De auto in den grond gezakt.De auto in den grond gezakt.
De auto in den grond gezakt.
De auto in den grond gezakt.
We zouden weer “aan boord” gaan, toen een oude man met kleine pasjes uit een deur kwam. Hij zag ons en bleef stilstaan. Hij was lang, mager, had een vreemd kostuum aan, dat de armen bloot liet; zijn gelaat was vol rimpels. Wij naderden en groetten hem eerbiedig, we fotografeerden hem, spraken hem aan; hij verroerde zich niet, gaf geen antwoord. Hij toonde noch verwondering noch vrees; hij scheen in diep gepeins verzonken over het geheimzinnige van onze tegenwoordigheid op die plaats. Hij keek ons aan en kon maar niet begrijpen wie wij waren; men zag in z’n oogen de inspanning, die hij zich getroostteom het onverklaarbare op te helderen. Het was onmogelijk, zijn leeftijd te raden; hij leek sterk en vervallen tegelijkertijd. De tijd had zijn gelaat met diepe rimpels doorgroefd.
Toen we weer op de machine waren gestapt, zagen we even om; de eenzame stond daar nog onbewegelijk, ons nastarend in diep gepeins van niet begrijpen.
De weg helde sterk naar beneden. Tegen acht uur kwamen wij bij een jagerspad; er was geen weide, doch hier en daar eenig dor, schraal gras en daartusschen groote kale plekken; wij waren op den rand van de woestijn.
“Gobi” is het Mongoolsche woord voor “holte”. De woestijn is een wijduitgestrekte laag vlakte in het centrum van Mongolië; het is de holte, de “gobi”, die vroeger een zee bevatte. Wij bevonden ons op het strand van een verdwenen zee. Het was een steil strand, waarin de golven ruwe treden hadden uitgehouwen. Wij zouden weldra een lager gelegen vlakte betreden, den bodem van de vroegere zee. Dat strand had zijn inhammen, zijn kapen en zijn schiereilandjes. Voor ons strekte zich de onvruchtbare, kale, golvende vlakte uit tot in het oneindige, en die aan den horizon hooger leek dan aan den rand, evenals de zee.
Een steile helling van twintig of dertig meter bracht ons op den harden, vlakken zandbodem, die de stormen had gekend, en we begonnen een wilden ren, die tegelijk een inval en een vlucht was.
Hoe verder we gingen, hoe kaler, woester en somberder de bodem werd, nu vlak en gelijk, dan weer oneffen, nu bestaande uit fijne zandkorrels, die in de zon schitterden, dan weer uit klei en modder. Geen levend wezen behalve eenige kleine korte hagedissen van de zelfde kleur als de grond, zoodat ze daarvan bijna niet waren te onderscheiden.
Eentonig kropen de uren voorbij. Hoe later het werd, hoe meer de warmte in hevigheid toenam. Het was bladstil; met wellust ademden wij den koelen luchtstroom in, veroorzaakt door den snellen gang van de auto. De overgang van de ochtendkoelte tot een tropische hitte was plotseling. We namen een eigenaardig verschijnsel waar; terwijl het in de zon gloeiend heet was, was het in de schaduw koud.
De hemel was buitengewoon helder, zoo helder, dat wij ons vergisten in de afstanden; het leek ons of alles dicht bij ons was. De horizon scheen slechts enkele kilometers van ons verwijderd, en toch reden we uren om sommige verhevenheden van den weg te bereiken, die we heel duidelijk vlak bij ons zagen. Deze bedriegelijke doorzichtigheid moet toegeschreven worden aan de totale afwezigheid van waterdeeltjes in de atmospheer. De droogte van de lucht veroorzaakte ondragelijke pijnen. Onze huid gloeide als van de koorts, en we konden zelfs niet transpireeren, wat ons zeer zou hebben verlicht. Het branden van de zon op ons gezicht en onze handen was zoo geweldig, dat het scheen of we onder een kolossaal brandglas zaten. Den vorigen dag hadden wij hetzelfde opgemerkt op weg naar Pong-Kiong, maar toen dachten we niet, dat de hitte zoozeer zou toenemen. We begrepen nu, waarom de karavanen niet bij dag reizen—maar konden en wilden ook niet stilhouden, want onze redding lag in onze snelheid.
Wij troffen slechts een enkelen put aan. Tegen tien uur daalden wij nog een trede, een gedeelte van het strand der vroegere zee, zeker een halte op den weg van haar langzamen terugtocht, die eeuwen heeft geduurd, tot de algemeene verdwijning is gekomen. De grond had de witachtige kleur van pekel. Ik werd er door herinnerd aan de omgeving van de Doode Zee in de buurt van Jericho, zonder het groen van den Jordaan. De grond, waarop wij reden, was ook dood; misschien had het land te snel geleefd; wie zal het zeggen? Wij hadden misschien om ons heen het beeld van onze aarde, zooals die over millioenen jaren zal zijn, verdord, dood, in onverstoorbaren vrede daar liggend, in uiterlijk aan de maan gelijk.
Oude Lama van den tempel in de woestijn.Oude Lama van den tempel in de woestijn.
Oude Lama van den tempel in de woestijn.
Oude Lama van den tempel in de woestijn.
Het meest verschrikkelijke, meest woeste gedeelte van de woestijn is niet langer dan zestig K.M. De karavanen trachten dien afstand in een enkelen, onafgebroken marsch af te leggen. Ze vullen leeren zakken en tonnen bij de laatste putten met water en vertrekken bij het licht der sterren. Verbleekte beenderen wijzen hun den weg, het gebeente van kameelen, ossen, muilezels, paarden; over den geheelen karavanenweg liggen die beenderen verspreid. In de woestijn vindt men dit doodenspoor bijna overal. Dikwijls overvalt de storm de konvooien; ze worden door de warrelende zandwolken van de omgeving afgesneden, worden genoodzaakt stil te houden en moeten dan sterven. Alle vermoeide, oude of kreupele beesten vallen onherroepelijk neer. Hier wordt menige doodstrijd gestreden. Men voelt, dat dedood hier altijd rondwaart; alles schijnt hier bestemd om ten onder te gaan; het sombere uiterlijk van het landschap, het vreemddrukkende van zijn naaktheid, de eeuwige gelijkheid van kleur, de benauwende stilte, alles versterkt dat gevoel en doet een onbekend, dreigend gevaar vermoeden, een onophoudelijke bedreiging, een hinderlaag, een valstrik, waarin men wordt gelokt zonder het te kunnen verhinderen. Men heeft maar één gedachte, of liever één wensch, een vaag, onuitgesproken, maar hardnekkig verlangen, te vluchten om niet meer op dat aardelijk te trappen, er van bevrijd te zijn. Men vestigt den verlangenden blik op den horizon, als ware daar een toevluchtsoord; men ziet uit naar elken kleinen heuvel met een onbestemde hoop; men vermoedt aan de andere zijde van iedere hoogte iets onverwachts, iets goeds. Maar de passen gaan voorbij; de heuvels gaan voorbij; de horizon, dien we voor ons hadden, is thans achter ons; de verwoesting schijnt oneindig. De denkkracht sterft.... de ziel gaat onder in een niet te overwinnen melancholie. Ons vertrek van de laatste halte verliest zich in de nevelen van het verleden; de versufte geest heeft het onderscheidingsvermogen verloren; alles lijkt zoo ver weg en in nevelen gehuld, het vertrek zoo lang geleden, de aankomst nog in de verre toekomst. Alleen dit weet men, dat men eens moet aankomen, en die gedachte schenkt de groote kracht, die men geduld noemt.
Geduld maar, en vooruit! Het weerstandsvermogen van geest en lichaam beide zijn onderworpen aan de discipline van het geduld. We zwegen, om onze energie niet te verspillen. En ook, aan ieder woord moet een gedachte voorafgaan en in sommige omstandigheden kost het denken te veel inspanning. Tegen tien uur bevonden wij ons in het meest woeste, meest ellendige gedeelte van Gobi. De twee uiterste halteplaatsen van de karavanen zijn door een enorme hoeveelheid “obo’s” aangegeven. De “obo” is het altaar van de mongoolsche nomaden; het is misschien het eerste altaar, dat door de menschheid is opgericht. Het bestaat uit een hoop steenen. Om de bescherming des hemels af te smeeken vóór de tocht door de woestijn wordt aanvaard en om zijn dankbaarheid te toonen, nadat die is volbracht, neemt de vrome karavaangeleider een steen, en plaatst dien op de “obo”, knielt neer en bidt. Al in het begin van onzen tocht door Mongolië, toen we nog in de nabijheid van den grooten muur waren, hadden we “obo’s” aangetroffen op de heuveltoppen, maar ze waren heel anders dan die van de woestijn. Misschien waren ze verlaten en vervallen. De “obo’s”, die wij in de woestijn zagen, hadden soms een menschelijke gedaante. De steenen waren heel kunstig opgestapeld en boven aan prijkte de doodskop van een os of van een paard; ze leken dus werkelijk aan den dood gewijd. In de verte zagen wij dikwijls die altaren voor menschen aan, en de witte doodskoppen leken ons gezichten; we zagen ontelbare “obo’s” en hoe triest ook op zich zelf, toch schonk hun aanwezigheid ons een groote vreugde; ze verbraken de verschrikkelijke eenzaamheid en de troostelooze verlatenheid.
Mongoolsche soldaten.Mongoolsche soldaten.
Mongoolsche soldaten.
Mongoolsche soldaten.
In de woestijn wordt ieder menschelijk wezen ons dierbaar, hetzij door een gevoel van broederschap, hetzij door een verlangen om zich te vereenigen tegen het gemeenschappelijk gevaar, misschien alleen reeds door de vreugde van een levend wezen te ontmoeten. En we staarden naar al die rechtopstaande menschen en wij verwonderden ons over hunne onbeweeglijkheid; misschien, dachten we, hadden ze ook ons gezien en waren van verbazing stokstijf blijven staan. En plotseling heerschte dan de stilte weer rondom ons, een benauwende stilte, omdat we die menschen als door een verschrikkelijke betoovering in steen zagen veranderen, en de gezichten in doodskoppen. Aan den voet van elke obo lagen stukken papier met in het Thibetaansch geschreven gebeden of ook vlaggetjes, door den tijd verkleurd, eveneens met heilige opschriften.
De Mongool is bijgeloovig, maar zijn bijgeloof is vol poëzie. Hij gelooft dat de wind, door dat papier en die vlaggen in beweging te brengen, de gebeden uit de steenen doet opstijgen naar Boeddha; de wind neemt de gebeden mee, zooals hij den geur der bloemen met zich meevoert, wanneer hij aan hen voorbijgaat. Heeft de wierook in onze godsdienstige plechtigheden daarmee geen overeenkomst?
Wij konden dankbaar zijn voor de aanwezigheid van de obo’s, daardoor toch was de weg volkomen vrij van steenen. En wie weet of de herkomst van deze eigenaardige godsdienstige gewoonte niet gelegen is in de noodzakelijkheid, om slechte, steenachtige passen en wegen te verbeteren bij een volk, dat aan elke daad en aan elk feit een mystieke beteekenis geeft.
We kwamen, helaas, tot de ontdekking, dat de radiator, de long van de automobiel, niet goed kon ademhalen. Door de verschrikkelijke hitte kon ondanks den luchtstroom, ontstaan door den snellen gang van de auto, het water rondom de cylinders niet voldoende meer afkoelen en groote wolken waterdamp sloegen uit de afsluiting van den radiator. Reeds geruimen tijd (het leek ons tenminste lang) zochten wij naar putten, om het water van den motor te vernieuwen. We wilden dat uit het réservoir niet gebruiken dan in de uiterste noodzakelijkheid. Het réservoir hield ternauwernood 50 liter in, en het was verstandig om die te bewaren. Een mankement aan de machine kon ons in ongelegenheid brengen en dan zou de watervoorraad onze redding zijn.
“Een put!” riep nu en dan een van ons uit.—“Daar, daarginds! een put, ik zie een donkere plek op den grond; daar moet water zijn.”
“Ja, ja,” antwoordden dan de anderen. Illusies werken aanstekelijk. De donkere plek bestond niet, of het was een schaduw; we werden dus genoodzaakt, het water van het réservoir te gebruiken en wij stonden stil om het over te gieten. De grond brandde onder onze voeten; een heete lucht steeg naar ons hoofd, en het zand verblindde ons door de schelle weerkaatsing van de zonnestralen. We werden door een bijna ondragelijken dorst gekweld. Toen we het heldere water in de zon zagen opspatten uit het réservoir, konden we de verzoeking niet weerstaan, er naar hartelust van te drinken, de lippen aan de siphon, dezelfde siphon, die diende om de benzine over te gieten. Het water was warm en stonk naar benzine en vernis; in andere omstandigheden zouden wij ervan hebben gewalgd; maar alles is betrekkelijk in de wereld. De Prins gebruikte het minste en nauwelijks bevochtigde hij zijn lippen; hij raadde ons aan zuinig te zijn met dien kostbaren voorraad.
Overtocht van een rivier.Overtocht van een rivier.
Overtocht van een rivier.
Overtocht van een rivier.
En onze eentonige tocht ving weer aan. Om twaalf uur zagen wij weer wat gras in kuilen, waar zeker af en toe wat water was blijven staan. Nog wat later werden wij verrast door de vlucht van eenige witte vogels, en wij ontdekten weldra een kleinen vijver. Op den oever liepen heel statig eenige steltloopers.
Wij gingen naar den vijver om water te scheppen. Het water was ondrinkbaar, stinkend, geelachtig van kleur en ziltig; wij gebruikten het voor den motor, die geen smaak heeft. Toch was de aanwezigheid van dat water voor ons van de grootste beteekenis, immers wij konden er uit opmaken, dat hier het rijk van de verschrikkelijke, uiterste droogte was geëindigd.
En inderdaad het duurde niet lang, of we troffen weer putten aan, omringd door karavanenkampen.
Naast een van die putten lagen, eenzaam, twee Chineezen te slapen. Waarschijnlijk twee rampzaligen, die te voet naar hun land terugkeerden. Ze hadden zelfs geen tent om zich tegen de zonnestralen te beschutten. Hun eenige bagage bestond uit een paar lompen in een zak. Half naakt op het gloeiende zand uitgestrekt, het hoofd ontbloot, sliepen ze. Naast hen smeulden de overblijfselen van een vuur en op het vuur stond de theepot, die nooit ontbreekt in de bagage van zelfs den armsten Chinees, zoo min als de samovar bij den armsten Rus. Wij konden niet begrijpen, dat menschen de marteling van zoo’n ontzettende hitte konden doorstaan. Toen ze leven hoorden werden ze wakker en zagen ons verstomd aan. Ze moesten dood moe zijn en geheel versuft. Wat was onze reis met de hunne vergeleken?
De automobiel in veiligheid gebracht, nadat zij in Transbaïkalia door een brug gezakt was.De automobiel in veiligheid gebracht, nadat zij in Transbaïkalia door een brug gezakt was.
De automobiel in veiligheid gebracht, nadat zij in Transbaïkalia door een brug gezakt was.
De automobiel in veiligheid gebracht, nadat zij in Transbaïkalia door een brug gezakt was.
Het water was helder en ijskoud. Na onzen dorst te hebben gelescht, schepten wij een emmer vol voor onze verdere reis. Een goed gevolg van de warmte was het weinige benzine-verbruik. In het benzine-gas, de vermenging van benzine en lucht, waarin de electrische vonk de explosie veroorzaakt, door welke explosie de beweegkracht van den motor ontstaat, kwamen weinig benzine-deelen voor. Dat konden wij opmaken uit de werking van den carburator, die de lucht automatisch in de vermenging brengt. Lucht kwam in enorme hoeveelheid in den carburator; Borghese maakte er ons opmerkzaam op, dat we meer met behulp van lucht reden dan met behulp van benzine.
De warmte werd hoe langer hoe grooter. De zon, die rechts van ons was opgekomen, stond nu achter ons en verbrandde ons den rug. Bij het vertrek uit Peking had ik verzuimd, mij een kurkhoed, zooals de Prins en Ettore hadden, aan te schaffen en nu moest ik me tegen de hitte beschermen met een Panamahoed; door de snelle vaart ging de voorrand in de hoogte, zoodat mijn gezicht geheel onbeschut was. Al spoedig maakte de zon afschuwelijke maskers van ons gelaat, dat opzwol en opdroogde, zoodat de huid op sommige plaatsen barstte. Wij konden zelfs niet verdragen, dat we er met den zakdoek aan raakten. Het frissche water, dat eerst zoo weldadig was, veroorzaakte ons nu ondragelijke pijnen. Onze oogen waren rood en branderig. De lippen waren dor en sprongen. Vooral Ettore had veel te lijden; zijn handen waren in een deerniswekkenden toestand en bloedden, wanneer hij iets aanraakte. Wij zullen nooit ten volle de groote opoffering kunnen waardeeren, die Ettore zich heeft getroost. Hij vergat alle pijnen in oogenblikken van nood en dwong zijn handen, om toch te werken. Als hij klaar was, bekeek hij zijn wonden en zei, met zijn goedigen glimlach van grooten jongen: “Ik vrees dat wij niet opschieten!”
Wanneer wij nog onze prachtige baldakijn boven onze hoofden hadden gehad, zouden wij de zon kunnen uitlachen!
Wij moesten ons troosten met te zeggen: Ook dit zal wel eens eindigen!
“Een yurta!” riep de Prins uit.
Het was twee uur ’s middags.
Die woorden troffen ons, alsof ons een wonderverschijning was aangekondigd.
“Waar? Waar?”
“Daar ginds, links onder die rotsen.”
Komt de wereld terug? Het zijn zeker nomaden op reis, er zijn hier geen weilanden, wie kan hier leven?
Lang bekeken we de hut, waaraan een paard was vastgebonden. Kort daarna zagen wij een beladen kameel, door een Mongool begeleid, die stil was blijven staan en gebaren tegen ons maakte. Wij wachtten hem af, en de Mongool kwam diep buigend naar ons toe. Hij haalde vervolgens uit zijn jas een pak met doeken, die hij langzaam begon uit te pakken. In het eerste was een ander pak, in het tweede een derde. Eindelijk uit het laatste kwam een telegram, dat de man ons plechtig overhandigde.
Het telegram was aan du Taillis gericht en we gaven het den man terug en beduidden, dat hij door moest gaan naar het zuiden. Hij pakte het telegram weer netjes in—wat een zeer goede manier is, om een kostbaar papier niet te verliezen, maar niet is aan te raden voor drukke zakenmenschen. Wij merkten, dat de kameel was beladen met twee kannen benzine,en we begrepen hoe de zaak in elkaar zat; de Spijker kwam denkelijk benzine te kort en had getelegrafeerd van Pong-Kiong naar Udde, om twee kannen van het depôt over te zenden, en dat waren dan zeker die kannen.
Te Pong-Kiong hadden wij eenige liters van onze benzine gegeven, en zoo hadden ook de Dion-Bouton’s gedaan.
Om vier uur bevonden wij ons in een vlakte, waarin zich hier en daar lage rotsen verhieven als klippen in de zee. Den vorigen dag hadden wij als wanhopigen gezocht naar Pong-Kiong, en nu zagen wij in elke rots een Udde. We werden natuurlijk teleurgesteld. Om de telegraafdraden niet uit het oog te verliezen trachten wij ze overal te volgen, over heuveltoppen, tusschen steenen en rotsen. Het voortgaan werd daardoor zeer bemoeilijkt. Tegen vijf uur zagen wij een hoogte, bestaande uit een groep ronde rotsen en aan den voet, bijna niet van de steenen en rotsblokken te onderscheiden, een klein chineesch huisje: dat was Udde.
Eenige minuten daarna traden wij dat paradijs binnen, in alles gelijk aan de andere plaatsen, die wij ’s ochtends verlaten hadden.
In Oerga was de Itala al veel vóór de andere auto’s, maar gelukkig bleef zij door de telegraaf op de hoogte van de vorderingen der tochtgenooten. Het zou aardig zijn, meer mee te deelen over de ervaringen van den vroolijken, kloekmoedigen Borghese, den kinderlijken, volijverigen Ettore en den waakzamen, opmerkzamen Barzini, maar wij kunnen niet verzuimen, in de ons gestelde ruimte ook onzen lezers iets te laten hooren van de latere gebeurtenissen, vooral, van de indrukken, die de reizigers bestormden, toen zij uit de woestenij in de beschaafde wereld terugkeerden.
Na Nischni-Nowgorod werd de straatweg eenzaam. “Wij rekenden er weer op”, schrijft Barzini, “weldra op onze gewone, ellendige landwegen te zijn, zooals iederen dag ons lot was geweest. Dit maal kwam de landweg niet; de weg was hard. En dat bleef hij. Den weg, den eigenlijken straatweg, hadden wij eindelijk bereikt.
Eindelijk dus! Na een tocht van 7500 kilometer, van zes-en-veertig lange dagen van vermoeienis, lijden en ontbering. Wij hadden er naar gezocht en er naar verlangd, al toen wij uit de Mongoolsche woestijn kwamen; te Kiachta en te Irkutsk meenden wij er reeds op te zijn, op ieder station van onzen tocht had de hoop, hem te vinden ons getroost. Toen ik den tocht beschreef, heb ik het woord “weg” gebruikt om aan de niet te beschrijven plaatsen, waarover wij gingen, een naam te geven. In werkelijkheid waren wij over den maagdelijken grond gegaan, dan weer eens goed en dan weer eens slecht, over zand, slijk, kiezels en over opslag van boomen en struiken. Hier begon de weg. Te Kazan hadden wij reeds een voorproefje ervan gehad. Hij begon te Nizjni-Novgorod, bij de voor ons onvergetelijke stad, die voor ons het keerpunt was, het begin van onzen terugkeer in beschaafde streken.
De auto in den grond vastgeloopen in een Siberisch dorp. De bevolking verleent hulp.De auto in den grond vastgeloopen in een Siberisch dorp. De bevolking verleent hulp.
De auto in den grond vastgeloopen in een Siberisch dorp. De bevolking verleent hulp.
De auto in den grond vastgeloopen in een Siberisch dorp. De bevolking verleent hulp.
De grenzen van Europa loopen niet, zooals de aardrijkskundigen aannemen en zooals ook wij meenden, door de bosschen langs den Oeral, neen zij beginnen te Nizjni-Novgorod met die witte, gemakkelijke lijn, waarlangs wij gingen, een lijn, die met allerlei kronkelingen al de volkeren met elkaar verbindt. Toen scheen het ons toe, dat wij alle moeilijkheden overwonnen hadden. Maar schijn bedriegt! Wij zouden niet meer over rotsen behoeven te gaan, niet meer over boomstronken behoeven te schokken en te hobbelen; wij zouden niet meer in verraderlijke moerassen blijven steken en niet meer door moerasplanten en bosschen onze richting moeten zoeken. Den straatweg hadden wij maar te volgen, hij was onze vriend, onze gids, onze hulp. Hij bracht ons aan het doel.
Wij uitten een kreet van vreugde, toen wij, op een heuvel staande, hem tot aan den gezichteinder konden volgen. En toch bleef er een twijfel, een gevoel van angst ons bij; wij waren te dikwijls teleurgesteld geworden om te gelooven, dat de weg niet spoedig zou eindigen. Wij konden ons nog niet aan zoo’n geheele en snelle verandering gewennen. Het was te mooi.
In het begin was de verandering niet zoo radicaal, ten minste niet wat de bruggen betrof, welke oud en zwak waren en waarvan de planken onder de wielen verschrikkelijk kraakten. Terwijl wij snel reden, bezweek een der bruggetjes onder het gewicht van de machine; een plank brak. Borghese riep Ettore, die aan het stuur zat, toe:
Met alle kracht!
De motor zuchtte luide, en de auto, die bijna stil was gaan staan, vloog vooruit op de hellende planken, en was gered. Achter ons hoorden wij een vreeselijk lawaai van vallende planken. Ongeveer vijftig werst verder kwamen wij aan de grens van het gouvernement Nizjni-Novgorod en toen vonden wij uitmuntende wegen en nieuwe sterke bruggen.
Op het wandeluur reden wij de zindelijke, heerlijke,met groote loofboomen beplante stad Wladimir binnen, waar men reeds een vaag gevoel van de nabijheid van de heilige stad des rijks krijgt, wat men bemerkt aan de vele kerken, graftomben en heilige nissen, (welke laatste men ook hier en daar buiten de stad vindt), waarin des avonds enkele lichtjes flikkeren, waarvoor de voorbijgangers even in het voor bij gaan knielen.
Wij namen onzen intrek in een klein hôtel. Voor den eersten keer gaf de vermoeidheid ons den slaap niet. Moskou lag maar een paar uur verder.
Om zeven uur des morgens reden wij onder de poort met zijn torentjes door en gingen met volle snelheid naar Moskou.
De weg baadde zich in zonneschijn, een heerlijke en prachtige weg, zoo recht alsof hij door kanonschoten in de steppen, door bosschen, velden, over stroomen en plassen geschoten was. In die strenge rechte lijn is iets grootsch en iets verhevens. Zoo’n wondere weg kan ons alleen leiden naar het verheven Sanctuarium des Rijks.
Wij verlangen vurig er spoedig te komen. Wij vliegen. Het is, of de machine ons begrijpt en met ons meevoelt; regelmatig en zwijgend gehoorzaamt zij aan de geringste beweging van de versnelling, vliegt vooruit en houdt zich stipt aan het stuur, dat Borghese in de hand heeft, veert zachtjes op de banden met lichte schommelingetjes, die ons in een zoeten slaap schijnen te willen wiegen. Om acht uur kwamen wij door een stadje.
De menschen vlogen uit hun winkels, kwamen uit de zijstraten aanhollen en groetten ons hartelijk. Zelfs een dikke gendarm, met vriendelijken lach om den mond, sloeg voor ons aan. Toen wij hem voorbij gingen, vroegen wij hem:
“Hoe heet deze stad?”
“Pokrow.”
Daar waren wij verbaasd over. Pokrow ligt ongeveer 80 werst van Wladimir en wij zouden dus, als wij met deze snelheid voortgingen, vóór tienen in Moskou zijn. Maar dat mocht niet; wij mochten voor twee uur in den middag niet te Moskou aankomen. Waarom niet? Wel, uit beleefdheid. Den vorigen avond had men ons telegrafisch gevraagd, hoe laat wij daar dachten aan te komen en de Prins, denkende aan alle eventualiteiten, had ruim gerekend en geantwoord: Denkelijk om twee uur. Wij waren dus genoodzaakt, vrijwillig onderweg halt te houden, en wij besloten dus eens op ons gemak “ons twaalf uurtje” te gebruiken.
Een half uur later stonden wij te Bogorodsk voor het voornaamste hotel. Wij gingen aan tafel zitten met de ernst en deftigheid, die wij onwillekeurig in acht namen bij den eersten keer, dat wij weer in een beschaafde omgeving fatsoenlijk koffiedronken. Wij bestelden een flesch champagne; dat was de tweede, die wij op reis zelf besteed hadden, de eerste was in Tankoy geweest. Van Peking af tot hier toe hadden wij nooit in een hotel of restauratie een tweede ontbijt aan tafel gebruikt; wij hadden het óf op de auto verorberd óf het geheel vergeten.
Wij waren blij, bijna kinderlijk blij. Het weêr werd ongunstig, het begon te regenen, maar het weer kon ons nu niets meer schelen, wij lachten er wat over; de regen zou ons nu niet meer ophouden. Deze vijandelijkheden kwamen nu te laat en waren geheel doelloos. Onze oude, taaie, onvermoeide vijand, het weêr, was nu overwonnen.
In een ommezien verspreidde het bericht van onze aankomst zich door de stad. Het publiek vulde spoedig de plaats achter het hôtel, om onze automobiel te bekijken; andere lui stonden voor het hôtel door de glazen te loeren om ons te zien. Wij werden door autoriteiten, door ambtenaren en notabelen bezocht. Van alle kanten kregen wij uitnoodigingen, waarvoor wij wel moesten bedanken, als wij ten minste van daag en niet morgen om twee uur in Moskou zouden aankomen. Maar van één uitnoodiging konden wij niet af; wij moesten een glas champagne gaan drinken bij een dame, die eenige van de grootste katoenfabrieken van heel de streek bezit en die met een chiek rijtuig gekomen was om ons zoo beleefd mogelijk uit te noodigen, zoodat wijnolens volensaannamen. De fabrieksarbeiders stelden zich op, om ons te begroeten toen wij voorbij kwamen en het aardige houten villaatje van de eigenares betraden.
Precies om twaalf uur zaten wij weer in de auto en reden met de grootste versnelling om tijd te winnen, want wij waren bang, dat wij ons te lang in Bogorodsk opgehouden hadden. Wij waren ongeveer op 30 werst afstand van Moskou, toen wij twee kranige soldaten zagen, die wij voor kozakken uit Kuban hielden, met schilderachtige circassische uniformen, met hun rijken patroongordel over de borst, hun langen dolk op zijde en den hoogen kolbak op het hoofd. Zij staan tegenover elkaar, ieder aan een kant van den weg, en zoodra wij gepasseerd zijn, volgen zij ons in galop. Op afstanden van honderd meter staan weer kozakken om den weg te bewaken, die zich hij den stoet voegen, welken wij achter ons hebben. Wij bemerken al heel spoedig, dat die veiligheidsdienst voor ons georganiseerd is, om te zorgen, dat de weg vrij is en dat alle wagens, zoolang naar den kant van den weg gaan, totdat wij gepasseerd zijn. Deze soldaten behooren tot een nieuw korps gendarmerie, dat na de ontlusten te Moskou georganiseerd is.
Het verwonderde ons, dat karrijders niet woedend waren, ons niet beleedigden, maar ons zelfs levendig en hartelijk groetten. Maar de verrassingen waren nog niet uit. Toen wij omstreeks kwart over éénen in Kordenky, een voorstadje van Moskou kwamen, zagen wij een groote file prachtige automobielen staan, en andere, die luid toeterend aankwamen. Dat waren de eerste groote auto’s, die wij zagen. Zij waren ons tegemoet gekomen. Een luid “Hoezee!” weerklonk. Men verdrong zich om ons en schudde ons wel honderdmaal de hand.
Het was een onbeschrijfelijk oogenblik.
Op het strakke, deftige gezicht van Borghese zag ik nu toch een trek van aandoening trillen. Nog vier duizend kilometer waren wij van Parijs verwijderd, maar het leek ons nu, of wij daar reeds waren. Wij waren weer te midden der “onzen” en gevoelden ons weer thuis. De tijd van de eenzaamheid was nu voor goed achter den rug.
Met bewogen hart en met een oog, niet enkel vochtig door den wind en den regen, stapten wij uit de auto, om door onze begroeters ontvangen te worden.De president van de Automobilistenclub van Moskou, op wiens initiatief deze ontvangst op touw gezet was, deelde ons mede, dat wij tot eereleden van de club benoemd waren en overhandigde ons een kostbaar geëmailleerd gouden insigne, dat wij direct op onze bemodderde mutsen bevestigden. Nu volgde de voorstelling van den consul-generaal van Frankrijk Lebrun, van den belgischen consul Zenker, van den italiaanschen consul Fumasoni, dien wij reeds uit Nizjni-Novgorod kenden, van alle leden der club en der wielrijdersvereeniging der italiaansche kolonie. Ik bevond mij in gezelschap van vele mijner collega’s: den correspondent vanLe Matin, die den Prins voor zijn courant, die het plan Peking-Parijs opgevat had, welkom heette; ik vond er mijn collega van deDaily-Mail, die ons met den spoorweg van plaats tot plaats gevolgd was, terug en nog vele buitenlandsche journalisten. Er waren ook dames. Een van haar had het fijn gevoelde idee gehad een bos rozen op onze auto te leggen, zeker om deze, waaraan wij eigenlijk het gelukken van onzen tocht voor een groot deel te danken hadden, niet te doen vergeten. Een verfrissching werd ons door den voorzitter der automobilistenclub aangeboden in een naburige isba—een huisje van ruw hout gemaakt, waarvan de inwoners verbaasd opkeken, dat er zooveel voorname lui bij hen kwamen.
Naar Moskou, naar Moskou! werd er geroepen.
Het phantastische gezicht van zooveel snelle wagens achter elkaar bracht mij een anderen stoet in de gedachte en wel dien in Mongolië, op den weg naar Urga. Ik zag weer die woeste cavalcade van fiere ruiters, met hun veelkleurige kleeren en met hun spitse hoeden, een stoet, die ons deed denken dat de auto door alle woeste aziatische barbaren gevolgd werd. Maar nu leken wij wel de barbaren, bestoven en bemodderd als wij waren, in een onoogelijke vuile, beslijkte kar, met verroeste spatborden en oud leeren touwwerk; terwijl achter ons de blanke en geëmailleerde aristocratische auto’s schitterden, waarin dames in lichte zomertoiletjes zaten, wier veêren, bloemen, voiles en linten in den wind fladderden.
Plotseling zagen wij Moskou aan den gezichteinder. Het is één lichtschittering van al die vergulde koepels boven die onmetelijke zee van witte gebouwen. Het was een imponeerend gezicht. Het leek een droom.
Wij kwamen in de voorsteden, vol fabrieken, werkplaatsen, hooge rookende schoorsteenen; nieuwe van het werk weerklinkende voorsteden, die als een gordel de plechtige stilte van het oude heiligdom omgeven.
De automobiel weggesleept door het inzakken van een brug in TransbaïkaliaDe automobiel weggesleept door het inzakken van een brug in Transbaïkalia
De automobiel weggesleept door het inzakken van een brug in Transbaïkalia
De automobiel weggesleept door het inzakken van een brug in Transbaïkalia
Maar wat is er eigenlijk te doen? De straat wordt door menschen overstroomd en wel door de arbeiders, die de fabrieken bij honderden en duizenden uitstormen, mannen, vrouwen, jongens en meisjes. De ramen zijn dicht bezet. Uit de buurtspoor komen duizenden ons hollend te gemoet. Wat is er toch te doen?
Maar toen wij naderbij kwamen, begrepen wij het. Een donderend geluid hoorden wij, den welkomstgroet van het volk, ons gebracht met de stem van de menigte. De groet herhaalde zich, breidde versterkt zich uit, plantte zich voort overal waar wij kwamen, volgde ons; wij bevonden ons er midden in; vóór ons, achter ons, links en rechts. En wij waren volstrekt niet overtuigd, dat wij die geestdriftige ontvangst verdiend hadden, maar zij maakte op ons toch een sympathieken indruk. Wij hoorden roepen:Evviva l’Italia(Leve Italië), oorverdoovend handgeklap. Op de impériaals van de tram stonden de passagiers op, en namen den hoed af, de koetsiers, de conducteurs en zelfs de politieagenten groetten ons.
Wij konden links en rechts buigen, zooals een vorst in zijn rijtuig, de menigte groet. Borghese mompelde verwonderd:
“Maar wat hebben wij toch ten slotte bereikt?”
Zoo kwamen wij door de voorstad Novaya Andronoyka en gingen door Rogojskaja de eigenlijke stad in. Een speciale politiedienst hield den weg vrij. Spoedig kwamen wij in het centrum van de stad, waar zij haar gewoon, kalm aanzien had. Zwijgend groette men hier. Langs grootsche boulevards kwamen wij eindelijk aan de eerbiedwaardige, oude muren van het Kremlin, waar de menschen niets van ons af wisten en vragend stil bleven staan om den stoet te zien voorbijtrekken en niet konden begrijpen, dat zooveel prachtige automobielen zoo’n leelijke, vuile auto, waarin nog smeriger lui zaten, volgden.
Toen wij in het hôtel afstapten, werd er dadelijk beslag op ons gelegd door de commissie van den wedstrijd. Zij wilde ons een feest aanbieden, dat minstens twee dagen zou duren, om het geheele programma af te doen. Ofschoon wij vermoeid waren, namen wij de invitatie aan en besloten tot een halt van twee dagen, maar met het vaste plan, voortaan niet meer voor de verleiding te bezwijken. Wij zouden zonder een dag rust van Moskou naar Parijs gaan. En Petersburg dan? Ook in Petersburg werden wij gewacht. Wel is waar, stond de hoofdstad vanRusland niet op ons programma, daar zij te ver af lag. Kozen wij den weg van Perm en besloten wij tot het bezoek aan Petersburg, dan maakten wij een omweg van minstens zeshonderd kilometer. Maar het Peterburgsche comité, dat voor de verdeeling van onze benzine-depots gezorgd, ons de wegen aangegeven en in de voornaamste steden sub-comités gevormd had om ons te ontvangen en inlichtingen en hulp te verschaffen, het comité, dat zich allerverdienstelijkst had gemaakt, dat konden wij niet negeeren door zijn uitnoodiging van de hand te wijzen. Wij moesten dus naar Petersburg gaan, maar wij zouden er niet langer dan een paar uur blijven. Dan kwam Berlijn ook nog, van waar wij reeds te Tomsk telegraphisch uitnoodigingen ontvangen hadden.
Prins Scipio Borghese te Berlijn.Prins Scipio Borghese te Berlijn.
Prins Scipio Borghese te Berlijn.
Prins Scipio Borghese te Berlijn.
Te Moskou werden ons alle middagmalen, lunches en soupers aangeboden, die wij onderweg overgeslagen hadden. Onze gehardheid, waardoor wij alle vermoeienissen en ontberingen hadden kunnen verdragen, begon te verminderen onder deze groote reactie, waaraan wij geen weerstand konden bieden wegens de groote vriendelijkheid, waarmee zij gepaard ging. Wij werden onthaald door de italiaansche kolonie, zij wilden ons kostbare souvenirs aanbieden, die waarlijk niet noodig waren, daar de herinnering aan deze oogenblikken blijvend voor ons is; wij werden ontvangen door de automobilisten-club, door den italiaanschen consul, door oude en nieuwe vrienden; wij toastten, bezochten concerten, zoowel vocale als instrumentale, de prachtigste en meest geroemde restaurants van Moskou, deMetropol,l’ErmitageenMauritania, dat verscholen ligt tusschen het dichte loof van het Petrowskypark en bekend is door den drom zijner cosmopolitische bezoekers—en het eleganteYard, waar de concerten des nachts om twaalf uur beginnen en met zonsopgang eindigen.
De automobielen uit Moskou stonden te onzer dispositie, om de stad en de omstreken te gaan bezichtigen. Zoo gingen wij den zonsondergang op den historischenVorobievy Goryof Musschenberg zien, waarop Napoleon de Groote stil bleef staan om het tooverachtig schoone panorama van Moskou in den avond van den 14den September 1812 te bewonderen. De wegstervende zon kleurde de onmetelijke, trotsche stad als met bloed; de vergulde koepels zonden stroomen van vlammen uit en hulden alles in vuur en licht. Het was een heerlijk schouwspel.
Wij werden uitgenoodigd voor de harddraverijen in het wereldberoemde hypodroom, het mooiste van de wereld. Op de monumentale tribune konden wij de verschillende phasen van den voortdurenden wedstrijd tusschen russische en amerikaansche paarden volgen, een wedstrijd, die alle dagen plaats heeft, ook in den winter, wanneer de baan met sneeuw bedekt is en de paarden voor lichte sleedjes gespannen zijn.
Hier heeft men ons alle genietingen doen smaken van het zonderlinge en vreemde leven van deze “eenige” stad, van de echte hoofdstad van Rusland zonder ministeries, die tegelijkertijd antiek en modern, een heilige stad en toch vol nijverheid is, die zich amuseert ook onder den tegenwoordigen staat van klein beleg, waardoor de rijke equipages door meteen geweer gewapende soldaten bewaakt worden en kozakkenpatrouilles met een karabijn aan den bandelier achter de rijtuigen aandraven. Het gebeurt niet zelden, dat er onverwachts in de groote straten door de politie het bevel gegeven wordt, dat alle rijtuigen op zij moeten gaan en het midden van de straat vrij moeten laten, en dat men dan drie of vier rijtuigen ziet, die in galop voortrijden, voor, achter en op zijde geëscorteerd door kozakken met geladen pistolen in de hand; dit is een geldtransport van het rijk. Men ziet, het gevaar, dat de roebel loopt, verschaft hem vorstelijke eer.
Ondertusschen had de automobiel haar reistoilet wat opgeknapt; zij was goed afgewasschen en gepoetst. Anders had zij niets noodig gehad. Bij het onderzoek van de machine waren automobilisten,sportsmen, journalisten en chauffeurs tegenwoordig en het had in degaragevan het Hotel Metropool plaats. Tot onze eigen verwondering waren de verschillende onderdeden, die aan sterke slijtage onderhevig zijn, geheel in orde, bijv.; “de kleine afslaghamertjes van de vonk,” kleine excentrische schijfjes, die 1200 à 1400 maal per minuut ronddraaien en de inlaatkleppen, die iedere minuut 2400 à 2800 slagen doen. Bepaald als nieuw vonden wij de kamwielen van den versnellingsbak, de lagers en de overbrengingsassen, die ook bekend zijn bij veel technici onder den naam cardans en die door veel vaklui voor minder sterk dan de kettingoverbrengers gehouden worden. Alleen het wiel, dat door eenmujiktusschen Perm en Kazan gerepareerd was, werd door een ander vervangen, omdat men ondervonden had, dat het slingerde en de banden hinderde.
Dat wij dit in den steek moesten laten, vonden wij vervelend, want wij hadden aan dit ruw bewerkte wiel heel wat te danken.
Op den morgen van den 31sten Juli, precies om 4 uur, reed onze automobiel, veel lichter geworden door de groote vermindering van onze bagage, degaragevan het hôtel Metropool uit. Zij liet in Moskou alle voorwerpen, die wij voor den onderzoekingstocht noodig gehad hadden en die haar zoo’n vreemd aanzien hadden gegeven achter: de touwen, den ketting, het windas, de schoppen en de houweelen.
Langzamerhand had zij op den rit alle onnutte en overtollige dingen weggeworpen. Twee spatborden had zij te Kalgan achtergelaten en twee in de mongoolsche vlakte; zij had blikken metcorned-beaf en groente gestrooid en als een luchtballon ballast uitgeworpen en dat alles om de kracht van de veêren te verhoogen. Toen zij te Moskou aankwam, had zij niet veel meer, dan dat, wat wij persoonlijk absoluut noodig hadden en natuurlijk de reservebanden. En dat had zij vastberaden gedaan, evenals een athleet, die zijn kleeren uittrekt, om vrijer in zijn bewegingen te zijn.
Door vele auto’s gevolgd, die ons uitgeleide deden, gingen wij snel door de stad heen, die al druk was. De morgenstond is in Moskou een drukke tijd door de velen, die uit de restaurants en van de concerten huiswaarts keeren. Nu kregen wij bij ons vertrek den groet van hen die zich amuseeren, zooals wij bij onze aankomst begroet waren door hen, die met werken hun brood moeten verdienen. Menschen met zwarte rokken en witte dassen groetten ons allerhartelijkst uit hunne rijtuigen, en op de balcons, der sociëteiten werden ons vriendelijke ovaties gebracht. Wij passeerden de elegante barrière Twerskaja, bij het Smolensker station en sloegen deSt. Peterburgkoje Chaussée, den weg naar Petersburg in, waarop de wersten niet meer door genummerde palen, maar door monumentale obelisken aangegeven worden. Aan onze rechterhand lag het Petrowskj-park; in zijn tallooze paden reden nog rijtuigen met lui, die uit verschillende café’s kwamen.
Opzichtige toiletjes, die wat verfrommeld waren, gingen ons voorbij, ook hooge hoeden, die verkeerd op het hoofd stonden en wat waggelden; weer werden wij gegroet, wel heesch maar hartelijk. Men had ons dadelijk aan den vreemden vorm van onze auto, die in alle geïllustreerde bladen gestaan had, en ook aan de italiaansche vlag, die vroolijk op onzen wagen wapperde, herkend.
Buiten de stad was het doodstil. Het mistte. De zon was bleek en kwam in nevels op, die steeds dichter werden en wel zoo, dat wij niet meer onderscheiden konden, wat er ter zijde van den weg was. Wij reden door een grijze oneindigheid, waardoor wij niets zagen, zelfs niet eens de op ons volgende auto’s, die voortdurend hun signaalhorens gebruikten.
Tegen zes uur kwam de zon hier en daar door den mist heen. De horizon scheen effen en scherp begrensd. Men zag er witte klokketorens boven het nog niet goed zichtbare groen uitsteken; maar later werd alles langzamerhand goed zichtbaar. Wij zagen weer hetzelfde eentonige landschap, dat wij reeds weken lang gezien hadden. Wij kwamen door het grootendeels van hout gebouwde stadje Klin, wij wisselden haastig groeten met de automobielen, die ons tot hier begeleid hadden, en vervolgden alleen onzen weg, luisterden naar het eentonige, rhythmische geluid van den motor en ademden met volle teugen de frissche morgenkoelte in.
Om acht uur kwamen wij in een andere stad met een oostersch aanzien, met vergulde, blauwe en verschillend gekleurde koepels; het was Twer, de stad met zijn veertig kerken en de stad, waar de scheepvaart op de Wolga begint. De menschen stonden stil, om naar ons te zien en groetten ons in het voorbijgaan warm. Voor den tweeden keer gingen wij de Wolga over en wel over een spiksplinternieuwe, prachtige, hangende brug; maar hier was zij zoo smal, dat wij den kolossalen stroom van Nizjni-Novgorod en van Kazan, waar zij zoo breed als een zeeboezem is, nauwelijks herkenden.
Wij vlogen voorbij steden en dorpen, rijke, eenzaam gelegen kloosters, door pijnbosschen, over op steppen gelijkende vlakten, en langs akkers, wij hadden een grooten afstand af te leggen en hielden er goed den gang in. Wij wilden te Novgorod, 485 kilometer van Moskou overnachten. Eenige boeren die aan het hooien waren, kwamen in den looppas het het land af naar den weg toe, met de zeis over de schouder, aanhollen om ons te zien.
Een hunner, een jonge, blonde man, riep ons toe:
“Komt jelui van Peking?”
“Ja!”
Toen zwaaiden allen met de muts en schreeuwden:
“Hoezee!”
Wij lachten.
Het voorrecht ook de vermakelijke zijde van iedere zaak te zien en dit niet te verbergen, wat misschien somtijds wel onbeleefd is, een trek van het latijnsche karakter, kwam bij ons, in plaats van aandoening, boven.
Om tien uur kwamen wij te Torshok aan, waar een benzine-depôt was. De benoodigdheden, die wij op den tocht noodig hadden, waren tot Moskou geregeld geworden, verder niet, daar de Prins, toen hij den te volgen weg vaststelde, nog niet wist, hoe hij van Moskou naar de grenzen zou gaan, en in de meening verkeerde, dat hij in Rusland overal benzine zou vinden. Op een telegrafische aanvrage, belastte Nobel zich weer met het aanleggen van depôts tot aan de grenzen.
Aan den ingang van de stad, op den straatweg, stonden eenige mannen met vaten benzine en olie op ons te wachten. In weinige oogenblikken waren onze réservoirs gevuld en voort ging het weer.
Nooit hebben wij zooveel kilometers afgelegd; het waren er vijftig. Het gevoel heeft ons bezield ons te moeten haasten, en dit gevoel werd steeds sterker. Werst aan werst werd snel afgereden. Wij raadpleegden de kaart, maakten onze berekeningen, maar schonken aan de streek, die mooier en schilderachtiger werd, weinig aandacht. De landelijke woningen werden meer karakteristiek, waren met houten snij- en beeldhouwwerk versierd, boven de ramen hadden zij veelkleurige ornamenten, met motieven, die aan de oude slavische kunst ontleend waren en nog van de weelde en den rijkdom der middeleeuwen getuigden. Maar daarvoor hadden wij geen oog meer; wij keken slechts naar den weg, alsof wij hem nog voor de machine in vliegende vaart wilden afleggen.
Maar toen wij de grenzen van het gouvernement Twer over waren, werd de weg, helaas, slechter. Wij verminderden onzen gang tot op 25 kilometer per uur ten gevolge van een plotselinge hevige donderbui, die den geheelen dag aanhield. De gedachte, dat er tijdens ons feestvieren te Moskou geen druppel regen gevallen was, maakte onze stemming nu juist niet opgewekter.
Vaarwel wegen, velden en middeleeuwsche huizen! En die regen begeleidde ons, zooals wij den geheelen morgen mist gehad hadden, tot Novgorod, dat op de oevers van de Volkhof in de nabijheid van het kalme en groote meer Ilmen ligt. Geen stad had op ons dien somberen indruk; gemaakt, dien wij van Novgorod kregen; het was of zij om haar macht en haar roem treurde. Er bestaat in het Russisch een spreekwoord, dat luidt: “Wie kan tegen God en tegen Novgorod op!” Dit bewijst, dat de taal, dat de beteekenis der woorden langer kan blijven bestaan dan de zaak zelf.
Wij hadden spijt, dat wij zoo’n grooten omweg maakten, waardoor wij geen kilometer nader bij het doel kwamen. Wij gingen in noordelijke richting. Het uitstapje naar Petersburg was een onderbreking eigenlijk van den tocht. Wij hadden den rechten weg verlaten.
Wij vonden te Novgorod den lichten noorderlichtnacht terug; maar het licht was niet helderder dan dat van de volle maan. Dit licht scheen den geheelen nacht door de ramen van ons hôtel. Wij hoorden het plassen van den regen op de slapende stad.
Het regende nog, toen wij Novgorod des morgens om zes uur verlieten; het was een fijne, aanhoudende regen, die onbarmhartig uit den winterachtigen hemel op ons neer kwam en den weg glibberig maakte.