VIJFDE GEDEELTE.[Inhoud]I.DE VLUCHTENDE KEIZER.Op den grooten weg, die om den voet van het Willisgebergte leidt en de landen van Mataram met Kediri verbindt, bewoog zich op een vroegen ochtend van de maand September een vrij aanzienlijke stoet van mannen, vrouwen en kinderen, die met blijkbare haast den tocht volbrachten.Voorop reden verscheidene mannen te paard; talrijke voetgangers, die in hun midden eenige draagstoelen voerden, vrouwen en kinderen volgden op grooteren of kleineren afstand; vermoeidheid, angst en zorg lagen op hun gelaatstrekken uitgedrukt of verrieden zich in hun loomen, tragen gang, in het droevig geschrei der kleinen en soms in het gesnik der moeders. Koelies, beladen met leeftocht en balen goed, besloten al hijgend den stoet.Hij, die te midden der ruiters reed, was blijkbaar van hoogen rang, achter hem droeg een dienaar een gouden zonnescherm, teeken der vorstelijke waardigheid; zij, die hem omringden, waren gekleed in het hofkostuum van Mataram; hij zelf had een eenvoudig gewaad aan, dat hem ’t bovenlijf bedekte, alleen een rijk met diamanten versierde gouden kris stak in zijn gordel.Zijn trekken waren onbeduidend en de uitdrukking zijner oogen half wezenloos; toch mocht men aan de wijze, waarop hij het[81]hoofd droeg, zekere majesteit niet ontzeggen; hij kon vooraan in de dertig wezen. Als de lange sarong, die over zijn rechterbeen viel, door de beweging van het rijden een weinig opwipte, bemerkte men dat de voet misvormd was en eenigszins de gedaante had van een paardenhoef.De weg liep thans door djatiwouden; het was er koel en frisch, want hoewel de zon reeds sinds eenige uren aan den hemel moest zijn, hield zij zich tot nu toe voortdurend achter wolken schuil.„Het gevaar, dat zij ons achtervolgen, schijnt voorbij te zijn,” sprak de man met den paardenvoet tot den ruiter, die ’t dichtst naast hem reed, maar die zich toch eenige stappen achter hem bevond.„Binnen weinige oogenblikken zijn we op Soerapati’s grondgebied aangeland!” meende deze, „dan dreigt ons geen gevaar meer.”„Soerapati’s grondgebied!” zeide de andere en fronste dreigend de wenkbrauwen, „hij heeft geen grondgebied. Behoort geheel Java niet mij toe, mij en mij alleen? Dat mijn vader en ik hem verlof gaven bewind te voeren over een deel van onzen grond, is geen reden, waarom hij zich macht zou toekennen over onze bezittingen.”Het gelaat van den dienaar bleef onverstoorbaar kalm en de Keizer vervolgde:„Ik ben gevlucht uit mijn hoofdstad, maar niet uit mijn rijk. Weldra zal ik met Soerapati’s hulp den ellendigen Hollander, die zich op de schouders van mijn laffen oom wil opheffen tot mijn troon, verjagen uit den Mataram.”„Groot is het voorrecht geschonken aan Uwe Hoogheid, dat zij in Radhen Wiro Negoro zulk een trouw vriend en helper bezit.”„Hij is mijn onderdaan, niets meer! Gehoorzaamheid verplicht hem tot hulp.”[82]Het gesprek bleef steken; Soenan Mas, want de ruiter was niemand anders dan de vluchtende Keizer van Mataram, hulde zich weer in diep stilzwijgen.Zware dagen had hij doorleefd; alles was hem ontvallen, de steun zijner rijksgrooten, de trouw zijner dienaren, de hulp zijner soldaten, zoodra de tijding Karta-Soera bereikte dat de opperbevelhebber der Hollanders aan het hoofd eener geduchte legermacht van Samarang was opgebroken om zijn oom den door de Compagnie erkenden keizer Pakoe Boewana I op zijn troon te herstellen.De geheele bevolking was toegesneld om den tegen-vorst, die, gesteund door zulk een kracht van wapens voortschreed, haar hulde te betuigen; niemand’s hart had zich gehecht aan den bloeddorstigen, wulpschen erfprins, die zich de machtige vreemdelingen tot vijanden had gemaakt.Elke dag bracht tijdingen vol jammer in den kraton; ’s keizers dringende beden en aanbiedingen tot de Compagnie gericht, werden van de hand gewezen; tevergeefs bleef Soenan Mas de wettigheid zijner aanspraken verdedigen, de Wilde bestreed ze en legde hem zelfs den dood van Tak en zijn gezellen ten laste.Zoodra hij hoorde dat het leger der Hollanders naar Karta-Soera oprukte, besloot hij zijn troon en leven duur te verkoopen of het ten minste door anderen duur te laten betalen.Hij zond zijn veldheer Soeria Adi Ningrat, met 4000 man naar Oenarang om de Wilde en zijn soldaten den toegang tot de Mataramsche landen te beletten; doch reeds weinige dagen later ontving hij het verpletterende bericht dat Soeria zijn plaats aan het hoofd van het Javaansche leger verlaten had en naar Samarang getrokken was om zijn onderwerping aan Pakoe Boewana en dus ook aan de Wilde aan te bieden.Als een donderslag weerklonk dit bericht in Karta-Soera; nog[83]hoopte men dat het leger trouwer zou blijken dan zijn veldheer; ook deze hoop werd verijdeld. Reeds bij de eerste schoten door de voorwaarts rukkende legers der Compagnie gelost, verstrooiden zich de dappere krijgers en verdwenen naar alle richtingen.Nu begon ook de afval aan het hof welig te tieren; weinige mantri’s bleven den schijnkeizer trouw; alleen en verlaten stond hij daar in het uitgestrekte hof zijns vaders met de ontzettende zekerheid dat het zegepralende leger der Hollanders nog slechts enkele dagreizen van hem verwijderd was en hij op niemand kon vertrouwen, dat niemand hem de reddende hand wilde toesteken om het zinkende schip weer vlot te brengen; alles verliet hem, nergens vertoonde zich redding dan alleen in snelle vlucht.Adipati Anoem herinnerde zich de beloften en aanbiedingen hem door Radhen Wiro Negoro gedaan; ijlings zond hij een bode naar Pasaroean om den machtigen buurman van zijn ongeluk in kennis te stellen en zijn gastvrijheid te verzoeken; de tijd ontbrak hem echter om het antwoord te vernemen. Nog vóórdat de bode zijn bestemming bereikt kon hebben, zag Soenan Mas zich genoodzaakt met zijn vrouwen, kinderen en nog overgebleven dienaren den kraton te verlaten en oostwaarts te trekken om daar een schuilplaats te zoeken.Intusschen deed Herman de Wilde zijn feestelijken intocht binnen de hofstad, vergezeld door den nieuwen Keizer, dien hij met groote plechtigheid deed inhuldigen.Alle rijksgrooten op de enkelen na, die Soenan Mas in zijn vlucht volgden, kwamen zich aan Pakoe Boewana onderwerpen; zonder bloedvergieting hadden dus de Hollanders deze schitterende overwinning behaald.Niets bleef nu de Wilde over dan met den nieuwen Keizer het tractaat te sluiten, dat niets anders was dan een bekrachtiging[84]van dat, hetwelk bijna twintig jaar geleden de Commissaris Tak naar Karta-Soera was komen brengen, toen hij op zulk een onverwachte wijze den dood vond.De eenige schaduwzijde van dezen gelukkigen veldtocht was Adipati Anoem’s ontsnapping; de Wilde vond echter weinig reden dit te betreuren, daar hij hoopte hierin een voorwendsel te vinden tot een beslissenden oorlog tegen zijn persoonlijken vijand Soerapati.„De zaken staan niet duister!” sprak de afgezette Keizer na een poos tot zijn volgelingen, „alleen Karta-Soera heb ik verloren, maar daar ginds aan gene zijde der Brantasrivier strekt zich nog een groot, machtig rijk uit, waarin ik als meester zal ontvangen worden.”„Is mijn machtige gebieder daar zeker van?” waagde het een dermantri’ste zeggen, „zou Radhen Wiro Negoro zich niet tegenover hem gedragen als een onafhankelijk vorst?”„Hoe zou hij dat wagen? Alles wat hij bezit, alles wat hij is, gewerd hem door de genadige goedheid mijns vaders, die hem toestond Java’s Oosthoek te bedwingen.”„Dat zeide ook de tijger, die zich meester maakte van den uitgestrekten tuin, en den eigenaar, die zijn rechten wilde doen gelden, met gapenden muil bedreigde,” fluisterde de hoveling een zijner gezellen toe.„Soerapati zal blijde en vereerd zijn dat hij mij de gastvrijheid zal kunnen terugschenken, die mijn vader hem eens verleende,” ging de Keizer voort, „hij zal zich haasten mij de regeering over te dragen van die landen, welke mij toebehooren en die hij in mijn naam bestuurt. Zijn Ratoe is mijn nicht …”Demantri’szagen elkander achter ’s Keizers rug spottend aan.„Deden wij niet goed nog vóór het te laat is Pakoe Boewana onze hulde te bewijzen?” mompelden eenigen.[85]„Hij zal onze onderwerping met blijde oogen aanzien; namen wij geen deel aan den bloedigen dood van zijn dochter, Anoem’s schuldige gemalin? Hij zal op ons haar dood wreken, nu hij ’t niet meer op zijn neef vermag.”Zij zinspeelden op een bloedig drama, dat nog tijdens het leven van den overleden Keizer in Karta-Soera had plaats gehad.Adipati Anoem was met een dochter van den tegenwoordigen Keizer Pakoe Boewana gehuwd; de jonge, schoone vrouw echter minachtte haar mismaakten echtgenoot en vergat haar plicht; de Keizer veroordeelde haar en haar minnaar ter dood en liet het vonnis op de ongelukkige prinses door haar eigen broeders uitvoeren.Soenan Mas deed bij zijn troonsbeklimming de geheele maagschap van zijn medeminnaar op wreedaardige wijze ombrengen. De eenige hofgrooten, die hem volgden, waren zij die in de hoogste mate de wrok van Pangeran Poeger opgewekt en van hem geen vergiffenis te hopen hadden; wie maar eenigszins vermoeden kon bij den nieuwen Keizer in gunst te komen, koos weldra zijn partij.Een der zoons van Adipati Anoem reed zijn vader bijna ter zijde.„Heer,” vroeg hij, „zoo het waar is dat Wiro Negoro slechts uw stadhouder is, waarom heeft dan de overleden Soesoehoenan zoo menigmaal legers op hem afgezonden en de hulp der Compagnie tegen hem ingeroepen?”„Wist mijn vader dan wat hij wilde? Was hij niet de speelbal der partijen, de gehoorzame dienaar zijner Rijksbestuurders hetzij deze AmirangKoesoemoof Sindho Redjo heetten? Ik echter heb steeds vriendschap gekoesterd voor den dapperen Balinees; hij heeft mij zijn hulp toegezegd om mijn rechten tegen de Hollanders en tegen mijn ellendigen oom, dien Allah verdelge, te verdedigen.”„Waarom is hij dan niet bijtijds op Karta-Soera aangerukt om[86]den Hollanders te beletten voort te rukken en zonder slag of stoot te zegepralen?”„Het „omdat” zal ons weldra opgehelderd worden, mijn zoon! Maar nog is het niet te laat. Ook mijn grootvader, de heilige Keizer Tagalwangi verliet vluchtend zijn dalem; de dood heeft hem achterhaald, maar deze vijand die zijn ouderdom bedreigde is, Allah zij er voor geprezen, nog ver van mij verwijderd. Mijn vader trad spoedig in zegepraal binnen Karta-Soera terug en werd daar plechtig gekroond.”„Dank de hulp der Hollanders!”„Ook de Balineezen zullen niet minder dapper zijn. Immers de keizerlijke kroon van Mataram met de rijkssieraden bevinden zich in mijn bezit. Waar zij zijn, daar vertoeft de keizer!”De djatibosschen, die hier den golvenden bodem bedekten, werden schaarscher en weken eindelijk geheel terug om het uitzicht te geven op het dal van de Brantas, die zich tusschen de vlakte slingerde, en de vruchtbare sawahs, welke haar omzoomden, drenkte met honderden frissche beekjes.Van alle zijden begrensden bergen de rivier, welke ze van elkander scheen te splijten. De Keloet hief er zijn dreigenden hoekigen top omhoog. De groene hellingen van het Willisgebergte golfden vriendelijk omlaag naar de bloeiende vlakte; aan de overzijde der rivier wuifden de hooge kruinen van rijk beladen vruchtboomen zacht op en neer; deze vruchtboomen deden daar een dicht bosch vermoeden, maar zij die de streek kenden, wisten dat in haar schaduw zich de stad Kediri verschool.Onder de grauwe morgenlucht kwamen de tallooze schakeeringen van groen en bruin nog niet tot hun recht, maar toen plotseling twee wolken vaneenscheurden scheen het of een regen van stofgoud uit den hemel op het landschap neerstortte, en alles van glans en licht doortintelde.[87]Van alle zijden schitterden de kleuren den ruiters tegen; met schier oogverblindenden gloed weerkaatste de rivier het vuur des hemels; de zachte, teere tinten der fijn gevinde acaciabladeren deden het donkere loof der vruchtboomen nog donkerder schijnen, de sawahs schemerden in met zilveren wederglanzen witgroen, scherp teekenden zich de sierlijke kronen der palmboomen af tegen de glinsterend witte lucht.„De zon beschijnt Kediri! Een goed teeken, vader!” riep een der jonge prinsen blijde uit.„Waarom zouden goede teekens mij niet begroeten!”, zei de Soenan Mas minachtend, „is het recht dan niet aan mijn zijde?”Een oude mantri zag zijn vrienden twijfelend aan en fluisterde:„Een Soera van het heilige boek zegt: „Voorwaar—wien God ter doling voert, die vindt nimmer den rechten weg.” En ik vrees dat onze keizer zich op een dwaalspoor bevindt.”„Hij vertrouwt op zich zelf, helaas! Moge zijn waan niet door Allah gestraft worden, die de hoogmoedigen weerstaat, en de nederigen met welgevallen aanziet.”„Ziet ge daar niets schitteren?” vroeg de keizer, „zou men niet zeggen dat een stoet krijgers nadert?”Inderdaad flikkerden boven de sawahs, witglanzende lichten, die als even zoovele sterren op en neer dansten boven een donkere massa, die nader en nader scheen te komen.„Het zal Radhen Wiro Negoro zijn, die Uw Hoogheid komt begroeten,” zeide een dermantri’s.Men kwam thans van tijd tot tijd groepjes landlieden tegen, die bij het zien van den keizerlijken stoet eerbiedig naar den kant van den weg terugweken, maar zich niet ter aarde wierpen, zooals de eeuwenoude plicht hen voorschreef; de keizer zag het, maar haalde de schouders verachtelijk op.[88]„Zij kennen mij niet,” sprak hij vergoelijkend, „de tijd ontbreekt mij het hun te leeren. Weldra echter zullen zij weten wat de gouden pajong, die men achter mij draagt, voorschrijft.”De vlammen naderden meer en meer, steeds met heller gloed blinkend; het duurde niet lang of men onderscheidde een driehonderdtal ruiters, die in snellen draf kwamen aangereden; links en rechts van hen wierpen de landbouwers zich ter aarde, en toen bleek het dat de lichten door de zon ontstoken werden, in de zilveren lansen, door hen in de hand gedragen.De keizer sprak niets meer; zijn oog verslond den afstand, welke hem scheidde van den naderenden stoet. Men kon dien allengs beter onderscheiden; aan het hoofd reden een twintigtal mannen, die een wacht schenen te vormen voor hem die allen aanvoerde. Deze bereed een prachtig Arabisch paard, rijk met zilver, goud en purper getooid, dat vlug en sierlijk met fier opgeheven hals, scheen te begrijpen, welken kostbaren last hij droeg; weldra stonden beide groepen tegenover elkander. De keizer hield den draf van zijn paard een weinig in, afwachtend wat de andere stond te doen.De zonnestralen deden de wit en roode gewaden der nieuw-aangekomenen gloeien tusschen de groenblauwe kleuren van het landschap; het verguldsel dat hen bedekte schitterde hel en vroolijk en stak levendig af bij de bestoven en beslijkte kleeding van den keizer en zijn dienaars.Hun aanvoerder, een man in de kracht des levens, reed met zijn staf vooruit; de anderen bleven op eenigen afstand staan. Zijn paard steigerde hoog, hij hield echter het vurige dier met al het gemak en vaardigheid van een, die zich meester weet, in bedwang.Zijn gestalte was hoog en krachtig, zijn breede schouders en forsche bouw kwamen tot hun volle recht in het weinig Javaansche kostuum dat hij droeg; een wit opperkleed gelijk aan dat der Hindoesche[89]radjah’s omsloot strak zijn bovenlijf; een wijde donkergroen zijden broek was om zijn enkels vastgesloten, terwijl zijn voeten in sierlijke muilen staken; goud borduursel bedekte het bovenkleed evenals de donkerroode mantel, die op zijn rechterschouder met een kostbare diamanten speld gesloten was en waarvan de sierlijke plooien over het paard fladderden en verder door den snellen rit in het vrije wapperden. In zijn gordel staken de gouden gevesten van krissen en tevens ook de gewone stalen loopen van Europeesche pistolen; een breed Oostersch zwaard hing hem ter zijde.Zijn gelaat was donker gekleurd maar er lag trots en majesteit in de wijze, waarop hij te paard zat, fier zelfbewustzijn lichtte uit zijn oogen. Zijn lokken waren geheel bedekt door een geelzijden tulband met een arendsveer gesierd, die door een fonkelenden robijn bevestigd was. Een zware zwarte baard, waarin echter reeds menige zilveren draad glom, viel hem op de borst, en verhoogde het vorstelijke on-Javaansche van zijn voorkomen.De mannen, die Soenan Mas omringden, schenen klein en onbeduidend, week en laf, tegenover die hooge, majestueuze verschijning; zelfs naast zijne volgelingen hoewel minder krachtig en groot dan hun opperhoofd, geleken zij bijna dwergen.Snel rende hij op den gevallen keizer aan, en bracht hem naderend, bij wijze van groet, de rechterhand aan den tulband, daarop strekte hij deze met een echt koninklijk gebaar uit naar den vorst, die in afwachtende houding stilhield.„Wees welkom in mijn rijk, broeder!” sprak hij met zijn klankvolle, heldere stem, „ik bied u gastvrijheid, steun en hulp aan!”Het was of een bliksemstraal uit den helderen hemel Soenan Mas in zijn ijdelen eigenwaan trof.Stom van verbazing plukte hij aan de teugels van zijn paard en sloeg de oogen vertoornd neder; dit was het niet, wat hij in Kediri[90]kwam zoeken, maar niets werd hem meer aangeboden. Door het aan te nemen legde hij de keizerlijke waardigheid tegenover een onderdaan af, door het te weigeren ontblootte hij zich van zijn laatste hulp.„Wie zijt gij?” vroeg hij weifelend.„Ik ben dezelfde, dien uw vader eens gastvrij opnam in zijn paleis, Soerapati de gevluchte slaaf en rooverhoofdman, thans echter betaalt Radhen Adipati Wiro Negoro de schuld van dankbaarheid des vaders af aan den zoon. Ik zeg het u nogmaals broeder, wees welkom! De God mijner Vaderen zegende mijne wapenen, en het is goed in de dagen des geluks de vrienden uit den kwaden tijd niet te vergeten.”Hij hield de hand nog steeds uitgestoken; Soenan Mas, die verwacht had hem voor zich ter aarde te zien knielen, bleef hem nog een poos als wezenloos aanstaren, toen legde hij weifelend ook zijn hand in de zijne.„Met dezen handdruk sluiten wij bondgenootschap, broeder,” sprak Soerapati, „gij allen zijt er getuige van, ik zal u beschermen tegen de trotsche vreemdelingen, die u uit uw erf verdreven hebben.”Hij zwenkte zijn paard zoodat hij thans aan de rechterzijde van den keizer kwam te rijden; met een genadigen hoofdknik groette hij de prinsen en rijksgrooten en noemde vervolgens enkelen van zijn gevolg op.„De regent van Kediri, in wiens dalem U een verblijf, passend aan uw rang, is gereed gemaakt, mijne zonen, de prins van Balembangan, gemaal mijner dochter, de regent van Bangil, die zich allen verheugen den Keizer van Mataram te mogen begroeten.”Maar geen der aangewezenen stapte van zijn paard, allen bepaalden zich er toe met hun lansen den vreemden vorst te groeten.[91]De soldaten schikten zich snel met bewonderenswaardige regelmaat in vier rijen, aan weerszijden van den weg om den stoet door te laten; met opgeheven lansen bleven zij staan totdat hun vorst met zijn gast en verder gevolg voortgeschreden waren, toen zetten ook zij zich in beweging en omsloten den geheelen keizerlijken stoet. Wie dat geleide van gewapende ruiters de mannen, vrouwen en kinderen zag omringen, zou eer denken aan een troep gevangenen die onder sterke wacht werd voortgeleid, dan aan een gezelschap van hooge gasten, vriendschappelijk ontvangen.
VIJFDE GEDEELTE.[Inhoud]I.DE VLUCHTENDE KEIZER.Op den grooten weg, die om den voet van het Willisgebergte leidt en de landen van Mataram met Kediri verbindt, bewoog zich op een vroegen ochtend van de maand September een vrij aanzienlijke stoet van mannen, vrouwen en kinderen, die met blijkbare haast den tocht volbrachten.Voorop reden verscheidene mannen te paard; talrijke voetgangers, die in hun midden eenige draagstoelen voerden, vrouwen en kinderen volgden op grooteren of kleineren afstand; vermoeidheid, angst en zorg lagen op hun gelaatstrekken uitgedrukt of verrieden zich in hun loomen, tragen gang, in het droevig geschrei der kleinen en soms in het gesnik der moeders. Koelies, beladen met leeftocht en balen goed, besloten al hijgend den stoet.Hij, die te midden der ruiters reed, was blijkbaar van hoogen rang, achter hem droeg een dienaar een gouden zonnescherm, teeken der vorstelijke waardigheid; zij, die hem omringden, waren gekleed in het hofkostuum van Mataram; hij zelf had een eenvoudig gewaad aan, dat hem ’t bovenlijf bedekte, alleen een rijk met diamanten versierde gouden kris stak in zijn gordel.Zijn trekken waren onbeduidend en de uitdrukking zijner oogen half wezenloos; toch mocht men aan de wijze, waarop hij het[81]hoofd droeg, zekere majesteit niet ontzeggen; hij kon vooraan in de dertig wezen. Als de lange sarong, die over zijn rechterbeen viel, door de beweging van het rijden een weinig opwipte, bemerkte men dat de voet misvormd was en eenigszins de gedaante had van een paardenhoef.De weg liep thans door djatiwouden; het was er koel en frisch, want hoewel de zon reeds sinds eenige uren aan den hemel moest zijn, hield zij zich tot nu toe voortdurend achter wolken schuil.„Het gevaar, dat zij ons achtervolgen, schijnt voorbij te zijn,” sprak de man met den paardenvoet tot den ruiter, die ’t dichtst naast hem reed, maar die zich toch eenige stappen achter hem bevond.„Binnen weinige oogenblikken zijn we op Soerapati’s grondgebied aangeland!” meende deze, „dan dreigt ons geen gevaar meer.”„Soerapati’s grondgebied!” zeide de andere en fronste dreigend de wenkbrauwen, „hij heeft geen grondgebied. Behoort geheel Java niet mij toe, mij en mij alleen? Dat mijn vader en ik hem verlof gaven bewind te voeren over een deel van onzen grond, is geen reden, waarom hij zich macht zou toekennen over onze bezittingen.”Het gelaat van den dienaar bleef onverstoorbaar kalm en de Keizer vervolgde:„Ik ben gevlucht uit mijn hoofdstad, maar niet uit mijn rijk. Weldra zal ik met Soerapati’s hulp den ellendigen Hollander, die zich op de schouders van mijn laffen oom wil opheffen tot mijn troon, verjagen uit den Mataram.”„Groot is het voorrecht geschonken aan Uwe Hoogheid, dat zij in Radhen Wiro Negoro zulk een trouw vriend en helper bezit.”„Hij is mijn onderdaan, niets meer! Gehoorzaamheid verplicht hem tot hulp.”[82]Het gesprek bleef steken; Soenan Mas, want de ruiter was niemand anders dan de vluchtende Keizer van Mataram, hulde zich weer in diep stilzwijgen.Zware dagen had hij doorleefd; alles was hem ontvallen, de steun zijner rijksgrooten, de trouw zijner dienaren, de hulp zijner soldaten, zoodra de tijding Karta-Soera bereikte dat de opperbevelhebber der Hollanders aan het hoofd eener geduchte legermacht van Samarang was opgebroken om zijn oom den door de Compagnie erkenden keizer Pakoe Boewana I op zijn troon te herstellen.De geheele bevolking was toegesneld om den tegen-vorst, die, gesteund door zulk een kracht van wapens voortschreed, haar hulde te betuigen; niemand’s hart had zich gehecht aan den bloeddorstigen, wulpschen erfprins, die zich de machtige vreemdelingen tot vijanden had gemaakt.Elke dag bracht tijdingen vol jammer in den kraton; ’s keizers dringende beden en aanbiedingen tot de Compagnie gericht, werden van de hand gewezen; tevergeefs bleef Soenan Mas de wettigheid zijner aanspraken verdedigen, de Wilde bestreed ze en legde hem zelfs den dood van Tak en zijn gezellen ten laste.Zoodra hij hoorde dat het leger der Hollanders naar Karta-Soera oprukte, besloot hij zijn troon en leven duur te verkoopen of het ten minste door anderen duur te laten betalen.Hij zond zijn veldheer Soeria Adi Ningrat, met 4000 man naar Oenarang om de Wilde en zijn soldaten den toegang tot de Mataramsche landen te beletten; doch reeds weinige dagen later ontving hij het verpletterende bericht dat Soeria zijn plaats aan het hoofd van het Javaansche leger verlaten had en naar Samarang getrokken was om zijn onderwerping aan Pakoe Boewana en dus ook aan de Wilde aan te bieden.Als een donderslag weerklonk dit bericht in Karta-Soera; nog[83]hoopte men dat het leger trouwer zou blijken dan zijn veldheer; ook deze hoop werd verijdeld. Reeds bij de eerste schoten door de voorwaarts rukkende legers der Compagnie gelost, verstrooiden zich de dappere krijgers en verdwenen naar alle richtingen.Nu begon ook de afval aan het hof welig te tieren; weinige mantri’s bleven den schijnkeizer trouw; alleen en verlaten stond hij daar in het uitgestrekte hof zijns vaders met de ontzettende zekerheid dat het zegepralende leger der Hollanders nog slechts enkele dagreizen van hem verwijderd was en hij op niemand kon vertrouwen, dat niemand hem de reddende hand wilde toesteken om het zinkende schip weer vlot te brengen; alles verliet hem, nergens vertoonde zich redding dan alleen in snelle vlucht.Adipati Anoem herinnerde zich de beloften en aanbiedingen hem door Radhen Wiro Negoro gedaan; ijlings zond hij een bode naar Pasaroean om den machtigen buurman van zijn ongeluk in kennis te stellen en zijn gastvrijheid te verzoeken; de tijd ontbrak hem echter om het antwoord te vernemen. Nog vóórdat de bode zijn bestemming bereikt kon hebben, zag Soenan Mas zich genoodzaakt met zijn vrouwen, kinderen en nog overgebleven dienaren den kraton te verlaten en oostwaarts te trekken om daar een schuilplaats te zoeken.Intusschen deed Herman de Wilde zijn feestelijken intocht binnen de hofstad, vergezeld door den nieuwen Keizer, dien hij met groote plechtigheid deed inhuldigen.Alle rijksgrooten op de enkelen na, die Soenan Mas in zijn vlucht volgden, kwamen zich aan Pakoe Boewana onderwerpen; zonder bloedvergieting hadden dus de Hollanders deze schitterende overwinning behaald.Niets bleef nu de Wilde over dan met den nieuwen Keizer het tractaat te sluiten, dat niets anders was dan een bekrachtiging[84]van dat, hetwelk bijna twintig jaar geleden de Commissaris Tak naar Karta-Soera was komen brengen, toen hij op zulk een onverwachte wijze den dood vond.De eenige schaduwzijde van dezen gelukkigen veldtocht was Adipati Anoem’s ontsnapping; de Wilde vond echter weinig reden dit te betreuren, daar hij hoopte hierin een voorwendsel te vinden tot een beslissenden oorlog tegen zijn persoonlijken vijand Soerapati.„De zaken staan niet duister!” sprak de afgezette Keizer na een poos tot zijn volgelingen, „alleen Karta-Soera heb ik verloren, maar daar ginds aan gene zijde der Brantasrivier strekt zich nog een groot, machtig rijk uit, waarin ik als meester zal ontvangen worden.”„Is mijn machtige gebieder daar zeker van?” waagde het een dermantri’ste zeggen, „zou Radhen Wiro Negoro zich niet tegenover hem gedragen als een onafhankelijk vorst?”„Hoe zou hij dat wagen? Alles wat hij bezit, alles wat hij is, gewerd hem door de genadige goedheid mijns vaders, die hem toestond Java’s Oosthoek te bedwingen.”„Dat zeide ook de tijger, die zich meester maakte van den uitgestrekten tuin, en den eigenaar, die zijn rechten wilde doen gelden, met gapenden muil bedreigde,” fluisterde de hoveling een zijner gezellen toe.„Soerapati zal blijde en vereerd zijn dat hij mij de gastvrijheid zal kunnen terugschenken, die mijn vader hem eens verleende,” ging de Keizer voort, „hij zal zich haasten mij de regeering over te dragen van die landen, welke mij toebehooren en die hij in mijn naam bestuurt. Zijn Ratoe is mijn nicht …”Demantri’szagen elkander achter ’s Keizers rug spottend aan.„Deden wij niet goed nog vóór het te laat is Pakoe Boewana onze hulde te bewijzen?” mompelden eenigen.[85]„Hij zal onze onderwerping met blijde oogen aanzien; namen wij geen deel aan den bloedigen dood van zijn dochter, Anoem’s schuldige gemalin? Hij zal op ons haar dood wreken, nu hij ’t niet meer op zijn neef vermag.”Zij zinspeelden op een bloedig drama, dat nog tijdens het leven van den overleden Keizer in Karta-Soera had plaats gehad.Adipati Anoem was met een dochter van den tegenwoordigen Keizer Pakoe Boewana gehuwd; de jonge, schoone vrouw echter minachtte haar mismaakten echtgenoot en vergat haar plicht; de Keizer veroordeelde haar en haar minnaar ter dood en liet het vonnis op de ongelukkige prinses door haar eigen broeders uitvoeren.Soenan Mas deed bij zijn troonsbeklimming de geheele maagschap van zijn medeminnaar op wreedaardige wijze ombrengen. De eenige hofgrooten, die hem volgden, waren zij die in de hoogste mate de wrok van Pangeran Poeger opgewekt en van hem geen vergiffenis te hopen hadden; wie maar eenigszins vermoeden kon bij den nieuwen Keizer in gunst te komen, koos weldra zijn partij.Een der zoons van Adipati Anoem reed zijn vader bijna ter zijde.„Heer,” vroeg hij, „zoo het waar is dat Wiro Negoro slechts uw stadhouder is, waarom heeft dan de overleden Soesoehoenan zoo menigmaal legers op hem afgezonden en de hulp der Compagnie tegen hem ingeroepen?”„Wist mijn vader dan wat hij wilde? Was hij niet de speelbal der partijen, de gehoorzame dienaar zijner Rijksbestuurders hetzij deze AmirangKoesoemoof Sindho Redjo heetten? Ik echter heb steeds vriendschap gekoesterd voor den dapperen Balinees; hij heeft mij zijn hulp toegezegd om mijn rechten tegen de Hollanders en tegen mijn ellendigen oom, dien Allah verdelge, te verdedigen.”„Waarom is hij dan niet bijtijds op Karta-Soera aangerukt om[86]den Hollanders te beletten voort te rukken en zonder slag of stoot te zegepralen?”„Het „omdat” zal ons weldra opgehelderd worden, mijn zoon! Maar nog is het niet te laat. Ook mijn grootvader, de heilige Keizer Tagalwangi verliet vluchtend zijn dalem; de dood heeft hem achterhaald, maar deze vijand die zijn ouderdom bedreigde is, Allah zij er voor geprezen, nog ver van mij verwijderd. Mijn vader trad spoedig in zegepraal binnen Karta-Soera terug en werd daar plechtig gekroond.”„Dank de hulp der Hollanders!”„Ook de Balineezen zullen niet minder dapper zijn. Immers de keizerlijke kroon van Mataram met de rijkssieraden bevinden zich in mijn bezit. Waar zij zijn, daar vertoeft de keizer!”De djatibosschen, die hier den golvenden bodem bedekten, werden schaarscher en weken eindelijk geheel terug om het uitzicht te geven op het dal van de Brantas, die zich tusschen de vlakte slingerde, en de vruchtbare sawahs, welke haar omzoomden, drenkte met honderden frissche beekjes.Van alle zijden begrensden bergen de rivier, welke ze van elkander scheen te splijten. De Keloet hief er zijn dreigenden hoekigen top omhoog. De groene hellingen van het Willisgebergte golfden vriendelijk omlaag naar de bloeiende vlakte; aan de overzijde der rivier wuifden de hooge kruinen van rijk beladen vruchtboomen zacht op en neer; deze vruchtboomen deden daar een dicht bosch vermoeden, maar zij die de streek kenden, wisten dat in haar schaduw zich de stad Kediri verschool.Onder de grauwe morgenlucht kwamen de tallooze schakeeringen van groen en bruin nog niet tot hun recht, maar toen plotseling twee wolken vaneenscheurden scheen het of een regen van stofgoud uit den hemel op het landschap neerstortte, en alles van glans en licht doortintelde.[87]Van alle zijden schitterden de kleuren den ruiters tegen; met schier oogverblindenden gloed weerkaatste de rivier het vuur des hemels; de zachte, teere tinten der fijn gevinde acaciabladeren deden het donkere loof der vruchtboomen nog donkerder schijnen, de sawahs schemerden in met zilveren wederglanzen witgroen, scherp teekenden zich de sierlijke kronen der palmboomen af tegen de glinsterend witte lucht.„De zon beschijnt Kediri! Een goed teeken, vader!” riep een der jonge prinsen blijde uit.„Waarom zouden goede teekens mij niet begroeten!”, zei de Soenan Mas minachtend, „is het recht dan niet aan mijn zijde?”Een oude mantri zag zijn vrienden twijfelend aan en fluisterde:„Een Soera van het heilige boek zegt: „Voorwaar—wien God ter doling voert, die vindt nimmer den rechten weg.” En ik vrees dat onze keizer zich op een dwaalspoor bevindt.”„Hij vertrouwt op zich zelf, helaas! Moge zijn waan niet door Allah gestraft worden, die de hoogmoedigen weerstaat, en de nederigen met welgevallen aanziet.”„Ziet ge daar niets schitteren?” vroeg de keizer, „zou men niet zeggen dat een stoet krijgers nadert?”Inderdaad flikkerden boven de sawahs, witglanzende lichten, die als even zoovele sterren op en neer dansten boven een donkere massa, die nader en nader scheen te komen.„Het zal Radhen Wiro Negoro zijn, die Uw Hoogheid komt begroeten,” zeide een dermantri’s.Men kwam thans van tijd tot tijd groepjes landlieden tegen, die bij het zien van den keizerlijken stoet eerbiedig naar den kant van den weg terugweken, maar zich niet ter aarde wierpen, zooals de eeuwenoude plicht hen voorschreef; de keizer zag het, maar haalde de schouders verachtelijk op.[88]„Zij kennen mij niet,” sprak hij vergoelijkend, „de tijd ontbreekt mij het hun te leeren. Weldra echter zullen zij weten wat de gouden pajong, die men achter mij draagt, voorschrijft.”De vlammen naderden meer en meer, steeds met heller gloed blinkend; het duurde niet lang of men onderscheidde een driehonderdtal ruiters, die in snellen draf kwamen aangereden; links en rechts van hen wierpen de landbouwers zich ter aarde, en toen bleek het dat de lichten door de zon ontstoken werden, in de zilveren lansen, door hen in de hand gedragen.De keizer sprak niets meer; zijn oog verslond den afstand, welke hem scheidde van den naderenden stoet. Men kon dien allengs beter onderscheiden; aan het hoofd reden een twintigtal mannen, die een wacht schenen te vormen voor hem die allen aanvoerde. Deze bereed een prachtig Arabisch paard, rijk met zilver, goud en purper getooid, dat vlug en sierlijk met fier opgeheven hals, scheen te begrijpen, welken kostbaren last hij droeg; weldra stonden beide groepen tegenover elkander. De keizer hield den draf van zijn paard een weinig in, afwachtend wat de andere stond te doen.De zonnestralen deden de wit en roode gewaden der nieuw-aangekomenen gloeien tusschen de groenblauwe kleuren van het landschap; het verguldsel dat hen bedekte schitterde hel en vroolijk en stak levendig af bij de bestoven en beslijkte kleeding van den keizer en zijn dienaars.Hun aanvoerder, een man in de kracht des levens, reed met zijn staf vooruit; de anderen bleven op eenigen afstand staan. Zijn paard steigerde hoog, hij hield echter het vurige dier met al het gemak en vaardigheid van een, die zich meester weet, in bedwang.Zijn gestalte was hoog en krachtig, zijn breede schouders en forsche bouw kwamen tot hun volle recht in het weinig Javaansche kostuum dat hij droeg; een wit opperkleed gelijk aan dat der Hindoesche[89]radjah’s omsloot strak zijn bovenlijf; een wijde donkergroen zijden broek was om zijn enkels vastgesloten, terwijl zijn voeten in sierlijke muilen staken; goud borduursel bedekte het bovenkleed evenals de donkerroode mantel, die op zijn rechterschouder met een kostbare diamanten speld gesloten was en waarvan de sierlijke plooien over het paard fladderden en verder door den snellen rit in het vrije wapperden. In zijn gordel staken de gouden gevesten van krissen en tevens ook de gewone stalen loopen van Europeesche pistolen; een breed Oostersch zwaard hing hem ter zijde.Zijn gelaat was donker gekleurd maar er lag trots en majesteit in de wijze, waarop hij te paard zat, fier zelfbewustzijn lichtte uit zijn oogen. Zijn lokken waren geheel bedekt door een geelzijden tulband met een arendsveer gesierd, die door een fonkelenden robijn bevestigd was. Een zware zwarte baard, waarin echter reeds menige zilveren draad glom, viel hem op de borst, en verhoogde het vorstelijke on-Javaansche van zijn voorkomen.De mannen, die Soenan Mas omringden, schenen klein en onbeduidend, week en laf, tegenover die hooge, majestueuze verschijning; zelfs naast zijne volgelingen hoewel minder krachtig en groot dan hun opperhoofd, geleken zij bijna dwergen.Snel rende hij op den gevallen keizer aan, en bracht hem naderend, bij wijze van groet, de rechterhand aan den tulband, daarop strekte hij deze met een echt koninklijk gebaar uit naar den vorst, die in afwachtende houding stilhield.„Wees welkom in mijn rijk, broeder!” sprak hij met zijn klankvolle, heldere stem, „ik bied u gastvrijheid, steun en hulp aan!”Het was of een bliksemstraal uit den helderen hemel Soenan Mas in zijn ijdelen eigenwaan trof.Stom van verbazing plukte hij aan de teugels van zijn paard en sloeg de oogen vertoornd neder; dit was het niet, wat hij in Kediri[90]kwam zoeken, maar niets werd hem meer aangeboden. Door het aan te nemen legde hij de keizerlijke waardigheid tegenover een onderdaan af, door het te weigeren ontblootte hij zich van zijn laatste hulp.„Wie zijt gij?” vroeg hij weifelend.„Ik ben dezelfde, dien uw vader eens gastvrij opnam in zijn paleis, Soerapati de gevluchte slaaf en rooverhoofdman, thans echter betaalt Radhen Adipati Wiro Negoro de schuld van dankbaarheid des vaders af aan den zoon. Ik zeg het u nogmaals broeder, wees welkom! De God mijner Vaderen zegende mijne wapenen, en het is goed in de dagen des geluks de vrienden uit den kwaden tijd niet te vergeten.”Hij hield de hand nog steeds uitgestoken; Soenan Mas, die verwacht had hem voor zich ter aarde te zien knielen, bleef hem nog een poos als wezenloos aanstaren, toen legde hij weifelend ook zijn hand in de zijne.„Met dezen handdruk sluiten wij bondgenootschap, broeder,” sprak Soerapati, „gij allen zijt er getuige van, ik zal u beschermen tegen de trotsche vreemdelingen, die u uit uw erf verdreven hebben.”Hij zwenkte zijn paard zoodat hij thans aan de rechterzijde van den keizer kwam te rijden; met een genadigen hoofdknik groette hij de prinsen en rijksgrooten en noemde vervolgens enkelen van zijn gevolg op.„De regent van Kediri, in wiens dalem U een verblijf, passend aan uw rang, is gereed gemaakt, mijne zonen, de prins van Balembangan, gemaal mijner dochter, de regent van Bangil, die zich allen verheugen den Keizer van Mataram te mogen begroeten.”Maar geen der aangewezenen stapte van zijn paard, allen bepaalden zich er toe met hun lansen den vreemden vorst te groeten.[91]De soldaten schikten zich snel met bewonderenswaardige regelmaat in vier rijen, aan weerszijden van den weg om den stoet door te laten; met opgeheven lansen bleven zij staan totdat hun vorst met zijn gast en verder gevolg voortgeschreden waren, toen zetten ook zij zich in beweging en omsloten den geheelen keizerlijken stoet. Wie dat geleide van gewapende ruiters de mannen, vrouwen en kinderen zag omringen, zou eer denken aan een troep gevangenen die onder sterke wacht werd voortgeleid, dan aan een gezelschap van hooge gasten, vriendschappelijk ontvangen.
[Inhoud]I.DE VLUCHTENDE KEIZER.Op den grooten weg, die om den voet van het Willisgebergte leidt en de landen van Mataram met Kediri verbindt, bewoog zich op een vroegen ochtend van de maand September een vrij aanzienlijke stoet van mannen, vrouwen en kinderen, die met blijkbare haast den tocht volbrachten.Voorop reden verscheidene mannen te paard; talrijke voetgangers, die in hun midden eenige draagstoelen voerden, vrouwen en kinderen volgden op grooteren of kleineren afstand; vermoeidheid, angst en zorg lagen op hun gelaatstrekken uitgedrukt of verrieden zich in hun loomen, tragen gang, in het droevig geschrei der kleinen en soms in het gesnik der moeders. Koelies, beladen met leeftocht en balen goed, besloten al hijgend den stoet.Hij, die te midden der ruiters reed, was blijkbaar van hoogen rang, achter hem droeg een dienaar een gouden zonnescherm, teeken der vorstelijke waardigheid; zij, die hem omringden, waren gekleed in het hofkostuum van Mataram; hij zelf had een eenvoudig gewaad aan, dat hem ’t bovenlijf bedekte, alleen een rijk met diamanten versierde gouden kris stak in zijn gordel.Zijn trekken waren onbeduidend en de uitdrukking zijner oogen half wezenloos; toch mocht men aan de wijze, waarop hij het[81]hoofd droeg, zekere majesteit niet ontzeggen; hij kon vooraan in de dertig wezen. Als de lange sarong, die over zijn rechterbeen viel, door de beweging van het rijden een weinig opwipte, bemerkte men dat de voet misvormd was en eenigszins de gedaante had van een paardenhoef.De weg liep thans door djatiwouden; het was er koel en frisch, want hoewel de zon reeds sinds eenige uren aan den hemel moest zijn, hield zij zich tot nu toe voortdurend achter wolken schuil.„Het gevaar, dat zij ons achtervolgen, schijnt voorbij te zijn,” sprak de man met den paardenvoet tot den ruiter, die ’t dichtst naast hem reed, maar die zich toch eenige stappen achter hem bevond.„Binnen weinige oogenblikken zijn we op Soerapati’s grondgebied aangeland!” meende deze, „dan dreigt ons geen gevaar meer.”„Soerapati’s grondgebied!” zeide de andere en fronste dreigend de wenkbrauwen, „hij heeft geen grondgebied. Behoort geheel Java niet mij toe, mij en mij alleen? Dat mijn vader en ik hem verlof gaven bewind te voeren over een deel van onzen grond, is geen reden, waarom hij zich macht zou toekennen over onze bezittingen.”Het gelaat van den dienaar bleef onverstoorbaar kalm en de Keizer vervolgde:„Ik ben gevlucht uit mijn hoofdstad, maar niet uit mijn rijk. Weldra zal ik met Soerapati’s hulp den ellendigen Hollander, die zich op de schouders van mijn laffen oom wil opheffen tot mijn troon, verjagen uit den Mataram.”„Groot is het voorrecht geschonken aan Uwe Hoogheid, dat zij in Radhen Wiro Negoro zulk een trouw vriend en helper bezit.”„Hij is mijn onderdaan, niets meer! Gehoorzaamheid verplicht hem tot hulp.”[82]Het gesprek bleef steken; Soenan Mas, want de ruiter was niemand anders dan de vluchtende Keizer van Mataram, hulde zich weer in diep stilzwijgen.Zware dagen had hij doorleefd; alles was hem ontvallen, de steun zijner rijksgrooten, de trouw zijner dienaren, de hulp zijner soldaten, zoodra de tijding Karta-Soera bereikte dat de opperbevelhebber der Hollanders aan het hoofd eener geduchte legermacht van Samarang was opgebroken om zijn oom den door de Compagnie erkenden keizer Pakoe Boewana I op zijn troon te herstellen.De geheele bevolking was toegesneld om den tegen-vorst, die, gesteund door zulk een kracht van wapens voortschreed, haar hulde te betuigen; niemand’s hart had zich gehecht aan den bloeddorstigen, wulpschen erfprins, die zich de machtige vreemdelingen tot vijanden had gemaakt.Elke dag bracht tijdingen vol jammer in den kraton; ’s keizers dringende beden en aanbiedingen tot de Compagnie gericht, werden van de hand gewezen; tevergeefs bleef Soenan Mas de wettigheid zijner aanspraken verdedigen, de Wilde bestreed ze en legde hem zelfs den dood van Tak en zijn gezellen ten laste.Zoodra hij hoorde dat het leger der Hollanders naar Karta-Soera oprukte, besloot hij zijn troon en leven duur te verkoopen of het ten minste door anderen duur te laten betalen.Hij zond zijn veldheer Soeria Adi Ningrat, met 4000 man naar Oenarang om de Wilde en zijn soldaten den toegang tot de Mataramsche landen te beletten; doch reeds weinige dagen later ontving hij het verpletterende bericht dat Soeria zijn plaats aan het hoofd van het Javaansche leger verlaten had en naar Samarang getrokken was om zijn onderwerping aan Pakoe Boewana en dus ook aan de Wilde aan te bieden.Als een donderslag weerklonk dit bericht in Karta-Soera; nog[83]hoopte men dat het leger trouwer zou blijken dan zijn veldheer; ook deze hoop werd verijdeld. Reeds bij de eerste schoten door de voorwaarts rukkende legers der Compagnie gelost, verstrooiden zich de dappere krijgers en verdwenen naar alle richtingen.Nu begon ook de afval aan het hof welig te tieren; weinige mantri’s bleven den schijnkeizer trouw; alleen en verlaten stond hij daar in het uitgestrekte hof zijns vaders met de ontzettende zekerheid dat het zegepralende leger der Hollanders nog slechts enkele dagreizen van hem verwijderd was en hij op niemand kon vertrouwen, dat niemand hem de reddende hand wilde toesteken om het zinkende schip weer vlot te brengen; alles verliet hem, nergens vertoonde zich redding dan alleen in snelle vlucht.Adipati Anoem herinnerde zich de beloften en aanbiedingen hem door Radhen Wiro Negoro gedaan; ijlings zond hij een bode naar Pasaroean om den machtigen buurman van zijn ongeluk in kennis te stellen en zijn gastvrijheid te verzoeken; de tijd ontbrak hem echter om het antwoord te vernemen. Nog vóórdat de bode zijn bestemming bereikt kon hebben, zag Soenan Mas zich genoodzaakt met zijn vrouwen, kinderen en nog overgebleven dienaren den kraton te verlaten en oostwaarts te trekken om daar een schuilplaats te zoeken.Intusschen deed Herman de Wilde zijn feestelijken intocht binnen de hofstad, vergezeld door den nieuwen Keizer, dien hij met groote plechtigheid deed inhuldigen.Alle rijksgrooten op de enkelen na, die Soenan Mas in zijn vlucht volgden, kwamen zich aan Pakoe Boewana onderwerpen; zonder bloedvergieting hadden dus de Hollanders deze schitterende overwinning behaald.Niets bleef nu de Wilde over dan met den nieuwen Keizer het tractaat te sluiten, dat niets anders was dan een bekrachtiging[84]van dat, hetwelk bijna twintig jaar geleden de Commissaris Tak naar Karta-Soera was komen brengen, toen hij op zulk een onverwachte wijze den dood vond.De eenige schaduwzijde van dezen gelukkigen veldtocht was Adipati Anoem’s ontsnapping; de Wilde vond echter weinig reden dit te betreuren, daar hij hoopte hierin een voorwendsel te vinden tot een beslissenden oorlog tegen zijn persoonlijken vijand Soerapati.„De zaken staan niet duister!” sprak de afgezette Keizer na een poos tot zijn volgelingen, „alleen Karta-Soera heb ik verloren, maar daar ginds aan gene zijde der Brantasrivier strekt zich nog een groot, machtig rijk uit, waarin ik als meester zal ontvangen worden.”„Is mijn machtige gebieder daar zeker van?” waagde het een dermantri’ste zeggen, „zou Radhen Wiro Negoro zich niet tegenover hem gedragen als een onafhankelijk vorst?”„Hoe zou hij dat wagen? Alles wat hij bezit, alles wat hij is, gewerd hem door de genadige goedheid mijns vaders, die hem toestond Java’s Oosthoek te bedwingen.”„Dat zeide ook de tijger, die zich meester maakte van den uitgestrekten tuin, en den eigenaar, die zijn rechten wilde doen gelden, met gapenden muil bedreigde,” fluisterde de hoveling een zijner gezellen toe.„Soerapati zal blijde en vereerd zijn dat hij mij de gastvrijheid zal kunnen terugschenken, die mijn vader hem eens verleende,” ging de Keizer voort, „hij zal zich haasten mij de regeering over te dragen van die landen, welke mij toebehooren en die hij in mijn naam bestuurt. Zijn Ratoe is mijn nicht …”Demantri’szagen elkander achter ’s Keizers rug spottend aan.„Deden wij niet goed nog vóór het te laat is Pakoe Boewana onze hulde te bewijzen?” mompelden eenigen.[85]„Hij zal onze onderwerping met blijde oogen aanzien; namen wij geen deel aan den bloedigen dood van zijn dochter, Anoem’s schuldige gemalin? Hij zal op ons haar dood wreken, nu hij ’t niet meer op zijn neef vermag.”Zij zinspeelden op een bloedig drama, dat nog tijdens het leven van den overleden Keizer in Karta-Soera had plaats gehad.Adipati Anoem was met een dochter van den tegenwoordigen Keizer Pakoe Boewana gehuwd; de jonge, schoone vrouw echter minachtte haar mismaakten echtgenoot en vergat haar plicht; de Keizer veroordeelde haar en haar minnaar ter dood en liet het vonnis op de ongelukkige prinses door haar eigen broeders uitvoeren.Soenan Mas deed bij zijn troonsbeklimming de geheele maagschap van zijn medeminnaar op wreedaardige wijze ombrengen. De eenige hofgrooten, die hem volgden, waren zij die in de hoogste mate de wrok van Pangeran Poeger opgewekt en van hem geen vergiffenis te hopen hadden; wie maar eenigszins vermoeden kon bij den nieuwen Keizer in gunst te komen, koos weldra zijn partij.Een der zoons van Adipati Anoem reed zijn vader bijna ter zijde.„Heer,” vroeg hij, „zoo het waar is dat Wiro Negoro slechts uw stadhouder is, waarom heeft dan de overleden Soesoehoenan zoo menigmaal legers op hem afgezonden en de hulp der Compagnie tegen hem ingeroepen?”„Wist mijn vader dan wat hij wilde? Was hij niet de speelbal der partijen, de gehoorzame dienaar zijner Rijksbestuurders hetzij deze AmirangKoesoemoof Sindho Redjo heetten? Ik echter heb steeds vriendschap gekoesterd voor den dapperen Balinees; hij heeft mij zijn hulp toegezegd om mijn rechten tegen de Hollanders en tegen mijn ellendigen oom, dien Allah verdelge, te verdedigen.”„Waarom is hij dan niet bijtijds op Karta-Soera aangerukt om[86]den Hollanders te beletten voort te rukken en zonder slag of stoot te zegepralen?”„Het „omdat” zal ons weldra opgehelderd worden, mijn zoon! Maar nog is het niet te laat. Ook mijn grootvader, de heilige Keizer Tagalwangi verliet vluchtend zijn dalem; de dood heeft hem achterhaald, maar deze vijand die zijn ouderdom bedreigde is, Allah zij er voor geprezen, nog ver van mij verwijderd. Mijn vader trad spoedig in zegepraal binnen Karta-Soera terug en werd daar plechtig gekroond.”„Dank de hulp der Hollanders!”„Ook de Balineezen zullen niet minder dapper zijn. Immers de keizerlijke kroon van Mataram met de rijkssieraden bevinden zich in mijn bezit. Waar zij zijn, daar vertoeft de keizer!”De djatibosschen, die hier den golvenden bodem bedekten, werden schaarscher en weken eindelijk geheel terug om het uitzicht te geven op het dal van de Brantas, die zich tusschen de vlakte slingerde, en de vruchtbare sawahs, welke haar omzoomden, drenkte met honderden frissche beekjes.Van alle zijden begrensden bergen de rivier, welke ze van elkander scheen te splijten. De Keloet hief er zijn dreigenden hoekigen top omhoog. De groene hellingen van het Willisgebergte golfden vriendelijk omlaag naar de bloeiende vlakte; aan de overzijde der rivier wuifden de hooge kruinen van rijk beladen vruchtboomen zacht op en neer; deze vruchtboomen deden daar een dicht bosch vermoeden, maar zij die de streek kenden, wisten dat in haar schaduw zich de stad Kediri verschool.Onder de grauwe morgenlucht kwamen de tallooze schakeeringen van groen en bruin nog niet tot hun recht, maar toen plotseling twee wolken vaneenscheurden scheen het of een regen van stofgoud uit den hemel op het landschap neerstortte, en alles van glans en licht doortintelde.[87]Van alle zijden schitterden de kleuren den ruiters tegen; met schier oogverblindenden gloed weerkaatste de rivier het vuur des hemels; de zachte, teere tinten der fijn gevinde acaciabladeren deden het donkere loof der vruchtboomen nog donkerder schijnen, de sawahs schemerden in met zilveren wederglanzen witgroen, scherp teekenden zich de sierlijke kronen der palmboomen af tegen de glinsterend witte lucht.„De zon beschijnt Kediri! Een goed teeken, vader!” riep een der jonge prinsen blijde uit.„Waarom zouden goede teekens mij niet begroeten!”, zei de Soenan Mas minachtend, „is het recht dan niet aan mijn zijde?”Een oude mantri zag zijn vrienden twijfelend aan en fluisterde:„Een Soera van het heilige boek zegt: „Voorwaar—wien God ter doling voert, die vindt nimmer den rechten weg.” En ik vrees dat onze keizer zich op een dwaalspoor bevindt.”„Hij vertrouwt op zich zelf, helaas! Moge zijn waan niet door Allah gestraft worden, die de hoogmoedigen weerstaat, en de nederigen met welgevallen aanziet.”„Ziet ge daar niets schitteren?” vroeg de keizer, „zou men niet zeggen dat een stoet krijgers nadert?”Inderdaad flikkerden boven de sawahs, witglanzende lichten, die als even zoovele sterren op en neer dansten boven een donkere massa, die nader en nader scheen te komen.„Het zal Radhen Wiro Negoro zijn, die Uw Hoogheid komt begroeten,” zeide een dermantri’s.Men kwam thans van tijd tot tijd groepjes landlieden tegen, die bij het zien van den keizerlijken stoet eerbiedig naar den kant van den weg terugweken, maar zich niet ter aarde wierpen, zooals de eeuwenoude plicht hen voorschreef; de keizer zag het, maar haalde de schouders verachtelijk op.[88]„Zij kennen mij niet,” sprak hij vergoelijkend, „de tijd ontbreekt mij het hun te leeren. Weldra echter zullen zij weten wat de gouden pajong, die men achter mij draagt, voorschrijft.”De vlammen naderden meer en meer, steeds met heller gloed blinkend; het duurde niet lang of men onderscheidde een driehonderdtal ruiters, die in snellen draf kwamen aangereden; links en rechts van hen wierpen de landbouwers zich ter aarde, en toen bleek het dat de lichten door de zon ontstoken werden, in de zilveren lansen, door hen in de hand gedragen.De keizer sprak niets meer; zijn oog verslond den afstand, welke hem scheidde van den naderenden stoet. Men kon dien allengs beter onderscheiden; aan het hoofd reden een twintigtal mannen, die een wacht schenen te vormen voor hem die allen aanvoerde. Deze bereed een prachtig Arabisch paard, rijk met zilver, goud en purper getooid, dat vlug en sierlijk met fier opgeheven hals, scheen te begrijpen, welken kostbaren last hij droeg; weldra stonden beide groepen tegenover elkander. De keizer hield den draf van zijn paard een weinig in, afwachtend wat de andere stond te doen.De zonnestralen deden de wit en roode gewaden der nieuw-aangekomenen gloeien tusschen de groenblauwe kleuren van het landschap; het verguldsel dat hen bedekte schitterde hel en vroolijk en stak levendig af bij de bestoven en beslijkte kleeding van den keizer en zijn dienaars.Hun aanvoerder, een man in de kracht des levens, reed met zijn staf vooruit; de anderen bleven op eenigen afstand staan. Zijn paard steigerde hoog, hij hield echter het vurige dier met al het gemak en vaardigheid van een, die zich meester weet, in bedwang.Zijn gestalte was hoog en krachtig, zijn breede schouders en forsche bouw kwamen tot hun volle recht in het weinig Javaansche kostuum dat hij droeg; een wit opperkleed gelijk aan dat der Hindoesche[89]radjah’s omsloot strak zijn bovenlijf; een wijde donkergroen zijden broek was om zijn enkels vastgesloten, terwijl zijn voeten in sierlijke muilen staken; goud borduursel bedekte het bovenkleed evenals de donkerroode mantel, die op zijn rechterschouder met een kostbare diamanten speld gesloten was en waarvan de sierlijke plooien over het paard fladderden en verder door den snellen rit in het vrije wapperden. In zijn gordel staken de gouden gevesten van krissen en tevens ook de gewone stalen loopen van Europeesche pistolen; een breed Oostersch zwaard hing hem ter zijde.Zijn gelaat was donker gekleurd maar er lag trots en majesteit in de wijze, waarop hij te paard zat, fier zelfbewustzijn lichtte uit zijn oogen. Zijn lokken waren geheel bedekt door een geelzijden tulband met een arendsveer gesierd, die door een fonkelenden robijn bevestigd was. Een zware zwarte baard, waarin echter reeds menige zilveren draad glom, viel hem op de borst, en verhoogde het vorstelijke on-Javaansche van zijn voorkomen.De mannen, die Soenan Mas omringden, schenen klein en onbeduidend, week en laf, tegenover die hooge, majestueuze verschijning; zelfs naast zijne volgelingen hoewel minder krachtig en groot dan hun opperhoofd, geleken zij bijna dwergen.Snel rende hij op den gevallen keizer aan, en bracht hem naderend, bij wijze van groet, de rechterhand aan den tulband, daarop strekte hij deze met een echt koninklijk gebaar uit naar den vorst, die in afwachtende houding stilhield.„Wees welkom in mijn rijk, broeder!” sprak hij met zijn klankvolle, heldere stem, „ik bied u gastvrijheid, steun en hulp aan!”Het was of een bliksemstraal uit den helderen hemel Soenan Mas in zijn ijdelen eigenwaan trof.Stom van verbazing plukte hij aan de teugels van zijn paard en sloeg de oogen vertoornd neder; dit was het niet, wat hij in Kediri[90]kwam zoeken, maar niets werd hem meer aangeboden. Door het aan te nemen legde hij de keizerlijke waardigheid tegenover een onderdaan af, door het te weigeren ontblootte hij zich van zijn laatste hulp.„Wie zijt gij?” vroeg hij weifelend.„Ik ben dezelfde, dien uw vader eens gastvrij opnam in zijn paleis, Soerapati de gevluchte slaaf en rooverhoofdman, thans echter betaalt Radhen Adipati Wiro Negoro de schuld van dankbaarheid des vaders af aan den zoon. Ik zeg het u nogmaals broeder, wees welkom! De God mijner Vaderen zegende mijne wapenen, en het is goed in de dagen des geluks de vrienden uit den kwaden tijd niet te vergeten.”Hij hield de hand nog steeds uitgestoken; Soenan Mas, die verwacht had hem voor zich ter aarde te zien knielen, bleef hem nog een poos als wezenloos aanstaren, toen legde hij weifelend ook zijn hand in de zijne.„Met dezen handdruk sluiten wij bondgenootschap, broeder,” sprak Soerapati, „gij allen zijt er getuige van, ik zal u beschermen tegen de trotsche vreemdelingen, die u uit uw erf verdreven hebben.”Hij zwenkte zijn paard zoodat hij thans aan de rechterzijde van den keizer kwam te rijden; met een genadigen hoofdknik groette hij de prinsen en rijksgrooten en noemde vervolgens enkelen van zijn gevolg op.„De regent van Kediri, in wiens dalem U een verblijf, passend aan uw rang, is gereed gemaakt, mijne zonen, de prins van Balembangan, gemaal mijner dochter, de regent van Bangil, die zich allen verheugen den Keizer van Mataram te mogen begroeten.”Maar geen der aangewezenen stapte van zijn paard, allen bepaalden zich er toe met hun lansen den vreemden vorst te groeten.[91]De soldaten schikten zich snel met bewonderenswaardige regelmaat in vier rijen, aan weerszijden van den weg om den stoet door te laten; met opgeheven lansen bleven zij staan totdat hun vorst met zijn gast en verder gevolg voortgeschreden waren, toen zetten ook zij zich in beweging en omsloten den geheelen keizerlijken stoet. Wie dat geleide van gewapende ruiters de mannen, vrouwen en kinderen zag omringen, zou eer denken aan een troep gevangenen die onder sterke wacht werd voortgeleid, dan aan een gezelschap van hooge gasten, vriendschappelijk ontvangen.
I.DE VLUCHTENDE KEIZER.
Op den grooten weg, die om den voet van het Willisgebergte leidt en de landen van Mataram met Kediri verbindt, bewoog zich op een vroegen ochtend van de maand September een vrij aanzienlijke stoet van mannen, vrouwen en kinderen, die met blijkbare haast den tocht volbrachten.Voorop reden verscheidene mannen te paard; talrijke voetgangers, die in hun midden eenige draagstoelen voerden, vrouwen en kinderen volgden op grooteren of kleineren afstand; vermoeidheid, angst en zorg lagen op hun gelaatstrekken uitgedrukt of verrieden zich in hun loomen, tragen gang, in het droevig geschrei der kleinen en soms in het gesnik der moeders. Koelies, beladen met leeftocht en balen goed, besloten al hijgend den stoet.Hij, die te midden der ruiters reed, was blijkbaar van hoogen rang, achter hem droeg een dienaar een gouden zonnescherm, teeken der vorstelijke waardigheid; zij, die hem omringden, waren gekleed in het hofkostuum van Mataram; hij zelf had een eenvoudig gewaad aan, dat hem ’t bovenlijf bedekte, alleen een rijk met diamanten versierde gouden kris stak in zijn gordel.Zijn trekken waren onbeduidend en de uitdrukking zijner oogen half wezenloos; toch mocht men aan de wijze, waarop hij het[81]hoofd droeg, zekere majesteit niet ontzeggen; hij kon vooraan in de dertig wezen. Als de lange sarong, die over zijn rechterbeen viel, door de beweging van het rijden een weinig opwipte, bemerkte men dat de voet misvormd was en eenigszins de gedaante had van een paardenhoef.De weg liep thans door djatiwouden; het was er koel en frisch, want hoewel de zon reeds sinds eenige uren aan den hemel moest zijn, hield zij zich tot nu toe voortdurend achter wolken schuil.„Het gevaar, dat zij ons achtervolgen, schijnt voorbij te zijn,” sprak de man met den paardenvoet tot den ruiter, die ’t dichtst naast hem reed, maar die zich toch eenige stappen achter hem bevond.„Binnen weinige oogenblikken zijn we op Soerapati’s grondgebied aangeland!” meende deze, „dan dreigt ons geen gevaar meer.”„Soerapati’s grondgebied!” zeide de andere en fronste dreigend de wenkbrauwen, „hij heeft geen grondgebied. Behoort geheel Java niet mij toe, mij en mij alleen? Dat mijn vader en ik hem verlof gaven bewind te voeren over een deel van onzen grond, is geen reden, waarom hij zich macht zou toekennen over onze bezittingen.”Het gelaat van den dienaar bleef onverstoorbaar kalm en de Keizer vervolgde:„Ik ben gevlucht uit mijn hoofdstad, maar niet uit mijn rijk. Weldra zal ik met Soerapati’s hulp den ellendigen Hollander, die zich op de schouders van mijn laffen oom wil opheffen tot mijn troon, verjagen uit den Mataram.”„Groot is het voorrecht geschonken aan Uwe Hoogheid, dat zij in Radhen Wiro Negoro zulk een trouw vriend en helper bezit.”„Hij is mijn onderdaan, niets meer! Gehoorzaamheid verplicht hem tot hulp.”[82]Het gesprek bleef steken; Soenan Mas, want de ruiter was niemand anders dan de vluchtende Keizer van Mataram, hulde zich weer in diep stilzwijgen.Zware dagen had hij doorleefd; alles was hem ontvallen, de steun zijner rijksgrooten, de trouw zijner dienaren, de hulp zijner soldaten, zoodra de tijding Karta-Soera bereikte dat de opperbevelhebber der Hollanders aan het hoofd eener geduchte legermacht van Samarang was opgebroken om zijn oom den door de Compagnie erkenden keizer Pakoe Boewana I op zijn troon te herstellen.De geheele bevolking was toegesneld om den tegen-vorst, die, gesteund door zulk een kracht van wapens voortschreed, haar hulde te betuigen; niemand’s hart had zich gehecht aan den bloeddorstigen, wulpschen erfprins, die zich de machtige vreemdelingen tot vijanden had gemaakt.Elke dag bracht tijdingen vol jammer in den kraton; ’s keizers dringende beden en aanbiedingen tot de Compagnie gericht, werden van de hand gewezen; tevergeefs bleef Soenan Mas de wettigheid zijner aanspraken verdedigen, de Wilde bestreed ze en legde hem zelfs den dood van Tak en zijn gezellen ten laste.Zoodra hij hoorde dat het leger der Hollanders naar Karta-Soera oprukte, besloot hij zijn troon en leven duur te verkoopen of het ten minste door anderen duur te laten betalen.Hij zond zijn veldheer Soeria Adi Ningrat, met 4000 man naar Oenarang om de Wilde en zijn soldaten den toegang tot de Mataramsche landen te beletten; doch reeds weinige dagen later ontving hij het verpletterende bericht dat Soeria zijn plaats aan het hoofd van het Javaansche leger verlaten had en naar Samarang getrokken was om zijn onderwerping aan Pakoe Boewana en dus ook aan de Wilde aan te bieden.Als een donderslag weerklonk dit bericht in Karta-Soera; nog[83]hoopte men dat het leger trouwer zou blijken dan zijn veldheer; ook deze hoop werd verijdeld. Reeds bij de eerste schoten door de voorwaarts rukkende legers der Compagnie gelost, verstrooiden zich de dappere krijgers en verdwenen naar alle richtingen.Nu begon ook de afval aan het hof welig te tieren; weinige mantri’s bleven den schijnkeizer trouw; alleen en verlaten stond hij daar in het uitgestrekte hof zijns vaders met de ontzettende zekerheid dat het zegepralende leger der Hollanders nog slechts enkele dagreizen van hem verwijderd was en hij op niemand kon vertrouwen, dat niemand hem de reddende hand wilde toesteken om het zinkende schip weer vlot te brengen; alles verliet hem, nergens vertoonde zich redding dan alleen in snelle vlucht.Adipati Anoem herinnerde zich de beloften en aanbiedingen hem door Radhen Wiro Negoro gedaan; ijlings zond hij een bode naar Pasaroean om den machtigen buurman van zijn ongeluk in kennis te stellen en zijn gastvrijheid te verzoeken; de tijd ontbrak hem echter om het antwoord te vernemen. Nog vóórdat de bode zijn bestemming bereikt kon hebben, zag Soenan Mas zich genoodzaakt met zijn vrouwen, kinderen en nog overgebleven dienaren den kraton te verlaten en oostwaarts te trekken om daar een schuilplaats te zoeken.Intusschen deed Herman de Wilde zijn feestelijken intocht binnen de hofstad, vergezeld door den nieuwen Keizer, dien hij met groote plechtigheid deed inhuldigen.Alle rijksgrooten op de enkelen na, die Soenan Mas in zijn vlucht volgden, kwamen zich aan Pakoe Boewana onderwerpen; zonder bloedvergieting hadden dus de Hollanders deze schitterende overwinning behaald.Niets bleef nu de Wilde over dan met den nieuwen Keizer het tractaat te sluiten, dat niets anders was dan een bekrachtiging[84]van dat, hetwelk bijna twintig jaar geleden de Commissaris Tak naar Karta-Soera was komen brengen, toen hij op zulk een onverwachte wijze den dood vond.De eenige schaduwzijde van dezen gelukkigen veldtocht was Adipati Anoem’s ontsnapping; de Wilde vond echter weinig reden dit te betreuren, daar hij hoopte hierin een voorwendsel te vinden tot een beslissenden oorlog tegen zijn persoonlijken vijand Soerapati.„De zaken staan niet duister!” sprak de afgezette Keizer na een poos tot zijn volgelingen, „alleen Karta-Soera heb ik verloren, maar daar ginds aan gene zijde der Brantasrivier strekt zich nog een groot, machtig rijk uit, waarin ik als meester zal ontvangen worden.”„Is mijn machtige gebieder daar zeker van?” waagde het een dermantri’ste zeggen, „zou Radhen Wiro Negoro zich niet tegenover hem gedragen als een onafhankelijk vorst?”„Hoe zou hij dat wagen? Alles wat hij bezit, alles wat hij is, gewerd hem door de genadige goedheid mijns vaders, die hem toestond Java’s Oosthoek te bedwingen.”„Dat zeide ook de tijger, die zich meester maakte van den uitgestrekten tuin, en den eigenaar, die zijn rechten wilde doen gelden, met gapenden muil bedreigde,” fluisterde de hoveling een zijner gezellen toe.„Soerapati zal blijde en vereerd zijn dat hij mij de gastvrijheid zal kunnen terugschenken, die mijn vader hem eens verleende,” ging de Keizer voort, „hij zal zich haasten mij de regeering over te dragen van die landen, welke mij toebehooren en die hij in mijn naam bestuurt. Zijn Ratoe is mijn nicht …”Demantri’szagen elkander achter ’s Keizers rug spottend aan.„Deden wij niet goed nog vóór het te laat is Pakoe Boewana onze hulde te bewijzen?” mompelden eenigen.[85]„Hij zal onze onderwerping met blijde oogen aanzien; namen wij geen deel aan den bloedigen dood van zijn dochter, Anoem’s schuldige gemalin? Hij zal op ons haar dood wreken, nu hij ’t niet meer op zijn neef vermag.”Zij zinspeelden op een bloedig drama, dat nog tijdens het leven van den overleden Keizer in Karta-Soera had plaats gehad.Adipati Anoem was met een dochter van den tegenwoordigen Keizer Pakoe Boewana gehuwd; de jonge, schoone vrouw echter minachtte haar mismaakten echtgenoot en vergat haar plicht; de Keizer veroordeelde haar en haar minnaar ter dood en liet het vonnis op de ongelukkige prinses door haar eigen broeders uitvoeren.Soenan Mas deed bij zijn troonsbeklimming de geheele maagschap van zijn medeminnaar op wreedaardige wijze ombrengen. De eenige hofgrooten, die hem volgden, waren zij die in de hoogste mate de wrok van Pangeran Poeger opgewekt en van hem geen vergiffenis te hopen hadden; wie maar eenigszins vermoeden kon bij den nieuwen Keizer in gunst te komen, koos weldra zijn partij.Een der zoons van Adipati Anoem reed zijn vader bijna ter zijde.„Heer,” vroeg hij, „zoo het waar is dat Wiro Negoro slechts uw stadhouder is, waarom heeft dan de overleden Soesoehoenan zoo menigmaal legers op hem afgezonden en de hulp der Compagnie tegen hem ingeroepen?”„Wist mijn vader dan wat hij wilde? Was hij niet de speelbal der partijen, de gehoorzame dienaar zijner Rijksbestuurders hetzij deze AmirangKoesoemoof Sindho Redjo heetten? Ik echter heb steeds vriendschap gekoesterd voor den dapperen Balinees; hij heeft mij zijn hulp toegezegd om mijn rechten tegen de Hollanders en tegen mijn ellendigen oom, dien Allah verdelge, te verdedigen.”„Waarom is hij dan niet bijtijds op Karta-Soera aangerukt om[86]den Hollanders te beletten voort te rukken en zonder slag of stoot te zegepralen?”„Het „omdat” zal ons weldra opgehelderd worden, mijn zoon! Maar nog is het niet te laat. Ook mijn grootvader, de heilige Keizer Tagalwangi verliet vluchtend zijn dalem; de dood heeft hem achterhaald, maar deze vijand die zijn ouderdom bedreigde is, Allah zij er voor geprezen, nog ver van mij verwijderd. Mijn vader trad spoedig in zegepraal binnen Karta-Soera terug en werd daar plechtig gekroond.”„Dank de hulp der Hollanders!”„Ook de Balineezen zullen niet minder dapper zijn. Immers de keizerlijke kroon van Mataram met de rijkssieraden bevinden zich in mijn bezit. Waar zij zijn, daar vertoeft de keizer!”De djatibosschen, die hier den golvenden bodem bedekten, werden schaarscher en weken eindelijk geheel terug om het uitzicht te geven op het dal van de Brantas, die zich tusschen de vlakte slingerde, en de vruchtbare sawahs, welke haar omzoomden, drenkte met honderden frissche beekjes.Van alle zijden begrensden bergen de rivier, welke ze van elkander scheen te splijten. De Keloet hief er zijn dreigenden hoekigen top omhoog. De groene hellingen van het Willisgebergte golfden vriendelijk omlaag naar de bloeiende vlakte; aan de overzijde der rivier wuifden de hooge kruinen van rijk beladen vruchtboomen zacht op en neer; deze vruchtboomen deden daar een dicht bosch vermoeden, maar zij die de streek kenden, wisten dat in haar schaduw zich de stad Kediri verschool.Onder de grauwe morgenlucht kwamen de tallooze schakeeringen van groen en bruin nog niet tot hun recht, maar toen plotseling twee wolken vaneenscheurden scheen het of een regen van stofgoud uit den hemel op het landschap neerstortte, en alles van glans en licht doortintelde.[87]Van alle zijden schitterden de kleuren den ruiters tegen; met schier oogverblindenden gloed weerkaatste de rivier het vuur des hemels; de zachte, teere tinten der fijn gevinde acaciabladeren deden het donkere loof der vruchtboomen nog donkerder schijnen, de sawahs schemerden in met zilveren wederglanzen witgroen, scherp teekenden zich de sierlijke kronen der palmboomen af tegen de glinsterend witte lucht.„De zon beschijnt Kediri! Een goed teeken, vader!” riep een der jonge prinsen blijde uit.„Waarom zouden goede teekens mij niet begroeten!”, zei de Soenan Mas minachtend, „is het recht dan niet aan mijn zijde?”Een oude mantri zag zijn vrienden twijfelend aan en fluisterde:„Een Soera van het heilige boek zegt: „Voorwaar—wien God ter doling voert, die vindt nimmer den rechten weg.” En ik vrees dat onze keizer zich op een dwaalspoor bevindt.”„Hij vertrouwt op zich zelf, helaas! Moge zijn waan niet door Allah gestraft worden, die de hoogmoedigen weerstaat, en de nederigen met welgevallen aanziet.”„Ziet ge daar niets schitteren?” vroeg de keizer, „zou men niet zeggen dat een stoet krijgers nadert?”Inderdaad flikkerden boven de sawahs, witglanzende lichten, die als even zoovele sterren op en neer dansten boven een donkere massa, die nader en nader scheen te komen.„Het zal Radhen Wiro Negoro zijn, die Uw Hoogheid komt begroeten,” zeide een dermantri’s.Men kwam thans van tijd tot tijd groepjes landlieden tegen, die bij het zien van den keizerlijken stoet eerbiedig naar den kant van den weg terugweken, maar zich niet ter aarde wierpen, zooals de eeuwenoude plicht hen voorschreef; de keizer zag het, maar haalde de schouders verachtelijk op.[88]„Zij kennen mij niet,” sprak hij vergoelijkend, „de tijd ontbreekt mij het hun te leeren. Weldra echter zullen zij weten wat de gouden pajong, die men achter mij draagt, voorschrijft.”De vlammen naderden meer en meer, steeds met heller gloed blinkend; het duurde niet lang of men onderscheidde een driehonderdtal ruiters, die in snellen draf kwamen aangereden; links en rechts van hen wierpen de landbouwers zich ter aarde, en toen bleek het dat de lichten door de zon ontstoken werden, in de zilveren lansen, door hen in de hand gedragen.De keizer sprak niets meer; zijn oog verslond den afstand, welke hem scheidde van den naderenden stoet. Men kon dien allengs beter onderscheiden; aan het hoofd reden een twintigtal mannen, die een wacht schenen te vormen voor hem die allen aanvoerde. Deze bereed een prachtig Arabisch paard, rijk met zilver, goud en purper getooid, dat vlug en sierlijk met fier opgeheven hals, scheen te begrijpen, welken kostbaren last hij droeg; weldra stonden beide groepen tegenover elkander. De keizer hield den draf van zijn paard een weinig in, afwachtend wat de andere stond te doen.De zonnestralen deden de wit en roode gewaden der nieuw-aangekomenen gloeien tusschen de groenblauwe kleuren van het landschap; het verguldsel dat hen bedekte schitterde hel en vroolijk en stak levendig af bij de bestoven en beslijkte kleeding van den keizer en zijn dienaars.Hun aanvoerder, een man in de kracht des levens, reed met zijn staf vooruit; de anderen bleven op eenigen afstand staan. Zijn paard steigerde hoog, hij hield echter het vurige dier met al het gemak en vaardigheid van een, die zich meester weet, in bedwang.Zijn gestalte was hoog en krachtig, zijn breede schouders en forsche bouw kwamen tot hun volle recht in het weinig Javaansche kostuum dat hij droeg; een wit opperkleed gelijk aan dat der Hindoesche[89]radjah’s omsloot strak zijn bovenlijf; een wijde donkergroen zijden broek was om zijn enkels vastgesloten, terwijl zijn voeten in sierlijke muilen staken; goud borduursel bedekte het bovenkleed evenals de donkerroode mantel, die op zijn rechterschouder met een kostbare diamanten speld gesloten was en waarvan de sierlijke plooien over het paard fladderden en verder door den snellen rit in het vrije wapperden. In zijn gordel staken de gouden gevesten van krissen en tevens ook de gewone stalen loopen van Europeesche pistolen; een breed Oostersch zwaard hing hem ter zijde.Zijn gelaat was donker gekleurd maar er lag trots en majesteit in de wijze, waarop hij te paard zat, fier zelfbewustzijn lichtte uit zijn oogen. Zijn lokken waren geheel bedekt door een geelzijden tulband met een arendsveer gesierd, die door een fonkelenden robijn bevestigd was. Een zware zwarte baard, waarin echter reeds menige zilveren draad glom, viel hem op de borst, en verhoogde het vorstelijke on-Javaansche van zijn voorkomen.De mannen, die Soenan Mas omringden, schenen klein en onbeduidend, week en laf, tegenover die hooge, majestueuze verschijning; zelfs naast zijne volgelingen hoewel minder krachtig en groot dan hun opperhoofd, geleken zij bijna dwergen.Snel rende hij op den gevallen keizer aan, en bracht hem naderend, bij wijze van groet, de rechterhand aan den tulband, daarop strekte hij deze met een echt koninklijk gebaar uit naar den vorst, die in afwachtende houding stilhield.„Wees welkom in mijn rijk, broeder!” sprak hij met zijn klankvolle, heldere stem, „ik bied u gastvrijheid, steun en hulp aan!”Het was of een bliksemstraal uit den helderen hemel Soenan Mas in zijn ijdelen eigenwaan trof.Stom van verbazing plukte hij aan de teugels van zijn paard en sloeg de oogen vertoornd neder; dit was het niet, wat hij in Kediri[90]kwam zoeken, maar niets werd hem meer aangeboden. Door het aan te nemen legde hij de keizerlijke waardigheid tegenover een onderdaan af, door het te weigeren ontblootte hij zich van zijn laatste hulp.„Wie zijt gij?” vroeg hij weifelend.„Ik ben dezelfde, dien uw vader eens gastvrij opnam in zijn paleis, Soerapati de gevluchte slaaf en rooverhoofdman, thans echter betaalt Radhen Adipati Wiro Negoro de schuld van dankbaarheid des vaders af aan den zoon. Ik zeg het u nogmaals broeder, wees welkom! De God mijner Vaderen zegende mijne wapenen, en het is goed in de dagen des geluks de vrienden uit den kwaden tijd niet te vergeten.”Hij hield de hand nog steeds uitgestoken; Soenan Mas, die verwacht had hem voor zich ter aarde te zien knielen, bleef hem nog een poos als wezenloos aanstaren, toen legde hij weifelend ook zijn hand in de zijne.„Met dezen handdruk sluiten wij bondgenootschap, broeder,” sprak Soerapati, „gij allen zijt er getuige van, ik zal u beschermen tegen de trotsche vreemdelingen, die u uit uw erf verdreven hebben.”Hij zwenkte zijn paard zoodat hij thans aan de rechterzijde van den keizer kwam te rijden; met een genadigen hoofdknik groette hij de prinsen en rijksgrooten en noemde vervolgens enkelen van zijn gevolg op.„De regent van Kediri, in wiens dalem U een verblijf, passend aan uw rang, is gereed gemaakt, mijne zonen, de prins van Balembangan, gemaal mijner dochter, de regent van Bangil, die zich allen verheugen den Keizer van Mataram te mogen begroeten.”Maar geen der aangewezenen stapte van zijn paard, allen bepaalden zich er toe met hun lansen den vreemden vorst te groeten.[91]De soldaten schikten zich snel met bewonderenswaardige regelmaat in vier rijen, aan weerszijden van den weg om den stoet door te laten; met opgeheven lansen bleven zij staan totdat hun vorst met zijn gast en verder gevolg voortgeschreden waren, toen zetten ook zij zich in beweging en omsloten den geheelen keizerlijken stoet. Wie dat geleide van gewapende ruiters de mannen, vrouwen en kinderen zag omringen, zou eer denken aan een troep gevangenen die onder sterke wacht werd voortgeleid, dan aan een gezelschap van hooge gasten, vriendschappelijk ontvangen.
Op den grooten weg, die om den voet van het Willisgebergte leidt en de landen van Mataram met Kediri verbindt, bewoog zich op een vroegen ochtend van de maand September een vrij aanzienlijke stoet van mannen, vrouwen en kinderen, die met blijkbare haast den tocht volbrachten.
Voorop reden verscheidene mannen te paard; talrijke voetgangers, die in hun midden eenige draagstoelen voerden, vrouwen en kinderen volgden op grooteren of kleineren afstand; vermoeidheid, angst en zorg lagen op hun gelaatstrekken uitgedrukt of verrieden zich in hun loomen, tragen gang, in het droevig geschrei der kleinen en soms in het gesnik der moeders. Koelies, beladen met leeftocht en balen goed, besloten al hijgend den stoet.
Hij, die te midden der ruiters reed, was blijkbaar van hoogen rang, achter hem droeg een dienaar een gouden zonnescherm, teeken der vorstelijke waardigheid; zij, die hem omringden, waren gekleed in het hofkostuum van Mataram; hij zelf had een eenvoudig gewaad aan, dat hem ’t bovenlijf bedekte, alleen een rijk met diamanten versierde gouden kris stak in zijn gordel.
Zijn trekken waren onbeduidend en de uitdrukking zijner oogen half wezenloos; toch mocht men aan de wijze, waarop hij het[81]hoofd droeg, zekere majesteit niet ontzeggen; hij kon vooraan in de dertig wezen. Als de lange sarong, die over zijn rechterbeen viel, door de beweging van het rijden een weinig opwipte, bemerkte men dat de voet misvormd was en eenigszins de gedaante had van een paardenhoef.
De weg liep thans door djatiwouden; het was er koel en frisch, want hoewel de zon reeds sinds eenige uren aan den hemel moest zijn, hield zij zich tot nu toe voortdurend achter wolken schuil.
„Het gevaar, dat zij ons achtervolgen, schijnt voorbij te zijn,” sprak de man met den paardenvoet tot den ruiter, die ’t dichtst naast hem reed, maar die zich toch eenige stappen achter hem bevond.
„Binnen weinige oogenblikken zijn we op Soerapati’s grondgebied aangeland!” meende deze, „dan dreigt ons geen gevaar meer.”
„Soerapati’s grondgebied!” zeide de andere en fronste dreigend de wenkbrauwen, „hij heeft geen grondgebied. Behoort geheel Java niet mij toe, mij en mij alleen? Dat mijn vader en ik hem verlof gaven bewind te voeren over een deel van onzen grond, is geen reden, waarom hij zich macht zou toekennen over onze bezittingen.”
Het gelaat van den dienaar bleef onverstoorbaar kalm en de Keizer vervolgde:
„Ik ben gevlucht uit mijn hoofdstad, maar niet uit mijn rijk. Weldra zal ik met Soerapati’s hulp den ellendigen Hollander, die zich op de schouders van mijn laffen oom wil opheffen tot mijn troon, verjagen uit den Mataram.”
„Groot is het voorrecht geschonken aan Uwe Hoogheid, dat zij in Radhen Wiro Negoro zulk een trouw vriend en helper bezit.”
„Hij is mijn onderdaan, niets meer! Gehoorzaamheid verplicht hem tot hulp.”[82]
Het gesprek bleef steken; Soenan Mas, want de ruiter was niemand anders dan de vluchtende Keizer van Mataram, hulde zich weer in diep stilzwijgen.
Zware dagen had hij doorleefd; alles was hem ontvallen, de steun zijner rijksgrooten, de trouw zijner dienaren, de hulp zijner soldaten, zoodra de tijding Karta-Soera bereikte dat de opperbevelhebber der Hollanders aan het hoofd eener geduchte legermacht van Samarang was opgebroken om zijn oom den door de Compagnie erkenden keizer Pakoe Boewana I op zijn troon te herstellen.
De geheele bevolking was toegesneld om den tegen-vorst, die, gesteund door zulk een kracht van wapens voortschreed, haar hulde te betuigen; niemand’s hart had zich gehecht aan den bloeddorstigen, wulpschen erfprins, die zich de machtige vreemdelingen tot vijanden had gemaakt.
Elke dag bracht tijdingen vol jammer in den kraton; ’s keizers dringende beden en aanbiedingen tot de Compagnie gericht, werden van de hand gewezen; tevergeefs bleef Soenan Mas de wettigheid zijner aanspraken verdedigen, de Wilde bestreed ze en legde hem zelfs den dood van Tak en zijn gezellen ten laste.
Zoodra hij hoorde dat het leger der Hollanders naar Karta-Soera oprukte, besloot hij zijn troon en leven duur te verkoopen of het ten minste door anderen duur te laten betalen.
Hij zond zijn veldheer Soeria Adi Ningrat, met 4000 man naar Oenarang om de Wilde en zijn soldaten den toegang tot de Mataramsche landen te beletten; doch reeds weinige dagen later ontving hij het verpletterende bericht dat Soeria zijn plaats aan het hoofd van het Javaansche leger verlaten had en naar Samarang getrokken was om zijn onderwerping aan Pakoe Boewana en dus ook aan de Wilde aan te bieden.
Als een donderslag weerklonk dit bericht in Karta-Soera; nog[83]hoopte men dat het leger trouwer zou blijken dan zijn veldheer; ook deze hoop werd verijdeld. Reeds bij de eerste schoten door de voorwaarts rukkende legers der Compagnie gelost, verstrooiden zich de dappere krijgers en verdwenen naar alle richtingen.
Nu begon ook de afval aan het hof welig te tieren; weinige mantri’s bleven den schijnkeizer trouw; alleen en verlaten stond hij daar in het uitgestrekte hof zijns vaders met de ontzettende zekerheid dat het zegepralende leger der Hollanders nog slechts enkele dagreizen van hem verwijderd was en hij op niemand kon vertrouwen, dat niemand hem de reddende hand wilde toesteken om het zinkende schip weer vlot te brengen; alles verliet hem, nergens vertoonde zich redding dan alleen in snelle vlucht.
Adipati Anoem herinnerde zich de beloften en aanbiedingen hem door Radhen Wiro Negoro gedaan; ijlings zond hij een bode naar Pasaroean om den machtigen buurman van zijn ongeluk in kennis te stellen en zijn gastvrijheid te verzoeken; de tijd ontbrak hem echter om het antwoord te vernemen. Nog vóórdat de bode zijn bestemming bereikt kon hebben, zag Soenan Mas zich genoodzaakt met zijn vrouwen, kinderen en nog overgebleven dienaren den kraton te verlaten en oostwaarts te trekken om daar een schuilplaats te zoeken.
Intusschen deed Herman de Wilde zijn feestelijken intocht binnen de hofstad, vergezeld door den nieuwen Keizer, dien hij met groote plechtigheid deed inhuldigen.
Alle rijksgrooten op de enkelen na, die Soenan Mas in zijn vlucht volgden, kwamen zich aan Pakoe Boewana onderwerpen; zonder bloedvergieting hadden dus de Hollanders deze schitterende overwinning behaald.
Niets bleef nu de Wilde over dan met den nieuwen Keizer het tractaat te sluiten, dat niets anders was dan een bekrachtiging[84]van dat, hetwelk bijna twintig jaar geleden de Commissaris Tak naar Karta-Soera was komen brengen, toen hij op zulk een onverwachte wijze den dood vond.
De eenige schaduwzijde van dezen gelukkigen veldtocht was Adipati Anoem’s ontsnapping; de Wilde vond echter weinig reden dit te betreuren, daar hij hoopte hierin een voorwendsel te vinden tot een beslissenden oorlog tegen zijn persoonlijken vijand Soerapati.
„De zaken staan niet duister!” sprak de afgezette Keizer na een poos tot zijn volgelingen, „alleen Karta-Soera heb ik verloren, maar daar ginds aan gene zijde der Brantasrivier strekt zich nog een groot, machtig rijk uit, waarin ik als meester zal ontvangen worden.”
„Is mijn machtige gebieder daar zeker van?” waagde het een dermantri’ste zeggen, „zou Radhen Wiro Negoro zich niet tegenover hem gedragen als een onafhankelijk vorst?”
„Hoe zou hij dat wagen? Alles wat hij bezit, alles wat hij is, gewerd hem door de genadige goedheid mijns vaders, die hem toestond Java’s Oosthoek te bedwingen.”
„Dat zeide ook de tijger, die zich meester maakte van den uitgestrekten tuin, en den eigenaar, die zijn rechten wilde doen gelden, met gapenden muil bedreigde,” fluisterde de hoveling een zijner gezellen toe.
„Soerapati zal blijde en vereerd zijn dat hij mij de gastvrijheid zal kunnen terugschenken, die mijn vader hem eens verleende,” ging de Keizer voort, „hij zal zich haasten mij de regeering over te dragen van die landen, welke mij toebehooren en die hij in mijn naam bestuurt. Zijn Ratoe is mijn nicht …”
Demantri’szagen elkander achter ’s Keizers rug spottend aan.
„Deden wij niet goed nog vóór het te laat is Pakoe Boewana onze hulde te bewijzen?” mompelden eenigen.[85]
„Hij zal onze onderwerping met blijde oogen aanzien; namen wij geen deel aan den bloedigen dood van zijn dochter, Anoem’s schuldige gemalin? Hij zal op ons haar dood wreken, nu hij ’t niet meer op zijn neef vermag.”
Zij zinspeelden op een bloedig drama, dat nog tijdens het leven van den overleden Keizer in Karta-Soera had plaats gehad.
Adipati Anoem was met een dochter van den tegenwoordigen Keizer Pakoe Boewana gehuwd; de jonge, schoone vrouw echter minachtte haar mismaakten echtgenoot en vergat haar plicht; de Keizer veroordeelde haar en haar minnaar ter dood en liet het vonnis op de ongelukkige prinses door haar eigen broeders uitvoeren.
Soenan Mas deed bij zijn troonsbeklimming de geheele maagschap van zijn medeminnaar op wreedaardige wijze ombrengen. De eenige hofgrooten, die hem volgden, waren zij die in de hoogste mate de wrok van Pangeran Poeger opgewekt en van hem geen vergiffenis te hopen hadden; wie maar eenigszins vermoeden kon bij den nieuwen Keizer in gunst te komen, koos weldra zijn partij.
Een der zoons van Adipati Anoem reed zijn vader bijna ter zijde.
„Heer,” vroeg hij, „zoo het waar is dat Wiro Negoro slechts uw stadhouder is, waarom heeft dan de overleden Soesoehoenan zoo menigmaal legers op hem afgezonden en de hulp der Compagnie tegen hem ingeroepen?”
„Wist mijn vader dan wat hij wilde? Was hij niet de speelbal der partijen, de gehoorzame dienaar zijner Rijksbestuurders hetzij deze AmirangKoesoemoof Sindho Redjo heetten? Ik echter heb steeds vriendschap gekoesterd voor den dapperen Balinees; hij heeft mij zijn hulp toegezegd om mijn rechten tegen de Hollanders en tegen mijn ellendigen oom, dien Allah verdelge, te verdedigen.”
„Waarom is hij dan niet bijtijds op Karta-Soera aangerukt om[86]den Hollanders te beletten voort te rukken en zonder slag of stoot te zegepralen?”
„Het „omdat” zal ons weldra opgehelderd worden, mijn zoon! Maar nog is het niet te laat. Ook mijn grootvader, de heilige Keizer Tagalwangi verliet vluchtend zijn dalem; de dood heeft hem achterhaald, maar deze vijand die zijn ouderdom bedreigde is, Allah zij er voor geprezen, nog ver van mij verwijderd. Mijn vader trad spoedig in zegepraal binnen Karta-Soera terug en werd daar plechtig gekroond.”
„Dank de hulp der Hollanders!”
„Ook de Balineezen zullen niet minder dapper zijn. Immers de keizerlijke kroon van Mataram met de rijkssieraden bevinden zich in mijn bezit. Waar zij zijn, daar vertoeft de keizer!”
De djatibosschen, die hier den golvenden bodem bedekten, werden schaarscher en weken eindelijk geheel terug om het uitzicht te geven op het dal van de Brantas, die zich tusschen de vlakte slingerde, en de vruchtbare sawahs, welke haar omzoomden, drenkte met honderden frissche beekjes.
Van alle zijden begrensden bergen de rivier, welke ze van elkander scheen te splijten. De Keloet hief er zijn dreigenden hoekigen top omhoog. De groene hellingen van het Willisgebergte golfden vriendelijk omlaag naar de bloeiende vlakte; aan de overzijde der rivier wuifden de hooge kruinen van rijk beladen vruchtboomen zacht op en neer; deze vruchtboomen deden daar een dicht bosch vermoeden, maar zij die de streek kenden, wisten dat in haar schaduw zich de stad Kediri verschool.
Onder de grauwe morgenlucht kwamen de tallooze schakeeringen van groen en bruin nog niet tot hun recht, maar toen plotseling twee wolken vaneenscheurden scheen het of een regen van stofgoud uit den hemel op het landschap neerstortte, en alles van glans en licht doortintelde.[87]
Van alle zijden schitterden de kleuren den ruiters tegen; met schier oogverblindenden gloed weerkaatste de rivier het vuur des hemels; de zachte, teere tinten der fijn gevinde acaciabladeren deden het donkere loof der vruchtboomen nog donkerder schijnen, de sawahs schemerden in met zilveren wederglanzen witgroen, scherp teekenden zich de sierlijke kronen der palmboomen af tegen de glinsterend witte lucht.
„De zon beschijnt Kediri! Een goed teeken, vader!” riep een der jonge prinsen blijde uit.
„Waarom zouden goede teekens mij niet begroeten!”, zei de Soenan Mas minachtend, „is het recht dan niet aan mijn zijde?”
Een oude mantri zag zijn vrienden twijfelend aan en fluisterde:
„Een Soera van het heilige boek zegt: „Voorwaar—wien God ter doling voert, die vindt nimmer den rechten weg.” En ik vrees dat onze keizer zich op een dwaalspoor bevindt.”
„Hij vertrouwt op zich zelf, helaas! Moge zijn waan niet door Allah gestraft worden, die de hoogmoedigen weerstaat, en de nederigen met welgevallen aanziet.”
„Ziet ge daar niets schitteren?” vroeg de keizer, „zou men niet zeggen dat een stoet krijgers nadert?”
Inderdaad flikkerden boven de sawahs, witglanzende lichten, die als even zoovele sterren op en neer dansten boven een donkere massa, die nader en nader scheen te komen.
„Het zal Radhen Wiro Negoro zijn, die Uw Hoogheid komt begroeten,” zeide een dermantri’s.
Men kwam thans van tijd tot tijd groepjes landlieden tegen, die bij het zien van den keizerlijken stoet eerbiedig naar den kant van den weg terugweken, maar zich niet ter aarde wierpen, zooals de eeuwenoude plicht hen voorschreef; de keizer zag het, maar haalde de schouders verachtelijk op.[88]
„Zij kennen mij niet,” sprak hij vergoelijkend, „de tijd ontbreekt mij het hun te leeren. Weldra echter zullen zij weten wat de gouden pajong, die men achter mij draagt, voorschrijft.”
De vlammen naderden meer en meer, steeds met heller gloed blinkend; het duurde niet lang of men onderscheidde een driehonderdtal ruiters, die in snellen draf kwamen aangereden; links en rechts van hen wierpen de landbouwers zich ter aarde, en toen bleek het dat de lichten door de zon ontstoken werden, in de zilveren lansen, door hen in de hand gedragen.
De keizer sprak niets meer; zijn oog verslond den afstand, welke hem scheidde van den naderenden stoet. Men kon dien allengs beter onderscheiden; aan het hoofd reden een twintigtal mannen, die een wacht schenen te vormen voor hem die allen aanvoerde. Deze bereed een prachtig Arabisch paard, rijk met zilver, goud en purper getooid, dat vlug en sierlijk met fier opgeheven hals, scheen te begrijpen, welken kostbaren last hij droeg; weldra stonden beide groepen tegenover elkander. De keizer hield den draf van zijn paard een weinig in, afwachtend wat de andere stond te doen.
De zonnestralen deden de wit en roode gewaden der nieuw-aangekomenen gloeien tusschen de groenblauwe kleuren van het landschap; het verguldsel dat hen bedekte schitterde hel en vroolijk en stak levendig af bij de bestoven en beslijkte kleeding van den keizer en zijn dienaars.
Hun aanvoerder, een man in de kracht des levens, reed met zijn staf vooruit; de anderen bleven op eenigen afstand staan. Zijn paard steigerde hoog, hij hield echter het vurige dier met al het gemak en vaardigheid van een, die zich meester weet, in bedwang.
Zijn gestalte was hoog en krachtig, zijn breede schouders en forsche bouw kwamen tot hun volle recht in het weinig Javaansche kostuum dat hij droeg; een wit opperkleed gelijk aan dat der Hindoesche[89]radjah’s omsloot strak zijn bovenlijf; een wijde donkergroen zijden broek was om zijn enkels vastgesloten, terwijl zijn voeten in sierlijke muilen staken; goud borduursel bedekte het bovenkleed evenals de donkerroode mantel, die op zijn rechterschouder met een kostbare diamanten speld gesloten was en waarvan de sierlijke plooien over het paard fladderden en verder door den snellen rit in het vrije wapperden. In zijn gordel staken de gouden gevesten van krissen en tevens ook de gewone stalen loopen van Europeesche pistolen; een breed Oostersch zwaard hing hem ter zijde.
Zijn gelaat was donker gekleurd maar er lag trots en majesteit in de wijze, waarop hij te paard zat, fier zelfbewustzijn lichtte uit zijn oogen. Zijn lokken waren geheel bedekt door een geelzijden tulband met een arendsveer gesierd, die door een fonkelenden robijn bevestigd was. Een zware zwarte baard, waarin echter reeds menige zilveren draad glom, viel hem op de borst, en verhoogde het vorstelijke on-Javaansche van zijn voorkomen.
De mannen, die Soenan Mas omringden, schenen klein en onbeduidend, week en laf, tegenover die hooge, majestueuze verschijning; zelfs naast zijne volgelingen hoewel minder krachtig en groot dan hun opperhoofd, geleken zij bijna dwergen.
Snel rende hij op den gevallen keizer aan, en bracht hem naderend, bij wijze van groet, de rechterhand aan den tulband, daarop strekte hij deze met een echt koninklijk gebaar uit naar den vorst, die in afwachtende houding stilhield.
„Wees welkom in mijn rijk, broeder!” sprak hij met zijn klankvolle, heldere stem, „ik bied u gastvrijheid, steun en hulp aan!”
Het was of een bliksemstraal uit den helderen hemel Soenan Mas in zijn ijdelen eigenwaan trof.
Stom van verbazing plukte hij aan de teugels van zijn paard en sloeg de oogen vertoornd neder; dit was het niet, wat hij in Kediri[90]kwam zoeken, maar niets werd hem meer aangeboden. Door het aan te nemen legde hij de keizerlijke waardigheid tegenover een onderdaan af, door het te weigeren ontblootte hij zich van zijn laatste hulp.
„Wie zijt gij?” vroeg hij weifelend.
„Ik ben dezelfde, dien uw vader eens gastvrij opnam in zijn paleis, Soerapati de gevluchte slaaf en rooverhoofdman, thans echter betaalt Radhen Adipati Wiro Negoro de schuld van dankbaarheid des vaders af aan den zoon. Ik zeg het u nogmaals broeder, wees welkom! De God mijner Vaderen zegende mijne wapenen, en het is goed in de dagen des geluks de vrienden uit den kwaden tijd niet te vergeten.”
Hij hield de hand nog steeds uitgestoken; Soenan Mas, die verwacht had hem voor zich ter aarde te zien knielen, bleef hem nog een poos als wezenloos aanstaren, toen legde hij weifelend ook zijn hand in de zijne.
„Met dezen handdruk sluiten wij bondgenootschap, broeder,” sprak Soerapati, „gij allen zijt er getuige van, ik zal u beschermen tegen de trotsche vreemdelingen, die u uit uw erf verdreven hebben.”
Hij zwenkte zijn paard zoodat hij thans aan de rechterzijde van den keizer kwam te rijden; met een genadigen hoofdknik groette hij de prinsen en rijksgrooten en noemde vervolgens enkelen van zijn gevolg op.
„De regent van Kediri, in wiens dalem U een verblijf, passend aan uw rang, is gereed gemaakt, mijne zonen, de prins van Balembangan, gemaal mijner dochter, de regent van Bangil, die zich allen verheugen den Keizer van Mataram te mogen begroeten.”
Maar geen der aangewezenen stapte van zijn paard, allen bepaalden zich er toe met hun lansen den vreemden vorst te groeten.[91]De soldaten schikten zich snel met bewonderenswaardige regelmaat in vier rijen, aan weerszijden van den weg om den stoet door te laten; met opgeheven lansen bleven zij staan totdat hun vorst met zijn gast en verder gevolg voortgeschreden waren, toen zetten ook zij zich in beweging en omsloten den geheelen keizerlijken stoet. Wie dat geleide van gewapende ruiters de mannen, vrouwen en kinderen zag omringen, zou eer denken aan een troep gevangenen die onder sterke wacht werd voortgeleid, dan aan een gezelschap van hooge gasten, vriendschappelijk ontvangen.