Chapter 4

—Ik zal den sleutel van je kasteel voor je weervinden. Zal je er mij dan brengen?

—Ja: dàt zal ik!

De blauwe sprookjes-oogen dankten; en het molenrad zong, en het beekje gleed het dal in, en het dal wist weldra van den prins, die mìsschien sterven zou….

En het beekje zong vrede, en het meisje en de jonge man spraken niet. Zij zag naar het beekje en naar het getril van stille golfjes, en hij zag haar aan. Ze kon ongeveer vijftien jaar zijn; maar was zoo teer en fee-achtig, dat men ook gelooven zou, dat ze niet ouder was dan tien.

Uit haar oogen keek een wonder-diepe ernst, die niet echt kinderlijk was. Het kwam hem voor, dat ze niet gezond kon zijn, en misschien, naar den geest vroeg rijp, spoedig van den levensboom zou afvallen. Haar lokken, lichtblond, en krullende even over haar schouders heen, omlijstten het doorschijnend, roze-bleeke gezichtje, met den roerenden oogen-ernst een geheel vormende, dat wonderlijk afstak bij het kinderlijke van haar manieren.

Haar figuurtje, nog dat van een kind, en haar kleeding, zonder den smakeloozen opschik dien men in den burgerstand zoo vaak aantreft, waren onbeschrijfelijk sierlijk in alle houdingen.

Ernst, voornamen eenvoud en kinderlijkheid, zei de verschijning tot den jongen man, die haar als een wonder aanzag.

Zou ze nu wezenlijk denken, dat ik een prins ben? vroeg hij zichzelf af. Of speelt ze, onbewust doorgaande op haar sprookjes-denken, zooals een kind, dat moedertje speelt met haar pop, en de pop laat eten en drinken, hoewel ze weet dat ze het niet kan, en tegen de pop praat, hoewel ze weet dat die haar niet hoort? Zou ze mij begrijpen? Of spreekt ze maar mee, in een sprookjes-gedachtengang…?

Het kind zag weer op, en de roerende oogen-ernst drong in zijn oogen.

—Als je naar den hemel gaat, vóórdat ik den sleutel van het kasteel heb gevonden, zal je mij dan meenemen? vroeg ze.

—En je vader dan?

—Vader zal me niet missen; hij heeft zooveel te doen!… En… er is iemand in den hemel, die me graag bij zich zou hebben.

—Moeder zeker…, zei de jonge man zacht.

Het kind knikte.

—Nu moet ik weg!—een klein lachje gleed over haar zacht gezicht. Je gaat zeker ook heen straks.

—Ja, straks.

—Zal je weer komen?

—Ja, ik zal komen… als ik kan.

—Ik ben anders bang van menschen, zie je! Vader zegt, dat ik niet deug, omdat ik de menschen nooit aanzie. Maar dat komt, omdat ik ze niet mooi vindt. Vindt jij de menschen mooi?

—Neen, meestal niet. Maar er zijn er toch die mooi zijn… en… wij zijn toch ook menschen?

—Neen, dat geloof ik niet!

—Wat zijn wij dan?

—Als ik menschen niet durf aanzien, en beesten wel, en bloemen ook wel, en jou ook… dan geloof ik niet dat jij een mensch bent!

—Misschien niet!

—Waarom zeg je altijd misschien?

—Omdat ik zoo weinig weet.

Het kind bleef nadenkend staan, en zag hem aan. Zacht schudde ze weer het blonde hoofdje.

—Dat geloof ik niet. Je zegt het uit goedheid!

Toen sprong ze tegen den kant op; en na een klein knikje verdween ze tusschen de wilde rozen.

En het zwarte rad weefde voort zijn webben van zilver water, en het beekje gleed het dal in, en de prins zag droomerig toe.

En het beekje vertelde van het blonde meisje, en van den prins, en van den verloren sleutel, en van den hemel waar moeder wachtte………….

Twee lange dagen zag het beekje het blonde kind niet. Het regende al dien tijd, en ontevreden deed het zijn werk achter de trieste, donkere dennen.

Den derden dag keek de zon weer in het dal, en het blonde kind wachtte tusschen de rozenstruiken op den prins.

De rozen, een beetje verrégend, gooiden moe roze blaadjes weg, toen het kind hen aanraakte. Ze nam er een paar, en wierp die in de beek.

—Als ze blijven steken op steenen of zand, dan komt hij; anders komt hij niet … zei ze, zich vooroverbuigend om te zien.

Maar de lichte blaadjes huppelden over 't water, verder en verder, tot zij ze niet meer zien kon.

—De prins komt niet … zei ze, neerzittende onder de dennen, bij 't bezige molenrad, dat water wond, en schepte, en rondspatte.

—De prins komt niet … herhaalde het beekje en gleed heen.

—De prins komt niet … zongen de wilde rozen.

En de ernstige kinder-oogen volgden het wentelend rad zonder te zien; en de rozen vlijden geuren om het stille hoofdje, en ver, héél ver, zongen de dennen ook van den prins; en toen 't avond werd, gleed het beekje het dal in, en vertelde, dat 't blonde meisje nog altijd bij 't rad zat. En toen de maan koel-verbaasd door de donkere dennen keek, zag ze het stille figuurtje, dat niet bewoog, en àl maar tuurde naar 't donkere rad, zonder te zien de wit-zilveren webben die 't maakte, en àl maar luisterde, zonder te hooren wat 't beekje vertelde, met lichte, lieve woordjes in den blank-reinen maan-avond.

Den volgen dag kwam de prins.

't Was tegen den avond; en onder zijn arm droeg hij een groot boek. Met een sprong was hij over 't beekje, en lei zijn boek, een boek met sprookjes, bij den wilden rozenstruik, en verborg zich aan de andere zijde van het steenen brugje, waar de brandnetels stonden.

Even daarna kwam het blonde kind bij den rozenstruik, en zag het boek.

Ze nam het op, en ging zitten, het doorbladerende.

Toen keek ze rond.

—Dank je, prins! zei ze hardop, nam het boek, en ging den molen in.

De jonge man zag, hoe dadelijk daarop een raam van het woonhuis bij den molen verlicht werd.

—Nu gaat ze lezen, zei hij bij zichzelf, en ging langzaam heen.

Den volgenden dag waren het meisje en de jonge man tegelijk aan den oever van het beekje, op dezelfde plaats waar ze elkaar het eerst gezien hadden.

—Dank je, prins, zei het meisje, staande bij den rozenstruik.

En de prins wierp zich in 't gras, met een lachje door het droeve van zijn moe gezicht heen.

—Is 't héél mooi? vroeg hij.

Het kind knikte, met diep dankenden ernst in de donker-stralende oogen.

—Kom hier, bij 't molenrad, zei ze zacht.

De jonge man sprong luchtig over 't beekje, en volgde haar achter de wilde rozen in 't donker van de dennen.

Hij bleef staan; maar ze ging zitten, hem met haar oogen vragende dit óók te doen. Zoo zaten ze stil bijeen…. En 't zwarte rad woelde donkere water-webben in 't duister van de dennen, en de avondsluier daalde over het dal en over den molen.

De jonge man luisterde; en terwijl hij hoorde van 't klaterende water het mooiste en liefste wat hij ooit hooren zou, kwam er een glans over zijn droef gezicht, en een licht in zijn oogen. Het meisje zag hem aan, en lachte met een ernstig lachje, toen hij háár aanzag.

—Dank je, kleine prinses, zei hij, zijn hand naar haar uitstrekkende.

Toen vlijde het blonde meisje heel zacht het hoofd tegen zijn schouder, en weer zaten beiden onbeweeglijk stil, en dachten ieder hun eigen gedachten.

De prins dacht aan zijn kasteel, en hoe hij het weer zou binnentreden met nieuwe schoonheid; en het meisje dacht aan den prins, en hoe ze hem haar grootste geluk mee deed genieten.

Toen de prins opstond, lei hij zijn eene hand op de blonde krullen, en met de andere hand hief hij het teere hoofdje op, zoodat de groote vraag-oogen recht in de zijne zagen.

—Dank je prinses, zei hij nog eens. Ik heb den sleutel van mijn kasteel hier teruggevonden, bij 't molenrad. Nu ga ik weer in het kasteel wonen, en jij zult daar bij me wezen…. Begrijp je me?

De ernstige oogen, droevig, zeiden ja….

—En als het beekje je weer verhaaltjes vertelt, schrijf ze dan op, voor mij. Ik zal je niet vergeten, waarlijk niet: nóóit, klein prinsesje! Bewaar die verhaaltjes dan voor mij…. Misschien zullen wij er dan óók mooie boeken van maken…. Later … want ik zal je niet vergeten!—Zul je het doen?

—Ik zal het probeeren!… zei 't kind ernstig. Er nokte iets in haar keel, zoodat ze moest slikken. Toen sloeg ze de armen om zijn hals, en kuste hem.

—En als het boek, dat ik je bracht, uit is, zal ik je er weer een brengen, zoolang ik kan … zoolang ik kan…. Maar nu moet ik gaan. Dag prinsesje!

—Dag prins! zei 't kind, en weer nokte 't in haar keel. Toen, met een snik, sprong ze weg in 't duister. De jonge man stond nog even bij 't molenrad, en ging toen over de steenen brug het dal in, langs het beekje, dat heengleed als gisteren, en als eergisteren, zooals het nu nog heenglijdt, langs de groene oevers, langs de zingende bosschen.

Nog een paar malen kwam het blonde meisje bij 't zwarte molenrad; maar moe en dof zagen haar oogen 't wemelend gewentel aan. Toen kwam ze niet meer; maar bleef in den molen.

En het zwarte rad weefde zijn glinsterende webben in 't licht, en zijn duistere in den nacht, en klaagde en riep om 't blonde kind, dat maar niet kwam.

En onwillig deed het beekje 't werk, dat het wel doen moest om te kunnen ontsnappen; en loom gleed het heen in de bedding die het zelf gemaakt had, langs de brandnetels bij 't verweerde brugje, langs de braamstruiken, de distels en de grashalmen. Het gleed door het stille dal het dorp in, waar het vertelde, hoewel niemand luisterde, van het kind met de sprookjes-oogen, dat maar àl wegbleef.

Toen, op een helderen najaarsdag, de wilde rozen droegen glanzend-roode bottels tusschen hun gelende bladeren, kwamen weer zwart gekleede mannen over het brugje; en toen ze heen gingen, droegen ze een zwarte kist. Het blonde kind, met de sprookjes-oogen ging naar moeder….

De witte man die in den molen woonde, volgde hen: ouder en meer gebogen, dan toen hij eenmaal achter die andere kist ging; maar er even strak en stuursch uitziende. Toen hij over het brugje ging, keek hij even opzij naar 't zwarte rad, dat stil stond, klemde toen stijf de lippen opeen, en volgde de mannen, die de kist droegen, het dal in.

En 't beekje huppelde angstig den somberen stoet na, vragende, niet begrijpende…. Het volgde de zwarte kist zoolang het kon, klagend vragende, tot in het dorp, waar het schreiend murmelde langs de huizen, niet begrijpende….

De brandnetels bij 't verweerde brugje zagen de zwarte mannen na, en schudden langzaam hun nu bruin-groene krullokken. Ze wisten dat de lieve God hen weldra plukken zou, zooals hij het blonde mensch-bloempje geplukt had, dat beter thuis zou vinden in Zijn hemel dan op de aarde.

Twee dagen later, het zwarte rad wentelde weer, werd er een nieuw sprookjesboek gebracht: voor 't kleine prinsesje, van den prins.

De witte man, die 't boek aannam, opende het niet, maar lei het weg, bij nog andere boeken, en bij groote vellen wit papier, beschreven met een stijve kinderhand. Toen, niemand zag het, beefden zijn anders zoo rustige lippen, en een paar groote tranen werden weggeveegd met de bovenzij van zijn ruwe hand.

Later schreef hij een moeilijk leesbaar briefje aan den prins, wiens adres in de boeken stond, omdat hij ze zelf gemaakt had.

Toen de prins het wonderlijk briefje kreeg, luidende: "Mijnheer, stuur geen boeken meer. Het kind is gestorven. U is vriendelijk bedankt."—zat hij lang, recht voor zich uit te staren; en zei toen zacht voor zich heen:

—Arm kind!… Arm prinsesje!

Arm kind, arm prinsesje, dat de macht van het woord onbewust bezeten had, zooals hij het bewust bezat, en een streven naar schoonheid, even groot als hij. Arm prinsesje, geboren met hoog-vorstelijk bloed in de aderen, dat nu nooit koningin zou zijn, zooals hij koning was geworden.

Lieve, reine herinnering, waar hij zooveel aan te danken had, en die als een schoon beeld voort zou leven in zijn werk en in zijn gedachten.

Arm kind, arm prinsesje, gestorven … dood … weg … in 't eeuwig, zwart geheim!…………

De zomer, die volgde op een langen winter, waarin de molen als dood in het dal had gelegen, zag weer het zwarte, bezige rad zilveren glans-waden weven, en kleurvonkende droppels spatten, naar de wilde rozen, die toezagen in roze verwondering, wijd open.

Hij zag weer het beekje het dal inglijden, nadat het werk gedaan had bij den molen, waar het rad rond wond en woelde en zong en ruischte onder de donkere dennen; en hij hoorde het beekje vertellen, klagelijk murmelend: van het blonde meisje dat eenmaal woonde in den molen van het dal, waar de brandnetels groeien, totdat de lieve God-zélf ze plukt.

Van Marie Metz-Koning verscheen bij C. A. J. van Dishoeck te Bussum:

VAN 'T VIOOLTJE DAT WETEN WILDE. Vijfde druk. Teekeningen en band van S. Moulijn. Ing. f 0.90. Geb. f 1.30.

HET BEELD OP DE ROTS. Tweede druk. Met 5 lithografieën en band van S. Moulijn. Ing. f 2.90. Geb. f 3.75. LUXE-UITGAVE. 50 genummerde exemplaren. De steenteekeningen (Epreuve d'Artiste) gedrukt op Japansch papier. Gebonden in perkamenten band f 10.-.

GABRIËLLE, Omslag en bandversiering van J. Toorop. Vierde druk. Ing. f 1.50. Geb. f 2.25. Gewoon geb. f 1.90.

GABRIËLLE. Tweede Boek. Bandversiering van J. Toorop. Tweede druk. Ing. f 1.90. Geb. f 2.65. Gewoon geb. f 2.30.

DOMINEE GEESTON. Omslag en bandversiering van HermanTeirlinck. Ingenaaid f 3.50. Gebonden f 4.25.

VERZEN 1e (2e druk) en 2e bundel. Met portret. Gedrukt op gescheptHollandsch papier. Ingenaaid f 1.75. Gebonden f 2.50.

NACHT-SILENE. Illustratiën en band van S. Moulijn. Tweede druk. Ingenaaid f 2.90. Gebonden f 3.90.

VAN EEN SCHOONEN DAG. Ing. f 2.90. Geb. f 3.90.

INTERMEZZO. Ingenaaid f 2.50. Gebonden f 3.25.

PETERKE'S BEELDENSTORM en andere Dorpsgeschiedenissen. Ingenaaid f 2.50. Gebonden f 3.25.

Een fraai uitgevoerd PORTRET in Heliogravure, gedrukt op geschept papier, is verkrijgbaar a f 1.-.


Back to IndexNext