IV.

[Inhoud]IV.EEN MOEILIJKE ZENDING.Na zijn vertrek uit Batavia scheen Robert een ander mensch geworden; het was hem ernst met de verbetering van zijn leven. Vooral nadat hij vernam hoe eenvoudig en edel Digna gehandeld had, om hem de vrijheid terug te bezorgen, was ’t zijn levensdoel geworden haar achting het koste wat het koste te herwinnen. Hij deed eenvoudig zijn plicht, zooals zij hem geraden had, en zoo goed dat de aandacht zijner overheden op hem viel. Belangrijke krijgsbedrijven hadden er niet plaats bij dezen veldtocht. Zonder slag of stoot trok het leger van Herman de WildeKarta-Soerabinnen; eenige schoten hadden de 40000 mannen van Soenan Mas op de vlucht gejaagd. Hun bevelhebber had hen reeds verlaten om zich aan de Hollanders te onderwerpen; eenige dagen slechts duurde de tocht; na de teekening van het tractaat keerde de Wilde terug naar Samarang na eerst een vrij aanzienlijke bezetting dicht bij Pakoe Boewana’s kraton te hebben achtergelaten.Eenige dagen na zijn terugkomst in de loge van Samarang zat de Wilde in ernstig gesprek met den onlangs aangestelden Expres-commissaris en algemeen Opperhoofd van Java’s Oostkust, Michel Ram.„Wij hebben een groot werk volvoerd,” sprak de heer Ram, „zonder bloedvergieten, alleen door de macht van den Hollandschen naam.”De Wilde haalde de schouders op.„Het werk is nog niet half gedaan. Wat baat het ons of de ledepop, die wij daar in Mataram hebben neergezet Pakoe Boewana[116]ofHamangkoe-Ratheet, als een voortdurend gevaar ons blijft dreigen in het Oosten? Zoolang de slavenhoofdman niet verdelgd is, blijft onze toestand dezelfde.”„Maar dat tractaat, dat door uw zorg geteekend is en zulke belangrijke voordeelen aan ons verzekert.”„Ja, het tractaat is geteekend, maar wie staat er voor in dat de artikelen zullen worden nageleefd? Angst zal Pakoe Boewana dwingen het niet te schenden, doch wat vermogen de beste voornemens tegen de ijzeren noodzakelijkheid? Wanneer Soenan Mas uit Kediri komt aanrukken, vergezeld door een geducht leger Balineezen, wat zal dan onze bezetting inKarta-Soerabaten? Hoeveel wij rekenen mogen op de trouw en de dapperheid der Javanen dat hebben de jongste gebeurtenissen ons geleerd.”„Maar het volk heeft toch Pakoe Boewana’s zijde gekozen, zij allen hebben Adipati Anoem verlaten.”„Zeg liever dat hij hun verlaten heeft; wanneer eenige Mahomedaansche papen komen om de hartstochten van het volk op te zweepen ten gunste van den gevluchten prins en als hij zelf verschijnt, gesteund door de troepen van den slaaf, wat zal dan tegen hun pieken en krissen het papier van het tractaat uitrichten?”„Uw bedoeling is dus de uitlevering van den Adipati met de wapenen in de hand te vragen?”„Mijn wensch is dat voorzeker, doch tot zoover reikt mijn lastbrief niet; ik zal lang genoeg hebben geleefd wanneer ik dat rooversnest uitgeroeid heb; voor en aleer zullen vrede en rust niet op Java teruggekeerd zijn. Wat zal het ons baten of wij van den Soesoehoenan de naleving eischen der contracten wanneer hij met den besten wil der wereld buiten staat is zijn verplichtingen te vervullen? Hij, die met ondergebrachte natiën vrede wil houden,[117]moet hen geen zwaarder lasten opleggen dan zij redelijkerwijze kunnen dragen want dan alleen is de vrede bestendig. En zoolang Soerapati, in ’s Keizers eigen rijk een onafhankelijke macht uitoefent en Anoem tot werktuig gebruikt om den andere vandaag of morgen uit zijn overgebleven staten te verdrijven, zoolang kan Pakoe Boewana het tractaat niet naleven.”„Zoodat een oorlog tegen Wiro Negoro onvermijdelijk is?”„Heeft de ellendeling niet lang genoeg onze macht getart, wordt het geen tijd den weggeloopen slaaf, den moordenaar van Kapitein Tak loon naar werk te geven? Wat zal de Javaan denken van de macht en de wijsheid der Edele Compagnie, als deze niet eens sterk genoeg blijkt te zijn om een deserteur, een verrader, een misdadiger in handen te krijgen en hem zijn verdiende straf te doen ondergaan?”„Inderdaad, er is veel, zoo niet alles voor ons aan gelegen om den avonturier onschadelijk te maken, doch de taak is zwaar, de geheele streek beoosten Kediri bevindt zich in zijn macht. Hij moet er volstrekte heerschappij over voeren; het volk bewijst hem koninklijke eer, zijn leger moet zeer geoefend zijn, men zegt door Europeanen, hoe zal de Compagnie in deze schier ontoegankelijke streken hem kunnen aanvallen?”„Wij zullen niet alleen staan; ook de Inlandsche vorsten zijn de drukkende heerschappij van den slaaf moe geworden. De regenten van Soerabaya en Madura blaken van verlangen hem te tuchtigen.”„Is Uw Edelheid daar wel zoo zeker van?”„Hebben zij dan geen gezanten naar Batavia gezonden om onze hulp in te roepen.”„Zou daar achter geen verraad schuilen? Heeft de overleden Soesoehoenan niet menigmaal hetzelfde gedaan, zich bitter beklagend[118]dat Soerapati zijn regenten verdreef, en hun landen aan zich zelf onderwierp, lachend en spottend over de vertoogen des keizers. En nu verraadt zijn zoon maar al te duidelijk dat hij bevriend is met den Balinees en dat deze vriendschap niet gewacht heeft op den tijd van tegenspoed om plotseling te ontkiemen.”„Wie verzekert ons echter dat de vader de gedragslijn van den zoon goedkeurde? Adipati Anoem was lijnrecht gekant tegen den Rijksbestuurder, dat weten wij genoeg, hij aasde op de kroon nog tijdens het leven vanHamangkoe-Rat. De verzoeken om hulp en bijstand konden zeer goed oprecht gemeend zijn, maar nimmer wilde de Compagnie er een gunstig oor aan leenen, niet alleen omdat zij zich niet krachtig genoeg voelde tot zulk een ingewikkelden oorlog maar ook omdat zij na Tak’s dood op zulk een gespannen voet met den Soesoehoenan verkeerde.”„En hem niet vertrouwde! Hoe meer ik den Inlander leerde kennen hoe meer ik de waarheid inzie van de woorden indertijd door den zeer strengen maar ook zeer ervaren Commandant JohanAlbert Sloot uitgesproken, toen er gezanten uit Mataram hier heen werden gezonden om hulp tegen Soerapati in te roepen: „De ondervinding heeft mij geleerd dat op hun discoursen weinig staat te maken valt, daar het eene algemeene Javaansche maxime is, dat zij in een samenkomst met ons of in ons bijzijn, steeds hun discoursen naar onzen smaak en zin zoeken in te richten.”„Ook dit heb ik meermalen ondervonden, doch kwam eveneens tot de slotsom, dat de Javaansche hoofden wanneer het hun voordeel geldt onze hulp zeer goed kunnen gebruiken. Wanneer zij inzien dat zulk een buurman als de Balinees, hun alles behalve aangenaam kan worden, zullen zij zich zeer gaarne van onze hulp bedienen, zelfs wanneer zij weten dat deze hen niet voor niet wordt verleend. En Soerapati moet zeer lastig zijn en zeer gevaarlijk[119]juist omdat men hem verstand en zekere mate van ontwikkeling niet kan ontzeggen.”„Dat Pakoe Boewana hem liefst honderd voeten onder de aarde wenscht, zal ik niet betwijfelen maar of zijn buurlieden de Adipati van Soerabaya en de Panombahan van Madura hem eveneens moede zijn, daarvoor sta ik niet in. Wees verzekerd dat zij hem vleien, nu vooral nu hij den ex-keizer in zijn macht heeft, dit belet echter niet dat zij tenzelfden tijd ook ons tot vriend trachten te houden en Pakoe Boewana ten minste uiterlijk hulde bewijzen.”„We moeten die uiterlijke bewijzen van trouw voor lief nemen, totdat wij overtuigd raken van het tegendeel en ons bepalen hen nauwlettend te bewaken. Wij nemen hun diensten aan maar schenken hen geen vertrouwen in ruil. Dit zal onze stelregel wezen.”„De grootste moeilijkheid echter is ongetwijfeld onze geheele onbekendheid met de landstreken, waarin Soerapati huishoudt. Nog nooit, zoolang hij het bewind voert, heeft een Hollander—overloopers niet te na gesproken—daar den voet gezet; wat wij van zijn regeering en de inrichting van zijn rijk weten, dat hoorden we slechts uit weinig betrouwbare inlandsche berichten. En ’t is toch noodzakelijk vóórdat wij onze hand in dat wespennest steken, iets meer te weten van den man, dien wij gaan bestrijden. Zou er geen mogelijkheid toe bestaan zich daar van te vergewissen?”„Uw raad is niet verwerpelijk maar het hoe biedt ernstige, bijna onoverkomelijke bezwaren aan. Wij kunnen er spionnen heenzenden, maar deze moeten toch ook Europeanen zijn, daar wij de inlanders weinig vertrouwen kunnen en er op hun waarnemingen geen staat te maken is.”[120]„Een Europeaan hebben wij in de eerste plaats noodig, die alles met zijn eigenaardigen blik beschouwt en weet, wat hij op moet merken en welke toestanden zijn meeste aandacht verdienen; maar hoe zullen wij dezen in Soerapati’s onmiddellijke omgeving laten doordringen? Kleur en spraak zullen hem verraden.”„Maar reeds menige Europeaan is naar hem overgeloopen; ik hoorde zelfs dat reeds menige blanke deserteur hem zijn diensten aangeboden heeft. Zou men thans ook niet één of meer vertrouwde mannen onder datzelfde masker naar hem kunnen zenden?”„Vergeet niet dat de slimme vogel thans meer dan ooit op zijn hoede zal wezen en wee dengene, die hem wil verschalken. Hetis noodzakelijkin de eerste plaats, dat noch hij noch zijn dienaar vermoeden, dat onze verspieder in zijn rijk is. Degene, dien wij daartoe afzenden, moet listig, dapper, welonderwezen zijn en door zijn uiterlijk de achterdocht der inboorlingen niet opwekken.”„Waar zou men zulk een zeldzaam wezen kunnen vinden?”„Daar valt mij iets in! Mijn aandacht werd gevestigd op een jong, knap soldaat—ik geloof dat hij onlangs bevorderd is—tot korporaal. Hij heeft een kaart gemaakt van het oorlogsterrein, die ik zeer goed bruikbaar vond; gelegenheid om zijn moed te toonen heeft hij niet gehad maar de goede kapitein Wels, die helaas! viel als offer van het moordend klimaat, meldde mij nog dat in de weinige schermutselingen, die hij had meegemaakt, zijn dapperheid hem veel te veel deed wagen; doch wat hem vooral aanbevelingswaardig doet zijn voor dergelijke zending, dat is zijn donker voorkomen.”„Is hij Hollander?”„Ik zou ’t wel denken, hoewel zijn kleur van gelaat en haar meer aan een Italiaan of Spanjaard herinneren. De arme knaap[121]moet in de laatste dagen, welke hij te Batavia doorbracht, nog een onaangename zaak hebben gehad. Men heeft hem beschuldigd van een diefstal, waar slechts een liefdeshistorietje in ’t spel was. Zijn Edelheid de Opperlandvoogd beval mij hem door een enkel woordje aan.”„Het beste zou wezen, wanneer Uw Edelheid hem eens over het onderhavige geval zelf sprak.”„Gij hebt gelijk en ik wil het dadelijk doen.”Hij tikte op de tafel en gaf bevel aan den binnentredenden ordonnans den korporaal Walter te doen roepen.Weinige oogenblikken later kwam de korporaal binnen en groette de beide groote heeren eerbiedig.„Wij hebben u doen ontbieden korporaal,” begon de Opperbevelhebber de Wilde, „daar wij ons willen vergewissen of gij de noodige vereischten bezit om eenmoeilijke, gevaarvolle zending te volvoeren.”Robert bracht even de hand aan het hoofd, hij antwoordde niet maar zijn groote donkere oogen vonkelden van blijde verwachting.„Hebt gij moed?”„Ik hoop ’t u te toonen, Heer Opperbevelhebber, als de gelegenheid er zich toe aanbiedt.”„Maar er is meer noodig dan de moed, die u aan het hoofd van een leger doet vechten onder de bevelen uwer meerderen?”„Ook dat meerdere hoop ik te bezitten.”„Ge zult list en beleid dienen te gebruiken.”„Daarin heb ik nog weinig proeven afgelegd, maar ik hoop dat de gelegenheid als een goede meesteres ze mij zal leeren.”„Gij spreekt goed, uw uitspraak is beschaafd, ik heb gehoord dat het u niet aan kundigheden ontbreekt, dat gij u gemakkelijk[122]in het Fransch, Hoogduitsch en Engelsch kunt uitdrukken. Waar hebt gij uw opvoeding ontvangen?”„In Amsterdam.”„Dus behoort gij zeker tot een goede familie.”„Ik heb geen familie,” antwoordde hij dof.„Is Walter uw eenige naam?”„Mijn eenige.”„Ik wil niet meer vragen, gij schijnt reden te hebben om uw voorgaand leven met een diepen sluier te bedekken. Ik eerbiedig uw geheim; maar nog een vraag: Kent gij Maleisch en Javaansch?”„Niet meer dan om mij tegenover de inboorlingen te kunnen uitdrukken voor de gewone behoeften van het dagelijksch leven in het leger. Ik heb echter, ’t zij met bescheidenheid gezegd, een groot gemak voor het aanleeren van vreemde talen.”„’t Is goed, ik zal een Javaanschen Mantri aanwijzen, die u grondig zijn taal leert; gij weet reeds iets van de taal. Hoeveel tijd denkt gij noodig te hebben om ze te leeren verstaan en spreken?”Robert dacht even na.„Drie maanden.”„Welnu, reeds heden zullen uw lessen beginnen; en bereid u dan voor op een hoogst gewichtige zending. Wanneer gij in mijn geest die uitvoert, dan wacht u van de Hooge Regeering een schitterende belooning, waarschijnlijk den officiersrang.”Opnieuw schoten Robert’s oogen stralen vuur; maar hij sloeg ze neer, zijn lippen trilden en in zijn hart fluisterde hij:„O Digna, hoe tevreden zult gij dan zijn!”„Maar ik kan u niet ontveinzen dat er groote, zeer groote gevaren aan verbonden zijn, en dat ge groote kans loopt uw leven onderwijl te verliezen.”Minachtend trok de jonge man zijn wenkbrauwen op.[123]„Aan mijn leven hecht ik volstrekt niet. ’t Is niets waard, ik zal gelukkig zijn, wanneer ik het geven mag in dienst van het vaderland.”„Ge wilt u dus met die taak belasten, al weet gij nog niet, waaruit zij bestaat?”„Ja, Heer Opperbevelhebber! Ik zal gelukkig zijn die te mogen uitvoeren, en ik hoop het in mij gestelde vertrouwen niet te beschamen.”Juist trad een jonge onderkoopman, die den gezaghebber Ram moest spreken, binnen; toen hij Robert zag, die juist het vertrek wilde verlaten, bleef hij onthutst staan.„Van Reijn,” zeide hij halfluid, als onwillekeurig.De andere zag om, als had hij op een doorn getrapt, zijn blos bewees hoe hij schrikte, maar hij wendde dadelijk het hoofd af, groette zijn meester en vertrok.„Kent gij dien man?” vroeg de Heer Ram aan den koopman.„Ja, Edele Heer, uit Amsterdam. Zijn vader en de mijne waren vrienden, ten minste.…”„En wie was zijn vader?”„De oud Expres-commissaris in Indië, Jozef van Reijn.”„Wat zegt ge, van Reijn, maar die had geen kinderen.”„Dat heeft men later ook bemerkt; de oude heer had hem met zich uit Indië meegebracht en hem steeds behandeld als zijn eigen zoon. Hij voerde geheel en al het leven van een rijken, patricischen jonker, totdat zijn vader plotseling stierf en toen bleek het dat Heer van Reijn in het geheel niet zijn vader was. Hij verdween nog voor de begrafenis en niemand wist tot nu toe, wat er van hem geworden was.”„En hoe gedroeg hij zich in Amsterdam?”„Hij was een vroolijke klant, jong en een weinig lichtzinnig, maar trouw als goud; zijn pleegvader had hem op zijn handelskantoor[124]geplaatst, zeker met het voornemen hem een aandeel in de zaken te geven. Niemand weet of hij daarin voorzien had, want zijn haastige vlucht sneed alle betrekking met zijn vroegere bloedverwanten af. Hij had echter weinig lust in den koopmansstand; zijn hart trok naar het militaire leven, maar een teedere verhouding, die er bestond tusschen hem en de juffrouw van Starenwijck, deed hem in ’s vaders wil berusten.”„Dus gij weet niets ten zijnen nadeele?”„Volstrekt niet. Zijn makkers hielden allen veel van hem; hij was onder zijne medeleerlingen een der eersten; zijn drift deed hem somwijlen een misstap begaan, maar hij was eerlijk en oprecht, een liefhebbend zoon en vurig minnaar.”„Daar hebben wij niets mee te maken. Ge meent echter zeker te weten dat deze korporaal en uw vroegere speelmakker dezelfden zijn?”„Ik geef er mijn woord op. Daarenboven Uw Edelheden zagen zelf hoe hij op ’t noemen van zijn naam zich omwendde.”„’t Is wel! Ga nu tot de behandeling uwer eigen zaken over.”Zoodra hij vrij was, begaf zich Bosma, de onderkoopman naar de kazerne en vond daar Robert een weinig afgezonderd staan, hij hield een boekje met Javaansche karakters in de hand.„Robert,” zeide hij, „gij wilt mij niet meer kennen.”De andere zag hem aan.„Neen,” gaf hij ten antwoord, „’t is beter dat we elkander niet meer kennen ten minste voorloopig niet. Eens hoop ik echter met een nieuwen naam en een nieuwe toekomst u en ook anderen in de oogen te zien. Dan neem ik het niet meer als gunst aan dat menschen mijner nog willen gedenken.”„Ik hoop dat oogenblik te zien. Ik heb veel goeds van u aan Hun Edelheden verhaald, misschien zal ’t u voordeel doen.”„Gij hebt toch niet alles gezegd?”[125]„Wat ik wist alleen.”Robert beet zich op de lippen.„Ook van haar?” vroeg hij.„Van juffrouw van Starenwijck?”„Noem haar zoo en niet anders. Ik smeek er u om?”Bosma wist niet dat Digna vroeger juffrouw Tak en thans mevrouw Voorneman heette en beloofde het gaarne.„Laten we elkander voortaan niet meer kennen,” smeekte Robert, „met het verleden heb ik gebroken. Wat de toekomst mij zal geven en toestaan, weet God alleen!”En de Opperbevelhebber zeide hoogst tevreden tot den Heer Michel Ram:„Ik geloof dat ik den rechten man gevonden heb.”„Hij is misschien wat jong, wat onbesuisd, wat driftig.”De andere schudde minachtend het hoofd:„Met die hoedanigheden zal hij slechts zich zelf schade doen. En ge hebt zelf gehoord. Hij staat alleen op de wereld. Er is niet veel aan hem gelegen. Slaagt hij, uitstekend, zoo niet, dan is er slechts een verloren mensch minder op de wereld.”

[Inhoud]IV.EEN MOEILIJKE ZENDING.Na zijn vertrek uit Batavia scheen Robert een ander mensch geworden; het was hem ernst met de verbetering van zijn leven. Vooral nadat hij vernam hoe eenvoudig en edel Digna gehandeld had, om hem de vrijheid terug te bezorgen, was ’t zijn levensdoel geworden haar achting het koste wat het koste te herwinnen. Hij deed eenvoudig zijn plicht, zooals zij hem geraden had, en zoo goed dat de aandacht zijner overheden op hem viel. Belangrijke krijgsbedrijven hadden er niet plaats bij dezen veldtocht. Zonder slag of stoot trok het leger van Herman de WildeKarta-Soerabinnen; eenige schoten hadden de 40000 mannen van Soenan Mas op de vlucht gejaagd. Hun bevelhebber had hen reeds verlaten om zich aan de Hollanders te onderwerpen; eenige dagen slechts duurde de tocht; na de teekening van het tractaat keerde de Wilde terug naar Samarang na eerst een vrij aanzienlijke bezetting dicht bij Pakoe Boewana’s kraton te hebben achtergelaten.Eenige dagen na zijn terugkomst in de loge van Samarang zat de Wilde in ernstig gesprek met den onlangs aangestelden Expres-commissaris en algemeen Opperhoofd van Java’s Oostkust, Michel Ram.„Wij hebben een groot werk volvoerd,” sprak de heer Ram, „zonder bloedvergieten, alleen door de macht van den Hollandschen naam.”De Wilde haalde de schouders op.„Het werk is nog niet half gedaan. Wat baat het ons of de ledepop, die wij daar in Mataram hebben neergezet Pakoe Boewana[116]ofHamangkoe-Ratheet, als een voortdurend gevaar ons blijft dreigen in het Oosten? Zoolang de slavenhoofdman niet verdelgd is, blijft onze toestand dezelfde.”„Maar dat tractaat, dat door uw zorg geteekend is en zulke belangrijke voordeelen aan ons verzekert.”„Ja, het tractaat is geteekend, maar wie staat er voor in dat de artikelen zullen worden nageleefd? Angst zal Pakoe Boewana dwingen het niet te schenden, doch wat vermogen de beste voornemens tegen de ijzeren noodzakelijkheid? Wanneer Soenan Mas uit Kediri komt aanrukken, vergezeld door een geducht leger Balineezen, wat zal dan onze bezetting inKarta-Soerabaten? Hoeveel wij rekenen mogen op de trouw en de dapperheid der Javanen dat hebben de jongste gebeurtenissen ons geleerd.”„Maar het volk heeft toch Pakoe Boewana’s zijde gekozen, zij allen hebben Adipati Anoem verlaten.”„Zeg liever dat hij hun verlaten heeft; wanneer eenige Mahomedaansche papen komen om de hartstochten van het volk op te zweepen ten gunste van den gevluchten prins en als hij zelf verschijnt, gesteund door de troepen van den slaaf, wat zal dan tegen hun pieken en krissen het papier van het tractaat uitrichten?”„Uw bedoeling is dus de uitlevering van den Adipati met de wapenen in de hand te vragen?”„Mijn wensch is dat voorzeker, doch tot zoover reikt mijn lastbrief niet; ik zal lang genoeg hebben geleefd wanneer ik dat rooversnest uitgeroeid heb; voor en aleer zullen vrede en rust niet op Java teruggekeerd zijn. Wat zal het ons baten of wij van den Soesoehoenan de naleving eischen der contracten wanneer hij met den besten wil der wereld buiten staat is zijn verplichtingen te vervullen? Hij, die met ondergebrachte natiën vrede wil houden,[117]moet hen geen zwaarder lasten opleggen dan zij redelijkerwijze kunnen dragen want dan alleen is de vrede bestendig. En zoolang Soerapati, in ’s Keizers eigen rijk een onafhankelijke macht uitoefent en Anoem tot werktuig gebruikt om den andere vandaag of morgen uit zijn overgebleven staten te verdrijven, zoolang kan Pakoe Boewana het tractaat niet naleven.”„Zoodat een oorlog tegen Wiro Negoro onvermijdelijk is?”„Heeft de ellendeling niet lang genoeg onze macht getart, wordt het geen tijd den weggeloopen slaaf, den moordenaar van Kapitein Tak loon naar werk te geven? Wat zal de Javaan denken van de macht en de wijsheid der Edele Compagnie, als deze niet eens sterk genoeg blijkt te zijn om een deserteur, een verrader, een misdadiger in handen te krijgen en hem zijn verdiende straf te doen ondergaan?”„Inderdaad, er is veel, zoo niet alles voor ons aan gelegen om den avonturier onschadelijk te maken, doch de taak is zwaar, de geheele streek beoosten Kediri bevindt zich in zijn macht. Hij moet er volstrekte heerschappij over voeren; het volk bewijst hem koninklijke eer, zijn leger moet zeer geoefend zijn, men zegt door Europeanen, hoe zal de Compagnie in deze schier ontoegankelijke streken hem kunnen aanvallen?”„Wij zullen niet alleen staan; ook de Inlandsche vorsten zijn de drukkende heerschappij van den slaaf moe geworden. De regenten van Soerabaya en Madura blaken van verlangen hem te tuchtigen.”„Is Uw Edelheid daar wel zoo zeker van?”„Hebben zij dan geen gezanten naar Batavia gezonden om onze hulp in te roepen.”„Zou daar achter geen verraad schuilen? Heeft de overleden Soesoehoenan niet menigmaal hetzelfde gedaan, zich bitter beklagend[118]dat Soerapati zijn regenten verdreef, en hun landen aan zich zelf onderwierp, lachend en spottend over de vertoogen des keizers. En nu verraadt zijn zoon maar al te duidelijk dat hij bevriend is met den Balinees en dat deze vriendschap niet gewacht heeft op den tijd van tegenspoed om plotseling te ontkiemen.”„Wie verzekert ons echter dat de vader de gedragslijn van den zoon goedkeurde? Adipati Anoem was lijnrecht gekant tegen den Rijksbestuurder, dat weten wij genoeg, hij aasde op de kroon nog tijdens het leven vanHamangkoe-Rat. De verzoeken om hulp en bijstand konden zeer goed oprecht gemeend zijn, maar nimmer wilde de Compagnie er een gunstig oor aan leenen, niet alleen omdat zij zich niet krachtig genoeg voelde tot zulk een ingewikkelden oorlog maar ook omdat zij na Tak’s dood op zulk een gespannen voet met den Soesoehoenan verkeerde.”„En hem niet vertrouwde! Hoe meer ik den Inlander leerde kennen hoe meer ik de waarheid inzie van de woorden indertijd door den zeer strengen maar ook zeer ervaren Commandant JohanAlbert Sloot uitgesproken, toen er gezanten uit Mataram hier heen werden gezonden om hulp tegen Soerapati in te roepen: „De ondervinding heeft mij geleerd dat op hun discoursen weinig staat te maken valt, daar het eene algemeene Javaansche maxime is, dat zij in een samenkomst met ons of in ons bijzijn, steeds hun discoursen naar onzen smaak en zin zoeken in te richten.”„Ook dit heb ik meermalen ondervonden, doch kwam eveneens tot de slotsom, dat de Javaansche hoofden wanneer het hun voordeel geldt onze hulp zeer goed kunnen gebruiken. Wanneer zij inzien dat zulk een buurman als de Balinees, hun alles behalve aangenaam kan worden, zullen zij zich zeer gaarne van onze hulp bedienen, zelfs wanneer zij weten dat deze hen niet voor niet wordt verleend. En Soerapati moet zeer lastig zijn en zeer gevaarlijk[119]juist omdat men hem verstand en zekere mate van ontwikkeling niet kan ontzeggen.”„Dat Pakoe Boewana hem liefst honderd voeten onder de aarde wenscht, zal ik niet betwijfelen maar of zijn buurlieden de Adipati van Soerabaya en de Panombahan van Madura hem eveneens moede zijn, daarvoor sta ik niet in. Wees verzekerd dat zij hem vleien, nu vooral nu hij den ex-keizer in zijn macht heeft, dit belet echter niet dat zij tenzelfden tijd ook ons tot vriend trachten te houden en Pakoe Boewana ten minste uiterlijk hulde bewijzen.”„We moeten die uiterlijke bewijzen van trouw voor lief nemen, totdat wij overtuigd raken van het tegendeel en ons bepalen hen nauwlettend te bewaken. Wij nemen hun diensten aan maar schenken hen geen vertrouwen in ruil. Dit zal onze stelregel wezen.”„De grootste moeilijkheid echter is ongetwijfeld onze geheele onbekendheid met de landstreken, waarin Soerapati huishoudt. Nog nooit, zoolang hij het bewind voert, heeft een Hollander—overloopers niet te na gesproken—daar den voet gezet; wat wij van zijn regeering en de inrichting van zijn rijk weten, dat hoorden we slechts uit weinig betrouwbare inlandsche berichten. En ’t is toch noodzakelijk vóórdat wij onze hand in dat wespennest steken, iets meer te weten van den man, dien wij gaan bestrijden. Zou er geen mogelijkheid toe bestaan zich daar van te vergewissen?”„Uw raad is niet verwerpelijk maar het hoe biedt ernstige, bijna onoverkomelijke bezwaren aan. Wij kunnen er spionnen heenzenden, maar deze moeten toch ook Europeanen zijn, daar wij de inlanders weinig vertrouwen kunnen en er op hun waarnemingen geen staat te maken is.”[120]„Een Europeaan hebben wij in de eerste plaats noodig, die alles met zijn eigenaardigen blik beschouwt en weet, wat hij op moet merken en welke toestanden zijn meeste aandacht verdienen; maar hoe zullen wij dezen in Soerapati’s onmiddellijke omgeving laten doordringen? Kleur en spraak zullen hem verraden.”„Maar reeds menige Europeaan is naar hem overgeloopen; ik hoorde zelfs dat reeds menige blanke deserteur hem zijn diensten aangeboden heeft. Zou men thans ook niet één of meer vertrouwde mannen onder datzelfde masker naar hem kunnen zenden?”„Vergeet niet dat de slimme vogel thans meer dan ooit op zijn hoede zal wezen en wee dengene, die hem wil verschalken. Hetis noodzakelijkin de eerste plaats, dat noch hij noch zijn dienaar vermoeden, dat onze verspieder in zijn rijk is. Degene, dien wij daartoe afzenden, moet listig, dapper, welonderwezen zijn en door zijn uiterlijk de achterdocht der inboorlingen niet opwekken.”„Waar zou men zulk een zeldzaam wezen kunnen vinden?”„Daar valt mij iets in! Mijn aandacht werd gevestigd op een jong, knap soldaat—ik geloof dat hij onlangs bevorderd is—tot korporaal. Hij heeft een kaart gemaakt van het oorlogsterrein, die ik zeer goed bruikbaar vond; gelegenheid om zijn moed te toonen heeft hij niet gehad maar de goede kapitein Wels, die helaas! viel als offer van het moordend klimaat, meldde mij nog dat in de weinige schermutselingen, die hij had meegemaakt, zijn dapperheid hem veel te veel deed wagen; doch wat hem vooral aanbevelingswaardig doet zijn voor dergelijke zending, dat is zijn donker voorkomen.”„Is hij Hollander?”„Ik zou ’t wel denken, hoewel zijn kleur van gelaat en haar meer aan een Italiaan of Spanjaard herinneren. De arme knaap[121]moet in de laatste dagen, welke hij te Batavia doorbracht, nog een onaangename zaak hebben gehad. Men heeft hem beschuldigd van een diefstal, waar slechts een liefdeshistorietje in ’t spel was. Zijn Edelheid de Opperlandvoogd beval mij hem door een enkel woordje aan.”„Het beste zou wezen, wanneer Uw Edelheid hem eens over het onderhavige geval zelf sprak.”„Gij hebt gelijk en ik wil het dadelijk doen.”Hij tikte op de tafel en gaf bevel aan den binnentredenden ordonnans den korporaal Walter te doen roepen.Weinige oogenblikken later kwam de korporaal binnen en groette de beide groote heeren eerbiedig.„Wij hebben u doen ontbieden korporaal,” begon de Opperbevelhebber de Wilde, „daar wij ons willen vergewissen of gij de noodige vereischten bezit om eenmoeilijke, gevaarvolle zending te volvoeren.”Robert bracht even de hand aan het hoofd, hij antwoordde niet maar zijn groote donkere oogen vonkelden van blijde verwachting.„Hebt gij moed?”„Ik hoop ’t u te toonen, Heer Opperbevelhebber, als de gelegenheid er zich toe aanbiedt.”„Maar er is meer noodig dan de moed, die u aan het hoofd van een leger doet vechten onder de bevelen uwer meerderen?”„Ook dat meerdere hoop ik te bezitten.”„Ge zult list en beleid dienen te gebruiken.”„Daarin heb ik nog weinig proeven afgelegd, maar ik hoop dat de gelegenheid als een goede meesteres ze mij zal leeren.”„Gij spreekt goed, uw uitspraak is beschaafd, ik heb gehoord dat het u niet aan kundigheden ontbreekt, dat gij u gemakkelijk[122]in het Fransch, Hoogduitsch en Engelsch kunt uitdrukken. Waar hebt gij uw opvoeding ontvangen?”„In Amsterdam.”„Dus behoort gij zeker tot een goede familie.”„Ik heb geen familie,” antwoordde hij dof.„Is Walter uw eenige naam?”„Mijn eenige.”„Ik wil niet meer vragen, gij schijnt reden te hebben om uw voorgaand leven met een diepen sluier te bedekken. Ik eerbiedig uw geheim; maar nog een vraag: Kent gij Maleisch en Javaansch?”„Niet meer dan om mij tegenover de inboorlingen te kunnen uitdrukken voor de gewone behoeften van het dagelijksch leven in het leger. Ik heb echter, ’t zij met bescheidenheid gezegd, een groot gemak voor het aanleeren van vreemde talen.”„’t Is goed, ik zal een Javaanschen Mantri aanwijzen, die u grondig zijn taal leert; gij weet reeds iets van de taal. Hoeveel tijd denkt gij noodig te hebben om ze te leeren verstaan en spreken?”Robert dacht even na.„Drie maanden.”„Welnu, reeds heden zullen uw lessen beginnen; en bereid u dan voor op een hoogst gewichtige zending. Wanneer gij in mijn geest die uitvoert, dan wacht u van de Hooge Regeering een schitterende belooning, waarschijnlijk den officiersrang.”Opnieuw schoten Robert’s oogen stralen vuur; maar hij sloeg ze neer, zijn lippen trilden en in zijn hart fluisterde hij:„O Digna, hoe tevreden zult gij dan zijn!”„Maar ik kan u niet ontveinzen dat er groote, zeer groote gevaren aan verbonden zijn, en dat ge groote kans loopt uw leven onderwijl te verliezen.”Minachtend trok de jonge man zijn wenkbrauwen op.[123]„Aan mijn leven hecht ik volstrekt niet. ’t Is niets waard, ik zal gelukkig zijn, wanneer ik het geven mag in dienst van het vaderland.”„Ge wilt u dus met die taak belasten, al weet gij nog niet, waaruit zij bestaat?”„Ja, Heer Opperbevelhebber! Ik zal gelukkig zijn die te mogen uitvoeren, en ik hoop het in mij gestelde vertrouwen niet te beschamen.”Juist trad een jonge onderkoopman, die den gezaghebber Ram moest spreken, binnen; toen hij Robert zag, die juist het vertrek wilde verlaten, bleef hij onthutst staan.„Van Reijn,” zeide hij halfluid, als onwillekeurig.De andere zag om, als had hij op een doorn getrapt, zijn blos bewees hoe hij schrikte, maar hij wendde dadelijk het hoofd af, groette zijn meester en vertrok.„Kent gij dien man?” vroeg de Heer Ram aan den koopman.„Ja, Edele Heer, uit Amsterdam. Zijn vader en de mijne waren vrienden, ten minste.…”„En wie was zijn vader?”„De oud Expres-commissaris in Indië, Jozef van Reijn.”„Wat zegt ge, van Reijn, maar die had geen kinderen.”„Dat heeft men later ook bemerkt; de oude heer had hem met zich uit Indië meegebracht en hem steeds behandeld als zijn eigen zoon. Hij voerde geheel en al het leven van een rijken, patricischen jonker, totdat zijn vader plotseling stierf en toen bleek het dat Heer van Reijn in het geheel niet zijn vader was. Hij verdween nog voor de begrafenis en niemand wist tot nu toe, wat er van hem geworden was.”„En hoe gedroeg hij zich in Amsterdam?”„Hij was een vroolijke klant, jong en een weinig lichtzinnig, maar trouw als goud; zijn pleegvader had hem op zijn handelskantoor[124]geplaatst, zeker met het voornemen hem een aandeel in de zaken te geven. Niemand weet of hij daarin voorzien had, want zijn haastige vlucht sneed alle betrekking met zijn vroegere bloedverwanten af. Hij had echter weinig lust in den koopmansstand; zijn hart trok naar het militaire leven, maar een teedere verhouding, die er bestond tusschen hem en de juffrouw van Starenwijck, deed hem in ’s vaders wil berusten.”„Dus gij weet niets ten zijnen nadeele?”„Volstrekt niet. Zijn makkers hielden allen veel van hem; hij was onder zijne medeleerlingen een der eersten; zijn drift deed hem somwijlen een misstap begaan, maar hij was eerlijk en oprecht, een liefhebbend zoon en vurig minnaar.”„Daar hebben wij niets mee te maken. Ge meent echter zeker te weten dat deze korporaal en uw vroegere speelmakker dezelfden zijn?”„Ik geef er mijn woord op. Daarenboven Uw Edelheden zagen zelf hoe hij op ’t noemen van zijn naam zich omwendde.”„’t Is wel! Ga nu tot de behandeling uwer eigen zaken over.”Zoodra hij vrij was, begaf zich Bosma, de onderkoopman naar de kazerne en vond daar Robert een weinig afgezonderd staan, hij hield een boekje met Javaansche karakters in de hand.„Robert,” zeide hij, „gij wilt mij niet meer kennen.”De andere zag hem aan.„Neen,” gaf hij ten antwoord, „’t is beter dat we elkander niet meer kennen ten minste voorloopig niet. Eens hoop ik echter met een nieuwen naam en een nieuwe toekomst u en ook anderen in de oogen te zien. Dan neem ik het niet meer als gunst aan dat menschen mijner nog willen gedenken.”„Ik hoop dat oogenblik te zien. Ik heb veel goeds van u aan Hun Edelheden verhaald, misschien zal ’t u voordeel doen.”„Gij hebt toch niet alles gezegd?”[125]„Wat ik wist alleen.”Robert beet zich op de lippen.„Ook van haar?” vroeg hij.„Van juffrouw van Starenwijck?”„Noem haar zoo en niet anders. Ik smeek er u om?”Bosma wist niet dat Digna vroeger juffrouw Tak en thans mevrouw Voorneman heette en beloofde het gaarne.„Laten we elkander voortaan niet meer kennen,” smeekte Robert, „met het verleden heb ik gebroken. Wat de toekomst mij zal geven en toestaan, weet God alleen!”En de Opperbevelhebber zeide hoogst tevreden tot den Heer Michel Ram:„Ik geloof dat ik den rechten man gevonden heb.”„Hij is misschien wat jong, wat onbesuisd, wat driftig.”De andere schudde minachtend het hoofd:„Met die hoedanigheden zal hij slechts zich zelf schade doen. En ge hebt zelf gehoord. Hij staat alleen op de wereld. Er is niet veel aan hem gelegen. Slaagt hij, uitstekend, zoo niet, dan is er slechts een verloren mensch minder op de wereld.”

[Inhoud]IV.EEN MOEILIJKE ZENDING.Na zijn vertrek uit Batavia scheen Robert een ander mensch geworden; het was hem ernst met de verbetering van zijn leven. Vooral nadat hij vernam hoe eenvoudig en edel Digna gehandeld had, om hem de vrijheid terug te bezorgen, was ’t zijn levensdoel geworden haar achting het koste wat het koste te herwinnen. Hij deed eenvoudig zijn plicht, zooals zij hem geraden had, en zoo goed dat de aandacht zijner overheden op hem viel. Belangrijke krijgsbedrijven hadden er niet plaats bij dezen veldtocht. Zonder slag of stoot trok het leger van Herman de WildeKarta-Soerabinnen; eenige schoten hadden de 40000 mannen van Soenan Mas op de vlucht gejaagd. Hun bevelhebber had hen reeds verlaten om zich aan de Hollanders te onderwerpen; eenige dagen slechts duurde de tocht; na de teekening van het tractaat keerde de Wilde terug naar Samarang na eerst een vrij aanzienlijke bezetting dicht bij Pakoe Boewana’s kraton te hebben achtergelaten.Eenige dagen na zijn terugkomst in de loge van Samarang zat de Wilde in ernstig gesprek met den onlangs aangestelden Expres-commissaris en algemeen Opperhoofd van Java’s Oostkust, Michel Ram.„Wij hebben een groot werk volvoerd,” sprak de heer Ram, „zonder bloedvergieten, alleen door de macht van den Hollandschen naam.”De Wilde haalde de schouders op.„Het werk is nog niet half gedaan. Wat baat het ons of de ledepop, die wij daar in Mataram hebben neergezet Pakoe Boewana[116]ofHamangkoe-Ratheet, als een voortdurend gevaar ons blijft dreigen in het Oosten? Zoolang de slavenhoofdman niet verdelgd is, blijft onze toestand dezelfde.”„Maar dat tractaat, dat door uw zorg geteekend is en zulke belangrijke voordeelen aan ons verzekert.”„Ja, het tractaat is geteekend, maar wie staat er voor in dat de artikelen zullen worden nageleefd? Angst zal Pakoe Boewana dwingen het niet te schenden, doch wat vermogen de beste voornemens tegen de ijzeren noodzakelijkheid? Wanneer Soenan Mas uit Kediri komt aanrukken, vergezeld door een geducht leger Balineezen, wat zal dan onze bezetting inKarta-Soerabaten? Hoeveel wij rekenen mogen op de trouw en de dapperheid der Javanen dat hebben de jongste gebeurtenissen ons geleerd.”„Maar het volk heeft toch Pakoe Boewana’s zijde gekozen, zij allen hebben Adipati Anoem verlaten.”„Zeg liever dat hij hun verlaten heeft; wanneer eenige Mahomedaansche papen komen om de hartstochten van het volk op te zweepen ten gunste van den gevluchten prins en als hij zelf verschijnt, gesteund door de troepen van den slaaf, wat zal dan tegen hun pieken en krissen het papier van het tractaat uitrichten?”„Uw bedoeling is dus de uitlevering van den Adipati met de wapenen in de hand te vragen?”„Mijn wensch is dat voorzeker, doch tot zoover reikt mijn lastbrief niet; ik zal lang genoeg hebben geleefd wanneer ik dat rooversnest uitgeroeid heb; voor en aleer zullen vrede en rust niet op Java teruggekeerd zijn. Wat zal het ons baten of wij van den Soesoehoenan de naleving eischen der contracten wanneer hij met den besten wil der wereld buiten staat is zijn verplichtingen te vervullen? Hij, die met ondergebrachte natiën vrede wil houden,[117]moet hen geen zwaarder lasten opleggen dan zij redelijkerwijze kunnen dragen want dan alleen is de vrede bestendig. En zoolang Soerapati, in ’s Keizers eigen rijk een onafhankelijke macht uitoefent en Anoem tot werktuig gebruikt om den andere vandaag of morgen uit zijn overgebleven staten te verdrijven, zoolang kan Pakoe Boewana het tractaat niet naleven.”„Zoodat een oorlog tegen Wiro Negoro onvermijdelijk is?”„Heeft de ellendeling niet lang genoeg onze macht getart, wordt het geen tijd den weggeloopen slaaf, den moordenaar van Kapitein Tak loon naar werk te geven? Wat zal de Javaan denken van de macht en de wijsheid der Edele Compagnie, als deze niet eens sterk genoeg blijkt te zijn om een deserteur, een verrader, een misdadiger in handen te krijgen en hem zijn verdiende straf te doen ondergaan?”„Inderdaad, er is veel, zoo niet alles voor ons aan gelegen om den avonturier onschadelijk te maken, doch de taak is zwaar, de geheele streek beoosten Kediri bevindt zich in zijn macht. Hij moet er volstrekte heerschappij over voeren; het volk bewijst hem koninklijke eer, zijn leger moet zeer geoefend zijn, men zegt door Europeanen, hoe zal de Compagnie in deze schier ontoegankelijke streken hem kunnen aanvallen?”„Wij zullen niet alleen staan; ook de Inlandsche vorsten zijn de drukkende heerschappij van den slaaf moe geworden. De regenten van Soerabaya en Madura blaken van verlangen hem te tuchtigen.”„Is Uw Edelheid daar wel zoo zeker van?”„Hebben zij dan geen gezanten naar Batavia gezonden om onze hulp in te roepen.”„Zou daar achter geen verraad schuilen? Heeft de overleden Soesoehoenan niet menigmaal hetzelfde gedaan, zich bitter beklagend[118]dat Soerapati zijn regenten verdreef, en hun landen aan zich zelf onderwierp, lachend en spottend over de vertoogen des keizers. En nu verraadt zijn zoon maar al te duidelijk dat hij bevriend is met den Balinees en dat deze vriendschap niet gewacht heeft op den tijd van tegenspoed om plotseling te ontkiemen.”„Wie verzekert ons echter dat de vader de gedragslijn van den zoon goedkeurde? Adipati Anoem was lijnrecht gekant tegen den Rijksbestuurder, dat weten wij genoeg, hij aasde op de kroon nog tijdens het leven vanHamangkoe-Rat. De verzoeken om hulp en bijstand konden zeer goed oprecht gemeend zijn, maar nimmer wilde de Compagnie er een gunstig oor aan leenen, niet alleen omdat zij zich niet krachtig genoeg voelde tot zulk een ingewikkelden oorlog maar ook omdat zij na Tak’s dood op zulk een gespannen voet met den Soesoehoenan verkeerde.”„En hem niet vertrouwde! Hoe meer ik den Inlander leerde kennen hoe meer ik de waarheid inzie van de woorden indertijd door den zeer strengen maar ook zeer ervaren Commandant JohanAlbert Sloot uitgesproken, toen er gezanten uit Mataram hier heen werden gezonden om hulp tegen Soerapati in te roepen: „De ondervinding heeft mij geleerd dat op hun discoursen weinig staat te maken valt, daar het eene algemeene Javaansche maxime is, dat zij in een samenkomst met ons of in ons bijzijn, steeds hun discoursen naar onzen smaak en zin zoeken in te richten.”„Ook dit heb ik meermalen ondervonden, doch kwam eveneens tot de slotsom, dat de Javaansche hoofden wanneer het hun voordeel geldt onze hulp zeer goed kunnen gebruiken. Wanneer zij inzien dat zulk een buurman als de Balinees, hun alles behalve aangenaam kan worden, zullen zij zich zeer gaarne van onze hulp bedienen, zelfs wanneer zij weten dat deze hen niet voor niet wordt verleend. En Soerapati moet zeer lastig zijn en zeer gevaarlijk[119]juist omdat men hem verstand en zekere mate van ontwikkeling niet kan ontzeggen.”„Dat Pakoe Boewana hem liefst honderd voeten onder de aarde wenscht, zal ik niet betwijfelen maar of zijn buurlieden de Adipati van Soerabaya en de Panombahan van Madura hem eveneens moede zijn, daarvoor sta ik niet in. Wees verzekerd dat zij hem vleien, nu vooral nu hij den ex-keizer in zijn macht heeft, dit belet echter niet dat zij tenzelfden tijd ook ons tot vriend trachten te houden en Pakoe Boewana ten minste uiterlijk hulde bewijzen.”„We moeten die uiterlijke bewijzen van trouw voor lief nemen, totdat wij overtuigd raken van het tegendeel en ons bepalen hen nauwlettend te bewaken. Wij nemen hun diensten aan maar schenken hen geen vertrouwen in ruil. Dit zal onze stelregel wezen.”„De grootste moeilijkheid echter is ongetwijfeld onze geheele onbekendheid met de landstreken, waarin Soerapati huishoudt. Nog nooit, zoolang hij het bewind voert, heeft een Hollander—overloopers niet te na gesproken—daar den voet gezet; wat wij van zijn regeering en de inrichting van zijn rijk weten, dat hoorden we slechts uit weinig betrouwbare inlandsche berichten. En ’t is toch noodzakelijk vóórdat wij onze hand in dat wespennest steken, iets meer te weten van den man, dien wij gaan bestrijden. Zou er geen mogelijkheid toe bestaan zich daar van te vergewissen?”„Uw raad is niet verwerpelijk maar het hoe biedt ernstige, bijna onoverkomelijke bezwaren aan. Wij kunnen er spionnen heenzenden, maar deze moeten toch ook Europeanen zijn, daar wij de inlanders weinig vertrouwen kunnen en er op hun waarnemingen geen staat te maken is.”[120]„Een Europeaan hebben wij in de eerste plaats noodig, die alles met zijn eigenaardigen blik beschouwt en weet, wat hij op moet merken en welke toestanden zijn meeste aandacht verdienen; maar hoe zullen wij dezen in Soerapati’s onmiddellijke omgeving laten doordringen? Kleur en spraak zullen hem verraden.”„Maar reeds menige Europeaan is naar hem overgeloopen; ik hoorde zelfs dat reeds menige blanke deserteur hem zijn diensten aangeboden heeft. Zou men thans ook niet één of meer vertrouwde mannen onder datzelfde masker naar hem kunnen zenden?”„Vergeet niet dat de slimme vogel thans meer dan ooit op zijn hoede zal wezen en wee dengene, die hem wil verschalken. Hetis noodzakelijkin de eerste plaats, dat noch hij noch zijn dienaar vermoeden, dat onze verspieder in zijn rijk is. Degene, dien wij daartoe afzenden, moet listig, dapper, welonderwezen zijn en door zijn uiterlijk de achterdocht der inboorlingen niet opwekken.”„Waar zou men zulk een zeldzaam wezen kunnen vinden?”„Daar valt mij iets in! Mijn aandacht werd gevestigd op een jong, knap soldaat—ik geloof dat hij onlangs bevorderd is—tot korporaal. Hij heeft een kaart gemaakt van het oorlogsterrein, die ik zeer goed bruikbaar vond; gelegenheid om zijn moed te toonen heeft hij niet gehad maar de goede kapitein Wels, die helaas! viel als offer van het moordend klimaat, meldde mij nog dat in de weinige schermutselingen, die hij had meegemaakt, zijn dapperheid hem veel te veel deed wagen; doch wat hem vooral aanbevelingswaardig doet zijn voor dergelijke zending, dat is zijn donker voorkomen.”„Is hij Hollander?”„Ik zou ’t wel denken, hoewel zijn kleur van gelaat en haar meer aan een Italiaan of Spanjaard herinneren. De arme knaap[121]moet in de laatste dagen, welke hij te Batavia doorbracht, nog een onaangename zaak hebben gehad. Men heeft hem beschuldigd van een diefstal, waar slechts een liefdeshistorietje in ’t spel was. Zijn Edelheid de Opperlandvoogd beval mij hem door een enkel woordje aan.”„Het beste zou wezen, wanneer Uw Edelheid hem eens over het onderhavige geval zelf sprak.”„Gij hebt gelijk en ik wil het dadelijk doen.”Hij tikte op de tafel en gaf bevel aan den binnentredenden ordonnans den korporaal Walter te doen roepen.Weinige oogenblikken later kwam de korporaal binnen en groette de beide groote heeren eerbiedig.„Wij hebben u doen ontbieden korporaal,” begon de Opperbevelhebber de Wilde, „daar wij ons willen vergewissen of gij de noodige vereischten bezit om eenmoeilijke, gevaarvolle zending te volvoeren.”Robert bracht even de hand aan het hoofd, hij antwoordde niet maar zijn groote donkere oogen vonkelden van blijde verwachting.„Hebt gij moed?”„Ik hoop ’t u te toonen, Heer Opperbevelhebber, als de gelegenheid er zich toe aanbiedt.”„Maar er is meer noodig dan de moed, die u aan het hoofd van een leger doet vechten onder de bevelen uwer meerderen?”„Ook dat meerdere hoop ik te bezitten.”„Ge zult list en beleid dienen te gebruiken.”„Daarin heb ik nog weinig proeven afgelegd, maar ik hoop dat de gelegenheid als een goede meesteres ze mij zal leeren.”„Gij spreekt goed, uw uitspraak is beschaafd, ik heb gehoord dat het u niet aan kundigheden ontbreekt, dat gij u gemakkelijk[122]in het Fransch, Hoogduitsch en Engelsch kunt uitdrukken. Waar hebt gij uw opvoeding ontvangen?”„In Amsterdam.”„Dus behoort gij zeker tot een goede familie.”„Ik heb geen familie,” antwoordde hij dof.„Is Walter uw eenige naam?”„Mijn eenige.”„Ik wil niet meer vragen, gij schijnt reden te hebben om uw voorgaand leven met een diepen sluier te bedekken. Ik eerbiedig uw geheim; maar nog een vraag: Kent gij Maleisch en Javaansch?”„Niet meer dan om mij tegenover de inboorlingen te kunnen uitdrukken voor de gewone behoeften van het dagelijksch leven in het leger. Ik heb echter, ’t zij met bescheidenheid gezegd, een groot gemak voor het aanleeren van vreemde talen.”„’t Is goed, ik zal een Javaanschen Mantri aanwijzen, die u grondig zijn taal leert; gij weet reeds iets van de taal. Hoeveel tijd denkt gij noodig te hebben om ze te leeren verstaan en spreken?”Robert dacht even na.„Drie maanden.”„Welnu, reeds heden zullen uw lessen beginnen; en bereid u dan voor op een hoogst gewichtige zending. Wanneer gij in mijn geest die uitvoert, dan wacht u van de Hooge Regeering een schitterende belooning, waarschijnlijk den officiersrang.”Opnieuw schoten Robert’s oogen stralen vuur; maar hij sloeg ze neer, zijn lippen trilden en in zijn hart fluisterde hij:„O Digna, hoe tevreden zult gij dan zijn!”„Maar ik kan u niet ontveinzen dat er groote, zeer groote gevaren aan verbonden zijn, en dat ge groote kans loopt uw leven onderwijl te verliezen.”Minachtend trok de jonge man zijn wenkbrauwen op.[123]„Aan mijn leven hecht ik volstrekt niet. ’t Is niets waard, ik zal gelukkig zijn, wanneer ik het geven mag in dienst van het vaderland.”„Ge wilt u dus met die taak belasten, al weet gij nog niet, waaruit zij bestaat?”„Ja, Heer Opperbevelhebber! Ik zal gelukkig zijn die te mogen uitvoeren, en ik hoop het in mij gestelde vertrouwen niet te beschamen.”Juist trad een jonge onderkoopman, die den gezaghebber Ram moest spreken, binnen; toen hij Robert zag, die juist het vertrek wilde verlaten, bleef hij onthutst staan.„Van Reijn,” zeide hij halfluid, als onwillekeurig.De andere zag om, als had hij op een doorn getrapt, zijn blos bewees hoe hij schrikte, maar hij wendde dadelijk het hoofd af, groette zijn meester en vertrok.„Kent gij dien man?” vroeg de Heer Ram aan den koopman.„Ja, Edele Heer, uit Amsterdam. Zijn vader en de mijne waren vrienden, ten minste.…”„En wie was zijn vader?”„De oud Expres-commissaris in Indië, Jozef van Reijn.”„Wat zegt ge, van Reijn, maar die had geen kinderen.”„Dat heeft men later ook bemerkt; de oude heer had hem met zich uit Indië meegebracht en hem steeds behandeld als zijn eigen zoon. Hij voerde geheel en al het leven van een rijken, patricischen jonker, totdat zijn vader plotseling stierf en toen bleek het dat Heer van Reijn in het geheel niet zijn vader was. Hij verdween nog voor de begrafenis en niemand wist tot nu toe, wat er van hem geworden was.”„En hoe gedroeg hij zich in Amsterdam?”„Hij was een vroolijke klant, jong en een weinig lichtzinnig, maar trouw als goud; zijn pleegvader had hem op zijn handelskantoor[124]geplaatst, zeker met het voornemen hem een aandeel in de zaken te geven. Niemand weet of hij daarin voorzien had, want zijn haastige vlucht sneed alle betrekking met zijn vroegere bloedverwanten af. Hij had echter weinig lust in den koopmansstand; zijn hart trok naar het militaire leven, maar een teedere verhouding, die er bestond tusschen hem en de juffrouw van Starenwijck, deed hem in ’s vaders wil berusten.”„Dus gij weet niets ten zijnen nadeele?”„Volstrekt niet. Zijn makkers hielden allen veel van hem; hij was onder zijne medeleerlingen een der eersten; zijn drift deed hem somwijlen een misstap begaan, maar hij was eerlijk en oprecht, een liefhebbend zoon en vurig minnaar.”„Daar hebben wij niets mee te maken. Ge meent echter zeker te weten dat deze korporaal en uw vroegere speelmakker dezelfden zijn?”„Ik geef er mijn woord op. Daarenboven Uw Edelheden zagen zelf hoe hij op ’t noemen van zijn naam zich omwendde.”„’t Is wel! Ga nu tot de behandeling uwer eigen zaken over.”Zoodra hij vrij was, begaf zich Bosma, de onderkoopman naar de kazerne en vond daar Robert een weinig afgezonderd staan, hij hield een boekje met Javaansche karakters in de hand.„Robert,” zeide hij, „gij wilt mij niet meer kennen.”De andere zag hem aan.„Neen,” gaf hij ten antwoord, „’t is beter dat we elkander niet meer kennen ten minste voorloopig niet. Eens hoop ik echter met een nieuwen naam en een nieuwe toekomst u en ook anderen in de oogen te zien. Dan neem ik het niet meer als gunst aan dat menschen mijner nog willen gedenken.”„Ik hoop dat oogenblik te zien. Ik heb veel goeds van u aan Hun Edelheden verhaald, misschien zal ’t u voordeel doen.”„Gij hebt toch niet alles gezegd?”[125]„Wat ik wist alleen.”Robert beet zich op de lippen.„Ook van haar?” vroeg hij.„Van juffrouw van Starenwijck?”„Noem haar zoo en niet anders. Ik smeek er u om?”Bosma wist niet dat Digna vroeger juffrouw Tak en thans mevrouw Voorneman heette en beloofde het gaarne.„Laten we elkander voortaan niet meer kennen,” smeekte Robert, „met het verleden heb ik gebroken. Wat de toekomst mij zal geven en toestaan, weet God alleen!”En de Opperbevelhebber zeide hoogst tevreden tot den Heer Michel Ram:„Ik geloof dat ik den rechten man gevonden heb.”„Hij is misschien wat jong, wat onbesuisd, wat driftig.”De andere schudde minachtend het hoofd:„Met die hoedanigheden zal hij slechts zich zelf schade doen. En ge hebt zelf gehoord. Hij staat alleen op de wereld. Er is niet veel aan hem gelegen. Slaagt hij, uitstekend, zoo niet, dan is er slechts een verloren mensch minder op de wereld.”

IV.EEN MOEILIJKE ZENDING.

Na zijn vertrek uit Batavia scheen Robert een ander mensch geworden; het was hem ernst met de verbetering van zijn leven. Vooral nadat hij vernam hoe eenvoudig en edel Digna gehandeld had, om hem de vrijheid terug te bezorgen, was ’t zijn levensdoel geworden haar achting het koste wat het koste te herwinnen. Hij deed eenvoudig zijn plicht, zooals zij hem geraden had, en zoo goed dat de aandacht zijner overheden op hem viel. Belangrijke krijgsbedrijven hadden er niet plaats bij dezen veldtocht. Zonder slag of stoot trok het leger van Herman de WildeKarta-Soerabinnen; eenige schoten hadden de 40000 mannen van Soenan Mas op de vlucht gejaagd. Hun bevelhebber had hen reeds verlaten om zich aan de Hollanders te onderwerpen; eenige dagen slechts duurde de tocht; na de teekening van het tractaat keerde de Wilde terug naar Samarang na eerst een vrij aanzienlijke bezetting dicht bij Pakoe Boewana’s kraton te hebben achtergelaten.Eenige dagen na zijn terugkomst in de loge van Samarang zat de Wilde in ernstig gesprek met den onlangs aangestelden Expres-commissaris en algemeen Opperhoofd van Java’s Oostkust, Michel Ram.„Wij hebben een groot werk volvoerd,” sprak de heer Ram, „zonder bloedvergieten, alleen door de macht van den Hollandschen naam.”De Wilde haalde de schouders op.„Het werk is nog niet half gedaan. Wat baat het ons of de ledepop, die wij daar in Mataram hebben neergezet Pakoe Boewana[116]ofHamangkoe-Ratheet, als een voortdurend gevaar ons blijft dreigen in het Oosten? Zoolang de slavenhoofdman niet verdelgd is, blijft onze toestand dezelfde.”„Maar dat tractaat, dat door uw zorg geteekend is en zulke belangrijke voordeelen aan ons verzekert.”„Ja, het tractaat is geteekend, maar wie staat er voor in dat de artikelen zullen worden nageleefd? Angst zal Pakoe Boewana dwingen het niet te schenden, doch wat vermogen de beste voornemens tegen de ijzeren noodzakelijkheid? Wanneer Soenan Mas uit Kediri komt aanrukken, vergezeld door een geducht leger Balineezen, wat zal dan onze bezetting inKarta-Soerabaten? Hoeveel wij rekenen mogen op de trouw en de dapperheid der Javanen dat hebben de jongste gebeurtenissen ons geleerd.”„Maar het volk heeft toch Pakoe Boewana’s zijde gekozen, zij allen hebben Adipati Anoem verlaten.”„Zeg liever dat hij hun verlaten heeft; wanneer eenige Mahomedaansche papen komen om de hartstochten van het volk op te zweepen ten gunste van den gevluchten prins en als hij zelf verschijnt, gesteund door de troepen van den slaaf, wat zal dan tegen hun pieken en krissen het papier van het tractaat uitrichten?”„Uw bedoeling is dus de uitlevering van den Adipati met de wapenen in de hand te vragen?”„Mijn wensch is dat voorzeker, doch tot zoover reikt mijn lastbrief niet; ik zal lang genoeg hebben geleefd wanneer ik dat rooversnest uitgeroeid heb; voor en aleer zullen vrede en rust niet op Java teruggekeerd zijn. Wat zal het ons baten of wij van den Soesoehoenan de naleving eischen der contracten wanneer hij met den besten wil der wereld buiten staat is zijn verplichtingen te vervullen? Hij, die met ondergebrachte natiën vrede wil houden,[117]moet hen geen zwaarder lasten opleggen dan zij redelijkerwijze kunnen dragen want dan alleen is de vrede bestendig. En zoolang Soerapati, in ’s Keizers eigen rijk een onafhankelijke macht uitoefent en Anoem tot werktuig gebruikt om den andere vandaag of morgen uit zijn overgebleven staten te verdrijven, zoolang kan Pakoe Boewana het tractaat niet naleven.”„Zoodat een oorlog tegen Wiro Negoro onvermijdelijk is?”„Heeft de ellendeling niet lang genoeg onze macht getart, wordt het geen tijd den weggeloopen slaaf, den moordenaar van Kapitein Tak loon naar werk te geven? Wat zal de Javaan denken van de macht en de wijsheid der Edele Compagnie, als deze niet eens sterk genoeg blijkt te zijn om een deserteur, een verrader, een misdadiger in handen te krijgen en hem zijn verdiende straf te doen ondergaan?”„Inderdaad, er is veel, zoo niet alles voor ons aan gelegen om den avonturier onschadelijk te maken, doch de taak is zwaar, de geheele streek beoosten Kediri bevindt zich in zijn macht. Hij moet er volstrekte heerschappij over voeren; het volk bewijst hem koninklijke eer, zijn leger moet zeer geoefend zijn, men zegt door Europeanen, hoe zal de Compagnie in deze schier ontoegankelijke streken hem kunnen aanvallen?”„Wij zullen niet alleen staan; ook de Inlandsche vorsten zijn de drukkende heerschappij van den slaaf moe geworden. De regenten van Soerabaya en Madura blaken van verlangen hem te tuchtigen.”„Is Uw Edelheid daar wel zoo zeker van?”„Hebben zij dan geen gezanten naar Batavia gezonden om onze hulp in te roepen.”„Zou daar achter geen verraad schuilen? Heeft de overleden Soesoehoenan niet menigmaal hetzelfde gedaan, zich bitter beklagend[118]dat Soerapati zijn regenten verdreef, en hun landen aan zich zelf onderwierp, lachend en spottend over de vertoogen des keizers. En nu verraadt zijn zoon maar al te duidelijk dat hij bevriend is met den Balinees en dat deze vriendschap niet gewacht heeft op den tijd van tegenspoed om plotseling te ontkiemen.”„Wie verzekert ons echter dat de vader de gedragslijn van den zoon goedkeurde? Adipati Anoem was lijnrecht gekant tegen den Rijksbestuurder, dat weten wij genoeg, hij aasde op de kroon nog tijdens het leven vanHamangkoe-Rat. De verzoeken om hulp en bijstand konden zeer goed oprecht gemeend zijn, maar nimmer wilde de Compagnie er een gunstig oor aan leenen, niet alleen omdat zij zich niet krachtig genoeg voelde tot zulk een ingewikkelden oorlog maar ook omdat zij na Tak’s dood op zulk een gespannen voet met den Soesoehoenan verkeerde.”„En hem niet vertrouwde! Hoe meer ik den Inlander leerde kennen hoe meer ik de waarheid inzie van de woorden indertijd door den zeer strengen maar ook zeer ervaren Commandant JohanAlbert Sloot uitgesproken, toen er gezanten uit Mataram hier heen werden gezonden om hulp tegen Soerapati in te roepen: „De ondervinding heeft mij geleerd dat op hun discoursen weinig staat te maken valt, daar het eene algemeene Javaansche maxime is, dat zij in een samenkomst met ons of in ons bijzijn, steeds hun discoursen naar onzen smaak en zin zoeken in te richten.”„Ook dit heb ik meermalen ondervonden, doch kwam eveneens tot de slotsom, dat de Javaansche hoofden wanneer het hun voordeel geldt onze hulp zeer goed kunnen gebruiken. Wanneer zij inzien dat zulk een buurman als de Balinees, hun alles behalve aangenaam kan worden, zullen zij zich zeer gaarne van onze hulp bedienen, zelfs wanneer zij weten dat deze hen niet voor niet wordt verleend. En Soerapati moet zeer lastig zijn en zeer gevaarlijk[119]juist omdat men hem verstand en zekere mate van ontwikkeling niet kan ontzeggen.”„Dat Pakoe Boewana hem liefst honderd voeten onder de aarde wenscht, zal ik niet betwijfelen maar of zijn buurlieden de Adipati van Soerabaya en de Panombahan van Madura hem eveneens moede zijn, daarvoor sta ik niet in. Wees verzekerd dat zij hem vleien, nu vooral nu hij den ex-keizer in zijn macht heeft, dit belet echter niet dat zij tenzelfden tijd ook ons tot vriend trachten te houden en Pakoe Boewana ten minste uiterlijk hulde bewijzen.”„We moeten die uiterlijke bewijzen van trouw voor lief nemen, totdat wij overtuigd raken van het tegendeel en ons bepalen hen nauwlettend te bewaken. Wij nemen hun diensten aan maar schenken hen geen vertrouwen in ruil. Dit zal onze stelregel wezen.”„De grootste moeilijkheid echter is ongetwijfeld onze geheele onbekendheid met de landstreken, waarin Soerapati huishoudt. Nog nooit, zoolang hij het bewind voert, heeft een Hollander—overloopers niet te na gesproken—daar den voet gezet; wat wij van zijn regeering en de inrichting van zijn rijk weten, dat hoorden we slechts uit weinig betrouwbare inlandsche berichten. En ’t is toch noodzakelijk vóórdat wij onze hand in dat wespennest steken, iets meer te weten van den man, dien wij gaan bestrijden. Zou er geen mogelijkheid toe bestaan zich daar van te vergewissen?”„Uw raad is niet verwerpelijk maar het hoe biedt ernstige, bijna onoverkomelijke bezwaren aan. Wij kunnen er spionnen heenzenden, maar deze moeten toch ook Europeanen zijn, daar wij de inlanders weinig vertrouwen kunnen en er op hun waarnemingen geen staat te maken is.”[120]„Een Europeaan hebben wij in de eerste plaats noodig, die alles met zijn eigenaardigen blik beschouwt en weet, wat hij op moet merken en welke toestanden zijn meeste aandacht verdienen; maar hoe zullen wij dezen in Soerapati’s onmiddellijke omgeving laten doordringen? Kleur en spraak zullen hem verraden.”„Maar reeds menige Europeaan is naar hem overgeloopen; ik hoorde zelfs dat reeds menige blanke deserteur hem zijn diensten aangeboden heeft. Zou men thans ook niet één of meer vertrouwde mannen onder datzelfde masker naar hem kunnen zenden?”„Vergeet niet dat de slimme vogel thans meer dan ooit op zijn hoede zal wezen en wee dengene, die hem wil verschalken. Hetis noodzakelijkin de eerste plaats, dat noch hij noch zijn dienaar vermoeden, dat onze verspieder in zijn rijk is. Degene, dien wij daartoe afzenden, moet listig, dapper, welonderwezen zijn en door zijn uiterlijk de achterdocht der inboorlingen niet opwekken.”„Waar zou men zulk een zeldzaam wezen kunnen vinden?”„Daar valt mij iets in! Mijn aandacht werd gevestigd op een jong, knap soldaat—ik geloof dat hij onlangs bevorderd is—tot korporaal. Hij heeft een kaart gemaakt van het oorlogsterrein, die ik zeer goed bruikbaar vond; gelegenheid om zijn moed te toonen heeft hij niet gehad maar de goede kapitein Wels, die helaas! viel als offer van het moordend klimaat, meldde mij nog dat in de weinige schermutselingen, die hij had meegemaakt, zijn dapperheid hem veel te veel deed wagen; doch wat hem vooral aanbevelingswaardig doet zijn voor dergelijke zending, dat is zijn donker voorkomen.”„Is hij Hollander?”„Ik zou ’t wel denken, hoewel zijn kleur van gelaat en haar meer aan een Italiaan of Spanjaard herinneren. De arme knaap[121]moet in de laatste dagen, welke hij te Batavia doorbracht, nog een onaangename zaak hebben gehad. Men heeft hem beschuldigd van een diefstal, waar slechts een liefdeshistorietje in ’t spel was. Zijn Edelheid de Opperlandvoogd beval mij hem door een enkel woordje aan.”„Het beste zou wezen, wanneer Uw Edelheid hem eens over het onderhavige geval zelf sprak.”„Gij hebt gelijk en ik wil het dadelijk doen.”Hij tikte op de tafel en gaf bevel aan den binnentredenden ordonnans den korporaal Walter te doen roepen.Weinige oogenblikken later kwam de korporaal binnen en groette de beide groote heeren eerbiedig.„Wij hebben u doen ontbieden korporaal,” begon de Opperbevelhebber de Wilde, „daar wij ons willen vergewissen of gij de noodige vereischten bezit om eenmoeilijke, gevaarvolle zending te volvoeren.”Robert bracht even de hand aan het hoofd, hij antwoordde niet maar zijn groote donkere oogen vonkelden van blijde verwachting.„Hebt gij moed?”„Ik hoop ’t u te toonen, Heer Opperbevelhebber, als de gelegenheid er zich toe aanbiedt.”„Maar er is meer noodig dan de moed, die u aan het hoofd van een leger doet vechten onder de bevelen uwer meerderen?”„Ook dat meerdere hoop ik te bezitten.”„Ge zult list en beleid dienen te gebruiken.”„Daarin heb ik nog weinig proeven afgelegd, maar ik hoop dat de gelegenheid als een goede meesteres ze mij zal leeren.”„Gij spreekt goed, uw uitspraak is beschaafd, ik heb gehoord dat het u niet aan kundigheden ontbreekt, dat gij u gemakkelijk[122]in het Fransch, Hoogduitsch en Engelsch kunt uitdrukken. Waar hebt gij uw opvoeding ontvangen?”„In Amsterdam.”„Dus behoort gij zeker tot een goede familie.”„Ik heb geen familie,” antwoordde hij dof.„Is Walter uw eenige naam?”„Mijn eenige.”„Ik wil niet meer vragen, gij schijnt reden te hebben om uw voorgaand leven met een diepen sluier te bedekken. Ik eerbiedig uw geheim; maar nog een vraag: Kent gij Maleisch en Javaansch?”„Niet meer dan om mij tegenover de inboorlingen te kunnen uitdrukken voor de gewone behoeften van het dagelijksch leven in het leger. Ik heb echter, ’t zij met bescheidenheid gezegd, een groot gemak voor het aanleeren van vreemde talen.”„’t Is goed, ik zal een Javaanschen Mantri aanwijzen, die u grondig zijn taal leert; gij weet reeds iets van de taal. Hoeveel tijd denkt gij noodig te hebben om ze te leeren verstaan en spreken?”Robert dacht even na.„Drie maanden.”„Welnu, reeds heden zullen uw lessen beginnen; en bereid u dan voor op een hoogst gewichtige zending. Wanneer gij in mijn geest die uitvoert, dan wacht u van de Hooge Regeering een schitterende belooning, waarschijnlijk den officiersrang.”Opnieuw schoten Robert’s oogen stralen vuur; maar hij sloeg ze neer, zijn lippen trilden en in zijn hart fluisterde hij:„O Digna, hoe tevreden zult gij dan zijn!”„Maar ik kan u niet ontveinzen dat er groote, zeer groote gevaren aan verbonden zijn, en dat ge groote kans loopt uw leven onderwijl te verliezen.”Minachtend trok de jonge man zijn wenkbrauwen op.[123]„Aan mijn leven hecht ik volstrekt niet. ’t Is niets waard, ik zal gelukkig zijn, wanneer ik het geven mag in dienst van het vaderland.”„Ge wilt u dus met die taak belasten, al weet gij nog niet, waaruit zij bestaat?”„Ja, Heer Opperbevelhebber! Ik zal gelukkig zijn die te mogen uitvoeren, en ik hoop het in mij gestelde vertrouwen niet te beschamen.”Juist trad een jonge onderkoopman, die den gezaghebber Ram moest spreken, binnen; toen hij Robert zag, die juist het vertrek wilde verlaten, bleef hij onthutst staan.„Van Reijn,” zeide hij halfluid, als onwillekeurig.De andere zag om, als had hij op een doorn getrapt, zijn blos bewees hoe hij schrikte, maar hij wendde dadelijk het hoofd af, groette zijn meester en vertrok.„Kent gij dien man?” vroeg de Heer Ram aan den koopman.„Ja, Edele Heer, uit Amsterdam. Zijn vader en de mijne waren vrienden, ten minste.…”„En wie was zijn vader?”„De oud Expres-commissaris in Indië, Jozef van Reijn.”„Wat zegt ge, van Reijn, maar die had geen kinderen.”„Dat heeft men later ook bemerkt; de oude heer had hem met zich uit Indië meegebracht en hem steeds behandeld als zijn eigen zoon. Hij voerde geheel en al het leven van een rijken, patricischen jonker, totdat zijn vader plotseling stierf en toen bleek het dat Heer van Reijn in het geheel niet zijn vader was. Hij verdween nog voor de begrafenis en niemand wist tot nu toe, wat er van hem geworden was.”„En hoe gedroeg hij zich in Amsterdam?”„Hij was een vroolijke klant, jong en een weinig lichtzinnig, maar trouw als goud; zijn pleegvader had hem op zijn handelskantoor[124]geplaatst, zeker met het voornemen hem een aandeel in de zaken te geven. Niemand weet of hij daarin voorzien had, want zijn haastige vlucht sneed alle betrekking met zijn vroegere bloedverwanten af. Hij had echter weinig lust in den koopmansstand; zijn hart trok naar het militaire leven, maar een teedere verhouding, die er bestond tusschen hem en de juffrouw van Starenwijck, deed hem in ’s vaders wil berusten.”„Dus gij weet niets ten zijnen nadeele?”„Volstrekt niet. Zijn makkers hielden allen veel van hem; hij was onder zijne medeleerlingen een der eersten; zijn drift deed hem somwijlen een misstap begaan, maar hij was eerlijk en oprecht, een liefhebbend zoon en vurig minnaar.”„Daar hebben wij niets mee te maken. Ge meent echter zeker te weten dat deze korporaal en uw vroegere speelmakker dezelfden zijn?”„Ik geef er mijn woord op. Daarenboven Uw Edelheden zagen zelf hoe hij op ’t noemen van zijn naam zich omwendde.”„’t Is wel! Ga nu tot de behandeling uwer eigen zaken over.”Zoodra hij vrij was, begaf zich Bosma, de onderkoopman naar de kazerne en vond daar Robert een weinig afgezonderd staan, hij hield een boekje met Javaansche karakters in de hand.„Robert,” zeide hij, „gij wilt mij niet meer kennen.”De andere zag hem aan.„Neen,” gaf hij ten antwoord, „’t is beter dat we elkander niet meer kennen ten minste voorloopig niet. Eens hoop ik echter met een nieuwen naam en een nieuwe toekomst u en ook anderen in de oogen te zien. Dan neem ik het niet meer als gunst aan dat menschen mijner nog willen gedenken.”„Ik hoop dat oogenblik te zien. Ik heb veel goeds van u aan Hun Edelheden verhaald, misschien zal ’t u voordeel doen.”„Gij hebt toch niet alles gezegd?”[125]„Wat ik wist alleen.”Robert beet zich op de lippen.„Ook van haar?” vroeg hij.„Van juffrouw van Starenwijck?”„Noem haar zoo en niet anders. Ik smeek er u om?”Bosma wist niet dat Digna vroeger juffrouw Tak en thans mevrouw Voorneman heette en beloofde het gaarne.„Laten we elkander voortaan niet meer kennen,” smeekte Robert, „met het verleden heb ik gebroken. Wat de toekomst mij zal geven en toestaan, weet God alleen!”En de Opperbevelhebber zeide hoogst tevreden tot den Heer Michel Ram:„Ik geloof dat ik den rechten man gevonden heb.”„Hij is misschien wat jong, wat onbesuisd, wat driftig.”De andere schudde minachtend het hoofd:„Met die hoedanigheden zal hij slechts zich zelf schade doen. En ge hebt zelf gehoord. Hij staat alleen op de wereld. Er is niet veel aan hem gelegen. Slaagt hij, uitstekend, zoo niet, dan is er slechts een verloren mensch minder op de wereld.”

Na zijn vertrek uit Batavia scheen Robert een ander mensch geworden; het was hem ernst met de verbetering van zijn leven. Vooral nadat hij vernam hoe eenvoudig en edel Digna gehandeld had, om hem de vrijheid terug te bezorgen, was ’t zijn levensdoel geworden haar achting het koste wat het koste te herwinnen. Hij deed eenvoudig zijn plicht, zooals zij hem geraden had, en zoo goed dat de aandacht zijner overheden op hem viel. Belangrijke krijgsbedrijven hadden er niet plaats bij dezen veldtocht. Zonder slag of stoot trok het leger van Herman de WildeKarta-Soerabinnen; eenige schoten hadden de 40000 mannen van Soenan Mas op de vlucht gejaagd. Hun bevelhebber had hen reeds verlaten om zich aan de Hollanders te onderwerpen; eenige dagen slechts duurde de tocht; na de teekening van het tractaat keerde de Wilde terug naar Samarang na eerst een vrij aanzienlijke bezetting dicht bij Pakoe Boewana’s kraton te hebben achtergelaten.

Eenige dagen na zijn terugkomst in de loge van Samarang zat de Wilde in ernstig gesprek met den onlangs aangestelden Expres-commissaris en algemeen Opperhoofd van Java’s Oostkust, Michel Ram.

„Wij hebben een groot werk volvoerd,” sprak de heer Ram, „zonder bloedvergieten, alleen door de macht van den Hollandschen naam.”

De Wilde haalde de schouders op.

„Het werk is nog niet half gedaan. Wat baat het ons of de ledepop, die wij daar in Mataram hebben neergezet Pakoe Boewana[116]ofHamangkoe-Ratheet, als een voortdurend gevaar ons blijft dreigen in het Oosten? Zoolang de slavenhoofdman niet verdelgd is, blijft onze toestand dezelfde.”

„Maar dat tractaat, dat door uw zorg geteekend is en zulke belangrijke voordeelen aan ons verzekert.”

„Ja, het tractaat is geteekend, maar wie staat er voor in dat de artikelen zullen worden nageleefd? Angst zal Pakoe Boewana dwingen het niet te schenden, doch wat vermogen de beste voornemens tegen de ijzeren noodzakelijkheid? Wanneer Soenan Mas uit Kediri komt aanrukken, vergezeld door een geducht leger Balineezen, wat zal dan onze bezetting inKarta-Soerabaten? Hoeveel wij rekenen mogen op de trouw en de dapperheid der Javanen dat hebben de jongste gebeurtenissen ons geleerd.”

„Maar het volk heeft toch Pakoe Boewana’s zijde gekozen, zij allen hebben Adipati Anoem verlaten.”

„Zeg liever dat hij hun verlaten heeft; wanneer eenige Mahomedaansche papen komen om de hartstochten van het volk op te zweepen ten gunste van den gevluchten prins en als hij zelf verschijnt, gesteund door de troepen van den slaaf, wat zal dan tegen hun pieken en krissen het papier van het tractaat uitrichten?”

„Uw bedoeling is dus de uitlevering van den Adipati met de wapenen in de hand te vragen?”

„Mijn wensch is dat voorzeker, doch tot zoover reikt mijn lastbrief niet; ik zal lang genoeg hebben geleefd wanneer ik dat rooversnest uitgeroeid heb; voor en aleer zullen vrede en rust niet op Java teruggekeerd zijn. Wat zal het ons baten of wij van den Soesoehoenan de naleving eischen der contracten wanneer hij met den besten wil der wereld buiten staat is zijn verplichtingen te vervullen? Hij, die met ondergebrachte natiën vrede wil houden,[117]moet hen geen zwaarder lasten opleggen dan zij redelijkerwijze kunnen dragen want dan alleen is de vrede bestendig. En zoolang Soerapati, in ’s Keizers eigen rijk een onafhankelijke macht uitoefent en Anoem tot werktuig gebruikt om den andere vandaag of morgen uit zijn overgebleven staten te verdrijven, zoolang kan Pakoe Boewana het tractaat niet naleven.”

„Zoodat een oorlog tegen Wiro Negoro onvermijdelijk is?”

„Heeft de ellendeling niet lang genoeg onze macht getart, wordt het geen tijd den weggeloopen slaaf, den moordenaar van Kapitein Tak loon naar werk te geven? Wat zal de Javaan denken van de macht en de wijsheid der Edele Compagnie, als deze niet eens sterk genoeg blijkt te zijn om een deserteur, een verrader, een misdadiger in handen te krijgen en hem zijn verdiende straf te doen ondergaan?”

„Inderdaad, er is veel, zoo niet alles voor ons aan gelegen om den avonturier onschadelijk te maken, doch de taak is zwaar, de geheele streek beoosten Kediri bevindt zich in zijn macht. Hij moet er volstrekte heerschappij over voeren; het volk bewijst hem koninklijke eer, zijn leger moet zeer geoefend zijn, men zegt door Europeanen, hoe zal de Compagnie in deze schier ontoegankelijke streken hem kunnen aanvallen?”

„Wij zullen niet alleen staan; ook de Inlandsche vorsten zijn de drukkende heerschappij van den slaaf moe geworden. De regenten van Soerabaya en Madura blaken van verlangen hem te tuchtigen.”

„Is Uw Edelheid daar wel zoo zeker van?”

„Hebben zij dan geen gezanten naar Batavia gezonden om onze hulp in te roepen.”

„Zou daar achter geen verraad schuilen? Heeft de overleden Soesoehoenan niet menigmaal hetzelfde gedaan, zich bitter beklagend[118]dat Soerapati zijn regenten verdreef, en hun landen aan zich zelf onderwierp, lachend en spottend over de vertoogen des keizers. En nu verraadt zijn zoon maar al te duidelijk dat hij bevriend is met den Balinees en dat deze vriendschap niet gewacht heeft op den tijd van tegenspoed om plotseling te ontkiemen.”

„Wie verzekert ons echter dat de vader de gedragslijn van den zoon goedkeurde? Adipati Anoem was lijnrecht gekant tegen den Rijksbestuurder, dat weten wij genoeg, hij aasde op de kroon nog tijdens het leven vanHamangkoe-Rat. De verzoeken om hulp en bijstand konden zeer goed oprecht gemeend zijn, maar nimmer wilde de Compagnie er een gunstig oor aan leenen, niet alleen omdat zij zich niet krachtig genoeg voelde tot zulk een ingewikkelden oorlog maar ook omdat zij na Tak’s dood op zulk een gespannen voet met den Soesoehoenan verkeerde.”

„En hem niet vertrouwde! Hoe meer ik den Inlander leerde kennen hoe meer ik de waarheid inzie van de woorden indertijd door den zeer strengen maar ook zeer ervaren Commandant JohanAlbert Sloot uitgesproken, toen er gezanten uit Mataram hier heen werden gezonden om hulp tegen Soerapati in te roepen: „De ondervinding heeft mij geleerd dat op hun discoursen weinig staat te maken valt, daar het eene algemeene Javaansche maxime is, dat zij in een samenkomst met ons of in ons bijzijn, steeds hun discoursen naar onzen smaak en zin zoeken in te richten.”

„Ook dit heb ik meermalen ondervonden, doch kwam eveneens tot de slotsom, dat de Javaansche hoofden wanneer het hun voordeel geldt onze hulp zeer goed kunnen gebruiken. Wanneer zij inzien dat zulk een buurman als de Balinees, hun alles behalve aangenaam kan worden, zullen zij zich zeer gaarne van onze hulp bedienen, zelfs wanneer zij weten dat deze hen niet voor niet wordt verleend. En Soerapati moet zeer lastig zijn en zeer gevaarlijk[119]juist omdat men hem verstand en zekere mate van ontwikkeling niet kan ontzeggen.”

„Dat Pakoe Boewana hem liefst honderd voeten onder de aarde wenscht, zal ik niet betwijfelen maar of zijn buurlieden de Adipati van Soerabaya en de Panombahan van Madura hem eveneens moede zijn, daarvoor sta ik niet in. Wees verzekerd dat zij hem vleien, nu vooral nu hij den ex-keizer in zijn macht heeft, dit belet echter niet dat zij tenzelfden tijd ook ons tot vriend trachten te houden en Pakoe Boewana ten minste uiterlijk hulde bewijzen.”

„We moeten die uiterlijke bewijzen van trouw voor lief nemen, totdat wij overtuigd raken van het tegendeel en ons bepalen hen nauwlettend te bewaken. Wij nemen hun diensten aan maar schenken hen geen vertrouwen in ruil. Dit zal onze stelregel wezen.”

„De grootste moeilijkheid echter is ongetwijfeld onze geheele onbekendheid met de landstreken, waarin Soerapati huishoudt. Nog nooit, zoolang hij het bewind voert, heeft een Hollander—overloopers niet te na gesproken—daar den voet gezet; wat wij van zijn regeering en de inrichting van zijn rijk weten, dat hoorden we slechts uit weinig betrouwbare inlandsche berichten. En ’t is toch noodzakelijk vóórdat wij onze hand in dat wespennest steken, iets meer te weten van den man, dien wij gaan bestrijden. Zou er geen mogelijkheid toe bestaan zich daar van te vergewissen?”

„Uw raad is niet verwerpelijk maar het hoe biedt ernstige, bijna onoverkomelijke bezwaren aan. Wij kunnen er spionnen heenzenden, maar deze moeten toch ook Europeanen zijn, daar wij de inlanders weinig vertrouwen kunnen en er op hun waarnemingen geen staat te maken is.”[120]

„Een Europeaan hebben wij in de eerste plaats noodig, die alles met zijn eigenaardigen blik beschouwt en weet, wat hij op moet merken en welke toestanden zijn meeste aandacht verdienen; maar hoe zullen wij dezen in Soerapati’s onmiddellijke omgeving laten doordringen? Kleur en spraak zullen hem verraden.”

„Maar reeds menige Europeaan is naar hem overgeloopen; ik hoorde zelfs dat reeds menige blanke deserteur hem zijn diensten aangeboden heeft. Zou men thans ook niet één of meer vertrouwde mannen onder datzelfde masker naar hem kunnen zenden?”

„Vergeet niet dat de slimme vogel thans meer dan ooit op zijn hoede zal wezen en wee dengene, die hem wil verschalken. Hetis noodzakelijkin de eerste plaats, dat noch hij noch zijn dienaar vermoeden, dat onze verspieder in zijn rijk is. Degene, dien wij daartoe afzenden, moet listig, dapper, welonderwezen zijn en door zijn uiterlijk de achterdocht der inboorlingen niet opwekken.”

„Waar zou men zulk een zeldzaam wezen kunnen vinden?”

„Daar valt mij iets in! Mijn aandacht werd gevestigd op een jong, knap soldaat—ik geloof dat hij onlangs bevorderd is—tot korporaal. Hij heeft een kaart gemaakt van het oorlogsterrein, die ik zeer goed bruikbaar vond; gelegenheid om zijn moed te toonen heeft hij niet gehad maar de goede kapitein Wels, die helaas! viel als offer van het moordend klimaat, meldde mij nog dat in de weinige schermutselingen, die hij had meegemaakt, zijn dapperheid hem veel te veel deed wagen; doch wat hem vooral aanbevelingswaardig doet zijn voor dergelijke zending, dat is zijn donker voorkomen.”

„Is hij Hollander?”

„Ik zou ’t wel denken, hoewel zijn kleur van gelaat en haar meer aan een Italiaan of Spanjaard herinneren. De arme knaap[121]moet in de laatste dagen, welke hij te Batavia doorbracht, nog een onaangename zaak hebben gehad. Men heeft hem beschuldigd van een diefstal, waar slechts een liefdeshistorietje in ’t spel was. Zijn Edelheid de Opperlandvoogd beval mij hem door een enkel woordje aan.”

„Het beste zou wezen, wanneer Uw Edelheid hem eens over het onderhavige geval zelf sprak.”

„Gij hebt gelijk en ik wil het dadelijk doen.”

Hij tikte op de tafel en gaf bevel aan den binnentredenden ordonnans den korporaal Walter te doen roepen.

Weinige oogenblikken later kwam de korporaal binnen en groette de beide groote heeren eerbiedig.

„Wij hebben u doen ontbieden korporaal,” begon de Opperbevelhebber de Wilde, „daar wij ons willen vergewissen of gij de noodige vereischten bezit om eenmoeilijke, gevaarvolle zending te volvoeren.”

Robert bracht even de hand aan het hoofd, hij antwoordde niet maar zijn groote donkere oogen vonkelden van blijde verwachting.

„Hebt gij moed?”

„Ik hoop ’t u te toonen, Heer Opperbevelhebber, als de gelegenheid er zich toe aanbiedt.”

„Maar er is meer noodig dan de moed, die u aan het hoofd van een leger doet vechten onder de bevelen uwer meerderen?”

„Ook dat meerdere hoop ik te bezitten.”

„Ge zult list en beleid dienen te gebruiken.”

„Daarin heb ik nog weinig proeven afgelegd, maar ik hoop dat de gelegenheid als een goede meesteres ze mij zal leeren.”

„Gij spreekt goed, uw uitspraak is beschaafd, ik heb gehoord dat het u niet aan kundigheden ontbreekt, dat gij u gemakkelijk[122]in het Fransch, Hoogduitsch en Engelsch kunt uitdrukken. Waar hebt gij uw opvoeding ontvangen?”

„In Amsterdam.”

„Dus behoort gij zeker tot een goede familie.”

„Ik heb geen familie,” antwoordde hij dof.

„Is Walter uw eenige naam?”

„Mijn eenige.”

„Ik wil niet meer vragen, gij schijnt reden te hebben om uw voorgaand leven met een diepen sluier te bedekken. Ik eerbiedig uw geheim; maar nog een vraag: Kent gij Maleisch en Javaansch?”

„Niet meer dan om mij tegenover de inboorlingen te kunnen uitdrukken voor de gewone behoeften van het dagelijksch leven in het leger. Ik heb echter, ’t zij met bescheidenheid gezegd, een groot gemak voor het aanleeren van vreemde talen.”

„’t Is goed, ik zal een Javaanschen Mantri aanwijzen, die u grondig zijn taal leert; gij weet reeds iets van de taal. Hoeveel tijd denkt gij noodig te hebben om ze te leeren verstaan en spreken?”

Robert dacht even na.

„Drie maanden.”

„Welnu, reeds heden zullen uw lessen beginnen; en bereid u dan voor op een hoogst gewichtige zending. Wanneer gij in mijn geest die uitvoert, dan wacht u van de Hooge Regeering een schitterende belooning, waarschijnlijk den officiersrang.”

Opnieuw schoten Robert’s oogen stralen vuur; maar hij sloeg ze neer, zijn lippen trilden en in zijn hart fluisterde hij:

„O Digna, hoe tevreden zult gij dan zijn!”

„Maar ik kan u niet ontveinzen dat er groote, zeer groote gevaren aan verbonden zijn, en dat ge groote kans loopt uw leven onderwijl te verliezen.”

Minachtend trok de jonge man zijn wenkbrauwen op.[123]

„Aan mijn leven hecht ik volstrekt niet. ’t Is niets waard, ik zal gelukkig zijn, wanneer ik het geven mag in dienst van het vaderland.”

„Ge wilt u dus met die taak belasten, al weet gij nog niet, waaruit zij bestaat?”

„Ja, Heer Opperbevelhebber! Ik zal gelukkig zijn die te mogen uitvoeren, en ik hoop het in mij gestelde vertrouwen niet te beschamen.”

Juist trad een jonge onderkoopman, die den gezaghebber Ram moest spreken, binnen; toen hij Robert zag, die juist het vertrek wilde verlaten, bleef hij onthutst staan.

„Van Reijn,” zeide hij halfluid, als onwillekeurig.

De andere zag om, als had hij op een doorn getrapt, zijn blos bewees hoe hij schrikte, maar hij wendde dadelijk het hoofd af, groette zijn meester en vertrok.

„Kent gij dien man?” vroeg de Heer Ram aan den koopman.

„Ja, Edele Heer, uit Amsterdam. Zijn vader en de mijne waren vrienden, ten minste.…”

„En wie was zijn vader?”

„De oud Expres-commissaris in Indië, Jozef van Reijn.”

„Wat zegt ge, van Reijn, maar die had geen kinderen.”

„Dat heeft men later ook bemerkt; de oude heer had hem met zich uit Indië meegebracht en hem steeds behandeld als zijn eigen zoon. Hij voerde geheel en al het leven van een rijken, patricischen jonker, totdat zijn vader plotseling stierf en toen bleek het dat Heer van Reijn in het geheel niet zijn vader was. Hij verdween nog voor de begrafenis en niemand wist tot nu toe, wat er van hem geworden was.”

„En hoe gedroeg hij zich in Amsterdam?”

„Hij was een vroolijke klant, jong en een weinig lichtzinnig, maar trouw als goud; zijn pleegvader had hem op zijn handelskantoor[124]geplaatst, zeker met het voornemen hem een aandeel in de zaken te geven. Niemand weet of hij daarin voorzien had, want zijn haastige vlucht sneed alle betrekking met zijn vroegere bloedverwanten af. Hij had echter weinig lust in den koopmansstand; zijn hart trok naar het militaire leven, maar een teedere verhouding, die er bestond tusschen hem en de juffrouw van Starenwijck, deed hem in ’s vaders wil berusten.”

„Dus gij weet niets ten zijnen nadeele?”

„Volstrekt niet. Zijn makkers hielden allen veel van hem; hij was onder zijne medeleerlingen een der eersten; zijn drift deed hem somwijlen een misstap begaan, maar hij was eerlijk en oprecht, een liefhebbend zoon en vurig minnaar.”

„Daar hebben wij niets mee te maken. Ge meent echter zeker te weten dat deze korporaal en uw vroegere speelmakker dezelfden zijn?”

„Ik geef er mijn woord op. Daarenboven Uw Edelheden zagen zelf hoe hij op ’t noemen van zijn naam zich omwendde.”

„’t Is wel! Ga nu tot de behandeling uwer eigen zaken over.”

Zoodra hij vrij was, begaf zich Bosma, de onderkoopman naar de kazerne en vond daar Robert een weinig afgezonderd staan, hij hield een boekje met Javaansche karakters in de hand.

„Robert,” zeide hij, „gij wilt mij niet meer kennen.”

De andere zag hem aan.

„Neen,” gaf hij ten antwoord, „’t is beter dat we elkander niet meer kennen ten minste voorloopig niet. Eens hoop ik echter met een nieuwen naam en een nieuwe toekomst u en ook anderen in de oogen te zien. Dan neem ik het niet meer als gunst aan dat menschen mijner nog willen gedenken.”

„Ik hoop dat oogenblik te zien. Ik heb veel goeds van u aan Hun Edelheden verhaald, misschien zal ’t u voordeel doen.”

„Gij hebt toch niet alles gezegd?”[125]

„Wat ik wist alleen.”

Robert beet zich op de lippen.

„Ook van haar?” vroeg hij.

„Van juffrouw van Starenwijck?”

„Noem haar zoo en niet anders. Ik smeek er u om?”

Bosma wist niet dat Digna vroeger juffrouw Tak en thans mevrouw Voorneman heette en beloofde het gaarne.

„Laten we elkander voortaan niet meer kennen,” smeekte Robert, „met het verleden heb ik gebroken. Wat de toekomst mij zal geven en toestaan, weet God alleen!”

En de Opperbevelhebber zeide hoogst tevreden tot den Heer Michel Ram:

„Ik geloof dat ik den rechten man gevonden heb.”

„Hij is misschien wat jong, wat onbesuisd, wat driftig.”

De andere schudde minachtend het hoofd:

„Met die hoedanigheden zal hij slechts zich zelf schade doen. En ge hebt zelf gehoord. Hij staat alleen op de wereld. Er is niet veel aan hem gelegen. Slaagt hij, uitstekend, zoo niet, dan is er slechts een verloren mensch minder op de wereld.”


Back to IndexNext