VIERDE GEDEELTE.[Inhoud]I.DE KONINGIN VAN HET OOSTEN.Batavia!De „Koningin van het Oosten” ontwaakte uit haar middagsluimering; de zon dook langzaam weg in de wateren der zee, een wazige, roode sluier zakte neer over de eilanden, rondgestrooid in de met schepen van allerlei grootte en vorm gevulde baai, die haar tot haven strekte, en van waaruit de milde Vorstin haar schatten wegzond naar alle windstreken of waar haar de tol gebracht werd van de landen en steden aan haar macht onderworpen. De gloeiende, door de zon geblakerde huizen van het Kasteel en de huizen der stad koelden zachtkens af onder een frissche bries, welke de zee landwaarts zond nu de avond aan het vallen was.Uit de huizen kwamen de bewoners allengs naar buiten, de schuiten die in de grachten en in de rivieren dreven, werden langzamerhand gevuld, door hen, die òf een speeltochtje wilden doen, òf op gemakkelijke wijs naar een ander eind der stad wenschten vervoerd te worden. Onder de hooge boomen, die aan weerszijden de groote rivier overschaduwen, welke van de Diestpoort af de stad in tweeën deelt, bewogen zich vele Chineezen, Javanen, Mestiezen, slaven en slavinnen.Ten Zuiden, dicht bij den stadswal omzoomen fraaie huizen[2]door Europeanen bewoond den weg links en rechts van het water; drie bruggen op gewelven rustend verbinden de beide oevers aan elkander, verderop zijn het meest winkels van Chineezen, kleine onaanzienlijke, lage huizen, die uitzicht geven op den tot markt gebruikten breeden weg. In de winkels zelf vindt men alles wat er op Batavia te koop geboden wordt; Japansche koopwaren en Europeesche kleedingstoffen, kramerijen en wapens, uitdragerstuig en kostbare Chineesche vazen. Midden op de straat staan nog rijen met kramen onder loodsen, drie dwarsgrachten verdeelen die markten in drieën; de eerste is de groentenmarkt; op de tweede worden, ’s morgens althans, visschen verkocht, groote kakaps, hartige bandengs, reusachtige garnalen, de afzichtelijke inktvisch en de geliefkoosde kapiting of krabben, liggen op houten schragen, uitgespreid, en vervullen de lucht met hun eigenaardige uitwasemingen. Smakelijker zijn de nu volgende passers, waarin de heerlijkste vruchten uitgestald liggen, de geurige ananassen en de bloedroode pompelmoezen in hun gouden schillen, de rijke verscheidenheid van djamboes en djeroeks, in alle kleuren en grootten, de harige ramboetans en de donkerpaarsche mangistan met het witte, donzige hart, geurig vleesch dat echter een bittere, groene pit omgeeft; manden vol geelkleurige doekoes en vrachten van katjangs of olienoten; een rijkdom van bloemen, die de lucht balsemachtig kruiden, witte melati’s in knoppen of ten volle ontloken, snoeren van tandjoeng, groene en gele kananga’s, sierlijk samen gebonden tuiltjes van katjapirings en tjampaka’s; al die kraampjes strekken zich uit tot de derde markt waar eenden en hoenders hun weinig harmonische geluiden doen hooren.Op dit uur van den dag zijn er slechts weinige Europeanen hier te zien en deze behooren nog tot de laagste klassen der bevolking; het zijn ambachtslieden, smeden, timmerlieden, of[3]metselaars, schoenmakers in dienst der Compagnie met vrouw en kinderen, die zich door een wandeling verpoozen van hun zwaar werk gedurende de hitte van den dag, of wel soldaten in hun havelooze kleeding, die met hongerige blikken naar zooveel maagopwekkende artikelen rondzien, want de keuken en de portiën van het regiment zijn schraal en de soldij is wanhopig laag. Kleurlingen zoeken bij de bloemwinkels trossen bloemen uit, waarmede zij hun liefjes straks willen verrassen, Javaansche huishoudsters doen haar inkoopen, al lovend en biedend; eenige Arabieren bewegen zich kalm en deftig langs de winkels der Chineezen, die op luidruchtigen toon hun waar te koop aanbieden. Soms verwaardigen zij zich naar den prijs van het een of ander te vragen maar gewoonlijk halen zij minachtend de schouders op en zetten hun weg voort, langs de vleeschhal, die op palen boven de rivier gebouwd is en een hoog zwaar pannendak draagt.De Europeanen vindt men thans in de deftiger wijken meest aan de Oostzijde der stad; daar langs de Tijgergracht met haar prachtige dubbele rij tamarinde boomen, zitten zij op hun stoepen voor hun gegevelde, wit gekalkte huizen onder het genot der onvergetelijke Goudsche pijp of zij wandelen langs het water en door de Prinsenstraat over het Kasteelplein en de Leeuwinne- of Kaaimansgracht terug. Het is hier een Oostersche stad met een Europeesch aanzien. De ingangen zijn van onderdeuren, de stoepjes van leuningen en banken voorzien; zag men daar niet geheele huisgezinnen op straat zitten, men zou zich in een Noord- of Zuid-Hollandsche stad wanen; ook de kleeding is nog bijna geheel Europeesch de dames hebben keurslijven aan en rokken van zware stof, de heeren gaan gebukt onder het verguldsel dat hun kragen en mouwen bedekt en onder hun zware pruiken.[4]Weinige wandelaars ziet men hier gemoedelijk naast elkander gaan in deze straten; de meesten zijn gevolgd door eenige slaven, waarvan er een het vuurtouw, een ander het zonnescherm, teeken der waardigheid zijns meesters, een derde zijn snuifdoos draagt; de dames, die meest allen zich van haar echtgenooten afzonderen, wandelen gevolgd door een kleinen slaaf, die haar langen sleep ophoudt, terwijl een slavin de pajong boven haar hoofd uitspant en een paar anderen haar gevolg voltooien. Zij zelf wuift zich met haar waaier eenige koelte toe, tot het oogenblik dat zij een andere dame ontmoet, haar meerdere in rang; eerbiedig wijkt zij dan met haar stoet terzijde om een diepe neiging te maken, die de andere met een genadigen hoofdknik beantwoordt; straks stelt zij zich voor dat huldebetoon schadeloos door een andere, op nog gevoeliger wijze te toonen, dat zij op haar beurt ook de meerdere kan spelen.Eenigen dalen de trappen af, die in het metselwerk der grachten zijn aangebracht en stappen met hun stoet van slaven en slavinnen in de versierde Chineesche prauwen; slaven brengen de riemen in beweging, anderen maken met hun instrumenten—javaansche viool, guitaar of cither—muziek en de booten glijden zachtkens over de grachten totdat de maan opkomt en haar helder witten glans over de vesting giet.In het Kasteel dat omgordeld door hooge groene struiken zijn sterke wallen van witten koraalsteen opheft uit de beide grachten, houdt de Opperlandvoogd of Generaal, die thans Johan Van Hoorn heet, zijn gewone middagreceptie op de stoep zijner woning.Deze woning bevindt zich rechts van het middenplein te midden der veste; de kleine achthoekige Kasteelkerk verbindt het met de tegenoverliggende woningen van de gewone Raden van Indië.[5]Het is evenals alle andere Bataviasche huizen twee verdiepingen hoog; een breed en hoog bordes geeft iets voornaams aan het uitzicht, evenals het koepeltje boven het pannendak, waar een schip der Koningin van het Oosten tot windwijzer dient, herinnering misschien aan het stadhuis, waarmede Jacob van Campen de „Keizerin van Euroop” versierde.De receptie is zoo huiselijk mogelijk; de Edele Generaal zit in het midden, de hoogste in rang naast hem en zoo verder nauwkeurig naar rangorde zijn de stoelen in halven cirkel geschikt, ieder spreekt met zijn buurman, en rookt zijn Goudsche pijp; algemeene gesprekken worden niet gehouden, de etiquette verbiedt iemand dat de Generaal hem hoore spreken.Slaven dienen bier rond, en de Oppergebieder drinkt af en toe de gezondheid van het gezelschap en hun vrouwen, welke toasten onmiddellijk beantwoord worden; de gezellige ontvangst duurt tot 9 uur. De wacht van het fort wordt gehouden door hellebaardiers, krachtige jonge mannen in gele wambuizen en scharlaken zijden met lissen versierde broeken; de overige wachten zijn in treurigen sjofelen toestand; komt de Opperlandvoogd langs dan moeten zij op het geroep van den wachthebbenden sergeant onder de wapenen komen, men ziet ze verschijnen in allererbarmelijkst plunje meestal zonder kousen of schoenen, met gescheurde wambuizen en blootshoofds.Hun ellendige verblijfplaatsen zijn aangebracht in de vier punten van het fort, Parel, Robijn, Diamant en Safier. Indrukwekkender dan de krijgers zijn de kanonnen, die op de vlakke daken rusten van de tegen de wallen staande provisiekamers en pakhuizen der Compagnie en die den geheelen omtrek met vuur en dood bedreigen.Midden in de stad aan de groote rivier is nog een soort van[6]wachttoren aangebracht, die eveneens zijn vuurmonden naar alle richtingen geopend houdt.Druk en vroolijk leven heerscht er vooral in de zoogenaamde achterbuurten, ten N. W. der stad, in de Zandzee, maar vooral in de Lepelstraat, die huis aan huis uit herbergen of kroegen bestaat.Een lustige muziek lokt daar de vroolijke klanten naar binnen, matrozen, die op de prauwen wachten, welke hen naar hun schepen moeten brengen, vóórdat de klok negen slaat, of liever vóórdat de wachten van het Kasteel door den zandlooper gewaarschuwd negen slagen doen weergalmen op het bekken, want de Koningin van het Oosten is nog geen openbaar uurwerk rijk.Om negen uur toch wordt de groote rivier door een zwaren ijzeren ketting van de haven afgescheiden; en na dat uur vervliegt ook de glorie van de Lepelstraat.Nu echter zijn de lichten pas ontstoken, Jan-Maat met zijn bruin liefje aan den arm, gaat daar huis in, huis uit, of blijft kijken naar een troep Javaansche tooneelspelers, topeng genaamd, die voor eenige duiten hun kluchten vertoonen; een Javaan hurkt met zijn draagbaar keukentje neer om aan een paar Europeanen, die geen woord Maleisch kennen, zijn waren te slijten; nauwelijks hebben zij echter een bete geproefd of luid vloekend en tierend werpen zij het brandende mengsel van zich af tot groote vroolijkheid der omstanders maar tot minder stichting van den koopman, die wellicht levenslang op het geld zal moeten wachten.Uit een der herbergen kwamen twee soldaten der Compagnie; beiden zagen er uit alsof zij hun laatsten duit daar binnen ten offer hadden gebracht om voor een oogenblik opwinding te koopen; min of meer wankelend was hun gang, hoogrood hun trekken, waarop, hoewel in verschillende mate, ongebondenheid en een ongeregeld leven hun stempel hadden gedrukt.[7]De oudste met een bol glimmend gelaat, waarop hier en daar een rosse plek de vergeefsche pogingen aanduidde, welke de baard maakte om er door heen te komen, zag er uit of hij een verleden achter zich had, waarvan de galg de meest gepaste eindpaal moest wezen; zijn havelooze kleederen waren verscheurd of versteld op een wijze, die een scheur nog verkieselijker deed schijnen, zijn sluike roode haren, welke niet eens meer tot den schedel en het voorhoofd reikten, waren door een gedeukten hoed bedekt; de schoenen trokken slechts de aandacht door hun afwezigheid, want men kon dien naam niet geven aan de onoogelijke sloffen, welke hun plaats innamen, en een scheiding maakten tusschen de bloote voeten en het zand van de ongeplaveide straat.De andere zag er iets beter uit; werden zijn kleederen beter gedragen of waren deze nieuwer en minder versleten? Wie kon het zeggen? Niemand lette genoeg op het tweetal om aan deze vraag eenige aandacht te leenen. Zoo merkte dan ook niemand op dat deze jonge man—want jong was hij blijkbaar nog—om zijn kleur gemakkelijk onder de kleurlingen kon gerekend worden, nog minder dat honger en verdriet uit zijn groote, zwarte oogen blikten, de pas gebruikte drank had die oogen wel kunnen benevelen, maar geen blos op de vaalgele wangen geschilderd.De andere hield hem bij zijn kleed vast:„Ja, zie je,” sprak hij in vrij gebroken Hollandsch met dikke tong en volle keel om het andere woord haast zijn rede versterkend met een Duitschen vloek, „ik zeg maar als we dat niet hadden! Zoo’n teugje vuurwater is nog ’t beste wat zij in dat beroerde Holland hebben; wat dunkt jou?”„Ik wilde dat ik dien ellendigen kost nooit aan mijn lippen had gebracht en nog liever dat ik hem niet noodig had om mijn honger te bedwingen en mijn leed te vergeten.”[8]„Sapperdement Donnerwetter! Heb je leed? Kom, zoo’n flinke jonge kerel als jij! Wat voor leed kun je hebben? Toch niet om een liefje, hè! Geloof me, laat je met geen vrouwvolk in, want dat kost geld, veel geld, en het bedriegt je; wij hebben weinig geld en dat kunnen we nergens beter gebruiken als daar binnen, dat goedje bedriegt niet, potztausend! Zullen we hier eens ingaan? Tonne Mie heeft weergaasch goed bier ook!”„Neen, van avond niet meer. Hoe zouden we ook kunnen! Ik heb niets meer.”„En ik heb crediet! alle duivels! Of wat denk je, weet je wie ik ben? De Markgraaf von Schweinshausen, daar boven aan den Rhijn, is mijn volle neef en ik zou stellig in zijn plaats gekomen zijn, als ik aan de Hoogeschool van Bonn niet dat standje had gehad met den zoon van den Ridder von Schönfeld, dien ik in een duel neerschoot, den gemeenen hond, die mij voor dronkaard durfde uitmaken. Na dien tijd heb ik niets dan ongelukken gehad; eerst trachtte ik in dienst van den grooten koning van Frankrijk mijn fortuin te beproeven, maar dat was ook mis, mijn ongelukkige vaderlandsliefde deed me daar spoedig ruzie krijgen met een superieur nog wel, en die Franschen zijn zoo ongenadig trotsch. Ik zou zoo waar een kogel hebben opgeloopen, als ik niet bijtijds de plaat had gepoetst, en van daar kwam ik ja, zie je dat herinner ik me niet meer, maar dat weet ik wel, dat, waar ik ook geweest ben, en dat is op verduiveld veel plaatsen, ik nergens in zoo’n beestenboel verdwaald geraakt ben als hier; dat is geen plaats voor menschen van fatsoen en stand, en dat zijn toch de meesten van ons, en jij ook! Wat was je eigenlijk daar in het groote, heerlijke Europa?”„Ik? Wat ik hier ben! Niets!”„Maar je bent toch van goede afkomst? Dat zeggen ze allemaal!”[9]„Wie zegt je dat? Wel neen! Ik heb geen naam, geen familie, geen vaderland, niets! Ik heb maar een doel, hier een kogel zoeken.”„Je bent een rare snoeshaan, dat heb ik reeds dadelijk gemerkt. Niets gaat je goed af, zelfs drinken niet, al doe je nog zoo je best om mee te doen. Maar als je nergens meer heen wilt, wat doe je langer hier? Zie je, als je heerlijke concerten gehoord hebt in Duitschland en Frankrijk, dan maken je die krassen op de viool en dat gepiep van die fluit misselijk, en als je dan denkt aan de tooneelspelen op de eerste schouwburgen in de vorstelijke residenties, dan zeg je ook: Ik heb genoeg van die flauwe pret; maar je hebt zeker nooit iets dergelijks gehoord of gezien.”„En ik ben in Amsterdam geweest en ik heb daar op het tooneel den Lucifer gehoord en Gijsbreght van Amstel, de meesterstukken van onzen grooten Vondel, ik heb gelachen om Warnar van den Muider Drost en het Moortje van Brederoo en gehuiverd bij de bloedige spelen van Jan Vos! O, ’t was zoo heerlijk!”Zijn doffe oogen fonkelden en dat laatste woord klonk haast als een smartkreet door de herinnering aan zijn borst ontwrongen.„Dan heb je toch nog iets gehad! En ik dacht dat jij je niets meer herinnerde!”„Was ’t maar zoo! Had ik geen herinnering, ik zou me misschien in dit pesthol nog eens kunnen t’huis voelen, maar die herinneringen, o, die herinneringen! Kon ik ze wegspoelen, ik dronk van den morgen tot den avond!”„Hé! Ik wou dat het mogelijk was en ik dan in je gezelschap mocht zijn, maar je wordt gevoelig, knaap! Je hebt een huilenden dronk. Schud die herinneringen maar af, neem een voorbeeld aan mij! Wat heb ik geen macht van herinneringen, ik, de volle neef van Freiherr, ik bedoel Hertog von Schweinshausen, die[10]hier als gemeen soldaat dien, maar ik blijf er lustig onder en denk, waar ge ook zijt, daar vindt ge weer dobbelsteenen, vrouwen en wijn, en al is dat alles hier van ’t allerellendigste kaliber, je moet er maar tevreden mee wezen.”De andere zuchtte diep; zijn makker had gelijk, hem sloeg de drank blijkbaar ter neer.„Ik moest niets meer drinken of anders heel veel,” zeide hij mismoedig, „zoo’n enkel teugje maakt me nog treuriger. Dan denk ik weer aan alles wat ik eenmaal bezat en dat ik reddeloos verloor.”„Niets is verloren, kerel, zoolang jij nog je lijf hebt; ben je dat kwijt, ja, dan ziet het er eerst leelijk met je uit, maar vóór dien tijd.… weet je wat? Ga met me mee, ik weet op de Rhinocerosgracht een zekeren Chinees wonen, een fideele vent, die gunt een dapper soldaat graag een spelletje kaart; je speelt er op je nog niet ontvangen soldij zonder eenig pand. Laatst heb ik er nog twee rijksdaalders gewonnen, en ik weet iemand, die nu een karos houdt en wel vijftig slaven, die er honderd dukaten won toen hij nog gemeen soldaat was, daarmee kocht hij zich vrij, zette een winkeltje op, trouwde een rijke zwarte vrouw, kocht zich later een schepensplaats en behoort nu tot de groote Hansen, die met den Edelen Generaal een pijp rooken op de puie zijner woning!”„Zoover zal ik ’t nooit brengen!”„Omdat jij herinneringen hebt! Laat die varen en volg me liever, spoedig zul jij ’t misschien niet meer kunnen doen, want ze zeggen dat er oorlog in de lucht zit. Daar in Karta-Soera moeten ze weer aan het rommelen zijn; ’t is waarlijk of de eene bruinvisch niet precies gelijk aan den andere is. Ik begrijp niet wat het de Compagnie schelen kan, welke smeerpoes daar de beest speelt, en dan nog verderop bovenSoerabaya, noemen ze[11]dat nest, geloof ik, zit er zoo’n oude snoeshaan, die hun allemaal te slim af is.”„Soerapati bedoelt ge?”„Kan wel; al die koeterwaalsche namen kan mijn Duitsche tong niet uitspreken. Was het nu maar Rademacher, Schönhausen, von Schweinsfeldt, zooals ik vroeger heette, nu die kerel is hun allen de baas. Hij moet vroeger slaaf zijn geweest, zegt men, en nu is hij nog machtiger dan de koning van Java, en nu begrijp je dat de Compagnie, die ’t hoofd zoo hoog draagt, dat niet dulden kan en … en … Zou ’t jou kunnen schelen wie hier de baas was? Mij niets! Als die Javaansche mijnheer mij een dukaat meer soldij geeft in het jaar en behoorlijke kousen en schoenen, dan zeg ik die Hollandsche kaaskoppen Adjé. En jij?”„Een verrader worden, een deserteur? Nimmer!”„Wat, doe je nog aan trouw? Ha, ha! Die artikelen hebben geen waarde op de passer. Gaan we nu naar mijn bah-bah1of niet?”„Neen, ik wil rusten, ik denk dat ik ’t nu zou kunnen, het gebeurt me zoo weinig dat ik slaap.”„En ik slaap veel te veel, kom, ga mee.”„Neen, Dikkop, waarlijk niet! Zeg me een woord, denk je dat er werkelijk oorlog komt?”„Wis en zeker! Ik ben er niets op gesteld, liever een leven als hier in de barakken van den Robijn, dan gevaar te loopen een blauwe boon te slikken.”Het was geheel donker geworden en de Koningin van het Oosten werd slechts flauwtjes door de kunst verlicht, als de maan er zich buiten hield. Zij waren op het met hooge boomen beplante Kasteelplein aangekomen, dat nog vol stond van de karossen der[12]gasten die de receptie hadden bezocht, want ook mevrouw de Generaal ontving. Juist verliet een aanzienlijke dame de landpoort van het Kasteel, de toortsen der slaven wierpen hun flikkerende lichten in de diamanten en gouden borduursels harer kleederen; een deftig gekleed heer leidde haar naar de wachtende karos, die zij met zeldzame gratie besteeg.„’t Is de pas aangekomen nicht van zijn Excellentie,” zeiden een paar toeschouwers.„Hé, wat scheelt je? Val je van ’t stokje?” vroeg de Dikkop zijn kameraad.„Och neen, ’t is niets, ik dacht … och, ’t was weer een herinnering.”„De duivel hale je herinneringen!” gromde de andere. „Daar zal je nog pret van beleven!”1Chinees.↑
VIERDE GEDEELTE.[Inhoud]I.DE KONINGIN VAN HET OOSTEN.Batavia!De „Koningin van het Oosten” ontwaakte uit haar middagsluimering; de zon dook langzaam weg in de wateren der zee, een wazige, roode sluier zakte neer over de eilanden, rondgestrooid in de met schepen van allerlei grootte en vorm gevulde baai, die haar tot haven strekte, en van waaruit de milde Vorstin haar schatten wegzond naar alle windstreken of waar haar de tol gebracht werd van de landen en steden aan haar macht onderworpen. De gloeiende, door de zon geblakerde huizen van het Kasteel en de huizen der stad koelden zachtkens af onder een frissche bries, welke de zee landwaarts zond nu de avond aan het vallen was.Uit de huizen kwamen de bewoners allengs naar buiten, de schuiten die in de grachten en in de rivieren dreven, werden langzamerhand gevuld, door hen, die òf een speeltochtje wilden doen, òf op gemakkelijke wijs naar een ander eind der stad wenschten vervoerd te worden. Onder de hooge boomen, die aan weerszijden de groote rivier overschaduwen, welke van de Diestpoort af de stad in tweeën deelt, bewogen zich vele Chineezen, Javanen, Mestiezen, slaven en slavinnen.Ten Zuiden, dicht bij den stadswal omzoomen fraaie huizen[2]door Europeanen bewoond den weg links en rechts van het water; drie bruggen op gewelven rustend verbinden de beide oevers aan elkander, verderop zijn het meest winkels van Chineezen, kleine onaanzienlijke, lage huizen, die uitzicht geven op den tot markt gebruikten breeden weg. In de winkels zelf vindt men alles wat er op Batavia te koop geboden wordt; Japansche koopwaren en Europeesche kleedingstoffen, kramerijen en wapens, uitdragerstuig en kostbare Chineesche vazen. Midden op de straat staan nog rijen met kramen onder loodsen, drie dwarsgrachten verdeelen die markten in drieën; de eerste is de groentenmarkt; op de tweede worden, ’s morgens althans, visschen verkocht, groote kakaps, hartige bandengs, reusachtige garnalen, de afzichtelijke inktvisch en de geliefkoosde kapiting of krabben, liggen op houten schragen, uitgespreid, en vervullen de lucht met hun eigenaardige uitwasemingen. Smakelijker zijn de nu volgende passers, waarin de heerlijkste vruchten uitgestald liggen, de geurige ananassen en de bloedroode pompelmoezen in hun gouden schillen, de rijke verscheidenheid van djamboes en djeroeks, in alle kleuren en grootten, de harige ramboetans en de donkerpaarsche mangistan met het witte, donzige hart, geurig vleesch dat echter een bittere, groene pit omgeeft; manden vol geelkleurige doekoes en vrachten van katjangs of olienoten; een rijkdom van bloemen, die de lucht balsemachtig kruiden, witte melati’s in knoppen of ten volle ontloken, snoeren van tandjoeng, groene en gele kananga’s, sierlijk samen gebonden tuiltjes van katjapirings en tjampaka’s; al die kraampjes strekken zich uit tot de derde markt waar eenden en hoenders hun weinig harmonische geluiden doen hooren.Op dit uur van den dag zijn er slechts weinige Europeanen hier te zien en deze behooren nog tot de laagste klassen der bevolking; het zijn ambachtslieden, smeden, timmerlieden, of[3]metselaars, schoenmakers in dienst der Compagnie met vrouw en kinderen, die zich door een wandeling verpoozen van hun zwaar werk gedurende de hitte van den dag, of wel soldaten in hun havelooze kleeding, die met hongerige blikken naar zooveel maagopwekkende artikelen rondzien, want de keuken en de portiën van het regiment zijn schraal en de soldij is wanhopig laag. Kleurlingen zoeken bij de bloemwinkels trossen bloemen uit, waarmede zij hun liefjes straks willen verrassen, Javaansche huishoudsters doen haar inkoopen, al lovend en biedend; eenige Arabieren bewegen zich kalm en deftig langs de winkels der Chineezen, die op luidruchtigen toon hun waar te koop aanbieden. Soms verwaardigen zij zich naar den prijs van het een of ander te vragen maar gewoonlijk halen zij minachtend de schouders op en zetten hun weg voort, langs de vleeschhal, die op palen boven de rivier gebouwd is en een hoog zwaar pannendak draagt.De Europeanen vindt men thans in de deftiger wijken meest aan de Oostzijde der stad; daar langs de Tijgergracht met haar prachtige dubbele rij tamarinde boomen, zitten zij op hun stoepen voor hun gegevelde, wit gekalkte huizen onder het genot der onvergetelijke Goudsche pijp of zij wandelen langs het water en door de Prinsenstraat over het Kasteelplein en de Leeuwinne- of Kaaimansgracht terug. Het is hier een Oostersche stad met een Europeesch aanzien. De ingangen zijn van onderdeuren, de stoepjes van leuningen en banken voorzien; zag men daar niet geheele huisgezinnen op straat zitten, men zou zich in een Noord- of Zuid-Hollandsche stad wanen; ook de kleeding is nog bijna geheel Europeesch de dames hebben keurslijven aan en rokken van zware stof, de heeren gaan gebukt onder het verguldsel dat hun kragen en mouwen bedekt en onder hun zware pruiken.[4]Weinige wandelaars ziet men hier gemoedelijk naast elkander gaan in deze straten; de meesten zijn gevolgd door eenige slaven, waarvan er een het vuurtouw, een ander het zonnescherm, teeken der waardigheid zijns meesters, een derde zijn snuifdoos draagt; de dames, die meest allen zich van haar echtgenooten afzonderen, wandelen gevolgd door een kleinen slaaf, die haar langen sleep ophoudt, terwijl een slavin de pajong boven haar hoofd uitspant en een paar anderen haar gevolg voltooien. Zij zelf wuift zich met haar waaier eenige koelte toe, tot het oogenblik dat zij een andere dame ontmoet, haar meerdere in rang; eerbiedig wijkt zij dan met haar stoet terzijde om een diepe neiging te maken, die de andere met een genadigen hoofdknik beantwoordt; straks stelt zij zich voor dat huldebetoon schadeloos door een andere, op nog gevoeliger wijze te toonen, dat zij op haar beurt ook de meerdere kan spelen.Eenigen dalen de trappen af, die in het metselwerk der grachten zijn aangebracht en stappen met hun stoet van slaven en slavinnen in de versierde Chineesche prauwen; slaven brengen de riemen in beweging, anderen maken met hun instrumenten—javaansche viool, guitaar of cither—muziek en de booten glijden zachtkens over de grachten totdat de maan opkomt en haar helder witten glans over de vesting giet.In het Kasteel dat omgordeld door hooge groene struiken zijn sterke wallen van witten koraalsteen opheft uit de beide grachten, houdt de Opperlandvoogd of Generaal, die thans Johan Van Hoorn heet, zijn gewone middagreceptie op de stoep zijner woning.Deze woning bevindt zich rechts van het middenplein te midden der veste; de kleine achthoekige Kasteelkerk verbindt het met de tegenoverliggende woningen van de gewone Raden van Indië.[5]Het is evenals alle andere Bataviasche huizen twee verdiepingen hoog; een breed en hoog bordes geeft iets voornaams aan het uitzicht, evenals het koepeltje boven het pannendak, waar een schip der Koningin van het Oosten tot windwijzer dient, herinnering misschien aan het stadhuis, waarmede Jacob van Campen de „Keizerin van Euroop” versierde.De receptie is zoo huiselijk mogelijk; de Edele Generaal zit in het midden, de hoogste in rang naast hem en zoo verder nauwkeurig naar rangorde zijn de stoelen in halven cirkel geschikt, ieder spreekt met zijn buurman, en rookt zijn Goudsche pijp; algemeene gesprekken worden niet gehouden, de etiquette verbiedt iemand dat de Generaal hem hoore spreken.Slaven dienen bier rond, en de Oppergebieder drinkt af en toe de gezondheid van het gezelschap en hun vrouwen, welke toasten onmiddellijk beantwoord worden; de gezellige ontvangst duurt tot 9 uur. De wacht van het fort wordt gehouden door hellebaardiers, krachtige jonge mannen in gele wambuizen en scharlaken zijden met lissen versierde broeken; de overige wachten zijn in treurigen sjofelen toestand; komt de Opperlandvoogd langs dan moeten zij op het geroep van den wachthebbenden sergeant onder de wapenen komen, men ziet ze verschijnen in allererbarmelijkst plunje meestal zonder kousen of schoenen, met gescheurde wambuizen en blootshoofds.Hun ellendige verblijfplaatsen zijn aangebracht in de vier punten van het fort, Parel, Robijn, Diamant en Safier. Indrukwekkender dan de krijgers zijn de kanonnen, die op de vlakke daken rusten van de tegen de wallen staande provisiekamers en pakhuizen der Compagnie en die den geheelen omtrek met vuur en dood bedreigen.Midden in de stad aan de groote rivier is nog een soort van[6]wachttoren aangebracht, die eveneens zijn vuurmonden naar alle richtingen geopend houdt.Druk en vroolijk leven heerscht er vooral in de zoogenaamde achterbuurten, ten N. W. der stad, in de Zandzee, maar vooral in de Lepelstraat, die huis aan huis uit herbergen of kroegen bestaat.Een lustige muziek lokt daar de vroolijke klanten naar binnen, matrozen, die op de prauwen wachten, welke hen naar hun schepen moeten brengen, vóórdat de klok negen slaat, of liever vóórdat de wachten van het Kasteel door den zandlooper gewaarschuwd negen slagen doen weergalmen op het bekken, want de Koningin van het Oosten is nog geen openbaar uurwerk rijk.Om negen uur toch wordt de groote rivier door een zwaren ijzeren ketting van de haven afgescheiden; en na dat uur vervliegt ook de glorie van de Lepelstraat.Nu echter zijn de lichten pas ontstoken, Jan-Maat met zijn bruin liefje aan den arm, gaat daar huis in, huis uit, of blijft kijken naar een troep Javaansche tooneelspelers, topeng genaamd, die voor eenige duiten hun kluchten vertoonen; een Javaan hurkt met zijn draagbaar keukentje neer om aan een paar Europeanen, die geen woord Maleisch kennen, zijn waren te slijten; nauwelijks hebben zij echter een bete geproefd of luid vloekend en tierend werpen zij het brandende mengsel van zich af tot groote vroolijkheid der omstanders maar tot minder stichting van den koopman, die wellicht levenslang op het geld zal moeten wachten.Uit een der herbergen kwamen twee soldaten der Compagnie; beiden zagen er uit alsof zij hun laatsten duit daar binnen ten offer hadden gebracht om voor een oogenblik opwinding te koopen; min of meer wankelend was hun gang, hoogrood hun trekken, waarop, hoewel in verschillende mate, ongebondenheid en een ongeregeld leven hun stempel hadden gedrukt.[7]De oudste met een bol glimmend gelaat, waarop hier en daar een rosse plek de vergeefsche pogingen aanduidde, welke de baard maakte om er door heen te komen, zag er uit of hij een verleden achter zich had, waarvan de galg de meest gepaste eindpaal moest wezen; zijn havelooze kleederen waren verscheurd of versteld op een wijze, die een scheur nog verkieselijker deed schijnen, zijn sluike roode haren, welke niet eens meer tot den schedel en het voorhoofd reikten, waren door een gedeukten hoed bedekt; de schoenen trokken slechts de aandacht door hun afwezigheid, want men kon dien naam niet geven aan de onoogelijke sloffen, welke hun plaats innamen, en een scheiding maakten tusschen de bloote voeten en het zand van de ongeplaveide straat.De andere zag er iets beter uit; werden zijn kleederen beter gedragen of waren deze nieuwer en minder versleten? Wie kon het zeggen? Niemand lette genoeg op het tweetal om aan deze vraag eenige aandacht te leenen. Zoo merkte dan ook niemand op dat deze jonge man—want jong was hij blijkbaar nog—om zijn kleur gemakkelijk onder de kleurlingen kon gerekend worden, nog minder dat honger en verdriet uit zijn groote, zwarte oogen blikten, de pas gebruikte drank had die oogen wel kunnen benevelen, maar geen blos op de vaalgele wangen geschilderd.De andere hield hem bij zijn kleed vast:„Ja, zie je,” sprak hij in vrij gebroken Hollandsch met dikke tong en volle keel om het andere woord haast zijn rede versterkend met een Duitschen vloek, „ik zeg maar als we dat niet hadden! Zoo’n teugje vuurwater is nog ’t beste wat zij in dat beroerde Holland hebben; wat dunkt jou?”„Ik wilde dat ik dien ellendigen kost nooit aan mijn lippen had gebracht en nog liever dat ik hem niet noodig had om mijn honger te bedwingen en mijn leed te vergeten.”[8]„Sapperdement Donnerwetter! Heb je leed? Kom, zoo’n flinke jonge kerel als jij! Wat voor leed kun je hebben? Toch niet om een liefje, hè! Geloof me, laat je met geen vrouwvolk in, want dat kost geld, veel geld, en het bedriegt je; wij hebben weinig geld en dat kunnen we nergens beter gebruiken als daar binnen, dat goedje bedriegt niet, potztausend! Zullen we hier eens ingaan? Tonne Mie heeft weergaasch goed bier ook!”„Neen, van avond niet meer. Hoe zouden we ook kunnen! Ik heb niets meer.”„En ik heb crediet! alle duivels! Of wat denk je, weet je wie ik ben? De Markgraaf von Schweinshausen, daar boven aan den Rhijn, is mijn volle neef en ik zou stellig in zijn plaats gekomen zijn, als ik aan de Hoogeschool van Bonn niet dat standje had gehad met den zoon van den Ridder von Schönfeld, dien ik in een duel neerschoot, den gemeenen hond, die mij voor dronkaard durfde uitmaken. Na dien tijd heb ik niets dan ongelukken gehad; eerst trachtte ik in dienst van den grooten koning van Frankrijk mijn fortuin te beproeven, maar dat was ook mis, mijn ongelukkige vaderlandsliefde deed me daar spoedig ruzie krijgen met een superieur nog wel, en die Franschen zijn zoo ongenadig trotsch. Ik zou zoo waar een kogel hebben opgeloopen, als ik niet bijtijds de plaat had gepoetst, en van daar kwam ik ja, zie je dat herinner ik me niet meer, maar dat weet ik wel, dat, waar ik ook geweest ben, en dat is op verduiveld veel plaatsen, ik nergens in zoo’n beestenboel verdwaald geraakt ben als hier; dat is geen plaats voor menschen van fatsoen en stand, en dat zijn toch de meesten van ons, en jij ook! Wat was je eigenlijk daar in het groote, heerlijke Europa?”„Ik? Wat ik hier ben! Niets!”„Maar je bent toch van goede afkomst? Dat zeggen ze allemaal!”[9]„Wie zegt je dat? Wel neen! Ik heb geen naam, geen familie, geen vaderland, niets! Ik heb maar een doel, hier een kogel zoeken.”„Je bent een rare snoeshaan, dat heb ik reeds dadelijk gemerkt. Niets gaat je goed af, zelfs drinken niet, al doe je nog zoo je best om mee te doen. Maar als je nergens meer heen wilt, wat doe je langer hier? Zie je, als je heerlijke concerten gehoord hebt in Duitschland en Frankrijk, dan maken je die krassen op de viool en dat gepiep van die fluit misselijk, en als je dan denkt aan de tooneelspelen op de eerste schouwburgen in de vorstelijke residenties, dan zeg je ook: Ik heb genoeg van die flauwe pret; maar je hebt zeker nooit iets dergelijks gehoord of gezien.”„En ik ben in Amsterdam geweest en ik heb daar op het tooneel den Lucifer gehoord en Gijsbreght van Amstel, de meesterstukken van onzen grooten Vondel, ik heb gelachen om Warnar van den Muider Drost en het Moortje van Brederoo en gehuiverd bij de bloedige spelen van Jan Vos! O, ’t was zoo heerlijk!”Zijn doffe oogen fonkelden en dat laatste woord klonk haast als een smartkreet door de herinnering aan zijn borst ontwrongen.„Dan heb je toch nog iets gehad! En ik dacht dat jij je niets meer herinnerde!”„Was ’t maar zoo! Had ik geen herinnering, ik zou me misschien in dit pesthol nog eens kunnen t’huis voelen, maar die herinneringen, o, die herinneringen! Kon ik ze wegspoelen, ik dronk van den morgen tot den avond!”„Hé! Ik wou dat het mogelijk was en ik dan in je gezelschap mocht zijn, maar je wordt gevoelig, knaap! Je hebt een huilenden dronk. Schud die herinneringen maar af, neem een voorbeeld aan mij! Wat heb ik geen macht van herinneringen, ik, de volle neef van Freiherr, ik bedoel Hertog von Schweinshausen, die[10]hier als gemeen soldaat dien, maar ik blijf er lustig onder en denk, waar ge ook zijt, daar vindt ge weer dobbelsteenen, vrouwen en wijn, en al is dat alles hier van ’t allerellendigste kaliber, je moet er maar tevreden mee wezen.”De andere zuchtte diep; zijn makker had gelijk, hem sloeg de drank blijkbaar ter neer.„Ik moest niets meer drinken of anders heel veel,” zeide hij mismoedig, „zoo’n enkel teugje maakt me nog treuriger. Dan denk ik weer aan alles wat ik eenmaal bezat en dat ik reddeloos verloor.”„Niets is verloren, kerel, zoolang jij nog je lijf hebt; ben je dat kwijt, ja, dan ziet het er eerst leelijk met je uit, maar vóór dien tijd.… weet je wat? Ga met me mee, ik weet op de Rhinocerosgracht een zekeren Chinees wonen, een fideele vent, die gunt een dapper soldaat graag een spelletje kaart; je speelt er op je nog niet ontvangen soldij zonder eenig pand. Laatst heb ik er nog twee rijksdaalders gewonnen, en ik weet iemand, die nu een karos houdt en wel vijftig slaven, die er honderd dukaten won toen hij nog gemeen soldaat was, daarmee kocht hij zich vrij, zette een winkeltje op, trouwde een rijke zwarte vrouw, kocht zich later een schepensplaats en behoort nu tot de groote Hansen, die met den Edelen Generaal een pijp rooken op de puie zijner woning!”„Zoover zal ik ’t nooit brengen!”„Omdat jij herinneringen hebt! Laat die varen en volg me liever, spoedig zul jij ’t misschien niet meer kunnen doen, want ze zeggen dat er oorlog in de lucht zit. Daar in Karta-Soera moeten ze weer aan het rommelen zijn; ’t is waarlijk of de eene bruinvisch niet precies gelijk aan den andere is. Ik begrijp niet wat het de Compagnie schelen kan, welke smeerpoes daar de beest speelt, en dan nog verderop bovenSoerabaya, noemen ze[11]dat nest, geloof ik, zit er zoo’n oude snoeshaan, die hun allemaal te slim af is.”„Soerapati bedoelt ge?”„Kan wel; al die koeterwaalsche namen kan mijn Duitsche tong niet uitspreken. Was het nu maar Rademacher, Schönhausen, von Schweinsfeldt, zooals ik vroeger heette, nu die kerel is hun allen de baas. Hij moet vroeger slaaf zijn geweest, zegt men, en nu is hij nog machtiger dan de koning van Java, en nu begrijp je dat de Compagnie, die ’t hoofd zoo hoog draagt, dat niet dulden kan en … en … Zou ’t jou kunnen schelen wie hier de baas was? Mij niets! Als die Javaansche mijnheer mij een dukaat meer soldij geeft in het jaar en behoorlijke kousen en schoenen, dan zeg ik die Hollandsche kaaskoppen Adjé. En jij?”„Een verrader worden, een deserteur? Nimmer!”„Wat, doe je nog aan trouw? Ha, ha! Die artikelen hebben geen waarde op de passer. Gaan we nu naar mijn bah-bah1of niet?”„Neen, ik wil rusten, ik denk dat ik ’t nu zou kunnen, het gebeurt me zoo weinig dat ik slaap.”„En ik slaap veel te veel, kom, ga mee.”„Neen, Dikkop, waarlijk niet! Zeg me een woord, denk je dat er werkelijk oorlog komt?”„Wis en zeker! Ik ben er niets op gesteld, liever een leven als hier in de barakken van den Robijn, dan gevaar te loopen een blauwe boon te slikken.”Het was geheel donker geworden en de Koningin van het Oosten werd slechts flauwtjes door de kunst verlicht, als de maan er zich buiten hield. Zij waren op het met hooge boomen beplante Kasteelplein aangekomen, dat nog vol stond van de karossen der[12]gasten die de receptie hadden bezocht, want ook mevrouw de Generaal ontving. Juist verliet een aanzienlijke dame de landpoort van het Kasteel, de toortsen der slaven wierpen hun flikkerende lichten in de diamanten en gouden borduursels harer kleederen; een deftig gekleed heer leidde haar naar de wachtende karos, die zij met zeldzame gratie besteeg.„’t Is de pas aangekomen nicht van zijn Excellentie,” zeiden een paar toeschouwers.„Hé, wat scheelt je? Val je van ’t stokje?” vroeg de Dikkop zijn kameraad.„Och neen, ’t is niets, ik dacht … och, ’t was weer een herinnering.”„De duivel hale je herinneringen!” gromde de andere. „Daar zal je nog pret van beleven!”1Chinees.↑
[Inhoud]I.DE KONINGIN VAN HET OOSTEN.Batavia!De „Koningin van het Oosten” ontwaakte uit haar middagsluimering; de zon dook langzaam weg in de wateren der zee, een wazige, roode sluier zakte neer over de eilanden, rondgestrooid in de met schepen van allerlei grootte en vorm gevulde baai, die haar tot haven strekte, en van waaruit de milde Vorstin haar schatten wegzond naar alle windstreken of waar haar de tol gebracht werd van de landen en steden aan haar macht onderworpen. De gloeiende, door de zon geblakerde huizen van het Kasteel en de huizen der stad koelden zachtkens af onder een frissche bries, welke de zee landwaarts zond nu de avond aan het vallen was.Uit de huizen kwamen de bewoners allengs naar buiten, de schuiten die in de grachten en in de rivieren dreven, werden langzamerhand gevuld, door hen, die òf een speeltochtje wilden doen, òf op gemakkelijke wijs naar een ander eind der stad wenschten vervoerd te worden. Onder de hooge boomen, die aan weerszijden de groote rivier overschaduwen, welke van de Diestpoort af de stad in tweeën deelt, bewogen zich vele Chineezen, Javanen, Mestiezen, slaven en slavinnen.Ten Zuiden, dicht bij den stadswal omzoomen fraaie huizen[2]door Europeanen bewoond den weg links en rechts van het water; drie bruggen op gewelven rustend verbinden de beide oevers aan elkander, verderop zijn het meest winkels van Chineezen, kleine onaanzienlijke, lage huizen, die uitzicht geven op den tot markt gebruikten breeden weg. In de winkels zelf vindt men alles wat er op Batavia te koop geboden wordt; Japansche koopwaren en Europeesche kleedingstoffen, kramerijen en wapens, uitdragerstuig en kostbare Chineesche vazen. Midden op de straat staan nog rijen met kramen onder loodsen, drie dwarsgrachten verdeelen die markten in drieën; de eerste is de groentenmarkt; op de tweede worden, ’s morgens althans, visschen verkocht, groote kakaps, hartige bandengs, reusachtige garnalen, de afzichtelijke inktvisch en de geliefkoosde kapiting of krabben, liggen op houten schragen, uitgespreid, en vervullen de lucht met hun eigenaardige uitwasemingen. Smakelijker zijn de nu volgende passers, waarin de heerlijkste vruchten uitgestald liggen, de geurige ananassen en de bloedroode pompelmoezen in hun gouden schillen, de rijke verscheidenheid van djamboes en djeroeks, in alle kleuren en grootten, de harige ramboetans en de donkerpaarsche mangistan met het witte, donzige hart, geurig vleesch dat echter een bittere, groene pit omgeeft; manden vol geelkleurige doekoes en vrachten van katjangs of olienoten; een rijkdom van bloemen, die de lucht balsemachtig kruiden, witte melati’s in knoppen of ten volle ontloken, snoeren van tandjoeng, groene en gele kananga’s, sierlijk samen gebonden tuiltjes van katjapirings en tjampaka’s; al die kraampjes strekken zich uit tot de derde markt waar eenden en hoenders hun weinig harmonische geluiden doen hooren.Op dit uur van den dag zijn er slechts weinige Europeanen hier te zien en deze behooren nog tot de laagste klassen der bevolking; het zijn ambachtslieden, smeden, timmerlieden, of[3]metselaars, schoenmakers in dienst der Compagnie met vrouw en kinderen, die zich door een wandeling verpoozen van hun zwaar werk gedurende de hitte van den dag, of wel soldaten in hun havelooze kleeding, die met hongerige blikken naar zooveel maagopwekkende artikelen rondzien, want de keuken en de portiën van het regiment zijn schraal en de soldij is wanhopig laag. Kleurlingen zoeken bij de bloemwinkels trossen bloemen uit, waarmede zij hun liefjes straks willen verrassen, Javaansche huishoudsters doen haar inkoopen, al lovend en biedend; eenige Arabieren bewegen zich kalm en deftig langs de winkels der Chineezen, die op luidruchtigen toon hun waar te koop aanbieden. Soms verwaardigen zij zich naar den prijs van het een of ander te vragen maar gewoonlijk halen zij minachtend de schouders op en zetten hun weg voort, langs de vleeschhal, die op palen boven de rivier gebouwd is en een hoog zwaar pannendak draagt.De Europeanen vindt men thans in de deftiger wijken meest aan de Oostzijde der stad; daar langs de Tijgergracht met haar prachtige dubbele rij tamarinde boomen, zitten zij op hun stoepen voor hun gegevelde, wit gekalkte huizen onder het genot der onvergetelijke Goudsche pijp of zij wandelen langs het water en door de Prinsenstraat over het Kasteelplein en de Leeuwinne- of Kaaimansgracht terug. Het is hier een Oostersche stad met een Europeesch aanzien. De ingangen zijn van onderdeuren, de stoepjes van leuningen en banken voorzien; zag men daar niet geheele huisgezinnen op straat zitten, men zou zich in een Noord- of Zuid-Hollandsche stad wanen; ook de kleeding is nog bijna geheel Europeesch de dames hebben keurslijven aan en rokken van zware stof, de heeren gaan gebukt onder het verguldsel dat hun kragen en mouwen bedekt en onder hun zware pruiken.[4]Weinige wandelaars ziet men hier gemoedelijk naast elkander gaan in deze straten; de meesten zijn gevolgd door eenige slaven, waarvan er een het vuurtouw, een ander het zonnescherm, teeken der waardigheid zijns meesters, een derde zijn snuifdoos draagt; de dames, die meest allen zich van haar echtgenooten afzonderen, wandelen gevolgd door een kleinen slaaf, die haar langen sleep ophoudt, terwijl een slavin de pajong boven haar hoofd uitspant en een paar anderen haar gevolg voltooien. Zij zelf wuift zich met haar waaier eenige koelte toe, tot het oogenblik dat zij een andere dame ontmoet, haar meerdere in rang; eerbiedig wijkt zij dan met haar stoet terzijde om een diepe neiging te maken, die de andere met een genadigen hoofdknik beantwoordt; straks stelt zij zich voor dat huldebetoon schadeloos door een andere, op nog gevoeliger wijze te toonen, dat zij op haar beurt ook de meerdere kan spelen.Eenigen dalen de trappen af, die in het metselwerk der grachten zijn aangebracht en stappen met hun stoet van slaven en slavinnen in de versierde Chineesche prauwen; slaven brengen de riemen in beweging, anderen maken met hun instrumenten—javaansche viool, guitaar of cither—muziek en de booten glijden zachtkens over de grachten totdat de maan opkomt en haar helder witten glans over de vesting giet.In het Kasteel dat omgordeld door hooge groene struiken zijn sterke wallen van witten koraalsteen opheft uit de beide grachten, houdt de Opperlandvoogd of Generaal, die thans Johan Van Hoorn heet, zijn gewone middagreceptie op de stoep zijner woning.Deze woning bevindt zich rechts van het middenplein te midden der veste; de kleine achthoekige Kasteelkerk verbindt het met de tegenoverliggende woningen van de gewone Raden van Indië.[5]Het is evenals alle andere Bataviasche huizen twee verdiepingen hoog; een breed en hoog bordes geeft iets voornaams aan het uitzicht, evenals het koepeltje boven het pannendak, waar een schip der Koningin van het Oosten tot windwijzer dient, herinnering misschien aan het stadhuis, waarmede Jacob van Campen de „Keizerin van Euroop” versierde.De receptie is zoo huiselijk mogelijk; de Edele Generaal zit in het midden, de hoogste in rang naast hem en zoo verder nauwkeurig naar rangorde zijn de stoelen in halven cirkel geschikt, ieder spreekt met zijn buurman, en rookt zijn Goudsche pijp; algemeene gesprekken worden niet gehouden, de etiquette verbiedt iemand dat de Generaal hem hoore spreken.Slaven dienen bier rond, en de Oppergebieder drinkt af en toe de gezondheid van het gezelschap en hun vrouwen, welke toasten onmiddellijk beantwoord worden; de gezellige ontvangst duurt tot 9 uur. De wacht van het fort wordt gehouden door hellebaardiers, krachtige jonge mannen in gele wambuizen en scharlaken zijden met lissen versierde broeken; de overige wachten zijn in treurigen sjofelen toestand; komt de Opperlandvoogd langs dan moeten zij op het geroep van den wachthebbenden sergeant onder de wapenen komen, men ziet ze verschijnen in allererbarmelijkst plunje meestal zonder kousen of schoenen, met gescheurde wambuizen en blootshoofds.Hun ellendige verblijfplaatsen zijn aangebracht in de vier punten van het fort, Parel, Robijn, Diamant en Safier. Indrukwekkender dan de krijgers zijn de kanonnen, die op de vlakke daken rusten van de tegen de wallen staande provisiekamers en pakhuizen der Compagnie en die den geheelen omtrek met vuur en dood bedreigen.Midden in de stad aan de groote rivier is nog een soort van[6]wachttoren aangebracht, die eveneens zijn vuurmonden naar alle richtingen geopend houdt.Druk en vroolijk leven heerscht er vooral in de zoogenaamde achterbuurten, ten N. W. der stad, in de Zandzee, maar vooral in de Lepelstraat, die huis aan huis uit herbergen of kroegen bestaat.Een lustige muziek lokt daar de vroolijke klanten naar binnen, matrozen, die op de prauwen wachten, welke hen naar hun schepen moeten brengen, vóórdat de klok negen slaat, of liever vóórdat de wachten van het Kasteel door den zandlooper gewaarschuwd negen slagen doen weergalmen op het bekken, want de Koningin van het Oosten is nog geen openbaar uurwerk rijk.Om negen uur toch wordt de groote rivier door een zwaren ijzeren ketting van de haven afgescheiden; en na dat uur vervliegt ook de glorie van de Lepelstraat.Nu echter zijn de lichten pas ontstoken, Jan-Maat met zijn bruin liefje aan den arm, gaat daar huis in, huis uit, of blijft kijken naar een troep Javaansche tooneelspelers, topeng genaamd, die voor eenige duiten hun kluchten vertoonen; een Javaan hurkt met zijn draagbaar keukentje neer om aan een paar Europeanen, die geen woord Maleisch kennen, zijn waren te slijten; nauwelijks hebben zij echter een bete geproefd of luid vloekend en tierend werpen zij het brandende mengsel van zich af tot groote vroolijkheid der omstanders maar tot minder stichting van den koopman, die wellicht levenslang op het geld zal moeten wachten.Uit een der herbergen kwamen twee soldaten der Compagnie; beiden zagen er uit alsof zij hun laatsten duit daar binnen ten offer hadden gebracht om voor een oogenblik opwinding te koopen; min of meer wankelend was hun gang, hoogrood hun trekken, waarop, hoewel in verschillende mate, ongebondenheid en een ongeregeld leven hun stempel hadden gedrukt.[7]De oudste met een bol glimmend gelaat, waarop hier en daar een rosse plek de vergeefsche pogingen aanduidde, welke de baard maakte om er door heen te komen, zag er uit of hij een verleden achter zich had, waarvan de galg de meest gepaste eindpaal moest wezen; zijn havelooze kleederen waren verscheurd of versteld op een wijze, die een scheur nog verkieselijker deed schijnen, zijn sluike roode haren, welke niet eens meer tot den schedel en het voorhoofd reikten, waren door een gedeukten hoed bedekt; de schoenen trokken slechts de aandacht door hun afwezigheid, want men kon dien naam niet geven aan de onoogelijke sloffen, welke hun plaats innamen, en een scheiding maakten tusschen de bloote voeten en het zand van de ongeplaveide straat.De andere zag er iets beter uit; werden zijn kleederen beter gedragen of waren deze nieuwer en minder versleten? Wie kon het zeggen? Niemand lette genoeg op het tweetal om aan deze vraag eenige aandacht te leenen. Zoo merkte dan ook niemand op dat deze jonge man—want jong was hij blijkbaar nog—om zijn kleur gemakkelijk onder de kleurlingen kon gerekend worden, nog minder dat honger en verdriet uit zijn groote, zwarte oogen blikten, de pas gebruikte drank had die oogen wel kunnen benevelen, maar geen blos op de vaalgele wangen geschilderd.De andere hield hem bij zijn kleed vast:„Ja, zie je,” sprak hij in vrij gebroken Hollandsch met dikke tong en volle keel om het andere woord haast zijn rede versterkend met een Duitschen vloek, „ik zeg maar als we dat niet hadden! Zoo’n teugje vuurwater is nog ’t beste wat zij in dat beroerde Holland hebben; wat dunkt jou?”„Ik wilde dat ik dien ellendigen kost nooit aan mijn lippen had gebracht en nog liever dat ik hem niet noodig had om mijn honger te bedwingen en mijn leed te vergeten.”[8]„Sapperdement Donnerwetter! Heb je leed? Kom, zoo’n flinke jonge kerel als jij! Wat voor leed kun je hebben? Toch niet om een liefje, hè! Geloof me, laat je met geen vrouwvolk in, want dat kost geld, veel geld, en het bedriegt je; wij hebben weinig geld en dat kunnen we nergens beter gebruiken als daar binnen, dat goedje bedriegt niet, potztausend! Zullen we hier eens ingaan? Tonne Mie heeft weergaasch goed bier ook!”„Neen, van avond niet meer. Hoe zouden we ook kunnen! Ik heb niets meer.”„En ik heb crediet! alle duivels! Of wat denk je, weet je wie ik ben? De Markgraaf von Schweinshausen, daar boven aan den Rhijn, is mijn volle neef en ik zou stellig in zijn plaats gekomen zijn, als ik aan de Hoogeschool van Bonn niet dat standje had gehad met den zoon van den Ridder von Schönfeld, dien ik in een duel neerschoot, den gemeenen hond, die mij voor dronkaard durfde uitmaken. Na dien tijd heb ik niets dan ongelukken gehad; eerst trachtte ik in dienst van den grooten koning van Frankrijk mijn fortuin te beproeven, maar dat was ook mis, mijn ongelukkige vaderlandsliefde deed me daar spoedig ruzie krijgen met een superieur nog wel, en die Franschen zijn zoo ongenadig trotsch. Ik zou zoo waar een kogel hebben opgeloopen, als ik niet bijtijds de plaat had gepoetst, en van daar kwam ik ja, zie je dat herinner ik me niet meer, maar dat weet ik wel, dat, waar ik ook geweest ben, en dat is op verduiveld veel plaatsen, ik nergens in zoo’n beestenboel verdwaald geraakt ben als hier; dat is geen plaats voor menschen van fatsoen en stand, en dat zijn toch de meesten van ons, en jij ook! Wat was je eigenlijk daar in het groote, heerlijke Europa?”„Ik? Wat ik hier ben! Niets!”„Maar je bent toch van goede afkomst? Dat zeggen ze allemaal!”[9]„Wie zegt je dat? Wel neen! Ik heb geen naam, geen familie, geen vaderland, niets! Ik heb maar een doel, hier een kogel zoeken.”„Je bent een rare snoeshaan, dat heb ik reeds dadelijk gemerkt. Niets gaat je goed af, zelfs drinken niet, al doe je nog zoo je best om mee te doen. Maar als je nergens meer heen wilt, wat doe je langer hier? Zie je, als je heerlijke concerten gehoord hebt in Duitschland en Frankrijk, dan maken je die krassen op de viool en dat gepiep van die fluit misselijk, en als je dan denkt aan de tooneelspelen op de eerste schouwburgen in de vorstelijke residenties, dan zeg je ook: Ik heb genoeg van die flauwe pret; maar je hebt zeker nooit iets dergelijks gehoord of gezien.”„En ik ben in Amsterdam geweest en ik heb daar op het tooneel den Lucifer gehoord en Gijsbreght van Amstel, de meesterstukken van onzen grooten Vondel, ik heb gelachen om Warnar van den Muider Drost en het Moortje van Brederoo en gehuiverd bij de bloedige spelen van Jan Vos! O, ’t was zoo heerlijk!”Zijn doffe oogen fonkelden en dat laatste woord klonk haast als een smartkreet door de herinnering aan zijn borst ontwrongen.„Dan heb je toch nog iets gehad! En ik dacht dat jij je niets meer herinnerde!”„Was ’t maar zoo! Had ik geen herinnering, ik zou me misschien in dit pesthol nog eens kunnen t’huis voelen, maar die herinneringen, o, die herinneringen! Kon ik ze wegspoelen, ik dronk van den morgen tot den avond!”„Hé! Ik wou dat het mogelijk was en ik dan in je gezelschap mocht zijn, maar je wordt gevoelig, knaap! Je hebt een huilenden dronk. Schud die herinneringen maar af, neem een voorbeeld aan mij! Wat heb ik geen macht van herinneringen, ik, de volle neef van Freiherr, ik bedoel Hertog von Schweinshausen, die[10]hier als gemeen soldaat dien, maar ik blijf er lustig onder en denk, waar ge ook zijt, daar vindt ge weer dobbelsteenen, vrouwen en wijn, en al is dat alles hier van ’t allerellendigste kaliber, je moet er maar tevreden mee wezen.”De andere zuchtte diep; zijn makker had gelijk, hem sloeg de drank blijkbaar ter neer.„Ik moest niets meer drinken of anders heel veel,” zeide hij mismoedig, „zoo’n enkel teugje maakt me nog treuriger. Dan denk ik weer aan alles wat ik eenmaal bezat en dat ik reddeloos verloor.”„Niets is verloren, kerel, zoolang jij nog je lijf hebt; ben je dat kwijt, ja, dan ziet het er eerst leelijk met je uit, maar vóór dien tijd.… weet je wat? Ga met me mee, ik weet op de Rhinocerosgracht een zekeren Chinees wonen, een fideele vent, die gunt een dapper soldaat graag een spelletje kaart; je speelt er op je nog niet ontvangen soldij zonder eenig pand. Laatst heb ik er nog twee rijksdaalders gewonnen, en ik weet iemand, die nu een karos houdt en wel vijftig slaven, die er honderd dukaten won toen hij nog gemeen soldaat was, daarmee kocht hij zich vrij, zette een winkeltje op, trouwde een rijke zwarte vrouw, kocht zich later een schepensplaats en behoort nu tot de groote Hansen, die met den Edelen Generaal een pijp rooken op de puie zijner woning!”„Zoover zal ik ’t nooit brengen!”„Omdat jij herinneringen hebt! Laat die varen en volg me liever, spoedig zul jij ’t misschien niet meer kunnen doen, want ze zeggen dat er oorlog in de lucht zit. Daar in Karta-Soera moeten ze weer aan het rommelen zijn; ’t is waarlijk of de eene bruinvisch niet precies gelijk aan den andere is. Ik begrijp niet wat het de Compagnie schelen kan, welke smeerpoes daar de beest speelt, en dan nog verderop bovenSoerabaya, noemen ze[11]dat nest, geloof ik, zit er zoo’n oude snoeshaan, die hun allemaal te slim af is.”„Soerapati bedoelt ge?”„Kan wel; al die koeterwaalsche namen kan mijn Duitsche tong niet uitspreken. Was het nu maar Rademacher, Schönhausen, von Schweinsfeldt, zooals ik vroeger heette, nu die kerel is hun allen de baas. Hij moet vroeger slaaf zijn geweest, zegt men, en nu is hij nog machtiger dan de koning van Java, en nu begrijp je dat de Compagnie, die ’t hoofd zoo hoog draagt, dat niet dulden kan en … en … Zou ’t jou kunnen schelen wie hier de baas was? Mij niets! Als die Javaansche mijnheer mij een dukaat meer soldij geeft in het jaar en behoorlijke kousen en schoenen, dan zeg ik die Hollandsche kaaskoppen Adjé. En jij?”„Een verrader worden, een deserteur? Nimmer!”„Wat, doe je nog aan trouw? Ha, ha! Die artikelen hebben geen waarde op de passer. Gaan we nu naar mijn bah-bah1of niet?”„Neen, ik wil rusten, ik denk dat ik ’t nu zou kunnen, het gebeurt me zoo weinig dat ik slaap.”„En ik slaap veel te veel, kom, ga mee.”„Neen, Dikkop, waarlijk niet! Zeg me een woord, denk je dat er werkelijk oorlog komt?”„Wis en zeker! Ik ben er niets op gesteld, liever een leven als hier in de barakken van den Robijn, dan gevaar te loopen een blauwe boon te slikken.”Het was geheel donker geworden en de Koningin van het Oosten werd slechts flauwtjes door de kunst verlicht, als de maan er zich buiten hield. Zij waren op het met hooge boomen beplante Kasteelplein aangekomen, dat nog vol stond van de karossen der[12]gasten die de receptie hadden bezocht, want ook mevrouw de Generaal ontving. Juist verliet een aanzienlijke dame de landpoort van het Kasteel, de toortsen der slaven wierpen hun flikkerende lichten in de diamanten en gouden borduursels harer kleederen; een deftig gekleed heer leidde haar naar de wachtende karos, die zij met zeldzame gratie besteeg.„’t Is de pas aangekomen nicht van zijn Excellentie,” zeiden een paar toeschouwers.„Hé, wat scheelt je? Val je van ’t stokje?” vroeg de Dikkop zijn kameraad.„Och neen, ’t is niets, ik dacht … och, ’t was weer een herinnering.”„De duivel hale je herinneringen!” gromde de andere. „Daar zal je nog pret van beleven!”1Chinees.↑
I.DE KONINGIN VAN HET OOSTEN.
Batavia!De „Koningin van het Oosten” ontwaakte uit haar middagsluimering; de zon dook langzaam weg in de wateren der zee, een wazige, roode sluier zakte neer over de eilanden, rondgestrooid in de met schepen van allerlei grootte en vorm gevulde baai, die haar tot haven strekte, en van waaruit de milde Vorstin haar schatten wegzond naar alle windstreken of waar haar de tol gebracht werd van de landen en steden aan haar macht onderworpen. De gloeiende, door de zon geblakerde huizen van het Kasteel en de huizen der stad koelden zachtkens af onder een frissche bries, welke de zee landwaarts zond nu de avond aan het vallen was.Uit de huizen kwamen de bewoners allengs naar buiten, de schuiten die in de grachten en in de rivieren dreven, werden langzamerhand gevuld, door hen, die òf een speeltochtje wilden doen, òf op gemakkelijke wijs naar een ander eind der stad wenschten vervoerd te worden. Onder de hooge boomen, die aan weerszijden de groote rivier overschaduwen, welke van de Diestpoort af de stad in tweeën deelt, bewogen zich vele Chineezen, Javanen, Mestiezen, slaven en slavinnen.Ten Zuiden, dicht bij den stadswal omzoomen fraaie huizen[2]door Europeanen bewoond den weg links en rechts van het water; drie bruggen op gewelven rustend verbinden de beide oevers aan elkander, verderop zijn het meest winkels van Chineezen, kleine onaanzienlijke, lage huizen, die uitzicht geven op den tot markt gebruikten breeden weg. In de winkels zelf vindt men alles wat er op Batavia te koop geboden wordt; Japansche koopwaren en Europeesche kleedingstoffen, kramerijen en wapens, uitdragerstuig en kostbare Chineesche vazen. Midden op de straat staan nog rijen met kramen onder loodsen, drie dwarsgrachten verdeelen die markten in drieën; de eerste is de groentenmarkt; op de tweede worden, ’s morgens althans, visschen verkocht, groote kakaps, hartige bandengs, reusachtige garnalen, de afzichtelijke inktvisch en de geliefkoosde kapiting of krabben, liggen op houten schragen, uitgespreid, en vervullen de lucht met hun eigenaardige uitwasemingen. Smakelijker zijn de nu volgende passers, waarin de heerlijkste vruchten uitgestald liggen, de geurige ananassen en de bloedroode pompelmoezen in hun gouden schillen, de rijke verscheidenheid van djamboes en djeroeks, in alle kleuren en grootten, de harige ramboetans en de donkerpaarsche mangistan met het witte, donzige hart, geurig vleesch dat echter een bittere, groene pit omgeeft; manden vol geelkleurige doekoes en vrachten van katjangs of olienoten; een rijkdom van bloemen, die de lucht balsemachtig kruiden, witte melati’s in knoppen of ten volle ontloken, snoeren van tandjoeng, groene en gele kananga’s, sierlijk samen gebonden tuiltjes van katjapirings en tjampaka’s; al die kraampjes strekken zich uit tot de derde markt waar eenden en hoenders hun weinig harmonische geluiden doen hooren.Op dit uur van den dag zijn er slechts weinige Europeanen hier te zien en deze behooren nog tot de laagste klassen der bevolking; het zijn ambachtslieden, smeden, timmerlieden, of[3]metselaars, schoenmakers in dienst der Compagnie met vrouw en kinderen, die zich door een wandeling verpoozen van hun zwaar werk gedurende de hitte van den dag, of wel soldaten in hun havelooze kleeding, die met hongerige blikken naar zooveel maagopwekkende artikelen rondzien, want de keuken en de portiën van het regiment zijn schraal en de soldij is wanhopig laag. Kleurlingen zoeken bij de bloemwinkels trossen bloemen uit, waarmede zij hun liefjes straks willen verrassen, Javaansche huishoudsters doen haar inkoopen, al lovend en biedend; eenige Arabieren bewegen zich kalm en deftig langs de winkels der Chineezen, die op luidruchtigen toon hun waar te koop aanbieden. Soms verwaardigen zij zich naar den prijs van het een of ander te vragen maar gewoonlijk halen zij minachtend de schouders op en zetten hun weg voort, langs de vleeschhal, die op palen boven de rivier gebouwd is en een hoog zwaar pannendak draagt.De Europeanen vindt men thans in de deftiger wijken meest aan de Oostzijde der stad; daar langs de Tijgergracht met haar prachtige dubbele rij tamarinde boomen, zitten zij op hun stoepen voor hun gegevelde, wit gekalkte huizen onder het genot der onvergetelijke Goudsche pijp of zij wandelen langs het water en door de Prinsenstraat over het Kasteelplein en de Leeuwinne- of Kaaimansgracht terug. Het is hier een Oostersche stad met een Europeesch aanzien. De ingangen zijn van onderdeuren, de stoepjes van leuningen en banken voorzien; zag men daar niet geheele huisgezinnen op straat zitten, men zou zich in een Noord- of Zuid-Hollandsche stad wanen; ook de kleeding is nog bijna geheel Europeesch de dames hebben keurslijven aan en rokken van zware stof, de heeren gaan gebukt onder het verguldsel dat hun kragen en mouwen bedekt en onder hun zware pruiken.[4]Weinige wandelaars ziet men hier gemoedelijk naast elkander gaan in deze straten; de meesten zijn gevolgd door eenige slaven, waarvan er een het vuurtouw, een ander het zonnescherm, teeken der waardigheid zijns meesters, een derde zijn snuifdoos draagt; de dames, die meest allen zich van haar echtgenooten afzonderen, wandelen gevolgd door een kleinen slaaf, die haar langen sleep ophoudt, terwijl een slavin de pajong boven haar hoofd uitspant en een paar anderen haar gevolg voltooien. Zij zelf wuift zich met haar waaier eenige koelte toe, tot het oogenblik dat zij een andere dame ontmoet, haar meerdere in rang; eerbiedig wijkt zij dan met haar stoet terzijde om een diepe neiging te maken, die de andere met een genadigen hoofdknik beantwoordt; straks stelt zij zich voor dat huldebetoon schadeloos door een andere, op nog gevoeliger wijze te toonen, dat zij op haar beurt ook de meerdere kan spelen.Eenigen dalen de trappen af, die in het metselwerk der grachten zijn aangebracht en stappen met hun stoet van slaven en slavinnen in de versierde Chineesche prauwen; slaven brengen de riemen in beweging, anderen maken met hun instrumenten—javaansche viool, guitaar of cither—muziek en de booten glijden zachtkens over de grachten totdat de maan opkomt en haar helder witten glans over de vesting giet.In het Kasteel dat omgordeld door hooge groene struiken zijn sterke wallen van witten koraalsteen opheft uit de beide grachten, houdt de Opperlandvoogd of Generaal, die thans Johan Van Hoorn heet, zijn gewone middagreceptie op de stoep zijner woning.Deze woning bevindt zich rechts van het middenplein te midden der veste; de kleine achthoekige Kasteelkerk verbindt het met de tegenoverliggende woningen van de gewone Raden van Indië.[5]Het is evenals alle andere Bataviasche huizen twee verdiepingen hoog; een breed en hoog bordes geeft iets voornaams aan het uitzicht, evenals het koepeltje boven het pannendak, waar een schip der Koningin van het Oosten tot windwijzer dient, herinnering misschien aan het stadhuis, waarmede Jacob van Campen de „Keizerin van Euroop” versierde.De receptie is zoo huiselijk mogelijk; de Edele Generaal zit in het midden, de hoogste in rang naast hem en zoo verder nauwkeurig naar rangorde zijn de stoelen in halven cirkel geschikt, ieder spreekt met zijn buurman, en rookt zijn Goudsche pijp; algemeene gesprekken worden niet gehouden, de etiquette verbiedt iemand dat de Generaal hem hoore spreken.Slaven dienen bier rond, en de Oppergebieder drinkt af en toe de gezondheid van het gezelschap en hun vrouwen, welke toasten onmiddellijk beantwoord worden; de gezellige ontvangst duurt tot 9 uur. De wacht van het fort wordt gehouden door hellebaardiers, krachtige jonge mannen in gele wambuizen en scharlaken zijden met lissen versierde broeken; de overige wachten zijn in treurigen sjofelen toestand; komt de Opperlandvoogd langs dan moeten zij op het geroep van den wachthebbenden sergeant onder de wapenen komen, men ziet ze verschijnen in allererbarmelijkst plunje meestal zonder kousen of schoenen, met gescheurde wambuizen en blootshoofds.Hun ellendige verblijfplaatsen zijn aangebracht in de vier punten van het fort, Parel, Robijn, Diamant en Safier. Indrukwekkender dan de krijgers zijn de kanonnen, die op de vlakke daken rusten van de tegen de wallen staande provisiekamers en pakhuizen der Compagnie en die den geheelen omtrek met vuur en dood bedreigen.Midden in de stad aan de groote rivier is nog een soort van[6]wachttoren aangebracht, die eveneens zijn vuurmonden naar alle richtingen geopend houdt.Druk en vroolijk leven heerscht er vooral in de zoogenaamde achterbuurten, ten N. W. der stad, in de Zandzee, maar vooral in de Lepelstraat, die huis aan huis uit herbergen of kroegen bestaat.Een lustige muziek lokt daar de vroolijke klanten naar binnen, matrozen, die op de prauwen wachten, welke hen naar hun schepen moeten brengen, vóórdat de klok negen slaat, of liever vóórdat de wachten van het Kasteel door den zandlooper gewaarschuwd negen slagen doen weergalmen op het bekken, want de Koningin van het Oosten is nog geen openbaar uurwerk rijk.Om negen uur toch wordt de groote rivier door een zwaren ijzeren ketting van de haven afgescheiden; en na dat uur vervliegt ook de glorie van de Lepelstraat.Nu echter zijn de lichten pas ontstoken, Jan-Maat met zijn bruin liefje aan den arm, gaat daar huis in, huis uit, of blijft kijken naar een troep Javaansche tooneelspelers, topeng genaamd, die voor eenige duiten hun kluchten vertoonen; een Javaan hurkt met zijn draagbaar keukentje neer om aan een paar Europeanen, die geen woord Maleisch kennen, zijn waren te slijten; nauwelijks hebben zij echter een bete geproefd of luid vloekend en tierend werpen zij het brandende mengsel van zich af tot groote vroolijkheid der omstanders maar tot minder stichting van den koopman, die wellicht levenslang op het geld zal moeten wachten.Uit een der herbergen kwamen twee soldaten der Compagnie; beiden zagen er uit alsof zij hun laatsten duit daar binnen ten offer hadden gebracht om voor een oogenblik opwinding te koopen; min of meer wankelend was hun gang, hoogrood hun trekken, waarop, hoewel in verschillende mate, ongebondenheid en een ongeregeld leven hun stempel hadden gedrukt.[7]De oudste met een bol glimmend gelaat, waarop hier en daar een rosse plek de vergeefsche pogingen aanduidde, welke de baard maakte om er door heen te komen, zag er uit of hij een verleden achter zich had, waarvan de galg de meest gepaste eindpaal moest wezen; zijn havelooze kleederen waren verscheurd of versteld op een wijze, die een scheur nog verkieselijker deed schijnen, zijn sluike roode haren, welke niet eens meer tot den schedel en het voorhoofd reikten, waren door een gedeukten hoed bedekt; de schoenen trokken slechts de aandacht door hun afwezigheid, want men kon dien naam niet geven aan de onoogelijke sloffen, welke hun plaats innamen, en een scheiding maakten tusschen de bloote voeten en het zand van de ongeplaveide straat.De andere zag er iets beter uit; werden zijn kleederen beter gedragen of waren deze nieuwer en minder versleten? Wie kon het zeggen? Niemand lette genoeg op het tweetal om aan deze vraag eenige aandacht te leenen. Zoo merkte dan ook niemand op dat deze jonge man—want jong was hij blijkbaar nog—om zijn kleur gemakkelijk onder de kleurlingen kon gerekend worden, nog minder dat honger en verdriet uit zijn groote, zwarte oogen blikten, de pas gebruikte drank had die oogen wel kunnen benevelen, maar geen blos op de vaalgele wangen geschilderd.De andere hield hem bij zijn kleed vast:„Ja, zie je,” sprak hij in vrij gebroken Hollandsch met dikke tong en volle keel om het andere woord haast zijn rede versterkend met een Duitschen vloek, „ik zeg maar als we dat niet hadden! Zoo’n teugje vuurwater is nog ’t beste wat zij in dat beroerde Holland hebben; wat dunkt jou?”„Ik wilde dat ik dien ellendigen kost nooit aan mijn lippen had gebracht en nog liever dat ik hem niet noodig had om mijn honger te bedwingen en mijn leed te vergeten.”[8]„Sapperdement Donnerwetter! Heb je leed? Kom, zoo’n flinke jonge kerel als jij! Wat voor leed kun je hebben? Toch niet om een liefje, hè! Geloof me, laat je met geen vrouwvolk in, want dat kost geld, veel geld, en het bedriegt je; wij hebben weinig geld en dat kunnen we nergens beter gebruiken als daar binnen, dat goedje bedriegt niet, potztausend! Zullen we hier eens ingaan? Tonne Mie heeft weergaasch goed bier ook!”„Neen, van avond niet meer. Hoe zouden we ook kunnen! Ik heb niets meer.”„En ik heb crediet! alle duivels! Of wat denk je, weet je wie ik ben? De Markgraaf von Schweinshausen, daar boven aan den Rhijn, is mijn volle neef en ik zou stellig in zijn plaats gekomen zijn, als ik aan de Hoogeschool van Bonn niet dat standje had gehad met den zoon van den Ridder von Schönfeld, dien ik in een duel neerschoot, den gemeenen hond, die mij voor dronkaard durfde uitmaken. Na dien tijd heb ik niets dan ongelukken gehad; eerst trachtte ik in dienst van den grooten koning van Frankrijk mijn fortuin te beproeven, maar dat was ook mis, mijn ongelukkige vaderlandsliefde deed me daar spoedig ruzie krijgen met een superieur nog wel, en die Franschen zijn zoo ongenadig trotsch. Ik zou zoo waar een kogel hebben opgeloopen, als ik niet bijtijds de plaat had gepoetst, en van daar kwam ik ja, zie je dat herinner ik me niet meer, maar dat weet ik wel, dat, waar ik ook geweest ben, en dat is op verduiveld veel plaatsen, ik nergens in zoo’n beestenboel verdwaald geraakt ben als hier; dat is geen plaats voor menschen van fatsoen en stand, en dat zijn toch de meesten van ons, en jij ook! Wat was je eigenlijk daar in het groote, heerlijke Europa?”„Ik? Wat ik hier ben! Niets!”„Maar je bent toch van goede afkomst? Dat zeggen ze allemaal!”[9]„Wie zegt je dat? Wel neen! Ik heb geen naam, geen familie, geen vaderland, niets! Ik heb maar een doel, hier een kogel zoeken.”„Je bent een rare snoeshaan, dat heb ik reeds dadelijk gemerkt. Niets gaat je goed af, zelfs drinken niet, al doe je nog zoo je best om mee te doen. Maar als je nergens meer heen wilt, wat doe je langer hier? Zie je, als je heerlijke concerten gehoord hebt in Duitschland en Frankrijk, dan maken je die krassen op de viool en dat gepiep van die fluit misselijk, en als je dan denkt aan de tooneelspelen op de eerste schouwburgen in de vorstelijke residenties, dan zeg je ook: Ik heb genoeg van die flauwe pret; maar je hebt zeker nooit iets dergelijks gehoord of gezien.”„En ik ben in Amsterdam geweest en ik heb daar op het tooneel den Lucifer gehoord en Gijsbreght van Amstel, de meesterstukken van onzen grooten Vondel, ik heb gelachen om Warnar van den Muider Drost en het Moortje van Brederoo en gehuiverd bij de bloedige spelen van Jan Vos! O, ’t was zoo heerlijk!”Zijn doffe oogen fonkelden en dat laatste woord klonk haast als een smartkreet door de herinnering aan zijn borst ontwrongen.„Dan heb je toch nog iets gehad! En ik dacht dat jij je niets meer herinnerde!”„Was ’t maar zoo! Had ik geen herinnering, ik zou me misschien in dit pesthol nog eens kunnen t’huis voelen, maar die herinneringen, o, die herinneringen! Kon ik ze wegspoelen, ik dronk van den morgen tot den avond!”„Hé! Ik wou dat het mogelijk was en ik dan in je gezelschap mocht zijn, maar je wordt gevoelig, knaap! Je hebt een huilenden dronk. Schud die herinneringen maar af, neem een voorbeeld aan mij! Wat heb ik geen macht van herinneringen, ik, de volle neef van Freiherr, ik bedoel Hertog von Schweinshausen, die[10]hier als gemeen soldaat dien, maar ik blijf er lustig onder en denk, waar ge ook zijt, daar vindt ge weer dobbelsteenen, vrouwen en wijn, en al is dat alles hier van ’t allerellendigste kaliber, je moet er maar tevreden mee wezen.”De andere zuchtte diep; zijn makker had gelijk, hem sloeg de drank blijkbaar ter neer.„Ik moest niets meer drinken of anders heel veel,” zeide hij mismoedig, „zoo’n enkel teugje maakt me nog treuriger. Dan denk ik weer aan alles wat ik eenmaal bezat en dat ik reddeloos verloor.”„Niets is verloren, kerel, zoolang jij nog je lijf hebt; ben je dat kwijt, ja, dan ziet het er eerst leelijk met je uit, maar vóór dien tijd.… weet je wat? Ga met me mee, ik weet op de Rhinocerosgracht een zekeren Chinees wonen, een fideele vent, die gunt een dapper soldaat graag een spelletje kaart; je speelt er op je nog niet ontvangen soldij zonder eenig pand. Laatst heb ik er nog twee rijksdaalders gewonnen, en ik weet iemand, die nu een karos houdt en wel vijftig slaven, die er honderd dukaten won toen hij nog gemeen soldaat was, daarmee kocht hij zich vrij, zette een winkeltje op, trouwde een rijke zwarte vrouw, kocht zich later een schepensplaats en behoort nu tot de groote Hansen, die met den Edelen Generaal een pijp rooken op de puie zijner woning!”„Zoover zal ik ’t nooit brengen!”„Omdat jij herinneringen hebt! Laat die varen en volg me liever, spoedig zul jij ’t misschien niet meer kunnen doen, want ze zeggen dat er oorlog in de lucht zit. Daar in Karta-Soera moeten ze weer aan het rommelen zijn; ’t is waarlijk of de eene bruinvisch niet precies gelijk aan den andere is. Ik begrijp niet wat het de Compagnie schelen kan, welke smeerpoes daar de beest speelt, en dan nog verderop bovenSoerabaya, noemen ze[11]dat nest, geloof ik, zit er zoo’n oude snoeshaan, die hun allemaal te slim af is.”„Soerapati bedoelt ge?”„Kan wel; al die koeterwaalsche namen kan mijn Duitsche tong niet uitspreken. Was het nu maar Rademacher, Schönhausen, von Schweinsfeldt, zooals ik vroeger heette, nu die kerel is hun allen de baas. Hij moet vroeger slaaf zijn geweest, zegt men, en nu is hij nog machtiger dan de koning van Java, en nu begrijp je dat de Compagnie, die ’t hoofd zoo hoog draagt, dat niet dulden kan en … en … Zou ’t jou kunnen schelen wie hier de baas was? Mij niets! Als die Javaansche mijnheer mij een dukaat meer soldij geeft in het jaar en behoorlijke kousen en schoenen, dan zeg ik die Hollandsche kaaskoppen Adjé. En jij?”„Een verrader worden, een deserteur? Nimmer!”„Wat, doe je nog aan trouw? Ha, ha! Die artikelen hebben geen waarde op de passer. Gaan we nu naar mijn bah-bah1of niet?”„Neen, ik wil rusten, ik denk dat ik ’t nu zou kunnen, het gebeurt me zoo weinig dat ik slaap.”„En ik slaap veel te veel, kom, ga mee.”„Neen, Dikkop, waarlijk niet! Zeg me een woord, denk je dat er werkelijk oorlog komt?”„Wis en zeker! Ik ben er niets op gesteld, liever een leven als hier in de barakken van den Robijn, dan gevaar te loopen een blauwe boon te slikken.”Het was geheel donker geworden en de Koningin van het Oosten werd slechts flauwtjes door de kunst verlicht, als de maan er zich buiten hield. Zij waren op het met hooge boomen beplante Kasteelplein aangekomen, dat nog vol stond van de karossen der[12]gasten die de receptie hadden bezocht, want ook mevrouw de Generaal ontving. Juist verliet een aanzienlijke dame de landpoort van het Kasteel, de toortsen der slaven wierpen hun flikkerende lichten in de diamanten en gouden borduursels harer kleederen; een deftig gekleed heer leidde haar naar de wachtende karos, die zij met zeldzame gratie besteeg.„’t Is de pas aangekomen nicht van zijn Excellentie,” zeiden een paar toeschouwers.„Hé, wat scheelt je? Val je van ’t stokje?” vroeg de Dikkop zijn kameraad.„Och neen, ’t is niets, ik dacht … och, ’t was weer een herinnering.”„De duivel hale je herinneringen!” gromde de andere. „Daar zal je nog pret van beleven!”
Batavia!
De „Koningin van het Oosten” ontwaakte uit haar middagsluimering; de zon dook langzaam weg in de wateren der zee, een wazige, roode sluier zakte neer over de eilanden, rondgestrooid in de met schepen van allerlei grootte en vorm gevulde baai, die haar tot haven strekte, en van waaruit de milde Vorstin haar schatten wegzond naar alle windstreken of waar haar de tol gebracht werd van de landen en steden aan haar macht onderworpen. De gloeiende, door de zon geblakerde huizen van het Kasteel en de huizen der stad koelden zachtkens af onder een frissche bries, welke de zee landwaarts zond nu de avond aan het vallen was.
Uit de huizen kwamen de bewoners allengs naar buiten, de schuiten die in de grachten en in de rivieren dreven, werden langzamerhand gevuld, door hen, die òf een speeltochtje wilden doen, òf op gemakkelijke wijs naar een ander eind der stad wenschten vervoerd te worden. Onder de hooge boomen, die aan weerszijden de groote rivier overschaduwen, welke van de Diestpoort af de stad in tweeën deelt, bewogen zich vele Chineezen, Javanen, Mestiezen, slaven en slavinnen.
Ten Zuiden, dicht bij den stadswal omzoomen fraaie huizen[2]door Europeanen bewoond den weg links en rechts van het water; drie bruggen op gewelven rustend verbinden de beide oevers aan elkander, verderop zijn het meest winkels van Chineezen, kleine onaanzienlijke, lage huizen, die uitzicht geven op den tot markt gebruikten breeden weg. In de winkels zelf vindt men alles wat er op Batavia te koop geboden wordt; Japansche koopwaren en Europeesche kleedingstoffen, kramerijen en wapens, uitdragerstuig en kostbare Chineesche vazen. Midden op de straat staan nog rijen met kramen onder loodsen, drie dwarsgrachten verdeelen die markten in drieën; de eerste is de groentenmarkt; op de tweede worden, ’s morgens althans, visschen verkocht, groote kakaps, hartige bandengs, reusachtige garnalen, de afzichtelijke inktvisch en de geliefkoosde kapiting of krabben, liggen op houten schragen, uitgespreid, en vervullen de lucht met hun eigenaardige uitwasemingen. Smakelijker zijn de nu volgende passers, waarin de heerlijkste vruchten uitgestald liggen, de geurige ananassen en de bloedroode pompelmoezen in hun gouden schillen, de rijke verscheidenheid van djamboes en djeroeks, in alle kleuren en grootten, de harige ramboetans en de donkerpaarsche mangistan met het witte, donzige hart, geurig vleesch dat echter een bittere, groene pit omgeeft; manden vol geelkleurige doekoes en vrachten van katjangs of olienoten; een rijkdom van bloemen, die de lucht balsemachtig kruiden, witte melati’s in knoppen of ten volle ontloken, snoeren van tandjoeng, groene en gele kananga’s, sierlijk samen gebonden tuiltjes van katjapirings en tjampaka’s; al die kraampjes strekken zich uit tot de derde markt waar eenden en hoenders hun weinig harmonische geluiden doen hooren.
Op dit uur van den dag zijn er slechts weinige Europeanen hier te zien en deze behooren nog tot de laagste klassen der bevolking; het zijn ambachtslieden, smeden, timmerlieden, of[3]metselaars, schoenmakers in dienst der Compagnie met vrouw en kinderen, die zich door een wandeling verpoozen van hun zwaar werk gedurende de hitte van den dag, of wel soldaten in hun havelooze kleeding, die met hongerige blikken naar zooveel maagopwekkende artikelen rondzien, want de keuken en de portiën van het regiment zijn schraal en de soldij is wanhopig laag. Kleurlingen zoeken bij de bloemwinkels trossen bloemen uit, waarmede zij hun liefjes straks willen verrassen, Javaansche huishoudsters doen haar inkoopen, al lovend en biedend; eenige Arabieren bewegen zich kalm en deftig langs de winkels der Chineezen, die op luidruchtigen toon hun waar te koop aanbieden. Soms verwaardigen zij zich naar den prijs van het een of ander te vragen maar gewoonlijk halen zij minachtend de schouders op en zetten hun weg voort, langs de vleeschhal, die op palen boven de rivier gebouwd is en een hoog zwaar pannendak draagt.
De Europeanen vindt men thans in de deftiger wijken meest aan de Oostzijde der stad; daar langs de Tijgergracht met haar prachtige dubbele rij tamarinde boomen, zitten zij op hun stoepen voor hun gegevelde, wit gekalkte huizen onder het genot der onvergetelijke Goudsche pijp of zij wandelen langs het water en door de Prinsenstraat over het Kasteelplein en de Leeuwinne- of Kaaimansgracht terug. Het is hier een Oostersche stad met een Europeesch aanzien. De ingangen zijn van onderdeuren, de stoepjes van leuningen en banken voorzien; zag men daar niet geheele huisgezinnen op straat zitten, men zou zich in een Noord- of Zuid-Hollandsche stad wanen; ook de kleeding is nog bijna geheel Europeesch de dames hebben keurslijven aan en rokken van zware stof, de heeren gaan gebukt onder het verguldsel dat hun kragen en mouwen bedekt en onder hun zware pruiken.[4]
Weinige wandelaars ziet men hier gemoedelijk naast elkander gaan in deze straten; de meesten zijn gevolgd door eenige slaven, waarvan er een het vuurtouw, een ander het zonnescherm, teeken der waardigheid zijns meesters, een derde zijn snuifdoos draagt; de dames, die meest allen zich van haar echtgenooten afzonderen, wandelen gevolgd door een kleinen slaaf, die haar langen sleep ophoudt, terwijl een slavin de pajong boven haar hoofd uitspant en een paar anderen haar gevolg voltooien. Zij zelf wuift zich met haar waaier eenige koelte toe, tot het oogenblik dat zij een andere dame ontmoet, haar meerdere in rang; eerbiedig wijkt zij dan met haar stoet terzijde om een diepe neiging te maken, die de andere met een genadigen hoofdknik beantwoordt; straks stelt zij zich voor dat huldebetoon schadeloos door een andere, op nog gevoeliger wijze te toonen, dat zij op haar beurt ook de meerdere kan spelen.
Eenigen dalen de trappen af, die in het metselwerk der grachten zijn aangebracht en stappen met hun stoet van slaven en slavinnen in de versierde Chineesche prauwen; slaven brengen de riemen in beweging, anderen maken met hun instrumenten—javaansche viool, guitaar of cither—muziek en de booten glijden zachtkens over de grachten totdat de maan opkomt en haar helder witten glans over de vesting giet.
In het Kasteel dat omgordeld door hooge groene struiken zijn sterke wallen van witten koraalsteen opheft uit de beide grachten, houdt de Opperlandvoogd of Generaal, die thans Johan Van Hoorn heet, zijn gewone middagreceptie op de stoep zijner woning.
Deze woning bevindt zich rechts van het middenplein te midden der veste; de kleine achthoekige Kasteelkerk verbindt het met de tegenoverliggende woningen van de gewone Raden van Indië.[5]
Het is evenals alle andere Bataviasche huizen twee verdiepingen hoog; een breed en hoog bordes geeft iets voornaams aan het uitzicht, evenals het koepeltje boven het pannendak, waar een schip der Koningin van het Oosten tot windwijzer dient, herinnering misschien aan het stadhuis, waarmede Jacob van Campen de „Keizerin van Euroop” versierde.
De receptie is zoo huiselijk mogelijk; de Edele Generaal zit in het midden, de hoogste in rang naast hem en zoo verder nauwkeurig naar rangorde zijn de stoelen in halven cirkel geschikt, ieder spreekt met zijn buurman, en rookt zijn Goudsche pijp; algemeene gesprekken worden niet gehouden, de etiquette verbiedt iemand dat de Generaal hem hoore spreken.
Slaven dienen bier rond, en de Oppergebieder drinkt af en toe de gezondheid van het gezelschap en hun vrouwen, welke toasten onmiddellijk beantwoord worden; de gezellige ontvangst duurt tot 9 uur. De wacht van het fort wordt gehouden door hellebaardiers, krachtige jonge mannen in gele wambuizen en scharlaken zijden met lissen versierde broeken; de overige wachten zijn in treurigen sjofelen toestand; komt de Opperlandvoogd langs dan moeten zij op het geroep van den wachthebbenden sergeant onder de wapenen komen, men ziet ze verschijnen in allererbarmelijkst plunje meestal zonder kousen of schoenen, met gescheurde wambuizen en blootshoofds.
Hun ellendige verblijfplaatsen zijn aangebracht in de vier punten van het fort, Parel, Robijn, Diamant en Safier. Indrukwekkender dan de krijgers zijn de kanonnen, die op de vlakke daken rusten van de tegen de wallen staande provisiekamers en pakhuizen der Compagnie en die den geheelen omtrek met vuur en dood bedreigen.
Midden in de stad aan de groote rivier is nog een soort van[6]wachttoren aangebracht, die eveneens zijn vuurmonden naar alle richtingen geopend houdt.
Druk en vroolijk leven heerscht er vooral in de zoogenaamde achterbuurten, ten N. W. der stad, in de Zandzee, maar vooral in de Lepelstraat, die huis aan huis uit herbergen of kroegen bestaat.
Een lustige muziek lokt daar de vroolijke klanten naar binnen, matrozen, die op de prauwen wachten, welke hen naar hun schepen moeten brengen, vóórdat de klok negen slaat, of liever vóórdat de wachten van het Kasteel door den zandlooper gewaarschuwd negen slagen doen weergalmen op het bekken, want de Koningin van het Oosten is nog geen openbaar uurwerk rijk.
Om negen uur toch wordt de groote rivier door een zwaren ijzeren ketting van de haven afgescheiden; en na dat uur vervliegt ook de glorie van de Lepelstraat.
Nu echter zijn de lichten pas ontstoken, Jan-Maat met zijn bruin liefje aan den arm, gaat daar huis in, huis uit, of blijft kijken naar een troep Javaansche tooneelspelers, topeng genaamd, die voor eenige duiten hun kluchten vertoonen; een Javaan hurkt met zijn draagbaar keukentje neer om aan een paar Europeanen, die geen woord Maleisch kennen, zijn waren te slijten; nauwelijks hebben zij echter een bete geproefd of luid vloekend en tierend werpen zij het brandende mengsel van zich af tot groote vroolijkheid der omstanders maar tot minder stichting van den koopman, die wellicht levenslang op het geld zal moeten wachten.
Uit een der herbergen kwamen twee soldaten der Compagnie; beiden zagen er uit alsof zij hun laatsten duit daar binnen ten offer hadden gebracht om voor een oogenblik opwinding te koopen; min of meer wankelend was hun gang, hoogrood hun trekken, waarop, hoewel in verschillende mate, ongebondenheid en een ongeregeld leven hun stempel hadden gedrukt.[7]
De oudste met een bol glimmend gelaat, waarop hier en daar een rosse plek de vergeefsche pogingen aanduidde, welke de baard maakte om er door heen te komen, zag er uit of hij een verleden achter zich had, waarvan de galg de meest gepaste eindpaal moest wezen; zijn havelooze kleederen waren verscheurd of versteld op een wijze, die een scheur nog verkieselijker deed schijnen, zijn sluike roode haren, welke niet eens meer tot den schedel en het voorhoofd reikten, waren door een gedeukten hoed bedekt; de schoenen trokken slechts de aandacht door hun afwezigheid, want men kon dien naam niet geven aan de onoogelijke sloffen, welke hun plaats innamen, en een scheiding maakten tusschen de bloote voeten en het zand van de ongeplaveide straat.
De andere zag er iets beter uit; werden zijn kleederen beter gedragen of waren deze nieuwer en minder versleten? Wie kon het zeggen? Niemand lette genoeg op het tweetal om aan deze vraag eenige aandacht te leenen. Zoo merkte dan ook niemand op dat deze jonge man—want jong was hij blijkbaar nog—om zijn kleur gemakkelijk onder de kleurlingen kon gerekend worden, nog minder dat honger en verdriet uit zijn groote, zwarte oogen blikten, de pas gebruikte drank had die oogen wel kunnen benevelen, maar geen blos op de vaalgele wangen geschilderd.
De andere hield hem bij zijn kleed vast:
„Ja, zie je,” sprak hij in vrij gebroken Hollandsch met dikke tong en volle keel om het andere woord haast zijn rede versterkend met een Duitschen vloek, „ik zeg maar als we dat niet hadden! Zoo’n teugje vuurwater is nog ’t beste wat zij in dat beroerde Holland hebben; wat dunkt jou?”
„Ik wilde dat ik dien ellendigen kost nooit aan mijn lippen had gebracht en nog liever dat ik hem niet noodig had om mijn honger te bedwingen en mijn leed te vergeten.”[8]
„Sapperdement Donnerwetter! Heb je leed? Kom, zoo’n flinke jonge kerel als jij! Wat voor leed kun je hebben? Toch niet om een liefje, hè! Geloof me, laat je met geen vrouwvolk in, want dat kost geld, veel geld, en het bedriegt je; wij hebben weinig geld en dat kunnen we nergens beter gebruiken als daar binnen, dat goedje bedriegt niet, potztausend! Zullen we hier eens ingaan? Tonne Mie heeft weergaasch goed bier ook!”
„Neen, van avond niet meer. Hoe zouden we ook kunnen! Ik heb niets meer.”
„En ik heb crediet! alle duivels! Of wat denk je, weet je wie ik ben? De Markgraaf von Schweinshausen, daar boven aan den Rhijn, is mijn volle neef en ik zou stellig in zijn plaats gekomen zijn, als ik aan de Hoogeschool van Bonn niet dat standje had gehad met den zoon van den Ridder von Schönfeld, dien ik in een duel neerschoot, den gemeenen hond, die mij voor dronkaard durfde uitmaken. Na dien tijd heb ik niets dan ongelukken gehad; eerst trachtte ik in dienst van den grooten koning van Frankrijk mijn fortuin te beproeven, maar dat was ook mis, mijn ongelukkige vaderlandsliefde deed me daar spoedig ruzie krijgen met een superieur nog wel, en die Franschen zijn zoo ongenadig trotsch. Ik zou zoo waar een kogel hebben opgeloopen, als ik niet bijtijds de plaat had gepoetst, en van daar kwam ik ja, zie je dat herinner ik me niet meer, maar dat weet ik wel, dat, waar ik ook geweest ben, en dat is op verduiveld veel plaatsen, ik nergens in zoo’n beestenboel verdwaald geraakt ben als hier; dat is geen plaats voor menschen van fatsoen en stand, en dat zijn toch de meesten van ons, en jij ook! Wat was je eigenlijk daar in het groote, heerlijke Europa?”
„Ik? Wat ik hier ben! Niets!”
„Maar je bent toch van goede afkomst? Dat zeggen ze allemaal!”[9]
„Wie zegt je dat? Wel neen! Ik heb geen naam, geen familie, geen vaderland, niets! Ik heb maar een doel, hier een kogel zoeken.”
„Je bent een rare snoeshaan, dat heb ik reeds dadelijk gemerkt. Niets gaat je goed af, zelfs drinken niet, al doe je nog zoo je best om mee te doen. Maar als je nergens meer heen wilt, wat doe je langer hier? Zie je, als je heerlijke concerten gehoord hebt in Duitschland en Frankrijk, dan maken je die krassen op de viool en dat gepiep van die fluit misselijk, en als je dan denkt aan de tooneelspelen op de eerste schouwburgen in de vorstelijke residenties, dan zeg je ook: Ik heb genoeg van die flauwe pret; maar je hebt zeker nooit iets dergelijks gehoord of gezien.”
„En ik ben in Amsterdam geweest en ik heb daar op het tooneel den Lucifer gehoord en Gijsbreght van Amstel, de meesterstukken van onzen grooten Vondel, ik heb gelachen om Warnar van den Muider Drost en het Moortje van Brederoo en gehuiverd bij de bloedige spelen van Jan Vos! O, ’t was zoo heerlijk!”
Zijn doffe oogen fonkelden en dat laatste woord klonk haast als een smartkreet door de herinnering aan zijn borst ontwrongen.
„Dan heb je toch nog iets gehad! En ik dacht dat jij je niets meer herinnerde!”
„Was ’t maar zoo! Had ik geen herinnering, ik zou me misschien in dit pesthol nog eens kunnen t’huis voelen, maar die herinneringen, o, die herinneringen! Kon ik ze wegspoelen, ik dronk van den morgen tot den avond!”
„Hé! Ik wou dat het mogelijk was en ik dan in je gezelschap mocht zijn, maar je wordt gevoelig, knaap! Je hebt een huilenden dronk. Schud die herinneringen maar af, neem een voorbeeld aan mij! Wat heb ik geen macht van herinneringen, ik, de volle neef van Freiherr, ik bedoel Hertog von Schweinshausen, die[10]hier als gemeen soldaat dien, maar ik blijf er lustig onder en denk, waar ge ook zijt, daar vindt ge weer dobbelsteenen, vrouwen en wijn, en al is dat alles hier van ’t allerellendigste kaliber, je moet er maar tevreden mee wezen.”
De andere zuchtte diep; zijn makker had gelijk, hem sloeg de drank blijkbaar ter neer.
„Ik moest niets meer drinken of anders heel veel,” zeide hij mismoedig, „zoo’n enkel teugje maakt me nog treuriger. Dan denk ik weer aan alles wat ik eenmaal bezat en dat ik reddeloos verloor.”
„Niets is verloren, kerel, zoolang jij nog je lijf hebt; ben je dat kwijt, ja, dan ziet het er eerst leelijk met je uit, maar vóór dien tijd.… weet je wat? Ga met me mee, ik weet op de Rhinocerosgracht een zekeren Chinees wonen, een fideele vent, die gunt een dapper soldaat graag een spelletje kaart; je speelt er op je nog niet ontvangen soldij zonder eenig pand. Laatst heb ik er nog twee rijksdaalders gewonnen, en ik weet iemand, die nu een karos houdt en wel vijftig slaven, die er honderd dukaten won toen hij nog gemeen soldaat was, daarmee kocht hij zich vrij, zette een winkeltje op, trouwde een rijke zwarte vrouw, kocht zich later een schepensplaats en behoort nu tot de groote Hansen, die met den Edelen Generaal een pijp rooken op de puie zijner woning!”
„Zoover zal ik ’t nooit brengen!”
„Omdat jij herinneringen hebt! Laat die varen en volg me liever, spoedig zul jij ’t misschien niet meer kunnen doen, want ze zeggen dat er oorlog in de lucht zit. Daar in Karta-Soera moeten ze weer aan het rommelen zijn; ’t is waarlijk of de eene bruinvisch niet precies gelijk aan den andere is. Ik begrijp niet wat het de Compagnie schelen kan, welke smeerpoes daar de beest speelt, en dan nog verderop bovenSoerabaya, noemen ze[11]dat nest, geloof ik, zit er zoo’n oude snoeshaan, die hun allemaal te slim af is.”
„Soerapati bedoelt ge?”
„Kan wel; al die koeterwaalsche namen kan mijn Duitsche tong niet uitspreken. Was het nu maar Rademacher, Schönhausen, von Schweinsfeldt, zooals ik vroeger heette, nu die kerel is hun allen de baas. Hij moet vroeger slaaf zijn geweest, zegt men, en nu is hij nog machtiger dan de koning van Java, en nu begrijp je dat de Compagnie, die ’t hoofd zoo hoog draagt, dat niet dulden kan en … en … Zou ’t jou kunnen schelen wie hier de baas was? Mij niets! Als die Javaansche mijnheer mij een dukaat meer soldij geeft in het jaar en behoorlijke kousen en schoenen, dan zeg ik die Hollandsche kaaskoppen Adjé. En jij?”
„Een verrader worden, een deserteur? Nimmer!”
„Wat, doe je nog aan trouw? Ha, ha! Die artikelen hebben geen waarde op de passer. Gaan we nu naar mijn bah-bah1of niet?”
„Neen, ik wil rusten, ik denk dat ik ’t nu zou kunnen, het gebeurt me zoo weinig dat ik slaap.”
„En ik slaap veel te veel, kom, ga mee.”
„Neen, Dikkop, waarlijk niet! Zeg me een woord, denk je dat er werkelijk oorlog komt?”
„Wis en zeker! Ik ben er niets op gesteld, liever een leven als hier in de barakken van den Robijn, dan gevaar te loopen een blauwe boon te slikken.”
Het was geheel donker geworden en de Koningin van het Oosten werd slechts flauwtjes door de kunst verlicht, als de maan er zich buiten hield. Zij waren op het met hooge boomen beplante Kasteelplein aangekomen, dat nog vol stond van de karossen der[12]gasten die de receptie hadden bezocht, want ook mevrouw de Generaal ontving. Juist verliet een aanzienlijke dame de landpoort van het Kasteel, de toortsen der slaven wierpen hun flikkerende lichten in de diamanten en gouden borduursels harer kleederen; een deftig gekleed heer leidde haar naar de wachtende karos, die zij met zeldzame gratie besteeg.
„’t Is de pas aangekomen nicht van zijn Excellentie,” zeiden een paar toeschouwers.
„Hé, wat scheelt je? Val je van ’t stokje?” vroeg de Dikkop zijn kameraad.
„Och neen, ’t is niets, ik dacht … och, ’t was weer een herinnering.”
„De duivel hale je herinneringen!” gromde de andere. „Daar zal je nog pret van beleven!”
1Chinees.↑
1Chinees.↑
1Chinees.↑
1Chinees.↑