Chapter 5

Visschende vrouwen aan de zuidkust van Oepoloe.Visschende vrouwen aan de zuidkust vanOepoloe.Na een korten marsch waren wij reeds in hetoerwoud. De weg was zoo smal, dat er juist voor één mensch plaats was en leidde meestal steil omhoog. Wij vergoten, trots het vroege uur, bij dit stijgen stroomen van zweet, want de boomen om ons heen stonden zoo dicht in blad, dat wij ons in diepe duisternis bevonden en de verfrisschende zeewind ons niet kon afkoelen. De plantengroei was heerlijk. Palmen van vele soorten, varens van tien meter hoog stonden naast broodvrucht- en mangoboomen, omkranst door dikke slingerplanten. Mijn dragers braken druk stukken af van de suikerrietplanten op zij van den weg en verkwikten zich door ’t sappig hout te kauwen, terwijl ik mij meer aan kokosnoten en bananen hield.Eenige heldere beken, die wij moesten passeeren, boden de altijd weer met vreugd begroete gelegenheid tot het nemen van een bad, waarvoor men immers niet eerst veel kleêren behoefde af te leggen, en na bijna vijf uren bereikten wij het hoogste punt van de bergketen, 2000 voet boven de zee.Prachtig was het uitzicht op de haven van Apia diep beneden ons en over de schitterende Zuidzee met de andere samoaansche eilanden in de verte; maar mooi was ook de onmiddellijke omgeving daarboven. Van alle kanten overschaduwd door het groen van het woud, lag op de hoogte een meertje, het Lanoetomeer, dat een uitgebranden krater vulde en met zijn donkergroen water een eigenaardig contrast vormde met den lichten, tropischen hemel. Aan den oever zijn door de regeering eenige huisjes neergezet, die de inwoners van Apia, die in den zomer naar een hooggelegen streek wenschen te gaan, bij beurten mogen betrekken. Er was juist een vriendelijk gezin, aan welks disch ik onverhoopt nog eens in de gelegenheid was een goed europeesch middagmaal te genieten.De tocht bergaf bleek veel moeilijker dan bergop. Voor mij was de weg dikwijls in ’t geheel niet te onderscheiden, wij moesten over zware boomstammen en wortels klauteren, waar wij vaak genoeg tusschen bleven steken; dan weer moesten we over glibberige steenen steile hellingen afglijden en op smalle boomstammen balanceeren over kloven.Tegen den avond bereikten wij een dal, dat met een dicht bananenwoud gevuld was; toen kwamen wij in het dorp Sanapoe, waar wij den nacht wilden doorbrengen.Het dorp bestond uit meer dan 50 hutten, ver uiteen liggend tusschen de palmen, en hier en daar glinsterden vijvers en kabbelden een paar beken. In een der nabijgelegen en grootste hutten, die van het hoofd, traden wij binnen, en moesten bukken onder het laag afhangende dak. Bij het algemeene handjesgeven met alle leden der familie hoorde ik, dat het hoofd ter vischvangst was, maar dadelijk zou worden gehaald. Een aantal matten werd vóór een der dikke palen, die het dak steunen, uitgespreid, en tegen den paal leunend, zat ik met gekruiste beenen zoo deftig mogelijk op het dorpshoofd te wachten.Om mij heen ruischten de palmen en broodboomen; tusschen de bijenkorfachtige huizen liepen naakte, bruine gestalten heen en weer; tegenover mij zaten zwijgend de familieleden van het hoofd en achter hen zag ik tusschen de palen van de hut de blauwe Zuidzee en de ondergaande zon.Plotseling traden een aantal meisjes bij ons binnen, en mijn vrome tolk deelde mij mee, dat de “taupo” van het dorp naderbij kwam, om mij te begroeten.Van deze “dorpsjonkvrouwen” had men mij reeds te Apia veel verteld, en ik wist, dat een taupo gewoonlijk het mooiste meisje van het dorp is, dat zij eene representatieve rol speelt en vooral de honneurs heeft waar te nemen voor de gasten van het dorp. Daarvoor bewoont zij het mooiste huis en heeft een heele hofhouding van eveneens ongehuwde, vaak niet meer jonge dames, die haar moeten bedienen en tegelijk voor haar zeer op prijs gestelde deugd hebben te waken.De taupo van Sanapoe droeg een kort, hemdachtig kleed en zeer veel bloemen; ze was een reuzin en leek zeer gespierd. Overigens was zij, afgezien van haar dikke lippen, wel aardig en door haar vriendelijkheid verdween al gauw de eerst een beetje schrikaanjagende indruk. Dadelijk hing ze mij een zware bloemenketen om den hals en ging naast mij zitten, om mij, zoolang ik daar bleef, niet weer te verlaten. De gezelschapsdames zetten zich ter zijde neer.Om dadelijk als een voornaam heer op te treden, liet ik mij mijn bagage brengen en schonk aan de taupo een mooien ring met glazen robijn, en op dergelijke wijze bedacht ik de beide dienstvrouwen, die mij het strengst leken te zijn en verkreeg daardoor ook hare voortdurende hoogachting.Intusschen was het hoofd teruggekomen; er waren nu ongeveer veertig personen aanwezig, en toen begonnen de plechtige toespraken. Mijn brief van Mataafa, dien ik het eerst voor den dag haalde, en dien het hoofd zijn volkje voorlas, scheen grooten indruk te maken.Het hoofd leunde ook tegen een paal en praatte een kwartier lang zachtjes zoo wat vóór zich heen. Zooals ik van mijn tolk vernam, dankte hij mij voor mijn komst, vooral daar ik de eerste Europeaan was, die hem bezocht; het was verder jammer, dat het al zoo laat was; daarom kon hij mij geen waardig feestmaal voorzetten en meer van dien aard. Daarop hield ik eveneens met deftige gebaren een toespraak tot de menigte, door mijn bediende vertolkt, en zoo wisselden wij ongeveer een uur beleefdheden, terwijl allen aandachtig naar onze woorden luisterden.Dadelijk bij de begroeting had het hoofd mij een reuzenkawawortel gebracht, en mijn taupo had er onder de toespraken een drank uit bereid, die mij meer belang inboezemde dan de speeches van het hoofd, vooral omdat ik iets bedenkelijks vond in de wijze van bereiding en twijfel voelde opkomen aan het genot, dat mij van dezen drank uitPiper Methysticumte wachten stond.Eerst spoelde zij zich namelijk den mond, begon toen den wortel klein te kauwen en deponeerde de gekauwde beten in een houten schaal, die met water was gevuld. De brij werd toen geroerd, en eindelijk werden met een stampertje van palmvezels, dat telkens weer werd uitgespoeld, alle vaste bestanddeelen uit de brij verwijderd. Toen wij met de toespraken klaar waren, was ook het product der kauwwerkzaamheidvan mijn taupo gereed. Alle aanwezigen klapten op de maat in de handen, niet om ons, zooals ik eerst met trots meende, hun bijval te betuigen, maar als plechtige inleiding voor den dronk.De taupo vulde een halfdoorgesneden kokosnootschaal met het witte vocht, hief die hoog boven haar hoofd, reikte ze mij met eleganten zwaai, en daar allen mij vol aandacht aankeken, slikte ik het bittere drankje haastig in. Toen kwamen de anderen aan de beurt, zooals een woord van het hoofd hen beurtelings aanwees.Buiten waren intusschen menschen met fakkels bezig, tusschen de hutten zwijnen en kippen op te jagen, om een feestmaal te bereiden, en de vindingrijke hoofdman arrangeerde ter vulling van den tusschentijd gauw een “kerk”, zooals mijn tolk zeide. De plechtigheid bestond uit een kort gezang en ’t voorlezen van een gebed, waaraan de aanwezigen met veel geestdrift deelnamen.Vervolgens werd op groote bladeren het maal opgedragen en in lange rijen werden de lekkernijen vóór mij op den grond gelegd. Daar waren een in zijn geheel gebraden speenvarkentje, gebraden hoenders, visschen, verschillende soorten van kool, broodvruchten, kokosnoten en een menigte andere vruchten. Weer volgde een lange rede van het hoofd, waarin hij mij het maal plechtig overdroeg en zijn spijt betuigde, dat er niet meer was; toen mijn verzekering, dat het schitterend was en dat ik er Mataafa van vertellen zoude, en eindelijk begonnen wij, eerstaanzittenden, te smullen; de anderen moesten wachten op wat wij hun zouden overlaten.Men gaf er de voorkeur aan, met de vingers te eten; maar mij werd het uiterst gemakkelijk gemaakt, want de taupo ondernam hoogst eigenhandig mijne voedering, verwijderde zorgvuldig graten en beentjes uit mijn spijzen en stopte mij de lekkerste hapjes in den mond. Daarna werd er weer kawa bereid, en nu smaakte mij die samoaansche nationale drank reeds beter. Ik ervoer later, dat ook grootere hoeveelheden niet bedwelmen, hoogstens een weinig opwekken als koffie, alleen worden bij volkomen nuchterheid den drinker toch de beenen een beetje zwaar. Kawa is dus eigenlijk een ideale dronk uit het oogpunt van gastvrijheid; men wil den gast er niet door in de war brengen, maar hem wel ’t vermogen benemen om weg te gaan!Daar ik bovendien niet de bedoeling had, weg te gaan, werd de legerstede in gereedheid gebracht en ging men de muskietennetten ophangen, waarvan de Samoanen algemeen gebruik maken.Toen ik daarna van de dorpsjonkvrouw en haar gevolg afscheid nam, maakte dat opvallend weinig indruk; men maakte volstrekt geen aanstalten tot vertrek, en toen ik ten slotte mij toch maar achter mijn muskietennet terugtrok, sloot zich tot mijn groote verbazing de taupo bij mijn terugtocht aan en sloop eveneens onder mijn doorzichtig net, terwijl alle hofdames in een kring dicht om ons heen stonden.Ofschoon deze situatie zeker iets zeer ongewoons was, schikte ik mij in het geval met de redeneering, dat men op reis zich naar de vreemde zeden en gewoonten zooveel mogelijk moet schikken. Zoo liet ik het reuzinnetje zich nuttig maken, liet haar de muggen vangen, die nog onder het net gekomen waren en liet mij door haar met een waaier koelte toewuiven, terwijl altijd een der wakende eeredames op hoogst krenkende wijze toezicht hield. Ik lag gemakkelijk op den vloer, waar matten en een deken op waren uitgespreid, en spoedig hoorde ik nog slechts onduidelijk het ruischen van de branding, ’t suizen van de palmen en het gonzen van onschadelijke muskieten.Toen ik den volgenden morgen wakker werd, zat de taupo reeds met een versche kokosnoot in de hand vóór mij, sloeg die vlug met een steen stuk en verkwikte mij met den koelen inhoud, een natuurlijke vergoeding voor ’t gemis van ijswater.Na een plechtig afscheidswoord vertrok ik, nadat ik met de taupo nog geschenken had gewisseld, waarbij ik een uit boomschors gevlochten deken ontving, en nadat ook het hoofd, behalve mijn dank, een paar lawa-lawa’s had ontvangen. Toen ik hem ten slotte nog met de taupo photografeerde, bereikte zijn voldaanheid het toppunt, en hij was er niet af te brengen, mij nog een eind uitgeleide te doen, fraai aangedaan met een der nieuwe lawa-lawa’s en een mooie, roode parasol, die ik den vorigen avond reeds had opgemerkt, zooals ze midden in de hut als sieraad boven van de zoldering neerhing.De weg langs de zee was even mooi en aangenaam, als hij gisteren in het binnenland warm en inspannend geweest was. Steeds liep hij langs het strand onder de hooge, ruischende palmen; rechts hadden wij de schitterende, effen zee en altijd koelde een lichte zeewind onze slapen, zoodat men zich geen heerlijker wandeling kan voorstellen.Een diep in het land dringende baai staken wij over met een boot van het hoofd, zulk een smal vaartuig met uitslaande bladen, die er met haken aan verbonden zijn en ’t schommelen beletten moeten; maar toch kostte het mij een paar onvrijwillige baden, vóór ik geleerd had, elke beweging, hoe gering ook, te vermijden, omdat dan telkens de kano omslaat.In de langs den oever liggende dorpen vielen de vele groote, steenen kerken in het oog; op elke 40 hutten was er wel één kerk, blijkbaar een veel te zware uitgaaf voor deze menschen, die zoo weinig bezitten en zoo weinig behoeften hebben.Het was juist Zondag, en alle kerken waren gevuld met Samoanen in half europeesche, leelijke zendingspakjes; als geestelijken deden veelal samoaansche zendelingleerlingen dienst.Mijn tolk, die ook zulk een post als ideaal zich voor oogen had gesteld, zou eigenlijk vandaag rustdag hebben willen houden, daar een vroom Samoaan des Zondags alleen zijn huis mag verlaten, om ter kerk te gaan en van ’s morgens tot ’s avonds in den bijbel moet lezen. Doch dit hielp hem bij mij niet hoewel ik toch ’s middags rust liet houden, toen ik het dorp Sioeme had bereikt.Door het hoofd Atanoa, een imponeerende verschijning met een verstandig gezicht, en de dikke taupo Antoa werd ik precies op dezelfde wijze ontvangen als den vorigen dag in Sanapoe. Een vaste uitdrukking schijnt te wezen, dat het jammer is, zoo weinigbeschikbaar te hebben, wat goed genoeg is voor den gast, terwijl dan dadelijk daarna een weelderig maal wordt opgedischt.Kinderspel op de Samoa-eilanden.Kinderspel op de Samoa-eilanden.Ik had den volgenden dag eigenlijk tot Salany willen gaan, maar even te voren, in het dorp Faleoeloe, trof ik zulk een aardige kleine taupo van twaalf jaar, dat ik besloot, mij liever aan haar zorgen toe te vertrouwen. Spoedig verloor het aardig kind haar aanvankelijke bedeesdheid; zij voederde mij met ambitie en vertelde met een blosje, voorzooverdat bij haar huidskleur mogelijk is, dat ze heel mooi kon dansen.Ik knoopte dien wenk in mijn oor, om het hoofd te verzoeken, ’s avonds een siva, feest met nationale dansen, te geven. Bij zoo’n genoegen in ’t vooruitzicht was het natuurlijk te vergeefs, dat het hoofd van Salany in eigen persoon met een reusachtigen kawawortel uit zijn dorp overkwam met verzoek, toch bij hem te komen, daar Mataafa wel eens denken kon, dat hij mij niet had willen opnemen. Ik stelde den man gerust, verzekerde, dat ik overtuigd was van zijn goede bedoeling, maar liet mij niet overhalen, mijn kleine taupo te verlaten en haar dansen niet te bewonderen.Na een half uur van toilet maken verscheen mijn vriendinnetje met haar dienstvrouwen in feestkleedij. Wel was dit toilet meer negatief dan positief, want het bestond bijna alleen uit den glans van het kokosvet, waarmee het geheele lichaam ingesmeerd was, en uit bloemen en kransen.Samoaansche kinderen aan het strand.Samoaansche kinderen aan het strand.De dans zelf maakt geen diepen indruk, als men hem voor ’t eerst ziet uitvoeren. Eerst zitten de deelnemers allen naast elkaâr op den grond en bewegen de armen en het hoofd op de maat; dan gaan enkelen opstaan en dansen stilstaande, waarbij de meisjes ’t handgewricht buigen en de mannen bewegingen van dieren nadoen.Den volgenden dag zette ik den prettigen weg langs de kust voort tot Amaile, het grootste dorp van het district Aleipata, waar ik door het hoofd op een feest werd genoodigd. Wij hadden er een overvloed van allerlei heerlijks, drie varkens, een groot aantal kippen en allerlei lekkernijen, en de siva of danspartij ontbrak niet. Bij het dorp, waar Mataafa woonde, verlieten wij de zuidkust, om door het oerwoud weer aan de noordkust uit te komen, die veel armoediger is. Hier en daar maakten wij van booten gebruik voor zeetochtjes. In Talefa zag ik nog een aardig tooneel van badende samoaansche kinderen aan het strand, en denzelfden avond wachtte mij een aangename verrassing, want in het huis van het hoofd had men bij mijn aankomst een stoel en tafel, die hoog onder het dak opgehangen waren, voor mij naar beneden gehaald, en men bewees mij door die voortbrengselen der beschaving, dat ik dat deel van Apia weer bereikt had, waar de europeesche invloed zich doet gelden.1Tekst en illustraties ontleend aan Ernst Weber,Vom Ganges zum Amazonenstrom,Berlin,Dietrich Reimer(Ernst Vohsen).

Visschende vrouwen aan de zuidkust van Oepoloe.Visschende vrouwen aan de zuidkust vanOepoloe.Na een korten marsch waren wij reeds in hetoerwoud. De weg was zoo smal, dat er juist voor één mensch plaats was en leidde meestal steil omhoog. Wij vergoten, trots het vroege uur, bij dit stijgen stroomen van zweet, want de boomen om ons heen stonden zoo dicht in blad, dat wij ons in diepe duisternis bevonden en de verfrisschende zeewind ons niet kon afkoelen. De plantengroei was heerlijk. Palmen van vele soorten, varens van tien meter hoog stonden naast broodvrucht- en mangoboomen, omkranst door dikke slingerplanten. Mijn dragers braken druk stukken af van de suikerrietplanten op zij van den weg en verkwikten zich door ’t sappig hout te kauwen, terwijl ik mij meer aan kokosnoten en bananen hield.Eenige heldere beken, die wij moesten passeeren, boden de altijd weer met vreugd begroete gelegenheid tot het nemen van een bad, waarvoor men immers niet eerst veel kleêren behoefde af te leggen, en na bijna vijf uren bereikten wij het hoogste punt van de bergketen, 2000 voet boven de zee.Prachtig was het uitzicht op de haven van Apia diep beneden ons en over de schitterende Zuidzee met de andere samoaansche eilanden in de verte; maar mooi was ook de onmiddellijke omgeving daarboven. Van alle kanten overschaduwd door het groen van het woud, lag op de hoogte een meertje, het Lanoetomeer, dat een uitgebranden krater vulde en met zijn donkergroen water een eigenaardig contrast vormde met den lichten, tropischen hemel. Aan den oever zijn door de regeering eenige huisjes neergezet, die de inwoners van Apia, die in den zomer naar een hooggelegen streek wenschen te gaan, bij beurten mogen betrekken. Er was juist een vriendelijk gezin, aan welks disch ik onverhoopt nog eens in de gelegenheid was een goed europeesch middagmaal te genieten.De tocht bergaf bleek veel moeilijker dan bergop. Voor mij was de weg dikwijls in ’t geheel niet te onderscheiden, wij moesten over zware boomstammen en wortels klauteren, waar wij vaak genoeg tusschen bleven steken; dan weer moesten we over glibberige steenen steile hellingen afglijden en op smalle boomstammen balanceeren over kloven.Tegen den avond bereikten wij een dal, dat met een dicht bananenwoud gevuld was; toen kwamen wij in het dorp Sanapoe, waar wij den nacht wilden doorbrengen.Het dorp bestond uit meer dan 50 hutten, ver uiteen liggend tusschen de palmen, en hier en daar glinsterden vijvers en kabbelden een paar beken. In een der nabijgelegen en grootste hutten, die van het hoofd, traden wij binnen, en moesten bukken onder het laag afhangende dak. Bij het algemeene handjesgeven met alle leden der familie hoorde ik, dat het hoofd ter vischvangst was, maar dadelijk zou worden gehaald. Een aantal matten werd vóór een der dikke palen, die het dak steunen, uitgespreid, en tegen den paal leunend, zat ik met gekruiste beenen zoo deftig mogelijk op het dorpshoofd te wachten.Om mij heen ruischten de palmen en broodboomen; tusschen de bijenkorfachtige huizen liepen naakte, bruine gestalten heen en weer; tegenover mij zaten zwijgend de familieleden van het hoofd en achter hen zag ik tusschen de palen van de hut de blauwe Zuidzee en de ondergaande zon.Plotseling traden een aantal meisjes bij ons binnen, en mijn vrome tolk deelde mij mee, dat de “taupo” van het dorp naderbij kwam, om mij te begroeten.Van deze “dorpsjonkvrouwen” had men mij reeds te Apia veel verteld, en ik wist, dat een taupo gewoonlijk het mooiste meisje van het dorp is, dat zij eene representatieve rol speelt en vooral de honneurs heeft waar te nemen voor de gasten van het dorp. Daarvoor bewoont zij het mooiste huis en heeft een heele hofhouding van eveneens ongehuwde, vaak niet meer jonge dames, die haar moeten bedienen en tegelijk voor haar zeer op prijs gestelde deugd hebben te waken.De taupo van Sanapoe droeg een kort, hemdachtig kleed en zeer veel bloemen; ze was een reuzin en leek zeer gespierd. Overigens was zij, afgezien van haar dikke lippen, wel aardig en door haar vriendelijkheid verdween al gauw de eerst een beetje schrikaanjagende indruk. Dadelijk hing ze mij een zware bloemenketen om den hals en ging naast mij zitten, om mij, zoolang ik daar bleef, niet weer te verlaten. De gezelschapsdames zetten zich ter zijde neer.Om dadelijk als een voornaam heer op te treden, liet ik mij mijn bagage brengen en schonk aan de taupo een mooien ring met glazen robijn, en op dergelijke wijze bedacht ik de beide dienstvrouwen, die mij het strengst leken te zijn en verkreeg daardoor ook hare voortdurende hoogachting.Intusschen was het hoofd teruggekomen; er waren nu ongeveer veertig personen aanwezig, en toen begonnen de plechtige toespraken. Mijn brief van Mataafa, dien ik het eerst voor den dag haalde, en dien het hoofd zijn volkje voorlas, scheen grooten indruk te maken.Het hoofd leunde ook tegen een paal en praatte een kwartier lang zachtjes zoo wat vóór zich heen. Zooals ik van mijn tolk vernam, dankte hij mij voor mijn komst, vooral daar ik de eerste Europeaan was, die hem bezocht; het was verder jammer, dat het al zoo laat was; daarom kon hij mij geen waardig feestmaal voorzetten en meer van dien aard. Daarop hield ik eveneens met deftige gebaren een toespraak tot de menigte, door mijn bediende vertolkt, en zoo wisselden wij ongeveer een uur beleefdheden, terwijl allen aandachtig naar onze woorden luisterden.Dadelijk bij de begroeting had het hoofd mij een reuzenkawawortel gebracht, en mijn taupo had er onder de toespraken een drank uit bereid, die mij meer belang inboezemde dan de speeches van het hoofd, vooral omdat ik iets bedenkelijks vond in de wijze van bereiding en twijfel voelde opkomen aan het genot, dat mij van dezen drank uitPiper Methysticumte wachten stond.Eerst spoelde zij zich namelijk den mond, begon toen den wortel klein te kauwen en deponeerde de gekauwde beten in een houten schaal, die met water was gevuld. De brij werd toen geroerd, en eindelijk werden met een stampertje van palmvezels, dat telkens weer werd uitgespoeld, alle vaste bestanddeelen uit de brij verwijderd. Toen wij met de toespraken klaar waren, was ook het product der kauwwerkzaamheidvan mijn taupo gereed. Alle aanwezigen klapten op de maat in de handen, niet om ons, zooals ik eerst met trots meende, hun bijval te betuigen, maar als plechtige inleiding voor den dronk.De taupo vulde een halfdoorgesneden kokosnootschaal met het witte vocht, hief die hoog boven haar hoofd, reikte ze mij met eleganten zwaai, en daar allen mij vol aandacht aankeken, slikte ik het bittere drankje haastig in. Toen kwamen de anderen aan de beurt, zooals een woord van het hoofd hen beurtelings aanwees.Buiten waren intusschen menschen met fakkels bezig, tusschen de hutten zwijnen en kippen op te jagen, om een feestmaal te bereiden, en de vindingrijke hoofdman arrangeerde ter vulling van den tusschentijd gauw een “kerk”, zooals mijn tolk zeide. De plechtigheid bestond uit een kort gezang en ’t voorlezen van een gebed, waaraan de aanwezigen met veel geestdrift deelnamen.Vervolgens werd op groote bladeren het maal opgedragen en in lange rijen werden de lekkernijen vóór mij op den grond gelegd. Daar waren een in zijn geheel gebraden speenvarkentje, gebraden hoenders, visschen, verschillende soorten van kool, broodvruchten, kokosnoten en een menigte andere vruchten. Weer volgde een lange rede van het hoofd, waarin hij mij het maal plechtig overdroeg en zijn spijt betuigde, dat er niet meer was; toen mijn verzekering, dat het schitterend was en dat ik er Mataafa van vertellen zoude, en eindelijk begonnen wij, eerstaanzittenden, te smullen; de anderen moesten wachten op wat wij hun zouden overlaten.Men gaf er de voorkeur aan, met de vingers te eten; maar mij werd het uiterst gemakkelijk gemaakt, want de taupo ondernam hoogst eigenhandig mijne voedering, verwijderde zorgvuldig graten en beentjes uit mijn spijzen en stopte mij de lekkerste hapjes in den mond. Daarna werd er weer kawa bereid, en nu smaakte mij die samoaansche nationale drank reeds beter. Ik ervoer later, dat ook grootere hoeveelheden niet bedwelmen, hoogstens een weinig opwekken als koffie, alleen worden bij volkomen nuchterheid den drinker toch de beenen een beetje zwaar. Kawa is dus eigenlijk een ideale dronk uit het oogpunt van gastvrijheid; men wil den gast er niet door in de war brengen, maar hem wel ’t vermogen benemen om weg te gaan!Daar ik bovendien niet de bedoeling had, weg te gaan, werd de legerstede in gereedheid gebracht en ging men de muskietennetten ophangen, waarvan de Samoanen algemeen gebruik maken.Toen ik daarna van de dorpsjonkvrouw en haar gevolg afscheid nam, maakte dat opvallend weinig indruk; men maakte volstrekt geen aanstalten tot vertrek, en toen ik ten slotte mij toch maar achter mijn muskietennet terugtrok, sloot zich tot mijn groote verbazing de taupo bij mijn terugtocht aan en sloop eveneens onder mijn doorzichtig net, terwijl alle hofdames in een kring dicht om ons heen stonden.Ofschoon deze situatie zeker iets zeer ongewoons was, schikte ik mij in het geval met de redeneering, dat men op reis zich naar de vreemde zeden en gewoonten zooveel mogelijk moet schikken. Zoo liet ik het reuzinnetje zich nuttig maken, liet haar de muggen vangen, die nog onder het net gekomen waren en liet mij door haar met een waaier koelte toewuiven, terwijl altijd een der wakende eeredames op hoogst krenkende wijze toezicht hield. Ik lag gemakkelijk op den vloer, waar matten en een deken op waren uitgespreid, en spoedig hoorde ik nog slechts onduidelijk het ruischen van de branding, ’t suizen van de palmen en het gonzen van onschadelijke muskieten.Toen ik den volgenden morgen wakker werd, zat de taupo reeds met een versche kokosnoot in de hand vóór mij, sloeg die vlug met een steen stuk en verkwikte mij met den koelen inhoud, een natuurlijke vergoeding voor ’t gemis van ijswater.Na een plechtig afscheidswoord vertrok ik, nadat ik met de taupo nog geschenken had gewisseld, waarbij ik een uit boomschors gevlochten deken ontving, en nadat ook het hoofd, behalve mijn dank, een paar lawa-lawa’s had ontvangen. Toen ik hem ten slotte nog met de taupo photografeerde, bereikte zijn voldaanheid het toppunt, en hij was er niet af te brengen, mij nog een eind uitgeleide te doen, fraai aangedaan met een der nieuwe lawa-lawa’s en een mooie, roode parasol, die ik den vorigen avond reeds had opgemerkt, zooals ze midden in de hut als sieraad boven van de zoldering neerhing.De weg langs de zee was even mooi en aangenaam, als hij gisteren in het binnenland warm en inspannend geweest was. Steeds liep hij langs het strand onder de hooge, ruischende palmen; rechts hadden wij de schitterende, effen zee en altijd koelde een lichte zeewind onze slapen, zoodat men zich geen heerlijker wandeling kan voorstellen.Een diep in het land dringende baai staken wij over met een boot van het hoofd, zulk een smal vaartuig met uitslaande bladen, die er met haken aan verbonden zijn en ’t schommelen beletten moeten; maar toch kostte het mij een paar onvrijwillige baden, vóór ik geleerd had, elke beweging, hoe gering ook, te vermijden, omdat dan telkens de kano omslaat.In de langs den oever liggende dorpen vielen de vele groote, steenen kerken in het oog; op elke 40 hutten was er wel één kerk, blijkbaar een veel te zware uitgaaf voor deze menschen, die zoo weinig bezitten en zoo weinig behoeften hebben.Het was juist Zondag, en alle kerken waren gevuld met Samoanen in half europeesche, leelijke zendingspakjes; als geestelijken deden veelal samoaansche zendelingleerlingen dienst.Mijn tolk, die ook zulk een post als ideaal zich voor oogen had gesteld, zou eigenlijk vandaag rustdag hebben willen houden, daar een vroom Samoaan des Zondags alleen zijn huis mag verlaten, om ter kerk te gaan en van ’s morgens tot ’s avonds in den bijbel moet lezen. Doch dit hielp hem bij mij niet hoewel ik toch ’s middags rust liet houden, toen ik het dorp Sioeme had bereikt.Door het hoofd Atanoa, een imponeerende verschijning met een verstandig gezicht, en de dikke taupo Antoa werd ik precies op dezelfde wijze ontvangen als den vorigen dag in Sanapoe. Een vaste uitdrukking schijnt te wezen, dat het jammer is, zoo weinigbeschikbaar te hebben, wat goed genoeg is voor den gast, terwijl dan dadelijk daarna een weelderig maal wordt opgedischt.Kinderspel op de Samoa-eilanden.Kinderspel op de Samoa-eilanden.Ik had den volgenden dag eigenlijk tot Salany willen gaan, maar even te voren, in het dorp Faleoeloe, trof ik zulk een aardige kleine taupo van twaalf jaar, dat ik besloot, mij liever aan haar zorgen toe te vertrouwen. Spoedig verloor het aardig kind haar aanvankelijke bedeesdheid; zij voederde mij met ambitie en vertelde met een blosje, voorzooverdat bij haar huidskleur mogelijk is, dat ze heel mooi kon dansen.Ik knoopte dien wenk in mijn oor, om het hoofd te verzoeken, ’s avonds een siva, feest met nationale dansen, te geven. Bij zoo’n genoegen in ’t vooruitzicht was het natuurlijk te vergeefs, dat het hoofd van Salany in eigen persoon met een reusachtigen kawawortel uit zijn dorp overkwam met verzoek, toch bij hem te komen, daar Mataafa wel eens denken kon, dat hij mij niet had willen opnemen. Ik stelde den man gerust, verzekerde, dat ik overtuigd was van zijn goede bedoeling, maar liet mij niet overhalen, mijn kleine taupo te verlaten en haar dansen niet te bewonderen.Na een half uur van toilet maken verscheen mijn vriendinnetje met haar dienstvrouwen in feestkleedij. Wel was dit toilet meer negatief dan positief, want het bestond bijna alleen uit den glans van het kokosvet, waarmee het geheele lichaam ingesmeerd was, en uit bloemen en kransen.Samoaansche kinderen aan het strand.Samoaansche kinderen aan het strand.De dans zelf maakt geen diepen indruk, als men hem voor ’t eerst ziet uitvoeren. Eerst zitten de deelnemers allen naast elkaâr op den grond en bewegen de armen en het hoofd op de maat; dan gaan enkelen opstaan en dansen stilstaande, waarbij de meisjes ’t handgewricht buigen en de mannen bewegingen van dieren nadoen.Den volgenden dag zette ik den prettigen weg langs de kust voort tot Amaile, het grootste dorp van het district Aleipata, waar ik door het hoofd op een feest werd genoodigd. Wij hadden er een overvloed van allerlei heerlijks, drie varkens, een groot aantal kippen en allerlei lekkernijen, en de siva of danspartij ontbrak niet. Bij het dorp, waar Mataafa woonde, verlieten wij de zuidkust, om door het oerwoud weer aan de noordkust uit te komen, die veel armoediger is. Hier en daar maakten wij van booten gebruik voor zeetochtjes. In Talefa zag ik nog een aardig tooneel van badende samoaansche kinderen aan het strand, en denzelfden avond wachtte mij een aangename verrassing, want in het huis van het hoofd had men bij mijn aankomst een stoel en tafel, die hoog onder het dak opgehangen waren, voor mij naar beneden gehaald, en men bewees mij door die voortbrengselen der beschaving, dat ik dat deel van Apia weer bereikt had, waar de europeesche invloed zich doet gelden.1Tekst en illustraties ontleend aan Ernst Weber,Vom Ganges zum Amazonenstrom,Berlin,Dietrich Reimer(Ernst Vohsen).

Visschende vrouwen aan de zuidkust van Oepoloe.Visschende vrouwen aan de zuidkust vanOepoloe.

Visschende vrouwen aan de zuidkust vanOepoloe.

Na een korten marsch waren wij reeds in hetoerwoud. De weg was zoo smal, dat er juist voor één mensch plaats was en leidde meestal steil omhoog. Wij vergoten, trots het vroege uur, bij dit stijgen stroomen van zweet, want de boomen om ons heen stonden zoo dicht in blad, dat wij ons in diepe duisternis bevonden en de verfrisschende zeewind ons niet kon afkoelen. De plantengroei was heerlijk. Palmen van vele soorten, varens van tien meter hoog stonden naast broodvrucht- en mangoboomen, omkranst door dikke slingerplanten. Mijn dragers braken druk stukken af van de suikerrietplanten op zij van den weg en verkwikten zich door ’t sappig hout te kauwen, terwijl ik mij meer aan kokosnoten en bananen hield.

Eenige heldere beken, die wij moesten passeeren, boden de altijd weer met vreugd begroete gelegenheid tot het nemen van een bad, waarvoor men immers niet eerst veel kleêren behoefde af te leggen, en na bijna vijf uren bereikten wij het hoogste punt van de bergketen, 2000 voet boven de zee.

Prachtig was het uitzicht op de haven van Apia diep beneden ons en over de schitterende Zuidzee met de andere samoaansche eilanden in de verte; maar mooi was ook de onmiddellijke omgeving daarboven. Van alle kanten overschaduwd door het groen van het woud, lag op de hoogte een meertje, het Lanoetomeer, dat een uitgebranden krater vulde en met zijn donkergroen water een eigenaardig contrast vormde met den lichten, tropischen hemel. Aan den oever zijn door de regeering eenige huisjes neergezet, die de inwoners van Apia, die in den zomer naar een hooggelegen streek wenschen te gaan, bij beurten mogen betrekken. Er was juist een vriendelijk gezin, aan welks disch ik onverhoopt nog eens in de gelegenheid was een goed europeesch middagmaal te genieten.

De tocht bergaf bleek veel moeilijker dan bergop. Voor mij was de weg dikwijls in ’t geheel niet te onderscheiden, wij moesten over zware boomstammen en wortels klauteren, waar wij vaak genoeg tusschen bleven steken; dan weer moesten we over glibberige steenen steile hellingen afglijden en op smalle boomstammen balanceeren over kloven.

Tegen den avond bereikten wij een dal, dat met een dicht bananenwoud gevuld was; toen kwamen wij in het dorp Sanapoe, waar wij den nacht wilden doorbrengen.

Het dorp bestond uit meer dan 50 hutten, ver uiteen liggend tusschen de palmen, en hier en daar glinsterden vijvers en kabbelden een paar beken. In een der nabijgelegen en grootste hutten, die van het hoofd, traden wij binnen, en moesten bukken onder het laag afhangende dak. Bij het algemeene handjesgeven met alle leden der familie hoorde ik, dat het hoofd ter vischvangst was, maar dadelijk zou worden gehaald. Een aantal matten werd vóór een der dikke palen, die het dak steunen, uitgespreid, en tegen den paal leunend, zat ik met gekruiste beenen zoo deftig mogelijk op het dorpshoofd te wachten.

Om mij heen ruischten de palmen en broodboomen; tusschen de bijenkorfachtige huizen liepen naakte, bruine gestalten heen en weer; tegenover mij zaten zwijgend de familieleden van het hoofd en achter hen zag ik tusschen de palen van de hut de blauwe Zuidzee en de ondergaande zon.

Plotseling traden een aantal meisjes bij ons binnen, en mijn vrome tolk deelde mij mee, dat de “taupo” van het dorp naderbij kwam, om mij te begroeten.

Van deze “dorpsjonkvrouwen” had men mij reeds te Apia veel verteld, en ik wist, dat een taupo gewoonlijk het mooiste meisje van het dorp is, dat zij eene representatieve rol speelt en vooral de honneurs heeft waar te nemen voor de gasten van het dorp. Daarvoor bewoont zij het mooiste huis en heeft een heele hofhouding van eveneens ongehuwde, vaak niet meer jonge dames, die haar moeten bedienen en tegelijk voor haar zeer op prijs gestelde deugd hebben te waken.

De taupo van Sanapoe droeg een kort, hemdachtig kleed en zeer veel bloemen; ze was een reuzin en leek zeer gespierd. Overigens was zij, afgezien van haar dikke lippen, wel aardig en door haar vriendelijkheid verdween al gauw de eerst een beetje schrikaanjagende indruk. Dadelijk hing ze mij een zware bloemenketen om den hals en ging naast mij zitten, om mij, zoolang ik daar bleef, niet weer te verlaten. De gezelschapsdames zetten zich ter zijde neer.

Om dadelijk als een voornaam heer op te treden, liet ik mij mijn bagage brengen en schonk aan de taupo een mooien ring met glazen robijn, en op dergelijke wijze bedacht ik de beide dienstvrouwen, die mij het strengst leken te zijn en verkreeg daardoor ook hare voortdurende hoogachting.

Intusschen was het hoofd teruggekomen; er waren nu ongeveer veertig personen aanwezig, en toen begonnen de plechtige toespraken. Mijn brief van Mataafa, dien ik het eerst voor den dag haalde, en dien het hoofd zijn volkje voorlas, scheen grooten indruk te maken.

Het hoofd leunde ook tegen een paal en praatte een kwartier lang zachtjes zoo wat vóór zich heen. Zooals ik van mijn tolk vernam, dankte hij mij voor mijn komst, vooral daar ik de eerste Europeaan was, die hem bezocht; het was verder jammer, dat het al zoo laat was; daarom kon hij mij geen waardig feestmaal voorzetten en meer van dien aard. Daarop hield ik eveneens met deftige gebaren een toespraak tot de menigte, door mijn bediende vertolkt, en zoo wisselden wij ongeveer een uur beleefdheden, terwijl allen aandachtig naar onze woorden luisterden.

Dadelijk bij de begroeting had het hoofd mij een reuzenkawawortel gebracht, en mijn taupo had er onder de toespraken een drank uit bereid, die mij meer belang inboezemde dan de speeches van het hoofd, vooral omdat ik iets bedenkelijks vond in de wijze van bereiding en twijfel voelde opkomen aan het genot, dat mij van dezen drank uitPiper Methysticumte wachten stond.

Eerst spoelde zij zich namelijk den mond, begon toen den wortel klein te kauwen en deponeerde de gekauwde beten in een houten schaal, die met water was gevuld. De brij werd toen geroerd, en eindelijk werden met een stampertje van palmvezels, dat telkens weer werd uitgespoeld, alle vaste bestanddeelen uit de brij verwijderd. Toen wij met de toespraken klaar waren, was ook het product der kauwwerkzaamheidvan mijn taupo gereed. Alle aanwezigen klapten op de maat in de handen, niet om ons, zooals ik eerst met trots meende, hun bijval te betuigen, maar als plechtige inleiding voor den dronk.

De taupo vulde een halfdoorgesneden kokosnootschaal met het witte vocht, hief die hoog boven haar hoofd, reikte ze mij met eleganten zwaai, en daar allen mij vol aandacht aankeken, slikte ik het bittere drankje haastig in. Toen kwamen de anderen aan de beurt, zooals een woord van het hoofd hen beurtelings aanwees.

Buiten waren intusschen menschen met fakkels bezig, tusschen de hutten zwijnen en kippen op te jagen, om een feestmaal te bereiden, en de vindingrijke hoofdman arrangeerde ter vulling van den tusschentijd gauw een “kerk”, zooals mijn tolk zeide. De plechtigheid bestond uit een kort gezang en ’t voorlezen van een gebed, waaraan de aanwezigen met veel geestdrift deelnamen.

Vervolgens werd op groote bladeren het maal opgedragen en in lange rijen werden de lekkernijen vóór mij op den grond gelegd. Daar waren een in zijn geheel gebraden speenvarkentje, gebraden hoenders, visschen, verschillende soorten van kool, broodvruchten, kokosnoten en een menigte andere vruchten. Weer volgde een lange rede van het hoofd, waarin hij mij het maal plechtig overdroeg en zijn spijt betuigde, dat er niet meer was; toen mijn verzekering, dat het schitterend was en dat ik er Mataafa van vertellen zoude, en eindelijk begonnen wij, eerstaanzittenden, te smullen; de anderen moesten wachten op wat wij hun zouden overlaten.

Men gaf er de voorkeur aan, met de vingers te eten; maar mij werd het uiterst gemakkelijk gemaakt, want de taupo ondernam hoogst eigenhandig mijne voedering, verwijderde zorgvuldig graten en beentjes uit mijn spijzen en stopte mij de lekkerste hapjes in den mond. Daarna werd er weer kawa bereid, en nu smaakte mij die samoaansche nationale drank reeds beter. Ik ervoer later, dat ook grootere hoeveelheden niet bedwelmen, hoogstens een weinig opwekken als koffie, alleen worden bij volkomen nuchterheid den drinker toch de beenen een beetje zwaar. Kawa is dus eigenlijk een ideale dronk uit het oogpunt van gastvrijheid; men wil den gast er niet door in de war brengen, maar hem wel ’t vermogen benemen om weg te gaan!

Daar ik bovendien niet de bedoeling had, weg te gaan, werd de legerstede in gereedheid gebracht en ging men de muskietennetten ophangen, waarvan de Samoanen algemeen gebruik maken.

Toen ik daarna van de dorpsjonkvrouw en haar gevolg afscheid nam, maakte dat opvallend weinig indruk; men maakte volstrekt geen aanstalten tot vertrek, en toen ik ten slotte mij toch maar achter mijn muskietennet terugtrok, sloot zich tot mijn groote verbazing de taupo bij mijn terugtocht aan en sloop eveneens onder mijn doorzichtig net, terwijl alle hofdames in een kring dicht om ons heen stonden.

Ofschoon deze situatie zeker iets zeer ongewoons was, schikte ik mij in het geval met de redeneering, dat men op reis zich naar de vreemde zeden en gewoonten zooveel mogelijk moet schikken. Zoo liet ik het reuzinnetje zich nuttig maken, liet haar de muggen vangen, die nog onder het net gekomen waren en liet mij door haar met een waaier koelte toewuiven, terwijl altijd een der wakende eeredames op hoogst krenkende wijze toezicht hield. Ik lag gemakkelijk op den vloer, waar matten en een deken op waren uitgespreid, en spoedig hoorde ik nog slechts onduidelijk het ruischen van de branding, ’t suizen van de palmen en het gonzen van onschadelijke muskieten.

Toen ik den volgenden morgen wakker werd, zat de taupo reeds met een versche kokosnoot in de hand vóór mij, sloeg die vlug met een steen stuk en verkwikte mij met den koelen inhoud, een natuurlijke vergoeding voor ’t gemis van ijswater.

Na een plechtig afscheidswoord vertrok ik, nadat ik met de taupo nog geschenken had gewisseld, waarbij ik een uit boomschors gevlochten deken ontving, en nadat ook het hoofd, behalve mijn dank, een paar lawa-lawa’s had ontvangen. Toen ik hem ten slotte nog met de taupo photografeerde, bereikte zijn voldaanheid het toppunt, en hij was er niet af te brengen, mij nog een eind uitgeleide te doen, fraai aangedaan met een der nieuwe lawa-lawa’s en een mooie, roode parasol, die ik den vorigen avond reeds had opgemerkt, zooals ze midden in de hut als sieraad boven van de zoldering neerhing.

De weg langs de zee was even mooi en aangenaam, als hij gisteren in het binnenland warm en inspannend geweest was. Steeds liep hij langs het strand onder de hooge, ruischende palmen; rechts hadden wij de schitterende, effen zee en altijd koelde een lichte zeewind onze slapen, zoodat men zich geen heerlijker wandeling kan voorstellen.

Een diep in het land dringende baai staken wij over met een boot van het hoofd, zulk een smal vaartuig met uitslaande bladen, die er met haken aan verbonden zijn en ’t schommelen beletten moeten; maar toch kostte het mij een paar onvrijwillige baden, vóór ik geleerd had, elke beweging, hoe gering ook, te vermijden, omdat dan telkens de kano omslaat.

In de langs den oever liggende dorpen vielen de vele groote, steenen kerken in het oog; op elke 40 hutten was er wel één kerk, blijkbaar een veel te zware uitgaaf voor deze menschen, die zoo weinig bezitten en zoo weinig behoeften hebben.

Het was juist Zondag, en alle kerken waren gevuld met Samoanen in half europeesche, leelijke zendingspakjes; als geestelijken deden veelal samoaansche zendelingleerlingen dienst.

Mijn tolk, die ook zulk een post als ideaal zich voor oogen had gesteld, zou eigenlijk vandaag rustdag hebben willen houden, daar een vroom Samoaan des Zondags alleen zijn huis mag verlaten, om ter kerk te gaan en van ’s morgens tot ’s avonds in den bijbel moet lezen. Doch dit hielp hem bij mij niet hoewel ik toch ’s middags rust liet houden, toen ik het dorp Sioeme had bereikt.

Door het hoofd Atanoa, een imponeerende verschijning met een verstandig gezicht, en de dikke taupo Antoa werd ik precies op dezelfde wijze ontvangen als den vorigen dag in Sanapoe. Een vaste uitdrukking schijnt te wezen, dat het jammer is, zoo weinigbeschikbaar te hebben, wat goed genoeg is voor den gast, terwijl dan dadelijk daarna een weelderig maal wordt opgedischt.

Kinderspel op de Samoa-eilanden.Kinderspel op de Samoa-eilanden.

Kinderspel op de Samoa-eilanden.

Ik had den volgenden dag eigenlijk tot Salany willen gaan, maar even te voren, in het dorp Faleoeloe, trof ik zulk een aardige kleine taupo van twaalf jaar, dat ik besloot, mij liever aan haar zorgen toe te vertrouwen. Spoedig verloor het aardig kind haar aanvankelijke bedeesdheid; zij voederde mij met ambitie en vertelde met een blosje, voorzooverdat bij haar huidskleur mogelijk is, dat ze heel mooi kon dansen.

Ik knoopte dien wenk in mijn oor, om het hoofd te verzoeken, ’s avonds een siva, feest met nationale dansen, te geven. Bij zoo’n genoegen in ’t vooruitzicht was het natuurlijk te vergeefs, dat het hoofd van Salany in eigen persoon met een reusachtigen kawawortel uit zijn dorp overkwam met verzoek, toch bij hem te komen, daar Mataafa wel eens denken kon, dat hij mij niet had willen opnemen. Ik stelde den man gerust, verzekerde, dat ik overtuigd was van zijn goede bedoeling, maar liet mij niet overhalen, mijn kleine taupo te verlaten en haar dansen niet te bewonderen.

Na een half uur van toilet maken verscheen mijn vriendinnetje met haar dienstvrouwen in feestkleedij. Wel was dit toilet meer negatief dan positief, want het bestond bijna alleen uit den glans van het kokosvet, waarmee het geheele lichaam ingesmeerd was, en uit bloemen en kransen.

Samoaansche kinderen aan het strand.Samoaansche kinderen aan het strand.

Samoaansche kinderen aan het strand.

De dans zelf maakt geen diepen indruk, als men hem voor ’t eerst ziet uitvoeren. Eerst zitten de deelnemers allen naast elkaâr op den grond en bewegen de armen en het hoofd op de maat; dan gaan enkelen opstaan en dansen stilstaande, waarbij de meisjes ’t handgewricht buigen en de mannen bewegingen van dieren nadoen.

Den volgenden dag zette ik den prettigen weg langs de kust voort tot Amaile, het grootste dorp van het district Aleipata, waar ik door het hoofd op een feest werd genoodigd. Wij hadden er een overvloed van allerlei heerlijks, drie varkens, een groot aantal kippen en allerlei lekkernijen, en de siva of danspartij ontbrak niet. Bij het dorp, waar Mataafa woonde, verlieten wij de zuidkust, om door het oerwoud weer aan de noordkust uit te komen, die veel armoediger is. Hier en daar maakten wij van booten gebruik voor zeetochtjes. In Talefa zag ik nog een aardig tooneel van badende samoaansche kinderen aan het strand, en denzelfden avond wachtte mij een aangename verrassing, want in het huis van het hoofd had men bij mijn aankomst een stoel en tafel, die hoog onder het dak opgehangen waren, voor mij naar beneden gehaald, en men bewees mij door die voortbrengselen der beschaving, dat ik dat deel van Apia weer bereikt had, waar de europeesche invloed zich doet gelden.

1Tekst en illustraties ontleend aan Ernst Weber,Vom Ganges zum Amazonenstrom,Berlin,Dietrich Reimer(Ernst Vohsen).

1Tekst en illustraties ontleend aan Ernst Weber,Vom Ganges zum Amazonenstrom,Berlin,Dietrich Reimer(Ernst Vohsen).


Back to IndexNext