De kathedraal van Granada.De kathedraal van Granada.Zoo beschrijft de kroniekschrijver de hoofdstad van Andalusië.Het behoeft dus geenszins onze verwondering te wekken, als wij in de vlakte de witte muren zien schemeren van de stad Santa Fé, die door de katholieke koningen werd gebouwd gedurende het beleg, nadat hun kamp verwoest was, om hierdoor blijk te geven van hun onwrikbaar voornemen, Granada te bemachtigen, hoe lang de stad ook weerstand mocht bieden.In de tien jaren, gedurende welke Ferdinand en Isabella reeds den hardnekkigen strijd hadden gevoerd tegen het kalifaat, hadden zij door wonderen van dapperheid de eene vesting na de andere ingenomen. Alhama, Loca, Lapera, Baza, Almuneca, Ronda waren hun reeds in handen gevallen. Malaga, dat dapper werd verdedigd en vrij was naar den zeekant, was ten slotte ook bezweken.Gedurende dat verschrikkelijk beleg ontsnapte het koninklijk paar ternauwernood aan den dolk van een fanatieken Moor, die, in de meening den Vorst en de Vorstin doodelijk te treffen, Don Alvaro van Portugal zwaar verwondde en Dona Isabella de Bobadilla, hofdame en vriendin der Koningin, een lichte kwetsuur toebracht, daar het dichte goudborduursel op haar kleed de kracht van den dolkstoot brak.Het beleg van Granada was het laatste en moeilijkste van dien langdurigen oorlog. Het werd, nadat het reeds eenige malen was beproefd en opgeheven, voor goed hervat op den 11denApril 1491 en reeds op den 25stenNovember van dat jaar werd tot eenwapenstilstandbesloten. De stad zou zich overgeven, zoo binnen zeventig dagen geen hulp kwam opdagen. Ferdinand en Isabella bezaten te veel doorzicht en waren te zeer bedreven in de politiek om niet alle pogingen tot bijstand uit Afrika te verhinderen. Boabdil, tot wanhoop gedreven, wenschte ten slotte niets meer dan het lijden van zijn volk een einde te zien nemen en het in de genade der overwinnaars aan te bevelen. Nog was het tijdperk, voor den wapenstilstand vastgesteld, niet verstreken, toen hij van zijn plannen den koning en de koningin liet verwittigen.Uitbundig was de blijdschap van Ferdinand en Isabella bij het vernemen dezer tijding, en niet minder groot was deverrukkingder soldaten, die eindelijk de vruchten zouden plukken van zulk een langdurigen strijd.Den volgenden morgen vergulddennauwelijksde eerste zonnestralen de toppen der Sierra Nevada, toen in het kamp der Christenen reeds alles in rep en roer was. Een afdeeling ruiterij, aangevoerd door Hernando de Talavera, bisschop van Avila, begaf zich op weg en richtte hun schreden naar dat beroemde Alhambra, dat zich hoog boven de stad verhief, waarvan het de trots en de glorie uitmaakte. Daar men tot voorwaarde had gesteld, dat de belegeraars niet onmiddellijk de stad zouden binnendringen, was hun een weg aangewezen door de poort der Molens tot op den top van den Berg der Martelaren en van daar langs een onderaardschen gang naar het Alhambra. Bij dien uitgang aangekomen, ontmoetten zij Boabdil, vergezeld van eenige ruiters. Aan zijn vizier Yusuf Aben Comija had hij de droeve taak opgedragen de verwinnaars in de vesting binnen te leiden. “Ga, heer”, zeide hij tot den aanvoerder van den troep, “en neem deze sterkte in bezit, die Allah uw machtigen vorst wil schenken tot straf voor onze zonden”.Intusschen hadden de koning en koningin met een groot gevolg van edelen en monniken in optocht Santa Fé verlaten en trokken door de Vega. Zij hielden stil in het dorp Armilla, een kwartier van de stad gelegen, van waar men duidelijk de torens der vesting kon onderscheiden. Daar brachten zij nog eenige angstige oogenblikken door van twijfel en onzekerheid.De oogen op den torentop gevestigd, waar het teeken hunner zegepraal zou moeten verschijnen, begrepen zij niet, dat zooveel tijd had kunnen verloopen, eer hun boodschapper de vesting had bereikt, en vroegen zich reeds af, of hun getrouwen niet misschien waren vermoord, of de stad zich niet tegen Boabdil’s besluit had verzet, toen plotseling een kreet van vreugde ontsnapte aan ieders mond. Op den torentoch blonk in de zon het zilveren kruis, dat de bisschop van Avila er plaatste in stede van de gevallen halve maan, en dadelijk daarna wapperde van den trans de banier van den heiligen Jacobus. “Santiago, Santiago!” riep men, en toen de koninklijke vlag zich trotsch ontplooide, juichte men van alle zijden: “Castilië!! Voor koning Ferdinand en koningin Isabella!” Diep bewogen viel het vorstenpaar op de knieën en Ferdinand hief de handen ten hemel, onder het uitspreken van een vurig dankgebed. Overstelpt van blijdschap zette de stoet zich opnieuw in beweging en bereikte weldra een kleine moskee, aan den oever van den Jenil. Dit was de plek, waar de ongelukkige Boabdil de overwinnaars zou ontmoeten. Vergezeld van een vijftigtal getrouwen kwam hij hun tegemoet, en wilde van zijn paard stijgen om hen te begroeten. Doch Ferdinand verhinderde hem dit, en wilde zelfs niet, dat Boabdil hem de hand zou kussen, ten teeken van onderwerping. Ontroerd over deze grootmoedigheid, wilde de moorsche vorst niet nalaten, zijn dank voor deze welwillende bejegening te betuigen, hij boog diep en kuste den rechterarm van den man, die hem van zijn koninkrijk had beroofd. Ook de koningin weigerde de eerbiedsbetuigingen van den overwonnen vorst en gelastte, hem zijn zoon weder te geven, die als gijzelaar was uitgeleverd.Boabdil drukte het kind aan zijn hart, en beiden schenen zich door dit wederzien over hun ongeluk te troosten. Met groote waardigheid en de gelatenheid, die elke muzelman onder rampen aan den dag legt, reikte Boabdil Ferdinand de sleutels der stad over.“Deze sleutels”, zeide hij, “zijn een laatste aandenken aan de arabische overheersching in Spanje. Aan u, heer, al onze zegeteekenen, ons koninkrijk, en onze persoon; het is Gods wil. Ontvang ze met de gevoelens van goedertierenheid, die gij ons hebt verzekerd, dat u bezielen, en waarom wij u bidden.”Ferdinand verborg zijn blijdschap onder een kalm voorkomen. “Twijfel niet”, sprak hij,“aan onze belofte. Door onze vriendschap zult gij herwinnen, wat de krijgskans u deed verliezen.”Daarop verwijderde zich de onttroonde vorst, en de koninklijke stoet trok verder. Dichtbij het Alhambra kwam hen een droevige rij tegemoet van bleeke, vermagerde gestalten, met lang haar en verwilderden baard, beladen met rammelende ketenen. Het waren vijfhonderd gevangenen, die jarenlang in de kerkers der Mooren hadden gesmacht. Dadelijk gelastte de koning, hun boeien te verbreken, en zij werden met de grootste liefde en toewijding verpleegd en beweldadigd.Zoo eindigde de heerschappij der Mooren in Spanje. Zij had 777 jaren geduurd, sedert den val van Roderik, den laatsten koning der Gothen, aan de oevers van den Guadalete, in het 89ste jaar der Hegira, of vlucht van Mohammed, “dien God moge verderven”, zegt Agapida, de vrome geschiedschrijver der kruistochten.Eenige dagen later, op den zesden Januari, Drie koningendag, deden Ferdinand en Isabella hun plechtigen intocht in de stad, en volbrachten zoodoende, na tien jaren arbeidens, de verovering van dit tweede Jeruzalem.Eerst trok de stoet naar de moskee, die voortaan een christelijke kerk zou zijn. Van daar begaf men zich naar het Alhambra, waarvan de poorten gastvrij waren geopend voor allen, die aan den heiligen oorlog hadden deelgenomen.De leeuwenhof, de zaal der twee zusters, de patios en de torens, al wat thans nog van het Alhambra over is, en veel, wat sedert is vernietigd, wekte de verbazing van tallooze ridders, edelvrouwen, pages en monniken, die om strijd de pracht bewonderden dier weergalooze wanden, met hun sierlijke arabesken, en lambrizeeringen van email, agaat en marmer, die gewelven van cederhout, paarlemoer en ivoor, diestalactietenzolderingen, schitterend in de heerlijkste kleuren. De vorsten lieten hun troon plaatsen in dezelfde zaal, waar de kalifen hadden gezeteld. De voornaamste inwoners van Granada werden uitgenoodigd, hen daar te verwelkomen, evenals de afgevaardigden van alle naburige plaatsen, die zich nog niet hadden overgegeven. Zoo was dan Spanje weder een christelijke staat geworden. De eerste mis werd gelezen in de zaal van het Recht, die thans nog ongeschonden is bewaard gebleven, en waar het koepelgewelf een beschildering vertoont, waarvan men tot nog toe niet heeft kunnen uitmaken, of deze door italiaansche of moorsche kunstenaars is ontworpen. Het zijn tien moorsche vorsten, ieder in de geijkte houding op een kussen gezeten, met de eene hand rustend op de sabel, die aan een rijk versierden bandelier om hun schouders hangt, de andere in vermanende houding opgeheven. Zeker is het, dat zich nog vele moorsche schilders in Granada bevonden, toen de stad weder in handen der Christenen geraakte. In een bevelschrift, door Isabella uitgevaardigd, gedateerd van Medina del Campo, 21 December 1480, en gericht tot een inwoner van Toledo, Francisco Chacon, pintor mayor getiteld, ter belooning van bewezen diensten, leest men:Het is verboden, dat eenig Jood of Moor zich zal verstouten, het gelaat van onzen Heiland en Verlosser, Jezus Christus of van de heilige Maagd, Zijne moeder, of van eenigen anderen heilige, of iets, wat ook, dat op het heilige katholieke geloof betrekking heeft, af te beelden, op straffe van een boete van 5000 maravedis, te storten in de koninklijke schatkist, zoo dikwijls dit gebod wordt overtreden....Hieruit blijkt dus, dat de moorsche schilders niet ongeneigd waren christelijke onderwerpen te kiezen.Het vorstelijk echtpaar nam een gedeelte van het Alhambra in gebruik; maar wel verre van het weergalooze paleis te bederven, hielden zij het in eere, droegen zorg voor het onderhoud, en voltooiden waar het noodig was, wat hun voorgangers hadden begonnen. Hun kleinzoon Karel V volgde daarin niet hun voorbeeld; hij brak sommige gedeelten af, en verbouwde andere naar zijn smaak en in den geest van zijn tijd. Al wat onder zijn regeering in het paleis werd tot stand gebracht, draagt een zwaar en overladen karakter, dat niet bij de omgeving past.Isabella van Castilië stierf te Medina del Campo in 1504, nauwelijks vier en vijftig jaren oud, maar afgemat door de vermoeienissen hare zorgvolle regeering.In haar testament gelastte zij, dat haar lijk naarhet klooster San Francisco zou worden overgebracht, in het Alhambra gelegen, op de plaats der vroegere moskee. Het moest daar blijven, tot haar echtgenoot de plaats zou hebben uitgekozen, waar hun beider praalgraf zou worden opgericht.Een jaar daarna liet Ferdinand een gebouw ontwerpen, waarin, volgens den wensch der overleden vorstin, voortaan het stoffelijk overblijfsel van alle spaansche koningen zou worden bijgezet. Het werk werd opgedragen aan Enrique Egas, en naderde zijn voltooiing, toen Karel V eveneens besloot, in Granada een kerk te bouwen, vlak bij het graf zijner voorouders.De overgave van de stad Granada door de Mooren.De overgave van de stad Granada door de Mooren.De eerste steen werd gelegd in 1523. De architect, Rodrigo Hernandez wilde, der traditie getrouw, het gebouw in gothischen stijl doen verrijzen. Maar zijn opvolger Siloe bracht hierin verandering, en wist bij den koning zijn plannen door te zetten, zoodat thans op de zware gothische zuilen korinthische kapiteelen prijken, die het koepelgewelf dragen. De kerk is grootsch van verhoudingen, maar maakt een kouden en somberen indruk. Men heeft haar somtijds vergeleken bij de Sint Pieterskerk te Rome, en zij is als het ware het voorbeeld gebleven voor alle spaansche kerken uit de zestiende eeuw.Alonzo Cano, een schilder en beeldhouwer van groote verdiensten, verrijkte de nieuwe kerk met schoone werken van zijn hand, zooals de Maagd van het Rosario, de heilige Bruno, en een hoofd van Johannes den Dooper. Toch voelt men zich gedrukt onder het kolossale gewelf, en de koninklijke kapel, die, hoewel een kerkgebouw op zich zelf, toch bescheidener afmetingen vertoont, brengt ons voor het eerst onder den indruk van de rust dier gewijde plek.Midden in het schip der kerk, die gebouwd is in den vorm van een latijnsch kruis, ziet men twee graftomben van wit marmer, in zuiver italiaanschen stijl, waarop twee gekroonde paren rusten. De hoogste en meest rijk versierde is het praalgraf van Philips den Schoone, die op zijn zeven en twintigste jaar stierf, en Johanna de Waanzinnige, die veertig jaren over Spanje den scepter voerde. Hun grootste roem was het, de ouders van Karel V te zijn. Het andere graf is de rustplaats van Ferdinand V en Isabella I, de katholieke vorsten. Toen Philips IV de asch van zoovele andere koningen in het Pantheon van het Escuriaal liet bijzetten, eerbiedigde hij den wensch zijner voorouders en liet hen rusten te Granada, waar zij hun grootste triomfen hadden gevierd.Voor het altaar ziet men de twee knielende figuren van Ferdinand en Isabella, en deze beschilderde beelden zijn zoo levenswaar en vol uitdrukking, dat men, na langdurige beschouwing, verwonderd den blik van hen wendt naar de strakke gedaanten, die op de graftombe liggen uitgestrekt.Niet alleen hun beeld echter is het, dat een levendige herinnering aan deze beroemde dooden wakker roept. In de sacristie worden herinneringen bewaard, die blijk geven van de opofferende deugd, door de vrome vorstin ten toon gespreid. Door een kroon en scepter te dragen vanverguld zilver, door met eigen hand de misgewaden en kerksieraden te borduren, en de juweelen, geborgen in een eenvoudig kistje, te gelde te maken, was de vorstin in staat, de noodige middelen te verschaffen tot een zoo langdurigen strijd, die deze opofferingen dan ook met gelukkigen uitslag heeft beloond, en haar en haar echtgenoot onvergankelijken roem heeft verworven.
De kathedraal van Granada.De kathedraal van Granada.
De kathedraal van Granada.
De kathedraal van Granada.
Zoo beschrijft de kroniekschrijver de hoofdstad van Andalusië.
Het behoeft dus geenszins onze verwondering te wekken, als wij in de vlakte de witte muren zien schemeren van de stad Santa Fé, die door de katholieke koningen werd gebouwd gedurende het beleg, nadat hun kamp verwoest was, om hierdoor blijk te geven van hun onwrikbaar voornemen, Granada te bemachtigen, hoe lang de stad ook weerstand mocht bieden.
In de tien jaren, gedurende welke Ferdinand en Isabella reeds den hardnekkigen strijd hadden gevoerd tegen het kalifaat, hadden zij door wonderen van dapperheid de eene vesting na de andere ingenomen. Alhama, Loca, Lapera, Baza, Almuneca, Ronda waren hun reeds in handen gevallen. Malaga, dat dapper werd verdedigd en vrij was naar den zeekant, was ten slotte ook bezweken.
Gedurende dat verschrikkelijk beleg ontsnapte het koninklijk paar ternauwernood aan den dolk van een fanatieken Moor, die, in de meening den Vorst en de Vorstin doodelijk te treffen, Don Alvaro van Portugal zwaar verwondde en Dona Isabella de Bobadilla, hofdame en vriendin der Koningin, een lichte kwetsuur toebracht, daar het dichte goudborduursel op haar kleed de kracht van den dolkstoot brak.
Het beleg van Granada was het laatste en moeilijkste van dien langdurigen oorlog. Het werd, nadat het reeds eenige malen was beproefd en opgeheven, voor goed hervat op den 11denApril 1491 en reeds op den 25stenNovember van dat jaar werd tot eenwapenstilstandbesloten. De stad zou zich overgeven, zoo binnen zeventig dagen geen hulp kwam opdagen. Ferdinand en Isabella bezaten te veel doorzicht en waren te zeer bedreven in de politiek om niet alle pogingen tot bijstand uit Afrika te verhinderen. Boabdil, tot wanhoop gedreven, wenschte ten slotte niets meer dan het lijden van zijn volk een einde te zien nemen en het in de genade der overwinnaars aan te bevelen. Nog was het tijdperk, voor den wapenstilstand vastgesteld, niet verstreken, toen hij van zijn plannen den koning en de koningin liet verwittigen.
Uitbundig was de blijdschap van Ferdinand en Isabella bij het vernemen dezer tijding, en niet minder groot was deverrukkingder soldaten, die eindelijk de vruchten zouden plukken van zulk een langdurigen strijd.
Den volgenden morgen vergulddennauwelijksde eerste zonnestralen de toppen der Sierra Nevada, toen in het kamp der Christenen reeds alles in rep en roer was. Een afdeeling ruiterij, aangevoerd door Hernando de Talavera, bisschop van Avila, begaf zich op weg en richtte hun schreden naar dat beroemde Alhambra, dat zich hoog boven de stad verhief, waarvan het de trots en de glorie uitmaakte. Daar men tot voorwaarde had gesteld, dat de belegeraars niet onmiddellijk de stad zouden binnendringen, was hun een weg aangewezen door de poort der Molens tot op den top van den Berg der Martelaren en van daar langs een onderaardschen gang naar het Alhambra. Bij dien uitgang aangekomen, ontmoetten zij Boabdil, vergezeld van eenige ruiters. Aan zijn vizier Yusuf Aben Comija had hij de droeve taak opgedragen de verwinnaars in de vesting binnen te leiden. “Ga, heer”, zeide hij tot den aanvoerder van den troep, “en neem deze sterkte in bezit, die Allah uw machtigen vorst wil schenken tot straf voor onze zonden”.
Intusschen hadden de koning en koningin met een groot gevolg van edelen en monniken in optocht Santa Fé verlaten en trokken door de Vega. Zij hielden stil in het dorp Armilla, een kwartier van de stad gelegen, van waar men duidelijk de torens der vesting kon onderscheiden. Daar brachten zij nog eenige angstige oogenblikken door van twijfel en onzekerheid.
De oogen op den torentop gevestigd, waar het teeken hunner zegepraal zou moeten verschijnen, begrepen zij niet, dat zooveel tijd had kunnen verloopen, eer hun boodschapper de vesting had bereikt, en vroegen zich reeds af, of hun getrouwen niet misschien waren vermoord, of de stad zich niet tegen Boabdil’s besluit had verzet, toen plotseling een kreet van vreugde ontsnapte aan ieders mond. Op den torentoch blonk in de zon het zilveren kruis, dat de bisschop van Avila er plaatste in stede van de gevallen halve maan, en dadelijk daarna wapperde van den trans de banier van den heiligen Jacobus. “Santiago, Santiago!” riep men, en toen de koninklijke vlag zich trotsch ontplooide, juichte men van alle zijden: “Castilië!! Voor koning Ferdinand en koningin Isabella!” Diep bewogen viel het vorstenpaar op de knieën en Ferdinand hief de handen ten hemel, onder het uitspreken van een vurig dankgebed. Overstelpt van blijdschap zette de stoet zich opnieuw in beweging en bereikte weldra een kleine moskee, aan den oever van den Jenil. Dit was de plek, waar de ongelukkige Boabdil de overwinnaars zou ontmoeten. Vergezeld van een vijftigtal getrouwen kwam hij hun tegemoet, en wilde van zijn paard stijgen om hen te begroeten. Doch Ferdinand verhinderde hem dit, en wilde zelfs niet, dat Boabdil hem de hand zou kussen, ten teeken van onderwerping. Ontroerd over deze grootmoedigheid, wilde de moorsche vorst niet nalaten, zijn dank voor deze welwillende bejegening te betuigen, hij boog diep en kuste den rechterarm van den man, die hem van zijn koninkrijk had beroofd. Ook de koningin weigerde de eerbiedsbetuigingen van den overwonnen vorst en gelastte, hem zijn zoon weder te geven, die als gijzelaar was uitgeleverd.
Boabdil drukte het kind aan zijn hart, en beiden schenen zich door dit wederzien over hun ongeluk te troosten. Met groote waardigheid en de gelatenheid, die elke muzelman onder rampen aan den dag legt, reikte Boabdil Ferdinand de sleutels der stad over.
“Deze sleutels”, zeide hij, “zijn een laatste aandenken aan de arabische overheersching in Spanje. Aan u, heer, al onze zegeteekenen, ons koninkrijk, en onze persoon; het is Gods wil. Ontvang ze met de gevoelens van goedertierenheid, die gij ons hebt verzekerd, dat u bezielen, en waarom wij u bidden.”
Ferdinand verborg zijn blijdschap onder een kalm voorkomen. “Twijfel niet”, sprak hij,“aan onze belofte. Door onze vriendschap zult gij herwinnen, wat de krijgskans u deed verliezen.”
Daarop verwijderde zich de onttroonde vorst, en de koninklijke stoet trok verder. Dichtbij het Alhambra kwam hen een droevige rij tegemoet van bleeke, vermagerde gestalten, met lang haar en verwilderden baard, beladen met rammelende ketenen. Het waren vijfhonderd gevangenen, die jarenlang in de kerkers der Mooren hadden gesmacht. Dadelijk gelastte de koning, hun boeien te verbreken, en zij werden met de grootste liefde en toewijding verpleegd en beweldadigd.
Zoo eindigde de heerschappij der Mooren in Spanje. Zij had 777 jaren geduurd, sedert den val van Roderik, den laatsten koning der Gothen, aan de oevers van den Guadalete, in het 89ste jaar der Hegira, of vlucht van Mohammed, “dien God moge verderven”, zegt Agapida, de vrome geschiedschrijver der kruistochten.
Eenige dagen later, op den zesden Januari, Drie koningendag, deden Ferdinand en Isabella hun plechtigen intocht in de stad, en volbrachten zoodoende, na tien jaren arbeidens, de verovering van dit tweede Jeruzalem.
Eerst trok de stoet naar de moskee, die voortaan een christelijke kerk zou zijn. Van daar begaf men zich naar het Alhambra, waarvan de poorten gastvrij waren geopend voor allen, die aan den heiligen oorlog hadden deelgenomen.
De leeuwenhof, de zaal der twee zusters, de patios en de torens, al wat thans nog van het Alhambra over is, en veel, wat sedert is vernietigd, wekte de verbazing van tallooze ridders, edelvrouwen, pages en monniken, die om strijd de pracht bewonderden dier weergalooze wanden, met hun sierlijke arabesken, en lambrizeeringen van email, agaat en marmer, die gewelven van cederhout, paarlemoer en ivoor, diestalactietenzolderingen, schitterend in de heerlijkste kleuren. De vorsten lieten hun troon plaatsen in dezelfde zaal, waar de kalifen hadden gezeteld. De voornaamste inwoners van Granada werden uitgenoodigd, hen daar te verwelkomen, evenals de afgevaardigden van alle naburige plaatsen, die zich nog niet hadden overgegeven. Zoo was dan Spanje weder een christelijke staat geworden. De eerste mis werd gelezen in de zaal van het Recht, die thans nog ongeschonden is bewaard gebleven, en waar het koepelgewelf een beschildering vertoont, waarvan men tot nog toe niet heeft kunnen uitmaken, of deze door italiaansche of moorsche kunstenaars is ontworpen. Het zijn tien moorsche vorsten, ieder in de geijkte houding op een kussen gezeten, met de eene hand rustend op de sabel, die aan een rijk versierden bandelier om hun schouders hangt, de andere in vermanende houding opgeheven. Zeker is het, dat zich nog vele moorsche schilders in Granada bevonden, toen de stad weder in handen der Christenen geraakte. In een bevelschrift, door Isabella uitgevaardigd, gedateerd van Medina del Campo, 21 December 1480, en gericht tot een inwoner van Toledo, Francisco Chacon, pintor mayor getiteld, ter belooning van bewezen diensten, leest men:
Het is verboden, dat eenig Jood of Moor zich zal verstouten, het gelaat van onzen Heiland en Verlosser, Jezus Christus of van de heilige Maagd, Zijne moeder, of van eenigen anderen heilige, of iets, wat ook, dat op het heilige katholieke geloof betrekking heeft, af te beelden, op straffe van een boete van 5000 maravedis, te storten in de koninklijke schatkist, zoo dikwijls dit gebod wordt overtreden....
Hieruit blijkt dus, dat de moorsche schilders niet ongeneigd waren christelijke onderwerpen te kiezen.
Het vorstelijk echtpaar nam een gedeelte van het Alhambra in gebruik; maar wel verre van het weergalooze paleis te bederven, hielden zij het in eere, droegen zorg voor het onderhoud, en voltooiden waar het noodig was, wat hun voorgangers hadden begonnen. Hun kleinzoon Karel V volgde daarin niet hun voorbeeld; hij brak sommige gedeelten af, en verbouwde andere naar zijn smaak en in den geest van zijn tijd. Al wat onder zijn regeering in het paleis werd tot stand gebracht, draagt een zwaar en overladen karakter, dat niet bij de omgeving past.
Isabella van Castilië stierf te Medina del Campo in 1504, nauwelijks vier en vijftig jaren oud, maar afgemat door de vermoeienissen hare zorgvolle regeering.
In haar testament gelastte zij, dat haar lijk naarhet klooster San Francisco zou worden overgebracht, in het Alhambra gelegen, op de plaats der vroegere moskee. Het moest daar blijven, tot haar echtgenoot de plaats zou hebben uitgekozen, waar hun beider praalgraf zou worden opgericht.
Een jaar daarna liet Ferdinand een gebouw ontwerpen, waarin, volgens den wensch der overleden vorstin, voortaan het stoffelijk overblijfsel van alle spaansche koningen zou worden bijgezet. Het werk werd opgedragen aan Enrique Egas, en naderde zijn voltooiing, toen Karel V eveneens besloot, in Granada een kerk te bouwen, vlak bij het graf zijner voorouders.
De overgave van de stad Granada door de Mooren.De overgave van de stad Granada door de Mooren.
De overgave van de stad Granada door de Mooren.
De overgave van de stad Granada door de Mooren.
De eerste steen werd gelegd in 1523. De architect, Rodrigo Hernandez wilde, der traditie getrouw, het gebouw in gothischen stijl doen verrijzen. Maar zijn opvolger Siloe bracht hierin verandering, en wist bij den koning zijn plannen door te zetten, zoodat thans op de zware gothische zuilen korinthische kapiteelen prijken, die het koepelgewelf dragen. De kerk is grootsch van verhoudingen, maar maakt een kouden en somberen indruk. Men heeft haar somtijds vergeleken bij de Sint Pieterskerk te Rome, en zij is als het ware het voorbeeld gebleven voor alle spaansche kerken uit de zestiende eeuw.
Alonzo Cano, een schilder en beeldhouwer van groote verdiensten, verrijkte de nieuwe kerk met schoone werken van zijn hand, zooals de Maagd van het Rosario, de heilige Bruno, en een hoofd van Johannes den Dooper. Toch voelt men zich gedrukt onder het kolossale gewelf, en de koninklijke kapel, die, hoewel een kerkgebouw op zich zelf, toch bescheidener afmetingen vertoont, brengt ons voor het eerst onder den indruk van de rust dier gewijde plek.
Midden in het schip der kerk, die gebouwd is in den vorm van een latijnsch kruis, ziet men twee graftomben van wit marmer, in zuiver italiaanschen stijl, waarop twee gekroonde paren rusten. De hoogste en meest rijk versierde is het praalgraf van Philips den Schoone, die op zijn zeven en twintigste jaar stierf, en Johanna de Waanzinnige, die veertig jaren over Spanje den scepter voerde. Hun grootste roem was het, de ouders van Karel V te zijn. Het andere graf is de rustplaats van Ferdinand V en Isabella I, de katholieke vorsten. Toen Philips IV de asch van zoovele andere koningen in het Pantheon van het Escuriaal liet bijzetten, eerbiedigde hij den wensch zijner voorouders en liet hen rusten te Granada, waar zij hun grootste triomfen hadden gevierd.
Voor het altaar ziet men de twee knielende figuren van Ferdinand en Isabella, en deze beschilderde beelden zijn zoo levenswaar en vol uitdrukking, dat men, na langdurige beschouwing, verwonderd den blik van hen wendt naar de strakke gedaanten, die op de graftombe liggen uitgestrekt.
Niet alleen hun beeld echter is het, dat een levendige herinnering aan deze beroemde dooden wakker roept. In de sacristie worden herinneringen bewaard, die blijk geven van de opofferende deugd, door de vrome vorstin ten toon gespreid. Door een kroon en scepter te dragen vanverguld zilver, door met eigen hand de misgewaden en kerksieraden te borduren, en de juweelen, geborgen in een eenvoudig kistje, te gelde te maken, was de vorstin in staat, de noodige middelen te verschaffen tot een zoo langdurigen strijd, die deze opofferingen dan ook met gelukkigen uitslag heeft beloond, en haar en haar echtgenoot onvergankelijken roem heeft verworven.