VIII.

[Inhoud]VIII.HET VORSTELIJKE GEZIN.Radhen Wiro Negoro nam de beleediging zijn zonen aangedaan, niet licht op, juist omdat hij de Tengereezen liefhad en begunstigde, vertoornde hem hun misdrijf bovenmate. Zijn echtgenoot en zonen hadden niet veel moeite hem te overtuigen dat zulk een daad zware straf verdiende; onmiddellijk liet hij een afdeeling zijner soldaten die in Malang gekampeerd waren, oprukken naar den Tenger; het bevel gaf hij echter aan een zijner Balineesche hoofdlieden en niet aan een zijner zonen, hoewel Lembono er dringend om gevraagd had. Pengantin lag nog met wondkoortsen te bed.„Ik wil niet straffen vóór ik beide partijen gehoord heb,” sprak hij ernstig, „mijn mannen kan ik vertrouwen, zij zullen de voornaamste schuldigen vinden en hen gevankelijk naar Pasoeroean overbrengen.”„Ik begrijp niet,” zeide Radhen Goesik schamper, „waarom hier nog onderzocht moet worden naar schuld. Hebben die menschen uw zonen hun prinsen aangevallen dan verdienen zij voorbeeldig gestraft te worden.”Radhen Wiro Negoro sloeg weinig acht op de woorden zijner vrouw, hetgeen hij trouwens bijna nooit deed, maar wendde zich tot zijn zoon Lembono:„Ge hoort wat ik gezegd heb, Mas! Wilt ge mij bekennen wat de aanleiding is geweest tot dien onverwachten aanval dan zult ge mijn taak zeer vergemakkelijken.”„Ik begrijp niet, Edele Vader! wat uw bedoeling is,” antwoordde[158]de prins met afgewend hoofd. „Welke aanleiding zou er bestaan? Ik ben met mijn mannen opgestegen naar de Dasar, ik heb zelfs den Kraton ongewapend beklommen met de Tengereezen en wierp in den afgrond de offers, welke ik medegebracht had; de landlieden schenen zelfs gesticht te zijn door mijn vroomheid. Daarna namen wij deel aan het offermaal in de Zandzee en keerden langs den gewonen weg, den berg af. De bewoners van de verschillende dessa’s verlieten ons de een na den ander in hartelijke en eerbiedige stemming, waarop wij alleen onze reis voortzetten.”„Waar voegde zich uw broeder bij u?”„In de Dasar, toen wij teruggekeerd waren van den kratertop.”„En hij vergezelde u op uw tocht benedenwaarts?”„Ja,” antwoordde Lembono min of meer weifelend.„Ge waart dus Tosari reeds voorbij, hoe hebben zij u dan kunnen aanvallen, bij hun dorp.”„We keerden er terug, daar we verdwaalden en wilden er een nachtverblijf zoeken.”„Zie mij aan!” beval Radhen Wiro Negoro streng, daar de prins nog steeds zijn blikken afwendde, „zweert ge mij, dat hetgeen ge vertelt waarheid bevat? Uw broeder is ziek en ik kan hem thans niet ondervragen, maar het onderzoek van de schuldigen zal uitbrengen, wat hier waarheid is.”„Wil mijn vader dan meer waarde hechten aan de verklaringen van dat arme volk dan aan die zijner zonen?”„De omstandigheden zullen bewijzen, wie het meest geloof verdient. Wat ik nu van u verlang Lembono, is een plechtige eed. Behelst uw verhaal waarheid?”„Bij de geesten van den Bromo …”„Roep hen niet aan! Neem slechts den grooten Oppergod, den Schepper van het heelal, tot getuige uwer woorden. Hij heeft[159]alles gezien en gehoord, wat in het gebergte voorviel. Zweer thans!”„Ik zweer dat geen logen mijn lippen ontwijdde.”„’t Is goed! Wee u, al zijt ge ook mijn eigen vleesch en bloed, zoo ge onwaarheid hebt gesproken.”Juist trad Soederma binnen, zij wierp zich voor de voeten van haar schoonvader en wilde zijn voeten kussen, maar hij hief haar vriendelijk op en vroeg:„Wat heeft mijn dochter mij te zeggen?”„Mijn vader en gebieder!” sprak de jonge prinses, „mijn echtgenoot spreekt zonderlinge taal; uw dochter weet niet of de koorts waarschijnlijk zijn zinnen verwart, maar telkens ziet hij verward rond en prevelt een naam, die altijd hetzelfde klinkt.”Tranen rolden langs haar wangen en zij wrong in stomme smart de handen. Haar schoonmoeder en zwager zagen elkander bezorgd aan.„En hoe luidt die naam, mijn kind?”„Siwangi!” snikte de prinses. „Maar dan verhaalt hij nog vreemder dingen. Het was niet tegen menschen dat hij gestreden heeft maar tegen een Dewa; de geesten van den Bromo hebben zich verzet tegen zijn geluk, daarom moest hij bezwijken, maar hij zal niet ophouden te strijden om zijn doel te bereiken en telkens, telkens roept hij weer den naam van daareven. Het zijn niet de Tengereezen, verzekert hij, maar de geesten van den berg, die zijn arm doorwondden en hem op het ziekbed wierpen.”„Mijn broeder’s geest dwaalt af!” zeide Lembono scherp, „en mijn zuster doet onverstandig de woorden, die zijn kranken mond ontvallen, te herhalen. Zij moet ze laten verstuiven in de lucht en ze niet tot een zaad maken, dat booze vruchten kan dragen. Het waren menschen van vleesch en bloed en geen geesten die ons[160]hebben aangevallen, men zal in Tosari daarvan de sporen vinden.”„Maar is Siwangi dan ook geen geest?” vroeg Soederma bedroefd.„Keer naar de legerstede van uw echtgenoot terug, mijn dochter!” zeide de vorst, „verzorg hem goed en bedroef uw hart niet noodeloos! Ik zal de schuldigen weten te straffen.”Maar toen de jonge vrouw vertrokken was, richtte hij zich in zijn volle lengte op, zijn wenkbrauwen fronsten zich onheilspellend boven de dreigende oogen en de machtige hand uitstrekkend naar zijn zoon, sprak hij met donderende stem:„Ik begrijp waar het om te doen was! Voor de Tengereezen zijn vrouweneer en huwelijkstrouw nog steeds woorden vol beteekenis; het zal niet gezegd worden dat Radhen Wiro Negoro deze kostbare schatten zijner onderdanen niet heeft kunnen beschermen tegen zijn eigen zonen! Het onderzoek zal worden ingesteld, ik zelf zal ondervragen en ik herhaal ’t nogmaals: Wee hen, die ’t schuldigste waren!”Lembono verbleekte en zijn moeder zeide verschoonend:„Maar gesteld eens dat het zoo ware, Edele Vorst! is die zonde dan zoo onvergefelijk? Mas Pengantin is jong, het warme bloed zijner ouders vloeit door zijn aderen; wanneer hij wellicht door hartstocht overmand een landmeisje beleedigde, zoo verdient hij daarvoor toch geen al te strenge straf. Ook gij hebt eenmaal bemind, ook gij hebt uw liefde niet weten te bedwingen en moest er de gevolgen van dragen.”Met gemaakte zachtheid vol snijdenden hoon had Radhen Goesik deze laatste woorden uitgesproken. Soerapati beet zich op de lippen en wierp haar een blik toe, waarin duidelijk te lezen was, dat de liefde jegens haar, zoo deze ooit in werkelijkheid bestaan had, reeds sinds lang plaats maakte voor wrevel en ergernis.[161]„Zwijg vrouw!” voegde hij haar scherp toe, „over dingen, waarvan gij het rechte verstand niet bezit. Deze zaak geldt u niet, ik zal ze alleen weten te behandelen.”„Heb ik geen verstand van liefde en hartstocht?” vroeg zij fleemend. „Ik ben Pengantins moeder en ook ik heb mij laten medeslepen door den hartstocht der liefde. Ik verliet mijn eersten echtgenoot, een prins van vorstelijken bloede, om een roover en slaaf te volgen op zijn avontuurlijken weg. Inderdaad zoo mijn kind schuldig is, hij dankt het aan ’t voorbeeld zijner ouders, Soerapati!”Maar de vorst verwaardigde zich niet haar te antwoorden, hij keerde haar met minachtend gebaar den rug toe en verliet de galerij.Moeder en zoon bleven samen; Radhen Goesik weende van spijt en Lembono sidderde over zijn geheele lichaam.„Wat hij dreigt zal hij uitvoeren, moeder!” mompelde hij.„Lafaard, die beeft bij het woord van een vader. Zijt ge dan nog zwakke kinderen die een bestraffing vreezen en geen volwassen prinsen van geboorte? Hij is een opkomeling, een soldaat die geluk had met zijn wapens, maar in uw aderen stroomt het vorstelijke bloed, dat ge mij dankt.”„Predikt gij ons verzet en opstand?” vroeg de prins fluisterend.„De omstandigheden zullen het leeren, hij heeft den weg gebaand aan u, om zijn zetel opgericht te houden, desnoods boven zijn lichaam.”Zij zag er vreeselijk uit, deze vrouw met haar bloedroode lippen en van haat glinsterende oogen.„Hij zal de Hollanders hier binnen halen; hij voert met hen oorlog alleen om het recht te hebben met hen vrede te sluiten; hij zal de Hindoesche tempels sluiten evenals de moskeeën en er Christenkerken voor in de plaats bouwen. De halve maan en de lotusbloem zullen vervangen worden door het kruis.”[162]„De Hollanders voeren geen kruis, zij hebben niets dan de rijksdaalder,” meesmuilde Lembono, „dat geeft mij moed! Met geld zijn zij het gemakkelijkst te onderwerpen, beter nog dan door wapens!”„Blijft dan één met u drieën, zoo zijt ge machtig, machtig tegen den vreemdeling, machtig tegen uw eigen vader!” hernam zij en stond op om haar zieken zoon te bezoeken.De soldaten, die naar den Tenger uitgezonden waren, kwamen weldra terug; zij verhaalden dat hun taak gemakkelijk was geweest; de arme landbouwers hadden geen andere wapens dan hun kapmessen en de schrik sloeg hen om het hart, toen zij de krijgslieden zagen naderen.Eerst dachten zij dat het een nieuwe poging was om Siwangi in het bezit te krijgen, maar de aanvoerder reed vooruit met een witten doek in de hand en de oudste der dessa, die het sinds den dood van Siwangi’s vader was, kwam hem te gemoet om te hooren wat hij verlangde.De aanvoerder bracht het bevel over van den Vorst, die streng maar rechtvaardig wilde oordeelen en dus de schuldigen aanraadde zich vrijwillig over te geven, daar anders de geheele dessa voor het misdrijf van slechts enkelen zou moeten boeten.Toen was er een jonkman vooruitgekomen, die in gebroken Javaansch zeide:„Ik ben alleen de schuldige, ik heb een meisje beschermd dat weerloos in de handen was gevallen van een roover, en ’s avonds toen men opnieuw de misdaad wilde begaan, maar thans met overmacht van wapenen, heb ik nogmaals mijn wapen gelost. Mijn schoten hebben de aanvallers op de vlucht gejaagd. Onderzoek vrij deze hutten, gij zult er geweren, kruit noch lood vinden, niets dan deze wapenen, welke ik u ter hand wil stellen en die mij toebehooren.”[163]Vol verbazing hadden de krijgslieden den spreker aangestaard; zijn gelaatstrekken hoewel lichter van kleur, droegen een merkwaardige gelijkenis met die van Mas Pengantin, maar zijn stem en houding brachten den gevreesden en geëerbiedigden Vorst zelf in herinnering.„Maar wie zijt gij dan?”„Een arme verdwaalde koopman, die wapens verkoopt, paarlen en snuisterijen, ik wilde ze uw vorstinnen te koop aanbieden. Het noodlot heeft er anders over beschikt, maar ik treur er niet om, daar ’t mij vergund was een arm onschuldig meisje te redden van een treurig lot.”Men had zijn onderwerping aangenomen, doch met hem eenige Tengereezen, den oudste, benevens Siwangi’s broeder en bruidegom gevangen genomen; toen zij gevankelijk weggevoerd werden, vervulde bitter gejammer en gesteun de lucht, maar de gevangene bergbewoners troostten de achtergeblevenen.„Wij komen weldra terug,” zeiden zij, „onze zaak is eerlijk en Radhen Wiro Negoro is rechtvaardig.”Zij werden naar den Kraton van Pasoeroean gebracht en daar in den kerker opgesloten om het onderzoek af te wachten.Radhen Wiro Negoro besloot ook naar zijn hoofdstad te vertrekken; voor zijn heengaan bezocht hij nog het ziekbed van zijn zoon. Maar Pengantin, hoewel lang niet zwaar ziek, hield zich bewusteloos of slapend om een gesprek met den gevreesden vader te ontwijken.„Ge zult goed op hem passen, Soederma,” sprak de Vorst tot zijn schoondochter, „en zoodra hij in staat is te reizen, laat gij hem in een draagstoel overbrengen naar mijn Kraton.”„En zal mijn vader dan ook genadig zijn.”„Ik wil rechtvaardig wezen, kind! Want rechtvaardigheid is de[164]deugd, die op Java het verst te zoeken is, moge men eenmaal zeggen, Soerapati bracht haar terug!”„Geen deugd is ook moeilijker,” fluisterde de prinses en sloeg haar door waken en tranen afgematte oogen naar den grond. Hij streelde haar lokken en verliet de kamer om zich naar zijn gemalin te begeven, die alweer met den dwerg aan haar voeten zat.„Ik vertrek,” zei de hij kort en afgemeten, „ik reken er op dat gij mij weldra volgt. Lembono zal mij vergezellen. Een woord heb ik nog te zeggen. Gij overweegt booze dingen in uw hart, zoolang het zich tot gedachten en woorden bepaalt, laat ik u vrij; maar pas op, dat ge mij in geen nieuwe moeilijkheden wikkelt. Reeds genoeg zorgen en lasten omringen mij, gij behoeft ze niet te vermeerderen, want als gij en uw zonen er nieuwe bijvoegt konden zij licht aangroeien tot een berg, die op mij valt en mij verplet. Misschien betreurt ge dat niet eens, misschien is ’t juist dat, wat gij zoekt, maar bedenk dat ik alleen het gebouw stut, waarin gij allen als vorsten zetelt. Wanneer ik verdwijn, dan stort het ineen. Noch gij, noch uw kinderen kunnen het staande houden! Overweeg dus mijn woorden en sla mijn raad niet in de lucht.”De vorstin bedwong het toornig antwoord dat op haar lippen, zweefde en zeide niets dan:„Vaarwel, ik zal u spoedig volgen.”Aan Boeloe Kidoer echter gaf zij haar hart lucht.„Wat zal er gebeuren, Boeloe? Wat zal hij doen met mijn arme zonen; is ’t niet beter dat Pengantin zich niet waagt aan den toorn zijns vaders, dat hij den Kraton niet meer betrede, maar vluchte naar … naar de bergen met zijn getrouwen?”„Bezit hij die?” vroeg de dwerg, „tien, twintig, honderd speelmakkers en drinkebroeders zijn niet genoeg om een Radhen Wiro Negoro te weerstaan?”[165]„Maar hij kan vluchten naar den keizer!”„Naar Pakoe Boewana?” en de dwerg lachte spottend.„Naar Soenan Mas bedoel ik!”Nog luider lachte de dwerg.„Soenan Mas zal de bescherming van Soerapati verbeuren om zich met die van zijn vluchtenden zoon te behelpen. Moedertje, ge zijt bedreven in vele zaken, maar staatsmanswijsheid mist ge nog!”Juist trad AmirangKoesoemo, Radhen Goesik’s pleegvader binnen en de dwerg begroette hem met de woorden:„Grootvadertje, gij komt juist bijtijds, de schoone vingers van uw dochter willen zich wringen tusschen de treden van den troon van haar gemaal; zij hoopt die ineen te doen storten en vergeet dat zij de eerste zal zijn om daaronder begraven te worden.”„Zwijg onbeschaamde dwerg!” beet de vorstin hem nijdig toe.„Mijn dochter zal dit onzinnige werk niet beproeven,” zeide de oud-Rijksbestuurder, „ernstige tijden breken aan. Slechts in eendracht kunnen wij ons heil vinden. Van twee kanten bedreigen ons èn de keizerlijken èn de Hollanders, met vereende krachten moeten wij hen weerstaan. En wie zou het doen, als Soerapati er niet was? Uw drie zonen, Radhen Goesik, reiken te zamen hem nog niet aan de knie; gebruik uw invloed niet om uw kinderen tegen hun vader op te zetten. De burgeroorlog verdeelt het rijk en maakt het zwak tegen den vijand, die van buiten dreigt. De val des vorsten zal ons aller ondergang zijn!”„Maar hij zal zich niet ontzien zelfs zijn oudsten zoon zwaar te straffen.”„Dit is zijn plicht als de straffe verdiend is.”„Maak u niet ongerust, moedertje!” grinnikte de dwerg, „de heer vader zal streng oordeelen, vonnissen misschien, maar hij zal vergeven. Hij heeft zijn zonen te veel noodig in deze duistere[166]dagen. Wat zal het hem baten zijn troon te redden, als hij de zekerheid heeft, dat deze na zijn dood ledig zal blijven? Een man als Soerapati werkt niet voor één geslacht.”„Ge handelt slecht, mijn dochter, door heete olie in plaats van balsem te gieten op de wonden uwer zonen, dat zou hen razend kunnen maken van pijn. Wees dus op uw hoede! Laat Radhen Wiro Negoro handelen zooals hem ’t best dunkt. Wees overtuigd, dat het ook goed en billijk zal blijken.”Radhen Goesik zweeg, maar in haar hart was zij nog niet overtuigd; zij koesterde echter voor haar pleegvader nog te veel kinderlijken eerbied om hem te durven tegenspreken.„De Dewa, waarvan Pengantin droomde, heeft zich doen kennen als een gewoon sterveling,” hervatte zij na een poos, „hij heeft op mijn zoon durven schieten de ellendeling. Als ik Wiro Negoro was, ik zou op den vermetelen knaap het volle gewicht doen neerkomen van mijn toorn, dan spaart hij ook zijn geliefde Tengereezen.”„O moedertje, wat zou ’t goed leven zijn onder uw wijzen scepter,” gichelde Boeloe Kidoer.In diep nadenken verzonken reed de vorst intusschen aan het hoofd van zijn leger; links en rechts wierp zich het volk bij zijn nadering in het stof; hij zag hen nauwelijks aan, zoo hielden ernstige gedachten zijn geest bezig.De gebeurtenissen op het Tengergebergte, de oneenigheid met vrouw en kinderen, kwamen hem juist thans ten hoogste ongelegen. Hij wist dat de Hollanders zich nu op geduchte wijze uitrustten om hem in zijn eigen gebied te komen aanvallen; het gevaar grijnsde hem van nabij aan. Zijn ouden pleegvader en besten raadsman had hij verloren; bittere smart welde op in zijn borst bij de gedachte dat hij den man, die hem zoo trouw vergezeld[167]had van het slavenkwartier naar het vorstelijk paleis nu voortaan zou missen, en dat nog wel door zijn eigen schuld.Naberouw kwelde hem, daar hij den grijsaard uitgezonden had op zulk een gevaarvolle onderneming; hij had alleen zich zelf zijn dood of gevangenisstraf te wijten. Zijn hart was bedroefd, maar daarop mocht hij geen acht slaan, evenmin als op den toorn, die zijn borst vervulde bij het herdenken van den tegenstand, hem geboden door vrouw en kinderen. Neen, hij moest waken, hij moest denken, hij moest sterk blijven, smart en gramschap verzwakken den mensch, verduisteren zijn geest en hij diende krachtig te blijven, wilde hij alle moeilijkheden, alle zorgen, alle vijanden het hoofd bieden.Hij kon nu zijn zonen niet doodelijk kwetsen door een vernederende straf, maar evenmin zijn trouwe Tengereezen beleedigen door onrechtvaardigheid. De eer van zijn kroon door den erfprins vertegenwoordigd stond aan de eene zijde, het geschonden recht aan de andere.„O, dat ik geen zoon bezit, waardig mij op te volgen, in wiens handen ik gerust mijn taak kan overgeven als ik vallen moet,” verzuchtte zijn ziel. „De kansen van den oorlog zijn wisselvallig, wanneer ik sneuvel dan heb ik vergeefs gearbeid, mijn leven lang! Als het kaf der ledige padikorrels zal alles verstuiven wat ik hier wrochtte. De ellendige geest, die in mijn zonen heerscht, zal oorzaak zijn van den val van mijn koninkrijk, dat ik door zooveel bloed en tranen, zooveel zweet en arbeid vestigde. Zij zullen blijde terugkeeren onder Mataram’s heerschappij, zich trotsch en tevreden voelen, wanneer zij als regenten van den Soesoehoenan een schijn van macht mogen behouden in deze gewesten, waar hun vader eenmaal als onafhankelijk vorst regeerde. Zij worden slaven van den Islam en van de gewetenlooze hadji’s. Ik ben hoog geklommen, mijn[168]hoogste eerzucht is voldaan! Wat zal ’t mij baten indien er niemand is, wien ik bij mijn heengaan de teugels kan overreiken? Maar hoe komen die treurige voorgevoelens in mij op? Ik ben nog niet oud, ik ben krachtig en sterk, mijn volk is mij trouw en mijn lichaam is onkwetsbaar; ik zal de Hollanders leeren dat zij in mij een anderen vijand hebben dan de Tjeribonsche, Bantamsche of Mataramsche prinsen, een anderen tegenstander zelfs dan de heldhaftigeTroeno-Djojo. Zij zullen met mij moeten rekenen, ik zal hun wetten voorschrijven. Waarom moeten zij overal zegevieren, dit land behoort toch ons en niet hen, den vreemdelingen van over de zee.”[169]

[Inhoud]VIII.HET VORSTELIJKE GEZIN.Radhen Wiro Negoro nam de beleediging zijn zonen aangedaan, niet licht op, juist omdat hij de Tengereezen liefhad en begunstigde, vertoornde hem hun misdrijf bovenmate. Zijn echtgenoot en zonen hadden niet veel moeite hem te overtuigen dat zulk een daad zware straf verdiende; onmiddellijk liet hij een afdeeling zijner soldaten die in Malang gekampeerd waren, oprukken naar den Tenger; het bevel gaf hij echter aan een zijner Balineesche hoofdlieden en niet aan een zijner zonen, hoewel Lembono er dringend om gevraagd had. Pengantin lag nog met wondkoortsen te bed.„Ik wil niet straffen vóór ik beide partijen gehoord heb,” sprak hij ernstig, „mijn mannen kan ik vertrouwen, zij zullen de voornaamste schuldigen vinden en hen gevankelijk naar Pasoeroean overbrengen.”„Ik begrijp niet,” zeide Radhen Goesik schamper, „waarom hier nog onderzocht moet worden naar schuld. Hebben die menschen uw zonen hun prinsen aangevallen dan verdienen zij voorbeeldig gestraft te worden.”Radhen Wiro Negoro sloeg weinig acht op de woorden zijner vrouw, hetgeen hij trouwens bijna nooit deed, maar wendde zich tot zijn zoon Lembono:„Ge hoort wat ik gezegd heb, Mas! Wilt ge mij bekennen wat de aanleiding is geweest tot dien onverwachten aanval dan zult ge mijn taak zeer vergemakkelijken.”„Ik begrijp niet, Edele Vader! wat uw bedoeling is,” antwoordde[158]de prins met afgewend hoofd. „Welke aanleiding zou er bestaan? Ik ben met mijn mannen opgestegen naar de Dasar, ik heb zelfs den Kraton ongewapend beklommen met de Tengereezen en wierp in den afgrond de offers, welke ik medegebracht had; de landlieden schenen zelfs gesticht te zijn door mijn vroomheid. Daarna namen wij deel aan het offermaal in de Zandzee en keerden langs den gewonen weg, den berg af. De bewoners van de verschillende dessa’s verlieten ons de een na den ander in hartelijke en eerbiedige stemming, waarop wij alleen onze reis voortzetten.”„Waar voegde zich uw broeder bij u?”„In de Dasar, toen wij teruggekeerd waren van den kratertop.”„En hij vergezelde u op uw tocht benedenwaarts?”„Ja,” antwoordde Lembono min of meer weifelend.„Ge waart dus Tosari reeds voorbij, hoe hebben zij u dan kunnen aanvallen, bij hun dorp.”„We keerden er terug, daar we verdwaalden en wilden er een nachtverblijf zoeken.”„Zie mij aan!” beval Radhen Wiro Negoro streng, daar de prins nog steeds zijn blikken afwendde, „zweert ge mij, dat hetgeen ge vertelt waarheid bevat? Uw broeder is ziek en ik kan hem thans niet ondervragen, maar het onderzoek van de schuldigen zal uitbrengen, wat hier waarheid is.”„Wil mijn vader dan meer waarde hechten aan de verklaringen van dat arme volk dan aan die zijner zonen?”„De omstandigheden zullen bewijzen, wie het meest geloof verdient. Wat ik nu van u verlang Lembono, is een plechtige eed. Behelst uw verhaal waarheid?”„Bij de geesten van den Bromo …”„Roep hen niet aan! Neem slechts den grooten Oppergod, den Schepper van het heelal, tot getuige uwer woorden. Hij heeft[159]alles gezien en gehoord, wat in het gebergte voorviel. Zweer thans!”„Ik zweer dat geen logen mijn lippen ontwijdde.”„’t Is goed! Wee u, al zijt ge ook mijn eigen vleesch en bloed, zoo ge onwaarheid hebt gesproken.”Juist trad Soederma binnen, zij wierp zich voor de voeten van haar schoonvader en wilde zijn voeten kussen, maar hij hief haar vriendelijk op en vroeg:„Wat heeft mijn dochter mij te zeggen?”„Mijn vader en gebieder!” sprak de jonge prinses, „mijn echtgenoot spreekt zonderlinge taal; uw dochter weet niet of de koorts waarschijnlijk zijn zinnen verwart, maar telkens ziet hij verward rond en prevelt een naam, die altijd hetzelfde klinkt.”Tranen rolden langs haar wangen en zij wrong in stomme smart de handen. Haar schoonmoeder en zwager zagen elkander bezorgd aan.„En hoe luidt die naam, mijn kind?”„Siwangi!” snikte de prinses. „Maar dan verhaalt hij nog vreemder dingen. Het was niet tegen menschen dat hij gestreden heeft maar tegen een Dewa; de geesten van den Bromo hebben zich verzet tegen zijn geluk, daarom moest hij bezwijken, maar hij zal niet ophouden te strijden om zijn doel te bereiken en telkens, telkens roept hij weer den naam van daareven. Het zijn niet de Tengereezen, verzekert hij, maar de geesten van den berg, die zijn arm doorwondden en hem op het ziekbed wierpen.”„Mijn broeder’s geest dwaalt af!” zeide Lembono scherp, „en mijn zuster doet onverstandig de woorden, die zijn kranken mond ontvallen, te herhalen. Zij moet ze laten verstuiven in de lucht en ze niet tot een zaad maken, dat booze vruchten kan dragen. Het waren menschen van vleesch en bloed en geen geesten die ons[160]hebben aangevallen, men zal in Tosari daarvan de sporen vinden.”„Maar is Siwangi dan ook geen geest?” vroeg Soederma bedroefd.„Keer naar de legerstede van uw echtgenoot terug, mijn dochter!” zeide de vorst, „verzorg hem goed en bedroef uw hart niet noodeloos! Ik zal de schuldigen weten te straffen.”Maar toen de jonge vrouw vertrokken was, richtte hij zich in zijn volle lengte op, zijn wenkbrauwen fronsten zich onheilspellend boven de dreigende oogen en de machtige hand uitstrekkend naar zijn zoon, sprak hij met donderende stem:„Ik begrijp waar het om te doen was! Voor de Tengereezen zijn vrouweneer en huwelijkstrouw nog steeds woorden vol beteekenis; het zal niet gezegd worden dat Radhen Wiro Negoro deze kostbare schatten zijner onderdanen niet heeft kunnen beschermen tegen zijn eigen zonen! Het onderzoek zal worden ingesteld, ik zelf zal ondervragen en ik herhaal ’t nogmaals: Wee hen, die ’t schuldigste waren!”Lembono verbleekte en zijn moeder zeide verschoonend:„Maar gesteld eens dat het zoo ware, Edele Vorst! is die zonde dan zoo onvergefelijk? Mas Pengantin is jong, het warme bloed zijner ouders vloeit door zijn aderen; wanneer hij wellicht door hartstocht overmand een landmeisje beleedigde, zoo verdient hij daarvoor toch geen al te strenge straf. Ook gij hebt eenmaal bemind, ook gij hebt uw liefde niet weten te bedwingen en moest er de gevolgen van dragen.”Met gemaakte zachtheid vol snijdenden hoon had Radhen Goesik deze laatste woorden uitgesproken. Soerapati beet zich op de lippen en wierp haar een blik toe, waarin duidelijk te lezen was, dat de liefde jegens haar, zoo deze ooit in werkelijkheid bestaan had, reeds sinds lang plaats maakte voor wrevel en ergernis.[161]„Zwijg vrouw!” voegde hij haar scherp toe, „over dingen, waarvan gij het rechte verstand niet bezit. Deze zaak geldt u niet, ik zal ze alleen weten te behandelen.”„Heb ik geen verstand van liefde en hartstocht?” vroeg zij fleemend. „Ik ben Pengantins moeder en ook ik heb mij laten medeslepen door den hartstocht der liefde. Ik verliet mijn eersten echtgenoot, een prins van vorstelijken bloede, om een roover en slaaf te volgen op zijn avontuurlijken weg. Inderdaad zoo mijn kind schuldig is, hij dankt het aan ’t voorbeeld zijner ouders, Soerapati!”Maar de vorst verwaardigde zich niet haar te antwoorden, hij keerde haar met minachtend gebaar den rug toe en verliet de galerij.Moeder en zoon bleven samen; Radhen Goesik weende van spijt en Lembono sidderde over zijn geheele lichaam.„Wat hij dreigt zal hij uitvoeren, moeder!” mompelde hij.„Lafaard, die beeft bij het woord van een vader. Zijt ge dan nog zwakke kinderen die een bestraffing vreezen en geen volwassen prinsen van geboorte? Hij is een opkomeling, een soldaat die geluk had met zijn wapens, maar in uw aderen stroomt het vorstelijke bloed, dat ge mij dankt.”„Predikt gij ons verzet en opstand?” vroeg de prins fluisterend.„De omstandigheden zullen het leeren, hij heeft den weg gebaand aan u, om zijn zetel opgericht te houden, desnoods boven zijn lichaam.”Zij zag er vreeselijk uit, deze vrouw met haar bloedroode lippen en van haat glinsterende oogen.„Hij zal de Hollanders hier binnen halen; hij voert met hen oorlog alleen om het recht te hebben met hen vrede te sluiten; hij zal de Hindoesche tempels sluiten evenals de moskeeën en er Christenkerken voor in de plaats bouwen. De halve maan en de lotusbloem zullen vervangen worden door het kruis.”[162]„De Hollanders voeren geen kruis, zij hebben niets dan de rijksdaalder,” meesmuilde Lembono, „dat geeft mij moed! Met geld zijn zij het gemakkelijkst te onderwerpen, beter nog dan door wapens!”„Blijft dan één met u drieën, zoo zijt ge machtig, machtig tegen den vreemdeling, machtig tegen uw eigen vader!” hernam zij en stond op om haar zieken zoon te bezoeken.De soldaten, die naar den Tenger uitgezonden waren, kwamen weldra terug; zij verhaalden dat hun taak gemakkelijk was geweest; de arme landbouwers hadden geen andere wapens dan hun kapmessen en de schrik sloeg hen om het hart, toen zij de krijgslieden zagen naderen.Eerst dachten zij dat het een nieuwe poging was om Siwangi in het bezit te krijgen, maar de aanvoerder reed vooruit met een witten doek in de hand en de oudste der dessa, die het sinds den dood van Siwangi’s vader was, kwam hem te gemoet om te hooren wat hij verlangde.De aanvoerder bracht het bevel over van den Vorst, die streng maar rechtvaardig wilde oordeelen en dus de schuldigen aanraadde zich vrijwillig over te geven, daar anders de geheele dessa voor het misdrijf van slechts enkelen zou moeten boeten.Toen was er een jonkman vooruitgekomen, die in gebroken Javaansch zeide:„Ik ben alleen de schuldige, ik heb een meisje beschermd dat weerloos in de handen was gevallen van een roover, en ’s avonds toen men opnieuw de misdaad wilde begaan, maar thans met overmacht van wapenen, heb ik nogmaals mijn wapen gelost. Mijn schoten hebben de aanvallers op de vlucht gejaagd. Onderzoek vrij deze hutten, gij zult er geweren, kruit noch lood vinden, niets dan deze wapenen, welke ik u ter hand wil stellen en die mij toebehooren.”[163]Vol verbazing hadden de krijgslieden den spreker aangestaard; zijn gelaatstrekken hoewel lichter van kleur, droegen een merkwaardige gelijkenis met die van Mas Pengantin, maar zijn stem en houding brachten den gevreesden en geëerbiedigden Vorst zelf in herinnering.„Maar wie zijt gij dan?”„Een arme verdwaalde koopman, die wapens verkoopt, paarlen en snuisterijen, ik wilde ze uw vorstinnen te koop aanbieden. Het noodlot heeft er anders over beschikt, maar ik treur er niet om, daar ’t mij vergund was een arm onschuldig meisje te redden van een treurig lot.”Men had zijn onderwerping aangenomen, doch met hem eenige Tengereezen, den oudste, benevens Siwangi’s broeder en bruidegom gevangen genomen; toen zij gevankelijk weggevoerd werden, vervulde bitter gejammer en gesteun de lucht, maar de gevangene bergbewoners troostten de achtergeblevenen.„Wij komen weldra terug,” zeiden zij, „onze zaak is eerlijk en Radhen Wiro Negoro is rechtvaardig.”Zij werden naar den Kraton van Pasoeroean gebracht en daar in den kerker opgesloten om het onderzoek af te wachten.Radhen Wiro Negoro besloot ook naar zijn hoofdstad te vertrekken; voor zijn heengaan bezocht hij nog het ziekbed van zijn zoon. Maar Pengantin, hoewel lang niet zwaar ziek, hield zich bewusteloos of slapend om een gesprek met den gevreesden vader te ontwijken.„Ge zult goed op hem passen, Soederma,” sprak de Vorst tot zijn schoondochter, „en zoodra hij in staat is te reizen, laat gij hem in een draagstoel overbrengen naar mijn Kraton.”„En zal mijn vader dan ook genadig zijn.”„Ik wil rechtvaardig wezen, kind! Want rechtvaardigheid is de[164]deugd, die op Java het verst te zoeken is, moge men eenmaal zeggen, Soerapati bracht haar terug!”„Geen deugd is ook moeilijker,” fluisterde de prinses en sloeg haar door waken en tranen afgematte oogen naar den grond. Hij streelde haar lokken en verliet de kamer om zich naar zijn gemalin te begeven, die alweer met den dwerg aan haar voeten zat.„Ik vertrek,” zei de hij kort en afgemeten, „ik reken er op dat gij mij weldra volgt. Lembono zal mij vergezellen. Een woord heb ik nog te zeggen. Gij overweegt booze dingen in uw hart, zoolang het zich tot gedachten en woorden bepaalt, laat ik u vrij; maar pas op, dat ge mij in geen nieuwe moeilijkheden wikkelt. Reeds genoeg zorgen en lasten omringen mij, gij behoeft ze niet te vermeerderen, want als gij en uw zonen er nieuwe bijvoegt konden zij licht aangroeien tot een berg, die op mij valt en mij verplet. Misschien betreurt ge dat niet eens, misschien is ’t juist dat, wat gij zoekt, maar bedenk dat ik alleen het gebouw stut, waarin gij allen als vorsten zetelt. Wanneer ik verdwijn, dan stort het ineen. Noch gij, noch uw kinderen kunnen het staande houden! Overweeg dus mijn woorden en sla mijn raad niet in de lucht.”De vorstin bedwong het toornig antwoord dat op haar lippen, zweefde en zeide niets dan:„Vaarwel, ik zal u spoedig volgen.”Aan Boeloe Kidoer echter gaf zij haar hart lucht.„Wat zal er gebeuren, Boeloe? Wat zal hij doen met mijn arme zonen; is ’t niet beter dat Pengantin zich niet waagt aan den toorn zijns vaders, dat hij den Kraton niet meer betrede, maar vluchte naar … naar de bergen met zijn getrouwen?”„Bezit hij die?” vroeg de dwerg, „tien, twintig, honderd speelmakkers en drinkebroeders zijn niet genoeg om een Radhen Wiro Negoro te weerstaan?”[165]„Maar hij kan vluchten naar den keizer!”„Naar Pakoe Boewana?” en de dwerg lachte spottend.„Naar Soenan Mas bedoel ik!”Nog luider lachte de dwerg.„Soenan Mas zal de bescherming van Soerapati verbeuren om zich met die van zijn vluchtenden zoon te behelpen. Moedertje, ge zijt bedreven in vele zaken, maar staatsmanswijsheid mist ge nog!”Juist trad AmirangKoesoemo, Radhen Goesik’s pleegvader binnen en de dwerg begroette hem met de woorden:„Grootvadertje, gij komt juist bijtijds, de schoone vingers van uw dochter willen zich wringen tusschen de treden van den troon van haar gemaal; zij hoopt die ineen te doen storten en vergeet dat zij de eerste zal zijn om daaronder begraven te worden.”„Zwijg onbeschaamde dwerg!” beet de vorstin hem nijdig toe.„Mijn dochter zal dit onzinnige werk niet beproeven,” zeide de oud-Rijksbestuurder, „ernstige tijden breken aan. Slechts in eendracht kunnen wij ons heil vinden. Van twee kanten bedreigen ons èn de keizerlijken èn de Hollanders, met vereende krachten moeten wij hen weerstaan. En wie zou het doen, als Soerapati er niet was? Uw drie zonen, Radhen Goesik, reiken te zamen hem nog niet aan de knie; gebruik uw invloed niet om uw kinderen tegen hun vader op te zetten. De burgeroorlog verdeelt het rijk en maakt het zwak tegen den vijand, die van buiten dreigt. De val des vorsten zal ons aller ondergang zijn!”„Maar hij zal zich niet ontzien zelfs zijn oudsten zoon zwaar te straffen.”„Dit is zijn plicht als de straffe verdiend is.”„Maak u niet ongerust, moedertje!” grinnikte de dwerg, „de heer vader zal streng oordeelen, vonnissen misschien, maar hij zal vergeven. Hij heeft zijn zonen te veel noodig in deze duistere[166]dagen. Wat zal het hem baten zijn troon te redden, als hij de zekerheid heeft, dat deze na zijn dood ledig zal blijven? Een man als Soerapati werkt niet voor één geslacht.”„Ge handelt slecht, mijn dochter, door heete olie in plaats van balsem te gieten op de wonden uwer zonen, dat zou hen razend kunnen maken van pijn. Wees dus op uw hoede! Laat Radhen Wiro Negoro handelen zooals hem ’t best dunkt. Wees overtuigd, dat het ook goed en billijk zal blijken.”Radhen Goesik zweeg, maar in haar hart was zij nog niet overtuigd; zij koesterde echter voor haar pleegvader nog te veel kinderlijken eerbied om hem te durven tegenspreken.„De Dewa, waarvan Pengantin droomde, heeft zich doen kennen als een gewoon sterveling,” hervatte zij na een poos, „hij heeft op mijn zoon durven schieten de ellendeling. Als ik Wiro Negoro was, ik zou op den vermetelen knaap het volle gewicht doen neerkomen van mijn toorn, dan spaart hij ook zijn geliefde Tengereezen.”„O moedertje, wat zou ’t goed leven zijn onder uw wijzen scepter,” gichelde Boeloe Kidoer.In diep nadenken verzonken reed de vorst intusschen aan het hoofd van zijn leger; links en rechts wierp zich het volk bij zijn nadering in het stof; hij zag hen nauwelijks aan, zoo hielden ernstige gedachten zijn geest bezig.De gebeurtenissen op het Tengergebergte, de oneenigheid met vrouw en kinderen, kwamen hem juist thans ten hoogste ongelegen. Hij wist dat de Hollanders zich nu op geduchte wijze uitrustten om hem in zijn eigen gebied te komen aanvallen; het gevaar grijnsde hem van nabij aan. Zijn ouden pleegvader en besten raadsman had hij verloren; bittere smart welde op in zijn borst bij de gedachte dat hij den man, die hem zoo trouw vergezeld[167]had van het slavenkwartier naar het vorstelijk paleis nu voortaan zou missen, en dat nog wel door zijn eigen schuld.Naberouw kwelde hem, daar hij den grijsaard uitgezonden had op zulk een gevaarvolle onderneming; hij had alleen zich zelf zijn dood of gevangenisstraf te wijten. Zijn hart was bedroefd, maar daarop mocht hij geen acht slaan, evenmin als op den toorn, die zijn borst vervulde bij het herdenken van den tegenstand, hem geboden door vrouw en kinderen. Neen, hij moest waken, hij moest denken, hij moest sterk blijven, smart en gramschap verzwakken den mensch, verduisteren zijn geest en hij diende krachtig te blijven, wilde hij alle moeilijkheden, alle zorgen, alle vijanden het hoofd bieden.Hij kon nu zijn zonen niet doodelijk kwetsen door een vernederende straf, maar evenmin zijn trouwe Tengereezen beleedigen door onrechtvaardigheid. De eer van zijn kroon door den erfprins vertegenwoordigd stond aan de eene zijde, het geschonden recht aan de andere.„O, dat ik geen zoon bezit, waardig mij op te volgen, in wiens handen ik gerust mijn taak kan overgeven als ik vallen moet,” verzuchtte zijn ziel. „De kansen van den oorlog zijn wisselvallig, wanneer ik sneuvel dan heb ik vergeefs gearbeid, mijn leven lang! Als het kaf der ledige padikorrels zal alles verstuiven wat ik hier wrochtte. De ellendige geest, die in mijn zonen heerscht, zal oorzaak zijn van den val van mijn koninkrijk, dat ik door zooveel bloed en tranen, zooveel zweet en arbeid vestigde. Zij zullen blijde terugkeeren onder Mataram’s heerschappij, zich trotsch en tevreden voelen, wanneer zij als regenten van den Soesoehoenan een schijn van macht mogen behouden in deze gewesten, waar hun vader eenmaal als onafhankelijk vorst regeerde. Zij worden slaven van den Islam en van de gewetenlooze hadji’s. Ik ben hoog geklommen, mijn[168]hoogste eerzucht is voldaan! Wat zal ’t mij baten indien er niemand is, wien ik bij mijn heengaan de teugels kan overreiken? Maar hoe komen die treurige voorgevoelens in mij op? Ik ben nog niet oud, ik ben krachtig en sterk, mijn volk is mij trouw en mijn lichaam is onkwetsbaar; ik zal de Hollanders leeren dat zij in mij een anderen vijand hebben dan de Tjeribonsche, Bantamsche of Mataramsche prinsen, een anderen tegenstander zelfs dan de heldhaftigeTroeno-Djojo. Zij zullen met mij moeten rekenen, ik zal hun wetten voorschrijven. Waarom moeten zij overal zegevieren, dit land behoort toch ons en niet hen, den vreemdelingen van over de zee.”[169]

[Inhoud]VIII.HET VORSTELIJKE GEZIN.Radhen Wiro Negoro nam de beleediging zijn zonen aangedaan, niet licht op, juist omdat hij de Tengereezen liefhad en begunstigde, vertoornde hem hun misdrijf bovenmate. Zijn echtgenoot en zonen hadden niet veel moeite hem te overtuigen dat zulk een daad zware straf verdiende; onmiddellijk liet hij een afdeeling zijner soldaten die in Malang gekampeerd waren, oprukken naar den Tenger; het bevel gaf hij echter aan een zijner Balineesche hoofdlieden en niet aan een zijner zonen, hoewel Lembono er dringend om gevraagd had. Pengantin lag nog met wondkoortsen te bed.„Ik wil niet straffen vóór ik beide partijen gehoord heb,” sprak hij ernstig, „mijn mannen kan ik vertrouwen, zij zullen de voornaamste schuldigen vinden en hen gevankelijk naar Pasoeroean overbrengen.”„Ik begrijp niet,” zeide Radhen Goesik schamper, „waarom hier nog onderzocht moet worden naar schuld. Hebben die menschen uw zonen hun prinsen aangevallen dan verdienen zij voorbeeldig gestraft te worden.”Radhen Wiro Negoro sloeg weinig acht op de woorden zijner vrouw, hetgeen hij trouwens bijna nooit deed, maar wendde zich tot zijn zoon Lembono:„Ge hoort wat ik gezegd heb, Mas! Wilt ge mij bekennen wat de aanleiding is geweest tot dien onverwachten aanval dan zult ge mijn taak zeer vergemakkelijken.”„Ik begrijp niet, Edele Vader! wat uw bedoeling is,” antwoordde[158]de prins met afgewend hoofd. „Welke aanleiding zou er bestaan? Ik ben met mijn mannen opgestegen naar de Dasar, ik heb zelfs den Kraton ongewapend beklommen met de Tengereezen en wierp in den afgrond de offers, welke ik medegebracht had; de landlieden schenen zelfs gesticht te zijn door mijn vroomheid. Daarna namen wij deel aan het offermaal in de Zandzee en keerden langs den gewonen weg, den berg af. De bewoners van de verschillende dessa’s verlieten ons de een na den ander in hartelijke en eerbiedige stemming, waarop wij alleen onze reis voortzetten.”„Waar voegde zich uw broeder bij u?”„In de Dasar, toen wij teruggekeerd waren van den kratertop.”„En hij vergezelde u op uw tocht benedenwaarts?”„Ja,” antwoordde Lembono min of meer weifelend.„Ge waart dus Tosari reeds voorbij, hoe hebben zij u dan kunnen aanvallen, bij hun dorp.”„We keerden er terug, daar we verdwaalden en wilden er een nachtverblijf zoeken.”„Zie mij aan!” beval Radhen Wiro Negoro streng, daar de prins nog steeds zijn blikken afwendde, „zweert ge mij, dat hetgeen ge vertelt waarheid bevat? Uw broeder is ziek en ik kan hem thans niet ondervragen, maar het onderzoek van de schuldigen zal uitbrengen, wat hier waarheid is.”„Wil mijn vader dan meer waarde hechten aan de verklaringen van dat arme volk dan aan die zijner zonen?”„De omstandigheden zullen bewijzen, wie het meest geloof verdient. Wat ik nu van u verlang Lembono, is een plechtige eed. Behelst uw verhaal waarheid?”„Bij de geesten van den Bromo …”„Roep hen niet aan! Neem slechts den grooten Oppergod, den Schepper van het heelal, tot getuige uwer woorden. Hij heeft[159]alles gezien en gehoord, wat in het gebergte voorviel. Zweer thans!”„Ik zweer dat geen logen mijn lippen ontwijdde.”„’t Is goed! Wee u, al zijt ge ook mijn eigen vleesch en bloed, zoo ge onwaarheid hebt gesproken.”Juist trad Soederma binnen, zij wierp zich voor de voeten van haar schoonvader en wilde zijn voeten kussen, maar hij hief haar vriendelijk op en vroeg:„Wat heeft mijn dochter mij te zeggen?”„Mijn vader en gebieder!” sprak de jonge prinses, „mijn echtgenoot spreekt zonderlinge taal; uw dochter weet niet of de koorts waarschijnlijk zijn zinnen verwart, maar telkens ziet hij verward rond en prevelt een naam, die altijd hetzelfde klinkt.”Tranen rolden langs haar wangen en zij wrong in stomme smart de handen. Haar schoonmoeder en zwager zagen elkander bezorgd aan.„En hoe luidt die naam, mijn kind?”„Siwangi!” snikte de prinses. „Maar dan verhaalt hij nog vreemder dingen. Het was niet tegen menschen dat hij gestreden heeft maar tegen een Dewa; de geesten van den Bromo hebben zich verzet tegen zijn geluk, daarom moest hij bezwijken, maar hij zal niet ophouden te strijden om zijn doel te bereiken en telkens, telkens roept hij weer den naam van daareven. Het zijn niet de Tengereezen, verzekert hij, maar de geesten van den berg, die zijn arm doorwondden en hem op het ziekbed wierpen.”„Mijn broeder’s geest dwaalt af!” zeide Lembono scherp, „en mijn zuster doet onverstandig de woorden, die zijn kranken mond ontvallen, te herhalen. Zij moet ze laten verstuiven in de lucht en ze niet tot een zaad maken, dat booze vruchten kan dragen. Het waren menschen van vleesch en bloed en geen geesten die ons[160]hebben aangevallen, men zal in Tosari daarvan de sporen vinden.”„Maar is Siwangi dan ook geen geest?” vroeg Soederma bedroefd.„Keer naar de legerstede van uw echtgenoot terug, mijn dochter!” zeide de vorst, „verzorg hem goed en bedroef uw hart niet noodeloos! Ik zal de schuldigen weten te straffen.”Maar toen de jonge vrouw vertrokken was, richtte hij zich in zijn volle lengte op, zijn wenkbrauwen fronsten zich onheilspellend boven de dreigende oogen en de machtige hand uitstrekkend naar zijn zoon, sprak hij met donderende stem:„Ik begrijp waar het om te doen was! Voor de Tengereezen zijn vrouweneer en huwelijkstrouw nog steeds woorden vol beteekenis; het zal niet gezegd worden dat Radhen Wiro Negoro deze kostbare schatten zijner onderdanen niet heeft kunnen beschermen tegen zijn eigen zonen! Het onderzoek zal worden ingesteld, ik zelf zal ondervragen en ik herhaal ’t nogmaals: Wee hen, die ’t schuldigste waren!”Lembono verbleekte en zijn moeder zeide verschoonend:„Maar gesteld eens dat het zoo ware, Edele Vorst! is die zonde dan zoo onvergefelijk? Mas Pengantin is jong, het warme bloed zijner ouders vloeit door zijn aderen; wanneer hij wellicht door hartstocht overmand een landmeisje beleedigde, zoo verdient hij daarvoor toch geen al te strenge straf. Ook gij hebt eenmaal bemind, ook gij hebt uw liefde niet weten te bedwingen en moest er de gevolgen van dragen.”Met gemaakte zachtheid vol snijdenden hoon had Radhen Goesik deze laatste woorden uitgesproken. Soerapati beet zich op de lippen en wierp haar een blik toe, waarin duidelijk te lezen was, dat de liefde jegens haar, zoo deze ooit in werkelijkheid bestaan had, reeds sinds lang plaats maakte voor wrevel en ergernis.[161]„Zwijg vrouw!” voegde hij haar scherp toe, „over dingen, waarvan gij het rechte verstand niet bezit. Deze zaak geldt u niet, ik zal ze alleen weten te behandelen.”„Heb ik geen verstand van liefde en hartstocht?” vroeg zij fleemend. „Ik ben Pengantins moeder en ook ik heb mij laten medeslepen door den hartstocht der liefde. Ik verliet mijn eersten echtgenoot, een prins van vorstelijken bloede, om een roover en slaaf te volgen op zijn avontuurlijken weg. Inderdaad zoo mijn kind schuldig is, hij dankt het aan ’t voorbeeld zijner ouders, Soerapati!”Maar de vorst verwaardigde zich niet haar te antwoorden, hij keerde haar met minachtend gebaar den rug toe en verliet de galerij.Moeder en zoon bleven samen; Radhen Goesik weende van spijt en Lembono sidderde over zijn geheele lichaam.„Wat hij dreigt zal hij uitvoeren, moeder!” mompelde hij.„Lafaard, die beeft bij het woord van een vader. Zijt ge dan nog zwakke kinderen die een bestraffing vreezen en geen volwassen prinsen van geboorte? Hij is een opkomeling, een soldaat die geluk had met zijn wapens, maar in uw aderen stroomt het vorstelijke bloed, dat ge mij dankt.”„Predikt gij ons verzet en opstand?” vroeg de prins fluisterend.„De omstandigheden zullen het leeren, hij heeft den weg gebaand aan u, om zijn zetel opgericht te houden, desnoods boven zijn lichaam.”Zij zag er vreeselijk uit, deze vrouw met haar bloedroode lippen en van haat glinsterende oogen.„Hij zal de Hollanders hier binnen halen; hij voert met hen oorlog alleen om het recht te hebben met hen vrede te sluiten; hij zal de Hindoesche tempels sluiten evenals de moskeeën en er Christenkerken voor in de plaats bouwen. De halve maan en de lotusbloem zullen vervangen worden door het kruis.”[162]„De Hollanders voeren geen kruis, zij hebben niets dan de rijksdaalder,” meesmuilde Lembono, „dat geeft mij moed! Met geld zijn zij het gemakkelijkst te onderwerpen, beter nog dan door wapens!”„Blijft dan één met u drieën, zoo zijt ge machtig, machtig tegen den vreemdeling, machtig tegen uw eigen vader!” hernam zij en stond op om haar zieken zoon te bezoeken.De soldaten, die naar den Tenger uitgezonden waren, kwamen weldra terug; zij verhaalden dat hun taak gemakkelijk was geweest; de arme landbouwers hadden geen andere wapens dan hun kapmessen en de schrik sloeg hen om het hart, toen zij de krijgslieden zagen naderen.Eerst dachten zij dat het een nieuwe poging was om Siwangi in het bezit te krijgen, maar de aanvoerder reed vooruit met een witten doek in de hand en de oudste der dessa, die het sinds den dood van Siwangi’s vader was, kwam hem te gemoet om te hooren wat hij verlangde.De aanvoerder bracht het bevel over van den Vorst, die streng maar rechtvaardig wilde oordeelen en dus de schuldigen aanraadde zich vrijwillig over te geven, daar anders de geheele dessa voor het misdrijf van slechts enkelen zou moeten boeten.Toen was er een jonkman vooruitgekomen, die in gebroken Javaansch zeide:„Ik ben alleen de schuldige, ik heb een meisje beschermd dat weerloos in de handen was gevallen van een roover, en ’s avonds toen men opnieuw de misdaad wilde begaan, maar thans met overmacht van wapenen, heb ik nogmaals mijn wapen gelost. Mijn schoten hebben de aanvallers op de vlucht gejaagd. Onderzoek vrij deze hutten, gij zult er geweren, kruit noch lood vinden, niets dan deze wapenen, welke ik u ter hand wil stellen en die mij toebehooren.”[163]Vol verbazing hadden de krijgslieden den spreker aangestaard; zijn gelaatstrekken hoewel lichter van kleur, droegen een merkwaardige gelijkenis met die van Mas Pengantin, maar zijn stem en houding brachten den gevreesden en geëerbiedigden Vorst zelf in herinnering.„Maar wie zijt gij dan?”„Een arme verdwaalde koopman, die wapens verkoopt, paarlen en snuisterijen, ik wilde ze uw vorstinnen te koop aanbieden. Het noodlot heeft er anders over beschikt, maar ik treur er niet om, daar ’t mij vergund was een arm onschuldig meisje te redden van een treurig lot.”Men had zijn onderwerping aangenomen, doch met hem eenige Tengereezen, den oudste, benevens Siwangi’s broeder en bruidegom gevangen genomen; toen zij gevankelijk weggevoerd werden, vervulde bitter gejammer en gesteun de lucht, maar de gevangene bergbewoners troostten de achtergeblevenen.„Wij komen weldra terug,” zeiden zij, „onze zaak is eerlijk en Radhen Wiro Negoro is rechtvaardig.”Zij werden naar den Kraton van Pasoeroean gebracht en daar in den kerker opgesloten om het onderzoek af te wachten.Radhen Wiro Negoro besloot ook naar zijn hoofdstad te vertrekken; voor zijn heengaan bezocht hij nog het ziekbed van zijn zoon. Maar Pengantin, hoewel lang niet zwaar ziek, hield zich bewusteloos of slapend om een gesprek met den gevreesden vader te ontwijken.„Ge zult goed op hem passen, Soederma,” sprak de Vorst tot zijn schoondochter, „en zoodra hij in staat is te reizen, laat gij hem in een draagstoel overbrengen naar mijn Kraton.”„En zal mijn vader dan ook genadig zijn.”„Ik wil rechtvaardig wezen, kind! Want rechtvaardigheid is de[164]deugd, die op Java het verst te zoeken is, moge men eenmaal zeggen, Soerapati bracht haar terug!”„Geen deugd is ook moeilijker,” fluisterde de prinses en sloeg haar door waken en tranen afgematte oogen naar den grond. Hij streelde haar lokken en verliet de kamer om zich naar zijn gemalin te begeven, die alweer met den dwerg aan haar voeten zat.„Ik vertrek,” zei de hij kort en afgemeten, „ik reken er op dat gij mij weldra volgt. Lembono zal mij vergezellen. Een woord heb ik nog te zeggen. Gij overweegt booze dingen in uw hart, zoolang het zich tot gedachten en woorden bepaalt, laat ik u vrij; maar pas op, dat ge mij in geen nieuwe moeilijkheden wikkelt. Reeds genoeg zorgen en lasten omringen mij, gij behoeft ze niet te vermeerderen, want als gij en uw zonen er nieuwe bijvoegt konden zij licht aangroeien tot een berg, die op mij valt en mij verplet. Misschien betreurt ge dat niet eens, misschien is ’t juist dat, wat gij zoekt, maar bedenk dat ik alleen het gebouw stut, waarin gij allen als vorsten zetelt. Wanneer ik verdwijn, dan stort het ineen. Noch gij, noch uw kinderen kunnen het staande houden! Overweeg dus mijn woorden en sla mijn raad niet in de lucht.”De vorstin bedwong het toornig antwoord dat op haar lippen, zweefde en zeide niets dan:„Vaarwel, ik zal u spoedig volgen.”Aan Boeloe Kidoer echter gaf zij haar hart lucht.„Wat zal er gebeuren, Boeloe? Wat zal hij doen met mijn arme zonen; is ’t niet beter dat Pengantin zich niet waagt aan den toorn zijns vaders, dat hij den Kraton niet meer betrede, maar vluchte naar … naar de bergen met zijn getrouwen?”„Bezit hij die?” vroeg de dwerg, „tien, twintig, honderd speelmakkers en drinkebroeders zijn niet genoeg om een Radhen Wiro Negoro te weerstaan?”[165]„Maar hij kan vluchten naar den keizer!”„Naar Pakoe Boewana?” en de dwerg lachte spottend.„Naar Soenan Mas bedoel ik!”Nog luider lachte de dwerg.„Soenan Mas zal de bescherming van Soerapati verbeuren om zich met die van zijn vluchtenden zoon te behelpen. Moedertje, ge zijt bedreven in vele zaken, maar staatsmanswijsheid mist ge nog!”Juist trad AmirangKoesoemo, Radhen Goesik’s pleegvader binnen en de dwerg begroette hem met de woorden:„Grootvadertje, gij komt juist bijtijds, de schoone vingers van uw dochter willen zich wringen tusschen de treden van den troon van haar gemaal; zij hoopt die ineen te doen storten en vergeet dat zij de eerste zal zijn om daaronder begraven te worden.”„Zwijg onbeschaamde dwerg!” beet de vorstin hem nijdig toe.„Mijn dochter zal dit onzinnige werk niet beproeven,” zeide de oud-Rijksbestuurder, „ernstige tijden breken aan. Slechts in eendracht kunnen wij ons heil vinden. Van twee kanten bedreigen ons èn de keizerlijken èn de Hollanders, met vereende krachten moeten wij hen weerstaan. En wie zou het doen, als Soerapati er niet was? Uw drie zonen, Radhen Goesik, reiken te zamen hem nog niet aan de knie; gebruik uw invloed niet om uw kinderen tegen hun vader op te zetten. De burgeroorlog verdeelt het rijk en maakt het zwak tegen den vijand, die van buiten dreigt. De val des vorsten zal ons aller ondergang zijn!”„Maar hij zal zich niet ontzien zelfs zijn oudsten zoon zwaar te straffen.”„Dit is zijn plicht als de straffe verdiend is.”„Maak u niet ongerust, moedertje!” grinnikte de dwerg, „de heer vader zal streng oordeelen, vonnissen misschien, maar hij zal vergeven. Hij heeft zijn zonen te veel noodig in deze duistere[166]dagen. Wat zal het hem baten zijn troon te redden, als hij de zekerheid heeft, dat deze na zijn dood ledig zal blijven? Een man als Soerapati werkt niet voor één geslacht.”„Ge handelt slecht, mijn dochter, door heete olie in plaats van balsem te gieten op de wonden uwer zonen, dat zou hen razend kunnen maken van pijn. Wees dus op uw hoede! Laat Radhen Wiro Negoro handelen zooals hem ’t best dunkt. Wees overtuigd, dat het ook goed en billijk zal blijken.”Radhen Goesik zweeg, maar in haar hart was zij nog niet overtuigd; zij koesterde echter voor haar pleegvader nog te veel kinderlijken eerbied om hem te durven tegenspreken.„De Dewa, waarvan Pengantin droomde, heeft zich doen kennen als een gewoon sterveling,” hervatte zij na een poos, „hij heeft op mijn zoon durven schieten de ellendeling. Als ik Wiro Negoro was, ik zou op den vermetelen knaap het volle gewicht doen neerkomen van mijn toorn, dan spaart hij ook zijn geliefde Tengereezen.”„O moedertje, wat zou ’t goed leven zijn onder uw wijzen scepter,” gichelde Boeloe Kidoer.In diep nadenken verzonken reed de vorst intusschen aan het hoofd van zijn leger; links en rechts wierp zich het volk bij zijn nadering in het stof; hij zag hen nauwelijks aan, zoo hielden ernstige gedachten zijn geest bezig.De gebeurtenissen op het Tengergebergte, de oneenigheid met vrouw en kinderen, kwamen hem juist thans ten hoogste ongelegen. Hij wist dat de Hollanders zich nu op geduchte wijze uitrustten om hem in zijn eigen gebied te komen aanvallen; het gevaar grijnsde hem van nabij aan. Zijn ouden pleegvader en besten raadsman had hij verloren; bittere smart welde op in zijn borst bij de gedachte dat hij den man, die hem zoo trouw vergezeld[167]had van het slavenkwartier naar het vorstelijk paleis nu voortaan zou missen, en dat nog wel door zijn eigen schuld.Naberouw kwelde hem, daar hij den grijsaard uitgezonden had op zulk een gevaarvolle onderneming; hij had alleen zich zelf zijn dood of gevangenisstraf te wijten. Zijn hart was bedroefd, maar daarop mocht hij geen acht slaan, evenmin als op den toorn, die zijn borst vervulde bij het herdenken van den tegenstand, hem geboden door vrouw en kinderen. Neen, hij moest waken, hij moest denken, hij moest sterk blijven, smart en gramschap verzwakken den mensch, verduisteren zijn geest en hij diende krachtig te blijven, wilde hij alle moeilijkheden, alle zorgen, alle vijanden het hoofd bieden.Hij kon nu zijn zonen niet doodelijk kwetsen door een vernederende straf, maar evenmin zijn trouwe Tengereezen beleedigen door onrechtvaardigheid. De eer van zijn kroon door den erfprins vertegenwoordigd stond aan de eene zijde, het geschonden recht aan de andere.„O, dat ik geen zoon bezit, waardig mij op te volgen, in wiens handen ik gerust mijn taak kan overgeven als ik vallen moet,” verzuchtte zijn ziel. „De kansen van den oorlog zijn wisselvallig, wanneer ik sneuvel dan heb ik vergeefs gearbeid, mijn leven lang! Als het kaf der ledige padikorrels zal alles verstuiven wat ik hier wrochtte. De ellendige geest, die in mijn zonen heerscht, zal oorzaak zijn van den val van mijn koninkrijk, dat ik door zooveel bloed en tranen, zooveel zweet en arbeid vestigde. Zij zullen blijde terugkeeren onder Mataram’s heerschappij, zich trotsch en tevreden voelen, wanneer zij als regenten van den Soesoehoenan een schijn van macht mogen behouden in deze gewesten, waar hun vader eenmaal als onafhankelijk vorst regeerde. Zij worden slaven van den Islam en van de gewetenlooze hadji’s. Ik ben hoog geklommen, mijn[168]hoogste eerzucht is voldaan! Wat zal ’t mij baten indien er niemand is, wien ik bij mijn heengaan de teugels kan overreiken? Maar hoe komen die treurige voorgevoelens in mij op? Ik ben nog niet oud, ik ben krachtig en sterk, mijn volk is mij trouw en mijn lichaam is onkwetsbaar; ik zal de Hollanders leeren dat zij in mij een anderen vijand hebben dan de Tjeribonsche, Bantamsche of Mataramsche prinsen, een anderen tegenstander zelfs dan de heldhaftigeTroeno-Djojo. Zij zullen met mij moeten rekenen, ik zal hun wetten voorschrijven. Waarom moeten zij overal zegevieren, dit land behoort toch ons en niet hen, den vreemdelingen van over de zee.”[169]

VIII.HET VORSTELIJKE GEZIN.

Radhen Wiro Negoro nam de beleediging zijn zonen aangedaan, niet licht op, juist omdat hij de Tengereezen liefhad en begunstigde, vertoornde hem hun misdrijf bovenmate. Zijn echtgenoot en zonen hadden niet veel moeite hem te overtuigen dat zulk een daad zware straf verdiende; onmiddellijk liet hij een afdeeling zijner soldaten die in Malang gekampeerd waren, oprukken naar den Tenger; het bevel gaf hij echter aan een zijner Balineesche hoofdlieden en niet aan een zijner zonen, hoewel Lembono er dringend om gevraagd had. Pengantin lag nog met wondkoortsen te bed.„Ik wil niet straffen vóór ik beide partijen gehoord heb,” sprak hij ernstig, „mijn mannen kan ik vertrouwen, zij zullen de voornaamste schuldigen vinden en hen gevankelijk naar Pasoeroean overbrengen.”„Ik begrijp niet,” zeide Radhen Goesik schamper, „waarom hier nog onderzocht moet worden naar schuld. Hebben die menschen uw zonen hun prinsen aangevallen dan verdienen zij voorbeeldig gestraft te worden.”Radhen Wiro Negoro sloeg weinig acht op de woorden zijner vrouw, hetgeen hij trouwens bijna nooit deed, maar wendde zich tot zijn zoon Lembono:„Ge hoort wat ik gezegd heb, Mas! Wilt ge mij bekennen wat de aanleiding is geweest tot dien onverwachten aanval dan zult ge mijn taak zeer vergemakkelijken.”„Ik begrijp niet, Edele Vader! wat uw bedoeling is,” antwoordde[158]de prins met afgewend hoofd. „Welke aanleiding zou er bestaan? Ik ben met mijn mannen opgestegen naar de Dasar, ik heb zelfs den Kraton ongewapend beklommen met de Tengereezen en wierp in den afgrond de offers, welke ik medegebracht had; de landlieden schenen zelfs gesticht te zijn door mijn vroomheid. Daarna namen wij deel aan het offermaal in de Zandzee en keerden langs den gewonen weg, den berg af. De bewoners van de verschillende dessa’s verlieten ons de een na den ander in hartelijke en eerbiedige stemming, waarop wij alleen onze reis voortzetten.”„Waar voegde zich uw broeder bij u?”„In de Dasar, toen wij teruggekeerd waren van den kratertop.”„En hij vergezelde u op uw tocht benedenwaarts?”„Ja,” antwoordde Lembono min of meer weifelend.„Ge waart dus Tosari reeds voorbij, hoe hebben zij u dan kunnen aanvallen, bij hun dorp.”„We keerden er terug, daar we verdwaalden en wilden er een nachtverblijf zoeken.”„Zie mij aan!” beval Radhen Wiro Negoro streng, daar de prins nog steeds zijn blikken afwendde, „zweert ge mij, dat hetgeen ge vertelt waarheid bevat? Uw broeder is ziek en ik kan hem thans niet ondervragen, maar het onderzoek van de schuldigen zal uitbrengen, wat hier waarheid is.”„Wil mijn vader dan meer waarde hechten aan de verklaringen van dat arme volk dan aan die zijner zonen?”„De omstandigheden zullen bewijzen, wie het meest geloof verdient. Wat ik nu van u verlang Lembono, is een plechtige eed. Behelst uw verhaal waarheid?”„Bij de geesten van den Bromo …”„Roep hen niet aan! Neem slechts den grooten Oppergod, den Schepper van het heelal, tot getuige uwer woorden. Hij heeft[159]alles gezien en gehoord, wat in het gebergte voorviel. Zweer thans!”„Ik zweer dat geen logen mijn lippen ontwijdde.”„’t Is goed! Wee u, al zijt ge ook mijn eigen vleesch en bloed, zoo ge onwaarheid hebt gesproken.”Juist trad Soederma binnen, zij wierp zich voor de voeten van haar schoonvader en wilde zijn voeten kussen, maar hij hief haar vriendelijk op en vroeg:„Wat heeft mijn dochter mij te zeggen?”„Mijn vader en gebieder!” sprak de jonge prinses, „mijn echtgenoot spreekt zonderlinge taal; uw dochter weet niet of de koorts waarschijnlijk zijn zinnen verwart, maar telkens ziet hij verward rond en prevelt een naam, die altijd hetzelfde klinkt.”Tranen rolden langs haar wangen en zij wrong in stomme smart de handen. Haar schoonmoeder en zwager zagen elkander bezorgd aan.„En hoe luidt die naam, mijn kind?”„Siwangi!” snikte de prinses. „Maar dan verhaalt hij nog vreemder dingen. Het was niet tegen menschen dat hij gestreden heeft maar tegen een Dewa; de geesten van den Bromo hebben zich verzet tegen zijn geluk, daarom moest hij bezwijken, maar hij zal niet ophouden te strijden om zijn doel te bereiken en telkens, telkens roept hij weer den naam van daareven. Het zijn niet de Tengereezen, verzekert hij, maar de geesten van den berg, die zijn arm doorwondden en hem op het ziekbed wierpen.”„Mijn broeder’s geest dwaalt af!” zeide Lembono scherp, „en mijn zuster doet onverstandig de woorden, die zijn kranken mond ontvallen, te herhalen. Zij moet ze laten verstuiven in de lucht en ze niet tot een zaad maken, dat booze vruchten kan dragen. Het waren menschen van vleesch en bloed en geen geesten die ons[160]hebben aangevallen, men zal in Tosari daarvan de sporen vinden.”„Maar is Siwangi dan ook geen geest?” vroeg Soederma bedroefd.„Keer naar de legerstede van uw echtgenoot terug, mijn dochter!” zeide de vorst, „verzorg hem goed en bedroef uw hart niet noodeloos! Ik zal de schuldigen weten te straffen.”Maar toen de jonge vrouw vertrokken was, richtte hij zich in zijn volle lengte op, zijn wenkbrauwen fronsten zich onheilspellend boven de dreigende oogen en de machtige hand uitstrekkend naar zijn zoon, sprak hij met donderende stem:„Ik begrijp waar het om te doen was! Voor de Tengereezen zijn vrouweneer en huwelijkstrouw nog steeds woorden vol beteekenis; het zal niet gezegd worden dat Radhen Wiro Negoro deze kostbare schatten zijner onderdanen niet heeft kunnen beschermen tegen zijn eigen zonen! Het onderzoek zal worden ingesteld, ik zelf zal ondervragen en ik herhaal ’t nogmaals: Wee hen, die ’t schuldigste waren!”Lembono verbleekte en zijn moeder zeide verschoonend:„Maar gesteld eens dat het zoo ware, Edele Vorst! is die zonde dan zoo onvergefelijk? Mas Pengantin is jong, het warme bloed zijner ouders vloeit door zijn aderen; wanneer hij wellicht door hartstocht overmand een landmeisje beleedigde, zoo verdient hij daarvoor toch geen al te strenge straf. Ook gij hebt eenmaal bemind, ook gij hebt uw liefde niet weten te bedwingen en moest er de gevolgen van dragen.”Met gemaakte zachtheid vol snijdenden hoon had Radhen Goesik deze laatste woorden uitgesproken. Soerapati beet zich op de lippen en wierp haar een blik toe, waarin duidelijk te lezen was, dat de liefde jegens haar, zoo deze ooit in werkelijkheid bestaan had, reeds sinds lang plaats maakte voor wrevel en ergernis.[161]„Zwijg vrouw!” voegde hij haar scherp toe, „over dingen, waarvan gij het rechte verstand niet bezit. Deze zaak geldt u niet, ik zal ze alleen weten te behandelen.”„Heb ik geen verstand van liefde en hartstocht?” vroeg zij fleemend. „Ik ben Pengantins moeder en ook ik heb mij laten medeslepen door den hartstocht der liefde. Ik verliet mijn eersten echtgenoot, een prins van vorstelijken bloede, om een roover en slaaf te volgen op zijn avontuurlijken weg. Inderdaad zoo mijn kind schuldig is, hij dankt het aan ’t voorbeeld zijner ouders, Soerapati!”Maar de vorst verwaardigde zich niet haar te antwoorden, hij keerde haar met minachtend gebaar den rug toe en verliet de galerij.Moeder en zoon bleven samen; Radhen Goesik weende van spijt en Lembono sidderde over zijn geheele lichaam.„Wat hij dreigt zal hij uitvoeren, moeder!” mompelde hij.„Lafaard, die beeft bij het woord van een vader. Zijt ge dan nog zwakke kinderen die een bestraffing vreezen en geen volwassen prinsen van geboorte? Hij is een opkomeling, een soldaat die geluk had met zijn wapens, maar in uw aderen stroomt het vorstelijke bloed, dat ge mij dankt.”„Predikt gij ons verzet en opstand?” vroeg de prins fluisterend.„De omstandigheden zullen het leeren, hij heeft den weg gebaand aan u, om zijn zetel opgericht te houden, desnoods boven zijn lichaam.”Zij zag er vreeselijk uit, deze vrouw met haar bloedroode lippen en van haat glinsterende oogen.„Hij zal de Hollanders hier binnen halen; hij voert met hen oorlog alleen om het recht te hebben met hen vrede te sluiten; hij zal de Hindoesche tempels sluiten evenals de moskeeën en er Christenkerken voor in de plaats bouwen. De halve maan en de lotusbloem zullen vervangen worden door het kruis.”[162]„De Hollanders voeren geen kruis, zij hebben niets dan de rijksdaalder,” meesmuilde Lembono, „dat geeft mij moed! Met geld zijn zij het gemakkelijkst te onderwerpen, beter nog dan door wapens!”„Blijft dan één met u drieën, zoo zijt ge machtig, machtig tegen den vreemdeling, machtig tegen uw eigen vader!” hernam zij en stond op om haar zieken zoon te bezoeken.De soldaten, die naar den Tenger uitgezonden waren, kwamen weldra terug; zij verhaalden dat hun taak gemakkelijk was geweest; de arme landbouwers hadden geen andere wapens dan hun kapmessen en de schrik sloeg hen om het hart, toen zij de krijgslieden zagen naderen.Eerst dachten zij dat het een nieuwe poging was om Siwangi in het bezit te krijgen, maar de aanvoerder reed vooruit met een witten doek in de hand en de oudste der dessa, die het sinds den dood van Siwangi’s vader was, kwam hem te gemoet om te hooren wat hij verlangde.De aanvoerder bracht het bevel over van den Vorst, die streng maar rechtvaardig wilde oordeelen en dus de schuldigen aanraadde zich vrijwillig over te geven, daar anders de geheele dessa voor het misdrijf van slechts enkelen zou moeten boeten.Toen was er een jonkman vooruitgekomen, die in gebroken Javaansch zeide:„Ik ben alleen de schuldige, ik heb een meisje beschermd dat weerloos in de handen was gevallen van een roover, en ’s avonds toen men opnieuw de misdaad wilde begaan, maar thans met overmacht van wapenen, heb ik nogmaals mijn wapen gelost. Mijn schoten hebben de aanvallers op de vlucht gejaagd. Onderzoek vrij deze hutten, gij zult er geweren, kruit noch lood vinden, niets dan deze wapenen, welke ik u ter hand wil stellen en die mij toebehooren.”[163]Vol verbazing hadden de krijgslieden den spreker aangestaard; zijn gelaatstrekken hoewel lichter van kleur, droegen een merkwaardige gelijkenis met die van Mas Pengantin, maar zijn stem en houding brachten den gevreesden en geëerbiedigden Vorst zelf in herinnering.„Maar wie zijt gij dan?”„Een arme verdwaalde koopman, die wapens verkoopt, paarlen en snuisterijen, ik wilde ze uw vorstinnen te koop aanbieden. Het noodlot heeft er anders over beschikt, maar ik treur er niet om, daar ’t mij vergund was een arm onschuldig meisje te redden van een treurig lot.”Men had zijn onderwerping aangenomen, doch met hem eenige Tengereezen, den oudste, benevens Siwangi’s broeder en bruidegom gevangen genomen; toen zij gevankelijk weggevoerd werden, vervulde bitter gejammer en gesteun de lucht, maar de gevangene bergbewoners troostten de achtergeblevenen.„Wij komen weldra terug,” zeiden zij, „onze zaak is eerlijk en Radhen Wiro Negoro is rechtvaardig.”Zij werden naar den Kraton van Pasoeroean gebracht en daar in den kerker opgesloten om het onderzoek af te wachten.Radhen Wiro Negoro besloot ook naar zijn hoofdstad te vertrekken; voor zijn heengaan bezocht hij nog het ziekbed van zijn zoon. Maar Pengantin, hoewel lang niet zwaar ziek, hield zich bewusteloos of slapend om een gesprek met den gevreesden vader te ontwijken.„Ge zult goed op hem passen, Soederma,” sprak de Vorst tot zijn schoondochter, „en zoodra hij in staat is te reizen, laat gij hem in een draagstoel overbrengen naar mijn Kraton.”„En zal mijn vader dan ook genadig zijn.”„Ik wil rechtvaardig wezen, kind! Want rechtvaardigheid is de[164]deugd, die op Java het verst te zoeken is, moge men eenmaal zeggen, Soerapati bracht haar terug!”„Geen deugd is ook moeilijker,” fluisterde de prinses en sloeg haar door waken en tranen afgematte oogen naar den grond. Hij streelde haar lokken en verliet de kamer om zich naar zijn gemalin te begeven, die alweer met den dwerg aan haar voeten zat.„Ik vertrek,” zei de hij kort en afgemeten, „ik reken er op dat gij mij weldra volgt. Lembono zal mij vergezellen. Een woord heb ik nog te zeggen. Gij overweegt booze dingen in uw hart, zoolang het zich tot gedachten en woorden bepaalt, laat ik u vrij; maar pas op, dat ge mij in geen nieuwe moeilijkheden wikkelt. Reeds genoeg zorgen en lasten omringen mij, gij behoeft ze niet te vermeerderen, want als gij en uw zonen er nieuwe bijvoegt konden zij licht aangroeien tot een berg, die op mij valt en mij verplet. Misschien betreurt ge dat niet eens, misschien is ’t juist dat, wat gij zoekt, maar bedenk dat ik alleen het gebouw stut, waarin gij allen als vorsten zetelt. Wanneer ik verdwijn, dan stort het ineen. Noch gij, noch uw kinderen kunnen het staande houden! Overweeg dus mijn woorden en sla mijn raad niet in de lucht.”De vorstin bedwong het toornig antwoord dat op haar lippen, zweefde en zeide niets dan:„Vaarwel, ik zal u spoedig volgen.”Aan Boeloe Kidoer echter gaf zij haar hart lucht.„Wat zal er gebeuren, Boeloe? Wat zal hij doen met mijn arme zonen; is ’t niet beter dat Pengantin zich niet waagt aan den toorn zijns vaders, dat hij den Kraton niet meer betrede, maar vluchte naar … naar de bergen met zijn getrouwen?”„Bezit hij die?” vroeg de dwerg, „tien, twintig, honderd speelmakkers en drinkebroeders zijn niet genoeg om een Radhen Wiro Negoro te weerstaan?”[165]„Maar hij kan vluchten naar den keizer!”„Naar Pakoe Boewana?” en de dwerg lachte spottend.„Naar Soenan Mas bedoel ik!”Nog luider lachte de dwerg.„Soenan Mas zal de bescherming van Soerapati verbeuren om zich met die van zijn vluchtenden zoon te behelpen. Moedertje, ge zijt bedreven in vele zaken, maar staatsmanswijsheid mist ge nog!”Juist trad AmirangKoesoemo, Radhen Goesik’s pleegvader binnen en de dwerg begroette hem met de woorden:„Grootvadertje, gij komt juist bijtijds, de schoone vingers van uw dochter willen zich wringen tusschen de treden van den troon van haar gemaal; zij hoopt die ineen te doen storten en vergeet dat zij de eerste zal zijn om daaronder begraven te worden.”„Zwijg onbeschaamde dwerg!” beet de vorstin hem nijdig toe.„Mijn dochter zal dit onzinnige werk niet beproeven,” zeide de oud-Rijksbestuurder, „ernstige tijden breken aan. Slechts in eendracht kunnen wij ons heil vinden. Van twee kanten bedreigen ons èn de keizerlijken èn de Hollanders, met vereende krachten moeten wij hen weerstaan. En wie zou het doen, als Soerapati er niet was? Uw drie zonen, Radhen Goesik, reiken te zamen hem nog niet aan de knie; gebruik uw invloed niet om uw kinderen tegen hun vader op te zetten. De burgeroorlog verdeelt het rijk en maakt het zwak tegen den vijand, die van buiten dreigt. De val des vorsten zal ons aller ondergang zijn!”„Maar hij zal zich niet ontzien zelfs zijn oudsten zoon zwaar te straffen.”„Dit is zijn plicht als de straffe verdiend is.”„Maak u niet ongerust, moedertje!” grinnikte de dwerg, „de heer vader zal streng oordeelen, vonnissen misschien, maar hij zal vergeven. Hij heeft zijn zonen te veel noodig in deze duistere[166]dagen. Wat zal het hem baten zijn troon te redden, als hij de zekerheid heeft, dat deze na zijn dood ledig zal blijven? Een man als Soerapati werkt niet voor één geslacht.”„Ge handelt slecht, mijn dochter, door heete olie in plaats van balsem te gieten op de wonden uwer zonen, dat zou hen razend kunnen maken van pijn. Wees dus op uw hoede! Laat Radhen Wiro Negoro handelen zooals hem ’t best dunkt. Wees overtuigd, dat het ook goed en billijk zal blijken.”Radhen Goesik zweeg, maar in haar hart was zij nog niet overtuigd; zij koesterde echter voor haar pleegvader nog te veel kinderlijken eerbied om hem te durven tegenspreken.„De Dewa, waarvan Pengantin droomde, heeft zich doen kennen als een gewoon sterveling,” hervatte zij na een poos, „hij heeft op mijn zoon durven schieten de ellendeling. Als ik Wiro Negoro was, ik zou op den vermetelen knaap het volle gewicht doen neerkomen van mijn toorn, dan spaart hij ook zijn geliefde Tengereezen.”„O moedertje, wat zou ’t goed leven zijn onder uw wijzen scepter,” gichelde Boeloe Kidoer.In diep nadenken verzonken reed de vorst intusschen aan het hoofd van zijn leger; links en rechts wierp zich het volk bij zijn nadering in het stof; hij zag hen nauwelijks aan, zoo hielden ernstige gedachten zijn geest bezig.De gebeurtenissen op het Tengergebergte, de oneenigheid met vrouw en kinderen, kwamen hem juist thans ten hoogste ongelegen. Hij wist dat de Hollanders zich nu op geduchte wijze uitrustten om hem in zijn eigen gebied te komen aanvallen; het gevaar grijnsde hem van nabij aan. Zijn ouden pleegvader en besten raadsman had hij verloren; bittere smart welde op in zijn borst bij de gedachte dat hij den man, die hem zoo trouw vergezeld[167]had van het slavenkwartier naar het vorstelijk paleis nu voortaan zou missen, en dat nog wel door zijn eigen schuld.Naberouw kwelde hem, daar hij den grijsaard uitgezonden had op zulk een gevaarvolle onderneming; hij had alleen zich zelf zijn dood of gevangenisstraf te wijten. Zijn hart was bedroefd, maar daarop mocht hij geen acht slaan, evenmin als op den toorn, die zijn borst vervulde bij het herdenken van den tegenstand, hem geboden door vrouw en kinderen. Neen, hij moest waken, hij moest denken, hij moest sterk blijven, smart en gramschap verzwakken den mensch, verduisteren zijn geest en hij diende krachtig te blijven, wilde hij alle moeilijkheden, alle zorgen, alle vijanden het hoofd bieden.Hij kon nu zijn zonen niet doodelijk kwetsen door een vernederende straf, maar evenmin zijn trouwe Tengereezen beleedigen door onrechtvaardigheid. De eer van zijn kroon door den erfprins vertegenwoordigd stond aan de eene zijde, het geschonden recht aan de andere.„O, dat ik geen zoon bezit, waardig mij op te volgen, in wiens handen ik gerust mijn taak kan overgeven als ik vallen moet,” verzuchtte zijn ziel. „De kansen van den oorlog zijn wisselvallig, wanneer ik sneuvel dan heb ik vergeefs gearbeid, mijn leven lang! Als het kaf der ledige padikorrels zal alles verstuiven wat ik hier wrochtte. De ellendige geest, die in mijn zonen heerscht, zal oorzaak zijn van den val van mijn koninkrijk, dat ik door zooveel bloed en tranen, zooveel zweet en arbeid vestigde. Zij zullen blijde terugkeeren onder Mataram’s heerschappij, zich trotsch en tevreden voelen, wanneer zij als regenten van den Soesoehoenan een schijn van macht mogen behouden in deze gewesten, waar hun vader eenmaal als onafhankelijk vorst regeerde. Zij worden slaven van den Islam en van de gewetenlooze hadji’s. Ik ben hoog geklommen, mijn[168]hoogste eerzucht is voldaan! Wat zal ’t mij baten indien er niemand is, wien ik bij mijn heengaan de teugels kan overreiken? Maar hoe komen die treurige voorgevoelens in mij op? Ik ben nog niet oud, ik ben krachtig en sterk, mijn volk is mij trouw en mijn lichaam is onkwetsbaar; ik zal de Hollanders leeren dat zij in mij een anderen vijand hebben dan de Tjeribonsche, Bantamsche of Mataramsche prinsen, een anderen tegenstander zelfs dan de heldhaftigeTroeno-Djojo. Zij zullen met mij moeten rekenen, ik zal hun wetten voorschrijven. Waarom moeten zij overal zegevieren, dit land behoort toch ons en niet hen, den vreemdelingen van over de zee.”[169]

Radhen Wiro Negoro nam de beleediging zijn zonen aangedaan, niet licht op, juist omdat hij de Tengereezen liefhad en begunstigde, vertoornde hem hun misdrijf bovenmate. Zijn echtgenoot en zonen hadden niet veel moeite hem te overtuigen dat zulk een daad zware straf verdiende; onmiddellijk liet hij een afdeeling zijner soldaten die in Malang gekampeerd waren, oprukken naar den Tenger; het bevel gaf hij echter aan een zijner Balineesche hoofdlieden en niet aan een zijner zonen, hoewel Lembono er dringend om gevraagd had. Pengantin lag nog met wondkoortsen te bed.

„Ik wil niet straffen vóór ik beide partijen gehoord heb,” sprak hij ernstig, „mijn mannen kan ik vertrouwen, zij zullen de voornaamste schuldigen vinden en hen gevankelijk naar Pasoeroean overbrengen.”

„Ik begrijp niet,” zeide Radhen Goesik schamper, „waarom hier nog onderzocht moet worden naar schuld. Hebben die menschen uw zonen hun prinsen aangevallen dan verdienen zij voorbeeldig gestraft te worden.”

Radhen Wiro Negoro sloeg weinig acht op de woorden zijner vrouw, hetgeen hij trouwens bijna nooit deed, maar wendde zich tot zijn zoon Lembono:

„Ge hoort wat ik gezegd heb, Mas! Wilt ge mij bekennen wat de aanleiding is geweest tot dien onverwachten aanval dan zult ge mijn taak zeer vergemakkelijken.”

„Ik begrijp niet, Edele Vader! wat uw bedoeling is,” antwoordde[158]de prins met afgewend hoofd. „Welke aanleiding zou er bestaan? Ik ben met mijn mannen opgestegen naar de Dasar, ik heb zelfs den Kraton ongewapend beklommen met de Tengereezen en wierp in den afgrond de offers, welke ik medegebracht had; de landlieden schenen zelfs gesticht te zijn door mijn vroomheid. Daarna namen wij deel aan het offermaal in de Zandzee en keerden langs den gewonen weg, den berg af. De bewoners van de verschillende dessa’s verlieten ons de een na den ander in hartelijke en eerbiedige stemming, waarop wij alleen onze reis voortzetten.”

„Waar voegde zich uw broeder bij u?”

„In de Dasar, toen wij teruggekeerd waren van den kratertop.”

„En hij vergezelde u op uw tocht benedenwaarts?”

„Ja,” antwoordde Lembono min of meer weifelend.

„Ge waart dus Tosari reeds voorbij, hoe hebben zij u dan kunnen aanvallen, bij hun dorp.”

„We keerden er terug, daar we verdwaalden en wilden er een nachtverblijf zoeken.”

„Zie mij aan!” beval Radhen Wiro Negoro streng, daar de prins nog steeds zijn blikken afwendde, „zweert ge mij, dat hetgeen ge vertelt waarheid bevat? Uw broeder is ziek en ik kan hem thans niet ondervragen, maar het onderzoek van de schuldigen zal uitbrengen, wat hier waarheid is.”

„Wil mijn vader dan meer waarde hechten aan de verklaringen van dat arme volk dan aan die zijner zonen?”

„De omstandigheden zullen bewijzen, wie het meest geloof verdient. Wat ik nu van u verlang Lembono, is een plechtige eed. Behelst uw verhaal waarheid?”

„Bij de geesten van den Bromo …”

„Roep hen niet aan! Neem slechts den grooten Oppergod, den Schepper van het heelal, tot getuige uwer woorden. Hij heeft[159]alles gezien en gehoord, wat in het gebergte voorviel. Zweer thans!”

„Ik zweer dat geen logen mijn lippen ontwijdde.”

„’t Is goed! Wee u, al zijt ge ook mijn eigen vleesch en bloed, zoo ge onwaarheid hebt gesproken.”

Juist trad Soederma binnen, zij wierp zich voor de voeten van haar schoonvader en wilde zijn voeten kussen, maar hij hief haar vriendelijk op en vroeg:

„Wat heeft mijn dochter mij te zeggen?”

„Mijn vader en gebieder!” sprak de jonge prinses, „mijn echtgenoot spreekt zonderlinge taal; uw dochter weet niet of de koorts waarschijnlijk zijn zinnen verwart, maar telkens ziet hij verward rond en prevelt een naam, die altijd hetzelfde klinkt.”

Tranen rolden langs haar wangen en zij wrong in stomme smart de handen. Haar schoonmoeder en zwager zagen elkander bezorgd aan.

„En hoe luidt die naam, mijn kind?”

„Siwangi!” snikte de prinses. „Maar dan verhaalt hij nog vreemder dingen. Het was niet tegen menschen dat hij gestreden heeft maar tegen een Dewa; de geesten van den Bromo hebben zich verzet tegen zijn geluk, daarom moest hij bezwijken, maar hij zal niet ophouden te strijden om zijn doel te bereiken en telkens, telkens roept hij weer den naam van daareven. Het zijn niet de Tengereezen, verzekert hij, maar de geesten van den berg, die zijn arm doorwondden en hem op het ziekbed wierpen.”

„Mijn broeder’s geest dwaalt af!” zeide Lembono scherp, „en mijn zuster doet onverstandig de woorden, die zijn kranken mond ontvallen, te herhalen. Zij moet ze laten verstuiven in de lucht en ze niet tot een zaad maken, dat booze vruchten kan dragen. Het waren menschen van vleesch en bloed en geen geesten die ons[160]hebben aangevallen, men zal in Tosari daarvan de sporen vinden.”

„Maar is Siwangi dan ook geen geest?” vroeg Soederma bedroefd.

„Keer naar de legerstede van uw echtgenoot terug, mijn dochter!” zeide de vorst, „verzorg hem goed en bedroef uw hart niet noodeloos! Ik zal de schuldigen weten te straffen.”

Maar toen de jonge vrouw vertrokken was, richtte hij zich in zijn volle lengte op, zijn wenkbrauwen fronsten zich onheilspellend boven de dreigende oogen en de machtige hand uitstrekkend naar zijn zoon, sprak hij met donderende stem:

„Ik begrijp waar het om te doen was! Voor de Tengereezen zijn vrouweneer en huwelijkstrouw nog steeds woorden vol beteekenis; het zal niet gezegd worden dat Radhen Wiro Negoro deze kostbare schatten zijner onderdanen niet heeft kunnen beschermen tegen zijn eigen zonen! Het onderzoek zal worden ingesteld, ik zelf zal ondervragen en ik herhaal ’t nogmaals: Wee hen, die ’t schuldigste waren!”

Lembono verbleekte en zijn moeder zeide verschoonend:

„Maar gesteld eens dat het zoo ware, Edele Vorst! is die zonde dan zoo onvergefelijk? Mas Pengantin is jong, het warme bloed zijner ouders vloeit door zijn aderen; wanneer hij wellicht door hartstocht overmand een landmeisje beleedigde, zoo verdient hij daarvoor toch geen al te strenge straf. Ook gij hebt eenmaal bemind, ook gij hebt uw liefde niet weten te bedwingen en moest er de gevolgen van dragen.”

Met gemaakte zachtheid vol snijdenden hoon had Radhen Goesik deze laatste woorden uitgesproken. Soerapati beet zich op de lippen en wierp haar een blik toe, waarin duidelijk te lezen was, dat de liefde jegens haar, zoo deze ooit in werkelijkheid bestaan had, reeds sinds lang plaats maakte voor wrevel en ergernis.[161]

„Zwijg vrouw!” voegde hij haar scherp toe, „over dingen, waarvan gij het rechte verstand niet bezit. Deze zaak geldt u niet, ik zal ze alleen weten te behandelen.”

„Heb ik geen verstand van liefde en hartstocht?” vroeg zij fleemend. „Ik ben Pengantins moeder en ook ik heb mij laten medeslepen door den hartstocht der liefde. Ik verliet mijn eersten echtgenoot, een prins van vorstelijken bloede, om een roover en slaaf te volgen op zijn avontuurlijken weg. Inderdaad zoo mijn kind schuldig is, hij dankt het aan ’t voorbeeld zijner ouders, Soerapati!”

Maar de vorst verwaardigde zich niet haar te antwoorden, hij keerde haar met minachtend gebaar den rug toe en verliet de galerij.

Moeder en zoon bleven samen; Radhen Goesik weende van spijt en Lembono sidderde over zijn geheele lichaam.

„Wat hij dreigt zal hij uitvoeren, moeder!” mompelde hij.

„Lafaard, die beeft bij het woord van een vader. Zijt ge dan nog zwakke kinderen die een bestraffing vreezen en geen volwassen prinsen van geboorte? Hij is een opkomeling, een soldaat die geluk had met zijn wapens, maar in uw aderen stroomt het vorstelijke bloed, dat ge mij dankt.”

„Predikt gij ons verzet en opstand?” vroeg de prins fluisterend.

„De omstandigheden zullen het leeren, hij heeft den weg gebaand aan u, om zijn zetel opgericht te houden, desnoods boven zijn lichaam.”

Zij zag er vreeselijk uit, deze vrouw met haar bloedroode lippen en van haat glinsterende oogen.

„Hij zal de Hollanders hier binnen halen; hij voert met hen oorlog alleen om het recht te hebben met hen vrede te sluiten; hij zal de Hindoesche tempels sluiten evenals de moskeeën en er Christenkerken voor in de plaats bouwen. De halve maan en de lotusbloem zullen vervangen worden door het kruis.”[162]

„De Hollanders voeren geen kruis, zij hebben niets dan de rijksdaalder,” meesmuilde Lembono, „dat geeft mij moed! Met geld zijn zij het gemakkelijkst te onderwerpen, beter nog dan door wapens!”

„Blijft dan één met u drieën, zoo zijt ge machtig, machtig tegen den vreemdeling, machtig tegen uw eigen vader!” hernam zij en stond op om haar zieken zoon te bezoeken.

De soldaten, die naar den Tenger uitgezonden waren, kwamen weldra terug; zij verhaalden dat hun taak gemakkelijk was geweest; de arme landbouwers hadden geen andere wapens dan hun kapmessen en de schrik sloeg hen om het hart, toen zij de krijgslieden zagen naderen.

Eerst dachten zij dat het een nieuwe poging was om Siwangi in het bezit te krijgen, maar de aanvoerder reed vooruit met een witten doek in de hand en de oudste der dessa, die het sinds den dood van Siwangi’s vader was, kwam hem te gemoet om te hooren wat hij verlangde.

De aanvoerder bracht het bevel over van den Vorst, die streng maar rechtvaardig wilde oordeelen en dus de schuldigen aanraadde zich vrijwillig over te geven, daar anders de geheele dessa voor het misdrijf van slechts enkelen zou moeten boeten.

Toen was er een jonkman vooruitgekomen, die in gebroken Javaansch zeide:

„Ik ben alleen de schuldige, ik heb een meisje beschermd dat weerloos in de handen was gevallen van een roover, en ’s avonds toen men opnieuw de misdaad wilde begaan, maar thans met overmacht van wapenen, heb ik nogmaals mijn wapen gelost. Mijn schoten hebben de aanvallers op de vlucht gejaagd. Onderzoek vrij deze hutten, gij zult er geweren, kruit noch lood vinden, niets dan deze wapenen, welke ik u ter hand wil stellen en die mij toebehooren.”[163]

Vol verbazing hadden de krijgslieden den spreker aangestaard; zijn gelaatstrekken hoewel lichter van kleur, droegen een merkwaardige gelijkenis met die van Mas Pengantin, maar zijn stem en houding brachten den gevreesden en geëerbiedigden Vorst zelf in herinnering.

„Maar wie zijt gij dan?”

„Een arme verdwaalde koopman, die wapens verkoopt, paarlen en snuisterijen, ik wilde ze uw vorstinnen te koop aanbieden. Het noodlot heeft er anders over beschikt, maar ik treur er niet om, daar ’t mij vergund was een arm onschuldig meisje te redden van een treurig lot.”

Men had zijn onderwerping aangenomen, doch met hem eenige Tengereezen, den oudste, benevens Siwangi’s broeder en bruidegom gevangen genomen; toen zij gevankelijk weggevoerd werden, vervulde bitter gejammer en gesteun de lucht, maar de gevangene bergbewoners troostten de achtergeblevenen.

„Wij komen weldra terug,” zeiden zij, „onze zaak is eerlijk en Radhen Wiro Negoro is rechtvaardig.”

Zij werden naar den Kraton van Pasoeroean gebracht en daar in den kerker opgesloten om het onderzoek af te wachten.

Radhen Wiro Negoro besloot ook naar zijn hoofdstad te vertrekken; voor zijn heengaan bezocht hij nog het ziekbed van zijn zoon. Maar Pengantin, hoewel lang niet zwaar ziek, hield zich bewusteloos of slapend om een gesprek met den gevreesden vader te ontwijken.

„Ge zult goed op hem passen, Soederma,” sprak de Vorst tot zijn schoondochter, „en zoodra hij in staat is te reizen, laat gij hem in een draagstoel overbrengen naar mijn Kraton.”

„En zal mijn vader dan ook genadig zijn.”

„Ik wil rechtvaardig wezen, kind! Want rechtvaardigheid is de[164]deugd, die op Java het verst te zoeken is, moge men eenmaal zeggen, Soerapati bracht haar terug!”

„Geen deugd is ook moeilijker,” fluisterde de prinses en sloeg haar door waken en tranen afgematte oogen naar den grond. Hij streelde haar lokken en verliet de kamer om zich naar zijn gemalin te begeven, die alweer met den dwerg aan haar voeten zat.

„Ik vertrek,” zei de hij kort en afgemeten, „ik reken er op dat gij mij weldra volgt. Lembono zal mij vergezellen. Een woord heb ik nog te zeggen. Gij overweegt booze dingen in uw hart, zoolang het zich tot gedachten en woorden bepaalt, laat ik u vrij; maar pas op, dat ge mij in geen nieuwe moeilijkheden wikkelt. Reeds genoeg zorgen en lasten omringen mij, gij behoeft ze niet te vermeerderen, want als gij en uw zonen er nieuwe bijvoegt konden zij licht aangroeien tot een berg, die op mij valt en mij verplet. Misschien betreurt ge dat niet eens, misschien is ’t juist dat, wat gij zoekt, maar bedenk dat ik alleen het gebouw stut, waarin gij allen als vorsten zetelt. Wanneer ik verdwijn, dan stort het ineen. Noch gij, noch uw kinderen kunnen het staande houden! Overweeg dus mijn woorden en sla mijn raad niet in de lucht.”

De vorstin bedwong het toornig antwoord dat op haar lippen, zweefde en zeide niets dan:

„Vaarwel, ik zal u spoedig volgen.”

Aan Boeloe Kidoer echter gaf zij haar hart lucht.

„Wat zal er gebeuren, Boeloe? Wat zal hij doen met mijn arme zonen; is ’t niet beter dat Pengantin zich niet waagt aan den toorn zijns vaders, dat hij den Kraton niet meer betrede, maar vluchte naar … naar de bergen met zijn getrouwen?”

„Bezit hij die?” vroeg de dwerg, „tien, twintig, honderd speelmakkers en drinkebroeders zijn niet genoeg om een Radhen Wiro Negoro te weerstaan?”[165]

„Maar hij kan vluchten naar den keizer!”

„Naar Pakoe Boewana?” en de dwerg lachte spottend.

„Naar Soenan Mas bedoel ik!”

Nog luider lachte de dwerg.

„Soenan Mas zal de bescherming van Soerapati verbeuren om zich met die van zijn vluchtenden zoon te behelpen. Moedertje, ge zijt bedreven in vele zaken, maar staatsmanswijsheid mist ge nog!”

Juist trad AmirangKoesoemo, Radhen Goesik’s pleegvader binnen en de dwerg begroette hem met de woorden:

„Grootvadertje, gij komt juist bijtijds, de schoone vingers van uw dochter willen zich wringen tusschen de treden van den troon van haar gemaal; zij hoopt die ineen te doen storten en vergeet dat zij de eerste zal zijn om daaronder begraven te worden.”

„Zwijg onbeschaamde dwerg!” beet de vorstin hem nijdig toe.

„Mijn dochter zal dit onzinnige werk niet beproeven,” zeide de oud-Rijksbestuurder, „ernstige tijden breken aan. Slechts in eendracht kunnen wij ons heil vinden. Van twee kanten bedreigen ons èn de keizerlijken èn de Hollanders, met vereende krachten moeten wij hen weerstaan. En wie zou het doen, als Soerapati er niet was? Uw drie zonen, Radhen Goesik, reiken te zamen hem nog niet aan de knie; gebruik uw invloed niet om uw kinderen tegen hun vader op te zetten. De burgeroorlog verdeelt het rijk en maakt het zwak tegen den vijand, die van buiten dreigt. De val des vorsten zal ons aller ondergang zijn!”

„Maar hij zal zich niet ontzien zelfs zijn oudsten zoon zwaar te straffen.”

„Dit is zijn plicht als de straffe verdiend is.”

„Maak u niet ongerust, moedertje!” grinnikte de dwerg, „de heer vader zal streng oordeelen, vonnissen misschien, maar hij zal vergeven. Hij heeft zijn zonen te veel noodig in deze duistere[166]dagen. Wat zal het hem baten zijn troon te redden, als hij de zekerheid heeft, dat deze na zijn dood ledig zal blijven? Een man als Soerapati werkt niet voor één geslacht.”

„Ge handelt slecht, mijn dochter, door heete olie in plaats van balsem te gieten op de wonden uwer zonen, dat zou hen razend kunnen maken van pijn. Wees dus op uw hoede! Laat Radhen Wiro Negoro handelen zooals hem ’t best dunkt. Wees overtuigd, dat het ook goed en billijk zal blijken.”

Radhen Goesik zweeg, maar in haar hart was zij nog niet overtuigd; zij koesterde echter voor haar pleegvader nog te veel kinderlijken eerbied om hem te durven tegenspreken.

„De Dewa, waarvan Pengantin droomde, heeft zich doen kennen als een gewoon sterveling,” hervatte zij na een poos, „hij heeft op mijn zoon durven schieten de ellendeling. Als ik Wiro Negoro was, ik zou op den vermetelen knaap het volle gewicht doen neerkomen van mijn toorn, dan spaart hij ook zijn geliefde Tengereezen.”

„O moedertje, wat zou ’t goed leven zijn onder uw wijzen scepter,” gichelde Boeloe Kidoer.

In diep nadenken verzonken reed de vorst intusschen aan het hoofd van zijn leger; links en rechts wierp zich het volk bij zijn nadering in het stof; hij zag hen nauwelijks aan, zoo hielden ernstige gedachten zijn geest bezig.

De gebeurtenissen op het Tengergebergte, de oneenigheid met vrouw en kinderen, kwamen hem juist thans ten hoogste ongelegen. Hij wist dat de Hollanders zich nu op geduchte wijze uitrustten om hem in zijn eigen gebied te komen aanvallen; het gevaar grijnsde hem van nabij aan. Zijn ouden pleegvader en besten raadsman had hij verloren; bittere smart welde op in zijn borst bij de gedachte dat hij den man, die hem zoo trouw vergezeld[167]had van het slavenkwartier naar het vorstelijk paleis nu voortaan zou missen, en dat nog wel door zijn eigen schuld.

Naberouw kwelde hem, daar hij den grijsaard uitgezonden had op zulk een gevaarvolle onderneming; hij had alleen zich zelf zijn dood of gevangenisstraf te wijten. Zijn hart was bedroefd, maar daarop mocht hij geen acht slaan, evenmin als op den toorn, die zijn borst vervulde bij het herdenken van den tegenstand, hem geboden door vrouw en kinderen. Neen, hij moest waken, hij moest denken, hij moest sterk blijven, smart en gramschap verzwakken den mensch, verduisteren zijn geest en hij diende krachtig te blijven, wilde hij alle moeilijkheden, alle zorgen, alle vijanden het hoofd bieden.

Hij kon nu zijn zonen niet doodelijk kwetsen door een vernederende straf, maar evenmin zijn trouwe Tengereezen beleedigen door onrechtvaardigheid. De eer van zijn kroon door den erfprins vertegenwoordigd stond aan de eene zijde, het geschonden recht aan de andere.

„O, dat ik geen zoon bezit, waardig mij op te volgen, in wiens handen ik gerust mijn taak kan overgeven als ik vallen moet,” verzuchtte zijn ziel. „De kansen van den oorlog zijn wisselvallig, wanneer ik sneuvel dan heb ik vergeefs gearbeid, mijn leven lang! Als het kaf der ledige padikorrels zal alles verstuiven wat ik hier wrochtte. De ellendige geest, die in mijn zonen heerscht, zal oorzaak zijn van den val van mijn koninkrijk, dat ik door zooveel bloed en tranen, zooveel zweet en arbeid vestigde. Zij zullen blijde terugkeeren onder Mataram’s heerschappij, zich trotsch en tevreden voelen, wanneer zij als regenten van den Soesoehoenan een schijn van macht mogen behouden in deze gewesten, waar hun vader eenmaal als onafhankelijk vorst regeerde. Zij worden slaven van den Islam en van de gewetenlooze hadji’s. Ik ben hoog geklommen, mijn[168]hoogste eerzucht is voldaan! Wat zal ’t mij baten indien er niemand is, wien ik bij mijn heengaan de teugels kan overreiken? Maar hoe komen die treurige voorgevoelens in mij op? Ik ben nog niet oud, ik ben krachtig en sterk, mijn volk is mij trouw en mijn lichaam is onkwetsbaar; ik zal de Hollanders leeren dat zij in mij een anderen vijand hebben dan de Tjeribonsche, Bantamsche of Mataramsche prinsen, een anderen tegenstander zelfs dan de heldhaftigeTroeno-Djojo. Zij zullen met mij moeten rekenen, ik zal hun wetten voorschrijven. Waarom moeten zij overal zegevieren, dit land behoort toch ons en niet hen, den vreemdelingen van over de zee.”[169]


Back to IndexNext