IV.

[Inhoud]IV.IN DEN MANESCHIJN.Batavia schitterde in de heerlijke, zachte stralen der maan, die den grond als met kantwerk overdekte, die de schaduw van het gebladerte, en de wateren der rivier en der grachten omtooverde in vloeibaar zilver; alles wat bij dag in de Oostersche stad het oog kwetsen kon, verdween nu in den geheimzinnigen gloed, die zich uitspreidde over huizen en krotten, over den vaak onhebbelijken toestel der kramen, en passers, over de onfrissche uitwasemingen der grachten, over de havelooze mannen, vrouwen en kinderen, van allerlei landaard, die de straten en kaden vulden.Eenige booten en gondels dreven door de grachten, een hunner was grooter dan de andere, fraai van vorm en bevatte vroolijk en zelfs hoog gezelschap, de Opperlandvoogd Johan van Hoorn met zijn vrouw en dochter, benevens zijn nicht de jonge mevrouw[38]Voorneman, haar echtgenoot en nog eenigen der voornaamste ingezetenen hadden daar plaats in genomen. Achter hen voer een schuit gevuld met slaven, die muziek maakten en het vroolijke gelach overstemde, dat in de verte ruimschoots weerklonk.„Zijn Edelheid wordt weer jong!” sprak een heer in een der andere booten, waarin o. a. ook de Directeur-Generaal zit.„En geen wonder!” zeide dit hooge personage op eenigszins verachtelijken toon, „als men zoo omringd wordt door jeugd; alles is jong rondom onzen Opperlandvoogd, zijne tweede gemalin, de gewezen mevrouw van Riebeek, de jonge juffer van Hoorn en zijn nicht, zonder welke geen feest volmaakt is, en die bijna dagelijks op het kasteel komt.”„Voorneman schijnt nu gelukkiger in zijn keuze te wezen dan den eersten keer. Mevrouw Margaretha was even leelijk en lomp als zijne tegenwoordige vrouw schoon en slank is.”„Maar ook haar tong is spits en scherp. Voorneman heeft toe te zien dat zij hem geen nadeel toebrenge!”Op een der grachten zat een groepje heeren en dames, voor de deur eener aanzienlijke woning.„Zulke tochtjes heeft Zijn Edelheid ook niet veel in zijn leven gedaan,” zeide een dame zeer spijtig.„Zij schijnen in den smaak zijner nicht te vallen, die anders voor alles hier op Batavia haar neusje optrekt. Geen wonder dat de liefhebbende oom haar dit genoegen gunt.”„Men zegt dat zij een onverdragelijke nuf is.”„Meer dan dat, zij is een geleerde vrouw. Ik heb van mevrouw Dammers gehoord op welke onbeleefde wijze zij haar eens in Voornelust ontving. Zij verkiest verreweg het gezelschap der mannen boven dat der vrouwen; zij luistert niet naar ons, maar mengt zich het liefst in het gesprek der heeren.”[39]„Dan kan de arme heer Voorneman er nog veel verdriet van beleven, want zulke zusjes zijn niet te vertrouwen.”„Zij wil ons de wet voorschrijven, dat jonge, dwaze kind!”Intusschen vermoedde het voorwerp van zooveel ergernis niets van de vijandige gezindheid, welke zij opwekte. Zij vermaakte zich uitstekend, de frissche avond met de ongeëvenaarde pracht van een tropischen maneschijn, de beurtelings droevige dan vroolijke muziek, de geuren der bloemen, waarmede zij zelf en de andere dames zich getooid hadden en die de minder zoete miasmen der grachten verdreven, brachten haar in een wonderbaar weeke stemming; zij drong zich dicht bij haar echtgenoot aan en drukte zijn hand met een hartelijkheid, welke zijn geheele wezen met een ongekend zalig gevoel doortrilde.„Och Markus,” fluisterde zij,„wat kan het leven toch nog zoet en schoon zijn.”De Gouverneur-Generaal, zijn vrouw en dochter hadden hun nichtje recht lief gekregen; haar fijne vormen en geestige scherts deden hun eerst recht begrijpen hoe zij tot dusver hiervan verstoken waren geweest, en werden daarom door hen des te hooger geschat.Voor mevrouw van Hoorn had Digna haar hart uitgestort, hoe zij in Holland eens had bemind en hoe geheimzinnig haar geliefde haar verlaten had nadat zijn leven onverwachts een treurige wending nam; hoe zij na den dood harer moeder met haar stiefvader dien zij niet lijden mocht, eenzaam achterbleef en dus de hand van den weduwnaar Voorneman, die tot herstel zijner geschokte gezondheid een jaar in Holland doorbracht, aannam, daar zij in hem een vaderlijken vriend vereerde en hoe zij zich nu tevreden en kalm voelde in de vervulling harer plichten; maar wat zij verzweeg en waaraan zij zelf zoo weinig mogelijk trachtte[40]te denken dat was Voorneman’s bekentenis. Nu echter scheen het of het bewustzijn dat hij haar zoo vurig liefhad, haar vleide en niet onaangenaam was. Zou waarlijk de vergetelheid komen?Men was uit de Leeuwinnegracht in de Tijgergracht gekomen en voer nu den binnenwal te gemoet, toen plotseling niet ver van het Stadhuisplein, een groepje menschen het water naderde; er scheen heftig gevloekt en gescholden te worden zonder dat iemand vermoedde hoe dicht de alom gevierde en geëerbiedigde Onderkoning in de nabijheid was; het rumoer werd nog heviger, er werd blijkbaar gevochten, het regende slagen en woeste verwenschingen, daar klonk een doffe slag in het water, een ondragelijke lucht steeg uit het moeras, dat door den zwaren val in beroering kwam.Een tweede slag volgde; en zwemmend trachten nu twee mannen, waarvan de een den ander droeg, den oever te bereiken, maar het water was te laag; het volk dat de vechters uit nieuwsgierigheid gevolgd was, stond werkeloos toe te zien, niemand stak een hand uit.„Moet er niet geholpen worden,” riep Digna doodsbleek en bevend van ontsteltenis uit.„Ik geloof niet, dat er veel aan verloren zou zijn, schoone nicht, maar ge hebt gelijk, wij moeten hen helpen,” sprak de Gouverneur.En hij beval de roeiers met een paar flinke riemslagen den zwemmer te bereiken; deze de beweging der boot ziende, kwam hen reeds te gemoet, hij bezweek schier onder den last, waarmede hij bezwaard was, want in de heldere manestralen scheen deze groot en breed, terwijl de redder een tengere, slanke knaap was; met de eene hand greep hij de riem, welke de roeiers hem toestaken, met de andere trachtte hij nog zoo goed hij kon den drenkeling op te houden.[41]Juist zou hij uitgeput door vermoeienis zijn vracht loslaten toen een der slaven in het water sprong en hem van zijn last onthief.„Het zijn twee dronken soldaten, Excellentie!” zeide een der twee hellebaardiers zonder welke de Opperlandvoogd zich nooit naar buiten begaf, „waar moet men ze laten?”„Men neme ze voorloopig in onze boot, schrijve hun namen op en laat ze bij de eerste aanlegplaats uit,” beval de Oppergebieder.Weldra had men de beide druipnatte mannen vóór ingenomen. De drenkeling, die nog steeds bewusteloos was, lag op den bodem, de andere stond recht op, in ellendigen toestand met drijvende kleederen, en doornatte haren.„Hoe komt die man in het water?”„Ik heb er hem in geworpen, Uw Edelheid!”„En gij reddet hem!”„’t Was mijn bedoeling niet hem als een hond voor mijn oogen te laten verdrinken; hij wilde mij aanvallen en ik heb mij verdedigd. Dat hij zwak op zijn beenen stond is mijn schuld niet en nu niemand hem wilde redden, moest ik ’t wel doen.”„Hoe is uw naam?”„Men noemt mij Walter.”„En verder?”„Niets meer!”„En hoe heet uw kameraad?”„Hij is bekend onder den naam van Dikkop, zelf noemt hij zich markgraaf of baron von Schweinhausen of Schweinsmarken, ik geloof echter dat hij opgeteekend staat onder dien van Kraus.”„’t Is genoeg! Laat hen uit, bij gindsche brug, hellebaardier! Waarschuw de naaste wacht; beide mannen moeten ondervraagd worden naar de oorzaak van hunnen twist; de eene kan dan zijn roes uitslapen.”[42]„Scheelt u iets, mijn lieve?” vroeg heer Voorneman zijn jonge vrouw, die bleek en rillend achterover leunde.„Niets, Markus, niets! de schrik!” antwoordde zij met haar handen het gelaat bedekkende, als ware zij bevreesd een treurig schouwspel te zien.De soldaat zag met brandende oogen de dames aan, zijn lippen waren vast op elkander geklemd, zijn handen hield hij gebald.„Zijn we aangekomen? Ik pas niet in dit hooge gezelschap,” fluisterde hij den hellebaardier toe.„Ge hebt gelijk,” antwoordde deze spottend, „uw toilet is niet van dien aard om door groote dames bewonderd te worden.”Juist kwam een wacht langs, die de beide mannen met zich mee nam; de eene, die nog steeds bewusteloos was hetzij door zijn roes, hetzij door zijn val, werd gedragen, de andere volgde met trotsche, brandende oogen om zich heen ziende.De Gouverneur-Generaal gaf intusschen bevel naar het kasteel terug te roeien, daar het tijd ging worden voor het avondgebed.De vroolijkheid was nu toch verdwenen, want de ziel van het gezelschap de jonge, lieve mevrouw Voorneman was zoo stil en in zich zelf gekeerd geworden na het ongeval, dat ieder zich verwonderde over haar gevoeligheid.Digna kwam t’huis en bleef nog altijd even afgetrokken, op alle vriendelijke vragen van haar man gaf zij ontwijkende antwoorden; geen slaap kwam dien nacht haar verkwikken, en den volgenden morgen verrieden zwarte kringen om haar oogen, hoe slapeloosheid haar gekweld had.„Lieve, ik maak mij zoo ongerust over u!” sprak Markus, die zich gereed maakte naar zijn werk te gaan.„Er is geen reden voor, Markus!”antwoorddezij vriendelijk maar nog altijd even neerslachtig, „ik zal zoo dadelijk met de les[43]van Albert beginnen, en hoop u straks weer flink en vroolijk te gemoet te komen.”„Wanneer er iets is dat u hindert, weet ge toch dat ik uw meest vertrouwde vriend ben,” zeide hij min of meer aarzelend.„Ik ben van niets meer overtuigd, beste man,” en zij wierp zich aan zijn borst als een arm gejaagd vogeltje dat een toevlucht zoekt tegen den dreigenden havik.Hij kuste haar teeder, streelde zijn jonkske en stapte in de koets, die voor het bordes wachtte.Nauwelijks was hij alleen, of Digna wierp zich in een der leuningstoelen neer en barstte in tranen los.„Eindelijk, eindelijk!” snikte zij, „kan ik vrij uitweenen. Den geheelen nacht moest ik mij bedwingen om hem niet te wekken mijn armen, goeden man! O God! waarom moest ik hem nu weer ontmoeten. Heb ik mijn rust en vrede dan niet duur genoeg gekocht? Wat is er van hem geworden, sinds we elkaar het laatst zagen? En hij heeft mij ook herkend aan de zijde van een ander! Vader in den Hemel, sta me bij! Laat me niet zwak zijn! Zelfs door geen gedachte wil ik mijn man beleedigen; alles wat ik nu denk of wensch ten opzichte van Robert is zonde, dat mag ik niet vergeten! Kon ik Markus maar alles vertrouwen, maar hij ziet er nu zwakker uit dan ooit, en nu ik weet wat hij voor mij gevoelt, zou het wreed zijn hem iets te zeggen. En wat moet ik hem bekennen? Dat die verloopen soldaat, de vriend mijner jeugd is, en dat ik het nog niet laten kan aan hem te denken, dag en nacht. Heer! Geef mij kracht om zelfs over mijn gedachten te heerschen!”„Moeder, mag ik binnenkomen?”Digna sprong op, wischte zich de tranen van de wangen en zich omkeerend, antwoordde zij:[44]„Haal uw boeken maar, lieve Albert! Wij zullen dadelijk met de lessen een aanvang nemen!”Het knaapje huppelde weg, en zijn moeder deed haar uiterste best om tot zich zelf te komen, voor dat hij terugkeerde.Met een kloeke poging om weer zich zelf te zijn, ging zij aan haar gewone werk, onderwees haar zoontje, regelde het werk der slaven en slavinnen, maakte met eigen handen een lievelingsspijs voor haar man klaar en had de voldoening toen hij t’huis kwam hem met een vroolijk gelaat te kunnen ontvangen.’t Was of Markus Voorneman weer opleefde, toen hij den glimlach, die de zonneschijn van zijn leven was, weer op haar lippen ontdekte; en ook Digna voelde zich sterker nu zij krachtig tegen haar droeve herinneringen gestreden had. Al kon zij de gedachte aan Robert nog niet geheel verdrijven, zij was toch al eenigszins meer naar den achtergrond gedrongen; het gebeurde van den vorigen avond kwelde haar nog bijna alleen als de heugenis aan een boozen droom.

[Inhoud]IV.IN DEN MANESCHIJN.Batavia schitterde in de heerlijke, zachte stralen der maan, die den grond als met kantwerk overdekte, die de schaduw van het gebladerte, en de wateren der rivier en der grachten omtooverde in vloeibaar zilver; alles wat bij dag in de Oostersche stad het oog kwetsen kon, verdween nu in den geheimzinnigen gloed, die zich uitspreidde over huizen en krotten, over den vaak onhebbelijken toestel der kramen, en passers, over de onfrissche uitwasemingen der grachten, over de havelooze mannen, vrouwen en kinderen, van allerlei landaard, die de straten en kaden vulden.Eenige booten en gondels dreven door de grachten, een hunner was grooter dan de andere, fraai van vorm en bevatte vroolijk en zelfs hoog gezelschap, de Opperlandvoogd Johan van Hoorn met zijn vrouw en dochter, benevens zijn nicht de jonge mevrouw[38]Voorneman, haar echtgenoot en nog eenigen der voornaamste ingezetenen hadden daar plaats in genomen. Achter hen voer een schuit gevuld met slaven, die muziek maakten en het vroolijke gelach overstemde, dat in de verte ruimschoots weerklonk.„Zijn Edelheid wordt weer jong!” sprak een heer in een der andere booten, waarin o. a. ook de Directeur-Generaal zit.„En geen wonder!” zeide dit hooge personage op eenigszins verachtelijken toon, „als men zoo omringd wordt door jeugd; alles is jong rondom onzen Opperlandvoogd, zijne tweede gemalin, de gewezen mevrouw van Riebeek, de jonge juffer van Hoorn en zijn nicht, zonder welke geen feest volmaakt is, en die bijna dagelijks op het kasteel komt.”„Voorneman schijnt nu gelukkiger in zijn keuze te wezen dan den eersten keer. Mevrouw Margaretha was even leelijk en lomp als zijne tegenwoordige vrouw schoon en slank is.”„Maar ook haar tong is spits en scherp. Voorneman heeft toe te zien dat zij hem geen nadeel toebrenge!”Op een der grachten zat een groepje heeren en dames, voor de deur eener aanzienlijke woning.„Zulke tochtjes heeft Zijn Edelheid ook niet veel in zijn leven gedaan,” zeide een dame zeer spijtig.„Zij schijnen in den smaak zijner nicht te vallen, die anders voor alles hier op Batavia haar neusje optrekt. Geen wonder dat de liefhebbende oom haar dit genoegen gunt.”„Men zegt dat zij een onverdragelijke nuf is.”„Meer dan dat, zij is een geleerde vrouw. Ik heb van mevrouw Dammers gehoord op welke onbeleefde wijze zij haar eens in Voornelust ontving. Zij verkiest verreweg het gezelschap der mannen boven dat der vrouwen; zij luistert niet naar ons, maar mengt zich het liefst in het gesprek der heeren.”[39]„Dan kan de arme heer Voorneman er nog veel verdriet van beleven, want zulke zusjes zijn niet te vertrouwen.”„Zij wil ons de wet voorschrijven, dat jonge, dwaze kind!”Intusschen vermoedde het voorwerp van zooveel ergernis niets van de vijandige gezindheid, welke zij opwekte. Zij vermaakte zich uitstekend, de frissche avond met de ongeëvenaarde pracht van een tropischen maneschijn, de beurtelings droevige dan vroolijke muziek, de geuren der bloemen, waarmede zij zelf en de andere dames zich getooid hadden en die de minder zoete miasmen der grachten verdreven, brachten haar in een wonderbaar weeke stemming; zij drong zich dicht bij haar echtgenoot aan en drukte zijn hand met een hartelijkheid, welke zijn geheele wezen met een ongekend zalig gevoel doortrilde.„Och Markus,” fluisterde zij,„wat kan het leven toch nog zoet en schoon zijn.”De Gouverneur-Generaal, zijn vrouw en dochter hadden hun nichtje recht lief gekregen; haar fijne vormen en geestige scherts deden hun eerst recht begrijpen hoe zij tot dusver hiervan verstoken waren geweest, en werden daarom door hen des te hooger geschat.Voor mevrouw van Hoorn had Digna haar hart uitgestort, hoe zij in Holland eens had bemind en hoe geheimzinnig haar geliefde haar verlaten had nadat zijn leven onverwachts een treurige wending nam; hoe zij na den dood harer moeder met haar stiefvader dien zij niet lijden mocht, eenzaam achterbleef en dus de hand van den weduwnaar Voorneman, die tot herstel zijner geschokte gezondheid een jaar in Holland doorbracht, aannam, daar zij in hem een vaderlijken vriend vereerde en hoe zij zich nu tevreden en kalm voelde in de vervulling harer plichten; maar wat zij verzweeg en waaraan zij zelf zoo weinig mogelijk trachtte[40]te denken dat was Voorneman’s bekentenis. Nu echter scheen het of het bewustzijn dat hij haar zoo vurig liefhad, haar vleide en niet onaangenaam was. Zou waarlijk de vergetelheid komen?Men was uit de Leeuwinnegracht in de Tijgergracht gekomen en voer nu den binnenwal te gemoet, toen plotseling niet ver van het Stadhuisplein, een groepje menschen het water naderde; er scheen heftig gevloekt en gescholden te worden zonder dat iemand vermoedde hoe dicht de alom gevierde en geëerbiedigde Onderkoning in de nabijheid was; het rumoer werd nog heviger, er werd blijkbaar gevochten, het regende slagen en woeste verwenschingen, daar klonk een doffe slag in het water, een ondragelijke lucht steeg uit het moeras, dat door den zwaren val in beroering kwam.Een tweede slag volgde; en zwemmend trachten nu twee mannen, waarvan de een den ander droeg, den oever te bereiken, maar het water was te laag; het volk dat de vechters uit nieuwsgierigheid gevolgd was, stond werkeloos toe te zien, niemand stak een hand uit.„Moet er niet geholpen worden,” riep Digna doodsbleek en bevend van ontsteltenis uit.„Ik geloof niet, dat er veel aan verloren zou zijn, schoone nicht, maar ge hebt gelijk, wij moeten hen helpen,” sprak de Gouverneur.En hij beval de roeiers met een paar flinke riemslagen den zwemmer te bereiken; deze de beweging der boot ziende, kwam hen reeds te gemoet, hij bezweek schier onder den last, waarmede hij bezwaard was, want in de heldere manestralen scheen deze groot en breed, terwijl de redder een tengere, slanke knaap was; met de eene hand greep hij de riem, welke de roeiers hem toestaken, met de andere trachtte hij nog zoo goed hij kon den drenkeling op te houden.[41]Juist zou hij uitgeput door vermoeienis zijn vracht loslaten toen een der slaven in het water sprong en hem van zijn last onthief.„Het zijn twee dronken soldaten, Excellentie!” zeide een der twee hellebaardiers zonder welke de Opperlandvoogd zich nooit naar buiten begaf, „waar moet men ze laten?”„Men neme ze voorloopig in onze boot, schrijve hun namen op en laat ze bij de eerste aanlegplaats uit,” beval de Oppergebieder.Weldra had men de beide druipnatte mannen vóór ingenomen. De drenkeling, die nog steeds bewusteloos was, lag op den bodem, de andere stond recht op, in ellendigen toestand met drijvende kleederen, en doornatte haren.„Hoe komt die man in het water?”„Ik heb er hem in geworpen, Uw Edelheid!”„En gij reddet hem!”„’t Was mijn bedoeling niet hem als een hond voor mijn oogen te laten verdrinken; hij wilde mij aanvallen en ik heb mij verdedigd. Dat hij zwak op zijn beenen stond is mijn schuld niet en nu niemand hem wilde redden, moest ik ’t wel doen.”„Hoe is uw naam?”„Men noemt mij Walter.”„En verder?”„Niets meer!”„En hoe heet uw kameraad?”„Hij is bekend onder den naam van Dikkop, zelf noemt hij zich markgraaf of baron von Schweinhausen of Schweinsmarken, ik geloof echter dat hij opgeteekend staat onder dien van Kraus.”„’t Is genoeg! Laat hen uit, bij gindsche brug, hellebaardier! Waarschuw de naaste wacht; beide mannen moeten ondervraagd worden naar de oorzaak van hunnen twist; de eene kan dan zijn roes uitslapen.”[42]„Scheelt u iets, mijn lieve?” vroeg heer Voorneman zijn jonge vrouw, die bleek en rillend achterover leunde.„Niets, Markus, niets! de schrik!” antwoordde zij met haar handen het gelaat bedekkende, als ware zij bevreesd een treurig schouwspel te zien.De soldaat zag met brandende oogen de dames aan, zijn lippen waren vast op elkander geklemd, zijn handen hield hij gebald.„Zijn we aangekomen? Ik pas niet in dit hooge gezelschap,” fluisterde hij den hellebaardier toe.„Ge hebt gelijk,” antwoordde deze spottend, „uw toilet is niet van dien aard om door groote dames bewonderd te worden.”Juist kwam een wacht langs, die de beide mannen met zich mee nam; de eene, die nog steeds bewusteloos was hetzij door zijn roes, hetzij door zijn val, werd gedragen, de andere volgde met trotsche, brandende oogen om zich heen ziende.De Gouverneur-Generaal gaf intusschen bevel naar het kasteel terug te roeien, daar het tijd ging worden voor het avondgebed.De vroolijkheid was nu toch verdwenen, want de ziel van het gezelschap de jonge, lieve mevrouw Voorneman was zoo stil en in zich zelf gekeerd geworden na het ongeval, dat ieder zich verwonderde over haar gevoeligheid.Digna kwam t’huis en bleef nog altijd even afgetrokken, op alle vriendelijke vragen van haar man gaf zij ontwijkende antwoorden; geen slaap kwam dien nacht haar verkwikken, en den volgenden morgen verrieden zwarte kringen om haar oogen, hoe slapeloosheid haar gekweld had.„Lieve, ik maak mij zoo ongerust over u!” sprak Markus, die zich gereed maakte naar zijn werk te gaan.„Er is geen reden voor, Markus!”antwoorddezij vriendelijk maar nog altijd even neerslachtig, „ik zal zoo dadelijk met de les[43]van Albert beginnen, en hoop u straks weer flink en vroolijk te gemoet te komen.”„Wanneer er iets is dat u hindert, weet ge toch dat ik uw meest vertrouwde vriend ben,” zeide hij min of meer aarzelend.„Ik ben van niets meer overtuigd, beste man,” en zij wierp zich aan zijn borst als een arm gejaagd vogeltje dat een toevlucht zoekt tegen den dreigenden havik.Hij kuste haar teeder, streelde zijn jonkske en stapte in de koets, die voor het bordes wachtte.Nauwelijks was hij alleen, of Digna wierp zich in een der leuningstoelen neer en barstte in tranen los.„Eindelijk, eindelijk!” snikte zij, „kan ik vrij uitweenen. Den geheelen nacht moest ik mij bedwingen om hem niet te wekken mijn armen, goeden man! O God! waarom moest ik hem nu weer ontmoeten. Heb ik mijn rust en vrede dan niet duur genoeg gekocht? Wat is er van hem geworden, sinds we elkaar het laatst zagen? En hij heeft mij ook herkend aan de zijde van een ander! Vader in den Hemel, sta me bij! Laat me niet zwak zijn! Zelfs door geen gedachte wil ik mijn man beleedigen; alles wat ik nu denk of wensch ten opzichte van Robert is zonde, dat mag ik niet vergeten! Kon ik Markus maar alles vertrouwen, maar hij ziet er nu zwakker uit dan ooit, en nu ik weet wat hij voor mij gevoelt, zou het wreed zijn hem iets te zeggen. En wat moet ik hem bekennen? Dat die verloopen soldaat, de vriend mijner jeugd is, en dat ik het nog niet laten kan aan hem te denken, dag en nacht. Heer! Geef mij kracht om zelfs over mijn gedachten te heerschen!”„Moeder, mag ik binnenkomen?”Digna sprong op, wischte zich de tranen van de wangen en zich omkeerend, antwoordde zij:[44]„Haal uw boeken maar, lieve Albert! Wij zullen dadelijk met de lessen een aanvang nemen!”Het knaapje huppelde weg, en zijn moeder deed haar uiterste best om tot zich zelf te komen, voor dat hij terugkeerde.Met een kloeke poging om weer zich zelf te zijn, ging zij aan haar gewone werk, onderwees haar zoontje, regelde het werk der slaven en slavinnen, maakte met eigen handen een lievelingsspijs voor haar man klaar en had de voldoening toen hij t’huis kwam hem met een vroolijk gelaat te kunnen ontvangen.’t Was of Markus Voorneman weer opleefde, toen hij den glimlach, die de zonneschijn van zijn leven was, weer op haar lippen ontdekte; en ook Digna voelde zich sterker nu zij krachtig tegen haar droeve herinneringen gestreden had. Al kon zij de gedachte aan Robert nog niet geheel verdrijven, zij was toch al eenigszins meer naar den achtergrond gedrongen; het gebeurde van den vorigen avond kwelde haar nog bijna alleen als de heugenis aan een boozen droom.

[Inhoud]IV.IN DEN MANESCHIJN.Batavia schitterde in de heerlijke, zachte stralen der maan, die den grond als met kantwerk overdekte, die de schaduw van het gebladerte, en de wateren der rivier en der grachten omtooverde in vloeibaar zilver; alles wat bij dag in de Oostersche stad het oog kwetsen kon, verdween nu in den geheimzinnigen gloed, die zich uitspreidde over huizen en krotten, over den vaak onhebbelijken toestel der kramen, en passers, over de onfrissche uitwasemingen der grachten, over de havelooze mannen, vrouwen en kinderen, van allerlei landaard, die de straten en kaden vulden.Eenige booten en gondels dreven door de grachten, een hunner was grooter dan de andere, fraai van vorm en bevatte vroolijk en zelfs hoog gezelschap, de Opperlandvoogd Johan van Hoorn met zijn vrouw en dochter, benevens zijn nicht de jonge mevrouw[38]Voorneman, haar echtgenoot en nog eenigen der voornaamste ingezetenen hadden daar plaats in genomen. Achter hen voer een schuit gevuld met slaven, die muziek maakten en het vroolijke gelach overstemde, dat in de verte ruimschoots weerklonk.„Zijn Edelheid wordt weer jong!” sprak een heer in een der andere booten, waarin o. a. ook de Directeur-Generaal zit.„En geen wonder!” zeide dit hooge personage op eenigszins verachtelijken toon, „als men zoo omringd wordt door jeugd; alles is jong rondom onzen Opperlandvoogd, zijne tweede gemalin, de gewezen mevrouw van Riebeek, de jonge juffer van Hoorn en zijn nicht, zonder welke geen feest volmaakt is, en die bijna dagelijks op het kasteel komt.”„Voorneman schijnt nu gelukkiger in zijn keuze te wezen dan den eersten keer. Mevrouw Margaretha was even leelijk en lomp als zijne tegenwoordige vrouw schoon en slank is.”„Maar ook haar tong is spits en scherp. Voorneman heeft toe te zien dat zij hem geen nadeel toebrenge!”Op een der grachten zat een groepje heeren en dames, voor de deur eener aanzienlijke woning.„Zulke tochtjes heeft Zijn Edelheid ook niet veel in zijn leven gedaan,” zeide een dame zeer spijtig.„Zij schijnen in den smaak zijner nicht te vallen, die anders voor alles hier op Batavia haar neusje optrekt. Geen wonder dat de liefhebbende oom haar dit genoegen gunt.”„Men zegt dat zij een onverdragelijke nuf is.”„Meer dan dat, zij is een geleerde vrouw. Ik heb van mevrouw Dammers gehoord op welke onbeleefde wijze zij haar eens in Voornelust ontving. Zij verkiest verreweg het gezelschap der mannen boven dat der vrouwen; zij luistert niet naar ons, maar mengt zich het liefst in het gesprek der heeren.”[39]„Dan kan de arme heer Voorneman er nog veel verdriet van beleven, want zulke zusjes zijn niet te vertrouwen.”„Zij wil ons de wet voorschrijven, dat jonge, dwaze kind!”Intusschen vermoedde het voorwerp van zooveel ergernis niets van de vijandige gezindheid, welke zij opwekte. Zij vermaakte zich uitstekend, de frissche avond met de ongeëvenaarde pracht van een tropischen maneschijn, de beurtelings droevige dan vroolijke muziek, de geuren der bloemen, waarmede zij zelf en de andere dames zich getooid hadden en die de minder zoete miasmen der grachten verdreven, brachten haar in een wonderbaar weeke stemming; zij drong zich dicht bij haar echtgenoot aan en drukte zijn hand met een hartelijkheid, welke zijn geheele wezen met een ongekend zalig gevoel doortrilde.„Och Markus,” fluisterde zij,„wat kan het leven toch nog zoet en schoon zijn.”De Gouverneur-Generaal, zijn vrouw en dochter hadden hun nichtje recht lief gekregen; haar fijne vormen en geestige scherts deden hun eerst recht begrijpen hoe zij tot dusver hiervan verstoken waren geweest, en werden daarom door hen des te hooger geschat.Voor mevrouw van Hoorn had Digna haar hart uitgestort, hoe zij in Holland eens had bemind en hoe geheimzinnig haar geliefde haar verlaten had nadat zijn leven onverwachts een treurige wending nam; hoe zij na den dood harer moeder met haar stiefvader dien zij niet lijden mocht, eenzaam achterbleef en dus de hand van den weduwnaar Voorneman, die tot herstel zijner geschokte gezondheid een jaar in Holland doorbracht, aannam, daar zij in hem een vaderlijken vriend vereerde en hoe zij zich nu tevreden en kalm voelde in de vervulling harer plichten; maar wat zij verzweeg en waaraan zij zelf zoo weinig mogelijk trachtte[40]te denken dat was Voorneman’s bekentenis. Nu echter scheen het of het bewustzijn dat hij haar zoo vurig liefhad, haar vleide en niet onaangenaam was. Zou waarlijk de vergetelheid komen?Men was uit de Leeuwinnegracht in de Tijgergracht gekomen en voer nu den binnenwal te gemoet, toen plotseling niet ver van het Stadhuisplein, een groepje menschen het water naderde; er scheen heftig gevloekt en gescholden te worden zonder dat iemand vermoedde hoe dicht de alom gevierde en geëerbiedigde Onderkoning in de nabijheid was; het rumoer werd nog heviger, er werd blijkbaar gevochten, het regende slagen en woeste verwenschingen, daar klonk een doffe slag in het water, een ondragelijke lucht steeg uit het moeras, dat door den zwaren val in beroering kwam.Een tweede slag volgde; en zwemmend trachten nu twee mannen, waarvan de een den ander droeg, den oever te bereiken, maar het water was te laag; het volk dat de vechters uit nieuwsgierigheid gevolgd was, stond werkeloos toe te zien, niemand stak een hand uit.„Moet er niet geholpen worden,” riep Digna doodsbleek en bevend van ontsteltenis uit.„Ik geloof niet, dat er veel aan verloren zou zijn, schoone nicht, maar ge hebt gelijk, wij moeten hen helpen,” sprak de Gouverneur.En hij beval de roeiers met een paar flinke riemslagen den zwemmer te bereiken; deze de beweging der boot ziende, kwam hen reeds te gemoet, hij bezweek schier onder den last, waarmede hij bezwaard was, want in de heldere manestralen scheen deze groot en breed, terwijl de redder een tengere, slanke knaap was; met de eene hand greep hij de riem, welke de roeiers hem toestaken, met de andere trachtte hij nog zoo goed hij kon den drenkeling op te houden.[41]Juist zou hij uitgeput door vermoeienis zijn vracht loslaten toen een der slaven in het water sprong en hem van zijn last onthief.„Het zijn twee dronken soldaten, Excellentie!” zeide een der twee hellebaardiers zonder welke de Opperlandvoogd zich nooit naar buiten begaf, „waar moet men ze laten?”„Men neme ze voorloopig in onze boot, schrijve hun namen op en laat ze bij de eerste aanlegplaats uit,” beval de Oppergebieder.Weldra had men de beide druipnatte mannen vóór ingenomen. De drenkeling, die nog steeds bewusteloos was, lag op den bodem, de andere stond recht op, in ellendigen toestand met drijvende kleederen, en doornatte haren.„Hoe komt die man in het water?”„Ik heb er hem in geworpen, Uw Edelheid!”„En gij reddet hem!”„’t Was mijn bedoeling niet hem als een hond voor mijn oogen te laten verdrinken; hij wilde mij aanvallen en ik heb mij verdedigd. Dat hij zwak op zijn beenen stond is mijn schuld niet en nu niemand hem wilde redden, moest ik ’t wel doen.”„Hoe is uw naam?”„Men noemt mij Walter.”„En verder?”„Niets meer!”„En hoe heet uw kameraad?”„Hij is bekend onder den naam van Dikkop, zelf noemt hij zich markgraaf of baron von Schweinhausen of Schweinsmarken, ik geloof echter dat hij opgeteekend staat onder dien van Kraus.”„’t Is genoeg! Laat hen uit, bij gindsche brug, hellebaardier! Waarschuw de naaste wacht; beide mannen moeten ondervraagd worden naar de oorzaak van hunnen twist; de eene kan dan zijn roes uitslapen.”[42]„Scheelt u iets, mijn lieve?” vroeg heer Voorneman zijn jonge vrouw, die bleek en rillend achterover leunde.„Niets, Markus, niets! de schrik!” antwoordde zij met haar handen het gelaat bedekkende, als ware zij bevreesd een treurig schouwspel te zien.De soldaat zag met brandende oogen de dames aan, zijn lippen waren vast op elkander geklemd, zijn handen hield hij gebald.„Zijn we aangekomen? Ik pas niet in dit hooge gezelschap,” fluisterde hij den hellebaardier toe.„Ge hebt gelijk,” antwoordde deze spottend, „uw toilet is niet van dien aard om door groote dames bewonderd te worden.”Juist kwam een wacht langs, die de beide mannen met zich mee nam; de eene, die nog steeds bewusteloos was hetzij door zijn roes, hetzij door zijn val, werd gedragen, de andere volgde met trotsche, brandende oogen om zich heen ziende.De Gouverneur-Generaal gaf intusschen bevel naar het kasteel terug te roeien, daar het tijd ging worden voor het avondgebed.De vroolijkheid was nu toch verdwenen, want de ziel van het gezelschap de jonge, lieve mevrouw Voorneman was zoo stil en in zich zelf gekeerd geworden na het ongeval, dat ieder zich verwonderde over haar gevoeligheid.Digna kwam t’huis en bleef nog altijd even afgetrokken, op alle vriendelijke vragen van haar man gaf zij ontwijkende antwoorden; geen slaap kwam dien nacht haar verkwikken, en den volgenden morgen verrieden zwarte kringen om haar oogen, hoe slapeloosheid haar gekweld had.„Lieve, ik maak mij zoo ongerust over u!” sprak Markus, die zich gereed maakte naar zijn werk te gaan.„Er is geen reden voor, Markus!”antwoorddezij vriendelijk maar nog altijd even neerslachtig, „ik zal zoo dadelijk met de les[43]van Albert beginnen, en hoop u straks weer flink en vroolijk te gemoet te komen.”„Wanneer er iets is dat u hindert, weet ge toch dat ik uw meest vertrouwde vriend ben,” zeide hij min of meer aarzelend.„Ik ben van niets meer overtuigd, beste man,” en zij wierp zich aan zijn borst als een arm gejaagd vogeltje dat een toevlucht zoekt tegen den dreigenden havik.Hij kuste haar teeder, streelde zijn jonkske en stapte in de koets, die voor het bordes wachtte.Nauwelijks was hij alleen, of Digna wierp zich in een der leuningstoelen neer en barstte in tranen los.„Eindelijk, eindelijk!” snikte zij, „kan ik vrij uitweenen. Den geheelen nacht moest ik mij bedwingen om hem niet te wekken mijn armen, goeden man! O God! waarom moest ik hem nu weer ontmoeten. Heb ik mijn rust en vrede dan niet duur genoeg gekocht? Wat is er van hem geworden, sinds we elkaar het laatst zagen? En hij heeft mij ook herkend aan de zijde van een ander! Vader in den Hemel, sta me bij! Laat me niet zwak zijn! Zelfs door geen gedachte wil ik mijn man beleedigen; alles wat ik nu denk of wensch ten opzichte van Robert is zonde, dat mag ik niet vergeten! Kon ik Markus maar alles vertrouwen, maar hij ziet er nu zwakker uit dan ooit, en nu ik weet wat hij voor mij gevoelt, zou het wreed zijn hem iets te zeggen. En wat moet ik hem bekennen? Dat die verloopen soldaat, de vriend mijner jeugd is, en dat ik het nog niet laten kan aan hem te denken, dag en nacht. Heer! Geef mij kracht om zelfs over mijn gedachten te heerschen!”„Moeder, mag ik binnenkomen?”Digna sprong op, wischte zich de tranen van de wangen en zich omkeerend, antwoordde zij:[44]„Haal uw boeken maar, lieve Albert! Wij zullen dadelijk met de lessen een aanvang nemen!”Het knaapje huppelde weg, en zijn moeder deed haar uiterste best om tot zich zelf te komen, voor dat hij terugkeerde.Met een kloeke poging om weer zich zelf te zijn, ging zij aan haar gewone werk, onderwees haar zoontje, regelde het werk der slaven en slavinnen, maakte met eigen handen een lievelingsspijs voor haar man klaar en had de voldoening toen hij t’huis kwam hem met een vroolijk gelaat te kunnen ontvangen.’t Was of Markus Voorneman weer opleefde, toen hij den glimlach, die de zonneschijn van zijn leven was, weer op haar lippen ontdekte; en ook Digna voelde zich sterker nu zij krachtig tegen haar droeve herinneringen gestreden had. Al kon zij de gedachte aan Robert nog niet geheel verdrijven, zij was toch al eenigszins meer naar den achtergrond gedrongen; het gebeurde van den vorigen avond kwelde haar nog bijna alleen als de heugenis aan een boozen droom.

IV.IN DEN MANESCHIJN.

Batavia schitterde in de heerlijke, zachte stralen der maan, die den grond als met kantwerk overdekte, die de schaduw van het gebladerte, en de wateren der rivier en der grachten omtooverde in vloeibaar zilver; alles wat bij dag in de Oostersche stad het oog kwetsen kon, verdween nu in den geheimzinnigen gloed, die zich uitspreidde over huizen en krotten, over den vaak onhebbelijken toestel der kramen, en passers, over de onfrissche uitwasemingen der grachten, over de havelooze mannen, vrouwen en kinderen, van allerlei landaard, die de straten en kaden vulden.Eenige booten en gondels dreven door de grachten, een hunner was grooter dan de andere, fraai van vorm en bevatte vroolijk en zelfs hoog gezelschap, de Opperlandvoogd Johan van Hoorn met zijn vrouw en dochter, benevens zijn nicht de jonge mevrouw[38]Voorneman, haar echtgenoot en nog eenigen der voornaamste ingezetenen hadden daar plaats in genomen. Achter hen voer een schuit gevuld met slaven, die muziek maakten en het vroolijke gelach overstemde, dat in de verte ruimschoots weerklonk.„Zijn Edelheid wordt weer jong!” sprak een heer in een der andere booten, waarin o. a. ook de Directeur-Generaal zit.„En geen wonder!” zeide dit hooge personage op eenigszins verachtelijken toon, „als men zoo omringd wordt door jeugd; alles is jong rondom onzen Opperlandvoogd, zijne tweede gemalin, de gewezen mevrouw van Riebeek, de jonge juffer van Hoorn en zijn nicht, zonder welke geen feest volmaakt is, en die bijna dagelijks op het kasteel komt.”„Voorneman schijnt nu gelukkiger in zijn keuze te wezen dan den eersten keer. Mevrouw Margaretha was even leelijk en lomp als zijne tegenwoordige vrouw schoon en slank is.”„Maar ook haar tong is spits en scherp. Voorneman heeft toe te zien dat zij hem geen nadeel toebrenge!”Op een der grachten zat een groepje heeren en dames, voor de deur eener aanzienlijke woning.„Zulke tochtjes heeft Zijn Edelheid ook niet veel in zijn leven gedaan,” zeide een dame zeer spijtig.„Zij schijnen in den smaak zijner nicht te vallen, die anders voor alles hier op Batavia haar neusje optrekt. Geen wonder dat de liefhebbende oom haar dit genoegen gunt.”„Men zegt dat zij een onverdragelijke nuf is.”„Meer dan dat, zij is een geleerde vrouw. Ik heb van mevrouw Dammers gehoord op welke onbeleefde wijze zij haar eens in Voornelust ontving. Zij verkiest verreweg het gezelschap der mannen boven dat der vrouwen; zij luistert niet naar ons, maar mengt zich het liefst in het gesprek der heeren.”[39]„Dan kan de arme heer Voorneman er nog veel verdriet van beleven, want zulke zusjes zijn niet te vertrouwen.”„Zij wil ons de wet voorschrijven, dat jonge, dwaze kind!”Intusschen vermoedde het voorwerp van zooveel ergernis niets van de vijandige gezindheid, welke zij opwekte. Zij vermaakte zich uitstekend, de frissche avond met de ongeëvenaarde pracht van een tropischen maneschijn, de beurtelings droevige dan vroolijke muziek, de geuren der bloemen, waarmede zij zelf en de andere dames zich getooid hadden en die de minder zoete miasmen der grachten verdreven, brachten haar in een wonderbaar weeke stemming; zij drong zich dicht bij haar echtgenoot aan en drukte zijn hand met een hartelijkheid, welke zijn geheele wezen met een ongekend zalig gevoel doortrilde.„Och Markus,” fluisterde zij,„wat kan het leven toch nog zoet en schoon zijn.”De Gouverneur-Generaal, zijn vrouw en dochter hadden hun nichtje recht lief gekregen; haar fijne vormen en geestige scherts deden hun eerst recht begrijpen hoe zij tot dusver hiervan verstoken waren geweest, en werden daarom door hen des te hooger geschat.Voor mevrouw van Hoorn had Digna haar hart uitgestort, hoe zij in Holland eens had bemind en hoe geheimzinnig haar geliefde haar verlaten had nadat zijn leven onverwachts een treurige wending nam; hoe zij na den dood harer moeder met haar stiefvader dien zij niet lijden mocht, eenzaam achterbleef en dus de hand van den weduwnaar Voorneman, die tot herstel zijner geschokte gezondheid een jaar in Holland doorbracht, aannam, daar zij in hem een vaderlijken vriend vereerde en hoe zij zich nu tevreden en kalm voelde in de vervulling harer plichten; maar wat zij verzweeg en waaraan zij zelf zoo weinig mogelijk trachtte[40]te denken dat was Voorneman’s bekentenis. Nu echter scheen het of het bewustzijn dat hij haar zoo vurig liefhad, haar vleide en niet onaangenaam was. Zou waarlijk de vergetelheid komen?Men was uit de Leeuwinnegracht in de Tijgergracht gekomen en voer nu den binnenwal te gemoet, toen plotseling niet ver van het Stadhuisplein, een groepje menschen het water naderde; er scheen heftig gevloekt en gescholden te worden zonder dat iemand vermoedde hoe dicht de alom gevierde en geëerbiedigde Onderkoning in de nabijheid was; het rumoer werd nog heviger, er werd blijkbaar gevochten, het regende slagen en woeste verwenschingen, daar klonk een doffe slag in het water, een ondragelijke lucht steeg uit het moeras, dat door den zwaren val in beroering kwam.Een tweede slag volgde; en zwemmend trachten nu twee mannen, waarvan de een den ander droeg, den oever te bereiken, maar het water was te laag; het volk dat de vechters uit nieuwsgierigheid gevolgd was, stond werkeloos toe te zien, niemand stak een hand uit.„Moet er niet geholpen worden,” riep Digna doodsbleek en bevend van ontsteltenis uit.„Ik geloof niet, dat er veel aan verloren zou zijn, schoone nicht, maar ge hebt gelijk, wij moeten hen helpen,” sprak de Gouverneur.En hij beval de roeiers met een paar flinke riemslagen den zwemmer te bereiken; deze de beweging der boot ziende, kwam hen reeds te gemoet, hij bezweek schier onder den last, waarmede hij bezwaard was, want in de heldere manestralen scheen deze groot en breed, terwijl de redder een tengere, slanke knaap was; met de eene hand greep hij de riem, welke de roeiers hem toestaken, met de andere trachtte hij nog zoo goed hij kon den drenkeling op te houden.[41]Juist zou hij uitgeput door vermoeienis zijn vracht loslaten toen een der slaven in het water sprong en hem van zijn last onthief.„Het zijn twee dronken soldaten, Excellentie!” zeide een der twee hellebaardiers zonder welke de Opperlandvoogd zich nooit naar buiten begaf, „waar moet men ze laten?”„Men neme ze voorloopig in onze boot, schrijve hun namen op en laat ze bij de eerste aanlegplaats uit,” beval de Oppergebieder.Weldra had men de beide druipnatte mannen vóór ingenomen. De drenkeling, die nog steeds bewusteloos was, lag op den bodem, de andere stond recht op, in ellendigen toestand met drijvende kleederen, en doornatte haren.„Hoe komt die man in het water?”„Ik heb er hem in geworpen, Uw Edelheid!”„En gij reddet hem!”„’t Was mijn bedoeling niet hem als een hond voor mijn oogen te laten verdrinken; hij wilde mij aanvallen en ik heb mij verdedigd. Dat hij zwak op zijn beenen stond is mijn schuld niet en nu niemand hem wilde redden, moest ik ’t wel doen.”„Hoe is uw naam?”„Men noemt mij Walter.”„En verder?”„Niets meer!”„En hoe heet uw kameraad?”„Hij is bekend onder den naam van Dikkop, zelf noemt hij zich markgraaf of baron von Schweinhausen of Schweinsmarken, ik geloof echter dat hij opgeteekend staat onder dien van Kraus.”„’t Is genoeg! Laat hen uit, bij gindsche brug, hellebaardier! Waarschuw de naaste wacht; beide mannen moeten ondervraagd worden naar de oorzaak van hunnen twist; de eene kan dan zijn roes uitslapen.”[42]„Scheelt u iets, mijn lieve?” vroeg heer Voorneman zijn jonge vrouw, die bleek en rillend achterover leunde.„Niets, Markus, niets! de schrik!” antwoordde zij met haar handen het gelaat bedekkende, als ware zij bevreesd een treurig schouwspel te zien.De soldaat zag met brandende oogen de dames aan, zijn lippen waren vast op elkander geklemd, zijn handen hield hij gebald.„Zijn we aangekomen? Ik pas niet in dit hooge gezelschap,” fluisterde hij den hellebaardier toe.„Ge hebt gelijk,” antwoordde deze spottend, „uw toilet is niet van dien aard om door groote dames bewonderd te worden.”Juist kwam een wacht langs, die de beide mannen met zich mee nam; de eene, die nog steeds bewusteloos was hetzij door zijn roes, hetzij door zijn val, werd gedragen, de andere volgde met trotsche, brandende oogen om zich heen ziende.De Gouverneur-Generaal gaf intusschen bevel naar het kasteel terug te roeien, daar het tijd ging worden voor het avondgebed.De vroolijkheid was nu toch verdwenen, want de ziel van het gezelschap de jonge, lieve mevrouw Voorneman was zoo stil en in zich zelf gekeerd geworden na het ongeval, dat ieder zich verwonderde over haar gevoeligheid.Digna kwam t’huis en bleef nog altijd even afgetrokken, op alle vriendelijke vragen van haar man gaf zij ontwijkende antwoorden; geen slaap kwam dien nacht haar verkwikken, en den volgenden morgen verrieden zwarte kringen om haar oogen, hoe slapeloosheid haar gekweld had.„Lieve, ik maak mij zoo ongerust over u!” sprak Markus, die zich gereed maakte naar zijn werk te gaan.„Er is geen reden voor, Markus!”antwoorddezij vriendelijk maar nog altijd even neerslachtig, „ik zal zoo dadelijk met de les[43]van Albert beginnen, en hoop u straks weer flink en vroolijk te gemoet te komen.”„Wanneer er iets is dat u hindert, weet ge toch dat ik uw meest vertrouwde vriend ben,” zeide hij min of meer aarzelend.„Ik ben van niets meer overtuigd, beste man,” en zij wierp zich aan zijn borst als een arm gejaagd vogeltje dat een toevlucht zoekt tegen den dreigenden havik.Hij kuste haar teeder, streelde zijn jonkske en stapte in de koets, die voor het bordes wachtte.Nauwelijks was hij alleen, of Digna wierp zich in een der leuningstoelen neer en barstte in tranen los.„Eindelijk, eindelijk!” snikte zij, „kan ik vrij uitweenen. Den geheelen nacht moest ik mij bedwingen om hem niet te wekken mijn armen, goeden man! O God! waarom moest ik hem nu weer ontmoeten. Heb ik mijn rust en vrede dan niet duur genoeg gekocht? Wat is er van hem geworden, sinds we elkaar het laatst zagen? En hij heeft mij ook herkend aan de zijde van een ander! Vader in den Hemel, sta me bij! Laat me niet zwak zijn! Zelfs door geen gedachte wil ik mijn man beleedigen; alles wat ik nu denk of wensch ten opzichte van Robert is zonde, dat mag ik niet vergeten! Kon ik Markus maar alles vertrouwen, maar hij ziet er nu zwakker uit dan ooit, en nu ik weet wat hij voor mij gevoelt, zou het wreed zijn hem iets te zeggen. En wat moet ik hem bekennen? Dat die verloopen soldaat, de vriend mijner jeugd is, en dat ik het nog niet laten kan aan hem te denken, dag en nacht. Heer! Geef mij kracht om zelfs over mijn gedachten te heerschen!”„Moeder, mag ik binnenkomen?”Digna sprong op, wischte zich de tranen van de wangen en zich omkeerend, antwoordde zij:[44]„Haal uw boeken maar, lieve Albert! Wij zullen dadelijk met de lessen een aanvang nemen!”Het knaapje huppelde weg, en zijn moeder deed haar uiterste best om tot zich zelf te komen, voor dat hij terugkeerde.Met een kloeke poging om weer zich zelf te zijn, ging zij aan haar gewone werk, onderwees haar zoontje, regelde het werk der slaven en slavinnen, maakte met eigen handen een lievelingsspijs voor haar man klaar en had de voldoening toen hij t’huis kwam hem met een vroolijk gelaat te kunnen ontvangen.’t Was of Markus Voorneman weer opleefde, toen hij den glimlach, die de zonneschijn van zijn leven was, weer op haar lippen ontdekte; en ook Digna voelde zich sterker nu zij krachtig tegen haar droeve herinneringen gestreden had. Al kon zij de gedachte aan Robert nog niet geheel verdrijven, zij was toch al eenigszins meer naar den achtergrond gedrongen; het gebeurde van den vorigen avond kwelde haar nog bijna alleen als de heugenis aan een boozen droom.

Batavia schitterde in de heerlijke, zachte stralen der maan, die den grond als met kantwerk overdekte, die de schaduw van het gebladerte, en de wateren der rivier en der grachten omtooverde in vloeibaar zilver; alles wat bij dag in de Oostersche stad het oog kwetsen kon, verdween nu in den geheimzinnigen gloed, die zich uitspreidde over huizen en krotten, over den vaak onhebbelijken toestel der kramen, en passers, over de onfrissche uitwasemingen der grachten, over de havelooze mannen, vrouwen en kinderen, van allerlei landaard, die de straten en kaden vulden.

Eenige booten en gondels dreven door de grachten, een hunner was grooter dan de andere, fraai van vorm en bevatte vroolijk en zelfs hoog gezelschap, de Opperlandvoogd Johan van Hoorn met zijn vrouw en dochter, benevens zijn nicht de jonge mevrouw[38]Voorneman, haar echtgenoot en nog eenigen der voornaamste ingezetenen hadden daar plaats in genomen. Achter hen voer een schuit gevuld met slaven, die muziek maakten en het vroolijke gelach overstemde, dat in de verte ruimschoots weerklonk.

„Zijn Edelheid wordt weer jong!” sprak een heer in een der andere booten, waarin o. a. ook de Directeur-Generaal zit.

„En geen wonder!” zeide dit hooge personage op eenigszins verachtelijken toon, „als men zoo omringd wordt door jeugd; alles is jong rondom onzen Opperlandvoogd, zijne tweede gemalin, de gewezen mevrouw van Riebeek, de jonge juffer van Hoorn en zijn nicht, zonder welke geen feest volmaakt is, en die bijna dagelijks op het kasteel komt.”

„Voorneman schijnt nu gelukkiger in zijn keuze te wezen dan den eersten keer. Mevrouw Margaretha was even leelijk en lomp als zijne tegenwoordige vrouw schoon en slank is.”

„Maar ook haar tong is spits en scherp. Voorneman heeft toe te zien dat zij hem geen nadeel toebrenge!”

Op een der grachten zat een groepje heeren en dames, voor de deur eener aanzienlijke woning.

„Zulke tochtjes heeft Zijn Edelheid ook niet veel in zijn leven gedaan,” zeide een dame zeer spijtig.

„Zij schijnen in den smaak zijner nicht te vallen, die anders voor alles hier op Batavia haar neusje optrekt. Geen wonder dat de liefhebbende oom haar dit genoegen gunt.”

„Men zegt dat zij een onverdragelijke nuf is.”

„Meer dan dat, zij is een geleerde vrouw. Ik heb van mevrouw Dammers gehoord op welke onbeleefde wijze zij haar eens in Voornelust ontving. Zij verkiest verreweg het gezelschap der mannen boven dat der vrouwen; zij luistert niet naar ons, maar mengt zich het liefst in het gesprek der heeren.”[39]

„Dan kan de arme heer Voorneman er nog veel verdriet van beleven, want zulke zusjes zijn niet te vertrouwen.”

„Zij wil ons de wet voorschrijven, dat jonge, dwaze kind!”

Intusschen vermoedde het voorwerp van zooveel ergernis niets van de vijandige gezindheid, welke zij opwekte. Zij vermaakte zich uitstekend, de frissche avond met de ongeëvenaarde pracht van een tropischen maneschijn, de beurtelings droevige dan vroolijke muziek, de geuren der bloemen, waarmede zij zelf en de andere dames zich getooid hadden en die de minder zoete miasmen der grachten verdreven, brachten haar in een wonderbaar weeke stemming; zij drong zich dicht bij haar echtgenoot aan en drukte zijn hand met een hartelijkheid, welke zijn geheele wezen met een ongekend zalig gevoel doortrilde.

„Och Markus,” fluisterde zij,„wat kan het leven toch nog zoet en schoon zijn.”

De Gouverneur-Generaal, zijn vrouw en dochter hadden hun nichtje recht lief gekregen; haar fijne vormen en geestige scherts deden hun eerst recht begrijpen hoe zij tot dusver hiervan verstoken waren geweest, en werden daarom door hen des te hooger geschat.

Voor mevrouw van Hoorn had Digna haar hart uitgestort, hoe zij in Holland eens had bemind en hoe geheimzinnig haar geliefde haar verlaten had nadat zijn leven onverwachts een treurige wending nam; hoe zij na den dood harer moeder met haar stiefvader dien zij niet lijden mocht, eenzaam achterbleef en dus de hand van den weduwnaar Voorneman, die tot herstel zijner geschokte gezondheid een jaar in Holland doorbracht, aannam, daar zij in hem een vaderlijken vriend vereerde en hoe zij zich nu tevreden en kalm voelde in de vervulling harer plichten; maar wat zij verzweeg en waaraan zij zelf zoo weinig mogelijk trachtte[40]te denken dat was Voorneman’s bekentenis. Nu echter scheen het of het bewustzijn dat hij haar zoo vurig liefhad, haar vleide en niet onaangenaam was. Zou waarlijk de vergetelheid komen?

Men was uit de Leeuwinnegracht in de Tijgergracht gekomen en voer nu den binnenwal te gemoet, toen plotseling niet ver van het Stadhuisplein, een groepje menschen het water naderde; er scheen heftig gevloekt en gescholden te worden zonder dat iemand vermoedde hoe dicht de alom gevierde en geëerbiedigde Onderkoning in de nabijheid was; het rumoer werd nog heviger, er werd blijkbaar gevochten, het regende slagen en woeste verwenschingen, daar klonk een doffe slag in het water, een ondragelijke lucht steeg uit het moeras, dat door den zwaren val in beroering kwam.

Een tweede slag volgde; en zwemmend trachten nu twee mannen, waarvan de een den ander droeg, den oever te bereiken, maar het water was te laag; het volk dat de vechters uit nieuwsgierigheid gevolgd was, stond werkeloos toe te zien, niemand stak een hand uit.

„Moet er niet geholpen worden,” riep Digna doodsbleek en bevend van ontsteltenis uit.

„Ik geloof niet, dat er veel aan verloren zou zijn, schoone nicht, maar ge hebt gelijk, wij moeten hen helpen,” sprak de Gouverneur.

En hij beval de roeiers met een paar flinke riemslagen den zwemmer te bereiken; deze de beweging der boot ziende, kwam hen reeds te gemoet, hij bezweek schier onder den last, waarmede hij bezwaard was, want in de heldere manestralen scheen deze groot en breed, terwijl de redder een tengere, slanke knaap was; met de eene hand greep hij de riem, welke de roeiers hem toestaken, met de andere trachtte hij nog zoo goed hij kon den drenkeling op te houden.[41]

Juist zou hij uitgeput door vermoeienis zijn vracht loslaten toen een der slaven in het water sprong en hem van zijn last onthief.

„Het zijn twee dronken soldaten, Excellentie!” zeide een der twee hellebaardiers zonder welke de Opperlandvoogd zich nooit naar buiten begaf, „waar moet men ze laten?”

„Men neme ze voorloopig in onze boot, schrijve hun namen op en laat ze bij de eerste aanlegplaats uit,” beval de Oppergebieder.

Weldra had men de beide druipnatte mannen vóór ingenomen. De drenkeling, die nog steeds bewusteloos was, lag op den bodem, de andere stond recht op, in ellendigen toestand met drijvende kleederen, en doornatte haren.

„Hoe komt die man in het water?”

„Ik heb er hem in geworpen, Uw Edelheid!”

„En gij reddet hem!”

„’t Was mijn bedoeling niet hem als een hond voor mijn oogen te laten verdrinken; hij wilde mij aanvallen en ik heb mij verdedigd. Dat hij zwak op zijn beenen stond is mijn schuld niet en nu niemand hem wilde redden, moest ik ’t wel doen.”

„Hoe is uw naam?”

„Men noemt mij Walter.”

„En verder?”

„Niets meer!”

„En hoe heet uw kameraad?”

„Hij is bekend onder den naam van Dikkop, zelf noemt hij zich markgraaf of baron von Schweinhausen of Schweinsmarken, ik geloof echter dat hij opgeteekend staat onder dien van Kraus.”

„’t Is genoeg! Laat hen uit, bij gindsche brug, hellebaardier! Waarschuw de naaste wacht; beide mannen moeten ondervraagd worden naar de oorzaak van hunnen twist; de eene kan dan zijn roes uitslapen.”[42]

„Scheelt u iets, mijn lieve?” vroeg heer Voorneman zijn jonge vrouw, die bleek en rillend achterover leunde.

„Niets, Markus, niets! de schrik!” antwoordde zij met haar handen het gelaat bedekkende, als ware zij bevreesd een treurig schouwspel te zien.

De soldaat zag met brandende oogen de dames aan, zijn lippen waren vast op elkander geklemd, zijn handen hield hij gebald.

„Zijn we aangekomen? Ik pas niet in dit hooge gezelschap,” fluisterde hij den hellebaardier toe.

„Ge hebt gelijk,” antwoordde deze spottend, „uw toilet is niet van dien aard om door groote dames bewonderd te worden.”

Juist kwam een wacht langs, die de beide mannen met zich mee nam; de eene, die nog steeds bewusteloos was hetzij door zijn roes, hetzij door zijn val, werd gedragen, de andere volgde met trotsche, brandende oogen om zich heen ziende.

De Gouverneur-Generaal gaf intusschen bevel naar het kasteel terug te roeien, daar het tijd ging worden voor het avondgebed.

De vroolijkheid was nu toch verdwenen, want de ziel van het gezelschap de jonge, lieve mevrouw Voorneman was zoo stil en in zich zelf gekeerd geworden na het ongeval, dat ieder zich verwonderde over haar gevoeligheid.

Digna kwam t’huis en bleef nog altijd even afgetrokken, op alle vriendelijke vragen van haar man gaf zij ontwijkende antwoorden; geen slaap kwam dien nacht haar verkwikken, en den volgenden morgen verrieden zwarte kringen om haar oogen, hoe slapeloosheid haar gekweld had.

„Lieve, ik maak mij zoo ongerust over u!” sprak Markus, die zich gereed maakte naar zijn werk te gaan.

„Er is geen reden voor, Markus!”antwoorddezij vriendelijk maar nog altijd even neerslachtig, „ik zal zoo dadelijk met de les[43]van Albert beginnen, en hoop u straks weer flink en vroolijk te gemoet te komen.”

„Wanneer er iets is dat u hindert, weet ge toch dat ik uw meest vertrouwde vriend ben,” zeide hij min of meer aarzelend.

„Ik ben van niets meer overtuigd, beste man,” en zij wierp zich aan zijn borst als een arm gejaagd vogeltje dat een toevlucht zoekt tegen den dreigenden havik.

Hij kuste haar teeder, streelde zijn jonkske en stapte in de koets, die voor het bordes wachtte.

Nauwelijks was hij alleen, of Digna wierp zich in een der leuningstoelen neer en barstte in tranen los.

„Eindelijk, eindelijk!” snikte zij, „kan ik vrij uitweenen. Den geheelen nacht moest ik mij bedwingen om hem niet te wekken mijn armen, goeden man! O God! waarom moest ik hem nu weer ontmoeten. Heb ik mijn rust en vrede dan niet duur genoeg gekocht? Wat is er van hem geworden, sinds we elkaar het laatst zagen? En hij heeft mij ook herkend aan de zijde van een ander! Vader in den Hemel, sta me bij! Laat me niet zwak zijn! Zelfs door geen gedachte wil ik mijn man beleedigen; alles wat ik nu denk of wensch ten opzichte van Robert is zonde, dat mag ik niet vergeten! Kon ik Markus maar alles vertrouwen, maar hij ziet er nu zwakker uit dan ooit, en nu ik weet wat hij voor mij gevoelt, zou het wreed zijn hem iets te zeggen. En wat moet ik hem bekennen? Dat die verloopen soldaat, de vriend mijner jeugd is, en dat ik het nog niet laten kan aan hem te denken, dag en nacht. Heer! Geef mij kracht om zelfs over mijn gedachten te heerschen!”

„Moeder, mag ik binnenkomen?”

Digna sprong op, wischte zich de tranen van de wangen en zich omkeerend, antwoordde zij:[44]

„Haal uw boeken maar, lieve Albert! Wij zullen dadelijk met de lessen een aanvang nemen!”

Het knaapje huppelde weg, en zijn moeder deed haar uiterste best om tot zich zelf te komen, voor dat hij terugkeerde.

Met een kloeke poging om weer zich zelf te zijn, ging zij aan haar gewone werk, onderwees haar zoontje, regelde het werk der slaven en slavinnen, maakte met eigen handen een lievelingsspijs voor haar man klaar en had de voldoening toen hij t’huis kwam hem met een vroolijk gelaat te kunnen ontvangen.

’t Was of Markus Voorneman weer opleefde, toen hij den glimlach, die de zonneschijn van zijn leven was, weer op haar lippen ontdekte; en ook Digna voelde zich sterker nu zij krachtig tegen haar droeve herinneringen gestreden had. Al kon zij de gedachte aan Robert nog niet geheel verdrijven, zij was toch al eenigszins meer naar den achtergrond gedrongen; het gebeurde van den vorigen avond kwelde haar nog bijna alleen als de heugenis aan een boozen droom.


Back to IndexNext