[Inhoud]VII.SOERAPATI’S DOOD.De gewonde vorst was met een draagbaar naar het dorp Randa Telloe gevoerd, hij ook verwachtte niet anders dan dat het vijandelijke leger zijn voordeelen niet zou opgeven, maar voorttrekken naar Pasoeroean; hij gaf dus bevel hem niet naar zijn kraton te brengen,[237]maar naar het twee uur van Bangil verwijderde plaatsje, waar hij een klein lusthuis bezat.Zijn wonde vooral die aan de zijde was zeer gevaarlijk, nog dienzelfden avond openbaarden zich hevige wondkoortsen, verscheidenedoekoenswerden bij zijn legerstede geroepen, doch geen van allen wist raad.Hij viel telkens in zwijm, maar nauwelijks had hij een helder oogenblik of hij vroeg:„Zijn de vijanden voortgerukt? Komen ze nader? Houd mijn verwonding geheim, dat niemand in Pasoeroean het wete!”Zijn omgeving trachtte zijn wensch zooveel mogelijk te eerbiedigen, daar ieder begreep van hoeveel gewicht het was zijn verdwijning verborgen te houden.Toen de Hollanders teruggekeerd waren naar Soerabaya kwam men hem de heugelijke tijding brengen; hij glimlachte ondanks zijne pijnen.„De dwazen, mijn geheele land lag voor hen open en zij hebben het nu verlaten, als ik beter ben, hoe duur zal ik ze mijn wond en de nederlaag van Bangil doen boeten. Soerabaya heeft zijn belofte wel gehouden”.Een tweede bode kwam melden dat ook de aanval op Kediri mislukt was en dat kapitein de Roode gedwongen was terug te keeren naarKarta-Soera.„Als ik slechts hersteld was, zouden wij tevreden mogen zijn!” sprak hij.Nu maakte hij geen bezwaren meer om naar Pasoeroean te worden geleid, waar hem in den kraton betere verzorging wachtte. Met de grootste omzichtigheid werd hij vervoerd, want zijn toestand vereischte veel zorg en de kunst der Javaansche wondheelers was niet groot; in een eenvoudige draagbaar droeg men[238]hem weg, doch hoe voorzichtig ook alles in ’t werk gesteld werd, men kon ’t niet verhoeden dat de beweging een hevige koorts ten gevolge had en hij in ellendigen toestand te Pasoeroean aankwam, waar men nog weinig vermoeden had van zijn ziekte. Zelfs de Radhen Ajoe wist er niets van; zij had gemeend dat haar man zich met haar zoon Lembono aan het hoofd der troepen bevond, die een inval deden op Soerabaya.Toen men haar meldde dat de vorst zwaar gewond en misschien hopeloos in den kraton was aangekomen, verschrikte zij hevig; de oude liefde welke zoo lang door ijverzucht in slaap gewiegd, ingesluimerd was, ontwaakte weer en met verwarde haren luid gillend en jammerend snelde zij naar het rustbed, waarop de held uitgestrekt lag.Opgeschrikt door haar kreten hief Soerapati de moede oogen op.„Blijf bedaard, Radhen Ajoe, blijf bedaard!” fluisterde hij. „Gij en uw zoons zult weldra meesters zijn! ’t Was niet noodig, dat gij u samen tegen mij verbondt.”„Wie heeft u dat gezegd?” snikte zij. „O, Soerapati, is dan uw liefde jegens mij geheel dood? Men heeft mij wreed bij u belasterd.”„Was dat ook laster?” vroeg hij met moeite, „het aandeel dat gij op u hebt genomen om mijn hart los te rukken van Suzanna? Die leugen werd zij niet door u verzonnen en bekrachtigd?”„Zoovele jaren zijn verloopen sinds dien tijd! Ik had u zoo lief!”„En daarom moest gij mijn hart verwonden tot stervens toe? Neen,Koesoema, uw liefde was een noodlottig geschenk.”„Vergeef mij!” ging zij schreiend voort, „vergeef mij! Ik haatte haar die gij nooit hebt kunnen vergeten. Zeg me, wat moeten wij doen, uw zonen en ik, uw wensch zal ons een bevel zijn, maar gij zult genezen en dan ik zweer ’t u, al begrijpen we u niet, wij zullen u gehoorzamen!”[239]„Waar is Lembono?” vroeg hij.„Hij is in Soerabaya gevallen en vernielt daar alles te vuur en te zwaard; misschien zal hij nog het Hollandsche fort daar binnenrukken.”Toorn gloeide in de oogen van den gewonde en zijn stem beefde, toen hij haperend de woorden uitstiet:„Vervloekt die onzinnige daad! Hij vernielt de landen van onzen trouwsten vriend en bondgenoot. De Depati zal hem daarvoor zwaar doen boeten; nu zie ik in, hoe ’t zal gaan na mijn dood. Onverstand en hartstocht komen aan het bestuur!”En de handen voor het gelaat drukkende brak hij in luide wanhoopskreten los.„Alles vergeefs! alles!” klaagde hij, „’t is of ik niet geleefd heb. Ellende en oorlog laat ik achter met oneer. De Hadji wordt op nieuw meester. Ga heen vrouw! ga heen, gij en uw kinderen overlaadt mijn einde met schande en smart.”Plotseling richtte hij zich op, een straal van hoop gleed over zijn ingevallen vermagerd gelaat, en een bediende wenkend, gebood hij hem:„Ga naar de gevangenis, verlos toewan Sidin van zijn ketenen en breng hem hier!”„Wat is uw voornemen?” vroeg Radhen Goesik.„Koesoema,” sprak hij, en legde zijn handen op de hare, „belooft ge mij, dat mijn laatste wil u heilig zal wezen? Zweert ge gehoorzaamheid in naam ook van onze kinderen?”„Ja, ik beloof ’t u,” antwoordde zij weenend.„Dan vergeef ik u alles, alles, maar als die knaap binnenkomt, laat ons alleen!”Ook Robert had droevige weken doorgebracht; zijn gevangenis hoewel beter dan die hij verlaten had, was een treurig somber verblijf, des te treuriger door het contrast met de heerlijke dagen,[240]die hij achter zich had. Toch voelde hij zich niet ongelukkig; het bewustzijn dat hij leed voor een hooger beginsel, dat hij vrijheid, eer, rijkdom en aanzien ten offer bracht aan zijn plicht, de gedachte aan Digna, die ongetwijfeld zijn gedrag goedkeurde, de zekerheid dat zijn karakter gelouterd werd en dat hij boete deed voor zijn betreurenswaardige afdwalingen herwon hem de achting voor zich zelf en schonk hem een zoete voldoening, die zijn ketens lichter maakte en hem alle ongemakken van den kerker met geduld deed dragen.Hij wist niets van alles, wat er in den omtrek van Bangil plaats had, hij vermoedde niets van het lot der Hollandsche wapenen, tot op het oogenblik toen men hem zijn boeien afnam en de gevangenis deed verlaten.Men bracht hem in het vorstelijke slaapvertrek; voor het hooge met donkerroode gordijnen behangen ledikant zag hij een vrouw ter aarde liggen, wier gitzwarte haren verward over haar lendenen vielen; maar op zijn nadering stond zij op en wankelde de kamer uit.„Robert,” zoo hoorde hij zich met een zwakke stem noemen. Hij snelde naar de legerstede en stond als verpletterd stil; die vermagerde man met dat ingevallene, door lijden verwrongen gelaat, den verbonden schouder en half uitgedoofde oogen, kon dat de trotsche, krachtige Radhen Wiro Negoro zijn, die bij elken stap zich als vorst deed kennen?„Kom nader Robert, schrik niet!” ging hij bijna fluisterend voort en stak de rechterhand naar zijn zoon uit.Diep medelijden maakte zich van Robert’s ziel meester, voor het eerst voelde hij in volle kracht dat de sterkste van alle banden hem aan dien man hechtte; hij vergat alles om zich alleen te herinneren dat hij tegenover zijn stervenden vader stond.Hij greep zijn hand en drukte die aan de lippen.[241]„Vader, arme vader!” zeide hij deelnemend, „wat deert u?”Soerapati sloeg den arm om hem heen en trok hem dichter naar zich toe.„Het zijn uw vrienden die mij in dezen toestand hebben gebracht,” zeide hij met een zwakke poging tot een glimlach, „ge weet nog van niets? Ze hebben Bangil veroverd en het ware hun niet gelukt, als ik was staande gebleven maar helaas! de goden hebben het niet gewild. Zij hebben hun voordeelen echter opgegeven en niets is verloren, maar welhaast zal ’t met mij gedaan zijn, Robert!”De jonge man knielde naast het bed neer en zag zijn vader met teere bezorgdheid aan.„Waar zijt gij gewond, vader? Zeg me, doet het veel pijn? O wat gloeit uw hoofd!” sprak hij.„Ja kind, mijn einde nadert! Ge hebt bittere dagen doorleefd, arme Robert, maar ik kon niet anders. Ik wilde u dwingen tot uw geluk. Zeg me spoedig, want de tijd dringt, wat is thans uw antwoord op mijn vraag?”Robert sloeg de oogen ter aarde en zweeg.„Samen mogen wij niet meer arbeiden, maar alleen wacht u nog grootscher taak. Kunt gij uw stervenden vader den laatsten troost weigeren? Kunt, wilt gij hem zijn doodsuur verbitteren door uw hardnekkigheid? O Robert, heb medelijden met mij! Zeg dat gij de rechten wilt aannemen, die ik u schenk. Nog is ’t tijd, morgen wellicht, van avond is het te laat!”„O vader,” riep de jonge man zielsbedroefd uit, „kwel mij niet, het valt me zwaar te weigeren, maar ik mag niet!”„Heeft de afzondering u niet tot andere gedachten kunnen brengen?”„Integendeel, zij maakte mijn besluit nog vaster!”[242]„Wee, driewerf wee mij! Die knaap heeft een wil, een ijzeren, een onverzettelijken wil; hij ziet, wat zijn plicht is en daarnaar streeft hij met vaste hand, noch beloften, noch bedreigingen, noch kwellingen kunnen hem daarvan afleiden. Hem juist had ik noodig. Hoe zou hij alles veel beter dan ik hebben uitgevoerd, maar helaas! hij wil niet.”„Ik kan niet, vader!”„Kind, zal niets u overtuigen van het dwaze van uw besluit? Zijn die mannen wien gij zooveel offert, dit offer waardig? Doet gij niet beter hen te bestrijden dan te helpen hun kleingeestige belangen ten uitvoer te brengen? Wat zoeken zij hier op Java? Winst, geld, genot! Wat zij beters hebben sluiten zij voor ons nijdig af, uit vreeze dat zij dan niet meer zullen vinden, waarnaar hun hart alleen haakt. Niets is nog verloren, Robert! Ik zal mijn Balineezen laten roepen, zij zullen u trouw zweren, in u hun aanvoerder erkennen, mijnRadhenAjoe wil u gehoorzamen en steunen en ook uw broeders zal ik leeren in u hun eenigen redder te zien. Gij zult hen behandelen zooals zij ’t verdienen, en geen onrecht aandoen. O Robert, begrijp uw belang en dat van uw geboorteland, van mijn volk, dat ook het uwe is.…”Hij zonk achterover, uitgeput door de inspanning, en de opwinding; vermoeid sloot hij de oogen en zijn borst ging heftig op en neer.Robert stond hem zwijgend aan te zien; in stille wanhoop wrong hij de handen en dacht:„O Digna, kondet gij mij zeggen, wat plicht is!”„Antwoord!” lispelde de zieke schier onhoorbaar.„Vader, ik zou mijn land verraden, mag, kan ik het? Uit vrijen wil zwoer ik trouw aan uw vijanden, zal ik nu tegen mijn vroegere wapenmakkers ten strijde trekken?”[243]„Is ’t vrees die u doet weifelen, meent ge niet sterk genoeg te zijn voor de taak, welke ik op uw schouders leg?”„Neen, duizendmaal neen! Aan moed ontbreekt het mij niet! O, als gij wist hoe uw voorstel mij toelacht, hoe de werkkring, dien gij voor mij opent, mij schoon en verleidelijk voorkomt.”„En toch weigert ge?”„Ik mag niet anders.”„Dan is alles gedaan, alles voorbij!”Hij sloot de oogen en drukte de rechterhand op het hart; bewegingloos bleef hij liggen, zoo stil, dat Robert, die naast hem zat, meende dat alles gedaan was; nu en dan alleen verried een zware zucht, dat hij nog leefde en dacht.Een oud man trad binnen, behoedzaam en stil eerst, maar toen hij den schier levenloozen vorm zag van zijn vorst, slaakte hij een doordringenden gil en wierp zich jammerend op zijn voeten.Soerapati opende zijn zware oogleden, en vroeg verbaasd:„Gij hier, Kiai, gij en in dit uur!”„Vervloekt, het uur, waarop ik geboren werd; moest ik den zoon van mijn hart overleven, moest ik daarvoor de gevangenis verlaten en op mijn leeftijd al bedelend geheel Java doortrekken om mijn kind in dezen toestand te zien?”„Ga heen, vader! Raak mij niet aan! Gij hebt mij eens een bitteren drank bereid, die mijn leven vergiftigde. Nonna Suzanna was mij nooit ontrouw en haar zoon verbittert thans mijn laatste oogenblikken. Vertrek, ik schenk u het leven, daar gij oud en zwak zijt en uw dagen geteld zijn, maar u die leugen vergeven en het monsterverbond met mijn vrouw en den dwerg, dat nimmer.”De grijsaard brak in een hartverscheurend gejammer uit.„Ga heen! Folter mij niet langer, of neen, nog iets! Wat heeft de groote Heer geantwoord?”[244]„Hij heeft naar mij geluisterd, den diamant aangenomen en mij gevangen gezet; ik ben ontvlucht.…”„’t Is goed, verlaat mij thans! Spoedig, spoedig, nog heb ik macht te bevelen!” drong hij aan toen de oude man aarzelde. Luid kermend ging de grijsaard heen, en op nieuw heerschte diepe stilte in het vertrek.Nu en dan kwamen rijksgrooten bij het bed zien of hun meester in staat was hen te antwoorden als zij over staatszaken wilden spreken, hij bleef echter zwijgen; ook Pengantin en Lembono verschenen, maakten groot misbaar en wierpen wantrouwende blikken op den vreemdeling, die de zijde huns vaders niet verliet.Maar Soerapati scheen niets meer te hooren of te zien, totdat eindelijk zijn oude krijgsmakker, de regent vanKediri, zich over hem boog en met de tranen, die van zijn verweerde wangen afdroppelden hem het voorhoofd bevochtigde.„Wirajoeda,” sprak hij zacht, „heb ik ’t niet gezegd, kameraad, dat onze weg ten einde liep, onze lange, moeilijke weg? Gij zijt mij steeds trouw geweest, ik dank u voor uw vriendschap, uw toewijding. Schrei niet, die tranen passen niet op uw ruw gelaat; druk me nog eens de hand!”„Lijdt ge veel meester?” vroeg Wirajoeda snikkend.„Die wonde beteekent niets, maar mijn hart doet me zeer. Ik had u zoo gaarne een waardigen opvolger gelaten, vriend, die verdiende door u gehoorzaamd te worden; beken mij oprecht, kunt gij onder een mijner drie zonen staan?”„Zij verschillen zooveel van u!”„Maar deze zoon van mij!” en hij nam Roberts hand in de zijne, „was ten volle uw onderwerping waardig. Hij had dit rijk tot hooger bloei gebracht, als hij slechts wilde.”[245]Verbaasd zag Wirajoeda den jongen man aan, toen wierp hij zich voor zijn voeten en smeekte:„Zoon van mijn meester, gij behoort tot een volk, dat ik haat en verfoei, maar ik heb levenslang uw vader gevolgd en weet dat alles wat hij wenscht goed, ja het beste is. Gehoorzaam zijn wil, laat zijn laatste uren niet zwaar worden door uw schuld en ik zweer u dezelfde trouw, die ik hem sints dertig jaar bewees!”„O, kon ik ’t maar!” zuchtte Robert.„’t Is genoeg! Hij zal aan uw verzoek niet toestaan, wat hij aan mijn herhaalde smeekingen en bedreigingen weigerde. Laat ons nu alleen, Wirajoeda, ik heb nog slechts enkele woorden te spreken met mijn zoon. Ik vertrouw zijn leven aan u toe!”„Ik blijf u met het mijne daarvoor borg.”En zoodra zij alleen waren, richtte Soerapati zich half op en zocht Robert met de oogen.„Het schildpadden kistje, de kamer hier naast,” stamelde hij met reeds gebroken stem. Robert stond op en voldeed aan het verlangen van den stervende; hij ontving het sleuteltje en maakte het kistje open.„Portret uwer moeder!” fluisterde de zieke en toen Robert hem Suzanna’s beeld gaf, drukte hij het aan de bleeke lippen. Daarna legde hij ’t weer in het kistje; van zijn vinger nam hij een ring met buitengewoon grooten diamant.„Voor u, dit kistje, deze ring, alles! Houd den ring als een gedachtenis maar verkoop den steen, uw erfdeel!”„O mijn vader, mijn arme vader!” snikte Robert.„Gij zijt sterk en moedig! Ge durft lijden voor uw beginselen, voor zulk een zoon was het goed een rijk te stichten. Gij wilt niet, misschien hebt gij gelijk, zij zijn meer dan wij, verlaat hen niet, ’t is beter blank te zijn, ’t zij zoo.… keer terug naar het[246]volk uwer moeder.… dit rijk zakt in elkander.… liever het bestuur der Compagnie dan de regeering der inlanders.… ge moogt alles zeggen, wat ge weet … ik wensch den zegepraal niet van mijn zonen.… nu gij hen niet aanvoert.… laat er een eind aan komen.… en word gelukkig bij uw volk!”Hij zweeg overmand door aandoening en uitputting.„Vlucht dadelijk.… vóór mijn dood! Verberg u, ze zullen u niet deren, zoolang ik nog adem!”„Neen vader, ik verlaat u niet!” riep Robert uit.„Het moet, maar wacht nog even!.… Roep uw God voor mij aan, den gekruisten God der Christenen, dien Suzanna aanbad.… Ik had hem lief.… liever dan Batoro Shiwa,Boeddhaof Allah.… maar Hij wilde mijn vereering niet.”„O, zeg dat niet, vader! Hij is goed en barmhartig! Ja, ik zal voor u bidden, het gebed dat Hij zelf ons leerde.”Robert knielde neder, en bad:„Onze Vader, die in den hemel zijt.…”„Onze Vader,” lispelde de stervende stem, „ja, dat is het, zoo moest het zijn.… ons aller Vader.… kinderen van een vader, blank en bruin.… de kinderen vergeten het.… maar Hij, Hij weet het.… Hij kent ze allen.… Onze Vader.…”Robert bracht met moeite het gebed ten einde; de vorst echter lag onbewegelijk de rechterhand op zijn voorhoofd gedrukt.… de lippen half geopend.… nog klopte zijn hart flauw en zacht, maar de machtige geest was reeds ter ruste gegaan.Wirajoeda trad binnen, hij zag de teekens van den laatsten strijd op het gelaat van zijn geliefden vorst en huiverde, maar toch zijn zorg betrof alleen den levende.„Vertrek spoedig, neem mede, wat van u is,” drong hij aan, „de zonen van Soerapati hebben ’t op uw leven gemunt. Volg mij spoedig!”[247]Werktuigelijk stond Robert op; de regent voerde hem bij den arm weg, door een menigte zalen, gangen en binnenplaatsen, totdat hij aan een poort in den buitenmuur kwam; daar stond een paard gezadeld.„Langs de zee kunt gij niet ontvluchten! Het gebergte in, spoedig, spoedig naar Tosari.”Tegen het vallen van den avond bereikte Robert het dorp, waar de goedige bergbewoners hem herkenden en vol vreugde ontvingen. Siwangi, nu een gelukkige gade, was zijn gastvrouw. Bittere smart heerschte in het dorp bij het vernemen van Soerapati’s dood.„Wat zal nu ons lot zijn, onder zijn vrouw en zonen?” vroegen zij zich angstig af.Toen de begrafenis van den vorst in alle stilte had plaats gehad, verliet Robert vermomd als Tengerees met eenige zijner vriendelijke gastheeren het dorp; hij kwam in Pasoeroean aan en bezocht het eenvoudige graf zijns vaders. Daar ook vernam hij dat de drie broeders elkander op heftige wijze zijn nalatenschap betwistten en dat Kiai Hemboong zich op het graf zijns meesters had gekrist. Het onreine bloempje van Pengantin’s liefde tot Siwangi was tusschen al dien rook en dat bloed gelukkig verwelkt.Door de zorgen der Tengereezen gelukte het Robert met een kleine list Pasoeroean te verlaten en in Soerabaya aan te komen, waar de officieren hem als een uit den dood verrezene ontvingen.[248]
[Inhoud]VII.SOERAPATI’S DOOD.De gewonde vorst was met een draagbaar naar het dorp Randa Telloe gevoerd, hij ook verwachtte niet anders dan dat het vijandelijke leger zijn voordeelen niet zou opgeven, maar voorttrekken naar Pasoeroean; hij gaf dus bevel hem niet naar zijn kraton te brengen,[237]maar naar het twee uur van Bangil verwijderde plaatsje, waar hij een klein lusthuis bezat.Zijn wonde vooral die aan de zijde was zeer gevaarlijk, nog dienzelfden avond openbaarden zich hevige wondkoortsen, verscheidenedoekoenswerden bij zijn legerstede geroepen, doch geen van allen wist raad.Hij viel telkens in zwijm, maar nauwelijks had hij een helder oogenblik of hij vroeg:„Zijn de vijanden voortgerukt? Komen ze nader? Houd mijn verwonding geheim, dat niemand in Pasoeroean het wete!”Zijn omgeving trachtte zijn wensch zooveel mogelijk te eerbiedigen, daar ieder begreep van hoeveel gewicht het was zijn verdwijning verborgen te houden.Toen de Hollanders teruggekeerd waren naar Soerabaya kwam men hem de heugelijke tijding brengen; hij glimlachte ondanks zijne pijnen.„De dwazen, mijn geheele land lag voor hen open en zij hebben het nu verlaten, als ik beter ben, hoe duur zal ik ze mijn wond en de nederlaag van Bangil doen boeten. Soerabaya heeft zijn belofte wel gehouden”.Een tweede bode kwam melden dat ook de aanval op Kediri mislukt was en dat kapitein de Roode gedwongen was terug te keeren naarKarta-Soera.„Als ik slechts hersteld was, zouden wij tevreden mogen zijn!” sprak hij.Nu maakte hij geen bezwaren meer om naar Pasoeroean te worden geleid, waar hem in den kraton betere verzorging wachtte. Met de grootste omzichtigheid werd hij vervoerd, want zijn toestand vereischte veel zorg en de kunst der Javaansche wondheelers was niet groot; in een eenvoudige draagbaar droeg men[238]hem weg, doch hoe voorzichtig ook alles in ’t werk gesteld werd, men kon ’t niet verhoeden dat de beweging een hevige koorts ten gevolge had en hij in ellendigen toestand te Pasoeroean aankwam, waar men nog weinig vermoeden had van zijn ziekte. Zelfs de Radhen Ajoe wist er niets van; zij had gemeend dat haar man zich met haar zoon Lembono aan het hoofd der troepen bevond, die een inval deden op Soerabaya.Toen men haar meldde dat de vorst zwaar gewond en misschien hopeloos in den kraton was aangekomen, verschrikte zij hevig; de oude liefde welke zoo lang door ijverzucht in slaap gewiegd, ingesluimerd was, ontwaakte weer en met verwarde haren luid gillend en jammerend snelde zij naar het rustbed, waarop de held uitgestrekt lag.Opgeschrikt door haar kreten hief Soerapati de moede oogen op.„Blijf bedaard, Radhen Ajoe, blijf bedaard!” fluisterde hij. „Gij en uw zoons zult weldra meesters zijn! ’t Was niet noodig, dat gij u samen tegen mij verbondt.”„Wie heeft u dat gezegd?” snikte zij. „O, Soerapati, is dan uw liefde jegens mij geheel dood? Men heeft mij wreed bij u belasterd.”„Was dat ook laster?” vroeg hij met moeite, „het aandeel dat gij op u hebt genomen om mijn hart los te rukken van Suzanna? Die leugen werd zij niet door u verzonnen en bekrachtigd?”„Zoovele jaren zijn verloopen sinds dien tijd! Ik had u zoo lief!”„En daarom moest gij mijn hart verwonden tot stervens toe? Neen,Koesoema, uw liefde was een noodlottig geschenk.”„Vergeef mij!” ging zij schreiend voort, „vergeef mij! Ik haatte haar die gij nooit hebt kunnen vergeten. Zeg me, wat moeten wij doen, uw zonen en ik, uw wensch zal ons een bevel zijn, maar gij zult genezen en dan ik zweer ’t u, al begrijpen we u niet, wij zullen u gehoorzamen!”[239]„Waar is Lembono?” vroeg hij.„Hij is in Soerabaya gevallen en vernielt daar alles te vuur en te zwaard; misschien zal hij nog het Hollandsche fort daar binnenrukken.”Toorn gloeide in de oogen van den gewonde en zijn stem beefde, toen hij haperend de woorden uitstiet:„Vervloekt die onzinnige daad! Hij vernielt de landen van onzen trouwsten vriend en bondgenoot. De Depati zal hem daarvoor zwaar doen boeten; nu zie ik in, hoe ’t zal gaan na mijn dood. Onverstand en hartstocht komen aan het bestuur!”En de handen voor het gelaat drukkende brak hij in luide wanhoopskreten los.„Alles vergeefs! alles!” klaagde hij, „’t is of ik niet geleefd heb. Ellende en oorlog laat ik achter met oneer. De Hadji wordt op nieuw meester. Ga heen vrouw! ga heen, gij en uw kinderen overlaadt mijn einde met schande en smart.”Plotseling richtte hij zich op, een straal van hoop gleed over zijn ingevallen vermagerd gelaat, en een bediende wenkend, gebood hij hem:„Ga naar de gevangenis, verlos toewan Sidin van zijn ketenen en breng hem hier!”„Wat is uw voornemen?” vroeg Radhen Goesik.„Koesoema,” sprak hij, en legde zijn handen op de hare, „belooft ge mij, dat mijn laatste wil u heilig zal wezen? Zweert ge gehoorzaamheid in naam ook van onze kinderen?”„Ja, ik beloof ’t u,” antwoordde zij weenend.„Dan vergeef ik u alles, alles, maar als die knaap binnenkomt, laat ons alleen!”Ook Robert had droevige weken doorgebracht; zijn gevangenis hoewel beter dan die hij verlaten had, was een treurig somber verblijf, des te treuriger door het contrast met de heerlijke dagen,[240]die hij achter zich had. Toch voelde hij zich niet ongelukkig; het bewustzijn dat hij leed voor een hooger beginsel, dat hij vrijheid, eer, rijkdom en aanzien ten offer bracht aan zijn plicht, de gedachte aan Digna, die ongetwijfeld zijn gedrag goedkeurde, de zekerheid dat zijn karakter gelouterd werd en dat hij boete deed voor zijn betreurenswaardige afdwalingen herwon hem de achting voor zich zelf en schonk hem een zoete voldoening, die zijn ketens lichter maakte en hem alle ongemakken van den kerker met geduld deed dragen.Hij wist niets van alles, wat er in den omtrek van Bangil plaats had, hij vermoedde niets van het lot der Hollandsche wapenen, tot op het oogenblik toen men hem zijn boeien afnam en de gevangenis deed verlaten.Men bracht hem in het vorstelijke slaapvertrek; voor het hooge met donkerroode gordijnen behangen ledikant zag hij een vrouw ter aarde liggen, wier gitzwarte haren verward over haar lendenen vielen; maar op zijn nadering stond zij op en wankelde de kamer uit.„Robert,” zoo hoorde hij zich met een zwakke stem noemen. Hij snelde naar de legerstede en stond als verpletterd stil; die vermagerde man met dat ingevallene, door lijden verwrongen gelaat, den verbonden schouder en half uitgedoofde oogen, kon dat de trotsche, krachtige Radhen Wiro Negoro zijn, die bij elken stap zich als vorst deed kennen?„Kom nader Robert, schrik niet!” ging hij bijna fluisterend voort en stak de rechterhand naar zijn zoon uit.Diep medelijden maakte zich van Robert’s ziel meester, voor het eerst voelde hij in volle kracht dat de sterkste van alle banden hem aan dien man hechtte; hij vergat alles om zich alleen te herinneren dat hij tegenover zijn stervenden vader stond.Hij greep zijn hand en drukte die aan de lippen.[241]„Vader, arme vader!” zeide hij deelnemend, „wat deert u?”Soerapati sloeg den arm om hem heen en trok hem dichter naar zich toe.„Het zijn uw vrienden die mij in dezen toestand hebben gebracht,” zeide hij met een zwakke poging tot een glimlach, „ge weet nog van niets? Ze hebben Bangil veroverd en het ware hun niet gelukt, als ik was staande gebleven maar helaas! de goden hebben het niet gewild. Zij hebben hun voordeelen echter opgegeven en niets is verloren, maar welhaast zal ’t met mij gedaan zijn, Robert!”De jonge man knielde naast het bed neer en zag zijn vader met teere bezorgdheid aan.„Waar zijt gij gewond, vader? Zeg me, doet het veel pijn? O wat gloeit uw hoofd!” sprak hij.„Ja kind, mijn einde nadert! Ge hebt bittere dagen doorleefd, arme Robert, maar ik kon niet anders. Ik wilde u dwingen tot uw geluk. Zeg me spoedig, want de tijd dringt, wat is thans uw antwoord op mijn vraag?”Robert sloeg de oogen ter aarde en zweeg.„Samen mogen wij niet meer arbeiden, maar alleen wacht u nog grootscher taak. Kunt gij uw stervenden vader den laatsten troost weigeren? Kunt, wilt gij hem zijn doodsuur verbitteren door uw hardnekkigheid? O Robert, heb medelijden met mij! Zeg dat gij de rechten wilt aannemen, die ik u schenk. Nog is ’t tijd, morgen wellicht, van avond is het te laat!”„O vader,” riep de jonge man zielsbedroefd uit, „kwel mij niet, het valt me zwaar te weigeren, maar ik mag niet!”„Heeft de afzondering u niet tot andere gedachten kunnen brengen?”„Integendeel, zij maakte mijn besluit nog vaster!”[242]„Wee, driewerf wee mij! Die knaap heeft een wil, een ijzeren, een onverzettelijken wil; hij ziet, wat zijn plicht is en daarnaar streeft hij met vaste hand, noch beloften, noch bedreigingen, noch kwellingen kunnen hem daarvan afleiden. Hem juist had ik noodig. Hoe zou hij alles veel beter dan ik hebben uitgevoerd, maar helaas! hij wil niet.”„Ik kan niet, vader!”„Kind, zal niets u overtuigen van het dwaze van uw besluit? Zijn die mannen wien gij zooveel offert, dit offer waardig? Doet gij niet beter hen te bestrijden dan te helpen hun kleingeestige belangen ten uitvoer te brengen? Wat zoeken zij hier op Java? Winst, geld, genot! Wat zij beters hebben sluiten zij voor ons nijdig af, uit vreeze dat zij dan niet meer zullen vinden, waarnaar hun hart alleen haakt. Niets is nog verloren, Robert! Ik zal mijn Balineezen laten roepen, zij zullen u trouw zweren, in u hun aanvoerder erkennen, mijnRadhenAjoe wil u gehoorzamen en steunen en ook uw broeders zal ik leeren in u hun eenigen redder te zien. Gij zult hen behandelen zooals zij ’t verdienen, en geen onrecht aandoen. O Robert, begrijp uw belang en dat van uw geboorteland, van mijn volk, dat ook het uwe is.…”Hij zonk achterover, uitgeput door de inspanning, en de opwinding; vermoeid sloot hij de oogen en zijn borst ging heftig op en neer.Robert stond hem zwijgend aan te zien; in stille wanhoop wrong hij de handen en dacht:„O Digna, kondet gij mij zeggen, wat plicht is!”„Antwoord!” lispelde de zieke schier onhoorbaar.„Vader, ik zou mijn land verraden, mag, kan ik het? Uit vrijen wil zwoer ik trouw aan uw vijanden, zal ik nu tegen mijn vroegere wapenmakkers ten strijde trekken?”[243]„Is ’t vrees die u doet weifelen, meent ge niet sterk genoeg te zijn voor de taak, welke ik op uw schouders leg?”„Neen, duizendmaal neen! Aan moed ontbreekt het mij niet! O, als gij wist hoe uw voorstel mij toelacht, hoe de werkkring, dien gij voor mij opent, mij schoon en verleidelijk voorkomt.”„En toch weigert ge?”„Ik mag niet anders.”„Dan is alles gedaan, alles voorbij!”Hij sloot de oogen en drukte de rechterhand op het hart; bewegingloos bleef hij liggen, zoo stil, dat Robert, die naast hem zat, meende dat alles gedaan was; nu en dan alleen verried een zware zucht, dat hij nog leefde en dacht.Een oud man trad binnen, behoedzaam en stil eerst, maar toen hij den schier levenloozen vorm zag van zijn vorst, slaakte hij een doordringenden gil en wierp zich jammerend op zijn voeten.Soerapati opende zijn zware oogleden, en vroeg verbaasd:„Gij hier, Kiai, gij en in dit uur!”„Vervloekt, het uur, waarop ik geboren werd; moest ik den zoon van mijn hart overleven, moest ik daarvoor de gevangenis verlaten en op mijn leeftijd al bedelend geheel Java doortrekken om mijn kind in dezen toestand te zien?”„Ga heen, vader! Raak mij niet aan! Gij hebt mij eens een bitteren drank bereid, die mijn leven vergiftigde. Nonna Suzanna was mij nooit ontrouw en haar zoon verbittert thans mijn laatste oogenblikken. Vertrek, ik schenk u het leven, daar gij oud en zwak zijt en uw dagen geteld zijn, maar u die leugen vergeven en het monsterverbond met mijn vrouw en den dwerg, dat nimmer.”De grijsaard brak in een hartverscheurend gejammer uit.„Ga heen! Folter mij niet langer, of neen, nog iets! Wat heeft de groote Heer geantwoord?”[244]„Hij heeft naar mij geluisterd, den diamant aangenomen en mij gevangen gezet; ik ben ontvlucht.…”„’t Is goed, verlaat mij thans! Spoedig, spoedig, nog heb ik macht te bevelen!” drong hij aan toen de oude man aarzelde. Luid kermend ging de grijsaard heen, en op nieuw heerschte diepe stilte in het vertrek.Nu en dan kwamen rijksgrooten bij het bed zien of hun meester in staat was hen te antwoorden als zij over staatszaken wilden spreken, hij bleef echter zwijgen; ook Pengantin en Lembono verschenen, maakten groot misbaar en wierpen wantrouwende blikken op den vreemdeling, die de zijde huns vaders niet verliet.Maar Soerapati scheen niets meer te hooren of te zien, totdat eindelijk zijn oude krijgsmakker, de regent vanKediri, zich over hem boog en met de tranen, die van zijn verweerde wangen afdroppelden hem het voorhoofd bevochtigde.„Wirajoeda,” sprak hij zacht, „heb ik ’t niet gezegd, kameraad, dat onze weg ten einde liep, onze lange, moeilijke weg? Gij zijt mij steeds trouw geweest, ik dank u voor uw vriendschap, uw toewijding. Schrei niet, die tranen passen niet op uw ruw gelaat; druk me nog eens de hand!”„Lijdt ge veel meester?” vroeg Wirajoeda snikkend.„Die wonde beteekent niets, maar mijn hart doet me zeer. Ik had u zoo gaarne een waardigen opvolger gelaten, vriend, die verdiende door u gehoorzaamd te worden; beken mij oprecht, kunt gij onder een mijner drie zonen staan?”„Zij verschillen zooveel van u!”„Maar deze zoon van mij!” en hij nam Roberts hand in de zijne, „was ten volle uw onderwerping waardig. Hij had dit rijk tot hooger bloei gebracht, als hij slechts wilde.”[245]Verbaasd zag Wirajoeda den jongen man aan, toen wierp hij zich voor zijn voeten en smeekte:„Zoon van mijn meester, gij behoort tot een volk, dat ik haat en verfoei, maar ik heb levenslang uw vader gevolgd en weet dat alles wat hij wenscht goed, ja het beste is. Gehoorzaam zijn wil, laat zijn laatste uren niet zwaar worden door uw schuld en ik zweer u dezelfde trouw, die ik hem sints dertig jaar bewees!”„O, kon ik ’t maar!” zuchtte Robert.„’t Is genoeg! Hij zal aan uw verzoek niet toestaan, wat hij aan mijn herhaalde smeekingen en bedreigingen weigerde. Laat ons nu alleen, Wirajoeda, ik heb nog slechts enkele woorden te spreken met mijn zoon. Ik vertrouw zijn leven aan u toe!”„Ik blijf u met het mijne daarvoor borg.”En zoodra zij alleen waren, richtte Soerapati zich half op en zocht Robert met de oogen.„Het schildpadden kistje, de kamer hier naast,” stamelde hij met reeds gebroken stem. Robert stond op en voldeed aan het verlangen van den stervende; hij ontving het sleuteltje en maakte het kistje open.„Portret uwer moeder!” fluisterde de zieke en toen Robert hem Suzanna’s beeld gaf, drukte hij het aan de bleeke lippen. Daarna legde hij ’t weer in het kistje; van zijn vinger nam hij een ring met buitengewoon grooten diamant.„Voor u, dit kistje, deze ring, alles! Houd den ring als een gedachtenis maar verkoop den steen, uw erfdeel!”„O mijn vader, mijn arme vader!” snikte Robert.„Gij zijt sterk en moedig! Ge durft lijden voor uw beginselen, voor zulk een zoon was het goed een rijk te stichten. Gij wilt niet, misschien hebt gij gelijk, zij zijn meer dan wij, verlaat hen niet, ’t is beter blank te zijn, ’t zij zoo.… keer terug naar het[246]volk uwer moeder.… dit rijk zakt in elkander.… liever het bestuur der Compagnie dan de regeering der inlanders.… ge moogt alles zeggen, wat ge weet … ik wensch den zegepraal niet van mijn zonen.… nu gij hen niet aanvoert.… laat er een eind aan komen.… en word gelukkig bij uw volk!”Hij zweeg overmand door aandoening en uitputting.„Vlucht dadelijk.… vóór mijn dood! Verberg u, ze zullen u niet deren, zoolang ik nog adem!”„Neen vader, ik verlaat u niet!” riep Robert uit.„Het moet, maar wacht nog even!.… Roep uw God voor mij aan, den gekruisten God der Christenen, dien Suzanna aanbad.… Ik had hem lief.… liever dan Batoro Shiwa,Boeddhaof Allah.… maar Hij wilde mijn vereering niet.”„O, zeg dat niet, vader! Hij is goed en barmhartig! Ja, ik zal voor u bidden, het gebed dat Hij zelf ons leerde.”Robert knielde neder, en bad:„Onze Vader, die in den hemel zijt.…”„Onze Vader,” lispelde de stervende stem, „ja, dat is het, zoo moest het zijn.… ons aller Vader.… kinderen van een vader, blank en bruin.… de kinderen vergeten het.… maar Hij, Hij weet het.… Hij kent ze allen.… Onze Vader.…”Robert bracht met moeite het gebed ten einde; de vorst echter lag onbewegelijk de rechterhand op zijn voorhoofd gedrukt.… de lippen half geopend.… nog klopte zijn hart flauw en zacht, maar de machtige geest was reeds ter ruste gegaan.Wirajoeda trad binnen, hij zag de teekens van den laatsten strijd op het gelaat van zijn geliefden vorst en huiverde, maar toch zijn zorg betrof alleen den levende.„Vertrek spoedig, neem mede, wat van u is,” drong hij aan, „de zonen van Soerapati hebben ’t op uw leven gemunt. Volg mij spoedig!”[247]Werktuigelijk stond Robert op; de regent voerde hem bij den arm weg, door een menigte zalen, gangen en binnenplaatsen, totdat hij aan een poort in den buitenmuur kwam; daar stond een paard gezadeld.„Langs de zee kunt gij niet ontvluchten! Het gebergte in, spoedig, spoedig naar Tosari.”Tegen het vallen van den avond bereikte Robert het dorp, waar de goedige bergbewoners hem herkenden en vol vreugde ontvingen. Siwangi, nu een gelukkige gade, was zijn gastvrouw. Bittere smart heerschte in het dorp bij het vernemen van Soerapati’s dood.„Wat zal nu ons lot zijn, onder zijn vrouw en zonen?” vroegen zij zich angstig af.Toen de begrafenis van den vorst in alle stilte had plaats gehad, verliet Robert vermomd als Tengerees met eenige zijner vriendelijke gastheeren het dorp; hij kwam in Pasoeroean aan en bezocht het eenvoudige graf zijns vaders. Daar ook vernam hij dat de drie broeders elkander op heftige wijze zijn nalatenschap betwistten en dat Kiai Hemboong zich op het graf zijns meesters had gekrist. Het onreine bloempje van Pengantin’s liefde tot Siwangi was tusschen al dien rook en dat bloed gelukkig verwelkt.Door de zorgen der Tengereezen gelukte het Robert met een kleine list Pasoeroean te verlaten en in Soerabaya aan te komen, waar de officieren hem als een uit den dood verrezene ontvingen.[248]
[Inhoud]VII.SOERAPATI’S DOOD.De gewonde vorst was met een draagbaar naar het dorp Randa Telloe gevoerd, hij ook verwachtte niet anders dan dat het vijandelijke leger zijn voordeelen niet zou opgeven, maar voorttrekken naar Pasoeroean; hij gaf dus bevel hem niet naar zijn kraton te brengen,[237]maar naar het twee uur van Bangil verwijderde plaatsje, waar hij een klein lusthuis bezat.Zijn wonde vooral die aan de zijde was zeer gevaarlijk, nog dienzelfden avond openbaarden zich hevige wondkoortsen, verscheidenedoekoenswerden bij zijn legerstede geroepen, doch geen van allen wist raad.Hij viel telkens in zwijm, maar nauwelijks had hij een helder oogenblik of hij vroeg:„Zijn de vijanden voortgerukt? Komen ze nader? Houd mijn verwonding geheim, dat niemand in Pasoeroean het wete!”Zijn omgeving trachtte zijn wensch zooveel mogelijk te eerbiedigen, daar ieder begreep van hoeveel gewicht het was zijn verdwijning verborgen te houden.Toen de Hollanders teruggekeerd waren naar Soerabaya kwam men hem de heugelijke tijding brengen; hij glimlachte ondanks zijne pijnen.„De dwazen, mijn geheele land lag voor hen open en zij hebben het nu verlaten, als ik beter ben, hoe duur zal ik ze mijn wond en de nederlaag van Bangil doen boeten. Soerabaya heeft zijn belofte wel gehouden”.Een tweede bode kwam melden dat ook de aanval op Kediri mislukt was en dat kapitein de Roode gedwongen was terug te keeren naarKarta-Soera.„Als ik slechts hersteld was, zouden wij tevreden mogen zijn!” sprak hij.Nu maakte hij geen bezwaren meer om naar Pasoeroean te worden geleid, waar hem in den kraton betere verzorging wachtte. Met de grootste omzichtigheid werd hij vervoerd, want zijn toestand vereischte veel zorg en de kunst der Javaansche wondheelers was niet groot; in een eenvoudige draagbaar droeg men[238]hem weg, doch hoe voorzichtig ook alles in ’t werk gesteld werd, men kon ’t niet verhoeden dat de beweging een hevige koorts ten gevolge had en hij in ellendigen toestand te Pasoeroean aankwam, waar men nog weinig vermoeden had van zijn ziekte. Zelfs de Radhen Ajoe wist er niets van; zij had gemeend dat haar man zich met haar zoon Lembono aan het hoofd der troepen bevond, die een inval deden op Soerabaya.Toen men haar meldde dat de vorst zwaar gewond en misschien hopeloos in den kraton was aangekomen, verschrikte zij hevig; de oude liefde welke zoo lang door ijverzucht in slaap gewiegd, ingesluimerd was, ontwaakte weer en met verwarde haren luid gillend en jammerend snelde zij naar het rustbed, waarop de held uitgestrekt lag.Opgeschrikt door haar kreten hief Soerapati de moede oogen op.„Blijf bedaard, Radhen Ajoe, blijf bedaard!” fluisterde hij. „Gij en uw zoons zult weldra meesters zijn! ’t Was niet noodig, dat gij u samen tegen mij verbondt.”„Wie heeft u dat gezegd?” snikte zij. „O, Soerapati, is dan uw liefde jegens mij geheel dood? Men heeft mij wreed bij u belasterd.”„Was dat ook laster?” vroeg hij met moeite, „het aandeel dat gij op u hebt genomen om mijn hart los te rukken van Suzanna? Die leugen werd zij niet door u verzonnen en bekrachtigd?”„Zoovele jaren zijn verloopen sinds dien tijd! Ik had u zoo lief!”„En daarom moest gij mijn hart verwonden tot stervens toe? Neen,Koesoema, uw liefde was een noodlottig geschenk.”„Vergeef mij!” ging zij schreiend voort, „vergeef mij! Ik haatte haar die gij nooit hebt kunnen vergeten. Zeg me, wat moeten wij doen, uw zonen en ik, uw wensch zal ons een bevel zijn, maar gij zult genezen en dan ik zweer ’t u, al begrijpen we u niet, wij zullen u gehoorzamen!”[239]„Waar is Lembono?” vroeg hij.„Hij is in Soerabaya gevallen en vernielt daar alles te vuur en te zwaard; misschien zal hij nog het Hollandsche fort daar binnenrukken.”Toorn gloeide in de oogen van den gewonde en zijn stem beefde, toen hij haperend de woorden uitstiet:„Vervloekt die onzinnige daad! Hij vernielt de landen van onzen trouwsten vriend en bondgenoot. De Depati zal hem daarvoor zwaar doen boeten; nu zie ik in, hoe ’t zal gaan na mijn dood. Onverstand en hartstocht komen aan het bestuur!”En de handen voor het gelaat drukkende brak hij in luide wanhoopskreten los.„Alles vergeefs! alles!” klaagde hij, „’t is of ik niet geleefd heb. Ellende en oorlog laat ik achter met oneer. De Hadji wordt op nieuw meester. Ga heen vrouw! ga heen, gij en uw kinderen overlaadt mijn einde met schande en smart.”Plotseling richtte hij zich op, een straal van hoop gleed over zijn ingevallen vermagerd gelaat, en een bediende wenkend, gebood hij hem:„Ga naar de gevangenis, verlos toewan Sidin van zijn ketenen en breng hem hier!”„Wat is uw voornemen?” vroeg Radhen Goesik.„Koesoema,” sprak hij, en legde zijn handen op de hare, „belooft ge mij, dat mijn laatste wil u heilig zal wezen? Zweert ge gehoorzaamheid in naam ook van onze kinderen?”„Ja, ik beloof ’t u,” antwoordde zij weenend.„Dan vergeef ik u alles, alles, maar als die knaap binnenkomt, laat ons alleen!”Ook Robert had droevige weken doorgebracht; zijn gevangenis hoewel beter dan die hij verlaten had, was een treurig somber verblijf, des te treuriger door het contrast met de heerlijke dagen,[240]die hij achter zich had. Toch voelde hij zich niet ongelukkig; het bewustzijn dat hij leed voor een hooger beginsel, dat hij vrijheid, eer, rijkdom en aanzien ten offer bracht aan zijn plicht, de gedachte aan Digna, die ongetwijfeld zijn gedrag goedkeurde, de zekerheid dat zijn karakter gelouterd werd en dat hij boete deed voor zijn betreurenswaardige afdwalingen herwon hem de achting voor zich zelf en schonk hem een zoete voldoening, die zijn ketens lichter maakte en hem alle ongemakken van den kerker met geduld deed dragen.Hij wist niets van alles, wat er in den omtrek van Bangil plaats had, hij vermoedde niets van het lot der Hollandsche wapenen, tot op het oogenblik toen men hem zijn boeien afnam en de gevangenis deed verlaten.Men bracht hem in het vorstelijke slaapvertrek; voor het hooge met donkerroode gordijnen behangen ledikant zag hij een vrouw ter aarde liggen, wier gitzwarte haren verward over haar lendenen vielen; maar op zijn nadering stond zij op en wankelde de kamer uit.„Robert,” zoo hoorde hij zich met een zwakke stem noemen. Hij snelde naar de legerstede en stond als verpletterd stil; die vermagerde man met dat ingevallene, door lijden verwrongen gelaat, den verbonden schouder en half uitgedoofde oogen, kon dat de trotsche, krachtige Radhen Wiro Negoro zijn, die bij elken stap zich als vorst deed kennen?„Kom nader Robert, schrik niet!” ging hij bijna fluisterend voort en stak de rechterhand naar zijn zoon uit.Diep medelijden maakte zich van Robert’s ziel meester, voor het eerst voelde hij in volle kracht dat de sterkste van alle banden hem aan dien man hechtte; hij vergat alles om zich alleen te herinneren dat hij tegenover zijn stervenden vader stond.Hij greep zijn hand en drukte die aan de lippen.[241]„Vader, arme vader!” zeide hij deelnemend, „wat deert u?”Soerapati sloeg den arm om hem heen en trok hem dichter naar zich toe.„Het zijn uw vrienden die mij in dezen toestand hebben gebracht,” zeide hij met een zwakke poging tot een glimlach, „ge weet nog van niets? Ze hebben Bangil veroverd en het ware hun niet gelukt, als ik was staande gebleven maar helaas! de goden hebben het niet gewild. Zij hebben hun voordeelen echter opgegeven en niets is verloren, maar welhaast zal ’t met mij gedaan zijn, Robert!”De jonge man knielde naast het bed neer en zag zijn vader met teere bezorgdheid aan.„Waar zijt gij gewond, vader? Zeg me, doet het veel pijn? O wat gloeit uw hoofd!” sprak hij.„Ja kind, mijn einde nadert! Ge hebt bittere dagen doorleefd, arme Robert, maar ik kon niet anders. Ik wilde u dwingen tot uw geluk. Zeg me spoedig, want de tijd dringt, wat is thans uw antwoord op mijn vraag?”Robert sloeg de oogen ter aarde en zweeg.„Samen mogen wij niet meer arbeiden, maar alleen wacht u nog grootscher taak. Kunt gij uw stervenden vader den laatsten troost weigeren? Kunt, wilt gij hem zijn doodsuur verbitteren door uw hardnekkigheid? O Robert, heb medelijden met mij! Zeg dat gij de rechten wilt aannemen, die ik u schenk. Nog is ’t tijd, morgen wellicht, van avond is het te laat!”„O vader,” riep de jonge man zielsbedroefd uit, „kwel mij niet, het valt me zwaar te weigeren, maar ik mag niet!”„Heeft de afzondering u niet tot andere gedachten kunnen brengen?”„Integendeel, zij maakte mijn besluit nog vaster!”[242]„Wee, driewerf wee mij! Die knaap heeft een wil, een ijzeren, een onverzettelijken wil; hij ziet, wat zijn plicht is en daarnaar streeft hij met vaste hand, noch beloften, noch bedreigingen, noch kwellingen kunnen hem daarvan afleiden. Hem juist had ik noodig. Hoe zou hij alles veel beter dan ik hebben uitgevoerd, maar helaas! hij wil niet.”„Ik kan niet, vader!”„Kind, zal niets u overtuigen van het dwaze van uw besluit? Zijn die mannen wien gij zooveel offert, dit offer waardig? Doet gij niet beter hen te bestrijden dan te helpen hun kleingeestige belangen ten uitvoer te brengen? Wat zoeken zij hier op Java? Winst, geld, genot! Wat zij beters hebben sluiten zij voor ons nijdig af, uit vreeze dat zij dan niet meer zullen vinden, waarnaar hun hart alleen haakt. Niets is nog verloren, Robert! Ik zal mijn Balineezen laten roepen, zij zullen u trouw zweren, in u hun aanvoerder erkennen, mijnRadhenAjoe wil u gehoorzamen en steunen en ook uw broeders zal ik leeren in u hun eenigen redder te zien. Gij zult hen behandelen zooals zij ’t verdienen, en geen onrecht aandoen. O Robert, begrijp uw belang en dat van uw geboorteland, van mijn volk, dat ook het uwe is.…”Hij zonk achterover, uitgeput door de inspanning, en de opwinding; vermoeid sloot hij de oogen en zijn borst ging heftig op en neer.Robert stond hem zwijgend aan te zien; in stille wanhoop wrong hij de handen en dacht:„O Digna, kondet gij mij zeggen, wat plicht is!”„Antwoord!” lispelde de zieke schier onhoorbaar.„Vader, ik zou mijn land verraden, mag, kan ik het? Uit vrijen wil zwoer ik trouw aan uw vijanden, zal ik nu tegen mijn vroegere wapenmakkers ten strijde trekken?”[243]„Is ’t vrees die u doet weifelen, meent ge niet sterk genoeg te zijn voor de taak, welke ik op uw schouders leg?”„Neen, duizendmaal neen! Aan moed ontbreekt het mij niet! O, als gij wist hoe uw voorstel mij toelacht, hoe de werkkring, dien gij voor mij opent, mij schoon en verleidelijk voorkomt.”„En toch weigert ge?”„Ik mag niet anders.”„Dan is alles gedaan, alles voorbij!”Hij sloot de oogen en drukte de rechterhand op het hart; bewegingloos bleef hij liggen, zoo stil, dat Robert, die naast hem zat, meende dat alles gedaan was; nu en dan alleen verried een zware zucht, dat hij nog leefde en dacht.Een oud man trad binnen, behoedzaam en stil eerst, maar toen hij den schier levenloozen vorm zag van zijn vorst, slaakte hij een doordringenden gil en wierp zich jammerend op zijn voeten.Soerapati opende zijn zware oogleden, en vroeg verbaasd:„Gij hier, Kiai, gij en in dit uur!”„Vervloekt, het uur, waarop ik geboren werd; moest ik den zoon van mijn hart overleven, moest ik daarvoor de gevangenis verlaten en op mijn leeftijd al bedelend geheel Java doortrekken om mijn kind in dezen toestand te zien?”„Ga heen, vader! Raak mij niet aan! Gij hebt mij eens een bitteren drank bereid, die mijn leven vergiftigde. Nonna Suzanna was mij nooit ontrouw en haar zoon verbittert thans mijn laatste oogenblikken. Vertrek, ik schenk u het leven, daar gij oud en zwak zijt en uw dagen geteld zijn, maar u die leugen vergeven en het monsterverbond met mijn vrouw en den dwerg, dat nimmer.”De grijsaard brak in een hartverscheurend gejammer uit.„Ga heen! Folter mij niet langer, of neen, nog iets! Wat heeft de groote Heer geantwoord?”[244]„Hij heeft naar mij geluisterd, den diamant aangenomen en mij gevangen gezet; ik ben ontvlucht.…”„’t Is goed, verlaat mij thans! Spoedig, spoedig, nog heb ik macht te bevelen!” drong hij aan toen de oude man aarzelde. Luid kermend ging de grijsaard heen, en op nieuw heerschte diepe stilte in het vertrek.Nu en dan kwamen rijksgrooten bij het bed zien of hun meester in staat was hen te antwoorden als zij over staatszaken wilden spreken, hij bleef echter zwijgen; ook Pengantin en Lembono verschenen, maakten groot misbaar en wierpen wantrouwende blikken op den vreemdeling, die de zijde huns vaders niet verliet.Maar Soerapati scheen niets meer te hooren of te zien, totdat eindelijk zijn oude krijgsmakker, de regent vanKediri, zich over hem boog en met de tranen, die van zijn verweerde wangen afdroppelden hem het voorhoofd bevochtigde.„Wirajoeda,” sprak hij zacht, „heb ik ’t niet gezegd, kameraad, dat onze weg ten einde liep, onze lange, moeilijke weg? Gij zijt mij steeds trouw geweest, ik dank u voor uw vriendschap, uw toewijding. Schrei niet, die tranen passen niet op uw ruw gelaat; druk me nog eens de hand!”„Lijdt ge veel meester?” vroeg Wirajoeda snikkend.„Die wonde beteekent niets, maar mijn hart doet me zeer. Ik had u zoo gaarne een waardigen opvolger gelaten, vriend, die verdiende door u gehoorzaamd te worden; beken mij oprecht, kunt gij onder een mijner drie zonen staan?”„Zij verschillen zooveel van u!”„Maar deze zoon van mij!” en hij nam Roberts hand in de zijne, „was ten volle uw onderwerping waardig. Hij had dit rijk tot hooger bloei gebracht, als hij slechts wilde.”[245]Verbaasd zag Wirajoeda den jongen man aan, toen wierp hij zich voor zijn voeten en smeekte:„Zoon van mijn meester, gij behoort tot een volk, dat ik haat en verfoei, maar ik heb levenslang uw vader gevolgd en weet dat alles wat hij wenscht goed, ja het beste is. Gehoorzaam zijn wil, laat zijn laatste uren niet zwaar worden door uw schuld en ik zweer u dezelfde trouw, die ik hem sints dertig jaar bewees!”„O, kon ik ’t maar!” zuchtte Robert.„’t Is genoeg! Hij zal aan uw verzoek niet toestaan, wat hij aan mijn herhaalde smeekingen en bedreigingen weigerde. Laat ons nu alleen, Wirajoeda, ik heb nog slechts enkele woorden te spreken met mijn zoon. Ik vertrouw zijn leven aan u toe!”„Ik blijf u met het mijne daarvoor borg.”En zoodra zij alleen waren, richtte Soerapati zich half op en zocht Robert met de oogen.„Het schildpadden kistje, de kamer hier naast,” stamelde hij met reeds gebroken stem. Robert stond op en voldeed aan het verlangen van den stervende; hij ontving het sleuteltje en maakte het kistje open.„Portret uwer moeder!” fluisterde de zieke en toen Robert hem Suzanna’s beeld gaf, drukte hij het aan de bleeke lippen. Daarna legde hij ’t weer in het kistje; van zijn vinger nam hij een ring met buitengewoon grooten diamant.„Voor u, dit kistje, deze ring, alles! Houd den ring als een gedachtenis maar verkoop den steen, uw erfdeel!”„O mijn vader, mijn arme vader!” snikte Robert.„Gij zijt sterk en moedig! Ge durft lijden voor uw beginselen, voor zulk een zoon was het goed een rijk te stichten. Gij wilt niet, misschien hebt gij gelijk, zij zijn meer dan wij, verlaat hen niet, ’t is beter blank te zijn, ’t zij zoo.… keer terug naar het[246]volk uwer moeder.… dit rijk zakt in elkander.… liever het bestuur der Compagnie dan de regeering der inlanders.… ge moogt alles zeggen, wat ge weet … ik wensch den zegepraal niet van mijn zonen.… nu gij hen niet aanvoert.… laat er een eind aan komen.… en word gelukkig bij uw volk!”Hij zweeg overmand door aandoening en uitputting.„Vlucht dadelijk.… vóór mijn dood! Verberg u, ze zullen u niet deren, zoolang ik nog adem!”„Neen vader, ik verlaat u niet!” riep Robert uit.„Het moet, maar wacht nog even!.… Roep uw God voor mij aan, den gekruisten God der Christenen, dien Suzanna aanbad.… Ik had hem lief.… liever dan Batoro Shiwa,Boeddhaof Allah.… maar Hij wilde mijn vereering niet.”„O, zeg dat niet, vader! Hij is goed en barmhartig! Ja, ik zal voor u bidden, het gebed dat Hij zelf ons leerde.”Robert knielde neder, en bad:„Onze Vader, die in den hemel zijt.…”„Onze Vader,” lispelde de stervende stem, „ja, dat is het, zoo moest het zijn.… ons aller Vader.… kinderen van een vader, blank en bruin.… de kinderen vergeten het.… maar Hij, Hij weet het.… Hij kent ze allen.… Onze Vader.…”Robert bracht met moeite het gebed ten einde; de vorst echter lag onbewegelijk de rechterhand op zijn voorhoofd gedrukt.… de lippen half geopend.… nog klopte zijn hart flauw en zacht, maar de machtige geest was reeds ter ruste gegaan.Wirajoeda trad binnen, hij zag de teekens van den laatsten strijd op het gelaat van zijn geliefden vorst en huiverde, maar toch zijn zorg betrof alleen den levende.„Vertrek spoedig, neem mede, wat van u is,” drong hij aan, „de zonen van Soerapati hebben ’t op uw leven gemunt. Volg mij spoedig!”[247]Werktuigelijk stond Robert op; de regent voerde hem bij den arm weg, door een menigte zalen, gangen en binnenplaatsen, totdat hij aan een poort in den buitenmuur kwam; daar stond een paard gezadeld.„Langs de zee kunt gij niet ontvluchten! Het gebergte in, spoedig, spoedig naar Tosari.”Tegen het vallen van den avond bereikte Robert het dorp, waar de goedige bergbewoners hem herkenden en vol vreugde ontvingen. Siwangi, nu een gelukkige gade, was zijn gastvrouw. Bittere smart heerschte in het dorp bij het vernemen van Soerapati’s dood.„Wat zal nu ons lot zijn, onder zijn vrouw en zonen?” vroegen zij zich angstig af.Toen de begrafenis van den vorst in alle stilte had plaats gehad, verliet Robert vermomd als Tengerees met eenige zijner vriendelijke gastheeren het dorp; hij kwam in Pasoeroean aan en bezocht het eenvoudige graf zijns vaders. Daar ook vernam hij dat de drie broeders elkander op heftige wijze zijn nalatenschap betwistten en dat Kiai Hemboong zich op het graf zijns meesters had gekrist. Het onreine bloempje van Pengantin’s liefde tot Siwangi was tusschen al dien rook en dat bloed gelukkig verwelkt.Door de zorgen der Tengereezen gelukte het Robert met een kleine list Pasoeroean te verlaten en in Soerabaya aan te komen, waar de officieren hem als een uit den dood verrezene ontvingen.[248]
VII.SOERAPATI’S DOOD.
De gewonde vorst was met een draagbaar naar het dorp Randa Telloe gevoerd, hij ook verwachtte niet anders dan dat het vijandelijke leger zijn voordeelen niet zou opgeven, maar voorttrekken naar Pasoeroean; hij gaf dus bevel hem niet naar zijn kraton te brengen,[237]maar naar het twee uur van Bangil verwijderde plaatsje, waar hij een klein lusthuis bezat.Zijn wonde vooral die aan de zijde was zeer gevaarlijk, nog dienzelfden avond openbaarden zich hevige wondkoortsen, verscheidenedoekoenswerden bij zijn legerstede geroepen, doch geen van allen wist raad.Hij viel telkens in zwijm, maar nauwelijks had hij een helder oogenblik of hij vroeg:„Zijn de vijanden voortgerukt? Komen ze nader? Houd mijn verwonding geheim, dat niemand in Pasoeroean het wete!”Zijn omgeving trachtte zijn wensch zooveel mogelijk te eerbiedigen, daar ieder begreep van hoeveel gewicht het was zijn verdwijning verborgen te houden.Toen de Hollanders teruggekeerd waren naar Soerabaya kwam men hem de heugelijke tijding brengen; hij glimlachte ondanks zijne pijnen.„De dwazen, mijn geheele land lag voor hen open en zij hebben het nu verlaten, als ik beter ben, hoe duur zal ik ze mijn wond en de nederlaag van Bangil doen boeten. Soerabaya heeft zijn belofte wel gehouden”.Een tweede bode kwam melden dat ook de aanval op Kediri mislukt was en dat kapitein de Roode gedwongen was terug te keeren naarKarta-Soera.„Als ik slechts hersteld was, zouden wij tevreden mogen zijn!” sprak hij.Nu maakte hij geen bezwaren meer om naar Pasoeroean te worden geleid, waar hem in den kraton betere verzorging wachtte. Met de grootste omzichtigheid werd hij vervoerd, want zijn toestand vereischte veel zorg en de kunst der Javaansche wondheelers was niet groot; in een eenvoudige draagbaar droeg men[238]hem weg, doch hoe voorzichtig ook alles in ’t werk gesteld werd, men kon ’t niet verhoeden dat de beweging een hevige koorts ten gevolge had en hij in ellendigen toestand te Pasoeroean aankwam, waar men nog weinig vermoeden had van zijn ziekte. Zelfs de Radhen Ajoe wist er niets van; zij had gemeend dat haar man zich met haar zoon Lembono aan het hoofd der troepen bevond, die een inval deden op Soerabaya.Toen men haar meldde dat de vorst zwaar gewond en misschien hopeloos in den kraton was aangekomen, verschrikte zij hevig; de oude liefde welke zoo lang door ijverzucht in slaap gewiegd, ingesluimerd was, ontwaakte weer en met verwarde haren luid gillend en jammerend snelde zij naar het rustbed, waarop de held uitgestrekt lag.Opgeschrikt door haar kreten hief Soerapati de moede oogen op.„Blijf bedaard, Radhen Ajoe, blijf bedaard!” fluisterde hij. „Gij en uw zoons zult weldra meesters zijn! ’t Was niet noodig, dat gij u samen tegen mij verbondt.”„Wie heeft u dat gezegd?” snikte zij. „O, Soerapati, is dan uw liefde jegens mij geheel dood? Men heeft mij wreed bij u belasterd.”„Was dat ook laster?” vroeg hij met moeite, „het aandeel dat gij op u hebt genomen om mijn hart los te rukken van Suzanna? Die leugen werd zij niet door u verzonnen en bekrachtigd?”„Zoovele jaren zijn verloopen sinds dien tijd! Ik had u zoo lief!”„En daarom moest gij mijn hart verwonden tot stervens toe? Neen,Koesoema, uw liefde was een noodlottig geschenk.”„Vergeef mij!” ging zij schreiend voort, „vergeef mij! Ik haatte haar die gij nooit hebt kunnen vergeten. Zeg me, wat moeten wij doen, uw zonen en ik, uw wensch zal ons een bevel zijn, maar gij zult genezen en dan ik zweer ’t u, al begrijpen we u niet, wij zullen u gehoorzamen!”[239]„Waar is Lembono?” vroeg hij.„Hij is in Soerabaya gevallen en vernielt daar alles te vuur en te zwaard; misschien zal hij nog het Hollandsche fort daar binnenrukken.”Toorn gloeide in de oogen van den gewonde en zijn stem beefde, toen hij haperend de woorden uitstiet:„Vervloekt die onzinnige daad! Hij vernielt de landen van onzen trouwsten vriend en bondgenoot. De Depati zal hem daarvoor zwaar doen boeten; nu zie ik in, hoe ’t zal gaan na mijn dood. Onverstand en hartstocht komen aan het bestuur!”En de handen voor het gelaat drukkende brak hij in luide wanhoopskreten los.„Alles vergeefs! alles!” klaagde hij, „’t is of ik niet geleefd heb. Ellende en oorlog laat ik achter met oneer. De Hadji wordt op nieuw meester. Ga heen vrouw! ga heen, gij en uw kinderen overlaadt mijn einde met schande en smart.”Plotseling richtte hij zich op, een straal van hoop gleed over zijn ingevallen vermagerd gelaat, en een bediende wenkend, gebood hij hem:„Ga naar de gevangenis, verlos toewan Sidin van zijn ketenen en breng hem hier!”„Wat is uw voornemen?” vroeg Radhen Goesik.„Koesoema,” sprak hij, en legde zijn handen op de hare, „belooft ge mij, dat mijn laatste wil u heilig zal wezen? Zweert ge gehoorzaamheid in naam ook van onze kinderen?”„Ja, ik beloof ’t u,” antwoordde zij weenend.„Dan vergeef ik u alles, alles, maar als die knaap binnenkomt, laat ons alleen!”Ook Robert had droevige weken doorgebracht; zijn gevangenis hoewel beter dan die hij verlaten had, was een treurig somber verblijf, des te treuriger door het contrast met de heerlijke dagen,[240]die hij achter zich had. Toch voelde hij zich niet ongelukkig; het bewustzijn dat hij leed voor een hooger beginsel, dat hij vrijheid, eer, rijkdom en aanzien ten offer bracht aan zijn plicht, de gedachte aan Digna, die ongetwijfeld zijn gedrag goedkeurde, de zekerheid dat zijn karakter gelouterd werd en dat hij boete deed voor zijn betreurenswaardige afdwalingen herwon hem de achting voor zich zelf en schonk hem een zoete voldoening, die zijn ketens lichter maakte en hem alle ongemakken van den kerker met geduld deed dragen.Hij wist niets van alles, wat er in den omtrek van Bangil plaats had, hij vermoedde niets van het lot der Hollandsche wapenen, tot op het oogenblik toen men hem zijn boeien afnam en de gevangenis deed verlaten.Men bracht hem in het vorstelijke slaapvertrek; voor het hooge met donkerroode gordijnen behangen ledikant zag hij een vrouw ter aarde liggen, wier gitzwarte haren verward over haar lendenen vielen; maar op zijn nadering stond zij op en wankelde de kamer uit.„Robert,” zoo hoorde hij zich met een zwakke stem noemen. Hij snelde naar de legerstede en stond als verpletterd stil; die vermagerde man met dat ingevallene, door lijden verwrongen gelaat, den verbonden schouder en half uitgedoofde oogen, kon dat de trotsche, krachtige Radhen Wiro Negoro zijn, die bij elken stap zich als vorst deed kennen?„Kom nader Robert, schrik niet!” ging hij bijna fluisterend voort en stak de rechterhand naar zijn zoon uit.Diep medelijden maakte zich van Robert’s ziel meester, voor het eerst voelde hij in volle kracht dat de sterkste van alle banden hem aan dien man hechtte; hij vergat alles om zich alleen te herinneren dat hij tegenover zijn stervenden vader stond.Hij greep zijn hand en drukte die aan de lippen.[241]„Vader, arme vader!” zeide hij deelnemend, „wat deert u?”Soerapati sloeg den arm om hem heen en trok hem dichter naar zich toe.„Het zijn uw vrienden die mij in dezen toestand hebben gebracht,” zeide hij met een zwakke poging tot een glimlach, „ge weet nog van niets? Ze hebben Bangil veroverd en het ware hun niet gelukt, als ik was staande gebleven maar helaas! de goden hebben het niet gewild. Zij hebben hun voordeelen echter opgegeven en niets is verloren, maar welhaast zal ’t met mij gedaan zijn, Robert!”De jonge man knielde naast het bed neer en zag zijn vader met teere bezorgdheid aan.„Waar zijt gij gewond, vader? Zeg me, doet het veel pijn? O wat gloeit uw hoofd!” sprak hij.„Ja kind, mijn einde nadert! Ge hebt bittere dagen doorleefd, arme Robert, maar ik kon niet anders. Ik wilde u dwingen tot uw geluk. Zeg me spoedig, want de tijd dringt, wat is thans uw antwoord op mijn vraag?”Robert sloeg de oogen ter aarde en zweeg.„Samen mogen wij niet meer arbeiden, maar alleen wacht u nog grootscher taak. Kunt gij uw stervenden vader den laatsten troost weigeren? Kunt, wilt gij hem zijn doodsuur verbitteren door uw hardnekkigheid? O Robert, heb medelijden met mij! Zeg dat gij de rechten wilt aannemen, die ik u schenk. Nog is ’t tijd, morgen wellicht, van avond is het te laat!”„O vader,” riep de jonge man zielsbedroefd uit, „kwel mij niet, het valt me zwaar te weigeren, maar ik mag niet!”„Heeft de afzondering u niet tot andere gedachten kunnen brengen?”„Integendeel, zij maakte mijn besluit nog vaster!”[242]„Wee, driewerf wee mij! Die knaap heeft een wil, een ijzeren, een onverzettelijken wil; hij ziet, wat zijn plicht is en daarnaar streeft hij met vaste hand, noch beloften, noch bedreigingen, noch kwellingen kunnen hem daarvan afleiden. Hem juist had ik noodig. Hoe zou hij alles veel beter dan ik hebben uitgevoerd, maar helaas! hij wil niet.”„Ik kan niet, vader!”„Kind, zal niets u overtuigen van het dwaze van uw besluit? Zijn die mannen wien gij zooveel offert, dit offer waardig? Doet gij niet beter hen te bestrijden dan te helpen hun kleingeestige belangen ten uitvoer te brengen? Wat zoeken zij hier op Java? Winst, geld, genot! Wat zij beters hebben sluiten zij voor ons nijdig af, uit vreeze dat zij dan niet meer zullen vinden, waarnaar hun hart alleen haakt. Niets is nog verloren, Robert! Ik zal mijn Balineezen laten roepen, zij zullen u trouw zweren, in u hun aanvoerder erkennen, mijnRadhenAjoe wil u gehoorzamen en steunen en ook uw broeders zal ik leeren in u hun eenigen redder te zien. Gij zult hen behandelen zooals zij ’t verdienen, en geen onrecht aandoen. O Robert, begrijp uw belang en dat van uw geboorteland, van mijn volk, dat ook het uwe is.…”Hij zonk achterover, uitgeput door de inspanning, en de opwinding; vermoeid sloot hij de oogen en zijn borst ging heftig op en neer.Robert stond hem zwijgend aan te zien; in stille wanhoop wrong hij de handen en dacht:„O Digna, kondet gij mij zeggen, wat plicht is!”„Antwoord!” lispelde de zieke schier onhoorbaar.„Vader, ik zou mijn land verraden, mag, kan ik het? Uit vrijen wil zwoer ik trouw aan uw vijanden, zal ik nu tegen mijn vroegere wapenmakkers ten strijde trekken?”[243]„Is ’t vrees die u doet weifelen, meent ge niet sterk genoeg te zijn voor de taak, welke ik op uw schouders leg?”„Neen, duizendmaal neen! Aan moed ontbreekt het mij niet! O, als gij wist hoe uw voorstel mij toelacht, hoe de werkkring, dien gij voor mij opent, mij schoon en verleidelijk voorkomt.”„En toch weigert ge?”„Ik mag niet anders.”„Dan is alles gedaan, alles voorbij!”Hij sloot de oogen en drukte de rechterhand op het hart; bewegingloos bleef hij liggen, zoo stil, dat Robert, die naast hem zat, meende dat alles gedaan was; nu en dan alleen verried een zware zucht, dat hij nog leefde en dacht.Een oud man trad binnen, behoedzaam en stil eerst, maar toen hij den schier levenloozen vorm zag van zijn vorst, slaakte hij een doordringenden gil en wierp zich jammerend op zijn voeten.Soerapati opende zijn zware oogleden, en vroeg verbaasd:„Gij hier, Kiai, gij en in dit uur!”„Vervloekt, het uur, waarop ik geboren werd; moest ik den zoon van mijn hart overleven, moest ik daarvoor de gevangenis verlaten en op mijn leeftijd al bedelend geheel Java doortrekken om mijn kind in dezen toestand te zien?”„Ga heen, vader! Raak mij niet aan! Gij hebt mij eens een bitteren drank bereid, die mijn leven vergiftigde. Nonna Suzanna was mij nooit ontrouw en haar zoon verbittert thans mijn laatste oogenblikken. Vertrek, ik schenk u het leven, daar gij oud en zwak zijt en uw dagen geteld zijn, maar u die leugen vergeven en het monsterverbond met mijn vrouw en den dwerg, dat nimmer.”De grijsaard brak in een hartverscheurend gejammer uit.„Ga heen! Folter mij niet langer, of neen, nog iets! Wat heeft de groote Heer geantwoord?”[244]„Hij heeft naar mij geluisterd, den diamant aangenomen en mij gevangen gezet; ik ben ontvlucht.…”„’t Is goed, verlaat mij thans! Spoedig, spoedig, nog heb ik macht te bevelen!” drong hij aan toen de oude man aarzelde. Luid kermend ging de grijsaard heen, en op nieuw heerschte diepe stilte in het vertrek.Nu en dan kwamen rijksgrooten bij het bed zien of hun meester in staat was hen te antwoorden als zij over staatszaken wilden spreken, hij bleef echter zwijgen; ook Pengantin en Lembono verschenen, maakten groot misbaar en wierpen wantrouwende blikken op den vreemdeling, die de zijde huns vaders niet verliet.Maar Soerapati scheen niets meer te hooren of te zien, totdat eindelijk zijn oude krijgsmakker, de regent vanKediri, zich over hem boog en met de tranen, die van zijn verweerde wangen afdroppelden hem het voorhoofd bevochtigde.„Wirajoeda,” sprak hij zacht, „heb ik ’t niet gezegd, kameraad, dat onze weg ten einde liep, onze lange, moeilijke weg? Gij zijt mij steeds trouw geweest, ik dank u voor uw vriendschap, uw toewijding. Schrei niet, die tranen passen niet op uw ruw gelaat; druk me nog eens de hand!”„Lijdt ge veel meester?” vroeg Wirajoeda snikkend.„Die wonde beteekent niets, maar mijn hart doet me zeer. Ik had u zoo gaarne een waardigen opvolger gelaten, vriend, die verdiende door u gehoorzaamd te worden; beken mij oprecht, kunt gij onder een mijner drie zonen staan?”„Zij verschillen zooveel van u!”„Maar deze zoon van mij!” en hij nam Roberts hand in de zijne, „was ten volle uw onderwerping waardig. Hij had dit rijk tot hooger bloei gebracht, als hij slechts wilde.”[245]Verbaasd zag Wirajoeda den jongen man aan, toen wierp hij zich voor zijn voeten en smeekte:„Zoon van mijn meester, gij behoort tot een volk, dat ik haat en verfoei, maar ik heb levenslang uw vader gevolgd en weet dat alles wat hij wenscht goed, ja het beste is. Gehoorzaam zijn wil, laat zijn laatste uren niet zwaar worden door uw schuld en ik zweer u dezelfde trouw, die ik hem sints dertig jaar bewees!”„O, kon ik ’t maar!” zuchtte Robert.„’t Is genoeg! Hij zal aan uw verzoek niet toestaan, wat hij aan mijn herhaalde smeekingen en bedreigingen weigerde. Laat ons nu alleen, Wirajoeda, ik heb nog slechts enkele woorden te spreken met mijn zoon. Ik vertrouw zijn leven aan u toe!”„Ik blijf u met het mijne daarvoor borg.”En zoodra zij alleen waren, richtte Soerapati zich half op en zocht Robert met de oogen.„Het schildpadden kistje, de kamer hier naast,” stamelde hij met reeds gebroken stem. Robert stond op en voldeed aan het verlangen van den stervende; hij ontving het sleuteltje en maakte het kistje open.„Portret uwer moeder!” fluisterde de zieke en toen Robert hem Suzanna’s beeld gaf, drukte hij het aan de bleeke lippen. Daarna legde hij ’t weer in het kistje; van zijn vinger nam hij een ring met buitengewoon grooten diamant.„Voor u, dit kistje, deze ring, alles! Houd den ring als een gedachtenis maar verkoop den steen, uw erfdeel!”„O mijn vader, mijn arme vader!” snikte Robert.„Gij zijt sterk en moedig! Ge durft lijden voor uw beginselen, voor zulk een zoon was het goed een rijk te stichten. Gij wilt niet, misschien hebt gij gelijk, zij zijn meer dan wij, verlaat hen niet, ’t is beter blank te zijn, ’t zij zoo.… keer terug naar het[246]volk uwer moeder.… dit rijk zakt in elkander.… liever het bestuur der Compagnie dan de regeering der inlanders.… ge moogt alles zeggen, wat ge weet … ik wensch den zegepraal niet van mijn zonen.… nu gij hen niet aanvoert.… laat er een eind aan komen.… en word gelukkig bij uw volk!”Hij zweeg overmand door aandoening en uitputting.„Vlucht dadelijk.… vóór mijn dood! Verberg u, ze zullen u niet deren, zoolang ik nog adem!”„Neen vader, ik verlaat u niet!” riep Robert uit.„Het moet, maar wacht nog even!.… Roep uw God voor mij aan, den gekruisten God der Christenen, dien Suzanna aanbad.… Ik had hem lief.… liever dan Batoro Shiwa,Boeddhaof Allah.… maar Hij wilde mijn vereering niet.”„O, zeg dat niet, vader! Hij is goed en barmhartig! Ja, ik zal voor u bidden, het gebed dat Hij zelf ons leerde.”Robert knielde neder, en bad:„Onze Vader, die in den hemel zijt.…”„Onze Vader,” lispelde de stervende stem, „ja, dat is het, zoo moest het zijn.… ons aller Vader.… kinderen van een vader, blank en bruin.… de kinderen vergeten het.… maar Hij, Hij weet het.… Hij kent ze allen.… Onze Vader.…”Robert bracht met moeite het gebed ten einde; de vorst echter lag onbewegelijk de rechterhand op zijn voorhoofd gedrukt.… de lippen half geopend.… nog klopte zijn hart flauw en zacht, maar de machtige geest was reeds ter ruste gegaan.Wirajoeda trad binnen, hij zag de teekens van den laatsten strijd op het gelaat van zijn geliefden vorst en huiverde, maar toch zijn zorg betrof alleen den levende.„Vertrek spoedig, neem mede, wat van u is,” drong hij aan, „de zonen van Soerapati hebben ’t op uw leven gemunt. Volg mij spoedig!”[247]Werktuigelijk stond Robert op; de regent voerde hem bij den arm weg, door een menigte zalen, gangen en binnenplaatsen, totdat hij aan een poort in den buitenmuur kwam; daar stond een paard gezadeld.„Langs de zee kunt gij niet ontvluchten! Het gebergte in, spoedig, spoedig naar Tosari.”Tegen het vallen van den avond bereikte Robert het dorp, waar de goedige bergbewoners hem herkenden en vol vreugde ontvingen. Siwangi, nu een gelukkige gade, was zijn gastvrouw. Bittere smart heerschte in het dorp bij het vernemen van Soerapati’s dood.„Wat zal nu ons lot zijn, onder zijn vrouw en zonen?” vroegen zij zich angstig af.Toen de begrafenis van den vorst in alle stilte had plaats gehad, verliet Robert vermomd als Tengerees met eenige zijner vriendelijke gastheeren het dorp; hij kwam in Pasoeroean aan en bezocht het eenvoudige graf zijns vaders. Daar ook vernam hij dat de drie broeders elkander op heftige wijze zijn nalatenschap betwistten en dat Kiai Hemboong zich op het graf zijns meesters had gekrist. Het onreine bloempje van Pengantin’s liefde tot Siwangi was tusschen al dien rook en dat bloed gelukkig verwelkt.Door de zorgen der Tengereezen gelukte het Robert met een kleine list Pasoeroean te verlaten en in Soerabaya aan te komen, waar de officieren hem als een uit den dood verrezene ontvingen.[248]
De gewonde vorst was met een draagbaar naar het dorp Randa Telloe gevoerd, hij ook verwachtte niet anders dan dat het vijandelijke leger zijn voordeelen niet zou opgeven, maar voorttrekken naar Pasoeroean; hij gaf dus bevel hem niet naar zijn kraton te brengen,[237]maar naar het twee uur van Bangil verwijderde plaatsje, waar hij een klein lusthuis bezat.
Zijn wonde vooral die aan de zijde was zeer gevaarlijk, nog dienzelfden avond openbaarden zich hevige wondkoortsen, verscheidenedoekoenswerden bij zijn legerstede geroepen, doch geen van allen wist raad.
Hij viel telkens in zwijm, maar nauwelijks had hij een helder oogenblik of hij vroeg:
„Zijn de vijanden voortgerukt? Komen ze nader? Houd mijn verwonding geheim, dat niemand in Pasoeroean het wete!”
Zijn omgeving trachtte zijn wensch zooveel mogelijk te eerbiedigen, daar ieder begreep van hoeveel gewicht het was zijn verdwijning verborgen te houden.
Toen de Hollanders teruggekeerd waren naar Soerabaya kwam men hem de heugelijke tijding brengen; hij glimlachte ondanks zijne pijnen.
„De dwazen, mijn geheele land lag voor hen open en zij hebben het nu verlaten, als ik beter ben, hoe duur zal ik ze mijn wond en de nederlaag van Bangil doen boeten. Soerabaya heeft zijn belofte wel gehouden”.
Een tweede bode kwam melden dat ook de aanval op Kediri mislukt was en dat kapitein de Roode gedwongen was terug te keeren naarKarta-Soera.
„Als ik slechts hersteld was, zouden wij tevreden mogen zijn!” sprak hij.
Nu maakte hij geen bezwaren meer om naar Pasoeroean te worden geleid, waar hem in den kraton betere verzorging wachtte. Met de grootste omzichtigheid werd hij vervoerd, want zijn toestand vereischte veel zorg en de kunst der Javaansche wondheelers was niet groot; in een eenvoudige draagbaar droeg men[238]hem weg, doch hoe voorzichtig ook alles in ’t werk gesteld werd, men kon ’t niet verhoeden dat de beweging een hevige koorts ten gevolge had en hij in ellendigen toestand te Pasoeroean aankwam, waar men nog weinig vermoeden had van zijn ziekte. Zelfs de Radhen Ajoe wist er niets van; zij had gemeend dat haar man zich met haar zoon Lembono aan het hoofd der troepen bevond, die een inval deden op Soerabaya.
Toen men haar meldde dat de vorst zwaar gewond en misschien hopeloos in den kraton was aangekomen, verschrikte zij hevig; de oude liefde welke zoo lang door ijverzucht in slaap gewiegd, ingesluimerd was, ontwaakte weer en met verwarde haren luid gillend en jammerend snelde zij naar het rustbed, waarop de held uitgestrekt lag.
Opgeschrikt door haar kreten hief Soerapati de moede oogen op.
„Blijf bedaard, Radhen Ajoe, blijf bedaard!” fluisterde hij. „Gij en uw zoons zult weldra meesters zijn! ’t Was niet noodig, dat gij u samen tegen mij verbondt.”
„Wie heeft u dat gezegd?” snikte zij. „O, Soerapati, is dan uw liefde jegens mij geheel dood? Men heeft mij wreed bij u belasterd.”
„Was dat ook laster?” vroeg hij met moeite, „het aandeel dat gij op u hebt genomen om mijn hart los te rukken van Suzanna? Die leugen werd zij niet door u verzonnen en bekrachtigd?”
„Zoovele jaren zijn verloopen sinds dien tijd! Ik had u zoo lief!”
„En daarom moest gij mijn hart verwonden tot stervens toe? Neen,Koesoema, uw liefde was een noodlottig geschenk.”
„Vergeef mij!” ging zij schreiend voort, „vergeef mij! Ik haatte haar die gij nooit hebt kunnen vergeten. Zeg me, wat moeten wij doen, uw zonen en ik, uw wensch zal ons een bevel zijn, maar gij zult genezen en dan ik zweer ’t u, al begrijpen we u niet, wij zullen u gehoorzamen!”[239]
„Waar is Lembono?” vroeg hij.
„Hij is in Soerabaya gevallen en vernielt daar alles te vuur en te zwaard; misschien zal hij nog het Hollandsche fort daar binnenrukken.”
Toorn gloeide in de oogen van den gewonde en zijn stem beefde, toen hij haperend de woorden uitstiet:
„Vervloekt die onzinnige daad! Hij vernielt de landen van onzen trouwsten vriend en bondgenoot. De Depati zal hem daarvoor zwaar doen boeten; nu zie ik in, hoe ’t zal gaan na mijn dood. Onverstand en hartstocht komen aan het bestuur!”
En de handen voor het gelaat drukkende brak hij in luide wanhoopskreten los.
„Alles vergeefs! alles!” klaagde hij, „’t is of ik niet geleefd heb. Ellende en oorlog laat ik achter met oneer. De Hadji wordt op nieuw meester. Ga heen vrouw! ga heen, gij en uw kinderen overlaadt mijn einde met schande en smart.”
Plotseling richtte hij zich op, een straal van hoop gleed over zijn ingevallen vermagerd gelaat, en een bediende wenkend, gebood hij hem:
„Ga naar de gevangenis, verlos toewan Sidin van zijn ketenen en breng hem hier!”
„Wat is uw voornemen?” vroeg Radhen Goesik.
„Koesoema,” sprak hij, en legde zijn handen op de hare, „belooft ge mij, dat mijn laatste wil u heilig zal wezen? Zweert ge gehoorzaamheid in naam ook van onze kinderen?”
„Ja, ik beloof ’t u,” antwoordde zij weenend.
„Dan vergeef ik u alles, alles, maar als die knaap binnenkomt, laat ons alleen!”
Ook Robert had droevige weken doorgebracht; zijn gevangenis hoewel beter dan die hij verlaten had, was een treurig somber verblijf, des te treuriger door het contrast met de heerlijke dagen,[240]die hij achter zich had. Toch voelde hij zich niet ongelukkig; het bewustzijn dat hij leed voor een hooger beginsel, dat hij vrijheid, eer, rijkdom en aanzien ten offer bracht aan zijn plicht, de gedachte aan Digna, die ongetwijfeld zijn gedrag goedkeurde, de zekerheid dat zijn karakter gelouterd werd en dat hij boete deed voor zijn betreurenswaardige afdwalingen herwon hem de achting voor zich zelf en schonk hem een zoete voldoening, die zijn ketens lichter maakte en hem alle ongemakken van den kerker met geduld deed dragen.
Hij wist niets van alles, wat er in den omtrek van Bangil plaats had, hij vermoedde niets van het lot der Hollandsche wapenen, tot op het oogenblik toen men hem zijn boeien afnam en de gevangenis deed verlaten.
Men bracht hem in het vorstelijke slaapvertrek; voor het hooge met donkerroode gordijnen behangen ledikant zag hij een vrouw ter aarde liggen, wier gitzwarte haren verward over haar lendenen vielen; maar op zijn nadering stond zij op en wankelde de kamer uit.
„Robert,” zoo hoorde hij zich met een zwakke stem noemen. Hij snelde naar de legerstede en stond als verpletterd stil; die vermagerde man met dat ingevallene, door lijden verwrongen gelaat, den verbonden schouder en half uitgedoofde oogen, kon dat de trotsche, krachtige Radhen Wiro Negoro zijn, die bij elken stap zich als vorst deed kennen?
„Kom nader Robert, schrik niet!” ging hij bijna fluisterend voort en stak de rechterhand naar zijn zoon uit.
Diep medelijden maakte zich van Robert’s ziel meester, voor het eerst voelde hij in volle kracht dat de sterkste van alle banden hem aan dien man hechtte; hij vergat alles om zich alleen te herinneren dat hij tegenover zijn stervenden vader stond.
Hij greep zijn hand en drukte die aan de lippen.[241]
„Vader, arme vader!” zeide hij deelnemend, „wat deert u?”
Soerapati sloeg den arm om hem heen en trok hem dichter naar zich toe.
„Het zijn uw vrienden die mij in dezen toestand hebben gebracht,” zeide hij met een zwakke poging tot een glimlach, „ge weet nog van niets? Ze hebben Bangil veroverd en het ware hun niet gelukt, als ik was staande gebleven maar helaas! de goden hebben het niet gewild. Zij hebben hun voordeelen echter opgegeven en niets is verloren, maar welhaast zal ’t met mij gedaan zijn, Robert!”
De jonge man knielde naast het bed neer en zag zijn vader met teere bezorgdheid aan.
„Waar zijt gij gewond, vader? Zeg me, doet het veel pijn? O wat gloeit uw hoofd!” sprak hij.
„Ja kind, mijn einde nadert! Ge hebt bittere dagen doorleefd, arme Robert, maar ik kon niet anders. Ik wilde u dwingen tot uw geluk. Zeg me spoedig, want de tijd dringt, wat is thans uw antwoord op mijn vraag?”
Robert sloeg de oogen ter aarde en zweeg.
„Samen mogen wij niet meer arbeiden, maar alleen wacht u nog grootscher taak. Kunt gij uw stervenden vader den laatsten troost weigeren? Kunt, wilt gij hem zijn doodsuur verbitteren door uw hardnekkigheid? O Robert, heb medelijden met mij! Zeg dat gij de rechten wilt aannemen, die ik u schenk. Nog is ’t tijd, morgen wellicht, van avond is het te laat!”
„O vader,” riep de jonge man zielsbedroefd uit, „kwel mij niet, het valt me zwaar te weigeren, maar ik mag niet!”
„Heeft de afzondering u niet tot andere gedachten kunnen brengen?”
„Integendeel, zij maakte mijn besluit nog vaster!”[242]
„Wee, driewerf wee mij! Die knaap heeft een wil, een ijzeren, een onverzettelijken wil; hij ziet, wat zijn plicht is en daarnaar streeft hij met vaste hand, noch beloften, noch bedreigingen, noch kwellingen kunnen hem daarvan afleiden. Hem juist had ik noodig. Hoe zou hij alles veel beter dan ik hebben uitgevoerd, maar helaas! hij wil niet.”
„Ik kan niet, vader!”
„Kind, zal niets u overtuigen van het dwaze van uw besluit? Zijn die mannen wien gij zooveel offert, dit offer waardig? Doet gij niet beter hen te bestrijden dan te helpen hun kleingeestige belangen ten uitvoer te brengen? Wat zoeken zij hier op Java? Winst, geld, genot! Wat zij beters hebben sluiten zij voor ons nijdig af, uit vreeze dat zij dan niet meer zullen vinden, waarnaar hun hart alleen haakt. Niets is nog verloren, Robert! Ik zal mijn Balineezen laten roepen, zij zullen u trouw zweren, in u hun aanvoerder erkennen, mijnRadhenAjoe wil u gehoorzamen en steunen en ook uw broeders zal ik leeren in u hun eenigen redder te zien. Gij zult hen behandelen zooals zij ’t verdienen, en geen onrecht aandoen. O Robert, begrijp uw belang en dat van uw geboorteland, van mijn volk, dat ook het uwe is.…”
Hij zonk achterover, uitgeput door de inspanning, en de opwinding; vermoeid sloot hij de oogen en zijn borst ging heftig op en neer.
Robert stond hem zwijgend aan te zien; in stille wanhoop wrong hij de handen en dacht:
„O Digna, kondet gij mij zeggen, wat plicht is!”
„Antwoord!” lispelde de zieke schier onhoorbaar.
„Vader, ik zou mijn land verraden, mag, kan ik het? Uit vrijen wil zwoer ik trouw aan uw vijanden, zal ik nu tegen mijn vroegere wapenmakkers ten strijde trekken?”[243]
„Is ’t vrees die u doet weifelen, meent ge niet sterk genoeg te zijn voor de taak, welke ik op uw schouders leg?”
„Neen, duizendmaal neen! Aan moed ontbreekt het mij niet! O, als gij wist hoe uw voorstel mij toelacht, hoe de werkkring, dien gij voor mij opent, mij schoon en verleidelijk voorkomt.”
„En toch weigert ge?”
„Ik mag niet anders.”
„Dan is alles gedaan, alles voorbij!”
Hij sloot de oogen en drukte de rechterhand op het hart; bewegingloos bleef hij liggen, zoo stil, dat Robert, die naast hem zat, meende dat alles gedaan was; nu en dan alleen verried een zware zucht, dat hij nog leefde en dacht.
Een oud man trad binnen, behoedzaam en stil eerst, maar toen hij den schier levenloozen vorm zag van zijn vorst, slaakte hij een doordringenden gil en wierp zich jammerend op zijn voeten.
Soerapati opende zijn zware oogleden, en vroeg verbaasd:
„Gij hier, Kiai, gij en in dit uur!”
„Vervloekt, het uur, waarop ik geboren werd; moest ik den zoon van mijn hart overleven, moest ik daarvoor de gevangenis verlaten en op mijn leeftijd al bedelend geheel Java doortrekken om mijn kind in dezen toestand te zien?”
„Ga heen, vader! Raak mij niet aan! Gij hebt mij eens een bitteren drank bereid, die mijn leven vergiftigde. Nonna Suzanna was mij nooit ontrouw en haar zoon verbittert thans mijn laatste oogenblikken. Vertrek, ik schenk u het leven, daar gij oud en zwak zijt en uw dagen geteld zijn, maar u die leugen vergeven en het monsterverbond met mijn vrouw en den dwerg, dat nimmer.”
De grijsaard brak in een hartverscheurend gejammer uit.
„Ga heen! Folter mij niet langer, of neen, nog iets! Wat heeft de groote Heer geantwoord?”[244]
„Hij heeft naar mij geluisterd, den diamant aangenomen en mij gevangen gezet; ik ben ontvlucht.…”
„’t Is goed, verlaat mij thans! Spoedig, spoedig, nog heb ik macht te bevelen!” drong hij aan toen de oude man aarzelde. Luid kermend ging de grijsaard heen, en op nieuw heerschte diepe stilte in het vertrek.
Nu en dan kwamen rijksgrooten bij het bed zien of hun meester in staat was hen te antwoorden als zij over staatszaken wilden spreken, hij bleef echter zwijgen; ook Pengantin en Lembono verschenen, maakten groot misbaar en wierpen wantrouwende blikken op den vreemdeling, die de zijde huns vaders niet verliet.
Maar Soerapati scheen niets meer te hooren of te zien, totdat eindelijk zijn oude krijgsmakker, de regent vanKediri, zich over hem boog en met de tranen, die van zijn verweerde wangen afdroppelden hem het voorhoofd bevochtigde.
„Wirajoeda,” sprak hij zacht, „heb ik ’t niet gezegd, kameraad, dat onze weg ten einde liep, onze lange, moeilijke weg? Gij zijt mij steeds trouw geweest, ik dank u voor uw vriendschap, uw toewijding. Schrei niet, die tranen passen niet op uw ruw gelaat; druk me nog eens de hand!”
„Lijdt ge veel meester?” vroeg Wirajoeda snikkend.
„Die wonde beteekent niets, maar mijn hart doet me zeer. Ik had u zoo gaarne een waardigen opvolger gelaten, vriend, die verdiende door u gehoorzaamd te worden; beken mij oprecht, kunt gij onder een mijner drie zonen staan?”
„Zij verschillen zooveel van u!”
„Maar deze zoon van mij!” en hij nam Roberts hand in de zijne, „was ten volle uw onderwerping waardig. Hij had dit rijk tot hooger bloei gebracht, als hij slechts wilde.”[245]
Verbaasd zag Wirajoeda den jongen man aan, toen wierp hij zich voor zijn voeten en smeekte:
„Zoon van mijn meester, gij behoort tot een volk, dat ik haat en verfoei, maar ik heb levenslang uw vader gevolgd en weet dat alles wat hij wenscht goed, ja het beste is. Gehoorzaam zijn wil, laat zijn laatste uren niet zwaar worden door uw schuld en ik zweer u dezelfde trouw, die ik hem sints dertig jaar bewees!”
„O, kon ik ’t maar!” zuchtte Robert.
„’t Is genoeg! Hij zal aan uw verzoek niet toestaan, wat hij aan mijn herhaalde smeekingen en bedreigingen weigerde. Laat ons nu alleen, Wirajoeda, ik heb nog slechts enkele woorden te spreken met mijn zoon. Ik vertrouw zijn leven aan u toe!”
„Ik blijf u met het mijne daarvoor borg.”
En zoodra zij alleen waren, richtte Soerapati zich half op en zocht Robert met de oogen.
„Het schildpadden kistje, de kamer hier naast,” stamelde hij met reeds gebroken stem. Robert stond op en voldeed aan het verlangen van den stervende; hij ontving het sleuteltje en maakte het kistje open.
„Portret uwer moeder!” fluisterde de zieke en toen Robert hem Suzanna’s beeld gaf, drukte hij het aan de bleeke lippen. Daarna legde hij ’t weer in het kistje; van zijn vinger nam hij een ring met buitengewoon grooten diamant.
„Voor u, dit kistje, deze ring, alles! Houd den ring als een gedachtenis maar verkoop den steen, uw erfdeel!”
„O mijn vader, mijn arme vader!” snikte Robert.
„Gij zijt sterk en moedig! Ge durft lijden voor uw beginselen, voor zulk een zoon was het goed een rijk te stichten. Gij wilt niet, misschien hebt gij gelijk, zij zijn meer dan wij, verlaat hen niet, ’t is beter blank te zijn, ’t zij zoo.… keer terug naar het[246]volk uwer moeder.… dit rijk zakt in elkander.… liever het bestuur der Compagnie dan de regeering der inlanders.… ge moogt alles zeggen, wat ge weet … ik wensch den zegepraal niet van mijn zonen.… nu gij hen niet aanvoert.… laat er een eind aan komen.… en word gelukkig bij uw volk!”
Hij zweeg overmand door aandoening en uitputting.
„Vlucht dadelijk.… vóór mijn dood! Verberg u, ze zullen u niet deren, zoolang ik nog adem!”
„Neen vader, ik verlaat u niet!” riep Robert uit.
„Het moet, maar wacht nog even!.… Roep uw God voor mij aan, den gekruisten God der Christenen, dien Suzanna aanbad.… Ik had hem lief.… liever dan Batoro Shiwa,Boeddhaof Allah.… maar Hij wilde mijn vereering niet.”
„O, zeg dat niet, vader! Hij is goed en barmhartig! Ja, ik zal voor u bidden, het gebed dat Hij zelf ons leerde.”
Robert knielde neder, en bad:
„Onze Vader, die in den hemel zijt.…”
„Onze Vader,” lispelde de stervende stem, „ja, dat is het, zoo moest het zijn.… ons aller Vader.… kinderen van een vader, blank en bruin.… de kinderen vergeten het.… maar Hij, Hij weet het.… Hij kent ze allen.… Onze Vader.…”
Robert bracht met moeite het gebed ten einde; de vorst echter lag onbewegelijk de rechterhand op zijn voorhoofd gedrukt.… de lippen half geopend.… nog klopte zijn hart flauw en zacht, maar de machtige geest was reeds ter ruste gegaan.
Wirajoeda trad binnen, hij zag de teekens van den laatsten strijd op het gelaat van zijn geliefden vorst en huiverde, maar toch zijn zorg betrof alleen den levende.
„Vertrek spoedig, neem mede, wat van u is,” drong hij aan, „de zonen van Soerapati hebben ’t op uw leven gemunt. Volg mij spoedig!”[247]
Werktuigelijk stond Robert op; de regent voerde hem bij den arm weg, door een menigte zalen, gangen en binnenplaatsen, totdat hij aan een poort in den buitenmuur kwam; daar stond een paard gezadeld.
„Langs de zee kunt gij niet ontvluchten! Het gebergte in, spoedig, spoedig naar Tosari.”
Tegen het vallen van den avond bereikte Robert het dorp, waar de goedige bergbewoners hem herkenden en vol vreugde ontvingen. Siwangi, nu een gelukkige gade, was zijn gastvrouw. Bittere smart heerschte in het dorp bij het vernemen van Soerapati’s dood.
„Wat zal nu ons lot zijn, onder zijn vrouw en zonen?” vroegen zij zich angstig af.
Toen de begrafenis van den vorst in alle stilte had plaats gehad, verliet Robert vermomd als Tengerees met eenige zijner vriendelijke gastheeren het dorp; hij kwam in Pasoeroean aan en bezocht het eenvoudige graf zijns vaders. Daar ook vernam hij dat de drie broeders elkander op heftige wijze zijn nalatenschap betwistten en dat Kiai Hemboong zich op het graf zijns meesters had gekrist. Het onreine bloempje van Pengantin’s liefde tot Siwangi was tusschen al dien rook en dat bloed gelukkig verwelkt.
Door de zorgen der Tengereezen gelukte het Robert met een kleine list Pasoeroean te verlaten en in Soerabaya aan te komen, waar de officieren hem als een uit den dood verrezene ontvingen.[248]