VI.

[Inhoud]VI.COMMISSARIS TAK.Eenige dagen later was Karta-Soera in rep en roer; de voorwacht van het gezantschap naderde de residentiestad; aan het hoofd reed kapitein Lehman, met zijn beide luitenants Vonk en Eygel; tweecompagnieënsoldaten volgden hem, beladen met geschenken en pakgoederen.In de achterhoede bevond zich de Sultan van Tjeribon met zijn hofgrooten, die eindelijk door den Commissaris Tak er toe gebracht was zijn hulde aan den Soesoehoenan, zijn leenheer te brengen. ’s Morgens om acht uur waren zij uit Samarang vertrokken en brachten den nacht in Oenarang door, een dorp gelegen aan den voet van den fraaien tot den top begroeiden berg Oenarang, waarvan de bewoners verplicht waren alle aanzienlijke reizigers naar Mataram te onthalen en te herbergen, terwijl het hun verboden was op straffe des doods iets daarvoor ooit terug te ontvangen.Van Oenarang reisde men door een heerlijke, vruchtbare vallei; links en rechts strekten zich de rijstvelden uit, besproeid door tallooze beekjes, die van de bergen afstroomden en zich met de groote Demak-rivier vermengden; een menigte dessah’s, waarvan men er dikwijls drie à vier in het uur aantrof, verrieden de volkrijkheid der streek. De voornaamste was Salatiga een fraai, welvarend dorp, zeven mijlen verwijderd van de eerste poort, die[125]toegang gaf tot het rijk van Mataram, waardoor niemand zonder vergunning van den Soesoehoenan naar Samarang mocht trekken.Aan gene zijde van deze poort opende zich een woest, bergachtig landschap, waarna de rijstvelden weder in volle lengte en rijkdom zich uitstrekten zooverre, dat men ze niet overzien kon, terwijl het gezicht aan weerszijden begrensd werd door heuvels beplant met vruchtboomen, waartusschen tal van kampongs verstrooid lagen.De Merbaboe hief zijn bijna geheel bebouwden kruin opwaarts, terwijl zijn voet stiet aan het Oenarang-gebergte; vele groote en kleine rivieren besproeiden het land en gaven daaraan deze bijna ongeloofelijke vruchtbaarheid.Vier dagen gebruikte het gezantschap tot de reis naar Karta-Soera, den tweeden nacht sliepen zij in het dorp Banjoe-poetih, den derden in Tingkir en den vierden in Modjo-Soanga. Op den morgen van den vijfden dag kwam een der mantri’s, de Radhen Aria Sindoe-Radja, bij den Commissaris, die met den opperkoopman Van Vliet in gesprek was; op den kruipenden, onderdanigen toon welken de inlanders tot hun meerderen aanslaan, sprak hij tot den gezant zeggende:„Mijn broeder, gelieve hier een poos te wachten, ik zal eerst iemand zenden om Zijn Hoogheid den Soesoehoenan kennis te geven van de komst zijns zoons.”De Commissaris antwoordde:„’t Is goed. Ik zal hier de orders van den Soesoehoenan afwachten. Ik hoop, dat Zijn Hoogheid zich in welstand bevindt met zijn gezin en zijn onderdanen.”„Helaas, ik heb vernomen dat de welstand van onzen grooten Heer niets te wenschen overlaat, maar die zijner onderdanen is zooals ik mijn broeder den Commissaris reeds in Samarang gezegd heb niet al te wel en niet al te slecht.”[126]„Om welke reden zegt Radhen Sindoe-Radja dat?”„Ik zeg dit om den Balinees Soerapati; hem goed te doen is bezwaarlijk en hem kwaad gezind te zijn is vol gevaar, daar hij veel volk om zich heen verzamelt en hen geducht oefent in den wapenhandel. Hij hoort naar geen bevelen meer, zelfs niet naar die van onzen machtigen Heer den keizer. Wij kunnen hem niet tegenhouden want hij volgt zijn eigen zin.”Streng zag de gezant den flemerigen Javaan aan, die met huichelachtige bescheidenheid de oogen neersloeg.„Ik heb geen reden aan de waarheid van uw woorden te gelooven,” antwoordde hij stroef. „Zoo de Soesoehoenan niet op het bijzijn van den voortvluchtigen slaaf Soerapati gesteld was zou hij hem geen dorp tot woonplaats hebben gegeven, omringd door bosschen, en hem niet plechtig in zijn tegenwoordigheid met een zijner bloedverwanten doen trouwen. En hoe zou ’t dan kunnen wezen, dat hij de bevelen van den keizer, die hem met zoovele weldaden heeft overladen, niet wil gehoorzamen?”„Het is waar en waarachtig,” verklaarde deemoedig Radhen Sindoe-Radja, „hetgeen mijn broeder zegt, „maar Zijn Hoogheid heeft hem deze gunsten slechts bewezen omdat het volk van Karta-Soera hem vreest en hij met zijn manschappen hen zou plunderen en vermoorden als de keizer hem niet tot vriend hield. Mijn broeder weet immers dat de beste wijze om zich van een vijand te ontdoen is, van hem een vriend te maken.”„Zoo spreken de vrouwen en voorzoover ik weet is het volk van Mataram geen volk van vrouwen,” hernam Tak ongeduldig en verontwaardigd tegelijk, „zijn dan de geweren en pieken der Balineezen zooveel beter dan die der Javanen? Zij hebben toch dezelfde wapenen, hoe kunnen zij dan gevaarlijk zijn, met hun klein aantal tegen de duizenden strijdbare mannen van Karta-Soera?”[127]„Mijn broeder weet ook,” verzekerde de Radhen altijd even onderworpen, „dat de stoutmoedigsten het meeste wagen en ook den dood niet vreezen, maar de Javanen zijn bang om te sneuvelen. Als echter onze broeders de Hollanders hen bijstaan, dan vreezen zij Soerapati en zijn leger niet, maar zullen zich gaarne van hen ontdoen.”„Welnu, wij zullen zien wat de Soesoehoenan zal besluiten; zend dus een bode naar uw meester en voeg er bij, dat ik niet in zijn tegenwoordigheid zal verschijnen om mij te kwijten van den last mij door de Hooge Regeering opgedragen, vóórdat Soerapati, de roover, dood of levend in mijn handen is gesteld.”„Ik zal blijde zijn den keizer de boodschap van den gezant, dien hij zijn zoon noemt, te doen overbrengen.”„Dat voorspelt niets goeds Van Vliet,” sprak de Commissaris, nadat Radhen Sindoe-Radja hem van zijn tegenwoordigheid had bevrijd, „ik ben vreemd te moede, maar ik geloof, dat wij hier in een zeer moeilijk geval zullen komen. Aan waarschuwingen over de gezindheid van den Soesoehoenan heeft het ons niet ontbroken. Ook kapitein-luitenant Grevink schijnt het niet te vertrouwen. Wat heeft hij u ook weer geschreven?”„Och, Grevink is een voortvarend heethoofd; had hij altijd geveinsd niets te weten van Soerapati’s aanwezigheid, dan zou onze taak gemakkelijker zijn geweest, maar hij heeft reeds het vorige jaar den Soesoehoenan gewaarschuwd, dat het ons niet bevallen zou, wanneer men voortging het rooverhoofd tot vriend te houden. Daardoor is dat gespuis gewaarschuwd en de keizer begrijpt heel goed dat we om iets anders komen dan om een vriendschapsbezoek.”„Nu, hij zal ook wel weten hoe diep hij bij ons in de schuld steekt.”[128]„Dat weet hij genoeg. Grevink schreef, dat de vorst ’t hem ronduit had gezegd, dat het gezantschap kwam om aan te dringen op de uitbetaling der driehonderdduizend rijksdaalders en zoo hij die niet kon opbrengen, zouden wij hem aangrijpen en het heele volk tot slaven maken. Grevink heeft hem gerustgesteld en kwam toen mij ongerust maken. Ik antwoordde hem, dat het schande was zich zoo verwijfd aan te stellen en vroeg of hij geen moed meer in het lijf had. ’t Zou laf en ons onwaardig zijn als we ons bezorgd maakten over een handjevol Balineezen.”„Het handjevol zou zooveel niet beteekenen, maar wie zegt ons of zij den keizer en alle hofgrooten niet achter zich hebben? Dat volk verstaat zoo de kunst zijn plannen en meeningen te verbergen, dat men steeds vreest met hen over een vulkaan te wandelen; wie weet wat voor duivelsche plannen gesmeed worden achter die goedige, onschuldige oogen. Ik vertrouw hen niets; maar hebt ge nog een later briefje van Grevink ontvangen?”„Ja, hij praat veel te veel naar mijn zin met zijn bruine Majesteit; hij herhaalde tot vervelens toe dat wij alleen kwamen om den welstand van het Rijk te bespreken en toen moet de keizer echt vriendelijk gezegd hebben: „Als mijn zoon de gezant boven komt, dan zal ik veertig tijgers, die ik nog in de Bagelen heb, laten komen om ze tot zijn vermaak te laten losloopen.” En Grevink verbeeldde zich dat hij met die tijgers eigenlijk Balineezen bedoelde.”De Commissaris Tak antwoordde niet; hij was een krachtig gebouwd dapper krijgsman, die in den oorlog tegen Bantam en Troeno-Djojo zijn sporen verdiend had; de vingers van zijn verbrijzelde linkerhand, waarvan hij eenige in den Bantamschen oorlog verloren had getuigden er van; de opperkoopman Van Vliet daarentegen had in menig moeilijk geval grootestaatsmanswijsheidgetoond en der Compagnie eveneens groote diensten bewezen; nog[129]onlangs had hij door zijn bemiddeling het uitbreken van ernstige onlusten in Madura voorkomen.De Compagnie had opzettelijk gewacht totdat zij beide vertrouwde mannen beschikbaar had om ze uit te zenden op den moeilijken tocht, waartoe veel beleid en voorzichtigheid vereischt werden. Een instructie van meer dan eenenzestig bladzijden groot was den Commissaris meegegeven; hij had eerst de kantoren aan Java’s Noordkust te inspecteeren, verder moest hij de troonsopvolging in Tjeribon regelen, welke voorloopige werkzaamheden hij gelukkig voleind had.Nu kwam het moeilijkste, de zending bij den Soesoehoenan, voor wien hij de nooit aangename boodschap had, hem tot betaling zijner achterstallige schulden aan te sporen. De rekening was vrij hoog, daar zij de voor dien tijd verbazende som van ƒ 4,600000 bedroeg; de Compagnie begreep echter, dat de keizer nooit zulk een bedrag zou afdoen en maakte dus van den nood een deugd om ze te herleiden tot 344000 rijksdaalders, welke Tak zelfs verminderen mocht tot 250000. Natuurlijk zou de Soesoehoenan door het aannemen dezer gunst nog meer onder de macht geraken van de Hollanders, die in ruil voor hunne mildheid de veilige en trouwe handhaving zouden verzoeken van alle „vrije vergunde bedongen octrooien, privilegiën en voorrechten.”Bovendien moest de Soesoehoenan der Compagnie uitbreiding van haar grondgebied toestaan en handelsvoorrechten in de kustplaatsen; ook de onderwerping van den Tjeribonschen prins behoorde tot Tak’s zorgen. Het had hem veel moeite gekost den jongen Sultan mee te nemen om persoonlijk zijn hulde aan den Mataramschen keizer te brengen, maar ook dit bezwaar scheen uit den weg geruimd.Niets scheen moeite te kosten dan het laatste artikel, waarop[130]ook nog een zoogenaamd „secreet appendix” doelde. De Soesoehoenan had zich tegenover de Compagnie verbonden „nooit onder zijn gebied metterwoon te gedoogen, eenigeMakassaren, Maleiers, Mooren of wat natiën het mochten wezen, noch ook eenige frequentatie te verleenen.”In een volgend octrooi was ten overvloede bepaald, dat al deze vreemdelingen die in Mataram waren toegelaten, zouden staan „onder het gebied en de discipline der Compagnie, onverminderd dat zij zouden blijven des Soesoehoenans onderdanen.”Deze beide artikelen waren nu openlijk geschonden door de toelating van Soerapati in den kraton; Tak moest zijn uitlevering ten strengste eischen en zelfs zoo het bleek dat alle pogingen die hij daartoe in der minne zou beproeven, niet slaagden, geweld gebruiken om de opstandelingen in zijn macht te krijgen. Faalden echter alle pogingen, dan zou het den gezant vrij staan hun genade aan te bieden, mits zij zich naar Batavia zouden begeven om zich daar voor de Hooge Regeering te vernederen.„Ik geloof, dat de commandeur Jan Albert Sloot gelijk heeft,” sprak Tak na eenige oogenblikken nadenken, „het zal moeite kosten den Balinees in handen te krijgen. Kuffeler heeft ons indertijd daar mooi werk mee verschaft: had hij hem maar tot vriend gehouden.”„Ik heb dat volk liever tot vijand dan tot vriend, dan weet men ten minste wat men er aan heeft. De besten deugen niet, dat ziet ge aan Jonker, die ook reden tot wantrouwen begint te geven.”„Ik heb naast Jonker gestreden en toen ten minste was hij trouw als geen Hollander. Ik mocht den dapperen Ambonnees zeer gaarne lijden, en ik twijfel er niet aan, wanneer ik terugkom op Batavia en hem een riem onder ’t hart steek, dat de wolk zal voorbijdrijven. Juist dat wantrouwen van ons maakt hen, die ’t goed met de[131]vreemdelingen meenen, ontevreden. Zij gevoelen genoeg, dat wij hen niet als onze gelijken aanzien, hoe wij hen ook eer en achting uiterlijk bewijzen. Dat gebrek heeft Sloot, hoe bekwaam en scherpzinnig hij ook zijn mag in de hoogste mate; hij schrijft hen steeds nevenbedoelingen toe. Daarom ook handelde hij met schier Javaansche wreedheid toen hij Kadjoran en zijn geslacht verdelgde.”„Ge moest ze kennen als ik, die zooveel met hen overgebracht heb, dan zoudt ge den commandeur gelijk geven. Dat volk heeft in geveinsdheid en onoprechtheid zijn weergade niet. Ik heb wat al omwegen en kronkelpaden moeten doorloopen om met hen mijn doel te bereiken; men moet ze door en door kennen om met hen om te gaan; die kunst mist Grevink geheel. Hij is te oprecht.”„Ik zou liever tegen hen vechten dan met hen onderhandelen, dat is zeker, maar ik zie het heden niet goed in. Ik weet zelf niet waarom; hoor eens Van Vliet, als de zaak verkeerd afloopt, zult ge dan mijn vrouw en dochtertje in de gunst der Hooge Regeering aanbevelen?”„Dat zal wel niet mogelijk zijn, heer Commissaris, als het misloopt, dan zullen wij er beiden wel het leven bij inschieten.”„’t Is niet gezegd, ’t is aan mij die verwenschte Balineezen te vangen; gij zijt alleen voor het diplomatieke gedeelte der zending.”„En uw vrouw en dochter zijn toch bezorgd, de Directeur-generaal is uw zwager.”„Maar mijn vrouw is zwak en ziekelijk en mijn dochtertje nog zoo bitter jong; ik vrees ze niet meer terug te zien. Waarlijk, ik gaf dit geheele mooie landschap en al de pracht, waarmede wij reizen voor mijn eenvoudige woning op de Tijgergracht van Batavia.”„Ik heb u nooit bang gezien, Commissaris! Waarlijk, wij hebben wel voor heeter vuren gestaan. En ik vind het eigenlijk in de[132]hoogste mate vernederend, dat de Opperlandvoogd en Raden van Indië door een gedrosten slaaf in spanning worden gehouden.”„Ik geloof dat die Balinees der Compagnie nog veel te doen zal geven. De kerel durft; hij heeft veel bij ons geleerd en zal die kennis gebruiken om ons schade aan te doen.”De verschijning van Sindoe-Radja maakte aan het gesprek der beide hoofdpersonen van het gezantschap een einde.„Ik heb een brief voor mijn broeder den heer Commissaris,” sprak hij, en naderde vol eerbied den gezant. „Zoo pas is mij die gebracht.”Tak opende het briefje, dat door den kapitein-luitenant Grevink geschreven was; zwijgend reikte hij het Van Vliet over.„Wat moeten wij er van denken?” vroeg hij.„Ze worden bang, de Rijksbestuurder is de spil waar alles om draait; hij bemerkt dat het der Compagnie ernst is met de opvordering van zijn lieveling en nu willen ze zich zelf van hem ontdoen, zonder onze hulp.”„Dat is juist het tegenovergestelde wat Sindoe-Radja verlangde; ik vertrouw ze niet, maar in elk geval kunnen wij onzen tocht voortzetten.”„Zou het niet beter zijn, vraag ik in alle bescheidenheid, te wachten, tot wij bericht ontvangen, dat het hun gelukt is den schurk in handen te krijgen?”„Waarom? Dat getalm verveelt mij, ik heb haast met de zaak te beginnen, anders komt ze nooit ten einde.”„Belieft het mijn broeder nu te gaan?” vroeg Radhen Sindoe-Radja.„Ja, het is goed, laat ons gaan!” sprak de Commissaris.Het was tien uur, de zon stond hoog aan den hemel; niettegenstaande de sombere voorgevoelens van den gezant vermoedde[133]noch hij, noch de opperkoopman Van Vliet, dat zij die zon niet meer zouden zien ondergaan.

[Inhoud]VI.COMMISSARIS TAK.Eenige dagen later was Karta-Soera in rep en roer; de voorwacht van het gezantschap naderde de residentiestad; aan het hoofd reed kapitein Lehman, met zijn beide luitenants Vonk en Eygel; tweecompagnieënsoldaten volgden hem, beladen met geschenken en pakgoederen.In de achterhoede bevond zich de Sultan van Tjeribon met zijn hofgrooten, die eindelijk door den Commissaris Tak er toe gebracht was zijn hulde aan den Soesoehoenan, zijn leenheer te brengen. ’s Morgens om acht uur waren zij uit Samarang vertrokken en brachten den nacht in Oenarang door, een dorp gelegen aan den voet van den fraaien tot den top begroeiden berg Oenarang, waarvan de bewoners verplicht waren alle aanzienlijke reizigers naar Mataram te onthalen en te herbergen, terwijl het hun verboden was op straffe des doods iets daarvoor ooit terug te ontvangen.Van Oenarang reisde men door een heerlijke, vruchtbare vallei; links en rechts strekten zich de rijstvelden uit, besproeid door tallooze beekjes, die van de bergen afstroomden en zich met de groote Demak-rivier vermengden; een menigte dessah’s, waarvan men er dikwijls drie à vier in het uur aantrof, verrieden de volkrijkheid der streek. De voornaamste was Salatiga een fraai, welvarend dorp, zeven mijlen verwijderd van de eerste poort, die[125]toegang gaf tot het rijk van Mataram, waardoor niemand zonder vergunning van den Soesoehoenan naar Samarang mocht trekken.Aan gene zijde van deze poort opende zich een woest, bergachtig landschap, waarna de rijstvelden weder in volle lengte en rijkdom zich uitstrekten zooverre, dat men ze niet overzien kon, terwijl het gezicht aan weerszijden begrensd werd door heuvels beplant met vruchtboomen, waartusschen tal van kampongs verstrooid lagen.De Merbaboe hief zijn bijna geheel bebouwden kruin opwaarts, terwijl zijn voet stiet aan het Oenarang-gebergte; vele groote en kleine rivieren besproeiden het land en gaven daaraan deze bijna ongeloofelijke vruchtbaarheid.Vier dagen gebruikte het gezantschap tot de reis naar Karta-Soera, den tweeden nacht sliepen zij in het dorp Banjoe-poetih, den derden in Tingkir en den vierden in Modjo-Soanga. Op den morgen van den vijfden dag kwam een der mantri’s, de Radhen Aria Sindoe-Radja, bij den Commissaris, die met den opperkoopman Van Vliet in gesprek was; op den kruipenden, onderdanigen toon welken de inlanders tot hun meerderen aanslaan, sprak hij tot den gezant zeggende:„Mijn broeder, gelieve hier een poos te wachten, ik zal eerst iemand zenden om Zijn Hoogheid den Soesoehoenan kennis te geven van de komst zijns zoons.”De Commissaris antwoordde:„’t Is goed. Ik zal hier de orders van den Soesoehoenan afwachten. Ik hoop, dat Zijn Hoogheid zich in welstand bevindt met zijn gezin en zijn onderdanen.”„Helaas, ik heb vernomen dat de welstand van onzen grooten Heer niets te wenschen overlaat, maar die zijner onderdanen is zooals ik mijn broeder den Commissaris reeds in Samarang gezegd heb niet al te wel en niet al te slecht.”[126]„Om welke reden zegt Radhen Sindoe-Radja dat?”„Ik zeg dit om den Balinees Soerapati; hem goed te doen is bezwaarlijk en hem kwaad gezind te zijn is vol gevaar, daar hij veel volk om zich heen verzamelt en hen geducht oefent in den wapenhandel. Hij hoort naar geen bevelen meer, zelfs niet naar die van onzen machtigen Heer den keizer. Wij kunnen hem niet tegenhouden want hij volgt zijn eigen zin.”Streng zag de gezant den flemerigen Javaan aan, die met huichelachtige bescheidenheid de oogen neersloeg.„Ik heb geen reden aan de waarheid van uw woorden te gelooven,” antwoordde hij stroef. „Zoo de Soesoehoenan niet op het bijzijn van den voortvluchtigen slaaf Soerapati gesteld was zou hij hem geen dorp tot woonplaats hebben gegeven, omringd door bosschen, en hem niet plechtig in zijn tegenwoordigheid met een zijner bloedverwanten doen trouwen. En hoe zou ’t dan kunnen wezen, dat hij de bevelen van den keizer, die hem met zoovele weldaden heeft overladen, niet wil gehoorzamen?”„Het is waar en waarachtig,” verklaarde deemoedig Radhen Sindoe-Radja, „hetgeen mijn broeder zegt, „maar Zijn Hoogheid heeft hem deze gunsten slechts bewezen omdat het volk van Karta-Soera hem vreest en hij met zijn manschappen hen zou plunderen en vermoorden als de keizer hem niet tot vriend hield. Mijn broeder weet immers dat de beste wijze om zich van een vijand te ontdoen is, van hem een vriend te maken.”„Zoo spreken de vrouwen en voorzoover ik weet is het volk van Mataram geen volk van vrouwen,” hernam Tak ongeduldig en verontwaardigd tegelijk, „zijn dan de geweren en pieken der Balineezen zooveel beter dan die der Javanen? Zij hebben toch dezelfde wapenen, hoe kunnen zij dan gevaarlijk zijn, met hun klein aantal tegen de duizenden strijdbare mannen van Karta-Soera?”[127]„Mijn broeder weet ook,” verzekerde de Radhen altijd even onderworpen, „dat de stoutmoedigsten het meeste wagen en ook den dood niet vreezen, maar de Javanen zijn bang om te sneuvelen. Als echter onze broeders de Hollanders hen bijstaan, dan vreezen zij Soerapati en zijn leger niet, maar zullen zich gaarne van hen ontdoen.”„Welnu, wij zullen zien wat de Soesoehoenan zal besluiten; zend dus een bode naar uw meester en voeg er bij, dat ik niet in zijn tegenwoordigheid zal verschijnen om mij te kwijten van den last mij door de Hooge Regeering opgedragen, vóórdat Soerapati, de roover, dood of levend in mijn handen is gesteld.”„Ik zal blijde zijn den keizer de boodschap van den gezant, dien hij zijn zoon noemt, te doen overbrengen.”„Dat voorspelt niets goeds Van Vliet,” sprak de Commissaris, nadat Radhen Sindoe-Radja hem van zijn tegenwoordigheid had bevrijd, „ik ben vreemd te moede, maar ik geloof, dat wij hier in een zeer moeilijk geval zullen komen. Aan waarschuwingen over de gezindheid van den Soesoehoenan heeft het ons niet ontbroken. Ook kapitein-luitenant Grevink schijnt het niet te vertrouwen. Wat heeft hij u ook weer geschreven?”„Och, Grevink is een voortvarend heethoofd; had hij altijd geveinsd niets te weten van Soerapati’s aanwezigheid, dan zou onze taak gemakkelijker zijn geweest, maar hij heeft reeds het vorige jaar den Soesoehoenan gewaarschuwd, dat het ons niet bevallen zou, wanneer men voortging het rooverhoofd tot vriend te houden. Daardoor is dat gespuis gewaarschuwd en de keizer begrijpt heel goed dat we om iets anders komen dan om een vriendschapsbezoek.”„Nu, hij zal ook wel weten hoe diep hij bij ons in de schuld steekt.”[128]„Dat weet hij genoeg. Grevink schreef, dat de vorst ’t hem ronduit had gezegd, dat het gezantschap kwam om aan te dringen op de uitbetaling der driehonderdduizend rijksdaalders en zoo hij die niet kon opbrengen, zouden wij hem aangrijpen en het heele volk tot slaven maken. Grevink heeft hem gerustgesteld en kwam toen mij ongerust maken. Ik antwoordde hem, dat het schande was zich zoo verwijfd aan te stellen en vroeg of hij geen moed meer in het lijf had. ’t Zou laf en ons onwaardig zijn als we ons bezorgd maakten over een handjevol Balineezen.”„Het handjevol zou zooveel niet beteekenen, maar wie zegt ons of zij den keizer en alle hofgrooten niet achter zich hebben? Dat volk verstaat zoo de kunst zijn plannen en meeningen te verbergen, dat men steeds vreest met hen over een vulkaan te wandelen; wie weet wat voor duivelsche plannen gesmeed worden achter die goedige, onschuldige oogen. Ik vertrouw hen niets; maar hebt ge nog een later briefje van Grevink ontvangen?”„Ja, hij praat veel te veel naar mijn zin met zijn bruine Majesteit; hij herhaalde tot vervelens toe dat wij alleen kwamen om den welstand van het Rijk te bespreken en toen moet de keizer echt vriendelijk gezegd hebben: „Als mijn zoon de gezant boven komt, dan zal ik veertig tijgers, die ik nog in de Bagelen heb, laten komen om ze tot zijn vermaak te laten losloopen.” En Grevink verbeeldde zich dat hij met die tijgers eigenlijk Balineezen bedoelde.”De Commissaris Tak antwoordde niet; hij was een krachtig gebouwd dapper krijgsman, die in den oorlog tegen Bantam en Troeno-Djojo zijn sporen verdiend had; de vingers van zijn verbrijzelde linkerhand, waarvan hij eenige in den Bantamschen oorlog verloren had getuigden er van; de opperkoopman Van Vliet daarentegen had in menig moeilijk geval grootestaatsmanswijsheidgetoond en der Compagnie eveneens groote diensten bewezen; nog[129]onlangs had hij door zijn bemiddeling het uitbreken van ernstige onlusten in Madura voorkomen.De Compagnie had opzettelijk gewacht totdat zij beide vertrouwde mannen beschikbaar had om ze uit te zenden op den moeilijken tocht, waartoe veel beleid en voorzichtigheid vereischt werden. Een instructie van meer dan eenenzestig bladzijden groot was den Commissaris meegegeven; hij had eerst de kantoren aan Java’s Noordkust te inspecteeren, verder moest hij de troonsopvolging in Tjeribon regelen, welke voorloopige werkzaamheden hij gelukkig voleind had.Nu kwam het moeilijkste, de zending bij den Soesoehoenan, voor wien hij de nooit aangename boodschap had, hem tot betaling zijner achterstallige schulden aan te sporen. De rekening was vrij hoog, daar zij de voor dien tijd verbazende som van ƒ 4,600000 bedroeg; de Compagnie begreep echter, dat de keizer nooit zulk een bedrag zou afdoen en maakte dus van den nood een deugd om ze te herleiden tot 344000 rijksdaalders, welke Tak zelfs verminderen mocht tot 250000. Natuurlijk zou de Soesoehoenan door het aannemen dezer gunst nog meer onder de macht geraken van de Hollanders, die in ruil voor hunne mildheid de veilige en trouwe handhaving zouden verzoeken van alle „vrije vergunde bedongen octrooien, privilegiën en voorrechten.”Bovendien moest de Soesoehoenan der Compagnie uitbreiding van haar grondgebied toestaan en handelsvoorrechten in de kustplaatsen; ook de onderwerping van den Tjeribonschen prins behoorde tot Tak’s zorgen. Het had hem veel moeite gekost den jongen Sultan mee te nemen om persoonlijk zijn hulde aan den Mataramschen keizer te brengen, maar ook dit bezwaar scheen uit den weg geruimd.Niets scheen moeite te kosten dan het laatste artikel, waarop[130]ook nog een zoogenaamd „secreet appendix” doelde. De Soesoehoenan had zich tegenover de Compagnie verbonden „nooit onder zijn gebied metterwoon te gedoogen, eenigeMakassaren, Maleiers, Mooren of wat natiën het mochten wezen, noch ook eenige frequentatie te verleenen.”In een volgend octrooi was ten overvloede bepaald, dat al deze vreemdelingen die in Mataram waren toegelaten, zouden staan „onder het gebied en de discipline der Compagnie, onverminderd dat zij zouden blijven des Soesoehoenans onderdanen.”Deze beide artikelen waren nu openlijk geschonden door de toelating van Soerapati in den kraton; Tak moest zijn uitlevering ten strengste eischen en zelfs zoo het bleek dat alle pogingen die hij daartoe in der minne zou beproeven, niet slaagden, geweld gebruiken om de opstandelingen in zijn macht te krijgen. Faalden echter alle pogingen, dan zou het den gezant vrij staan hun genade aan te bieden, mits zij zich naar Batavia zouden begeven om zich daar voor de Hooge Regeering te vernederen.„Ik geloof, dat de commandeur Jan Albert Sloot gelijk heeft,” sprak Tak na eenige oogenblikken nadenken, „het zal moeite kosten den Balinees in handen te krijgen. Kuffeler heeft ons indertijd daar mooi werk mee verschaft: had hij hem maar tot vriend gehouden.”„Ik heb dat volk liever tot vijand dan tot vriend, dan weet men ten minste wat men er aan heeft. De besten deugen niet, dat ziet ge aan Jonker, die ook reden tot wantrouwen begint te geven.”„Ik heb naast Jonker gestreden en toen ten minste was hij trouw als geen Hollander. Ik mocht den dapperen Ambonnees zeer gaarne lijden, en ik twijfel er niet aan, wanneer ik terugkom op Batavia en hem een riem onder ’t hart steek, dat de wolk zal voorbijdrijven. Juist dat wantrouwen van ons maakt hen, die ’t goed met de[131]vreemdelingen meenen, ontevreden. Zij gevoelen genoeg, dat wij hen niet als onze gelijken aanzien, hoe wij hen ook eer en achting uiterlijk bewijzen. Dat gebrek heeft Sloot, hoe bekwaam en scherpzinnig hij ook zijn mag in de hoogste mate; hij schrijft hen steeds nevenbedoelingen toe. Daarom ook handelde hij met schier Javaansche wreedheid toen hij Kadjoran en zijn geslacht verdelgde.”„Ge moest ze kennen als ik, die zooveel met hen overgebracht heb, dan zoudt ge den commandeur gelijk geven. Dat volk heeft in geveinsdheid en onoprechtheid zijn weergade niet. Ik heb wat al omwegen en kronkelpaden moeten doorloopen om met hen mijn doel te bereiken; men moet ze door en door kennen om met hen om te gaan; die kunst mist Grevink geheel. Hij is te oprecht.”„Ik zou liever tegen hen vechten dan met hen onderhandelen, dat is zeker, maar ik zie het heden niet goed in. Ik weet zelf niet waarom; hoor eens Van Vliet, als de zaak verkeerd afloopt, zult ge dan mijn vrouw en dochtertje in de gunst der Hooge Regeering aanbevelen?”„Dat zal wel niet mogelijk zijn, heer Commissaris, als het misloopt, dan zullen wij er beiden wel het leven bij inschieten.”„’t Is niet gezegd, ’t is aan mij die verwenschte Balineezen te vangen; gij zijt alleen voor het diplomatieke gedeelte der zending.”„En uw vrouw en dochter zijn toch bezorgd, de Directeur-generaal is uw zwager.”„Maar mijn vrouw is zwak en ziekelijk en mijn dochtertje nog zoo bitter jong; ik vrees ze niet meer terug te zien. Waarlijk, ik gaf dit geheele mooie landschap en al de pracht, waarmede wij reizen voor mijn eenvoudige woning op de Tijgergracht van Batavia.”„Ik heb u nooit bang gezien, Commissaris! Waarlijk, wij hebben wel voor heeter vuren gestaan. En ik vind het eigenlijk in de[132]hoogste mate vernederend, dat de Opperlandvoogd en Raden van Indië door een gedrosten slaaf in spanning worden gehouden.”„Ik geloof dat die Balinees der Compagnie nog veel te doen zal geven. De kerel durft; hij heeft veel bij ons geleerd en zal die kennis gebruiken om ons schade aan te doen.”De verschijning van Sindoe-Radja maakte aan het gesprek der beide hoofdpersonen van het gezantschap een einde.„Ik heb een brief voor mijn broeder den heer Commissaris,” sprak hij, en naderde vol eerbied den gezant. „Zoo pas is mij die gebracht.”Tak opende het briefje, dat door den kapitein-luitenant Grevink geschreven was; zwijgend reikte hij het Van Vliet over.„Wat moeten wij er van denken?” vroeg hij.„Ze worden bang, de Rijksbestuurder is de spil waar alles om draait; hij bemerkt dat het der Compagnie ernst is met de opvordering van zijn lieveling en nu willen ze zich zelf van hem ontdoen, zonder onze hulp.”„Dat is juist het tegenovergestelde wat Sindoe-Radja verlangde; ik vertrouw ze niet, maar in elk geval kunnen wij onzen tocht voortzetten.”„Zou het niet beter zijn, vraag ik in alle bescheidenheid, te wachten, tot wij bericht ontvangen, dat het hun gelukt is den schurk in handen te krijgen?”„Waarom? Dat getalm verveelt mij, ik heb haast met de zaak te beginnen, anders komt ze nooit ten einde.”„Belieft het mijn broeder nu te gaan?” vroeg Radhen Sindoe-Radja.„Ja, het is goed, laat ons gaan!” sprak de Commissaris.Het was tien uur, de zon stond hoog aan den hemel; niettegenstaande de sombere voorgevoelens van den gezant vermoedde[133]noch hij, noch de opperkoopman Van Vliet, dat zij die zon niet meer zouden zien ondergaan.

[Inhoud]VI.COMMISSARIS TAK.Eenige dagen later was Karta-Soera in rep en roer; de voorwacht van het gezantschap naderde de residentiestad; aan het hoofd reed kapitein Lehman, met zijn beide luitenants Vonk en Eygel; tweecompagnieënsoldaten volgden hem, beladen met geschenken en pakgoederen.In de achterhoede bevond zich de Sultan van Tjeribon met zijn hofgrooten, die eindelijk door den Commissaris Tak er toe gebracht was zijn hulde aan den Soesoehoenan, zijn leenheer te brengen. ’s Morgens om acht uur waren zij uit Samarang vertrokken en brachten den nacht in Oenarang door, een dorp gelegen aan den voet van den fraaien tot den top begroeiden berg Oenarang, waarvan de bewoners verplicht waren alle aanzienlijke reizigers naar Mataram te onthalen en te herbergen, terwijl het hun verboden was op straffe des doods iets daarvoor ooit terug te ontvangen.Van Oenarang reisde men door een heerlijke, vruchtbare vallei; links en rechts strekten zich de rijstvelden uit, besproeid door tallooze beekjes, die van de bergen afstroomden en zich met de groote Demak-rivier vermengden; een menigte dessah’s, waarvan men er dikwijls drie à vier in het uur aantrof, verrieden de volkrijkheid der streek. De voornaamste was Salatiga een fraai, welvarend dorp, zeven mijlen verwijderd van de eerste poort, die[125]toegang gaf tot het rijk van Mataram, waardoor niemand zonder vergunning van den Soesoehoenan naar Samarang mocht trekken.Aan gene zijde van deze poort opende zich een woest, bergachtig landschap, waarna de rijstvelden weder in volle lengte en rijkdom zich uitstrekten zooverre, dat men ze niet overzien kon, terwijl het gezicht aan weerszijden begrensd werd door heuvels beplant met vruchtboomen, waartusschen tal van kampongs verstrooid lagen.De Merbaboe hief zijn bijna geheel bebouwden kruin opwaarts, terwijl zijn voet stiet aan het Oenarang-gebergte; vele groote en kleine rivieren besproeiden het land en gaven daaraan deze bijna ongeloofelijke vruchtbaarheid.Vier dagen gebruikte het gezantschap tot de reis naar Karta-Soera, den tweeden nacht sliepen zij in het dorp Banjoe-poetih, den derden in Tingkir en den vierden in Modjo-Soanga. Op den morgen van den vijfden dag kwam een der mantri’s, de Radhen Aria Sindoe-Radja, bij den Commissaris, die met den opperkoopman Van Vliet in gesprek was; op den kruipenden, onderdanigen toon welken de inlanders tot hun meerderen aanslaan, sprak hij tot den gezant zeggende:„Mijn broeder, gelieve hier een poos te wachten, ik zal eerst iemand zenden om Zijn Hoogheid den Soesoehoenan kennis te geven van de komst zijns zoons.”De Commissaris antwoordde:„’t Is goed. Ik zal hier de orders van den Soesoehoenan afwachten. Ik hoop, dat Zijn Hoogheid zich in welstand bevindt met zijn gezin en zijn onderdanen.”„Helaas, ik heb vernomen dat de welstand van onzen grooten Heer niets te wenschen overlaat, maar die zijner onderdanen is zooals ik mijn broeder den Commissaris reeds in Samarang gezegd heb niet al te wel en niet al te slecht.”[126]„Om welke reden zegt Radhen Sindoe-Radja dat?”„Ik zeg dit om den Balinees Soerapati; hem goed te doen is bezwaarlijk en hem kwaad gezind te zijn is vol gevaar, daar hij veel volk om zich heen verzamelt en hen geducht oefent in den wapenhandel. Hij hoort naar geen bevelen meer, zelfs niet naar die van onzen machtigen Heer den keizer. Wij kunnen hem niet tegenhouden want hij volgt zijn eigen zin.”Streng zag de gezant den flemerigen Javaan aan, die met huichelachtige bescheidenheid de oogen neersloeg.„Ik heb geen reden aan de waarheid van uw woorden te gelooven,” antwoordde hij stroef. „Zoo de Soesoehoenan niet op het bijzijn van den voortvluchtigen slaaf Soerapati gesteld was zou hij hem geen dorp tot woonplaats hebben gegeven, omringd door bosschen, en hem niet plechtig in zijn tegenwoordigheid met een zijner bloedverwanten doen trouwen. En hoe zou ’t dan kunnen wezen, dat hij de bevelen van den keizer, die hem met zoovele weldaden heeft overladen, niet wil gehoorzamen?”„Het is waar en waarachtig,” verklaarde deemoedig Radhen Sindoe-Radja, „hetgeen mijn broeder zegt, „maar Zijn Hoogheid heeft hem deze gunsten slechts bewezen omdat het volk van Karta-Soera hem vreest en hij met zijn manschappen hen zou plunderen en vermoorden als de keizer hem niet tot vriend hield. Mijn broeder weet immers dat de beste wijze om zich van een vijand te ontdoen is, van hem een vriend te maken.”„Zoo spreken de vrouwen en voorzoover ik weet is het volk van Mataram geen volk van vrouwen,” hernam Tak ongeduldig en verontwaardigd tegelijk, „zijn dan de geweren en pieken der Balineezen zooveel beter dan die der Javanen? Zij hebben toch dezelfde wapenen, hoe kunnen zij dan gevaarlijk zijn, met hun klein aantal tegen de duizenden strijdbare mannen van Karta-Soera?”[127]„Mijn broeder weet ook,” verzekerde de Radhen altijd even onderworpen, „dat de stoutmoedigsten het meeste wagen en ook den dood niet vreezen, maar de Javanen zijn bang om te sneuvelen. Als echter onze broeders de Hollanders hen bijstaan, dan vreezen zij Soerapati en zijn leger niet, maar zullen zich gaarne van hen ontdoen.”„Welnu, wij zullen zien wat de Soesoehoenan zal besluiten; zend dus een bode naar uw meester en voeg er bij, dat ik niet in zijn tegenwoordigheid zal verschijnen om mij te kwijten van den last mij door de Hooge Regeering opgedragen, vóórdat Soerapati, de roover, dood of levend in mijn handen is gesteld.”„Ik zal blijde zijn den keizer de boodschap van den gezant, dien hij zijn zoon noemt, te doen overbrengen.”„Dat voorspelt niets goeds Van Vliet,” sprak de Commissaris, nadat Radhen Sindoe-Radja hem van zijn tegenwoordigheid had bevrijd, „ik ben vreemd te moede, maar ik geloof, dat wij hier in een zeer moeilijk geval zullen komen. Aan waarschuwingen over de gezindheid van den Soesoehoenan heeft het ons niet ontbroken. Ook kapitein-luitenant Grevink schijnt het niet te vertrouwen. Wat heeft hij u ook weer geschreven?”„Och, Grevink is een voortvarend heethoofd; had hij altijd geveinsd niets te weten van Soerapati’s aanwezigheid, dan zou onze taak gemakkelijker zijn geweest, maar hij heeft reeds het vorige jaar den Soesoehoenan gewaarschuwd, dat het ons niet bevallen zou, wanneer men voortging het rooverhoofd tot vriend te houden. Daardoor is dat gespuis gewaarschuwd en de keizer begrijpt heel goed dat we om iets anders komen dan om een vriendschapsbezoek.”„Nu, hij zal ook wel weten hoe diep hij bij ons in de schuld steekt.”[128]„Dat weet hij genoeg. Grevink schreef, dat de vorst ’t hem ronduit had gezegd, dat het gezantschap kwam om aan te dringen op de uitbetaling der driehonderdduizend rijksdaalders en zoo hij die niet kon opbrengen, zouden wij hem aangrijpen en het heele volk tot slaven maken. Grevink heeft hem gerustgesteld en kwam toen mij ongerust maken. Ik antwoordde hem, dat het schande was zich zoo verwijfd aan te stellen en vroeg of hij geen moed meer in het lijf had. ’t Zou laf en ons onwaardig zijn als we ons bezorgd maakten over een handjevol Balineezen.”„Het handjevol zou zooveel niet beteekenen, maar wie zegt ons of zij den keizer en alle hofgrooten niet achter zich hebben? Dat volk verstaat zoo de kunst zijn plannen en meeningen te verbergen, dat men steeds vreest met hen over een vulkaan te wandelen; wie weet wat voor duivelsche plannen gesmeed worden achter die goedige, onschuldige oogen. Ik vertrouw hen niets; maar hebt ge nog een later briefje van Grevink ontvangen?”„Ja, hij praat veel te veel naar mijn zin met zijn bruine Majesteit; hij herhaalde tot vervelens toe dat wij alleen kwamen om den welstand van het Rijk te bespreken en toen moet de keizer echt vriendelijk gezegd hebben: „Als mijn zoon de gezant boven komt, dan zal ik veertig tijgers, die ik nog in de Bagelen heb, laten komen om ze tot zijn vermaak te laten losloopen.” En Grevink verbeeldde zich dat hij met die tijgers eigenlijk Balineezen bedoelde.”De Commissaris Tak antwoordde niet; hij was een krachtig gebouwd dapper krijgsman, die in den oorlog tegen Bantam en Troeno-Djojo zijn sporen verdiend had; de vingers van zijn verbrijzelde linkerhand, waarvan hij eenige in den Bantamschen oorlog verloren had getuigden er van; de opperkoopman Van Vliet daarentegen had in menig moeilijk geval grootestaatsmanswijsheidgetoond en der Compagnie eveneens groote diensten bewezen; nog[129]onlangs had hij door zijn bemiddeling het uitbreken van ernstige onlusten in Madura voorkomen.De Compagnie had opzettelijk gewacht totdat zij beide vertrouwde mannen beschikbaar had om ze uit te zenden op den moeilijken tocht, waartoe veel beleid en voorzichtigheid vereischt werden. Een instructie van meer dan eenenzestig bladzijden groot was den Commissaris meegegeven; hij had eerst de kantoren aan Java’s Noordkust te inspecteeren, verder moest hij de troonsopvolging in Tjeribon regelen, welke voorloopige werkzaamheden hij gelukkig voleind had.Nu kwam het moeilijkste, de zending bij den Soesoehoenan, voor wien hij de nooit aangename boodschap had, hem tot betaling zijner achterstallige schulden aan te sporen. De rekening was vrij hoog, daar zij de voor dien tijd verbazende som van ƒ 4,600000 bedroeg; de Compagnie begreep echter, dat de keizer nooit zulk een bedrag zou afdoen en maakte dus van den nood een deugd om ze te herleiden tot 344000 rijksdaalders, welke Tak zelfs verminderen mocht tot 250000. Natuurlijk zou de Soesoehoenan door het aannemen dezer gunst nog meer onder de macht geraken van de Hollanders, die in ruil voor hunne mildheid de veilige en trouwe handhaving zouden verzoeken van alle „vrije vergunde bedongen octrooien, privilegiën en voorrechten.”Bovendien moest de Soesoehoenan der Compagnie uitbreiding van haar grondgebied toestaan en handelsvoorrechten in de kustplaatsen; ook de onderwerping van den Tjeribonschen prins behoorde tot Tak’s zorgen. Het had hem veel moeite gekost den jongen Sultan mee te nemen om persoonlijk zijn hulde aan den Mataramschen keizer te brengen, maar ook dit bezwaar scheen uit den weg geruimd.Niets scheen moeite te kosten dan het laatste artikel, waarop[130]ook nog een zoogenaamd „secreet appendix” doelde. De Soesoehoenan had zich tegenover de Compagnie verbonden „nooit onder zijn gebied metterwoon te gedoogen, eenigeMakassaren, Maleiers, Mooren of wat natiën het mochten wezen, noch ook eenige frequentatie te verleenen.”In een volgend octrooi was ten overvloede bepaald, dat al deze vreemdelingen die in Mataram waren toegelaten, zouden staan „onder het gebied en de discipline der Compagnie, onverminderd dat zij zouden blijven des Soesoehoenans onderdanen.”Deze beide artikelen waren nu openlijk geschonden door de toelating van Soerapati in den kraton; Tak moest zijn uitlevering ten strengste eischen en zelfs zoo het bleek dat alle pogingen die hij daartoe in der minne zou beproeven, niet slaagden, geweld gebruiken om de opstandelingen in zijn macht te krijgen. Faalden echter alle pogingen, dan zou het den gezant vrij staan hun genade aan te bieden, mits zij zich naar Batavia zouden begeven om zich daar voor de Hooge Regeering te vernederen.„Ik geloof, dat de commandeur Jan Albert Sloot gelijk heeft,” sprak Tak na eenige oogenblikken nadenken, „het zal moeite kosten den Balinees in handen te krijgen. Kuffeler heeft ons indertijd daar mooi werk mee verschaft: had hij hem maar tot vriend gehouden.”„Ik heb dat volk liever tot vijand dan tot vriend, dan weet men ten minste wat men er aan heeft. De besten deugen niet, dat ziet ge aan Jonker, die ook reden tot wantrouwen begint te geven.”„Ik heb naast Jonker gestreden en toen ten minste was hij trouw als geen Hollander. Ik mocht den dapperen Ambonnees zeer gaarne lijden, en ik twijfel er niet aan, wanneer ik terugkom op Batavia en hem een riem onder ’t hart steek, dat de wolk zal voorbijdrijven. Juist dat wantrouwen van ons maakt hen, die ’t goed met de[131]vreemdelingen meenen, ontevreden. Zij gevoelen genoeg, dat wij hen niet als onze gelijken aanzien, hoe wij hen ook eer en achting uiterlijk bewijzen. Dat gebrek heeft Sloot, hoe bekwaam en scherpzinnig hij ook zijn mag in de hoogste mate; hij schrijft hen steeds nevenbedoelingen toe. Daarom ook handelde hij met schier Javaansche wreedheid toen hij Kadjoran en zijn geslacht verdelgde.”„Ge moest ze kennen als ik, die zooveel met hen overgebracht heb, dan zoudt ge den commandeur gelijk geven. Dat volk heeft in geveinsdheid en onoprechtheid zijn weergade niet. Ik heb wat al omwegen en kronkelpaden moeten doorloopen om met hen mijn doel te bereiken; men moet ze door en door kennen om met hen om te gaan; die kunst mist Grevink geheel. Hij is te oprecht.”„Ik zou liever tegen hen vechten dan met hen onderhandelen, dat is zeker, maar ik zie het heden niet goed in. Ik weet zelf niet waarom; hoor eens Van Vliet, als de zaak verkeerd afloopt, zult ge dan mijn vrouw en dochtertje in de gunst der Hooge Regeering aanbevelen?”„Dat zal wel niet mogelijk zijn, heer Commissaris, als het misloopt, dan zullen wij er beiden wel het leven bij inschieten.”„’t Is niet gezegd, ’t is aan mij die verwenschte Balineezen te vangen; gij zijt alleen voor het diplomatieke gedeelte der zending.”„En uw vrouw en dochter zijn toch bezorgd, de Directeur-generaal is uw zwager.”„Maar mijn vrouw is zwak en ziekelijk en mijn dochtertje nog zoo bitter jong; ik vrees ze niet meer terug te zien. Waarlijk, ik gaf dit geheele mooie landschap en al de pracht, waarmede wij reizen voor mijn eenvoudige woning op de Tijgergracht van Batavia.”„Ik heb u nooit bang gezien, Commissaris! Waarlijk, wij hebben wel voor heeter vuren gestaan. En ik vind het eigenlijk in de[132]hoogste mate vernederend, dat de Opperlandvoogd en Raden van Indië door een gedrosten slaaf in spanning worden gehouden.”„Ik geloof dat die Balinees der Compagnie nog veel te doen zal geven. De kerel durft; hij heeft veel bij ons geleerd en zal die kennis gebruiken om ons schade aan te doen.”De verschijning van Sindoe-Radja maakte aan het gesprek der beide hoofdpersonen van het gezantschap een einde.„Ik heb een brief voor mijn broeder den heer Commissaris,” sprak hij, en naderde vol eerbied den gezant. „Zoo pas is mij die gebracht.”Tak opende het briefje, dat door den kapitein-luitenant Grevink geschreven was; zwijgend reikte hij het Van Vliet over.„Wat moeten wij er van denken?” vroeg hij.„Ze worden bang, de Rijksbestuurder is de spil waar alles om draait; hij bemerkt dat het der Compagnie ernst is met de opvordering van zijn lieveling en nu willen ze zich zelf van hem ontdoen, zonder onze hulp.”„Dat is juist het tegenovergestelde wat Sindoe-Radja verlangde; ik vertrouw ze niet, maar in elk geval kunnen wij onzen tocht voortzetten.”„Zou het niet beter zijn, vraag ik in alle bescheidenheid, te wachten, tot wij bericht ontvangen, dat het hun gelukt is den schurk in handen te krijgen?”„Waarom? Dat getalm verveelt mij, ik heb haast met de zaak te beginnen, anders komt ze nooit ten einde.”„Belieft het mijn broeder nu te gaan?” vroeg Radhen Sindoe-Radja.„Ja, het is goed, laat ons gaan!” sprak de Commissaris.Het was tien uur, de zon stond hoog aan den hemel; niettegenstaande de sombere voorgevoelens van den gezant vermoedde[133]noch hij, noch de opperkoopman Van Vliet, dat zij die zon niet meer zouden zien ondergaan.

VI.COMMISSARIS TAK.

Eenige dagen later was Karta-Soera in rep en roer; de voorwacht van het gezantschap naderde de residentiestad; aan het hoofd reed kapitein Lehman, met zijn beide luitenants Vonk en Eygel; tweecompagnieënsoldaten volgden hem, beladen met geschenken en pakgoederen.In de achterhoede bevond zich de Sultan van Tjeribon met zijn hofgrooten, die eindelijk door den Commissaris Tak er toe gebracht was zijn hulde aan den Soesoehoenan, zijn leenheer te brengen. ’s Morgens om acht uur waren zij uit Samarang vertrokken en brachten den nacht in Oenarang door, een dorp gelegen aan den voet van den fraaien tot den top begroeiden berg Oenarang, waarvan de bewoners verplicht waren alle aanzienlijke reizigers naar Mataram te onthalen en te herbergen, terwijl het hun verboden was op straffe des doods iets daarvoor ooit terug te ontvangen.Van Oenarang reisde men door een heerlijke, vruchtbare vallei; links en rechts strekten zich de rijstvelden uit, besproeid door tallooze beekjes, die van de bergen afstroomden en zich met de groote Demak-rivier vermengden; een menigte dessah’s, waarvan men er dikwijls drie à vier in het uur aantrof, verrieden de volkrijkheid der streek. De voornaamste was Salatiga een fraai, welvarend dorp, zeven mijlen verwijderd van de eerste poort, die[125]toegang gaf tot het rijk van Mataram, waardoor niemand zonder vergunning van den Soesoehoenan naar Samarang mocht trekken.Aan gene zijde van deze poort opende zich een woest, bergachtig landschap, waarna de rijstvelden weder in volle lengte en rijkdom zich uitstrekten zooverre, dat men ze niet overzien kon, terwijl het gezicht aan weerszijden begrensd werd door heuvels beplant met vruchtboomen, waartusschen tal van kampongs verstrooid lagen.De Merbaboe hief zijn bijna geheel bebouwden kruin opwaarts, terwijl zijn voet stiet aan het Oenarang-gebergte; vele groote en kleine rivieren besproeiden het land en gaven daaraan deze bijna ongeloofelijke vruchtbaarheid.Vier dagen gebruikte het gezantschap tot de reis naar Karta-Soera, den tweeden nacht sliepen zij in het dorp Banjoe-poetih, den derden in Tingkir en den vierden in Modjo-Soanga. Op den morgen van den vijfden dag kwam een der mantri’s, de Radhen Aria Sindoe-Radja, bij den Commissaris, die met den opperkoopman Van Vliet in gesprek was; op den kruipenden, onderdanigen toon welken de inlanders tot hun meerderen aanslaan, sprak hij tot den gezant zeggende:„Mijn broeder, gelieve hier een poos te wachten, ik zal eerst iemand zenden om Zijn Hoogheid den Soesoehoenan kennis te geven van de komst zijns zoons.”De Commissaris antwoordde:„’t Is goed. Ik zal hier de orders van den Soesoehoenan afwachten. Ik hoop, dat Zijn Hoogheid zich in welstand bevindt met zijn gezin en zijn onderdanen.”„Helaas, ik heb vernomen dat de welstand van onzen grooten Heer niets te wenschen overlaat, maar die zijner onderdanen is zooals ik mijn broeder den Commissaris reeds in Samarang gezegd heb niet al te wel en niet al te slecht.”[126]„Om welke reden zegt Radhen Sindoe-Radja dat?”„Ik zeg dit om den Balinees Soerapati; hem goed te doen is bezwaarlijk en hem kwaad gezind te zijn is vol gevaar, daar hij veel volk om zich heen verzamelt en hen geducht oefent in den wapenhandel. Hij hoort naar geen bevelen meer, zelfs niet naar die van onzen machtigen Heer den keizer. Wij kunnen hem niet tegenhouden want hij volgt zijn eigen zin.”Streng zag de gezant den flemerigen Javaan aan, die met huichelachtige bescheidenheid de oogen neersloeg.„Ik heb geen reden aan de waarheid van uw woorden te gelooven,” antwoordde hij stroef. „Zoo de Soesoehoenan niet op het bijzijn van den voortvluchtigen slaaf Soerapati gesteld was zou hij hem geen dorp tot woonplaats hebben gegeven, omringd door bosschen, en hem niet plechtig in zijn tegenwoordigheid met een zijner bloedverwanten doen trouwen. En hoe zou ’t dan kunnen wezen, dat hij de bevelen van den keizer, die hem met zoovele weldaden heeft overladen, niet wil gehoorzamen?”„Het is waar en waarachtig,” verklaarde deemoedig Radhen Sindoe-Radja, „hetgeen mijn broeder zegt, „maar Zijn Hoogheid heeft hem deze gunsten slechts bewezen omdat het volk van Karta-Soera hem vreest en hij met zijn manschappen hen zou plunderen en vermoorden als de keizer hem niet tot vriend hield. Mijn broeder weet immers dat de beste wijze om zich van een vijand te ontdoen is, van hem een vriend te maken.”„Zoo spreken de vrouwen en voorzoover ik weet is het volk van Mataram geen volk van vrouwen,” hernam Tak ongeduldig en verontwaardigd tegelijk, „zijn dan de geweren en pieken der Balineezen zooveel beter dan die der Javanen? Zij hebben toch dezelfde wapenen, hoe kunnen zij dan gevaarlijk zijn, met hun klein aantal tegen de duizenden strijdbare mannen van Karta-Soera?”[127]„Mijn broeder weet ook,” verzekerde de Radhen altijd even onderworpen, „dat de stoutmoedigsten het meeste wagen en ook den dood niet vreezen, maar de Javanen zijn bang om te sneuvelen. Als echter onze broeders de Hollanders hen bijstaan, dan vreezen zij Soerapati en zijn leger niet, maar zullen zich gaarne van hen ontdoen.”„Welnu, wij zullen zien wat de Soesoehoenan zal besluiten; zend dus een bode naar uw meester en voeg er bij, dat ik niet in zijn tegenwoordigheid zal verschijnen om mij te kwijten van den last mij door de Hooge Regeering opgedragen, vóórdat Soerapati, de roover, dood of levend in mijn handen is gesteld.”„Ik zal blijde zijn den keizer de boodschap van den gezant, dien hij zijn zoon noemt, te doen overbrengen.”„Dat voorspelt niets goeds Van Vliet,” sprak de Commissaris, nadat Radhen Sindoe-Radja hem van zijn tegenwoordigheid had bevrijd, „ik ben vreemd te moede, maar ik geloof, dat wij hier in een zeer moeilijk geval zullen komen. Aan waarschuwingen over de gezindheid van den Soesoehoenan heeft het ons niet ontbroken. Ook kapitein-luitenant Grevink schijnt het niet te vertrouwen. Wat heeft hij u ook weer geschreven?”„Och, Grevink is een voortvarend heethoofd; had hij altijd geveinsd niets te weten van Soerapati’s aanwezigheid, dan zou onze taak gemakkelijker zijn geweest, maar hij heeft reeds het vorige jaar den Soesoehoenan gewaarschuwd, dat het ons niet bevallen zou, wanneer men voortging het rooverhoofd tot vriend te houden. Daardoor is dat gespuis gewaarschuwd en de keizer begrijpt heel goed dat we om iets anders komen dan om een vriendschapsbezoek.”„Nu, hij zal ook wel weten hoe diep hij bij ons in de schuld steekt.”[128]„Dat weet hij genoeg. Grevink schreef, dat de vorst ’t hem ronduit had gezegd, dat het gezantschap kwam om aan te dringen op de uitbetaling der driehonderdduizend rijksdaalders en zoo hij die niet kon opbrengen, zouden wij hem aangrijpen en het heele volk tot slaven maken. Grevink heeft hem gerustgesteld en kwam toen mij ongerust maken. Ik antwoordde hem, dat het schande was zich zoo verwijfd aan te stellen en vroeg of hij geen moed meer in het lijf had. ’t Zou laf en ons onwaardig zijn als we ons bezorgd maakten over een handjevol Balineezen.”„Het handjevol zou zooveel niet beteekenen, maar wie zegt ons of zij den keizer en alle hofgrooten niet achter zich hebben? Dat volk verstaat zoo de kunst zijn plannen en meeningen te verbergen, dat men steeds vreest met hen over een vulkaan te wandelen; wie weet wat voor duivelsche plannen gesmeed worden achter die goedige, onschuldige oogen. Ik vertrouw hen niets; maar hebt ge nog een later briefje van Grevink ontvangen?”„Ja, hij praat veel te veel naar mijn zin met zijn bruine Majesteit; hij herhaalde tot vervelens toe dat wij alleen kwamen om den welstand van het Rijk te bespreken en toen moet de keizer echt vriendelijk gezegd hebben: „Als mijn zoon de gezant boven komt, dan zal ik veertig tijgers, die ik nog in de Bagelen heb, laten komen om ze tot zijn vermaak te laten losloopen.” En Grevink verbeeldde zich dat hij met die tijgers eigenlijk Balineezen bedoelde.”De Commissaris Tak antwoordde niet; hij was een krachtig gebouwd dapper krijgsman, die in den oorlog tegen Bantam en Troeno-Djojo zijn sporen verdiend had; de vingers van zijn verbrijzelde linkerhand, waarvan hij eenige in den Bantamschen oorlog verloren had getuigden er van; de opperkoopman Van Vliet daarentegen had in menig moeilijk geval grootestaatsmanswijsheidgetoond en der Compagnie eveneens groote diensten bewezen; nog[129]onlangs had hij door zijn bemiddeling het uitbreken van ernstige onlusten in Madura voorkomen.De Compagnie had opzettelijk gewacht totdat zij beide vertrouwde mannen beschikbaar had om ze uit te zenden op den moeilijken tocht, waartoe veel beleid en voorzichtigheid vereischt werden. Een instructie van meer dan eenenzestig bladzijden groot was den Commissaris meegegeven; hij had eerst de kantoren aan Java’s Noordkust te inspecteeren, verder moest hij de troonsopvolging in Tjeribon regelen, welke voorloopige werkzaamheden hij gelukkig voleind had.Nu kwam het moeilijkste, de zending bij den Soesoehoenan, voor wien hij de nooit aangename boodschap had, hem tot betaling zijner achterstallige schulden aan te sporen. De rekening was vrij hoog, daar zij de voor dien tijd verbazende som van ƒ 4,600000 bedroeg; de Compagnie begreep echter, dat de keizer nooit zulk een bedrag zou afdoen en maakte dus van den nood een deugd om ze te herleiden tot 344000 rijksdaalders, welke Tak zelfs verminderen mocht tot 250000. Natuurlijk zou de Soesoehoenan door het aannemen dezer gunst nog meer onder de macht geraken van de Hollanders, die in ruil voor hunne mildheid de veilige en trouwe handhaving zouden verzoeken van alle „vrije vergunde bedongen octrooien, privilegiën en voorrechten.”Bovendien moest de Soesoehoenan der Compagnie uitbreiding van haar grondgebied toestaan en handelsvoorrechten in de kustplaatsen; ook de onderwerping van den Tjeribonschen prins behoorde tot Tak’s zorgen. Het had hem veel moeite gekost den jongen Sultan mee te nemen om persoonlijk zijn hulde aan den Mataramschen keizer te brengen, maar ook dit bezwaar scheen uit den weg geruimd.Niets scheen moeite te kosten dan het laatste artikel, waarop[130]ook nog een zoogenaamd „secreet appendix” doelde. De Soesoehoenan had zich tegenover de Compagnie verbonden „nooit onder zijn gebied metterwoon te gedoogen, eenigeMakassaren, Maleiers, Mooren of wat natiën het mochten wezen, noch ook eenige frequentatie te verleenen.”In een volgend octrooi was ten overvloede bepaald, dat al deze vreemdelingen die in Mataram waren toegelaten, zouden staan „onder het gebied en de discipline der Compagnie, onverminderd dat zij zouden blijven des Soesoehoenans onderdanen.”Deze beide artikelen waren nu openlijk geschonden door de toelating van Soerapati in den kraton; Tak moest zijn uitlevering ten strengste eischen en zelfs zoo het bleek dat alle pogingen die hij daartoe in der minne zou beproeven, niet slaagden, geweld gebruiken om de opstandelingen in zijn macht te krijgen. Faalden echter alle pogingen, dan zou het den gezant vrij staan hun genade aan te bieden, mits zij zich naar Batavia zouden begeven om zich daar voor de Hooge Regeering te vernederen.„Ik geloof, dat de commandeur Jan Albert Sloot gelijk heeft,” sprak Tak na eenige oogenblikken nadenken, „het zal moeite kosten den Balinees in handen te krijgen. Kuffeler heeft ons indertijd daar mooi werk mee verschaft: had hij hem maar tot vriend gehouden.”„Ik heb dat volk liever tot vijand dan tot vriend, dan weet men ten minste wat men er aan heeft. De besten deugen niet, dat ziet ge aan Jonker, die ook reden tot wantrouwen begint te geven.”„Ik heb naast Jonker gestreden en toen ten minste was hij trouw als geen Hollander. Ik mocht den dapperen Ambonnees zeer gaarne lijden, en ik twijfel er niet aan, wanneer ik terugkom op Batavia en hem een riem onder ’t hart steek, dat de wolk zal voorbijdrijven. Juist dat wantrouwen van ons maakt hen, die ’t goed met de[131]vreemdelingen meenen, ontevreden. Zij gevoelen genoeg, dat wij hen niet als onze gelijken aanzien, hoe wij hen ook eer en achting uiterlijk bewijzen. Dat gebrek heeft Sloot, hoe bekwaam en scherpzinnig hij ook zijn mag in de hoogste mate; hij schrijft hen steeds nevenbedoelingen toe. Daarom ook handelde hij met schier Javaansche wreedheid toen hij Kadjoran en zijn geslacht verdelgde.”„Ge moest ze kennen als ik, die zooveel met hen overgebracht heb, dan zoudt ge den commandeur gelijk geven. Dat volk heeft in geveinsdheid en onoprechtheid zijn weergade niet. Ik heb wat al omwegen en kronkelpaden moeten doorloopen om met hen mijn doel te bereiken; men moet ze door en door kennen om met hen om te gaan; die kunst mist Grevink geheel. Hij is te oprecht.”„Ik zou liever tegen hen vechten dan met hen onderhandelen, dat is zeker, maar ik zie het heden niet goed in. Ik weet zelf niet waarom; hoor eens Van Vliet, als de zaak verkeerd afloopt, zult ge dan mijn vrouw en dochtertje in de gunst der Hooge Regeering aanbevelen?”„Dat zal wel niet mogelijk zijn, heer Commissaris, als het misloopt, dan zullen wij er beiden wel het leven bij inschieten.”„’t Is niet gezegd, ’t is aan mij die verwenschte Balineezen te vangen; gij zijt alleen voor het diplomatieke gedeelte der zending.”„En uw vrouw en dochter zijn toch bezorgd, de Directeur-generaal is uw zwager.”„Maar mijn vrouw is zwak en ziekelijk en mijn dochtertje nog zoo bitter jong; ik vrees ze niet meer terug te zien. Waarlijk, ik gaf dit geheele mooie landschap en al de pracht, waarmede wij reizen voor mijn eenvoudige woning op de Tijgergracht van Batavia.”„Ik heb u nooit bang gezien, Commissaris! Waarlijk, wij hebben wel voor heeter vuren gestaan. En ik vind het eigenlijk in de[132]hoogste mate vernederend, dat de Opperlandvoogd en Raden van Indië door een gedrosten slaaf in spanning worden gehouden.”„Ik geloof dat die Balinees der Compagnie nog veel te doen zal geven. De kerel durft; hij heeft veel bij ons geleerd en zal die kennis gebruiken om ons schade aan te doen.”De verschijning van Sindoe-Radja maakte aan het gesprek der beide hoofdpersonen van het gezantschap een einde.„Ik heb een brief voor mijn broeder den heer Commissaris,” sprak hij, en naderde vol eerbied den gezant. „Zoo pas is mij die gebracht.”Tak opende het briefje, dat door den kapitein-luitenant Grevink geschreven was; zwijgend reikte hij het Van Vliet over.„Wat moeten wij er van denken?” vroeg hij.„Ze worden bang, de Rijksbestuurder is de spil waar alles om draait; hij bemerkt dat het der Compagnie ernst is met de opvordering van zijn lieveling en nu willen ze zich zelf van hem ontdoen, zonder onze hulp.”„Dat is juist het tegenovergestelde wat Sindoe-Radja verlangde; ik vertrouw ze niet, maar in elk geval kunnen wij onzen tocht voortzetten.”„Zou het niet beter zijn, vraag ik in alle bescheidenheid, te wachten, tot wij bericht ontvangen, dat het hun gelukt is den schurk in handen te krijgen?”„Waarom? Dat getalm verveelt mij, ik heb haast met de zaak te beginnen, anders komt ze nooit ten einde.”„Belieft het mijn broeder nu te gaan?” vroeg Radhen Sindoe-Radja.„Ja, het is goed, laat ons gaan!” sprak de Commissaris.Het was tien uur, de zon stond hoog aan den hemel; niettegenstaande de sombere voorgevoelens van den gezant vermoedde[133]noch hij, noch de opperkoopman Van Vliet, dat zij die zon niet meer zouden zien ondergaan.

Eenige dagen later was Karta-Soera in rep en roer; de voorwacht van het gezantschap naderde de residentiestad; aan het hoofd reed kapitein Lehman, met zijn beide luitenants Vonk en Eygel; tweecompagnieënsoldaten volgden hem, beladen met geschenken en pakgoederen.

In de achterhoede bevond zich de Sultan van Tjeribon met zijn hofgrooten, die eindelijk door den Commissaris Tak er toe gebracht was zijn hulde aan den Soesoehoenan, zijn leenheer te brengen. ’s Morgens om acht uur waren zij uit Samarang vertrokken en brachten den nacht in Oenarang door, een dorp gelegen aan den voet van den fraaien tot den top begroeiden berg Oenarang, waarvan de bewoners verplicht waren alle aanzienlijke reizigers naar Mataram te onthalen en te herbergen, terwijl het hun verboden was op straffe des doods iets daarvoor ooit terug te ontvangen.

Van Oenarang reisde men door een heerlijke, vruchtbare vallei; links en rechts strekten zich de rijstvelden uit, besproeid door tallooze beekjes, die van de bergen afstroomden en zich met de groote Demak-rivier vermengden; een menigte dessah’s, waarvan men er dikwijls drie à vier in het uur aantrof, verrieden de volkrijkheid der streek. De voornaamste was Salatiga een fraai, welvarend dorp, zeven mijlen verwijderd van de eerste poort, die[125]toegang gaf tot het rijk van Mataram, waardoor niemand zonder vergunning van den Soesoehoenan naar Samarang mocht trekken.

Aan gene zijde van deze poort opende zich een woest, bergachtig landschap, waarna de rijstvelden weder in volle lengte en rijkdom zich uitstrekten zooverre, dat men ze niet overzien kon, terwijl het gezicht aan weerszijden begrensd werd door heuvels beplant met vruchtboomen, waartusschen tal van kampongs verstrooid lagen.

De Merbaboe hief zijn bijna geheel bebouwden kruin opwaarts, terwijl zijn voet stiet aan het Oenarang-gebergte; vele groote en kleine rivieren besproeiden het land en gaven daaraan deze bijna ongeloofelijke vruchtbaarheid.

Vier dagen gebruikte het gezantschap tot de reis naar Karta-Soera, den tweeden nacht sliepen zij in het dorp Banjoe-poetih, den derden in Tingkir en den vierden in Modjo-Soanga. Op den morgen van den vijfden dag kwam een der mantri’s, de Radhen Aria Sindoe-Radja, bij den Commissaris, die met den opperkoopman Van Vliet in gesprek was; op den kruipenden, onderdanigen toon welken de inlanders tot hun meerderen aanslaan, sprak hij tot den gezant zeggende:

„Mijn broeder, gelieve hier een poos te wachten, ik zal eerst iemand zenden om Zijn Hoogheid den Soesoehoenan kennis te geven van de komst zijns zoons.”

De Commissaris antwoordde:

„’t Is goed. Ik zal hier de orders van den Soesoehoenan afwachten. Ik hoop, dat Zijn Hoogheid zich in welstand bevindt met zijn gezin en zijn onderdanen.”

„Helaas, ik heb vernomen dat de welstand van onzen grooten Heer niets te wenschen overlaat, maar die zijner onderdanen is zooals ik mijn broeder den Commissaris reeds in Samarang gezegd heb niet al te wel en niet al te slecht.”[126]

„Om welke reden zegt Radhen Sindoe-Radja dat?”

„Ik zeg dit om den Balinees Soerapati; hem goed te doen is bezwaarlijk en hem kwaad gezind te zijn is vol gevaar, daar hij veel volk om zich heen verzamelt en hen geducht oefent in den wapenhandel. Hij hoort naar geen bevelen meer, zelfs niet naar die van onzen machtigen Heer den keizer. Wij kunnen hem niet tegenhouden want hij volgt zijn eigen zin.”

Streng zag de gezant den flemerigen Javaan aan, die met huichelachtige bescheidenheid de oogen neersloeg.

„Ik heb geen reden aan de waarheid van uw woorden te gelooven,” antwoordde hij stroef. „Zoo de Soesoehoenan niet op het bijzijn van den voortvluchtigen slaaf Soerapati gesteld was zou hij hem geen dorp tot woonplaats hebben gegeven, omringd door bosschen, en hem niet plechtig in zijn tegenwoordigheid met een zijner bloedverwanten doen trouwen. En hoe zou ’t dan kunnen wezen, dat hij de bevelen van den keizer, die hem met zoovele weldaden heeft overladen, niet wil gehoorzamen?”

„Het is waar en waarachtig,” verklaarde deemoedig Radhen Sindoe-Radja, „hetgeen mijn broeder zegt, „maar Zijn Hoogheid heeft hem deze gunsten slechts bewezen omdat het volk van Karta-Soera hem vreest en hij met zijn manschappen hen zou plunderen en vermoorden als de keizer hem niet tot vriend hield. Mijn broeder weet immers dat de beste wijze om zich van een vijand te ontdoen is, van hem een vriend te maken.”

„Zoo spreken de vrouwen en voorzoover ik weet is het volk van Mataram geen volk van vrouwen,” hernam Tak ongeduldig en verontwaardigd tegelijk, „zijn dan de geweren en pieken der Balineezen zooveel beter dan die der Javanen? Zij hebben toch dezelfde wapenen, hoe kunnen zij dan gevaarlijk zijn, met hun klein aantal tegen de duizenden strijdbare mannen van Karta-Soera?”[127]

„Mijn broeder weet ook,” verzekerde de Radhen altijd even onderworpen, „dat de stoutmoedigsten het meeste wagen en ook den dood niet vreezen, maar de Javanen zijn bang om te sneuvelen. Als echter onze broeders de Hollanders hen bijstaan, dan vreezen zij Soerapati en zijn leger niet, maar zullen zich gaarne van hen ontdoen.”

„Welnu, wij zullen zien wat de Soesoehoenan zal besluiten; zend dus een bode naar uw meester en voeg er bij, dat ik niet in zijn tegenwoordigheid zal verschijnen om mij te kwijten van den last mij door de Hooge Regeering opgedragen, vóórdat Soerapati, de roover, dood of levend in mijn handen is gesteld.”

„Ik zal blijde zijn den keizer de boodschap van den gezant, dien hij zijn zoon noemt, te doen overbrengen.”

„Dat voorspelt niets goeds Van Vliet,” sprak de Commissaris, nadat Radhen Sindoe-Radja hem van zijn tegenwoordigheid had bevrijd, „ik ben vreemd te moede, maar ik geloof, dat wij hier in een zeer moeilijk geval zullen komen. Aan waarschuwingen over de gezindheid van den Soesoehoenan heeft het ons niet ontbroken. Ook kapitein-luitenant Grevink schijnt het niet te vertrouwen. Wat heeft hij u ook weer geschreven?”

„Och, Grevink is een voortvarend heethoofd; had hij altijd geveinsd niets te weten van Soerapati’s aanwezigheid, dan zou onze taak gemakkelijker zijn geweest, maar hij heeft reeds het vorige jaar den Soesoehoenan gewaarschuwd, dat het ons niet bevallen zou, wanneer men voortging het rooverhoofd tot vriend te houden. Daardoor is dat gespuis gewaarschuwd en de keizer begrijpt heel goed dat we om iets anders komen dan om een vriendschapsbezoek.”

„Nu, hij zal ook wel weten hoe diep hij bij ons in de schuld steekt.”[128]

„Dat weet hij genoeg. Grevink schreef, dat de vorst ’t hem ronduit had gezegd, dat het gezantschap kwam om aan te dringen op de uitbetaling der driehonderdduizend rijksdaalders en zoo hij die niet kon opbrengen, zouden wij hem aangrijpen en het heele volk tot slaven maken. Grevink heeft hem gerustgesteld en kwam toen mij ongerust maken. Ik antwoordde hem, dat het schande was zich zoo verwijfd aan te stellen en vroeg of hij geen moed meer in het lijf had. ’t Zou laf en ons onwaardig zijn als we ons bezorgd maakten over een handjevol Balineezen.”

„Het handjevol zou zooveel niet beteekenen, maar wie zegt ons of zij den keizer en alle hofgrooten niet achter zich hebben? Dat volk verstaat zoo de kunst zijn plannen en meeningen te verbergen, dat men steeds vreest met hen over een vulkaan te wandelen; wie weet wat voor duivelsche plannen gesmeed worden achter die goedige, onschuldige oogen. Ik vertrouw hen niets; maar hebt ge nog een later briefje van Grevink ontvangen?”

„Ja, hij praat veel te veel naar mijn zin met zijn bruine Majesteit; hij herhaalde tot vervelens toe dat wij alleen kwamen om den welstand van het Rijk te bespreken en toen moet de keizer echt vriendelijk gezegd hebben: „Als mijn zoon de gezant boven komt, dan zal ik veertig tijgers, die ik nog in de Bagelen heb, laten komen om ze tot zijn vermaak te laten losloopen.” En Grevink verbeeldde zich dat hij met die tijgers eigenlijk Balineezen bedoelde.”

De Commissaris Tak antwoordde niet; hij was een krachtig gebouwd dapper krijgsman, die in den oorlog tegen Bantam en Troeno-Djojo zijn sporen verdiend had; de vingers van zijn verbrijzelde linkerhand, waarvan hij eenige in den Bantamschen oorlog verloren had getuigden er van; de opperkoopman Van Vliet daarentegen had in menig moeilijk geval grootestaatsmanswijsheidgetoond en der Compagnie eveneens groote diensten bewezen; nog[129]onlangs had hij door zijn bemiddeling het uitbreken van ernstige onlusten in Madura voorkomen.

De Compagnie had opzettelijk gewacht totdat zij beide vertrouwde mannen beschikbaar had om ze uit te zenden op den moeilijken tocht, waartoe veel beleid en voorzichtigheid vereischt werden. Een instructie van meer dan eenenzestig bladzijden groot was den Commissaris meegegeven; hij had eerst de kantoren aan Java’s Noordkust te inspecteeren, verder moest hij de troonsopvolging in Tjeribon regelen, welke voorloopige werkzaamheden hij gelukkig voleind had.

Nu kwam het moeilijkste, de zending bij den Soesoehoenan, voor wien hij de nooit aangename boodschap had, hem tot betaling zijner achterstallige schulden aan te sporen. De rekening was vrij hoog, daar zij de voor dien tijd verbazende som van ƒ 4,600000 bedroeg; de Compagnie begreep echter, dat de keizer nooit zulk een bedrag zou afdoen en maakte dus van den nood een deugd om ze te herleiden tot 344000 rijksdaalders, welke Tak zelfs verminderen mocht tot 250000. Natuurlijk zou de Soesoehoenan door het aannemen dezer gunst nog meer onder de macht geraken van de Hollanders, die in ruil voor hunne mildheid de veilige en trouwe handhaving zouden verzoeken van alle „vrije vergunde bedongen octrooien, privilegiën en voorrechten.”

Bovendien moest de Soesoehoenan der Compagnie uitbreiding van haar grondgebied toestaan en handelsvoorrechten in de kustplaatsen; ook de onderwerping van den Tjeribonschen prins behoorde tot Tak’s zorgen. Het had hem veel moeite gekost den jongen Sultan mee te nemen om persoonlijk zijn hulde aan den Mataramschen keizer te brengen, maar ook dit bezwaar scheen uit den weg geruimd.

Niets scheen moeite te kosten dan het laatste artikel, waarop[130]ook nog een zoogenaamd „secreet appendix” doelde. De Soesoehoenan had zich tegenover de Compagnie verbonden „nooit onder zijn gebied metterwoon te gedoogen, eenigeMakassaren, Maleiers, Mooren of wat natiën het mochten wezen, noch ook eenige frequentatie te verleenen.”

In een volgend octrooi was ten overvloede bepaald, dat al deze vreemdelingen die in Mataram waren toegelaten, zouden staan „onder het gebied en de discipline der Compagnie, onverminderd dat zij zouden blijven des Soesoehoenans onderdanen.”

Deze beide artikelen waren nu openlijk geschonden door de toelating van Soerapati in den kraton; Tak moest zijn uitlevering ten strengste eischen en zelfs zoo het bleek dat alle pogingen die hij daartoe in der minne zou beproeven, niet slaagden, geweld gebruiken om de opstandelingen in zijn macht te krijgen. Faalden echter alle pogingen, dan zou het den gezant vrij staan hun genade aan te bieden, mits zij zich naar Batavia zouden begeven om zich daar voor de Hooge Regeering te vernederen.

„Ik geloof, dat de commandeur Jan Albert Sloot gelijk heeft,” sprak Tak na eenige oogenblikken nadenken, „het zal moeite kosten den Balinees in handen te krijgen. Kuffeler heeft ons indertijd daar mooi werk mee verschaft: had hij hem maar tot vriend gehouden.”

„Ik heb dat volk liever tot vijand dan tot vriend, dan weet men ten minste wat men er aan heeft. De besten deugen niet, dat ziet ge aan Jonker, die ook reden tot wantrouwen begint te geven.”

„Ik heb naast Jonker gestreden en toen ten minste was hij trouw als geen Hollander. Ik mocht den dapperen Ambonnees zeer gaarne lijden, en ik twijfel er niet aan, wanneer ik terugkom op Batavia en hem een riem onder ’t hart steek, dat de wolk zal voorbijdrijven. Juist dat wantrouwen van ons maakt hen, die ’t goed met de[131]vreemdelingen meenen, ontevreden. Zij gevoelen genoeg, dat wij hen niet als onze gelijken aanzien, hoe wij hen ook eer en achting uiterlijk bewijzen. Dat gebrek heeft Sloot, hoe bekwaam en scherpzinnig hij ook zijn mag in de hoogste mate; hij schrijft hen steeds nevenbedoelingen toe. Daarom ook handelde hij met schier Javaansche wreedheid toen hij Kadjoran en zijn geslacht verdelgde.”

„Ge moest ze kennen als ik, die zooveel met hen overgebracht heb, dan zoudt ge den commandeur gelijk geven. Dat volk heeft in geveinsdheid en onoprechtheid zijn weergade niet. Ik heb wat al omwegen en kronkelpaden moeten doorloopen om met hen mijn doel te bereiken; men moet ze door en door kennen om met hen om te gaan; die kunst mist Grevink geheel. Hij is te oprecht.”

„Ik zou liever tegen hen vechten dan met hen onderhandelen, dat is zeker, maar ik zie het heden niet goed in. Ik weet zelf niet waarom; hoor eens Van Vliet, als de zaak verkeerd afloopt, zult ge dan mijn vrouw en dochtertje in de gunst der Hooge Regeering aanbevelen?”

„Dat zal wel niet mogelijk zijn, heer Commissaris, als het misloopt, dan zullen wij er beiden wel het leven bij inschieten.”

„’t Is niet gezegd, ’t is aan mij die verwenschte Balineezen te vangen; gij zijt alleen voor het diplomatieke gedeelte der zending.”

„En uw vrouw en dochter zijn toch bezorgd, de Directeur-generaal is uw zwager.”

„Maar mijn vrouw is zwak en ziekelijk en mijn dochtertje nog zoo bitter jong; ik vrees ze niet meer terug te zien. Waarlijk, ik gaf dit geheele mooie landschap en al de pracht, waarmede wij reizen voor mijn eenvoudige woning op de Tijgergracht van Batavia.”

„Ik heb u nooit bang gezien, Commissaris! Waarlijk, wij hebben wel voor heeter vuren gestaan. En ik vind het eigenlijk in de[132]hoogste mate vernederend, dat de Opperlandvoogd en Raden van Indië door een gedrosten slaaf in spanning worden gehouden.”

„Ik geloof dat die Balinees der Compagnie nog veel te doen zal geven. De kerel durft; hij heeft veel bij ons geleerd en zal die kennis gebruiken om ons schade aan te doen.”

De verschijning van Sindoe-Radja maakte aan het gesprek der beide hoofdpersonen van het gezantschap een einde.

„Ik heb een brief voor mijn broeder den heer Commissaris,” sprak hij, en naderde vol eerbied den gezant. „Zoo pas is mij die gebracht.”

Tak opende het briefje, dat door den kapitein-luitenant Grevink geschreven was; zwijgend reikte hij het Van Vliet over.

„Wat moeten wij er van denken?” vroeg hij.

„Ze worden bang, de Rijksbestuurder is de spil waar alles om draait; hij bemerkt dat het der Compagnie ernst is met de opvordering van zijn lieveling en nu willen ze zich zelf van hem ontdoen, zonder onze hulp.”

„Dat is juist het tegenovergestelde wat Sindoe-Radja verlangde; ik vertrouw ze niet, maar in elk geval kunnen wij onzen tocht voortzetten.”

„Zou het niet beter zijn, vraag ik in alle bescheidenheid, te wachten, tot wij bericht ontvangen, dat het hun gelukt is den schurk in handen te krijgen?”

„Waarom? Dat getalm verveelt mij, ik heb haast met de zaak te beginnen, anders komt ze nooit ten einde.”

„Belieft het mijn broeder nu te gaan?” vroeg Radhen Sindoe-Radja.

„Ja, het is goed, laat ons gaan!” sprak de Commissaris.

Het was tien uur, de zon stond hoog aan den hemel; niettegenstaande de sombere voorgevoelens van den gezant vermoedde[133]noch hij, noch de opperkoopman Van Vliet, dat zij die zon niet meer zouden zien ondergaan.


Back to IndexNext