[Inhoud]XVII.ONDERZOEKINGSTOCHTEN OP DEN DONAU.Hongarije is en blijft het land van belofte voor den vogelkenner. Gunstiger gelegen dan eenig ander land van ons werelddeel, tusschen de Noordzee en de Zwarte zee, tusschen de Oostzee en de Middellandsche zee, tusschen de Alpen en de groote Germaansch-Russische laagvlakte, het noorden en het zuiden,—steppen en gebergten, bosschen, groote rivieren en moerassen in zich sluitende,—schenkt het aan standvogels zoowel als aan strijk- en trekvogels, de grootste voordeelen en aantrekkelijkheden, en om deze reden vertoont Hongarije een rijkdom aan vogels, gelijk wellicht geen ander land van ons werelddeel. De meesterlijke beschrijvingen van dien rijkdom, aan de pen onzer uitstekendste geleerden ontvloeid, dragen er niet weinig toe bij om in ’t hart van alle vogelkundigen een heimelijk verlangen naar Hongarije op te wekken. Maar vreemd:—het schoone, rijke land ligt zoo nabij en wordt toch zeer zelden door Duitschers bezocht.Ook ik had alleen zijn hoofdstad gezien en dan nog zooveel als men van uit een spoortrein kan waarnemen; steeds sterker werd in mij het verlangen, dat heimwee, van hetwelk ik zooeven gewaagde. Dat verlangen zou bevredigd worden, maar om spoedig daarna weder vuriger te ontwaken. „Niemand wandelt ongestraft onder palmen” en geen vogelminnaar verwijlt eenige Meidagen in deFruškagorazonder later een hartstochtelijk verlangen in zich te voelen opkomen, die dreven weder te zien.„Wilt gij mij,” zoo vroeg mij eens mijn hooge beschermer, kroonprinsRudolf, „naar het zuiden van Hongarije op de arendjacht vergezellen? Ik heb stellige berichten omtrent twintig adelaarsnesten, en ik vertrouw, dat wij allen onze kennis veel zullen vermeerderen, wanneer wij deze nesten opzoeken en tevens vlijtig waarnemen.”Twintig adelaarsnesten.Men moet jarenlang op de kale aardkluiten van Noord-Duitschland geketend zijn geweest, men moet zich daarbij[462]de heerlijke ontmoetingen van bereisde vogelkenners voor den geest kunnen roepen,—en in beide gevallen verkeerde ik—om zich de vreugde te kunnen voorstellen, waarmede ik dit aanbod aannam.Twintig adelaarsnesten, op geen grooten afstand van Weenen, op geringen afstand van Pest; ik zou niet mijns vaders naam hebben moeten dragen, om hierbij onverschillig te blijven! Tot uren werden de dagen, die onder allerlei toebereidselen voorbijvlogen, en tot weken werden ze door het ongeduld, met hetwelk ik naar de afreis verlangde.Het was een klein, maar opgeruimd, hoopvol jacht- en werklustig reisgezelschap, dat op Paaschmaandag van het jaar 1878 uit Weenen vertrok. Behalve onze aanzienlijke jachtheer en diens doorluchtige zwager bevonden zich nog de opperhofmeester Graaf Bombelles, Eugenius von Homeijer en ik als verdere jachtgenooten op de snelle en behagelijke boot, die ons een dag later, van Pest uit, op de golven van den „blonden” Donau stroomafwaarts voerde. Door de morgenzon bestraald en overgoten met het waas der lente lag de trotsche keizersburg van Ofen voor ons; in ’t eerste voorjaarsgroen prijkten de tuinen van den Bloxberg, toen wij in het vroege morgenuur afscheid namen van de hoofdstad van Hongarije.Noch met den Rijn, noch met den bovenloop, ook niet met den benedenloop van den Donau laat zich het stuk dezer rivier vergelijken, dat wij bereisden. Weinige kilometer reeds beneden de tweelingsteden worden de oevers vlak; spoedig krimpen de bergen aan den rechteroever in tot onzichtbare heuvels, en slechts in de blauw-nevelige verte aanschouwt het oog nog de zacht golvende lijnen van matig hooge bergen. Aan den linkeroever breidt zich eene onmetelijke vlakte uit. Onafzienbaar, zonder afwisseling, gelijkvormig en eentonig ligt zij daar; zelfs de daarin verspreid liggende, aanzienlijke dorpen brengen in die eentonigheid nauwelijks eene geringe afwisseling. Hier en daar ziet men een herder leunen op zijn zwaren staf; geen vrome schaapjes zijn echter aan zijn hoede toevertrouwd, maar knorrende borsteldragers, die gezellig rondom den door de zon gebruinden man staan, of in behagelijke rust nabij hem zijn gelegerd. Om den poel, die bij dezen hoogen waterstand geheel vol is geloopen, beschrijft de kievit wijde kringen; over de breede vlakte zwenkt de blauwe kuikendief; voor hunne, in de steile oeverwanden gegraven nestholten zweven de oeverzwaluwen[463]heen en weder; op de met hout beschoten daken der talrijke scheepsmolens trippelen sierlijke kwikstaartjes op en neêr; uit de rivier verheffen zich kwakende eenden en aalscholvers; boven het water vliegen en zwenken wouwen en bonte kraaien. Zoo ongeveer is het beeld van dit landschap.Weldra evenwel komt daarin verandering. Nog effener wordt de vlakte, die de stroom zich zelf eenmaal schiep en die hij thans uitdiept. Over uitgestrekte, nog niet ingedijkte, en daarom door elken hoogen vloed overstroomde vlakten verdeelt hij zich in een aantal, geen afzonderlijke namen dragende armen. Welig opgeschoten hout bedekt de oevers en eilanden; dicht begroeide oeverzoomen weren den blik in ’t inwendige dezer oerwouden, welke zich mijlen ver langs den horizon uitstrekken. In weêrwil der eentonigheid ontstaan en verdwijnen toch afwisselende tooneelen, vormen deze zich, verschuiven ze en worden ze opgelost, al naar ons vaartuig met den stroom eene andere richting aanneemt. Wilgen, abeelen, zilverpeppels en zwarte populieren, olmen en eiken, de eerstgenoemde het meest, de laatstgenoemde meer spaarzaam, vormen den inhoud. Hooge, oude wilgen steken boven den dichten, bijna uitsluitend uit boomen derzelfde soort bestaanden oeverzoom uit; dieper naar binnen rijzen zilverpopulieren en zwarte populieren met hunne heerlijke kronen omhoog, of steken oude, knoestige eiken de dorre takken in de lucht. Met eenen enkelen blik overziet men een geheel leven, van het uitspruitend wilgenrijsje af tot den afstervenden boomreus; ontspruitende, ontkiemende, opgroeiende, in vollen wasdom prijkende struiken en boomgewas, dorre kruinen, door hemel- en aardsch vuur gevallen en half verbrande, op den grond liggende en vermolmende stammen. Daartusschen blinken stilstaande of stroomende wateren, daarboven welft zich de lucht. Uit het geheimzinnig duister klinkt de slag van den nachtegaal, van den vink, het gezang van den in liederen rijken zanglijster, gilt de valk, schreeuwt de arend, lacht de specht, krast de raaf, krijscht de reiger. Nu en dan speurt men eene minder dichte plaats in het bosch, een nog niet weder dicht gegroeide, gevelde plek, die een blik veroorlooft op het daarachter gelegen landschap, op de uitgestrekte vlakte van den rechteroever en den haar begrenzenden heuvelzoom, op schier eindelooze akkers, op een dorp, op eene stad. In den zomer, wanneer het groen van één tint is, in den naherfst, in den winter en het voorjaar, wanneer de boomen bladerloos staan, moge dit oeverlandschap vermoeien,[464]nu moge het ook eentonig schijnen, maar het is in werkelijkheid bekoorlijk; alle populieren en wilgen prijken thans met hun jeugdig, frisch groen, velen met den dos hunner bloemen en zoo zien de bosschen er, althans hier en daar, werkelijk teekenachtig uit.Op weinige plaatsen zijn deze bosschen toegankelijk, omdat zij hoofdzakelijk slechts een onafgebroken moeras vormen. Tracht men, nu eens langs droge wegen, dan eens langs en op het water tot het inwendige door te dringen, men stuit al spoedig op eene wildernis, gelijk men ze b.v. in Duitschland niet kent. Op de hoogst gelegen plaatsen, daar, waar zich een vette, gedeeltelijk slijkerige grond bevindt, wordt men nog eenigszins aan Duitsche bosschen herinnerd. Hier ligt wel is waar een weelderig, sappig groen, met witte, geurige lelietjes van dalen getooid tapijt ver in ’t rond uitgespreid; maar ook hier groeien welig opschietende brandnetels en bramen in zulk eene hoeveelheid, en doorvlechten zij de aldaar voorkomende klimplanten zoo volkomen, dat het ons onmogelijk wordt verder door te dringen. Op andere plaatsen wordt het woud letterlijk tot een meer, uit hetwelk de reuzenboomen omhoog stijgen. Zware stammen, door ouderdom, storm, bliksem of ’t lichtvaardig vuur van den herder geveld, liggen rottend in het water en verstrekken dikwijls reeds tot voedsel voor jong opgeschoten heesters, die daaruit opgroeien; andere, minder vergaan, versperren den weg. Afgevallen hout, dikke takken en dunne, door den wind bijeengehoopte twijgjes vormen drijvende eilandjes en landtongen, die zoowel kleine bootjes in hunne vaart hinderen, als den wandelaar, die wadend den weg vervolgt. Dergelijke, soms vrij groote, drijvende eilanden, uit riet en bies samengesteld, vormen een onzeker, niet te vertrouwen dek. Boven den waterspiegel oprijzende kleibanken, op welke de zaden van wilgen en populieren een vruchtbaren bodem vonden, zijn dicht met genoemde boomsoorten begroeid en betwisten zelfs den grond aan de rietbosschen, die oppervlakten innemen van meer dan eene vierkante geografische mijl. Dwergwilgen, hier jeugdig en frisch, daar grijs van ouderdom, zien er in de verte uit als donkere plekken in dat rietbosch. Wat het donkere woud met zijn moerassen en dicht geboomte, wat het riet herbergt, zulks blijft voor het zoekend oog des waarnemers meerendeels verborgen; alleen de rand dezer wildernissen ligt voor hem bloot, het breede vaarwater is de eenige hem toegankelijke weg.In zulke oorden begonnen wij onze jacht, die eerst op de beheerschers der lucht was gemunt. Deze, de arenden, kwamen ons op den[465]eersten reisdag echter nog niet onder schot, zelfs niet onder onze oogen; in vergoeding hiervoor bezochten wij echter het reeds jarenlang beroemde reigereilandAdonyen hier hadden wij ruimschoots gelegenheid om het leven van genoemde vogels in den broeitijd te leeren kennen. In de hooge boomen van dit eiland nestelen sedert twee menschenleeftijden, te midden van daar veel langer reeds verblijf houdende roeken, eene menigte reigers en schollevaars, en al moge ook in de laatste dertig jaren het aantal van laatstgenoemde vogels zeer zijn verminderd, verdwenen zijn zij nog niet. Voor veertig jaren nestelden hier volgensLandbeck, ongeveer duizend paren kwakken, tweehonderd en vijftig paren blauwe reigers, vijftig paren kleine zilverreigers en honderd paren schollevaars; heden zijn wederom de roeken het talrijkst, en hun aantal kan op 1500 à 2000 paren gesteld worden; de blauwe reigers echter zijn tot op ongeveer 150, de kwakken tot op 50 à 40 paren versmolten, terwijl de kleine zilverreigers geheel verdwenen zijn, maar de schollevaars komen er nog even talrijk voor als vroeger. Toch klonk ons nog een nagalm uit het voormalig leven in de ooren, toen wij het eiland betraden, en in sommige deelen vertoont het bosch nog vrij wel het oude beeld.Oogenschijnlijk leven die gemengde vogelscharen in volkomen eendracht samen, maar werkelijk zijn vrede en vriendschap hier verre. De eene vogel verontrust of helpt, brandschat of voedt den ander. In de kolonies der roeken laten zich de reigers neder om vrij te zijn van den nestbouw; de eersten slepen de takken samen en bouwen de nesten, de laatsten verdrijven de roeken van het nest, om zich òf het nest zelf, òf de materialen toe te eigenen; nu komen de aalscholvers om wederom de reigers den roof te ontnemen en hier ten slotte de beheerschers en gebieders van den staat te blijven. Maar neen, ook deze dieven en roovers worden op hunne beurt beroofd en bestolen, want kraaien en wouwen, welke laatste vogels nimmer in zulk eene kolonie ontbreken, voeden zich zelf en hunne jongen voor een goed deel met de visschen, die de reigers en aalscholvers naar hunne nesten hadden gesleept.De eerste ontmoeting dezer verschillende broedvogels is van vijandelijken aard. Hevige gevechten hebben plaats, en de tienmaal overwonnene opent voor de elfde maal den strijd, alvorens zich bij het onvermijdelijke neêr te leggen. Mettertijd evenwel komt er verbetering in den toestand; men begint op te merken, dat uit het samenwonen ook[466]voordeelen ontspruiten en dat er voor vredelievende buren ruimte genoeg overblijft. Wel is waar heerscht er ook nu nog geen volmaakte rust en vrede, maar de felle strijd tusschen de verschillende soorten wijkt voor meer dragelijke toestanden. Men wordt aan elkander gewoon en maakt zich de werkzaamheid van zijne tegenpartij zooveel mogelijk ten nutte. Ja, het komt wel eens voor, dat de beroofde den roover, wanneer deze in de noodzakelijkheid komt zijn broedplaats elders op te slaan, herwaarts volgt.Zulk een gemengde reigerkolonie levert inderdaad een aantrekkelijk gezicht op. „Een boeiender en fraaier tooneel, rijker in afwisseling,” zegt Baldamus, „dan deze Hongaarsche moerassen met hare vogelenwereld, die zich gelijkelijk onderscheidt door het aantal individuen als door verscheidenheid in kleur en vorm, kan men zich bezwaarlijk denken. Men beschouwe slechts de meest merkwaardige dezer moerasbewoners in een museum, en denke zich dan deze dieren staande, stappende, loopende, klimmende, vliegende, kortom,levend, en men zal moeten toegeven, dat het vogelleven hier onbeschrijfelijk aantrekkelijk is.” Deze teekening is ook dan nog juist, wanneer men haar toepast op het verarmde eiland Adony. Hoe gedund ook de eens zoo rijke bevolking zij, nog altijd bestaat zij uit duizenden en nog eens duizenden individuen. Ver in het rond draagt iedere boom des wouds nesten, sommige van twintig tot dertig stuks, en om deze verdringt en beweegt zich het levendige volkje der zoo onderscheiden kolonisten. De broeiende wijfjes der roeken, blauwe reigers, kwakken en aalscholvers zitten op de nesten, en gluren met haar donkere, zwavelgele, bloedroode, of zeegroene oogen naar den rustverstoorder, die haar heiligdom betreedt; op de hoogste takken der reuzenboomen zitten of klauteren, daarboven fladderen, vliegen en zweven allerlei zwarte, bruine, grijze, één- en bontkleurige, doffe en glinsterende vogelgedaanten; wouwen beschrijven daarboven hun kringen; tegen de stammen hangen en werken de spechten; in de bloesems van een pereboom zoeken gladde, vlugge grasmusschen, in de toppen der reeds bebladerde vogelkersen vinken en boschzangers hun dagelijksch brood. Het heerlijke tapijt van lelietjes van dalen is hier en daar bevuild en bemorst door de uitwerpselen der vogels, ontsierd door gebroken eieren en de uit het nest gevallen, half vergane visschen.Het eerste schot uit het geweer van onzen jachtheer roept eene onbeschrijfelijke verwarring in ’t leven. Schreeuwend verheffen zich de[467]opgeschrikte reigers, oorverdoovend krassen de kraaien; boos grommend verlaten ook de aalscholvers hun nesten. Een wolk van vogels zweeft over het bosch, drijft heen en weder, op en neêr, breidt een schaduw uit over de boomkruinen, spreidt zich in afzonderlijke vlokken uiteen, die langzaam naar de zooeven verlaten nesten nederdalen, deze eene poos omzweven en aan ’t oog onttrekken, om daarna weder met de hoofdmassa ineen te smelten. Het is een geschreeuw, gebrom, gekras en gehuil, dat hooren en zien vergaat; elke vogel vliegt weg en keert, beangst om nest en eieren, weder terug. Het geheele bosch geraakt in opstand; alleen de vink, hierdoor niet medegesleept, blijft doorkweelen met zijn lentelied, blijft de specht lachen, blijven de nachtegalen hun heerlijke wijsjes slaan, uiten zich deze dichterlijk gestemde zielen te midden van roovers en dieven.Rijk met buit beladen keeren wij na een jacht van vier à vijf uren naar de boot, onze woning, ons gezellig verblijf, terug, om terwijl wij verder trekken, de gewonnen schatten wetenschappelijk te ordenen. Uren lang varen wij langs dergelijke bosschen, gelijk ik schilderde, nu en dan ook grootere of kleinere plaatsen, steden en dorpen voorbij, totdat de toenemende duisternis halt gebiedt. Tegen het aanbreken van den volgenden dag bereiken wijApatin. Vreugdeschoten, muziek en juichkreten begroeten den beminden troonopvolger. Allerlei menschen dringen zich om de boot; jagers, die hier wonen, nestenzoekers, boombeklimmers, menschen, die de vogels zullen afstroopen, komen aan boord; meer dan een dozijn kleine scheepjes,„Czikeln” genoemd, worden volgeladen. Weêr stoomt de boot rivierafwaarts, om ons in de nabijheid van een breeden arm aan land te zetten. Op dezen arm dringen wij voor de eerste maal de natte bosschen in. Alle kleine booten, die wij te Apatin hebben volgeladen, volgen de onze, even als kiekens de moedereend. Heden vangt de jacht op den arend aan, welke vogel in deze bosschen zoo veelvuldig broedt; binnen den omtrek van eene vierkante mijl heeft men niet minder dan vijf nesten opgespoord. Vol jachtlust scheiden wij, om ons in verschillende richtingen naar die nesten te begeven.VISCHREIGERS.VISCHREIGERS.Ik kende den koenen, roofgierigen, ofschoon niet-edelen roofvogel van vroeger, want ik had hem in Noorwegen en Lapland, alsmede in Siberië en Egypte te dikwijls gezien, maar ik had nog nimmer zijn nest aanschouwd; de gelegenheid, die zich nu hiervoor aanbood, was mij alzoo hoogst welkom. In overeenstemming met zijn naam, bewoont[468]hij met voorliefde de zeekusten, maar bovendien de oevers van vischrijke meren en groote rivieren. Wordt hij door den winter uit zijn schuilplaats verdreven, dan trekt hij zoover zuidwaarts als noodig is om ook in het koude jaargetijde niet van honger om te komen. In Hongarije is hij een der meest voorkomende groote roofvogels; hij verlaat het land ook in den winter niet en onderneemt alleen in zijn jeugd, voordat hij volwassen is, verre zwerftochten, even alsof hij eens de proef wilde nemen met het vreemde land. In het voorjaar ziet men daarom in dit jachtgebied uitsluitend oude, reeds het standvastig vederkleed bezittende, dus volwassene, voortplantingsrijpe zeearenden, terwijl daarentegen in den herfst en in den winter, behalve de voor eenige maanden uitgevlogen jongen, ook nog uit andere streken overgekomen zeearenden deze oeverwouden van den Donau bevolken. Zoolang de stroom vrij van ijs blijft, valt het den vogels niet moeielijk zich te voeden; zij jagen in het water even behendig, zoo niet beter,[469]dan op het land, zweven boven de rivier, totdat zij een visch in ’t vizier krijgen, storten zich pijlsnel op dit dier neder, verdwijnen, terwijl zij de prooi onder water vervolgen, soms geheel onder de golven, werken zich met hun krachtige vleugels evenwel snel weder naar boven, brengen den buit, dien zij de krachtige klauwen door het schubbenpantser boorden, naar eene rustige plaats en verteren dien aldaar op hun gemak. Daar men in Hongarije hunne rooverijen niet zoo kwalijk neemt als bij ons, hen zelfs met eene onverdiende verschooning behandelt, vindt men deze vogels geregeld in de nabijheid der visschershutten, alwaar zij op de naburige boomen zitten wachten totdat de visscher hun de doode visschen uit zijnevischkaarof anderen afval toewerpt. Op gelijke wijs zorgen de Hongaarsche, Servische en[470]Slavonische boeren voor de zeeadelaars, door de doode dieren niet te begraven, maar op het veld te laten liggen, aan de arenden, alsmede aan de gieren, honden en wolven overlatende het aas op te ruimen. Onttrekt een ijskleed de gewone prooi aan ’t oog des zeearends, en bevindt zich toevallig ook geen dood aas in de nabijheid, zelfs dan nog lijdt hij geen gebrek. Evenals de meer edele en meer stoute steenarend, jaagt hij op alle wild, dat hij maar overweldigen kan. Hij grijpt den vos en den haas, doodt den egel en de rat, den duiker en de wilde gans; hij ontrooft den zeehond diens jong en gaat in zijne blinde roofgierigheid zoo ver dat hij zijn sterke klauwen in den rug van dolfijnen en steuren slaat; tot loon voor dien euvelmoed trekken beide dieren hem naar de diepte en voor het hem gelukt is zijn klauwen weder los te maken, is hij verdronken. Soms valt hij zelfs den mensch aan. En zoo heeft hij bijna nimmer gebrek, en indien men hem niet geregeld vervolgt, leidt hij een vrij aangenaam, werkelijk benijdenswaardig leven.ROEKEN.ROEKEN.Tot den broeitijd leeft de zeearend met zijns gelijken in vrede en eendracht; is die tijd gekomen, dan ontwaakt de strijdlust in zijn door jaloerschheid gekweld hart. Zoowel om een nest, als om een wijfje machtig te worden vangt hij aan met een zijner soortgenooten hevig te vechten. Wel duurt het eenmaal gesloten huwelijk dezer vogels het geheele leven door, maar niet langer dan de man in staat is het wijfje tegen de aanzoeken van andere mannetjes te beschermen en zich het eigendom van zijn nest te verzekeren. Begeerig laat een volwassen, geslachtsrijp mannetje zijn oogen rusten op het wijfje van een anderen arend en haar nest; beiden gaan den rechtmatigen echtgenoot verloren, en zijn den anderen gewonnen, zoo deze overwinnaar blijft. Een strijd op leven en dood tegen den indringer, die het huiselijk geluk belaagt, volgt; hoog in de lucht vangt het gevecht aan, op den grond wordt de strijd beslist. Met snavel en klauwen stooten de vogels op elkander, totdat het een hunner gelukt zijn tegenstander te grijpen, terwijl hij ’t naaste oogenblik weder de nagels van den ander in zijn lijf voelt slaan. Gelijk aan twee door en in elkander verwarde veêren ballen vallen beide nu omlaag, of in ’t water, of op ’t land, maken de klauwen van elkander los, om terstond daarna weder opnieuw het gevecht te beginnen. Als woedende hanen worstelen de helden, wanneer zij den strijd op den grond voortzetten; losse veêren en bloed wijzen de kampplaats aan en bewijzen de hevigheid van dien strijd. Middelerwijl beschrijft het wijfje haar kringen om de vechtenden, of het ziet van een verheven[471]zitplaats den strijd schijnbaar onverschillig aan; zij zal echter den overwinnaar hartelijk liefkoozen, wanneer deze na geëindigd gevecht tot haar terugkeert, onverschillig of het de rechtmatige echtgenoot of de echtbreukeling is. Wee den eersten, indien het krijgsgeluk zijn mededinger gunstig blijft! In de oogen eener arendsvrouw komt slechts den sterkeren de eerekroon toe.Na zegevierend zulke aanvallen te hebben afgeslagen, waarvan geen arendsmannetje verschoond blijft, en die telken jare ook in Hongarije moeten worden afgespeeld, betrekt het paar, waarschijnlijk het langstgehuwde, het oude nest en begint reeds in Februari met dit te herstellen. Het materiaal wordt door beide echtgenooten gezamenlijk van den grond afgelezen of zij visschen het uit het water op, breken het ook wel van de boomen af, om het in de klauwen, soms van heinde en ver naar het nest te dragen en hier volgens de regelen der kunst te verwerken, zoo goed als een arend zulks vermag. Daar elk jaar deze vernieuwing herhaald wordt, nemen de hoogteafmetingen van zulk een nest telkens toe, zoodat men daaruit reeds tot deszelfs ouderdom kan besluiten; ook leidt men er den duur van het huwelijk uit af, want in de oudste nesten huizen ook de oudste paren. Het nest bevindt zich niet altijd boven in den top der boomen, maar toch echter altijd vrij hoog boven den grond, meer of minder dicht bij den stam en altijd gesteund door zware takken, wat noodig is omdat het nest ieder jaar grooter en zwaarder wordt. Uit zware en lichtere takken en twijgen, alle los over en in elkaar gevlochten, bestaat de onder- en bovenbouw, waarin een groot aantal ringelmusschen, die zich onverschrokken en onbevreesd in de nabijheid van den machtige wagen, passende holten voor nest en schuilplaats vinden.Tegen het einde van Februari of het begin van Maart legt het wijfje twee, hoogstens drie eieren in de vlakke nestholte, en vangt nu aan ijverig te broeden. De arend verzorgt zijn broedend wijfje met voedsel, verwijdert zich, als hij op roof uitgaat slechts ongaarne ver van het nest, en zet zich, als hij genoeg voor zich en zijn wijfje heeft verzameld, trouw de wacht houdende, in de nabijheid van het nest op een bepaalden boom neder, die meteen tot slaap- en rustplaats wordt. Na vier weken broeiens komen de jongen uit; deze zijn aanvankelijk witte wolballen, waaruit een zwarte snavel, donkere oogen en reeds zeer scherpe klauwen te voorschijn komen; het zijn even sierlijke als reeds zich zelf bewuste schepseltjes. Thans hebben vader en moeder volop werk.[472]Beiden wisselen elkander af om buit te halen en de jongen te bewaken, ofschoon de moeder alleen zich met de eigenlijke verpleging belast. Wel staat de vader haar bij om de kindertjes op te voeden, maar alleen de moeder is in staat minnediensten te bewijzen. Werd zij aan haar jeugdig kroost ontnomen, dit zou evenzeer moeten omkomen als het jonge zoogdier, dat men van zijn moeder berooft. Met haar eigen borst dekt de moeder-arend haar jongen tegen wind en regen; uit haar eigen krop reikt zij dezen het verwarmde, doorweekte, vooraf verteerde voedsel. Zulke minnediensten bewijzen kan de vader-arend niet; wel neemt hij op later leeftijd, indien alsdan de moeder mocht worden weggerukt, gaarne de opvoeding en voeding geheel voor eigen rekening, al moge zulks gepaard gaan met veel inspanning en moeite. De jongen groeien voorspoedig en snel op. In de derde levensweek hebben zij reeds veêren op het bovenlijf gekregen; tegen het einde der Meimaand zijn zij volwassen en vliegvaardig. Nu verlaten zij het nest, om onder geleide der ouders zich voor een zelfstandig leven voor te bereiden.Ziedaar, in vluchtige trekken geschilderd, het levensbeeld van den adelaar, op welken vogel in de eerstkomende dagen onze jacht gericht zou zijn. Niet minder dan negentien bezette nesten werden door ons bezocht en hierop met afwisselend geluk jacht gemaakt. Somtijds te voet, somtijds in eene kleine boot gezeten, menigmaal springende en wadende, kruipende en sluipende, trachtten wij, ongezien en ongehoord, de nestboomen te naderen; vol verwachting verbleven wij uren lang in fluks opgeslagen loofhutten onder deze boomen en zagen in spanning naar de arenden, die door ons zelf of anderen opgeschrikt, hoog in de lucht hun kringen beschreven en niet weêr naar het nest wilden terugkeeren, maar zulks toch eindelijk zouden moeten doen, om ons ten offer te vallen. De eene waarneming werd aan de andere vastgeknoopt, en zoo verkreeg deze jacht voor ons allen eene ongemeene bekoring.Buiten de arenden en andere roofvogels, die almede buit werden gemaakt, waren of schenen de zooveel belovende bosschen arm aan gevederd gedierte. Het was evenwel nog vroeg in het jaar en de vogels bevonden zich nog veel op den trek; ook konden wij weinig meer dan den zoom der wouden onderzoeken. Doch ook het aantal vogels, dat teruggekomen was en in dien rand verblijf hield, beantwoordde niet aan onze verwachtingen. En toch treurden wij het meest om iets anders, n.l. om de schaarschheid aan goede zangers. Wel kweelde de zanglijster haar rijke liederen in het van voorjaarsluchten[473]geurende woud; wel sloeg hier en daar een enkele nachtegaal, en begroette de vink ons allerwege met zijn lentezang; wel oefende ook reeds eene grasmusch haar keeltje,—maar noch het een, noch het ander was voldoende om onze scherp luisterende ooren te bevredigen. Wij bevonden dat het allen slechts stumpers, geen meesters waren. En zoo scheen het ons eindelijk bijna toe, alsof het genoemde gezang in deze sombere bosschen eigenlijk niet te huis behoorde, en ware daarin alleen het geschreeuw van arenden en valken, het gehuil van oehoe’s en boschuilen, het geratel van waterhoentjes en zeezwaluwen, het gekrijsch van reigers, het gelach van spechten, het geroep van koekoeken en het gekir der houtduiven, de meer passende melodie; waren hoogstens nog ook de in riet en biezen huizende rietzangers, die hun lied grootendeels aan dat der kikvorschen ontleend hebben, de eenige van rechtswege daarin behoorende zangvogels.HET NEST VAN DEN ZEEADELAAR.HET NEST VAN DEN ZEEADELAAR.De vierde jachtdag was bestemd voor het op eenige mijlen van de Donau-oevers gelegen Keskenderwoud. Toen wij de rivierbosschen verlaten hadden, kwamen wij in eene uitgestrekte, eerst op grooten afstand door een landrug begrensde vlakte; door goed bebouwde akkers van de groote, voorbeeldig bestuurde heerlijkheidBellyevoerde een weg, dien wij in vluggen draf te paard aflegden. Hier en daar moerassige weiden met poelen en slooten, een boschje, een groote door knoestige eiken omgeven herberg, een gehucht, een dorp, verder boomlooze velden,—zoo zag het landschap er uit, dat wij doorsnelden. Boven de velden steigeren duizenden zingendeleeuweriken; op de wegen trippelen aardige kwikstaarten; op de heggen langs den weg zitten klauwieren en grauwgorzen; in de kruinen der eiken schreeuwen en zingen de daar nestelende kerkkauwen en spreeuwen; boven de waterplassen trekken visschende vischarenden en tuimelen sierlijke zeezwaluwen in zigzaglijnen; in het moeras loopt de kievit heen en weder, maar van andere vogels bemerken wij weinig. Ook het Keskenderwoud, een goed onderhouden bosch, dat wij na een rit van twee uren bereikten, was in weêrwil van zijn afwisselend geboomte arm in soorten; maar hier nestelden schreeuwadelaars en vischarenden, arendbuizerden en gewone buizerden, valken en uilen en vooral zwarte of boschooievaars in groot aantal, en zoo viel onze jacht boven alle verwachting goed uit. En toch kenden de boschwachters, die eerst voor weinige dagen kondschap hadden gekregen van het te verwachten bezoek van onzen doorluchtigen[474]jachtheer, en het bosch in alle richtingen hadden doorzocht om nesten op te sporen om deze op eene schielijk vervaardigde kaart aan te duiden, bij lange na niet alle in dit ééne woud verblijf houdende roofvogels en zwarte ooievaars. „Het zijn paradijsachtige toestanden,” merkte kroonprinsRudolfop en drukte in deze enkele woorden zeer juist de verhouding uit, die er bestaat tusschen de menschen en dieren van Hongarije. Evenals de oosterling kent ook de Hongaar gelukkig de moordzucht niet, waardoor de dieren in West-Europa zoo schuw zijn geworden en die hun aantal, helaas! zoozeer[475]heeft doen verminderen; hij gunt zelfs gaarne aan den roofvogel een plaatsje op zijn eigendommen en grijpt niet voortdurend ruw en wreed in de dierenwereld in, die om hem leeft en zich beweegt. Niet eens het schandelijk egoïsme, dat tegenwoordig elk jaar hebzuchtige kooplieden in vederen aanspoort tot rooftochten op den beneden-Donau, ten einde honderdduizenden, levenslustige lieve vogels ter wille van hun gevederte op te offeren, heeft den Magyaar kunnen bewegen van zijne goede oude zeden af te wijken. Onverschilligheid omtrent de hem omgevende dierenwereld moge daartoe grootelijks bijdragen, maar de gastvrijheid, die hij den vogels bewijst, komt dikwijls uit het hart en verdelgingswoede blijft hem vreemd. Zonder van vrees te doen blijken vertoeven de dieren, voornamelijk de vogels, in de nabijheid van den mensch; zij doen alsof zij alleen waren. De arend nestelt aan den weg in het bosch; de gewone raaf in het boschje langs den akker; de zwarte ooievaar is niet schuwer, dan bij ons de heilige, gewone ooievaar; het wild staat niet van zijn leger op, wanneer de wagen tot op geweerschotsafstand voorbijrolt. Het zijn werkelijk paradijsachtige toestanden.Zulke toestanden zouden wij evenwel ook nog buiten het Keskenderwoud leeren kennen. Nadat wij dit laatste nog in verschillende richtingen hadden doorkruist, de nesten van meer dan twintig arendbuizerden en vischarenden, alsmede van den zwarten ooievaar bezocht en bejaagd, ons met een heerlijk ontbijt en nog meer met den heerlijken wijn van dit land verkwikt en gelaafd, vingen wij, door eene dreigende onweêrswolk tot spoed aangezet, onze terugreis naar het vaartuig aan, steeds jagende en verzamelende, zooveel de gelegenheid veroorloofde. De weg, langs welken wij terugreisden, was een andere, dan die, welken wij op de heenreis hadden genomen, n.l. een groote heirbaan, die verschillende dorpen verbond. Een aantal dezer laatste hadden wij reeds achter den rug, toen wij opnieuw tusschen huizen doorreden. Aan de gebouwen was niets bijzonders te zien, maar aan de bewoners meer dan ik ooit had kunnen denken. De bevolking van het dorpDalyckbestaat bijna uitsluitend uit Schokazen of katholieke Serben, die tijdens de heerschappij der Turken uit het Balkan-schiereiland naar hier zijn vertrokken, liever, door de Turken herwaarts gebracht. Het zijn schoone, slanke menschen, deze Schokazen. De mannen zijn groot en sterk; de vrouwen in dit opzicht op de mannen gelijkende, zijn zeer goed gebouwd en waarschijnlijk niet[476]van schoonheid ontbloot. Het eerste viel te beoordeelen, voor het laatste moest de fantasie ons te hulp komen; de Schokazinnen toch dragen een kleed, gelijk zeker nergens in Europa gezien wordt, en door onzen hoogen jachtheer, steeds vindingrijk en veelbeteekenend in zijn uitdrukkingen, mythologisch genoemd. Wanneer ik zeg dat het hoofd en het aangezicht bijna geheel omhuld worden door op zeer eigenaardige, maar volstrekt niet smakelooze wijze ineengewonden en toegeknoopte doeken, terwijl de rok vervangen wordt door twee bontgekleurde, op een schort gelijkende, losse stukken doek, mag ik overigens aan de verbeelding volle vrijheid veroorlooven, zonder mij bevreesd te maken, dat zij al te zeer de haar gestelde perken zal overschrijden. Ik zelf werd levendig herinnerd aan het kamp Arabische nomaden, dat ik eens in de oerwouden van Centraal-Afrika bezocht.Onder een stortregen bereikten wij tegen ’t vallen van den avond ons gezellig vaartuig. Regenachtig is ook de volgende ochtend, bewolkt de dag en weinig winstgevend de jacht. Zulks noopt ons verder te reizen, hoe dankbaar wij ook waren voor de dagen in de heerlijkheid Bellye doorgebracht, en hoe rijk de oogst misschien ook zou geweest zijn, indien wij hier nog ettelijke dagen hadden vertoefd, waargenomen en verzameld. Met een hartelijke en welverdiende dankbetuiging nam onze jachtheer afscheid van den beambte der aartshertogelijke heerlijkheid; nog een blik op de wouden, die ons zooveel goeds hadden geschonken, en nogmaals stoomt ons snelvarend scheepje den Donau af. Binnen weinige uren bereiken wij Draueck, den mond der Drave, welke rivier voortaan de richting van de bedding der rivier schijnt te bepalen. Een der meest grootsche rivierlandschappen, die ik ooit gezien heb, ligt thans voor ons. Een breed watervlak strekt zich voor onze oogen uit; in ’t zuiden wordt het begrensd door lachende heuvelen, naar alle andere zijden breiden zich bosschen uit, gelijk wij nog niet gezien hebben. Noch de loop van den hoofdstroom, noch die van zijn nevenrivier laat zich vervolgen; de ontzettende watermassa gelijkt op eene van alle kanten ingesloten zee, welker oevers slechts bij den straks vermelden heuvelketen duidelijk te voorschijn treden; want zelfs tusschen het groen der bosschen door, op plaatsen, waar openingen het gezicht vrij laten, ziet men wederom water, woud en rietbosschen, welke laatste den vele mijlen grooten plas Hullo bedekken, in eindeloos schijnende uitgestrektheid. Reusachtige boomstammen, door beide rivieren aangevoerd en half onder ’t water verscholen, half daarboven drijvende,[477]nemen allerlei fantastische vormen aan; het schijnen de fabelachtige dieren der voorwereld te zijn, die hun gepantserde lichamen boven de donkere golven uitsteken. Want donker, bijna zwart stroomt de „blondeDonau” daar heen, terwijl ons vaartuig Draueck voorbijstoomt. Grijsachtig zwarte en loodkleurige onweêrswolken bedekken den hemel; oogenschijnlijk zweven ook zij tusschen het honderdvoudig geschakeerde groen der bosschen en hangen zij boven de eentonig vaalgeel gekleurde rietvelden.Bliksemstralen werpen een schel licht op dit tooneel; de regen stroomt kletterend naar beneden, de donder laat zijn gerommel hooren, de stormwind huilt in de hooge toppen der oude boomen, woelt in de wateren en kroont de donkere toppen der golven met een grijsachtig wit schuim; beneden, in het zuidoosten echter breekt de zon door het zwarte floers des hemels, omzoomt dit met purper en goud, en werpt daarover een helder licht, zoodat de zware schaduwen nog scherper uitkomen; fonkelend straalt het op de bonte heuvels, die in de verte tot een gebergte opstijgen. Daarbeneden, daar aan gindschen kant liggen gehuchten en dorpen; hierboven wordt de oorspronkelijkheid van het grootsche, in zijn wildheid en momenteele verlichting en beweging zoo verheven tooneel slechts gebroken door eene enkele, kegelvormige, met riet gedekte visschershut.In ’t oog vallend is de armoede aan vogels, in ’t algemeen de eenzaamheid der uitgestrekte watervlakte. Geen meeuw zweeft over den spiegel van den Donau, geen zeezwaluw vliegt in zigzaglijnen op en neder; hoogstens verheffen zich enkele woerden uit den stroom. Nu en dan ziet men nog een blauwen reiger, eene vlucht kwakken, een zeeadelaar, eenige wouwen, raven en bonte kraaien, misschien wel een troep kieviten, en de opsomming der hier aanwezige vogels is geëindigd.Van den volgenden dag af trekken wij jagend en waarnemend door een wonderschoon gebied. De blauwe bergen voor en op welke gisteren in den onweêrsnacht heldere, gouden zonnestralen vielen, zijn de hoogten der Fruškagora, een boschrijk middelgebergte van de heerlijkste soort. GraafRudolf Chotekhad op de voorbeeldigste wijze alles voor eene waardige ontvangst van onzen hoogen jachtheer voorbereid en zoo wachtten ieder onzer onvergetelijke dagen. Van het dorp Cerewic uit, boven hetwelk onze boot ligt, rijden wij elken dag door de kloven, beklimmen wij in den wagen of te paard, of wandelende, de hoogten van het gebergte, om elken avond vol zaligheid en geluk weder huiswaarts te keeren. De gulden Meimaand verkwikt geest en lichaam,[478]hart en ziel, en onze gastheer is zoo onuitputtelijk in attenties, voorkomendheid, vriendschapsbewijzen en gulheid, dat de dagen, door ons in de Fruškagora doorgebracht, wel voor immer onvergetelijk zullen blijven; zij behooren tot de rijkste en schoonste der geheele reis.De streek, dagelijks door ons bezocht, is meer dan liefelijk. In de nabijheid van het dorp breiden zich akkers uit; achter deze begint de gordel van wijnbergen, die zich uitstrekken tot aan den zoom des wouds; in de dalen en ravijnen daartusschen bloeien en geuren tal van ooftboomen, die aan het landschap eene ongemeene bekoorlijkheid schenken; aan de hellingen der wegen, die gewoonlijk den loop der dalen volgen, woekert een dicht struikgewas, terwijl het oog zich vermeit in eene bloemenpracht, die in deze dalen, waar geen watergebrek heerscht en murmelende beekjes hun aangenaam geruisch laten hooren, weelderig ontluikt. Op de eerste hoogten heeft men een verrassend schoon vergezicht. Beneden op den voorgrond teekent het dorp Cerewic zich schilderachtig af; dan volgt de breede Donau met zijn lage oeverbosschen aan den overkant; achter de rivier en de bosschen breidt zich de eindelooze Hongaarsche laagvlakte uit, en toont den waarnemer haar weilanden en akkers, haar bosschen en poelen, haar dorpen en marktvlekken in een onzeker, en juist daardoor te meer boeiend licht; in het oosten troont de vesting Peterwardein.Boven de akkers verheffen zich zingendeleeuweriken; uit de struiken klinkt uit honderden kelen de slag van den nachtegaal; uit de wijnbergen schalt het vroolijk lied van den steenlijster en hoog in de lucht beschrijven twee giersoorten en drie verschillende arenden hun wijde kringen.Na een korten tocht verdwijnen stroom, dorpen en akkers, en een heerlijk boschrijk dal neemt ons op. Steil vallen de bergen weêrszijds af; kam en rug zijn dicht met niet al te hoog geboomte bezet. Eiken, linden, olmen en platanen maken hier, beuken en hoornboomen ginds de bevolking uit; dicht en laag struikgewas, waar de nachtegalen verblijf houden, vormen de omgrenzing. Geen grootsch vergezicht loont den wandelaar, die de hoogste ruggen beklimt en in ’t noorden Hongarije, in het zuiden Servië voor zich ziet liggen, maar hart en zinnen worden gestreeld door een plechtig, rustig schemerdonker. Van de hoofdkam, die niet hooger dan tot 900 meter opstijgt, scheiden zich, in min of meer loodrechte richting verloopende, naar beide zijden een aantal ketens af, die van welken kant ook beschouwd, dikwijls[479]een verrukkelijk gezicht opleveren. Zij eindigen in dalen of sluiten ketels in, welker hellingen tot nog toe geen hout hebben afgevoerd en deswege prijken in al de schoonheid van een oorspronkelijk woud. Reusachtige, recht opgeschoten, tot aan de hooge kruinen gladstammige beuken rijzen uit een veenlaag van bladeren omhoog, waarin de jager tot zijn knieën inzinkt; knoestige eiken steken de takken hunner kruinen hoog in de lucht, alsof zij alle roofvogels wilden uitnoodigen hun nesten hier op te slaan; gewelfde linden vormen hier en daar zulk een dicht gesloten bladerendak, dat de stralen der zon slechts na veelvuldige terugkaatsing den grond bereiken. Zanglijsters en merels, wielewalen en roodborstjes, schildvinken en fluiters, zijn, behalve de overal verspreide nachtegaal de zangers van dit woud; de koekoek roept zijn lentegroet van berg tot berg; zwarte en groene spechten, boomklevers en meezen, houtduiven en kleine boschduiven merkt men almede op.Onze jacht was hoofdzakelijk gericht op den grootsten aller Europeesche roofvogels, den grauwen gier, wiens noordelijkste broedgebiedsgrenzen in de Fruškagora schijnen gelegen te zijn. Bij dezen vogel heeft zich onlangs, wellicht gelokt door de ongelukkige offers van den Servischen oorlog, de tweede groote gier van Europa gevoegd, en beiden broeden hier onder de niet moeielijk te verklaren bescherming van den dierkundigen en dieren-minnenden eigenaar des wouds. Ik kende van vroegere reizen beide soorten, maar niettemin verheugde ik mij uitermate, ze hier op hun broedplaatsen te kunnen waarnemen en mededeelingen te mogen ontvangen van een jager, gelijk Graaf Choteks; waarneming, uitvorsching van het leven der dieren, was trouwens bij ons hoofdzaak. En weder knoopten wij de eene waarneming aan de andere, en menige ons nog donkere zijde van het leven dezer beide reuzen onder de vogels werd door dit onderzoek opgehelderd en verklaard.De grauwe of monniksgier, wiens verbreidingsgebied niet alleen de drie zuidelijke schiereilanden van Europa omvat, maar bovendien West- en Middel-Azië tot aan Indië en China in zich sluit, is een standvogel der Fruškagora, die echter na den broeitijd gaarne zwerftochten onderneemt, welke hem geregeld tot in het noorden van Hongarije, soms tot naar Moravië, Bohemen en Silezië voert. Krachtige vleugels stellen hem in staat zulke tochten zonder veel inspanning te ondernemen. Wanneer de eieren of hulpbehoevende jongen hem niet aan de plaats binden,[480]vliegt hij in den vroegen voormiddag van den boom, waar hij den nacht doorbracht, stijgt in schroeflijnen omhoog, zoo hoog, dat het ongewapende oog hem niet meer kan volgen, ziet van hier met zijn weêrgaloos scherp, voor de meest verschillende afstanden geaccomodeerd gezichtsorgaan groote vlakten over, terwijl niets zijn blik ontgaat; hij speurt zelfs het kleinste aas, en zoodra iets, dat van zijn gading is, ontdekt wordt, stort hij zich uit de hoogte daarop neder. Na dit, òf opgegeten, òf althans voorloopig in den krop geborgen te hebben, neemt hij den terugtocht aan of zwerft nog eenigen tijd doelloos rond. Even gelijk hij het beneden hem gelegen, vele vierkante geografische mijlen omvattend, voor zijn oogen geheel ontsloten gebied afleest, let hij eveneens op de bewegingen van eigen soortgenooten, of van andere groote, aasvretende roofvogels in ’t algemeen, om van deze waarnemingen zooveel mogelijk partij te trekken. Hierin vindt men de verklaring van het feit, dat dikwijls zoovele gieren tegelijk plotseling bij een of ander groot aas verschijnen, en dit zelfs in streken, waar zij gewoonlijk niet verblijven. Niet het vrij zwakke reukvermogen, maar alleen het scherpe gezicht is hun op deze rooftochten van dienst. De een vliegt den ander na, zoodra hij bemerkt, dat deze eene prooi heeft opgespoord, en de snelheid van zijn vlucht is zoo groot, dat hij dikwijls nog intijds bij het feestmaal is aangekomen en reeds bezig is met smullen, terwijl de ontdekker daar nog zijn kringen boven beschrijft. Talmen mag hij niet, want niet tevergeefs dragen deze vogels hun naam; hunne vraatgierigheid gaat alle perken te buiten. Weinige minuten zijn voor drie of vier gieren voldoende om een dooden hond of een dood schaap bijkans geheel te verslinden, zoodat de maaltijd met onbegrijpelijke snelheid verloopt en hij, die te laat komt, den hond in den pot vindt.De gieren der Fruškagora vinden overigens, behalve groot aas, hier ook nog veel goeds voor krop en maag in andere dieren, want wij troffen in het spijskanaal van een door ons gedooden vogel de overblijfsels aan van ziesels en groote hagedissen, welke dieren hoogst waarschijnlijk niet dood gevonden, maar levend gegrepen zijn geworden.In overeenstemming met de meer noordelijke ligging der Fruškagora en de voor gieren minder gunstige geregelde toestanden van het omliggende land, zaten de monniksgieren tijdens ons verblijf nog op de eieren te broeden, terwijl diezelfde vogels in meer zuidelijke streken zeker reeds jongen hadden. De nesten bevonden zich op de hoogste[481]boomen van het bosch, veelal op meer dan twee derde van de hoogte der berghellingen. Graaf Choteks kende velen hunner, daar zij sedert twintig jaren steeds geregeld naar dezelfde broedplaats terugkeerden, terwijl menig nest al dien tijd hetzelfde paar had gediend en elk jaar nieuwen toevoer van bouwstoffen erlangd, zoodat sommige eene verbazende afmeting hadden verkregen. Enkele nesten waren van later dagteekening. Alle evenwel waren het bouwgewrocht der vogels zelf. In het oudste en grootste had een volwassen mensch kunnen liggen zonder met het hoofd of de voeten veel over den rand heen te steken.Wij zetten ons onder deze nesten neder om het leven en bedrijf in het woud aandachtig na te gaan, tevens hier de terugkomst der voor ons gevluchte gieren af te wachten, en hun een zeker schot in ’t lijf te jagen. Vier achtereenvolgende dagen togen wij elken morgen naar dat heerlijk woud, en geen enkelen dag keerden wij zonder buit naar de rivier terug. Niet minder dan acht groote gieren, een aantal arenden, en ontzaglijk veel klein gevogelte van verschillende soort maakten wij buit, terwijl het jachtvermaak nog werd gekruid en gewijd door hoogst belangrijke, ons allen boeiende waarnemingen. Wanneer de laatste zonnestraal was verdwenen, verzamelden de jonge dorpsbewoners zich om ons vaartuig. Viool en doedelzak vereenigden zich tot eene liefelijke, alhoewel eenvoudige melodie, en meisjes en jongens bewogen zich, den hoogen gast ter eere, in den gelijkmatig zwevenden volksdans.Nadat wij ook aan den anderen oever van den Donau met gelijk geluk hadden gejaagd, namen wij eindelijk, op den vijfden dag, afscheid van onzen meer dan oplettenden gastheer, den eigenaar der bezitting, en vervolgden de reis, altijd stroomafwaarts trekkende. Na eene vaart van drie kwart uurs bereiken wij Peterwardein, de kleine, nu verouderde, maar schoon en schilderachtig gelegen vesting, anderhalf uur later Karlowitz, in welker nabijheid wij den nacht doorbrengen. Den volgenden morgen bereiken wijKovil, het einddoel van den tocht.In de nabijheid van dit groote dorp bevinden zich door akkers ingesloten bosschen, waarvan eiken het hoofdbestanddeel uitmaken, maar waarin zich zulk een dicht onderhout bevindt, dat de wolf en wilde kat, ondanks de nabijheid van vele bewoonde plaatsen, hier een schier ongestoord leven leiden. Geen wonder dus, dat ook roofvogels van allerlei soort, vooral zee-, konings-, schreeuw- en dwergarenden, arend-buizerden, wouwen, haviken, oehoe’s, alsmede andere uilen, hier[482]hunne nesten opsloegen; allerlei klein gevogelte houdt hier almede verblijf. Onze hooge jachtheer en zijn doorluchtige zwager beproefden in de bosschen hun geluk, terwijlEugenius von Homeyeren ik gingen jagen in een hoogerop gelegen moeras, dat door den hoogen waterstand nu tot een wijde zee was geworden.In dit moeras,—op dit tijdstip evenwel waren de vogels nog niet alle aangekomen, daar de trek nog in vollen gang was—in dit moeras heerschte het rijkste en veelsoortigste dierenleven. In bijna onafgebroken opvolging trekken sterke vluchten zwarte zeezwaluwen naar den Donau, nu eens in dichte drommen, dan weêr zich verdeelende over de geheele breedte van den buiten zijn oevers getreden stroom; ongetwijfeld naar nestplaatsen zoekende, reizen honderden zwarte ibissen, in den gewonen V-vorm vliegende, stroomopwaarts en stroomafwaarts, naar de Theis zich begevende of van deze rivier terugkeerende; purperreigers, blauwe reigers en ralreigers loopen visschende heen en weder; rietwouwen, lange rietstengels naar het nest dragende, vliegen langs oude, bekende wegen; opnieuw gepaarde eenden, wier wijfjes door den hoogen waterstand van hare eieren beroofd werden, verheffen zich bij ’t naderen onzer kleine boot schreeuwend boven het water, terwijl futen en waterhoentjes in de diepte eene schuilplaats zoeken; kortom, geen plekje der groote watervlakte is onbezet en zonder leven. Een houtvester, met de wegen vertrouwd van een overstroomd bosch, wacht ons op in zijne woning, die als een eilandje boven het water uitsteekt, om onze gids te zijn in deze boschwoestijn, die alle vroeger bezochte verre achter zich laat, omdat de hooge waterstand nieuwe hindernissen voegde bij de reeds bestaande. Ons vasthoudende aan de in gewone omstandigheden tamelijk hoog boven den grond verheven takken, dikwijls gebukt onder andere, die den weg versperren, heen trekkende, trachten wij door de breede watervlakte, tusschen half en geheel omgevallen boomen en drijvende stukken hout, groot en klein, een weg te banen om binnen in het woud te dringen. Wilde eenden, die op knotwilgen zitten tebroeien, blijven gerust op de eieren en laten zich door ons niet storen, al naderen wij hen tot op een meter afstand. Geoorde futen, die het vrije water hebben opgezocht, zwemmen, zoodra zij ons in ’t gezicht krijgen, naar het groene loof der tot aan hun kronen in ’t water staande boomen,—hoofdzakelijk wilgen; kwikstaarten springen van het eene stuk drijfhout op het andere; bonte spechten en boomklevers hangen dicht bij de oppervlakte van het[483]water tegen de boomstammen, om op de hun gewone wijze naar voedsel te zoeken. Het eene beeld uit het leven der vogels verdringt het andere; ieder tooneel schijnt echter iets ongewoons, omdat de bijzondere omstandigheden daarin zekere wijziging hebben gebracht. Om bij het nest van een zeearend te komen, moeten wij ver door het water baden; om dat van eene kraai te naderen moeten wij een langen omweg maken. Regelrecht op het jachtdoel afgaan is hier onmogelijk, en toch is de jacht meer dan winstgevend. Ik had persoonlijk het genoegen en voorrecht een der uitstekendste bouwkunstenaars van ons werelddeel, den buidelmuis, bij zijn werk gade te slaan; ’t was voor ’t eerst van mijn leven.Den volgenden dag vereenigde zich het geheele jachtgezelschap in een der genoemde boschjes tusschen de akkers. Een Hongaarsche houtvester had eene groote drijfjacht op wolven voorbereid, maar deze zoo onverstandig ingericht, dat vriend Isegrim ongezien weg kon sluipen. De weinig hoopgevende jacht werd dan ook spoedig gestaakt, terwijl wij nu nog het overige van den tijd zooveel mogelijk nuttig besteedden tot het doen van waarnemingen omtrent het leven der deze bosschen bewonende vogels.Nog in den loop van dienzelfden dag verlaten wij Kovil, bereiken tegen zonsondergang wederom Peterwardein, varen in de eerste uren van den nacht de Fruškagora nogmaals voorbij, verlaten den volgenden dag nog eenmaal ons vaartuig, om in het rietbosch Hullo te jagen en daar waarnemingen te doen, krijgen hier eindelijk den te vergeefs gezochten grooten zilverreiger te zien, moeten evenwel met den ons nog slechts spaarzaam toebedeelden tijd rekening houden en verder stoomen, teneinde den sneltrein naar Weenen niet te missen.Dankbaar de laatste dagen gedenkende, tevens den snellen voortgang hunner uren beklagende, varen wij weder de oeverbosschen, die ons zooveel genot hadden geschonken, voorbij, en met den wensch in het hart nog eenmaal deze oorden te bezoeken, en dan voor langer tijd daar te vertoeven, nemen wij voor ditmaal afscheid van een even rijk als eigenaardig land.[485]
[Inhoud]XVII.ONDERZOEKINGSTOCHTEN OP DEN DONAU.Hongarije is en blijft het land van belofte voor den vogelkenner. Gunstiger gelegen dan eenig ander land van ons werelddeel, tusschen de Noordzee en de Zwarte zee, tusschen de Oostzee en de Middellandsche zee, tusschen de Alpen en de groote Germaansch-Russische laagvlakte, het noorden en het zuiden,—steppen en gebergten, bosschen, groote rivieren en moerassen in zich sluitende,—schenkt het aan standvogels zoowel als aan strijk- en trekvogels, de grootste voordeelen en aantrekkelijkheden, en om deze reden vertoont Hongarije een rijkdom aan vogels, gelijk wellicht geen ander land van ons werelddeel. De meesterlijke beschrijvingen van dien rijkdom, aan de pen onzer uitstekendste geleerden ontvloeid, dragen er niet weinig toe bij om in ’t hart van alle vogelkundigen een heimelijk verlangen naar Hongarije op te wekken. Maar vreemd:—het schoone, rijke land ligt zoo nabij en wordt toch zeer zelden door Duitschers bezocht.Ook ik had alleen zijn hoofdstad gezien en dan nog zooveel als men van uit een spoortrein kan waarnemen; steeds sterker werd in mij het verlangen, dat heimwee, van hetwelk ik zooeven gewaagde. Dat verlangen zou bevredigd worden, maar om spoedig daarna weder vuriger te ontwaken. „Niemand wandelt ongestraft onder palmen” en geen vogelminnaar verwijlt eenige Meidagen in deFruškagorazonder later een hartstochtelijk verlangen in zich te voelen opkomen, die dreven weder te zien.„Wilt gij mij,” zoo vroeg mij eens mijn hooge beschermer, kroonprinsRudolf, „naar het zuiden van Hongarije op de arendjacht vergezellen? Ik heb stellige berichten omtrent twintig adelaarsnesten, en ik vertrouw, dat wij allen onze kennis veel zullen vermeerderen, wanneer wij deze nesten opzoeken en tevens vlijtig waarnemen.”Twintig adelaarsnesten.Men moet jarenlang op de kale aardkluiten van Noord-Duitschland geketend zijn geweest, men moet zich daarbij[462]de heerlijke ontmoetingen van bereisde vogelkenners voor den geest kunnen roepen,—en in beide gevallen verkeerde ik—om zich de vreugde te kunnen voorstellen, waarmede ik dit aanbod aannam.Twintig adelaarsnesten, op geen grooten afstand van Weenen, op geringen afstand van Pest; ik zou niet mijns vaders naam hebben moeten dragen, om hierbij onverschillig te blijven! Tot uren werden de dagen, die onder allerlei toebereidselen voorbijvlogen, en tot weken werden ze door het ongeduld, met hetwelk ik naar de afreis verlangde.Het was een klein, maar opgeruimd, hoopvol jacht- en werklustig reisgezelschap, dat op Paaschmaandag van het jaar 1878 uit Weenen vertrok. Behalve onze aanzienlijke jachtheer en diens doorluchtige zwager bevonden zich nog de opperhofmeester Graaf Bombelles, Eugenius von Homeijer en ik als verdere jachtgenooten op de snelle en behagelijke boot, die ons een dag later, van Pest uit, op de golven van den „blonden” Donau stroomafwaarts voerde. Door de morgenzon bestraald en overgoten met het waas der lente lag de trotsche keizersburg van Ofen voor ons; in ’t eerste voorjaarsgroen prijkten de tuinen van den Bloxberg, toen wij in het vroege morgenuur afscheid namen van de hoofdstad van Hongarije.Noch met den Rijn, noch met den bovenloop, ook niet met den benedenloop van den Donau laat zich het stuk dezer rivier vergelijken, dat wij bereisden. Weinige kilometer reeds beneden de tweelingsteden worden de oevers vlak; spoedig krimpen de bergen aan den rechteroever in tot onzichtbare heuvels, en slechts in de blauw-nevelige verte aanschouwt het oog nog de zacht golvende lijnen van matig hooge bergen. Aan den linkeroever breidt zich eene onmetelijke vlakte uit. Onafzienbaar, zonder afwisseling, gelijkvormig en eentonig ligt zij daar; zelfs de daarin verspreid liggende, aanzienlijke dorpen brengen in die eentonigheid nauwelijks eene geringe afwisseling. Hier en daar ziet men een herder leunen op zijn zwaren staf; geen vrome schaapjes zijn echter aan zijn hoede toevertrouwd, maar knorrende borsteldragers, die gezellig rondom den door de zon gebruinden man staan, of in behagelijke rust nabij hem zijn gelegerd. Om den poel, die bij dezen hoogen waterstand geheel vol is geloopen, beschrijft de kievit wijde kringen; over de breede vlakte zwenkt de blauwe kuikendief; voor hunne, in de steile oeverwanden gegraven nestholten zweven de oeverzwaluwen[463]heen en weder; op de met hout beschoten daken der talrijke scheepsmolens trippelen sierlijke kwikstaartjes op en neêr; uit de rivier verheffen zich kwakende eenden en aalscholvers; boven het water vliegen en zwenken wouwen en bonte kraaien. Zoo ongeveer is het beeld van dit landschap.Weldra evenwel komt daarin verandering. Nog effener wordt de vlakte, die de stroom zich zelf eenmaal schiep en die hij thans uitdiept. Over uitgestrekte, nog niet ingedijkte, en daarom door elken hoogen vloed overstroomde vlakten verdeelt hij zich in een aantal, geen afzonderlijke namen dragende armen. Welig opgeschoten hout bedekt de oevers en eilanden; dicht begroeide oeverzoomen weren den blik in ’t inwendige dezer oerwouden, welke zich mijlen ver langs den horizon uitstrekken. In weêrwil der eentonigheid ontstaan en verdwijnen toch afwisselende tooneelen, vormen deze zich, verschuiven ze en worden ze opgelost, al naar ons vaartuig met den stroom eene andere richting aanneemt. Wilgen, abeelen, zilverpeppels en zwarte populieren, olmen en eiken, de eerstgenoemde het meest, de laatstgenoemde meer spaarzaam, vormen den inhoud. Hooge, oude wilgen steken boven den dichten, bijna uitsluitend uit boomen derzelfde soort bestaanden oeverzoom uit; dieper naar binnen rijzen zilverpopulieren en zwarte populieren met hunne heerlijke kronen omhoog, of steken oude, knoestige eiken de dorre takken in de lucht. Met eenen enkelen blik overziet men een geheel leven, van het uitspruitend wilgenrijsje af tot den afstervenden boomreus; ontspruitende, ontkiemende, opgroeiende, in vollen wasdom prijkende struiken en boomgewas, dorre kruinen, door hemel- en aardsch vuur gevallen en half verbrande, op den grond liggende en vermolmende stammen. Daartusschen blinken stilstaande of stroomende wateren, daarboven welft zich de lucht. Uit het geheimzinnig duister klinkt de slag van den nachtegaal, van den vink, het gezang van den in liederen rijken zanglijster, gilt de valk, schreeuwt de arend, lacht de specht, krast de raaf, krijscht de reiger. Nu en dan speurt men eene minder dichte plaats in het bosch, een nog niet weder dicht gegroeide, gevelde plek, die een blik veroorlooft op het daarachter gelegen landschap, op de uitgestrekte vlakte van den rechteroever en den haar begrenzenden heuvelzoom, op schier eindelooze akkers, op een dorp, op eene stad. In den zomer, wanneer het groen van één tint is, in den naherfst, in den winter en het voorjaar, wanneer de boomen bladerloos staan, moge dit oeverlandschap vermoeien,[464]nu moge het ook eentonig schijnen, maar het is in werkelijkheid bekoorlijk; alle populieren en wilgen prijken thans met hun jeugdig, frisch groen, velen met den dos hunner bloemen en zoo zien de bosschen er, althans hier en daar, werkelijk teekenachtig uit.Op weinige plaatsen zijn deze bosschen toegankelijk, omdat zij hoofdzakelijk slechts een onafgebroken moeras vormen. Tracht men, nu eens langs droge wegen, dan eens langs en op het water tot het inwendige door te dringen, men stuit al spoedig op eene wildernis, gelijk men ze b.v. in Duitschland niet kent. Op de hoogst gelegen plaatsen, daar, waar zich een vette, gedeeltelijk slijkerige grond bevindt, wordt men nog eenigszins aan Duitsche bosschen herinnerd. Hier ligt wel is waar een weelderig, sappig groen, met witte, geurige lelietjes van dalen getooid tapijt ver in ’t rond uitgespreid; maar ook hier groeien welig opschietende brandnetels en bramen in zulk eene hoeveelheid, en doorvlechten zij de aldaar voorkomende klimplanten zoo volkomen, dat het ons onmogelijk wordt verder door te dringen. Op andere plaatsen wordt het woud letterlijk tot een meer, uit hetwelk de reuzenboomen omhoog stijgen. Zware stammen, door ouderdom, storm, bliksem of ’t lichtvaardig vuur van den herder geveld, liggen rottend in het water en verstrekken dikwijls reeds tot voedsel voor jong opgeschoten heesters, die daaruit opgroeien; andere, minder vergaan, versperren den weg. Afgevallen hout, dikke takken en dunne, door den wind bijeengehoopte twijgjes vormen drijvende eilandjes en landtongen, die zoowel kleine bootjes in hunne vaart hinderen, als den wandelaar, die wadend den weg vervolgt. Dergelijke, soms vrij groote, drijvende eilanden, uit riet en bies samengesteld, vormen een onzeker, niet te vertrouwen dek. Boven den waterspiegel oprijzende kleibanken, op welke de zaden van wilgen en populieren een vruchtbaren bodem vonden, zijn dicht met genoemde boomsoorten begroeid en betwisten zelfs den grond aan de rietbosschen, die oppervlakten innemen van meer dan eene vierkante geografische mijl. Dwergwilgen, hier jeugdig en frisch, daar grijs van ouderdom, zien er in de verte uit als donkere plekken in dat rietbosch. Wat het donkere woud met zijn moerassen en dicht geboomte, wat het riet herbergt, zulks blijft voor het zoekend oog des waarnemers meerendeels verborgen; alleen de rand dezer wildernissen ligt voor hem bloot, het breede vaarwater is de eenige hem toegankelijke weg.In zulke oorden begonnen wij onze jacht, die eerst op de beheerschers der lucht was gemunt. Deze, de arenden, kwamen ons op den[465]eersten reisdag echter nog niet onder schot, zelfs niet onder onze oogen; in vergoeding hiervoor bezochten wij echter het reeds jarenlang beroemde reigereilandAdonyen hier hadden wij ruimschoots gelegenheid om het leven van genoemde vogels in den broeitijd te leeren kennen. In de hooge boomen van dit eiland nestelen sedert twee menschenleeftijden, te midden van daar veel langer reeds verblijf houdende roeken, eene menigte reigers en schollevaars, en al moge ook in de laatste dertig jaren het aantal van laatstgenoemde vogels zeer zijn verminderd, verdwenen zijn zij nog niet. Voor veertig jaren nestelden hier volgensLandbeck, ongeveer duizend paren kwakken, tweehonderd en vijftig paren blauwe reigers, vijftig paren kleine zilverreigers en honderd paren schollevaars; heden zijn wederom de roeken het talrijkst, en hun aantal kan op 1500 à 2000 paren gesteld worden; de blauwe reigers echter zijn tot op ongeveer 150, de kwakken tot op 50 à 40 paren versmolten, terwijl de kleine zilverreigers geheel verdwenen zijn, maar de schollevaars komen er nog even talrijk voor als vroeger. Toch klonk ons nog een nagalm uit het voormalig leven in de ooren, toen wij het eiland betraden, en in sommige deelen vertoont het bosch nog vrij wel het oude beeld.Oogenschijnlijk leven die gemengde vogelscharen in volkomen eendracht samen, maar werkelijk zijn vrede en vriendschap hier verre. De eene vogel verontrust of helpt, brandschat of voedt den ander. In de kolonies der roeken laten zich de reigers neder om vrij te zijn van den nestbouw; de eersten slepen de takken samen en bouwen de nesten, de laatsten verdrijven de roeken van het nest, om zich òf het nest zelf, òf de materialen toe te eigenen; nu komen de aalscholvers om wederom de reigers den roof te ontnemen en hier ten slotte de beheerschers en gebieders van den staat te blijven. Maar neen, ook deze dieven en roovers worden op hunne beurt beroofd en bestolen, want kraaien en wouwen, welke laatste vogels nimmer in zulk eene kolonie ontbreken, voeden zich zelf en hunne jongen voor een goed deel met de visschen, die de reigers en aalscholvers naar hunne nesten hadden gesleept.De eerste ontmoeting dezer verschillende broedvogels is van vijandelijken aard. Hevige gevechten hebben plaats, en de tienmaal overwonnene opent voor de elfde maal den strijd, alvorens zich bij het onvermijdelijke neêr te leggen. Mettertijd evenwel komt er verbetering in den toestand; men begint op te merken, dat uit het samenwonen ook[466]voordeelen ontspruiten en dat er voor vredelievende buren ruimte genoeg overblijft. Wel is waar heerscht er ook nu nog geen volmaakte rust en vrede, maar de felle strijd tusschen de verschillende soorten wijkt voor meer dragelijke toestanden. Men wordt aan elkander gewoon en maakt zich de werkzaamheid van zijne tegenpartij zooveel mogelijk ten nutte. Ja, het komt wel eens voor, dat de beroofde den roover, wanneer deze in de noodzakelijkheid komt zijn broedplaats elders op te slaan, herwaarts volgt.Zulk een gemengde reigerkolonie levert inderdaad een aantrekkelijk gezicht op. „Een boeiender en fraaier tooneel, rijker in afwisseling,” zegt Baldamus, „dan deze Hongaarsche moerassen met hare vogelenwereld, die zich gelijkelijk onderscheidt door het aantal individuen als door verscheidenheid in kleur en vorm, kan men zich bezwaarlijk denken. Men beschouwe slechts de meest merkwaardige dezer moerasbewoners in een museum, en denke zich dan deze dieren staande, stappende, loopende, klimmende, vliegende, kortom,levend, en men zal moeten toegeven, dat het vogelleven hier onbeschrijfelijk aantrekkelijk is.” Deze teekening is ook dan nog juist, wanneer men haar toepast op het verarmde eiland Adony. Hoe gedund ook de eens zoo rijke bevolking zij, nog altijd bestaat zij uit duizenden en nog eens duizenden individuen. Ver in het rond draagt iedere boom des wouds nesten, sommige van twintig tot dertig stuks, en om deze verdringt en beweegt zich het levendige volkje der zoo onderscheiden kolonisten. De broeiende wijfjes der roeken, blauwe reigers, kwakken en aalscholvers zitten op de nesten, en gluren met haar donkere, zwavelgele, bloedroode, of zeegroene oogen naar den rustverstoorder, die haar heiligdom betreedt; op de hoogste takken der reuzenboomen zitten of klauteren, daarboven fladderen, vliegen en zweven allerlei zwarte, bruine, grijze, één- en bontkleurige, doffe en glinsterende vogelgedaanten; wouwen beschrijven daarboven hun kringen; tegen de stammen hangen en werken de spechten; in de bloesems van een pereboom zoeken gladde, vlugge grasmusschen, in de toppen der reeds bebladerde vogelkersen vinken en boschzangers hun dagelijksch brood. Het heerlijke tapijt van lelietjes van dalen is hier en daar bevuild en bemorst door de uitwerpselen der vogels, ontsierd door gebroken eieren en de uit het nest gevallen, half vergane visschen.Het eerste schot uit het geweer van onzen jachtheer roept eene onbeschrijfelijke verwarring in ’t leven. Schreeuwend verheffen zich de[467]opgeschrikte reigers, oorverdoovend krassen de kraaien; boos grommend verlaten ook de aalscholvers hun nesten. Een wolk van vogels zweeft over het bosch, drijft heen en weder, op en neêr, breidt een schaduw uit over de boomkruinen, spreidt zich in afzonderlijke vlokken uiteen, die langzaam naar de zooeven verlaten nesten nederdalen, deze eene poos omzweven en aan ’t oog onttrekken, om daarna weder met de hoofdmassa ineen te smelten. Het is een geschreeuw, gebrom, gekras en gehuil, dat hooren en zien vergaat; elke vogel vliegt weg en keert, beangst om nest en eieren, weder terug. Het geheele bosch geraakt in opstand; alleen de vink, hierdoor niet medegesleept, blijft doorkweelen met zijn lentelied, blijft de specht lachen, blijven de nachtegalen hun heerlijke wijsjes slaan, uiten zich deze dichterlijk gestemde zielen te midden van roovers en dieven.Rijk met buit beladen keeren wij na een jacht van vier à vijf uren naar de boot, onze woning, ons gezellig verblijf, terug, om terwijl wij verder trekken, de gewonnen schatten wetenschappelijk te ordenen. Uren lang varen wij langs dergelijke bosschen, gelijk ik schilderde, nu en dan ook grootere of kleinere plaatsen, steden en dorpen voorbij, totdat de toenemende duisternis halt gebiedt. Tegen het aanbreken van den volgenden dag bereiken wijApatin. Vreugdeschoten, muziek en juichkreten begroeten den beminden troonopvolger. Allerlei menschen dringen zich om de boot; jagers, die hier wonen, nestenzoekers, boombeklimmers, menschen, die de vogels zullen afstroopen, komen aan boord; meer dan een dozijn kleine scheepjes,„Czikeln” genoemd, worden volgeladen. Weêr stoomt de boot rivierafwaarts, om ons in de nabijheid van een breeden arm aan land te zetten. Op dezen arm dringen wij voor de eerste maal de natte bosschen in. Alle kleine booten, die wij te Apatin hebben volgeladen, volgen de onze, even als kiekens de moedereend. Heden vangt de jacht op den arend aan, welke vogel in deze bosschen zoo veelvuldig broedt; binnen den omtrek van eene vierkante mijl heeft men niet minder dan vijf nesten opgespoord. Vol jachtlust scheiden wij, om ons in verschillende richtingen naar die nesten te begeven.VISCHREIGERS.VISCHREIGERS.Ik kende den koenen, roofgierigen, ofschoon niet-edelen roofvogel van vroeger, want ik had hem in Noorwegen en Lapland, alsmede in Siberië en Egypte te dikwijls gezien, maar ik had nog nimmer zijn nest aanschouwd; de gelegenheid, die zich nu hiervoor aanbood, was mij alzoo hoogst welkom. In overeenstemming met zijn naam, bewoont[468]hij met voorliefde de zeekusten, maar bovendien de oevers van vischrijke meren en groote rivieren. Wordt hij door den winter uit zijn schuilplaats verdreven, dan trekt hij zoover zuidwaarts als noodig is om ook in het koude jaargetijde niet van honger om te komen. In Hongarije is hij een der meest voorkomende groote roofvogels; hij verlaat het land ook in den winter niet en onderneemt alleen in zijn jeugd, voordat hij volwassen is, verre zwerftochten, even alsof hij eens de proef wilde nemen met het vreemde land. In het voorjaar ziet men daarom in dit jachtgebied uitsluitend oude, reeds het standvastig vederkleed bezittende, dus volwassene, voortplantingsrijpe zeearenden, terwijl daarentegen in den herfst en in den winter, behalve de voor eenige maanden uitgevlogen jongen, ook nog uit andere streken overgekomen zeearenden deze oeverwouden van den Donau bevolken. Zoolang de stroom vrij van ijs blijft, valt het den vogels niet moeielijk zich te voeden; zij jagen in het water even behendig, zoo niet beter,[469]dan op het land, zweven boven de rivier, totdat zij een visch in ’t vizier krijgen, storten zich pijlsnel op dit dier neder, verdwijnen, terwijl zij de prooi onder water vervolgen, soms geheel onder de golven, werken zich met hun krachtige vleugels evenwel snel weder naar boven, brengen den buit, dien zij de krachtige klauwen door het schubbenpantser boorden, naar eene rustige plaats en verteren dien aldaar op hun gemak. Daar men in Hongarije hunne rooverijen niet zoo kwalijk neemt als bij ons, hen zelfs met eene onverdiende verschooning behandelt, vindt men deze vogels geregeld in de nabijheid der visschershutten, alwaar zij op de naburige boomen zitten wachten totdat de visscher hun de doode visschen uit zijnevischkaarof anderen afval toewerpt. Op gelijke wijs zorgen de Hongaarsche, Servische en[470]Slavonische boeren voor de zeeadelaars, door de doode dieren niet te begraven, maar op het veld te laten liggen, aan de arenden, alsmede aan de gieren, honden en wolven overlatende het aas op te ruimen. Onttrekt een ijskleed de gewone prooi aan ’t oog des zeearends, en bevindt zich toevallig ook geen dood aas in de nabijheid, zelfs dan nog lijdt hij geen gebrek. Evenals de meer edele en meer stoute steenarend, jaagt hij op alle wild, dat hij maar overweldigen kan. Hij grijpt den vos en den haas, doodt den egel en de rat, den duiker en de wilde gans; hij ontrooft den zeehond diens jong en gaat in zijne blinde roofgierigheid zoo ver dat hij zijn sterke klauwen in den rug van dolfijnen en steuren slaat; tot loon voor dien euvelmoed trekken beide dieren hem naar de diepte en voor het hem gelukt is zijn klauwen weder los te maken, is hij verdronken. Soms valt hij zelfs den mensch aan. En zoo heeft hij bijna nimmer gebrek, en indien men hem niet geregeld vervolgt, leidt hij een vrij aangenaam, werkelijk benijdenswaardig leven.ROEKEN.ROEKEN.Tot den broeitijd leeft de zeearend met zijns gelijken in vrede en eendracht; is die tijd gekomen, dan ontwaakt de strijdlust in zijn door jaloerschheid gekweld hart. Zoowel om een nest, als om een wijfje machtig te worden vangt hij aan met een zijner soortgenooten hevig te vechten. Wel duurt het eenmaal gesloten huwelijk dezer vogels het geheele leven door, maar niet langer dan de man in staat is het wijfje tegen de aanzoeken van andere mannetjes te beschermen en zich het eigendom van zijn nest te verzekeren. Begeerig laat een volwassen, geslachtsrijp mannetje zijn oogen rusten op het wijfje van een anderen arend en haar nest; beiden gaan den rechtmatigen echtgenoot verloren, en zijn den anderen gewonnen, zoo deze overwinnaar blijft. Een strijd op leven en dood tegen den indringer, die het huiselijk geluk belaagt, volgt; hoog in de lucht vangt het gevecht aan, op den grond wordt de strijd beslist. Met snavel en klauwen stooten de vogels op elkander, totdat het een hunner gelukt zijn tegenstander te grijpen, terwijl hij ’t naaste oogenblik weder de nagels van den ander in zijn lijf voelt slaan. Gelijk aan twee door en in elkander verwarde veêren ballen vallen beide nu omlaag, of in ’t water, of op ’t land, maken de klauwen van elkander los, om terstond daarna weder opnieuw het gevecht te beginnen. Als woedende hanen worstelen de helden, wanneer zij den strijd op den grond voortzetten; losse veêren en bloed wijzen de kampplaats aan en bewijzen de hevigheid van dien strijd. Middelerwijl beschrijft het wijfje haar kringen om de vechtenden, of het ziet van een verheven[471]zitplaats den strijd schijnbaar onverschillig aan; zij zal echter den overwinnaar hartelijk liefkoozen, wanneer deze na geëindigd gevecht tot haar terugkeert, onverschillig of het de rechtmatige echtgenoot of de echtbreukeling is. Wee den eersten, indien het krijgsgeluk zijn mededinger gunstig blijft! In de oogen eener arendsvrouw komt slechts den sterkeren de eerekroon toe.Na zegevierend zulke aanvallen te hebben afgeslagen, waarvan geen arendsmannetje verschoond blijft, en die telken jare ook in Hongarije moeten worden afgespeeld, betrekt het paar, waarschijnlijk het langstgehuwde, het oude nest en begint reeds in Februari met dit te herstellen. Het materiaal wordt door beide echtgenooten gezamenlijk van den grond afgelezen of zij visschen het uit het water op, breken het ook wel van de boomen af, om het in de klauwen, soms van heinde en ver naar het nest te dragen en hier volgens de regelen der kunst te verwerken, zoo goed als een arend zulks vermag. Daar elk jaar deze vernieuwing herhaald wordt, nemen de hoogteafmetingen van zulk een nest telkens toe, zoodat men daaruit reeds tot deszelfs ouderdom kan besluiten; ook leidt men er den duur van het huwelijk uit af, want in de oudste nesten huizen ook de oudste paren. Het nest bevindt zich niet altijd boven in den top der boomen, maar toch echter altijd vrij hoog boven den grond, meer of minder dicht bij den stam en altijd gesteund door zware takken, wat noodig is omdat het nest ieder jaar grooter en zwaarder wordt. Uit zware en lichtere takken en twijgen, alle los over en in elkaar gevlochten, bestaat de onder- en bovenbouw, waarin een groot aantal ringelmusschen, die zich onverschrokken en onbevreesd in de nabijheid van den machtige wagen, passende holten voor nest en schuilplaats vinden.Tegen het einde van Februari of het begin van Maart legt het wijfje twee, hoogstens drie eieren in de vlakke nestholte, en vangt nu aan ijverig te broeden. De arend verzorgt zijn broedend wijfje met voedsel, verwijdert zich, als hij op roof uitgaat slechts ongaarne ver van het nest, en zet zich, als hij genoeg voor zich en zijn wijfje heeft verzameld, trouw de wacht houdende, in de nabijheid van het nest op een bepaalden boom neder, die meteen tot slaap- en rustplaats wordt. Na vier weken broeiens komen de jongen uit; deze zijn aanvankelijk witte wolballen, waaruit een zwarte snavel, donkere oogen en reeds zeer scherpe klauwen te voorschijn komen; het zijn even sierlijke als reeds zich zelf bewuste schepseltjes. Thans hebben vader en moeder volop werk.[472]Beiden wisselen elkander af om buit te halen en de jongen te bewaken, ofschoon de moeder alleen zich met de eigenlijke verpleging belast. Wel staat de vader haar bij om de kindertjes op te voeden, maar alleen de moeder is in staat minnediensten te bewijzen. Werd zij aan haar jeugdig kroost ontnomen, dit zou evenzeer moeten omkomen als het jonge zoogdier, dat men van zijn moeder berooft. Met haar eigen borst dekt de moeder-arend haar jongen tegen wind en regen; uit haar eigen krop reikt zij dezen het verwarmde, doorweekte, vooraf verteerde voedsel. Zulke minnediensten bewijzen kan de vader-arend niet; wel neemt hij op later leeftijd, indien alsdan de moeder mocht worden weggerukt, gaarne de opvoeding en voeding geheel voor eigen rekening, al moge zulks gepaard gaan met veel inspanning en moeite. De jongen groeien voorspoedig en snel op. In de derde levensweek hebben zij reeds veêren op het bovenlijf gekregen; tegen het einde der Meimaand zijn zij volwassen en vliegvaardig. Nu verlaten zij het nest, om onder geleide der ouders zich voor een zelfstandig leven voor te bereiden.Ziedaar, in vluchtige trekken geschilderd, het levensbeeld van den adelaar, op welken vogel in de eerstkomende dagen onze jacht gericht zou zijn. Niet minder dan negentien bezette nesten werden door ons bezocht en hierop met afwisselend geluk jacht gemaakt. Somtijds te voet, somtijds in eene kleine boot gezeten, menigmaal springende en wadende, kruipende en sluipende, trachtten wij, ongezien en ongehoord, de nestboomen te naderen; vol verwachting verbleven wij uren lang in fluks opgeslagen loofhutten onder deze boomen en zagen in spanning naar de arenden, die door ons zelf of anderen opgeschrikt, hoog in de lucht hun kringen beschreven en niet weêr naar het nest wilden terugkeeren, maar zulks toch eindelijk zouden moeten doen, om ons ten offer te vallen. De eene waarneming werd aan de andere vastgeknoopt, en zoo verkreeg deze jacht voor ons allen eene ongemeene bekoring.Buiten de arenden en andere roofvogels, die almede buit werden gemaakt, waren of schenen de zooveel belovende bosschen arm aan gevederd gedierte. Het was evenwel nog vroeg in het jaar en de vogels bevonden zich nog veel op den trek; ook konden wij weinig meer dan den zoom der wouden onderzoeken. Doch ook het aantal vogels, dat teruggekomen was en in dien rand verblijf hield, beantwoordde niet aan onze verwachtingen. En toch treurden wij het meest om iets anders, n.l. om de schaarschheid aan goede zangers. Wel kweelde de zanglijster haar rijke liederen in het van voorjaarsluchten[473]geurende woud; wel sloeg hier en daar een enkele nachtegaal, en begroette de vink ons allerwege met zijn lentezang; wel oefende ook reeds eene grasmusch haar keeltje,—maar noch het een, noch het ander was voldoende om onze scherp luisterende ooren te bevredigen. Wij bevonden dat het allen slechts stumpers, geen meesters waren. En zoo scheen het ons eindelijk bijna toe, alsof het genoemde gezang in deze sombere bosschen eigenlijk niet te huis behoorde, en ware daarin alleen het geschreeuw van arenden en valken, het gehuil van oehoe’s en boschuilen, het geratel van waterhoentjes en zeezwaluwen, het gekrijsch van reigers, het gelach van spechten, het geroep van koekoeken en het gekir der houtduiven, de meer passende melodie; waren hoogstens nog ook de in riet en biezen huizende rietzangers, die hun lied grootendeels aan dat der kikvorschen ontleend hebben, de eenige van rechtswege daarin behoorende zangvogels.HET NEST VAN DEN ZEEADELAAR.HET NEST VAN DEN ZEEADELAAR.De vierde jachtdag was bestemd voor het op eenige mijlen van de Donau-oevers gelegen Keskenderwoud. Toen wij de rivierbosschen verlaten hadden, kwamen wij in eene uitgestrekte, eerst op grooten afstand door een landrug begrensde vlakte; door goed bebouwde akkers van de groote, voorbeeldig bestuurde heerlijkheidBellyevoerde een weg, dien wij in vluggen draf te paard aflegden. Hier en daar moerassige weiden met poelen en slooten, een boschje, een groote door knoestige eiken omgeven herberg, een gehucht, een dorp, verder boomlooze velden,—zoo zag het landschap er uit, dat wij doorsnelden. Boven de velden steigeren duizenden zingendeleeuweriken; op de wegen trippelen aardige kwikstaarten; op de heggen langs den weg zitten klauwieren en grauwgorzen; in de kruinen der eiken schreeuwen en zingen de daar nestelende kerkkauwen en spreeuwen; boven de waterplassen trekken visschende vischarenden en tuimelen sierlijke zeezwaluwen in zigzaglijnen; in het moeras loopt de kievit heen en weder, maar van andere vogels bemerken wij weinig. Ook het Keskenderwoud, een goed onderhouden bosch, dat wij na een rit van twee uren bereikten, was in weêrwil van zijn afwisselend geboomte arm in soorten; maar hier nestelden schreeuwadelaars en vischarenden, arendbuizerden en gewone buizerden, valken en uilen en vooral zwarte of boschooievaars in groot aantal, en zoo viel onze jacht boven alle verwachting goed uit. En toch kenden de boschwachters, die eerst voor weinige dagen kondschap hadden gekregen van het te verwachten bezoek van onzen doorluchtigen[474]jachtheer, en het bosch in alle richtingen hadden doorzocht om nesten op te sporen om deze op eene schielijk vervaardigde kaart aan te duiden, bij lange na niet alle in dit ééne woud verblijf houdende roofvogels en zwarte ooievaars. „Het zijn paradijsachtige toestanden,” merkte kroonprinsRudolfop en drukte in deze enkele woorden zeer juist de verhouding uit, die er bestaat tusschen de menschen en dieren van Hongarije. Evenals de oosterling kent ook de Hongaar gelukkig de moordzucht niet, waardoor de dieren in West-Europa zoo schuw zijn geworden en die hun aantal, helaas! zoozeer[475]heeft doen verminderen; hij gunt zelfs gaarne aan den roofvogel een plaatsje op zijn eigendommen en grijpt niet voortdurend ruw en wreed in de dierenwereld in, die om hem leeft en zich beweegt. Niet eens het schandelijk egoïsme, dat tegenwoordig elk jaar hebzuchtige kooplieden in vederen aanspoort tot rooftochten op den beneden-Donau, ten einde honderdduizenden, levenslustige lieve vogels ter wille van hun gevederte op te offeren, heeft den Magyaar kunnen bewegen van zijne goede oude zeden af te wijken. Onverschilligheid omtrent de hem omgevende dierenwereld moge daartoe grootelijks bijdragen, maar de gastvrijheid, die hij den vogels bewijst, komt dikwijls uit het hart en verdelgingswoede blijft hem vreemd. Zonder van vrees te doen blijken vertoeven de dieren, voornamelijk de vogels, in de nabijheid van den mensch; zij doen alsof zij alleen waren. De arend nestelt aan den weg in het bosch; de gewone raaf in het boschje langs den akker; de zwarte ooievaar is niet schuwer, dan bij ons de heilige, gewone ooievaar; het wild staat niet van zijn leger op, wanneer de wagen tot op geweerschotsafstand voorbijrolt. Het zijn werkelijk paradijsachtige toestanden.Zulke toestanden zouden wij evenwel ook nog buiten het Keskenderwoud leeren kennen. Nadat wij dit laatste nog in verschillende richtingen hadden doorkruist, de nesten van meer dan twintig arendbuizerden en vischarenden, alsmede van den zwarten ooievaar bezocht en bejaagd, ons met een heerlijk ontbijt en nog meer met den heerlijken wijn van dit land verkwikt en gelaafd, vingen wij, door eene dreigende onweêrswolk tot spoed aangezet, onze terugreis naar het vaartuig aan, steeds jagende en verzamelende, zooveel de gelegenheid veroorloofde. De weg, langs welken wij terugreisden, was een andere, dan die, welken wij op de heenreis hadden genomen, n.l. een groote heirbaan, die verschillende dorpen verbond. Een aantal dezer laatste hadden wij reeds achter den rug, toen wij opnieuw tusschen huizen doorreden. Aan de gebouwen was niets bijzonders te zien, maar aan de bewoners meer dan ik ooit had kunnen denken. De bevolking van het dorpDalyckbestaat bijna uitsluitend uit Schokazen of katholieke Serben, die tijdens de heerschappij der Turken uit het Balkan-schiereiland naar hier zijn vertrokken, liever, door de Turken herwaarts gebracht. Het zijn schoone, slanke menschen, deze Schokazen. De mannen zijn groot en sterk; de vrouwen in dit opzicht op de mannen gelijkende, zijn zeer goed gebouwd en waarschijnlijk niet[476]van schoonheid ontbloot. Het eerste viel te beoordeelen, voor het laatste moest de fantasie ons te hulp komen; de Schokazinnen toch dragen een kleed, gelijk zeker nergens in Europa gezien wordt, en door onzen hoogen jachtheer, steeds vindingrijk en veelbeteekenend in zijn uitdrukkingen, mythologisch genoemd. Wanneer ik zeg dat het hoofd en het aangezicht bijna geheel omhuld worden door op zeer eigenaardige, maar volstrekt niet smakelooze wijze ineengewonden en toegeknoopte doeken, terwijl de rok vervangen wordt door twee bontgekleurde, op een schort gelijkende, losse stukken doek, mag ik overigens aan de verbeelding volle vrijheid veroorlooven, zonder mij bevreesd te maken, dat zij al te zeer de haar gestelde perken zal overschrijden. Ik zelf werd levendig herinnerd aan het kamp Arabische nomaden, dat ik eens in de oerwouden van Centraal-Afrika bezocht.Onder een stortregen bereikten wij tegen ’t vallen van den avond ons gezellig vaartuig. Regenachtig is ook de volgende ochtend, bewolkt de dag en weinig winstgevend de jacht. Zulks noopt ons verder te reizen, hoe dankbaar wij ook waren voor de dagen in de heerlijkheid Bellye doorgebracht, en hoe rijk de oogst misschien ook zou geweest zijn, indien wij hier nog ettelijke dagen hadden vertoefd, waargenomen en verzameld. Met een hartelijke en welverdiende dankbetuiging nam onze jachtheer afscheid van den beambte der aartshertogelijke heerlijkheid; nog een blik op de wouden, die ons zooveel goeds hadden geschonken, en nogmaals stoomt ons snelvarend scheepje den Donau af. Binnen weinige uren bereiken wij Draueck, den mond der Drave, welke rivier voortaan de richting van de bedding der rivier schijnt te bepalen. Een der meest grootsche rivierlandschappen, die ik ooit gezien heb, ligt thans voor ons. Een breed watervlak strekt zich voor onze oogen uit; in ’t zuiden wordt het begrensd door lachende heuvelen, naar alle andere zijden breiden zich bosschen uit, gelijk wij nog niet gezien hebben. Noch de loop van den hoofdstroom, noch die van zijn nevenrivier laat zich vervolgen; de ontzettende watermassa gelijkt op eene van alle kanten ingesloten zee, welker oevers slechts bij den straks vermelden heuvelketen duidelijk te voorschijn treden; want zelfs tusschen het groen der bosschen door, op plaatsen, waar openingen het gezicht vrij laten, ziet men wederom water, woud en rietbosschen, welke laatste den vele mijlen grooten plas Hullo bedekken, in eindeloos schijnende uitgestrektheid. Reusachtige boomstammen, door beide rivieren aangevoerd en half onder ’t water verscholen, half daarboven drijvende,[477]nemen allerlei fantastische vormen aan; het schijnen de fabelachtige dieren der voorwereld te zijn, die hun gepantserde lichamen boven de donkere golven uitsteken. Want donker, bijna zwart stroomt de „blondeDonau” daar heen, terwijl ons vaartuig Draueck voorbijstoomt. Grijsachtig zwarte en loodkleurige onweêrswolken bedekken den hemel; oogenschijnlijk zweven ook zij tusschen het honderdvoudig geschakeerde groen der bosschen en hangen zij boven de eentonig vaalgeel gekleurde rietvelden.Bliksemstralen werpen een schel licht op dit tooneel; de regen stroomt kletterend naar beneden, de donder laat zijn gerommel hooren, de stormwind huilt in de hooge toppen der oude boomen, woelt in de wateren en kroont de donkere toppen der golven met een grijsachtig wit schuim; beneden, in het zuidoosten echter breekt de zon door het zwarte floers des hemels, omzoomt dit met purper en goud, en werpt daarover een helder licht, zoodat de zware schaduwen nog scherper uitkomen; fonkelend straalt het op de bonte heuvels, die in de verte tot een gebergte opstijgen. Daarbeneden, daar aan gindschen kant liggen gehuchten en dorpen; hierboven wordt de oorspronkelijkheid van het grootsche, in zijn wildheid en momenteele verlichting en beweging zoo verheven tooneel slechts gebroken door eene enkele, kegelvormige, met riet gedekte visschershut.In ’t oog vallend is de armoede aan vogels, in ’t algemeen de eenzaamheid der uitgestrekte watervlakte. Geen meeuw zweeft over den spiegel van den Donau, geen zeezwaluw vliegt in zigzaglijnen op en neder; hoogstens verheffen zich enkele woerden uit den stroom. Nu en dan ziet men nog een blauwen reiger, eene vlucht kwakken, een zeeadelaar, eenige wouwen, raven en bonte kraaien, misschien wel een troep kieviten, en de opsomming der hier aanwezige vogels is geëindigd.Van den volgenden dag af trekken wij jagend en waarnemend door een wonderschoon gebied. De blauwe bergen voor en op welke gisteren in den onweêrsnacht heldere, gouden zonnestralen vielen, zijn de hoogten der Fruškagora, een boschrijk middelgebergte van de heerlijkste soort. GraafRudolf Chotekhad op de voorbeeldigste wijze alles voor eene waardige ontvangst van onzen hoogen jachtheer voorbereid en zoo wachtten ieder onzer onvergetelijke dagen. Van het dorp Cerewic uit, boven hetwelk onze boot ligt, rijden wij elken dag door de kloven, beklimmen wij in den wagen of te paard, of wandelende, de hoogten van het gebergte, om elken avond vol zaligheid en geluk weder huiswaarts te keeren. De gulden Meimaand verkwikt geest en lichaam,[478]hart en ziel, en onze gastheer is zoo onuitputtelijk in attenties, voorkomendheid, vriendschapsbewijzen en gulheid, dat de dagen, door ons in de Fruškagora doorgebracht, wel voor immer onvergetelijk zullen blijven; zij behooren tot de rijkste en schoonste der geheele reis.De streek, dagelijks door ons bezocht, is meer dan liefelijk. In de nabijheid van het dorp breiden zich akkers uit; achter deze begint de gordel van wijnbergen, die zich uitstrekken tot aan den zoom des wouds; in de dalen en ravijnen daartusschen bloeien en geuren tal van ooftboomen, die aan het landschap eene ongemeene bekoorlijkheid schenken; aan de hellingen der wegen, die gewoonlijk den loop der dalen volgen, woekert een dicht struikgewas, terwijl het oog zich vermeit in eene bloemenpracht, die in deze dalen, waar geen watergebrek heerscht en murmelende beekjes hun aangenaam geruisch laten hooren, weelderig ontluikt. Op de eerste hoogten heeft men een verrassend schoon vergezicht. Beneden op den voorgrond teekent het dorp Cerewic zich schilderachtig af; dan volgt de breede Donau met zijn lage oeverbosschen aan den overkant; achter de rivier en de bosschen breidt zich de eindelooze Hongaarsche laagvlakte uit, en toont den waarnemer haar weilanden en akkers, haar bosschen en poelen, haar dorpen en marktvlekken in een onzeker, en juist daardoor te meer boeiend licht; in het oosten troont de vesting Peterwardein.Boven de akkers verheffen zich zingendeleeuweriken; uit de struiken klinkt uit honderden kelen de slag van den nachtegaal; uit de wijnbergen schalt het vroolijk lied van den steenlijster en hoog in de lucht beschrijven twee giersoorten en drie verschillende arenden hun wijde kringen.Na een korten tocht verdwijnen stroom, dorpen en akkers, en een heerlijk boschrijk dal neemt ons op. Steil vallen de bergen weêrszijds af; kam en rug zijn dicht met niet al te hoog geboomte bezet. Eiken, linden, olmen en platanen maken hier, beuken en hoornboomen ginds de bevolking uit; dicht en laag struikgewas, waar de nachtegalen verblijf houden, vormen de omgrenzing. Geen grootsch vergezicht loont den wandelaar, die de hoogste ruggen beklimt en in ’t noorden Hongarije, in het zuiden Servië voor zich ziet liggen, maar hart en zinnen worden gestreeld door een plechtig, rustig schemerdonker. Van de hoofdkam, die niet hooger dan tot 900 meter opstijgt, scheiden zich, in min of meer loodrechte richting verloopende, naar beide zijden een aantal ketens af, die van welken kant ook beschouwd, dikwijls[479]een verrukkelijk gezicht opleveren. Zij eindigen in dalen of sluiten ketels in, welker hellingen tot nog toe geen hout hebben afgevoerd en deswege prijken in al de schoonheid van een oorspronkelijk woud. Reusachtige, recht opgeschoten, tot aan de hooge kruinen gladstammige beuken rijzen uit een veenlaag van bladeren omhoog, waarin de jager tot zijn knieën inzinkt; knoestige eiken steken de takken hunner kruinen hoog in de lucht, alsof zij alle roofvogels wilden uitnoodigen hun nesten hier op te slaan; gewelfde linden vormen hier en daar zulk een dicht gesloten bladerendak, dat de stralen der zon slechts na veelvuldige terugkaatsing den grond bereiken. Zanglijsters en merels, wielewalen en roodborstjes, schildvinken en fluiters, zijn, behalve de overal verspreide nachtegaal de zangers van dit woud; de koekoek roept zijn lentegroet van berg tot berg; zwarte en groene spechten, boomklevers en meezen, houtduiven en kleine boschduiven merkt men almede op.Onze jacht was hoofdzakelijk gericht op den grootsten aller Europeesche roofvogels, den grauwen gier, wiens noordelijkste broedgebiedsgrenzen in de Fruškagora schijnen gelegen te zijn. Bij dezen vogel heeft zich onlangs, wellicht gelokt door de ongelukkige offers van den Servischen oorlog, de tweede groote gier van Europa gevoegd, en beiden broeden hier onder de niet moeielijk te verklaren bescherming van den dierkundigen en dieren-minnenden eigenaar des wouds. Ik kende van vroegere reizen beide soorten, maar niettemin verheugde ik mij uitermate, ze hier op hun broedplaatsen te kunnen waarnemen en mededeelingen te mogen ontvangen van een jager, gelijk Graaf Choteks; waarneming, uitvorsching van het leven der dieren, was trouwens bij ons hoofdzaak. En weder knoopten wij de eene waarneming aan de andere, en menige ons nog donkere zijde van het leven dezer beide reuzen onder de vogels werd door dit onderzoek opgehelderd en verklaard.De grauwe of monniksgier, wiens verbreidingsgebied niet alleen de drie zuidelijke schiereilanden van Europa omvat, maar bovendien West- en Middel-Azië tot aan Indië en China in zich sluit, is een standvogel der Fruškagora, die echter na den broeitijd gaarne zwerftochten onderneemt, welke hem geregeld tot in het noorden van Hongarije, soms tot naar Moravië, Bohemen en Silezië voert. Krachtige vleugels stellen hem in staat zulke tochten zonder veel inspanning te ondernemen. Wanneer de eieren of hulpbehoevende jongen hem niet aan de plaats binden,[480]vliegt hij in den vroegen voormiddag van den boom, waar hij den nacht doorbracht, stijgt in schroeflijnen omhoog, zoo hoog, dat het ongewapende oog hem niet meer kan volgen, ziet van hier met zijn weêrgaloos scherp, voor de meest verschillende afstanden geaccomodeerd gezichtsorgaan groote vlakten over, terwijl niets zijn blik ontgaat; hij speurt zelfs het kleinste aas, en zoodra iets, dat van zijn gading is, ontdekt wordt, stort hij zich uit de hoogte daarop neder. Na dit, òf opgegeten, òf althans voorloopig in den krop geborgen te hebben, neemt hij den terugtocht aan of zwerft nog eenigen tijd doelloos rond. Even gelijk hij het beneden hem gelegen, vele vierkante geografische mijlen omvattend, voor zijn oogen geheel ontsloten gebied afleest, let hij eveneens op de bewegingen van eigen soortgenooten, of van andere groote, aasvretende roofvogels in ’t algemeen, om van deze waarnemingen zooveel mogelijk partij te trekken. Hierin vindt men de verklaring van het feit, dat dikwijls zoovele gieren tegelijk plotseling bij een of ander groot aas verschijnen, en dit zelfs in streken, waar zij gewoonlijk niet verblijven. Niet het vrij zwakke reukvermogen, maar alleen het scherpe gezicht is hun op deze rooftochten van dienst. De een vliegt den ander na, zoodra hij bemerkt, dat deze eene prooi heeft opgespoord, en de snelheid van zijn vlucht is zoo groot, dat hij dikwijls nog intijds bij het feestmaal is aangekomen en reeds bezig is met smullen, terwijl de ontdekker daar nog zijn kringen boven beschrijft. Talmen mag hij niet, want niet tevergeefs dragen deze vogels hun naam; hunne vraatgierigheid gaat alle perken te buiten. Weinige minuten zijn voor drie of vier gieren voldoende om een dooden hond of een dood schaap bijkans geheel te verslinden, zoodat de maaltijd met onbegrijpelijke snelheid verloopt en hij, die te laat komt, den hond in den pot vindt.De gieren der Fruškagora vinden overigens, behalve groot aas, hier ook nog veel goeds voor krop en maag in andere dieren, want wij troffen in het spijskanaal van een door ons gedooden vogel de overblijfsels aan van ziesels en groote hagedissen, welke dieren hoogst waarschijnlijk niet dood gevonden, maar levend gegrepen zijn geworden.In overeenstemming met de meer noordelijke ligging der Fruškagora en de voor gieren minder gunstige geregelde toestanden van het omliggende land, zaten de monniksgieren tijdens ons verblijf nog op de eieren te broeden, terwijl diezelfde vogels in meer zuidelijke streken zeker reeds jongen hadden. De nesten bevonden zich op de hoogste[481]boomen van het bosch, veelal op meer dan twee derde van de hoogte der berghellingen. Graaf Choteks kende velen hunner, daar zij sedert twintig jaren steeds geregeld naar dezelfde broedplaats terugkeerden, terwijl menig nest al dien tijd hetzelfde paar had gediend en elk jaar nieuwen toevoer van bouwstoffen erlangd, zoodat sommige eene verbazende afmeting hadden verkregen. Enkele nesten waren van later dagteekening. Alle evenwel waren het bouwgewrocht der vogels zelf. In het oudste en grootste had een volwassen mensch kunnen liggen zonder met het hoofd of de voeten veel over den rand heen te steken.Wij zetten ons onder deze nesten neder om het leven en bedrijf in het woud aandachtig na te gaan, tevens hier de terugkomst der voor ons gevluchte gieren af te wachten, en hun een zeker schot in ’t lijf te jagen. Vier achtereenvolgende dagen togen wij elken morgen naar dat heerlijk woud, en geen enkelen dag keerden wij zonder buit naar de rivier terug. Niet minder dan acht groote gieren, een aantal arenden, en ontzaglijk veel klein gevogelte van verschillende soort maakten wij buit, terwijl het jachtvermaak nog werd gekruid en gewijd door hoogst belangrijke, ons allen boeiende waarnemingen. Wanneer de laatste zonnestraal was verdwenen, verzamelden de jonge dorpsbewoners zich om ons vaartuig. Viool en doedelzak vereenigden zich tot eene liefelijke, alhoewel eenvoudige melodie, en meisjes en jongens bewogen zich, den hoogen gast ter eere, in den gelijkmatig zwevenden volksdans.Nadat wij ook aan den anderen oever van den Donau met gelijk geluk hadden gejaagd, namen wij eindelijk, op den vijfden dag, afscheid van onzen meer dan oplettenden gastheer, den eigenaar der bezitting, en vervolgden de reis, altijd stroomafwaarts trekkende. Na eene vaart van drie kwart uurs bereiken wij Peterwardein, de kleine, nu verouderde, maar schoon en schilderachtig gelegen vesting, anderhalf uur later Karlowitz, in welker nabijheid wij den nacht doorbrengen. Den volgenden morgen bereiken wijKovil, het einddoel van den tocht.In de nabijheid van dit groote dorp bevinden zich door akkers ingesloten bosschen, waarvan eiken het hoofdbestanddeel uitmaken, maar waarin zich zulk een dicht onderhout bevindt, dat de wolf en wilde kat, ondanks de nabijheid van vele bewoonde plaatsen, hier een schier ongestoord leven leiden. Geen wonder dus, dat ook roofvogels van allerlei soort, vooral zee-, konings-, schreeuw- en dwergarenden, arend-buizerden, wouwen, haviken, oehoe’s, alsmede andere uilen, hier[482]hunne nesten opsloegen; allerlei klein gevogelte houdt hier almede verblijf. Onze hooge jachtheer en zijn doorluchtige zwager beproefden in de bosschen hun geluk, terwijlEugenius von Homeyeren ik gingen jagen in een hoogerop gelegen moeras, dat door den hoogen waterstand nu tot een wijde zee was geworden.In dit moeras,—op dit tijdstip evenwel waren de vogels nog niet alle aangekomen, daar de trek nog in vollen gang was—in dit moeras heerschte het rijkste en veelsoortigste dierenleven. In bijna onafgebroken opvolging trekken sterke vluchten zwarte zeezwaluwen naar den Donau, nu eens in dichte drommen, dan weêr zich verdeelende over de geheele breedte van den buiten zijn oevers getreden stroom; ongetwijfeld naar nestplaatsen zoekende, reizen honderden zwarte ibissen, in den gewonen V-vorm vliegende, stroomopwaarts en stroomafwaarts, naar de Theis zich begevende of van deze rivier terugkeerende; purperreigers, blauwe reigers en ralreigers loopen visschende heen en weder; rietwouwen, lange rietstengels naar het nest dragende, vliegen langs oude, bekende wegen; opnieuw gepaarde eenden, wier wijfjes door den hoogen waterstand van hare eieren beroofd werden, verheffen zich bij ’t naderen onzer kleine boot schreeuwend boven het water, terwijl futen en waterhoentjes in de diepte eene schuilplaats zoeken; kortom, geen plekje der groote watervlakte is onbezet en zonder leven. Een houtvester, met de wegen vertrouwd van een overstroomd bosch, wacht ons op in zijne woning, die als een eilandje boven het water uitsteekt, om onze gids te zijn in deze boschwoestijn, die alle vroeger bezochte verre achter zich laat, omdat de hooge waterstand nieuwe hindernissen voegde bij de reeds bestaande. Ons vasthoudende aan de in gewone omstandigheden tamelijk hoog boven den grond verheven takken, dikwijls gebukt onder andere, die den weg versperren, heen trekkende, trachten wij door de breede watervlakte, tusschen half en geheel omgevallen boomen en drijvende stukken hout, groot en klein, een weg te banen om binnen in het woud te dringen. Wilde eenden, die op knotwilgen zitten tebroeien, blijven gerust op de eieren en laten zich door ons niet storen, al naderen wij hen tot op een meter afstand. Geoorde futen, die het vrije water hebben opgezocht, zwemmen, zoodra zij ons in ’t gezicht krijgen, naar het groene loof der tot aan hun kronen in ’t water staande boomen,—hoofdzakelijk wilgen; kwikstaarten springen van het eene stuk drijfhout op het andere; bonte spechten en boomklevers hangen dicht bij de oppervlakte van het[483]water tegen de boomstammen, om op de hun gewone wijze naar voedsel te zoeken. Het eene beeld uit het leven der vogels verdringt het andere; ieder tooneel schijnt echter iets ongewoons, omdat de bijzondere omstandigheden daarin zekere wijziging hebben gebracht. Om bij het nest van een zeearend te komen, moeten wij ver door het water baden; om dat van eene kraai te naderen moeten wij een langen omweg maken. Regelrecht op het jachtdoel afgaan is hier onmogelijk, en toch is de jacht meer dan winstgevend. Ik had persoonlijk het genoegen en voorrecht een der uitstekendste bouwkunstenaars van ons werelddeel, den buidelmuis, bij zijn werk gade te slaan; ’t was voor ’t eerst van mijn leven.Den volgenden dag vereenigde zich het geheele jachtgezelschap in een der genoemde boschjes tusschen de akkers. Een Hongaarsche houtvester had eene groote drijfjacht op wolven voorbereid, maar deze zoo onverstandig ingericht, dat vriend Isegrim ongezien weg kon sluipen. De weinig hoopgevende jacht werd dan ook spoedig gestaakt, terwijl wij nu nog het overige van den tijd zooveel mogelijk nuttig besteedden tot het doen van waarnemingen omtrent het leven der deze bosschen bewonende vogels.Nog in den loop van dienzelfden dag verlaten wij Kovil, bereiken tegen zonsondergang wederom Peterwardein, varen in de eerste uren van den nacht de Fruškagora nogmaals voorbij, verlaten den volgenden dag nog eenmaal ons vaartuig, om in het rietbosch Hullo te jagen en daar waarnemingen te doen, krijgen hier eindelijk den te vergeefs gezochten grooten zilverreiger te zien, moeten evenwel met den ons nog slechts spaarzaam toebedeelden tijd rekening houden en verder stoomen, teneinde den sneltrein naar Weenen niet te missen.Dankbaar de laatste dagen gedenkende, tevens den snellen voortgang hunner uren beklagende, varen wij weder de oeverbosschen, die ons zooveel genot hadden geschonken, voorbij, en met den wensch in het hart nog eenmaal deze oorden te bezoeken, en dan voor langer tijd daar te vertoeven, nemen wij voor ditmaal afscheid van een even rijk als eigenaardig land.[485]
XVII.ONDERZOEKINGSTOCHTEN OP DEN DONAU.
Hongarije is en blijft het land van belofte voor den vogelkenner. Gunstiger gelegen dan eenig ander land van ons werelddeel, tusschen de Noordzee en de Zwarte zee, tusschen de Oostzee en de Middellandsche zee, tusschen de Alpen en de groote Germaansch-Russische laagvlakte, het noorden en het zuiden,—steppen en gebergten, bosschen, groote rivieren en moerassen in zich sluitende,—schenkt het aan standvogels zoowel als aan strijk- en trekvogels, de grootste voordeelen en aantrekkelijkheden, en om deze reden vertoont Hongarije een rijkdom aan vogels, gelijk wellicht geen ander land van ons werelddeel. De meesterlijke beschrijvingen van dien rijkdom, aan de pen onzer uitstekendste geleerden ontvloeid, dragen er niet weinig toe bij om in ’t hart van alle vogelkundigen een heimelijk verlangen naar Hongarije op te wekken. Maar vreemd:—het schoone, rijke land ligt zoo nabij en wordt toch zeer zelden door Duitschers bezocht.Ook ik had alleen zijn hoofdstad gezien en dan nog zooveel als men van uit een spoortrein kan waarnemen; steeds sterker werd in mij het verlangen, dat heimwee, van hetwelk ik zooeven gewaagde. Dat verlangen zou bevredigd worden, maar om spoedig daarna weder vuriger te ontwaken. „Niemand wandelt ongestraft onder palmen” en geen vogelminnaar verwijlt eenige Meidagen in deFruškagorazonder later een hartstochtelijk verlangen in zich te voelen opkomen, die dreven weder te zien.„Wilt gij mij,” zoo vroeg mij eens mijn hooge beschermer, kroonprinsRudolf, „naar het zuiden van Hongarije op de arendjacht vergezellen? Ik heb stellige berichten omtrent twintig adelaarsnesten, en ik vertrouw, dat wij allen onze kennis veel zullen vermeerderen, wanneer wij deze nesten opzoeken en tevens vlijtig waarnemen.”Twintig adelaarsnesten.Men moet jarenlang op de kale aardkluiten van Noord-Duitschland geketend zijn geweest, men moet zich daarbij[462]de heerlijke ontmoetingen van bereisde vogelkenners voor den geest kunnen roepen,—en in beide gevallen verkeerde ik—om zich de vreugde te kunnen voorstellen, waarmede ik dit aanbod aannam.Twintig adelaarsnesten, op geen grooten afstand van Weenen, op geringen afstand van Pest; ik zou niet mijns vaders naam hebben moeten dragen, om hierbij onverschillig te blijven! Tot uren werden de dagen, die onder allerlei toebereidselen voorbijvlogen, en tot weken werden ze door het ongeduld, met hetwelk ik naar de afreis verlangde.Het was een klein, maar opgeruimd, hoopvol jacht- en werklustig reisgezelschap, dat op Paaschmaandag van het jaar 1878 uit Weenen vertrok. Behalve onze aanzienlijke jachtheer en diens doorluchtige zwager bevonden zich nog de opperhofmeester Graaf Bombelles, Eugenius von Homeijer en ik als verdere jachtgenooten op de snelle en behagelijke boot, die ons een dag later, van Pest uit, op de golven van den „blonden” Donau stroomafwaarts voerde. Door de morgenzon bestraald en overgoten met het waas der lente lag de trotsche keizersburg van Ofen voor ons; in ’t eerste voorjaarsgroen prijkten de tuinen van den Bloxberg, toen wij in het vroege morgenuur afscheid namen van de hoofdstad van Hongarije.Noch met den Rijn, noch met den bovenloop, ook niet met den benedenloop van den Donau laat zich het stuk dezer rivier vergelijken, dat wij bereisden. Weinige kilometer reeds beneden de tweelingsteden worden de oevers vlak; spoedig krimpen de bergen aan den rechteroever in tot onzichtbare heuvels, en slechts in de blauw-nevelige verte aanschouwt het oog nog de zacht golvende lijnen van matig hooge bergen. Aan den linkeroever breidt zich eene onmetelijke vlakte uit. Onafzienbaar, zonder afwisseling, gelijkvormig en eentonig ligt zij daar; zelfs de daarin verspreid liggende, aanzienlijke dorpen brengen in die eentonigheid nauwelijks eene geringe afwisseling. Hier en daar ziet men een herder leunen op zijn zwaren staf; geen vrome schaapjes zijn echter aan zijn hoede toevertrouwd, maar knorrende borsteldragers, die gezellig rondom den door de zon gebruinden man staan, of in behagelijke rust nabij hem zijn gelegerd. Om den poel, die bij dezen hoogen waterstand geheel vol is geloopen, beschrijft de kievit wijde kringen; over de breede vlakte zwenkt de blauwe kuikendief; voor hunne, in de steile oeverwanden gegraven nestholten zweven de oeverzwaluwen[463]heen en weder; op de met hout beschoten daken der talrijke scheepsmolens trippelen sierlijke kwikstaartjes op en neêr; uit de rivier verheffen zich kwakende eenden en aalscholvers; boven het water vliegen en zwenken wouwen en bonte kraaien. Zoo ongeveer is het beeld van dit landschap.Weldra evenwel komt daarin verandering. Nog effener wordt de vlakte, die de stroom zich zelf eenmaal schiep en die hij thans uitdiept. Over uitgestrekte, nog niet ingedijkte, en daarom door elken hoogen vloed overstroomde vlakten verdeelt hij zich in een aantal, geen afzonderlijke namen dragende armen. Welig opgeschoten hout bedekt de oevers en eilanden; dicht begroeide oeverzoomen weren den blik in ’t inwendige dezer oerwouden, welke zich mijlen ver langs den horizon uitstrekken. In weêrwil der eentonigheid ontstaan en verdwijnen toch afwisselende tooneelen, vormen deze zich, verschuiven ze en worden ze opgelost, al naar ons vaartuig met den stroom eene andere richting aanneemt. Wilgen, abeelen, zilverpeppels en zwarte populieren, olmen en eiken, de eerstgenoemde het meest, de laatstgenoemde meer spaarzaam, vormen den inhoud. Hooge, oude wilgen steken boven den dichten, bijna uitsluitend uit boomen derzelfde soort bestaanden oeverzoom uit; dieper naar binnen rijzen zilverpopulieren en zwarte populieren met hunne heerlijke kronen omhoog, of steken oude, knoestige eiken de dorre takken in de lucht. Met eenen enkelen blik overziet men een geheel leven, van het uitspruitend wilgenrijsje af tot den afstervenden boomreus; ontspruitende, ontkiemende, opgroeiende, in vollen wasdom prijkende struiken en boomgewas, dorre kruinen, door hemel- en aardsch vuur gevallen en half verbrande, op den grond liggende en vermolmende stammen. Daartusschen blinken stilstaande of stroomende wateren, daarboven welft zich de lucht. Uit het geheimzinnig duister klinkt de slag van den nachtegaal, van den vink, het gezang van den in liederen rijken zanglijster, gilt de valk, schreeuwt de arend, lacht de specht, krast de raaf, krijscht de reiger. Nu en dan speurt men eene minder dichte plaats in het bosch, een nog niet weder dicht gegroeide, gevelde plek, die een blik veroorlooft op het daarachter gelegen landschap, op de uitgestrekte vlakte van den rechteroever en den haar begrenzenden heuvelzoom, op schier eindelooze akkers, op een dorp, op eene stad. In den zomer, wanneer het groen van één tint is, in den naherfst, in den winter en het voorjaar, wanneer de boomen bladerloos staan, moge dit oeverlandschap vermoeien,[464]nu moge het ook eentonig schijnen, maar het is in werkelijkheid bekoorlijk; alle populieren en wilgen prijken thans met hun jeugdig, frisch groen, velen met den dos hunner bloemen en zoo zien de bosschen er, althans hier en daar, werkelijk teekenachtig uit.Op weinige plaatsen zijn deze bosschen toegankelijk, omdat zij hoofdzakelijk slechts een onafgebroken moeras vormen. Tracht men, nu eens langs droge wegen, dan eens langs en op het water tot het inwendige door te dringen, men stuit al spoedig op eene wildernis, gelijk men ze b.v. in Duitschland niet kent. Op de hoogst gelegen plaatsen, daar, waar zich een vette, gedeeltelijk slijkerige grond bevindt, wordt men nog eenigszins aan Duitsche bosschen herinnerd. Hier ligt wel is waar een weelderig, sappig groen, met witte, geurige lelietjes van dalen getooid tapijt ver in ’t rond uitgespreid; maar ook hier groeien welig opschietende brandnetels en bramen in zulk eene hoeveelheid, en doorvlechten zij de aldaar voorkomende klimplanten zoo volkomen, dat het ons onmogelijk wordt verder door te dringen. Op andere plaatsen wordt het woud letterlijk tot een meer, uit hetwelk de reuzenboomen omhoog stijgen. Zware stammen, door ouderdom, storm, bliksem of ’t lichtvaardig vuur van den herder geveld, liggen rottend in het water en verstrekken dikwijls reeds tot voedsel voor jong opgeschoten heesters, die daaruit opgroeien; andere, minder vergaan, versperren den weg. Afgevallen hout, dikke takken en dunne, door den wind bijeengehoopte twijgjes vormen drijvende eilandjes en landtongen, die zoowel kleine bootjes in hunne vaart hinderen, als den wandelaar, die wadend den weg vervolgt. Dergelijke, soms vrij groote, drijvende eilanden, uit riet en bies samengesteld, vormen een onzeker, niet te vertrouwen dek. Boven den waterspiegel oprijzende kleibanken, op welke de zaden van wilgen en populieren een vruchtbaren bodem vonden, zijn dicht met genoemde boomsoorten begroeid en betwisten zelfs den grond aan de rietbosschen, die oppervlakten innemen van meer dan eene vierkante geografische mijl. Dwergwilgen, hier jeugdig en frisch, daar grijs van ouderdom, zien er in de verte uit als donkere plekken in dat rietbosch. Wat het donkere woud met zijn moerassen en dicht geboomte, wat het riet herbergt, zulks blijft voor het zoekend oog des waarnemers meerendeels verborgen; alleen de rand dezer wildernissen ligt voor hem bloot, het breede vaarwater is de eenige hem toegankelijke weg.In zulke oorden begonnen wij onze jacht, die eerst op de beheerschers der lucht was gemunt. Deze, de arenden, kwamen ons op den[465]eersten reisdag echter nog niet onder schot, zelfs niet onder onze oogen; in vergoeding hiervoor bezochten wij echter het reeds jarenlang beroemde reigereilandAdonyen hier hadden wij ruimschoots gelegenheid om het leven van genoemde vogels in den broeitijd te leeren kennen. In de hooge boomen van dit eiland nestelen sedert twee menschenleeftijden, te midden van daar veel langer reeds verblijf houdende roeken, eene menigte reigers en schollevaars, en al moge ook in de laatste dertig jaren het aantal van laatstgenoemde vogels zeer zijn verminderd, verdwenen zijn zij nog niet. Voor veertig jaren nestelden hier volgensLandbeck, ongeveer duizend paren kwakken, tweehonderd en vijftig paren blauwe reigers, vijftig paren kleine zilverreigers en honderd paren schollevaars; heden zijn wederom de roeken het talrijkst, en hun aantal kan op 1500 à 2000 paren gesteld worden; de blauwe reigers echter zijn tot op ongeveer 150, de kwakken tot op 50 à 40 paren versmolten, terwijl de kleine zilverreigers geheel verdwenen zijn, maar de schollevaars komen er nog even talrijk voor als vroeger. Toch klonk ons nog een nagalm uit het voormalig leven in de ooren, toen wij het eiland betraden, en in sommige deelen vertoont het bosch nog vrij wel het oude beeld.Oogenschijnlijk leven die gemengde vogelscharen in volkomen eendracht samen, maar werkelijk zijn vrede en vriendschap hier verre. De eene vogel verontrust of helpt, brandschat of voedt den ander. In de kolonies der roeken laten zich de reigers neder om vrij te zijn van den nestbouw; de eersten slepen de takken samen en bouwen de nesten, de laatsten verdrijven de roeken van het nest, om zich òf het nest zelf, òf de materialen toe te eigenen; nu komen de aalscholvers om wederom de reigers den roof te ontnemen en hier ten slotte de beheerschers en gebieders van den staat te blijven. Maar neen, ook deze dieven en roovers worden op hunne beurt beroofd en bestolen, want kraaien en wouwen, welke laatste vogels nimmer in zulk eene kolonie ontbreken, voeden zich zelf en hunne jongen voor een goed deel met de visschen, die de reigers en aalscholvers naar hunne nesten hadden gesleept.De eerste ontmoeting dezer verschillende broedvogels is van vijandelijken aard. Hevige gevechten hebben plaats, en de tienmaal overwonnene opent voor de elfde maal den strijd, alvorens zich bij het onvermijdelijke neêr te leggen. Mettertijd evenwel komt er verbetering in den toestand; men begint op te merken, dat uit het samenwonen ook[466]voordeelen ontspruiten en dat er voor vredelievende buren ruimte genoeg overblijft. Wel is waar heerscht er ook nu nog geen volmaakte rust en vrede, maar de felle strijd tusschen de verschillende soorten wijkt voor meer dragelijke toestanden. Men wordt aan elkander gewoon en maakt zich de werkzaamheid van zijne tegenpartij zooveel mogelijk ten nutte. Ja, het komt wel eens voor, dat de beroofde den roover, wanneer deze in de noodzakelijkheid komt zijn broedplaats elders op te slaan, herwaarts volgt.Zulk een gemengde reigerkolonie levert inderdaad een aantrekkelijk gezicht op. „Een boeiender en fraaier tooneel, rijker in afwisseling,” zegt Baldamus, „dan deze Hongaarsche moerassen met hare vogelenwereld, die zich gelijkelijk onderscheidt door het aantal individuen als door verscheidenheid in kleur en vorm, kan men zich bezwaarlijk denken. Men beschouwe slechts de meest merkwaardige dezer moerasbewoners in een museum, en denke zich dan deze dieren staande, stappende, loopende, klimmende, vliegende, kortom,levend, en men zal moeten toegeven, dat het vogelleven hier onbeschrijfelijk aantrekkelijk is.” Deze teekening is ook dan nog juist, wanneer men haar toepast op het verarmde eiland Adony. Hoe gedund ook de eens zoo rijke bevolking zij, nog altijd bestaat zij uit duizenden en nog eens duizenden individuen. Ver in het rond draagt iedere boom des wouds nesten, sommige van twintig tot dertig stuks, en om deze verdringt en beweegt zich het levendige volkje der zoo onderscheiden kolonisten. De broeiende wijfjes der roeken, blauwe reigers, kwakken en aalscholvers zitten op de nesten, en gluren met haar donkere, zwavelgele, bloedroode, of zeegroene oogen naar den rustverstoorder, die haar heiligdom betreedt; op de hoogste takken der reuzenboomen zitten of klauteren, daarboven fladderen, vliegen en zweven allerlei zwarte, bruine, grijze, één- en bontkleurige, doffe en glinsterende vogelgedaanten; wouwen beschrijven daarboven hun kringen; tegen de stammen hangen en werken de spechten; in de bloesems van een pereboom zoeken gladde, vlugge grasmusschen, in de toppen der reeds bebladerde vogelkersen vinken en boschzangers hun dagelijksch brood. Het heerlijke tapijt van lelietjes van dalen is hier en daar bevuild en bemorst door de uitwerpselen der vogels, ontsierd door gebroken eieren en de uit het nest gevallen, half vergane visschen.Het eerste schot uit het geweer van onzen jachtheer roept eene onbeschrijfelijke verwarring in ’t leven. Schreeuwend verheffen zich de[467]opgeschrikte reigers, oorverdoovend krassen de kraaien; boos grommend verlaten ook de aalscholvers hun nesten. Een wolk van vogels zweeft over het bosch, drijft heen en weder, op en neêr, breidt een schaduw uit over de boomkruinen, spreidt zich in afzonderlijke vlokken uiteen, die langzaam naar de zooeven verlaten nesten nederdalen, deze eene poos omzweven en aan ’t oog onttrekken, om daarna weder met de hoofdmassa ineen te smelten. Het is een geschreeuw, gebrom, gekras en gehuil, dat hooren en zien vergaat; elke vogel vliegt weg en keert, beangst om nest en eieren, weder terug. Het geheele bosch geraakt in opstand; alleen de vink, hierdoor niet medegesleept, blijft doorkweelen met zijn lentelied, blijft de specht lachen, blijven de nachtegalen hun heerlijke wijsjes slaan, uiten zich deze dichterlijk gestemde zielen te midden van roovers en dieven.Rijk met buit beladen keeren wij na een jacht van vier à vijf uren naar de boot, onze woning, ons gezellig verblijf, terug, om terwijl wij verder trekken, de gewonnen schatten wetenschappelijk te ordenen. Uren lang varen wij langs dergelijke bosschen, gelijk ik schilderde, nu en dan ook grootere of kleinere plaatsen, steden en dorpen voorbij, totdat de toenemende duisternis halt gebiedt. Tegen het aanbreken van den volgenden dag bereiken wijApatin. Vreugdeschoten, muziek en juichkreten begroeten den beminden troonopvolger. Allerlei menschen dringen zich om de boot; jagers, die hier wonen, nestenzoekers, boombeklimmers, menschen, die de vogels zullen afstroopen, komen aan boord; meer dan een dozijn kleine scheepjes,„Czikeln” genoemd, worden volgeladen. Weêr stoomt de boot rivierafwaarts, om ons in de nabijheid van een breeden arm aan land te zetten. Op dezen arm dringen wij voor de eerste maal de natte bosschen in. Alle kleine booten, die wij te Apatin hebben volgeladen, volgen de onze, even als kiekens de moedereend. Heden vangt de jacht op den arend aan, welke vogel in deze bosschen zoo veelvuldig broedt; binnen den omtrek van eene vierkante mijl heeft men niet minder dan vijf nesten opgespoord. Vol jachtlust scheiden wij, om ons in verschillende richtingen naar die nesten te begeven.VISCHREIGERS.VISCHREIGERS.Ik kende den koenen, roofgierigen, ofschoon niet-edelen roofvogel van vroeger, want ik had hem in Noorwegen en Lapland, alsmede in Siberië en Egypte te dikwijls gezien, maar ik had nog nimmer zijn nest aanschouwd; de gelegenheid, die zich nu hiervoor aanbood, was mij alzoo hoogst welkom. In overeenstemming met zijn naam, bewoont[468]hij met voorliefde de zeekusten, maar bovendien de oevers van vischrijke meren en groote rivieren. Wordt hij door den winter uit zijn schuilplaats verdreven, dan trekt hij zoover zuidwaarts als noodig is om ook in het koude jaargetijde niet van honger om te komen. In Hongarije is hij een der meest voorkomende groote roofvogels; hij verlaat het land ook in den winter niet en onderneemt alleen in zijn jeugd, voordat hij volwassen is, verre zwerftochten, even alsof hij eens de proef wilde nemen met het vreemde land. In het voorjaar ziet men daarom in dit jachtgebied uitsluitend oude, reeds het standvastig vederkleed bezittende, dus volwassene, voortplantingsrijpe zeearenden, terwijl daarentegen in den herfst en in den winter, behalve de voor eenige maanden uitgevlogen jongen, ook nog uit andere streken overgekomen zeearenden deze oeverwouden van den Donau bevolken. Zoolang de stroom vrij van ijs blijft, valt het den vogels niet moeielijk zich te voeden; zij jagen in het water even behendig, zoo niet beter,[469]dan op het land, zweven boven de rivier, totdat zij een visch in ’t vizier krijgen, storten zich pijlsnel op dit dier neder, verdwijnen, terwijl zij de prooi onder water vervolgen, soms geheel onder de golven, werken zich met hun krachtige vleugels evenwel snel weder naar boven, brengen den buit, dien zij de krachtige klauwen door het schubbenpantser boorden, naar eene rustige plaats en verteren dien aldaar op hun gemak. Daar men in Hongarije hunne rooverijen niet zoo kwalijk neemt als bij ons, hen zelfs met eene onverdiende verschooning behandelt, vindt men deze vogels geregeld in de nabijheid der visschershutten, alwaar zij op de naburige boomen zitten wachten totdat de visscher hun de doode visschen uit zijnevischkaarof anderen afval toewerpt. Op gelijke wijs zorgen de Hongaarsche, Servische en[470]Slavonische boeren voor de zeeadelaars, door de doode dieren niet te begraven, maar op het veld te laten liggen, aan de arenden, alsmede aan de gieren, honden en wolven overlatende het aas op te ruimen. Onttrekt een ijskleed de gewone prooi aan ’t oog des zeearends, en bevindt zich toevallig ook geen dood aas in de nabijheid, zelfs dan nog lijdt hij geen gebrek. Evenals de meer edele en meer stoute steenarend, jaagt hij op alle wild, dat hij maar overweldigen kan. Hij grijpt den vos en den haas, doodt den egel en de rat, den duiker en de wilde gans; hij ontrooft den zeehond diens jong en gaat in zijne blinde roofgierigheid zoo ver dat hij zijn sterke klauwen in den rug van dolfijnen en steuren slaat; tot loon voor dien euvelmoed trekken beide dieren hem naar de diepte en voor het hem gelukt is zijn klauwen weder los te maken, is hij verdronken. Soms valt hij zelfs den mensch aan. En zoo heeft hij bijna nimmer gebrek, en indien men hem niet geregeld vervolgt, leidt hij een vrij aangenaam, werkelijk benijdenswaardig leven.ROEKEN.ROEKEN.Tot den broeitijd leeft de zeearend met zijns gelijken in vrede en eendracht; is die tijd gekomen, dan ontwaakt de strijdlust in zijn door jaloerschheid gekweld hart. Zoowel om een nest, als om een wijfje machtig te worden vangt hij aan met een zijner soortgenooten hevig te vechten. Wel duurt het eenmaal gesloten huwelijk dezer vogels het geheele leven door, maar niet langer dan de man in staat is het wijfje tegen de aanzoeken van andere mannetjes te beschermen en zich het eigendom van zijn nest te verzekeren. Begeerig laat een volwassen, geslachtsrijp mannetje zijn oogen rusten op het wijfje van een anderen arend en haar nest; beiden gaan den rechtmatigen echtgenoot verloren, en zijn den anderen gewonnen, zoo deze overwinnaar blijft. Een strijd op leven en dood tegen den indringer, die het huiselijk geluk belaagt, volgt; hoog in de lucht vangt het gevecht aan, op den grond wordt de strijd beslist. Met snavel en klauwen stooten de vogels op elkander, totdat het een hunner gelukt zijn tegenstander te grijpen, terwijl hij ’t naaste oogenblik weder de nagels van den ander in zijn lijf voelt slaan. Gelijk aan twee door en in elkander verwarde veêren ballen vallen beide nu omlaag, of in ’t water, of op ’t land, maken de klauwen van elkander los, om terstond daarna weder opnieuw het gevecht te beginnen. Als woedende hanen worstelen de helden, wanneer zij den strijd op den grond voortzetten; losse veêren en bloed wijzen de kampplaats aan en bewijzen de hevigheid van dien strijd. Middelerwijl beschrijft het wijfje haar kringen om de vechtenden, of het ziet van een verheven[471]zitplaats den strijd schijnbaar onverschillig aan; zij zal echter den overwinnaar hartelijk liefkoozen, wanneer deze na geëindigd gevecht tot haar terugkeert, onverschillig of het de rechtmatige echtgenoot of de echtbreukeling is. Wee den eersten, indien het krijgsgeluk zijn mededinger gunstig blijft! In de oogen eener arendsvrouw komt slechts den sterkeren de eerekroon toe.Na zegevierend zulke aanvallen te hebben afgeslagen, waarvan geen arendsmannetje verschoond blijft, en die telken jare ook in Hongarije moeten worden afgespeeld, betrekt het paar, waarschijnlijk het langstgehuwde, het oude nest en begint reeds in Februari met dit te herstellen. Het materiaal wordt door beide echtgenooten gezamenlijk van den grond afgelezen of zij visschen het uit het water op, breken het ook wel van de boomen af, om het in de klauwen, soms van heinde en ver naar het nest te dragen en hier volgens de regelen der kunst te verwerken, zoo goed als een arend zulks vermag. Daar elk jaar deze vernieuwing herhaald wordt, nemen de hoogteafmetingen van zulk een nest telkens toe, zoodat men daaruit reeds tot deszelfs ouderdom kan besluiten; ook leidt men er den duur van het huwelijk uit af, want in de oudste nesten huizen ook de oudste paren. Het nest bevindt zich niet altijd boven in den top der boomen, maar toch echter altijd vrij hoog boven den grond, meer of minder dicht bij den stam en altijd gesteund door zware takken, wat noodig is omdat het nest ieder jaar grooter en zwaarder wordt. Uit zware en lichtere takken en twijgen, alle los over en in elkaar gevlochten, bestaat de onder- en bovenbouw, waarin een groot aantal ringelmusschen, die zich onverschrokken en onbevreesd in de nabijheid van den machtige wagen, passende holten voor nest en schuilplaats vinden.Tegen het einde van Februari of het begin van Maart legt het wijfje twee, hoogstens drie eieren in de vlakke nestholte, en vangt nu aan ijverig te broeden. De arend verzorgt zijn broedend wijfje met voedsel, verwijdert zich, als hij op roof uitgaat slechts ongaarne ver van het nest, en zet zich, als hij genoeg voor zich en zijn wijfje heeft verzameld, trouw de wacht houdende, in de nabijheid van het nest op een bepaalden boom neder, die meteen tot slaap- en rustplaats wordt. Na vier weken broeiens komen de jongen uit; deze zijn aanvankelijk witte wolballen, waaruit een zwarte snavel, donkere oogen en reeds zeer scherpe klauwen te voorschijn komen; het zijn even sierlijke als reeds zich zelf bewuste schepseltjes. Thans hebben vader en moeder volop werk.[472]Beiden wisselen elkander af om buit te halen en de jongen te bewaken, ofschoon de moeder alleen zich met de eigenlijke verpleging belast. Wel staat de vader haar bij om de kindertjes op te voeden, maar alleen de moeder is in staat minnediensten te bewijzen. Werd zij aan haar jeugdig kroost ontnomen, dit zou evenzeer moeten omkomen als het jonge zoogdier, dat men van zijn moeder berooft. Met haar eigen borst dekt de moeder-arend haar jongen tegen wind en regen; uit haar eigen krop reikt zij dezen het verwarmde, doorweekte, vooraf verteerde voedsel. Zulke minnediensten bewijzen kan de vader-arend niet; wel neemt hij op later leeftijd, indien alsdan de moeder mocht worden weggerukt, gaarne de opvoeding en voeding geheel voor eigen rekening, al moge zulks gepaard gaan met veel inspanning en moeite. De jongen groeien voorspoedig en snel op. In de derde levensweek hebben zij reeds veêren op het bovenlijf gekregen; tegen het einde der Meimaand zijn zij volwassen en vliegvaardig. Nu verlaten zij het nest, om onder geleide der ouders zich voor een zelfstandig leven voor te bereiden.Ziedaar, in vluchtige trekken geschilderd, het levensbeeld van den adelaar, op welken vogel in de eerstkomende dagen onze jacht gericht zou zijn. Niet minder dan negentien bezette nesten werden door ons bezocht en hierop met afwisselend geluk jacht gemaakt. Somtijds te voet, somtijds in eene kleine boot gezeten, menigmaal springende en wadende, kruipende en sluipende, trachtten wij, ongezien en ongehoord, de nestboomen te naderen; vol verwachting verbleven wij uren lang in fluks opgeslagen loofhutten onder deze boomen en zagen in spanning naar de arenden, die door ons zelf of anderen opgeschrikt, hoog in de lucht hun kringen beschreven en niet weêr naar het nest wilden terugkeeren, maar zulks toch eindelijk zouden moeten doen, om ons ten offer te vallen. De eene waarneming werd aan de andere vastgeknoopt, en zoo verkreeg deze jacht voor ons allen eene ongemeene bekoring.Buiten de arenden en andere roofvogels, die almede buit werden gemaakt, waren of schenen de zooveel belovende bosschen arm aan gevederd gedierte. Het was evenwel nog vroeg in het jaar en de vogels bevonden zich nog veel op den trek; ook konden wij weinig meer dan den zoom der wouden onderzoeken. Doch ook het aantal vogels, dat teruggekomen was en in dien rand verblijf hield, beantwoordde niet aan onze verwachtingen. En toch treurden wij het meest om iets anders, n.l. om de schaarschheid aan goede zangers. Wel kweelde de zanglijster haar rijke liederen in het van voorjaarsluchten[473]geurende woud; wel sloeg hier en daar een enkele nachtegaal, en begroette de vink ons allerwege met zijn lentezang; wel oefende ook reeds eene grasmusch haar keeltje,—maar noch het een, noch het ander was voldoende om onze scherp luisterende ooren te bevredigen. Wij bevonden dat het allen slechts stumpers, geen meesters waren. En zoo scheen het ons eindelijk bijna toe, alsof het genoemde gezang in deze sombere bosschen eigenlijk niet te huis behoorde, en ware daarin alleen het geschreeuw van arenden en valken, het gehuil van oehoe’s en boschuilen, het geratel van waterhoentjes en zeezwaluwen, het gekrijsch van reigers, het gelach van spechten, het geroep van koekoeken en het gekir der houtduiven, de meer passende melodie; waren hoogstens nog ook de in riet en biezen huizende rietzangers, die hun lied grootendeels aan dat der kikvorschen ontleend hebben, de eenige van rechtswege daarin behoorende zangvogels.HET NEST VAN DEN ZEEADELAAR.HET NEST VAN DEN ZEEADELAAR.De vierde jachtdag was bestemd voor het op eenige mijlen van de Donau-oevers gelegen Keskenderwoud. Toen wij de rivierbosschen verlaten hadden, kwamen wij in eene uitgestrekte, eerst op grooten afstand door een landrug begrensde vlakte; door goed bebouwde akkers van de groote, voorbeeldig bestuurde heerlijkheidBellyevoerde een weg, dien wij in vluggen draf te paard aflegden. Hier en daar moerassige weiden met poelen en slooten, een boschje, een groote door knoestige eiken omgeven herberg, een gehucht, een dorp, verder boomlooze velden,—zoo zag het landschap er uit, dat wij doorsnelden. Boven de velden steigeren duizenden zingendeleeuweriken; op de wegen trippelen aardige kwikstaarten; op de heggen langs den weg zitten klauwieren en grauwgorzen; in de kruinen der eiken schreeuwen en zingen de daar nestelende kerkkauwen en spreeuwen; boven de waterplassen trekken visschende vischarenden en tuimelen sierlijke zeezwaluwen in zigzaglijnen; in het moeras loopt de kievit heen en weder, maar van andere vogels bemerken wij weinig. Ook het Keskenderwoud, een goed onderhouden bosch, dat wij na een rit van twee uren bereikten, was in weêrwil van zijn afwisselend geboomte arm in soorten; maar hier nestelden schreeuwadelaars en vischarenden, arendbuizerden en gewone buizerden, valken en uilen en vooral zwarte of boschooievaars in groot aantal, en zoo viel onze jacht boven alle verwachting goed uit. En toch kenden de boschwachters, die eerst voor weinige dagen kondschap hadden gekregen van het te verwachten bezoek van onzen doorluchtigen[474]jachtheer, en het bosch in alle richtingen hadden doorzocht om nesten op te sporen om deze op eene schielijk vervaardigde kaart aan te duiden, bij lange na niet alle in dit ééne woud verblijf houdende roofvogels en zwarte ooievaars. „Het zijn paradijsachtige toestanden,” merkte kroonprinsRudolfop en drukte in deze enkele woorden zeer juist de verhouding uit, die er bestaat tusschen de menschen en dieren van Hongarije. Evenals de oosterling kent ook de Hongaar gelukkig de moordzucht niet, waardoor de dieren in West-Europa zoo schuw zijn geworden en die hun aantal, helaas! zoozeer[475]heeft doen verminderen; hij gunt zelfs gaarne aan den roofvogel een plaatsje op zijn eigendommen en grijpt niet voortdurend ruw en wreed in de dierenwereld in, die om hem leeft en zich beweegt. Niet eens het schandelijk egoïsme, dat tegenwoordig elk jaar hebzuchtige kooplieden in vederen aanspoort tot rooftochten op den beneden-Donau, ten einde honderdduizenden, levenslustige lieve vogels ter wille van hun gevederte op te offeren, heeft den Magyaar kunnen bewegen van zijne goede oude zeden af te wijken. Onverschilligheid omtrent de hem omgevende dierenwereld moge daartoe grootelijks bijdragen, maar de gastvrijheid, die hij den vogels bewijst, komt dikwijls uit het hart en verdelgingswoede blijft hem vreemd. Zonder van vrees te doen blijken vertoeven de dieren, voornamelijk de vogels, in de nabijheid van den mensch; zij doen alsof zij alleen waren. De arend nestelt aan den weg in het bosch; de gewone raaf in het boschje langs den akker; de zwarte ooievaar is niet schuwer, dan bij ons de heilige, gewone ooievaar; het wild staat niet van zijn leger op, wanneer de wagen tot op geweerschotsafstand voorbijrolt. Het zijn werkelijk paradijsachtige toestanden.Zulke toestanden zouden wij evenwel ook nog buiten het Keskenderwoud leeren kennen. Nadat wij dit laatste nog in verschillende richtingen hadden doorkruist, de nesten van meer dan twintig arendbuizerden en vischarenden, alsmede van den zwarten ooievaar bezocht en bejaagd, ons met een heerlijk ontbijt en nog meer met den heerlijken wijn van dit land verkwikt en gelaafd, vingen wij, door eene dreigende onweêrswolk tot spoed aangezet, onze terugreis naar het vaartuig aan, steeds jagende en verzamelende, zooveel de gelegenheid veroorloofde. De weg, langs welken wij terugreisden, was een andere, dan die, welken wij op de heenreis hadden genomen, n.l. een groote heirbaan, die verschillende dorpen verbond. Een aantal dezer laatste hadden wij reeds achter den rug, toen wij opnieuw tusschen huizen doorreden. Aan de gebouwen was niets bijzonders te zien, maar aan de bewoners meer dan ik ooit had kunnen denken. De bevolking van het dorpDalyckbestaat bijna uitsluitend uit Schokazen of katholieke Serben, die tijdens de heerschappij der Turken uit het Balkan-schiereiland naar hier zijn vertrokken, liever, door de Turken herwaarts gebracht. Het zijn schoone, slanke menschen, deze Schokazen. De mannen zijn groot en sterk; de vrouwen in dit opzicht op de mannen gelijkende, zijn zeer goed gebouwd en waarschijnlijk niet[476]van schoonheid ontbloot. Het eerste viel te beoordeelen, voor het laatste moest de fantasie ons te hulp komen; de Schokazinnen toch dragen een kleed, gelijk zeker nergens in Europa gezien wordt, en door onzen hoogen jachtheer, steeds vindingrijk en veelbeteekenend in zijn uitdrukkingen, mythologisch genoemd. Wanneer ik zeg dat het hoofd en het aangezicht bijna geheel omhuld worden door op zeer eigenaardige, maar volstrekt niet smakelooze wijze ineengewonden en toegeknoopte doeken, terwijl de rok vervangen wordt door twee bontgekleurde, op een schort gelijkende, losse stukken doek, mag ik overigens aan de verbeelding volle vrijheid veroorlooven, zonder mij bevreesd te maken, dat zij al te zeer de haar gestelde perken zal overschrijden. Ik zelf werd levendig herinnerd aan het kamp Arabische nomaden, dat ik eens in de oerwouden van Centraal-Afrika bezocht.Onder een stortregen bereikten wij tegen ’t vallen van den avond ons gezellig vaartuig. Regenachtig is ook de volgende ochtend, bewolkt de dag en weinig winstgevend de jacht. Zulks noopt ons verder te reizen, hoe dankbaar wij ook waren voor de dagen in de heerlijkheid Bellye doorgebracht, en hoe rijk de oogst misschien ook zou geweest zijn, indien wij hier nog ettelijke dagen hadden vertoefd, waargenomen en verzameld. Met een hartelijke en welverdiende dankbetuiging nam onze jachtheer afscheid van den beambte der aartshertogelijke heerlijkheid; nog een blik op de wouden, die ons zooveel goeds hadden geschonken, en nogmaals stoomt ons snelvarend scheepje den Donau af. Binnen weinige uren bereiken wij Draueck, den mond der Drave, welke rivier voortaan de richting van de bedding der rivier schijnt te bepalen. Een der meest grootsche rivierlandschappen, die ik ooit gezien heb, ligt thans voor ons. Een breed watervlak strekt zich voor onze oogen uit; in ’t zuiden wordt het begrensd door lachende heuvelen, naar alle andere zijden breiden zich bosschen uit, gelijk wij nog niet gezien hebben. Noch de loop van den hoofdstroom, noch die van zijn nevenrivier laat zich vervolgen; de ontzettende watermassa gelijkt op eene van alle kanten ingesloten zee, welker oevers slechts bij den straks vermelden heuvelketen duidelijk te voorschijn treden; want zelfs tusschen het groen der bosschen door, op plaatsen, waar openingen het gezicht vrij laten, ziet men wederom water, woud en rietbosschen, welke laatste den vele mijlen grooten plas Hullo bedekken, in eindeloos schijnende uitgestrektheid. Reusachtige boomstammen, door beide rivieren aangevoerd en half onder ’t water verscholen, half daarboven drijvende,[477]nemen allerlei fantastische vormen aan; het schijnen de fabelachtige dieren der voorwereld te zijn, die hun gepantserde lichamen boven de donkere golven uitsteken. Want donker, bijna zwart stroomt de „blondeDonau” daar heen, terwijl ons vaartuig Draueck voorbijstoomt. Grijsachtig zwarte en loodkleurige onweêrswolken bedekken den hemel; oogenschijnlijk zweven ook zij tusschen het honderdvoudig geschakeerde groen der bosschen en hangen zij boven de eentonig vaalgeel gekleurde rietvelden.Bliksemstralen werpen een schel licht op dit tooneel; de regen stroomt kletterend naar beneden, de donder laat zijn gerommel hooren, de stormwind huilt in de hooge toppen der oude boomen, woelt in de wateren en kroont de donkere toppen der golven met een grijsachtig wit schuim; beneden, in het zuidoosten echter breekt de zon door het zwarte floers des hemels, omzoomt dit met purper en goud, en werpt daarover een helder licht, zoodat de zware schaduwen nog scherper uitkomen; fonkelend straalt het op de bonte heuvels, die in de verte tot een gebergte opstijgen. Daarbeneden, daar aan gindschen kant liggen gehuchten en dorpen; hierboven wordt de oorspronkelijkheid van het grootsche, in zijn wildheid en momenteele verlichting en beweging zoo verheven tooneel slechts gebroken door eene enkele, kegelvormige, met riet gedekte visschershut.In ’t oog vallend is de armoede aan vogels, in ’t algemeen de eenzaamheid der uitgestrekte watervlakte. Geen meeuw zweeft over den spiegel van den Donau, geen zeezwaluw vliegt in zigzaglijnen op en neder; hoogstens verheffen zich enkele woerden uit den stroom. Nu en dan ziet men nog een blauwen reiger, eene vlucht kwakken, een zeeadelaar, eenige wouwen, raven en bonte kraaien, misschien wel een troep kieviten, en de opsomming der hier aanwezige vogels is geëindigd.Van den volgenden dag af trekken wij jagend en waarnemend door een wonderschoon gebied. De blauwe bergen voor en op welke gisteren in den onweêrsnacht heldere, gouden zonnestralen vielen, zijn de hoogten der Fruškagora, een boschrijk middelgebergte van de heerlijkste soort. GraafRudolf Chotekhad op de voorbeeldigste wijze alles voor eene waardige ontvangst van onzen hoogen jachtheer voorbereid en zoo wachtten ieder onzer onvergetelijke dagen. Van het dorp Cerewic uit, boven hetwelk onze boot ligt, rijden wij elken dag door de kloven, beklimmen wij in den wagen of te paard, of wandelende, de hoogten van het gebergte, om elken avond vol zaligheid en geluk weder huiswaarts te keeren. De gulden Meimaand verkwikt geest en lichaam,[478]hart en ziel, en onze gastheer is zoo onuitputtelijk in attenties, voorkomendheid, vriendschapsbewijzen en gulheid, dat de dagen, door ons in de Fruškagora doorgebracht, wel voor immer onvergetelijk zullen blijven; zij behooren tot de rijkste en schoonste der geheele reis.De streek, dagelijks door ons bezocht, is meer dan liefelijk. In de nabijheid van het dorp breiden zich akkers uit; achter deze begint de gordel van wijnbergen, die zich uitstrekken tot aan den zoom des wouds; in de dalen en ravijnen daartusschen bloeien en geuren tal van ooftboomen, die aan het landschap eene ongemeene bekoorlijkheid schenken; aan de hellingen der wegen, die gewoonlijk den loop der dalen volgen, woekert een dicht struikgewas, terwijl het oog zich vermeit in eene bloemenpracht, die in deze dalen, waar geen watergebrek heerscht en murmelende beekjes hun aangenaam geruisch laten hooren, weelderig ontluikt. Op de eerste hoogten heeft men een verrassend schoon vergezicht. Beneden op den voorgrond teekent het dorp Cerewic zich schilderachtig af; dan volgt de breede Donau met zijn lage oeverbosschen aan den overkant; achter de rivier en de bosschen breidt zich de eindelooze Hongaarsche laagvlakte uit, en toont den waarnemer haar weilanden en akkers, haar bosschen en poelen, haar dorpen en marktvlekken in een onzeker, en juist daardoor te meer boeiend licht; in het oosten troont de vesting Peterwardein.Boven de akkers verheffen zich zingendeleeuweriken; uit de struiken klinkt uit honderden kelen de slag van den nachtegaal; uit de wijnbergen schalt het vroolijk lied van den steenlijster en hoog in de lucht beschrijven twee giersoorten en drie verschillende arenden hun wijde kringen.Na een korten tocht verdwijnen stroom, dorpen en akkers, en een heerlijk boschrijk dal neemt ons op. Steil vallen de bergen weêrszijds af; kam en rug zijn dicht met niet al te hoog geboomte bezet. Eiken, linden, olmen en platanen maken hier, beuken en hoornboomen ginds de bevolking uit; dicht en laag struikgewas, waar de nachtegalen verblijf houden, vormen de omgrenzing. Geen grootsch vergezicht loont den wandelaar, die de hoogste ruggen beklimt en in ’t noorden Hongarije, in het zuiden Servië voor zich ziet liggen, maar hart en zinnen worden gestreeld door een plechtig, rustig schemerdonker. Van de hoofdkam, die niet hooger dan tot 900 meter opstijgt, scheiden zich, in min of meer loodrechte richting verloopende, naar beide zijden een aantal ketens af, die van welken kant ook beschouwd, dikwijls[479]een verrukkelijk gezicht opleveren. Zij eindigen in dalen of sluiten ketels in, welker hellingen tot nog toe geen hout hebben afgevoerd en deswege prijken in al de schoonheid van een oorspronkelijk woud. Reusachtige, recht opgeschoten, tot aan de hooge kruinen gladstammige beuken rijzen uit een veenlaag van bladeren omhoog, waarin de jager tot zijn knieën inzinkt; knoestige eiken steken de takken hunner kruinen hoog in de lucht, alsof zij alle roofvogels wilden uitnoodigen hun nesten hier op te slaan; gewelfde linden vormen hier en daar zulk een dicht gesloten bladerendak, dat de stralen der zon slechts na veelvuldige terugkaatsing den grond bereiken. Zanglijsters en merels, wielewalen en roodborstjes, schildvinken en fluiters, zijn, behalve de overal verspreide nachtegaal de zangers van dit woud; de koekoek roept zijn lentegroet van berg tot berg; zwarte en groene spechten, boomklevers en meezen, houtduiven en kleine boschduiven merkt men almede op.Onze jacht was hoofdzakelijk gericht op den grootsten aller Europeesche roofvogels, den grauwen gier, wiens noordelijkste broedgebiedsgrenzen in de Fruškagora schijnen gelegen te zijn. Bij dezen vogel heeft zich onlangs, wellicht gelokt door de ongelukkige offers van den Servischen oorlog, de tweede groote gier van Europa gevoegd, en beiden broeden hier onder de niet moeielijk te verklaren bescherming van den dierkundigen en dieren-minnenden eigenaar des wouds. Ik kende van vroegere reizen beide soorten, maar niettemin verheugde ik mij uitermate, ze hier op hun broedplaatsen te kunnen waarnemen en mededeelingen te mogen ontvangen van een jager, gelijk Graaf Choteks; waarneming, uitvorsching van het leven der dieren, was trouwens bij ons hoofdzaak. En weder knoopten wij de eene waarneming aan de andere, en menige ons nog donkere zijde van het leven dezer beide reuzen onder de vogels werd door dit onderzoek opgehelderd en verklaard.De grauwe of monniksgier, wiens verbreidingsgebied niet alleen de drie zuidelijke schiereilanden van Europa omvat, maar bovendien West- en Middel-Azië tot aan Indië en China in zich sluit, is een standvogel der Fruškagora, die echter na den broeitijd gaarne zwerftochten onderneemt, welke hem geregeld tot in het noorden van Hongarije, soms tot naar Moravië, Bohemen en Silezië voert. Krachtige vleugels stellen hem in staat zulke tochten zonder veel inspanning te ondernemen. Wanneer de eieren of hulpbehoevende jongen hem niet aan de plaats binden,[480]vliegt hij in den vroegen voormiddag van den boom, waar hij den nacht doorbracht, stijgt in schroeflijnen omhoog, zoo hoog, dat het ongewapende oog hem niet meer kan volgen, ziet van hier met zijn weêrgaloos scherp, voor de meest verschillende afstanden geaccomodeerd gezichtsorgaan groote vlakten over, terwijl niets zijn blik ontgaat; hij speurt zelfs het kleinste aas, en zoodra iets, dat van zijn gading is, ontdekt wordt, stort hij zich uit de hoogte daarop neder. Na dit, òf opgegeten, òf althans voorloopig in den krop geborgen te hebben, neemt hij den terugtocht aan of zwerft nog eenigen tijd doelloos rond. Even gelijk hij het beneden hem gelegen, vele vierkante geografische mijlen omvattend, voor zijn oogen geheel ontsloten gebied afleest, let hij eveneens op de bewegingen van eigen soortgenooten, of van andere groote, aasvretende roofvogels in ’t algemeen, om van deze waarnemingen zooveel mogelijk partij te trekken. Hierin vindt men de verklaring van het feit, dat dikwijls zoovele gieren tegelijk plotseling bij een of ander groot aas verschijnen, en dit zelfs in streken, waar zij gewoonlijk niet verblijven. Niet het vrij zwakke reukvermogen, maar alleen het scherpe gezicht is hun op deze rooftochten van dienst. De een vliegt den ander na, zoodra hij bemerkt, dat deze eene prooi heeft opgespoord, en de snelheid van zijn vlucht is zoo groot, dat hij dikwijls nog intijds bij het feestmaal is aangekomen en reeds bezig is met smullen, terwijl de ontdekker daar nog zijn kringen boven beschrijft. Talmen mag hij niet, want niet tevergeefs dragen deze vogels hun naam; hunne vraatgierigheid gaat alle perken te buiten. Weinige minuten zijn voor drie of vier gieren voldoende om een dooden hond of een dood schaap bijkans geheel te verslinden, zoodat de maaltijd met onbegrijpelijke snelheid verloopt en hij, die te laat komt, den hond in den pot vindt.De gieren der Fruškagora vinden overigens, behalve groot aas, hier ook nog veel goeds voor krop en maag in andere dieren, want wij troffen in het spijskanaal van een door ons gedooden vogel de overblijfsels aan van ziesels en groote hagedissen, welke dieren hoogst waarschijnlijk niet dood gevonden, maar levend gegrepen zijn geworden.In overeenstemming met de meer noordelijke ligging der Fruškagora en de voor gieren minder gunstige geregelde toestanden van het omliggende land, zaten de monniksgieren tijdens ons verblijf nog op de eieren te broeden, terwijl diezelfde vogels in meer zuidelijke streken zeker reeds jongen hadden. De nesten bevonden zich op de hoogste[481]boomen van het bosch, veelal op meer dan twee derde van de hoogte der berghellingen. Graaf Choteks kende velen hunner, daar zij sedert twintig jaren steeds geregeld naar dezelfde broedplaats terugkeerden, terwijl menig nest al dien tijd hetzelfde paar had gediend en elk jaar nieuwen toevoer van bouwstoffen erlangd, zoodat sommige eene verbazende afmeting hadden verkregen. Enkele nesten waren van later dagteekening. Alle evenwel waren het bouwgewrocht der vogels zelf. In het oudste en grootste had een volwassen mensch kunnen liggen zonder met het hoofd of de voeten veel over den rand heen te steken.Wij zetten ons onder deze nesten neder om het leven en bedrijf in het woud aandachtig na te gaan, tevens hier de terugkomst der voor ons gevluchte gieren af te wachten, en hun een zeker schot in ’t lijf te jagen. Vier achtereenvolgende dagen togen wij elken morgen naar dat heerlijk woud, en geen enkelen dag keerden wij zonder buit naar de rivier terug. Niet minder dan acht groote gieren, een aantal arenden, en ontzaglijk veel klein gevogelte van verschillende soort maakten wij buit, terwijl het jachtvermaak nog werd gekruid en gewijd door hoogst belangrijke, ons allen boeiende waarnemingen. Wanneer de laatste zonnestraal was verdwenen, verzamelden de jonge dorpsbewoners zich om ons vaartuig. Viool en doedelzak vereenigden zich tot eene liefelijke, alhoewel eenvoudige melodie, en meisjes en jongens bewogen zich, den hoogen gast ter eere, in den gelijkmatig zwevenden volksdans.Nadat wij ook aan den anderen oever van den Donau met gelijk geluk hadden gejaagd, namen wij eindelijk, op den vijfden dag, afscheid van onzen meer dan oplettenden gastheer, den eigenaar der bezitting, en vervolgden de reis, altijd stroomafwaarts trekkende. Na eene vaart van drie kwart uurs bereiken wij Peterwardein, de kleine, nu verouderde, maar schoon en schilderachtig gelegen vesting, anderhalf uur later Karlowitz, in welker nabijheid wij den nacht doorbrengen. Den volgenden morgen bereiken wijKovil, het einddoel van den tocht.In de nabijheid van dit groote dorp bevinden zich door akkers ingesloten bosschen, waarvan eiken het hoofdbestanddeel uitmaken, maar waarin zich zulk een dicht onderhout bevindt, dat de wolf en wilde kat, ondanks de nabijheid van vele bewoonde plaatsen, hier een schier ongestoord leven leiden. Geen wonder dus, dat ook roofvogels van allerlei soort, vooral zee-, konings-, schreeuw- en dwergarenden, arend-buizerden, wouwen, haviken, oehoe’s, alsmede andere uilen, hier[482]hunne nesten opsloegen; allerlei klein gevogelte houdt hier almede verblijf. Onze hooge jachtheer en zijn doorluchtige zwager beproefden in de bosschen hun geluk, terwijlEugenius von Homeyeren ik gingen jagen in een hoogerop gelegen moeras, dat door den hoogen waterstand nu tot een wijde zee was geworden.In dit moeras,—op dit tijdstip evenwel waren de vogels nog niet alle aangekomen, daar de trek nog in vollen gang was—in dit moeras heerschte het rijkste en veelsoortigste dierenleven. In bijna onafgebroken opvolging trekken sterke vluchten zwarte zeezwaluwen naar den Donau, nu eens in dichte drommen, dan weêr zich verdeelende over de geheele breedte van den buiten zijn oevers getreden stroom; ongetwijfeld naar nestplaatsen zoekende, reizen honderden zwarte ibissen, in den gewonen V-vorm vliegende, stroomopwaarts en stroomafwaarts, naar de Theis zich begevende of van deze rivier terugkeerende; purperreigers, blauwe reigers en ralreigers loopen visschende heen en weder; rietwouwen, lange rietstengels naar het nest dragende, vliegen langs oude, bekende wegen; opnieuw gepaarde eenden, wier wijfjes door den hoogen waterstand van hare eieren beroofd werden, verheffen zich bij ’t naderen onzer kleine boot schreeuwend boven het water, terwijl futen en waterhoentjes in de diepte eene schuilplaats zoeken; kortom, geen plekje der groote watervlakte is onbezet en zonder leven. Een houtvester, met de wegen vertrouwd van een overstroomd bosch, wacht ons op in zijne woning, die als een eilandje boven het water uitsteekt, om onze gids te zijn in deze boschwoestijn, die alle vroeger bezochte verre achter zich laat, omdat de hooge waterstand nieuwe hindernissen voegde bij de reeds bestaande. Ons vasthoudende aan de in gewone omstandigheden tamelijk hoog boven den grond verheven takken, dikwijls gebukt onder andere, die den weg versperren, heen trekkende, trachten wij door de breede watervlakte, tusschen half en geheel omgevallen boomen en drijvende stukken hout, groot en klein, een weg te banen om binnen in het woud te dringen. Wilde eenden, die op knotwilgen zitten tebroeien, blijven gerust op de eieren en laten zich door ons niet storen, al naderen wij hen tot op een meter afstand. Geoorde futen, die het vrije water hebben opgezocht, zwemmen, zoodra zij ons in ’t gezicht krijgen, naar het groene loof der tot aan hun kronen in ’t water staande boomen,—hoofdzakelijk wilgen; kwikstaarten springen van het eene stuk drijfhout op het andere; bonte spechten en boomklevers hangen dicht bij de oppervlakte van het[483]water tegen de boomstammen, om op de hun gewone wijze naar voedsel te zoeken. Het eene beeld uit het leven der vogels verdringt het andere; ieder tooneel schijnt echter iets ongewoons, omdat de bijzondere omstandigheden daarin zekere wijziging hebben gebracht. Om bij het nest van een zeearend te komen, moeten wij ver door het water baden; om dat van eene kraai te naderen moeten wij een langen omweg maken. Regelrecht op het jachtdoel afgaan is hier onmogelijk, en toch is de jacht meer dan winstgevend. Ik had persoonlijk het genoegen en voorrecht een der uitstekendste bouwkunstenaars van ons werelddeel, den buidelmuis, bij zijn werk gade te slaan; ’t was voor ’t eerst van mijn leven.Den volgenden dag vereenigde zich het geheele jachtgezelschap in een der genoemde boschjes tusschen de akkers. Een Hongaarsche houtvester had eene groote drijfjacht op wolven voorbereid, maar deze zoo onverstandig ingericht, dat vriend Isegrim ongezien weg kon sluipen. De weinig hoopgevende jacht werd dan ook spoedig gestaakt, terwijl wij nu nog het overige van den tijd zooveel mogelijk nuttig besteedden tot het doen van waarnemingen omtrent het leven der deze bosschen bewonende vogels.Nog in den loop van dienzelfden dag verlaten wij Kovil, bereiken tegen zonsondergang wederom Peterwardein, varen in de eerste uren van den nacht de Fruškagora nogmaals voorbij, verlaten den volgenden dag nog eenmaal ons vaartuig, om in het rietbosch Hullo te jagen en daar waarnemingen te doen, krijgen hier eindelijk den te vergeefs gezochten grooten zilverreiger te zien, moeten evenwel met den ons nog slechts spaarzaam toebedeelden tijd rekening houden en verder stoomen, teneinde den sneltrein naar Weenen niet te missen.Dankbaar de laatste dagen gedenkende, tevens den snellen voortgang hunner uren beklagende, varen wij weder de oeverbosschen, die ons zooveel genot hadden geschonken, voorbij, en met den wensch in het hart nog eenmaal deze oorden te bezoeken, en dan voor langer tijd daar te vertoeven, nemen wij voor ditmaal afscheid van een even rijk als eigenaardig land.[485]
Hongarije is en blijft het land van belofte voor den vogelkenner. Gunstiger gelegen dan eenig ander land van ons werelddeel, tusschen de Noordzee en de Zwarte zee, tusschen de Oostzee en de Middellandsche zee, tusschen de Alpen en de groote Germaansch-Russische laagvlakte, het noorden en het zuiden,—steppen en gebergten, bosschen, groote rivieren en moerassen in zich sluitende,—schenkt het aan standvogels zoowel als aan strijk- en trekvogels, de grootste voordeelen en aantrekkelijkheden, en om deze reden vertoont Hongarije een rijkdom aan vogels, gelijk wellicht geen ander land van ons werelddeel. De meesterlijke beschrijvingen van dien rijkdom, aan de pen onzer uitstekendste geleerden ontvloeid, dragen er niet weinig toe bij om in ’t hart van alle vogelkundigen een heimelijk verlangen naar Hongarije op te wekken. Maar vreemd:—het schoone, rijke land ligt zoo nabij en wordt toch zeer zelden door Duitschers bezocht.
Ook ik had alleen zijn hoofdstad gezien en dan nog zooveel als men van uit een spoortrein kan waarnemen; steeds sterker werd in mij het verlangen, dat heimwee, van hetwelk ik zooeven gewaagde. Dat verlangen zou bevredigd worden, maar om spoedig daarna weder vuriger te ontwaken. „Niemand wandelt ongestraft onder palmen” en geen vogelminnaar verwijlt eenige Meidagen in deFruškagorazonder later een hartstochtelijk verlangen in zich te voelen opkomen, die dreven weder te zien.
„Wilt gij mij,” zoo vroeg mij eens mijn hooge beschermer, kroonprinsRudolf, „naar het zuiden van Hongarije op de arendjacht vergezellen? Ik heb stellige berichten omtrent twintig adelaarsnesten, en ik vertrouw, dat wij allen onze kennis veel zullen vermeerderen, wanneer wij deze nesten opzoeken en tevens vlijtig waarnemen.”
Twintig adelaarsnesten.Men moet jarenlang op de kale aardkluiten van Noord-Duitschland geketend zijn geweest, men moet zich daarbij[462]de heerlijke ontmoetingen van bereisde vogelkenners voor den geest kunnen roepen,—en in beide gevallen verkeerde ik—om zich de vreugde te kunnen voorstellen, waarmede ik dit aanbod aannam.
Twintig adelaarsnesten, op geen grooten afstand van Weenen, op geringen afstand van Pest; ik zou niet mijns vaders naam hebben moeten dragen, om hierbij onverschillig te blijven! Tot uren werden de dagen, die onder allerlei toebereidselen voorbijvlogen, en tot weken werden ze door het ongeduld, met hetwelk ik naar de afreis verlangde.
Het was een klein, maar opgeruimd, hoopvol jacht- en werklustig reisgezelschap, dat op Paaschmaandag van het jaar 1878 uit Weenen vertrok. Behalve onze aanzienlijke jachtheer en diens doorluchtige zwager bevonden zich nog de opperhofmeester Graaf Bombelles, Eugenius von Homeijer en ik als verdere jachtgenooten op de snelle en behagelijke boot, die ons een dag later, van Pest uit, op de golven van den „blonden” Donau stroomafwaarts voerde. Door de morgenzon bestraald en overgoten met het waas der lente lag de trotsche keizersburg van Ofen voor ons; in ’t eerste voorjaarsgroen prijkten de tuinen van den Bloxberg, toen wij in het vroege morgenuur afscheid namen van de hoofdstad van Hongarije.
Noch met den Rijn, noch met den bovenloop, ook niet met den benedenloop van den Donau laat zich het stuk dezer rivier vergelijken, dat wij bereisden. Weinige kilometer reeds beneden de tweelingsteden worden de oevers vlak; spoedig krimpen de bergen aan den rechteroever in tot onzichtbare heuvels, en slechts in de blauw-nevelige verte aanschouwt het oog nog de zacht golvende lijnen van matig hooge bergen. Aan den linkeroever breidt zich eene onmetelijke vlakte uit. Onafzienbaar, zonder afwisseling, gelijkvormig en eentonig ligt zij daar; zelfs de daarin verspreid liggende, aanzienlijke dorpen brengen in die eentonigheid nauwelijks eene geringe afwisseling. Hier en daar ziet men een herder leunen op zijn zwaren staf; geen vrome schaapjes zijn echter aan zijn hoede toevertrouwd, maar knorrende borsteldragers, die gezellig rondom den door de zon gebruinden man staan, of in behagelijke rust nabij hem zijn gelegerd. Om den poel, die bij dezen hoogen waterstand geheel vol is geloopen, beschrijft de kievit wijde kringen; over de breede vlakte zwenkt de blauwe kuikendief; voor hunne, in de steile oeverwanden gegraven nestholten zweven de oeverzwaluwen[463]heen en weder; op de met hout beschoten daken der talrijke scheepsmolens trippelen sierlijke kwikstaartjes op en neêr; uit de rivier verheffen zich kwakende eenden en aalscholvers; boven het water vliegen en zwenken wouwen en bonte kraaien. Zoo ongeveer is het beeld van dit landschap.
Weldra evenwel komt daarin verandering. Nog effener wordt de vlakte, die de stroom zich zelf eenmaal schiep en die hij thans uitdiept. Over uitgestrekte, nog niet ingedijkte, en daarom door elken hoogen vloed overstroomde vlakten verdeelt hij zich in een aantal, geen afzonderlijke namen dragende armen. Welig opgeschoten hout bedekt de oevers en eilanden; dicht begroeide oeverzoomen weren den blik in ’t inwendige dezer oerwouden, welke zich mijlen ver langs den horizon uitstrekken. In weêrwil der eentonigheid ontstaan en verdwijnen toch afwisselende tooneelen, vormen deze zich, verschuiven ze en worden ze opgelost, al naar ons vaartuig met den stroom eene andere richting aanneemt. Wilgen, abeelen, zilverpeppels en zwarte populieren, olmen en eiken, de eerstgenoemde het meest, de laatstgenoemde meer spaarzaam, vormen den inhoud. Hooge, oude wilgen steken boven den dichten, bijna uitsluitend uit boomen derzelfde soort bestaanden oeverzoom uit; dieper naar binnen rijzen zilverpopulieren en zwarte populieren met hunne heerlijke kronen omhoog, of steken oude, knoestige eiken de dorre takken in de lucht. Met eenen enkelen blik overziet men een geheel leven, van het uitspruitend wilgenrijsje af tot den afstervenden boomreus; ontspruitende, ontkiemende, opgroeiende, in vollen wasdom prijkende struiken en boomgewas, dorre kruinen, door hemel- en aardsch vuur gevallen en half verbrande, op den grond liggende en vermolmende stammen. Daartusschen blinken stilstaande of stroomende wateren, daarboven welft zich de lucht. Uit het geheimzinnig duister klinkt de slag van den nachtegaal, van den vink, het gezang van den in liederen rijken zanglijster, gilt de valk, schreeuwt de arend, lacht de specht, krast de raaf, krijscht de reiger. Nu en dan speurt men eene minder dichte plaats in het bosch, een nog niet weder dicht gegroeide, gevelde plek, die een blik veroorlooft op het daarachter gelegen landschap, op de uitgestrekte vlakte van den rechteroever en den haar begrenzenden heuvelzoom, op schier eindelooze akkers, op een dorp, op eene stad. In den zomer, wanneer het groen van één tint is, in den naherfst, in den winter en het voorjaar, wanneer de boomen bladerloos staan, moge dit oeverlandschap vermoeien,[464]nu moge het ook eentonig schijnen, maar het is in werkelijkheid bekoorlijk; alle populieren en wilgen prijken thans met hun jeugdig, frisch groen, velen met den dos hunner bloemen en zoo zien de bosschen er, althans hier en daar, werkelijk teekenachtig uit.
Op weinige plaatsen zijn deze bosschen toegankelijk, omdat zij hoofdzakelijk slechts een onafgebroken moeras vormen. Tracht men, nu eens langs droge wegen, dan eens langs en op het water tot het inwendige door te dringen, men stuit al spoedig op eene wildernis, gelijk men ze b.v. in Duitschland niet kent. Op de hoogst gelegen plaatsen, daar, waar zich een vette, gedeeltelijk slijkerige grond bevindt, wordt men nog eenigszins aan Duitsche bosschen herinnerd. Hier ligt wel is waar een weelderig, sappig groen, met witte, geurige lelietjes van dalen getooid tapijt ver in ’t rond uitgespreid; maar ook hier groeien welig opschietende brandnetels en bramen in zulk eene hoeveelheid, en doorvlechten zij de aldaar voorkomende klimplanten zoo volkomen, dat het ons onmogelijk wordt verder door te dringen. Op andere plaatsen wordt het woud letterlijk tot een meer, uit hetwelk de reuzenboomen omhoog stijgen. Zware stammen, door ouderdom, storm, bliksem of ’t lichtvaardig vuur van den herder geveld, liggen rottend in het water en verstrekken dikwijls reeds tot voedsel voor jong opgeschoten heesters, die daaruit opgroeien; andere, minder vergaan, versperren den weg. Afgevallen hout, dikke takken en dunne, door den wind bijeengehoopte twijgjes vormen drijvende eilandjes en landtongen, die zoowel kleine bootjes in hunne vaart hinderen, als den wandelaar, die wadend den weg vervolgt. Dergelijke, soms vrij groote, drijvende eilanden, uit riet en bies samengesteld, vormen een onzeker, niet te vertrouwen dek. Boven den waterspiegel oprijzende kleibanken, op welke de zaden van wilgen en populieren een vruchtbaren bodem vonden, zijn dicht met genoemde boomsoorten begroeid en betwisten zelfs den grond aan de rietbosschen, die oppervlakten innemen van meer dan eene vierkante geografische mijl. Dwergwilgen, hier jeugdig en frisch, daar grijs van ouderdom, zien er in de verte uit als donkere plekken in dat rietbosch. Wat het donkere woud met zijn moerassen en dicht geboomte, wat het riet herbergt, zulks blijft voor het zoekend oog des waarnemers meerendeels verborgen; alleen de rand dezer wildernissen ligt voor hem bloot, het breede vaarwater is de eenige hem toegankelijke weg.
In zulke oorden begonnen wij onze jacht, die eerst op de beheerschers der lucht was gemunt. Deze, de arenden, kwamen ons op den[465]eersten reisdag echter nog niet onder schot, zelfs niet onder onze oogen; in vergoeding hiervoor bezochten wij echter het reeds jarenlang beroemde reigereilandAdonyen hier hadden wij ruimschoots gelegenheid om het leven van genoemde vogels in den broeitijd te leeren kennen. In de hooge boomen van dit eiland nestelen sedert twee menschenleeftijden, te midden van daar veel langer reeds verblijf houdende roeken, eene menigte reigers en schollevaars, en al moge ook in de laatste dertig jaren het aantal van laatstgenoemde vogels zeer zijn verminderd, verdwenen zijn zij nog niet. Voor veertig jaren nestelden hier volgensLandbeck, ongeveer duizend paren kwakken, tweehonderd en vijftig paren blauwe reigers, vijftig paren kleine zilverreigers en honderd paren schollevaars; heden zijn wederom de roeken het talrijkst, en hun aantal kan op 1500 à 2000 paren gesteld worden; de blauwe reigers echter zijn tot op ongeveer 150, de kwakken tot op 50 à 40 paren versmolten, terwijl de kleine zilverreigers geheel verdwenen zijn, maar de schollevaars komen er nog even talrijk voor als vroeger. Toch klonk ons nog een nagalm uit het voormalig leven in de ooren, toen wij het eiland betraden, en in sommige deelen vertoont het bosch nog vrij wel het oude beeld.
Oogenschijnlijk leven die gemengde vogelscharen in volkomen eendracht samen, maar werkelijk zijn vrede en vriendschap hier verre. De eene vogel verontrust of helpt, brandschat of voedt den ander. In de kolonies der roeken laten zich de reigers neder om vrij te zijn van den nestbouw; de eersten slepen de takken samen en bouwen de nesten, de laatsten verdrijven de roeken van het nest, om zich òf het nest zelf, òf de materialen toe te eigenen; nu komen de aalscholvers om wederom de reigers den roof te ontnemen en hier ten slotte de beheerschers en gebieders van den staat te blijven. Maar neen, ook deze dieven en roovers worden op hunne beurt beroofd en bestolen, want kraaien en wouwen, welke laatste vogels nimmer in zulk eene kolonie ontbreken, voeden zich zelf en hunne jongen voor een goed deel met de visschen, die de reigers en aalscholvers naar hunne nesten hadden gesleept.
De eerste ontmoeting dezer verschillende broedvogels is van vijandelijken aard. Hevige gevechten hebben plaats, en de tienmaal overwonnene opent voor de elfde maal den strijd, alvorens zich bij het onvermijdelijke neêr te leggen. Mettertijd evenwel komt er verbetering in den toestand; men begint op te merken, dat uit het samenwonen ook[466]voordeelen ontspruiten en dat er voor vredelievende buren ruimte genoeg overblijft. Wel is waar heerscht er ook nu nog geen volmaakte rust en vrede, maar de felle strijd tusschen de verschillende soorten wijkt voor meer dragelijke toestanden. Men wordt aan elkander gewoon en maakt zich de werkzaamheid van zijne tegenpartij zooveel mogelijk ten nutte. Ja, het komt wel eens voor, dat de beroofde den roover, wanneer deze in de noodzakelijkheid komt zijn broedplaats elders op te slaan, herwaarts volgt.
Zulk een gemengde reigerkolonie levert inderdaad een aantrekkelijk gezicht op. „Een boeiender en fraaier tooneel, rijker in afwisseling,” zegt Baldamus, „dan deze Hongaarsche moerassen met hare vogelenwereld, die zich gelijkelijk onderscheidt door het aantal individuen als door verscheidenheid in kleur en vorm, kan men zich bezwaarlijk denken. Men beschouwe slechts de meest merkwaardige dezer moerasbewoners in een museum, en denke zich dan deze dieren staande, stappende, loopende, klimmende, vliegende, kortom,levend, en men zal moeten toegeven, dat het vogelleven hier onbeschrijfelijk aantrekkelijk is.” Deze teekening is ook dan nog juist, wanneer men haar toepast op het verarmde eiland Adony. Hoe gedund ook de eens zoo rijke bevolking zij, nog altijd bestaat zij uit duizenden en nog eens duizenden individuen. Ver in het rond draagt iedere boom des wouds nesten, sommige van twintig tot dertig stuks, en om deze verdringt en beweegt zich het levendige volkje der zoo onderscheiden kolonisten. De broeiende wijfjes der roeken, blauwe reigers, kwakken en aalscholvers zitten op de nesten, en gluren met haar donkere, zwavelgele, bloedroode, of zeegroene oogen naar den rustverstoorder, die haar heiligdom betreedt; op de hoogste takken der reuzenboomen zitten of klauteren, daarboven fladderen, vliegen en zweven allerlei zwarte, bruine, grijze, één- en bontkleurige, doffe en glinsterende vogelgedaanten; wouwen beschrijven daarboven hun kringen; tegen de stammen hangen en werken de spechten; in de bloesems van een pereboom zoeken gladde, vlugge grasmusschen, in de toppen der reeds bebladerde vogelkersen vinken en boschzangers hun dagelijksch brood. Het heerlijke tapijt van lelietjes van dalen is hier en daar bevuild en bemorst door de uitwerpselen der vogels, ontsierd door gebroken eieren en de uit het nest gevallen, half vergane visschen.
Het eerste schot uit het geweer van onzen jachtheer roept eene onbeschrijfelijke verwarring in ’t leven. Schreeuwend verheffen zich de[467]opgeschrikte reigers, oorverdoovend krassen de kraaien; boos grommend verlaten ook de aalscholvers hun nesten. Een wolk van vogels zweeft over het bosch, drijft heen en weder, op en neêr, breidt een schaduw uit over de boomkruinen, spreidt zich in afzonderlijke vlokken uiteen, die langzaam naar de zooeven verlaten nesten nederdalen, deze eene poos omzweven en aan ’t oog onttrekken, om daarna weder met de hoofdmassa ineen te smelten. Het is een geschreeuw, gebrom, gekras en gehuil, dat hooren en zien vergaat; elke vogel vliegt weg en keert, beangst om nest en eieren, weder terug. Het geheele bosch geraakt in opstand; alleen de vink, hierdoor niet medegesleept, blijft doorkweelen met zijn lentelied, blijft de specht lachen, blijven de nachtegalen hun heerlijke wijsjes slaan, uiten zich deze dichterlijk gestemde zielen te midden van roovers en dieven.
Rijk met buit beladen keeren wij na een jacht van vier à vijf uren naar de boot, onze woning, ons gezellig verblijf, terug, om terwijl wij verder trekken, de gewonnen schatten wetenschappelijk te ordenen. Uren lang varen wij langs dergelijke bosschen, gelijk ik schilderde, nu en dan ook grootere of kleinere plaatsen, steden en dorpen voorbij, totdat de toenemende duisternis halt gebiedt. Tegen het aanbreken van den volgenden dag bereiken wijApatin. Vreugdeschoten, muziek en juichkreten begroeten den beminden troonopvolger. Allerlei menschen dringen zich om de boot; jagers, die hier wonen, nestenzoekers, boombeklimmers, menschen, die de vogels zullen afstroopen, komen aan boord; meer dan een dozijn kleine scheepjes,„Czikeln” genoemd, worden volgeladen. Weêr stoomt de boot rivierafwaarts, om ons in de nabijheid van een breeden arm aan land te zetten. Op dezen arm dringen wij voor de eerste maal de natte bosschen in. Alle kleine booten, die wij te Apatin hebben volgeladen, volgen de onze, even als kiekens de moedereend. Heden vangt de jacht op den arend aan, welke vogel in deze bosschen zoo veelvuldig broedt; binnen den omtrek van eene vierkante mijl heeft men niet minder dan vijf nesten opgespoord. Vol jachtlust scheiden wij, om ons in verschillende richtingen naar die nesten te begeven.
VISCHREIGERS.VISCHREIGERS.
VISCHREIGERS.
Ik kende den koenen, roofgierigen, ofschoon niet-edelen roofvogel van vroeger, want ik had hem in Noorwegen en Lapland, alsmede in Siberië en Egypte te dikwijls gezien, maar ik had nog nimmer zijn nest aanschouwd; de gelegenheid, die zich nu hiervoor aanbood, was mij alzoo hoogst welkom. In overeenstemming met zijn naam, bewoont[468]hij met voorliefde de zeekusten, maar bovendien de oevers van vischrijke meren en groote rivieren. Wordt hij door den winter uit zijn schuilplaats verdreven, dan trekt hij zoover zuidwaarts als noodig is om ook in het koude jaargetijde niet van honger om te komen. In Hongarije is hij een der meest voorkomende groote roofvogels; hij verlaat het land ook in den winter niet en onderneemt alleen in zijn jeugd, voordat hij volwassen is, verre zwerftochten, even alsof hij eens de proef wilde nemen met het vreemde land. In het voorjaar ziet men daarom in dit jachtgebied uitsluitend oude, reeds het standvastig vederkleed bezittende, dus volwassene, voortplantingsrijpe zeearenden, terwijl daarentegen in den herfst en in den winter, behalve de voor eenige maanden uitgevlogen jongen, ook nog uit andere streken overgekomen zeearenden deze oeverwouden van den Donau bevolken. Zoolang de stroom vrij van ijs blijft, valt het den vogels niet moeielijk zich te voeden; zij jagen in het water even behendig, zoo niet beter,[469]dan op het land, zweven boven de rivier, totdat zij een visch in ’t vizier krijgen, storten zich pijlsnel op dit dier neder, verdwijnen, terwijl zij de prooi onder water vervolgen, soms geheel onder de golven, werken zich met hun krachtige vleugels evenwel snel weder naar boven, brengen den buit, dien zij de krachtige klauwen door het schubbenpantser boorden, naar eene rustige plaats en verteren dien aldaar op hun gemak. Daar men in Hongarije hunne rooverijen niet zoo kwalijk neemt als bij ons, hen zelfs met eene onverdiende verschooning behandelt, vindt men deze vogels geregeld in de nabijheid der visschershutten, alwaar zij op de naburige boomen zitten wachten totdat de visscher hun de doode visschen uit zijnevischkaarof anderen afval toewerpt. Op gelijke wijs zorgen de Hongaarsche, Servische en[470]Slavonische boeren voor de zeeadelaars, door de doode dieren niet te begraven, maar op het veld te laten liggen, aan de arenden, alsmede aan de gieren, honden en wolven overlatende het aas op te ruimen. Onttrekt een ijskleed de gewone prooi aan ’t oog des zeearends, en bevindt zich toevallig ook geen dood aas in de nabijheid, zelfs dan nog lijdt hij geen gebrek. Evenals de meer edele en meer stoute steenarend, jaagt hij op alle wild, dat hij maar overweldigen kan. Hij grijpt den vos en den haas, doodt den egel en de rat, den duiker en de wilde gans; hij ontrooft den zeehond diens jong en gaat in zijne blinde roofgierigheid zoo ver dat hij zijn sterke klauwen in den rug van dolfijnen en steuren slaat; tot loon voor dien euvelmoed trekken beide dieren hem naar de diepte en voor het hem gelukt is zijn klauwen weder los te maken, is hij verdronken. Soms valt hij zelfs den mensch aan. En zoo heeft hij bijna nimmer gebrek, en indien men hem niet geregeld vervolgt, leidt hij een vrij aangenaam, werkelijk benijdenswaardig leven.
ROEKEN.ROEKEN.
ROEKEN.
Tot den broeitijd leeft de zeearend met zijns gelijken in vrede en eendracht; is die tijd gekomen, dan ontwaakt de strijdlust in zijn door jaloerschheid gekweld hart. Zoowel om een nest, als om een wijfje machtig te worden vangt hij aan met een zijner soortgenooten hevig te vechten. Wel duurt het eenmaal gesloten huwelijk dezer vogels het geheele leven door, maar niet langer dan de man in staat is het wijfje tegen de aanzoeken van andere mannetjes te beschermen en zich het eigendom van zijn nest te verzekeren. Begeerig laat een volwassen, geslachtsrijp mannetje zijn oogen rusten op het wijfje van een anderen arend en haar nest; beiden gaan den rechtmatigen echtgenoot verloren, en zijn den anderen gewonnen, zoo deze overwinnaar blijft. Een strijd op leven en dood tegen den indringer, die het huiselijk geluk belaagt, volgt; hoog in de lucht vangt het gevecht aan, op den grond wordt de strijd beslist. Met snavel en klauwen stooten de vogels op elkander, totdat het een hunner gelukt zijn tegenstander te grijpen, terwijl hij ’t naaste oogenblik weder de nagels van den ander in zijn lijf voelt slaan. Gelijk aan twee door en in elkander verwarde veêren ballen vallen beide nu omlaag, of in ’t water, of op ’t land, maken de klauwen van elkander los, om terstond daarna weder opnieuw het gevecht te beginnen. Als woedende hanen worstelen de helden, wanneer zij den strijd op den grond voortzetten; losse veêren en bloed wijzen de kampplaats aan en bewijzen de hevigheid van dien strijd. Middelerwijl beschrijft het wijfje haar kringen om de vechtenden, of het ziet van een verheven[471]zitplaats den strijd schijnbaar onverschillig aan; zij zal echter den overwinnaar hartelijk liefkoozen, wanneer deze na geëindigd gevecht tot haar terugkeert, onverschillig of het de rechtmatige echtgenoot of de echtbreukeling is. Wee den eersten, indien het krijgsgeluk zijn mededinger gunstig blijft! In de oogen eener arendsvrouw komt slechts den sterkeren de eerekroon toe.
Na zegevierend zulke aanvallen te hebben afgeslagen, waarvan geen arendsmannetje verschoond blijft, en die telken jare ook in Hongarije moeten worden afgespeeld, betrekt het paar, waarschijnlijk het langstgehuwde, het oude nest en begint reeds in Februari met dit te herstellen. Het materiaal wordt door beide echtgenooten gezamenlijk van den grond afgelezen of zij visschen het uit het water op, breken het ook wel van de boomen af, om het in de klauwen, soms van heinde en ver naar het nest te dragen en hier volgens de regelen der kunst te verwerken, zoo goed als een arend zulks vermag. Daar elk jaar deze vernieuwing herhaald wordt, nemen de hoogteafmetingen van zulk een nest telkens toe, zoodat men daaruit reeds tot deszelfs ouderdom kan besluiten; ook leidt men er den duur van het huwelijk uit af, want in de oudste nesten huizen ook de oudste paren. Het nest bevindt zich niet altijd boven in den top der boomen, maar toch echter altijd vrij hoog boven den grond, meer of minder dicht bij den stam en altijd gesteund door zware takken, wat noodig is omdat het nest ieder jaar grooter en zwaarder wordt. Uit zware en lichtere takken en twijgen, alle los over en in elkaar gevlochten, bestaat de onder- en bovenbouw, waarin een groot aantal ringelmusschen, die zich onverschrokken en onbevreesd in de nabijheid van den machtige wagen, passende holten voor nest en schuilplaats vinden.
Tegen het einde van Februari of het begin van Maart legt het wijfje twee, hoogstens drie eieren in de vlakke nestholte, en vangt nu aan ijverig te broeden. De arend verzorgt zijn broedend wijfje met voedsel, verwijdert zich, als hij op roof uitgaat slechts ongaarne ver van het nest, en zet zich, als hij genoeg voor zich en zijn wijfje heeft verzameld, trouw de wacht houdende, in de nabijheid van het nest op een bepaalden boom neder, die meteen tot slaap- en rustplaats wordt. Na vier weken broeiens komen de jongen uit; deze zijn aanvankelijk witte wolballen, waaruit een zwarte snavel, donkere oogen en reeds zeer scherpe klauwen te voorschijn komen; het zijn even sierlijke als reeds zich zelf bewuste schepseltjes. Thans hebben vader en moeder volop werk.[472]Beiden wisselen elkander af om buit te halen en de jongen te bewaken, ofschoon de moeder alleen zich met de eigenlijke verpleging belast. Wel staat de vader haar bij om de kindertjes op te voeden, maar alleen de moeder is in staat minnediensten te bewijzen. Werd zij aan haar jeugdig kroost ontnomen, dit zou evenzeer moeten omkomen als het jonge zoogdier, dat men van zijn moeder berooft. Met haar eigen borst dekt de moeder-arend haar jongen tegen wind en regen; uit haar eigen krop reikt zij dezen het verwarmde, doorweekte, vooraf verteerde voedsel. Zulke minnediensten bewijzen kan de vader-arend niet; wel neemt hij op later leeftijd, indien alsdan de moeder mocht worden weggerukt, gaarne de opvoeding en voeding geheel voor eigen rekening, al moge zulks gepaard gaan met veel inspanning en moeite. De jongen groeien voorspoedig en snel op. In de derde levensweek hebben zij reeds veêren op het bovenlijf gekregen; tegen het einde der Meimaand zijn zij volwassen en vliegvaardig. Nu verlaten zij het nest, om onder geleide der ouders zich voor een zelfstandig leven voor te bereiden.
Ziedaar, in vluchtige trekken geschilderd, het levensbeeld van den adelaar, op welken vogel in de eerstkomende dagen onze jacht gericht zou zijn. Niet minder dan negentien bezette nesten werden door ons bezocht en hierop met afwisselend geluk jacht gemaakt. Somtijds te voet, somtijds in eene kleine boot gezeten, menigmaal springende en wadende, kruipende en sluipende, trachtten wij, ongezien en ongehoord, de nestboomen te naderen; vol verwachting verbleven wij uren lang in fluks opgeslagen loofhutten onder deze boomen en zagen in spanning naar de arenden, die door ons zelf of anderen opgeschrikt, hoog in de lucht hun kringen beschreven en niet weêr naar het nest wilden terugkeeren, maar zulks toch eindelijk zouden moeten doen, om ons ten offer te vallen. De eene waarneming werd aan de andere vastgeknoopt, en zoo verkreeg deze jacht voor ons allen eene ongemeene bekoring.
Buiten de arenden en andere roofvogels, die almede buit werden gemaakt, waren of schenen de zooveel belovende bosschen arm aan gevederd gedierte. Het was evenwel nog vroeg in het jaar en de vogels bevonden zich nog veel op den trek; ook konden wij weinig meer dan den zoom der wouden onderzoeken. Doch ook het aantal vogels, dat teruggekomen was en in dien rand verblijf hield, beantwoordde niet aan onze verwachtingen. En toch treurden wij het meest om iets anders, n.l. om de schaarschheid aan goede zangers. Wel kweelde de zanglijster haar rijke liederen in het van voorjaarsluchten[473]geurende woud; wel sloeg hier en daar een enkele nachtegaal, en begroette de vink ons allerwege met zijn lentezang; wel oefende ook reeds eene grasmusch haar keeltje,—maar noch het een, noch het ander was voldoende om onze scherp luisterende ooren te bevredigen. Wij bevonden dat het allen slechts stumpers, geen meesters waren. En zoo scheen het ons eindelijk bijna toe, alsof het genoemde gezang in deze sombere bosschen eigenlijk niet te huis behoorde, en ware daarin alleen het geschreeuw van arenden en valken, het gehuil van oehoe’s en boschuilen, het geratel van waterhoentjes en zeezwaluwen, het gekrijsch van reigers, het gelach van spechten, het geroep van koekoeken en het gekir der houtduiven, de meer passende melodie; waren hoogstens nog ook de in riet en biezen huizende rietzangers, die hun lied grootendeels aan dat der kikvorschen ontleend hebben, de eenige van rechtswege daarin behoorende zangvogels.
HET NEST VAN DEN ZEEADELAAR.HET NEST VAN DEN ZEEADELAAR.
HET NEST VAN DEN ZEEADELAAR.
De vierde jachtdag was bestemd voor het op eenige mijlen van de Donau-oevers gelegen Keskenderwoud. Toen wij de rivierbosschen verlaten hadden, kwamen wij in eene uitgestrekte, eerst op grooten afstand door een landrug begrensde vlakte; door goed bebouwde akkers van de groote, voorbeeldig bestuurde heerlijkheidBellyevoerde een weg, dien wij in vluggen draf te paard aflegden. Hier en daar moerassige weiden met poelen en slooten, een boschje, een groote door knoestige eiken omgeven herberg, een gehucht, een dorp, verder boomlooze velden,—zoo zag het landschap er uit, dat wij doorsnelden. Boven de velden steigeren duizenden zingendeleeuweriken; op de wegen trippelen aardige kwikstaarten; op de heggen langs den weg zitten klauwieren en grauwgorzen; in de kruinen der eiken schreeuwen en zingen de daar nestelende kerkkauwen en spreeuwen; boven de waterplassen trekken visschende vischarenden en tuimelen sierlijke zeezwaluwen in zigzaglijnen; in het moeras loopt de kievit heen en weder, maar van andere vogels bemerken wij weinig. Ook het Keskenderwoud, een goed onderhouden bosch, dat wij na een rit van twee uren bereikten, was in weêrwil van zijn afwisselend geboomte arm in soorten; maar hier nestelden schreeuwadelaars en vischarenden, arendbuizerden en gewone buizerden, valken en uilen en vooral zwarte of boschooievaars in groot aantal, en zoo viel onze jacht boven alle verwachting goed uit. En toch kenden de boschwachters, die eerst voor weinige dagen kondschap hadden gekregen van het te verwachten bezoek van onzen doorluchtigen[474]jachtheer, en het bosch in alle richtingen hadden doorzocht om nesten op te sporen om deze op eene schielijk vervaardigde kaart aan te duiden, bij lange na niet alle in dit ééne woud verblijf houdende roofvogels en zwarte ooievaars. „Het zijn paradijsachtige toestanden,” merkte kroonprinsRudolfop en drukte in deze enkele woorden zeer juist de verhouding uit, die er bestaat tusschen de menschen en dieren van Hongarije. Evenals de oosterling kent ook de Hongaar gelukkig de moordzucht niet, waardoor de dieren in West-Europa zoo schuw zijn geworden en die hun aantal, helaas! zoozeer[475]heeft doen verminderen; hij gunt zelfs gaarne aan den roofvogel een plaatsje op zijn eigendommen en grijpt niet voortdurend ruw en wreed in de dierenwereld in, die om hem leeft en zich beweegt. Niet eens het schandelijk egoïsme, dat tegenwoordig elk jaar hebzuchtige kooplieden in vederen aanspoort tot rooftochten op den beneden-Donau, ten einde honderdduizenden, levenslustige lieve vogels ter wille van hun gevederte op te offeren, heeft den Magyaar kunnen bewegen van zijne goede oude zeden af te wijken. Onverschilligheid omtrent de hem omgevende dierenwereld moge daartoe grootelijks bijdragen, maar de gastvrijheid, die hij den vogels bewijst, komt dikwijls uit het hart en verdelgingswoede blijft hem vreemd. Zonder van vrees te doen blijken vertoeven de dieren, voornamelijk de vogels, in de nabijheid van den mensch; zij doen alsof zij alleen waren. De arend nestelt aan den weg in het bosch; de gewone raaf in het boschje langs den akker; de zwarte ooievaar is niet schuwer, dan bij ons de heilige, gewone ooievaar; het wild staat niet van zijn leger op, wanneer de wagen tot op geweerschotsafstand voorbijrolt. Het zijn werkelijk paradijsachtige toestanden.
Zulke toestanden zouden wij evenwel ook nog buiten het Keskenderwoud leeren kennen. Nadat wij dit laatste nog in verschillende richtingen hadden doorkruist, de nesten van meer dan twintig arendbuizerden en vischarenden, alsmede van den zwarten ooievaar bezocht en bejaagd, ons met een heerlijk ontbijt en nog meer met den heerlijken wijn van dit land verkwikt en gelaafd, vingen wij, door eene dreigende onweêrswolk tot spoed aangezet, onze terugreis naar het vaartuig aan, steeds jagende en verzamelende, zooveel de gelegenheid veroorloofde. De weg, langs welken wij terugreisden, was een andere, dan die, welken wij op de heenreis hadden genomen, n.l. een groote heirbaan, die verschillende dorpen verbond. Een aantal dezer laatste hadden wij reeds achter den rug, toen wij opnieuw tusschen huizen doorreden. Aan de gebouwen was niets bijzonders te zien, maar aan de bewoners meer dan ik ooit had kunnen denken. De bevolking van het dorpDalyckbestaat bijna uitsluitend uit Schokazen of katholieke Serben, die tijdens de heerschappij der Turken uit het Balkan-schiereiland naar hier zijn vertrokken, liever, door de Turken herwaarts gebracht. Het zijn schoone, slanke menschen, deze Schokazen. De mannen zijn groot en sterk; de vrouwen in dit opzicht op de mannen gelijkende, zijn zeer goed gebouwd en waarschijnlijk niet[476]van schoonheid ontbloot. Het eerste viel te beoordeelen, voor het laatste moest de fantasie ons te hulp komen; de Schokazinnen toch dragen een kleed, gelijk zeker nergens in Europa gezien wordt, en door onzen hoogen jachtheer, steeds vindingrijk en veelbeteekenend in zijn uitdrukkingen, mythologisch genoemd. Wanneer ik zeg dat het hoofd en het aangezicht bijna geheel omhuld worden door op zeer eigenaardige, maar volstrekt niet smakelooze wijze ineengewonden en toegeknoopte doeken, terwijl de rok vervangen wordt door twee bontgekleurde, op een schort gelijkende, losse stukken doek, mag ik overigens aan de verbeelding volle vrijheid veroorlooven, zonder mij bevreesd te maken, dat zij al te zeer de haar gestelde perken zal overschrijden. Ik zelf werd levendig herinnerd aan het kamp Arabische nomaden, dat ik eens in de oerwouden van Centraal-Afrika bezocht.
Onder een stortregen bereikten wij tegen ’t vallen van den avond ons gezellig vaartuig. Regenachtig is ook de volgende ochtend, bewolkt de dag en weinig winstgevend de jacht. Zulks noopt ons verder te reizen, hoe dankbaar wij ook waren voor de dagen in de heerlijkheid Bellye doorgebracht, en hoe rijk de oogst misschien ook zou geweest zijn, indien wij hier nog ettelijke dagen hadden vertoefd, waargenomen en verzameld. Met een hartelijke en welverdiende dankbetuiging nam onze jachtheer afscheid van den beambte der aartshertogelijke heerlijkheid; nog een blik op de wouden, die ons zooveel goeds hadden geschonken, en nogmaals stoomt ons snelvarend scheepje den Donau af. Binnen weinige uren bereiken wij Draueck, den mond der Drave, welke rivier voortaan de richting van de bedding der rivier schijnt te bepalen. Een der meest grootsche rivierlandschappen, die ik ooit gezien heb, ligt thans voor ons. Een breed watervlak strekt zich voor onze oogen uit; in ’t zuiden wordt het begrensd door lachende heuvelen, naar alle andere zijden breiden zich bosschen uit, gelijk wij nog niet gezien hebben. Noch de loop van den hoofdstroom, noch die van zijn nevenrivier laat zich vervolgen; de ontzettende watermassa gelijkt op eene van alle kanten ingesloten zee, welker oevers slechts bij den straks vermelden heuvelketen duidelijk te voorschijn treden; want zelfs tusschen het groen der bosschen door, op plaatsen, waar openingen het gezicht vrij laten, ziet men wederom water, woud en rietbosschen, welke laatste den vele mijlen grooten plas Hullo bedekken, in eindeloos schijnende uitgestrektheid. Reusachtige boomstammen, door beide rivieren aangevoerd en half onder ’t water verscholen, half daarboven drijvende,[477]nemen allerlei fantastische vormen aan; het schijnen de fabelachtige dieren der voorwereld te zijn, die hun gepantserde lichamen boven de donkere golven uitsteken. Want donker, bijna zwart stroomt de „blondeDonau” daar heen, terwijl ons vaartuig Draueck voorbijstoomt. Grijsachtig zwarte en loodkleurige onweêrswolken bedekken den hemel; oogenschijnlijk zweven ook zij tusschen het honderdvoudig geschakeerde groen der bosschen en hangen zij boven de eentonig vaalgeel gekleurde rietvelden.Bliksemstralen werpen een schel licht op dit tooneel; de regen stroomt kletterend naar beneden, de donder laat zijn gerommel hooren, de stormwind huilt in de hooge toppen der oude boomen, woelt in de wateren en kroont de donkere toppen der golven met een grijsachtig wit schuim; beneden, in het zuidoosten echter breekt de zon door het zwarte floers des hemels, omzoomt dit met purper en goud, en werpt daarover een helder licht, zoodat de zware schaduwen nog scherper uitkomen; fonkelend straalt het op de bonte heuvels, die in de verte tot een gebergte opstijgen. Daarbeneden, daar aan gindschen kant liggen gehuchten en dorpen; hierboven wordt de oorspronkelijkheid van het grootsche, in zijn wildheid en momenteele verlichting en beweging zoo verheven tooneel slechts gebroken door eene enkele, kegelvormige, met riet gedekte visschershut.
In ’t oog vallend is de armoede aan vogels, in ’t algemeen de eenzaamheid der uitgestrekte watervlakte. Geen meeuw zweeft over den spiegel van den Donau, geen zeezwaluw vliegt in zigzaglijnen op en neder; hoogstens verheffen zich enkele woerden uit den stroom. Nu en dan ziet men nog een blauwen reiger, eene vlucht kwakken, een zeeadelaar, eenige wouwen, raven en bonte kraaien, misschien wel een troep kieviten, en de opsomming der hier aanwezige vogels is geëindigd.
Van den volgenden dag af trekken wij jagend en waarnemend door een wonderschoon gebied. De blauwe bergen voor en op welke gisteren in den onweêrsnacht heldere, gouden zonnestralen vielen, zijn de hoogten der Fruškagora, een boschrijk middelgebergte van de heerlijkste soort. GraafRudolf Chotekhad op de voorbeeldigste wijze alles voor eene waardige ontvangst van onzen hoogen jachtheer voorbereid en zoo wachtten ieder onzer onvergetelijke dagen. Van het dorp Cerewic uit, boven hetwelk onze boot ligt, rijden wij elken dag door de kloven, beklimmen wij in den wagen of te paard, of wandelende, de hoogten van het gebergte, om elken avond vol zaligheid en geluk weder huiswaarts te keeren. De gulden Meimaand verkwikt geest en lichaam,[478]hart en ziel, en onze gastheer is zoo onuitputtelijk in attenties, voorkomendheid, vriendschapsbewijzen en gulheid, dat de dagen, door ons in de Fruškagora doorgebracht, wel voor immer onvergetelijk zullen blijven; zij behooren tot de rijkste en schoonste der geheele reis.
De streek, dagelijks door ons bezocht, is meer dan liefelijk. In de nabijheid van het dorp breiden zich akkers uit; achter deze begint de gordel van wijnbergen, die zich uitstrekken tot aan den zoom des wouds; in de dalen en ravijnen daartusschen bloeien en geuren tal van ooftboomen, die aan het landschap eene ongemeene bekoorlijkheid schenken; aan de hellingen der wegen, die gewoonlijk den loop der dalen volgen, woekert een dicht struikgewas, terwijl het oog zich vermeit in eene bloemenpracht, die in deze dalen, waar geen watergebrek heerscht en murmelende beekjes hun aangenaam geruisch laten hooren, weelderig ontluikt. Op de eerste hoogten heeft men een verrassend schoon vergezicht. Beneden op den voorgrond teekent het dorp Cerewic zich schilderachtig af; dan volgt de breede Donau met zijn lage oeverbosschen aan den overkant; achter de rivier en de bosschen breidt zich de eindelooze Hongaarsche laagvlakte uit, en toont den waarnemer haar weilanden en akkers, haar bosschen en poelen, haar dorpen en marktvlekken in een onzeker, en juist daardoor te meer boeiend licht; in het oosten troont de vesting Peterwardein.
Boven de akkers verheffen zich zingendeleeuweriken; uit de struiken klinkt uit honderden kelen de slag van den nachtegaal; uit de wijnbergen schalt het vroolijk lied van den steenlijster en hoog in de lucht beschrijven twee giersoorten en drie verschillende arenden hun wijde kringen.
Na een korten tocht verdwijnen stroom, dorpen en akkers, en een heerlijk boschrijk dal neemt ons op. Steil vallen de bergen weêrszijds af; kam en rug zijn dicht met niet al te hoog geboomte bezet. Eiken, linden, olmen en platanen maken hier, beuken en hoornboomen ginds de bevolking uit; dicht en laag struikgewas, waar de nachtegalen verblijf houden, vormen de omgrenzing. Geen grootsch vergezicht loont den wandelaar, die de hoogste ruggen beklimt en in ’t noorden Hongarije, in het zuiden Servië voor zich ziet liggen, maar hart en zinnen worden gestreeld door een plechtig, rustig schemerdonker. Van de hoofdkam, die niet hooger dan tot 900 meter opstijgt, scheiden zich, in min of meer loodrechte richting verloopende, naar beide zijden een aantal ketens af, die van welken kant ook beschouwd, dikwijls[479]een verrukkelijk gezicht opleveren. Zij eindigen in dalen of sluiten ketels in, welker hellingen tot nog toe geen hout hebben afgevoerd en deswege prijken in al de schoonheid van een oorspronkelijk woud. Reusachtige, recht opgeschoten, tot aan de hooge kruinen gladstammige beuken rijzen uit een veenlaag van bladeren omhoog, waarin de jager tot zijn knieën inzinkt; knoestige eiken steken de takken hunner kruinen hoog in de lucht, alsof zij alle roofvogels wilden uitnoodigen hun nesten hier op te slaan; gewelfde linden vormen hier en daar zulk een dicht gesloten bladerendak, dat de stralen der zon slechts na veelvuldige terugkaatsing den grond bereiken. Zanglijsters en merels, wielewalen en roodborstjes, schildvinken en fluiters, zijn, behalve de overal verspreide nachtegaal de zangers van dit woud; de koekoek roept zijn lentegroet van berg tot berg; zwarte en groene spechten, boomklevers en meezen, houtduiven en kleine boschduiven merkt men almede op.
Onze jacht was hoofdzakelijk gericht op den grootsten aller Europeesche roofvogels, den grauwen gier, wiens noordelijkste broedgebiedsgrenzen in de Fruškagora schijnen gelegen te zijn. Bij dezen vogel heeft zich onlangs, wellicht gelokt door de ongelukkige offers van den Servischen oorlog, de tweede groote gier van Europa gevoegd, en beiden broeden hier onder de niet moeielijk te verklaren bescherming van den dierkundigen en dieren-minnenden eigenaar des wouds. Ik kende van vroegere reizen beide soorten, maar niettemin verheugde ik mij uitermate, ze hier op hun broedplaatsen te kunnen waarnemen en mededeelingen te mogen ontvangen van een jager, gelijk Graaf Choteks; waarneming, uitvorsching van het leven der dieren, was trouwens bij ons hoofdzaak. En weder knoopten wij de eene waarneming aan de andere, en menige ons nog donkere zijde van het leven dezer beide reuzen onder de vogels werd door dit onderzoek opgehelderd en verklaard.
De grauwe of monniksgier, wiens verbreidingsgebied niet alleen de drie zuidelijke schiereilanden van Europa omvat, maar bovendien West- en Middel-Azië tot aan Indië en China in zich sluit, is een standvogel der Fruškagora, die echter na den broeitijd gaarne zwerftochten onderneemt, welke hem geregeld tot in het noorden van Hongarije, soms tot naar Moravië, Bohemen en Silezië voert. Krachtige vleugels stellen hem in staat zulke tochten zonder veel inspanning te ondernemen. Wanneer de eieren of hulpbehoevende jongen hem niet aan de plaats binden,[480]vliegt hij in den vroegen voormiddag van den boom, waar hij den nacht doorbracht, stijgt in schroeflijnen omhoog, zoo hoog, dat het ongewapende oog hem niet meer kan volgen, ziet van hier met zijn weêrgaloos scherp, voor de meest verschillende afstanden geaccomodeerd gezichtsorgaan groote vlakten over, terwijl niets zijn blik ontgaat; hij speurt zelfs het kleinste aas, en zoodra iets, dat van zijn gading is, ontdekt wordt, stort hij zich uit de hoogte daarop neder. Na dit, òf opgegeten, òf althans voorloopig in den krop geborgen te hebben, neemt hij den terugtocht aan of zwerft nog eenigen tijd doelloos rond. Even gelijk hij het beneden hem gelegen, vele vierkante geografische mijlen omvattend, voor zijn oogen geheel ontsloten gebied afleest, let hij eveneens op de bewegingen van eigen soortgenooten, of van andere groote, aasvretende roofvogels in ’t algemeen, om van deze waarnemingen zooveel mogelijk partij te trekken. Hierin vindt men de verklaring van het feit, dat dikwijls zoovele gieren tegelijk plotseling bij een of ander groot aas verschijnen, en dit zelfs in streken, waar zij gewoonlijk niet verblijven. Niet het vrij zwakke reukvermogen, maar alleen het scherpe gezicht is hun op deze rooftochten van dienst. De een vliegt den ander na, zoodra hij bemerkt, dat deze eene prooi heeft opgespoord, en de snelheid van zijn vlucht is zoo groot, dat hij dikwijls nog intijds bij het feestmaal is aangekomen en reeds bezig is met smullen, terwijl de ontdekker daar nog zijn kringen boven beschrijft. Talmen mag hij niet, want niet tevergeefs dragen deze vogels hun naam; hunne vraatgierigheid gaat alle perken te buiten. Weinige minuten zijn voor drie of vier gieren voldoende om een dooden hond of een dood schaap bijkans geheel te verslinden, zoodat de maaltijd met onbegrijpelijke snelheid verloopt en hij, die te laat komt, den hond in den pot vindt.
De gieren der Fruškagora vinden overigens, behalve groot aas, hier ook nog veel goeds voor krop en maag in andere dieren, want wij troffen in het spijskanaal van een door ons gedooden vogel de overblijfsels aan van ziesels en groote hagedissen, welke dieren hoogst waarschijnlijk niet dood gevonden, maar levend gegrepen zijn geworden.
In overeenstemming met de meer noordelijke ligging der Fruškagora en de voor gieren minder gunstige geregelde toestanden van het omliggende land, zaten de monniksgieren tijdens ons verblijf nog op de eieren te broeden, terwijl diezelfde vogels in meer zuidelijke streken zeker reeds jongen hadden. De nesten bevonden zich op de hoogste[481]boomen van het bosch, veelal op meer dan twee derde van de hoogte der berghellingen. Graaf Choteks kende velen hunner, daar zij sedert twintig jaren steeds geregeld naar dezelfde broedplaats terugkeerden, terwijl menig nest al dien tijd hetzelfde paar had gediend en elk jaar nieuwen toevoer van bouwstoffen erlangd, zoodat sommige eene verbazende afmeting hadden verkregen. Enkele nesten waren van later dagteekening. Alle evenwel waren het bouwgewrocht der vogels zelf. In het oudste en grootste had een volwassen mensch kunnen liggen zonder met het hoofd of de voeten veel over den rand heen te steken.
Wij zetten ons onder deze nesten neder om het leven en bedrijf in het woud aandachtig na te gaan, tevens hier de terugkomst der voor ons gevluchte gieren af te wachten, en hun een zeker schot in ’t lijf te jagen. Vier achtereenvolgende dagen togen wij elken morgen naar dat heerlijk woud, en geen enkelen dag keerden wij zonder buit naar de rivier terug. Niet minder dan acht groote gieren, een aantal arenden, en ontzaglijk veel klein gevogelte van verschillende soort maakten wij buit, terwijl het jachtvermaak nog werd gekruid en gewijd door hoogst belangrijke, ons allen boeiende waarnemingen. Wanneer de laatste zonnestraal was verdwenen, verzamelden de jonge dorpsbewoners zich om ons vaartuig. Viool en doedelzak vereenigden zich tot eene liefelijke, alhoewel eenvoudige melodie, en meisjes en jongens bewogen zich, den hoogen gast ter eere, in den gelijkmatig zwevenden volksdans.
Nadat wij ook aan den anderen oever van den Donau met gelijk geluk hadden gejaagd, namen wij eindelijk, op den vijfden dag, afscheid van onzen meer dan oplettenden gastheer, den eigenaar der bezitting, en vervolgden de reis, altijd stroomafwaarts trekkende. Na eene vaart van drie kwart uurs bereiken wij Peterwardein, de kleine, nu verouderde, maar schoon en schilderachtig gelegen vesting, anderhalf uur later Karlowitz, in welker nabijheid wij den nacht doorbrengen. Den volgenden morgen bereiken wijKovil, het einddoel van den tocht.
In de nabijheid van dit groote dorp bevinden zich door akkers ingesloten bosschen, waarvan eiken het hoofdbestanddeel uitmaken, maar waarin zich zulk een dicht onderhout bevindt, dat de wolf en wilde kat, ondanks de nabijheid van vele bewoonde plaatsen, hier een schier ongestoord leven leiden. Geen wonder dus, dat ook roofvogels van allerlei soort, vooral zee-, konings-, schreeuw- en dwergarenden, arend-buizerden, wouwen, haviken, oehoe’s, alsmede andere uilen, hier[482]hunne nesten opsloegen; allerlei klein gevogelte houdt hier almede verblijf. Onze hooge jachtheer en zijn doorluchtige zwager beproefden in de bosschen hun geluk, terwijlEugenius von Homeyeren ik gingen jagen in een hoogerop gelegen moeras, dat door den hoogen waterstand nu tot een wijde zee was geworden.
In dit moeras,—op dit tijdstip evenwel waren de vogels nog niet alle aangekomen, daar de trek nog in vollen gang was—in dit moeras heerschte het rijkste en veelsoortigste dierenleven. In bijna onafgebroken opvolging trekken sterke vluchten zwarte zeezwaluwen naar den Donau, nu eens in dichte drommen, dan weêr zich verdeelende over de geheele breedte van den buiten zijn oevers getreden stroom; ongetwijfeld naar nestplaatsen zoekende, reizen honderden zwarte ibissen, in den gewonen V-vorm vliegende, stroomopwaarts en stroomafwaarts, naar de Theis zich begevende of van deze rivier terugkeerende; purperreigers, blauwe reigers en ralreigers loopen visschende heen en weder; rietwouwen, lange rietstengels naar het nest dragende, vliegen langs oude, bekende wegen; opnieuw gepaarde eenden, wier wijfjes door den hoogen waterstand van hare eieren beroofd werden, verheffen zich bij ’t naderen onzer kleine boot schreeuwend boven het water, terwijl futen en waterhoentjes in de diepte eene schuilplaats zoeken; kortom, geen plekje der groote watervlakte is onbezet en zonder leven. Een houtvester, met de wegen vertrouwd van een overstroomd bosch, wacht ons op in zijne woning, die als een eilandje boven het water uitsteekt, om onze gids te zijn in deze boschwoestijn, die alle vroeger bezochte verre achter zich laat, omdat de hooge waterstand nieuwe hindernissen voegde bij de reeds bestaande. Ons vasthoudende aan de in gewone omstandigheden tamelijk hoog boven den grond verheven takken, dikwijls gebukt onder andere, die den weg versperren, heen trekkende, trachten wij door de breede watervlakte, tusschen half en geheel omgevallen boomen en drijvende stukken hout, groot en klein, een weg te banen om binnen in het woud te dringen. Wilde eenden, die op knotwilgen zitten tebroeien, blijven gerust op de eieren en laten zich door ons niet storen, al naderen wij hen tot op een meter afstand. Geoorde futen, die het vrije water hebben opgezocht, zwemmen, zoodra zij ons in ’t gezicht krijgen, naar het groene loof der tot aan hun kronen in ’t water staande boomen,—hoofdzakelijk wilgen; kwikstaarten springen van het eene stuk drijfhout op het andere; bonte spechten en boomklevers hangen dicht bij de oppervlakte van het[483]water tegen de boomstammen, om op de hun gewone wijze naar voedsel te zoeken. Het eene beeld uit het leven der vogels verdringt het andere; ieder tooneel schijnt echter iets ongewoons, omdat de bijzondere omstandigheden daarin zekere wijziging hebben gebracht. Om bij het nest van een zeearend te komen, moeten wij ver door het water baden; om dat van eene kraai te naderen moeten wij een langen omweg maken. Regelrecht op het jachtdoel afgaan is hier onmogelijk, en toch is de jacht meer dan winstgevend. Ik had persoonlijk het genoegen en voorrecht een der uitstekendste bouwkunstenaars van ons werelddeel, den buidelmuis, bij zijn werk gade te slaan; ’t was voor ’t eerst van mijn leven.
Den volgenden dag vereenigde zich het geheele jachtgezelschap in een der genoemde boschjes tusschen de akkers. Een Hongaarsche houtvester had eene groote drijfjacht op wolven voorbereid, maar deze zoo onverstandig ingericht, dat vriend Isegrim ongezien weg kon sluipen. De weinig hoopgevende jacht werd dan ook spoedig gestaakt, terwijl wij nu nog het overige van den tijd zooveel mogelijk nuttig besteedden tot het doen van waarnemingen omtrent het leven der deze bosschen bewonende vogels.
Nog in den loop van dienzelfden dag verlaten wij Kovil, bereiken tegen zonsondergang wederom Peterwardein, varen in de eerste uren van den nacht de Fruškagora nogmaals voorbij, verlaten den volgenden dag nog eenmaal ons vaartuig, om in het rietbosch Hullo te jagen en daar waarnemingen te doen, krijgen hier eindelijk den te vergeefs gezochten grooten zilverreiger te zien, moeten evenwel met den ons nog slechts spaarzaam toebedeelden tijd rekening houden en verder stoomen, teneinde den sneltrein naar Weenen niet te missen.
Dankbaar de laatste dagen gedenkende, tevens den snellen voortgang hunner uren beklagende, varen wij weder de oeverbosschen, die ons zooveel genot hadden geschonken, voorbij, en met den wensch in het hart nog eenmaal deze oorden te bezoeken, en dan voor langer tijd daar te vertoeven, nemen wij voor ditmaal afscheid van een even rijk als eigenaardig land.[485]