ELZE

Toen ze even om zich heen keek, zag ze, hoe al de witte madeliefjes uitgespreid hadden hun blaadjes, zelf kleine, witte zonnetjes lijkende, zich verdringende om gezien te worden door het Licht; en ze voelde teederheid voor hen, voelde zich boven hen niet meer alleen, nu ze allen te zamen het Licht zochten, en door één Zon gekust werden.

's Avonds, toen het Licht stil uit haar kelk sloop, hoorde ze weer 't babbelen om zich heen van de nu gesloten bloempjes, die in den grijzen schemer als zacht-witte knopjes in 't gras bogen. Ze begreep wel niet, hoe het mogelijk was dat de madeliefjes, die als zij hadden opgezien naar de Zon, nog booze gedachtetjes in hun hartjes hadden; maar het deed haar geen pijn meer ze te hooren, vol als ze was van balsemende Zonvreugde.

De madeliefjes fluisterden:

—Heb je 't gezien?

—Ja; ze doet óók haar bladen open voor de Zon!

—Wat doet die roode kleur zéér aan je oogen!

—Ze is zeker zoo hoog gaan staan, omdat wij anders zouden zien, dat ze ons gouden hart mist!

—Heb je die zwarte sprieten op haar rood kleed gezien!

—Dat is een middel te meer om in 't oog te vallen!

—Ze deed haar kelk maar even los; ze wou zeker 't Licht vangen!

—Ha! ha! ha! Hi! hi! hi! Ha! ha! ha! schaterden al de madeliefjes.

—Wil ik jullie eens wat zeggen! zei een oudachtig bloempje, dat al aan 't uitvallen was, en weldra niets meer zou zijn, dan een groengouden hartje; wil ik jullie eens wat zeggen? Wij zijn door de Zon geschapen naar Haar beeld, met ons gouden hart en witten stralenkrans. De Zon zal naar haar niet kijken! Laat ze maar pronken en bluffen! Erger je maar niet daaraan.

Hóóg op haar stengel, stond de roode tulp boven hen uit, héél stil, in zich wetende haar eigen gouden bloemhart, de goedheid van de sterren, en de liefde van de Zon, die haar morgen-tranen zacht weggekust had. Maar toen de Zon den volgenden morgen haar blij-open kelk binnen-jubelde, zag Ze, op een van de glanzende bloem-bladen, een zwart kruis. Toen kuste Ze de tulp nog teerder dan gisteren.

De madeliefjes konden dat kruis niet zien; want het zat van binnen, en de tulp droeg het hóóg, fier boven hen. Alleen de Zon, die alles weet, wist het. Maar hoe gróót haar leed voor de kleine tulp was, kon de Zon, zoo van ver, niet begrijpen….

En de dag kwam en ging, en er kwamen nog veel dagen. Dagen van licht, en dagen van regen, dagen van grijs, en dagen van blauw, en altijd stond de eenzame bloem daar.

Wel waren de madeliefjes stil geworden over haar.

Er waren er, die heel zachtjes fluisterden: dat de vreemde bloem toch eigenlijk geen kwaad deed!

Dat waren de liefsten…

Er waren er ook, die haar aanspraken, en zeiden hun verwondering.

Dat waren de besten….

Dan waren er ook, die haar verdedigden, zóó dat zij 't niet hooren kon.

Dat waren de moedigsten….

En er waren er ook, die lief, goed en moedig wilden zijn, en hun halsjes rekten om in haar kelk te zien, opdat ze haar zouden kunnen verdedigen, als ze haar eerst begrepen hadden.

De tulp antwoordde altijd zoo goed, zoo vriendelijk ze kon; maar toch met de zekerheid van niet begrepen te kùnnen worden.

De madeliefjes begonnen haar te verdragen; maar bleven toch wantrouwend.

—Ze meent niets van al haar liefheid!

—Deed ze maar wat gewoner, net als wij!

—Maak je bladen wit, en buig je wat voorover! raadden de besten. Je zoudt toch heel wat prettiger leven hebben, als je met ons méé-deed!

De tulp schudde dan even haar kelk. Haar bladen kon ze niet wit maken; en ze wist, dat ze breken zou, als ze zich voorover boog; want hoewel dik, was haar stengel bros en teer.

—Laat me maar!… antwoordde ze vriendelijk.

Je hoeft geen medelijden met me te hebben! Ik ben niet zoo ongelukkig als je denkt! Ik kan je alleen mijn geluk niet laten zien, omdat mijn stengel me zoo hoog houd; anders kon je in mijn hart kijken.

Zoo sprak ze soms met de besten, die dicht bij haar waren; maar die veraf stonden, en haar in de verte zagen pronken met haar brutaal, rood kleed en trotsche houding, in 't oog vallend en rechtop alsof ze dat zoo wilde, haatten haar met al de kracht van hun kleine zieltjes. Ze staken vuurtjes aan, die rond-vraten rondom het hooge vlammende vuur-rood van de bloem, en hoopten zoo, door boozen rook en walm, het schoon van de glanzende, boven hen uitstralende tulp te overstemmen.

………………

't Werd Zomer.—Toen stierven, op een heerlijken, lichten zòn-dag, al de witte madeliefjes.

Een booze, zwarte man met een zeis kwam 't gras maaien waarin ze stonden.

Ring! ring! ring! ging de blinkende zeis door hen heen; en bij troepjes lagen ze in 't doode gras, zelf stervende, hun laatsten blik naar de Zon gewend.

De man met de zeis, verbaasd een tulp te zien staan in een weiland, brak haar van den stengel, en lei haar voorzichtig neer, bij zijn jas, die hij uitgetrokken had, omdat het zoo warm was.

Hij nam haar mee toen 't avond werd, en gaf haar aan zijn vrouw, die haar in een groenig medicijnfleschje voor 't raam zette: een vreemde, roode weelde in 't bruin-vale vertrekje. Daar stond ze nog een poos in groezelig water, wijd open, moe….

Toen vielen een voor een haar glanzende bladeren af.

Ze was gestorven…. Haar gouden hart bleef alleen over.

Toen men zag, dat de tulp uitgevallen was, nam men den stengel uit 't fleschje, en wierp dien buiten, tusschen geurende, bruin-gele muurbloemen, die aan 't huisje leunden; en toen het nacht was geworden, daalden twee gevleugelde sterretjes naar omlaag, en namen haar mee … omhóóg … naar den bloemen-hemel………………

De vuur-roode blaadjes lagen nog op de vensterbank. Eén van de kinderen uit 't arme gezin nam ze één voor één in de hand, ze streelende en mooi vindende met hun satijnglans. Terwijl hij ze bekeek, ontdekte hij tusschen de zwarte sprieten die het rood dooraderden, op een der blaadjes, het zwarte kruis.

—Kijk eens moeder! zei hij: een zwart kruiske in dit blaaike….

Moeder, druk bezig zijnde, maar toch uit vriendelijkheid even kijkend, zei vluchtig:

—Ja jonkske; net een kruiske…. Zoo zie je: diën bloem het óók al zijn kruiske te dragen gehad!…

En ze lachte voor zich heen om haar eigen grap, met een beetje weemoed, dien ze zelf nauw wist.

………………

Al de madeliefjes waren dood. 't Mollige weiland waar ze geleefd hadden, leek nu een kerkhof met recht opstaande paaltjes, graven aanwijzende.

De madeliefjes waren omhoog gedragen, evenals de tulp. Ze moesten nu verschijnen voor den troon der Zon, hun God, die hun ieder hun plaats zou aanwijzen.

In plechtige stilte schaarden ze zich bij den troon en wachtten.

Vol verbazing zagen ze, hoe vol vreemde bloemen de Zon-hemel was: bloemen die ze nog nooit gezien hadden, en waarvan het bestaan hun onbekend was.

Donkere en lichte violen, die hen aankeken en bang maakten met hun starende oogen! Gloeiend-roode rozen en gele en witte! Kleine, bedeesde vergeet-mij-nietjes, blauw als de vroege lente-hemel, schuchter tegen elkaar aanleunende van vrees! Kaktussen met booze kronkel-bladen, die alle bloemgedachten afschrikten! Sierlijke fuchsia's, als danseresjes, met korte rokjes, wit, rood, paars, o! alle kleuren! Pronkende geraniums en ijdele zonnebloemen! Vragende anemonen en wijze, stille reseda's! Bescheiden korenbloemen en brutale klaprozen, en o! nog zooveel meer! Ze waren blij een massa goudgele boterbloempjes te ontdekken, die even knikten, en klaver en paardebloemen, die blikken van verstandhouding met hen wisselden.

Want wat voelden ze zich klein en nietig, daar, tusschen al die vreemde bloemen!

Daar ging de stralende hemelpoort weer open; en een heraut, een deftige, zelfbewuste stokroos, kondigde aan: De tulpen!… boog, en trad terzijde.

Verbijsterd door 't ongewone, zagen de madeliefjes in onafzienbare rijen aantreden: de tulpen. Stralend-roode, stralend-witte, gele, paarse, gevlekte, allen fier rechtop, het gehéél lijkende een vlammend veld… Ze sloten even de oogen, verblind door de stralende schoonheid. Toen zij ze weer openden, zagen ze de Zon glimlachen naar de vreemde bloemen…

Heel zachtjes, dat de Zon het niet hooren zou, zei ieder wat tegen zijn buurtje.

—'t Was dus een tulp, dat vreemde ding!

—Zou zij er ook bij zijn?

—Ze was kleiner dan één van dezen!

—Zie je haar soms?

En ze rekten hun tengere halsjes, en kéken en kéken, en na lang turen en gluren fluisterde het rond onder de madeliefjes: dat "zij" er wàs… "Zij" had tegen een van hen geknikt, en die had nauwelijks durven terugknikken, nu ze haar zag in zoo groot, en blijkbaar geëerd gezelschap. Maar ze had wéér geknikt, en wéér, als een goede bekende… Toen had het madeliefje weerom gegroet. Ze had haar herkend aan een vreemd, zwart aârtje, op haar rood kleed.

Nu groetten al de madeliefjes, "Zij" was immers een goede bekende! Ze was niet eens groot; véél kleiner dan al de andere tulpen! Heelemaal achteraan stond ze! Als ze haar niet gekend hadden, zouden ze haar nooit hebben opgemerkt! Zoo klein was ze onder de tulpen….

Eén voor één traden de tulpen nader, aan den troon der Zon die hen richtte.

Zij richtte hen naar hun aard en hun soort. Ze verweet geen trotsche houding de tulp met haar steilen, rechten stengel; geen rood kleed de roode, geen vlekken de gespikkelde. Heel op 't laatst was het, dat op een wenk van de Zon, onze kleine, roode tulp aantrad.

Ze knikte vriendelijk, toen ze langs de madeliefjes ging, en fluisterde:

—Zie je wel! Ik kòn niet anders. Ik was een tulp: een ander soort bloem dan jullie! Ik wist wel dat ik niet anders kon; maar jullie niet!

Ze lachte nog een keer lief; en toen ze voor den troon der Zon gekomen was, en zich boog, zagen de madeliefjes haar gouden hart, en't zwarte kruis, verborgen in haar kelk, dat ze zoo fier gedragen had … hóóg boven hen uit!………………

Toen bloosden de witte madeliefjes van schaamte, omdat ze haar miskend hadden. Al de topjes van hun fijne, blanke blaadjes werden rood van schaamte.

Wat waren ze bang, dat de tulp vertellen zou, hoe ze gedaan hadden; dat zij hen zou aanklagen!

Maar de tulp deed dit niet. Toen ze haar leven vertellen moest aan de Zon, zooals al de andere bloemen gedaan hadden, haar leven zoo vol van stil leed, zei ze: dat de madeliefjes het niet helpen konden, omdat ze niet wisten. Ze zei: dat de madeliefjes haar geleerd hadden omhóóg te zien, en niet om zich heen … dat ze haar goed hadden gedaan en geen kwaad … dat ze ook trotsch en vreemd had gestaan tusschen hen … dat ze wel eenzaam was geweest … maar dat de Zon haar had getroost … en de sterren!

Toen ze gedaan had het verhaal van haar leven, raakte een zonnestraal het zwarte kruis in haar kelk aan. Dat werd toen een gouden kruis en mocht mee-blinken in het goud van den bloemen-hemel.

Ze mocht héél dicht, héél dicht bij de Zon blijven: bij het Licht dat haar troost was geweest in haar leven.

De madeliefjes bogen zich voor haar; en de liefsten, en de besten, en de moedigsten, juichten:

—Ik wist het wel!

En ze vertelden aan hun buurtjes, hoe ze gedaan hadden met de tulp: hoe ze toch altijd wel goedheid gevoeld hadden voor haar….

En de Zon zag de madeliefjes aan…. Ze zag hun blaadjes rood van schaamte.

Toen zag de Zon de tulp aan, met haar nu gouden kruis; en de Zon, die wel alles weet en ziet, maar van heel uit de hoogte, voelde, nu ze het van dichtbij zag, het groote leed van de kleine tulp. Ze trok even haar stralen in … want … de Zon moest schreien… En boos, héél boos schoten haar stralen den volgenden dag op aarde neer, al de bloemblaadjes van alle madeliefjes rose schroeiende. Want dubbel boos was ze, omdat waarlijk de madeliefjes Haar beeld vertoonden in 't klein, en als kleine, blanke zonnetjes altijd zoo onschuldig opkeken naar Haar.

Na dien tijd werden er geen heel witte madeliefjes meer geboren. Allen hebben rose uiteinden aan hun blaadjes; want de Zon stelde deze straf als een gedachtenis.

En zoo is het gebleven tot op dezen dag.

Daar regeerde eenmaal, in een schoon land een koning, die meende dat hij zeer wijs was; maar in waarheid was hij alleen goedhartiger dan de meeste andere menschen. Hij had een eenigen zoon, dien hij zoo liefhad, dat hij nacht en dag peinsde, hoe hij hem volkomen gelukkig zou kunnen maken.

Reeds toen de prins nog maar een klein kindje was, dat evenals de geringste uit het rijk niets behoefde dan moederzorg, liet die gedachte den koning geen rust; en toen eenigen tijd na de geboorte van den jongen prins de koningin stierf, werd zij zoo groot in hem, dat zij hem boven alles bezig hield.

Hij zag om zich heen mannen en vrouwen, rijken en armen, jongen en ouden, gebogen onder den last van het leven. Hij zag het vergeefs trachten en streven naar geluk, van allen die hem omringden en hoorde hun klachten rond zijn troon dwalen, waar hij zelf zat, peinzens-moede, met een hart vol liefde denkende aan het kind dat hij gelukkig wilde maken, zonder dat hij wist hoe.

Hij las geleerde, wijsgeerige boeken over het geluk. Maar die boeken verwarden zijn gedachten met hun verschillende theorieën.

Toen liet hij, uit alle oorden der wereld, mannen tot zich komen, die bekend waren als wijs en geleerd. Maar de wijze mannen spraken veel woorden, om te verbergen wat ze niet wisten; en onvoldaan hoorde de koning toe.

—Geluk is rijkdom, zei de een.

Maar de koning, die rijk was en niet gelukkig, keerde zich van hem af.

—Geluk is weten, leeraarde een tweede.

Maar de koning, die zag hoe klein het weten was, zelfs van de geleerdsten, durfde het geluk niet aan, op dat weten gegrond.

—Geluk is gezondheid, meende een ander.

Maar de koning, die wist dat er aan zijn hof gezonde menschen waren, die zich daar evenmin gelukkig voelden als een leeuwerik in een net, deed hem zwijgen.

—Geluk is afwezigheid van ongeluk, leerde een volgende; en zette een heel diepzinnig gezicht.

Maar de koning, die wel wist dat de afwezigheid van een slang nog geen duif is, werd ongeduldig. Nog ongeduldiger werd hij, toen weer een ander verklaarde, dat geluk "werken" was; alsof men altijd werken kon!

Hoog richtte hij zich op, en met toornige blikken zag hij rond in de rijen, uit welker midden hij verwacht had het antwoord te zullen hoor en, op de vraag die hem geen rust liet.

—Is er dan onder u geen, die weet te antwoorden op mijn vraag, zooals een deksel, passende op een doos, haar antwoordt bij 't sluiten? Waartoe hebt ge dan, met gerimpelde gezichten zitten denken, totdat uw haren grauw waren, en uw ruggen gebogen? Wat raaskalt ge dan, knikkende als uitgebloeide zonnebloemen, van wijsheid, gij, die niet weet het eenige wat ik u vraag? Werpt uw boeken op een stapel, en steek er de vlam in; maar kom mij niet onder de oogen als volgezogen bloedzuigers, die zich los-dronken van het lichaam der wijsheid!

Leugenaars, comedianten en huichelaars zijt gij! Gaat heen, ieder naar het land waar hij woont, en zegt uw vrouwen, dat ze een schim beminden! zegt uw kinderen, dat ze een leeg omhulsel eerden!

Overmand van toorn, zonk de koning terug in zijn zetel, die hem vriendelijk opnam.

Onder een doodsche stilte trad langzaam naar voren, uit de rijen der wijze mannen, een in monnikspij gehulde grijsaard. Tot den koning genaderd, boog hij zich, en zei:

—O, groote koning, als wij niet weten wat gij ons vraagt, is dit omdat niemand het weet. Want al wat menschen kunnen weten, hebben wij geleerd, gelezen en overdacht. Wij hebben gestaard op de grenzen van het weten, tot onze oogen dof waren en onze harten verdord; en zoo wij nog even wijs zijn gebleven als één vóór ons, is dit niet ònze schuld.

Voor ik, van heel ver, hierheen kwam, heb ik mij, uw vraag voor oogen houdende, zes weken afgezonderd van alle menschelijk verkeer: vastende, biddende, en alleen overdenkende het antwoord dat op die vraag te geven is.

De uitkomst van mijn overpeinzingen geef ik u, als het beste wat ik u geven kan.

Het geluk bestaat uit drie dingen: gezondheid, materieele welvaart, en een door hartstochten vrij gelaten leven. Het geluk is in ons, en we kunnen het alleen bewaren, door het onafhankelijk te laten van alle invloeden buiten ons. Van het begin der schepping af, is de grootste vijandin van het door mij bedoelde geluk, de Liefde geweest. Zij heeft de eerste menschen uit het Paradijs verjaagd; zij heeft oorlogen doen komen over vredige landen, en booze hartstochten doen ontbranden in rustige harten.

Daarom, o wijze koning! zoo ge uw zoon, bij de gezondheid, die hij, zoo wij hopen, behouden zal, bij de welvaart, die gij hem zult trachten te geven, wilt laten verkrijgen den innerlijken vrede, en de rust, die noodig is, om zich zoo gelukkig te voelen als dit een mensch mogelijk is, houd dan verre van hem de liefde, de vijandin van vredig menschen-geluk.

De koning boog het hoofd, en bepeinsde wat de grijze wijze als zijn gedachte geuit had. Toen, hem aanziende, zeide hij met rustige stem:

—Uw woorden lijken mij het meest op echt goud; en mochten zij het al niet wezen, ze verblinden mijn geest van waarheid-schijn. Ga, dat mijn schatbewaarder u geve, loon ver boven hetgeen ge vragen zult!

De grijsaard boog en trad eerbiedig terug.

—Gaat nu allen heen en vergeet mijn booze woorden! vervolgde de koning, zich wendende tot de vergaderde wijzen. Eén onder u, heeft u allen gekroond met de lauweren van zijn geest.

Buigend verstrooiden zich de wijzen, en keerden weer tot hun boeken.

Nu riep de koning tot zich, de bekwaamste mannen uit zijn rijk, en stelde hen aan als leermeesters over zijn zoon. Hij riep hen allen bijeen, en met hen, de vrouw die de diensten eener moeder zou blijven verrichten bij den prins.

—Hoort!… daverde zijn blijde stem, die klonk als trompetgeschal na een overwinning. Ik heb u aangesteld als leermeesters over mijn zoon, den prins, mijn kind en het kind mijner lieve gestorven vrouw, uw gewezen koningin! Gij zult hem leeren al wat gij zelf weet, opdat zijn geest vervuld worde van wijsheid. Ge zult hem spreken van de aarde, en van den hemel; van sterren, zon, en maan; van het vuur dat is in het hart der aarde, en van het water, dat is op haar oppervlakte, en in haar ingewanden. Gij zult hem leeren van plicht en godsvrucht, en alle schoone kunsten. Gij, vrouw, die de plaats vervult eener moeder bij den prins, zult tot hem spreken van goedheid en zachtheid jegens alle schepselen, zoodat geest en hart beide schoon worden. Gij zult hem de dieren leeren beschermen, zooals de goede sterke, den zwakkere beschermt; ge zult hem de bloemen leeren beschouwen, met eerbied voor hun schoonheid.

Maar wat gij allen hem leeren zult, of waarvan gij tot hem spreken moogt, één woord zal uw mond nooit uitspreken in zijn bijzijn: het woord Liefde; opdat zijn ziel kalm en onbewogen door hartstocht moge zijn, en alleen geleid worde door wijsheid, deugd en plicht, zijn gansche leven.

Wie onder u, vergetende dit mijn bevel, in het bijzijn van den prins spreken zal, zóó, dat de gedachte aan Liefde in hem opkomt, en ook hij, die in zijn bijzijn het woord Liefde zal uitspreken, zoodat hij er de beteekenis van zou willen leeren, zal gestraft worden, met de zwaarste straf die door booswichten uitgedacht kan worden.

De leermeesters, en ook de voedster van den jongen prins, bogen zich, als vervuld van eerbied voor de woorden van hun koning. Daarop gingen ze heen, den koning alleen latende in zijn troonzaal, waar het vallende daglicht weifelend hing. En tot duister de ruimte vulde, zat de koning te droomen van het groote geluk, dat hij geven zou aan zijn kind.

Toen de voedster naar buiten trad, om zich weer te voegen bij den prins, die in een gedeelte vanden paleis-tuin speelde, vloog een klein, rood vogeltje driemaal om haar hoofd, en verborg zich zingende in haar hart. Daar zong het maar al door; doch zóó zacht, dat zij zelf het alleen hoorde, en voor zich heen, lachte tegen zijn zang.

De prins was bezig kapelletjes na te loopen, tot ze hem brachten bij de mooiste bloemen, die hij dan plukte, en tot een krans wond voor zijn vader, den koning.

Zoodra hij de vrouw zag komen, die hem tot een moeder was geweest, liet hij de vlinders vliegen, en wierp, in haar armen vluchtende, zijn krans op den grond.

Toen, den lach in haar oogen ziende, vroeg hij:

—Voedster, wat is er in uw lach? wat is er in het lachen van uw oogen?

—Prins, in den lach mijner oogenis, wat er altijd in was, zoodra zij Uwe Hoogheid zagen!

—Voedster, er is iets ànders in uw lach! Zeg mij wàt!… Zeg mij wàt!

Toen werd de vrouw stil, en het vogeltje in haar hart zong luider; maar ze drukte haar hand op haar hart, opdat de prins het niet hooren zou.

—Als mijn prins groot is, zal hij het weten, zei ze. En nu gaan wij uw bloemen brengen aan uw vader, opdat hij zien zal, dat ge voor hem de mooiste vinden kunt.

—Dat deed ik niet, voedster, dat deden de vlindertjes, zei de prins, zijn krans nemende. Ze fladderden … fladderden … fladderden … tot ze bij de mooiste bloemen waren; en ik ging ze na.

—Zoo zullen uw gedachten fladderen … fladderen … fladderen … tot ze bij het mooiste zijn, en gij zult hen volgen; dacht de voedster. Of, men zal uw gedachten moeten vastprikken als opgezette vlindertjes; dan zullen ze sterven voor ze het mooiste gevonden hebben………………

Veel jaren waren heengegaan. De kleine prins was opgegroeid tot jonge-man; en goedheid en verstand waren in hem geworteld als pijnboomen in een rots. Hij liep nu niet meer kapelletjes na, opdat ze hem bij de mooiste bloemen zouden brengen. Zelf kon hij die zeer goed vinden; en als hij ze plukte, was het om ze te geven aan zijn voedster-moeder. Want hoewel hij zijn vader, den koning, eerde en liefhad, de vrouw die hem tot een moeder was geweest, bekleedde in zijn hart de plaats die anders door het sterven van zijn eigen moeder leeg zou zijn gebleven.

Hij was een schoone jonge man geworden; en allen die in zijn omgeving waren, eerden zijn verstand, en de juiste woorden, waarin hij dit kon kenbaar maken. Verre van daardoor trotsch te worden, was dit een reden voor hem, om eerbiedig op te zien tot hen, die hem geholpen hadden zijn geest te ontwikkelen.

Allen die in aanraking waren gekomen met den prins, hadden, gedachtig aan het bevel van den koning, zorgvuldig vermeden het woord Liefde te noemen in zijn bijzijn, of te spreken over onderwerpen, waardoor de prins in zijn gedachte zou kunnen krijgen, dat er op aarde een hartstocht bestond, die soms zoo groote macht over de menschen verkreeg als de Liefde.

Zijn voedster-moeder zag hem dikwijls medelijdend aan; vooral als zij alleen was met den prins, en het zingen van het vogeltje in haar hart niet overstemd werd door rumoer van buiten.

—Wat zou hij nu denken? vroeg ze zichzelve af, als ze de droomerige oogen van den jongen prins met een onbestemde uitdrukking in de verte zag staren. Nu fladderen zijn gedachten als vlindertjes tegen een muur aan, waarachter de bloemen zijn die ze onbewust zoeken. Ze stooten hun kopjes, en van hun wiekjes breekt stofgoud los… Arme prins!

—Waar denkt mijn prins aan? had ze eenmaal gevraagd, toen haar pleegkind over een boek gebogen, met oogen waarin een onuitgesproken vraag zweefde, voor zich heen staarde.

—Dat weet ik niet, voedster. Mijn oogen zoeken soms als ik waak, dingen die ik misschien gedroomd heb.

—Arme prins … dacht de vrouw toen weer; en drukte de hand stijf op haar hart, omdat het vogeltje er in zoo luid zong.

De prins zou weldra meerderjarig zijn; en uit blijdschap daarover, wilde de koning een schitterend feest geven, en een reis maken met zijn zoon door het gansche land, opdat het volk zou kunnen zien en toejuichen, hèm, die eenmaal over hen zou heerschen.

Daarna zou het huwelijk van den prins, met een prinses uit een naburig land, gesloten worden.

De prins kende zijn aanstaande vrouw niet. Het huwelijk dat hij zou aangaan, was hem voorgesteld als een plicht, waaraan hij niet dacht zich te onttrekken.

Hij had echter zijn vader gesmeekt, den dag van zijn meerderjarigheid stil te mogen doorbrengen in het paleis, in zijn gewone, rustige omgeving. En de koning, zijn kind zulk een eenvoudig-geuit verzoek niet willende weigeren, had hierin toegestemd.

Dien dag stond de prins, reeds kort nadat de eerste vogeltjes hun veertjes in den morgendauw hadden losgeschud, voor het verblijf van zijn voedster-moeder, en klopte aan.

Tot zijn blijdschap had de goede vrouw dien dag ook niet korter willen maken dan hoog noodig was, en vond hij haar gereed, ongeduldig wachtend op het oogenblik waarin ze den prins zou zien.

—Nu kom ik u danken!… zei de prins, haar op beide wangen kussende; en terwijl hij zijn arm om haar heen lei, voerde hij de van vreugde blozende vrouw de breede trappen van het paleis af, den tuin in, waar dauwdruppels vonkelden op bloemen en gazon, en een blauw waas, van licht doortrokken, over de verre boomen hing.

De prins sprak eerst niet veel; maar zijn oogen, diep en helder als wijze kinder-oogen, straalden ongewoon vast in zijn verstandig, fraai-gevormd gezicht. Bij een bank gekomen, in een stil gedeelte van het park, zei de prins, zijn gezellin aanziende:

—Voedster, laat ons hier even rusten. Ik heb u iets te vragen, dat u zeker niet verwonderen zal.

De morgen, die met haar heldere hemel-oogen op ons neerziet, zal u de waarheid doen spreken. Immers, gij, mijn lieve moeder, zult niet de eerste onwaarheid willen zeggen die deze morgen op aarde hoort. Ik heb u dit willen vragen, vroeg, héél vroeg, als nog bijna geen schepsel zou waken behalve wij; als het leven nog niet begonnen zou zijn rondom ons, het leven, vaak zoo vol onwaarheid, waarin onze ziel zich kan hullen later op den dag. Zie, moeder: de morgen is jong, onschuldig als een kind; en geen goed mensch kan liegen, als kinder-oogen hem aanzien….

Hier, op deze zelfde plaats, was ik eens bezig met bloemen plukken, toen gij, uit het paleis komende, me in uw armen opving en kuste.

Er was toen iets in uw oogen, dat ik er vroeger niet in gezien had, en dat ik niet begreep. Ik vroeg u, wat de lach beduidde, dien ik zag waar ik hem anders niet zag; en ge antwoordde: dat ik dit weten zou als ik groot was.

Later heb ik nog dikwijls dien lach in uw oogen gezien. Ik ben opgegroeid van kind tot man, wetende dat er iets was dat ik niet wist, en eenmaal weten zou, door u. Als we alleen waren, moeder, heb ik dat gevoeld; en ik heb er veel aan gedacht; maar altijd zweeg ik, vertrouwende op uw belofte.

Nu, voedster, is de dag gekomen, waarop mijn vader, waarop het volk me aanziet als een man. Ik bèn nu groot geworden, niet waar? Zie me nu aan met denzelfden lach in uw oogen, dien ik nooit begrepen heb, en zeg me wat hij beduidt.

De vrouw zag rond. Ze zag om zich heen als een gevangen vogel; en het vogeltje in haar hart, dat jaren lang daar gezongen had, zong nog harder dan anders … en ze lachte, stil voor zich heen, evenals op den dag toen de koning haar verboden had over Liefde te spreken tegen zijn zoon … maar ze zweeg, denkende aan haar belofte.

—Voedster, zei weer de prins, voor haar neerknielende: gij, die goed voor me geweest zijt als een moeder; gij, die me als klein, hulpeloos kindje gedragen hebt in uw armen, gekoesterd aan uw borst, gevoed met uw lijf, laat me niet vergeefs vragen, zoodat ik twijfelen ga aan uw woorden, nu, en voor altijd. Zie, alles om me heen begreep ik, voor zoover menschen kunnen begrijpen: alleen dien lach niet; en juist daardoor moest ik altijd aan hem denken, en vraagde de blik mijner oogen naar zijn oorsprong….

Denk nu aan de belofte, mij gedaan toen ik nog een kind was, en vervul haar, opdat mijn hart zich niet van u moge afwenden zonder lafenis, zooals een dorstige zich afkeert van een verdroogde bron, waar hij vergeefs het water zocht waarnaar hij angstig smachtte….

Toen boog de vrouw als overwonnen het hoofd, Ze vouwde haar handen in haar schoot; en luisterend naar het zingen in haar, neigde ze zich tot den prins, fluisterend:

—Alles hebt ge begrepen, prins, alles, behalve mijn oogen, als ze zwijgend spraken van mijn twijfel aan de wijsheid van grauwe haren en verdorde harten … als mijn oogen lachten om de dwaasheid van grijze mannen, die meenden dat ze u het geluk konden geven, zonder de Liefde. Mijn oogen hebben niet willen spreken prins; maar ze hebben niet kùnnen zwijgen. Ze hebben niet kùnnen zwijgen, wat mijn hart dacht, toen uw vader, de koning, zijn bevel uitvaardigde, dat gij zoudt leven zonder de Liefde te kennen, de Liefde, die het hoogste geluk geeft: het éénige geluk op aarde. En mijn oogen lachten hun zekerheid, dat ook eenmaal voor ú zou opgaan de goudene, gloeiende zon van de Liefde, waarbij uw vroeger leven van kalme tevredenheid zou verdwijnen, zooals een grijze mist-dag zonder kleur heengaat, geen indruk achterlatende.

Nauwelijks had de vrouw die woorden gesproken, of een klein, rood vogeltje vloog op uit haar borst, wiekte driemaal rond haar hoofd en verdween langzaam stijgende in 't hemelblauw.

—Wat heb ik gedaan? riep ze uit, plotseling tot zichzelve komende. Dat mijn oogen blind waren geworden en mijn lippen stom! Om mijn belofte aan u te houden, schond ik de zwijgende gelofte aan uw vader; overtrad ik zijn bevel! Vloek over mij! Vloek over mijn woorden!… Vloek over de waarheid mijner oogen….

De prins had zich opgericht. Hij zag droomerig voor zich uit.

—Waarom, voedster, ken ik alle woorden en hun beteekenis, en alleen niet de beteekenis van het woord: Liefde, dat toch een schoonen klank heeft? Waar kan ik vinden datgene, wat dit woord aanduidt? Ik zoek in mijn herinnering, maar vind daarin zelfs niet den klank van dit woord. Wel moet het van veel invloed zijn, dat men het dus heeft willen verwijderen uit mijn leven….

Voedster, ik sta hier, alleen, hulpeloos, als een blinde die in 't ledig tast. In geluidloos donker ben ik, op een aarde die ik niet ken! Waar kan ik vinden, dat groote, éénige geluk, dat men mij heeft willen onthouden? Zeg het mij, opdat ik zoeken ga!…

Maar de vrouw luisterde niet. Jammerend had ze zich ter aarde geworpen. En haar snikken, dat anders den prins tot tranen zou hebben geroerd, verhardde hem nu, bij de gedachte: men heeft mij bedrogen, mijn heele leven bedrogen; want dat zij zoo schreit, komt, omdat het heel ernstig is en heel gewichtig, wat zij mij heeft verteld.

En hij ging, de vrouw in haar leed latende, volgend zijn zoekende gedachten, alsof hij uit zijn leven weg moest, uit zijn geheel vorig leven weg, het onbekende te vinden daarbuiten, in de onbekende wereld.

Hij ging langzaam heen, den paleistuin uit, een richting die hij nooit gegaan was, naar buiten, al maar blind zoekende, in het duister dat plotseling zijn denken vervulde.

Hij ging maar ál door, ál door, niet hoorende de jammer stem die hem riep, niets hoorende dan het zoeken in hem, naar het weten van Liefde.

De voedster, ziende door den nevel van tranen die gestaag voor haar oogen ging, riep hem, en wankelde hem na, smeekende toch te keeren.

Maar toen hij, niet luisterende, zich al verder en verder verwijderde, sloop ze, gebogen, en als gebroken van leed, naar het paleis terug, en wierp zich voor de voeten van den koning, haar misdrijf uitkermende, en ter aarde wachtende haar straf.

De koning, diep verbolgen, deed haar grijpen en in boeien slaan. Om uitvoering te kunnen geven aan de straf, waarmee hij jaren geleden gedreigd had, liet hij de gemeenste boosdoeners vóór zich brengen, die de gevangenissen bevolkten, hun gebiedende een zoo gruwelijke straf te bedenken, als in hun ontaarde hersens zou opkomen. Vrijheid zou daarna hun loon zijn.

Na een tijdlang met de anderen te hebben beraadslaagd, trad één van hen naar voren, zich krommende voor den koning, die ongeduldig wachtte.

Het was een man, wiens leven een aaneenschakeling was geweest van misdrijven. In zijn met bloed beloopen oogen gloeiden haat en moordlust. Leugen en meineed hadden zijn lippen misvormd; en zijn houding geleek meer op die van een roofdier, dan van een mensch.

Met een duivelschen lach sprak hij tot den koning, die in toornige aandacht luisterde:

—O koning, als ik u zeg, wat ons het afschuwelijkst, het zwaarst te dragen schijnt, geeft ge ons dan allen de vrijheid?

—Ja! duizendmaal ja! zoo waar de zon aan den hemel staat! riep de koning met luid-klinkende stem.

—Welnu, ons lijkt de zwaarste straf: een braaf mensch te moeten zijn, dat zijn heele leven niets doet dan wat goed, eerlijk, godsdienstig en fatsoenlijk is. Alle genot gelegen in stelen, liegen en moorden, moet hij missen. Onopgemerkt en in kleurlooze eentonigheid gaat zijn leven voorbij. Zulk een leven, gekroond door een sterfbed omringd van huilende bloedverwanten en vrienden, is de gruwelijkste straf die we kunnen uitdenken.

En met een afschuwelijken grijns trad de moordenaar terug onder zijn makkers, die een luid "hoerah" aanhieven, dat veel leek op het gebrul van wilde dieren.

Stom van verbazing had de koning den spreker aangehoord. Zijn grijze wenkbrauwen klommen zóó hoog, dat ze zijn haarlokken aanraakten. In het eerst wist hij niets te zeggen. En daar verbazing en woede niet samenwonen op hetzelfde bogenblik in dezelfde ziel, was zijn woede als verdwenen.

Zijn woord getrouw, en wijs willende heeten, hield hij de belofte, gedaan aan de boosdoeners; waardoor langen tijd zijn land onveilig werd gemaakt door roof en moord.

De voedster werd op barschen toon het vonnis meegedeeld. Zoodra ze in vrijheid gesteld was, ging ze heen uit het paleis, na nogmaals den koning te voet te zijn gevallen, hem vergeving smeekende. Ze wilde den prins gaan zoeken, en daarmee het leven van goede werken beginnen, dat haar als een straf was voorgehouden.

De koning zag haar na, gezeten in zijn vergulden leunstoel, waarvan de twee omvattende armen het eenige vriendelijke schenen, in de leege zaal. Een paar groote tranen vielen op zijn kleed: de eerste die hij schreide, na jaren van vrede.

—Hij zal terug komen … troostte hij zichzelf. Hij zal terug komen … zij het dan ook anders dan vroeger … misschien met verwijt in de oogen, met leed om misleiding in zijn ziel. Of, als hij niet dadelijk tot me komt, en zijn weetlust grooter is dan zijn plichts-gevoel, zal hij na een poos weerkomen … misschien geknakt, gebroken, en met het woord "vergeving" op de lippen. Maar weerkomen zal hij! Want in zijn gansche herinnering zal niet de gedachte zijn aan één hard woord van mij, aan één wreede daad, die hem zou kunnen doen vreezen, dat ik mijn hart en mijn armen voor hem zou sluiten. En wat hij ook moge vinden in het leven: eenmaal zal het uur komen dat hij niets verlangt dan tranen … en hij zal weten die nergens te kunnen schreien dan bij mij.

Zoo troostte de koning zichzelf, stil zittende in zijn groot paleis, zoo leeg nu. En toen de sterren een voor een door het duister begonnen te boren, zagen ze, glurende door de hooge boogramen, den armen koning, wachtende en zichzelf troostende, niemand en niets om zich heen willende hebben, dan zijn eigen gedachten aan zijn zoon.

De prins was, al maar droomerig voortgaande, gekomen in een groot bosch, waar sterke, breed-armige boomen den hemel haast onzichtbaar maakten door hun duister-vangend loofdak. Hoog en laag zongen lustige vogeltjes in takken en struiken; en luchtig zweefden geuren om de knoestige, bemoste stammen. Ze zweefden om het hoofd van den prins, vriendelijk als zoet-teedere woorden. Maar de prins, geheel opgaande in zijn gedachten, leefde buiten hetgeen hem omringde.

—Ik wil gaan, ik wil gaan, en zoeken, tot ik zal hebben gevonden: de Liefde, het hoogste geluk … fluisterde hij voor zich heen.

Stil en plechtig als een ledige kerk was het bosch: een ledige kerk waarin alleen een onzichtbare geest heiliging ademt. Opeens hoorde hij ritselen in het lage loof, dat terzijde boog en waaruit een vriendelijk, oud gezicht hem aanzag. Terwijl de prins staan bleef, kwam de eigenaar van het gezicht geheel uit het dichte groen te voorschijn, dat zich trillend achter hem sloot.

Het was een tamelijk oude man, gehuld in een grijzen mantel vastgemaakt om het middel door een koord, dat heen en weer bengelde. Haren en baard waren woest en lang; en het geheel maakte den indruk van een woud, waar nooit een houthakker aan 't werk was geweest, maar waar langs bijna onbegaanbare paden, vroolijke vogels zongen en zonnestralen spelend langs stammen gleden. De vroolijke vogels zongen in de oogen van den man, en om zijn behaarde lippen glimlachte de zon. Hij droeg op den rug een half gevulden linnen zak.

—Goeden morgen! zei hij lustig, met een stem die zoo gezond en frisch klonk, als harslucht uit dennen riekt.

—Goeden morgen! zei ook de prins, toonloos en onverschillig.

—Al vroeg op 't pad! Zoek je iets?

—Ja, antwoordde de prins: ik zoek de Liefde.

—Wel, jonge man, lachte de oude, die zal jou wel vinden, zonder dat je haar zoekt!

—Neen, zei de prins droevig; ze heeft me niet gevonden; en ik kon haar niet zoeken, omdat men mij alles geleerd heeft, behalve dat zij er is. En daar Liefde alleen geluk is, ga ik haar nu zoeken.

—Dan zou ik je toch in ieder geval raden, om te keeren. Hier in 't bosch zal je haar niet vinden. Je zult alleen verdwalen.

—Ik ben al verdwaald! mompelde de prins: Ik ben in een wóórd verdwaald!

—Goede reis dan! antwoordde de man, den zak dien hij even op den grond had gezet, weer op zijn rug ladende: Als dat woord waar je in verdwaald bent de Liefde is, dan zal de tijd je er vanzelf wel uit helpen. Daarin dwaal je maar met je geest; die kan lang zonder eten. Maar als je met je lichaam verdwaalt in dit bosch, kom je om van honger, vóór je er uit bent. Houd dezen weg in ieder geval. Ga al maar rechtuit; dan kom je tenminste tegen den avond aan bewoonde streken. Dorst zal je niet lijden; want verder op is een beekje; en wilde aardbeziën kan je genoeg plukken, om je ergsten honger te stillen. En nog iets, denk er aan: de Liefde heeft honderden gangen, de een schijnbaar al mooier dan de ander; maar ze loopen allemaal dood, op één na.

—Dank je, zei de prins en ging verder.

De heldere, oude oogen zagen den fraai gekleeden jongen man nog even na. Toen verdween de grijze mantel weer tusschen de lage takken langs het pad.

—Heel lang zal hij niet behoeven te zoeken! lachten de spotachtig geplooide lippen, terwijl de scherpziende oogen de hand die geneeskrachtige kruiden zocht, vóórgingen.

De prins wandelde weer langzaam verder, het bemoste pad op, en keek naar den grond, waar zonne-warmte het natte mos begon te grijpen, en den morgendauw opdronk, die zich in fijne druppels aan de fluweelige plantjes had gehecht. Het hief zich op, veerkrachtig en zoo hoog het kon, zoodat zijn voeten traden als over dik tapijt.

Opeens hoort hij zingen. Hij kijkt op, en, omlijst door een stroom van blonde, golvende haren, ziet hij een blank gezichtje, en, als geboeid, in twee heldere, blauwe oogen, groot en open als een lentelucht. Een wit kleedje schemert in zijn denken als een belichaamde droom … het kleedje van een meisje, dat even verwonderd als hij, bleef steken in het liedje dat ze zong:

De vogeltjes zingen 't, en ieder weet,De liefde geeft beide: geluk en ….

Verder was ze nog niet gekomen, toen ze opeens vlak voor den prins stond, dien ze door een kromming van het pad niet áán had zien komen.

—Wie heeft je dat liedje geleerd? vroeg de prins haastig.

—Dat ben ik vergeten, lachte het meisje. Ik heb het altijd gekend!

—Ben jij de Liefde? zei de prins, en greep haar hand, terwijl hij wonderlijk beefde.

Behalve zijn voedster-moeder, had hij nooit anders dan oude hofdames gezien aan het hof van zijn vader; zoodat het ontmoeten van een jong, lief meisje hem als een openbaring was.

Weer lachte het meisje.

—Neen, zei ze, en liet haar hand waar die was. Ik ben Elze maar!

—Maar je weet dan toch dat de Liefde geluk is? Je zingt het immers? Waarom zing je het anders?

—Och, ik zing … zoo maar!… net als de vogels!… dan dit, dan een ander wijsje! Ik heb dit liedje altijd gekend…. Ik denk dat mijn moeder het me heeft geleerd … lang geleden…. Mijn hart zong binnen in me dezen morgen, en dan doe ik het ook…. Mijn hart wou dit liedje zingen…. Maar waarom zie je mij zoo aan? Ik ben Elze maar! Waar ga je heen?

—Ik wil hier blijven!

Nu schaterde een helder triller-lachje van Elze langs de ernstig-luisterende boom-stammen.

—Hier? Nu, goed! Help me dan aardbeziën plukken. Je bent zeker verdwaald! Kom, als mijn mandje vol is, zal ik je mee naar huis nemen. Vader heeft een moeden vreemdeling nog nooit rust en lafenis geweigerd.

Elze trok den prins plagend mee aan de hand, door het dichte kreupelhout, vroolijk lachend om de booze takken, die hen soms niet dóór wilden laten en nijdig achter hen dicht sloegen.

De prins volgde haar gedwee, evenals zij het gelaat met de eene hand beschermend totdat beiden aan een plek in 't bosch kwamen, waar de zon kleine, verleidelijk geurende aardbeziën rijp had gekust.

Elze begon ijverig te zoeken. Haar lange, vroolijke golf-haren zwierden om haar ooren, en bleven soms even vast-haken aan een weelderig gegroeide plant. De prins zag verlegen toe. Hij wist wel hoe aardbeziën groeien, en kende ook hun Latijnschen naam; maar hij had ze nooit met eigen hand geplukt. Aarzelend bukte hij zich, en wierp een mooi, rood vruchtje in Elze's mandje; en weldra zocht hij even ijverig onder de beschuttende groene blaadjes als het meisje, wier helder schater-lachje telkens vroolijk uitschoot, alsof ze 't maar met moeite vasthield achter haar half-open lippen. En als de prins en zij, bij vergissing, hetzelfde vruchtje wilde grijpen, vermengde hun beider lachen zich, en dan raakten de diepe, wachtende hemelen in beider oogen even elkaar aan. Dan bleven de zoekende handen een poos samen, en vergaten het schalks uit de blaren kijkende vruchtje, tot beiden blozend en verward de oogen neersloegen, bang van vreugde.

Eindelijk zei Elze:

—Zie, ik heb genoeg. Draag jij nu het mandje. Ze wierp haar lange haren als een bundel zonnestralen op den rug, en sloop nu alleen het kreupelhout in, telkens even wachtend op den prins, die het mandje met rood-glimmende beziën heel voorzichtig droeg, haar langzaam volgende. Aan het boschpad gekomen, gingen ze een poos sprakeloos naast elkaar.

—Waarom zeg je niets? vroeg eindelijk de prins, omdat het zwijgen hem drukte.

—Omdat jij niets zegt!

Het kronkelende pad volgend, kwamen ze bij een heuvel. Tegen dien heuvel aan, stond half in de zon, half beschaduwd door een grooten boom, een klein huisje met riet gedekt.

—Daar wonen we! zei Elze: Vader en ik.

Op het zachtbruine dak van het huisje, en tusschen de even-ritselende bladeren van den beschuttenden boom, zaten veel witte duiven, die zoodra ze Elze zagen naderen, als groote witte sneeuwvlokken op haar hoofd en schouders daalden, voor zoover zij een plaatsje konden vinden. De traagsten bleven met hun eigenaardig zwiepend wiek-geluid rond haar heen zweven, of stapten als kleine herauten voor haar uit.

Lachend als een watervalletje in de zon, jaagde het meisje hen op, toen ze bij het huisje gekomen was. Ze stiet de deur open, en met een aardig-waardige hand-beweging noodde ze den prins binnen te treden.

—Kom! zei ze: Je zult wel honger hebben.

Een beetje voorzichtig ging de prins zitten, op een van de eenvoudige houten stoelen, die er zoo helder uitzagen alsof ze pas nieuw waren. Voor het raam stonden bloeiende planten; en een groot, houten Christusbeeld zag vriendelijk in het zonnige vertrekje neer. Overal hingen mooi-gedroogde varens, ook glanzend-gele hopranken, en roode eikeblaren.

Elze dekte vlug de tafel. Kalm en onhoorbaar als van een wit katje waren hare bewegingen.

De prins staarde haar aan. Hij wist niets te zeggen. Overal volgden zijn droomerige oogen haar, en hij begon zich te voelen, of hij na lang zwerven eindelijk thuis was.

Toen Elze gereed was, zei ze:

—Vreemdeling, eet en drink!

Maar de prins schudde het hoofd: hij had geen honger.

—Dan wachten we op vader, stelde het meisje voor. Kom mee, buiten op de bank, in de zon. 't Is daar heerlijk nu.

Samen gingen ze zitten op een bank voor het huisje, terwijl de witte duiven om hen heen dwaalden, en hun best deden om door Elze opgemerkt te worden.

Nog altijd zweeg de prins.

—Maar zèg dan toch eens iets! riep Elze eindelijk.

—Ik moet zooveel denken!

—Denk dan maar hardop…. Als 't stil is hoor ik mezelve zoo!…

—Woon je hier altijd?

—Ja, met vader. Vader is eigenlijk boschwachter; maar al sedert jaren verdient hij met zoeken van geneeskrachtige kruiden wat we noodig hebben. Het bosch behoort den koning; maar die is oud en jaagt niet meer; zoodat hij er niet naar omziet, hoe de boomen hier groeien. Ik vind dat wel prettig…. Ze groeien nu zoo mooi! Het geld dat vader eigenlijk moest verdienen, krijgt hij al lang niet meer, en….

—Maar dat komt hem toch toe!

—Ja; maar vader kan niet vragen… en daar heeft hij gelijk in. Men vergeet hem…. We kunnen immers toch leven! Waarom zullen we dan vragen?…

—Maar het is toch zijn recht!

Elze lachte.

—Vader zegt dat Recht dood is, voor hen die 't niet kunnen levend-koopen! Maar als de prins koning is, ga ik naar hem toe, om te vragen…. Vader wordt oud en moet geholpen worden!

—De prins zal zeker helpen!

—Is hij goed?

—Dat weet hij zelf niet!

—Maar jij? Hoe vindt jij hem?

—Ik ken hem niet!

Weer zwegen beiden en zagen droomerig de blanke duiven trippelen, opvliegen en neerdalen. Elze bukte zich, een duifje streelende, dat langs haar voeten vlijde om aangehaald te worden. Haar golf-haar viel zwaar naar voren.

—Wat heb je mooi haar! zei de prins. Zoo zacht en lang!

Elze bloosde van genoegen.

—Vader zegt nog wel, dat ik het moet opsteken of afknippen! Maar ik begrijp niet waarom….

—Neen; dat zou jammer zijn. Mag ik… mag ik het even aanraken….

Elze zweeg. Toen wendde ze haar hoofd af, en zei:

—Och! waarom niet!

Voorzichtig bracht de prins het luchtige, golvende haar bij zijn gezicht, dat hij er in verborg. Toen kuste hij het, terwijl een warme blos zijn wangen kleurde.

De duiven werden onrustig. Ze vlogen op: eerst een paar, toen allen, en verborgen zich tusschen de bladeren van den boom, zoodat ze geheel onzichtbaar waren.

—Je moet weg gaan, zei Elze. Ze had nog altijd haar gelaat afgewend, en vouwde nu stil haar handen.

—Waarom?

—Dat weet ik niet….

Plotseling stond ze op en luisterde.

—Vader!… zei ze, vlug het huisje in gaande, waarvan de deur open bleef.

De prins wilde haar volgen; maar op het pad dat naar het bosch leidde, zag hij denzelfden ouden man komen, die hem 's morgens den weg had gewezen.

Op eenige passen afstand bleef hij staan. De prins stond op. Toen wierp de oude man zijn nu gevulden zak op den grond, en kwam nader. Beide handen lei hij zwaar op de schouders van den prins, en zag hem lang en vast in de oogen.

Toen zei hij langzaam:

—Dezen weg heb ik u niet gewezen; maar ik heet u welkom zooals mijn plicht is… wie ge ook zijn moogt. Uw oogen laten uw ziel lezen; en daar is geen bedrog tusschen die twee. Volg me, en deel ons maal, als 't u niet te eenvoudig is.

Toen volgde de prins den ouden man in het huisje.

Zwijgend gebruikten ze het sobere maal. De prins sprak niet. Alleen Elze vroeg met korte zinnetjes haar vader allerlei dingen, die den prins voorbij gingen.

—Het is vroeg donker! zei eindelijk met nadruk de oude man, terwijl hij opstond.

—Ja, antwoordde de prins. Ik moet gaan!

—Waarheen?

—Dat weet ik niet!

—Vader, kwam Elze helder, en nam de ruwe rechterhand van den ouden man in haar handen: Laat hij hier blijven! 't Is zoo eenzaam voor een vreemde in 't bosch!

—Ik zal meegaan, kind.

De oude man kuste zacht het blonde hoofdje dat zich tegen hem aandrong, en de prins wendde bevend zijn oogen af.

—Kom! zei Elze's vader; zegt elkaar goeden dag! Hij nam een geweer op den rug, en wendde zich naar de deur, die hij open stiet, naar buiten ziende.

—Goede reis, vreemdeling! zei 't meisje, en stak haar hand uit.

—Vaarwel! kwam met droevige stem de prins, en bracht Elze's handje aan zijn gloeiende lippen.

Toen, snel, volgde hij den ouden man het bosch in.

Hoe lang hij geloopen had, wist de prins later niet meer; ook niet, wat hij onder het gaan had gedacht. Alles was in hem tot een wondere smart geworden, die meer op vreugde leek dan op leed; en als in een droom volgde hij…. Nu en dan zei de oude man een paar woorden, met vroolijke, heldere stem. Waar het noodig was, boog hij versperrende takken terzijde, of brak ze af met zijn krachtige, oude handen.

—Nu zijn we 't bosch zoowat ten einde. Zie, daar door die boomen, dien toren, dat is een stad. Naar uw kleeren te oordeelen, zult ge wel geld hebben, om er een goed nachtverblijf te vinden. Vaarwel!

—Vaarwel! zei ook de prins, en bleef somber staan. Wilt ge mij geen hand geven?

De oude man greep met beide handen vooruit, en drukte krachtig de smalle, fijne handen van den prins.

—God zegen u! zei hij, en keerde zich om.

De prins zag hem na zoolang hij kon. Toen volgde hij den aangewezen weg.

De oude man schudde langzaam het hoofd, terwijl hij zijn geweer met een ruk recht schoof. Daar op lachte hij:

—Ik zou wel eens willen weten, of Onze Lieve Heer Adam en Eva zou gescheiden hebben, als zijn kleed mooier was geweest dan haar kleed, of omdat zijn vader een edelman was en haar vader een lijfeigene!

En hij ging snel een rechten weg naar huis.

Zoodra hij zich alleen wist, zuchtte de prins diep… en zag om zich heen, als iemand die ontwaakt.

De groote, sterke boomen stonden doodstil, of ze hun adem inhielden om te luisteren. Hun dooreen kronkelende takken leken wel verwarde gedachten.

Langs de stammen, waar de oude man den prins den kerktoren had gewezen, bloosde zacht licht na van de avond-zon, die al weggezonken was achter het grijze silhouet van de verre stad.

—Hoe mooi! riep de prins en bleef staan. Heb ik de aarde nog nooit zoo mooi gezien, of is er een floers van mijn oogen gevallen!

Hij zag om, naar het zwart-gapende boschpad, dat hij achter zich had gelaten, en bleef met de hand aan zijn hoofd even stil staan.

Toen klonk helder, heel ver klokkengelui van de stad; en de prins, zich recht heffend, ging daarheen, waar het hem scheen te roepen.

Zacht-aan gleed schemer over de landen rond de stad; en er begonnen lichten te flikkeren, terwijl zij zich steeds meer verhief bij zijn naderen.

Toen de prins al dicht bij de donkere huizen kwam, sprak een klein bedelmeisje hem aan. Ze had blond haar en blauwe oogen, die echter in 't half-donker zwart schenen; en ze verkocht zwavelstokken.

De prins stak de hand in zijn zak, en haalde er een goudstuk uit, dat hij in het mandje wiep, waarin het kind haar koopwaar aanbood.

—God zegene u, edele Heer! zei het kind en greep zijn hand vast; maar dat is te veel! Laat ik u tenminste dit bosje zwavelstokken geven. Steek ze bij u. Ze kunnen u van groot nut zijn. Ze verlichten niet alleen, wanneer gij ze aansteekt, de ruimte waar gij u bevindt, maar ze doen u alle dingen en menschen zien, zooals ze zijn; niet zooals ze schijnen.

De prins stak met een mat lachje het pakje zwavelstokken bij zich, en vervolgde zijn tocht.

Weldra kwam hij nu aan een breede straat, waar helder verlichte winkels als vriendelijke oogen blonken.

Er gingen daar veel menschen; ook vrouwen met wonder blank-en-roode gezichten. Er waren er die hem lief toelachten; en de prins, die hen vriendelijk vond, knikte terug. Hij wist niet waarheen te gaan, en bleef even stil staan, toen een mooi, jong meisje op zijn schouder tikte.

—Waarheen ga je? vroeg ze; en haar schitterende, bruine oogen drongen vreugde-belovend in de oogen van den prins.

—Dat weet ik niet!

—Ga met mij mee!

—Ja; zei de prins, en volgde haar, gedachteloos bijna.

—Wat doe je hier! vroeg ze lief.

—Ik zoek!…

—Wat zoek je?

—De Liefde!

Een helder knetterend lachje, als vuurwerk dat een zwart uitgebrand omhulsel nalaat, deed den prins opschrikken.

—Die zal ik je wel geven! Zooveel je maar wilt!

Het meisje stak haar arm door den arm van den prins, en de prins, moe en eenzaam, vond dit prettig.

—Hier woon ik! zei het meisje, een deur openend.

En de prins, koud en moe, voelde zich behaaglijk opnemen in een warm, mollig vertrek, doortrokken met een geur die hem zacht bedwelmde.

—Waarom kus je mij niet? zei het meisje, zich tegen hem aanvlijend.

—Is dit Liefde? vroeg de prins droomerig.

—Natuurlijk! gekke jongen! Natuurlijk! en ze sloeg haar armen om zijn hals en kuste hem.

Zacht weerde hij haar af?

—Is dit het hoogste geluk?

—Natuurlijk! dwaze jongen! en weer kuste ze hem, en weer, en weer.

Toen was 't, of flikkerend koude vlammen tegen den prins opkropen. Ze kropen al hooger en hooger, sloegen boven zijn hoofd uit… en toen wist hij niets meer.

Het was dag toen de prins ontwaakte; en bedroefd zag hij het licht vallen op het vreemde meisjesgezicht dicht bij hem. Hij had van Elze gedroomd; en 't was hem nu, of een leelijk beest tusschen hem en haar was gekomen.

—Is dit Liefde? vroeg hij weer droomerig, en wilde wel schreien.

—Natuurlijk, malle jongen! zei weer 't meisje. Toen dacht de prins aan de gekregen zwavelstokjes.

Haastig ontstak hij er een.

En bij het heldere licht dat het verspreidde, zag de prins het geverfde gezicht van het meisje, en achter haar lief lachje zag hij leugen, en onder haar fraai kleedje zag hij tikken haar hart zonder Liefde, en hoorde hij, hoe het: geld!… geld!… geld!… riep.

Toen wierp de prins al het goud dat hij bij zich had voor haar voeten, en snelde heen.

Zonder op te zien, snelde de prins de pas ontwakende straten der stad door, tot hij buiten was, en het vrije veld, bewaasd van morgen-nevel voor hem uitlag. Heel ver zag hij het bosch waarin Elze woonde; en een groot verlangen welde in hem op.

—Daarheen wil ik! Daarheen! juichte hij, en strekte zijn armen uit.

Hij rustte niet, voor het sombere boschpad hem geheimzinnig had opgenomen in zijn groene armen.

Toen wierp hij zich op 't mos, dankbaar alleen te zijn. Hoe hij den weg zou vinden naar Elze's huisje, wist hij zelf niet; maar hij wilde het bereiken. Als hij zijn oogen sloot, zag hij de witte duiven al dalen op het witte kleedje, en op het blonde hoofdje; zag hij het Christusbeeld vriendelijk neerzien in het zonnig vertrekje, waar Elze heen en weer ging, lief en ijverig; en zichzelf zag hij zitten, en voelde zijn oogen getrokken door al wat zij deed, en zag den wonderen glans die haar omgaf, duidelijk alsof zij bij hem was.

—Zou dit Liefde zijn? dacht hij hardop.

En de groote, sterke, ernstige boomen luisterden, en zwegen geheimzinnig rondom hem. Een lijster begon te zingen, hoog in de takken waar hij zijn nestje had; en stil voor zich, dacht de prins dat dit een antwoord was. Hij sloot de oogen en bleef droomerig luisteren naar het helder getril in 't groene loover.

Zoo viel hij in slaap.

Toen hij wakker werd, krinkelde een streep zon juist waar hij lag, warm in zijn mos-nestje. Hij stond op; en het pad verlatende, drong hij door het dichte kreupelhout, hopende aardbeziën te vinden; want hij begon honger te krijgen. Hij wilde langzaam gaan en opletten waar de zon dalen zou; in de tegenovergestelde richting moest Elze's huisje liggen.

Gelukkig was de prins jong en vol moed; want hoewel hij aardbeziën genoeg vond om zijn honger te stillen, het was lang geen gemakkelijk gaan door het verwaarloosde bosch, waar hij maar soms een eind een soort pad kon volgen, dat zich weldra weer in dicht kreupelhout verloor. Menigmaal moest hij rusten; en de zon stond al laag aan den hemel, toen hij altijd nog doelloos voortging.

Eindelijk zag hij een geknakten tak.

—Hier moet iemand gegaan zijn! dacht hij; en scherp toeziende, vond hij een soort weg, aangewezen door geknakte takjes, en verflenste blaadjes, die hem eindelijk op het breede pad bracht, dat naar Elze's huisje moest voeren.

Hoewel dood-moe versnelde hij zijn pas, en zag weldra het huisje, en Elze, omringd door haar duiven, op de bank zitten.

Met een paar sprongen was hij bij haar; en terwijl de blanke vogels verschrikt opvlogen, knielde hij bij haar neder, haar handjes met kussen bedekkend. Toen borg hij zijn gezicht tusschen de plooien van haar kleedje… en zacht lei Elze haar gevouwen handen op zijn hoofd, terwijl twee groote tranen in haar lieve oogen zwollen….

—Waarom ben je teruggekomen? zei ze, terwijl haar lippen beefden. En ze streelde langzaam het donkere haar van den prins, die tot haar opzag.

—Ik moest, Elze! Ik moest wel!… Zeg… dit is de Liefde zeker… want nu ben ik gelukkig!

Toen zag Elze hem diep in de oogen en knikte met een wonder lachje. Lang, heel lang zag ze hem aan; en toen zag de prins in haar oogen het geluk, als een diep-blauwe zee zonder horizon, waarop de droom van zijn oogen voortgleed… al maar voortgleed….

Elze boog zich voorover en kuste den prins op zijn voorhoofd….

De witte duiven, die eerst gevlucht waren, daalden nu als een zware sneeuwbui op haar neer. De prins ging het huisje in.

Slapend in zijn eenvoudigen, houten zetel, zat daar de oude man. Zijn hoofd leunde achterover, en zijn breede handen lagen gevouwen op zijn knieën.

Eerbiedig wachtte de prins, totdat de vriendelijke oogen onder de zware wenkbrauwen zich openden. Ernstig, bijna toornig, vestigden zij zich op den jongen man.

—Had ik u den weg niet goed gewezen, vreemdeling, dat ge weerkeert! vroeg hij streng. Hoe hebt ge durven komen? En wie heeft u geleid?

—Mijn hart, oude man, zei zacht de prins. Vergeef dat, wanneer het sterker was dan uw wil.

—En wat zoekt het hier?

—Liefde, oude man! En die heeft het gevonden!

—Wie zijt ge, en met welk recht volgt ge uw hart?

—Met het recht dat ieder mensch heeft op geluk…. Maar laat ik u verhalen, en oordeel dan.

Toen vertelde de prins alles: zijn kinderjaren, zijn jeugd, en zijn vlucht uit het paleis van zijn vader, den koning.

—Ge zijt dus prins Ando, zei somber de oude man. Wat wilt ge nu?

—Dat Elze mèt mij gaan zal, en dat gij ons geleiden zult naar mijn vader, bij wien ik uw dochter zal brengen als mijn vrouw.

Maar somber bleef het vriendelijke gelaat van den ouden man; en lang duurde het, voor de stille denkende gestalte bewoog.

Eindelijk stond hij op, en stiet de deur open.

—Elze! riep hij naar buiten.

Weldra kwam het meisje in de open deur, het geheele vertrekje verhelderend door haar wit kleedje, dat licht mee bracht. Achter haar aan liep een van de witte duiven, die op den drempel even toefde en toen heen vloog.

Elze zag angstig den prins aan, en daarop naar het sombere gelaat van haar vader.

—Vader! riep ze, en knielde neer bij den ouden man, die zijn hand op haar blond hoofd lei.

—Deze vreemdeling is prins Ando; hij heeft je lief, en wil dat je zijn vrouw zult wezen, Elze, zei de grijsaard droevig.

—Vader! smeekte Elze, en strekte als om hulp de handen naar den ouden man uit.

—Als Elze dat wil!… zei de prins, nu ook met treurige stem.

Elze begon zacht te schreien, en bedekte de handen van haar vader met kussen. Ze antwoordde niet.

—Ik zal maar heengaan… vervolgde de prins en wendde zich naar de deur.

Toen stond Elze op, en sloeg haar armen om zijn hals; en haar hoofdje tegen hem aanvleiend zei ze zachtjes, fluisterend:

—Blijf bij ons….

—Dat kan niet! zei de prins ernstig. Dat mag ik niet doen.

—Neen! stemde de oude man toe; dat mag hij niet doen. Zoo spoedig hij kan, moet hij terugkeeren, waar zijn vader, de koning, wacht.

—Ik kan geen koningin zijn, vader! riep Elze. Neen vadertje, dat kan ik niet!

En weer knielde ze bij haar vader neer. Somber zag hij op.

—Zal de koning haar erkennen als uw vrouw?

—Mijn vader zal doen, wat ik hem vraag. Nooit heeft hij mij iets geweigerd; nooit klonk van zijn lippen een hard woord. We zullen, als Elze wil, tot hem gaan, en ik zal hem zeggen: zie vader, mijn vrouw, zie hier haar, die mij het hoogste geluk zal geven, het geluk dat alleen in Liefde is!

—Elze wil wèl uw vrouw zijn … maar géén koningin, zei het meisje zacht.

—Ge hebt de Liefde spoedig gevonden prins! En als ik u nu verbood mijn kind met u te nemen, zou haar hart u toch volgen. Ik zal dus aan u, en aan het Noodlot overlaten dit hart te beschermen. Morgen zal ik met u gaan, zoo ge dezen nacht onder mijn nederig dak wilt blijven.

Nu knielde de prins naast Elze neer, en zegenend lei de oude man zijn handen op de twee jonge hoofden, die zich voor hem bogen.


Back to IndexNext