IXDe Dood van WautierDank aan de krachtdadigheid van M. Greffulbe, agent van het huis Roux, de Fraissinet en Ciete Zanzibar, dank ook aan de vriendelijke tusschenkomst van den E. V. Stefanus, opperste van het Fransche huis van Bagamayo, hadden nieuwe dragers, in voldoende getal, de karavaan versterkt te Mpoeapoea, en den 15denOctober begaf deze zich weder op marsch, onder het bevel van den luitenant Wautier.Het oproer der pagazis te Mvomero had dus aan de eerste expeditie niet alleen eene nogal aanzienlijke som gelds gekost, maar ook een verlies van tijd van twee maanden en half. Dit was gelukkiglijk niets in vergelijking met de levendige onrust, in België ontstaan ten gevolge van een valsch gerucht, door de dagbladen verspreid, en volgens hetwelk de Belgische expeditie, aangevallen door een inlandschen stam, overmand en uitgeroeid was geworden.Het doortrekken van Oegogo gebeurde langzaam, ter oorzake van de zich immer vernieuwende geschillen over den hongo; dit vroeg zes weken, maar bood geen enkel merkwaardig voorval aan.Bij Kironda, niet ver van het dorp Simbo, voegde zich de expeditie bij eene karavaan, welke M. Broyon naar de Engelsche missionarissen van Oejiji geleidde, en die zich gereedmaakte om de Mgonda-Mkali over te steken.Hier komt de pijnlijke episode van den dood van M. Penrose, Engelsch ingenieur verbonden aan deLondon Missionary Society. Die ramp is nog niet heelemaal opgehelderd, en ik wil er een oogenblik bij stilblijven. Ik deel, volgens het verslag van den heer dokter Dutrieux, den gang der gebeurtenissen beknopt mede.Benden plunderaars, bijna allen behoorende aan Nyoengoe, machtig opperhoofd van het zuiden van Oenymaoeëi, waarbij zichroegas-roegas(struikroovers) gevoegd hadden, legerden in de vlakte ten westen van Oegogo en schenen van plan, den weg te versperren aan de karavanen, die zich naar Tabora begaven. Zij hadden reeds, schijnt het, die van den abt Debaize aangevallen, den Franschen onderzoekingsreiziger, die eenigen tijd te voren daar voorbij was getrokken.Daar daagde de karavaan op, geleid door M. Penrose,en welke die van luitenant Wautier eenige dagen voorafging. Tegengehouden door de gewapende benden op de boorden van het kleine meer Tchaïa, was zij verplicht te strijden. Hare dragers liepen weg, al hare koopwaren bleven in de handen der aanvallers en de ongelukkige Penrose werd in ’t gevecht gedood.De toestand onzer reizigers was dus bedenkelijk. Gelukkiglijk verwittigd door de inboorlingen, de vluchtelingen en het geweervuur, dat zij in de verte gehoord hadden, omtrent hetgeen juist gebeurd was op den weg zelf, dien zij volgden, namen de heeren Wautier, Dutrieux, Broyon en een Engelsche missionaris, M. Dodsghun, die dezen laatste vergezelde, in tijds hunne maatregelen om elke botsing te vermijden met de mannen van Nyoengoe, door hunne zegepraal ongetwijfeld verhit.Zelfs met de zekerheid der overwinning, was ’t nog beter terug te wijken dan eene moordende worsteling aan te gaan met arme wilden, dikwijls onbewust van hunne daden. Vergoten bloed roept bloed; gramschap, haat en wraak zijn verschrikkelijke vijanden voor wie beschaven wil. Hij alleen begrijpt zijne rol—zijne groote en edele rol—die zichzelven zegt, dat het leven van den laatste der zwarten zoo heilig is als dat van den eerste der blanken; dat het door geduld, het voorbeeld, zachtheid, goede middelen, en niet door geweld endwang is, dat men meester zal worden over die onterfde, wantrouwe en vreesachtigevolksstammen.De vier Europeanen sloegen raad, en op voorstel van M. Broyon werd er beslist, dat de karavaan Hittoera zou bereiken langs een grooten omweg naar het noorden, dwars door Oetatoeroe. De tirikesa werd bevolen, en de expeditie, de baan van ’t westen verlatend, wendde zich recht naar ’t noorden, door een dicht woud. Een plasregen maakte haren marsch moeilijk tot aan het dorp Hekoengoe.Daar wachtte haar een wreed ongeluk.In dien kringmarsch rond het meer Tchaïa kwam de dood voor den derden keer de expeditie der Vereeniging bezoeken. Den 7denDecember werd luitenant Wautier door eenen afgang aangetast, die weldra in roodeloop ontaardde. Het was de derde maal sedert zijn verblijf in Afrika, dat de dappere officier door deze ziekte gekweld werd; telkens was zij geweken voor eene geneeskundige behandeling van eenige dagen. Ongelukkiglijk meende de kranke, zich dezen keer te kunnen ontslaan van het onderhouden van den strengen leefregel, door den aard der kwaal opgelegd. Ondanks eene zekere beterschap gedurende eenen dag of twee, nam de verzwakking weldra de overhand, en in den morgen van den 19dengaf Wautier den geest, onder het stamelen van zijn laatste woord.Dokter Dutrieux verwierf van het opperhoofdvan Hekoengoe den afstand van een terrein, waarover zich het lommer van eenen baobab uitstrekt. De kuil werd gedolven aan den voet van den reuzenboom en de begrafenis had plaats in tegenwoordigheid van heel de expeditie. Een tas steenen werd boven het graf opgehoopt; een kruis en de naamcijfers van den overledene werden in den boom gegrift, en de sultan beloofde, het monument, opgericht tot aandenken van onzen ongelukkigen landgenoot, te doen eerbiedigen, en er de plaats van aan te wijzen aan de reizigers, die hier zouden voorbijkomen.Wautier is de eerste Belgische reiziger, gestorven in ’t hart van ’t geheimzinnig werelddeel. Nog voor eenige jaren is Itatoeroe, waar hij rust, overgeleverd aan de vergetelheid, maar in eene niet ver verwijderde toekomst zal de beschaving er haar licht doen doordringen. Een weldoende straal zal dan tot in Hekoengoe schijnen, op den wilden baobab, aan wiens voet de soldaat-reiziger begraven ligt. De groote zaak, waarvoor hij grootmoedig zijn leven heeft ten beste gegeven, zal hem godvruchtig een gedenkteeken oprichten, zijner waardig, en beter dan heden zal men de vrucht en de grootheid van het offer beseffen.Den 29stenDecember bereikte de heer Dutrieux Hittoera met zijne 350 man, wier verbintenis voor ’t meerendeel bij dit dorp eindigde. Hij wachtte er op nieuws van kapitein Cambier, die, van zijneaankomst verwittigd, niet aarzelde hem tegen te gaan, en de ontmoeting der twee reizigers, sedert bijna vijf maanden gescheiden, greep plaats den zesden Januari 1879 in het dorp Oeyoeï, gelegen nabij Tabora, een weinig ten noorden.
IXDe Dood van WautierDank aan de krachtdadigheid van M. Greffulbe, agent van het huis Roux, de Fraissinet en Ciete Zanzibar, dank ook aan de vriendelijke tusschenkomst van den E. V. Stefanus, opperste van het Fransche huis van Bagamayo, hadden nieuwe dragers, in voldoende getal, de karavaan versterkt te Mpoeapoea, en den 15denOctober begaf deze zich weder op marsch, onder het bevel van den luitenant Wautier.Het oproer der pagazis te Mvomero had dus aan de eerste expeditie niet alleen eene nogal aanzienlijke som gelds gekost, maar ook een verlies van tijd van twee maanden en half. Dit was gelukkiglijk niets in vergelijking met de levendige onrust, in België ontstaan ten gevolge van een valsch gerucht, door de dagbladen verspreid, en volgens hetwelk de Belgische expeditie, aangevallen door een inlandschen stam, overmand en uitgeroeid was geworden.Het doortrekken van Oegogo gebeurde langzaam, ter oorzake van de zich immer vernieuwende geschillen over den hongo; dit vroeg zes weken, maar bood geen enkel merkwaardig voorval aan.Bij Kironda, niet ver van het dorp Simbo, voegde zich de expeditie bij eene karavaan, welke M. Broyon naar de Engelsche missionarissen van Oejiji geleidde, en die zich gereedmaakte om de Mgonda-Mkali over te steken.Hier komt de pijnlijke episode van den dood van M. Penrose, Engelsch ingenieur verbonden aan deLondon Missionary Society. Die ramp is nog niet heelemaal opgehelderd, en ik wil er een oogenblik bij stilblijven. Ik deel, volgens het verslag van den heer dokter Dutrieux, den gang der gebeurtenissen beknopt mede.Benden plunderaars, bijna allen behoorende aan Nyoengoe, machtig opperhoofd van het zuiden van Oenymaoeëi, waarbij zichroegas-roegas(struikroovers) gevoegd hadden, legerden in de vlakte ten westen van Oegogo en schenen van plan, den weg te versperren aan de karavanen, die zich naar Tabora begaven. Zij hadden reeds, schijnt het, die van den abt Debaize aangevallen, den Franschen onderzoekingsreiziger, die eenigen tijd te voren daar voorbij was getrokken.Daar daagde de karavaan op, geleid door M. Penrose,en welke die van luitenant Wautier eenige dagen voorafging. Tegengehouden door de gewapende benden op de boorden van het kleine meer Tchaïa, was zij verplicht te strijden. Hare dragers liepen weg, al hare koopwaren bleven in de handen der aanvallers en de ongelukkige Penrose werd in ’t gevecht gedood.De toestand onzer reizigers was dus bedenkelijk. Gelukkiglijk verwittigd door de inboorlingen, de vluchtelingen en het geweervuur, dat zij in de verte gehoord hadden, omtrent hetgeen juist gebeurd was op den weg zelf, dien zij volgden, namen de heeren Wautier, Dutrieux, Broyon en een Engelsche missionaris, M. Dodsghun, die dezen laatste vergezelde, in tijds hunne maatregelen om elke botsing te vermijden met de mannen van Nyoengoe, door hunne zegepraal ongetwijfeld verhit.Zelfs met de zekerheid der overwinning, was ’t nog beter terug te wijken dan eene moordende worsteling aan te gaan met arme wilden, dikwijls onbewust van hunne daden. Vergoten bloed roept bloed; gramschap, haat en wraak zijn verschrikkelijke vijanden voor wie beschaven wil. Hij alleen begrijpt zijne rol—zijne groote en edele rol—die zichzelven zegt, dat het leven van den laatste der zwarten zoo heilig is als dat van den eerste der blanken; dat het door geduld, het voorbeeld, zachtheid, goede middelen, en niet door geweld endwang is, dat men meester zal worden over die onterfde, wantrouwe en vreesachtigevolksstammen.De vier Europeanen sloegen raad, en op voorstel van M. Broyon werd er beslist, dat de karavaan Hittoera zou bereiken langs een grooten omweg naar het noorden, dwars door Oetatoeroe. De tirikesa werd bevolen, en de expeditie, de baan van ’t westen verlatend, wendde zich recht naar ’t noorden, door een dicht woud. Een plasregen maakte haren marsch moeilijk tot aan het dorp Hekoengoe.Daar wachtte haar een wreed ongeluk.In dien kringmarsch rond het meer Tchaïa kwam de dood voor den derden keer de expeditie der Vereeniging bezoeken. Den 7denDecember werd luitenant Wautier door eenen afgang aangetast, die weldra in roodeloop ontaardde. Het was de derde maal sedert zijn verblijf in Afrika, dat de dappere officier door deze ziekte gekweld werd; telkens was zij geweken voor eene geneeskundige behandeling van eenige dagen. Ongelukkiglijk meende de kranke, zich dezen keer te kunnen ontslaan van het onderhouden van den strengen leefregel, door den aard der kwaal opgelegd. Ondanks eene zekere beterschap gedurende eenen dag of twee, nam de verzwakking weldra de overhand, en in den morgen van den 19dengaf Wautier den geest, onder het stamelen van zijn laatste woord.Dokter Dutrieux verwierf van het opperhoofdvan Hekoengoe den afstand van een terrein, waarover zich het lommer van eenen baobab uitstrekt. De kuil werd gedolven aan den voet van den reuzenboom en de begrafenis had plaats in tegenwoordigheid van heel de expeditie. Een tas steenen werd boven het graf opgehoopt; een kruis en de naamcijfers van den overledene werden in den boom gegrift, en de sultan beloofde, het monument, opgericht tot aandenken van onzen ongelukkigen landgenoot, te doen eerbiedigen, en er de plaats van aan te wijzen aan de reizigers, die hier zouden voorbijkomen.Wautier is de eerste Belgische reiziger, gestorven in ’t hart van ’t geheimzinnig werelddeel. Nog voor eenige jaren is Itatoeroe, waar hij rust, overgeleverd aan de vergetelheid, maar in eene niet ver verwijderde toekomst zal de beschaving er haar licht doen doordringen. Een weldoende straal zal dan tot in Hekoengoe schijnen, op den wilden baobab, aan wiens voet de soldaat-reiziger begraven ligt. De groote zaak, waarvoor hij grootmoedig zijn leven heeft ten beste gegeven, zal hem godvruchtig een gedenkteeken oprichten, zijner waardig, en beter dan heden zal men de vrucht en de grootheid van het offer beseffen.Den 29stenDecember bereikte de heer Dutrieux Hittoera met zijne 350 man, wier verbintenis voor ’t meerendeel bij dit dorp eindigde. Hij wachtte er op nieuws van kapitein Cambier, die, van zijneaankomst verwittigd, niet aarzelde hem tegen te gaan, en de ontmoeting der twee reizigers, sedert bijna vijf maanden gescheiden, greep plaats den zesden Januari 1879 in het dorp Oeyoeï, gelegen nabij Tabora, een weinig ten noorden.
IXDe Dood van Wautier
Dank aan de krachtdadigheid van M. Greffulbe, agent van het huis Roux, de Fraissinet en Ciete Zanzibar, dank ook aan de vriendelijke tusschenkomst van den E. V. Stefanus, opperste van het Fransche huis van Bagamayo, hadden nieuwe dragers, in voldoende getal, de karavaan versterkt te Mpoeapoea, en den 15denOctober begaf deze zich weder op marsch, onder het bevel van den luitenant Wautier.Het oproer der pagazis te Mvomero had dus aan de eerste expeditie niet alleen eene nogal aanzienlijke som gelds gekost, maar ook een verlies van tijd van twee maanden en half. Dit was gelukkiglijk niets in vergelijking met de levendige onrust, in België ontstaan ten gevolge van een valsch gerucht, door de dagbladen verspreid, en volgens hetwelk de Belgische expeditie, aangevallen door een inlandschen stam, overmand en uitgeroeid was geworden.Het doortrekken van Oegogo gebeurde langzaam, ter oorzake van de zich immer vernieuwende geschillen over den hongo; dit vroeg zes weken, maar bood geen enkel merkwaardig voorval aan.Bij Kironda, niet ver van het dorp Simbo, voegde zich de expeditie bij eene karavaan, welke M. Broyon naar de Engelsche missionarissen van Oejiji geleidde, en die zich gereedmaakte om de Mgonda-Mkali over te steken.Hier komt de pijnlijke episode van den dood van M. Penrose, Engelsch ingenieur verbonden aan deLondon Missionary Society. Die ramp is nog niet heelemaal opgehelderd, en ik wil er een oogenblik bij stilblijven. Ik deel, volgens het verslag van den heer dokter Dutrieux, den gang der gebeurtenissen beknopt mede.Benden plunderaars, bijna allen behoorende aan Nyoengoe, machtig opperhoofd van het zuiden van Oenymaoeëi, waarbij zichroegas-roegas(struikroovers) gevoegd hadden, legerden in de vlakte ten westen van Oegogo en schenen van plan, den weg te versperren aan de karavanen, die zich naar Tabora begaven. Zij hadden reeds, schijnt het, die van den abt Debaize aangevallen, den Franschen onderzoekingsreiziger, die eenigen tijd te voren daar voorbij was getrokken.Daar daagde de karavaan op, geleid door M. Penrose,en welke die van luitenant Wautier eenige dagen voorafging. Tegengehouden door de gewapende benden op de boorden van het kleine meer Tchaïa, was zij verplicht te strijden. Hare dragers liepen weg, al hare koopwaren bleven in de handen der aanvallers en de ongelukkige Penrose werd in ’t gevecht gedood.De toestand onzer reizigers was dus bedenkelijk. Gelukkiglijk verwittigd door de inboorlingen, de vluchtelingen en het geweervuur, dat zij in de verte gehoord hadden, omtrent hetgeen juist gebeurd was op den weg zelf, dien zij volgden, namen de heeren Wautier, Dutrieux, Broyon en een Engelsche missionaris, M. Dodsghun, die dezen laatste vergezelde, in tijds hunne maatregelen om elke botsing te vermijden met de mannen van Nyoengoe, door hunne zegepraal ongetwijfeld verhit.Zelfs met de zekerheid der overwinning, was ’t nog beter terug te wijken dan eene moordende worsteling aan te gaan met arme wilden, dikwijls onbewust van hunne daden. Vergoten bloed roept bloed; gramschap, haat en wraak zijn verschrikkelijke vijanden voor wie beschaven wil. Hij alleen begrijpt zijne rol—zijne groote en edele rol—die zichzelven zegt, dat het leven van den laatste der zwarten zoo heilig is als dat van den eerste der blanken; dat het door geduld, het voorbeeld, zachtheid, goede middelen, en niet door geweld endwang is, dat men meester zal worden over die onterfde, wantrouwe en vreesachtigevolksstammen.De vier Europeanen sloegen raad, en op voorstel van M. Broyon werd er beslist, dat de karavaan Hittoera zou bereiken langs een grooten omweg naar het noorden, dwars door Oetatoeroe. De tirikesa werd bevolen, en de expeditie, de baan van ’t westen verlatend, wendde zich recht naar ’t noorden, door een dicht woud. Een plasregen maakte haren marsch moeilijk tot aan het dorp Hekoengoe.Daar wachtte haar een wreed ongeluk.In dien kringmarsch rond het meer Tchaïa kwam de dood voor den derden keer de expeditie der Vereeniging bezoeken. Den 7denDecember werd luitenant Wautier door eenen afgang aangetast, die weldra in roodeloop ontaardde. Het was de derde maal sedert zijn verblijf in Afrika, dat de dappere officier door deze ziekte gekweld werd; telkens was zij geweken voor eene geneeskundige behandeling van eenige dagen. Ongelukkiglijk meende de kranke, zich dezen keer te kunnen ontslaan van het onderhouden van den strengen leefregel, door den aard der kwaal opgelegd. Ondanks eene zekere beterschap gedurende eenen dag of twee, nam de verzwakking weldra de overhand, en in den morgen van den 19dengaf Wautier den geest, onder het stamelen van zijn laatste woord.Dokter Dutrieux verwierf van het opperhoofdvan Hekoengoe den afstand van een terrein, waarover zich het lommer van eenen baobab uitstrekt. De kuil werd gedolven aan den voet van den reuzenboom en de begrafenis had plaats in tegenwoordigheid van heel de expeditie. Een tas steenen werd boven het graf opgehoopt; een kruis en de naamcijfers van den overledene werden in den boom gegrift, en de sultan beloofde, het monument, opgericht tot aandenken van onzen ongelukkigen landgenoot, te doen eerbiedigen, en er de plaats van aan te wijzen aan de reizigers, die hier zouden voorbijkomen.Wautier is de eerste Belgische reiziger, gestorven in ’t hart van ’t geheimzinnig werelddeel. Nog voor eenige jaren is Itatoeroe, waar hij rust, overgeleverd aan de vergetelheid, maar in eene niet ver verwijderde toekomst zal de beschaving er haar licht doen doordringen. Een weldoende straal zal dan tot in Hekoengoe schijnen, op den wilden baobab, aan wiens voet de soldaat-reiziger begraven ligt. De groote zaak, waarvoor hij grootmoedig zijn leven heeft ten beste gegeven, zal hem godvruchtig een gedenkteeken oprichten, zijner waardig, en beter dan heden zal men de vrucht en de grootheid van het offer beseffen.Den 29stenDecember bereikte de heer Dutrieux Hittoera met zijne 350 man, wier verbintenis voor ’t meerendeel bij dit dorp eindigde. Hij wachtte er op nieuws van kapitein Cambier, die, van zijneaankomst verwittigd, niet aarzelde hem tegen te gaan, en de ontmoeting der twee reizigers, sedert bijna vijf maanden gescheiden, greep plaats den zesden Januari 1879 in het dorp Oeyoeï, gelegen nabij Tabora, een weinig ten noorden.
Dank aan de krachtdadigheid van M. Greffulbe, agent van het huis Roux, de Fraissinet en Ciete Zanzibar, dank ook aan de vriendelijke tusschenkomst van den E. V. Stefanus, opperste van het Fransche huis van Bagamayo, hadden nieuwe dragers, in voldoende getal, de karavaan versterkt te Mpoeapoea, en den 15denOctober begaf deze zich weder op marsch, onder het bevel van den luitenant Wautier.
Het oproer der pagazis te Mvomero had dus aan de eerste expeditie niet alleen eene nogal aanzienlijke som gelds gekost, maar ook een verlies van tijd van twee maanden en half. Dit was gelukkiglijk niets in vergelijking met de levendige onrust, in België ontstaan ten gevolge van een valsch gerucht, door de dagbladen verspreid, en volgens hetwelk de Belgische expeditie, aangevallen door een inlandschen stam, overmand en uitgeroeid was geworden.
Het doortrekken van Oegogo gebeurde langzaam, ter oorzake van de zich immer vernieuwende geschillen over den hongo; dit vroeg zes weken, maar bood geen enkel merkwaardig voorval aan.
Bij Kironda, niet ver van het dorp Simbo, voegde zich de expeditie bij eene karavaan, welke M. Broyon naar de Engelsche missionarissen van Oejiji geleidde, en die zich gereedmaakte om de Mgonda-Mkali over te steken.
Hier komt de pijnlijke episode van den dood van M. Penrose, Engelsch ingenieur verbonden aan deLondon Missionary Society. Die ramp is nog niet heelemaal opgehelderd, en ik wil er een oogenblik bij stilblijven. Ik deel, volgens het verslag van den heer dokter Dutrieux, den gang der gebeurtenissen beknopt mede.
Benden plunderaars, bijna allen behoorende aan Nyoengoe, machtig opperhoofd van het zuiden van Oenymaoeëi, waarbij zichroegas-roegas(struikroovers) gevoegd hadden, legerden in de vlakte ten westen van Oegogo en schenen van plan, den weg te versperren aan de karavanen, die zich naar Tabora begaven. Zij hadden reeds, schijnt het, die van den abt Debaize aangevallen, den Franschen onderzoekingsreiziger, die eenigen tijd te voren daar voorbij was getrokken.
Daar daagde de karavaan op, geleid door M. Penrose,en welke die van luitenant Wautier eenige dagen voorafging. Tegengehouden door de gewapende benden op de boorden van het kleine meer Tchaïa, was zij verplicht te strijden. Hare dragers liepen weg, al hare koopwaren bleven in de handen der aanvallers en de ongelukkige Penrose werd in ’t gevecht gedood.
De toestand onzer reizigers was dus bedenkelijk. Gelukkiglijk verwittigd door de inboorlingen, de vluchtelingen en het geweervuur, dat zij in de verte gehoord hadden, omtrent hetgeen juist gebeurd was op den weg zelf, dien zij volgden, namen de heeren Wautier, Dutrieux, Broyon en een Engelsche missionaris, M. Dodsghun, die dezen laatste vergezelde, in tijds hunne maatregelen om elke botsing te vermijden met de mannen van Nyoengoe, door hunne zegepraal ongetwijfeld verhit.
Zelfs met de zekerheid der overwinning, was ’t nog beter terug te wijken dan eene moordende worsteling aan te gaan met arme wilden, dikwijls onbewust van hunne daden. Vergoten bloed roept bloed; gramschap, haat en wraak zijn verschrikkelijke vijanden voor wie beschaven wil. Hij alleen begrijpt zijne rol—zijne groote en edele rol—die zichzelven zegt, dat het leven van den laatste der zwarten zoo heilig is als dat van den eerste der blanken; dat het door geduld, het voorbeeld, zachtheid, goede middelen, en niet door geweld endwang is, dat men meester zal worden over die onterfde, wantrouwe en vreesachtigevolksstammen.
De vier Europeanen sloegen raad, en op voorstel van M. Broyon werd er beslist, dat de karavaan Hittoera zou bereiken langs een grooten omweg naar het noorden, dwars door Oetatoeroe. De tirikesa werd bevolen, en de expeditie, de baan van ’t westen verlatend, wendde zich recht naar ’t noorden, door een dicht woud. Een plasregen maakte haren marsch moeilijk tot aan het dorp Hekoengoe.
Daar wachtte haar een wreed ongeluk.
In dien kringmarsch rond het meer Tchaïa kwam de dood voor den derden keer de expeditie der Vereeniging bezoeken. Den 7denDecember werd luitenant Wautier door eenen afgang aangetast, die weldra in roodeloop ontaardde. Het was de derde maal sedert zijn verblijf in Afrika, dat de dappere officier door deze ziekte gekweld werd; telkens was zij geweken voor eene geneeskundige behandeling van eenige dagen. Ongelukkiglijk meende de kranke, zich dezen keer te kunnen ontslaan van het onderhouden van den strengen leefregel, door den aard der kwaal opgelegd. Ondanks eene zekere beterschap gedurende eenen dag of twee, nam de verzwakking weldra de overhand, en in den morgen van den 19dengaf Wautier den geest, onder het stamelen van zijn laatste woord.
Dokter Dutrieux verwierf van het opperhoofdvan Hekoengoe den afstand van een terrein, waarover zich het lommer van eenen baobab uitstrekt. De kuil werd gedolven aan den voet van den reuzenboom en de begrafenis had plaats in tegenwoordigheid van heel de expeditie. Een tas steenen werd boven het graf opgehoopt; een kruis en de naamcijfers van den overledene werden in den boom gegrift, en de sultan beloofde, het monument, opgericht tot aandenken van onzen ongelukkigen landgenoot, te doen eerbiedigen, en er de plaats van aan te wijzen aan de reizigers, die hier zouden voorbijkomen.
Wautier is de eerste Belgische reiziger, gestorven in ’t hart van ’t geheimzinnig werelddeel. Nog voor eenige jaren is Itatoeroe, waar hij rust, overgeleverd aan de vergetelheid, maar in eene niet ver verwijderde toekomst zal de beschaving er haar licht doen doordringen. Een weldoende straal zal dan tot in Hekoengoe schijnen, op den wilden baobab, aan wiens voet de soldaat-reiziger begraven ligt. De groote zaak, waarvoor hij grootmoedig zijn leven heeft ten beste gegeven, zal hem godvruchtig een gedenkteeken oprichten, zijner waardig, en beter dan heden zal men de vrucht en de grootheid van het offer beseffen.
Den 29stenDecember bereikte de heer Dutrieux Hittoera met zijne 350 man, wier verbintenis voor ’t meerendeel bij dit dorp eindigde. Hij wachtte er op nieuws van kapitein Cambier, die, van zijneaankomst verwittigd, niet aarzelde hem tegen te gaan, en de ontmoeting der twee reizigers, sedert bijna vijf maanden gescheiden, greep plaats den zesden Januari 1879 in het dorp Oeyoeï, gelegen nabij Tabora, een weinig ten noorden.