XIV

XIVKaremaDe plaats, welke de internationale Afrikaansche Vereeniging kapitein Cambier aangewezen had als bijzonder gunstig voor het vestigen eener Europeesche standplaats, was het kleine dorp Karema, op de grens van Oefipa en Oekaoeëndi. Een en ander dezer landen zijn overgroote distrikten, langs de oostkust van Tanganika gelegen, en door de reizen van Livingstone, Stanley en Cameron tot hiertoe slechts onvolledig bekendgemaakt.«Het is, zegt Stanley, een bergachtig land met schoone wouden en een vruchtbaren grond, besproeid door duizenden waterloopen en in ’t bezit eener rijke fauna en flora. Schoon Oekaoeëndi! roept hij uit, betooverende streek! waarmee zou ik de wilde bekoorlijkheid uwer vrije en vruchtbare natuur kunnen vergelijken?«Europa heeft niets, dat er bij halen kan. Hetis maar in Mingrelië, Imerithië of Indië, dat ik die schuimende rivieren gevonden heb, die schilderachtige valleien, die fiere heuvels, die heerschzuchtige bergen, die uitgestrekte wouden met indrukwekkende rijen groote boomen, wier rechte en naakte zuilen die lange vergezichten vormen, welke men hier aantreft.«En wat kracht, wat pracht van wasdom! De bodem is er zoo vruchtbaar, de natuur zoo verleidend, dat men zich, trots de doodelijke uitwasemingen, die er uit opstijgen, aan deze streek hecht, waar een beschaafd volk demalariazou verdrijven en er een land van maken, even gezond als rijk aan voortbrengselen.»Ziehier thans de beschrijving der plaats, zooals Cambier haar vond bij zijne aankomst:«Karema is gelegen aan het zuidelijk uiteinde der vallei van den Wandolo, eene kleine rivier, welke van het noorden komt en zich in ’t meer stort vóor het dorp. Het plein is ongeveer eene mijl breed en begrensd door twee heuvelrijen. Het is volkomen beroofd van boomen; dikke rietstengels van vijf tot zes meters hoogte overdekken het bijna geheel.«De hutten van ’t dorp zijn halfrond van vorm en gansch in stroo opgetrokken, met een rieten geraamte. Zij staan opeengehoopt ten getale van omstreeks honderd vijftig in eenen kring van tachtigmeters doorsnede, en in geval van brand zou het heele dorp op eenige minuten tijds totaal verwoest zijn.«De bevolking kan geschat worden op tweehonderd vijftig inwoners, ellendig gekleed met dierenhuiden en rokken uit schors.»Het grondgebied, door Cambier van sultan Kangoa verworven in ruil voor eenige geschenken van weinig waarde, is een uitgestrekt plein, langs alle zijden door bosch omgeven en vooruitspringend, op een kleinen ronden berg, tot diep in ’t meer.Van dit punt geniet men een heerlijken aanblik op den onmetelijken waterplas van het Tanganika en tot op den overstaanden oever, tien tot twaalf mijlen ver. De zware kano’s zonder zeil van het Tanganika gebruiken wel een dozijn uren voor den overtocht.Het is op eene hoogte, dat de gebouwen der standplaats zijn opgericht. Een twintigtal negers, arbeidend onder de leiding van hun opperhoofd, hebben ze in minder dan acht maanden voltooid.Het geheel vertoont de algemeene schikking dertembee’s, dit is te zeggen der woningen van Oegogo en Oeniamoeësi, met dit verschil, dat het in plaats van vierkant of rechthoekig, zeskantig van vorm is.Langs de zes zijden eener ruimte, welke zij gansch omsluiten en waarop al de deuren uitkomen, zijn gevestigd de logementen der Zanzibariten en inboorlingenin den dienst der statie, de magazijnen en werkplaatsen, zoowel als de stallen der paarden, ezels, koeien, geiten, schapen en verkens van de kolonie. De geitenkudde telt niet minder dan vijf en zeventig koppen, en er zijn meer dan twintig koeien; de neerhof ook—kippen en duiven—neemt eene buitengewone uitbreiding.Heel die samenhang van gebouwen is van adoben,—kareelen in de zon gedroogd—en gedekt met platte daken. De buitenmuur, voorafgegaan van eene gracht, is doorboord met kleine openingen,dienende zoowel tot vensters als tot kijk- en schietgaten.Eindelijk te midden der groote koer, gevormd door dien wijden kring van gebouwen, verheft zich het huis der Europeanen, boven omgeven van eene veranda, en tegen de hitte der zonnestralen beschut door een uitspringend dak, op de wijze der Zwitsersche huisjes.Voor éen zijner gevels wappert de blauwe vlag met gouden ster van de internationale Vereeniging.Overal rond de statie zijn de landbouwwerken begonnen; de grond is ontdaan van het riet en de woekerplanten, die hem bedekten, en het zaad, uit Europa meegebracht, is hem toevertrouwd geworden.De vijftien maanden, welke Cambier te Karemaheeft doorgebracht, zijn alle besteed geworden aan de inrichting der statie. Van zes uur ’s morgens af, het gewoon uur van zonnenopgang in die streek, stelde hij zich aan ’t werk met het twintigtal zwarten, die in zijnen dienst waren. Die zwarten waren de zonderlingste metselaars, die men zou kunnen uitdenken; niet éen hunner had het minste begrip van loodlijn, en wanneer men hen slechts een uur uit het oog verloor, liep men groot gevaar, ’s avonds het werk te zien instorten, overdag met zooveel moeite opgebouwd.Wat de inwoners van Karema betreft, de luiheid en de verstoktste onverschilligheid zullen hen nog lang beletten, aan de kolonie de medehulp huns arbeids te verleenen. Zij leggen evenwel een goeden aard aan den dag, en de kapitein is menigmaal in de gelegenheid geweest om het te bestatigen. Zoo bijvoorbeeld, wanneer op zekeren dag eene kudde buffels op korten afstand de statie voorbijtrok en er een tiental vuurschoten tegen hen gelost werden, zag hij terstond al de weerbare mannen van ’t dorp vol strijdlust komen aangeloopen. Het geweervuur hoorende, hadden zij zich ingebeeld, dat de Roegas-Roegas de standplaats aantastten en zij haastten zich om haar te verdedigen.Dit bewijst voldingend, dat zij reeds begrepen hebben, welk groot voordeel voor hen de aanwezigheid van den blanken man in hunne nabuurschapis, en hoe zij er alle belang bij hebben, tot zijne veiligheid bij te dragen.De avond, te beginnen van vier tot vijf uren, werd over ’t algemeen aan de jacht besteed. Zooals wij reeds gezegd hebben, is de fauna van Oekaoeëndi zeer rijk. Kudden buffels en antilopen, zebers en giraffen, everzwijnen van verschillige soort leveren een smakelijk en sappig vleesch op; dit van den zeber vooral wordt door de Europeanen zeer gelust, wijl zijne overeenkomst met goed ossenvleesch heel groot is. Er zijn ook eenden en ganzen in groote hoeveelheid, trapganzen, kwakkels en patrijzen.Die overvloed van wild lokt menigmaal leeuwen en hyena’s in den omtrek der statie; doch in dit gedeelte van Afrika is de koning der dieren tamelijk bang van aard en gaat nogal spoedig voor den mensch op de vlucht, behalve wanneer hij door den honger gedreven wordt.Een andere groote hulpbron voor de toekomstige voeding der statie is de visch van het Tanganika. Het meer bevat talrijke soorten. Maar tot heden toe verkeert de vischvangst te Karema nog in de kindsheid, omdat het bouwen van sloepen en ’t maken van visscherstuig het peil van ’t verstand en de bekwaamheid aldaar ver overtreft.Het meer is ook sterk bevolkt met krokodillen en rivierpaarden. Deze laatste ontmoet men bij troepenvan vijftien tot twintig reusachtige vertegenwoordigers. ’t Is echter maar ’s nachts, dat zij ’t wagen, het malsche gras van den oever te komen afvreten. Hun vleesch is een lekkerbeetje voor den inboorling, maar de smaak en de maag der Europeanen zouden er zich niet aan kunnen wennen.Wat aangaat de krokodillen, welke somtijds zeven en acht meters lengte bereiken, zij mogen in ’t water vaak stout en gevaarlijk zijn, te land zijn zij uiterst laf en poetsen de plaat met de snelheid der hagedis bij den minsten onraad.De voeding der oeverbewoners van Tanganika bestaat voornamelijk uit sorgho en maïs, die, in water gekookt, eene brij vormen, en op ’t vuur geroosterd, platte koeken. Voor groenten vond Cambier slechts zoete wortelknollen, kauwoerden nog flauwer dan onze rapen, en eene soort van postelein, dat nogal aangenaam is.Tegenwoordig is de bevolking der standplaats ruim voorzien van Europeesche groenten, zooals boonen, erwten, ajuin, tomatten, koolen, meloenen, artichokken, salaad en radijs.Het schijnt, dat de spruit vooral buitengewoon gemakkelijk gedijt.De maïs, de tarwe, de rijst, de Spaansche peper, de katoen, de tabak en de teozint, een allervoedzaamst graangewas voor ’t vee, zijn in overvloedgezaaid geworden. Het is in April, dat op de oevers van ’t meer de oogst geschiedt.Verder zijn de fruitboomen niet vergeten geworden. De koer der standplaats, evenals de wegen tusschen de velden, zijn beplant met bananen, granaat- en mangoboomen, goyaven, limoen- en papayaboomen, die heerlijk gelukt zijn en op overvloedige vruchten laten hopen voor het volgende seizoen.Op de boorden van het Tanganika kan het jaar verdeeld worden in twee gelijke deelen: het regenseizoen, dat op ’t einde van October met hevigheid begint en tot in Mei duurt, en het droog seizoen, hetwelk den jaarkring eindigt. Het is bij den aanvang der regenperiode, dat de natuur ontwaakt en haren verleidendsten aanblik vertoont. De regen valt er niet aanhoudend; hij wordt dikwijls voor eenige uren en soms voor verscheidene dagen onderbroken. De vlagen gaan vaak vergezeld van hevige onweders en zelfs van hagel.De gemiddelde warmtegraad is, ’s morgens om acht uren, van 20 tot 24 centigraden in de schaduw, ’s middags van 25 tot 35, en ’s avonds om negen uren van 21 tot 23. Het zijn de twee of drij uren voor het opkomen der zon, die het frischte oogenblik van den dag uitmakenZooals men ziet is de warmte er in ’t algemeen goed uit te staan. Zij komt tamelijk wel overeen metdie in de straten van Brussel gedurende de maand Augustus. Slechts bij uitzondering bereikt zij 30 tot 32 graden in de lommer.Karema is zijne betrekkelijk gematigde temperatuur verschuldigd aan zijne ligging op den oever eener groote binnenzee en aan zijne verhevenheid van 825 meters boven den spiegel van den oceaan.Het zou dus bewoonbaar zijn voor den Europeaan, indien, ten gevolge der overstroomingen, veroorzaakt door zes maanden regen, de gezondheid van ’t klimaat niet bedorven ware, onder den invloed van warmte en vochtigheid, zoowel als van eenen wasdom, tot het uiterste gedreven, door de uitwasemingen, die opstijgen uit de slijkpoelen en den afval der planten. Demalariatast zonder uitzondering al degenen aan, die in Afrika dringen. Het is eene galkoorts, vergezeld van huiveringen, die verscheidene dagen duurt en dikwijls periodiek wordt. De gevolgen er van zijn verschrikkelijk en duren lang voort, zelfs bij de menschen, begaafd met ziels- en lichaamskracht. Een werkdadig leven, een onophoudende arbeid, eene goede voeding zijn de beste middelen om er den te spoedigen terugkeer van te voorkomen.Het is geoorloofd te veronderstellen, dat het beslaan der streek door eene talrijke bevolking haar merkelijk gezonder zou maken door de ontginning, het bebouwen der landen en het indijken der rivieren.Luitenant Becker in zijn verblijfskleeding.Luitenant Becker in zijn verblijfskleeding.Aan de toekomst het vraagstuk op te lossen.Den 3denDecember 1880 begroette Cambier de verschijning te Karema van kapitein Ramaekers, luitenant Beker en den heer Roger, die hem kwamen aflossen van zijne lange wacht in het wilde Afrika. De nieuwe expeditie bracht een uiteengenomen stoomschip mede, bestemd voor den dienst der statie en de vaart op het meer. Die boot,de Cambiergedoopt ter eere van den stichter van Karema, wacht slechts, om van stapel te loopen, naar de aankomst van een stuk, dat onderweg beschadigd werd en vervangen moest worden.Hij zal voor de kolonie een krachtig middel van beschavende propaganda zijn. Immers zal hij het personeel der standplaats toelaten, betrekkingen aan te knoopen met al devolksstammenlangs de oevers gevestigd; hij zal de onderzoekingstochten vergemakkelijken naar dit of dat onbekend punt van de streek; hij zal de briefwisseling met de missiën van Oejiji en Mtowa niet weinig bespoedigen. Bij eenen aanval zal hij grooten dienst bewijzen; in een neteligen toestand eene veilige schuilplaats aanbieden.Het is den 10denDecember 1880, dat Cambier Karema verliet voor Zanzibar. Den 23stenApril daaropvolgende keerde hij te Brussel weder, na eene afwezigheid van drij jaar en zes maanden.Hij had zijne zending met eere volbracht en in’t hart derbarbaarschheid, tot aandenken van zijn kort verblijf, een reuzenwerk achtergelaten.Karema!Is het een negernaam, voor eene poos aan de vergetelheid ontrukt om vervolgens dieper dan ooit in de barbaarschheid te storten? Of is het de toekomstige naam eener stad, eener groote markt, waar, onder het geleide en de waakzaamheid van een nieuw negerras, verstandig, geleerd, werkzaam, de natuurlijke voortbrengselen van het groote bekken van Tanganika zullen geruild worden tegen hetgeen er van onze fabrieken en nijverheid te veel is?Zullen duizenden inboorlingen, uit eenen onheuglijken schijndood opgewekt, zich aldaar eenmaal met ons komen vereenigen, gelijk zooveele bedrijvende leden van de groote menschenfamilie?Niemand kan ’t op dit oogenblik reeds zeggen.Maar indien dit de toekomst moest wezen, bestemd voor de eerste standplaats der Afrikaansche Vereeniging, dan zou er geen roemrijker monument kunnen opgericht worden voor den schepper van ’t werk, dan deze nieuwe stad, gebouwd op het terrein der internationale broederlijkheid door de wetenschap, den arbeid, de volharding en de toewijding.

XIVKaremaDe plaats, welke de internationale Afrikaansche Vereeniging kapitein Cambier aangewezen had als bijzonder gunstig voor het vestigen eener Europeesche standplaats, was het kleine dorp Karema, op de grens van Oefipa en Oekaoeëndi. Een en ander dezer landen zijn overgroote distrikten, langs de oostkust van Tanganika gelegen, en door de reizen van Livingstone, Stanley en Cameron tot hiertoe slechts onvolledig bekendgemaakt.«Het is, zegt Stanley, een bergachtig land met schoone wouden en een vruchtbaren grond, besproeid door duizenden waterloopen en in ’t bezit eener rijke fauna en flora. Schoon Oekaoeëndi! roept hij uit, betooverende streek! waarmee zou ik de wilde bekoorlijkheid uwer vrije en vruchtbare natuur kunnen vergelijken?«Europa heeft niets, dat er bij halen kan. Hetis maar in Mingrelië, Imerithië of Indië, dat ik die schuimende rivieren gevonden heb, die schilderachtige valleien, die fiere heuvels, die heerschzuchtige bergen, die uitgestrekte wouden met indrukwekkende rijen groote boomen, wier rechte en naakte zuilen die lange vergezichten vormen, welke men hier aantreft.«En wat kracht, wat pracht van wasdom! De bodem is er zoo vruchtbaar, de natuur zoo verleidend, dat men zich, trots de doodelijke uitwasemingen, die er uit opstijgen, aan deze streek hecht, waar een beschaafd volk demalariazou verdrijven en er een land van maken, even gezond als rijk aan voortbrengselen.»Ziehier thans de beschrijving der plaats, zooals Cambier haar vond bij zijne aankomst:«Karema is gelegen aan het zuidelijk uiteinde der vallei van den Wandolo, eene kleine rivier, welke van het noorden komt en zich in ’t meer stort vóor het dorp. Het plein is ongeveer eene mijl breed en begrensd door twee heuvelrijen. Het is volkomen beroofd van boomen; dikke rietstengels van vijf tot zes meters hoogte overdekken het bijna geheel.«De hutten van ’t dorp zijn halfrond van vorm en gansch in stroo opgetrokken, met een rieten geraamte. Zij staan opeengehoopt ten getale van omstreeks honderd vijftig in eenen kring van tachtigmeters doorsnede, en in geval van brand zou het heele dorp op eenige minuten tijds totaal verwoest zijn.«De bevolking kan geschat worden op tweehonderd vijftig inwoners, ellendig gekleed met dierenhuiden en rokken uit schors.»Het grondgebied, door Cambier van sultan Kangoa verworven in ruil voor eenige geschenken van weinig waarde, is een uitgestrekt plein, langs alle zijden door bosch omgeven en vooruitspringend, op een kleinen ronden berg, tot diep in ’t meer.Van dit punt geniet men een heerlijken aanblik op den onmetelijken waterplas van het Tanganika en tot op den overstaanden oever, tien tot twaalf mijlen ver. De zware kano’s zonder zeil van het Tanganika gebruiken wel een dozijn uren voor den overtocht.Het is op eene hoogte, dat de gebouwen der standplaats zijn opgericht. Een twintigtal negers, arbeidend onder de leiding van hun opperhoofd, hebben ze in minder dan acht maanden voltooid.Het geheel vertoont de algemeene schikking dertembee’s, dit is te zeggen der woningen van Oegogo en Oeniamoeësi, met dit verschil, dat het in plaats van vierkant of rechthoekig, zeskantig van vorm is.Langs de zes zijden eener ruimte, welke zij gansch omsluiten en waarop al de deuren uitkomen, zijn gevestigd de logementen der Zanzibariten en inboorlingenin den dienst der statie, de magazijnen en werkplaatsen, zoowel als de stallen der paarden, ezels, koeien, geiten, schapen en verkens van de kolonie. De geitenkudde telt niet minder dan vijf en zeventig koppen, en er zijn meer dan twintig koeien; de neerhof ook—kippen en duiven—neemt eene buitengewone uitbreiding.Heel die samenhang van gebouwen is van adoben,—kareelen in de zon gedroogd—en gedekt met platte daken. De buitenmuur, voorafgegaan van eene gracht, is doorboord met kleine openingen,dienende zoowel tot vensters als tot kijk- en schietgaten.Eindelijk te midden der groote koer, gevormd door dien wijden kring van gebouwen, verheft zich het huis der Europeanen, boven omgeven van eene veranda, en tegen de hitte der zonnestralen beschut door een uitspringend dak, op de wijze der Zwitsersche huisjes.Voor éen zijner gevels wappert de blauwe vlag met gouden ster van de internationale Vereeniging.Overal rond de statie zijn de landbouwwerken begonnen; de grond is ontdaan van het riet en de woekerplanten, die hem bedekten, en het zaad, uit Europa meegebracht, is hem toevertrouwd geworden.De vijftien maanden, welke Cambier te Karemaheeft doorgebracht, zijn alle besteed geworden aan de inrichting der statie. Van zes uur ’s morgens af, het gewoon uur van zonnenopgang in die streek, stelde hij zich aan ’t werk met het twintigtal zwarten, die in zijnen dienst waren. Die zwarten waren de zonderlingste metselaars, die men zou kunnen uitdenken; niet éen hunner had het minste begrip van loodlijn, en wanneer men hen slechts een uur uit het oog verloor, liep men groot gevaar, ’s avonds het werk te zien instorten, overdag met zooveel moeite opgebouwd.Wat de inwoners van Karema betreft, de luiheid en de verstoktste onverschilligheid zullen hen nog lang beletten, aan de kolonie de medehulp huns arbeids te verleenen. Zij leggen evenwel een goeden aard aan den dag, en de kapitein is menigmaal in de gelegenheid geweest om het te bestatigen. Zoo bijvoorbeeld, wanneer op zekeren dag eene kudde buffels op korten afstand de statie voorbijtrok en er een tiental vuurschoten tegen hen gelost werden, zag hij terstond al de weerbare mannen van ’t dorp vol strijdlust komen aangeloopen. Het geweervuur hoorende, hadden zij zich ingebeeld, dat de Roegas-Roegas de standplaats aantastten en zij haastten zich om haar te verdedigen.Dit bewijst voldingend, dat zij reeds begrepen hebben, welk groot voordeel voor hen de aanwezigheid van den blanken man in hunne nabuurschapis, en hoe zij er alle belang bij hebben, tot zijne veiligheid bij te dragen.De avond, te beginnen van vier tot vijf uren, werd over ’t algemeen aan de jacht besteed. Zooals wij reeds gezegd hebben, is de fauna van Oekaoeëndi zeer rijk. Kudden buffels en antilopen, zebers en giraffen, everzwijnen van verschillige soort leveren een smakelijk en sappig vleesch op; dit van den zeber vooral wordt door de Europeanen zeer gelust, wijl zijne overeenkomst met goed ossenvleesch heel groot is. Er zijn ook eenden en ganzen in groote hoeveelheid, trapganzen, kwakkels en patrijzen.Die overvloed van wild lokt menigmaal leeuwen en hyena’s in den omtrek der statie; doch in dit gedeelte van Afrika is de koning der dieren tamelijk bang van aard en gaat nogal spoedig voor den mensch op de vlucht, behalve wanneer hij door den honger gedreven wordt.Een andere groote hulpbron voor de toekomstige voeding der statie is de visch van het Tanganika. Het meer bevat talrijke soorten. Maar tot heden toe verkeert de vischvangst te Karema nog in de kindsheid, omdat het bouwen van sloepen en ’t maken van visscherstuig het peil van ’t verstand en de bekwaamheid aldaar ver overtreft.Het meer is ook sterk bevolkt met krokodillen en rivierpaarden. Deze laatste ontmoet men bij troepenvan vijftien tot twintig reusachtige vertegenwoordigers. ’t Is echter maar ’s nachts, dat zij ’t wagen, het malsche gras van den oever te komen afvreten. Hun vleesch is een lekkerbeetje voor den inboorling, maar de smaak en de maag der Europeanen zouden er zich niet aan kunnen wennen.Wat aangaat de krokodillen, welke somtijds zeven en acht meters lengte bereiken, zij mogen in ’t water vaak stout en gevaarlijk zijn, te land zijn zij uiterst laf en poetsen de plaat met de snelheid der hagedis bij den minsten onraad.De voeding der oeverbewoners van Tanganika bestaat voornamelijk uit sorgho en maïs, die, in water gekookt, eene brij vormen, en op ’t vuur geroosterd, platte koeken. Voor groenten vond Cambier slechts zoete wortelknollen, kauwoerden nog flauwer dan onze rapen, en eene soort van postelein, dat nogal aangenaam is.Tegenwoordig is de bevolking der standplaats ruim voorzien van Europeesche groenten, zooals boonen, erwten, ajuin, tomatten, koolen, meloenen, artichokken, salaad en radijs.Het schijnt, dat de spruit vooral buitengewoon gemakkelijk gedijt.De maïs, de tarwe, de rijst, de Spaansche peper, de katoen, de tabak en de teozint, een allervoedzaamst graangewas voor ’t vee, zijn in overvloedgezaaid geworden. Het is in April, dat op de oevers van ’t meer de oogst geschiedt.Verder zijn de fruitboomen niet vergeten geworden. De koer der standplaats, evenals de wegen tusschen de velden, zijn beplant met bananen, granaat- en mangoboomen, goyaven, limoen- en papayaboomen, die heerlijk gelukt zijn en op overvloedige vruchten laten hopen voor het volgende seizoen.Op de boorden van het Tanganika kan het jaar verdeeld worden in twee gelijke deelen: het regenseizoen, dat op ’t einde van October met hevigheid begint en tot in Mei duurt, en het droog seizoen, hetwelk den jaarkring eindigt. Het is bij den aanvang der regenperiode, dat de natuur ontwaakt en haren verleidendsten aanblik vertoont. De regen valt er niet aanhoudend; hij wordt dikwijls voor eenige uren en soms voor verscheidene dagen onderbroken. De vlagen gaan vaak vergezeld van hevige onweders en zelfs van hagel.De gemiddelde warmtegraad is, ’s morgens om acht uren, van 20 tot 24 centigraden in de schaduw, ’s middags van 25 tot 35, en ’s avonds om negen uren van 21 tot 23. Het zijn de twee of drij uren voor het opkomen der zon, die het frischte oogenblik van den dag uitmakenZooals men ziet is de warmte er in ’t algemeen goed uit te staan. Zij komt tamelijk wel overeen metdie in de straten van Brussel gedurende de maand Augustus. Slechts bij uitzondering bereikt zij 30 tot 32 graden in de lommer.Karema is zijne betrekkelijk gematigde temperatuur verschuldigd aan zijne ligging op den oever eener groote binnenzee en aan zijne verhevenheid van 825 meters boven den spiegel van den oceaan.Het zou dus bewoonbaar zijn voor den Europeaan, indien, ten gevolge der overstroomingen, veroorzaakt door zes maanden regen, de gezondheid van ’t klimaat niet bedorven ware, onder den invloed van warmte en vochtigheid, zoowel als van eenen wasdom, tot het uiterste gedreven, door de uitwasemingen, die opstijgen uit de slijkpoelen en den afval der planten. Demalariatast zonder uitzondering al degenen aan, die in Afrika dringen. Het is eene galkoorts, vergezeld van huiveringen, die verscheidene dagen duurt en dikwijls periodiek wordt. De gevolgen er van zijn verschrikkelijk en duren lang voort, zelfs bij de menschen, begaafd met ziels- en lichaamskracht. Een werkdadig leven, een onophoudende arbeid, eene goede voeding zijn de beste middelen om er den te spoedigen terugkeer van te voorkomen.Het is geoorloofd te veronderstellen, dat het beslaan der streek door eene talrijke bevolking haar merkelijk gezonder zou maken door de ontginning, het bebouwen der landen en het indijken der rivieren.Luitenant Becker in zijn verblijfskleeding.Luitenant Becker in zijn verblijfskleeding.Aan de toekomst het vraagstuk op te lossen.Den 3denDecember 1880 begroette Cambier de verschijning te Karema van kapitein Ramaekers, luitenant Beker en den heer Roger, die hem kwamen aflossen van zijne lange wacht in het wilde Afrika. De nieuwe expeditie bracht een uiteengenomen stoomschip mede, bestemd voor den dienst der statie en de vaart op het meer. Die boot,de Cambiergedoopt ter eere van den stichter van Karema, wacht slechts, om van stapel te loopen, naar de aankomst van een stuk, dat onderweg beschadigd werd en vervangen moest worden.Hij zal voor de kolonie een krachtig middel van beschavende propaganda zijn. Immers zal hij het personeel der standplaats toelaten, betrekkingen aan te knoopen met al devolksstammenlangs de oevers gevestigd; hij zal de onderzoekingstochten vergemakkelijken naar dit of dat onbekend punt van de streek; hij zal de briefwisseling met de missiën van Oejiji en Mtowa niet weinig bespoedigen. Bij eenen aanval zal hij grooten dienst bewijzen; in een neteligen toestand eene veilige schuilplaats aanbieden.Het is den 10denDecember 1880, dat Cambier Karema verliet voor Zanzibar. Den 23stenApril daaropvolgende keerde hij te Brussel weder, na eene afwezigheid van drij jaar en zes maanden.Hij had zijne zending met eere volbracht en in’t hart derbarbaarschheid, tot aandenken van zijn kort verblijf, een reuzenwerk achtergelaten.Karema!Is het een negernaam, voor eene poos aan de vergetelheid ontrukt om vervolgens dieper dan ooit in de barbaarschheid te storten? Of is het de toekomstige naam eener stad, eener groote markt, waar, onder het geleide en de waakzaamheid van een nieuw negerras, verstandig, geleerd, werkzaam, de natuurlijke voortbrengselen van het groote bekken van Tanganika zullen geruild worden tegen hetgeen er van onze fabrieken en nijverheid te veel is?Zullen duizenden inboorlingen, uit eenen onheuglijken schijndood opgewekt, zich aldaar eenmaal met ons komen vereenigen, gelijk zooveele bedrijvende leden van de groote menschenfamilie?Niemand kan ’t op dit oogenblik reeds zeggen.Maar indien dit de toekomst moest wezen, bestemd voor de eerste standplaats der Afrikaansche Vereeniging, dan zou er geen roemrijker monument kunnen opgericht worden voor den schepper van ’t werk, dan deze nieuwe stad, gebouwd op het terrein der internationale broederlijkheid door de wetenschap, den arbeid, de volharding en de toewijding.

XIVKarema

De plaats, welke de internationale Afrikaansche Vereeniging kapitein Cambier aangewezen had als bijzonder gunstig voor het vestigen eener Europeesche standplaats, was het kleine dorp Karema, op de grens van Oefipa en Oekaoeëndi. Een en ander dezer landen zijn overgroote distrikten, langs de oostkust van Tanganika gelegen, en door de reizen van Livingstone, Stanley en Cameron tot hiertoe slechts onvolledig bekendgemaakt.«Het is, zegt Stanley, een bergachtig land met schoone wouden en een vruchtbaren grond, besproeid door duizenden waterloopen en in ’t bezit eener rijke fauna en flora. Schoon Oekaoeëndi! roept hij uit, betooverende streek! waarmee zou ik de wilde bekoorlijkheid uwer vrije en vruchtbare natuur kunnen vergelijken?«Europa heeft niets, dat er bij halen kan. Hetis maar in Mingrelië, Imerithië of Indië, dat ik die schuimende rivieren gevonden heb, die schilderachtige valleien, die fiere heuvels, die heerschzuchtige bergen, die uitgestrekte wouden met indrukwekkende rijen groote boomen, wier rechte en naakte zuilen die lange vergezichten vormen, welke men hier aantreft.«En wat kracht, wat pracht van wasdom! De bodem is er zoo vruchtbaar, de natuur zoo verleidend, dat men zich, trots de doodelijke uitwasemingen, die er uit opstijgen, aan deze streek hecht, waar een beschaafd volk demalariazou verdrijven en er een land van maken, even gezond als rijk aan voortbrengselen.»Ziehier thans de beschrijving der plaats, zooals Cambier haar vond bij zijne aankomst:«Karema is gelegen aan het zuidelijk uiteinde der vallei van den Wandolo, eene kleine rivier, welke van het noorden komt en zich in ’t meer stort vóor het dorp. Het plein is ongeveer eene mijl breed en begrensd door twee heuvelrijen. Het is volkomen beroofd van boomen; dikke rietstengels van vijf tot zes meters hoogte overdekken het bijna geheel.«De hutten van ’t dorp zijn halfrond van vorm en gansch in stroo opgetrokken, met een rieten geraamte. Zij staan opeengehoopt ten getale van omstreeks honderd vijftig in eenen kring van tachtigmeters doorsnede, en in geval van brand zou het heele dorp op eenige minuten tijds totaal verwoest zijn.«De bevolking kan geschat worden op tweehonderd vijftig inwoners, ellendig gekleed met dierenhuiden en rokken uit schors.»Het grondgebied, door Cambier van sultan Kangoa verworven in ruil voor eenige geschenken van weinig waarde, is een uitgestrekt plein, langs alle zijden door bosch omgeven en vooruitspringend, op een kleinen ronden berg, tot diep in ’t meer.Van dit punt geniet men een heerlijken aanblik op den onmetelijken waterplas van het Tanganika en tot op den overstaanden oever, tien tot twaalf mijlen ver. De zware kano’s zonder zeil van het Tanganika gebruiken wel een dozijn uren voor den overtocht.Het is op eene hoogte, dat de gebouwen der standplaats zijn opgericht. Een twintigtal negers, arbeidend onder de leiding van hun opperhoofd, hebben ze in minder dan acht maanden voltooid.Het geheel vertoont de algemeene schikking dertembee’s, dit is te zeggen der woningen van Oegogo en Oeniamoeësi, met dit verschil, dat het in plaats van vierkant of rechthoekig, zeskantig van vorm is.Langs de zes zijden eener ruimte, welke zij gansch omsluiten en waarop al de deuren uitkomen, zijn gevestigd de logementen der Zanzibariten en inboorlingenin den dienst der statie, de magazijnen en werkplaatsen, zoowel als de stallen der paarden, ezels, koeien, geiten, schapen en verkens van de kolonie. De geitenkudde telt niet minder dan vijf en zeventig koppen, en er zijn meer dan twintig koeien; de neerhof ook—kippen en duiven—neemt eene buitengewone uitbreiding.Heel die samenhang van gebouwen is van adoben,—kareelen in de zon gedroogd—en gedekt met platte daken. De buitenmuur, voorafgegaan van eene gracht, is doorboord met kleine openingen,dienende zoowel tot vensters als tot kijk- en schietgaten.Eindelijk te midden der groote koer, gevormd door dien wijden kring van gebouwen, verheft zich het huis der Europeanen, boven omgeven van eene veranda, en tegen de hitte der zonnestralen beschut door een uitspringend dak, op de wijze der Zwitsersche huisjes.Voor éen zijner gevels wappert de blauwe vlag met gouden ster van de internationale Vereeniging.Overal rond de statie zijn de landbouwwerken begonnen; de grond is ontdaan van het riet en de woekerplanten, die hem bedekten, en het zaad, uit Europa meegebracht, is hem toevertrouwd geworden.De vijftien maanden, welke Cambier te Karemaheeft doorgebracht, zijn alle besteed geworden aan de inrichting der statie. Van zes uur ’s morgens af, het gewoon uur van zonnenopgang in die streek, stelde hij zich aan ’t werk met het twintigtal zwarten, die in zijnen dienst waren. Die zwarten waren de zonderlingste metselaars, die men zou kunnen uitdenken; niet éen hunner had het minste begrip van loodlijn, en wanneer men hen slechts een uur uit het oog verloor, liep men groot gevaar, ’s avonds het werk te zien instorten, overdag met zooveel moeite opgebouwd.Wat de inwoners van Karema betreft, de luiheid en de verstoktste onverschilligheid zullen hen nog lang beletten, aan de kolonie de medehulp huns arbeids te verleenen. Zij leggen evenwel een goeden aard aan den dag, en de kapitein is menigmaal in de gelegenheid geweest om het te bestatigen. Zoo bijvoorbeeld, wanneer op zekeren dag eene kudde buffels op korten afstand de statie voorbijtrok en er een tiental vuurschoten tegen hen gelost werden, zag hij terstond al de weerbare mannen van ’t dorp vol strijdlust komen aangeloopen. Het geweervuur hoorende, hadden zij zich ingebeeld, dat de Roegas-Roegas de standplaats aantastten en zij haastten zich om haar te verdedigen.Dit bewijst voldingend, dat zij reeds begrepen hebben, welk groot voordeel voor hen de aanwezigheid van den blanken man in hunne nabuurschapis, en hoe zij er alle belang bij hebben, tot zijne veiligheid bij te dragen.De avond, te beginnen van vier tot vijf uren, werd over ’t algemeen aan de jacht besteed. Zooals wij reeds gezegd hebben, is de fauna van Oekaoeëndi zeer rijk. Kudden buffels en antilopen, zebers en giraffen, everzwijnen van verschillige soort leveren een smakelijk en sappig vleesch op; dit van den zeber vooral wordt door de Europeanen zeer gelust, wijl zijne overeenkomst met goed ossenvleesch heel groot is. Er zijn ook eenden en ganzen in groote hoeveelheid, trapganzen, kwakkels en patrijzen.Die overvloed van wild lokt menigmaal leeuwen en hyena’s in den omtrek der statie; doch in dit gedeelte van Afrika is de koning der dieren tamelijk bang van aard en gaat nogal spoedig voor den mensch op de vlucht, behalve wanneer hij door den honger gedreven wordt.Een andere groote hulpbron voor de toekomstige voeding der statie is de visch van het Tanganika. Het meer bevat talrijke soorten. Maar tot heden toe verkeert de vischvangst te Karema nog in de kindsheid, omdat het bouwen van sloepen en ’t maken van visscherstuig het peil van ’t verstand en de bekwaamheid aldaar ver overtreft.Het meer is ook sterk bevolkt met krokodillen en rivierpaarden. Deze laatste ontmoet men bij troepenvan vijftien tot twintig reusachtige vertegenwoordigers. ’t Is echter maar ’s nachts, dat zij ’t wagen, het malsche gras van den oever te komen afvreten. Hun vleesch is een lekkerbeetje voor den inboorling, maar de smaak en de maag der Europeanen zouden er zich niet aan kunnen wennen.Wat aangaat de krokodillen, welke somtijds zeven en acht meters lengte bereiken, zij mogen in ’t water vaak stout en gevaarlijk zijn, te land zijn zij uiterst laf en poetsen de plaat met de snelheid der hagedis bij den minsten onraad.De voeding der oeverbewoners van Tanganika bestaat voornamelijk uit sorgho en maïs, die, in water gekookt, eene brij vormen, en op ’t vuur geroosterd, platte koeken. Voor groenten vond Cambier slechts zoete wortelknollen, kauwoerden nog flauwer dan onze rapen, en eene soort van postelein, dat nogal aangenaam is.Tegenwoordig is de bevolking der standplaats ruim voorzien van Europeesche groenten, zooals boonen, erwten, ajuin, tomatten, koolen, meloenen, artichokken, salaad en radijs.Het schijnt, dat de spruit vooral buitengewoon gemakkelijk gedijt.De maïs, de tarwe, de rijst, de Spaansche peper, de katoen, de tabak en de teozint, een allervoedzaamst graangewas voor ’t vee, zijn in overvloedgezaaid geworden. Het is in April, dat op de oevers van ’t meer de oogst geschiedt.Verder zijn de fruitboomen niet vergeten geworden. De koer der standplaats, evenals de wegen tusschen de velden, zijn beplant met bananen, granaat- en mangoboomen, goyaven, limoen- en papayaboomen, die heerlijk gelukt zijn en op overvloedige vruchten laten hopen voor het volgende seizoen.Op de boorden van het Tanganika kan het jaar verdeeld worden in twee gelijke deelen: het regenseizoen, dat op ’t einde van October met hevigheid begint en tot in Mei duurt, en het droog seizoen, hetwelk den jaarkring eindigt. Het is bij den aanvang der regenperiode, dat de natuur ontwaakt en haren verleidendsten aanblik vertoont. De regen valt er niet aanhoudend; hij wordt dikwijls voor eenige uren en soms voor verscheidene dagen onderbroken. De vlagen gaan vaak vergezeld van hevige onweders en zelfs van hagel.De gemiddelde warmtegraad is, ’s morgens om acht uren, van 20 tot 24 centigraden in de schaduw, ’s middags van 25 tot 35, en ’s avonds om negen uren van 21 tot 23. Het zijn de twee of drij uren voor het opkomen der zon, die het frischte oogenblik van den dag uitmakenZooals men ziet is de warmte er in ’t algemeen goed uit te staan. Zij komt tamelijk wel overeen metdie in de straten van Brussel gedurende de maand Augustus. Slechts bij uitzondering bereikt zij 30 tot 32 graden in de lommer.Karema is zijne betrekkelijk gematigde temperatuur verschuldigd aan zijne ligging op den oever eener groote binnenzee en aan zijne verhevenheid van 825 meters boven den spiegel van den oceaan.Het zou dus bewoonbaar zijn voor den Europeaan, indien, ten gevolge der overstroomingen, veroorzaakt door zes maanden regen, de gezondheid van ’t klimaat niet bedorven ware, onder den invloed van warmte en vochtigheid, zoowel als van eenen wasdom, tot het uiterste gedreven, door de uitwasemingen, die opstijgen uit de slijkpoelen en den afval der planten. Demalariatast zonder uitzondering al degenen aan, die in Afrika dringen. Het is eene galkoorts, vergezeld van huiveringen, die verscheidene dagen duurt en dikwijls periodiek wordt. De gevolgen er van zijn verschrikkelijk en duren lang voort, zelfs bij de menschen, begaafd met ziels- en lichaamskracht. Een werkdadig leven, een onophoudende arbeid, eene goede voeding zijn de beste middelen om er den te spoedigen terugkeer van te voorkomen.Het is geoorloofd te veronderstellen, dat het beslaan der streek door eene talrijke bevolking haar merkelijk gezonder zou maken door de ontginning, het bebouwen der landen en het indijken der rivieren.Luitenant Becker in zijn verblijfskleeding.Luitenant Becker in zijn verblijfskleeding.Aan de toekomst het vraagstuk op te lossen.Den 3denDecember 1880 begroette Cambier de verschijning te Karema van kapitein Ramaekers, luitenant Beker en den heer Roger, die hem kwamen aflossen van zijne lange wacht in het wilde Afrika. De nieuwe expeditie bracht een uiteengenomen stoomschip mede, bestemd voor den dienst der statie en de vaart op het meer. Die boot,de Cambiergedoopt ter eere van den stichter van Karema, wacht slechts, om van stapel te loopen, naar de aankomst van een stuk, dat onderweg beschadigd werd en vervangen moest worden.Hij zal voor de kolonie een krachtig middel van beschavende propaganda zijn. Immers zal hij het personeel der standplaats toelaten, betrekkingen aan te knoopen met al devolksstammenlangs de oevers gevestigd; hij zal de onderzoekingstochten vergemakkelijken naar dit of dat onbekend punt van de streek; hij zal de briefwisseling met de missiën van Oejiji en Mtowa niet weinig bespoedigen. Bij eenen aanval zal hij grooten dienst bewijzen; in een neteligen toestand eene veilige schuilplaats aanbieden.Het is den 10denDecember 1880, dat Cambier Karema verliet voor Zanzibar. Den 23stenApril daaropvolgende keerde hij te Brussel weder, na eene afwezigheid van drij jaar en zes maanden.Hij had zijne zending met eere volbracht en in’t hart derbarbaarschheid, tot aandenken van zijn kort verblijf, een reuzenwerk achtergelaten.Karema!Is het een negernaam, voor eene poos aan de vergetelheid ontrukt om vervolgens dieper dan ooit in de barbaarschheid te storten? Of is het de toekomstige naam eener stad, eener groote markt, waar, onder het geleide en de waakzaamheid van een nieuw negerras, verstandig, geleerd, werkzaam, de natuurlijke voortbrengselen van het groote bekken van Tanganika zullen geruild worden tegen hetgeen er van onze fabrieken en nijverheid te veel is?Zullen duizenden inboorlingen, uit eenen onheuglijken schijndood opgewekt, zich aldaar eenmaal met ons komen vereenigen, gelijk zooveele bedrijvende leden van de groote menschenfamilie?Niemand kan ’t op dit oogenblik reeds zeggen.Maar indien dit de toekomst moest wezen, bestemd voor de eerste standplaats der Afrikaansche Vereeniging, dan zou er geen roemrijker monument kunnen opgericht worden voor den schepper van ’t werk, dan deze nieuwe stad, gebouwd op het terrein der internationale broederlijkheid door de wetenschap, den arbeid, de volharding en de toewijding.

De plaats, welke de internationale Afrikaansche Vereeniging kapitein Cambier aangewezen had als bijzonder gunstig voor het vestigen eener Europeesche standplaats, was het kleine dorp Karema, op de grens van Oefipa en Oekaoeëndi. Een en ander dezer landen zijn overgroote distrikten, langs de oostkust van Tanganika gelegen, en door de reizen van Livingstone, Stanley en Cameron tot hiertoe slechts onvolledig bekendgemaakt.

«Het is, zegt Stanley, een bergachtig land met schoone wouden en een vruchtbaren grond, besproeid door duizenden waterloopen en in ’t bezit eener rijke fauna en flora. Schoon Oekaoeëndi! roept hij uit, betooverende streek! waarmee zou ik de wilde bekoorlijkheid uwer vrije en vruchtbare natuur kunnen vergelijken?

«Europa heeft niets, dat er bij halen kan. Hetis maar in Mingrelië, Imerithië of Indië, dat ik die schuimende rivieren gevonden heb, die schilderachtige valleien, die fiere heuvels, die heerschzuchtige bergen, die uitgestrekte wouden met indrukwekkende rijen groote boomen, wier rechte en naakte zuilen die lange vergezichten vormen, welke men hier aantreft.

«En wat kracht, wat pracht van wasdom! De bodem is er zoo vruchtbaar, de natuur zoo verleidend, dat men zich, trots de doodelijke uitwasemingen, die er uit opstijgen, aan deze streek hecht, waar een beschaafd volk demalariazou verdrijven en er een land van maken, even gezond als rijk aan voortbrengselen.»

Ziehier thans de beschrijving der plaats, zooals Cambier haar vond bij zijne aankomst:

«Karema is gelegen aan het zuidelijk uiteinde der vallei van den Wandolo, eene kleine rivier, welke van het noorden komt en zich in ’t meer stort vóor het dorp. Het plein is ongeveer eene mijl breed en begrensd door twee heuvelrijen. Het is volkomen beroofd van boomen; dikke rietstengels van vijf tot zes meters hoogte overdekken het bijna geheel.

«De hutten van ’t dorp zijn halfrond van vorm en gansch in stroo opgetrokken, met een rieten geraamte. Zij staan opeengehoopt ten getale van omstreeks honderd vijftig in eenen kring van tachtigmeters doorsnede, en in geval van brand zou het heele dorp op eenige minuten tijds totaal verwoest zijn.

«De bevolking kan geschat worden op tweehonderd vijftig inwoners, ellendig gekleed met dierenhuiden en rokken uit schors.»

Het grondgebied, door Cambier van sultan Kangoa verworven in ruil voor eenige geschenken van weinig waarde, is een uitgestrekt plein, langs alle zijden door bosch omgeven en vooruitspringend, op een kleinen ronden berg, tot diep in ’t meer.

Van dit punt geniet men een heerlijken aanblik op den onmetelijken waterplas van het Tanganika en tot op den overstaanden oever, tien tot twaalf mijlen ver. De zware kano’s zonder zeil van het Tanganika gebruiken wel een dozijn uren voor den overtocht.

Het is op eene hoogte, dat de gebouwen der standplaats zijn opgericht. Een twintigtal negers, arbeidend onder de leiding van hun opperhoofd, hebben ze in minder dan acht maanden voltooid.

Het geheel vertoont de algemeene schikking dertembee’s, dit is te zeggen der woningen van Oegogo en Oeniamoeësi, met dit verschil, dat het in plaats van vierkant of rechthoekig, zeskantig van vorm is.

Langs de zes zijden eener ruimte, welke zij gansch omsluiten en waarop al de deuren uitkomen, zijn gevestigd de logementen der Zanzibariten en inboorlingenin den dienst der statie, de magazijnen en werkplaatsen, zoowel als de stallen der paarden, ezels, koeien, geiten, schapen en verkens van de kolonie. De geitenkudde telt niet minder dan vijf en zeventig koppen, en er zijn meer dan twintig koeien; de neerhof ook—kippen en duiven—neemt eene buitengewone uitbreiding.

Heel die samenhang van gebouwen is van adoben,—kareelen in de zon gedroogd—en gedekt met platte daken. De buitenmuur, voorafgegaan van eene gracht, is doorboord met kleine openingen,dienende zoowel tot vensters als tot kijk- en schietgaten.

Eindelijk te midden der groote koer, gevormd door dien wijden kring van gebouwen, verheft zich het huis der Europeanen, boven omgeven van eene veranda, en tegen de hitte der zonnestralen beschut door een uitspringend dak, op de wijze der Zwitsersche huisjes.

Voor éen zijner gevels wappert de blauwe vlag met gouden ster van de internationale Vereeniging.

Overal rond de statie zijn de landbouwwerken begonnen; de grond is ontdaan van het riet en de woekerplanten, die hem bedekten, en het zaad, uit Europa meegebracht, is hem toevertrouwd geworden.

De vijftien maanden, welke Cambier te Karemaheeft doorgebracht, zijn alle besteed geworden aan de inrichting der statie. Van zes uur ’s morgens af, het gewoon uur van zonnenopgang in die streek, stelde hij zich aan ’t werk met het twintigtal zwarten, die in zijnen dienst waren. Die zwarten waren de zonderlingste metselaars, die men zou kunnen uitdenken; niet éen hunner had het minste begrip van loodlijn, en wanneer men hen slechts een uur uit het oog verloor, liep men groot gevaar, ’s avonds het werk te zien instorten, overdag met zooveel moeite opgebouwd.

Wat de inwoners van Karema betreft, de luiheid en de verstoktste onverschilligheid zullen hen nog lang beletten, aan de kolonie de medehulp huns arbeids te verleenen. Zij leggen evenwel een goeden aard aan den dag, en de kapitein is menigmaal in de gelegenheid geweest om het te bestatigen. Zoo bijvoorbeeld, wanneer op zekeren dag eene kudde buffels op korten afstand de statie voorbijtrok en er een tiental vuurschoten tegen hen gelost werden, zag hij terstond al de weerbare mannen van ’t dorp vol strijdlust komen aangeloopen. Het geweervuur hoorende, hadden zij zich ingebeeld, dat de Roegas-Roegas de standplaats aantastten en zij haastten zich om haar te verdedigen.

Dit bewijst voldingend, dat zij reeds begrepen hebben, welk groot voordeel voor hen de aanwezigheid van den blanken man in hunne nabuurschapis, en hoe zij er alle belang bij hebben, tot zijne veiligheid bij te dragen.

De avond, te beginnen van vier tot vijf uren, werd over ’t algemeen aan de jacht besteed. Zooals wij reeds gezegd hebben, is de fauna van Oekaoeëndi zeer rijk. Kudden buffels en antilopen, zebers en giraffen, everzwijnen van verschillige soort leveren een smakelijk en sappig vleesch op; dit van den zeber vooral wordt door de Europeanen zeer gelust, wijl zijne overeenkomst met goed ossenvleesch heel groot is. Er zijn ook eenden en ganzen in groote hoeveelheid, trapganzen, kwakkels en patrijzen.

Die overvloed van wild lokt menigmaal leeuwen en hyena’s in den omtrek der statie; doch in dit gedeelte van Afrika is de koning der dieren tamelijk bang van aard en gaat nogal spoedig voor den mensch op de vlucht, behalve wanneer hij door den honger gedreven wordt.

Een andere groote hulpbron voor de toekomstige voeding der statie is de visch van het Tanganika. Het meer bevat talrijke soorten. Maar tot heden toe verkeert de vischvangst te Karema nog in de kindsheid, omdat het bouwen van sloepen en ’t maken van visscherstuig het peil van ’t verstand en de bekwaamheid aldaar ver overtreft.

Het meer is ook sterk bevolkt met krokodillen en rivierpaarden. Deze laatste ontmoet men bij troepenvan vijftien tot twintig reusachtige vertegenwoordigers. ’t Is echter maar ’s nachts, dat zij ’t wagen, het malsche gras van den oever te komen afvreten. Hun vleesch is een lekkerbeetje voor den inboorling, maar de smaak en de maag der Europeanen zouden er zich niet aan kunnen wennen.

Wat aangaat de krokodillen, welke somtijds zeven en acht meters lengte bereiken, zij mogen in ’t water vaak stout en gevaarlijk zijn, te land zijn zij uiterst laf en poetsen de plaat met de snelheid der hagedis bij den minsten onraad.

De voeding der oeverbewoners van Tanganika bestaat voornamelijk uit sorgho en maïs, die, in water gekookt, eene brij vormen, en op ’t vuur geroosterd, platte koeken. Voor groenten vond Cambier slechts zoete wortelknollen, kauwoerden nog flauwer dan onze rapen, en eene soort van postelein, dat nogal aangenaam is.

Tegenwoordig is de bevolking der standplaats ruim voorzien van Europeesche groenten, zooals boonen, erwten, ajuin, tomatten, koolen, meloenen, artichokken, salaad en radijs.

Het schijnt, dat de spruit vooral buitengewoon gemakkelijk gedijt.

De maïs, de tarwe, de rijst, de Spaansche peper, de katoen, de tabak en de teozint, een allervoedzaamst graangewas voor ’t vee, zijn in overvloedgezaaid geworden. Het is in April, dat op de oevers van ’t meer de oogst geschiedt.

Verder zijn de fruitboomen niet vergeten geworden. De koer der standplaats, evenals de wegen tusschen de velden, zijn beplant met bananen, granaat- en mangoboomen, goyaven, limoen- en papayaboomen, die heerlijk gelukt zijn en op overvloedige vruchten laten hopen voor het volgende seizoen.

Op de boorden van het Tanganika kan het jaar verdeeld worden in twee gelijke deelen: het regenseizoen, dat op ’t einde van October met hevigheid begint en tot in Mei duurt, en het droog seizoen, hetwelk den jaarkring eindigt. Het is bij den aanvang der regenperiode, dat de natuur ontwaakt en haren verleidendsten aanblik vertoont. De regen valt er niet aanhoudend; hij wordt dikwijls voor eenige uren en soms voor verscheidene dagen onderbroken. De vlagen gaan vaak vergezeld van hevige onweders en zelfs van hagel.

De gemiddelde warmtegraad is, ’s morgens om acht uren, van 20 tot 24 centigraden in de schaduw, ’s middags van 25 tot 35, en ’s avonds om negen uren van 21 tot 23. Het zijn de twee of drij uren voor het opkomen der zon, die het frischte oogenblik van den dag uitmaken

Zooals men ziet is de warmte er in ’t algemeen goed uit te staan. Zij komt tamelijk wel overeen metdie in de straten van Brussel gedurende de maand Augustus. Slechts bij uitzondering bereikt zij 30 tot 32 graden in de lommer.

Karema is zijne betrekkelijk gematigde temperatuur verschuldigd aan zijne ligging op den oever eener groote binnenzee en aan zijne verhevenheid van 825 meters boven den spiegel van den oceaan.

Het zou dus bewoonbaar zijn voor den Europeaan, indien, ten gevolge der overstroomingen, veroorzaakt door zes maanden regen, de gezondheid van ’t klimaat niet bedorven ware, onder den invloed van warmte en vochtigheid, zoowel als van eenen wasdom, tot het uiterste gedreven, door de uitwasemingen, die opstijgen uit de slijkpoelen en den afval der planten. Demalariatast zonder uitzondering al degenen aan, die in Afrika dringen. Het is eene galkoorts, vergezeld van huiveringen, die verscheidene dagen duurt en dikwijls periodiek wordt. De gevolgen er van zijn verschrikkelijk en duren lang voort, zelfs bij de menschen, begaafd met ziels- en lichaamskracht. Een werkdadig leven, een onophoudende arbeid, eene goede voeding zijn de beste middelen om er den te spoedigen terugkeer van te voorkomen.

Het is geoorloofd te veronderstellen, dat het beslaan der streek door eene talrijke bevolking haar merkelijk gezonder zou maken door de ontginning, het bebouwen der landen en het indijken der rivieren.

Luitenant Becker in zijn verblijfskleeding.Luitenant Becker in zijn verblijfskleeding.

Luitenant Becker in zijn verblijfskleeding.

Aan de toekomst het vraagstuk op te lossen.

Den 3denDecember 1880 begroette Cambier de verschijning te Karema van kapitein Ramaekers, luitenant Beker en den heer Roger, die hem kwamen aflossen van zijne lange wacht in het wilde Afrika. De nieuwe expeditie bracht een uiteengenomen stoomschip mede, bestemd voor den dienst der statie en de vaart op het meer. Die boot,de Cambiergedoopt ter eere van den stichter van Karema, wacht slechts, om van stapel te loopen, naar de aankomst van een stuk, dat onderweg beschadigd werd en vervangen moest worden.

Hij zal voor de kolonie een krachtig middel van beschavende propaganda zijn. Immers zal hij het personeel der standplaats toelaten, betrekkingen aan te knoopen met al devolksstammenlangs de oevers gevestigd; hij zal de onderzoekingstochten vergemakkelijken naar dit of dat onbekend punt van de streek; hij zal de briefwisseling met de missiën van Oejiji en Mtowa niet weinig bespoedigen. Bij eenen aanval zal hij grooten dienst bewijzen; in een neteligen toestand eene veilige schuilplaats aanbieden.

Het is den 10denDecember 1880, dat Cambier Karema verliet voor Zanzibar. Den 23stenApril daaropvolgende keerde hij te Brussel weder, na eene afwezigheid van drij jaar en zes maanden.

Hij had zijne zending met eere volbracht en in’t hart derbarbaarschheid, tot aandenken van zijn kort verblijf, een reuzenwerk achtergelaten.

Karema!

Is het een negernaam, voor eene poos aan de vergetelheid ontrukt om vervolgens dieper dan ooit in de barbaarschheid te storten? Of is het de toekomstige naam eener stad, eener groote markt, waar, onder het geleide en de waakzaamheid van een nieuw negerras, verstandig, geleerd, werkzaam, de natuurlijke voortbrengselen van het groote bekken van Tanganika zullen geruild worden tegen hetgeen er van onze fabrieken en nijverheid te veel is?

Zullen duizenden inboorlingen, uit eenen onheuglijken schijndood opgewekt, zich aldaar eenmaal met ons komen vereenigen, gelijk zooveele bedrijvende leden van de groote menschenfamilie?

Niemand kan ’t op dit oogenblik reeds zeggen.

Maar indien dit de toekomst moest wezen, bestemd voor de eerste standplaats der Afrikaansche Vereeniging, dan zou er geen roemrijker monument kunnen opgericht worden voor den schepper van ’t werk, dan deze nieuwe stad, gebouwd op het terrein der internationale broederlijkheid door de wetenschap, den arbeid, de volharding en de toewijding.


Back to IndexNext