[Inhoud]V.DE WAPENSCHOUWING.In de eerste dagen van September had zich de oorlogsmacht, bestemd om Soerapati te bestrijden, op den aloen-aloen van Soerabaya verzameld.De zestien Hollandsche vaandels gaan vooraf, het rood, wit en blauw wappert vroolijk in de lucht, breedgerande vilthoeden bedekken de gebruinde gezichten, de gele krijgsrokken worden vervroolijkt door de roode kragen, de buks dragen zij op den schouder, welgemoed en opgewekt stappen zij voort onder de statige klanken van het Wilhelmus. Aan hun hoofd, op een fraai strijdros gezeten, rijdt majoor Govert Knol, wien het opperbevelhebberschap over het geheele leger is toevertrouwd; onder hem staan de kloeke, krachtig gebouwde kapitein van Bergen, de dappere, hoewel wat al te voortvarende en onbedachtzame kapitein de Bevere en de Soerabayasche officieren Willem Sergeant en Hendrik van der Hout, waartoe ook nog kapitein Bintang behoort. Deze vijf kapiteins voeren elk een brigade aan, uit Europeanen en Inlanders bestaande, welke laatste op hun beurt onder hun eigen hoofden staan. Daar zijn de Balineezen met hun forsche gestalten, de Ambonneezen hun met koralen doorvlochten haren, fladderende om het hoofd, de Boegineezen, wier hoofd en middel alleen bedekt zijn en die een eirond schild aan den arm dragen, de Makassaren en Timoreezen even weinig gekleed als zij, doch met naar de hoogte opgekamd haar, luid zingend oprukkend en elkanders moed opwekkend door verhalen van de heldendaden hunner voorvaderen. Eindelijk de Javanen, bedaard, klein en tenger, met schuwen blik en lusteloozen gang, achter hen de kleurlingen, iets grooter en niet veel levendiger dan zij.[221]Op de legermacht der Compagnie volgen de troepen van den Madureeschen prins, wiens tegenwoordigheid in het leger gelijk staat met dat van 10000 man, want hooggeëerd is deze tachtigjarige vorst niet alleen door zijn eigen volk maar door geheel Java. Het loopen of rijden valt hem moeilijk, waarom hij zich dan ook door twaalf mannen op een rijk met kleeden en tapijten belegde plank laat dragen; hij is ondanks zijn hoogen leeftijd een zwaar, flink gebouwd man met breed aangezicht en scherp geteekende trekken, het wit zijner oogen is geheel met rood beloopen, slechts weinige grijze haren bleven op zijn schedel over, maar nog verraden zijn gespierde armen de meer dan gewone kracht, welke zij eenmaal hadden bezeten; een vroolijke lach speelt dikwijls op zijn gelaat, hij is vriendelijk en voorkomend, maar ook onverbiddelijk streng tegenover zijn ondergeschikten. Hij draagt een rijk opperkleed van leverkleurig damast, dik geborduurd met gouden bloemen en een blauw zijden sarong met zilver doorwerkt, een menigte ringen versieren zijn gerimpelde handen en zijn kris vonkelt in de met edelgesteenten belegde gouden scheede. Naast hem rijden even sierlijk gekleed zijn zonen, klein- en achterkleinkinderen, waarvan zich verscheidene, naar men zeide honderdtwintig, in het leger bevonden; een zonnescherm van nipabladeren wordt boven zijn hoofd gehouden, terwijl men hem zijn gouden piek vooruit draagt.Meer dan duizend voorname Madureezen volgen hem—een leger van Sumanappers en Pamakassanen, met hun kleurige vaandels, bonte doeken, waarop spreuken, griffioenen, draken en halve manen afgebeeld zijn, ook vier gesloten draagstoelen merkt men op, daarin werden de schoonste vrouwen van den ouden vorst gedragen, die hem op den veldtocht zouden vergezellen; de muziek dergamelansen javaansche trommen begeleidde hen.De stoet wordt gesloten door de troepen van Djajang Rana, den[222]Depati van Soerabaya, allen kleine, onaanzienlijke mannen, die aangevoerd werden door den Regent zelf en zijn drie broeders. De Soerabayasche prinsen zaten op rijk getooide olifanten; de Depati was bekend als een der schoonste mannen van zijn land, hoewel volgens Europeeschen smaak zijn neus te plat en zijn trekken te breed geacht konden worden; hij was echter van hooge gestalte en zwaren lichaamsbouw, nog slechts zes en dertig jaar oud, buitengewoon trotsch en ongenaakbaar; niemand kon het in het strijdperk tegen hem uithouden. Zijn broeders waren kleiner maar vriendelijker en schenen min of meer gedrukt onder de heerschappij van hun oudste.Het geheele leger bestond thans uit 15000 man, verscheidene stukken geschut, die door 200 buffels vervoerd werden en uit 5000 lastdragers.De dag waarop de wapenschouwing plaats had, werd door een groot feest, gegeven door den Depati, besloten, den volgenden morgen zou men zich op marsch begeven; een onafzienbare menigte menschen drong zich om den aloen-aloen, teneinde dit bijna eenige schouwspel van een strijdvaardig leger, aangevoerd door de eerste Javaansche prinsen na den keizer, te zien oprukken. Morgen in alle vroegte zouden eerst eenige Hollandsche brigades vertrekken, om dan gevolgd te worden door de Madureezen en Soerabayers, terwijl eindelijk nog eenige brigades met den staf van het leger de achterhoede moesten vormen.Het feest dat de Depati in zijn dalem aanrichtte was schitterend; een groote tafel, waaraan weldriehonderdman konden zitten, was onder een ruime pendoppo opgeslagen; voor de gasten waren chineesche stoelen neergezet; aan het hoofd der tafel zat de grijze Panombahan, wien men echter met moeite deze eereplaats had opgedrongen, daar hij deze aan den veldheer wilde afstaan. Aan zijn rechterhand was majoor Knol gezeten en aan de linkerzijde de Depati[223]Soerabaya, die een man met een stemmig, eenigszins ontevreden gelaat aan zijn zijde had, de veldprediker François Valentijn namelijk. Zeer tegen zijn zin maakte hij dezen veldtocht mede en met misnoegden blik liet hij de rijke verscheidenheid van schotels langs hem heen trekken, want hoe heerlijk toebereid ook het wildbraad, het ossen-, kalfs-en hertenvleesch zijn mocht, hij kon er niets van genieten daar alles met klapperolie was toebereid, hetgeen de spijzen voor hem oneetbaar maakte; zijn gedachten waren klaarblijkelijk verre van daar te Batavia, waar hij een zieke vrouw en verscheidene kinderen had achtergelaten of bij het weinig verkwikkelijke vooruitzicht van den aanstaanden veldtocht.Hij kon toch niet nalaten nu en dan een blik te werpen op de vrouwen tot het gevolg van de Javaansche prinsen behoorende, die ten getale van honderd in een halve maan achter de tafel op kleine matten gezeten waren; zij schenen echter het bezien nauwelijks waard, zonder de bloemen en juweelen die haar versierden. Op den predikant Valentijn volgden de andere kapiteins, officieren, Javaansche en Madureesche prinsen.Hoewel het feest door een Mahomedaan gegeven werd en zoovele andere Mahomedanen er deel aan namen, vloeide de wijn in ruime mate, en deze bond welhaast de tongen los; toen de eigenlijke maaltijd geëindigd was, verscheen het dessert op tafel dat zoo het kon alles wat reeds voorgediend was, in overvloed en rijkdom overtrof. De heerlijkste pompelmoezen, djamboes, pisangs, ananassen, manga’s in de rijkste verscheidenheid, sappige nanka’s, goudgele doerians, tamarindeconfituren en ketelawortelen in sierlijken vorm gerangschikt, streelden vooral het oog van den armen predikant, die zich tot nu toe slechts met droge rijst had moeten behelpen.Allen prezen het rijke onthaal dat de Depati zijn gasten aanbood en den smaak zijner trotsche eerste vrouw, een Japarasche prinses,[224]die hem in hoogmoed waardig terzijde stond; niemand hechtte ongetwijfeld op dit oogenblik eenig geloof aan de lasterrijke praatjes, welke hier en daar gefluisterd werden van de al te goede verstandhouding, welke tusschen dezen prins en den vijand bestond.Gedurende het geheele maal hadden de Javaansche orkesten zich laten hooren; een vroolijke, opgewekte geest scheen aan tafel te heerschen, want de regent van Soerabaya was ondanks zijn grooten trots toch een hoogst aangename, gulle gastheer.Er werd tusschen de drie legerhoofden druk gedronken en geklonken, op den goeden uitslag der expeditie en der vereenigde wapenen; daar verbleekte de Depati plotseling, de hand waarmede hij het glas aan de lippen wilde brengen, beefde zoo sterk, dat de inhoud over zijn goudlakensch wambuis viel.De Panombahan brak in een luidruchtig gelach uit, hij dacht niet anders of de wijn had zijn sterken broeder van Soerabaya reeds het verstand beneveld en de kracht der vingers ontnomen. Met een gedwongen lach verontschuldigde zich de Depati; een der slaven, die aan tafel dienden, een groote, sterke man, was toegesneld en wischte met een doek de druppels weg. Niemand zag hoe van terzijde de regent den bediende aanzag en hem binnensmonds toevoegde:„Vermetele, hoe durft gij?”De slaaf ging echter voort met zijn werk en sprak:„’t Is gedaan, edele Heer!”Hij verwijderde zich vervolgens weer en nam een der schotels met vruchten op om ze den bevelhebber aan te bieden; doch de oogen van den Depati bleven hem steeds volgen, zoo bemerkte hij ook hoe deze slaaf in het voorbijgaan een anderen aansprak, wiens donker bijna zwart gelaat zich met woeste, grimmige uitdrukking op de Hollandsche gasten richtte. Slechts een[225]verstrooid oor leende de regent meer aan de gesprekken; hij glimlachte soms werktuigelijk maar vermeed telkens mede te spreken, terwijl de beide slaven zich thans achter den zetel van den Madurees bevonden, die met Govert Knol de bijzonderheden van den veldtocht druk besprak.Wie let er ook op een slaaf? Noch de majoor, noch de Panombahan koesterden eenige achterdocht, terwijl de slaaf met onverschillig over elkaar geslagen armen achter hun stoelen stond en zijn blikken koel door de pendoppo deed dwalen.Tevergeefs hield dominé Valentijn een zeer belangwekkend gesprek over Hollandsche en Javaansche vruchten, de Soerabayasche prins luisterde niet; op zijn vragen aangaande de verscheidene soorten van djamboes en pisangs kreeg hij dikwijls de meest onzinnige antwoorden, zoodat de goede leeraar tot het besluit kwam den hoogmoedigen prins niet langer het genot zijner gesprekken te gunnen.Eindelijk stond de Edele Heer Knol op; de twaalf dragers van den Panombahan schoten toe en hieven hem weer op de draagplank, alle andere grooten verwijderden zich nu ook van de tafel, terwijl het gevolg toeschoot om van het rijke overschot zijn deel te nemen.De Depati verliet alleen de pendoppo; langzaam en ongemerkt volgden hem de beide slaven, die hij in ’t voorbijgaan had toegewenkt. Zij begaven zich naar een binnenplein door een hoogen muur van de feestzaal gescheiden; hier waren zij alleen en onbespied, maar nog steeds behield het gelaat van den regent een bezorgde, onrustige uitdrukking, die zijn beide gezellen in een hartelijken lach deed uitbarsten.„Gij kunt lachen, maar ik meende door den grond te zinken!” riep hij toornig uit, „hoe durft gij het wagen!”„Als ik ’t niet waagde, wie zou het anders doen?” antwoordde de[226]grootste slaaf,„heb ik mij niet goed van mijn taak gekweten, hoewel het jaren en jaren geleden is, sints ik het slavenpak droeg en een tafel diende? Inderdaad Soerabaya, uw tafel is schitterend en uw gade een uitstekende gastvrouw, maar nog schooner is het vereenigde leger. Hoe zal ’t er over een maand mee gesteld zijn?”„Gij hebt de wapenschouwing bijgewoond?”„Natuurlijk, ik wilde weten, hoe men mij vreesde; dezen morgen in alle vroegte verlieten wij Kali-Anjer in een kleine boot, Wirajoeda en ik, we kwamen juist bijtijds om het uittrekken der troepen te zien, maar ik had er niet genoeg van, ik wilde de Hollanders van nabij beschouwen en iets van hun plannen hooren. ’t Is mij goed gelukt, ik heb veel vernomen, waarmede ik mijn voordeel kan doen.”„Maar hebt ge niet bedacht aan hoeveel gevaren gij u blootstelt, niet alleen uzelf maar ook mij?”De toon van den Depati klonk thans laag en bijna ootmoedig.„Uw toestand is gevaarlijk Soerabaya, ik erken ’t. Zeg mij oprecht,hebt gij geen lust u in waarheid met de Hollanders te verbinden en mij te bestrijden, de gelegenheid is schoon, ik bevind mij in uw macht. Een woord en ik ben uw gevangene!”„Neen, duizendmaal neen! Mataram zal verdwijnen, en de Madurees eveneens; ik haat den ouden wellusteling, voor wien ik mij in ’t stof moet vernederen, om den soembah1te doen, als ware ik zijn onderdaan en niet een bijna onafhankelijk vorst. Gij zijt mijn eenige hoop, als we dit leger vernietigen dan is de macht en het aanzien der Hollanders voorgoed gefnuikt.”„En als ik sneuvelen mocht, Soerabaya?”„Groote gevaren heeft mijn broeder doorstaan, en steeds bleef[227]hij onoverwinnelijk, waarom zou thans zijn ure slaan? Maar juist daar er zooveel afhangt van uw leven, sidderde ik zoo even toen ik u onder deze vermomming herkende. Heeft niemand argwaan opgevat?”„Niemand, er zijn thans zoovele vreemdelingen in de verschillende hofstoeten dat geen zijn buurman wantrouwt. De Madureezen vroegen mij of ik een Rembanger was en aan die van Toeban verhaalde ik dat ik den Depati van Japara toebehoorde, maar nu moeten we vertrekken, Wirajoeda!”„Doch gij hebt nog niets gebruikt om u te versterken of te verfrisschen.”„In een warong hebben we straks ons maal genomen, minder rijk, ’t is waar, dan het uwe, Depati, doch ruim voldoende. Ik ga terug naar Bangil, gij houdt u aan onze afspraak; laat uw zonneschermen steeds vooruitdragen dan zal ik zorgen dat niemand op uw manschappen schiet.”„Heldenmoed zal hunmoeilijkerte leeren zijn, dan lafhartigheid. Gemakkelijk is ’t voor hen het parool op te volgen van niet te vechten. Doch zal ik u geen wacht geven om u te vergezellen?”„Neen, elke voorzorg vermeerdert ons gevaar; mijn gezel moet zich haasten naar Kediri, waar een andere inval wordt verwacht. Met den kreupele is niets uit te richten.”„Welnu, als het oogenblik daar is, laten wij hem vallen als een vaandel dat zijn dienst gedaan heeft. Tot wederziens! Hoe vurig verlang ik mijn broeder op zijn beurt hier feestelijk te ontvangen, dan zal het een gastmaal zijn, waarbij dit in het niet verdwijnt.”„Ik wensch het met u maar wisselvallig zijn de kansen van den krijg. ’t Is een dobbelspel dat wij spelen Soerabaya, en de inzet is ons leven, ons land.”[228]„Verlies geen moed broeder, want als gij die kostbare gave laat zakken is alles gedaan. Vaarwel! wees voorzichtig, ik zal u den kortsten weg wijzen uit mijn dalem, naar de Kali Mas.”„Doe geen moeite, ik ken den weg, ga naar uw gasten terug broeder, die uw afwezigheid stellig betreuren, wij redden ons zelf.”De regent keerde met bezwaard gemoed naar zijn gasten, die zijn afwezigheid op hun wijze uitlegden en zich verlustigden of verveelden met het gezicht der danseressen, die haar kunstigste toeren ten beste gaven voor het hooge gezelschap.Intusschen waren de beide vermomde slaven zonder ongeval in hun schuitje gekomen, dat door vier roeiers in beweging werd gebracht. Snel doorkliefde het de baren, die in de laatste zonnestralen met vuurrooden glans schitterden.Spoedig viel de duisternis en met haar kwam zich een gouden weefsel van sterren in de zacht geschubde wateren spiegelen. Soerapati zat achter in het prauwtje, tegenover hem lag Wirajoeda uitgestrekt; met snelle slagen roeiden de roeiers voort, verscheidene scheepjes vlogen hen langs en niemand vermoedde, wie zich in dat onaanzienlijke schuitje bevond. Beide mannen zwegen, plotseling vroeg de vorst:„Wat zegt ge van die troepenmacht, Wirajoeda, uitgezonden om mij, mij alleen te bestrijden?”„Die troepen jagen mij geen schrik aan maar wel het zware geschut, hoe zullen wij dat op den duur weerstaan? De moerassige grond, het verwijderde seizoen zijn onze beste bondgenooten, zullen zij op den duur bestand blijken tegen die kanonnen, mortieren en handgranaten? Hoe weinig kunnen wij daar tegenoverstellen? O meester, waarom hebt ge het mij verboden? Een druppel in den drank van die blanke honden en zij waren onschadelijk geworden.…!”[229]„Sinds wanneer strijden wij met zulke wapenen, vriend? Een rijk is al zeer nabij zijn ondergang wanneer de vorst tot deze middelen zijn toevlucht moet nemen. Wij zullen hen ontvangen achter onze versterkingen en dan zien wie de sterkste blijkt.”„Nooit steeg het water ons zoo hoog aan de lippen.”„Ge hebt veel vergeten Wirajoeda, en in de gevangenis van Batavia dan en in het gebergte van den Preanger en in den dalem vanKarta-Soera? ’t Is zoo, we waren toen jonger, wij hadden minder te verliezen, maar toch alles wel beschouwd, ik heb nu ook niets te laten dan mijn leven, is dat weg, welnu.…”„En uw rijk dan?”„Het zal met mij staan of vallen, ik heb vele erfgenamen maar geen opvolger.”„Meester,” vroeg Wirajoeda zacht, „is ’t waar, wat men fluistert? Hebt gij den zoon uwer blanke vrouw teruggevonden en wildet gij hem verheffen boven al uw andere kinderen?”„Het is zoo, Wirajoeda en ook gij zoudt hem gehoorzaamd hebben daar hij de eenige was, die mijn rijk in mijn geest zou hebben voortgezet maar noch Lembono, noch Pengantin, noch mijn andere kinderen had ik benadeeld. Hem zouden de grootste plichten zijn ten deele gevallen. Hadt gij hem gehoorzaamheid geweigerd?”„Gehoorzaamheid weigeren aan den uitverkorene mijns meesters, dat nooit, al zou ook mijn hart gebloed, mijn stem gebeefd hebben bij het zweren van den eed van trouw!”„Ik weet dat ik op u rekenen kan, oude vriend! Hoe lang was de weg, dien wij samen maakten uit het slavenhok naar den vorstentroon, van het Westen van Java tot aan het Oosten vervolgden wij dien weg, wij gingen de zon tegemoet. ’t Ware jammer Wirajoeda, als wij vergeefs hadden gearbeid; wie kan mijn werk voortzetten, geen mijner zonen, evenmin als de Balembanger[230]maar mijn Hollandsche zoon is moedig, onverschrokken, eerlijk en trouw als zijn moeder.”„Als zijn moeder?”„Ja, als mijn Suzanna, die den dood en de schande verkoos boven ontrouw aan mij. Kiai Hemboong en Radhen Goesik hebben mij bedrogen, niet zij; mijn tegenwoordige vrouw echter vreest niet tegen mij samen te spannen juist in de ure des gevaars en mijn taak nog zwaarder te maken. Zij echter was trouw als goud en dit is de troost mijns levens.”„Maar uw zoon, waar is hij nu?”„In den kerker; hij heeft bezwaren, ik hoop die te overwinnen, daarbij nergens is zijn leven veiliger dan juist daar!”„Zal nimmer uw voorkeur tot de vreemdelingen tanen, meester; hebt ge niet genoeg van hen verduurd? Hebt ge het lot vergeten van kapitein Jonker, dien zij beleedigd, gewantrouwd, vervolgd en doodgeslagen hebben?”„O als ik slechts tijd van leven hebben mag, als mijn zoon wilde, dan, dan …! Maar neen! Ik heb van nacht zonderling gedroomd, Wirajoeda, ik verbeeldde mij in Malang te zijn, ik zag de hoogvlakte aan mijn voeten met haar wouden en terrassen, ik zag de breede stroomen en de hooge bergen, de bergribben en kloven zoo duidelijk als ik ze meermalen in werkelijkheid aanschouwde en plotseling bemerkte ik dat bruggen van ijzer en steen de rivieren overspanden, dat zich steden aan den voet der bergen legerden, dat op de reede van Pasoeroean reusachtige schepen het water doorkliefden. Plotseling hoorde ik een zonderling gerucht, ik zag omlaag en daar kronkelde zich al sissend een reusachtige slang vuur en vlammen brakende door de bosschen en wolken rook dreven over de zee en over die groote schepen. ’t Was vreemd maar niemand verschrikte voor de zonderlinge monsters,[231]die zee en aarde verontrustten. De slang drong in de bergen en trok over de rivieren, hijgend en loeiend bleef zij soms staan en menschen verlieten haar schoot, blanken en bruinen waren het, ik zag ze nauwlettend aan en zie het werd mij duidelijk hoe ’t land toch niet van aanschijn was veranderd, hoe ook de bergen doorboord, de rivieren overbrugd, de afstanden verdwenen waren, tusschen ons volk en het hunne bleef een wijde klove gapen. Zij waren nog steeds de meesters en wij de dienaren. Toen begreep ik dat ook mijn werk vergeefsch was geweest, en ik ontwaakte vol bittere smart. Vriend, onze weg spoedt ten einde!”1Voetkus.↑
[Inhoud]V.DE WAPENSCHOUWING.In de eerste dagen van September had zich de oorlogsmacht, bestemd om Soerapati te bestrijden, op den aloen-aloen van Soerabaya verzameld.De zestien Hollandsche vaandels gaan vooraf, het rood, wit en blauw wappert vroolijk in de lucht, breedgerande vilthoeden bedekken de gebruinde gezichten, de gele krijgsrokken worden vervroolijkt door de roode kragen, de buks dragen zij op den schouder, welgemoed en opgewekt stappen zij voort onder de statige klanken van het Wilhelmus. Aan hun hoofd, op een fraai strijdros gezeten, rijdt majoor Govert Knol, wien het opperbevelhebberschap over het geheele leger is toevertrouwd; onder hem staan de kloeke, krachtig gebouwde kapitein van Bergen, de dappere, hoewel wat al te voortvarende en onbedachtzame kapitein de Bevere en de Soerabayasche officieren Willem Sergeant en Hendrik van der Hout, waartoe ook nog kapitein Bintang behoort. Deze vijf kapiteins voeren elk een brigade aan, uit Europeanen en Inlanders bestaande, welke laatste op hun beurt onder hun eigen hoofden staan. Daar zijn de Balineezen met hun forsche gestalten, de Ambonneezen hun met koralen doorvlochten haren, fladderende om het hoofd, de Boegineezen, wier hoofd en middel alleen bedekt zijn en die een eirond schild aan den arm dragen, de Makassaren en Timoreezen even weinig gekleed als zij, doch met naar de hoogte opgekamd haar, luid zingend oprukkend en elkanders moed opwekkend door verhalen van de heldendaden hunner voorvaderen. Eindelijk de Javanen, bedaard, klein en tenger, met schuwen blik en lusteloozen gang, achter hen de kleurlingen, iets grooter en niet veel levendiger dan zij.[221]Op de legermacht der Compagnie volgen de troepen van den Madureeschen prins, wiens tegenwoordigheid in het leger gelijk staat met dat van 10000 man, want hooggeëerd is deze tachtigjarige vorst niet alleen door zijn eigen volk maar door geheel Java. Het loopen of rijden valt hem moeilijk, waarom hij zich dan ook door twaalf mannen op een rijk met kleeden en tapijten belegde plank laat dragen; hij is ondanks zijn hoogen leeftijd een zwaar, flink gebouwd man met breed aangezicht en scherp geteekende trekken, het wit zijner oogen is geheel met rood beloopen, slechts weinige grijze haren bleven op zijn schedel over, maar nog verraden zijn gespierde armen de meer dan gewone kracht, welke zij eenmaal hadden bezeten; een vroolijke lach speelt dikwijls op zijn gelaat, hij is vriendelijk en voorkomend, maar ook onverbiddelijk streng tegenover zijn ondergeschikten. Hij draagt een rijk opperkleed van leverkleurig damast, dik geborduurd met gouden bloemen en een blauw zijden sarong met zilver doorwerkt, een menigte ringen versieren zijn gerimpelde handen en zijn kris vonkelt in de met edelgesteenten belegde gouden scheede. Naast hem rijden even sierlijk gekleed zijn zonen, klein- en achterkleinkinderen, waarvan zich verscheidene, naar men zeide honderdtwintig, in het leger bevonden; een zonnescherm van nipabladeren wordt boven zijn hoofd gehouden, terwijl men hem zijn gouden piek vooruit draagt.Meer dan duizend voorname Madureezen volgen hem—een leger van Sumanappers en Pamakassanen, met hun kleurige vaandels, bonte doeken, waarop spreuken, griffioenen, draken en halve manen afgebeeld zijn, ook vier gesloten draagstoelen merkt men op, daarin werden de schoonste vrouwen van den ouden vorst gedragen, die hem op den veldtocht zouden vergezellen; de muziek dergamelansen javaansche trommen begeleidde hen.De stoet wordt gesloten door de troepen van Djajang Rana, den[222]Depati van Soerabaya, allen kleine, onaanzienlijke mannen, die aangevoerd werden door den Regent zelf en zijn drie broeders. De Soerabayasche prinsen zaten op rijk getooide olifanten; de Depati was bekend als een der schoonste mannen van zijn land, hoewel volgens Europeeschen smaak zijn neus te plat en zijn trekken te breed geacht konden worden; hij was echter van hooge gestalte en zwaren lichaamsbouw, nog slechts zes en dertig jaar oud, buitengewoon trotsch en ongenaakbaar; niemand kon het in het strijdperk tegen hem uithouden. Zijn broeders waren kleiner maar vriendelijker en schenen min of meer gedrukt onder de heerschappij van hun oudste.Het geheele leger bestond thans uit 15000 man, verscheidene stukken geschut, die door 200 buffels vervoerd werden en uit 5000 lastdragers.De dag waarop de wapenschouwing plaats had, werd door een groot feest, gegeven door den Depati, besloten, den volgenden morgen zou men zich op marsch begeven; een onafzienbare menigte menschen drong zich om den aloen-aloen, teneinde dit bijna eenige schouwspel van een strijdvaardig leger, aangevoerd door de eerste Javaansche prinsen na den keizer, te zien oprukken. Morgen in alle vroegte zouden eerst eenige Hollandsche brigades vertrekken, om dan gevolgd te worden door de Madureezen en Soerabayers, terwijl eindelijk nog eenige brigades met den staf van het leger de achterhoede moesten vormen.Het feest dat de Depati in zijn dalem aanrichtte was schitterend; een groote tafel, waaraan weldriehonderdman konden zitten, was onder een ruime pendoppo opgeslagen; voor de gasten waren chineesche stoelen neergezet; aan het hoofd der tafel zat de grijze Panombahan, wien men echter met moeite deze eereplaats had opgedrongen, daar hij deze aan den veldheer wilde afstaan. Aan zijn rechterhand was majoor Knol gezeten en aan de linkerzijde de Depati[223]Soerabaya, die een man met een stemmig, eenigszins ontevreden gelaat aan zijn zijde had, de veldprediker François Valentijn namelijk. Zeer tegen zijn zin maakte hij dezen veldtocht mede en met misnoegden blik liet hij de rijke verscheidenheid van schotels langs hem heen trekken, want hoe heerlijk toebereid ook het wildbraad, het ossen-, kalfs-en hertenvleesch zijn mocht, hij kon er niets van genieten daar alles met klapperolie was toebereid, hetgeen de spijzen voor hem oneetbaar maakte; zijn gedachten waren klaarblijkelijk verre van daar te Batavia, waar hij een zieke vrouw en verscheidene kinderen had achtergelaten of bij het weinig verkwikkelijke vooruitzicht van den aanstaanden veldtocht.Hij kon toch niet nalaten nu en dan een blik te werpen op de vrouwen tot het gevolg van de Javaansche prinsen behoorende, die ten getale van honderd in een halve maan achter de tafel op kleine matten gezeten waren; zij schenen echter het bezien nauwelijks waard, zonder de bloemen en juweelen die haar versierden. Op den predikant Valentijn volgden de andere kapiteins, officieren, Javaansche en Madureesche prinsen.Hoewel het feest door een Mahomedaan gegeven werd en zoovele andere Mahomedanen er deel aan namen, vloeide de wijn in ruime mate, en deze bond welhaast de tongen los; toen de eigenlijke maaltijd geëindigd was, verscheen het dessert op tafel dat zoo het kon alles wat reeds voorgediend was, in overvloed en rijkdom overtrof. De heerlijkste pompelmoezen, djamboes, pisangs, ananassen, manga’s in de rijkste verscheidenheid, sappige nanka’s, goudgele doerians, tamarindeconfituren en ketelawortelen in sierlijken vorm gerangschikt, streelden vooral het oog van den armen predikant, die zich tot nu toe slechts met droge rijst had moeten behelpen.Allen prezen het rijke onthaal dat de Depati zijn gasten aanbood en den smaak zijner trotsche eerste vrouw, een Japarasche prinses,[224]die hem in hoogmoed waardig terzijde stond; niemand hechtte ongetwijfeld op dit oogenblik eenig geloof aan de lasterrijke praatjes, welke hier en daar gefluisterd werden van de al te goede verstandhouding, welke tusschen dezen prins en den vijand bestond.Gedurende het geheele maal hadden de Javaansche orkesten zich laten hooren; een vroolijke, opgewekte geest scheen aan tafel te heerschen, want de regent van Soerabaya was ondanks zijn grooten trots toch een hoogst aangename, gulle gastheer.Er werd tusschen de drie legerhoofden druk gedronken en geklonken, op den goeden uitslag der expeditie en der vereenigde wapenen; daar verbleekte de Depati plotseling, de hand waarmede hij het glas aan de lippen wilde brengen, beefde zoo sterk, dat de inhoud over zijn goudlakensch wambuis viel.De Panombahan brak in een luidruchtig gelach uit, hij dacht niet anders of de wijn had zijn sterken broeder van Soerabaya reeds het verstand beneveld en de kracht der vingers ontnomen. Met een gedwongen lach verontschuldigde zich de Depati; een der slaven, die aan tafel dienden, een groote, sterke man, was toegesneld en wischte met een doek de druppels weg. Niemand zag hoe van terzijde de regent den bediende aanzag en hem binnensmonds toevoegde:„Vermetele, hoe durft gij?”De slaaf ging echter voort met zijn werk en sprak:„’t Is gedaan, edele Heer!”Hij verwijderde zich vervolgens weer en nam een der schotels met vruchten op om ze den bevelhebber aan te bieden; doch de oogen van den Depati bleven hem steeds volgen, zoo bemerkte hij ook hoe deze slaaf in het voorbijgaan een anderen aansprak, wiens donker bijna zwart gelaat zich met woeste, grimmige uitdrukking op de Hollandsche gasten richtte. Slechts een[225]verstrooid oor leende de regent meer aan de gesprekken; hij glimlachte soms werktuigelijk maar vermeed telkens mede te spreken, terwijl de beide slaven zich thans achter den zetel van den Madurees bevonden, die met Govert Knol de bijzonderheden van den veldtocht druk besprak.Wie let er ook op een slaaf? Noch de majoor, noch de Panombahan koesterden eenige achterdocht, terwijl de slaaf met onverschillig over elkaar geslagen armen achter hun stoelen stond en zijn blikken koel door de pendoppo deed dwalen.Tevergeefs hield dominé Valentijn een zeer belangwekkend gesprek over Hollandsche en Javaansche vruchten, de Soerabayasche prins luisterde niet; op zijn vragen aangaande de verscheidene soorten van djamboes en pisangs kreeg hij dikwijls de meest onzinnige antwoorden, zoodat de goede leeraar tot het besluit kwam den hoogmoedigen prins niet langer het genot zijner gesprekken te gunnen.Eindelijk stond de Edele Heer Knol op; de twaalf dragers van den Panombahan schoten toe en hieven hem weer op de draagplank, alle andere grooten verwijderden zich nu ook van de tafel, terwijl het gevolg toeschoot om van het rijke overschot zijn deel te nemen.De Depati verliet alleen de pendoppo; langzaam en ongemerkt volgden hem de beide slaven, die hij in ’t voorbijgaan had toegewenkt. Zij begaven zich naar een binnenplein door een hoogen muur van de feestzaal gescheiden; hier waren zij alleen en onbespied, maar nog steeds behield het gelaat van den regent een bezorgde, onrustige uitdrukking, die zijn beide gezellen in een hartelijken lach deed uitbarsten.„Gij kunt lachen, maar ik meende door den grond te zinken!” riep hij toornig uit, „hoe durft gij het wagen!”„Als ik ’t niet waagde, wie zou het anders doen?” antwoordde de[226]grootste slaaf,„heb ik mij niet goed van mijn taak gekweten, hoewel het jaren en jaren geleden is, sints ik het slavenpak droeg en een tafel diende? Inderdaad Soerabaya, uw tafel is schitterend en uw gade een uitstekende gastvrouw, maar nog schooner is het vereenigde leger. Hoe zal ’t er over een maand mee gesteld zijn?”„Gij hebt de wapenschouwing bijgewoond?”„Natuurlijk, ik wilde weten, hoe men mij vreesde; dezen morgen in alle vroegte verlieten wij Kali-Anjer in een kleine boot, Wirajoeda en ik, we kwamen juist bijtijds om het uittrekken der troepen te zien, maar ik had er niet genoeg van, ik wilde de Hollanders van nabij beschouwen en iets van hun plannen hooren. ’t Is mij goed gelukt, ik heb veel vernomen, waarmede ik mijn voordeel kan doen.”„Maar hebt ge niet bedacht aan hoeveel gevaren gij u blootstelt, niet alleen uzelf maar ook mij?”De toon van den Depati klonk thans laag en bijna ootmoedig.„Uw toestand is gevaarlijk Soerabaya, ik erken ’t. Zeg mij oprecht,hebt gij geen lust u in waarheid met de Hollanders te verbinden en mij te bestrijden, de gelegenheid is schoon, ik bevind mij in uw macht. Een woord en ik ben uw gevangene!”„Neen, duizendmaal neen! Mataram zal verdwijnen, en de Madurees eveneens; ik haat den ouden wellusteling, voor wien ik mij in ’t stof moet vernederen, om den soembah1te doen, als ware ik zijn onderdaan en niet een bijna onafhankelijk vorst. Gij zijt mijn eenige hoop, als we dit leger vernietigen dan is de macht en het aanzien der Hollanders voorgoed gefnuikt.”„En als ik sneuvelen mocht, Soerabaya?”„Groote gevaren heeft mijn broeder doorstaan, en steeds bleef[227]hij onoverwinnelijk, waarom zou thans zijn ure slaan? Maar juist daar er zooveel afhangt van uw leven, sidderde ik zoo even toen ik u onder deze vermomming herkende. Heeft niemand argwaan opgevat?”„Niemand, er zijn thans zoovele vreemdelingen in de verschillende hofstoeten dat geen zijn buurman wantrouwt. De Madureezen vroegen mij of ik een Rembanger was en aan die van Toeban verhaalde ik dat ik den Depati van Japara toebehoorde, maar nu moeten we vertrekken, Wirajoeda!”„Doch gij hebt nog niets gebruikt om u te versterken of te verfrisschen.”„In een warong hebben we straks ons maal genomen, minder rijk, ’t is waar, dan het uwe, Depati, doch ruim voldoende. Ik ga terug naar Bangil, gij houdt u aan onze afspraak; laat uw zonneschermen steeds vooruitdragen dan zal ik zorgen dat niemand op uw manschappen schiet.”„Heldenmoed zal hunmoeilijkerte leeren zijn, dan lafhartigheid. Gemakkelijk is ’t voor hen het parool op te volgen van niet te vechten. Doch zal ik u geen wacht geven om u te vergezellen?”„Neen, elke voorzorg vermeerdert ons gevaar; mijn gezel moet zich haasten naar Kediri, waar een andere inval wordt verwacht. Met den kreupele is niets uit te richten.”„Welnu, als het oogenblik daar is, laten wij hem vallen als een vaandel dat zijn dienst gedaan heeft. Tot wederziens! Hoe vurig verlang ik mijn broeder op zijn beurt hier feestelijk te ontvangen, dan zal het een gastmaal zijn, waarbij dit in het niet verdwijnt.”„Ik wensch het met u maar wisselvallig zijn de kansen van den krijg. ’t Is een dobbelspel dat wij spelen Soerabaya, en de inzet is ons leven, ons land.”[228]„Verlies geen moed broeder, want als gij die kostbare gave laat zakken is alles gedaan. Vaarwel! wees voorzichtig, ik zal u den kortsten weg wijzen uit mijn dalem, naar de Kali Mas.”„Doe geen moeite, ik ken den weg, ga naar uw gasten terug broeder, die uw afwezigheid stellig betreuren, wij redden ons zelf.”De regent keerde met bezwaard gemoed naar zijn gasten, die zijn afwezigheid op hun wijze uitlegden en zich verlustigden of verveelden met het gezicht der danseressen, die haar kunstigste toeren ten beste gaven voor het hooge gezelschap.Intusschen waren de beide vermomde slaven zonder ongeval in hun schuitje gekomen, dat door vier roeiers in beweging werd gebracht. Snel doorkliefde het de baren, die in de laatste zonnestralen met vuurrooden glans schitterden.Spoedig viel de duisternis en met haar kwam zich een gouden weefsel van sterren in de zacht geschubde wateren spiegelen. Soerapati zat achter in het prauwtje, tegenover hem lag Wirajoeda uitgestrekt; met snelle slagen roeiden de roeiers voort, verscheidene scheepjes vlogen hen langs en niemand vermoedde, wie zich in dat onaanzienlijke schuitje bevond. Beide mannen zwegen, plotseling vroeg de vorst:„Wat zegt ge van die troepenmacht, Wirajoeda, uitgezonden om mij, mij alleen te bestrijden?”„Die troepen jagen mij geen schrik aan maar wel het zware geschut, hoe zullen wij dat op den duur weerstaan? De moerassige grond, het verwijderde seizoen zijn onze beste bondgenooten, zullen zij op den duur bestand blijken tegen die kanonnen, mortieren en handgranaten? Hoe weinig kunnen wij daar tegenoverstellen? O meester, waarom hebt ge het mij verboden? Een druppel in den drank van die blanke honden en zij waren onschadelijk geworden.…!”[229]„Sinds wanneer strijden wij met zulke wapenen, vriend? Een rijk is al zeer nabij zijn ondergang wanneer de vorst tot deze middelen zijn toevlucht moet nemen. Wij zullen hen ontvangen achter onze versterkingen en dan zien wie de sterkste blijkt.”„Nooit steeg het water ons zoo hoog aan de lippen.”„Ge hebt veel vergeten Wirajoeda, en in de gevangenis van Batavia dan en in het gebergte van den Preanger en in den dalem vanKarta-Soera? ’t Is zoo, we waren toen jonger, wij hadden minder te verliezen, maar toch alles wel beschouwd, ik heb nu ook niets te laten dan mijn leven, is dat weg, welnu.…”„En uw rijk dan?”„Het zal met mij staan of vallen, ik heb vele erfgenamen maar geen opvolger.”„Meester,” vroeg Wirajoeda zacht, „is ’t waar, wat men fluistert? Hebt gij den zoon uwer blanke vrouw teruggevonden en wildet gij hem verheffen boven al uw andere kinderen?”„Het is zoo, Wirajoeda en ook gij zoudt hem gehoorzaamd hebben daar hij de eenige was, die mijn rijk in mijn geest zou hebben voortgezet maar noch Lembono, noch Pengantin, noch mijn andere kinderen had ik benadeeld. Hem zouden de grootste plichten zijn ten deele gevallen. Hadt gij hem gehoorzaamheid geweigerd?”„Gehoorzaamheid weigeren aan den uitverkorene mijns meesters, dat nooit, al zou ook mijn hart gebloed, mijn stem gebeefd hebben bij het zweren van den eed van trouw!”„Ik weet dat ik op u rekenen kan, oude vriend! Hoe lang was de weg, dien wij samen maakten uit het slavenhok naar den vorstentroon, van het Westen van Java tot aan het Oosten vervolgden wij dien weg, wij gingen de zon tegemoet. ’t Ware jammer Wirajoeda, als wij vergeefs hadden gearbeid; wie kan mijn werk voortzetten, geen mijner zonen, evenmin als de Balembanger[230]maar mijn Hollandsche zoon is moedig, onverschrokken, eerlijk en trouw als zijn moeder.”„Als zijn moeder?”„Ja, als mijn Suzanna, die den dood en de schande verkoos boven ontrouw aan mij. Kiai Hemboong en Radhen Goesik hebben mij bedrogen, niet zij; mijn tegenwoordige vrouw echter vreest niet tegen mij samen te spannen juist in de ure des gevaars en mijn taak nog zwaarder te maken. Zij echter was trouw als goud en dit is de troost mijns levens.”„Maar uw zoon, waar is hij nu?”„In den kerker; hij heeft bezwaren, ik hoop die te overwinnen, daarbij nergens is zijn leven veiliger dan juist daar!”„Zal nimmer uw voorkeur tot de vreemdelingen tanen, meester; hebt ge niet genoeg van hen verduurd? Hebt ge het lot vergeten van kapitein Jonker, dien zij beleedigd, gewantrouwd, vervolgd en doodgeslagen hebben?”„O als ik slechts tijd van leven hebben mag, als mijn zoon wilde, dan, dan …! Maar neen! Ik heb van nacht zonderling gedroomd, Wirajoeda, ik verbeeldde mij in Malang te zijn, ik zag de hoogvlakte aan mijn voeten met haar wouden en terrassen, ik zag de breede stroomen en de hooge bergen, de bergribben en kloven zoo duidelijk als ik ze meermalen in werkelijkheid aanschouwde en plotseling bemerkte ik dat bruggen van ijzer en steen de rivieren overspanden, dat zich steden aan den voet der bergen legerden, dat op de reede van Pasoeroean reusachtige schepen het water doorkliefden. Plotseling hoorde ik een zonderling gerucht, ik zag omlaag en daar kronkelde zich al sissend een reusachtige slang vuur en vlammen brakende door de bosschen en wolken rook dreven over de zee en over die groote schepen. ’t Was vreemd maar niemand verschrikte voor de zonderlinge monsters,[231]die zee en aarde verontrustten. De slang drong in de bergen en trok over de rivieren, hijgend en loeiend bleef zij soms staan en menschen verlieten haar schoot, blanken en bruinen waren het, ik zag ze nauwlettend aan en zie het werd mij duidelijk hoe ’t land toch niet van aanschijn was veranderd, hoe ook de bergen doorboord, de rivieren overbrugd, de afstanden verdwenen waren, tusschen ons volk en het hunne bleef een wijde klove gapen. Zij waren nog steeds de meesters en wij de dienaren. Toen begreep ik dat ook mijn werk vergeefsch was geweest, en ik ontwaakte vol bittere smart. Vriend, onze weg spoedt ten einde!”1Voetkus.↑
[Inhoud]V.DE WAPENSCHOUWING.In de eerste dagen van September had zich de oorlogsmacht, bestemd om Soerapati te bestrijden, op den aloen-aloen van Soerabaya verzameld.De zestien Hollandsche vaandels gaan vooraf, het rood, wit en blauw wappert vroolijk in de lucht, breedgerande vilthoeden bedekken de gebruinde gezichten, de gele krijgsrokken worden vervroolijkt door de roode kragen, de buks dragen zij op den schouder, welgemoed en opgewekt stappen zij voort onder de statige klanken van het Wilhelmus. Aan hun hoofd, op een fraai strijdros gezeten, rijdt majoor Govert Knol, wien het opperbevelhebberschap over het geheele leger is toevertrouwd; onder hem staan de kloeke, krachtig gebouwde kapitein van Bergen, de dappere, hoewel wat al te voortvarende en onbedachtzame kapitein de Bevere en de Soerabayasche officieren Willem Sergeant en Hendrik van der Hout, waartoe ook nog kapitein Bintang behoort. Deze vijf kapiteins voeren elk een brigade aan, uit Europeanen en Inlanders bestaande, welke laatste op hun beurt onder hun eigen hoofden staan. Daar zijn de Balineezen met hun forsche gestalten, de Ambonneezen hun met koralen doorvlochten haren, fladderende om het hoofd, de Boegineezen, wier hoofd en middel alleen bedekt zijn en die een eirond schild aan den arm dragen, de Makassaren en Timoreezen even weinig gekleed als zij, doch met naar de hoogte opgekamd haar, luid zingend oprukkend en elkanders moed opwekkend door verhalen van de heldendaden hunner voorvaderen. Eindelijk de Javanen, bedaard, klein en tenger, met schuwen blik en lusteloozen gang, achter hen de kleurlingen, iets grooter en niet veel levendiger dan zij.[221]Op de legermacht der Compagnie volgen de troepen van den Madureeschen prins, wiens tegenwoordigheid in het leger gelijk staat met dat van 10000 man, want hooggeëerd is deze tachtigjarige vorst niet alleen door zijn eigen volk maar door geheel Java. Het loopen of rijden valt hem moeilijk, waarom hij zich dan ook door twaalf mannen op een rijk met kleeden en tapijten belegde plank laat dragen; hij is ondanks zijn hoogen leeftijd een zwaar, flink gebouwd man met breed aangezicht en scherp geteekende trekken, het wit zijner oogen is geheel met rood beloopen, slechts weinige grijze haren bleven op zijn schedel over, maar nog verraden zijn gespierde armen de meer dan gewone kracht, welke zij eenmaal hadden bezeten; een vroolijke lach speelt dikwijls op zijn gelaat, hij is vriendelijk en voorkomend, maar ook onverbiddelijk streng tegenover zijn ondergeschikten. Hij draagt een rijk opperkleed van leverkleurig damast, dik geborduurd met gouden bloemen en een blauw zijden sarong met zilver doorwerkt, een menigte ringen versieren zijn gerimpelde handen en zijn kris vonkelt in de met edelgesteenten belegde gouden scheede. Naast hem rijden even sierlijk gekleed zijn zonen, klein- en achterkleinkinderen, waarvan zich verscheidene, naar men zeide honderdtwintig, in het leger bevonden; een zonnescherm van nipabladeren wordt boven zijn hoofd gehouden, terwijl men hem zijn gouden piek vooruit draagt.Meer dan duizend voorname Madureezen volgen hem—een leger van Sumanappers en Pamakassanen, met hun kleurige vaandels, bonte doeken, waarop spreuken, griffioenen, draken en halve manen afgebeeld zijn, ook vier gesloten draagstoelen merkt men op, daarin werden de schoonste vrouwen van den ouden vorst gedragen, die hem op den veldtocht zouden vergezellen; de muziek dergamelansen javaansche trommen begeleidde hen.De stoet wordt gesloten door de troepen van Djajang Rana, den[222]Depati van Soerabaya, allen kleine, onaanzienlijke mannen, die aangevoerd werden door den Regent zelf en zijn drie broeders. De Soerabayasche prinsen zaten op rijk getooide olifanten; de Depati was bekend als een der schoonste mannen van zijn land, hoewel volgens Europeeschen smaak zijn neus te plat en zijn trekken te breed geacht konden worden; hij was echter van hooge gestalte en zwaren lichaamsbouw, nog slechts zes en dertig jaar oud, buitengewoon trotsch en ongenaakbaar; niemand kon het in het strijdperk tegen hem uithouden. Zijn broeders waren kleiner maar vriendelijker en schenen min of meer gedrukt onder de heerschappij van hun oudste.Het geheele leger bestond thans uit 15000 man, verscheidene stukken geschut, die door 200 buffels vervoerd werden en uit 5000 lastdragers.De dag waarop de wapenschouwing plaats had, werd door een groot feest, gegeven door den Depati, besloten, den volgenden morgen zou men zich op marsch begeven; een onafzienbare menigte menschen drong zich om den aloen-aloen, teneinde dit bijna eenige schouwspel van een strijdvaardig leger, aangevoerd door de eerste Javaansche prinsen na den keizer, te zien oprukken. Morgen in alle vroegte zouden eerst eenige Hollandsche brigades vertrekken, om dan gevolgd te worden door de Madureezen en Soerabayers, terwijl eindelijk nog eenige brigades met den staf van het leger de achterhoede moesten vormen.Het feest dat de Depati in zijn dalem aanrichtte was schitterend; een groote tafel, waaraan weldriehonderdman konden zitten, was onder een ruime pendoppo opgeslagen; voor de gasten waren chineesche stoelen neergezet; aan het hoofd der tafel zat de grijze Panombahan, wien men echter met moeite deze eereplaats had opgedrongen, daar hij deze aan den veldheer wilde afstaan. Aan zijn rechterhand was majoor Knol gezeten en aan de linkerzijde de Depati[223]Soerabaya, die een man met een stemmig, eenigszins ontevreden gelaat aan zijn zijde had, de veldprediker François Valentijn namelijk. Zeer tegen zijn zin maakte hij dezen veldtocht mede en met misnoegden blik liet hij de rijke verscheidenheid van schotels langs hem heen trekken, want hoe heerlijk toebereid ook het wildbraad, het ossen-, kalfs-en hertenvleesch zijn mocht, hij kon er niets van genieten daar alles met klapperolie was toebereid, hetgeen de spijzen voor hem oneetbaar maakte; zijn gedachten waren klaarblijkelijk verre van daar te Batavia, waar hij een zieke vrouw en verscheidene kinderen had achtergelaten of bij het weinig verkwikkelijke vooruitzicht van den aanstaanden veldtocht.Hij kon toch niet nalaten nu en dan een blik te werpen op de vrouwen tot het gevolg van de Javaansche prinsen behoorende, die ten getale van honderd in een halve maan achter de tafel op kleine matten gezeten waren; zij schenen echter het bezien nauwelijks waard, zonder de bloemen en juweelen die haar versierden. Op den predikant Valentijn volgden de andere kapiteins, officieren, Javaansche en Madureesche prinsen.Hoewel het feest door een Mahomedaan gegeven werd en zoovele andere Mahomedanen er deel aan namen, vloeide de wijn in ruime mate, en deze bond welhaast de tongen los; toen de eigenlijke maaltijd geëindigd was, verscheen het dessert op tafel dat zoo het kon alles wat reeds voorgediend was, in overvloed en rijkdom overtrof. De heerlijkste pompelmoezen, djamboes, pisangs, ananassen, manga’s in de rijkste verscheidenheid, sappige nanka’s, goudgele doerians, tamarindeconfituren en ketelawortelen in sierlijken vorm gerangschikt, streelden vooral het oog van den armen predikant, die zich tot nu toe slechts met droge rijst had moeten behelpen.Allen prezen het rijke onthaal dat de Depati zijn gasten aanbood en den smaak zijner trotsche eerste vrouw, een Japarasche prinses,[224]die hem in hoogmoed waardig terzijde stond; niemand hechtte ongetwijfeld op dit oogenblik eenig geloof aan de lasterrijke praatjes, welke hier en daar gefluisterd werden van de al te goede verstandhouding, welke tusschen dezen prins en den vijand bestond.Gedurende het geheele maal hadden de Javaansche orkesten zich laten hooren; een vroolijke, opgewekte geest scheen aan tafel te heerschen, want de regent van Soerabaya was ondanks zijn grooten trots toch een hoogst aangename, gulle gastheer.Er werd tusschen de drie legerhoofden druk gedronken en geklonken, op den goeden uitslag der expeditie en der vereenigde wapenen; daar verbleekte de Depati plotseling, de hand waarmede hij het glas aan de lippen wilde brengen, beefde zoo sterk, dat de inhoud over zijn goudlakensch wambuis viel.De Panombahan brak in een luidruchtig gelach uit, hij dacht niet anders of de wijn had zijn sterken broeder van Soerabaya reeds het verstand beneveld en de kracht der vingers ontnomen. Met een gedwongen lach verontschuldigde zich de Depati; een der slaven, die aan tafel dienden, een groote, sterke man, was toegesneld en wischte met een doek de druppels weg. Niemand zag hoe van terzijde de regent den bediende aanzag en hem binnensmonds toevoegde:„Vermetele, hoe durft gij?”De slaaf ging echter voort met zijn werk en sprak:„’t Is gedaan, edele Heer!”Hij verwijderde zich vervolgens weer en nam een der schotels met vruchten op om ze den bevelhebber aan te bieden; doch de oogen van den Depati bleven hem steeds volgen, zoo bemerkte hij ook hoe deze slaaf in het voorbijgaan een anderen aansprak, wiens donker bijna zwart gelaat zich met woeste, grimmige uitdrukking op de Hollandsche gasten richtte. Slechts een[225]verstrooid oor leende de regent meer aan de gesprekken; hij glimlachte soms werktuigelijk maar vermeed telkens mede te spreken, terwijl de beide slaven zich thans achter den zetel van den Madurees bevonden, die met Govert Knol de bijzonderheden van den veldtocht druk besprak.Wie let er ook op een slaaf? Noch de majoor, noch de Panombahan koesterden eenige achterdocht, terwijl de slaaf met onverschillig over elkaar geslagen armen achter hun stoelen stond en zijn blikken koel door de pendoppo deed dwalen.Tevergeefs hield dominé Valentijn een zeer belangwekkend gesprek over Hollandsche en Javaansche vruchten, de Soerabayasche prins luisterde niet; op zijn vragen aangaande de verscheidene soorten van djamboes en pisangs kreeg hij dikwijls de meest onzinnige antwoorden, zoodat de goede leeraar tot het besluit kwam den hoogmoedigen prins niet langer het genot zijner gesprekken te gunnen.Eindelijk stond de Edele Heer Knol op; de twaalf dragers van den Panombahan schoten toe en hieven hem weer op de draagplank, alle andere grooten verwijderden zich nu ook van de tafel, terwijl het gevolg toeschoot om van het rijke overschot zijn deel te nemen.De Depati verliet alleen de pendoppo; langzaam en ongemerkt volgden hem de beide slaven, die hij in ’t voorbijgaan had toegewenkt. Zij begaven zich naar een binnenplein door een hoogen muur van de feestzaal gescheiden; hier waren zij alleen en onbespied, maar nog steeds behield het gelaat van den regent een bezorgde, onrustige uitdrukking, die zijn beide gezellen in een hartelijken lach deed uitbarsten.„Gij kunt lachen, maar ik meende door den grond te zinken!” riep hij toornig uit, „hoe durft gij het wagen!”„Als ik ’t niet waagde, wie zou het anders doen?” antwoordde de[226]grootste slaaf,„heb ik mij niet goed van mijn taak gekweten, hoewel het jaren en jaren geleden is, sints ik het slavenpak droeg en een tafel diende? Inderdaad Soerabaya, uw tafel is schitterend en uw gade een uitstekende gastvrouw, maar nog schooner is het vereenigde leger. Hoe zal ’t er over een maand mee gesteld zijn?”„Gij hebt de wapenschouwing bijgewoond?”„Natuurlijk, ik wilde weten, hoe men mij vreesde; dezen morgen in alle vroegte verlieten wij Kali-Anjer in een kleine boot, Wirajoeda en ik, we kwamen juist bijtijds om het uittrekken der troepen te zien, maar ik had er niet genoeg van, ik wilde de Hollanders van nabij beschouwen en iets van hun plannen hooren. ’t Is mij goed gelukt, ik heb veel vernomen, waarmede ik mijn voordeel kan doen.”„Maar hebt ge niet bedacht aan hoeveel gevaren gij u blootstelt, niet alleen uzelf maar ook mij?”De toon van den Depati klonk thans laag en bijna ootmoedig.„Uw toestand is gevaarlijk Soerabaya, ik erken ’t. Zeg mij oprecht,hebt gij geen lust u in waarheid met de Hollanders te verbinden en mij te bestrijden, de gelegenheid is schoon, ik bevind mij in uw macht. Een woord en ik ben uw gevangene!”„Neen, duizendmaal neen! Mataram zal verdwijnen, en de Madurees eveneens; ik haat den ouden wellusteling, voor wien ik mij in ’t stof moet vernederen, om den soembah1te doen, als ware ik zijn onderdaan en niet een bijna onafhankelijk vorst. Gij zijt mijn eenige hoop, als we dit leger vernietigen dan is de macht en het aanzien der Hollanders voorgoed gefnuikt.”„En als ik sneuvelen mocht, Soerabaya?”„Groote gevaren heeft mijn broeder doorstaan, en steeds bleef[227]hij onoverwinnelijk, waarom zou thans zijn ure slaan? Maar juist daar er zooveel afhangt van uw leven, sidderde ik zoo even toen ik u onder deze vermomming herkende. Heeft niemand argwaan opgevat?”„Niemand, er zijn thans zoovele vreemdelingen in de verschillende hofstoeten dat geen zijn buurman wantrouwt. De Madureezen vroegen mij of ik een Rembanger was en aan die van Toeban verhaalde ik dat ik den Depati van Japara toebehoorde, maar nu moeten we vertrekken, Wirajoeda!”„Doch gij hebt nog niets gebruikt om u te versterken of te verfrisschen.”„In een warong hebben we straks ons maal genomen, minder rijk, ’t is waar, dan het uwe, Depati, doch ruim voldoende. Ik ga terug naar Bangil, gij houdt u aan onze afspraak; laat uw zonneschermen steeds vooruitdragen dan zal ik zorgen dat niemand op uw manschappen schiet.”„Heldenmoed zal hunmoeilijkerte leeren zijn, dan lafhartigheid. Gemakkelijk is ’t voor hen het parool op te volgen van niet te vechten. Doch zal ik u geen wacht geven om u te vergezellen?”„Neen, elke voorzorg vermeerdert ons gevaar; mijn gezel moet zich haasten naar Kediri, waar een andere inval wordt verwacht. Met den kreupele is niets uit te richten.”„Welnu, als het oogenblik daar is, laten wij hem vallen als een vaandel dat zijn dienst gedaan heeft. Tot wederziens! Hoe vurig verlang ik mijn broeder op zijn beurt hier feestelijk te ontvangen, dan zal het een gastmaal zijn, waarbij dit in het niet verdwijnt.”„Ik wensch het met u maar wisselvallig zijn de kansen van den krijg. ’t Is een dobbelspel dat wij spelen Soerabaya, en de inzet is ons leven, ons land.”[228]„Verlies geen moed broeder, want als gij die kostbare gave laat zakken is alles gedaan. Vaarwel! wees voorzichtig, ik zal u den kortsten weg wijzen uit mijn dalem, naar de Kali Mas.”„Doe geen moeite, ik ken den weg, ga naar uw gasten terug broeder, die uw afwezigheid stellig betreuren, wij redden ons zelf.”De regent keerde met bezwaard gemoed naar zijn gasten, die zijn afwezigheid op hun wijze uitlegden en zich verlustigden of verveelden met het gezicht der danseressen, die haar kunstigste toeren ten beste gaven voor het hooge gezelschap.Intusschen waren de beide vermomde slaven zonder ongeval in hun schuitje gekomen, dat door vier roeiers in beweging werd gebracht. Snel doorkliefde het de baren, die in de laatste zonnestralen met vuurrooden glans schitterden.Spoedig viel de duisternis en met haar kwam zich een gouden weefsel van sterren in de zacht geschubde wateren spiegelen. Soerapati zat achter in het prauwtje, tegenover hem lag Wirajoeda uitgestrekt; met snelle slagen roeiden de roeiers voort, verscheidene scheepjes vlogen hen langs en niemand vermoedde, wie zich in dat onaanzienlijke schuitje bevond. Beide mannen zwegen, plotseling vroeg de vorst:„Wat zegt ge van die troepenmacht, Wirajoeda, uitgezonden om mij, mij alleen te bestrijden?”„Die troepen jagen mij geen schrik aan maar wel het zware geschut, hoe zullen wij dat op den duur weerstaan? De moerassige grond, het verwijderde seizoen zijn onze beste bondgenooten, zullen zij op den duur bestand blijken tegen die kanonnen, mortieren en handgranaten? Hoe weinig kunnen wij daar tegenoverstellen? O meester, waarom hebt ge het mij verboden? Een druppel in den drank van die blanke honden en zij waren onschadelijk geworden.…!”[229]„Sinds wanneer strijden wij met zulke wapenen, vriend? Een rijk is al zeer nabij zijn ondergang wanneer de vorst tot deze middelen zijn toevlucht moet nemen. Wij zullen hen ontvangen achter onze versterkingen en dan zien wie de sterkste blijkt.”„Nooit steeg het water ons zoo hoog aan de lippen.”„Ge hebt veel vergeten Wirajoeda, en in de gevangenis van Batavia dan en in het gebergte van den Preanger en in den dalem vanKarta-Soera? ’t Is zoo, we waren toen jonger, wij hadden minder te verliezen, maar toch alles wel beschouwd, ik heb nu ook niets te laten dan mijn leven, is dat weg, welnu.…”„En uw rijk dan?”„Het zal met mij staan of vallen, ik heb vele erfgenamen maar geen opvolger.”„Meester,” vroeg Wirajoeda zacht, „is ’t waar, wat men fluistert? Hebt gij den zoon uwer blanke vrouw teruggevonden en wildet gij hem verheffen boven al uw andere kinderen?”„Het is zoo, Wirajoeda en ook gij zoudt hem gehoorzaamd hebben daar hij de eenige was, die mijn rijk in mijn geest zou hebben voortgezet maar noch Lembono, noch Pengantin, noch mijn andere kinderen had ik benadeeld. Hem zouden de grootste plichten zijn ten deele gevallen. Hadt gij hem gehoorzaamheid geweigerd?”„Gehoorzaamheid weigeren aan den uitverkorene mijns meesters, dat nooit, al zou ook mijn hart gebloed, mijn stem gebeefd hebben bij het zweren van den eed van trouw!”„Ik weet dat ik op u rekenen kan, oude vriend! Hoe lang was de weg, dien wij samen maakten uit het slavenhok naar den vorstentroon, van het Westen van Java tot aan het Oosten vervolgden wij dien weg, wij gingen de zon tegemoet. ’t Ware jammer Wirajoeda, als wij vergeefs hadden gearbeid; wie kan mijn werk voortzetten, geen mijner zonen, evenmin als de Balembanger[230]maar mijn Hollandsche zoon is moedig, onverschrokken, eerlijk en trouw als zijn moeder.”„Als zijn moeder?”„Ja, als mijn Suzanna, die den dood en de schande verkoos boven ontrouw aan mij. Kiai Hemboong en Radhen Goesik hebben mij bedrogen, niet zij; mijn tegenwoordige vrouw echter vreest niet tegen mij samen te spannen juist in de ure des gevaars en mijn taak nog zwaarder te maken. Zij echter was trouw als goud en dit is de troost mijns levens.”„Maar uw zoon, waar is hij nu?”„In den kerker; hij heeft bezwaren, ik hoop die te overwinnen, daarbij nergens is zijn leven veiliger dan juist daar!”„Zal nimmer uw voorkeur tot de vreemdelingen tanen, meester; hebt ge niet genoeg van hen verduurd? Hebt ge het lot vergeten van kapitein Jonker, dien zij beleedigd, gewantrouwd, vervolgd en doodgeslagen hebben?”„O als ik slechts tijd van leven hebben mag, als mijn zoon wilde, dan, dan …! Maar neen! Ik heb van nacht zonderling gedroomd, Wirajoeda, ik verbeeldde mij in Malang te zijn, ik zag de hoogvlakte aan mijn voeten met haar wouden en terrassen, ik zag de breede stroomen en de hooge bergen, de bergribben en kloven zoo duidelijk als ik ze meermalen in werkelijkheid aanschouwde en plotseling bemerkte ik dat bruggen van ijzer en steen de rivieren overspanden, dat zich steden aan den voet der bergen legerden, dat op de reede van Pasoeroean reusachtige schepen het water doorkliefden. Plotseling hoorde ik een zonderling gerucht, ik zag omlaag en daar kronkelde zich al sissend een reusachtige slang vuur en vlammen brakende door de bosschen en wolken rook dreven over de zee en over die groote schepen. ’t Was vreemd maar niemand verschrikte voor de zonderlinge monsters,[231]die zee en aarde verontrustten. De slang drong in de bergen en trok over de rivieren, hijgend en loeiend bleef zij soms staan en menschen verlieten haar schoot, blanken en bruinen waren het, ik zag ze nauwlettend aan en zie het werd mij duidelijk hoe ’t land toch niet van aanschijn was veranderd, hoe ook de bergen doorboord, de rivieren overbrugd, de afstanden verdwenen waren, tusschen ons volk en het hunne bleef een wijde klove gapen. Zij waren nog steeds de meesters en wij de dienaren. Toen begreep ik dat ook mijn werk vergeefsch was geweest, en ik ontwaakte vol bittere smart. Vriend, onze weg spoedt ten einde!”1Voetkus.↑
V.DE WAPENSCHOUWING.
In de eerste dagen van September had zich de oorlogsmacht, bestemd om Soerapati te bestrijden, op den aloen-aloen van Soerabaya verzameld.De zestien Hollandsche vaandels gaan vooraf, het rood, wit en blauw wappert vroolijk in de lucht, breedgerande vilthoeden bedekken de gebruinde gezichten, de gele krijgsrokken worden vervroolijkt door de roode kragen, de buks dragen zij op den schouder, welgemoed en opgewekt stappen zij voort onder de statige klanken van het Wilhelmus. Aan hun hoofd, op een fraai strijdros gezeten, rijdt majoor Govert Knol, wien het opperbevelhebberschap over het geheele leger is toevertrouwd; onder hem staan de kloeke, krachtig gebouwde kapitein van Bergen, de dappere, hoewel wat al te voortvarende en onbedachtzame kapitein de Bevere en de Soerabayasche officieren Willem Sergeant en Hendrik van der Hout, waartoe ook nog kapitein Bintang behoort. Deze vijf kapiteins voeren elk een brigade aan, uit Europeanen en Inlanders bestaande, welke laatste op hun beurt onder hun eigen hoofden staan. Daar zijn de Balineezen met hun forsche gestalten, de Ambonneezen hun met koralen doorvlochten haren, fladderende om het hoofd, de Boegineezen, wier hoofd en middel alleen bedekt zijn en die een eirond schild aan den arm dragen, de Makassaren en Timoreezen even weinig gekleed als zij, doch met naar de hoogte opgekamd haar, luid zingend oprukkend en elkanders moed opwekkend door verhalen van de heldendaden hunner voorvaderen. Eindelijk de Javanen, bedaard, klein en tenger, met schuwen blik en lusteloozen gang, achter hen de kleurlingen, iets grooter en niet veel levendiger dan zij.[221]Op de legermacht der Compagnie volgen de troepen van den Madureeschen prins, wiens tegenwoordigheid in het leger gelijk staat met dat van 10000 man, want hooggeëerd is deze tachtigjarige vorst niet alleen door zijn eigen volk maar door geheel Java. Het loopen of rijden valt hem moeilijk, waarom hij zich dan ook door twaalf mannen op een rijk met kleeden en tapijten belegde plank laat dragen; hij is ondanks zijn hoogen leeftijd een zwaar, flink gebouwd man met breed aangezicht en scherp geteekende trekken, het wit zijner oogen is geheel met rood beloopen, slechts weinige grijze haren bleven op zijn schedel over, maar nog verraden zijn gespierde armen de meer dan gewone kracht, welke zij eenmaal hadden bezeten; een vroolijke lach speelt dikwijls op zijn gelaat, hij is vriendelijk en voorkomend, maar ook onverbiddelijk streng tegenover zijn ondergeschikten. Hij draagt een rijk opperkleed van leverkleurig damast, dik geborduurd met gouden bloemen en een blauw zijden sarong met zilver doorwerkt, een menigte ringen versieren zijn gerimpelde handen en zijn kris vonkelt in de met edelgesteenten belegde gouden scheede. Naast hem rijden even sierlijk gekleed zijn zonen, klein- en achterkleinkinderen, waarvan zich verscheidene, naar men zeide honderdtwintig, in het leger bevonden; een zonnescherm van nipabladeren wordt boven zijn hoofd gehouden, terwijl men hem zijn gouden piek vooruit draagt.Meer dan duizend voorname Madureezen volgen hem—een leger van Sumanappers en Pamakassanen, met hun kleurige vaandels, bonte doeken, waarop spreuken, griffioenen, draken en halve manen afgebeeld zijn, ook vier gesloten draagstoelen merkt men op, daarin werden de schoonste vrouwen van den ouden vorst gedragen, die hem op den veldtocht zouden vergezellen; de muziek dergamelansen javaansche trommen begeleidde hen.De stoet wordt gesloten door de troepen van Djajang Rana, den[222]Depati van Soerabaya, allen kleine, onaanzienlijke mannen, die aangevoerd werden door den Regent zelf en zijn drie broeders. De Soerabayasche prinsen zaten op rijk getooide olifanten; de Depati was bekend als een der schoonste mannen van zijn land, hoewel volgens Europeeschen smaak zijn neus te plat en zijn trekken te breed geacht konden worden; hij was echter van hooge gestalte en zwaren lichaamsbouw, nog slechts zes en dertig jaar oud, buitengewoon trotsch en ongenaakbaar; niemand kon het in het strijdperk tegen hem uithouden. Zijn broeders waren kleiner maar vriendelijker en schenen min of meer gedrukt onder de heerschappij van hun oudste.Het geheele leger bestond thans uit 15000 man, verscheidene stukken geschut, die door 200 buffels vervoerd werden en uit 5000 lastdragers.De dag waarop de wapenschouwing plaats had, werd door een groot feest, gegeven door den Depati, besloten, den volgenden morgen zou men zich op marsch begeven; een onafzienbare menigte menschen drong zich om den aloen-aloen, teneinde dit bijna eenige schouwspel van een strijdvaardig leger, aangevoerd door de eerste Javaansche prinsen na den keizer, te zien oprukken. Morgen in alle vroegte zouden eerst eenige Hollandsche brigades vertrekken, om dan gevolgd te worden door de Madureezen en Soerabayers, terwijl eindelijk nog eenige brigades met den staf van het leger de achterhoede moesten vormen.Het feest dat de Depati in zijn dalem aanrichtte was schitterend; een groote tafel, waaraan weldriehonderdman konden zitten, was onder een ruime pendoppo opgeslagen; voor de gasten waren chineesche stoelen neergezet; aan het hoofd der tafel zat de grijze Panombahan, wien men echter met moeite deze eereplaats had opgedrongen, daar hij deze aan den veldheer wilde afstaan. Aan zijn rechterhand was majoor Knol gezeten en aan de linkerzijde de Depati[223]Soerabaya, die een man met een stemmig, eenigszins ontevreden gelaat aan zijn zijde had, de veldprediker François Valentijn namelijk. Zeer tegen zijn zin maakte hij dezen veldtocht mede en met misnoegden blik liet hij de rijke verscheidenheid van schotels langs hem heen trekken, want hoe heerlijk toebereid ook het wildbraad, het ossen-, kalfs-en hertenvleesch zijn mocht, hij kon er niets van genieten daar alles met klapperolie was toebereid, hetgeen de spijzen voor hem oneetbaar maakte; zijn gedachten waren klaarblijkelijk verre van daar te Batavia, waar hij een zieke vrouw en verscheidene kinderen had achtergelaten of bij het weinig verkwikkelijke vooruitzicht van den aanstaanden veldtocht.Hij kon toch niet nalaten nu en dan een blik te werpen op de vrouwen tot het gevolg van de Javaansche prinsen behoorende, die ten getale van honderd in een halve maan achter de tafel op kleine matten gezeten waren; zij schenen echter het bezien nauwelijks waard, zonder de bloemen en juweelen die haar versierden. Op den predikant Valentijn volgden de andere kapiteins, officieren, Javaansche en Madureesche prinsen.Hoewel het feest door een Mahomedaan gegeven werd en zoovele andere Mahomedanen er deel aan namen, vloeide de wijn in ruime mate, en deze bond welhaast de tongen los; toen de eigenlijke maaltijd geëindigd was, verscheen het dessert op tafel dat zoo het kon alles wat reeds voorgediend was, in overvloed en rijkdom overtrof. De heerlijkste pompelmoezen, djamboes, pisangs, ananassen, manga’s in de rijkste verscheidenheid, sappige nanka’s, goudgele doerians, tamarindeconfituren en ketelawortelen in sierlijken vorm gerangschikt, streelden vooral het oog van den armen predikant, die zich tot nu toe slechts met droge rijst had moeten behelpen.Allen prezen het rijke onthaal dat de Depati zijn gasten aanbood en den smaak zijner trotsche eerste vrouw, een Japarasche prinses,[224]die hem in hoogmoed waardig terzijde stond; niemand hechtte ongetwijfeld op dit oogenblik eenig geloof aan de lasterrijke praatjes, welke hier en daar gefluisterd werden van de al te goede verstandhouding, welke tusschen dezen prins en den vijand bestond.Gedurende het geheele maal hadden de Javaansche orkesten zich laten hooren; een vroolijke, opgewekte geest scheen aan tafel te heerschen, want de regent van Soerabaya was ondanks zijn grooten trots toch een hoogst aangename, gulle gastheer.Er werd tusschen de drie legerhoofden druk gedronken en geklonken, op den goeden uitslag der expeditie en der vereenigde wapenen; daar verbleekte de Depati plotseling, de hand waarmede hij het glas aan de lippen wilde brengen, beefde zoo sterk, dat de inhoud over zijn goudlakensch wambuis viel.De Panombahan brak in een luidruchtig gelach uit, hij dacht niet anders of de wijn had zijn sterken broeder van Soerabaya reeds het verstand beneveld en de kracht der vingers ontnomen. Met een gedwongen lach verontschuldigde zich de Depati; een der slaven, die aan tafel dienden, een groote, sterke man, was toegesneld en wischte met een doek de druppels weg. Niemand zag hoe van terzijde de regent den bediende aanzag en hem binnensmonds toevoegde:„Vermetele, hoe durft gij?”De slaaf ging echter voort met zijn werk en sprak:„’t Is gedaan, edele Heer!”Hij verwijderde zich vervolgens weer en nam een der schotels met vruchten op om ze den bevelhebber aan te bieden; doch de oogen van den Depati bleven hem steeds volgen, zoo bemerkte hij ook hoe deze slaaf in het voorbijgaan een anderen aansprak, wiens donker bijna zwart gelaat zich met woeste, grimmige uitdrukking op de Hollandsche gasten richtte. Slechts een[225]verstrooid oor leende de regent meer aan de gesprekken; hij glimlachte soms werktuigelijk maar vermeed telkens mede te spreken, terwijl de beide slaven zich thans achter den zetel van den Madurees bevonden, die met Govert Knol de bijzonderheden van den veldtocht druk besprak.Wie let er ook op een slaaf? Noch de majoor, noch de Panombahan koesterden eenige achterdocht, terwijl de slaaf met onverschillig over elkaar geslagen armen achter hun stoelen stond en zijn blikken koel door de pendoppo deed dwalen.Tevergeefs hield dominé Valentijn een zeer belangwekkend gesprek over Hollandsche en Javaansche vruchten, de Soerabayasche prins luisterde niet; op zijn vragen aangaande de verscheidene soorten van djamboes en pisangs kreeg hij dikwijls de meest onzinnige antwoorden, zoodat de goede leeraar tot het besluit kwam den hoogmoedigen prins niet langer het genot zijner gesprekken te gunnen.Eindelijk stond de Edele Heer Knol op; de twaalf dragers van den Panombahan schoten toe en hieven hem weer op de draagplank, alle andere grooten verwijderden zich nu ook van de tafel, terwijl het gevolg toeschoot om van het rijke overschot zijn deel te nemen.De Depati verliet alleen de pendoppo; langzaam en ongemerkt volgden hem de beide slaven, die hij in ’t voorbijgaan had toegewenkt. Zij begaven zich naar een binnenplein door een hoogen muur van de feestzaal gescheiden; hier waren zij alleen en onbespied, maar nog steeds behield het gelaat van den regent een bezorgde, onrustige uitdrukking, die zijn beide gezellen in een hartelijken lach deed uitbarsten.„Gij kunt lachen, maar ik meende door den grond te zinken!” riep hij toornig uit, „hoe durft gij het wagen!”„Als ik ’t niet waagde, wie zou het anders doen?” antwoordde de[226]grootste slaaf,„heb ik mij niet goed van mijn taak gekweten, hoewel het jaren en jaren geleden is, sints ik het slavenpak droeg en een tafel diende? Inderdaad Soerabaya, uw tafel is schitterend en uw gade een uitstekende gastvrouw, maar nog schooner is het vereenigde leger. Hoe zal ’t er over een maand mee gesteld zijn?”„Gij hebt de wapenschouwing bijgewoond?”„Natuurlijk, ik wilde weten, hoe men mij vreesde; dezen morgen in alle vroegte verlieten wij Kali-Anjer in een kleine boot, Wirajoeda en ik, we kwamen juist bijtijds om het uittrekken der troepen te zien, maar ik had er niet genoeg van, ik wilde de Hollanders van nabij beschouwen en iets van hun plannen hooren. ’t Is mij goed gelukt, ik heb veel vernomen, waarmede ik mijn voordeel kan doen.”„Maar hebt ge niet bedacht aan hoeveel gevaren gij u blootstelt, niet alleen uzelf maar ook mij?”De toon van den Depati klonk thans laag en bijna ootmoedig.„Uw toestand is gevaarlijk Soerabaya, ik erken ’t. Zeg mij oprecht,hebt gij geen lust u in waarheid met de Hollanders te verbinden en mij te bestrijden, de gelegenheid is schoon, ik bevind mij in uw macht. Een woord en ik ben uw gevangene!”„Neen, duizendmaal neen! Mataram zal verdwijnen, en de Madurees eveneens; ik haat den ouden wellusteling, voor wien ik mij in ’t stof moet vernederen, om den soembah1te doen, als ware ik zijn onderdaan en niet een bijna onafhankelijk vorst. Gij zijt mijn eenige hoop, als we dit leger vernietigen dan is de macht en het aanzien der Hollanders voorgoed gefnuikt.”„En als ik sneuvelen mocht, Soerabaya?”„Groote gevaren heeft mijn broeder doorstaan, en steeds bleef[227]hij onoverwinnelijk, waarom zou thans zijn ure slaan? Maar juist daar er zooveel afhangt van uw leven, sidderde ik zoo even toen ik u onder deze vermomming herkende. Heeft niemand argwaan opgevat?”„Niemand, er zijn thans zoovele vreemdelingen in de verschillende hofstoeten dat geen zijn buurman wantrouwt. De Madureezen vroegen mij of ik een Rembanger was en aan die van Toeban verhaalde ik dat ik den Depati van Japara toebehoorde, maar nu moeten we vertrekken, Wirajoeda!”„Doch gij hebt nog niets gebruikt om u te versterken of te verfrisschen.”„In een warong hebben we straks ons maal genomen, minder rijk, ’t is waar, dan het uwe, Depati, doch ruim voldoende. Ik ga terug naar Bangil, gij houdt u aan onze afspraak; laat uw zonneschermen steeds vooruitdragen dan zal ik zorgen dat niemand op uw manschappen schiet.”„Heldenmoed zal hunmoeilijkerte leeren zijn, dan lafhartigheid. Gemakkelijk is ’t voor hen het parool op te volgen van niet te vechten. Doch zal ik u geen wacht geven om u te vergezellen?”„Neen, elke voorzorg vermeerdert ons gevaar; mijn gezel moet zich haasten naar Kediri, waar een andere inval wordt verwacht. Met den kreupele is niets uit te richten.”„Welnu, als het oogenblik daar is, laten wij hem vallen als een vaandel dat zijn dienst gedaan heeft. Tot wederziens! Hoe vurig verlang ik mijn broeder op zijn beurt hier feestelijk te ontvangen, dan zal het een gastmaal zijn, waarbij dit in het niet verdwijnt.”„Ik wensch het met u maar wisselvallig zijn de kansen van den krijg. ’t Is een dobbelspel dat wij spelen Soerabaya, en de inzet is ons leven, ons land.”[228]„Verlies geen moed broeder, want als gij die kostbare gave laat zakken is alles gedaan. Vaarwel! wees voorzichtig, ik zal u den kortsten weg wijzen uit mijn dalem, naar de Kali Mas.”„Doe geen moeite, ik ken den weg, ga naar uw gasten terug broeder, die uw afwezigheid stellig betreuren, wij redden ons zelf.”De regent keerde met bezwaard gemoed naar zijn gasten, die zijn afwezigheid op hun wijze uitlegden en zich verlustigden of verveelden met het gezicht der danseressen, die haar kunstigste toeren ten beste gaven voor het hooge gezelschap.Intusschen waren de beide vermomde slaven zonder ongeval in hun schuitje gekomen, dat door vier roeiers in beweging werd gebracht. Snel doorkliefde het de baren, die in de laatste zonnestralen met vuurrooden glans schitterden.Spoedig viel de duisternis en met haar kwam zich een gouden weefsel van sterren in de zacht geschubde wateren spiegelen. Soerapati zat achter in het prauwtje, tegenover hem lag Wirajoeda uitgestrekt; met snelle slagen roeiden de roeiers voort, verscheidene scheepjes vlogen hen langs en niemand vermoedde, wie zich in dat onaanzienlijke schuitje bevond. Beide mannen zwegen, plotseling vroeg de vorst:„Wat zegt ge van die troepenmacht, Wirajoeda, uitgezonden om mij, mij alleen te bestrijden?”„Die troepen jagen mij geen schrik aan maar wel het zware geschut, hoe zullen wij dat op den duur weerstaan? De moerassige grond, het verwijderde seizoen zijn onze beste bondgenooten, zullen zij op den duur bestand blijken tegen die kanonnen, mortieren en handgranaten? Hoe weinig kunnen wij daar tegenoverstellen? O meester, waarom hebt ge het mij verboden? Een druppel in den drank van die blanke honden en zij waren onschadelijk geworden.…!”[229]„Sinds wanneer strijden wij met zulke wapenen, vriend? Een rijk is al zeer nabij zijn ondergang wanneer de vorst tot deze middelen zijn toevlucht moet nemen. Wij zullen hen ontvangen achter onze versterkingen en dan zien wie de sterkste blijkt.”„Nooit steeg het water ons zoo hoog aan de lippen.”„Ge hebt veel vergeten Wirajoeda, en in de gevangenis van Batavia dan en in het gebergte van den Preanger en in den dalem vanKarta-Soera? ’t Is zoo, we waren toen jonger, wij hadden minder te verliezen, maar toch alles wel beschouwd, ik heb nu ook niets te laten dan mijn leven, is dat weg, welnu.…”„En uw rijk dan?”„Het zal met mij staan of vallen, ik heb vele erfgenamen maar geen opvolger.”„Meester,” vroeg Wirajoeda zacht, „is ’t waar, wat men fluistert? Hebt gij den zoon uwer blanke vrouw teruggevonden en wildet gij hem verheffen boven al uw andere kinderen?”„Het is zoo, Wirajoeda en ook gij zoudt hem gehoorzaamd hebben daar hij de eenige was, die mijn rijk in mijn geest zou hebben voortgezet maar noch Lembono, noch Pengantin, noch mijn andere kinderen had ik benadeeld. Hem zouden de grootste plichten zijn ten deele gevallen. Hadt gij hem gehoorzaamheid geweigerd?”„Gehoorzaamheid weigeren aan den uitverkorene mijns meesters, dat nooit, al zou ook mijn hart gebloed, mijn stem gebeefd hebben bij het zweren van den eed van trouw!”„Ik weet dat ik op u rekenen kan, oude vriend! Hoe lang was de weg, dien wij samen maakten uit het slavenhok naar den vorstentroon, van het Westen van Java tot aan het Oosten vervolgden wij dien weg, wij gingen de zon tegemoet. ’t Ware jammer Wirajoeda, als wij vergeefs hadden gearbeid; wie kan mijn werk voortzetten, geen mijner zonen, evenmin als de Balembanger[230]maar mijn Hollandsche zoon is moedig, onverschrokken, eerlijk en trouw als zijn moeder.”„Als zijn moeder?”„Ja, als mijn Suzanna, die den dood en de schande verkoos boven ontrouw aan mij. Kiai Hemboong en Radhen Goesik hebben mij bedrogen, niet zij; mijn tegenwoordige vrouw echter vreest niet tegen mij samen te spannen juist in de ure des gevaars en mijn taak nog zwaarder te maken. Zij echter was trouw als goud en dit is de troost mijns levens.”„Maar uw zoon, waar is hij nu?”„In den kerker; hij heeft bezwaren, ik hoop die te overwinnen, daarbij nergens is zijn leven veiliger dan juist daar!”„Zal nimmer uw voorkeur tot de vreemdelingen tanen, meester; hebt ge niet genoeg van hen verduurd? Hebt ge het lot vergeten van kapitein Jonker, dien zij beleedigd, gewantrouwd, vervolgd en doodgeslagen hebben?”„O als ik slechts tijd van leven hebben mag, als mijn zoon wilde, dan, dan …! Maar neen! Ik heb van nacht zonderling gedroomd, Wirajoeda, ik verbeeldde mij in Malang te zijn, ik zag de hoogvlakte aan mijn voeten met haar wouden en terrassen, ik zag de breede stroomen en de hooge bergen, de bergribben en kloven zoo duidelijk als ik ze meermalen in werkelijkheid aanschouwde en plotseling bemerkte ik dat bruggen van ijzer en steen de rivieren overspanden, dat zich steden aan den voet der bergen legerden, dat op de reede van Pasoeroean reusachtige schepen het water doorkliefden. Plotseling hoorde ik een zonderling gerucht, ik zag omlaag en daar kronkelde zich al sissend een reusachtige slang vuur en vlammen brakende door de bosschen en wolken rook dreven over de zee en over die groote schepen. ’t Was vreemd maar niemand verschrikte voor de zonderlinge monsters,[231]die zee en aarde verontrustten. De slang drong in de bergen en trok over de rivieren, hijgend en loeiend bleef zij soms staan en menschen verlieten haar schoot, blanken en bruinen waren het, ik zag ze nauwlettend aan en zie het werd mij duidelijk hoe ’t land toch niet van aanschijn was veranderd, hoe ook de bergen doorboord, de rivieren overbrugd, de afstanden verdwenen waren, tusschen ons volk en het hunne bleef een wijde klove gapen. Zij waren nog steeds de meesters en wij de dienaren. Toen begreep ik dat ook mijn werk vergeefsch was geweest, en ik ontwaakte vol bittere smart. Vriend, onze weg spoedt ten einde!”
In de eerste dagen van September had zich de oorlogsmacht, bestemd om Soerapati te bestrijden, op den aloen-aloen van Soerabaya verzameld.
De zestien Hollandsche vaandels gaan vooraf, het rood, wit en blauw wappert vroolijk in de lucht, breedgerande vilthoeden bedekken de gebruinde gezichten, de gele krijgsrokken worden vervroolijkt door de roode kragen, de buks dragen zij op den schouder, welgemoed en opgewekt stappen zij voort onder de statige klanken van het Wilhelmus. Aan hun hoofd, op een fraai strijdros gezeten, rijdt majoor Govert Knol, wien het opperbevelhebberschap over het geheele leger is toevertrouwd; onder hem staan de kloeke, krachtig gebouwde kapitein van Bergen, de dappere, hoewel wat al te voortvarende en onbedachtzame kapitein de Bevere en de Soerabayasche officieren Willem Sergeant en Hendrik van der Hout, waartoe ook nog kapitein Bintang behoort. Deze vijf kapiteins voeren elk een brigade aan, uit Europeanen en Inlanders bestaande, welke laatste op hun beurt onder hun eigen hoofden staan. Daar zijn de Balineezen met hun forsche gestalten, de Ambonneezen hun met koralen doorvlochten haren, fladderende om het hoofd, de Boegineezen, wier hoofd en middel alleen bedekt zijn en die een eirond schild aan den arm dragen, de Makassaren en Timoreezen even weinig gekleed als zij, doch met naar de hoogte opgekamd haar, luid zingend oprukkend en elkanders moed opwekkend door verhalen van de heldendaden hunner voorvaderen. Eindelijk de Javanen, bedaard, klein en tenger, met schuwen blik en lusteloozen gang, achter hen de kleurlingen, iets grooter en niet veel levendiger dan zij.[221]
Op de legermacht der Compagnie volgen de troepen van den Madureeschen prins, wiens tegenwoordigheid in het leger gelijk staat met dat van 10000 man, want hooggeëerd is deze tachtigjarige vorst niet alleen door zijn eigen volk maar door geheel Java. Het loopen of rijden valt hem moeilijk, waarom hij zich dan ook door twaalf mannen op een rijk met kleeden en tapijten belegde plank laat dragen; hij is ondanks zijn hoogen leeftijd een zwaar, flink gebouwd man met breed aangezicht en scherp geteekende trekken, het wit zijner oogen is geheel met rood beloopen, slechts weinige grijze haren bleven op zijn schedel over, maar nog verraden zijn gespierde armen de meer dan gewone kracht, welke zij eenmaal hadden bezeten; een vroolijke lach speelt dikwijls op zijn gelaat, hij is vriendelijk en voorkomend, maar ook onverbiddelijk streng tegenover zijn ondergeschikten. Hij draagt een rijk opperkleed van leverkleurig damast, dik geborduurd met gouden bloemen en een blauw zijden sarong met zilver doorwerkt, een menigte ringen versieren zijn gerimpelde handen en zijn kris vonkelt in de met edelgesteenten belegde gouden scheede. Naast hem rijden even sierlijk gekleed zijn zonen, klein- en achterkleinkinderen, waarvan zich verscheidene, naar men zeide honderdtwintig, in het leger bevonden; een zonnescherm van nipabladeren wordt boven zijn hoofd gehouden, terwijl men hem zijn gouden piek vooruit draagt.
Meer dan duizend voorname Madureezen volgen hem—een leger van Sumanappers en Pamakassanen, met hun kleurige vaandels, bonte doeken, waarop spreuken, griffioenen, draken en halve manen afgebeeld zijn, ook vier gesloten draagstoelen merkt men op, daarin werden de schoonste vrouwen van den ouden vorst gedragen, die hem op den veldtocht zouden vergezellen; de muziek dergamelansen javaansche trommen begeleidde hen.
De stoet wordt gesloten door de troepen van Djajang Rana, den[222]Depati van Soerabaya, allen kleine, onaanzienlijke mannen, die aangevoerd werden door den Regent zelf en zijn drie broeders. De Soerabayasche prinsen zaten op rijk getooide olifanten; de Depati was bekend als een der schoonste mannen van zijn land, hoewel volgens Europeeschen smaak zijn neus te plat en zijn trekken te breed geacht konden worden; hij was echter van hooge gestalte en zwaren lichaamsbouw, nog slechts zes en dertig jaar oud, buitengewoon trotsch en ongenaakbaar; niemand kon het in het strijdperk tegen hem uithouden. Zijn broeders waren kleiner maar vriendelijker en schenen min of meer gedrukt onder de heerschappij van hun oudste.
Het geheele leger bestond thans uit 15000 man, verscheidene stukken geschut, die door 200 buffels vervoerd werden en uit 5000 lastdragers.
De dag waarop de wapenschouwing plaats had, werd door een groot feest, gegeven door den Depati, besloten, den volgenden morgen zou men zich op marsch begeven; een onafzienbare menigte menschen drong zich om den aloen-aloen, teneinde dit bijna eenige schouwspel van een strijdvaardig leger, aangevoerd door de eerste Javaansche prinsen na den keizer, te zien oprukken. Morgen in alle vroegte zouden eerst eenige Hollandsche brigades vertrekken, om dan gevolgd te worden door de Madureezen en Soerabayers, terwijl eindelijk nog eenige brigades met den staf van het leger de achterhoede moesten vormen.
Het feest dat de Depati in zijn dalem aanrichtte was schitterend; een groote tafel, waaraan weldriehonderdman konden zitten, was onder een ruime pendoppo opgeslagen; voor de gasten waren chineesche stoelen neergezet; aan het hoofd der tafel zat de grijze Panombahan, wien men echter met moeite deze eereplaats had opgedrongen, daar hij deze aan den veldheer wilde afstaan. Aan zijn rechterhand was majoor Knol gezeten en aan de linkerzijde de Depati[223]Soerabaya, die een man met een stemmig, eenigszins ontevreden gelaat aan zijn zijde had, de veldprediker François Valentijn namelijk. Zeer tegen zijn zin maakte hij dezen veldtocht mede en met misnoegden blik liet hij de rijke verscheidenheid van schotels langs hem heen trekken, want hoe heerlijk toebereid ook het wildbraad, het ossen-, kalfs-en hertenvleesch zijn mocht, hij kon er niets van genieten daar alles met klapperolie was toebereid, hetgeen de spijzen voor hem oneetbaar maakte; zijn gedachten waren klaarblijkelijk verre van daar te Batavia, waar hij een zieke vrouw en verscheidene kinderen had achtergelaten of bij het weinig verkwikkelijke vooruitzicht van den aanstaanden veldtocht.
Hij kon toch niet nalaten nu en dan een blik te werpen op de vrouwen tot het gevolg van de Javaansche prinsen behoorende, die ten getale van honderd in een halve maan achter de tafel op kleine matten gezeten waren; zij schenen echter het bezien nauwelijks waard, zonder de bloemen en juweelen die haar versierden. Op den predikant Valentijn volgden de andere kapiteins, officieren, Javaansche en Madureesche prinsen.
Hoewel het feest door een Mahomedaan gegeven werd en zoovele andere Mahomedanen er deel aan namen, vloeide de wijn in ruime mate, en deze bond welhaast de tongen los; toen de eigenlijke maaltijd geëindigd was, verscheen het dessert op tafel dat zoo het kon alles wat reeds voorgediend was, in overvloed en rijkdom overtrof. De heerlijkste pompelmoezen, djamboes, pisangs, ananassen, manga’s in de rijkste verscheidenheid, sappige nanka’s, goudgele doerians, tamarindeconfituren en ketelawortelen in sierlijken vorm gerangschikt, streelden vooral het oog van den armen predikant, die zich tot nu toe slechts met droge rijst had moeten behelpen.
Allen prezen het rijke onthaal dat de Depati zijn gasten aanbood en den smaak zijner trotsche eerste vrouw, een Japarasche prinses,[224]die hem in hoogmoed waardig terzijde stond; niemand hechtte ongetwijfeld op dit oogenblik eenig geloof aan de lasterrijke praatjes, welke hier en daar gefluisterd werden van de al te goede verstandhouding, welke tusschen dezen prins en den vijand bestond.
Gedurende het geheele maal hadden de Javaansche orkesten zich laten hooren; een vroolijke, opgewekte geest scheen aan tafel te heerschen, want de regent van Soerabaya was ondanks zijn grooten trots toch een hoogst aangename, gulle gastheer.
Er werd tusschen de drie legerhoofden druk gedronken en geklonken, op den goeden uitslag der expeditie en der vereenigde wapenen; daar verbleekte de Depati plotseling, de hand waarmede hij het glas aan de lippen wilde brengen, beefde zoo sterk, dat de inhoud over zijn goudlakensch wambuis viel.
De Panombahan brak in een luidruchtig gelach uit, hij dacht niet anders of de wijn had zijn sterken broeder van Soerabaya reeds het verstand beneveld en de kracht der vingers ontnomen. Met een gedwongen lach verontschuldigde zich de Depati; een der slaven, die aan tafel dienden, een groote, sterke man, was toegesneld en wischte met een doek de druppels weg. Niemand zag hoe van terzijde de regent den bediende aanzag en hem binnensmonds toevoegde:
„Vermetele, hoe durft gij?”
De slaaf ging echter voort met zijn werk en sprak:
„’t Is gedaan, edele Heer!”
Hij verwijderde zich vervolgens weer en nam een der schotels met vruchten op om ze den bevelhebber aan te bieden; doch de oogen van den Depati bleven hem steeds volgen, zoo bemerkte hij ook hoe deze slaaf in het voorbijgaan een anderen aansprak, wiens donker bijna zwart gelaat zich met woeste, grimmige uitdrukking op de Hollandsche gasten richtte. Slechts een[225]verstrooid oor leende de regent meer aan de gesprekken; hij glimlachte soms werktuigelijk maar vermeed telkens mede te spreken, terwijl de beide slaven zich thans achter den zetel van den Madurees bevonden, die met Govert Knol de bijzonderheden van den veldtocht druk besprak.
Wie let er ook op een slaaf? Noch de majoor, noch de Panombahan koesterden eenige achterdocht, terwijl de slaaf met onverschillig over elkaar geslagen armen achter hun stoelen stond en zijn blikken koel door de pendoppo deed dwalen.
Tevergeefs hield dominé Valentijn een zeer belangwekkend gesprek over Hollandsche en Javaansche vruchten, de Soerabayasche prins luisterde niet; op zijn vragen aangaande de verscheidene soorten van djamboes en pisangs kreeg hij dikwijls de meest onzinnige antwoorden, zoodat de goede leeraar tot het besluit kwam den hoogmoedigen prins niet langer het genot zijner gesprekken te gunnen.
Eindelijk stond de Edele Heer Knol op; de twaalf dragers van den Panombahan schoten toe en hieven hem weer op de draagplank, alle andere grooten verwijderden zich nu ook van de tafel, terwijl het gevolg toeschoot om van het rijke overschot zijn deel te nemen.
De Depati verliet alleen de pendoppo; langzaam en ongemerkt volgden hem de beide slaven, die hij in ’t voorbijgaan had toegewenkt. Zij begaven zich naar een binnenplein door een hoogen muur van de feestzaal gescheiden; hier waren zij alleen en onbespied, maar nog steeds behield het gelaat van den regent een bezorgde, onrustige uitdrukking, die zijn beide gezellen in een hartelijken lach deed uitbarsten.
„Gij kunt lachen, maar ik meende door den grond te zinken!” riep hij toornig uit, „hoe durft gij het wagen!”
„Als ik ’t niet waagde, wie zou het anders doen?” antwoordde de[226]grootste slaaf,„heb ik mij niet goed van mijn taak gekweten, hoewel het jaren en jaren geleden is, sints ik het slavenpak droeg en een tafel diende? Inderdaad Soerabaya, uw tafel is schitterend en uw gade een uitstekende gastvrouw, maar nog schooner is het vereenigde leger. Hoe zal ’t er over een maand mee gesteld zijn?”
„Gij hebt de wapenschouwing bijgewoond?”
„Natuurlijk, ik wilde weten, hoe men mij vreesde; dezen morgen in alle vroegte verlieten wij Kali-Anjer in een kleine boot, Wirajoeda en ik, we kwamen juist bijtijds om het uittrekken der troepen te zien, maar ik had er niet genoeg van, ik wilde de Hollanders van nabij beschouwen en iets van hun plannen hooren. ’t Is mij goed gelukt, ik heb veel vernomen, waarmede ik mijn voordeel kan doen.”
„Maar hebt ge niet bedacht aan hoeveel gevaren gij u blootstelt, niet alleen uzelf maar ook mij?”
De toon van den Depati klonk thans laag en bijna ootmoedig.
„Uw toestand is gevaarlijk Soerabaya, ik erken ’t. Zeg mij oprecht,hebt gij geen lust u in waarheid met de Hollanders te verbinden en mij te bestrijden, de gelegenheid is schoon, ik bevind mij in uw macht. Een woord en ik ben uw gevangene!”
„Neen, duizendmaal neen! Mataram zal verdwijnen, en de Madurees eveneens; ik haat den ouden wellusteling, voor wien ik mij in ’t stof moet vernederen, om den soembah1te doen, als ware ik zijn onderdaan en niet een bijna onafhankelijk vorst. Gij zijt mijn eenige hoop, als we dit leger vernietigen dan is de macht en het aanzien der Hollanders voorgoed gefnuikt.”
„En als ik sneuvelen mocht, Soerabaya?”
„Groote gevaren heeft mijn broeder doorstaan, en steeds bleef[227]hij onoverwinnelijk, waarom zou thans zijn ure slaan? Maar juist daar er zooveel afhangt van uw leven, sidderde ik zoo even toen ik u onder deze vermomming herkende. Heeft niemand argwaan opgevat?”
„Niemand, er zijn thans zoovele vreemdelingen in de verschillende hofstoeten dat geen zijn buurman wantrouwt. De Madureezen vroegen mij of ik een Rembanger was en aan die van Toeban verhaalde ik dat ik den Depati van Japara toebehoorde, maar nu moeten we vertrekken, Wirajoeda!”
„Doch gij hebt nog niets gebruikt om u te versterken of te verfrisschen.”
„In een warong hebben we straks ons maal genomen, minder rijk, ’t is waar, dan het uwe, Depati, doch ruim voldoende. Ik ga terug naar Bangil, gij houdt u aan onze afspraak; laat uw zonneschermen steeds vooruitdragen dan zal ik zorgen dat niemand op uw manschappen schiet.”
„Heldenmoed zal hunmoeilijkerte leeren zijn, dan lafhartigheid. Gemakkelijk is ’t voor hen het parool op te volgen van niet te vechten. Doch zal ik u geen wacht geven om u te vergezellen?”
„Neen, elke voorzorg vermeerdert ons gevaar; mijn gezel moet zich haasten naar Kediri, waar een andere inval wordt verwacht. Met den kreupele is niets uit te richten.”
„Welnu, als het oogenblik daar is, laten wij hem vallen als een vaandel dat zijn dienst gedaan heeft. Tot wederziens! Hoe vurig verlang ik mijn broeder op zijn beurt hier feestelijk te ontvangen, dan zal het een gastmaal zijn, waarbij dit in het niet verdwijnt.”
„Ik wensch het met u maar wisselvallig zijn de kansen van den krijg. ’t Is een dobbelspel dat wij spelen Soerabaya, en de inzet is ons leven, ons land.”[228]
„Verlies geen moed broeder, want als gij die kostbare gave laat zakken is alles gedaan. Vaarwel! wees voorzichtig, ik zal u den kortsten weg wijzen uit mijn dalem, naar de Kali Mas.”
„Doe geen moeite, ik ken den weg, ga naar uw gasten terug broeder, die uw afwezigheid stellig betreuren, wij redden ons zelf.”
De regent keerde met bezwaard gemoed naar zijn gasten, die zijn afwezigheid op hun wijze uitlegden en zich verlustigden of verveelden met het gezicht der danseressen, die haar kunstigste toeren ten beste gaven voor het hooge gezelschap.
Intusschen waren de beide vermomde slaven zonder ongeval in hun schuitje gekomen, dat door vier roeiers in beweging werd gebracht. Snel doorkliefde het de baren, die in de laatste zonnestralen met vuurrooden glans schitterden.
Spoedig viel de duisternis en met haar kwam zich een gouden weefsel van sterren in de zacht geschubde wateren spiegelen. Soerapati zat achter in het prauwtje, tegenover hem lag Wirajoeda uitgestrekt; met snelle slagen roeiden de roeiers voort, verscheidene scheepjes vlogen hen langs en niemand vermoedde, wie zich in dat onaanzienlijke schuitje bevond. Beide mannen zwegen, plotseling vroeg de vorst:
„Wat zegt ge van die troepenmacht, Wirajoeda, uitgezonden om mij, mij alleen te bestrijden?”
„Die troepen jagen mij geen schrik aan maar wel het zware geschut, hoe zullen wij dat op den duur weerstaan? De moerassige grond, het verwijderde seizoen zijn onze beste bondgenooten, zullen zij op den duur bestand blijken tegen die kanonnen, mortieren en handgranaten? Hoe weinig kunnen wij daar tegenoverstellen? O meester, waarom hebt ge het mij verboden? Een druppel in den drank van die blanke honden en zij waren onschadelijk geworden.…!”[229]
„Sinds wanneer strijden wij met zulke wapenen, vriend? Een rijk is al zeer nabij zijn ondergang wanneer de vorst tot deze middelen zijn toevlucht moet nemen. Wij zullen hen ontvangen achter onze versterkingen en dan zien wie de sterkste blijkt.”
„Nooit steeg het water ons zoo hoog aan de lippen.”
„Ge hebt veel vergeten Wirajoeda, en in de gevangenis van Batavia dan en in het gebergte van den Preanger en in den dalem vanKarta-Soera? ’t Is zoo, we waren toen jonger, wij hadden minder te verliezen, maar toch alles wel beschouwd, ik heb nu ook niets te laten dan mijn leven, is dat weg, welnu.…”
„En uw rijk dan?”
„Het zal met mij staan of vallen, ik heb vele erfgenamen maar geen opvolger.”
„Meester,” vroeg Wirajoeda zacht, „is ’t waar, wat men fluistert? Hebt gij den zoon uwer blanke vrouw teruggevonden en wildet gij hem verheffen boven al uw andere kinderen?”
„Het is zoo, Wirajoeda en ook gij zoudt hem gehoorzaamd hebben daar hij de eenige was, die mijn rijk in mijn geest zou hebben voortgezet maar noch Lembono, noch Pengantin, noch mijn andere kinderen had ik benadeeld. Hem zouden de grootste plichten zijn ten deele gevallen. Hadt gij hem gehoorzaamheid geweigerd?”
„Gehoorzaamheid weigeren aan den uitverkorene mijns meesters, dat nooit, al zou ook mijn hart gebloed, mijn stem gebeefd hebben bij het zweren van den eed van trouw!”
„Ik weet dat ik op u rekenen kan, oude vriend! Hoe lang was de weg, dien wij samen maakten uit het slavenhok naar den vorstentroon, van het Westen van Java tot aan het Oosten vervolgden wij dien weg, wij gingen de zon tegemoet. ’t Ware jammer Wirajoeda, als wij vergeefs hadden gearbeid; wie kan mijn werk voortzetten, geen mijner zonen, evenmin als de Balembanger[230]maar mijn Hollandsche zoon is moedig, onverschrokken, eerlijk en trouw als zijn moeder.”
„Als zijn moeder?”
„Ja, als mijn Suzanna, die den dood en de schande verkoos boven ontrouw aan mij. Kiai Hemboong en Radhen Goesik hebben mij bedrogen, niet zij; mijn tegenwoordige vrouw echter vreest niet tegen mij samen te spannen juist in de ure des gevaars en mijn taak nog zwaarder te maken. Zij echter was trouw als goud en dit is de troost mijns levens.”
„Maar uw zoon, waar is hij nu?”
„In den kerker; hij heeft bezwaren, ik hoop die te overwinnen, daarbij nergens is zijn leven veiliger dan juist daar!”
„Zal nimmer uw voorkeur tot de vreemdelingen tanen, meester; hebt ge niet genoeg van hen verduurd? Hebt ge het lot vergeten van kapitein Jonker, dien zij beleedigd, gewantrouwd, vervolgd en doodgeslagen hebben?”
„O als ik slechts tijd van leven hebben mag, als mijn zoon wilde, dan, dan …! Maar neen! Ik heb van nacht zonderling gedroomd, Wirajoeda, ik verbeeldde mij in Malang te zijn, ik zag de hoogvlakte aan mijn voeten met haar wouden en terrassen, ik zag de breede stroomen en de hooge bergen, de bergribben en kloven zoo duidelijk als ik ze meermalen in werkelijkheid aanschouwde en plotseling bemerkte ik dat bruggen van ijzer en steen de rivieren overspanden, dat zich steden aan den voet der bergen legerden, dat op de reede van Pasoeroean reusachtige schepen het water doorkliefden. Plotseling hoorde ik een zonderling gerucht, ik zag omlaag en daar kronkelde zich al sissend een reusachtige slang vuur en vlammen brakende door de bosschen en wolken rook dreven over de zee en over die groote schepen. ’t Was vreemd maar niemand verschrikte voor de zonderlinge monsters,[231]die zee en aarde verontrustten. De slang drong in de bergen en trok over de rivieren, hijgend en loeiend bleef zij soms staan en menschen verlieten haar schoot, blanken en bruinen waren het, ik zag ze nauwlettend aan en zie het werd mij duidelijk hoe ’t land toch niet van aanschijn was veranderd, hoe ook de bergen doorboord, de rivieren overbrugd, de afstanden verdwenen waren, tusschen ons volk en het hunne bleef een wijde klove gapen. Zij waren nog steeds de meesters en wij de dienaren. Toen begreep ik dat ook mijn werk vergeefsch was geweest, en ik ontwaakte vol bittere smart. Vriend, onze weg spoedt ten einde!”
1Voetkus.↑
1Voetkus.↑
1Voetkus.↑
1Voetkus.↑