mevrouw Odintsof niet over hun lippen, Bazarof bewaarde een hardnekkig stilzwijgen en staarde voor zich uit.In Marjino werden ze met open armen ontvangen.De lange afwezigheid van zijn zoon was Nikolaas gaan verontrusten. Hij sprong op, schreeuwde, stampte met de voeten op den vloer, toen Fenitsjka met stralende oogen kwam zeggen, dat de jonge heeren er waren. Zelfs Paul was aangenaam verrast en glimlachte vriendelijk, toen hij de reizigers begroette. Er werd over de reis gesproken, door Arkadiej verreweg het meest, vooral bij het avondeten, dat tot na middernacht duurde. Nikolaas had ettelijke flesschen porter laten komen, afkomstig van Moscou en die smaakte hem zoo goed, dat zijn wangen purperrood begonnen te gloeien en hij niet ophield kinderlijk-naïef te lachen.Zelfs de bedienden werden aangestoken door de algemeene vroolijkheid.Doeniasja liep maar heen en weer en sloeg de deuren hard achter zich dicht en Peter deed nog tegen drie uur in den nacht vergeefsche pogingen een kozakkenlied op zijn gitaar te spelen. De snaren van zijn instrument trilden met weemoedig liefelijke tonen door de landelijke stilte van den nacht. Maar verder dan de eerste maten kwam de ontwikkelde kamerdienaar niet. Muzikale en andere talenten had de natuur hem nu eenmaal ontzegd.Toch leefde men niet zonder zorgen op Marjino. En Nikolaas allerminst. Aan allerlei kleine dingen had hij zich te ergeren, iederen dag. Degehuurde arbeiders brachten hem voortdurend in verlegenheid. Sommigen eischten hooger loon en afrekening, anderen liepen weg met voorschot. Paarden werden ziek, aan de werktuigen haperde telkens iets en het werk werd slecht gedaan. Een dorschmachine, die uit Moscou gekomen was, bleek te zwaar voor het gebruik. Een ander werktuig raakte defect den eersten dag, dat het in gebruik genomen werd. De veestallen brandden half af door een oude, half-blinde koeienmeid, die haar zieke koe van de „betoovering” had willen genezen door gloeiende kolen. Later vertelde ze, dat de brand ontstaan was, doordat de heer allerlei nieuwigheden, als kaasbereiding, had ingevoerd. De opzichter werd lui en dik, zooals iedere Rus, die op den zak van een ander leeft. Hij voerde niets uit, dan, wanneer Nikolaas in de buurt was, een varken; dat wat ver van zijn hok was, met een steen te gooien, of kleine, half-naakte kinderen uit te schelden. Den overigen tijd sliep hij. De boeren, die pacht moesten betalen, deden het niet en stalen hout. De wakers vingen soms boerenpaarden op, die aan het grazen waren op de weilanden van het goed. Nikolaas had tot een geldstraf besloten. Maar nadat ze eenige dagen op kosten van den heer waren gevoederd, werden ze gewoonlijk weer teruggegeven. En de verwarring werd nog grooter, toen de boeren onderling ruzie kregen. Broeders eischten verdeeling, omdat respectieve echtgenooten het niet onder één dak met elkander konden vinden. Ieder oogenblik hadden er vechtpartijen plaats in het dorp. Een troep boerenzag men op een dag, alsof het afgesproken was, plotseling samenscholen voor het bureau van den opzichter en vandaar gingen ze met ontevreden gezichten en meerendeels dronken, naar den heer zelf en verlangden gerechtigheid. Het rumoer en geschreeuw werd vergroot door het gillen en jammeren van de vrouwen en het vloeken en dreigen der mannen. De strijd moest bijgelegd worden. Dat ging niet zonder overschreeuwen tot schor wordens toe en men wist toch, dat al die inspanning vruchteloos zou zijn. Bij het oogsten waren er geen handen genoeg. Een vrije boer uit de buurt, die men op zijn eerlijk gezicht vertrouwde, had zich verbonden arbeiders te leveren tegen twee roebel per dessatine, maar hield zijn woord niet. De vrouwelijke arbeidskrachten eischten schandelijk hooge loonen en intusschen begon het koren uit te vallen. Dezelfde geschiedenis herhaalde zich bij den hooioogst en alsof dit alles nog niet genoeg ware, verlangde de voogdijraad onder dreigementen onmiddellijk aanzuivering van achterstallige rente.—Ik houd het niet uit, riep Nikolaas Petrowitsj vertwijfeld. Ik kan met die menschen onmogelijk gaan vechten en principieel roep ik de politie er niet bij. Zonder vrees voor straf kan men niets gedaan krijgen.—Du calme, du calme, antwoordde Paul Petrowitsj, maar scheen intusschen allerminst tevreden met den gang van zaken en streek peinzend zijn knevel op.Bazarof bleef buiten dezen kwesties, trouwens door zijn positie in huis kon het ook moeilijkanders. Hij had den dag na zijn terugkeer zijn onderzoekingen met kikvorschen en insekten weer opgevat, zijn chemische verbindingen, en was geheel in zijn werk verdiept. Arkadiej beschouwde het als zijn plicht, zijn vader zooal niet te helpen, dan toch zijn bereidwilligheid te toonen. De huishoudelijke aangelegenheden stonden hem niet tegen. Hij nam zich zelfs voor, later al zijn krachten te wijden aan de agricultuur en wat daarmee samenhing. Voorloopig evenwel was hij met andere dingen vervuld. Tot zijn groote verwondering moest hij voortdurend aan Nikolskoi denken. Vroeger zou hij de schouders hebben opgehaald, als iemand hem gezegd had, dat hij zich onder één dak met Bazarof zou kunnen vervelen. Maar hij verveelde zich inderdaad onder zulk een dak, nog wel het vaderlijke dak! En wenschte zich ver weg. Hij maakte lange wandelingen, maar dat hielp niet.Eens gedurende een gesprek met zijn vader bleek, dat deze verscheiden, belangwekkende brieven had bewaard, afkomstig van zijn vrouw, die deze van de moeder van mevrouw Odintsof had ontvangen. Arkadiej smeekte ze te mogen lezen. En na veel zoeken haalde Nikolaas Petrowitsj ze onder papieren te voorschijn en gaf ze zijn zoon. Toen hij die half verbleekte brieven eenmaal had, voelde hij zich rustiger, alsof hij eindelijk een doel had gevonden.—U beiden, hoort u, heeft ze gezegd.Die gedachte kon hij niet vergeten.—Ik ga er heen. De duivel zal me halen, ik ga. Maar dan dacht hij weer aan hun laatste bezoekop Nikolskoi, en de koele ontvangst en schuchtere angst maakte hem weer besluiteloos.Maar ten slotte won het toch dat jeugdige „wie weet”..., het stille verlangen, zijn geluk te beproeven en zonder helpers of beschermers te onderzoeken, waartoe men in staat is...Geen tien dagen na hun terugkeer op Marjino vertrok Arkadiej onder het voorwendsel, de inrichting der zondagscholen te bestudeeren naar stad en van daar naar Nikolskoi.De wijze, waarop hij den koetsier tot spoed aanzette, had iets van den jongen officier, die ten strijde trekt. Blijheid, angst en ongeduld streden in zijn hart. „Niet nadenken,” drong hij zich zelf voortdurend.De koetsier, die hem reed, was een geslepen boer, die voor elke kroeg stil hield met de opmerking, of men den duivel niet wegzuipen moest...En als de duivel weggezopen was, klom hij weer op zijn bok en spaarde zijn paarden niet.Eindelijk werd het hooge dak van het welbekende huis zichtbaar.—Wat ga ik beginnen? woelde het door zijn brein, maar omkeeren was niet meer mogelijk.De paarden renden in gestrekten draf. De koetsier vuurde ze aan met schreeuwen en fluiten.Reeds dreunde het houten bruggetje onder de paardenhoeven en de wielen. Daar is de lange dennenlaan, die pal staat als een muur. Een rose japonnetje wordt zichtbaar tegen het groen, een jong gezichtje kijkt onder een parasol uit... hij herkent Katja en zij hem. Hij beveelt stil te houden, springt uit het rijtuig en ijlt haar tegemoet.—Bent u het! riep Katja en bloosde lichtelijk, gaat u mee naar mijn zuster. Ze is hier in den tuin, ze zal blij zijn, u weer te zien.Katja geleidde Arkadiej in den tuin. Die ontmoeting beloofde geluk, dacht hij, dit weerzien vervulde hem met blijdschap, alsof zij een heel lieve verwante was. Alles ging goed. Geen hofmeester, geen deftigheid, geen wachten in een stijven salon. Hij zag mevrouw Odintsof aan het einde van een laan. Zij liep voor hen uit en keerde zich op het geluid der naderende voetstappen om. Arkadiej stond op het punt, zijn zeker-voelen te verliezen, maar haar eerste woorden stelden hem gerust:—Zoo, vluchteling! zei ze met haar vleiende, evenwichtig-rustige stem, en liep hem, even knipoogend voor de zon, tegemoet, waar heb je hem gevonden Katja?—Ik kom u iets brengen, wat u zeker niet verwacht, begon hij.—U brengt u zelf mee, en dat is de hoofdzaak.
XXI.
De twee vrienden spraken geen woord tot aan Fedote’s huis. Bazarof was ontevreden met zich zelf en Arkadiej was ontstemd over zijn vriend. Die onbestemde droefenis knaagde hem, zooals alleen jonge menschen dat kennen, wanneer ze hun eerste schreden in het leven doen.Toen de paarden verwisseld waren en de koetsier weer op den bok zat, vroeg hij welke richting, rechts of links, hij rijden moest.Arkadiej schrok. Rechts ging het naar de stad en vandaar naar zijn woning, links naar mevrouw Odintsof.Hij keek Bazarof aan.—Links, Jevgenij? vroeg hij.Bazarof keek hem niet aan.—Onzin, mompelde hij.—Ik weet, dat het onzin is, antwoordde Arkadiej.—Maar wat zou dat? Het is niet de eerste dwaasheid, die we begaan.Bazarof trok de klep van zijn muts omlaag.—Zooals je wilt, zei hij.—Hou links! riep Arkadiej den koetsier toe.De tarantas reed in de richting van Nikolskoi. De beide vrienden, eenmaal besloten tot een dwaasheid, zwegen hardnekkiger dan eerst. Zij schenen woedend.Uit de wijze, waarop de hofmeester van mevrouw Odintsof hen op het bordes ontving, maakten de vrienden dadelijk op, dat zij verkeerd hadden gehandeld. Het was vrij duidelijk, dat zij volstrektniet werden verwacht. Verzocht, in den salon te gaan, moesten ze daar lang wachten en voelden, dat ze een treurig figuur sloegen.Eindelijk verscheen mevrouw Odintsof. Ze sprak hen toe met de haar eigen wellevendheid, maar scheen verwonderd over hun onverwachte terugkomst. Uit haar afgemeten woorden en terughoudendheid was evenwel te merken, dat deze terugkomst haar niet bizonder aangenaam was. Ze haastten zich dan ook mee te deelen, dat ze op weg waren naar de stad en maar even in het voorbijkomen waren afgestapt. Haar antwoord sprak meer van bevreemding. Zij verzocht Arkadiej zijn vader van harentwege te groeten en zond om haar tante. Deze verscheen, nog al slaperig, en dit maakte de weinig aantrekkelijke uitdrukking in haar tanig, verwelkt gezicht nog hatelijker. Katja moest wegens ongesteldheid haar kamer houden. Arkadiej voelde op dit oogenblik, dat hij niet alleen om de vrouw des huizes was gekomen.Zoo gingen vier uren in vrij onverschilligen gesprektoon voorbij. Anna Sergejevna sprak of luisterde, zonder te glimlachen. Bij het vertrek der vrienden scheen haar oude vriendelijkheid teruggekeerd.—U moet mij niet onvriendelijk vinden, zei ze, bekommer u daar niet om en komt u beiden maar spoedig eens terug.Bazarof en Arkadiej antwoordden met een buiging, stapten in hun tarantas en lieten zich onverwijld naar Marjino brengen, waar ze zonder stoornissen in den avond van den volgenden dag aankwamen.Gedurende de reis kwam de naam van mevrouw Odintsof niet over hun lippen, Bazarof bewaarde een hardnekkig stilzwijgen en staarde voor zich uit.In Marjino werden ze met open armen ontvangen.De lange afwezigheid van zijn zoon was Nikolaas gaan verontrusten. Hij sprong op, schreeuwde, stampte met de voeten op den vloer, toen Fenitsjka met stralende oogen kwam zeggen, dat de jonge heeren er waren. Zelfs Paul was aangenaam verrast en glimlachte vriendelijk, toen hij de reizigers begroette. Er werd over de reis gesproken, door Arkadiej verreweg het meest, vooral bij het avondeten, dat tot na middernacht duurde. Nikolaas had ettelijke flesschen porter laten komen, afkomstig van Moscou en die smaakte hem zoo goed, dat zijn wangen purperrood begonnen te gloeien en hij niet ophield kinderlijk-naïef te lachen.Zelfs de bedienden werden aangestoken door de algemeene vroolijkheid.Doeniasja liep maar heen en weer en sloeg de deuren hard achter zich dicht en Peter deed nog tegen drie uur in den nacht vergeefsche pogingen een kozakkenlied op zijn gitaar te spelen. De snaren van zijn instrument trilden met weemoedig liefelijke tonen door de landelijke stilte van den nacht. Maar verder dan de eerste maten kwam de ontwikkelde kamerdienaar niet. Muzikale en andere talenten had de natuur hem nu eenmaal ontzegd.Toch leefde men niet zonder zorgen op Marjino. En Nikolaas allerminst. Aan allerlei kleine dingen had hij zich te ergeren, iederen dag. Degehuurde arbeiders brachten hem voortdurend in verlegenheid. Sommigen eischten hooger loon en afrekening, anderen liepen weg met voorschot. Paarden werden ziek, aan de werktuigen haperde telkens iets en het werk werd slecht gedaan. Een dorschmachine, die uit Moscou gekomen was, bleek te zwaar voor het gebruik. Een ander werktuig raakte defect den eersten dag, dat het in gebruik genomen werd. De veestallen brandden half af door een oude, half-blinde koeienmeid, die haar zieke koe van de „betoovering” had willen genezen door gloeiende kolen. Later vertelde ze, dat de brand ontstaan was, doordat de heer allerlei nieuwigheden, als kaasbereiding, had ingevoerd. De opzichter werd lui en dik, zooals iedere Rus, die op den zak van een ander leeft. Hij voerde niets uit, dan, wanneer Nikolaas in de buurt was, een varken; dat wat ver van zijn hok was, met een steen te gooien, of kleine, half-naakte kinderen uit te schelden. Den overigen tijd sliep hij. De boeren, die pacht moesten betalen, deden het niet en stalen hout. De wakers vingen soms boerenpaarden op, die aan het grazen waren op de weilanden van het goed. Nikolaas had tot een geldstraf besloten. Maar nadat ze eenige dagen op kosten van den heer waren gevoederd, werden ze gewoonlijk weer teruggegeven. En de verwarring werd nog grooter, toen de boeren onderling ruzie kregen. Broeders eischten verdeeling, omdat respectieve echtgenooten het niet onder één dak met elkander konden vinden. Ieder oogenblik hadden er vechtpartijen plaats in het dorp. Een troep boerenzag men op een dag, alsof het afgesproken was, plotseling samenscholen voor het bureau van den opzichter en vandaar gingen ze met ontevreden gezichten en meerendeels dronken, naar den heer zelf en verlangden gerechtigheid. Het rumoer en geschreeuw werd vergroot door het gillen en jammeren van de vrouwen en het vloeken en dreigen der mannen. De strijd moest bijgelegd worden. Dat ging niet zonder overschreeuwen tot schor wordens toe en men wist toch, dat al die inspanning vruchteloos zou zijn. Bij het oogsten waren er geen handen genoeg. Een vrije boer uit de buurt, die men op zijn eerlijk gezicht vertrouwde, had zich verbonden arbeiders te leveren tegen twee roebel per dessatine, maar hield zijn woord niet. De vrouwelijke arbeidskrachten eischten schandelijk hooge loonen en intusschen begon het koren uit te vallen. Dezelfde geschiedenis herhaalde zich bij den hooioogst en alsof dit alles nog niet genoeg ware, verlangde de voogdijraad onder dreigementen onmiddellijk aanzuivering van achterstallige rente.—Ik houd het niet uit, riep Nikolaas Petrowitsj vertwijfeld. Ik kan met die menschen onmogelijk gaan vechten en principieel roep ik de politie er niet bij. Zonder vrees voor straf kan men niets gedaan krijgen.—Du calme, du calme, antwoordde Paul Petrowitsj, maar scheen intusschen allerminst tevreden met den gang van zaken en streek peinzend zijn knevel op.Bazarof bleef buiten dezen kwesties, trouwens door zijn positie in huis kon het ook moeilijkanders. Hij had den dag na zijn terugkeer zijn onderzoekingen met kikvorschen en insekten weer opgevat, zijn chemische verbindingen, en was geheel in zijn werk verdiept. Arkadiej beschouwde het als zijn plicht, zijn vader zooal niet te helpen, dan toch zijn bereidwilligheid te toonen. De huishoudelijke aangelegenheden stonden hem niet tegen. Hij nam zich zelfs voor, later al zijn krachten te wijden aan de agricultuur en wat daarmee samenhing. Voorloopig evenwel was hij met andere dingen vervuld. Tot zijn groote verwondering moest hij voortdurend aan Nikolskoi denken. Vroeger zou hij de schouders hebben opgehaald, als iemand hem gezegd had, dat hij zich onder één dak met Bazarof zou kunnen vervelen. Maar hij verveelde zich inderdaad onder zulk een dak, nog wel het vaderlijke dak! En wenschte zich ver weg. Hij maakte lange wandelingen, maar dat hielp niet.Eens gedurende een gesprek met zijn vader bleek, dat deze verscheiden, belangwekkende brieven had bewaard, afkomstig van zijn vrouw, die deze van de moeder van mevrouw Odintsof had ontvangen. Arkadiej smeekte ze te mogen lezen. En na veel zoeken haalde Nikolaas Petrowitsj ze onder papieren te voorschijn en gaf ze zijn zoon. Toen hij die half verbleekte brieven eenmaal had, voelde hij zich rustiger, alsof hij eindelijk een doel had gevonden.—U beiden, hoort u, heeft ze gezegd.Die gedachte kon hij niet vergeten.—Ik ga er heen. De duivel zal me halen, ik ga. Maar dan dacht hij weer aan hun laatste bezoekop Nikolskoi, en de koele ontvangst en schuchtere angst maakte hem weer besluiteloos.Maar ten slotte won het toch dat jeugdige „wie weet”..., het stille verlangen, zijn geluk te beproeven en zonder helpers of beschermers te onderzoeken, waartoe men in staat is...Geen tien dagen na hun terugkeer op Marjino vertrok Arkadiej onder het voorwendsel, de inrichting der zondagscholen te bestudeeren naar stad en van daar naar Nikolskoi.De wijze, waarop hij den koetsier tot spoed aanzette, had iets van den jongen officier, die ten strijde trekt. Blijheid, angst en ongeduld streden in zijn hart. „Niet nadenken,” drong hij zich zelf voortdurend.De koetsier, die hem reed, was een geslepen boer, die voor elke kroeg stil hield met de opmerking, of men den duivel niet wegzuipen moest...En als de duivel weggezopen was, klom hij weer op zijn bok en spaarde zijn paarden niet.Eindelijk werd het hooge dak van het welbekende huis zichtbaar.—Wat ga ik beginnen? woelde het door zijn brein, maar omkeeren was niet meer mogelijk.De paarden renden in gestrekten draf. De koetsier vuurde ze aan met schreeuwen en fluiten.Reeds dreunde het houten bruggetje onder de paardenhoeven en de wielen. Daar is de lange dennenlaan, die pal staat als een muur. Een rose japonnetje wordt zichtbaar tegen het groen, een jong gezichtje kijkt onder een parasol uit... hij herkent Katja en zij hem. Hij beveelt stil te houden, springt uit het rijtuig en ijlt haar tegemoet.—Bent u het! riep Katja en bloosde lichtelijk, gaat u mee naar mijn zuster. Ze is hier in den tuin, ze zal blij zijn, u weer te zien.Katja geleidde Arkadiej in den tuin. Die ontmoeting beloofde geluk, dacht hij, dit weerzien vervulde hem met blijdschap, alsof zij een heel lieve verwante was. Alles ging goed. Geen hofmeester, geen deftigheid, geen wachten in een stijven salon. Hij zag mevrouw Odintsof aan het einde van een laan. Zij liep voor hen uit en keerde zich op het geluid der naderende voetstappen om. Arkadiej stond op het punt, zijn zeker-voelen te verliezen, maar haar eerste woorden stelden hem gerust:—Zoo, vluchteling! zei ze met haar vleiende, evenwichtig-rustige stem, en liep hem, even knipoogend voor de zon, tegemoet, waar heb je hem gevonden Katja?—Ik kom u iets brengen, wat u zeker niet verwacht, begon hij.—U brengt u zelf mee, en dat is de hoofdzaak.
De twee vrienden spraken geen woord tot aan Fedote’s huis. Bazarof was ontevreden met zich zelf en Arkadiej was ontstemd over zijn vriend. Die onbestemde droefenis knaagde hem, zooals alleen jonge menschen dat kennen, wanneer ze hun eerste schreden in het leven doen.
Toen de paarden verwisseld waren en de koetsier weer op den bok zat, vroeg hij welke richting, rechts of links, hij rijden moest.
Arkadiej schrok. Rechts ging het naar de stad en vandaar naar zijn woning, links naar mevrouw Odintsof.
Hij keek Bazarof aan.
—Links, Jevgenij? vroeg hij.
Bazarof keek hem niet aan.
—Onzin, mompelde hij.
—Ik weet, dat het onzin is, antwoordde Arkadiej.—Maar wat zou dat? Het is niet de eerste dwaasheid, die we begaan.
Bazarof trok de klep van zijn muts omlaag.
—Zooals je wilt, zei hij.
—Hou links! riep Arkadiej den koetsier toe.
De tarantas reed in de richting van Nikolskoi. De beide vrienden, eenmaal besloten tot een dwaasheid, zwegen hardnekkiger dan eerst. Zij schenen woedend.
Uit de wijze, waarop de hofmeester van mevrouw Odintsof hen op het bordes ontving, maakten de vrienden dadelijk op, dat zij verkeerd hadden gehandeld. Het was vrij duidelijk, dat zij volstrektniet werden verwacht. Verzocht, in den salon te gaan, moesten ze daar lang wachten en voelden, dat ze een treurig figuur sloegen.
Eindelijk verscheen mevrouw Odintsof. Ze sprak hen toe met de haar eigen wellevendheid, maar scheen verwonderd over hun onverwachte terugkomst. Uit haar afgemeten woorden en terughoudendheid was evenwel te merken, dat deze terugkomst haar niet bizonder aangenaam was. Ze haastten zich dan ook mee te deelen, dat ze op weg waren naar de stad en maar even in het voorbijkomen waren afgestapt. Haar antwoord sprak meer van bevreemding. Zij verzocht Arkadiej zijn vader van harentwege te groeten en zond om haar tante. Deze verscheen, nog al slaperig, en dit maakte de weinig aantrekkelijke uitdrukking in haar tanig, verwelkt gezicht nog hatelijker. Katja moest wegens ongesteldheid haar kamer houden. Arkadiej voelde op dit oogenblik, dat hij niet alleen om de vrouw des huizes was gekomen.
Zoo gingen vier uren in vrij onverschilligen gesprektoon voorbij. Anna Sergejevna sprak of luisterde, zonder te glimlachen. Bij het vertrek der vrienden scheen haar oude vriendelijkheid teruggekeerd.
—U moet mij niet onvriendelijk vinden, zei ze, bekommer u daar niet om en komt u beiden maar spoedig eens terug.
Bazarof en Arkadiej antwoordden met een buiging, stapten in hun tarantas en lieten zich onverwijld naar Marjino brengen, waar ze zonder stoornissen in den avond van den volgenden dag aankwamen.Gedurende de reis kwam de naam van mevrouw Odintsof niet over hun lippen, Bazarof bewaarde een hardnekkig stilzwijgen en staarde voor zich uit.
In Marjino werden ze met open armen ontvangen.
De lange afwezigheid van zijn zoon was Nikolaas gaan verontrusten. Hij sprong op, schreeuwde, stampte met de voeten op den vloer, toen Fenitsjka met stralende oogen kwam zeggen, dat de jonge heeren er waren. Zelfs Paul was aangenaam verrast en glimlachte vriendelijk, toen hij de reizigers begroette. Er werd over de reis gesproken, door Arkadiej verreweg het meest, vooral bij het avondeten, dat tot na middernacht duurde. Nikolaas had ettelijke flesschen porter laten komen, afkomstig van Moscou en die smaakte hem zoo goed, dat zijn wangen purperrood begonnen te gloeien en hij niet ophield kinderlijk-naïef te lachen.
Zelfs de bedienden werden aangestoken door de algemeene vroolijkheid.
Doeniasja liep maar heen en weer en sloeg de deuren hard achter zich dicht en Peter deed nog tegen drie uur in den nacht vergeefsche pogingen een kozakkenlied op zijn gitaar te spelen. De snaren van zijn instrument trilden met weemoedig liefelijke tonen door de landelijke stilte van den nacht. Maar verder dan de eerste maten kwam de ontwikkelde kamerdienaar niet. Muzikale en andere talenten had de natuur hem nu eenmaal ontzegd.
Toch leefde men niet zonder zorgen op Marjino. En Nikolaas allerminst. Aan allerlei kleine dingen had hij zich te ergeren, iederen dag. Degehuurde arbeiders brachten hem voortdurend in verlegenheid. Sommigen eischten hooger loon en afrekening, anderen liepen weg met voorschot. Paarden werden ziek, aan de werktuigen haperde telkens iets en het werk werd slecht gedaan. Een dorschmachine, die uit Moscou gekomen was, bleek te zwaar voor het gebruik. Een ander werktuig raakte defect den eersten dag, dat het in gebruik genomen werd. De veestallen brandden half af door een oude, half-blinde koeienmeid, die haar zieke koe van de „betoovering” had willen genezen door gloeiende kolen. Later vertelde ze, dat de brand ontstaan was, doordat de heer allerlei nieuwigheden, als kaasbereiding, had ingevoerd. De opzichter werd lui en dik, zooals iedere Rus, die op den zak van een ander leeft. Hij voerde niets uit, dan, wanneer Nikolaas in de buurt was, een varken; dat wat ver van zijn hok was, met een steen te gooien, of kleine, half-naakte kinderen uit te schelden. Den overigen tijd sliep hij. De boeren, die pacht moesten betalen, deden het niet en stalen hout. De wakers vingen soms boerenpaarden op, die aan het grazen waren op de weilanden van het goed. Nikolaas had tot een geldstraf besloten. Maar nadat ze eenige dagen op kosten van den heer waren gevoederd, werden ze gewoonlijk weer teruggegeven. En de verwarring werd nog grooter, toen de boeren onderling ruzie kregen. Broeders eischten verdeeling, omdat respectieve echtgenooten het niet onder één dak met elkander konden vinden. Ieder oogenblik hadden er vechtpartijen plaats in het dorp. Een troep boerenzag men op een dag, alsof het afgesproken was, plotseling samenscholen voor het bureau van den opzichter en vandaar gingen ze met ontevreden gezichten en meerendeels dronken, naar den heer zelf en verlangden gerechtigheid. Het rumoer en geschreeuw werd vergroot door het gillen en jammeren van de vrouwen en het vloeken en dreigen der mannen. De strijd moest bijgelegd worden. Dat ging niet zonder overschreeuwen tot schor wordens toe en men wist toch, dat al die inspanning vruchteloos zou zijn. Bij het oogsten waren er geen handen genoeg. Een vrije boer uit de buurt, die men op zijn eerlijk gezicht vertrouwde, had zich verbonden arbeiders te leveren tegen twee roebel per dessatine, maar hield zijn woord niet. De vrouwelijke arbeidskrachten eischten schandelijk hooge loonen en intusschen begon het koren uit te vallen. Dezelfde geschiedenis herhaalde zich bij den hooioogst en alsof dit alles nog niet genoeg ware, verlangde de voogdijraad onder dreigementen onmiddellijk aanzuivering van achterstallige rente.
—Ik houd het niet uit, riep Nikolaas Petrowitsj vertwijfeld. Ik kan met die menschen onmogelijk gaan vechten en principieel roep ik de politie er niet bij. Zonder vrees voor straf kan men niets gedaan krijgen.
—Du calme, du calme, antwoordde Paul Petrowitsj, maar scheen intusschen allerminst tevreden met den gang van zaken en streek peinzend zijn knevel op.
Bazarof bleef buiten dezen kwesties, trouwens door zijn positie in huis kon het ook moeilijkanders. Hij had den dag na zijn terugkeer zijn onderzoekingen met kikvorschen en insekten weer opgevat, zijn chemische verbindingen, en was geheel in zijn werk verdiept. Arkadiej beschouwde het als zijn plicht, zijn vader zooal niet te helpen, dan toch zijn bereidwilligheid te toonen. De huishoudelijke aangelegenheden stonden hem niet tegen. Hij nam zich zelfs voor, later al zijn krachten te wijden aan de agricultuur en wat daarmee samenhing. Voorloopig evenwel was hij met andere dingen vervuld. Tot zijn groote verwondering moest hij voortdurend aan Nikolskoi denken. Vroeger zou hij de schouders hebben opgehaald, als iemand hem gezegd had, dat hij zich onder één dak met Bazarof zou kunnen vervelen. Maar hij verveelde zich inderdaad onder zulk een dak, nog wel het vaderlijke dak! En wenschte zich ver weg. Hij maakte lange wandelingen, maar dat hielp niet.
Eens gedurende een gesprek met zijn vader bleek, dat deze verscheiden, belangwekkende brieven had bewaard, afkomstig van zijn vrouw, die deze van de moeder van mevrouw Odintsof had ontvangen. Arkadiej smeekte ze te mogen lezen. En na veel zoeken haalde Nikolaas Petrowitsj ze onder papieren te voorschijn en gaf ze zijn zoon. Toen hij die half verbleekte brieven eenmaal had, voelde hij zich rustiger, alsof hij eindelijk een doel had gevonden.
—U beiden, hoort u, heeft ze gezegd.
Die gedachte kon hij niet vergeten.
—Ik ga er heen. De duivel zal me halen, ik ga. Maar dan dacht hij weer aan hun laatste bezoekop Nikolskoi, en de koele ontvangst en schuchtere angst maakte hem weer besluiteloos.
Maar ten slotte won het toch dat jeugdige „wie weet”..., het stille verlangen, zijn geluk te beproeven en zonder helpers of beschermers te onderzoeken, waartoe men in staat is...
Geen tien dagen na hun terugkeer op Marjino vertrok Arkadiej onder het voorwendsel, de inrichting der zondagscholen te bestudeeren naar stad en van daar naar Nikolskoi.
De wijze, waarop hij den koetsier tot spoed aanzette, had iets van den jongen officier, die ten strijde trekt. Blijheid, angst en ongeduld streden in zijn hart. „Niet nadenken,” drong hij zich zelf voortdurend.
De koetsier, die hem reed, was een geslepen boer, die voor elke kroeg stil hield met de opmerking, of men den duivel niet wegzuipen moest...
En als de duivel weggezopen was, klom hij weer op zijn bok en spaarde zijn paarden niet.
Eindelijk werd het hooge dak van het welbekende huis zichtbaar.
—Wat ga ik beginnen? woelde het door zijn brein, maar omkeeren was niet meer mogelijk.
De paarden renden in gestrekten draf. De koetsier vuurde ze aan met schreeuwen en fluiten.
Reeds dreunde het houten bruggetje onder de paardenhoeven en de wielen. Daar is de lange dennenlaan, die pal staat als een muur. Een rose japonnetje wordt zichtbaar tegen het groen, een jong gezichtje kijkt onder een parasol uit... hij herkent Katja en zij hem. Hij beveelt stil te houden, springt uit het rijtuig en ijlt haar tegemoet.
—Bent u het! riep Katja en bloosde lichtelijk, gaat u mee naar mijn zuster. Ze is hier in den tuin, ze zal blij zijn, u weer te zien.
Katja geleidde Arkadiej in den tuin. Die ontmoeting beloofde geluk, dacht hij, dit weerzien vervulde hem met blijdschap, alsof zij een heel lieve verwante was. Alles ging goed. Geen hofmeester, geen deftigheid, geen wachten in een stijven salon. Hij zag mevrouw Odintsof aan het einde van een laan. Zij liep voor hen uit en keerde zich op het geluid der naderende voetstappen om. Arkadiej stond op het punt, zijn zeker-voelen te verliezen, maar haar eerste woorden stelden hem gerust:
—Zoo, vluchteling! zei ze met haar vleiende, evenwichtig-rustige stem, en liep hem, even knipoogend voor de zon, tegemoet, waar heb je hem gevonden Katja?
—Ik kom u iets brengen, wat u zeker niet verwacht, begon hij.
—U brengt u zelf mee, en dat is de hoofdzaak.