Verkenningspatrouille in Atjeh, een rivier doorwadend.Verkenningspatrouille in Atjeh, een rivier doorwadend.De huizen der opzichters en die der koelies worden elke twee jaren afgebroken en elders weer opgebouwd. Zij liggen altijd op de grens van twee perceelen, die na elkander in bewerking moeten worden genomen. De loodsen of droogschuren zijn vervaardigd van hout en bamboe en zijn met riet gedekt. Men gebruikt bij het bouwen gewoonlijk òf Bataks òf inboorlingen van Borneo uit de buurt van Banjermasin. Javanen moeten in ’t bijzonder voor het draineeringswerk zorgen; Klings of Klingaleezen, dat zijn Tamilen van de kust van Malabar, rijden de wagens en verzorgen de trekossen, die in Siam of Birma worden gekocht.Na den oogst worden alle koelies saâmgeroepen naar het midden der plantage, waar zich het groote gebouw bevindt, van hout en steen opgetrokken en wel 150 M. lang en met plaatijzeren dak, waar de tabak behandeld wordt. De koelieverblijven zijn afzonderlijke gebouwen, waar de menschen naar ras en godsdienst bijeengevoegd zijn. De Chineezen wonen in ruime barakken in groepen van dertig à vijf-en-dertig, onder toezicht van een mandoer, geboortig uit dezelfde provincie, die 1/30 of 1/35 van hun totaal salaris ontvangt. Elke Chinees beschikt over ongeveer 8 vierkante meters en kan zich daar zelf van licht materiaal, als hout en bamboe, dat te zijner beschikking wordt gesteld, een afgesloten ruimte timmeren. Achter de woningen liggen de keukens, de putten en de badvijvers, tenzij de rivier onmiddellijk in de buurt is. De hoofdopzichter der Chineezen woont bij hen in een eigen paviljoen en ontvangt 1/30 van alle salarissen. Er zijn op de plantage enkele pagoden, één of meer, naar het aantal Chineezen, en de administratie zorgt ervoor, die uitstekend te onderhouden.De plantage, die wij bezoeken, geeft werk aan ongeveer 550 Chineezen, 200 Javanen, 30 Klingaleezen; de grond brengt gemiddeld 12 pikols tabak per bouw, dat is ongeveer 1000 K.G. per hectare, en de prijs daalt nooit onder 100 gulden per pikol of 1.75 franc per pond.Wij hebben eenige dagen doorgebracht in de omstreken van Medan, en we hebben verschillende; plantages bezocht, die in ongelijke omstandigheden verkeerden, maar welker algemeene organisatie bijna overal dezelfde is. Een dier ondernemingen, nog van jongen datum, ligt te Koeala Bingei. De dit jaar beplante secties zijn pas op het bosch veroverd. Overal zien wij verkoolde stammen; er zijn ook veel boomen geveld en de Chineezen zijn ijverig in de weer, er de wortels van op te ruimen en de resten te verbranden. Aan den overkant van den weg, waarlangs mijn gastheer mij per automobiel een ritje laat maken, is nog het maagdelijk woud onaangetast. De leemhoudende grond staat onder water; het is een moeras, waar de rivier in tijden van hoogen waterstand zich in ontlast; maar reeds zijn er afvoerkanalen gegraven. Het afvloeiende water is zwart of rood en sterk tanninehoudend. Langzamerhand zal, als de regens den grond hebben uitgewasschen, het water helderder worden. Weldra zal dan het drooggelegde moeras geschikt zijn als bouwgrond; het dichte woud zal verdwijnen, en nieuwe velden zullen op de overblijfselen zich uitbreiden.Te Koeala Besilan, waarheen wij ons vervolgens hebben begeven, is de administrateur, de heer Cosnac, een Franschman; hij ontvangt ons met open armen. Twee andere landgenooten van ons wonen in de buurt, en wij brengen in hun gezelschap twee prettige dagen door. Ze zijn vol werklust en energie. Zij rekenen alleen op eigen kracht en vragen niets van het bestuur, en mijn eenige ergernis is, dat dergelijke kolonisten op deze wijze aan onze eigen bezittingen ontrouw worden.Dit geheele gedeelte van Sumatra geeft ons aldus een merkwaardig voorbeeld van een woest en zoo goed als verlaten oord, door menschelijke werkzaamheid binnen het vierde van een eeuw veranderd in een grooten tuin, zonder een van die heftigheden of misbruiken, die op koloniale ondernemingen vaak een zwarte vlek werpen. Wij zullen in de aangrenzende provincies een geheel tegenovergestelden toestand vinden, een oorlog, die nu al 27 jaren met onverbiddelijke strengheid gevoerd wordt tegen het rijk van Atjeh.Reeds herhaalde malen zijn wij bij vorige reizen langs deze gevaarlijke kust gevaren; dezen keer zullen wij in het land binnendringen. Wij hebben vergunning gevraagd, om te Segli aan wal te gaan op de oostkust en over land Kota Radja en Olehleh te bereiken. Een klein adviesjacht haalt ons 26 Mei af en zet ons den volgenden morgen om tien uur aan wal bij den post te Segli.Versterkt atjehsch dorp.Versterkt atjehsch dorp.Het koninkrijk Atjeh heeft oudtijds ’t Oosten met zijn glorie vervuld. In de 17de eeuw verjoeg sultan Ibrahim, veroveraar van Pasei en van Pedir, de Portugeezen uit Sumatra en bracht den krijg over naar hun bezittingen op Malakka. In de tijdruimte van veertig jaar bombardeerden de atjehsche vloten vijfmaal de stad Malakka. In 1739 namen zij in de haven zeven portugeesche schepen, en de sultan zond als een bespotting de matrozen en de soldaten van de bemanning terug met afgesneden neuzen en ooren. Engeland en Frankrijk zonden toen gezantschappen naar Iskender Moeda, den nieuwen Alexander. Admiraal de Beaulieu heeft de pracht van het paleis, waar hij ontvangen werd, beschreven en de reusachtige citadel, welker omtrek meer dan een halve mijl groot was. Ook troffen hem de fabelachtige schatten van den sultan, de danseressen, behangen met edelgesteenten, de geweldige artillerie en cavalerie, de tweehonderd strijdolifanten en de driehonderd goudsmeden, die onafgebroken bezig waren, onschatbare gesteenten voor den vorst te ciseleeren. In het midden van die eeuw waren de atjehsche zeelieden de stoutmoedigste zeeroovers, die ooit de zeeën onveilig hebben gemaakt. Lang weifelden de Hollanders eer zij een oorlog begonnen, waarvan zij zich de moeilijkheden en bezwaren niet ontveinsden. Herhaaldelijk zonden zij naar Kota Radja gezantschappen, die door den sultan met beleedigende hoogheid werden ontvangen. Jaar op jaar werden handelsvaartuigen aangevallen en uitgeplunderd. In 1873 moest men den weg van vrede en overreding verlaten; de oorlog werd den 26sten Maart verklaard.Een peloton cavallerie in Atjeh.Een peloton cavallerie in Atjeh.De eerste expeditie was niet gelukkig. De Nederlandsche troepen bestonden slechts uit vier bataljons en één batterij. Zij landden op 6 April te Kota Tjermin ten noorden van Olehleh, nauwelijks 3½ KM. van Kota Radja verwijderd. Het terrein, door smalle, moerassige wegen doorsneden, lag vol dorpen, die beschermd werden door hooge heiningen van toegespitst bamboe. Den 10den stieten de Hollanders na een reeks bloedige gevechten op de versterkingen rondom de groote moskee en maakten zich er van meester. Toen ze genoodzaakt werden die te ontruimen, kwamen ze den 12den terug en drongen er opnieuw binnen, maar de hoofdbevelhebber, generaal Köhler, werd gedood, en den 17den April namen de Hollanders den terugtocht aan en scheepten zich weerin, nadat ze te vergeefs beproefd hadden, den omtrek van den Kraton, de citadel, te verkennen.Den 7den December daaraanvolgende ging een geheele divisie, van 7000 man ongeveer, aan land op het Atjehsche kustgebied, niet ver van de monding der Atjehrivier. Er waren 45 dagen noodig voor de verovering van het terrein, dat zich tot den kraton uitstrekte. Men trok als blinden voort over den met hindernissen overdekten grond, met hoog gras of suikerrietvelden begroeid. Den 26sten December ontstaat er een verwoed gevecht. Het middelpunt der stelling, waartegen de Hollanders hardnekkig vochten, was een hooge verschansing, waarvan men den top flauw tusschen het struikgewas kon onderscheiden. Het bleek echter, dat de rivier er den voet van bespoelde en de sterkte scheidde van de aanvallers, op wie een vernietigend vuur werd gericht.Tot op den laatsten dag was men niet zeker van de juiste ligging der versterking. De verkenningen, die werden gedaan, leidden er slechts toe, dat de uitgezonden manschappen in het dichtste kreupelhout plotseling besprongen werden door wilden met kris en klewang. Als woeste dwepers sloegen ze op de soldaten, en lagen ze geveld ter aarde, dan nog waren hun laatste stuiptrekkingen van bedreigingen vergezeld.Generaal van Swieten had getracht, onderhandelingen met den sultan aan te knoopen. Een Javaan, Mas Soemo Wikidjo, offerde zich op, door zich met het overbrengen van een brief te belasten. Afschuwelijk gemarteld, werd hij begraven, vóór hij nog geheel dood was; met bovenmenschelijke inspanning werkte hij zich los uit zijn graf en sleepte zich naar de hollandsche linie, waar hij, bij de voorhoede aangekomen, den geest gaf.Toen eenmaal de citadel vermeesterd was, dacht men den oorlog ten einde. De sultan was aan de cholera gestorven, zonder een erfgenaam na te laten. Generaal van Swieten geloofde, dat het verzet in ’t vervolg geen aanvoerders zou kunnen vinden. Hij lokte de terugroeping van een groot deel der troepen uit. Zijn opvolger, kolonel Pel, behield slechts 3000 man. De verovering van Kota Radja had aan de Hollanders gekost acht-en-twintig officieren enduizend vier-en-twintigsoldaten, die gedood waren of gestorven aan hun wonden.De weinige troepen, in den kraton achtergebleven, werden er weldra belegerd. De Hollanders hadden gehoopt, slechts een hoogmoedig vorst te moeten vernederen; zij vonden tegenover zich een wanhopig, tot het uiterste gedreven volk, dat hartstochtelijk op zijn vrijheid was gesteld. Eén man, Panglima Polem, was de ziel van het verzet, maar de organisatie bij de Atjehers was toch zóó, dat zijn verdwijning niets aan de zaak zou hebben veranderd. Het land is in provincies of sagi’s verdeeld, door een panglima bestuurd, en deze provincies worden op hun beurt door districten gevormd, die genoemd worden naar het aantal dorpen of moekims, waaruit ze bestaan. De districtshoofden hebben over hun onderdanen en hun vazallen een onbeperkt gezag, en men zou met elk van hen afzonderlijk hebben moeten onderhandelen.Weldra verrezen er in de omstreken van Kota Radja een menigte bentings of forten, en de gemeenschap met de kust werd nog voortdurend bedreigd. Elken dag hoorde men van nieuwe gevechten; nauwelijks had men een taak ten einde gebracht en een nieuwe versterking doen verrijzen, of een eind verder moest weer worden opgetreden, zoodat het terrein voet voor voet moest worden veroverd. In Juni 1875, achttien maanden na den val van den kraton, besloeg het door de Hollanders bezette grondgebied nauwelijks een dertigtal vierkante kilometers, en de troepen hadden er, om zich te verdedigen, acht-en-dertig posten moeten vestigen. De vijandelijkheden duurden voort, en de oorlog had een karakter, van zoo groote verbittering blijk gevend, dat er voortaan geen overleg tusschen beide volken mogelijk was, en de breuk onherstelbaar moest heeten.Tegen het middenvan1877 gelukte het generaal Pel, eindelijk een serie posten in ’t leven te roepen en die onderling te verbinden, zoodat er rondom Kota Radja tot aan de zee een beschermende gordel van versterkingen ontstond. In dien kring, waarvan de grootste middellijn niet langer was dan tien kilometer, zijn de Hollanders gedurende twintig jaren opgesloten moeten blijven.Sedert eenige jaren zijn nu echter de troepen versterkt, en onder hun energieken leider, den opperbevelhebber generaal Van Heutsz, is de verovering van het dal der Atjehrivier voltooid. Tegenwoordig leidt een spoorweg naar Selimoen op 40 K.M. afstands van de zee. Een andere, beginnend bij Segli, loopt naar het binnenland voort tot Padang Tidji, en een derde lijn loopt langs de kust en moet later op Medan aansluiten.Toch is de pacificatie van Atjeh nog ver van volledig. Met moeite gelukt het, de orde te handhaven in een beperkt gebied rondom enkele dorpen, als Telok Semaweh, Edi, Melaboe. Het onmetelijke grondgebied van ’t rijk Atjeh, dat een vierde van het eiland Sumatra beslaat, is eigenlijk nog voor ’t grootste gedeelte onbekend. Over een lengte van 500 K.M. is alles woest buiten een smalle strook lands langs de zee en de straat van Malakka. De kaarten vertoonen slechts enkele hooge toppen, die van de kust af te zien zijn op grooten afstand, en in de geheimzinnige valleien, die naar het binnenland voortloopen, zullen de opstandelingen nog langen tijd een veilige schuilplaats vinden.Wij zijn slechts twee uren te Segli gebleven, en we zijn per spoor naar Padang Tidji vertrokken. Wij reizen met een detachement, dat van een verkenningstocht terugkeert. De officieren en ook de dokter dragen allen een ontbloote sabel in de hand, want in dezen oorlog van hinderlagen is elke ontmoeting een gevecht, dat beslist moet worden in een strijd van man tegen man. Hoewel de Atjehers met geweren gewapend zijn, houden ze zich graag aan de tactiek, die hun vroeger zoo dikwijls de overwinning bezorgde. Zij werpen zich na een eersten aanval verwoed op den vijand, en als die laatste een geoefend krijger is, met goede geweren gewapend, is zulk een methode vernietigend voor wie er zich van bedienen. In dit land met zijn vele bezwaren, met dicht struikgewas begroeid, zoo geschikt voor hinderlagen, zou een voorzichtigevijand, zooals bij voorbeeld de vroegere zeeroovers uit Boven Tonkin, aan de Hollanders spoedig onherstelbare verliezen toebrengen.Padang Tidji is een voorloopige post op de plek, waar vroeger Panglima Polem woonde. Men ziet nog midden in het kamp de graven van de voorvaderen van dezen heftigen Europeanenvijand. Het garnizoen bestaat gewoonlijk uit één bataljon; maar op dit oogenblik zijn drie compagnieën op verkenning uit. De inrichting is dood eenvoudig. Enkele simpele hutten staan regelmatig in een vierkant met zijden van 150 M. lang en zijn omgeven door een palissade met prikkeldraad. Daar de meeste soldaten getrouwd zijn, vindt men op dit oogenblik in den post ongeveer 150 mannen en 470 vrouwen of kinderen, wat wel een origineel verschijnsel mag heeten.Er wordt ons verteld, dat een troep van tweehonderd Atjehers den weg naar Selimoen dien morgen is overgetrokken.Een detachement infanterie en eenpelotoncavalerie zijn hun te gemoet getrokken. Om drie uur keeren de ruiters terug; de Atjehers hebben zich, zonder tegenstand te bieden, teruggetrokken, na eenige schoten te hebben gelost. Twee gevangenen, wier handen gebonden zijn aan het zadel van een paard, loopen in trotsche houding, met kalm, uitdagend gezicht. Men schrijft aan de Atjehers graag allerlei ondeugden toe; men zegt dat ze liegen en spelen, dronkaards en luilakken zijn; maar het zijn stellig en zeker dappere kerels.Den volgenden morgen vertrekken wij om zeven uur te paard naar Selimoen onder het geleide van een peloton cavalerie. De tocht is nog al lang, ongeveer 42 K.M. Wij hebben in ’t geheel geen berichten uit Selimoen, want de telegraaflijn is in het ongereede. Zulke ongevallen komen dikwijls voor. Niet alleen werpen de Atjehers de palen soms omver; maar de olifanten, die hier nog al talrijk zijn, maken zich er ook aan schuldig. De luitenant, die bij ons was, vertelt, dat hij nooit dien weg aflegt, zonder zulk een tweebeenigen of vierbeenigen, hardnekkigen vijand van de telegraaf te ontmoeten. Dezen keer echter gingen wij door een verlaten streek, waar niets eenige afwisseling bood, en tot zijn groote spijt kon de luitenant ons geen staaltje laten zien van het werken der hollandsche cavalerie.Van Padang Tidji af loopt de weg in rechte lijn door de vlakte, drie kilometers ver. Hij volgt dan een langen, kronkelenden bergkam, en wij dalen en stijgen bij afwisseling over een steenachtigen grond, met hoog gras bedekt. Rechts en links is het terrein ontboscht, en laat een vrij uitzicht toe. Alleen in de diepte der kloven is een mooie plantengroei te zien, en wij houden dikwijls stil onder hooge boomen, waar de paarden zich aan een riviertje kunnen laven. Rechts verrijst een alleenstaande piek, links een keten van blauwe bergen en boven stort zich, schitterend in de zon, een groote waterval neer in de bosschen. Het is buitengewoon warm; de kale hellingen zenden ons de zonnestralen terug; maar de luitenant schijnt er weinig last van te hebben. De paarden zijn vermoeid, en wij moeten den gang wat inhouden. Het land is geheel verlaten; de Atjehers zijn totaal verdwenen, naar het schijnt. Zij verschijnen, hoor ik, alleen nog op dezen weg, om de gemeenschap tusschen Kota Radja en Segli te bemoeilijken. Men ziet geen spoor van eenige cultuur; al lang moet ieder dorp hier verdwenen zijn; er zijn geen levensmiddelen te krijgen in dit verlaten oord.Tegen half één houden wij stil bij een gehuchtje, nadat we door een breede rivier hebben moeten waden. Er is geen mensch te zien in de huizen. Een paar vrouwen op den weg zien ons vijandig aan en verwaardigen zich niet, te antwoorden op de vragen, die haar worden gedaan. Een inlandsch soldaat klimt in een kokospalm en doet een regen van noten vallen, zoodat wij onzen dorst kunnen lesschen. Een uur later zijn we, doornat van zweet, te Selimoen.Deze post ligt uitstekend, hoog aan den oever der rivier. De gebouwen zijn van steen opgetrokken en zijn ruim en geriefelijk. Het garnizoen bestond verleden jaar uit een bataljon infanterie, een sectie artillerie, en een peloton cavalerie; dit jaar bepaalt het zich tot een divisie marechaussee. Dat is een bijzonder corps, gerecruteerd uit de inlandsche soldaten, die zich onderscheiden hebben door hun dapperheid, hun kracht, hun weerstandsvermogen tegen vermoeienis en hun behendigheid in het schieten. Elke divisie staat onder het bevel van een kapitein en omvat twaalf brigades. Elke brigade wordt gevormd door een europeeschen en een inlandschen onderofficier, een korporaal en zeventien man. Een luitenant heeft vier brigades onder zijn bevel. De mannen zijn gewapend met een karabijn en een korte sabel. Hun oorlogskreet, die bij de Atjehers zeer gevreesd is, luidt: ”Potong kapala!” (De hoofden af!) Die divisies vormen speciale troepen, bestand tegen lange marschen, gewend aan den hinderlagenoorlog, zooals die hier gevoerd wordt; zij bestaan nog niet lang, maar bewijzen uitstekende diensten.Ze zijn onafgebroken op marsch en beschermen doeltreffend de streken, waar ze werkzaam zijn, tegen invallen van den bij uitstek mobielen vijand, maar dien zij in bewegelijkheid op zijde streven.Om half drie hebben wij den trein naar Kota Radja genomen. De spoorweg is door de genie gebouwd en volgt voortdurend den linkeroever der rivier. Het vrij breede dal wordt begrensd door bergen, welker eerste hellingen ontboscht zijn. De zeer talrijke dorpen liggen in het groen verscholen, te midden van palmen en bamboeboschjes, en de rijstvelden, die ze van elkaâr scheiden, zijn op die wijs omgeven door levende, ondoordringbare hagen. De troepen, die zich vroeger in die doorgangen waagden, kregen een geweervuur op korten afstand van een onzichtbaren vijand, weggedoken in ’t moeras en beproefden te vergeefs, aanvallend op te treden. Bij het dorp Lambaroe en het rijstveld van Kajoe Leh werd een detachement van zestig man overvallen en geheel vernietigd, en de luitenant, die het bevel voerde, hoewel maar licht gewond, kwam te vallen en verdronk in het slijkerige water. Op dit oogenblik geniet de Atjehvallei een bijna volkomen rust. Toch zijn er nog wel schermutselingen, en wij zien te Indrapoera een brigade marechaussee, die uit den trein stapt en zich vlug op weg begeeft, om dezen nacht in ’t bergland te patrouilleeren.Wij betreden te Lambaroe de ruimte, waar zoo langen tijd de hollandsche troepen opgesloten moesten blijven. De post Lambaroe, omgeven door een hooge, ijzeren palissade, wordt met de naburige posten verbonden door een spoorweg, die rondom Kota Radja den boog van een cirkel beschrijft en uitkomt aan de zee, aan den eenen kant te Lamtih, aan den anderen te Pakang Kroen Tjoet. Op die lijn waren veertien posten gevestigd, en andere spoorwegen, als stralen er van uitgaande, sloten zich bij de hoofdlijn aan.Aan de stations langs de lijn zien we slechts een klein aantal inboorlingen. Het zijn vooral vrouwen; de mannen, die onverzoenlijker zijn, vertoonen zich bijna niet, en halfnaakte kinderen schelden de reizigers uit en voeren met gebalde vuisten woeste, dreigende dansen uit. Al is er dan rust, een echte pacificatie kan men dit niet noemen.Een laan te Kota Radja.Een laan te Kota Radja.Wij zijn slechts twee dagen te Kota Radja gebleven. Het is een uitsluitend militaire stad, aan beide oevers der rivier gebouwd, rondom den ouden kraton. Het is er verstikkend warm, en niets houdt er ons terug. Niet hier is het interessante leven van Atjeh te zien. Men zou de posten moeten kunnen bezoeken, het leven leeren kennen van de troepen, binnen in het onbekende land doordringen, en dat alles is ons verboden. Een boot, deMaha, vertrekt van Olehleh den 30sten Mei en wij nemen daarop passage. Wij vertrekken van Kota Radja om vijf uur ’s avonds. Een zeeofficier, dien wij bij aankomst in de haven ontmoeten, noodt ons zeer vriendelijk, met hem te dineeren. Zoo is onze laatste herinnering aan Sumatra er een van gastvrijheid.Een groep Atjehers.Een groepAtjehers.Wij zijn na den maaltijd aan boord gegaan. In de haven, die volkomen open is, schommelt onze boot op de golven. Wij varen langs de kust en langs ’t eiland Poeloe Weh, zien op de steile, met bosch bedekte hellingen, die de kleine Sabangbaai beschermen, waar men op het kleine eilandje een kolenstation heeft gevestigd. Achter ons blinkt melancholiek de vuurtoren en blijft lang zichtbaar. De maan, pas opgekomen, beschijnt de trage golven, die zachtjes deinen op en neer. De hooge bergen staan scherp geteekend tegen den helderen hemel. Daar stijgen fijne nevels omhoog; de horizon schijnt te wijken, en het wonderland, waar ik zonder twijfel nooit meer den voet zal zetten, verdwijnt langzaam uit ons oog.
Verkenningspatrouille in Atjeh, een rivier doorwadend.Verkenningspatrouille in Atjeh, een rivier doorwadend.De huizen der opzichters en die der koelies worden elke twee jaren afgebroken en elders weer opgebouwd. Zij liggen altijd op de grens van twee perceelen, die na elkander in bewerking moeten worden genomen. De loodsen of droogschuren zijn vervaardigd van hout en bamboe en zijn met riet gedekt. Men gebruikt bij het bouwen gewoonlijk òf Bataks òf inboorlingen van Borneo uit de buurt van Banjermasin. Javanen moeten in ’t bijzonder voor het draineeringswerk zorgen; Klings of Klingaleezen, dat zijn Tamilen van de kust van Malabar, rijden de wagens en verzorgen de trekossen, die in Siam of Birma worden gekocht.Na den oogst worden alle koelies saâmgeroepen naar het midden der plantage, waar zich het groote gebouw bevindt, van hout en steen opgetrokken en wel 150 M. lang en met plaatijzeren dak, waar de tabak behandeld wordt. De koelieverblijven zijn afzonderlijke gebouwen, waar de menschen naar ras en godsdienst bijeengevoegd zijn. De Chineezen wonen in ruime barakken in groepen van dertig à vijf-en-dertig, onder toezicht van een mandoer, geboortig uit dezelfde provincie, die 1/30 of 1/35 van hun totaal salaris ontvangt. Elke Chinees beschikt over ongeveer 8 vierkante meters en kan zich daar zelf van licht materiaal, als hout en bamboe, dat te zijner beschikking wordt gesteld, een afgesloten ruimte timmeren. Achter de woningen liggen de keukens, de putten en de badvijvers, tenzij de rivier onmiddellijk in de buurt is. De hoofdopzichter der Chineezen woont bij hen in een eigen paviljoen en ontvangt 1/30 van alle salarissen. Er zijn op de plantage enkele pagoden, één of meer, naar het aantal Chineezen, en de administratie zorgt ervoor, die uitstekend te onderhouden.De plantage, die wij bezoeken, geeft werk aan ongeveer 550 Chineezen, 200 Javanen, 30 Klingaleezen; de grond brengt gemiddeld 12 pikols tabak per bouw, dat is ongeveer 1000 K.G. per hectare, en de prijs daalt nooit onder 100 gulden per pikol of 1.75 franc per pond.Wij hebben eenige dagen doorgebracht in de omstreken van Medan, en we hebben verschillende; plantages bezocht, die in ongelijke omstandigheden verkeerden, maar welker algemeene organisatie bijna overal dezelfde is. Een dier ondernemingen, nog van jongen datum, ligt te Koeala Bingei. De dit jaar beplante secties zijn pas op het bosch veroverd. Overal zien wij verkoolde stammen; er zijn ook veel boomen geveld en de Chineezen zijn ijverig in de weer, er de wortels van op te ruimen en de resten te verbranden. Aan den overkant van den weg, waarlangs mijn gastheer mij per automobiel een ritje laat maken, is nog het maagdelijk woud onaangetast. De leemhoudende grond staat onder water; het is een moeras, waar de rivier in tijden van hoogen waterstand zich in ontlast; maar reeds zijn er afvoerkanalen gegraven. Het afvloeiende water is zwart of rood en sterk tanninehoudend. Langzamerhand zal, als de regens den grond hebben uitgewasschen, het water helderder worden. Weldra zal dan het drooggelegde moeras geschikt zijn als bouwgrond; het dichte woud zal verdwijnen, en nieuwe velden zullen op de overblijfselen zich uitbreiden.Te Koeala Besilan, waarheen wij ons vervolgens hebben begeven, is de administrateur, de heer Cosnac, een Franschman; hij ontvangt ons met open armen. Twee andere landgenooten van ons wonen in de buurt, en wij brengen in hun gezelschap twee prettige dagen door. Ze zijn vol werklust en energie. Zij rekenen alleen op eigen kracht en vragen niets van het bestuur, en mijn eenige ergernis is, dat dergelijke kolonisten op deze wijze aan onze eigen bezittingen ontrouw worden.Dit geheele gedeelte van Sumatra geeft ons aldus een merkwaardig voorbeeld van een woest en zoo goed als verlaten oord, door menschelijke werkzaamheid binnen het vierde van een eeuw veranderd in een grooten tuin, zonder een van die heftigheden of misbruiken, die op koloniale ondernemingen vaak een zwarte vlek werpen. Wij zullen in de aangrenzende provincies een geheel tegenovergestelden toestand vinden, een oorlog, die nu al 27 jaren met onverbiddelijke strengheid gevoerd wordt tegen het rijk van Atjeh.Reeds herhaalde malen zijn wij bij vorige reizen langs deze gevaarlijke kust gevaren; dezen keer zullen wij in het land binnendringen. Wij hebben vergunning gevraagd, om te Segli aan wal te gaan op de oostkust en over land Kota Radja en Olehleh te bereiken. Een klein adviesjacht haalt ons 26 Mei af en zet ons den volgenden morgen om tien uur aan wal bij den post te Segli.Versterkt atjehsch dorp.Versterkt atjehsch dorp.Het koninkrijk Atjeh heeft oudtijds ’t Oosten met zijn glorie vervuld. In de 17de eeuw verjoeg sultan Ibrahim, veroveraar van Pasei en van Pedir, de Portugeezen uit Sumatra en bracht den krijg over naar hun bezittingen op Malakka. In de tijdruimte van veertig jaar bombardeerden de atjehsche vloten vijfmaal de stad Malakka. In 1739 namen zij in de haven zeven portugeesche schepen, en de sultan zond als een bespotting de matrozen en de soldaten van de bemanning terug met afgesneden neuzen en ooren. Engeland en Frankrijk zonden toen gezantschappen naar Iskender Moeda, den nieuwen Alexander. Admiraal de Beaulieu heeft de pracht van het paleis, waar hij ontvangen werd, beschreven en de reusachtige citadel, welker omtrek meer dan een halve mijl groot was. Ook troffen hem de fabelachtige schatten van den sultan, de danseressen, behangen met edelgesteenten, de geweldige artillerie en cavalerie, de tweehonderd strijdolifanten en de driehonderd goudsmeden, die onafgebroken bezig waren, onschatbare gesteenten voor den vorst te ciseleeren. In het midden van die eeuw waren de atjehsche zeelieden de stoutmoedigste zeeroovers, die ooit de zeeën onveilig hebben gemaakt. Lang weifelden de Hollanders eer zij een oorlog begonnen, waarvan zij zich de moeilijkheden en bezwaren niet ontveinsden. Herhaaldelijk zonden zij naar Kota Radja gezantschappen, die door den sultan met beleedigende hoogheid werden ontvangen. Jaar op jaar werden handelsvaartuigen aangevallen en uitgeplunderd. In 1873 moest men den weg van vrede en overreding verlaten; de oorlog werd den 26sten Maart verklaard.Een peloton cavallerie in Atjeh.Een peloton cavallerie in Atjeh.De eerste expeditie was niet gelukkig. De Nederlandsche troepen bestonden slechts uit vier bataljons en één batterij. Zij landden op 6 April te Kota Tjermin ten noorden van Olehleh, nauwelijks 3½ KM. van Kota Radja verwijderd. Het terrein, door smalle, moerassige wegen doorsneden, lag vol dorpen, die beschermd werden door hooge heiningen van toegespitst bamboe. Den 10den stieten de Hollanders na een reeks bloedige gevechten op de versterkingen rondom de groote moskee en maakten zich er van meester. Toen ze genoodzaakt werden die te ontruimen, kwamen ze den 12den terug en drongen er opnieuw binnen, maar de hoofdbevelhebber, generaal Köhler, werd gedood, en den 17den April namen de Hollanders den terugtocht aan en scheepten zich weerin, nadat ze te vergeefs beproefd hadden, den omtrek van den Kraton, de citadel, te verkennen.Den 7den December daaraanvolgende ging een geheele divisie, van 7000 man ongeveer, aan land op het Atjehsche kustgebied, niet ver van de monding der Atjehrivier. Er waren 45 dagen noodig voor de verovering van het terrein, dat zich tot den kraton uitstrekte. Men trok als blinden voort over den met hindernissen overdekten grond, met hoog gras of suikerrietvelden begroeid. Den 26sten December ontstaat er een verwoed gevecht. Het middelpunt der stelling, waartegen de Hollanders hardnekkig vochten, was een hooge verschansing, waarvan men den top flauw tusschen het struikgewas kon onderscheiden. Het bleek echter, dat de rivier er den voet van bespoelde en de sterkte scheidde van de aanvallers, op wie een vernietigend vuur werd gericht.Tot op den laatsten dag was men niet zeker van de juiste ligging der versterking. De verkenningen, die werden gedaan, leidden er slechts toe, dat de uitgezonden manschappen in het dichtste kreupelhout plotseling besprongen werden door wilden met kris en klewang. Als woeste dwepers sloegen ze op de soldaten, en lagen ze geveld ter aarde, dan nog waren hun laatste stuiptrekkingen van bedreigingen vergezeld.Generaal van Swieten had getracht, onderhandelingen met den sultan aan te knoopen. Een Javaan, Mas Soemo Wikidjo, offerde zich op, door zich met het overbrengen van een brief te belasten. Afschuwelijk gemarteld, werd hij begraven, vóór hij nog geheel dood was; met bovenmenschelijke inspanning werkte hij zich los uit zijn graf en sleepte zich naar de hollandsche linie, waar hij, bij de voorhoede aangekomen, den geest gaf.Toen eenmaal de citadel vermeesterd was, dacht men den oorlog ten einde. De sultan was aan de cholera gestorven, zonder een erfgenaam na te laten. Generaal van Swieten geloofde, dat het verzet in ’t vervolg geen aanvoerders zou kunnen vinden. Hij lokte de terugroeping van een groot deel der troepen uit. Zijn opvolger, kolonel Pel, behield slechts 3000 man. De verovering van Kota Radja had aan de Hollanders gekost acht-en-twintig officieren enduizend vier-en-twintigsoldaten, die gedood waren of gestorven aan hun wonden.De weinige troepen, in den kraton achtergebleven, werden er weldra belegerd. De Hollanders hadden gehoopt, slechts een hoogmoedig vorst te moeten vernederen; zij vonden tegenover zich een wanhopig, tot het uiterste gedreven volk, dat hartstochtelijk op zijn vrijheid was gesteld. Eén man, Panglima Polem, was de ziel van het verzet, maar de organisatie bij de Atjehers was toch zóó, dat zijn verdwijning niets aan de zaak zou hebben veranderd. Het land is in provincies of sagi’s verdeeld, door een panglima bestuurd, en deze provincies worden op hun beurt door districten gevormd, die genoemd worden naar het aantal dorpen of moekims, waaruit ze bestaan. De districtshoofden hebben over hun onderdanen en hun vazallen een onbeperkt gezag, en men zou met elk van hen afzonderlijk hebben moeten onderhandelen.Weldra verrezen er in de omstreken van Kota Radja een menigte bentings of forten, en de gemeenschap met de kust werd nog voortdurend bedreigd. Elken dag hoorde men van nieuwe gevechten; nauwelijks had men een taak ten einde gebracht en een nieuwe versterking doen verrijzen, of een eind verder moest weer worden opgetreden, zoodat het terrein voet voor voet moest worden veroverd. In Juni 1875, achttien maanden na den val van den kraton, besloeg het door de Hollanders bezette grondgebied nauwelijks een dertigtal vierkante kilometers, en de troepen hadden er, om zich te verdedigen, acht-en-dertig posten moeten vestigen. De vijandelijkheden duurden voort, en de oorlog had een karakter, van zoo groote verbittering blijk gevend, dat er voortaan geen overleg tusschen beide volken mogelijk was, en de breuk onherstelbaar moest heeten.Tegen het middenvan1877 gelukte het generaal Pel, eindelijk een serie posten in ’t leven te roepen en die onderling te verbinden, zoodat er rondom Kota Radja tot aan de zee een beschermende gordel van versterkingen ontstond. In dien kring, waarvan de grootste middellijn niet langer was dan tien kilometer, zijn de Hollanders gedurende twintig jaren opgesloten moeten blijven.Sedert eenige jaren zijn nu echter de troepen versterkt, en onder hun energieken leider, den opperbevelhebber generaal Van Heutsz, is de verovering van het dal der Atjehrivier voltooid. Tegenwoordig leidt een spoorweg naar Selimoen op 40 K.M. afstands van de zee. Een andere, beginnend bij Segli, loopt naar het binnenland voort tot Padang Tidji, en een derde lijn loopt langs de kust en moet later op Medan aansluiten.Toch is de pacificatie van Atjeh nog ver van volledig. Met moeite gelukt het, de orde te handhaven in een beperkt gebied rondom enkele dorpen, als Telok Semaweh, Edi, Melaboe. Het onmetelijke grondgebied van ’t rijk Atjeh, dat een vierde van het eiland Sumatra beslaat, is eigenlijk nog voor ’t grootste gedeelte onbekend. Over een lengte van 500 K.M. is alles woest buiten een smalle strook lands langs de zee en de straat van Malakka. De kaarten vertoonen slechts enkele hooge toppen, die van de kust af te zien zijn op grooten afstand, en in de geheimzinnige valleien, die naar het binnenland voortloopen, zullen de opstandelingen nog langen tijd een veilige schuilplaats vinden.Wij zijn slechts twee uren te Segli gebleven, en we zijn per spoor naar Padang Tidji vertrokken. Wij reizen met een detachement, dat van een verkenningstocht terugkeert. De officieren en ook de dokter dragen allen een ontbloote sabel in de hand, want in dezen oorlog van hinderlagen is elke ontmoeting een gevecht, dat beslist moet worden in een strijd van man tegen man. Hoewel de Atjehers met geweren gewapend zijn, houden ze zich graag aan de tactiek, die hun vroeger zoo dikwijls de overwinning bezorgde. Zij werpen zich na een eersten aanval verwoed op den vijand, en als die laatste een geoefend krijger is, met goede geweren gewapend, is zulk een methode vernietigend voor wie er zich van bedienen. In dit land met zijn vele bezwaren, met dicht struikgewas begroeid, zoo geschikt voor hinderlagen, zou een voorzichtigevijand, zooals bij voorbeeld de vroegere zeeroovers uit Boven Tonkin, aan de Hollanders spoedig onherstelbare verliezen toebrengen.Padang Tidji is een voorloopige post op de plek, waar vroeger Panglima Polem woonde. Men ziet nog midden in het kamp de graven van de voorvaderen van dezen heftigen Europeanenvijand. Het garnizoen bestaat gewoonlijk uit één bataljon; maar op dit oogenblik zijn drie compagnieën op verkenning uit. De inrichting is dood eenvoudig. Enkele simpele hutten staan regelmatig in een vierkant met zijden van 150 M. lang en zijn omgeven door een palissade met prikkeldraad. Daar de meeste soldaten getrouwd zijn, vindt men op dit oogenblik in den post ongeveer 150 mannen en 470 vrouwen of kinderen, wat wel een origineel verschijnsel mag heeten.Er wordt ons verteld, dat een troep van tweehonderd Atjehers den weg naar Selimoen dien morgen is overgetrokken.Een detachement infanterie en eenpelotoncavalerie zijn hun te gemoet getrokken. Om drie uur keeren de ruiters terug; de Atjehers hebben zich, zonder tegenstand te bieden, teruggetrokken, na eenige schoten te hebben gelost. Twee gevangenen, wier handen gebonden zijn aan het zadel van een paard, loopen in trotsche houding, met kalm, uitdagend gezicht. Men schrijft aan de Atjehers graag allerlei ondeugden toe; men zegt dat ze liegen en spelen, dronkaards en luilakken zijn; maar het zijn stellig en zeker dappere kerels.Den volgenden morgen vertrekken wij om zeven uur te paard naar Selimoen onder het geleide van een peloton cavalerie. De tocht is nog al lang, ongeveer 42 K.M. Wij hebben in ’t geheel geen berichten uit Selimoen, want de telegraaflijn is in het ongereede. Zulke ongevallen komen dikwijls voor. Niet alleen werpen de Atjehers de palen soms omver; maar de olifanten, die hier nog al talrijk zijn, maken zich er ook aan schuldig. De luitenant, die bij ons was, vertelt, dat hij nooit dien weg aflegt, zonder zulk een tweebeenigen of vierbeenigen, hardnekkigen vijand van de telegraaf te ontmoeten. Dezen keer echter gingen wij door een verlaten streek, waar niets eenige afwisseling bood, en tot zijn groote spijt kon de luitenant ons geen staaltje laten zien van het werken der hollandsche cavalerie.Van Padang Tidji af loopt de weg in rechte lijn door de vlakte, drie kilometers ver. Hij volgt dan een langen, kronkelenden bergkam, en wij dalen en stijgen bij afwisseling over een steenachtigen grond, met hoog gras bedekt. Rechts en links is het terrein ontboscht, en laat een vrij uitzicht toe. Alleen in de diepte der kloven is een mooie plantengroei te zien, en wij houden dikwijls stil onder hooge boomen, waar de paarden zich aan een riviertje kunnen laven. Rechts verrijst een alleenstaande piek, links een keten van blauwe bergen en boven stort zich, schitterend in de zon, een groote waterval neer in de bosschen. Het is buitengewoon warm; de kale hellingen zenden ons de zonnestralen terug; maar de luitenant schijnt er weinig last van te hebben. De paarden zijn vermoeid, en wij moeten den gang wat inhouden. Het land is geheel verlaten; de Atjehers zijn totaal verdwenen, naar het schijnt. Zij verschijnen, hoor ik, alleen nog op dezen weg, om de gemeenschap tusschen Kota Radja en Segli te bemoeilijken. Men ziet geen spoor van eenige cultuur; al lang moet ieder dorp hier verdwenen zijn; er zijn geen levensmiddelen te krijgen in dit verlaten oord.Tegen half één houden wij stil bij een gehuchtje, nadat we door een breede rivier hebben moeten waden. Er is geen mensch te zien in de huizen. Een paar vrouwen op den weg zien ons vijandig aan en verwaardigen zich niet, te antwoorden op de vragen, die haar worden gedaan. Een inlandsch soldaat klimt in een kokospalm en doet een regen van noten vallen, zoodat wij onzen dorst kunnen lesschen. Een uur later zijn we, doornat van zweet, te Selimoen.Deze post ligt uitstekend, hoog aan den oever der rivier. De gebouwen zijn van steen opgetrokken en zijn ruim en geriefelijk. Het garnizoen bestond verleden jaar uit een bataljon infanterie, een sectie artillerie, en een peloton cavalerie; dit jaar bepaalt het zich tot een divisie marechaussee. Dat is een bijzonder corps, gerecruteerd uit de inlandsche soldaten, die zich onderscheiden hebben door hun dapperheid, hun kracht, hun weerstandsvermogen tegen vermoeienis en hun behendigheid in het schieten. Elke divisie staat onder het bevel van een kapitein en omvat twaalf brigades. Elke brigade wordt gevormd door een europeeschen en een inlandschen onderofficier, een korporaal en zeventien man. Een luitenant heeft vier brigades onder zijn bevel. De mannen zijn gewapend met een karabijn en een korte sabel. Hun oorlogskreet, die bij de Atjehers zeer gevreesd is, luidt: ”Potong kapala!” (De hoofden af!) Die divisies vormen speciale troepen, bestand tegen lange marschen, gewend aan den hinderlagenoorlog, zooals die hier gevoerd wordt; zij bestaan nog niet lang, maar bewijzen uitstekende diensten.Ze zijn onafgebroken op marsch en beschermen doeltreffend de streken, waar ze werkzaam zijn, tegen invallen van den bij uitstek mobielen vijand, maar dien zij in bewegelijkheid op zijde streven.Om half drie hebben wij den trein naar Kota Radja genomen. De spoorweg is door de genie gebouwd en volgt voortdurend den linkeroever der rivier. Het vrij breede dal wordt begrensd door bergen, welker eerste hellingen ontboscht zijn. De zeer talrijke dorpen liggen in het groen verscholen, te midden van palmen en bamboeboschjes, en de rijstvelden, die ze van elkaâr scheiden, zijn op die wijs omgeven door levende, ondoordringbare hagen. De troepen, die zich vroeger in die doorgangen waagden, kregen een geweervuur op korten afstand van een onzichtbaren vijand, weggedoken in ’t moeras en beproefden te vergeefs, aanvallend op te treden. Bij het dorp Lambaroe en het rijstveld van Kajoe Leh werd een detachement van zestig man overvallen en geheel vernietigd, en de luitenant, die het bevel voerde, hoewel maar licht gewond, kwam te vallen en verdronk in het slijkerige water. Op dit oogenblik geniet de Atjehvallei een bijna volkomen rust. Toch zijn er nog wel schermutselingen, en wij zien te Indrapoera een brigade marechaussee, die uit den trein stapt en zich vlug op weg begeeft, om dezen nacht in ’t bergland te patrouilleeren.Wij betreden te Lambaroe de ruimte, waar zoo langen tijd de hollandsche troepen opgesloten moesten blijven. De post Lambaroe, omgeven door een hooge, ijzeren palissade, wordt met de naburige posten verbonden door een spoorweg, die rondom Kota Radja den boog van een cirkel beschrijft en uitkomt aan de zee, aan den eenen kant te Lamtih, aan den anderen te Pakang Kroen Tjoet. Op die lijn waren veertien posten gevestigd, en andere spoorwegen, als stralen er van uitgaande, sloten zich bij de hoofdlijn aan.Aan de stations langs de lijn zien we slechts een klein aantal inboorlingen. Het zijn vooral vrouwen; de mannen, die onverzoenlijker zijn, vertoonen zich bijna niet, en halfnaakte kinderen schelden de reizigers uit en voeren met gebalde vuisten woeste, dreigende dansen uit. Al is er dan rust, een echte pacificatie kan men dit niet noemen.Een laan te Kota Radja.Een laan te Kota Radja.Wij zijn slechts twee dagen te Kota Radja gebleven. Het is een uitsluitend militaire stad, aan beide oevers der rivier gebouwd, rondom den ouden kraton. Het is er verstikkend warm, en niets houdt er ons terug. Niet hier is het interessante leven van Atjeh te zien. Men zou de posten moeten kunnen bezoeken, het leven leeren kennen van de troepen, binnen in het onbekende land doordringen, en dat alles is ons verboden. Een boot, deMaha, vertrekt van Olehleh den 30sten Mei en wij nemen daarop passage. Wij vertrekken van Kota Radja om vijf uur ’s avonds. Een zeeofficier, dien wij bij aankomst in de haven ontmoeten, noodt ons zeer vriendelijk, met hem te dineeren. Zoo is onze laatste herinnering aan Sumatra er een van gastvrijheid.Een groep Atjehers.Een groepAtjehers.Wij zijn na den maaltijd aan boord gegaan. In de haven, die volkomen open is, schommelt onze boot op de golven. Wij varen langs de kust en langs ’t eiland Poeloe Weh, zien op de steile, met bosch bedekte hellingen, die de kleine Sabangbaai beschermen, waar men op het kleine eilandje een kolenstation heeft gevestigd. Achter ons blinkt melancholiek de vuurtoren en blijft lang zichtbaar. De maan, pas opgekomen, beschijnt de trage golven, die zachtjes deinen op en neer. De hooge bergen staan scherp geteekend tegen den helderen hemel. Daar stijgen fijne nevels omhoog; de horizon schijnt te wijken, en het wonderland, waar ik zonder twijfel nooit meer den voet zal zetten, verdwijnt langzaam uit ons oog.
Verkenningspatrouille in Atjeh, een rivier doorwadend.Verkenningspatrouille in Atjeh, een rivier doorwadend.
Verkenningspatrouille in Atjeh, een rivier doorwadend.
De huizen der opzichters en die der koelies worden elke twee jaren afgebroken en elders weer opgebouwd. Zij liggen altijd op de grens van twee perceelen, die na elkander in bewerking moeten worden genomen. De loodsen of droogschuren zijn vervaardigd van hout en bamboe en zijn met riet gedekt. Men gebruikt bij het bouwen gewoonlijk òf Bataks òf inboorlingen van Borneo uit de buurt van Banjermasin. Javanen moeten in ’t bijzonder voor het draineeringswerk zorgen; Klings of Klingaleezen, dat zijn Tamilen van de kust van Malabar, rijden de wagens en verzorgen de trekossen, die in Siam of Birma worden gekocht.
Na den oogst worden alle koelies saâmgeroepen naar het midden der plantage, waar zich het groote gebouw bevindt, van hout en steen opgetrokken en wel 150 M. lang en met plaatijzeren dak, waar de tabak behandeld wordt. De koelieverblijven zijn afzonderlijke gebouwen, waar de menschen naar ras en godsdienst bijeengevoegd zijn. De Chineezen wonen in ruime barakken in groepen van dertig à vijf-en-dertig, onder toezicht van een mandoer, geboortig uit dezelfde provincie, die 1/30 of 1/35 van hun totaal salaris ontvangt. Elke Chinees beschikt over ongeveer 8 vierkante meters en kan zich daar zelf van licht materiaal, als hout en bamboe, dat te zijner beschikking wordt gesteld, een afgesloten ruimte timmeren. Achter de woningen liggen de keukens, de putten en de badvijvers, tenzij de rivier onmiddellijk in de buurt is. De hoofdopzichter der Chineezen woont bij hen in een eigen paviljoen en ontvangt 1/30 van alle salarissen. Er zijn op de plantage enkele pagoden, één of meer, naar het aantal Chineezen, en de administratie zorgt ervoor, die uitstekend te onderhouden.
De plantage, die wij bezoeken, geeft werk aan ongeveer 550 Chineezen, 200 Javanen, 30 Klingaleezen; de grond brengt gemiddeld 12 pikols tabak per bouw, dat is ongeveer 1000 K.G. per hectare, en de prijs daalt nooit onder 100 gulden per pikol of 1.75 franc per pond.
Wij hebben eenige dagen doorgebracht in de omstreken van Medan, en we hebben verschillende; plantages bezocht, die in ongelijke omstandigheden verkeerden, maar welker algemeene organisatie bijna overal dezelfde is. Een dier ondernemingen, nog van jongen datum, ligt te Koeala Bingei. De dit jaar beplante secties zijn pas op het bosch veroverd. Overal zien wij verkoolde stammen; er zijn ook veel boomen geveld en de Chineezen zijn ijverig in de weer, er de wortels van op te ruimen en de resten te verbranden. Aan den overkant van den weg, waarlangs mijn gastheer mij per automobiel een ritje laat maken, is nog het maagdelijk woud onaangetast. De leemhoudende grond staat onder water; het is een moeras, waar de rivier in tijden van hoogen waterstand zich in ontlast; maar reeds zijn er afvoerkanalen gegraven. Het afvloeiende water is zwart of rood en sterk tanninehoudend. Langzamerhand zal, als de regens den grond hebben uitgewasschen, het water helderder worden. Weldra zal dan het drooggelegde moeras geschikt zijn als bouwgrond; het dichte woud zal verdwijnen, en nieuwe velden zullen op de overblijfselen zich uitbreiden.
Te Koeala Besilan, waarheen wij ons vervolgens hebben begeven, is de administrateur, de heer Cosnac, een Franschman; hij ontvangt ons met open armen. Twee andere landgenooten van ons wonen in de buurt, en wij brengen in hun gezelschap twee prettige dagen door. Ze zijn vol werklust en energie. Zij rekenen alleen op eigen kracht en vragen niets van het bestuur, en mijn eenige ergernis is, dat dergelijke kolonisten op deze wijze aan onze eigen bezittingen ontrouw worden.
Dit geheele gedeelte van Sumatra geeft ons aldus een merkwaardig voorbeeld van een woest en zoo goed als verlaten oord, door menschelijke werkzaamheid binnen het vierde van een eeuw veranderd in een grooten tuin, zonder een van die heftigheden of misbruiken, die op koloniale ondernemingen vaak een zwarte vlek werpen. Wij zullen in de aangrenzende provincies een geheel tegenovergestelden toestand vinden, een oorlog, die nu al 27 jaren met onverbiddelijke strengheid gevoerd wordt tegen het rijk van Atjeh.
Reeds herhaalde malen zijn wij bij vorige reizen langs deze gevaarlijke kust gevaren; dezen keer zullen wij in het land binnendringen. Wij hebben vergunning gevraagd, om te Segli aan wal te gaan op de oostkust en over land Kota Radja en Olehleh te bereiken. Een klein adviesjacht haalt ons 26 Mei af en zet ons den volgenden morgen om tien uur aan wal bij den post te Segli.
Versterkt atjehsch dorp.Versterkt atjehsch dorp.
Versterkt atjehsch dorp.
Het koninkrijk Atjeh heeft oudtijds ’t Oosten met zijn glorie vervuld. In de 17de eeuw verjoeg sultan Ibrahim, veroveraar van Pasei en van Pedir, de Portugeezen uit Sumatra en bracht den krijg over naar hun bezittingen op Malakka. In de tijdruimte van veertig jaar bombardeerden de atjehsche vloten vijfmaal de stad Malakka. In 1739 namen zij in de haven zeven portugeesche schepen, en de sultan zond als een bespotting de matrozen en de soldaten van de bemanning terug met afgesneden neuzen en ooren. Engeland en Frankrijk zonden toen gezantschappen naar Iskender Moeda, den nieuwen Alexander. Admiraal de Beaulieu heeft de pracht van het paleis, waar hij ontvangen werd, beschreven en de reusachtige citadel, welker omtrek meer dan een halve mijl groot was. Ook troffen hem de fabelachtige schatten van den sultan, de danseressen, behangen met edelgesteenten, de geweldige artillerie en cavalerie, de tweehonderd strijdolifanten en de driehonderd goudsmeden, die onafgebroken bezig waren, onschatbare gesteenten voor den vorst te ciseleeren. In het midden van die eeuw waren de atjehsche zeelieden de stoutmoedigste zeeroovers, die ooit de zeeën onveilig hebben gemaakt. Lang weifelden de Hollanders eer zij een oorlog begonnen, waarvan zij zich de moeilijkheden en bezwaren niet ontveinsden. Herhaaldelijk zonden zij naar Kota Radja gezantschappen, die door den sultan met beleedigende hoogheid werden ontvangen. Jaar op jaar werden handelsvaartuigen aangevallen en uitgeplunderd. In 1873 moest men den weg van vrede en overreding verlaten; de oorlog werd den 26sten Maart verklaard.
Een peloton cavallerie in Atjeh.Een peloton cavallerie in Atjeh.
Een peloton cavallerie in Atjeh.
De eerste expeditie was niet gelukkig. De Nederlandsche troepen bestonden slechts uit vier bataljons en één batterij. Zij landden op 6 April te Kota Tjermin ten noorden van Olehleh, nauwelijks 3½ KM. van Kota Radja verwijderd. Het terrein, door smalle, moerassige wegen doorsneden, lag vol dorpen, die beschermd werden door hooge heiningen van toegespitst bamboe. Den 10den stieten de Hollanders na een reeks bloedige gevechten op de versterkingen rondom de groote moskee en maakten zich er van meester. Toen ze genoodzaakt werden die te ontruimen, kwamen ze den 12den terug en drongen er opnieuw binnen, maar de hoofdbevelhebber, generaal Köhler, werd gedood, en den 17den April namen de Hollanders den terugtocht aan en scheepten zich weerin, nadat ze te vergeefs beproefd hadden, den omtrek van den Kraton, de citadel, te verkennen.
Den 7den December daaraanvolgende ging een geheele divisie, van 7000 man ongeveer, aan land op het Atjehsche kustgebied, niet ver van de monding der Atjehrivier. Er waren 45 dagen noodig voor de verovering van het terrein, dat zich tot den kraton uitstrekte. Men trok als blinden voort over den met hindernissen overdekten grond, met hoog gras of suikerrietvelden begroeid. Den 26sten December ontstaat er een verwoed gevecht. Het middelpunt der stelling, waartegen de Hollanders hardnekkig vochten, was een hooge verschansing, waarvan men den top flauw tusschen het struikgewas kon onderscheiden. Het bleek echter, dat de rivier er den voet van bespoelde en de sterkte scheidde van de aanvallers, op wie een vernietigend vuur werd gericht.
Tot op den laatsten dag was men niet zeker van de juiste ligging der versterking. De verkenningen, die werden gedaan, leidden er slechts toe, dat de uitgezonden manschappen in het dichtste kreupelhout plotseling besprongen werden door wilden met kris en klewang. Als woeste dwepers sloegen ze op de soldaten, en lagen ze geveld ter aarde, dan nog waren hun laatste stuiptrekkingen van bedreigingen vergezeld.
Generaal van Swieten had getracht, onderhandelingen met den sultan aan te knoopen. Een Javaan, Mas Soemo Wikidjo, offerde zich op, door zich met het overbrengen van een brief te belasten. Afschuwelijk gemarteld, werd hij begraven, vóór hij nog geheel dood was; met bovenmenschelijke inspanning werkte hij zich los uit zijn graf en sleepte zich naar de hollandsche linie, waar hij, bij de voorhoede aangekomen, den geest gaf.
Toen eenmaal de citadel vermeesterd was, dacht men den oorlog ten einde. De sultan was aan de cholera gestorven, zonder een erfgenaam na te laten. Generaal van Swieten geloofde, dat het verzet in ’t vervolg geen aanvoerders zou kunnen vinden. Hij lokte de terugroeping van een groot deel der troepen uit. Zijn opvolger, kolonel Pel, behield slechts 3000 man. De verovering van Kota Radja had aan de Hollanders gekost acht-en-twintig officieren enduizend vier-en-twintigsoldaten, die gedood waren of gestorven aan hun wonden.
De weinige troepen, in den kraton achtergebleven, werden er weldra belegerd. De Hollanders hadden gehoopt, slechts een hoogmoedig vorst te moeten vernederen; zij vonden tegenover zich een wanhopig, tot het uiterste gedreven volk, dat hartstochtelijk op zijn vrijheid was gesteld. Eén man, Panglima Polem, was de ziel van het verzet, maar de organisatie bij de Atjehers was toch zóó, dat zijn verdwijning niets aan de zaak zou hebben veranderd. Het land is in provincies of sagi’s verdeeld, door een panglima bestuurd, en deze provincies worden op hun beurt door districten gevormd, die genoemd worden naar het aantal dorpen of moekims, waaruit ze bestaan. De districtshoofden hebben over hun onderdanen en hun vazallen een onbeperkt gezag, en men zou met elk van hen afzonderlijk hebben moeten onderhandelen.
Weldra verrezen er in de omstreken van Kota Radja een menigte bentings of forten, en de gemeenschap met de kust werd nog voortdurend bedreigd. Elken dag hoorde men van nieuwe gevechten; nauwelijks had men een taak ten einde gebracht en een nieuwe versterking doen verrijzen, of een eind verder moest weer worden opgetreden, zoodat het terrein voet voor voet moest worden veroverd. In Juni 1875, achttien maanden na den val van den kraton, besloeg het door de Hollanders bezette grondgebied nauwelijks een dertigtal vierkante kilometers, en de troepen hadden er, om zich te verdedigen, acht-en-dertig posten moeten vestigen. De vijandelijkheden duurden voort, en de oorlog had een karakter, van zoo groote verbittering blijk gevend, dat er voortaan geen overleg tusschen beide volken mogelijk was, en de breuk onherstelbaar moest heeten.
Tegen het middenvan1877 gelukte het generaal Pel, eindelijk een serie posten in ’t leven te roepen en die onderling te verbinden, zoodat er rondom Kota Radja tot aan de zee een beschermende gordel van versterkingen ontstond. In dien kring, waarvan de grootste middellijn niet langer was dan tien kilometer, zijn de Hollanders gedurende twintig jaren opgesloten moeten blijven.
Sedert eenige jaren zijn nu echter de troepen versterkt, en onder hun energieken leider, den opperbevelhebber generaal Van Heutsz, is de verovering van het dal der Atjehrivier voltooid. Tegenwoordig leidt een spoorweg naar Selimoen op 40 K.M. afstands van de zee. Een andere, beginnend bij Segli, loopt naar het binnenland voort tot Padang Tidji, en een derde lijn loopt langs de kust en moet later op Medan aansluiten.
Toch is de pacificatie van Atjeh nog ver van volledig. Met moeite gelukt het, de orde te handhaven in een beperkt gebied rondom enkele dorpen, als Telok Semaweh, Edi, Melaboe. Het onmetelijke grondgebied van ’t rijk Atjeh, dat een vierde van het eiland Sumatra beslaat, is eigenlijk nog voor ’t grootste gedeelte onbekend. Over een lengte van 500 K.M. is alles woest buiten een smalle strook lands langs de zee en de straat van Malakka. De kaarten vertoonen slechts enkele hooge toppen, die van de kust af te zien zijn op grooten afstand, en in de geheimzinnige valleien, die naar het binnenland voortloopen, zullen de opstandelingen nog langen tijd een veilige schuilplaats vinden.
Wij zijn slechts twee uren te Segli gebleven, en we zijn per spoor naar Padang Tidji vertrokken. Wij reizen met een detachement, dat van een verkenningstocht terugkeert. De officieren en ook de dokter dragen allen een ontbloote sabel in de hand, want in dezen oorlog van hinderlagen is elke ontmoeting een gevecht, dat beslist moet worden in een strijd van man tegen man. Hoewel de Atjehers met geweren gewapend zijn, houden ze zich graag aan de tactiek, die hun vroeger zoo dikwijls de overwinning bezorgde. Zij werpen zich na een eersten aanval verwoed op den vijand, en als die laatste een geoefend krijger is, met goede geweren gewapend, is zulk een methode vernietigend voor wie er zich van bedienen. In dit land met zijn vele bezwaren, met dicht struikgewas begroeid, zoo geschikt voor hinderlagen, zou een voorzichtigevijand, zooals bij voorbeeld de vroegere zeeroovers uit Boven Tonkin, aan de Hollanders spoedig onherstelbare verliezen toebrengen.
Padang Tidji is een voorloopige post op de plek, waar vroeger Panglima Polem woonde. Men ziet nog midden in het kamp de graven van de voorvaderen van dezen heftigen Europeanenvijand. Het garnizoen bestaat gewoonlijk uit één bataljon; maar op dit oogenblik zijn drie compagnieën op verkenning uit. De inrichting is dood eenvoudig. Enkele simpele hutten staan regelmatig in een vierkant met zijden van 150 M. lang en zijn omgeven door een palissade met prikkeldraad. Daar de meeste soldaten getrouwd zijn, vindt men op dit oogenblik in den post ongeveer 150 mannen en 470 vrouwen of kinderen, wat wel een origineel verschijnsel mag heeten.
Er wordt ons verteld, dat een troep van tweehonderd Atjehers den weg naar Selimoen dien morgen is overgetrokken.
Een detachement infanterie en eenpelotoncavalerie zijn hun te gemoet getrokken. Om drie uur keeren de ruiters terug; de Atjehers hebben zich, zonder tegenstand te bieden, teruggetrokken, na eenige schoten te hebben gelost. Twee gevangenen, wier handen gebonden zijn aan het zadel van een paard, loopen in trotsche houding, met kalm, uitdagend gezicht. Men schrijft aan de Atjehers graag allerlei ondeugden toe; men zegt dat ze liegen en spelen, dronkaards en luilakken zijn; maar het zijn stellig en zeker dappere kerels.
Den volgenden morgen vertrekken wij om zeven uur te paard naar Selimoen onder het geleide van een peloton cavalerie. De tocht is nog al lang, ongeveer 42 K.M. Wij hebben in ’t geheel geen berichten uit Selimoen, want de telegraaflijn is in het ongereede. Zulke ongevallen komen dikwijls voor. Niet alleen werpen de Atjehers de palen soms omver; maar de olifanten, die hier nog al talrijk zijn, maken zich er ook aan schuldig. De luitenant, die bij ons was, vertelt, dat hij nooit dien weg aflegt, zonder zulk een tweebeenigen of vierbeenigen, hardnekkigen vijand van de telegraaf te ontmoeten. Dezen keer echter gingen wij door een verlaten streek, waar niets eenige afwisseling bood, en tot zijn groote spijt kon de luitenant ons geen staaltje laten zien van het werken der hollandsche cavalerie.
Van Padang Tidji af loopt de weg in rechte lijn door de vlakte, drie kilometers ver. Hij volgt dan een langen, kronkelenden bergkam, en wij dalen en stijgen bij afwisseling over een steenachtigen grond, met hoog gras bedekt. Rechts en links is het terrein ontboscht, en laat een vrij uitzicht toe. Alleen in de diepte der kloven is een mooie plantengroei te zien, en wij houden dikwijls stil onder hooge boomen, waar de paarden zich aan een riviertje kunnen laven. Rechts verrijst een alleenstaande piek, links een keten van blauwe bergen en boven stort zich, schitterend in de zon, een groote waterval neer in de bosschen. Het is buitengewoon warm; de kale hellingen zenden ons de zonnestralen terug; maar de luitenant schijnt er weinig last van te hebben. De paarden zijn vermoeid, en wij moeten den gang wat inhouden. Het land is geheel verlaten; de Atjehers zijn totaal verdwenen, naar het schijnt. Zij verschijnen, hoor ik, alleen nog op dezen weg, om de gemeenschap tusschen Kota Radja en Segli te bemoeilijken. Men ziet geen spoor van eenige cultuur; al lang moet ieder dorp hier verdwenen zijn; er zijn geen levensmiddelen te krijgen in dit verlaten oord.
Tegen half één houden wij stil bij een gehuchtje, nadat we door een breede rivier hebben moeten waden. Er is geen mensch te zien in de huizen. Een paar vrouwen op den weg zien ons vijandig aan en verwaardigen zich niet, te antwoorden op de vragen, die haar worden gedaan. Een inlandsch soldaat klimt in een kokospalm en doet een regen van noten vallen, zoodat wij onzen dorst kunnen lesschen. Een uur later zijn we, doornat van zweet, te Selimoen.
Deze post ligt uitstekend, hoog aan den oever der rivier. De gebouwen zijn van steen opgetrokken en zijn ruim en geriefelijk. Het garnizoen bestond verleden jaar uit een bataljon infanterie, een sectie artillerie, en een peloton cavalerie; dit jaar bepaalt het zich tot een divisie marechaussee. Dat is een bijzonder corps, gerecruteerd uit de inlandsche soldaten, die zich onderscheiden hebben door hun dapperheid, hun kracht, hun weerstandsvermogen tegen vermoeienis en hun behendigheid in het schieten. Elke divisie staat onder het bevel van een kapitein en omvat twaalf brigades. Elke brigade wordt gevormd door een europeeschen en een inlandschen onderofficier, een korporaal en zeventien man. Een luitenant heeft vier brigades onder zijn bevel. De mannen zijn gewapend met een karabijn en een korte sabel. Hun oorlogskreet, die bij de Atjehers zeer gevreesd is, luidt: ”Potong kapala!” (De hoofden af!) Die divisies vormen speciale troepen, bestand tegen lange marschen, gewend aan den hinderlagenoorlog, zooals die hier gevoerd wordt; zij bestaan nog niet lang, maar bewijzen uitstekende diensten.
Ze zijn onafgebroken op marsch en beschermen doeltreffend de streken, waar ze werkzaam zijn, tegen invallen van den bij uitstek mobielen vijand, maar dien zij in bewegelijkheid op zijde streven.
Om half drie hebben wij den trein naar Kota Radja genomen. De spoorweg is door de genie gebouwd en volgt voortdurend den linkeroever der rivier. Het vrij breede dal wordt begrensd door bergen, welker eerste hellingen ontboscht zijn. De zeer talrijke dorpen liggen in het groen verscholen, te midden van palmen en bamboeboschjes, en de rijstvelden, die ze van elkaâr scheiden, zijn op die wijs omgeven door levende, ondoordringbare hagen. De troepen, die zich vroeger in die doorgangen waagden, kregen een geweervuur op korten afstand van een onzichtbaren vijand, weggedoken in ’t moeras en beproefden te vergeefs, aanvallend op te treden. Bij het dorp Lambaroe en het rijstveld van Kajoe Leh werd een detachement van zestig man overvallen en geheel vernietigd, en de luitenant, die het bevel voerde, hoewel maar licht gewond, kwam te vallen en verdronk in het slijkerige water. Op dit oogenblik geniet de Atjehvallei een bijna volkomen rust. Toch zijn er nog wel schermutselingen, en wij zien te Indrapoera een brigade marechaussee, die uit den trein stapt en zich vlug op weg begeeft, om dezen nacht in ’t bergland te patrouilleeren.
Wij betreden te Lambaroe de ruimte, waar zoo langen tijd de hollandsche troepen opgesloten moesten blijven. De post Lambaroe, omgeven door een hooge, ijzeren palissade, wordt met de naburige posten verbonden door een spoorweg, die rondom Kota Radja den boog van een cirkel beschrijft en uitkomt aan de zee, aan den eenen kant te Lamtih, aan den anderen te Pakang Kroen Tjoet. Op die lijn waren veertien posten gevestigd, en andere spoorwegen, als stralen er van uitgaande, sloten zich bij de hoofdlijn aan.
Aan de stations langs de lijn zien we slechts een klein aantal inboorlingen. Het zijn vooral vrouwen; de mannen, die onverzoenlijker zijn, vertoonen zich bijna niet, en halfnaakte kinderen schelden de reizigers uit en voeren met gebalde vuisten woeste, dreigende dansen uit. Al is er dan rust, een echte pacificatie kan men dit niet noemen.
Een laan te Kota Radja.Een laan te Kota Radja.
Een laan te Kota Radja.
Wij zijn slechts twee dagen te Kota Radja gebleven. Het is een uitsluitend militaire stad, aan beide oevers der rivier gebouwd, rondom den ouden kraton. Het is er verstikkend warm, en niets houdt er ons terug. Niet hier is het interessante leven van Atjeh te zien. Men zou de posten moeten kunnen bezoeken, het leven leeren kennen van de troepen, binnen in het onbekende land doordringen, en dat alles is ons verboden. Een boot, deMaha, vertrekt van Olehleh den 30sten Mei en wij nemen daarop passage. Wij vertrekken van Kota Radja om vijf uur ’s avonds. Een zeeofficier, dien wij bij aankomst in de haven ontmoeten, noodt ons zeer vriendelijk, met hem te dineeren. Zoo is onze laatste herinnering aan Sumatra er een van gastvrijheid.
Een groep Atjehers.Een groepAtjehers.
Een groepAtjehers.
Wij zijn na den maaltijd aan boord gegaan. In de haven, die volkomen open is, schommelt onze boot op de golven. Wij varen langs de kust en langs ’t eiland Poeloe Weh, zien op de steile, met bosch bedekte hellingen, die de kleine Sabangbaai beschermen, waar men op het kleine eilandje een kolenstation heeft gevestigd. Achter ons blinkt melancholiek de vuurtoren en blijft lang zichtbaar. De maan, pas opgekomen, beschijnt de trage golven, die zachtjes deinen op en neer. De hooge bergen staan scherp geteekend tegen den helderen hemel. Daar stijgen fijne nevels omhoog; de horizon schijnt te wijken, en het wonderland, waar ik zonder twijfel nooit meer den voet zal zetten, verdwijnt langzaam uit ons oog.