XXIII.Twee uur later werd er aan Bazarofs deur geklopt.—Neemt u me niet kwalijk, als ik u stoor in uw geleerde overpeinzingen, zei Paul Petrowitsj, nam plaats in een stoel bij het venster en hield de beide handen geleund op een eleganten wandelstok met knop van elpenbeen (meestal liep hij zonder stok),—maar ik acht mij verplicht, u vijf minuten van uw tijd te vragen, niet meer.—Ik sta geheel ter beschikking, antwoordde Bazarof, niet zonder een lichte trekking over zijn gezicht, toen hij Paul zijn drempel zag overschrijden.—Vijf minuten zal voldoende zijn. Ik ben gekomen, om u iets te vragen.—Een vraag? En die is?—Luistert u eens. Toen u hier pas was, toen ik mij nog niet het genoegen van uw gesprekken ontzegde, was het mij vergund, uw meening over allerlei dingen te leeren kennen. Maar voor zoover ik mij kan herinneren, hebt u nooit gezegd, hoe u over het duel denkt, het duel in ’t algemeen. Zou ik u dat eens mogen vragen?Bazarof, die zich van zijn werk had opgericht, om Paul aan te hooren, ging op den tafelrand zitten en sloeg de armen over elkaar.—Mijn meening is deze, antwoordde hij, van theoretisch standpunt beschouwd is het duel een ouderwetsche dwaasheid, practisch schijnt het me een andere kwestie!—Als ik u goed begrijp, wilt u zeggen, dat u in de praktijk uw theoretische opvatting overhet duel ter zijde schuift en niet zult dulden, dat men u beleedigt, zonder daar genoegdoening voor te verlangen.—U heb mijn gedachten volkomen goed begrepen.—Zeer juist. Het verheugt me bizonder te vernemen, dat u de zaak aldus opvat. Dat maakt een einde aan mijn niet-weten...—Uw onzeker-zijn, wilt u zeggen...—Dat is hetzelfde, mijnheer. Ik wensch mij alleen zoo duidelijk mogelijk uit te drukken. Ik ben geen student meer. Uw woorden maken een zekere droevige noodzakelijkheid overbodig. Ik ben van plan met u te duelleeren.Bazarof sperde zijn oogen open.—Met mij?—Ja, met u persoonlijk.—Op welken grond? Ik begrijp u niet.—Ik zou u dat wel kunnen verklaren, antwoordde Paul, maar ik verkies het niet te doen. Ik vind, dat u hier te veel bent. Ik haat u, Ik veracht u, en als u dat nog niet genoeg is...Pauls oogen fonkelden van woede. Ook Bazarofs blik schoot vonken.—Zeer wel, antwoordde Bazarof, ieder verdere verklaring is overbodig. U bent in een stemming, den gloed van uw adellijken toorn op mij uit te laten. Ik had kunnen weigeren, u dit genoegen te verschaffen. Maar ik gun het u.—Ik ben u zeer verplicht, antwoordde Paul, ik hoop dus, dat u mijn uitdaging aanneemt, zonder gedwongen te worden.—U bedoelt: met dien stok? zei Bazarofkoel,—u hebt volkomen gelijk, u kunt die moeite sparen, te meer, aangezien dat waarschijnlijk niet volkomen zonder gevaar voor u zou zijn. Indien u voortgaat, u als gentleman te gedragen, zal ik van mijn kant de uitdaging als gentleman aannemen.—Goed, zei, Paul en zette zijn stok in een hoek,—we hebben dus alleen nog de voorwaarden vast te stellen. Maar ik zou u eerst willen vragen, of u het noodig vindt, een voorwendsel te zoeken tegenover de anderen?—Neen dat schijnt me volkomen overbodig.—Zoo denk ik er ook over. Ook geloof ik, dat het geen nut heeft, de ware oorzaak tot dezen tweekamp te onderzoeken. We houden niet van elkaar, dat is alles.—Zeer juist, dat is alles, meer is niet noodig, herhaalde Bazarof ironisch.—Wat de voorwaarden betreft... aangezien we geen getuigen hebben, hoe zouden we aan getuigen komen?—Zeer juist, hoe zouden we aan getuigen komen?—Ik veroorloof mij dus, u het volgende te proponeeren. Morgen ochtend zes uur zullen wij vechten, met revolvers, in het bosch, tien pas afstand.—Op tien pas, goed. We haten elkaar zoo heftig, dat we niet dichter bij kunnen.—Op acht pas, als u wilt.—Waarom niet? Gaarne.—Wij lossen twee schoten en ter meerdere veiligheid zal ieder van ons een brief bij zich hebben, waarin verklaard wordt, dat in geval van dood, men zelf de schuldige is.—Deze laatste clausule schijnt mij niet juist, antwoordde Bazarof.—Dat is te onwaarschijnlijk. Het zou een beetje op een franschen roman gaan lijken.—Misschien hebt u gelijk. Maar u zult toegeven, dat het onaangenaam is, voor een moordenaar gehouden te worden.—Zeer zeker. Maar er is een middel, zich voor die pijnlijke verdenking te vrijwaren. We zullen geen getuigen hebben in den eigenlijken zin des woords. Maar iemand kan toch wel als toevallig, bij ons duel aanwezig zijn.—Wien zoudt u daartoe kiezen?—Peter bij voorbeeld.—Welke Peter?—De kamerdienaar van uw broeder. Dat is een man, volkomen op de hoogte der moderne beschaving, die zijn rol spelen zal geheel en alcomme il faut.—Ik geloof, dat u grapjes maakt, waarde heer?—In geenen deele, mijnheer. Denkt u eens aan mijn plan en u zult zien, dat het verstandig en van zelfsprekend is. Ik zal het op mij nemen, Peter voor te bereiden en hem meebrengen op de plaats des strijds.—U gelieft nog altijd te schertsen, zei Paul en stond op.—Maar na de beminnelijke voorkomendheid, die ge zooeven toonde, mag ik u dat niet kwalijk nemen. Het is dus afgesproken... hebt u revolvers?—Hoe zou ik daaraan komen, Paul Petrowitsj? Ik ben geen krijgsman.—Dan bied ik u de mijne aan. Ik heb meer dan vijf jaar geen gebruik van dit wapen gemaakt en u kunt me gelooven.—Deze verzekering stelt me gerust.Paul nam zijn stok.—En nu, waarde heer, moet ik u alleen nog danken en laat u alleen met uw studies. Ik heb de eer, u te groeten.—Tot ziens, antwoordde Bazarof en geleidde zijn gast tot de deur. Paul ging, Bazarof bleef aan de deur staan en riep uit:—Alle duivels! Dat is heel fraai, maar idioot! Wat een comedie hebben we daar gespeeld! De honden, die op hun achterpooten gaan staan, doen het niet beter. Ik had niet kunnen weigeren. Dan had hij me geslagen en dan... Bazarof verbleekte bij die gedachte, die zijn trots in opstand bracht... ik had niet anders kunnen doen, dan hem te worgen als een kat.Hij keerde naar zijn microscoop terug, maar hij was opgewonden en de noodige rust ontbrak.... Hij heeft ons gezien, dacht hij, maar zou hij zich dat zoo aantrekken ter wille van zijn broer?... En dan een kus! Wat steekt daar achter?... Zou hij zelf verliefd zijn?... Dat moet!... Daar geef ik wat voor!... Wat een modderpoel allemaal!... Maar ondertusschen... een mooie geschiedenis... eerst je leven op het spel zetten en dan vluchten misschien... dan... Arkadiej... en die stommeling van een vader!... Beroerde geschiedenis...De dag verging nog stiller dan gewoonlijk. En Fenitsjka scheen wel uit de wereld weg, als eenmuisje in haar hol bleef ze in haar kamer. Nicolaas liep bezorgd rond, angstig, men had hem meegedeeld, dat zijn tarwe, waar al zijn hoop op gevestigd was, aan het broeien was. Pauls ijzige hoffelijkheid drukte op ieder, zelfs op Prokofitsj. Bazarof begon een brief aan zijn vader, verscheurde hem weer....ze zullen het wel hooren, als ik dood ga, dacht hij,... maar ik zal niet dood gaan, ik zal nog wel heel lang op de aarde rondkruipen...Hij vroeg Peter, den volgenden morgen met het aanbreken van den dag bij hem te komen voor een belangrijke zaak. Peter verbeeldde zich, dat hij mee zou genomen worden naar Petersburg, Bazarof ging laat naar bed en vreemde droomen kwelden hem... mevrouw Odintsof verscheen telkens, zij was tegelijk zijn moeder. Een kat met zwarte snorharen liep achter haar aan en dat katje was Fenitsjka. Hij zag Paul in de gedaante van een boomstam, maar moest toch met hem vechten...Peter wekte hem tegen vier uur. Hij kleedde zich en verliet met hem het huis.De morgen was heerlijk en koeler dan de vorige dagen. Bonte wolkjes vlokten langs den bleek blauwen hemel. Het loof der boomen was bedauwd, spinnewebben flonkerden in zilveren draden op het gras. Nog een glans van het eerste morgenrood lag gespreid over de velden en de leeuweriken zongen rondom—omhoog.Bazarof ging naar het bosch, zette zich in de schaduw en deelde Peter mee, wat er van hem werd verlangd. De ontwikkelde kamerdienaarwerd vaal-bleek als een doode. Bazarof trachtte hem gerust te stellen door de verzekering, dat hij niets te doen had, als op een afstand toe te kijken. Zonder eenige verantwoordelijkheid.—Denk intusschen over je gewichtige rol na, voegde Bazarof er bij.Peter wrong krampachtig zijn handen, liet het hoofd hangen en begon, groen van angst, tegen een boom te leunen.De straatweg naar Marjino liep langs een bosch. Het stof scheen sedert den vorigen dag nog door niemand betreden. Bazarof keek onwillekeurig den weg af, plukte een grashalm en kouwde erop, en fluisterde: Wat een onzin...Hij huiverde eenige malen in den koelen morgen.Peter keek hem aan met wanhoop in zijn oogen, maar Bazarof glimlachte. Hij voelde geen angst.Paardenhoeven weerklonken. Een boer verscheen. Hij kwam uit het dorp en voerde twee paarden, die aan elkander gebonden waren. Toen hij langs Bazarof kwam, keek hij hem verwonderd aan, zonder naar zijn pet te grijpen. Dit scheen Peter een slecht voorteeken en verontrustte hem....die kerel is ook vroeg opgestaan, dacht Bazarof, maar doet ten minste wat nuttigers...—Ik geloof, dat mijnheer er aan komt, fluisterde Peter opeens.Bazarof keek op en herkende Paul, die haastig de straat af kwam, in een geruit colbert met witte broek gekleed. Hij droeg een kistje in een groenen doek onder den arm.—Neemt u me niet kwalijk, ik vrees, dat iku heb laten wachten, zei hij, Bazarof en daarop Peter groetend, die hij als een soort sekondant scheen te beschouwen,—ik wilde mijn bediende niet wekken.—Goed, goed, antwoordde Bazarof,—wij komen ook pas.—Des te beter.Paul keek om zich heen.—Niemand ziet ons hier. We zullen niet gestoord worden. Zullen we?...—Met genoegen.—Ik veronderstel, dat u geen nadere verklaringen wenscht?—Volstrekt niet.—Zoudt u willen laden? vroeg Paul en nam de revolvers uit het etui.—Neen, doet u dat zelf. Ik zal den afstand opnemen. Ik heb langere beenen, zei Bazarof met een venijnig lachje,—éen—twee—drie...—Jevgenij Wassiljewitsj, stotterde Peter moeilijk, en sidderde als een lindeblad,—doe wat u wilt, ik zal op een afstand gaan...—Vier—vijf—trek jij je terug, dappere, trek je terug. Je kunt zelf achter een boom gaan staan en je ooren dichthouden, maar hou je oogen open. Als er éen van ons valt, hol dan naar hem toe, om hem te helpen—zes—zeven—acht.Bazarof bleef staan.—Genoeg zoo? vroeg hij tot Paul gekeerd,—of wilt u nog twee kleine pasjes?—Zooals u wilt, antwoordde deze en deed de tweede kogel in den loop.—Dan nog twee passen!Bazarof trok een streep in het zand met zijn schoen.—Dit is de barrière. Maar, dat is waar, we hebben niet afgesproken, hoever we ons van den eindstreep zouden opstellen. Dit gewichtige punt hebben we gisteren niet overwogen.—Tien pas, vind ik, antwoordde Paul en hield hem de revolvers voor,—wilt u mij het genoegen doen te kiezen?—Dat genoegen zal ik niet weigeren, maar u moet toegeven, dat dit duel op het belachelijke af eigenaardig is. Kijkt u eens het gezicht van onzen sekondant!—U schertst nog altijd, antwoordde Paul, ik geef toe, dat deze ontmoeting nogal eigenaardig is. Maar ik moet u doen opmerken, dat ik van plan ben, ernstig te duelleeren. A bon entendeur...! Salut!—O, ik betwijfel geen oogenblik, dat we van plan zijn elkaar overhoop te schieten. Maar waarom niet met een glimlach? Laat ons het utile met het dulce vereenigen. U ziet, als u fransch spreekt, antwoord ik latijn.—Ik vat het ernstig op, antwoordde Paul en ging op zijn plaats.Bazarof telde eveneens tien pas af en bleef staan.—Bent u gereed? vroeg Paul.—Ja.—Vooruit dan.Bazarof ging langzaam naar voren, Paul eveneens. Hij had de linker hand in den zak en richtte langzaam zijn revolver... hij mikt precies op mijn neus, dacht Bazarof,... hij knijpt zijn eene oog dicht, om goed te schieten, de bandiet!...geen pleizierig gevoel eigenlijk. Ik zal op zijn horlogeketting mikken...Er vloog iets fluitend langs Bazarofs oor en op hetzelfde oogenblik weerklonk een knal... ik heb het gehoord, dus heb ik niets, kon hij denken. Hij deed nog een pas en drukte af, zonder te mikken.Paul maakte een beweging en voelde naar zijn been. Een straal bloed kleurde de witte broek.Bazarof gooide zijn revolver weg en liep op hem toe.—Bent u gewond? vroeg hij.—U had het recht, mij tot aan de streep te laten voortgaan, antwoordde Paul,—de wond heeft niets te beteekenen. Volgens onze afspraak, hebben wij nog een schot.—U moet mij toestaan, het partijtje tot een volgend maal uit te stellen, antwoordde Bazarof en nam Paul in zijn arm, Paul begon bleek te worden,—ik ben op het oogenblik niet langer tegenpartij, maar geneesheer. Ik moet vóór alles de wond onderzoeken. Peter! Peter, waar zit je?—Het is niets... ik heb geen hulp noodig, antwoordde Paul, maar het spreken begon hem moeilijk te vallen,—... en wij moeten... nog eens...Hij wilde zijn snor opstrijken, maar zijn arm viel slap neer, zijn oogen werden blind en hij viel in onmacht.—Dat is sterk, bewusteloos om zoo’n kleinigheid! zei Bazarof onwillekeurig en strekte Paul op den grond uit,—eens kijken, wat het is.Hij nam zijn zakdoek, stelpte het bloed enonderzocht de wondranden. Het been is niet geraakt, de kogel is niet diep ingedrongen, alleen de vastus externus is beleedigd. Over drie weken, kan hij weer dansen, als hij wil. De moeite waard, daarvoor bewusteloos te worden. Die nerveuze heeren ook. Wat heeft hij een teere huid!—Is de heer dood? vroeg Peter fluisterend en bevend.—Ga maar gauw water halen, antwoordde Bazarof en wendde zich om, je heer leeft langer dan jij en ik.Maar de dienaar, scheen niet te begrijpen en bleef onbewegelijk staan. Intusschen sloeg Paul de oogen weer op.—Hij geeft den geest! zei Peter en sloeg een kruis.—...U hebt gelijk, wat een belachelijk gezicht, zei de gewonde met een zwak lachje.—Haal water, domoor! riep Bazarof.—Het is niet noodig... de duizeling is voorbij... helpt u me even op... zoo... zoo... als men het schampschot verbindt, kan ik te voet naar huis, of er kan ook een rijtuig gehaald worden. We kunnen het hierbij laten, als u wilt. U hebt u gedragen als man van eer... Vandaag, wel te verstaan.—We behoeven niet terug te komen op wat voorbij is, en wat de toekomst betreft, stel u gerust, ik zal zoo gauw mogelijk maken, dat ik wegkom. Maar laat me eerst uw been verbinden, de wond is licht, maar het is toch beter het bloed te stillen. Maar eerst moet ik in dezen sterveling de zekerheid van zijn bestaan terugroepen.Bazarof pakte Peter bij zijn kraag, schudde hem heftig heen en weer en gelastte hem een rijtuig te halen.—Breng mijn broer niet aan het schrikken, zei Paul, en pas op, dat je geen woord zegt.Peter maakte, dat hij wegkwam en intusschen bleven de twee tegenstanders zonder te spreken, bij elkander zitten. Paul vermeed het, Bazarof aan te zien. Hij wilde zich niet met hem verzoenen. Hij verweet zich bijna gebrek aan zelfbeheersching, zijn onhandigheid, zijn heele optreden in deze zaak, en voelde zeer wel, dat zij op de gunstigst mogelijke manier was bijgelegd.Hij zal ons van zijn tegenwoordigheid verlossen, dacht hij, daarmee is tenminste iets gewonnen.Het wederzijdsche zwijgen begon onaangenaam te worden. Zij wisten beiden, dat zij elkanders gedachten kenden. Die zekerheid is aangenaam voor vrienden, maar voor vijanden allerpijnlijkst, vooral wanneer ze tot geen verklaring komen, noch elkaar kunnen verlaten.—Heb ik uw been niet te stijf verbonden? vroeg Bazarof.—Neen, volstrekt niet. Het is heel goed zoo, antwoordde Paul Petrowitsj en na eenige oogenblikken:—Het zal niet mogelijk zijn, mijn broeder om den tuin te leiden. Ik zal hem zeggen, dat we over een politieke kwestie woorden hebben gekregen.—Heel goed, antwoordde Bazarof, u kunt zeggen, dat ik in uw bijzijn alle Anglomanen beleedigd heb.—Juist. Apropos, wat dunkt u, dat deze man van ons zeggen zal? ging Paul Petrowitsj voort, toen dezelfde boer, die vóór het duel met zijn paarden voorbij gekomen was, weer langs kwam en nu groette op het zien van de heeren.—Wie weet? antwoordde Bazarof, waarschijnlijk niets. De Russische boer lijkt op dat geheimzinnig-onbekende, waarvan Anna Radcliffe in haar boeken spreekt. Niemand kent hem. En hij zich zelf het minst.—Denkt u? vroeg Paul Petrowitsj, maar plotseling riep hij:—Kijk nu die stomheid van uw Peter! Daar komt hij nu aan met mijn broer!Bazarof keerde zich om en ontwaarde het bleeke gezicht van Nikolaas in het rijtuig. Hij sprong eruit, eer het stilstond en liep op zijn broeder toe.—Wat beteekent dat? vroeg hij ontdaan.—JevgenijWassiljewits, hoe is dat mogelijk?—Het is niets, antwoordde Paul,—het was verkeerd, je te storen. Wij hebben toegegeven aan een opwelling, van het oogenblik, en ik werd een klein beetje gestraft, dat is alles.—Maar de oorzaak om Gods wil!...—Hoe zal ik zeggen? Mijnheer Bazarof sprak in mijn tegenwoordigheid onbehoorlijk over Sir Robert Peel. Maar ik moet er dadelijk bij voegen, dat het allemaal mijn schuld was en dat de heer Bazarof zich uiterst correct heeft gedragen. Ik heb hem uitgedaagd.—Ik zie bloed.—Dacht je dan dat ik water in mijn aderen had? Ik verzeker je, dat die kleine aderlating meheel goed zal doen. Is het niet, dokter? Help me in het rijtuig en haal je geen muizenissen in het hoofd. Morgen ben ik weer hersteld. Ja, ik heb me zelden zoo goed gevoeld en zoo opgeruimd. Vooruit koetsier!Nikolaas volgde te voet. Bazarof was achtergebleven.—Ik verzoek u, mijn broeder in behandeling te nemen, zei Nikolaas totdat we een geneesheer uit de stad hebben.Bazarof boog zwijgend het hoofd.Een uur later lag Paul Petrowitsj in bed en zijn been was volgens de regelen der kunst verbonden. Het heele huis was inopschudding. Fenitsjka was ziek geworden. Nikolaas was wanhopig en Paul praatte en lachte, vooral met Bazarof. Hij had een batisten hemd en een morgenjasje aan en een fez opgezet. Hij wilde de gordijnen niet dicht hebben en klaagde schertsend over den dieët, dien hij zou moeten houden.Tegen den avond kwam er wat koorts en hij kreeg hoofdpijn. Er verscheen een geneesheer uit de stad. Nikolaas had niet gelet op het verlangen van zijn broeder en Bazarof zelf had er opgestaan, dat er een collega geroepen zou worden. Hij was intusschen op zijn kamer gebleven, zag er geel-bleek en gejaagd uit en bracht den zieke alleen nu en dan een kort bezoek. Eenige malen ontmoette hij Fenitsjka, die hem met zekeren angst uit den weg ging.De stadsdokter schreef verkoelende dranken voor en bevestigde de verklaring van Bazarof,dat de wond niets te beteekenen had. Nikolaas vertelde, dat zijn broeder zich uit onvoorzichtigheid zelf had verwond, waarop de dokter met een hm antwoordde; maar toen hij op hetzelfde oogenblik een bankbiljet van vijf en twintig roebel in zijn hand voelde zei hij:—Ja dat gebeurt zoo vaak.In het geheele huis ging niemand naar bed.Nikolaas sloop telkens op zijn teenen naar de ziekenkamer en verdween weer op dezelfde wijze. De gewonde sliep soms in, zuchtte zacht, zei tegen zijn broeder:Couchez-vousen wilde dan drinken. Kirsanof liet Fenitsjka eenmaal een glas limonade brengen. Paul keek haar strak aan en dronk het glas leeg.Tegen den morgen nam de koorts toe en de zieke begon te ijlen. Hij sprak zinlooze woorden, opende dan plotseling de oogen en toen hij zijn broeder bij het bed zag zitten, bezorgd over hem gebogen, vroeg hij:—Is het niet, Nikolaas, lijkt Fenitsjka niet op Nelly?—Welke Nelly bedoel je?—Hoe kan je dat nu vragen? Vorstin R...! Vooral de bovenzij van het gezicht.C’est de la même famille.Nikolaas antwoordde niet, maar was diep verwonderd over de levenskracht der menschelijke gevoelens... zoo iets komt toch altijd weer terug, dacht hij.—Ik houd zoo van dat eenvoudige kind, zoo eenvoudig... klaagde Paul en legde een arm onder het hoofd.—...ik zal nooit dulden, dat een vlegel haar aanraakt...Nikolaas zuchtte. Hij begreep niet, op wien die woorden sloegen.Den volgenden morgen kwam Bazarof bij hem. Hij had zijn bagage gepakt en zijn kikvorschen, vogels en insekten in vrijheid gesteld.—U komt afscheid nemen, zei Nikolaas en stond op.—Ja.—Ik begrijp en geef u volkomen gelijk. Mijn arme broeder heeft zeker ongelijk gehad en hij is dan ook gestraft. Ik weet het van hem zelf, dat hij u gedwongen heeft, zoo te handelen, als u gedaan hebt, u hadt dit duel niet kunnen vermijden. Het heeft min of meer zijn grond in het diepgaande verschil van uw beider levensbeschouwing. (Nikolaas Petrowitsj begon minder duidelijk en minder logisch te praten, hij ademde zwaar). Mijn broeder is prikkelbaar, houdt vast aan oude ideeën... ik dank God, dat alles nog zoo is afgeloopen. Overigens heb ik alles gedaan, om te zorgen, dat er niet gesproken wordt over die zaak.—Ik zal u mijn adres geven, en als men er toch wat van wil maken, dan kunt u mij altijd vinden, zei Bazarof.—Ik hoop, dat dit niet noodig zal zijn, Jevgenij Wassiljewitsj. Ik betreur het ten zeerste, dat uw verblijf in ons huis, zoo een einde... Ik betreur het des te meer, omdat Arkadiej...—Dien zal ik wel zien, viel Bazarof in de rede. Hij hield niet van dergelijke verklaringen en verontschuldigingen.—In ieder geval verzoekik u, hem van mij te groeten en hem mijn leedwezen uit te drukken.—En ook ik verzoek u...Maar Bazarof wachtte niet op de rest en ging.Toen Paul hoorde, dat Bazarof op het punt stond te vertrekken, uitte hij den wensch, hem nog te zien. Hij gaf hem een hand, maar Bazarof bleef als gewoonlijk koel. Hij merkte wel, dat Paul den edelmoedige wilde spelen.Van Fenitsjka was het hem niet mogelijk afscheid te nemen. Hij keek alleen nog eens naar het venster, waar zij zat. Ze scheen treurig... misschien gaat die wel te gronde... dacht hij... maar waarom zou ze niet...Peter was zoo onder den indruk, dat hij aan Bazarofs schouder bleef staan schreien, tot deze hem vroeg, of zijn oogen nooit uitgeput zouden raken? Doeniasja moest den tuin in vluchten, om haar verdriet te verbergen. Maar de oorzaak van al dit verdriet nam plaats in een klein rijtuigje, stak een sigaar op en toen hij op vier werst afstand bij een kromming van den weg het huis der Kirsanofs voor het laatst zag liggen, spuwde hij op den weg, knarstandde:—Verdomde landjonkers!en hulde zich in zijn mantel.De toestand van Paul Petrowitsj verbeterde met den dag. Toch bleef hij nog een week te bed. Hij droeg zijn gevangenschap, zooals hij dat noemde, geduldig, besteedde een groot gedeelte van den tijd aan zijn toilet en liet voortdurend met eau de cologne sprenkelen.Nikolaas las hem de couranten voor en Fenitsjka bediende hem, zooals gewoonlijk met bouillon, zachte eieren, thee; maar ze kon zijn kamer niet binnentreden zonder een innerlijken schrik.Iedereen in huis was overstuur door de jeugdige dwaasheid van Paul Petrowitsj. Alleen Prokofitsj sprak erover met groote gelatenheid en gemoedsrust. In zijn tijd hadden de heeren zoo dikwijls gevochten, zei hij, maar altijd onder elkaar en nooit met zulke ploerten, als die... Zulke individuen liet men in den stal afranselen, als ze onbeschaamd werden.Fenitsjka had geen gewetenswroeging. Maar rustig was ze toch niet, vooral als ze soms iets van de ware oorzaak begon te vermoeden. En dan kon Paul Petrowitsj haar zoo vreemd aanzien... ze voelde dien blik nog, als ze hem den rug toekeerde. Tengevolge van deze onrust, werd ze magerder en, zooals dat meestal is bij vrouwen van haar leeftijd, nog mooier.Op een morgen had Paul, die zich beter voelde, het bed verlaten en was op de sofa gaan liggen. Nikolaas kwam vragen, hoe hij geslapen had en ging vervolgens naar het dorschen kijken.Fenitsjka bracht de thee, die ze bij hem neerzette. Toen ze weg wilde gaan, hield Paul haar tegen:—Waarom wil je zoo dadelijk weer weg, Fedosia Nikolajevna? vroeg hij haar,—heb je iets te doen?—Neen... ja... ik moet beneden thee schenken.—Dat zal Doeniasja wel doen, als jij er niet bent. Blijf nog wat bij een armen zieke. En ik wilde ook met je spreken.Fenitsjka ging zwijgend op den arm van een leunstoel zitten.—Ik wilde je al lang eens vragen, begon Paul en trok aan zijn snorharen, of je bang voor me bent, en waarom?—Wie, ik?—Ja, jij. Je kijkt me nooit recht in het gezicht. Je geweten schijnt niet heelemaal zuiver.Fenitsjka bloosde, maar keek hem aan. De uitdrukking van zijn gezicht was zoo vreemd, dat ze begon te beven.—Is je geweten zuiver? vroeg hij haar.—Waarom zou het niet zuiver zijn? vroeg ze zacht.—Ik weet het niet. Heb je hier iemand in huis te kort gedaan? Mij zeker niet. Iemand anders? Het lijkt me niet waarschijnlijk. Mijn broeder? Ook niet, want je houdt van hem...—Ja, ik houd van hem.—Van ganscher harte? Met lijf en ziel?—Ik heb Nikolaas Petrowitsj lief van ganscher harte.—Werkelijk? Kijk me eens aan, Fenitsjka (het was voor het eerst, dat hij haar zoo noemde). Je weet, dat liegen een groote zonde is...—Ik lieg niet, Paul Petrowitsj. Als ik niet van Nikolaas Petrowitsj hield, verdiende ik niet, dat ik leef.—En je zou hem voor niemand opgeven?—Voor wien zou ik dat doen?—Voor wien? Wie weet! Bij voorbeeld, de man, die ons onlangs verlaten heeft.Fenitsjka stond op.—In Gods naam, Paul Petrowitsj, waarom plaagt u me zoo? Wat heb ik u gedaan? Hoe kunt u zoo iets zeggen?—Fenitsjka, antwoordde Paul droevig,—ik heb alles gezien...—Wat hebt u gezien?—Daar in het prieel.Fenitsjka bloosde plotseling tot achter de ooren.—Kon ik daar wat aan doen? stotterde ze.Paul richtte zich op.—Voel je je in geen enkel opzicht schuldig?—Er is maar één man op de wereld, dien ik lief heb en zal lief hebben, dat is Nikolaas Petrowitsj, antwoordde ze met plotselinge heftigheid, ofschoon de tranen haar nog de stem verstikten,—en over wat u gezien hebt, hoef ik mij geen verwijten te doen, dat kan ik bezweren. Ik wil liever hier op de plaats dood blijven, dan verdacht worden, dat ik mijn weldoener zou bedrogen hebben.Haar stem werd weer zwak en zij voelde, dat Paul Petrowitsj haar hand nam en krachtig drukte.Ze keek hem aan en schrok heftig. Zijn gezicht was nog bleeker dan anders, in zijn oogen een zeldzame fonkeling en éen enkele dikke traan, die over zijn wangen rolde...—Fenitsjka, zei hij nauwelijks hoorbaar, heb mijn broer lief, heb hem lief. Hij is zoo goed en verdient het, dat je hem lief hebt. Geef hem niet voor niemand in de wereld en luister niet naar de mooie woorden van anderen. Niets is verschrikkelijker, dan onbeantwoorde liefde.Blijf hem trouw, mijn armen, goeden Nikolaas!Fenitsjka weende niet meer. Ze stond zoo verwonderd, dat ze ook niet bang meer was. Maar ze kon geen woord meer uitbrengen, toen Paul haar hand greep en tegen zijn oogen drukte, nog eens greep en krampachtig snikkend aan zijn lippen bracht... ...God, dacht ze, zou dat een aanval zijn...Ze vermoedde niet, dat het verleden op dit oogenblik pijnigend in hem openbrak, alles wat zijn hart geleden had, weer trilde en begon te bloeden.De traptreden kraakten onder vlugge voetstappen. Hij stootte haar van zich en legde zijn hoofd op het kussen.De deur ging open en Nikolaas trad binnen, opgewekt, het gezicht frisch en rood. Mitja, even frisch en rood als hij, danste op zijn arm en trapte met zijn bloote voetjes tegen de knoopen van zijn vaders jas.Fenitsjka ijlde hem tegemoet. Heftig omhelsde ze hem en haar kind en legde toen haar hoofd tegen zijn schouder. Nikolaas scheen verrast. Schuw en teruggetrokken als zij was, veroorloofde Fenitsjka zich nooit dergelijke ontboezemingen in tegenwoordigheid van derden.—Wat is er? vroeg hij, zag zijn broeder aan en gaf het kind aan de moeder over.—Je voelt je toch niet minder? vroeg hij zijn broer, en ging naar hem toe.Paul verborg het gezicht in zijn batisten zakdoek.—Neen, neen... integendeel... ik voel me veel beter...—Je had in bed moeten blijven, zei Nikolaas,—waar ga je heen? vroeg hij Fenitsjka, maar deze had de deur al achter zich dicht geslagen.—Ik kwam je mijn kleinen deugniet eens laten zien. Hij wilde zijn oom een bezoek brengen. Waarom heeft ze hem nu meegenomen? Maar wat heb je toch? Is er iets gebeurd tusschen jullie?—Broeder! begon Paul Petrowitsj op plechtigen toon.Nikolaas beefde. Een gevoel van doodelijken angst kwam over hem, waarvan hij zich geen rekenschap kon geven.—Broeder! herhaalde Paul. Beloof me, het verzoek, dat ik je doen zal, uit te voeren!—Wat wil je, Paul?—Iets zeer belangrijks. Je levensgeluk hangt ervan af. Ik heb den laatsten tijd dikwijls nagedacht over wat ik je nu ga zeggen. Broeder, doe je plicht, de plicht van een man van eer, en maak een einde aan de onbehoorlijke verhouding, waarin je leeft, jij vooral, de beste van alle menschen, broeder!—Wat beteekent dat Paul?—Trouw Fenitsjka... ze heeft je lief, ze is de moeder van je zoon.Kirsanof deed een stap achteruit en sloeg de handen in elkaar.—En jij geeft me dien raad, Paul, jij, die zulke huwelijken altijd gehaat hebt. Jij geeft me dien raad. Weet je wel, dat de eenige reden, waarom ik niet allang gedaan heb, wat ik als de heiligste plicht beschouw, eerbied voor jou was?!—Dan betreur ik het, dat je dien eerbied zoo ver gedreven hebt, antwoordde Paul met een droevigen glimlach.—Ik geloof, dat Bazarof gelijk had, mij een aristocraat te noemen. Ja broeder, het wordt tijd, dat we eens ophouden, te handelen met het oog op de wereld. Wij zijn oud en het leven heeft ons bescheiden gemaakt. Laten we al die dwaasheden afwerpen, laten we onzen plicht doen en dan is het niet onwaarschijnlijk, dat we het geluk dan op den koop toe krijgen!Kirsanof omarmde zijn broeder.—Je hebt me de oogen geopend, riep hij uit.—Ik heb je altijd beschouwd als een goed verstandig man. Ik zie nu dat je ook wijs en grootmoedig bent.—Stil, stil, antwoordde Paul Petrotwitsj.—pas op voor het been van je grootmoedigen broeder, die met zijn vijftig jaar nog geduelleerd heeft als een tweede luitenant. Dus afgesproken. Fenitsjka wordt mijnbelle-soeur!—Paul, Paul... wat zal Arkadiej zeggen?—Arkadiej zal gelukkig zijn, wees daar zeker van. Het huwelijk is wel tegen zijn principes, maar zijn gelijkheidsgevoel zal gevleid worden. En wat beteekenen al die verschillen ook, die standen in de negentiende eeuw!—Och Paul, laat mij je nog eens omhelzen, wees maar niet bang, ik zal je been niet bezeeren!De broeders omhelsden elkaar.—Zullen we haar je besluit dadelijk meedeelen? vroeg Paul Petrowitsj.—Waarom zoo een haast? Heb je hierover gesproken?—Gesproken?Quelle idée!—Des te beter. Eerst gezond worden. Het loopt zoo een vaart niet. Eerst rijpelijk overleggen...—Maar je bent toch besloten?—Zeker, en ik dank je, dat jij me zoover hebt gebracht. Ik laat je nu alleen. Je moet gaan liggen. Al die opwinding zal je geen goed doen. We spreken er nog over. Probeer nu te slapen, en dan word je gauw weer gezond...Waarom die dank? dacht Paul, toen hij alleen was... het hangt toch alleen van hem af. En als hij getrouwd is, ga ik hier vandaan, naar Dresden of Florence en daar leven, tot ik krepeer...Paul sprenkelde eau de cologne op zijn voorhoofd en sloot de oogen. In het helle daglicht, dat de kamer binnenviel, leek zijn fijn, mager gezicht op het gipsen afgietsel naar een doode.En hij was ook werkelijk een doode...
XXIII.Twee uur later werd er aan Bazarofs deur geklopt.—Neemt u me niet kwalijk, als ik u stoor in uw geleerde overpeinzingen, zei Paul Petrowitsj, nam plaats in een stoel bij het venster en hield de beide handen geleund op een eleganten wandelstok met knop van elpenbeen (meestal liep hij zonder stok),—maar ik acht mij verplicht, u vijf minuten van uw tijd te vragen, niet meer.—Ik sta geheel ter beschikking, antwoordde Bazarof, niet zonder een lichte trekking over zijn gezicht, toen hij Paul zijn drempel zag overschrijden.—Vijf minuten zal voldoende zijn. Ik ben gekomen, om u iets te vragen.—Een vraag? En die is?—Luistert u eens. Toen u hier pas was, toen ik mij nog niet het genoegen van uw gesprekken ontzegde, was het mij vergund, uw meening over allerlei dingen te leeren kennen. Maar voor zoover ik mij kan herinneren, hebt u nooit gezegd, hoe u over het duel denkt, het duel in ’t algemeen. Zou ik u dat eens mogen vragen?Bazarof, die zich van zijn werk had opgericht, om Paul aan te hooren, ging op den tafelrand zitten en sloeg de armen over elkaar.—Mijn meening is deze, antwoordde hij, van theoretisch standpunt beschouwd is het duel een ouderwetsche dwaasheid, practisch schijnt het me een andere kwestie!—Als ik u goed begrijp, wilt u zeggen, dat u in de praktijk uw theoretische opvatting overhet duel ter zijde schuift en niet zult dulden, dat men u beleedigt, zonder daar genoegdoening voor te verlangen.—U heb mijn gedachten volkomen goed begrepen.—Zeer juist. Het verheugt me bizonder te vernemen, dat u de zaak aldus opvat. Dat maakt een einde aan mijn niet-weten...—Uw onzeker-zijn, wilt u zeggen...—Dat is hetzelfde, mijnheer. Ik wensch mij alleen zoo duidelijk mogelijk uit te drukken. Ik ben geen student meer. Uw woorden maken een zekere droevige noodzakelijkheid overbodig. Ik ben van plan met u te duelleeren.Bazarof sperde zijn oogen open.—Met mij?—Ja, met u persoonlijk.—Op welken grond? Ik begrijp u niet.—Ik zou u dat wel kunnen verklaren, antwoordde Paul, maar ik verkies het niet te doen. Ik vind, dat u hier te veel bent. Ik haat u, Ik veracht u, en als u dat nog niet genoeg is...Pauls oogen fonkelden van woede. Ook Bazarofs blik schoot vonken.—Zeer wel, antwoordde Bazarof, ieder verdere verklaring is overbodig. U bent in een stemming, den gloed van uw adellijken toorn op mij uit te laten. Ik had kunnen weigeren, u dit genoegen te verschaffen. Maar ik gun het u.—Ik ben u zeer verplicht, antwoordde Paul, ik hoop dus, dat u mijn uitdaging aanneemt, zonder gedwongen te worden.—U bedoelt: met dien stok? zei Bazarofkoel,—u hebt volkomen gelijk, u kunt die moeite sparen, te meer, aangezien dat waarschijnlijk niet volkomen zonder gevaar voor u zou zijn. Indien u voortgaat, u als gentleman te gedragen, zal ik van mijn kant de uitdaging als gentleman aannemen.—Goed, zei, Paul en zette zijn stok in een hoek,—we hebben dus alleen nog de voorwaarden vast te stellen. Maar ik zou u eerst willen vragen, of u het noodig vindt, een voorwendsel te zoeken tegenover de anderen?—Neen dat schijnt me volkomen overbodig.—Zoo denk ik er ook over. Ook geloof ik, dat het geen nut heeft, de ware oorzaak tot dezen tweekamp te onderzoeken. We houden niet van elkaar, dat is alles.—Zeer juist, dat is alles, meer is niet noodig, herhaalde Bazarof ironisch.—Wat de voorwaarden betreft... aangezien we geen getuigen hebben, hoe zouden we aan getuigen komen?—Zeer juist, hoe zouden we aan getuigen komen?—Ik veroorloof mij dus, u het volgende te proponeeren. Morgen ochtend zes uur zullen wij vechten, met revolvers, in het bosch, tien pas afstand.—Op tien pas, goed. We haten elkaar zoo heftig, dat we niet dichter bij kunnen.—Op acht pas, als u wilt.—Waarom niet? Gaarne.—Wij lossen twee schoten en ter meerdere veiligheid zal ieder van ons een brief bij zich hebben, waarin verklaard wordt, dat in geval van dood, men zelf de schuldige is.—Deze laatste clausule schijnt mij niet juist, antwoordde Bazarof.—Dat is te onwaarschijnlijk. Het zou een beetje op een franschen roman gaan lijken.—Misschien hebt u gelijk. Maar u zult toegeven, dat het onaangenaam is, voor een moordenaar gehouden te worden.—Zeer zeker. Maar er is een middel, zich voor die pijnlijke verdenking te vrijwaren. We zullen geen getuigen hebben in den eigenlijken zin des woords. Maar iemand kan toch wel als toevallig, bij ons duel aanwezig zijn.—Wien zoudt u daartoe kiezen?—Peter bij voorbeeld.—Welke Peter?—De kamerdienaar van uw broeder. Dat is een man, volkomen op de hoogte der moderne beschaving, die zijn rol spelen zal geheel en alcomme il faut.—Ik geloof, dat u grapjes maakt, waarde heer?—In geenen deele, mijnheer. Denkt u eens aan mijn plan en u zult zien, dat het verstandig en van zelfsprekend is. Ik zal het op mij nemen, Peter voor te bereiden en hem meebrengen op de plaats des strijds.—U gelieft nog altijd te schertsen, zei Paul en stond op.—Maar na de beminnelijke voorkomendheid, die ge zooeven toonde, mag ik u dat niet kwalijk nemen. Het is dus afgesproken... hebt u revolvers?—Hoe zou ik daaraan komen, Paul Petrowitsj? Ik ben geen krijgsman.—Dan bied ik u de mijne aan. Ik heb meer dan vijf jaar geen gebruik van dit wapen gemaakt en u kunt me gelooven.—Deze verzekering stelt me gerust.Paul nam zijn stok.—En nu, waarde heer, moet ik u alleen nog danken en laat u alleen met uw studies. Ik heb de eer, u te groeten.—Tot ziens, antwoordde Bazarof en geleidde zijn gast tot de deur. Paul ging, Bazarof bleef aan de deur staan en riep uit:—Alle duivels! Dat is heel fraai, maar idioot! Wat een comedie hebben we daar gespeeld! De honden, die op hun achterpooten gaan staan, doen het niet beter. Ik had niet kunnen weigeren. Dan had hij me geslagen en dan... Bazarof verbleekte bij die gedachte, die zijn trots in opstand bracht... ik had niet anders kunnen doen, dan hem te worgen als een kat.Hij keerde naar zijn microscoop terug, maar hij was opgewonden en de noodige rust ontbrak.... Hij heeft ons gezien, dacht hij, maar zou hij zich dat zoo aantrekken ter wille van zijn broer?... En dan een kus! Wat steekt daar achter?... Zou hij zelf verliefd zijn?... Dat moet!... Daar geef ik wat voor!... Wat een modderpoel allemaal!... Maar ondertusschen... een mooie geschiedenis... eerst je leven op het spel zetten en dan vluchten misschien... dan... Arkadiej... en die stommeling van een vader!... Beroerde geschiedenis...De dag verging nog stiller dan gewoonlijk. En Fenitsjka scheen wel uit de wereld weg, als eenmuisje in haar hol bleef ze in haar kamer. Nicolaas liep bezorgd rond, angstig, men had hem meegedeeld, dat zijn tarwe, waar al zijn hoop op gevestigd was, aan het broeien was. Pauls ijzige hoffelijkheid drukte op ieder, zelfs op Prokofitsj. Bazarof begon een brief aan zijn vader, verscheurde hem weer....ze zullen het wel hooren, als ik dood ga, dacht hij,... maar ik zal niet dood gaan, ik zal nog wel heel lang op de aarde rondkruipen...Hij vroeg Peter, den volgenden morgen met het aanbreken van den dag bij hem te komen voor een belangrijke zaak. Peter verbeeldde zich, dat hij mee zou genomen worden naar Petersburg, Bazarof ging laat naar bed en vreemde droomen kwelden hem... mevrouw Odintsof verscheen telkens, zij was tegelijk zijn moeder. Een kat met zwarte snorharen liep achter haar aan en dat katje was Fenitsjka. Hij zag Paul in de gedaante van een boomstam, maar moest toch met hem vechten...Peter wekte hem tegen vier uur. Hij kleedde zich en verliet met hem het huis.De morgen was heerlijk en koeler dan de vorige dagen. Bonte wolkjes vlokten langs den bleek blauwen hemel. Het loof der boomen was bedauwd, spinnewebben flonkerden in zilveren draden op het gras. Nog een glans van het eerste morgenrood lag gespreid over de velden en de leeuweriken zongen rondom—omhoog.Bazarof ging naar het bosch, zette zich in de schaduw en deelde Peter mee, wat er van hem werd verlangd. De ontwikkelde kamerdienaarwerd vaal-bleek als een doode. Bazarof trachtte hem gerust te stellen door de verzekering, dat hij niets te doen had, als op een afstand toe te kijken. Zonder eenige verantwoordelijkheid.—Denk intusschen over je gewichtige rol na, voegde Bazarof er bij.Peter wrong krampachtig zijn handen, liet het hoofd hangen en begon, groen van angst, tegen een boom te leunen.De straatweg naar Marjino liep langs een bosch. Het stof scheen sedert den vorigen dag nog door niemand betreden. Bazarof keek onwillekeurig den weg af, plukte een grashalm en kouwde erop, en fluisterde: Wat een onzin...Hij huiverde eenige malen in den koelen morgen.Peter keek hem aan met wanhoop in zijn oogen, maar Bazarof glimlachte. Hij voelde geen angst.Paardenhoeven weerklonken. Een boer verscheen. Hij kwam uit het dorp en voerde twee paarden, die aan elkander gebonden waren. Toen hij langs Bazarof kwam, keek hij hem verwonderd aan, zonder naar zijn pet te grijpen. Dit scheen Peter een slecht voorteeken en verontrustte hem....die kerel is ook vroeg opgestaan, dacht Bazarof, maar doet ten minste wat nuttigers...—Ik geloof, dat mijnheer er aan komt, fluisterde Peter opeens.Bazarof keek op en herkende Paul, die haastig de straat af kwam, in een geruit colbert met witte broek gekleed. Hij droeg een kistje in een groenen doek onder den arm.—Neemt u me niet kwalijk, ik vrees, dat iku heb laten wachten, zei hij, Bazarof en daarop Peter groetend, die hij als een soort sekondant scheen te beschouwen,—ik wilde mijn bediende niet wekken.—Goed, goed, antwoordde Bazarof,—wij komen ook pas.—Des te beter.Paul keek om zich heen.—Niemand ziet ons hier. We zullen niet gestoord worden. Zullen we?...—Met genoegen.—Ik veronderstel, dat u geen nadere verklaringen wenscht?—Volstrekt niet.—Zoudt u willen laden? vroeg Paul en nam de revolvers uit het etui.—Neen, doet u dat zelf. Ik zal den afstand opnemen. Ik heb langere beenen, zei Bazarof met een venijnig lachje,—éen—twee—drie...—Jevgenij Wassiljewitsj, stotterde Peter moeilijk, en sidderde als een lindeblad,—doe wat u wilt, ik zal op een afstand gaan...—Vier—vijf—trek jij je terug, dappere, trek je terug. Je kunt zelf achter een boom gaan staan en je ooren dichthouden, maar hou je oogen open. Als er éen van ons valt, hol dan naar hem toe, om hem te helpen—zes—zeven—acht.Bazarof bleef staan.—Genoeg zoo? vroeg hij tot Paul gekeerd,—of wilt u nog twee kleine pasjes?—Zooals u wilt, antwoordde deze en deed de tweede kogel in den loop.—Dan nog twee passen!Bazarof trok een streep in het zand met zijn schoen.—Dit is de barrière. Maar, dat is waar, we hebben niet afgesproken, hoever we ons van den eindstreep zouden opstellen. Dit gewichtige punt hebben we gisteren niet overwogen.—Tien pas, vind ik, antwoordde Paul en hield hem de revolvers voor,—wilt u mij het genoegen doen te kiezen?—Dat genoegen zal ik niet weigeren, maar u moet toegeven, dat dit duel op het belachelijke af eigenaardig is. Kijkt u eens het gezicht van onzen sekondant!—U schertst nog altijd, antwoordde Paul, ik geef toe, dat deze ontmoeting nogal eigenaardig is. Maar ik moet u doen opmerken, dat ik van plan ben, ernstig te duelleeren. A bon entendeur...! Salut!—O, ik betwijfel geen oogenblik, dat we van plan zijn elkaar overhoop te schieten. Maar waarom niet met een glimlach? Laat ons het utile met het dulce vereenigen. U ziet, als u fransch spreekt, antwoord ik latijn.—Ik vat het ernstig op, antwoordde Paul en ging op zijn plaats.Bazarof telde eveneens tien pas af en bleef staan.—Bent u gereed? vroeg Paul.—Ja.—Vooruit dan.Bazarof ging langzaam naar voren, Paul eveneens. Hij had de linker hand in den zak en richtte langzaam zijn revolver... hij mikt precies op mijn neus, dacht Bazarof,... hij knijpt zijn eene oog dicht, om goed te schieten, de bandiet!...geen pleizierig gevoel eigenlijk. Ik zal op zijn horlogeketting mikken...Er vloog iets fluitend langs Bazarofs oor en op hetzelfde oogenblik weerklonk een knal... ik heb het gehoord, dus heb ik niets, kon hij denken. Hij deed nog een pas en drukte af, zonder te mikken.Paul maakte een beweging en voelde naar zijn been. Een straal bloed kleurde de witte broek.Bazarof gooide zijn revolver weg en liep op hem toe.—Bent u gewond? vroeg hij.—U had het recht, mij tot aan de streep te laten voortgaan, antwoordde Paul,—de wond heeft niets te beteekenen. Volgens onze afspraak, hebben wij nog een schot.—U moet mij toestaan, het partijtje tot een volgend maal uit te stellen, antwoordde Bazarof en nam Paul in zijn arm, Paul begon bleek te worden,—ik ben op het oogenblik niet langer tegenpartij, maar geneesheer. Ik moet vóór alles de wond onderzoeken. Peter! Peter, waar zit je?—Het is niets... ik heb geen hulp noodig, antwoordde Paul, maar het spreken begon hem moeilijk te vallen,—... en wij moeten... nog eens...Hij wilde zijn snor opstrijken, maar zijn arm viel slap neer, zijn oogen werden blind en hij viel in onmacht.—Dat is sterk, bewusteloos om zoo’n kleinigheid! zei Bazarof onwillekeurig en strekte Paul op den grond uit,—eens kijken, wat het is.Hij nam zijn zakdoek, stelpte het bloed enonderzocht de wondranden. Het been is niet geraakt, de kogel is niet diep ingedrongen, alleen de vastus externus is beleedigd. Over drie weken, kan hij weer dansen, als hij wil. De moeite waard, daarvoor bewusteloos te worden. Die nerveuze heeren ook. Wat heeft hij een teere huid!—Is de heer dood? vroeg Peter fluisterend en bevend.—Ga maar gauw water halen, antwoordde Bazarof en wendde zich om, je heer leeft langer dan jij en ik.Maar de dienaar, scheen niet te begrijpen en bleef onbewegelijk staan. Intusschen sloeg Paul de oogen weer op.—Hij geeft den geest! zei Peter en sloeg een kruis.—...U hebt gelijk, wat een belachelijk gezicht, zei de gewonde met een zwak lachje.—Haal water, domoor! riep Bazarof.—Het is niet noodig... de duizeling is voorbij... helpt u me even op... zoo... zoo... als men het schampschot verbindt, kan ik te voet naar huis, of er kan ook een rijtuig gehaald worden. We kunnen het hierbij laten, als u wilt. U hebt u gedragen als man van eer... Vandaag, wel te verstaan.—We behoeven niet terug te komen op wat voorbij is, en wat de toekomst betreft, stel u gerust, ik zal zoo gauw mogelijk maken, dat ik wegkom. Maar laat me eerst uw been verbinden, de wond is licht, maar het is toch beter het bloed te stillen. Maar eerst moet ik in dezen sterveling de zekerheid van zijn bestaan terugroepen.Bazarof pakte Peter bij zijn kraag, schudde hem heftig heen en weer en gelastte hem een rijtuig te halen.—Breng mijn broer niet aan het schrikken, zei Paul, en pas op, dat je geen woord zegt.Peter maakte, dat hij wegkwam en intusschen bleven de twee tegenstanders zonder te spreken, bij elkander zitten. Paul vermeed het, Bazarof aan te zien. Hij wilde zich niet met hem verzoenen. Hij verweet zich bijna gebrek aan zelfbeheersching, zijn onhandigheid, zijn heele optreden in deze zaak, en voelde zeer wel, dat zij op de gunstigst mogelijke manier was bijgelegd.Hij zal ons van zijn tegenwoordigheid verlossen, dacht hij, daarmee is tenminste iets gewonnen.Het wederzijdsche zwijgen begon onaangenaam te worden. Zij wisten beiden, dat zij elkanders gedachten kenden. Die zekerheid is aangenaam voor vrienden, maar voor vijanden allerpijnlijkst, vooral wanneer ze tot geen verklaring komen, noch elkaar kunnen verlaten.—Heb ik uw been niet te stijf verbonden? vroeg Bazarof.—Neen, volstrekt niet. Het is heel goed zoo, antwoordde Paul Petrowitsj en na eenige oogenblikken:—Het zal niet mogelijk zijn, mijn broeder om den tuin te leiden. Ik zal hem zeggen, dat we over een politieke kwestie woorden hebben gekregen.—Heel goed, antwoordde Bazarof, u kunt zeggen, dat ik in uw bijzijn alle Anglomanen beleedigd heb.—Juist. Apropos, wat dunkt u, dat deze man van ons zeggen zal? ging Paul Petrowitsj voort, toen dezelfde boer, die vóór het duel met zijn paarden voorbij gekomen was, weer langs kwam en nu groette op het zien van de heeren.—Wie weet? antwoordde Bazarof, waarschijnlijk niets. De Russische boer lijkt op dat geheimzinnig-onbekende, waarvan Anna Radcliffe in haar boeken spreekt. Niemand kent hem. En hij zich zelf het minst.—Denkt u? vroeg Paul Petrowitsj, maar plotseling riep hij:—Kijk nu die stomheid van uw Peter! Daar komt hij nu aan met mijn broer!Bazarof keerde zich om en ontwaarde het bleeke gezicht van Nikolaas in het rijtuig. Hij sprong eruit, eer het stilstond en liep op zijn broeder toe.—Wat beteekent dat? vroeg hij ontdaan.—JevgenijWassiljewits, hoe is dat mogelijk?—Het is niets, antwoordde Paul,—het was verkeerd, je te storen. Wij hebben toegegeven aan een opwelling, van het oogenblik, en ik werd een klein beetje gestraft, dat is alles.—Maar de oorzaak om Gods wil!...—Hoe zal ik zeggen? Mijnheer Bazarof sprak in mijn tegenwoordigheid onbehoorlijk over Sir Robert Peel. Maar ik moet er dadelijk bij voegen, dat het allemaal mijn schuld was en dat de heer Bazarof zich uiterst correct heeft gedragen. Ik heb hem uitgedaagd.—Ik zie bloed.—Dacht je dan dat ik water in mijn aderen had? Ik verzeker je, dat die kleine aderlating meheel goed zal doen. Is het niet, dokter? Help me in het rijtuig en haal je geen muizenissen in het hoofd. Morgen ben ik weer hersteld. Ja, ik heb me zelden zoo goed gevoeld en zoo opgeruimd. Vooruit koetsier!Nikolaas volgde te voet. Bazarof was achtergebleven.—Ik verzoek u, mijn broeder in behandeling te nemen, zei Nikolaas totdat we een geneesheer uit de stad hebben.Bazarof boog zwijgend het hoofd.Een uur later lag Paul Petrowitsj in bed en zijn been was volgens de regelen der kunst verbonden. Het heele huis was inopschudding. Fenitsjka was ziek geworden. Nikolaas was wanhopig en Paul praatte en lachte, vooral met Bazarof. Hij had een batisten hemd en een morgenjasje aan en een fez opgezet. Hij wilde de gordijnen niet dicht hebben en klaagde schertsend over den dieët, dien hij zou moeten houden.Tegen den avond kwam er wat koorts en hij kreeg hoofdpijn. Er verscheen een geneesheer uit de stad. Nikolaas had niet gelet op het verlangen van zijn broeder en Bazarof zelf had er opgestaan, dat er een collega geroepen zou worden. Hij was intusschen op zijn kamer gebleven, zag er geel-bleek en gejaagd uit en bracht den zieke alleen nu en dan een kort bezoek. Eenige malen ontmoette hij Fenitsjka, die hem met zekeren angst uit den weg ging.De stadsdokter schreef verkoelende dranken voor en bevestigde de verklaring van Bazarof,dat de wond niets te beteekenen had. Nikolaas vertelde, dat zijn broeder zich uit onvoorzichtigheid zelf had verwond, waarop de dokter met een hm antwoordde; maar toen hij op hetzelfde oogenblik een bankbiljet van vijf en twintig roebel in zijn hand voelde zei hij:—Ja dat gebeurt zoo vaak.In het geheele huis ging niemand naar bed.Nikolaas sloop telkens op zijn teenen naar de ziekenkamer en verdween weer op dezelfde wijze. De gewonde sliep soms in, zuchtte zacht, zei tegen zijn broeder:Couchez-vousen wilde dan drinken. Kirsanof liet Fenitsjka eenmaal een glas limonade brengen. Paul keek haar strak aan en dronk het glas leeg.Tegen den morgen nam de koorts toe en de zieke begon te ijlen. Hij sprak zinlooze woorden, opende dan plotseling de oogen en toen hij zijn broeder bij het bed zag zitten, bezorgd over hem gebogen, vroeg hij:—Is het niet, Nikolaas, lijkt Fenitsjka niet op Nelly?—Welke Nelly bedoel je?—Hoe kan je dat nu vragen? Vorstin R...! Vooral de bovenzij van het gezicht.C’est de la même famille.Nikolaas antwoordde niet, maar was diep verwonderd over de levenskracht der menschelijke gevoelens... zoo iets komt toch altijd weer terug, dacht hij.—Ik houd zoo van dat eenvoudige kind, zoo eenvoudig... klaagde Paul en legde een arm onder het hoofd.—...ik zal nooit dulden, dat een vlegel haar aanraakt...Nikolaas zuchtte. Hij begreep niet, op wien die woorden sloegen.Den volgenden morgen kwam Bazarof bij hem. Hij had zijn bagage gepakt en zijn kikvorschen, vogels en insekten in vrijheid gesteld.—U komt afscheid nemen, zei Nikolaas en stond op.—Ja.—Ik begrijp en geef u volkomen gelijk. Mijn arme broeder heeft zeker ongelijk gehad en hij is dan ook gestraft. Ik weet het van hem zelf, dat hij u gedwongen heeft, zoo te handelen, als u gedaan hebt, u hadt dit duel niet kunnen vermijden. Het heeft min of meer zijn grond in het diepgaande verschil van uw beider levensbeschouwing. (Nikolaas Petrowitsj begon minder duidelijk en minder logisch te praten, hij ademde zwaar). Mijn broeder is prikkelbaar, houdt vast aan oude ideeën... ik dank God, dat alles nog zoo is afgeloopen. Overigens heb ik alles gedaan, om te zorgen, dat er niet gesproken wordt over die zaak.—Ik zal u mijn adres geven, en als men er toch wat van wil maken, dan kunt u mij altijd vinden, zei Bazarof.—Ik hoop, dat dit niet noodig zal zijn, Jevgenij Wassiljewitsj. Ik betreur het ten zeerste, dat uw verblijf in ons huis, zoo een einde... Ik betreur het des te meer, omdat Arkadiej...—Dien zal ik wel zien, viel Bazarof in de rede. Hij hield niet van dergelijke verklaringen en verontschuldigingen.—In ieder geval verzoekik u, hem van mij te groeten en hem mijn leedwezen uit te drukken.—En ook ik verzoek u...Maar Bazarof wachtte niet op de rest en ging.Toen Paul hoorde, dat Bazarof op het punt stond te vertrekken, uitte hij den wensch, hem nog te zien. Hij gaf hem een hand, maar Bazarof bleef als gewoonlijk koel. Hij merkte wel, dat Paul den edelmoedige wilde spelen.Van Fenitsjka was het hem niet mogelijk afscheid te nemen. Hij keek alleen nog eens naar het venster, waar zij zat. Ze scheen treurig... misschien gaat die wel te gronde... dacht hij... maar waarom zou ze niet...Peter was zoo onder den indruk, dat hij aan Bazarofs schouder bleef staan schreien, tot deze hem vroeg, of zijn oogen nooit uitgeput zouden raken? Doeniasja moest den tuin in vluchten, om haar verdriet te verbergen. Maar de oorzaak van al dit verdriet nam plaats in een klein rijtuigje, stak een sigaar op en toen hij op vier werst afstand bij een kromming van den weg het huis der Kirsanofs voor het laatst zag liggen, spuwde hij op den weg, knarstandde:—Verdomde landjonkers!en hulde zich in zijn mantel.De toestand van Paul Petrowitsj verbeterde met den dag. Toch bleef hij nog een week te bed. Hij droeg zijn gevangenschap, zooals hij dat noemde, geduldig, besteedde een groot gedeelte van den tijd aan zijn toilet en liet voortdurend met eau de cologne sprenkelen.Nikolaas las hem de couranten voor en Fenitsjka bediende hem, zooals gewoonlijk met bouillon, zachte eieren, thee; maar ze kon zijn kamer niet binnentreden zonder een innerlijken schrik.Iedereen in huis was overstuur door de jeugdige dwaasheid van Paul Petrowitsj. Alleen Prokofitsj sprak erover met groote gelatenheid en gemoedsrust. In zijn tijd hadden de heeren zoo dikwijls gevochten, zei hij, maar altijd onder elkaar en nooit met zulke ploerten, als die... Zulke individuen liet men in den stal afranselen, als ze onbeschaamd werden.Fenitsjka had geen gewetenswroeging. Maar rustig was ze toch niet, vooral als ze soms iets van de ware oorzaak begon te vermoeden. En dan kon Paul Petrowitsj haar zoo vreemd aanzien... ze voelde dien blik nog, als ze hem den rug toekeerde. Tengevolge van deze onrust, werd ze magerder en, zooals dat meestal is bij vrouwen van haar leeftijd, nog mooier.Op een morgen had Paul, die zich beter voelde, het bed verlaten en was op de sofa gaan liggen. Nikolaas kwam vragen, hoe hij geslapen had en ging vervolgens naar het dorschen kijken.Fenitsjka bracht de thee, die ze bij hem neerzette. Toen ze weg wilde gaan, hield Paul haar tegen:—Waarom wil je zoo dadelijk weer weg, Fedosia Nikolajevna? vroeg hij haar,—heb je iets te doen?—Neen... ja... ik moet beneden thee schenken.—Dat zal Doeniasja wel doen, als jij er niet bent. Blijf nog wat bij een armen zieke. En ik wilde ook met je spreken.Fenitsjka ging zwijgend op den arm van een leunstoel zitten.—Ik wilde je al lang eens vragen, begon Paul en trok aan zijn snorharen, of je bang voor me bent, en waarom?—Wie, ik?—Ja, jij. Je kijkt me nooit recht in het gezicht. Je geweten schijnt niet heelemaal zuiver.Fenitsjka bloosde, maar keek hem aan. De uitdrukking van zijn gezicht was zoo vreemd, dat ze begon te beven.—Is je geweten zuiver? vroeg hij haar.—Waarom zou het niet zuiver zijn? vroeg ze zacht.—Ik weet het niet. Heb je hier iemand in huis te kort gedaan? Mij zeker niet. Iemand anders? Het lijkt me niet waarschijnlijk. Mijn broeder? Ook niet, want je houdt van hem...—Ja, ik houd van hem.—Van ganscher harte? Met lijf en ziel?—Ik heb Nikolaas Petrowitsj lief van ganscher harte.—Werkelijk? Kijk me eens aan, Fenitsjka (het was voor het eerst, dat hij haar zoo noemde). Je weet, dat liegen een groote zonde is...—Ik lieg niet, Paul Petrowitsj. Als ik niet van Nikolaas Petrowitsj hield, verdiende ik niet, dat ik leef.—En je zou hem voor niemand opgeven?—Voor wien zou ik dat doen?—Voor wien? Wie weet! Bij voorbeeld, de man, die ons onlangs verlaten heeft.Fenitsjka stond op.—In Gods naam, Paul Petrowitsj, waarom plaagt u me zoo? Wat heb ik u gedaan? Hoe kunt u zoo iets zeggen?—Fenitsjka, antwoordde Paul droevig,—ik heb alles gezien...—Wat hebt u gezien?—Daar in het prieel.Fenitsjka bloosde plotseling tot achter de ooren.—Kon ik daar wat aan doen? stotterde ze.Paul richtte zich op.—Voel je je in geen enkel opzicht schuldig?—Er is maar één man op de wereld, dien ik lief heb en zal lief hebben, dat is Nikolaas Petrowitsj, antwoordde ze met plotselinge heftigheid, ofschoon de tranen haar nog de stem verstikten,—en over wat u gezien hebt, hoef ik mij geen verwijten te doen, dat kan ik bezweren. Ik wil liever hier op de plaats dood blijven, dan verdacht worden, dat ik mijn weldoener zou bedrogen hebben.Haar stem werd weer zwak en zij voelde, dat Paul Petrowitsj haar hand nam en krachtig drukte.Ze keek hem aan en schrok heftig. Zijn gezicht was nog bleeker dan anders, in zijn oogen een zeldzame fonkeling en éen enkele dikke traan, die over zijn wangen rolde...—Fenitsjka, zei hij nauwelijks hoorbaar, heb mijn broer lief, heb hem lief. Hij is zoo goed en verdient het, dat je hem lief hebt. Geef hem niet voor niemand in de wereld en luister niet naar de mooie woorden van anderen. Niets is verschrikkelijker, dan onbeantwoorde liefde.Blijf hem trouw, mijn armen, goeden Nikolaas!Fenitsjka weende niet meer. Ze stond zoo verwonderd, dat ze ook niet bang meer was. Maar ze kon geen woord meer uitbrengen, toen Paul haar hand greep en tegen zijn oogen drukte, nog eens greep en krampachtig snikkend aan zijn lippen bracht... ...God, dacht ze, zou dat een aanval zijn...Ze vermoedde niet, dat het verleden op dit oogenblik pijnigend in hem openbrak, alles wat zijn hart geleden had, weer trilde en begon te bloeden.De traptreden kraakten onder vlugge voetstappen. Hij stootte haar van zich en legde zijn hoofd op het kussen.De deur ging open en Nikolaas trad binnen, opgewekt, het gezicht frisch en rood. Mitja, even frisch en rood als hij, danste op zijn arm en trapte met zijn bloote voetjes tegen de knoopen van zijn vaders jas.Fenitsjka ijlde hem tegemoet. Heftig omhelsde ze hem en haar kind en legde toen haar hoofd tegen zijn schouder. Nikolaas scheen verrast. Schuw en teruggetrokken als zij was, veroorloofde Fenitsjka zich nooit dergelijke ontboezemingen in tegenwoordigheid van derden.—Wat is er? vroeg hij, zag zijn broeder aan en gaf het kind aan de moeder over.—Je voelt je toch niet minder? vroeg hij zijn broer, en ging naar hem toe.Paul verborg het gezicht in zijn batisten zakdoek.—Neen, neen... integendeel... ik voel me veel beter...—Je had in bed moeten blijven, zei Nikolaas,—waar ga je heen? vroeg hij Fenitsjka, maar deze had de deur al achter zich dicht geslagen.—Ik kwam je mijn kleinen deugniet eens laten zien. Hij wilde zijn oom een bezoek brengen. Waarom heeft ze hem nu meegenomen? Maar wat heb je toch? Is er iets gebeurd tusschen jullie?—Broeder! begon Paul Petrowitsj op plechtigen toon.Nikolaas beefde. Een gevoel van doodelijken angst kwam over hem, waarvan hij zich geen rekenschap kon geven.—Broeder! herhaalde Paul. Beloof me, het verzoek, dat ik je doen zal, uit te voeren!—Wat wil je, Paul?—Iets zeer belangrijks. Je levensgeluk hangt ervan af. Ik heb den laatsten tijd dikwijls nagedacht over wat ik je nu ga zeggen. Broeder, doe je plicht, de plicht van een man van eer, en maak een einde aan de onbehoorlijke verhouding, waarin je leeft, jij vooral, de beste van alle menschen, broeder!—Wat beteekent dat Paul?—Trouw Fenitsjka... ze heeft je lief, ze is de moeder van je zoon.Kirsanof deed een stap achteruit en sloeg de handen in elkaar.—En jij geeft me dien raad, Paul, jij, die zulke huwelijken altijd gehaat hebt. Jij geeft me dien raad. Weet je wel, dat de eenige reden, waarom ik niet allang gedaan heb, wat ik als de heiligste plicht beschouw, eerbied voor jou was?!—Dan betreur ik het, dat je dien eerbied zoo ver gedreven hebt, antwoordde Paul met een droevigen glimlach.—Ik geloof, dat Bazarof gelijk had, mij een aristocraat te noemen. Ja broeder, het wordt tijd, dat we eens ophouden, te handelen met het oog op de wereld. Wij zijn oud en het leven heeft ons bescheiden gemaakt. Laten we al die dwaasheden afwerpen, laten we onzen plicht doen en dan is het niet onwaarschijnlijk, dat we het geluk dan op den koop toe krijgen!Kirsanof omarmde zijn broeder.—Je hebt me de oogen geopend, riep hij uit.—Ik heb je altijd beschouwd als een goed verstandig man. Ik zie nu dat je ook wijs en grootmoedig bent.—Stil, stil, antwoordde Paul Petrotwitsj.—pas op voor het been van je grootmoedigen broeder, die met zijn vijftig jaar nog geduelleerd heeft als een tweede luitenant. Dus afgesproken. Fenitsjka wordt mijnbelle-soeur!—Paul, Paul... wat zal Arkadiej zeggen?—Arkadiej zal gelukkig zijn, wees daar zeker van. Het huwelijk is wel tegen zijn principes, maar zijn gelijkheidsgevoel zal gevleid worden. En wat beteekenen al die verschillen ook, die standen in de negentiende eeuw!—Och Paul, laat mij je nog eens omhelzen, wees maar niet bang, ik zal je been niet bezeeren!De broeders omhelsden elkaar.—Zullen we haar je besluit dadelijk meedeelen? vroeg Paul Petrowitsj.—Waarom zoo een haast? Heb je hierover gesproken?—Gesproken?Quelle idée!—Des te beter. Eerst gezond worden. Het loopt zoo een vaart niet. Eerst rijpelijk overleggen...—Maar je bent toch besloten?—Zeker, en ik dank je, dat jij me zoover hebt gebracht. Ik laat je nu alleen. Je moet gaan liggen. Al die opwinding zal je geen goed doen. We spreken er nog over. Probeer nu te slapen, en dan word je gauw weer gezond...Waarom die dank? dacht Paul, toen hij alleen was... het hangt toch alleen van hem af. En als hij getrouwd is, ga ik hier vandaan, naar Dresden of Florence en daar leven, tot ik krepeer...Paul sprenkelde eau de cologne op zijn voorhoofd en sloot de oogen. In het helle daglicht, dat de kamer binnenviel, leek zijn fijn, mager gezicht op het gipsen afgietsel naar een doode.En hij was ook werkelijk een doode...
XXIII.
Twee uur later werd er aan Bazarofs deur geklopt.—Neemt u me niet kwalijk, als ik u stoor in uw geleerde overpeinzingen, zei Paul Petrowitsj, nam plaats in een stoel bij het venster en hield de beide handen geleund op een eleganten wandelstok met knop van elpenbeen (meestal liep hij zonder stok),—maar ik acht mij verplicht, u vijf minuten van uw tijd te vragen, niet meer.—Ik sta geheel ter beschikking, antwoordde Bazarof, niet zonder een lichte trekking over zijn gezicht, toen hij Paul zijn drempel zag overschrijden.—Vijf minuten zal voldoende zijn. Ik ben gekomen, om u iets te vragen.—Een vraag? En die is?—Luistert u eens. Toen u hier pas was, toen ik mij nog niet het genoegen van uw gesprekken ontzegde, was het mij vergund, uw meening over allerlei dingen te leeren kennen. Maar voor zoover ik mij kan herinneren, hebt u nooit gezegd, hoe u over het duel denkt, het duel in ’t algemeen. Zou ik u dat eens mogen vragen?Bazarof, die zich van zijn werk had opgericht, om Paul aan te hooren, ging op den tafelrand zitten en sloeg de armen over elkaar.—Mijn meening is deze, antwoordde hij, van theoretisch standpunt beschouwd is het duel een ouderwetsche dwaasheid, practisch schijnt het me een andere kwestie!—Als ik u goed begrijp, wilt u zeggen, dat u in de praktijk uw theoretische opvatting overhet duel ter zijde schuift en niet zult dulden, dat men u beleedigt, zonder daar genoegdoening voor te verlangen.—U heb mijn gedachten volkomen goed begrepen.—Zeer juist. Het verheugt me bizonder te vernemen, dat u de zaak aldus opvat. Dat maakt een einde aan mijn niet-weten...—Uw onzeker-zijn, wilt u zeggen...—Dat is hetzelfde, mijnheer. Ik wensch mij alleen zoo duidelijk mogelijk uit te drukken. Ik ben geen student meer. Uw woorden maken een zekere droevige noodzakelijkheid overbodig. Ik ben van plan met u te duelleeren.Bazarof sperde zijn oogen open.—Met mij?—Ja, met u persoonlijk.—Op welken grond? Ik begrijp u niet.—Ik zou u dat wel kunnen verklaren, antwoordde Paul, maar ik verkies het niet te doen. Ik vind, dat u hier te veel bent. Ik haat u, Ik veracht u, en als u dat nog niet genoeg is...Pauls oogen fonkelden van woede. Ook Bazarofs blik schoot vonken.—Zeer wel, antwoordde Bazarof, ieder verdere verklaring is overbodig. U bent in een stemming, den gloed van uw adellijken toorn op mij uit te laten. Ik had kunnen weigeren, u dit genoegen te verschaffen. Maar ik gun het u.—Ik ben u zeer verplicht, antwoordde Paul, ik hoop dus, dat u mijn uitdaging aanneemt, zonder gedwongen te worden.—U bedoelt: met dien stok? zei Bazarofkoel,—u hebt volkomen gelijk, u kunt die moeite sparen, te meer, aangezien dat waarschijnlijk niet volkomen zonder gevaar voor u zou zijn. Indien u voortgaat, u als gentleman te gedragen, zal ik van mijn kant de uitdaging als gentleman aannemen.—Goed, zei, Paul en zette zijn stok in een hoek,—we hebben dus alleen nog de voorwaarden vast te stellen. Maar ik zou u eerst willen vragen, of u het noodig vindt, een voorwendsel te zoeken tegenover de anderen?—Neen dat schijnt me volkomen overbodig.—Zoo denk ik er ook over. Ook geloof ik, dat het geen nut heeft, de ware oorzaak tot dezen tweekamp te onderzoeken. We houden niet van elkaar, dat is alles.—Zeer juist, dat is alles, meer is niet noodig, herhaalde Bazarof ironisch.—Wat de voorwaarden betreft... aangezien we geen getuigen hebben, hoe zouden we aan getuigen komen?—Zeer juist, hoe zouden we aan getuigen komen?—Ik veroorloof mij dus, u het volgende te proponeeren. Morgen ochtend zes uur zullen wij vechten, met revolvers, in het bosch, tien pas afstand.—Op tien pas, goed. We haten elkaar zoo heftig, dat we niet dichter bij kunnen.—Op acht pas, als u wilt.—Waarom niet? Gaarne.—Wij lossen twee schoten en ter meerdere veiligheid zal ieder van ons een brief bij zich hebben, waarin verklaard wordt, dat in geval van dood, men zelf de schuldige is.—Deze laatste clausule schijnt mij niet juist, antwoordde Bazarof.—Dat is te onwaarschijnlijk. Het zou een beetje op een franschen roman gaan lijken.—Misschien hebt u gelijk. Maar u zult toegeven, dat het onaangenaam is, voor een moordenaar gehouden te worden.—Zeer zeker. Maar er is een middel, zich voor die pijnlijke verdenking te vrijwaren. We zullen geen getuigen hebben in den eigenlijken zin des woords. Maar iemand kan toch wel als toevallig, bij ons duel aanwezig zijn.—Wien zoudt u daartoe kiezen?—Peter bij voorbeeld.—Welke Peter?—De kamerdienaar van uw broeder. Dat is een man, volkomen op de hoogte der moderne beschaving, die zijn rol spelen zal geheel en alcomme il faut.—Ik geloof, dat u grapjes maakt, waarde heer?—In geenen deele, mijnheer. Denkt u eens aan mijn plan en u zult zien, dat het verstandig en van zelfsprekend is. Ik zal het op mij nemen, Peter voor te bereiden en hem meebrengen op de plaats des strijds.—U gelieft nog altijd te schertsen, zei Paul en stond op.—Maar na de beminnelijke voorkomendheid, die ge zooeven toonde, mag ik u dat niet kwalijk nemen. Het is dus afgesproken... hebt u revolvers?—Hoe zou ik daaraan komen, Paul Petrowitsj? Ik ben geen krijgsman.—Dan bied ik u de mijne aan. Ik heb meer dan vijf jaar geen gebruik van dit wapen gemaakt en u kunt me gelooven.—Deze verzekering stelt me gerust.Paul nam zijn stok.—En nu, waarde heer, moet ik u alleen nog danken en laat u alleen met uw studies. Ik heb de eer, u te groeten.—Tot ziens, antwoordde Bazarof en geleidde zijn gast tot de deur. Paul ging, Bazarof bleef aan de deur staan en riep uit:—Alle duivels! Dat is heel fraai, maar idioot! Wat een comedie hebben we daar gespeeld! De honden, die op hun achterpooten gaan staan, doen het niet beter. Ik had niet kunnen weigeren. Dan had hij me geslagen en dan... Bazarof verbleekte bij die gedachte, die zijn trots in opstand bracht... ik had niet anders kunnen doen, dan hem te worgen als een kat.Hij keerde naar zijn microscoop terug, maar hij was opgewonden en de noodige rust ontbrak.... Hij heeft ons gezien, dacht hij, maar zou hij zich dat zoo aantrekken ter wille van zijn broer?... En dan een kus! Wat steekt daar achter?... Zou hij zelf verliefd zijn?... Dat moet!... Daar geef ik wat voor!... Wat een modderpoel allemaal!... Maar ondertusschen... een mooie geschiedenis... eerst je leven op het spel zetten en dan vluchten misschien... dan... Arkadiej... en die stommeling van een vader!... Beroerde geschiedenis...De dag verging nog stiller dan gewoonlijk. En Fenitsjka scheen wel uit de wereld weg, als eenmuisje in haar hol bleef ze in haar kamer. Nicolaas liep bezorgd rond, angstig, men had hem meegedeeld, dat zijn tarwe, waar al zijn hoop op gevestigd was, aan het broeien was. Pauls ijzige hoffelijkheid drukte op ieder, zelfs op Prokofitsj. Bazarof begon een brief aan zijn vader, verscheurde hem weer....ze zullen het wel hooren, als ik dood ga, dacht hij,... maar ik zal niet dood gaan, ik zal nog wel heel lang op de aarde rondkruipen...Hij vroeg Peter, den volgenden morgen met het aanbreken van den dag bij hem te komen voor een belangrijke zaak. Peter verbeeldde zich, dat hij mee zou genomen worden naar Petersburg, Bazarof ging laat naar bed en vreemde droomen kwelden hem... mevrouw Odintsof verscheen telkens, zij was tegelijk zijn moeder. Een kat met zwarte snorharen liep achter haar aan en dat katje was Fenitsjka. Hij zag Paul in de gedaante van een boomstam, maar moest toch met hem vechten...Peter wekte hem tegen vier uur. Hij kleedde zich en verliet met hem het huis.De morgen was heerlijk en koeler dan de vorige dagen. Bonte wolkjes vlokten langs den bleek blauwen hemel. Het loof der boomen was bedauwd, spinnewebben flonkerden in zilveren draden op het gras. Nog een glans van het eerste morgenrood lag gespreid over de velden en de leeuweriken zongen rondom—omhoog.Bazarof ging naar het bosch, zette zich in de schaduw en deelde Peter mee, wat er van hem werd verlangd. De ontwikkelde kamerdienaarwerd vaal-bleek als een doode. Bazarof trachtte hem gerust te stellen door de verzekering, dat hij niets te doen had, als op een afstand toe te kijken. Zonder eenige verantwoordelijkheid.—Denk intusschen over je gewichtige rol na, voegde Bazarof er bij.Peter wrong krampachtig zijn handen, liet het hoofd hangen en begon, groen van angst, tegen een boom te leunen.De straatweg naar Marjino liep langs een bosch. Het stof scheen sedert den vorigen dag nog door niemand betreden. Bazarof keek onwillekeurig den weg af, plukte een grashalm en kouwde erop, en fluisterde: Wat een onzin...Hij huiverde eenige malen in den koelen morgen.Peter keek hem aan met wanhoop in zijn oogen, maar Bazarof glimlachte. Hij voelde geen angst.Paardenhoeven weerklonken. Een boer verscheen. Hij kwam uit het dorp en voerde twee paarden, die aan elkander gebonden waren. Toen hij langs Bazarof kwam, keek hij hem verwonderd aan, zonder naar zijn pet te grijpen. Dit scheen Peter een slecht voorteeken en verontrustte hem....die kerel is ook vroeg opgestaan, dacht Bazarof, maar doet ten minste wat nuttigers...—Ik geloof, dat mijnheer er aan komt, fluisterde Peter opeens.Bazarof keek op en herkende Paul, die haastig de straat af kwam, in een geruit colbert met witte broek gekleed. Hij droeg een kistje in een groenen doek onder den arm.—Neemt u me niet kwalijk, ik vrees, dat iku heb laten wachten, zei hij, Bazarof en daarop Peter groetend, die hij als een soort sekondant scheen te beschouwen,—ik wilde mijn bediende niet wekken.—Goed, goed, antwoordde Bazarof,—wij komen ook pas.—Des te beter.Paul keek om zich heen.—Niemand ziet ons hier. We zullen niet gestoord worden. Zullen we?...—Met genoegen.—Ik veronderstel, dat u geen nadere verklaringen wenscht?—Volstrekt niet.—Zoudt u willen laden? vroeg Paul en nam de revolvers uit het etui.—Neen, doet u dat zelf. Ik zal den afstand opnemen. Ik heb langere beenen, zei Bazarof met een venijnig lachje,—éen—twee—drie...—Jevgenij Wassiljewitsj, stotterde Peter moeilijk, en sidderde als een lindeblad,—doe wat u wilt, ik zal op een afstand gaan...—Vier—vijf—trek jij je terug, dappere, trek je terug. Je kunt zelf achter een boom gaan staan en je ooren dichthouden, maar hou je oogen open. Als er éen van ons valt, hol dan naar hem toe, om hem te helpen—zes—zeven—acht.Bazarof bleef staan.—Genoeg zoo? vroeg hij tot Paul gekeerd,—of wilt u nog twee kleine pasjes?—Zooals u wilt, antwoordde deze en deed de tweede kogel in den loop.—Dan nog twee passen!Bazarof trok een streep in het zand met zijn schoen.—Dit is de barrière. Maar, dat is waar, we hebben niet afgesproken, hoever we ons van den eindstreep zouden opstellen. Dit gewichtige punt hebben we gisteren niet overwogen.—Tien pas, vind ik, antwoordde Paul en hield hem de revolvers voor,—wilt u mij het genoegen doen te kiezen?—Dat genoegen zal ik niet weigeren, maar u moet toegeven, dat dit duel op het belachelijke af eigenaardig is. Kijkt u eens het gezicht van onzen sekondant!—U schertst nog altijd, antwoordde Paul, ik geef toe, dat deze ontmoeting nogal eigenaardig is. Maar ik moet u doen opmerken, dat ik van plan ben, ernstig te duelleeren. A bon entendeur...! Salut!—O, ik betwijfel geen oogenblik, dat we van plan zijn elkaar overhoop te schieten. Maar waarom niet met een glimlach? Laat ons het utile met het dulce vereenigen. U ziet, als u fransch spreekt, antwoord ik latijn.—Ik vat het ernstig op, antwoordde Paul en ging op zijn plaats.Bazarof telde eveneens tien pas af en bleef staan.—Bent u gereed? vroeg Paul.—Ja.—Vooruit dan.Bazarof ging langzaam naar voren, Paul eveneens. Hij had de linker hand in den zak en richtte langzaam zijn revolver... hij mikt precies op mijn neus, dacht Bazarof,... hij knijpt zijn eene oog dicht, om goed te schieten, de bandiet!...geen pleizierig gevoel eigenlijk. Ik zal op zijn horlogeketting mikken...Er vloog iets fluitend langs Bazarofs oor en op hetzelfde oogenblik weerklonk een knal... ik heb het gehoord, dus heb ik niets, kon hij denken. Hij deed nog een pas en drukte af, zonder te mikken.Paul maakte een beweging en voelde naar zijn been. Een straal bloed kleurde de witte broek.Bazarof gooide zijn revolver weg en liep op hem toe.—Bent u gewond? vroeg hij.—U had het recht, mij tot aan de streep te laten voortgaan, antwoordde Paul,—de wond heeft niets te beteekenen. Volgens onze afspraak, hebben wij nog een schot.—U moet mij toestaan, het partijtje tot een volgend maal uit te stellen, antwoordde Bazarof en nam Paul in zijn arm, Paul begon bleek te worden,—ik ben op het oogenblik niet langer tegenpartij, maar geneesheer. Ik moet vóór alles de wond onderzoeken. Peter! Peter, waar zit je?—Het is niets... ik heb geen hulp noodig, antwoordde Paul, maar het spreken begon hem moeilijk te vallen,—... en wij moeten... nog eens...Hij wilde zijn snor opstrijken, maar zijn arm viel slap neer, zijn oogen werden blind en hij viel in onmacht.—Dat is sterk, bewusteloos om zoo’n kleinigheid! zei Bazarof onwillekeurig en strekte Paul op den grond uit,—eens kijken, wat het is.Hij nam zijn zakdoek, stelpte het bloed enonderzocht de wondranden. Het been is niet geraakt, de kogel is niet diep ingedrongen, alleen de vastus externus is beleedigd. Over drie weken, kan hij weer dansen, als hij wil. De moeite waard, daarvoor bewusteloos te worden. Die nerveuze heeren ook. Wat heeft hij een teere huid!—Is de heer dood? vroeg Peter fluisterend en bevend.—Ga maar gauw water halen, antwoordde Bazarof en wendde zich om, je heer leeft langer dan jij en ik.Maar de dienaar, scheen niet te begrijpen en bleef onbewegelijk staan. Intusschen sloeg Paul de oogen weer op.—Hij geeft den geest! zei Peter en sloeg een kruis.—...U hebt gelijk, wat een belachelijk gezicht, zei de gewonde met een zwak lachje.—Haal water, domoor! riep Bazarof.—Het is niet noodig... de duizeling is voorbij... helpt u me even op... zoo... zoo... als men het schampschot verbindt, kan ik te voet naar huis, of er kan ook een rijtuig gehaald worden. We kunnen het hierbij laten, als u wilt. U hebt u gedragen als man van eer... Vandaag, wel te verstaan.—We behoeven niet terug te komen op wat voorbij is, en wat de toekomst betreft, stel u gerust, ik zal zoo gauw mogelijk maken, dat ik wegkom. Maar laat me eerst uw been verbinden, de wond is licht, maar het is toch beter het bloed te stillen. Maar eerst moet ik in dezen sterveling de zekerheid van zijn bestaan terugroepen.Bazarof pakte Peter bij zijn kraag, schudde hem heftig heen en weer en gelastte hem een rijtuig te halen.—Breng mijn broer niet aan het schrikken, zei Paul, en pas op, dat je geen woord zegt.Peter maakte, dat hij wegkwam en intusschen bleven de twee tegenstanders zonder te spreken, bij elkander zitten. Paul vermeed het, Bazarof aan te zien. Hij wilde zich niet met hem verzoenen. Hij verweet zich bijna gebrek aan zelfbeheersching, zijn onhandigheid, zijn heele optreden in deze zaak, en voelde zeer wel, dat zij op de gunstigst mogelijke manier was bijgelegd.Hij zal ons van zijn tegenwoordigheid verlossen, dacht hij, daarmee is tenminste iets gewonnen.Het wederzijdsche zwijgen begon onaangenaam te worden. Zij wisten beiden, dat zij elkanders gedachten kenden. Die zekerheid is aangenaam voor vrienden, maar voor vijanden allerpijnlijkst, vooral wanneer ze tot geen verklaring komen, noch elkaar kunnen verlaten.—Heb ik uw been niet te stijf verbonden? vroeg Bazarof.—Neen, volstrekt niet. Het is heel goed zoo, antwoordde Paul Petrowitsj en na eenige oogenblikken:—Het zal niet mogelijk zijn, mijn broeder om den tuin te leiden. Ik zal hem zeggen, dat we over een politieke kwestie woorden hebben gekregen.—Heel goed, antwoordde Bazarof, u kunt zeggen, dat ik in uw bijzijn alle Anglomanen beleedigd heb.—Juist. Apropos, wat dunkt u, dat deze man van ons zeggen zal? ging Paul Petrowitsj voort, toen dezelfde boer, die vóór het duel met zijn paarden voorbij gekomen was, weer langs kwam en nu groette op het zien van de heeren.—Wie weet? antwoordde Bazarof, waarschijnlijk niets. De Russische boer lijkt op dat geheimzinnig-onbekende, waarvan Anna Radcliffe in haar boeken spreekt. Niemand kent hem. En hij zich zelf het minst.—Denkt u? vroeg Paul Petrowitsj, maar plotseling riep hij:—Kijk nu die stomheid van uw Peter! Daar komt hij nu aan met mijn broer!Bazarof keerde zich om en ontwaarde het bleeke gezicht van Nikolaas in het rijtuig. Hij sprong eruit, eer het stilstond en liep op zijn broeder toe.—Wat beteekent dat? vroeg hij ontdaan.—JevgenijWassiljewits, hoe is dat mogelijk?—Het is niets, antwoordde Paul,—het was verkeerd, je te storen. Wij hebben toegegeven aan een opwelling, van het oogenblik, en ik werd een klein beetje gestraft, dat is alles.—Maar de oorzaak om Gods wil!...—Hoe zal ik zeggen? Mijnheer Bazarof sprak in mijn tegenwoordigheid onbehoorlijk over Sir Robert Peel. Maar ik moet er dadelijk bij voegen, dat het allemaal mijn schuld was en dat de heer Bazarof zich uiterst correct heeft gedragen. Ik heb hem uitgedaagd.—Ik zie bloed.—Dacht je dan dat ik water in mijn aderen had? Ik verzeker je, dat die kleine aderlating meheel goed zal doen. Is het niet, dokter? Help me in het rijtuig en haal je geen muizenissen in het hoofd. Morgen ben ik weer hersteld. Ja, ik heb me zelden zoo goed gevoeld en zoo opgeruimd. Vooruit koetsier!Nikolaas volgde te voet. Bazarof was achtergebleven.—Ik verzoek u, mijn broeder in behandeling te nemen, zei Nikolaas totdat we een geneesheer uit de stad hebben.Bazarof boog zwijgend het hoofd.Een uur later lag Paul Petrowitsj in bed en zijn been was volgens de regelen der kunst verbonden. Het heele huis was inopschudding. Fenitsjka was ziek geworden. Nikolaas was wanhopig en Paul praatte en lachte, vooral met Bazarof. Hij had een batisten hemd en een morgenjasje aan en een fez opgezet. Hij wilde de gordijnen niet dicht hebben en klaagde schertsend over den dieët, dien hij zou moeten houden.Tegen den avond kwam er wat koorts en hij kreeg hoofdpijn. Er verscheen een geneesheer uit de stad. Nikolaas had niet gelet op het verlangen van zijn broeder en Bazarof zelf had er opgestaan, dat er een collega geroepen zou worden. Hij was intusschen op zijn kamer gebleven, zag er geel-bleek en gejaagd uit en bracht den zieke alleen nu en dan een kort bezoek. Eenige malen ontmoette hij Fenitsjka, die hem met zekeren angst uit den weg ging.De stadsdokter schreef verkoelende dranken voor en bevestigde de verklaring van Bazarof,dat de wond niets te beteekenen had. Nikolaas vertelde, dat zijn broeder zich uit onvoorzichtigheid zelf had verwond, waarop de dokter met een hm antwoordde; maar toen hij op hetzelfde oogenblik een bankbiljet van vijf en twintig roebel in zijn hand voelde zei hij:—Ja dat gebeurt zoo vaak.In het geheele huis ging niemand naar bed.Nikolaas sloop telkens op zijn teenen naar de ziekenkamer en verdween weer op dezelfde wijze. De gewonde sliep soms in, zuchtte zacht, zei tegen zijn broeder:Couchez-vousen wilde dan drinken. Kirsanof liet Fenitsjka eenmaal een glas limonade brengen. Paul keek haar strak aan en dronk het glas leeg.Tegen den morgen nam de koorts toe en de zieke begon te ijlen. Hij sprak zinlooze woorden, opende dan plotseling de oogen en toen hij zijn broeder bij het bed zag zitten, bezorgd over hem gebogen, vroeg hij:—Is het niet, Nikolaas, lijkt Fenitsjka niet op Nelly?—Welke Nelly bedoel je?—Hoe kan je dat nu vragen? Vorstin R...! Vooral de bovenzij van het gezicht.C’est de la même famille.Nikolaas antwoordde niet, maar was diep verwonderd over de levenskracht der menschelijke gevoelens... zoo iets komt toch altijd weer terug, dacht hij.—Ik houd zoo van dat eenvoudige kind, zoo eenvoudig... klaagde Paul en legde een arm onder het hoofd.—...ik zal nooit dulden, dat een vlegel haar aanraakt...Nikolaas zuchtte. Hij begreep niet, op wien die woorden sloegen.Den volgenden morgen kwam Bazarof bij hem. Hij had zijn bagage gepakt en zijn kikvorschen, vogels en insekten in vrijheid gesteld.—U komt afscheid nemen, zei Nikolaas en stond op.—Ja.—Ik begrijp en geef u volkomen gelijk. Mijn arme broeder heeft zeker ongelijk gehad en hij is dan ook gestraft. Ik weet het van hem zelf, dat hij u gedwongen heeft, zoo te handelen, als u gedaan hebt, u hadt dit duel niet kunnen vermijden. Het heeft min of meer zijn grond in het diepgaande verschil van uw beider levensbeschouwing. (Nikolaas Petrowitsj begon minder duidelijk en minder logisch te praten, hij ademde zwaar). Mijn broeder is prikkelbaar, houdt vast aan oude ideeën... ik dank God, dat alles nog zoo is afgeloopen. Overigens heb ik alles gedaan, om te zorgen, dat er niet gesproken wordt over die zaak.—Ik zal u mijn adres geven, en als men er toch wat van wil maken, dan kunt u mij altijd vinden, zei Bazarof.—Ik hoop, dat dit niet noodig zal zijn, Jevgenij Wassiljewitsj. Ik betreur het ten zeerste, dat uw verblijf in ons huis, zoo een einde... Ik betreur het des te meer, omdat Arkadiej...—Dien zal ik wel zien, viel Bazarof in de rede. Hij hield niet van dergelijke verklaringen en verontschuldigingen.—In ieder geval verzoekik u, hem van mij te groeten en hem mijn leedwezen uit te drukken.—En ook ik verzoek u...Maar Bazarof wachtte niet op de rest en ging.Toen Paul hoorde, dat Bazarof op het punt stond te vertrekken, uitte hij den wensch, hem nog te zien. Hij gaf hem een hand, maar Bazarof bleef als gewoonlijk koel. Hij merkte wel, dat Paul den edelmoedige wilde spelen.Van Fenitsjka was het hem niet mogelijk afscheid te nemen. Hij keek alleen nog eens naar het venster, waar zij zat. Ze scheen treurig... misschien gaat die wel te gronde... dacht hij... maar waarom zou ze niet...Peter was zoo onder den indruk, dat hij aan Bazarofs schouder bleef staan schreien, tot deze hem vroeg, of zijn oogen nooit uitgeput zouden raken? Doeniasja moest den tuin in vluchten, om haar verdriet te verbergen. Maar de oorzaak van al dit verdriet nam plaats in een klein rijtuigje, stak een sigaar op en toen hij op vier werst afstand bij een kromming van den weg het huis der Kirsanofs voor het laatst zag liggen, spuwde hij op den weg, knarstandde:—Verdomde landjonkers!en hulde zich in zijn mantel.De toestand van Paul Petrowitsj verbeterde met den dag. Toch bleef hij nog een week te bed. Hij droeg zijn gevangenschap, zooals hij dat noemde, geduldig, besteedde een groot gedeelte van den tijd aan zijn toilet en liet voortdurend met eau de cologne sprenkelen.Nikolaas las hem de couranten voor en Fenitsjka bediende hem, zooals gewoonlijk met bouillon, zachte eieren, thee; maar ze kon zijn kamer niet binnentreden zonder een innerlijken schrik.Iedereen in huis was overstuur door de jeugdige dwaasheid van Paul Petrowitsj. Alleen Prokofitsj sprak erover met groote gelatenheid en gemoedsrust. In zijn tijd hadden de heeren zoo dikwijls gevochten, zei hij, maar altijd onder elkaar en nooit met zulke ploerten, als die... Zulke individuen liet men in den stal afranselen, als ze onbeschaamd werden.Fenitsjka had geen gewetenswroeging. Maar rustig was ze toch niet, vooral als ze soms iets van de ware oorzaak begon te vermoeden. En dan kon Paul Petrowitsj haar zoo vreemd aanzien... ze voelde dien blik nog, als ze hem den rug toekeerde. Tengevolge van deze onrust, werd ze magerder en, zooals dat meestal is bij vrouwen van haar leeftijd, nog mooier.Op een morgen had Paul, die zich beter voelde, het bed verlaten en was op de sofa gaan liggen. Nikolaas kwam vragen, hoe hij geslapen had en ging vervolgens naar het dorschen kijken.Fenitsjka bracht de thee, die ze bij hem neerzette. Toen ze weg wilde gaan, hield Paul haar tegen:—Waarom wil je zoo dadelijk weer weg, Fedosia Nikolajevna? vroeg hij haar,—heb je iets te doen?—Neen... ja... ik moet beneden thee schenken.—Dat zal Doeniasja wel doen, als jij er niet bent. Blijf nog wat bij een armen zieke. En ik wilde ook met je spreken.Fenitsjka ging zwijgend op den arm van een leunstoel zitten.—Ik wilde je al lang eens vragen, begon Paul en trok aan zijn snorharen, of je bang voor me bent, en waarom?—Wie, ik?—Ja, jij. Je kijkt me nooit recht in het gezicht. Je geweten schijnt niet heelemaal zuiver.Fenitsjka bloosde, maar keek hem aan. De uitdrukking van zijn gezicht was zoo vreemd, dat ze begon te beven.—Is je geweten zuiver? vroeg hij haar.—Waarom zou het niet zuiver zijn? vroeg ze zacht.—Ik weet het niet. Heb je hier iemand in huis te kort gedaan? Mij zeker niet. Iemand anders? Het lijkt me niet waarschijnlijk. Mijn broeder? Ook niet, want je houdt van hem...—Ja, ik houd van hem.—Van ganscher harte? Met lijf en ziel?—Ik heb Nikolaas Petrowitsj lief van ganscher harte.—Werkelijk? Kijk me eens aan, Fenitsjka (het was voor het eerst, dat hij haar zoo noemde). Je weet, dat liegen een groote zonde is...—Ik lieg niet, Paul Petrowitsj. Als ik niet van Nikolaas Petrowitsj hield, verdiende ik niet, dat ik leef.—En je zou hem voor niemand opgeven?—Voor wien zou ik dat doen?—Voor wien? Wie weet! Bij voorbeeld, de man, die ons onlangs verlaten heeft.Fenitsjka stond op.—In Gods naam, Paul Petrowitsj, waarom plaagt u me zoo? Wat heb ik u gedaan? Hoe kunt u zoo iets zeggen?—Fenitsjka, antwoordde Paul droevig,—ik heb alles gezien...—Wat hebt u gezien?—Daar in het prieel.Fenitsjka bloosde plotseling tot achter de ooren.—Kon ik daar wat aan doen? stotterde ze.Paul richtte zich op.—Voel je je in geen enkel opzicht schuldig?—Er is maar één man op de wereld, dien ik lief heb en zal lief hebben, dat is Nikolaas Petrowitsj, antwoordde ze met plotselinge heftigheid, ofschoon de tranen haar nog de stem verstikten,—en over wat u gezien hebt, hoef ik mij geen verwijten te doen, dat kan ik bezweren. Ik wil liever hier op de plaats dood blijven, dan verdacht worden, dat ik mijn weldoener zou bedrogen hebben.Haar stem werd weer zwak en zij voelde, dat Paul Petrowitsj haar hand nam en krachtig drukte.Ze keek hem aan en schrok heftig. Zijn gezicht was nog bleeker dan anders, in zijn oogen een zeldzame fonkeling en éen enkele dikke traan, die over zijn wangen rolde...—Fenitsjka, zei hij nauwelijks hoorbaar, heb mijn broer lief, heb hem lief. Hij is zoo goed en verdient het, dat je hem lief hebt. Geef hem niet voor niemand in de wereld en luister niet naar de mooie woorden van anderen. Niets is verschrikkelijker, dan onbeantwoorde liefde.Blijf hem trouw, mijn armen, goeden Nikolaas!Fenitsjka weende niet meer. Ze stond zoo verwonderd, dat ze ook niet bang meer was. Maar ze kon geen woord meer uitbrengen, toen Paul haar hand greep en tegen zijn oogen drukte, nog eens greep en krampachtig snikkend aan zijn lippen bracht... ...God, dacht ze, zou dat een aanval zijn...Ze vermoedde niet, dat het verleden op dit oogenblik pijnigend in hem openbrak, alles wat zijn hart geleden had, weer trilde en begon te bloeden.De traptreden kraakten onder vlugge voetstappen. Hij stootte haar van zich en legde zijn hoofd op het kussen.De deur ging open en Nikolaas trad binnen, opgewekt, het gezicht frisch en rood. Mitja, even frisch en rood als hij, danste op zijn arm en trapte met zijn bloote voetjes tegen de knoopen van zijn vaders jas.Fenitsjka ijlde hem tegemoet. Heftig omhelsde ze hem en haar kind en legde toen haar hoofd tegen zijn schouder. Nikolaas scheen verrast. Schuw en teruggetrokken als zij was, veroorloofde Fenitsjka zich nooit dergelijke ontboezemingen in tegenwoordigheid van derden.—Wat is er? vroeg hij, zag zijn broeder aan en gaf het kind aan de moeder over.—Je voelt je toch niet minder? vroeg hij zijn broer, en ging naar hem toe.Paul verborg het gezicht in zijn batisten zakdoek.—Neen, neen... integendeel... ik voel me veel beter...—Je had in bed moeten blijven, zei Nikolaas,—waar ga je heen? vroeg hij Fenitsjka, maar deze had de deur al achter zich dicht geslagen.—Ik kwam je mijn kleinen deugniet eens laten zien. Hij wilde zijn oom een bezoek brengen. Waarom heeft ze hem nu meegenomen? Maar wat heb je toch? Is er iets gebeurd tusschen jullie?—Broeder! begon Paul Petrowitsj op plechtigen toon.Nikolaas beefde. Een gevoel van doodelijken angst kwam over hem, waarvan hij zich geen rekenschap kon geven.—Broeder! herhaalde Paul. Beloof me, het verzoek, dat ik je doen zal, uit te voeren!—Wat wil je, Paul?—Iets zeer belangrijks. Je levensgeluk hangt ervan af. Ik heb den laatsten tijd dikwijls nagedacht over wat ik je nu ga zeggen. Broeder, doe je plicht, de plicht van een man van eer, en maak een einde aan de onbehoorlijke verhouding, waarin je leeft, jij vooral, de beste van alle menschen, broeder!—Wat beteekent dat Paul?—Trouw Fenitsjka... ze heeft je lief, ze is de moeder van je zoon.Kirsanof deed een stap achteruit en sloeg de handen in elkaar.—En jij geeft me dien raad, Paul, jij, die zulke huwelijken altijd gehaat hebt. Jij geeft me dien raad. Weet je wel, dat de eenige reden, waarom ik niet allang gedaan heb, wat ik als de heiligste plicht beschouw, eerbied voor jou was?!—Dan betreur ik het, dat je dien eerbied zoo ver gedreven hebt, antwoordde Paul met een droevigen glimlach.—Ik geloof, dat Bazarof gelijk had, mij een aristocraat te noemen. Ja broeder, het wordt tijd, dat we eens ophouden, te handelen met het oog op de wereld. Wij zijn oud en het leven heeft ons bescheiden gemaakt. Laten we al die dwaasheden afwerpen, laten we onzen plicht doen en dan is het niet onwaarschijnlijk, dat we het geluk dan op den koop toe krijgen!Kirsanof omarmde zijn broeder.—Je hebt me de oogen geopend, riep hij uit.—Ik heb je altijd beschouwd als een goed verstandig man. Ik zie nu dat je ook wijs en grootmoedig bent.—Stil, stil, antwoordde Paul Petrotwitsj.—pas op voor het been van je grootmoedigen broeder, die met zijn vijftig jaar nog geduelleerd heeft als een tweede luitenant. Dus afgesproken. Fenitsjka wordt mijnbelle-soeur!—Paul, Paul... wat zal Arkadiej zeggen?—Arkadiej zal gelukkig zijn, wees daar zeker van. Het huwelijk is wel tegen zijn principes, maar zijn gelijkheidsgevoel zal gevleid worden. En wat beteekenen al die verschillen ook, die standen in de negentiende eeuw!—Och Paul, laat mij je nog eens omhelzen, wees maar niet bang, ik zal je been niet bezeeren!De broeders omhelsden elkaar.—Zullen we haar je besluit dadelijk meedeelen? vroeg Paul Petrowitsj.—Waarom zoo een haast? Heb je hierover gesproken?—Gesproken?Quelle idée!—Des te beter. Eerst gezond worden. Het loopt zoo een vaart niet. Eerst rijpelijk overleggen...—Maar je bent toch besloten?—Zeker, en ik dank je, dat jij me zoover hebt gebracht. Ik laat je nu alleen. Je moet gaan liggen. Al die opwinding zal je geen goed doen. We spreken er nog over. Probeer nu te slapen, en dan word je gauw weer gezond...Waarom die dank? dacht Paul, toen hij alleen was... het hangt toch alleen van hem af. En als hij getrouwd is, ga ik hier vandaan, naar Dresden of Florence en daar leven, tot ik krepeer...Paul sprenkelde eau de cologne op zijn voorhoofd en sloot de oogen. In het helle daglicht, dat de kamer binnenviel, leek zijn fijn, mager gezicht op het gipsen afgietsel naar een doode.En hij was ook werkelijk een doode...
Twee uur later werd er aan Bazarofs deur geklopt.
—Neemt u me niet kwalijk, als ik u stoor in uw geleerde overpeinzingen, zei Paul Petrowitsj, nam plaats in een stoel bij het venster en hield de beide handen geleund op een eleganten wandelstok met knop van elpenbeen (meestal liep hij zonder stok),—maar ik acht mij verplicht, u vijf minuten van uw tijd te vragen, niet meer.
—Ik sta geheel ter beschikking, antwoordde Bazarof, niet zonder een lichte trekking over zijn gezicht, toen hij Paul zijn drempel zag overschrijden.
—Vijf minuten zal voldoende zijn. Ik ben gekomen, om u iets te vragen.
—Een vraag? En die is?
—Luistert u eens. Toen u hier pas was, toen ik mij nog niet het genoegen van uw gesprekken ontzegde, was het mij vergund, uw meening over allerlei dingen te leeren kennen. Maar voor zoover ik mij kan herinneren, hebt u nooit gezegd, hoe u over het duel denkt, het duel in ’t algemeen. Zou ik u dat eens mogen vragen?
Bazarof, die zich van zijn werk had opgericht, om Paul aan te hooren, ging op den tafelrand zitten en sloeg de armen over elkaar.
—Mijn meening is deze, antwoordde hij, van theoretisch standpunt beschouwd is het duel een ouderwetsche dwaasheid, practisch schijnt het me een andere kwestie!
—Als ik u goed begrijp, wilt u zeggen, dat u in de praktijk uw theoretische opvatting overhet duel ter zijde schuift en niet zult dulden, dat men u beleedigt, zonder daar genoegdoening voor te verlangen.
—U heb mijn gedachten volkomen goed begrepen.
—Zeer juist. Het verheugt me bizonder te vernemen, dat u de zaak aldus opvat. Dat maakt een einde aan mijn niet-weten...
—Uw onzeker-zijn, wilt u zeggen...
—Dat is hetzelfde, mijnheer. Ik wensch mij alleen zoo duidelijk mogelijk uit te drukken. Ik ben geen student meer. Uw woorden maken een zekere droevige noodzakelijkheid overbodig. Ik ben van plan met u te duelleeren.
Bazarof sperde zijn oogen open.
—Met mij?
—Ja, met u persoonlijk.
—Op welken grond? Ik begrijp u niet.
—Ik zou u dat wel kunnen verklaren, antwoordde Paul, maar ik verkies het niet te doen. Ik vind, dat u hier te veel bent. Ik haat u, Ik veracht u, en als u dat nog niet genoeg is...
Pauls oogen fonkelden van woede. Ook Bazarofs blik schoot vonken.
—Zeer wel, antwoordde Bazarof, ieder verdere verklaring is overbodig. U bent in een stemming, den gloed van uw adellijken toorn op mij uit te laten. Ik had kunnen weigeren, u dit genoegen te verschaffen. Maar ik gun het u.
—Ik ben u zeer verplicht, antwoordde Paul, ik hoop dus, dat u mijn uitdaging aanneemt, zonder gedwongen te worden.
—U bedoelt: met dien stok? zei Bazarofkoel,—u hebt volkomen gelijk, u kunt die moeite sparen, te meer, aangezien dat waarschijnlijk niet volkomen zonder gevaar voor u zou zijn. Indien u voortgaat, u als gentleman te gedragen, zal ik van mijn kant de uitdaging als gentleman aannemen.
—Goed, zei, Paul en zette zijn stok in een hoek,—we hebben dus alleen nog de voorwaarden vast te stellen. Maar ik zou u eerst willen vragen, of u het noodig vindt, een voorwendsel te zoeken tegenover de anderen?
—Neen dat schijnt me volkomen overbodig.
—Zoo denk ik er ook over. Ook geloof ik, dat het geen nut heeft, de ware oorzaak tot dezen tweekamp te onderzoeken. We houden niet van elkaar, dat is alles.
—Zeer juist, dat is alles, meer is niet noodig, herhaalde Bazarof ironisch.
—Wat de voorwaarden betreft... aangezien we geen getuigen hebben, hoe zouden we aan getuigen komen?
—Zeer juist, hoe zouden we aan getuigen komen?
—Ik veroorloof mij dus, u het volgende te proponeeren. Morgen ochtend zes uur zullen wij vechten, met revolvers, in het bosch, tien pas afstand.
—Op tien pas, goed. We haten elkaar zoo heftig, dat we niet dichter bij kunnen.
—Op acht pas, als u wilt.
—Waarom niet? Gaarne.
—Wij lossen twee schoten en ter meerdere veiligheid zal ieder van ons een brief bij zich hebben, waarin verklaard wordt, dat in geval van dood, men zelf de schuldige is.
—Deze laatste clausule schijnt mij niet juist, antwoordde Bazarof.—Dat is te onwaarschijnlijk. Het zou een beetje op een franschen roman gaan lijken.
—Misschien hebt u gelijk. Maar u zult toegeven, dat het onaangenaam is, voor een moordenaar gehouden te worden.
—Zeer zeker. Maar er is een middel, zich voor die pijnlijke verdenking te vrijwaren. We zullen geen getuigen hebben in den eigenlijken zin des woords. Maar iemand kan toch wel als toevallig, bij ons duel aanwezig zijn.
—Wien zoudt u daartoe kiezen?
—Peter bij voorbeeld.
—Welke Peter?
—De kamerdienaar van uw broeder. Dat is een man, volkomen op de hoogte der moderne beschaving, die zijn rol spelen zal geheel en alcomme il faut.
—Ik geloof, dat u grapjes maakt, waarde heer?
—In geenen deele, mijnheer. Denkt u eens aan mijn plan en u zult zien, dat het verstandig en van zelfsprekend is. Ik zal het op mij nemen, Peter voor te bereiden en hem meebrengen op de plaats des strijds.
—U gelieft nog altijd te schertsen, zei Paul en stond op.—Maar na de beminnelijke voorkomendheid, die ge zooeven toonde, mag ik u dat niet kwalijk nemen. Het is dus afgesproken... hebt u revolvers?
—Hoe zou ik daaraan komen, Paul Petrowitsj? Ik ben geen krijgsman.
—Dan bied ik u de mijne aan. Ik heb meer dan vijf jaar geen gebruik van dit wapen gemaakt en u kunt me gelooven.
—Deze verzekering stelt me gerust.
Paul nam zijn stok.
—En nu, waarde heer, moet ik u alleen nog danken en laat u alleen met uw studies. Ik heb de eer, u te groeten.
—Tot ziens, antwoordde Bazarof en geleidde zijn gast tot de deur. Paul ging, Bazarof bleef aan de deur staan en riep uit:
—Alle duivels! Dat is heel fraai, maar idioot! Wat een comedie hebben we daar gespeeld! De honden, die op hun achterpooten gaan staan, doen het niet beter. Ik had niet kunnen weigeren. Dan had hij me geslagen en dan... Bazarof verbleekte bij die gedachte, die zijn trots in opstand bracht... ik had niet anders kunnen doen, dan hem te worgen als een kat.
Hij keerde naar zijn microscoop terug, maar hij was opgewonden en de noodige rust ontbrak.
... Hij heeft ons gezien, dacht hij, maar zou hij zich dat zoo aantrekken ter wille van zijn broer?... En dan een kus! Wat steekt daar achter?... Zou hij zelf verliefd zijn?... Dat moet!... Daar geef ik wat voor!... Wat een modderpoel allemaal!... Maar ondertusschen... een mooie geschiedenis... eerst je leven op het spel zetten en dan vluchten misschien... dan... Arkadiej... en die stommeling van een vader!... Beroerde geschiedenis...
De dag verging nog stiller dan gewoonlijk. En Fenitsjka scheen wel uit de wereld weg, als eenmuisje in haar hol bleef ze in haar kamer. Nicolaas liep bezorgd rond, angstig, men had hem meegedeeld, dat zijn tarwe, waar al zijn hoop op gevestigd was, aan het broeien was. Pauls ijzige hoffelijkheid drukte op ieder, zelfs op Prokofitsj. Bazarof begon een brief aan zijn vader, verscheurde hem weer.
...ze zullen het wel hooren, als ik dood ga, dacht hij,... maar ik zal niet dood gaan, ik zal nog wel heel lang op de aarde rondkruipen...
Hij vroeg Peter, den volgenden morgen met het aanbreken van den dag bij hem te komen voor een belangrijke zaak. Peter verbeeldde zich, dat hij mee zou genomen worden naar Petersburg, Bazarof ging laat naar bed en vreemde droomen kwelden hem... mevrouw Odintsof verscheen telkens, zij was tegelijk zijn moeder. Een kat met zwarte snorharen liep achter haar aan en dat katje was Fenitsjka. Hij zag Paul in de gedaante van een boomstam, maar moest toch met hem vechten...
Peter wekte hem tegen vier uur. Hij kleedde zich en verliet met hem het huis.
De morgen was heerlijk en koeler dan de vorige dagen. Bonte wolkjes vlokten langs den bleek blauwen hemel. Het loof der boomen was bedauwd, spinnewebben flonkerden in zilveren draden op het gras. Nog een glans van het eerste morgenrood lag gespreid over de velden en de leeuweriken zongen rondom—omhoog.
Bazarof ging naar het bosch, zette zich in de schaduw en deelde Peter mee, wat er van hem werd verlangd. De ontwikkelde kamerdienaarwerd vaal-bleek als een doode. Bazarof trachtte hem gerust te stellen door de verzekering, dat hij niets te doen had, als op een afstand toe te kijken. Zonder eenige verantwoordelijkheid.
—Denk intusschen over je gewichtige rol na, voegde Bazarof er bij.
Peter wrong krampachtig zijn handen, liet het hoofd hangen en begon, groen van angst, tegen een boom te leunen.
De straatweg naar Marjino liep langs een bosch. Het stof scheen sedert den vorigen dag nog door niemand betreden. Bazarof keek onwillekeurig den weg af, plukte een grashalm en kouwde erop, en fluisterde: Wat een onzin...
Hij huiverde eenige malen in den koelen morgen.
Peter keek hem aan met wanhoop in zijn oogen, maar Bazarof glimlachte. Hij voelde geen angst.
Paardenhoeven weerklonken. Een boer verscheen. Hij kwam uit het dorp en voerde twee paarden, die aan elkander gebonden waren. Toen hij langs Bazarof kwam, keek hij hem verwonderd aan, zonder naar zijn pet te grijpen. Dit scheen Peter een slecht voorteeken en verontrustte hem.
...die kerel is ook vroeg opgestaan, dacht Bazarof, maar doet ten minste wat nuttigers...
—Ik geloof, dat mijnheer er aan komt, fluisterde Peter opeens.
Bazarof keek op en herkende Paul, die haastig de straat af kwam, in een geruit colbert met witte broek gekleed. Hij droeg een kistje in een groenen doek onder den arm.
—Neemt u me niet kwalijk, ik vrees, dat iku heb laten wachten, zei hij, Bazarof en daarop Peter groetend, die hij als een soort sekondant scheen te beschouwen,—ik wilde mijn bediende niet wekken.
—Goed, goed, antwoordde Bazarof,—wij komen ook pas.
—Des te beter.
Paul keek om zich heen.
—Niemand ziet ons hier. We zullen niet gestoord worden. Zullen we?...
—Met genoegen.
—Ik veronderstel, dat u geen nadere verklaringen wenscht?
—Volstrekt niet.
—Zoudt u willen laden? vroeg Paul en nam de revolvers uit het etui.
—Neen, doet u dat zelf. Ik zal den afstand opnemen. Ik heb langere beenen, zei Bazarof met een venijnig lachje,—éen—twee—drie...
—Jevgenij Wassiljewitsj, stotterde Peter moeilijk, en sidderde als een lindeblad,—doe wat u wilt, ik zal op een afstand gaan...
—Vier—vijf—trek jij je terug, dappere, trek je terug. Je kunt zelf achter een boom gaan staan en je ooren dichthouden, maar hou je oogen open. Als er éen van ons valt, hol dan naar hem toe, om hem te helpen—zes—zeven—acht.
Bazarof bleef staan.
—Genoeg zoo? vroeg hij tot Paul gekeerd,—of wilt u nog twee kleine pasjes?
—Zooals u wilt, antwoordde deze en deed de tweede kogel in den loop.
—Dan nog twee passen!
Bazarof trok een streep in het zand met zijn schoen.
—Dit is de barrière. Maar, dat is waar, we hebben niet afgesproken, hoever we ons van den eindstreep zouden opstellen. Dit gewichtige punt hebben we gisteren niet overwogen.
—Tien pas, vind ik, antwoordde Paul en hield hem de revolvers voor,—wilt u mij het genoegen doen te kiezen?
—Dat genoegen zal ik niet weigeren, maar u moet toegeven, dat dit duel op het belachelijke af eigenaardig is. Kijkt u eens het gezicht van onzen sekondant!
—U schertst nog altijd, antwoordde Paul, ik geef toe, dat deze ontmoeting nogal eigenaardig is. Maar ik moet u doen opmerken, dat ik van plan ben, ernstig te duelleeren. A bon entendeur...! Salut!
—O, ik betwijfel geen oogenblik, dat we van plan zijn elkaar overhoop te schieten. Maar waarom niet met een glimlach? Laat ons het utile met het dulce vereenigen. U ziet, als u fransch spreekt, antwoord ik latijn.
—Ik vat het ernstig op, antwoordde Paul en ging op zijn plaats.
Bazarof telde eveneens tien pas af en bleef staan.
—Bent u gereed? vroeg Paul.
—Ja.
—Vooruit dan.
Bazarof ging langzaam naar voren, Paul eveneens. Hij had de linker hand in den zak en richtte langzaam zijn revolver... hij mikt precies op mijn neus, dacht Bazarof,... hij knijpt zijn eene oog dicht, om goed te schieten, de bandiet!...geen pleizierig gevoel eigenlijk. Ik zal op zijn horlogeketting mikken...
Er vloog iets fluitend langs Bazarofs oor en op hetzelfde oogenblik weerklonk een knal... ik heb het gehoord, dus heb ik niets, kon hij denken. Hij deed nog een pas en drukte af, zonder te mikken.
Paul maakte een beweging en voelde naar zijn been. Een straal bloed kleurde de witte broek.
Bazarof gooide zijn revolver weg en liep op hem toe.
—Bent u gewond? vroeg hij.
—U had het recht, mij tot aan de streep te laten voortgaan, antwoordde Paul,—de wond heeft niets te beteekenen. Volgens onze afspraak, hebben wij nog een schot.
—U moet mij toestaan, het partijtje tot een volgend maal uit te stellen, antwoordde Bazarof en nam Paul in zijn arm, Paul begon bleek te worden,—ik ben op het oogenblik niet langer tegenpartij, maar geneesheer. Ik moet vóór alles de wond onderzoeken. Peter! Peter, waar zit je?
—Het is niets... ik heb geen hulp noodig, antwoordde Paul, maar het spreken begon hem moeilijk te vallen,—... en wij moeten... nog eens...
Hij wilde zijn snor opstrijken, maar zijn arm viel slap neer, zijn oogen werden blind en hij viel in onmacht.
—Dat is sterk, bewusteloos om zoo’n kleinigheid! zei Bazarof onwillekeurig en strekte Paul op den grond uit,—eens kijken, wat het is.
Hij nam zijn zakdoek, stelpte het bloed enonderzocht de wondranden. Het been is niet geraakt, de kogel is niet diep ingedrongen, alleen de vastus externus is beleedigd. Over drie weken, kan hij weer dansen, als hij wil. De moeite waard, daarvoor bewusteloos te worden. Die nerveuze heeren ook. Wat heeft hij een teere huid!
—Is de heer dood? vroeg Peter fluisterend en bevend.
—Ga maar gauw water halen, antwoordde Bazarof en wendde zich om, je heer leeft langer dan jij en ik.
Maar de dienaar, scheen niet te begrijpen en bleef onbewegelijk staan. Intusschen sloeg Paul de oogen weer op.
—Hij geeft den geest! zei Peter en sloeg een kruis.
—...U hebt gelijk, wat een belachelijk gezicht, zei de gewonde met een zwak lachje.
—Haal water, domoor! riep Bazarof.
—Het is niet noodig... de duizeling is voorbij... helpt u me even op... zoo... zoo... als men het schampschot verbindt, kan ik te voet naar huis, of er kan ook een rijtuig gehaald worden. We kunnen het hierbij laten, als u wilt. U hebt u gedragen als man van eer... Vandaag, wel te verstaan.
—We behoeven niet terug te komen op wat voorbij is, en wat de toekomst betreft, stel u gerust, ik zal zoo gauw mogelijk maken, dat ik wegkom. Maar laat me eerst uw been verbinden, de wond is licht, maar het is toch beter het bloed te stillen. Maar eerst moet ik in dezen sterveling de zekerheid van zijn bestaan terugroepen.
Bazarof pakte Peter bij zijn kraag, schudde hem heftig heen en weer en gelastte hem een rijtuig te halen.
—Breng mijn broer niet aan het schrikken, zei Paul, en pas op, dat je geen woord zegt.
Peter maakte, dat hij wegkwam en intusschen bleven de twee tegenstanders zonder te spreken, bij elkander zitten. Paul vermeed het, Bazarof aan te zien. Hij wilde zich niet met hem verzoenen. Hij verweet zich bijna gebrek aan zelfbeheersching, zijn onhandigheid, zijn heele optreden in deze zaak, en voelde zeer wel, dat zij op de gunstigst mogelijke manier was bijgelegd.
Hij zal ons van zijn tegenwoordigheid verlossen, dacht hij, daarmee is tenminste iets gewonnen.
Het wederzijdsche zwijgen begon onaangenaam te worden. Zij wisten beiden, dat zij elkanders gedachten kenden. Die zekerheid is aangenaam voor vrienden, maar voor vijanden allerpijnlijkst, vooral wanneer ze tot geen verklaring komen, noch elkaar kunnen verlaten.
—Heb ik uw been niet te stijf verbonden? vroeg Bazarof.
—Neen, volstrekt niet. Het is heel goed zoo, antwoordde Paul Petrowitsj en na eenige oogenblikken:
—Het zal niet mogelijk zijn, mijn broeder om den tuin te leiden. Ik zal hem zeggen, dat we over een politieke kwestie woorden hebben gekregen.
—Heel goed, antwoordde Bazarof, u kunt zeggen, dat ik in uw bijzijn alle Anglomanen beleedigd heb.
—Juist. Apropos, wat dunkt u, dat deze man van ons zeggen zal? ging Paul Petrowitsj voort, toen dezelfde boer, die vóór het duel met zijn paarden voorbij gekomen was, weer langs kwam en nu groette op het zien van de heeren.
—Wie weet? antwoordde Bazarof, waarschijnlijk niets. De Russische boer lijkt op dat geheimzinnig-onbekende, waarvan Anna Radcliffe in haar boeken spreekt. Niemand kent hem. En hij zich zelf het minst.
—Denkt u? vroeg Paul Petrowitsj, maar plotseling riep hij:
—Kijk nu die stomheid van uw Peter! Daar komt hij nu aan met mijn broer!
Bazarof keerde zich om en ontwaarde het bleeke gezicht van Nikolaas in het rijtuig. Hij sprong eruit, eer het stilstond en liep op zijn broeder toe.
—Wat beteekent dat? vroeg hij ontdaan.—JevgenijWassiljewits, hoe is dat mogelijk?
—Het is niets, antwoordde Paul,—het was verkeerd, je te storen. Wij hebben toegegeven aan een opwelling, van het oogenblik, en ik werd een klein beetje gestraft, dat is alles.
—Maar de oorzaak om Gods wil!...
—Hoe zal ik zeggen? Mijnheer Bazarof sprak in mijn tegenwoordigheid onbehoorlijk over Sir Robert Peel. Maar ik moet er dadelijk bij voegen, dat het allemaal mijn schuld was en dat de heer Bazarof zich uiterst correct heeft gedragen. Ik heb hem uitgedaagd.
—Ik zie bloed.
—Dacht je dan dat ik water in mijn aderen had? Ik verzeker je, dat die kleine aderlating meheel goed zal doen. Is het niet, dokter? Help me in het rijtuig en haal je geen muizenissen in het hoofd. Morgen ben ik weer hersteld. Ja, ik heb me zelden zoo goed gevoeld en zoo opgeruimd. Vooruit koetsier!
Nikolaas volgde te voet. Bazarof was achtergebleven.
—Ik verzoek u, mijn broeder in behandeling te nemen, zei Nikolaas totdat we een geneesheer uit de stad hebben.
Bazarof boog zwijgend het hoofd.
Een uur later lag Paul Petrowitsj in bed en zijn been was volgens de regelen der kunst verbonden. Het heele huis was inopschudding. Fenitsjka was ziek geworden. Nikolaas was wanhopig en Paul praatte en lachte, vooral met Bazarof. Hij had een batisten hemd en een morgenjasje aan en een fez opgezet. Hij wilde de gordijnen niet dicht hebben en klaagde schertsend over den dieët, dien hij zou moeten houden.
Tegen den avond kwam er wat koorts en hij kreeg hoofdpijn. Er verscheen een geneesheer uit de stad. Nikolaas had niet gelet op het verlangen van zijn broeder en Bazarof zelf had er opgestaan, dat er een collega geroepen zou worden. Hij was intusschen op zijn kamer gebleven, zag er geel-bleek en gejaagd uit en bracht den zieke alleen nu en dan een kort bezoek. Eenige malen ontmoette hij Fenitsjka, die hem met zekeren angst uit den weg ging.
De stadsdokter schreef verkoelende dranken voor en bevestigde de verklaring van Bazarof,dat de wond niets te beteekenen had. Nikolaas vertelde, dat zijn broeder zich uit onvoorzichtigheid zelf had verwond, waarop de dokter met een hm antwoordde; maar toen hij op hetzelfde oogenblik een bankbiljet van vijf en twintig roebel in zijn hand voelde zei hij:
—Ja dat gebeurt zoo vaak.
In het geheele huis ging niemand naar bed.
Nikolaas sloop telkens op zijn teenen naar de ziekenkamer en verdween weer op dezelfde wijze. De gewonde sliep soms in, zuchtte zacht, zei tegen zijn broeder:Couchez-vousen wilde dan drinken. Kirsanof liet Fenitsjka eenmaal een glas limonade brengen. Paul keek haar strak aan en dronk het glas leeg.
Tegen den morgen nam de koorts toe en de zieke begon te ijlen. Hij sprak zinlooze woorden, opende dan plotseling de oogen en toen hij zijn broeder bij het bed zag zitten, bezorgd over hem gebogen, vroeg hij:
—Is het niet, Nikolaas, lijkt Fenitsjka niet op Nelly?
—Welke Nelly bedoel je?
—Hoe kan je dat nu vragen? Vorstin R...! Vooral de bovenzij van het gezicht.C’est de la même famille.
Nikolaas antwoordde niet, maar was diep verwonderd over de levenskracht der menschelijke gevoelens... zoo iets komt toch altijd weer terug, dacht hij.
—Ik houd zoo van dat eenvoudige kind, zoo eenvoudig... klaagde Paul en legde een arm onder het hoofd.
—...ik zal nooit dulden, dat een vlegel haar aanraakt...
Nikolaas zuchtte. Hij begreep niet, op wien die woorden sloegen.
Den volgenden morgen kwam Bazarof bij hem. Hij had zijn bagage gepakt en zijn kikvorschen, vogels en insekten in vrijheid gesteld.
—U komt afscheid nemen, zei Nikolaas en stond op.
—Ja.
—Ik begrijp en geef u volkomen gelijk. Mijn arme broeder heeft zeker ongelijk gehad en hij is dan ook gestraft. Ik weet het van hem zelf, dat hij u gedwongen heeft, zoo te handelen, als u gedaan hebt, u hadt dit duel niet kunnen vermijden. Het heeft min of meer zijn grond in het diepgaande verschil van uw beider levensbeschouwing. (Nikolaas Petrowitsj begon minder duidelijk en minder logisch te praten, hij ademde zwaar). Mijn broeder is prikkelbaar, houdt vast aan oude ideeën... ik dank God, dat alles nog zoo is afgeloopen. Overigens heb ik alles gedaan, om te zorgen, dat er niet gesproken wordt over die zaak.
—Ik zal u mijn adres geven, en als men er toch wat van wil maken, dan kunt u mij altijd vinden, zei Bazarof.
—Ik hoop, dat dit niet noodig zal zijn, Jevgenij Wassiljewitsj. Ik betreur het ten zeerste, dat uw verblijf in ons huis, zoo een einde... Ik betreur het des te meer, omdat Arkadiej...
—Dien zal ik wel zien, viel Bazarof in de rede. Hij hield niet van dergelijke verklaringen en verontschuldigingen.—In ieder geval verzoekik u, hem van mij te groeten en hem mijn leedwezen uit te drukken.
—En ook ik verzoek u...
Maar Bazarof wachtte niet op de rest en ging.
Toen Paul hoorde, dat Bazarof op het punt stond te vertrekken, uitte hij den wensch, hem nog te zien. Hij gaf hem een hand, maar Bazarof bleef als gewoonlijk koel. Hij merkte wel, dat Paul den edelmoedige wilde spelen.
Van Fenitsjka was het hem niet mogelijk afscheid te nemen. Hij keek alleen nog eens naar het venster, waar zij zat. Ze scheen treurig... misschien gaat die wel te gronde... dacht hij... maar waarom zou ze niet...
Peter was zoo onder den indruk, dat hij aan Bazarofs schouder bleef staan schreien, tot deze hem vroeg, of zijn oogen nooit uitgeput zouden raken? Doeniasja moest den tuin in vluchten, om haar verdriet te verbergen. Maar de oorzaak van al dit verdriet nam plaats in een klein rijtuigje, stak een sigaar op en toen hij op vier werst afstand bij een kromming van den weg het huis der Kirsanofs voor het laatst zag liggen, spuwde hij op den weg, knarstandde:
—Verdomde landjonkers!
en hulde zich in zijn mantel.
De toestand van Paul Petrowitsj verbeterde met den dag. Toch bleef hij nog een week te bed. Hij droeg zijn gevangenschap, zooals hij dat noemde, geduldig, besteedde een groot gedeelte van den tijd aan zijn toilet en liet voortdurend met eau de cologne sprenkelen.
Nikolaas las hem de couranten voor en Fenitsjka bediende hem, zooals gewoonlijk met bouillon, zachte eieren, thee; maar ze kon zijn kamer niet binnentreden zonder een innerlijken schrik.
Iedereen in huis was overstuur door de jeugdige dwaasheid van Paul Petrowitsj. Alleen Prokofitsj sprak erover met groote gelatenheid en gemoedsrust. In zijn tijd hadden de heeren zoo dikwijls gevochten, zei hij, maar altijd onder elkaar en nooit met zulke ploerten, als die... Zulke individuen liet men in den stal afranselen, als ze onbeschaamd werden.
Fenitsjka had geen gewetenswroeging. Maar rustig was ze toch niet, vooral als ze soms iets van de ware oorzaak begon te vermoeden. En dan kon Paul Petrowitsj haar zoo vreemd aanzien... ze voelde dien blik nog, als ze hem den rug toekeerde. Tengevolge van deze onrust, werd ze magerder en, zooals dat meestal is bij vrouwen van haar leeftijd, nog mooier.
Op een morgen had Paul, die zich beter voelde, het bed verlaten en was op de sofa gaan liggen. Nikolaas kwam vragen, hoe hij geslapen had en ging vervolgens naar het dorschen kijken.
Fenitsjka bracht de thee, die ze bij hem neerzette. Toen ze weg wilde gaan, hield Paul haar tegen:
—Waarom wil je zoo dadelijk weer weg, Fedosia Nikolajevna? vroeg hij haar,—heb je iets te doen?
—Neen... ja... ik moet beneden thee schenken.
—Dat zal Doeniasja wel doen, als jij er niet bent. Blijf nog wat bij een armen zieke. En ik wilde ook met je spreken.
Fenitsjka ging zwijgend op den arm van een leunstoel zitten.
—Ik wilde je al lang eens vragen, begon Paul en trok aan zijn snorharen, of je bang voor me bent, en waarom?
—Wie, ik?
—Ja, jij. Je kijkt me nooit recht in het gezicht. Je geweten schijnt niet heelemaal zuiver.
Fenitsjka bloosde, maar keek hem aan. De uitdrukking van zijn gezicht was zoo vreemd, dat ze begon te beven.
—Is je geweten zuiver? vroeg hij haar.
—Waarom zou het niet zuiver zijn? vroeg ze zacht.
—Ik weet het niet. Heb je hier iemand in huis te kort gedaan? Mij zeker niet. Iemand anders? Het lijkt me niet waarschijnlijk. Mijn broeder? Ook niet, want je houdt van hem...
—Ja, ik houd van hem.
—Van ganscher harte? Met lijf en ziel?
—Ik heb Nikolaas Petrowitsj lief van ganscher harte.
—Werkelijk? Kijk me eens aan, Fenitsjka (het was voor het eerst, dat hij haar zoo noemde). Je weet, dat liegen een groote zonde is...
—Ik lieg niet, Paul Petrowitsj. Als ik niet van Nikolaas Petrowitsj hield, verdiende ik niet, dat ik leef.
—En je zou hem voor niemand opgeven?
—Voor wien zou ik dat doen?
—Voor wien? Wie weet! Bij voorbeeld, de man, die ons onlangs verlaten heeft.
Fenitsjka stond op.
—In Gods naam, Paul Petrowitsj, waarom plaagt u me zoo? Wat heb ik u gedaan? Hoe kunt u zoo iets zeggen?
—Fenitsjka, antwoordde Paul droevig,—ik heb alles gezien...
—Wat hebt u gezien?
—Daar in het prieel.
Fenitsjka bloosde plotseling tot achter de ooren.
—Kon ik daar wat aan doen? stotterde ze.
Paul richtte zich op.
—Voel je je in geen enkel opzicht schuldig?
—Er is maar één man op de wereld, dien ik lief heb en zal lief hebben, dat is Nikolaas Petrowitsj, antwoordde ze met plotselinge heftigheid, ofschoon de tranen haar nog de stem verstikten,—en over wat u gezien hebt, hoef ik mij geen verwijten te doen, dat kan ik bezweren. Ik wil liever hier op de plaats dood blijven, dan verdacht worden, dat ik mijn weldoener zou bedrogen hebben.
Haar stem werd weer zwak en zij voelde, dat Paul Petrowitsj haar hand nam en krachtig drukte.
Ze keek hem aan en schrok heftig. Zijn gezicht was nog bleeker dan anders, in zijn oogen een zeldzame fonkeling en éen enkele dikke traan, die over zijn wangen rolde...
—Fenitsjka, zei hij nauwelijks hoorbaar, heb mijn broer lief, heb hem lief. Hij is zoo goed en verdient het, dat je hem lief hebt. Geef hem niet voor niemand in de wereld en luister niet naar de mooie woorden van anderen. Niets is verschrikkelijker, dan onbeantwoorde liefde.Blijf hem trouw, mijn armen, goeden Nikolaas!
Fenitsjka weende niet meer. Ze stond zoo verwonderd, dat ze ook niet bang meer was. Maar ze kon geen woord meer uitbrengen, toen Paul haar hand greep en tegen zijn oogen drukte, nog eens greep en krampachtig snikkend aan zijn lippen bracht... ...God, dacht ze, zou dat een aanval zijn...
Ze vermoedde niet, dat het verleden op dit oogenblik pijnigend in hem openbrak, alles wat zijn hart geleden had, weer trilde en begon te bloeden.
De traptreden kraakten onder vlugge voetstappen. Hij stootte haar van zich en legde zijn hoofd op het kussen.
De deur ging open en Nikolaas trad binnen, opgewekt, het gezicht frisch en rood. Mitja, even frisch en rood als hij, danste op zijn arm en trapte met zijn bloote voetjes tegen de knoopen van zijn vaders jas.
Fenitsjka ijlde hem tegemoet. Heftig omhelsde ze hem en haar kind en legde toen haar hoofd tegen zijn schouder. Nikolaas scheen verrast. Schuw en teruggetrokken als zij was, veroorloofde Fenitsjka zich nooit dergelijke ontboezemingen in tegenwoordigheid van derden.
—Wat is er? vroeg hij, zag zijn broeder aan en gaf het kind aan de moeder over.
—Je voelt je toch niet minder? vroeg hij zijn broer, en ging naar hem toe.
Paul verborg het gezicht in zijn batisten zakdoek.
—Neen, neen... integendeel... ik voel me veel beter...
—Je had in bed moeten blijven, zei Nikolaas,—waar ga je heen? vroeg hij Fenitsjka, maar deze had de deur al achter zich dicht geslagen.
—Ik kwam je mijn kleinen deugniet eens laten zien. Hij wilde zijn oom een bezoek brengen. Waarom heeft ze hem nu meegenomen? Maar wat heb je toch? Is er iets gebeurd tusschen jullie?
—Broeder! begon Paul Petrowitsj op plechtigen toon.
Nikolaas beefde. Een gevoel van doodelijken angst kwam over hem, waarvan hij zich geen rekenschap kon geven.
—Broeder! herhaalde Paul. Beloof me, het verzoek, dat ik je doen zal, uit te voeren!
—Wat wil je, Paul?
—Iets zeer belangrijks. Je levensgeluk hangt ervan af. Ik heb den laatsten tijd dikwijls nagedacht over wat ik je nu ga zeggen. Broeder, doe je plicht, de plicht van een man van eer, en maak een einde aan de onbehoorlijke verhouding, waarin je leeft, jij vooral, de beste van alle menschen, broeder!
—Wat beteekent dat Paul?
—Trouw Fenitsjka... ze heeft je lief, ze is de moeder van je zoon.
Kirsanof deed een stap achteruit en sloeg de handen in elkaar.
—En jij geeft me dien raad, Paul, jij, die zulke huwelijken altijd gehaat hebt. Jij geeft me dien raad. Weet je wel, dat de eenige reden, waarom ik niet allang gedaan heb, wat ik als de heiligste plicht beschouw, eerbied voor jou was?!
—Dan betreur ik het, dat je dien eerbied zoo ver gedreven hebt, antwoordde Paul met een droevigen glimlach.—Ik geloof, dat Bazarof gelijk had, mij een aristocraat te noemen. Ja broeder, het wordt tijd, dat we eens ophouden, te handelen met het oog op de wereld. Wij zijn oud en het leven heeft ons bescheiden gemaakt. Laten we al die dwaasheden afwerpen, laten we onzen plicht doen en dan is het niet onwaarschijnlijk, dat we het geluk dan op den koop toe krijgen!
Kirsanof omarmde zijn broeder.
—Je hebt me de oogen geopend, riep hij uit.—Ik heb je altijd beschouwd als een goed verstandig man. Ik zie nu dat je ook wijs en grootmoedig bent.
—Stil, stil, antwoordde Paul Petrotwitsj.—pas op voor het been van je grootmoedigen broeder, die met zijn vijftig jaar nog geduelleerd heeft als een tweede luitenant. Dus afgesproken. Fenitsjka wordt mijnbelle-soeur!
—Paul, Paul... wat zal Arkadiej zeggen?
—Arkadiej zal gelukkig zijn, wees daar zeker van. Het huwelijk is wel tegen zijn principes, maar zijn gelijkheidsgevoel zal gevleid worden. En wat beteekenen al die verschillen ook, die standen in de negentiende eeuw!
—Och Paul, laat mij je nog eens omhelzen, wees maar niet bang, ik zal je been niet bezeeren!
De broeders omhelsden elkaar.
—Zullen we haar je besluit dadelijk meedeelen? vroeg Paul Petrowitsj.
—Waarom zoo een haast? Heb je hierover gesproken?
—Gesproken?Quelle idée!
—Des te beter. Eerst gezond worden. Het loopt zoo een vaart niet. Eerst rijpelijk overleggen...
—Maar je bent toch besloten?
—Zeker, en ik dank je, dat jij me zoover hebt gebracht. Ik laat je nu alleen. Je moet gaan liggen. Al die opwinding zal je geen goed doen. We spreken er nog over. Probeer nu te slapen, en dan word je gauw weer gezond...
Waarom die dank? dacht Paul, toen hij alleen was... het hangt toch alleen van hem af. En als hij getrouwd is, ga ik hier vandaan, naar Dresden of Florence en daar leven, tot ik krepeer...
Paul sprenkelde eau de cologne op zijn voorhoofd en sloot de oogen. In het helle daglicht, dat de kamer binnenviel, leek zijn fijn, mager gezicht op het gipsen afgietsel naar een doode.
En hij was ook werkelijk een doode...