VII.

Er was haat en woede in het gesmak der etende monden om mij heen, die kleinere stukken vleesch genoten.

Men sprak van: „zeker thuis nooit vleesch”, en, dagen daarna, volgden mij nog sombere blikken.

Wanneer het voedsel verzwolgen is, ligt de tafel vol versmade resten, en, na 'tgeen nog op onze borden is, in de pannedeksel teruggeschoven te hebben, leggen wij ons hijgend en blazend op onze bedden, en maken nòg een knoop los.

Karel echter, blijft nog om de pan zweven.

Hij krabt de gestolde jus van de randen en vult daar een kommetje mee. Dat blijft bij zijn bed staan, en morgen smeert hij het op zijn boterham.

Klaas eet een stuk droog brood: „tegen et opbreke van et vet.”

En ik... ach, ik stamel dommelend voor mij heen de eenige troostreden, die mij tot formule geworden is: „ik ben buiten... heerlijk buiten.”

Ik tracht een boek te lezen, maar het is te donker onder het schemerig gewelf; ik kan niet schrijven, want de tafel ligt vol schoensmeer en etensresten.

Daarenboven gaan wij over een uur weer exerceeren, in de modder. Maar ik ben buiten... o, dierbare formule, verlaat mij niet.

Wanneer men zich in de stad heeft opgevoed tot een fatsoenlijk neurasthenisch jongmensch, dan komt in dit landelijk leven van frissche lucht en luiheid de gezondheid u besluipen als een gevaarlijke en afzichtelijke ziekte.

Mijn wangen worden rood en dik... ik ben heerlijk buiten...

Kleilust, Maart 1917.

Nimmer zal hij de roep verliezen vaneen beestmenschte zijn. En toch is hij geen bloederig man. Hij is schuchter en lang en slungelig; het puntje van zijn neus is doorgaans rood van koude, en als hij een blauwen plek heeft, smeert hij dien zesmaal per dag in met zalven en heilzame kruiden, die zijne moeder hem toezendt. Maar hij is uiterst zenuwachtig, en daardoor doet hij wel eens dingen van zóó bloederigen en afschuwelijken aard, dat wij, die toch niet voor een klein geruchtje vervaard zijn, vol afgrijzen het gelaat afwenden.

Voor 't eerst uitte zich zijn fatale aanleg bij een onlangs gehouden velddienstoefening.

Een vijandelijke afdeeling kwam zich overgeven aan de wacht, die hij commandeeren moest. Nu gaat het commando in den regel iemand, die slechts gewend is te gehoorzamen, niet goed af.

Zoo was het dan ook meer ongewoonte dan buitengewone vrees, die zijn stem deed overslaan, toen hij riep: „wapens neerleggen, handen opheffen”.

De vijanden legden hunne wapens op den weg, en staken hunne handen in de hoogte; twee dier handen waren met helderwitte wol bekleed, en behoorden aan een wapenbroeder, die op deze wijze, zijn simpele uniform ten spijt, bewijzen wil, welke een „beslist-prima heer” hij in de burger-maatschappij wel is.

Mijn vriend aarzelde. Hij wist niet, wat hij met de nu onschadelijke vijanden doen moest. Deze bleven met omhooggestrekte armen staan. Om de lippen van den beslist-prima-heer-met-witte-handschoenen, speelde een wereldsche glimlach, die eene oneindigheid van misprijzen uitdrukte.

De toestand hield nog aan; het wachten werd pijnlijk.

„Kom, wat doe je nu?” riep de ongeduldige officier.

Hulpeloos keek de zenuwachtige overwinnaar van links naar rechts.

Toen kuchte hij, en, zich vermannende, riep hij radeloos tot de zijnen:

„Salvo-vuur... Aan... vúúrr...!!”

Een storm van verontwaardiging loeide door onze overigens zoo gedisciplineerde gelederen.

De ontwapende vijand was gefusilleerd...

Toen klonk voor 't eerst de naam: „Beestmensch”. En nu is er niemand meer, die nog durft twijfelen aan de bloederigheid-van-ziel van mijn krijgsmakker wiens naam ik u blijf verzwijgen.

***

Gij allen, die het geloof verloren hebt in lieve, kinderlijke zaken; die de leegten, waaruit uwe jonge onnoozelheid gevlucht is, gevuld hebt met wijsheid en overleg, gij allen, hoort mij aan.

Want ik was als gij, en ook ik waande mij een wijs man... totdat ik soldaat werd.

Vanaf dien dag heb ik weer het geloof gekregen in het begripjeugd.

Het gaat ons met de jeugd, als met de kniebroeken onzer schooljaren. Er komt een dag, dat wij ze vèr van ons werpen, om onze spillebeenen te omkleeden met „jongeheeren-kleeding”. De meesten onzer kiezen daartoe stemmig donkerblauw, om daarná terug te keeren tot licht-zinnig, ruig goed. Zóó werpen wij ook allen gelijktijdig onze jeugd van ons af, om mannen te gaan schijnen.... aanvankelijk ernstige mannen en later jolige...

En, wanneer wij niet het geluk hebben soldaat te worden, blijft het proces in die richting verloopen.

Voorwaar, de opperbevelhebber heeft een goede daad verricht, door ons allemaal weer kniebroeken aan te trekken.

Dat symboliseert onze toestand:

Wij zijn, àllen tesamen, met één slag weer jeugdig geworden.

Geen onzer had het alléén aangedurfd, maar de algemeene beweging heeft ons den moed geschonken, onze jeugd weer op te vatten.

En nu geloof ik niet meer in oud-worden...

Oud-worden is een sloopingsproces, dat wij onbewust aan ons zelf voltrekken,... indien wij allen in den dienst vergrijsden, zouden wijden moed hebben als kinderen voort te leven, en dan zouden wij als kinderen sterven.

Dan zouden alleen onze superieuren, die voor ons moeten denken, oud worden.

Ik zie ze voortdurend om mij heen, die vreemde groote kinderen. Daar is een groot slungelig kind, van bij-de-dertig. Vroeger was hij een bleeke, bloedarme horlogemakersonderbediende, met een grafstem en blauwe kringen om zijn oogen. Nu is hij een kwajongen, die slechts in schaal verschilt van zijn jeugdiger aardgenooten.

Daar is een ingenieur, die vroeger zijn werklieden van-achter een breed bureau her- en derwaarts dirigeerde.

Nu werpt hij onder de les met propjes papier en 's avonds met broodkorsten.

Daar is de jong-verdorven groote-stads-zwerver, die onder gewone omstandigheden misschien al achter slot en grendel gezeten zou hebben... nu is zijn grootste zonde, dat hij een langen neus maakt achter den rug van zijn sergeant....

En daar ben ik zelve, vroeger een nerveus heertje, en nu, o, liefelijk wonder, een luidruchtige plattelander.

O, ge kunt u nauwelijks zoo dartel eene samenleving voorstellen als de onze.

Het is, of ieders individueele ontwikkeling tijdelijk stop gezet is... Wie onderweg was een òn-maatschappelijke boef te worden, en wie zich op een zuiver geestelijk leven voorbereidde, wie reeds in innerlijk en geest beloofde een slovend ambtenaartje dan wel een knoestige werkman te zijn... zij allen zijn tijdelijk in hunne ontwikkeling blijven stilstaan, als uurwerken in een horlogemakers-étalage.

Alleen verraadt een enkele maal het slagwerk hun persoonlijken aard.

Ook ik voel mijn uurwerk afloopen; met wanhopige inspanning tracht ik nog, zoolang mogelijk, mijn veer gespannen en mijne wijzers gaande te houden.

Maar ik luister met angst naar mijn eenzaam tikken temidden der reeds dof zwijgende soortgenooten. Alle uurwerken zijn flink ingeveten tegen roesten gevrijwaard; zoo blijven zij hagelnieuw en jeugdig... zij slijten niet, maar zij dienen tot niets.

Zij zijn jong en krachtig, en gereed hun roeping te volgen... maar zij staan stil....

Voorzeker, er zijn klokkenopwinders genoeg, er is zelfs een centraal lichaam ter ontspanning en ontwikkeling van stilstaande uurwerken.

Maar er zijn er zoo weinig, en ach, de tijd is nog verre, dat alle uurwerken electrisch zullen zijn, en gedreven door één centrale krachtbron.

Er zijn er, die beweren, dat het daarvoor oorlog moet zijn, en dat de Vaderlandsliefde de centrale bron voor al ons bewegen zal zijn. Maar nu...?

Zoo velen missen die energiein zichzelf!...

Kleilust, einde Maart 1917.

Ruggelings lig ik uitgestrekt op mijn stroozak. Ik kijk en denk en rook. Mijn boek ligt gesloten naast mij. Het is te donker om te lezen; mijne oogen doen mij pijn. Ik rook, denk en kijk, zooals ik dat geleerd heb in de laatste maanden: bijna onbewust. De gedachten, die mijne onbewuste oogen projecteeren in mijn rustig brein vermaken mij, zooals een bioscope-voorstelling dat doen zou. De beelden zijn niet van sensationeelen aard, maar er is een wonderlijk spel van verrassende en boeiende détails; het zijn héél kleine, fijn genuanceerde détails, waarvan ik geniet als een botanicus die aan de dorre heide-gewassen onder zijn microscope bloemen en levensteekenen in overvloed herkent.

Ik staar om mij heen, op mijne slapende kameraden. En ik vindbloemen en levensteekenen in overvloed op hunne oogenschijnlijk dierlijk-dom-snurkende gelaten.

Ik zie lijden en verlangen om hunne in den slaap half geopende monden; ik hoor verlangen en streven in hunne onbeheerscht-natuurlijke ademhaling: en hunne vuile soldatenhanden, die slap rusten op de groezelige dekens, zijn vol verrassende karaktertrekken.

Het is één uur na den middag; ergens ver weg, op een weiland buiten het fort, kraait een haan.

Langs de kleine vensters gaat een schaduw, en voetstappen schuiven zwaar door het grint; dan klinkt een jolige stem, en een deur slaat dicht. Het is weer stil.

De kameraden snurken.

Over een half uur zal een schetterend trompet-signaal ze tot het leven terugroepen, of liever tot den dienst, de actie.

Want ik geloof dat ze nu, in hun slaap, levend zijn. Ik geloof niet, dat die luidruchtige grappenmakerij van straks hun leven is, ik geloof niet dat hun getier en buitenmatig gemor kenmerken van hun werkelijk wezen zijn.

Ik geloof, dat zij slechts in den slaap, in den volkomen rust, in hun onbewustheid, hunne primaire en simpele instincten tot uiting kunnen brengen.

Nu zijn zij eerlijk; de lippen van den schreeuwer tegenover mij zijn nu ontspannen; hij snurkt, en op zijn bruut gelaat is een trek van krachtig willen; zijn hand ligt tot een vuist gebald op zijn dekens.

Het pretentieuse mannetje naast hem schijnt nu verzakt te zijn tot een onbelangrijk hoopje zwakheid. Zijn lippen zijn half geopend en rood en dik; er zijn slappe groeven langs zijn neus, die op geen smart, maar hoogstens op een lichamelijk onbehagen duiden.

De slappe hand op zijn deken is knokig, en de vingertoppen dragen de sporen van veel knagens' en kluivens'. Mijn blik waart rond, en ik zie er nog velen, die àllen slapen, en àllen in hun slaap iets verraden van smart of strijd of huiselijk leed... of van absoluut niets.

Plotseling vind ik ze àllen belangrijk.

Van de slapers gaan mijne oogen naar hun schamele, en grootendeelsuniforme have, die op een plank, boven het hoofdeinde der bedden, als uitgestald ligt.

Boven den slappeling staat een jam-potje, en een kopje met vet, dat hij den vorigen dag uit het eten gespaard heeft; er liggen glacé-handschoenen en een viezige veldflesch en een bestoft stuk wittebrood.

Er zijn er, die gekleurde prentbriefkaarten en snuisterijtjes op hun plank hebben, en anderen die een gebarsten scheerspiegel exposeeren....

Al die willige doode dingen harmonieeren met de onbewuste openhartigheid hunner snorkende bezitters.

Aan de zoldering hangen, als hammen aan een lange rij, de ransels; de zware zakken hangen daar al maandenlang leeg en slap, en wij hebben ze al dien tijd niet gedragen.

Het invallend namiddag-licht werpt lange slagschaduwen van de slappe ranselzakken uit langs de gewitte zoldering; de schaduwen hebben vreemde vormen. En mijne onbewuste oogen tooveren plotseling een verrassend beeld op mijn rustig-blank brein.

Het is me opeens, alsof al die slapende kerels hunne zorgen voor een tijdlang afgehangen hebben. Ze hangen daar aan de zoldering, die zorgen, op een lange rij, naast elkander.

En het invallend namiddaglicht mengt de vreemd gevormde slagschaduwen tesamen en dooréén... tot een grauwe wolk, die langs de zoldering vervaagt tot een verre hoek van het vertrek...

Daar schettert hetappèl-signaal.

Bijna gelijktijdig verroeren zich de rustende lichamen op de kribben.

De deur wordt met een slag opengeworpen, en het is opeens veel lichter onder het gewelf.

„Verdorie d'r uit,” schreeuwt de schreeuwer en hij schudt het slappelingetje naast hem door elkaar.

„Jawèl, jawèl, hou je poote maar thuis,” zegt het slappelingetje slaperig.

„D'r uit, Stoke, suffe mafkop!” roept de schreeuwer mij toe.

„Hou je groote smoel,” geef ik kribbig terug.

Ik ben weer ruw. Ik heb mijn liefderijke gevoelens weer verloren. Maar ik kàn er niets aan doen... Ze spreken zoo luide en onbezonnen...

... Ach, waren ze maar blijven slapen. Ze waren zoo sympathiek, en zoo eerlijk...in hun slaap.

***

In alle stilte heb ik, goede lezer, vandaag den dag herdacht, die nu juist een jaar achter mij ligt, en waarop ik mij voor het eerst soldaat mocht noemen.

Ik behoef u niet te zeggen, dat ik dit feit zonder eenig feest- of uiterlijk vertoon geconstateerd heb. Maar het wàs een jubileum.

En bij een jubileum behooren een feestredenaar en een toespraak.

Om nu mijn jubileum bescheidelijk, en in zoo beperkt mogelijken kring te vieren, besloot ik mijn eigen feest-redenaar te zijn.

's Morgens, in bed, sprak ik mij zelf binnensmonds ongeveer als volgt toe:

„Melis Stoke! Jubilaris. Het is vandaag de dag... enz. enz. In het afgeloopen jaar waart ge soldaat, daarmee is alles gezegd. Het Vaderland heeft, om eerlijk te zijn, niets aan uw diensten gehad. Daarin moet verandering komen! Ge moet uwe contemplatieve houding in het legerverband opgeven! Ge moet actief worden! Ge moet het Vaderland nuttig zijn.Melis Stoke, laat ik kort en duidelijk zijn.Dit nieuwe jaar moge u zien als officier! Al is er bij de landstorm geen wettelijke—dan is er toch eenmoreele kaderplicht.Aan toeschouwers hebben wij niets: wij moeten kerels hebben die watdoen!Ik heb gezegd! Lang zal hij leven... enz. Hoera! Hoera!”

„Melis Stoke! Jubilaris. Het is vandaag de dag... enz. enz. In het afgeloopen jaar waart ge soldaat, daarmee is alles gezegd. Het Vaderland heeft, om eerlijk te zijn, niets aan uw diensten gehad. Daarin moet verandering komen! Ge moet uwe contemplatieve houding in het legerverband opgeven! Ge moet actief worden! Ge moet het Vaderland nuttig zijn.

Melis Stoke, laat ik kort en duidelijk zijn.

Dit nieuwe jaar moge u zien als officier! Al is er bij de landstorm geen wettelijke—dan is er toch eenmoreele kaderplicht.

Aan toeschouwers hebben wij niets: wij moeten kerels hebben die watdoen!

Ik heb gezegd! Lang zal hij leven... enz. Hoera! Hoera!”

Ik was zelf zóó geschrokken van dit, als buiten mij om geboren besluit, dat ik ditHoera!hardop geroepen had.

„Hij oefent de stormaanval!” riep Kees hoonend. Toen ben ik opeen tafel gaan staan, en heb mijnen kameraden mijn besluit medegedeeld.

Nu zijn ze boos op me.

„Wat een vènt,” roepen ze. „Eerst doet ie mee, en nou wil ie zoo'n kouwe luitenant worde!”

„Mannen, besloot ik ernstig, op het slagveld spreken we elkaar nader. Tot dàn. Ik ga mij er toe bekwamen, uw aanvoerder te mogen zijn!”

„Zà-je-me-niet-stràffe?” hoont Karel...

Kleilust, Einde Maart '17.

Dit is, lezer, mijn slotzang... Voor den laatsten maal heb ik boven deze regelen den titel neergeschreven, onder welken ik u het lief en leed heb uitgezongen van een simpele soldatenziel.

Ge kent mijn besluit reeds; ik ga officier worden.

Na een jaar—de jubileumsdag ligt vlak achter mij—na een jaar van gehoorzaamheid, ga ik mij op mijn beurt onder hèn voegen, die op dit ijdel ondermaansche met een schijn van gezag en een zeer reëele verantwoordelijkheid bekleed zijn. Ik heb begrepen, dat ieder de taak te vervullen heeft, waartoe het lot hem beschikt heeft.

Maar ik heb méér begrepen... ik heb iets begrepen van wat er in een ruwen soldaat omgaat; zoo'n soldaat is moeilijker te doorgronden dan een sphynx... want een sphynx zwijgt, en een soldaat is geneigd het tegendeel te zeggen van wat hij gevoelt.

Misschien zal die tak van wetenschap in den verlofsofficier Stoke de lacune aanvullen die in zijn krijgswetenschap zal blijven bestaan. Want om de hoogere krijgsschool te bezoeken heb ik tijd, noch gelegenheid.

Ik ben er mij zeer wèl van bewust, dat mijn dagboek niet anders geweest is, dan eene losse aaneenschakeling van notities; het geeft dan ook evenmin de „psyche” van den Nederlandschen soldaat, als het foto'tje op uw buitenlandschen pas die geeft van uw persoon.

Maar er zit wat van hem in, en zijne grove trekken zijn te herkennen. Er blijft mij nu nog één ding over, en dat is u te zeggen, wàt een officier is, wàt ik zijn zal, in de oogen van hen, die tot op dezen dag mijne kameraden zijn.

***

Het was op een warmen zomer-namiddag; ik was nog niet lang in dienst.

Uit een venster van de kazerne gebogen, overzag ik het zonnige exercitie-terrein, waar recruten eener jongere lichting hunne eerste lessen genoten.

Naast mij leunde Gerrit tegen de vensterbank, en verlustigde zich in hetzelfde schouwspel.

De commando's klonken tot ons over op de lauwe lucht.

Aan de overzijde van het water schoof bel-tinkelend een tram voorbij.

Plotseling werd ons beider blik getrokken tot een lichtend punt; het was de zon, die even schel reflexeerde in een officiers-sabel.

De officier stond op eene kleine verhevenheid, en overzag vandaar het terrein; hij rookte een cigarette, en heel zijn houding drukte rust, doch tegelijkertijd latente macht uit. Hij scheen er zich niet van bewust, dat Gerrit en ik en wellicht nog vele anderen, naar hem keken.

„Fijn leventje toch, zoo'n luit',” zeide Gerrit naast me.

„Maar niks doen, en kommedeere...en 'n hoop cente in de maand...!”

„Daarvoor moet hij voor jou denken!” waagde ik.

„'n Ofcier en 'n ofcier zijn twéé”, ging Gerrit voort. „Je heb er 'an wie je merkt wat ze van je wille, maar d'r zijn d'r óók die maar eische dit en eische dàt, zonder dat je weet waar et goed voor is. As me vrouw ziek is, en de luit' wil me niet late weggaan, dan weet ik dat ie zelf weer knijpt voor de kaptein. Maar assie zegt‚vooruit, wees weg’, dan voel ik, dat ie z'n eige der an waagt voor mijn!

„En assie zegt ‚ga ligge, gauw’ dan denk ik ‚ik ben je hond niet’, maar assie zegt ‚'n granaat, gauw ligge’, dan doen ik et graag!

„Die daar staat te rooke zet een gezicht of ie zegge wil ‚wat gaat mijn dat beestespul an’; as ik dat zie, dan krijg ik de pest in.

„As mijn baas tege me zegt ‚Gerrit maak die planke es zoo en zoo pas’, dan doen ik dat misschien verkeerd, maar assie zegt‚dat mot 'n kassie worde’, dan snap ik hem direct! Kijk, an 'n ofcier zie je van buite: dat is me baas... da's glad genoeg, daar zorgt de kleeremaker voor. Maar waar de kleeremaker niet voor ken zorge, dat is dat ik zeg ‚ik gehoorzaam je graag’, daar mot ie zelf voor zorge.”

Gerrit heeft gelijk. Ge weet niet, burger, hoe hoog een personage een officier is in den troep. Wij zien onze meerderen hem naar de oogen zien, en wij bemerken, hoe een kort woord van hem door onzen sergeant tot een wet wordt uitgewerkt, die onze belangen dienen of breken kan en onzen vrijen tijd bekrimpen of verlengen.

Het instituut tucht maakt hem het bevelen gemakkelijk, en opent hem de kansen op bemindheid.

De exploitatie daarvan, wordt aan hem zelf overgelaten, en dat is minstens zoo belangrijk als de meest volledige kennis van den inwendigen dienst.

***

De sergeant staat ons nader. In hem gehoorzamen wij niet den meester, maar den ouderen broer. Hij doet alles met ons mee; de officier ziet of onze ransels goed hangen, de sergeant of ze wel model gepakt zijn.

Met den sergeant wonen de soldaten in één straat, en ze kennen zijn meisje; het gemeenschappelijk ontzag voor den officier verbindt manschappen en onder-officieren. Zij bezigen dezelfde taal en waardeerendenzelfden humor; onder hen zijn de verschillen nuancen geworden en geen contrasten meer.

Daardoor wordt het bevel van den sergeant gecenseerd te zijn een uiting van gezond verstand, en dat van een officier eene openbaring van wijsheid.

Waar het de behartiging van particuliere soldatenbelangen geldt, kan een officier zeer zeker te rade gaan bij onderofficieren; te weten bij onderofficieren, die niet onder één deken liggen met een zeker soort soldaten, die voortdurend verklaren: „dat 't toch maar een rotzoo” is.

***

De korporaal is een kindermeid. Geen gouvernante wel te verstaan, maar een kindermeid, zoo een van zestien jaar, met een paar nuchtere vlechtjes op het achterhoofd. Als hij serieus zijn plicht doet, of gezag laat gelden, wordt hij uitgelachen; en als hij een standje krijgt, in presentie zijner minderen, wordt hij óók uitgelachen.

Een korporaal kan alléén goed doen, wanneer hij vertelt van meerderen, met wie hij uit hoofde van zijn rang in iets nader contact gekomen is dan zulks den soldaat vergund is.

Hij mag vertellen, hoe duur de sigaren zijn, die de kaptein rookt of weggeeft, en ook hoeveel stukken vleesch de kok wederrechtelijk mee naar huis genomen heeft.

De korporaal draagt het uiterlijk kenmerk van een volleerd manschap te zijn.

En die pretentie wordt, onbewust, door de soldaten op hem gewroken.

Een korporaal spreekt over zijne ranggenooten als: korporaal X en korporaal IJ.

Een sergeant over de zijnen als collega P en Q.

Een officier spreekt tegenover minderen niet over andere officieren.

***

En nu, geduldige lezer, vaarwel.

Ik ga studeeren.

Hiermede is de serie kantteekeningen van een landstormplichtige geëindigd.

Een burger, die soldaat geworden is, mag tegenover burgers van zijne indrukken vertellen.

Maar een soldaat, die officier wordt, kan zich, waar het dienstbelangen treft, nog slechts met een ernstig gebaar tot zijne collega's wenden.

En dat zal dan niet zijn in een burgerlijk blad, maar mondeling of in de Militaire Spectator...

Waar de actie begint, eindigt de beschouwing...

Vaarwel, en dank voor uw aandacht!

MELIS STOKE.

VAN MELIS STOKE, ADSPIRANT-VERLOFSOFFICIER.

En nu, goede lezer, gaat dit verhaal eindigen, zooals ieder zichzelf respecteerend verhaal eindigen moet nl.:

Ze vinden elkaar!

Ja, lezer, we hebben elkaar gekregen, mijn militaire- en mijn civiele-ik. Wij gaan ons vereenigen in één vorm, die van verlofsofficier.

Zeer zeker, het is wel een mariage de raison, maar het zal een ideaal huwelijk zijn ook!

Want wij zijn tesamen gekomen door een gemeenschappelijken drang, wat goeds te doen.

Zooals in ieder huwelijkde plichteen goede toekomst waarborgt, zoo zál de plicht, iets goeds te doen voor den soldaat, ons huwelijk vruchtbaar maken.

In ieder leven komt een oogenblik, dat de behoefte aanactieden levenden mensch zijn beschouwende houding doet opgeven.

Zoo gaat het ook in een militaire loopbaan als de mijne.

En zoo moet het ook zijn in den loopbaan van u allen, landstormplichtigen, die nà mij zullen komen. Het heldere bewustzijn van méér te zijn, dan uwe kameraden, geve u de kracht om éérst door den zuren africhtingstijd heen te komen, en u vervolgens de moeiten te getroosten van een studie voor verlofs-officieren.

Uwe ondervindingen in den troep zullen er toe bijdragen, een officier van u te maken, die zijn mannen begrijpt, die de oorzaak voelt van weerbarstigheid en die de goede gevolgen kent van een rechtvaardige behandeling.

Ik hoop, dat in deze losse dagboekkrabbels iets te vinden is van den Nederlandschen soldaat. Tracht ook gij dat te ontdekken; onderden ruwen bolster zit vaak, voor wie het weet te vinden, een vertrouwend en eerlijk hart.

En al ontbreekt het den verlofs-officier, door zijn korten opleidingstijd, wellicht aan tactische kennis, in menschelijkheid en paedagogie behoeft hijnimmeronder te doen voor zijne beroeps-collega's.

Dat blijve u voor oogen staan!

Het Nederlandsche leger vare er wèl bij.

Amsterdam, Maart 1916–'17.

Overzicht aangebrachte correctiesDe volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:PlaatsBronCorrectieBlz. -[Niet in Bron.][Inhoudsopgave]Blz. 11,.Blz. 14,.Blz. 14[Niet in Bron.].Blz. 18[Niet in Bron.].Blz. 22.....Blz. 27eehterechterBlz. 27,.Blz. 29honorar umhonorariumBlz. 32[Niet in Bron.]”,Blz. 41VIVBlz. 42stechtsslechtsBlz. 46VVIBlz. 50,.....Blz. 52.....Blz. 59[Niet in Bron.]„Blz. 60houdehoudenBlz. 60de dedeBlz. 61[Niet in Bron.]„Blz. 64.,Blz. 64.,Blz. 65,.Blz. 66barmtigheidbarmhartigheidBlz. 69[Niet in Bron.]”Blz. 69naardenaar deBlz. 80[Niet in Bron.]”Blz. 84kronkelpasssenkronkelpassenBlz. 91[Niet in Bron.]”Blz. 103[Niet in Bron.]”Blz. 105ver-verschijningverschijningBlz. 109’”Blz. 119pomg-zwengelpomp-zwengelBlz. 120ottotBlz. 131appél-signaalappèl-signaalBlz. 132[Niet in Bron.]”Blz. 134[Niet in Bron.].Blz. 135.....Blz. 135‚‚Blz. 136‚‚

De volgende correcties zijn aangebracht in de tekst:


Back to IndexNext