XVI.

XVI.Die dag van het bezoek zijner vrienden teekende een ommekeer in Fonske’s leven. Hij was niet langer ’t schuwe mannetje, dat vreesachtig-eerbiedig opzag tegen al wat boven hem stond; ’t gelukte hem althans iets van de overgeërfde slaafsche onderworpenheid van zich af te schudden.Hij voelde zich opeens rijker geworden; niet alleen door het verdiende geld, maar rijker van gemoed. Hij kon meer, hij durfde meer, hij mocht meer. Er kwam iets mannelijks in hem, hij hield het hoofd op, zijn oogen keken recht en frank de menschen en de dingen aan, zijn stap werd vlugger, veerkrachtiger. Er lag een helder doel voor hem in het verschiet, waaraan veel ander heil verbonden was en waar hij flink op afstuurde.Hij wilde kunstenaar worden, hij wàs kunstenaar, hij zou er zijn brood mee verdienen!Het eerste wat hij deed was op beleefden, doch vasten toon aan Van Belleghem te gaan zeggen, dat hij voortaan nog wel binnenhuis-versiering en decoratie-geschilder, maar geen kladpotters-facade-werk meer wenschte te verrichten. Zoo iets beviel Van Belleghem maar half en even zette hij een norsch gezicht; maar Fonske hield vol, vertelde van de vier verkochte schilderijen en Van Belleghem lei zich uit nooddwang bij den toestand neer. Trouwens, ’t was of het zoo wezen moest: nog denzelfden dag ontving Van Belleghem een aanvraag tot wandversiering van een nieuwe, bij het station gebouwde herberg en Fonske werd de als van zelf aangewezen persoon om het werk uit te voeren. De condities waren mooi, hij ging met Van Belleghem kijken. Zij kregen accoord en er werd besloten dat Fonske de vier herbergwanden met waterverf-tafereelen zou beschilderen: een hertenjacht in groene bosschen, een wolvenjacht op de sneeuw en verder ’t kasteel van meneer den graaf en ’t kasteel van meneer den baron, ieder op zijn heuvel, met de rivier en de weilanden vol grazend vee er onder. Te vergeefs had Fons gepoogd, uit een begrip van logisch verband, dewolvenjacht te doen vervangen door een ander tafereel, b. v. door het kerkje en het oude molentje, aangezien er misschien nog wel herten, maar zeer zeker geen wolven in den omtrek meer bestonden. Doch de bierbaas had absoluut op de wolven aangedrongen en Fonske moest, met tegenzin, wel toestemmen. Het ging niet zonder eenige moeite. Sylvain en Florimond hadden met hem wel eens gesproken over wat zij noemden “hun artistiek geweten”, dat hun slechts toeliet die werken uit te voeren, welke met hun esthetische opvatting strookten. Nooit weken zij van dit hardnekkig-vastgehouden beginsel af en Fonske vroeg zich even af, of het nu ook zijn artistieke plicht niet was onwankelbaar zijn meening te verdedigen. Hij deed het echter niet. Voor ditmaal gaf hij toe, vast besloten, later, als hij nog wat sterker in zijn schoenen stond, geen enkele concessie meer te doen.Toen kwam iets anders aan de beurt. Een artiest mocht wel eigenaardig, maar niet schunnig gekleed loopen. Een artiest toch was een heer, en, als zoodanig, diende hij zich netjes voor te doen. Met een deel van de drie honderd vijf en zeventig frank, kocht Fonske zich nieuwe kleeren. Hij nam ook de gewoonte aan, elken dag, ookop zijn werk, een witte boord te dragen, en hij liet zijn haar groeien en machinaal streken af en toe zijn vingers in krullende beweging op zijn bovenlip, waar zich een donzig snorretje begon te ontwikkelen. In enkele weken tijds was Fonske zóó veranderd, dat de menschen hem niet meer herkenden.In de stad had het kringetje zijner kennissen zich ook langzaam uitgebreid. Zijn verkochte schilderijtjes waren, met werk van andere jonge schilders, in een klein zaaltje ten toon gesteld geweest, en enkele menschen waren hem komen aanspreken, hadden hem komplimentjes gemaakt. Zelfs had een locaal kunstblaadje waardeerend over zijn arbeid geschreven. Meer en meer ontwikkelde hij zich tot bewuste zelfstandigheid en voelde hij hoeveel ruimer de wereld en het leven waren, buiten het nauwe kringetje, dat totnogtoe zijn blik omgrensde. De regeerende kasteelen van zijn nederig dorpje schenen hem niet langer de eenige, bestaande wereldmachten; meneer de graaf, meneer de baron, meneer Gaëtan of jonkvrouw Elvire de eenige voorname en superieure wezens: hij zelf nu voelde zich dagelijks ontwikkelen en stijgen en naarmate hij steeg kwam het hem voor of de traditioneele afgoden daalden en of hij meer en meer met hen op een gelijk plan kwam te staan.Hij sprak nu tamelijk goed Fransch, hij kon een Fransch gesprek volgen en er min of meer deel aan nemen, hij had reeds eenmaal, vrij voldoende, een franschen brief beantwoord. En, wat wel teekenend was voor zijn ontwikkeling: hij begon ook in andere kunst-uitingen belang te stellen: hij las boeken, ’s avonds, als hij tijd had en meer dan eens was ’t reeds gebeurd, dat hij ook na de teekenacademie in de stad bleef, ergens, met vrienden, in een eenvoudig restaurantje lunchte en daarna een muzikale of theatrale matinee bijwoonde.Ongeloofelijk-sterk werkte aldus de wrijving van gedachten, het kritisch aanhooren, aanschouwen en genieten van verschillende kunst op hem in. Hij kon het lang niet alles in zich opnemen en verwerken; ’t was ineens veel te rijk-en-afwisselend, maar dat loste zich dan langzaam-bezinkend in hem op gedurende de vele rustig-stille dagen van de arbeidsweek en voortdurend verrijkt in levenskennis en ervaring kwam hij bij het reeds verkregene en begrepene nieuwe schatten oogsten.XVII.Zoo maakte hij ook eens, door tusschenkomst van Florimond en Sylvain, wier relaties zich vrij breed vertakten, kennis met een personage en een wereld waar hij vroeger wel eens van gehoord had, maar die steeds, door de dorps-autoriteiten afgeschilderd werden als het snoodste en slechtste dat er kon bestaan. Eens, op een kleine tentoonstelling, waar hij weer iets ingezonden, en zeer gelukkig verkocht had, werd hij voorgesteld aan Kappuijns, het alombekende, verafschuwde, of verafgoodde, kopstuk der sociale volkspartij.Fons herinnerde zich, dat meneer de pastoor meer dan eens, in zijn sermoenen, tegen Kappuijns en zijn verderfelijken invloed had gepredikt. Geen mensch, op ’t dorp, zou het gewaagd hebben met zulk een man ook maar even om te gaan en nustond Fonske vóór hem, vóór dat levend zinnebeeld van snoodheid en van zonde, alsof het niets was.Hij beefde ervan en sloeg eerst, als duizelig, de oogen neer. Hij kon den doorpriemenden blik van dien man niet verdragen. Dat was nu ook een heerscher, maar van een gansch ander soort dan de heeren der regeerende kasteelen. Als eenvoudig werkman was hij de kamp om het bestaan begonnen, hij had geleden en gestreden, hij had zelfs maanden doorgebracht in de gevangenis voor zijn te kras-geuite meeningen; en nu stond hij daar, ongebroken en krachtiger dan ooit, man van het woord en vooral man van de daad, sterk als een rots tegen de aanranding, gevreesd en zelfs geëerd door velen, die destijds gepoogd hadden hem dood te drukken. Hij was een groote macht geworden door zijn taaie werkkracht en knappe volharding, hij had de menschen overwonnen en naar zijn eigen, sterken wil gekneed en daarbij was hij zuiver en eerlijk gebleven, verre verheven boven ’t lage ideaal van geld en weelde, dat voor zoovelen het hoogste, maar voor hem slechts een ondergeschikt deel was van wat hij had willen en kunnen bereiken.Hij sprak met Fonske over de beteekenis der kunst en onder ’t spreken had hij die knedende bewegingen der handen die hem eigen waren enwaarmede hij zijn argumenten om zoo te zeggen tot concreet-voelbare bewijsstukken scheen te verwerken. Wat speet het hem, dat hij zelf geen kunstenaar was! Wat was er nog veel, oneindig veel te scheppen en hoe zou hij die wereld van gewaarwordingen en ervaringen, waar hij vol van was, die bij hem overborrelde, met aangrijpende kracht uitgebeeld hebben! Hij keek naar Fonske’s schilderijen en vond er wel veel goeds in, maar wat was er nog oneindig veel meer en grooters en diepers te verwezenlijken! Het gansche lijden van het proletariaat was nog in duizenden en duizenden schakeeringen te beelden, en ’t moest en ’t zou geschieden door de krachtige jongens uit het volk, die des volks ellende hadden meegeleefd en meegestreden. Waarom een droomerig, arcadisch landschap uitgeschilderd, terwijl er in dat landschap mannen zwoegden, dag aan dag, van den ochtend tot den avond, hun gansche leven lang, in afbeulende verstomping, voor een ellendig stuk brood! Wat was, van uit een menschlievend en zelfs gewoon-menschelijk standpunt beschouwd, aangrijpender: een lichtekooi of rijke dame met prachtsieraden in een luxe-koets, of een arm fabrieksmeisje dat, in lompen neergehurkt, tegen den barren muur dier fabriek, van afgematheidzit te hijgen! En waarom, als schilders conterfeitsels van den oorlog wilden scheppen, waarom moesten het telkens schitterende uniformen zijn, en steigerende paarden, en wapperende vlaggen en trofeeën; en niet de gruwelijke, anonieme, vuile en triestige doodsellende van één enkel, onschuldig, afgemarteld wezen: het simpel soldaatje, één en miljoenenvoudig, deMenschheidzelve, die voor de grillen of belangen van slechts enkele machtigen vermoord wordt? Ja, de leelijkheid, de vuilheid, de gore, vieze, triestige, stinkende vuilheid en niet het valsche klatergoud van den oorlog, wie zou dát eindelijk eens schilderen?Hij wond zich op, hij liet zich gaan, hij kneedde zijn woorden als ballen, weldra, als hield hij een publieke voordracht, door een schaar van gretige toehoorders omringd; en de twee estheten, die het heelemaal niet met hem eens waren, en zelfs voor een man van zijn groote beteekenis niet de minste deferentie toonden, schreeuwden hem namen in ’t gezicht: Millet! Géricault! Delacroix! terwijl Fonske voor het geweld van ’t twistgesprek achteruitdeinsde, als door schrik bevangen. Maar nieuwe horizonnen gingen meteen voor hem open; wat die man, wat die geweldige Kappuijns bereikt had, konden ook anderen in een andere lijn bereiken:men moest vooral willen en durven, hartstochtelijk, fanatiek, met nooit-vermoeide werkkracht, de oogen steeds halsstarrig-strak gevestigd op zijn ideaal. Kappuijns’ blakende woorden waren als een stroom van ontembare energie over Fons heen gevloeid; ’t werd in hem als een plotselinge openbaring van nog nooit vermoede, eigen kracht; die sterke man had, in enkele minuten tijds, als ’t ware een nieuwe wereld voor het nuchter buitenkind geopend.XVIII.Hij had hem ook bovenal,—en voor het eerst, en heel wat sterker dan totnogtoe de woorden van zijn vrienden deden, zijn volle waardigheid als onafhankelijk mensch doen voelen en beseffen.Hij was zooveel waard als een ander mensch: zooveel als meneer de graaf, zooveel als meneer de baron, zooveel als meneer Gaëtan, ondanks het verschil van maatschappelijken stand en fortuin. Hij mocht verliefd zijn op de jonkvrouw, evenals hij mocht verliefd wezen op Lisatje; dat maakte geen verschil: de eene was niet meer dan de andere. En hij had zelfs het recht verliefd te zijn op alle twee; het was geen schande, zooveel groote kunstenaars—dat had hij immers herhaaldelijk van Florimond en van Sylvain en ook van vele anderen gehoord—zooveel groote kunstenaarswaren te gelijkertijd op meer dan ééne vrouw verliefd geweest, werden door meer dan ééne vrouw in hun voortreffelijkste werkgeïnspireerd.Wàs hij nu eigenlijk verliefd op de jonkvrouw? Ja, hij dorst het ten slotte aan zichzelf bekennen: hij wàs verliefd op haar!Hij was verliefd op haar, als op het hoogste en schoonste, dat hij kende; verliefd op haar als op een beeld van inspiratie, dat men in een idealen droom aanbidt. Zij was dè Schoonheid zelve, de schoonheid van alles voor hem, en zijn aanbidding, die hij in zijn eigen diepste binnenste toch als iets gruwelijk-gewaagds, als iets misdadigs en bijna als iets wandadigs verborg, had feitelijk de naïeve, frissche reinheid van een kinderlijke poëzie. Hij waande zich groot-menschelijk, bijna tyrannisch-menschelijk in zijn dweepende liefde, en had hij haar maar één enkele maal die vereerende liefde in woorden mogen uitdrukken en éénmaal van haar hooren, dat zij hem ook zoo beminde, nooit zou hij iets anders of iets meer gewenscht en gevraagd hebben. ’t Was de romantische aanbidding van een herdertje voor zijn koningin!Vreemd: van op een afstand, terwijl hij met zijn vrienden in de stad over haar sprak, scheen hem, wat hij als de verwezenlijking zijner liefde beschouwde,oneindig veel gemakkelijker te bereiken, dan wanneer hij dichter in haar nabijheid was. Zoo op een afstand stond ze meer in nuchtere realiteit, als gewoon mensch, als vrouw voor hem. De kameraadjes hielden hem graag een beetje voor den mal met zijn voorname liefde, en hij kon het nu best velen en ook even meelachen, gelukkig zelfs dat het gesprek zoo ongegeneerd over haar liep. Maar in het dorpje, onder de aristocratische bescherming der regeerende kasteelen, werd zij dadelijk weer de ongenaakbare godin, waarnaar hij zelfs niet op dorst kijken. Hij moest haar maar even van verre zien aankomen; hij moest slechts haar vader, haar moeder, of zelfs haar gouvernante zien, terstond gaapte de afstand, die anders niet meer bestond, hem als een afgrond aan en weer voelde hij zich het jongetje van niemendal, het koewachtertje, het slaafje, dat van haar weldaden leefde. En hij begreep heel goed dat alleen iemand uit haar eigen stand, zooals meneer Gaëtan, ooit op haar kon aanspraak maken.Nog steeds werd er in ’t dorp verteld, dat die twee zeer zeker met elkander zouden trouwen. Men zag ze altijd samen, zij groeiden samen op, het kon bijna niet anders. Wel kwamen er ook dikwijls andere jongelui en jonge meisjes op detwee kasteelen, doch dat was maar tijdelijk: die bleven een poosje en verdwenen, terwijl de jonker en de jonkvrouw aldoor samen bleven. Fonske wist dat zoo goed als iedereen en soms dacht hij daaraan met stillen weemoed en liet zich in zijn droomen en gepeinzen gaan. Als hij nu eens meneer Gaëtan was in plaats van Fonske Vermaere! Rijkdom kon hem weinig schelen, maar jonkvrouw Elvire!.... O, wat zou hij gelukkig zijn! En hij aanzag meneer Gaëtan als een soort halve God op aarde, die wellicht den omvang van zijn eigen groot geluk niet eens kende. Langdurig kon hij den jonker staan nakijken, waar hij hem in het veld zag wandelen of door de straat zag gaan; hij ontleedde gansch zijn houding, kleeding en manieren; hij spande zich in om te begrijpen welke bekoring wel van zulk een man mocht uitgaan, en vergeleek dan met zichzelf en hoe hij er wel zou uitzien als hij zulke kleeren en manieren had als meneer Gaëtan. Het werd een imitatie: Fonske kocht zich een hoed en een das zooals meneer Gaëtan er droeg en eens, op een vroegen zondag-ochtend, vond zijn moeder hem in het slaapkamertje bezig met zich achter op het hoofd een “boulevard” te kammen.—Ha moar jongen, wa peist-e gij! Ge kamtou lijk menier Gaëtan! riep de vrouw verbaasd.Fonske kreeg een heete kleur van schaamte en antwoordde kregel, haastig weer zijn haren platstrijkend.—Och, moeder, zij-je nie wijs; ’t es omda ’k ’n beetse brand hé op mijn achterheufd.—Ha joa joa, zei de vrouw gerustgesteld. ’k Miende dat-e menier Gaëtan wildet noardoen. Ge ’n zoedt nie meugen, jongen, ze zoên ’t ons kwoalijk nemen op ’t kastiel.—Kwoalijk nemen! Kwoalijk nemen! Ne meinsch mag hem toch wel kammen lijk of hij wilt, pruttelde Fonske misnoegd.De moeder ging daar maar liever niet verder op door.XIX.Ondertusschen had zich althans één vast voornemen, ontstaan uit zijn ontwaakte waardigheidsgevoel als mensch, in hem als ’t ware vastgeschroefd. Hij wilde niet langer geldelijk door de jonkvrouw of haar ouders ondersteund worden. Hij had het ook niet meer noodig; hij verdiende nu langzamerhand genoeg om heel netjes in zijn onderhoud en in dat van zijn moeder te voorzien; hij wachtte zelfs maar op een gelegenheid om met haar op een deftiger stand te gaan wonen; en hij besloot, vóór het wintervertrek naar de stad, aan de jonkvrouw een brief van dank te schrijven en haar daarbij nog eens een van zijn beste schilderijtjes als geschenk aan te bieden.Hij oordeelde, dat hij nu ook wel genoeg Fransch kende, om zijn brief in die taal te schrijven. Datstelde hem alweer op meer gelijken voet met haar; hij ging maar dadelijk aan ’t werk, en toen hij er, na groote inspanning, mee klaar was, liet hij hem den volgenden zondag lezen aan Florimond en aan Sylvain, om er, zoo noodig, nog de fouten uit te halen.De twee estheten trokken eerst erg hun neus op. Zij vonden het een laffe zwakheid van Fons, dat hij haar in ’t Fransch wilde schrijven. Juist tegenover zulke lui, die de waardigheid van hun nationaliteitsbewustzijn heelemaal verloren hadden, diende men dit gevoel in zichzelf krachtig en scherp-levendig op te houden. Fons had zijn brief in het nederlandsch moeten schrijven. Doch zij kregen ten slotte medelijden met hem en ondanks zijn weerzin haalde Florimond de fouten uit het epistel, die talrijk waren.Thuis gekomen schreef Fonske den brief op mooi papier zorgvuldig over. Dan koos hij uit, wat hem het mooiste van zijn schilderijen leek: het dorpje onder sneeuw, met de ontbloeiende lichtjes bij invallenden avond, en vroeg den dorpsveldwachter of hij dat naar het kasteel wou brengen. Eerst had hij gedacht er zijn moeder mee te zenden, maar toen voelde hij als ’t ware iets vernederends voor zichzelf in die opdracht. Beterging het door den veldwachter. Zoo had het iets gewichtigers, iets meer officiëel, iets dat paste bij de plechtigheid van den franschen brief. De veldwachter, trouwens, vroeg niets beters. Zijn dikke borrelneus bewoog van de pret, toen Fonske hem een frank gaf om onderweg een paar “dreupelkes” te drinken.Twee dagen later kwam het antwoord. Fonske, die van zenuwachtige ontroering tweemaal vier en twintig uur bijna niet at noch sliep, zag den derden dag tegen den avond een der lakeien van ’t kasteel, buigend onder ’t lage deurtje, moeders huisje binnenstappen. Hij liep hem na, ontving den brief uit zijn handen.Reeds het adres was een emotie:Monsieur Alphonse Vermaereartiste-peintreMeulegem.Voorzichtig, met trillende vingers, trok Fons den omslag open.Monsieur,Quelle agréable et double surprise vous me faites en m’envoyant une lettre écrite français et en y ajoutant le charmant effet de neige! J’ignoraistotalement que vous connussiez le français et surtout que vous l’écriviez si bien. Je vous en fais mon compliment le plus sinçère et suis heureuse de constater qu’il ne vous manque plus rien maintenant pour devenir un grand artiste. L’oeuvre que vous y ajoutez du reste le prouve et je suis très contente de la posséder et vous remercie sinçèrement.A mon tour je vous réserve une surprise, probablement pour le printemps prochain. J’en ai dejà parlé à mes parents, qui sont d’accord avec moi. En attendant, continuez à bien travailler et à faire des progrès dans votre art.Veuillez croire à l’assurance de mes sentiments distingués.Cesse E. d’Assonville.Fons vouwde ’t briefje dicht en stopte ’t in zijn zak. Hij zag heel bleek en sterk beefden zijn handen. Hij had niet elk woord begrepen, maar wel de zinnen in hun geheel en hij moest dat nu maar kalmpjes, in de eenzaamheid, laten bezinken en in zich verwerken.—Es mejonkvreiwe kontent? vroeg glimlachend de moeder.—O, joa z’ zilde, antwoordde Fonske verstrooid,en voegde er bij, dat hij nu spoedig weer naar zijn werk moest.In plaats van naar zijn werk te gaan beklom hij stiekum den Molenberg en ging er zich op een eenzaam plekje rondom in het kreupelhout verschuilen.Daar haalde hij den brief weer uit zijn zak.Hij rook er even aan, doch proefde geen bizondere lucht. In den linkerhoek stond een licht-lila kroontje met een wapen en daar streek hij even met zijn vingers overheen en voelde ’t hard relief der ingeperste stempeling. Toen las hij hem heel langzaam, woord voor woord, weer over.“Connussiez”; die verbuiging kende hij niet, maar ’t leek hem heel knap en heel mooi en hij begreep toch. “Constater” begreep hij niet, heelemaal niet. Dat woord had Florimond hem nooit geleerd. Maar ’t deed er niets toe, hij verstond den zin en voelde zich gloeien van geluk en trots. Maar wat hem trillen deed, wat hem onuitsprekelijk ontstelde en geheel van streek bracht waren de laatste zinnen: “A mon tour je vous réserve une surprise, probablement pour le printemps prochain”.Wat mocht ze daar wel mee bedoelen? Welke verrassing hield ze voor hem in bewaring tegen de volgende lente: een verrassing waar haarouders reeds van af wisten en die zij goedkeurden! Hield zij wellicht ook van hem? Vermocht de kunst den afgrond tusschen hen te dempen? Zag zij de mogelijkheid in, met hem... och, ’t was onzinnig, en toch, welke verrassing—een verrassing die hem zou gelukkig maken—kon het anders wel wezen?.... Het suisde in hem en ’t nevelde vóór zijn oogen: hij voelde zich eensklaps door een groote, weeke teederheid bevangen en zijn blik werd vochtig.Het plekje waar hij zat was als een droom van stille poëzie. Hij zat te midden van bloeiende hei, met om zich heen een dichten kring van struikgewas in gouden najaarspracht. Door een opening ontwaarde hij het vreedzaam dorpje in de diepte en verder het smaragden kleed der weilanden, waarop de koeien graasden, en achter ’t zilver-kronkellint van de rivier, den weg-wazenden overheuvel, met de torens en de tuinen van het grafelijk kasteel. Wat was het alles mooi en vreedzaam, wat baadde alles om hem heen in zacht en kalm geluk! De wereld leek zoo groot en zoo ruim en zoo mild van daar uit, er scheen zoo oneindig veel rustige plaats voor het geluk en voor de weelde van een ieder. En die weelde voelde hij in zich doordringen, als iets dat hemgegeven werd en niet meer zou ontnomen worden. Het was slechts een illuzie, maar een illuzie zoo zoet en rein en rijk en wellicht rijker dan een tastbare werkelijkheid; en op dat oogenblik verlangde Fonske niets meer, niets dan het heerlijk woekeren en ontbloeien van den schat, van al de menigvuldige schatten, waarmede hij zich nu begenadigd voelde.Toen hij den volgenden zondag den brief aan zijn makkers liet lezen, hadden dezen maar één roep:—Ça y est!Ze wil mee ou treiwen!Fonske liet hen dat zeggen: voorloopig had hij genoeg aan de gelukkigmakende verrassing, die zij hem tegen de volgende lente bewaarde.XX.Het was een heerlijke winter voor Fonske. Alles scheen samen te werken om hem nu aanhoudend tot zijn volle, zelfstandige kracht te ontwikkelen en in hem de ontvangst van het volmaakt geluk als ’t ware voor te bereiden. De decoratie-schildering, die hij voor Van Belleghem in de nieuwgebouwde herberg bij het station had uitgevoerd, had zoo de aandacht getrokken en viel zoozeer in den smaak, dat hij nu ten allen kante werd gevraagd en er al spoedig over denken mocht om voor eigen rekening te beginnen; en ook zijn zuiver kunstwerk, zijn landschappen en figuren vonden vast hun plaats in kleinere tentoonstellingen en werden vlot verkocht tegen prijzen, die niet onder deden voor wat Sylvain en andere jonge schilders voor hun doeken kregen. Af en toe voelde Fonske wel, dat er opkunstgebiednog hoogere ambities waren; doch dat kwelde hem niet; hij was al heel veel verder dan hij ooit gehoopt had; hij telde mee onder de jonge schilders van zijn tijd en was zich reeds een beetje trotsche waardigheid als kunstenaar bewust.Dat was al merkbaar aan zijn uiterlijk, aan zijn houding en manieren. Hij deed niet zoo, dat hij zijn vroegere dorpsmakkers aanstoot of ergernis gaf, maar toch voelde hij zeer goed den afstand die nu lag tusschen hem en Rietje Koarelkes of Feelke Brouwers, evenals hij nog wel goed den socialen afstand voelde die bleef gapen tusschen hem en meneer Gaëtan. Hij had ook meer ’t besef van vrijheid en van onafhankelijkheid gekregen. Als hij nu soms geen lust had om te werken, dan ging hij ook niet werken; en als hij daarentegen zin had om, al was het ook midden in de week, eens naar de stad te gaan, dan ging hij naar de stad. Sinds lang had hij zijn moeder genoopt zich deftiger te kleeden en een hulp in huis te nemen; en tegen Kerstdag deed zich een kansje voor, dat hij niet liet ontsnappen: door sterfgeval kwam een net huisje leeg, juist onder aan den Molenberg: hij huurde het per brief van den baron, aan wien het toebehoorde; en in enkele weken tijds was’t keurig door hem ingericht, met vriendelijk-bemuurschilderde kamertjes en een ruim en luchtig atelier in ’t noorden, op de mansarde-verdieping. Nu was hij heelemaal een schilder, de commercieele decoratie-schildering werd hem bijna te min; hij voelde zich zeer een heer geworden, bijna een soort kasteelheertje, niet zoo héél verre meer beneden den voornamen stand der twee regeerende kasteelen. Het huisje kreeg van buiten een zeer liefelijke roze kleur met groene-en-witte luikjes; en op het tuinhekje schilderde hij zelf den naam, dien hij er aan geven wou in harmonie met het karakter van den Molenberg, die daar vlak achter lag:“Villa du Moulin”.Hij dacht wel, hoe Florimond en Sylvain zouden verontwaardigd zijn, omdat hij ’t niet een vlaamschen naam gaf, maar hij was al zooverre, dat hij zelfs hùn afkeuring durfde trotseeren, als hij daardoor maar ietwat nader kwam tot zijn voorname illusie, tot de jonkvrouw van ’t kasteel en de gelukzalige verrassing, die zij voor hem in bewaring hield.In die illusie, en ook in de hoop op deszelfs verwezenlijking, werd hij trouwens meer en meer door zijn beide vrienden gesterkt. Die vonden er zelfshoegenaamd niets buitengewoons aan, die kwamen telkens weer aanzetten met hun voorbeelden van groote kunstenaars die door prinsessen werden bemind en geïnspireerd; en zij zelven, trouwens, bij gebrek aan voorradige prinsessen, lieten zich gul genoeg inspireeren door jonge dames van wat minder soort, met wie zij lief en leed, vooral het eerste, deelden. ’t Was iets waarvan ’t eenvoudig buitenjongetje maar niet bekwam. Nu eens waren zij met deze, dan met gene, telkens zoo warm-intiem alsof ’t voor eeuwig was en een week daarna weer van elkaar gescheiden, als hadden zij elkander nooit gezien. Het waren meestal meisjes met plat-gestreken bandeaux en gedecolleteerden hals en Florimond en Sylvain betitelden haar met den pronknaam van estheten-vrouwen: vrouwen, die de superieure kunstuitingen voelden en, vrijgevochten van elk wereldsch vooroordeel, feitelijk de eenige waren, die werkelijk de artiesten-ziel begrepen.Bijna elk jong meisje, uit de nog niet geheel verdorven volksklasse, was trouwens, volgens de twee vrienden, geschikt om, onder leiding van een artiest, tot estheten-vrouw ontwikkeld te worden; en daarom ook konden zij Fons niet genoeg aanraden de opvoeding van Lisatje Van Belleghem onder dat opzicht te voltooien. Deed hij het niet, dan zoueen ander hem wel gauw genoeg in die zeer aangename taak vervangen, of, erger nog, het meisje zou door een gewonen plebeër verleid worden en voor de kunst verloren gaan. Eigenlijk had Fons haar al lang in hun artistiek stadsmilieu moeten binnenleiden en hij mocht meer dan dom heeten als hij ’t nog nu niet zoo spoedig mogelijk deed.Dat alles, gepaard met het ontwaken van Fonske’s zinnen, wekte geweldige prikkeling en opwinding in hem. Het vertroebelde de reine eerlijkheid van zijn gemoed en het begrip van goed en kwaad werd duister en verward in hem. Hij kwam er van lieverlede toe Lisatje te beschouwen als iets waar hij in ieder geval recht op had, als iets dat zijn persoonlijk bezit was, een bezit dat hij zich enkel nog uit vrees, ontzag en liefde voor de kasteeljonkvrouw niet openlijk dorst toe te eigenen, zooals Sylvain en Florimond hem ’t voorbeeld gaven. Maar hij lei toch al vast de bakens voor de toekomst; hij nam veel meer dan vroeger notitie van Lisatje, en ’t aardig kind, dat lang onder zijn onverschilligheid geleden had, zag nu, in argeloos-gelukkig-zijn, blijde dagen te gemoet.XXI.Ondertusschen was de lieve lente alweer in aantocht. Langen tijd hadden alleen de lijstertjes gejubeld en gezongen in de nog winternaakte kruinen, maar nu kwamen ook de andere lentevogeltjes en ’t was alsof hun onverpoosd en opwekkend gezang eindelijk de zoo lang sluimerende bloempjes en de blaadjes deed ontwaken. De lage heesters kregen doorschijnend-groene, kanten hemdjes, de lijsterbes bloeide alom op ’t molen-heuveltje in witte, bedwelmend-zoetgeurende trosjes, en plat tegen den groenen grond blonken de blauwe oogen der viooltjes en schitterden de witte kelkjes van de lelietjes-van-dalen, terwijl alom de gele tuilen der bloeiende brem verblindend opvonkten, alsof een reuzenhand, met óvermild gebaar, daar gouden schatten had in ’t rond gestrooid.De zon, die gansche dagen door het blauw uitspansel reisde, ging ’s avonds slapen in een wonderschoonen toovertuin vol wazige oranje glorie, en toen kwam ’t maantje kijken, een beetje blikkerig-kil in zijn rijken, donkerblauwen hof vol twinkelende sterren; en het gezang der nachtegalen galmde onverpoosd, plechtig-verliefd in de heilige stilte.En Fonske, hoofd en hart vol van de naderende verrassing, waarvan de nachtelijke zangers hem in zijn slapelooze uren als ’t ware de blijde komst aankondigden, wist wel dat het nu niet lang meer duren kon vóór het werkelijkheid zou worden. Reeds waren de regeerende kasteelen uit hun winterslaap ontwaakt; zij keken herlevend naar elkaar uit hun wijd-open ramen en deuren, als blij elkaar weer op hun oude plaats terug te vinden, en in de wei joelden de jolige koewachtertjes hun vrije blijdschap uit te midden van het jonge vee, dat lentedronken na de eindelooze winteropsluiting, eerst al zijn dolle kuren bot moest vieren, vooraleer het, kalm-en-wijs-plichtmatig, met den snoet in ’t malsche groen aan ’t grazen ging.En op een middag waren zij daar eindelijk ook weer, de twee families, zooals zij elken zomer kwamen, met de vogels en de bloemen, en ’t gansche dorpje was vervuld van die jaarlijks verwachteen toch telkens weer nieuwe gebeurtenis. De wisselende gang van de seizoenen, ’t uitsterven van een jaar en het geboren worden van een nieuw jaar, waren mindere gebeurtenissen in het leven van de dorpelingen dan het jaarlijks gaan en komen der regeerende families; er kwam al dadelijk een andere toon in de gemeenschap; ’t was of een stille sluier alles dempte en wie een tijdlang los en vrij en zonder vrees rechtop geloopen had, keek al gauw weer gedwee naar den grond en ging zijn gangen met dat eigenaardig gangetje, dat aan andere dorpsbewoners, waar geen kasteelen waren, ietwat minachtend-spottend zeggen deed:“Dat is de gang van Meulegem.”En hoe Fonske, in zijn vrijere ontwikkeling, daar ook tegen streed, onweerstaanbaar voelde hij, telkens en telkens weer, die benauwende drukking, even sterk als vroeger en als alle andere bewoners.Zij waren er, en Fonske wachtte, vol schuchtere emotie, wat nu komen zou. Het duurde lang; zij waren er al dagen, al weken, en er gebeurde niets. Zou zij haar belofte, waarop hij den ganschen winter geteerd had,vergeten hebben? Hij had haar reeds een paar maal gezien,—wat was zemooi en groot geworden, een echte jonge dame nu, in ’t vol bewustzijn van haar rijke schoonheid!—hij had haar diep gegroet en ook van haar een vriendelijken groet terug ontvangen, maar dat was alles. Verder ging het leven zijn gewonen gang, met ’t zelfde heen en weer geloop tusschen de twee kasteelen; en Fonske begon gansch te wanhopen, toen hij eindelijk, op een morgen, het zoolang verwacht verzoek ontving, of hij dien middag tegen drie uur op het kasteel wilde komen.Het sloeg hem van ontroering als een zwakheid in de beenen. De kleur trok van zijn wangen weg, zijn hart klopte geweldig en zijn adem hijgde. Met zwakke stem vroeg hij zijn moeder of zij al zijn beste kleeren wilde uitleggen.Hij kon in het geheel niets eten. Vruchteloos drong moeder aan, dat hij toch zijn bordje soep zou ledigen: hij moest het half vol laten staan.Om half drie trok hij ’t weiland in. Hij had een hoog boord, een bonte das, manchetten, een zwart hoedje en verlakte schoenen aan; hij zag er uit als een jong heertje. Hij droeg zelfs een paar bruine handschoenen tusschen zijn vingers en zijn klein, blond snorretje had hij met een ijzer opgekruld. Eerst had hij nog even gedacht er heen te rijden op het heel mooi rijwiel, dathij zich onlangs had aangeschaft; maar na overweging vond hij het te voet toch passender.De koewachtertjes, die hem zoo deftig door de weide zagen stappen, staakten hun spelletjes om naar hem te komen kijken.—’t Es Fons, hij goa noar ’t kastiel, fluisterden zij met een soort eerbied.Maar Fons keek hen nauwelijks aan. Wat was hij dat ontgroeid in al die jaren!Hij liet zich overzetten bij boerke Floncke, wisselde daar verstrooid een heel kort praatje met de lui en sloeg de deftige kasteellaan in.Bij het monumentaal ingangshek hield hij even stil om aan den portier te vragen of de jonkvrouw wel op het kasteel was. Hij kreeg een bevestigend hoofdknikje tot antwoord en stapte de bochtige, breede grintlaan, tusschen de bloeiende heesters in.Zijn hart bonsde geweldig. Hij had moeite om den stijgenden weg te beklimmen. Bij den zwanenvijver, die op ’t vlakke lag, kalmeerde dat eenigszins. ’t Was of de breede vijver, begroeid met waterlelies en de statig-stille zwanen hem die kalmte gaven. Vrij onbevangen schreed hij over de brug en ’t pleintje dat er achter lag, klom op de stoep en belde aan.Een gegaloneerde lakei kwam de glazen deur openen. Fons werd in de ruime, door planten en bloemen versierde vestibule gebracht en verzocht op een der rieten stoelen plaats te nemen. De lakei verdween langs den breeden trap met zachten looper.Fons nam eens vluchtig alles op: mooie, geïncrusteerde tafeltjes, hooge, antieke kasten rechts en links, een prachtklok met speelwerk in een hoek. ’t Sloeg juist drie uur en de klok speelde, nobelvoornaam in zwaren toon, als uit een verren beiaardtoren. De hall liep in de gansche breedte der benedenverdieping van bordes tot bordes door en Fonske zag hoe mooi het van daar uit was aan de beide kanten: aan den voorkant de rivier, de weilanden, den heuvel waarop ’t kasteel van den baron stond en het oude molentje; en aan den anderen kant een schitterenden bloementuin, met als achtergrond een majestatisch eikenbosch, hoog en ondoordringbaar als een donkergroene muur.Binnen in ’t kasteel, in de hoogte van het trappenhuis en achter de gesloten deuren, scheen een voorname stemming te heerschen. Fons hoorde slechts vage, verdoofde geluiden, alsof alles wat er daar gebeurde heel héél verre van hem af lag.’t Scheen wel of wat daar leefde en gebeurde niet tot hem kon komen. Maar ergens boven ging eensklaps een deur open en weer dicht en het kwam Fonske voor of hij gesmoord gestommel en gegichel hoorde.Hij rees op en keek naar boven.Hij zag eerst twee en dan nog eens twee voeten langs den looper afdalen. Toen zag hij den onderrand van een donkerblauwen rok en vlak daarnaast twee grijze broekspijpen. Enkele seconden later stond hij vóór jonkvrouw Elvire en meneer Gaëtan, die hem glimlachend te gemoet traden.Vreemd deed het hem aan toen hij ze zoo samen vóór zich zag. ’t Was hem te moede alsof er iets gebeurde wat niet mocht. Het was alsof zij hem bedrogen hadden zonder hem te waarschuwen. En hij schrikte, hij schrikte geweldig en voelde ’t in zijn binnenste ijskil worden, toen hij merkte, dat zij hand in hand beneden kwamen. Jonkvrouw Elvire, trouwens, maakte de hare dadelijk los en stak die met haar vriendelijksten glimlach naar Fonske toe, zeggend:—Dag menier Alfons. Hoe goat ’t mee u?—Heel goed, mejonkvreiwe, merci, antwoordde Fonske bevend; en hij kreeg ook de hand van meneer Gaëtan, die hem met zijn gewonen, donkeren,sardonischen grijnslach begroette. Toen keken zij elkander aan en er was eventjes een oogenblik als van gegeneerde stilte.De jonkvrouw en meneer Gaëtan wisselden een blik en ’t was de eerste, die met eenige inspanning begon:—Menier Alfons,....Maar zij bleef stokken, en iets van onuitsprekelijke teederheid en vrouwelijke gratie, kwam als een schuchterheid zacht over haar, en deed haar wangen kleuren. ’t Was week en teeder als de liefdesglimlach van een overwonnen vrouw, die zich wil geven, en zij keek Fonske aan met oogen, die als ’t ware om verontschuldiging vroegen, terwijl een kort, zwak lachje van haar mooie lippen gleed.—Meneer Alfons, hernam zij eindelijk, haar bedeesdheid overwinnend,of da ge ’t gij nu weet of morgen, dat es ’t zelfde: meneer Gaëtan en ik goan samen treiwen en meneer Gaëtan komt hier op ’t kasteel inweunen. We willen onz’ appartementen deur u loaten decoreeren en dàt es de surprise, woar da ’k u verleden joar van gesproken hè. Wilt-e gij ne keer mee ons meekomen; we zullen u de koamers loate zien?Fons wist zich bijna goed te houden. Evenduizelde ’t zóó overweldigend vóór zijn oogen, dat hij niets meer zag, noch hoorde, noch voelde; maar ’t oogenblik daarna werd hij als ’t ware wakker en zag ze schemerig vóór zich staan, hand in hand, zij met haar zachten, lieven glimlach, hij met zijn donkeren, sardonischen grijnslach en beiden naar hem starend, op zijn antwoord wachtend.—Dat ’n hét-e zeker nie gepeisd, hè? vroeg nog de jonkvrouw, met iets gelukzalig-triomfeerends in haar toon en houding.En Fonske had den moed te antwoorden:—Nien ik, mejonkvreiwe, dàt ’n he ’k zeker nie gepeisd. Proficiat, mejonkvreiwe. Proficiat, menier Gaëtan.—Merci, glimlachten zij beiden. En de jonkvrouw, reeds naar de trap omgekeerd:—Wilt-e nou moar meekomen, meneer Alfons?—Joajik, mejonkvreiwe, antwoordde Fonske toonloos, de verloofden volgend.—Il a l’air un peu maboul, ton protégé, grinnikte halfluid meneer Gaëtan onder het trappen-klimmen.—Tais-toi, fluisterde zij, kleurend,il comprend le français.Fonske beet zich op de lippen en een bloedgulp golfde naar zijn aangezicht. Hij had wel niet precies begrepen, maar toch genoeg om te gissenwaarover ze ’t hadden. O, kon hij nu maar wegvluchten; kon hij nu maar ergens alleen zijn om zijn droefheid en ellende hardop uit te snikken! Maar hij moest mee, als een slachtoffer: hij strompelde de treden op, de gangen door, de kamers in en uit.De jonkvrouw expliceerde hem wat zij verlangde: hier, in dit vertrek, dat hun slaapkamer zou zijn, alles pervenche en wit. Deuren en kasten ivoor, met een pervenche biesje, en diezelfde kleur als rand onder ’t plafond en als plint boven den vloer. Dat zou dus alles zeer eenvoudig zijn, maar in haar boudoirtje daarnaast wenschte zij wandschilderingen van hem. Zij verlangde er twee: tegen den linkermuur het panorama van rivier en weiland, met den molenheuvel, het dorpje en het kasteel van den baron als achtergrond; en, aan den rechterwand, juist het tegenovergestelde panorama: ook weer de weilanden en de rivier, maar met den anderen heuvel en het kasteel van haar ouders tot achtergrond. Zag meneer Alfons wel kans om dat heel mooi te maken?Fons knikte, wezenloos. Ja, hij zou het wel kunnen maken, wanneer men hem althans den tijd daarvoor liet. Hij vroeg met heesche stem of er ook koeien in het weiland moesten loopen; en de jonkvrouwantwoordde dat zij daar juist bizonder op gesteld was: jawel, koeien, veel koeien, en ook koewachtertjes, zooals hij vroeger zelf daar liep, glimlachte zij.Fonske sidderde. Weer steeg een bloedgolf naar zijn wangen, maar zij merkten ’t niet, namen hem mee door de gang, naar het vertrek, dat meneer Gaëtan’s werkkamer en fumoir zou worden. En ook meneer Gaëtan verlangde muurschilderingen, maar geheel andere dan jonkvrouw Elvire.—Ge weet wel, meneer Alfons, sprak hij eenigszins uit de hoogte, ik ’n ben niet veur die geweldige couleuren gelijk mejonkvreiwe. Mijn koamer wordt in ’t iekenheit gesteken en ik zoe geern ’n beetsen donkere schilderijen hén. Gien bleiwe beumen en gien lileiwe koeien veur mij. Zoe-de gij keunen ’n wilde-zwijnenjacht schilderen?—’K peis ’t toch wel, menier Gaëtan.—En nen automobiel?—Euk wel, menier Gaëtan.—Mais, Gaëtan, est-ce que tu ne vas pas regretter ça?vroeg zij, zacht-afkeurend.—Mais non, ma chère, tu sais bien ce que j’aime, antwoordde hij, even ongeduldig wenkbrauwfronsend, alsof daarover reeds meer tusschen hen gedebatteerd was. En dan weer tot Fons, opden toon waarmee hij een schotel in een restaurant zou bestellen:—Hawèl, menier Alfons, veur mij op deze muur ’n wildezwijnenjacht ne woar? in nen donkeren bosch mee veel kreupelheit en dikke, bruine beumstammen; en, op den anderen muur mijnen automobiel, mee ik aan de volant en de chauffeur nevens mij, binst da we de dreve van ’t kastiel oprijen. Hedde ’t goe verstoan?—Joajik, menier Gaëtan, antwoordde Fonske toonloos.Zij gingen even bij een raam staan, schenen daar iets zeer gewichtigs onder elkaar te fluisteren, terwijl Fons een oogenblikje midden in ’t vertrek alleen bleef. De jonkvrouw kleurde, met een uitdrukking als van spijt en bedeesdheid op haar lief gezicht; en ’t was ten slotte ook meneer Gaëtan, die weer naar Fonske toe kwam en hem vroeg:—Enne.... en.... de prijs, menier Alfons, keunt-e gij ons à peu près zeggen hoevele dat dat al te goare moe kosten?Fons rechtte, als in plotselingen trots, zijn nederige gestalte op. Als een zoete wraak lag het hem op de tong om uit te roepen, dat hij het hier alles gratis gaf. Maar hij durfde niet, uit liefde en eerbied voor de jonkvrouw. Toch was het op eentoon, die hem even in zijn eigen achting weer verhief, dat hij kon antwoorden:—O, menier Gaëtan, mejonkvreiw Elvire hè vroeger zeuvele veur mij gedoan dat ’t alles goed es ’t gien da ge mij wil geven, en al gaaft ge mij zelfs hoegenaamd niets, dat ’t eug nog goed zoe zijn.—Vois-tu bien! zei ’t meisje zacht tot haar verloofde; en zij keek Fonske minzaam, met een soort verteedering aan.Fons dankte haar met een ontroerden blik. Voor een seconde voelde hij zich haar gelijke. Zij had gegeven, hij gaf terug; hij kende ineens, ofschoon in bitterheid en smart, zijn waardigheid als mensch. Krampachtig wilde hij dàt althans vasthouden. Maar hoe kon hij! Het was een illusie, een glimpje in de duisternis, en meer niet. Zijn antwoord had hen tevreden gesteld, en, omdat zij tevreden waren, hadden zij ook geen behoefte verder in die richting door te gaan. De maatschappelijke kloof, die even tusschen hen was overbrugd geweest, lag alweer gapend open; en eensklaps voelde Fonske zich alleen staan, terwijl hij zich nog bij hen waande. Hun houding, hun laatste woorden, hun glimlach, hun beleefdheid zelve, alles zei hem óverduidelijk dat het onderhoud geëindigd was en hij nu heen mocht gaan. Niets begrepen zij van zijn lijden ensmachtend verlangen; zijzelve, die zoo lief en aardig voor hem was, begreep ook in de verste verte niet dat hij één enkel oogenblik gelukkig was geweest en dat eenig moment met schrijnende hartstocht in zich wilde vasthouden; zij knikte en glimlachte hem banaal-vriendelijk toe, nog eens herhalend dat hij tijdig bericht zou ontvangen wanneer hij met het werk mocht beginnen; en eerst toen zij ten slotte zelve met haar aanstaande naar een deur week, begreep Fonske, dat het afgeloopen was en dat hij gaan kon.Hij ging, de beenen flauw, het hoofd gebukt, als een slaapwandelaar in een naren droom. De zon daalde naar ’t westen in oranje glorie en wierp in lange, dwarsche schim zijn droeve schaduw over ’t gouden-groene gras wijd vóór hem uit. De lustige koewachtertjes, die reeds hun kudden samendreven, kwamen weer naar hem toegeloopen, om hem nu ook bij zijn terugkomst van ’t kasteel nieuwsgierig te bekijken. En Fonske wenschte in zichzelf, dat hij ook nooit anders dan koewachter en veldarbeider was geworden. Al zijn makkertjes van vroeger: Feelke Brouwers, Rietje Koarelkes, Mielke Katoor, Dolfke van de Wiele, waar hij reeds maatschappelijk zooverre boven stond, lekenhem nu allen toch zoo oneindig veel gelukkiger dan hijzelf was. Die dachten niet aan kasteeljonkvrouwen, die kenden geen andere ambitie dan door hun dagelijkschen arbeid aan den dagelijkschen kost te komen en waren gelukkig met de meisjes van hun stand, met Mietje Pruime, met Emeranske Casteel, met Elodie Vermaele en Pharaïlde Van Rompu.Wat zouden ze gebulderd hebben van het spotlachen, als ze ook maar eventjes vermoed hadden, dat Fons verliefd was op de jonkvrouw van ’t kasteel en dat hij ongelukkig was omdat ze met een ander trouwde!Toen Fons over het water en al spoedig weer in ’t dorpje was, voelde hij een onoverkomelijken afkeer om naar huis te gaan. ’t Idee dat hij gewoonweg met zijn moeder nu zou moeten praten, dat zij hem zou uitvragen over zijn bezoek in het kasteel, of dat ze zijn onsteltenis zou merken en naar de oorzaak daarvan vorschen, ’t was hem alles zóó onuitstaanbaar, dat hij maar dadelijk besloot vooreerst nog niet naar huis te gaan en liever in zijn eenzaamheid om ’t even waar te dwalen.Hij liep achter het kerkje om en sloeg een zandweg in, die naar de bosschen leidde. Weldra was hij in ’t midden van de dennenwouden. De naglansvan de zon, die nu gansch onder was, brandde nog in het verschiet met een dofrooden gloed tusschen de verre stammen en reeds spanden de lichtschommelende kruinen, die soms zuchtten onder een nauw-voelbaar briesje, zich tot een ondoordringbaar-somber nachtgewelf ineen. Die somberheid en stilte kalmeerden even ’t heftige van Fonske’s lijden. Een bittere weemoed kwam in hem op, en daar, in de heimvolle eenzaamheid, ontlastte hij zijn smart in tranen. O, wat voelde hij zich week, en zwak, en klein, tegenover de gebeurtenis die daar nu voor hem oprees als een muur, als een rots, als een onoverkomelijke almacht! Wat was hij gek en dom geweest; wat had hij zich onnoozel laten beetnemen door het ellendig gepraat en gezwets van zijn twee steedsche vrienden, die hem de ongerijmdste en onmogelijkste der hersenschimmen als een bereikbare werkelijkheid hadden voor oogen getooverd! Ellendelingen waren zij, en ellendeling was hij zelf, die ooit zoo iets onzinnigs als ernst had kunnen opnemen! Het arm koewachtertje van vroeger, dat was hij en dat bleef hij, en nooit, wat er ook gebeurde, kon het anders worden. Waarom had hij zelfs ooit geprobeerd om te schilderen? Waarom had ze zich ooit met hem bemoeid en getracht in hem een ambitie te ontwikkelen,die toch fataal op een mislukking moest uitloopen? Want mislukt was hij, dat voelde hij eerst nu, definitief, in al zijn schrijnende wreedheid. Dàt wat hij ook eens, tijdens een bezoek in het museum van oude schilderijen vóór het werk der groote meesters zoo scherp gevoeld had: zijn eigen onmacht, zijn eigen onvolmaaktheid, het vlijmend besef van alles wat hem nog, op zoo velerlei gebied, ontbrak, den afgrond, onoverschrijdbaar, die hem van die genieën scheidde; hij voelde ’t nu nog oneindig veel scherper, hij voelde ’t in zich als de ijzig-koude dood van al wat in hem groot en schoon en sterk was, omdat hem eensklaps ’t eenige ontnomen werd, de grondslag, de basis, de lavende, heerlijke, opbeurende en hartstochtwekkende bron: de liefde, waaruit alles voort moest spruiten. Nu kon hij eensklaps niets meer, alles wat hij ooit beproefd had was mislukt, in verloren tijd en moeite; en die gedachte was het droevigste van alles: het deed hem plotseling in wanhoop vluchten, met walg en afschuw voor zichzelf, bijna als een misdadiger.Hij verliet de benauwde stilte der bosschen, kwam weer in ’t open veld, dwaalde daar doelloos rond, nauwelijks wetend waar hij liep.De maan kwam op, groot, rond, dof-oranje overhet zwartgroen der bosschen, als een zeldzaam wezen vol nieuwsgierigheid en droefheid, die met verlegen aangezicht schuchter komt kijken. Haar stille komst was in weemoedige harmonie met Fonske’s lijden, en hij ging met haar mee als ’t ware, stil loopend langs de stille wegen, waar nu haar twijfellicht zijn vage schaduw wierp.Zoo kwam hij langs een grooten omweg bij het dorpje weer. Hij was er vóór hij ’t bewust werd, en schrikte dat hij er reeds was.Neen, niet weer naar huis nu, ondanks zijn moeder die wellicht vol angst op hem te wachten zat. Hij kòn niet, hij zou er gek geworden zijn, hij zou er hardop zijn lijden hebben uitgesnikt. Hij keerde zich om en besteeg machinaal den Molenberg, in wanhoop stug-besloten daar ergens onder den molen of tusschen de heesters den nacht door te brengen.Hijgend en afgemat kwam hij door ’t kreupelhout langs steile kronkelpaadjes op den zandigen top. Hij zonk er zuchtend neer in ’t heidekruid en sloot een lange wijl zijn moede oogen. Iets dofs kwam over hem, alsof hij droevig in zou sluimeren. Maar zijn geest werkte, zijn lijden werkte en weer gingen zijn oogen triestig open.Daar lag vóór hem, en onder hem, de nuchterewerkelijkheid. De maan was hoog en hel gerezen in den somberblauwen, tintelenden sterrenhemel en haar koud, blank licht bescheen het nederig dorpje met hier en daar een schamel lichtje achter de gesloten luiken, en, sterk en trotsch, elk op zijn heuvel, de twee machtige, regeerende kasteelen, helder en als ’t ware feestelijk glanzend door al hun verlichte ramen, die elkaar over de wijde vlakte der weilanden heen jubelend schenen toe te lachen.Ja, zij jubelden en lachten! Zij glinsterden en tintelden elkander van verre victorieus te gemoet, om feest te vieren over de gelukkige gebeurtenis, die morgen algemeen bekend zou zijn!Fonske klauwde zijn beide handen in den grond waarop hij zat. Zijn geest verslond den afstand, zijn oogen drongen in de rijke zalen, hij zag de jonkvrouw, zoo wonderlief en schoon, in de armen van haar verloofde. Hij haatte hem, had hem kunnen slaan, hem van haar kunnen wegrukken. Hij zag zijn donkeren, sardonischen lach, zijn zegelach van wreedheid en van valschheid en ’t schreeuwde in hem op als tegen een wandaad, die niet mocht gebeuren.Maar plots was ’t of hij door een slag werd overeind gezweept. Ginds verre, bij ’t grafelijk kasteel,was in den nacht een vuurpijl opgegaan, die hoog in de lucht tot een veelkleurigen lichttuil openbloeide, en een schot knalde, door het gesmoord, lang-aangehouden “aaah!” eener onzichtbare menigte begroet. Fonske begreep, dat nu reeds de verloving bekend was en gevierd werd; en, terwijl nog meer vuurpijlen in de hoogte openknalden, vlogen in het stille dorp de deuren open, kwamen de menschen opgewonden in de straat en holden joelend naar ’t kasteel toe. In enkele oogenblikken waren de huizen leeg en weer zonk Fonske in zijn heibed op den zandheuvel, onder den ouden, houten molen, die als beschermend het geraamte van zijn breed-gekruiste, naakte wieken over hem uitspreidde, neer.Nu mocht hij wel hardop zijn leed uitsnikken als hij wilde: geen mensch meer zou hem hooren. Hij voelde zich verlaten alsof hij gansch alleen was op de wereld; en in die absolute eenzaamheid koesterde hij een soort bittere troost: de triestige berusting van hem wien geen geluk meer wacht op aarde. Hij was negentien jaar oud en voelde in zich de ontgoochelde levensmoeheid van een grijsaard. Niets leek hem meer de moeite waard, alles scheen hem nu voor altijd uitgebloeid en dood; hij voelde zich zoo oud en afgeleefdals het geraamte van den molen die al zooveel ervaren had en in bespiegelende onverschilligheid ook dit schouwspel nog bijwoonde. ’t Was als een óveroude, grijze wijsaard, die daar stond; hij scheen te droomen in sereene rust, zoo eindeloos hoog en verre boven alles wat daarginds gebeurde; en de glinsterende sterren, die zich in den donkerblauwen hemel, door zijn naakte wieken spijkerden, waren als zoovele, tot flonkerend juweel versteende tranen van lang-verleden en vergane wee.En in de groote rust, die van dat wonder wezen uitging, kwam ook in Fons weldra een trieste stilling van gelatenheid. Hij hoorde nog slechts ais in een droom de verre hoezee-kreten en ’t geknal der schoten; de jubelende lichtgloed der regeerende kasteelen week al verder en al verder van hem weg; en hij had slechts één smachtend verlangen meer: daar nu in zijn volle eenzaamheid op den heuvel in te slapen en er nooit meer te ontwaken.Zijn oogen vielen dicht en de tranen die heel zacht tusschen zijn dichte wimpers vloden, deden nu geen pijn meer. Niets meer deed pijn, alles was dof en stil, hij rustte, hij sluimerde, hij was moe, doodmoe; hij zou weldra voor goed inslapen.Dat duurde zoo een heele lange poos, in stillend-zachten dof vergeten. Toen kromp zijn aangezicht tot een plooi van smart en ’t kwam hem voor alsof zijn naam werd uitgeroepen. Hij luisterde en trok zijn oogen open.Drommen menschen kwamen weer in ’t dorpje, daar beneden aan den heuvel en in ’t verschiet over de weilanden waren de lichten der regeerende kasteelen bijna allen uitgedoofd. Het feest was afgeloopen en de menschen keerden stommelend en pratend huiswaarts; en nu hoorde hij ook werkelijk en duidelijk zijn naam uitspreken: men zocht hem, zijn moeder liep in angst van huis tot huis, en geen mensch had hem gezien: men begon voor een ongeluk te vreezen.Onder den gruwelgreep der werkelijkheid stond Fonske overeind. Nu moest hij eindelijk wel, nu moest hij weer onder de menschen komen. Hij walgde en sidderde ervan, al het afschuwelijke van zijn lijden stormde even ontembaar weer in hem op; het bruisde in hem tot een opstand; maar meteen wist hij dat hij niet kón ontsnappen; en, op een schreienden kreet van zijn moeder, die als gek den Molenberg kwam opgerend, gaf hij eindelijk antwoord, met een stem zoo droef en schor, dat hij er zelf van schrikte:—Hier ben ik!Een gejaagd geritsel door de blaren, een hijgend geloop langs het paadje en zij stond vóór hem, door een andere vrouw vergezeld.—O, jongen toch! O, jongen toch! al vier uur lank da ’k ou zoeke! Wa schilt er toch! Wa hè-je gij toch gedoan! snikte zij.—’K ben ziek, ’k heb heufpijne, antwoordde hij dof. En meteen herkende hij, in ’t manelicht, de vrouw die met zijn moeder was: Lisatje Van Belleghem.Dat ontroerde hem. Hij vond daar ineens iets heel liefs en zachts in, dat Lisatje zijn moeder vergezeld had. ’t Was als een streelende troost in zijn verdriet en even keek hij ’t meisje dankbaar aan. Zij zag bleek in den maneschijn, met groote, donkere, angstig-starende oogen; en haar ovaal gezichtje leek heel klein onder den zwart-wollen sjaal, dien zij tegen de avondkoelte over haar hoofd geslagen had en met de linker hand onder haar kin dichthield. De angststem van zijn moeder leidde weer zijn aandacht af:—O, jongen, we mienden dat er ou ’n ongeluk overkomen was. Wa schilt er toch?—Heufpijne, ’k voele mij ziek, ’k lag hier ’n beetsen uit te rusten, herhaalde Fons neerslachtig.—Kom mee noar huis, jongen, en eet watte,of legt ou in ou bedde, drong zacht de moeder aan.Weet ge ’t greut nieuws al? Weet ge da mejonkvreiw Elvire mee menier Gaëtan goa treiwen?—Joajik, beet hij schor, kortaf, als in een toornkreet.De beide vrouwen schrikten.—Kom mee, herhaalde zachter zijn moeder.—Och, loat mij hier moar, antwoordde hij ongeduldig.—Och, nien, os ’t ou b’lieft, Fons,.... begon de moeder dadelijk weer te schreien.—Kom, Fons, smeekte nu ook heel zacht, nauwelijks hoorbaar, Lisatje.Hij liet zich meenemen. Zij sloegen den zandigen, kronkelenden karreweg in tusschen het kreupelhout, volop beschenen door de maan. De moeder strompelde voorop. Fons en Lisatje volgden. Zij liepen benauwend-zwijgend, alle drie. De holle weg lag lichtend-blond als zwavel, tusschen het donker der begroeide bermen. Sommige struiken verkronkelden tot vreemd-wanstaltig vormen, als gefolterde wezens die krampachtig de armen en handen wrongen; en hun grillig door elkaar gestengelde, reeds ietwat ontbladerde hoogste twijgen vlochten een donker, sprietig kantwerk op de helle maneschijf. Ondanks zijn groote droefheid voelde Fons het mooi-sereene en stemmigsvolle van den avond.O, wat had hij willen wandelen in zulke nachten, met haar die hem begrijpen kon en liefhad! Hij zuchtte en schudde ’t hoofd.Een zucht, zwak als een echo naast hem, deed hem verwonderd opkijken. Was dat wel Lisatje, die ook in stilte had gezucht? Schuchter keek hij haar van terzijde aan en in den helderen maneglans zag hij strakke tranen blinken in haar lieve oogen.Fons schrikte. ’t Was om hem, hij voelde ’t, dat Lisatje schreide. Zij schreide om hem, zooals hij zelf geschreid had om de jonkvrouw, beiden smachtend naar een ideaal, dat niet bereikt kon worden. Kón het werkelijk niet? Waren zij beiden niet het slachtoffer van een vergissing, waar hij alleen de schuld aan had?Nog eens keek hij Lisatje van terzijde aan, terwijl zij naast elkaar, achter de moeder, ’t maneglanzend pad afdaalden en een diepe, zachte emotie woelde even vol verteedering in hem op.—Lisatje,.... hij prevelde haar naam zoet in zichzelf, Lisatje.... als een liefkoesterend zonnestraaltje, als een troost vol teedere verzoening in zijn verder, pas beginnend leven! Was hij niet al die jaren dom en blind geweest? Had hij niet het echt geluk verwaarloosd om een hersenschim na tejagen? Iets trilde in hem, van angst en van geluk, dat hij bijna de kans verkeken had, maar dat het toch nog niet te laat was. Een frisch geluk van toekomst bloeide eensklaps in de verte voor hem open: wie weet of zij de vrouw niet worden kon die hem tot het hoogste in zijn kunst zoude bezielen; zij de lang en te vergeefs gezochte, ’t eenvoudig, onbedorven buitenmeisje, dat jarenlang, als in stil-nederig bewustzijn van een plicht, gedwee op hem gewacht had?Zij waren aan zijn huisje en ’t speet hem, dat zij er reeds waren. Maar Lisatje kon niet alleen naar huis zoo laat in den avond en zijn moeder zelve zond hem met haar mee.Eerst spraken zij geen enkel woord. ’t Was of ’t verlangde alleen-zijn hem nu plotseling verlamde. Al het andere stormde ook nog even als een woeste deining in hem op. Maar eensklaps nam hij moed en vroeg, heel zacht, met een stem die eventjes hikte:—Lisatje,.... woarveuren hè-je doar geschriemd?Zij gaf geen antwoord. Haar voetjes klonken zenuwachtig-gejaagd in de nachtelijke stilte op de harde keien van den steenweg. ’t Was of ze vluchten wilde.—Wilt ge ’t mij nie zeggen? Zie-je mij nie geirne? vroeg hij eensklaps abrupt.Zij schrikte ervan. Hij zei ineens te veel. Hij zei ineens álles. Het duizelde in haar.—O, Fons, zuchtte zij.Hij nam haar hand. En zijn arm sloeg hij zacht om haar middel.—O, dat er ons iemand moest zien! sidderde zij.Hij sloot haar dicht tegen zich aan, hield haar stil, gaf haar zijn eersten zoen.—Lisatje, ’k zie ou geirne, zuchtte hij.—De jonkvreiwe zie-je geirne, antwoordde zij, zich loswringend.Dat beet hem als een gift; hij liet haar los.—Ge’n meugt da nie zeggen! riep hij barsch.Zij zweeg. Weer liepen zij een poosje sprakeloos naast elkaar, tusschen de eerste huizen. Het bonsde in hem, onstuimig. Hij voelde zich verkleind, vernederd, en wilde groot en sterk zijn. Hij dacht er aan om plotseling weer af te breken, om haar geen blik meer te gunnen.’t Was of ze ’t voelde. Eensklaps nam zij zelve weer zijn hand, heel zacht, heel teeder, legde haar hoofd op zijn schouder en smolt zuchtend weg in tranen.—’K zie ou toch al zeu langegeirne, snikte zij dof.Zij stonden vóór haar ouder’s woning. Er wasnog licht achter de gesloten blinden en boven de deur stond leesbaar als bij klaarlichten dag het opschrift van het uithangbord:Xaveer Van Belleghem,huisschilder en tapissier.Fonske gaf haar een stillen, langen zoen.—Nie schriemen, Lisatje, nie schriemen, suste hij fluisterend. En hij droogde zelf, met zijn zakdoek, haar tranen af.—Wanneer zie ’k ou weere? vroeg ze fluisterend.—Morgen, antwoordde hij op denzelfden toon. O, Lisatje, mijn Lisatje, we goan nou toch alle twieë zeu gelukkig worden. ’K hè ou toch zéúvele te zeggen, veur loater, veur de toekomste.—Watte? vroeg zij, met plotseling opgewekte, vrouwelijke nieuwsgierigheid.—Morgen, zei hij, morgen, nou es ’t te loate.Een gestommel daarbinnen deed hen haastig van elkander scheiden. De portaaldeur ging open en Van Belleghem verscheen op den drempel, breed en zwaar in ’t schijnsel van den lichtkring.—Ha! zij-je doar eindelijk! ’K miende da ge ginder ging blijve sloapen! lachte hij vettig.Fonske wou, ondanks Van Belleghem’s aandringen,niet binnenkomen. Hij wenschte vluchtig goe nacht en haastte zich weg.Hij liep naar huis toe, gejaagd, met groote schreden, zijn gansche wezen overweldigd van emoties. Maar vóór zijn hekje bleef hij even staan, en, na een korte aarzeling, besteeg hij voor de tweede maal, sluipend als een dief, den zandigen Molenberg.Hij kón zoo maar niet dadelijk gaan slapen. Het was tè bruisend-vol in hem; hij moest dat eerst laten bezinken en bedaren.Hij kwam op den top van den heuvel, in de beschermende schaduw van den ouden molen. Een zacht, frisch windje blies er suizelend door de naakte wieken en streelde heerlijk-kalmeerend zijn gespannen hoofd en zijn gloeiende wangen. Wat was ’t daar alles schoon en grootsch in stil-heldere maneklaarte! Wat lag het dorpje kalm-gelukkig daar beneden rond zijn kerkje en hoe sereen wond de rivier haar zilveren slingerlint omheen de sluimerende weilanden!Zijn oogen schitterden en hij strekte de handen uit, als wou hij al die zachte weelde omvatten. Dat alles was van hem, hij voelde ’t ineens als een overheerlijke bron, waaruit hij schatten en wonderen zou putten. Alles wat hij totnogtoe gedaanhad was niets dan zoeken en dwalen van vergissing in vergissing; zijn leven begon pas; zijn leven, zijn rijke, mooie, milde, echte leven lag daar vóór hem open als een tooverwereld, verheerlijkt door ’t geluk der liefde, glanzend en glinsterend als ’t ware van de kunst waarmee hij ’t zou bezielen.Nu was hij man ineens, een fiere, sterke, trotsche man, in vol bewustzijn van zijn kracht en waardigheid. Niets meer was in hem over van het schamel koeiertje van vroeger jaren, en gansch ’t verleden scheen reeds verre weggeweken, als in een vagen droom.Hij keek over de weilanden, en door den grijsachtigen sluier dien het manelicht tusschen de verten spreidde, zag hij de donkere silhouet der twee regeerende kasteelen, die met nog slechts één enkel weifelend lichtje elkander melancholisch schenen aan te kijken. Ook alles wat daar nog zoo kort geleden was gebeurd en hem zoo zwaar doen lijden had, scheen reeds heel verre van hem af te liggen. Zijn geest was er al vreemd geworden; zijn blik kon er zich niet meer aan boeien en zacht kwam hij terug naar ’t nederig huisje onder aan den heuvel, het laag, manegeel huisje met de geslotene, grijsblauwe luiken, waar nu ook LisatjeVan Belleghem van hun zoo lang door hem verwaarloosde geluk te droomen lag.Zoo had het moeten zijn; en zoo was het ook goed, o, zeer goed, na veel strijd en vergissing.Nu mocht het leven beginnen.Einde van het Eerste Levensboek.

XVI.Die dag van het bezoek zijner vrienden teekende een ommekeer in Fonske’s leven. Hij was niet langer ’t schuwe mannetje, dat vreesachtig-eerbiedig opzag tegen al wat boven hem stond; ’t gelukte hem althans iets van de overgeërfde slaafsche onderworpenheid van zich af te schudden.Hij voelde zich opeens rijker geworden; niet alleen door het verdiende geld, maar rijker van gemoed. Hij kon meer, hij durfde meer, hij mocht meer. Er kwam iets mannelijks in hem, hij hield het hoofd op, zijn oogen keken recht en frank de menschen en de dingen aan, zijn stap werd vlugger, veerkrachtiger. Er lag een helder doel voor hem in het verschiet, waaraan veel ander heil verbonden was en waar hij flink op afstuurde.Hij wilde kunstenaar worden, hij wàs kunstenaar, hij zou er zijn brood mee verdienen!Het eerste wat hij deed was op beleefden, doch vasten toon aan Van Belleghem te gaan zeggen, dat hij voortaan nog wel binnenhuis-versiering en decoratie-geschilder, maar geen kladpotters-facade-werk meer wenschte te verrichten. Zoo iets beviel Van Belleghem maar half en even zette hij een norsch gezicht; maar Fonske hield vol, vertelde van de vier verkochte schilderijen en Van Belleghem lei zich uit nooddwang bij den toestand neer. Trouwens, ’t was of het zoo wezen moest: nog denzelfden dag ontving Van Belleghem een aanvraag tot wandversiering van een nieuwe, bij het station gebouwde herberg en Fonske werd de als van zelf aangewezen persoon om het werk uit te voeren. De condities waren mooi, hij ging met Van Belleghem kijken. Zij kregen accoord en er werd besloten dat Fonske de vier herbergwanden met waterverf-tafereelen zou beschilderen: een hertenjacht in groene bosschen, een wolvenjacht op de sneeuw en verder ’t kasteel van meneer den graaf en ’t kasteel van meneer den baron, ieder op zijn heuvel, met de rivier en de weilanden vol grazend vee er onder. Te vergeefs had Fons gepoogd, uit een begrip van logisch verband, dewolvenjacht te doen vervangen door een ander tafereel, b. v. door het kerkje en het oude molentje, aangezien er misschien nog wel herten, maar zeer zeker geen wolven in den omtrek meer bestonden. Doch de bierbaas had absoluut op de wolven aangedrongen en Fonske moest, met tegenzin, wel toestemmen. Het ging niet zonder eenige moeite. Sylvain en Florimond hadden met hem wel eens gesproken over wat zij noemden “hun artistiek geweten”, dat hun slechts toeliet die werken uit te voeren, welke met hun esthetische opvatting strookten. Nooit weken zij van dit hardnekkig-vastgehouden beginsel af en Fonske vroeg zich even af, of het nu ook zijn artistieke plicht niet was onwankelbaar zijn meening te verdedigen. Hij deed het echter niet. Voor ditmaal gaf hij toe, vast besloten, later, als hij nog wat sterker in zijn schoenen stond, geen enkele concessie meer te doen.Toen kwam iets anders aan de beurt. Een artiest mocht wel eigenaardig, maar niet schunnig gekleed loopen. Een artiest toch was een heer, en, als zoodanig, diende hij zich netjes voor te doen. Met een deel van de drie honderd vijf en zeventig frank, kocht Fonske zich nieuwe kleeren. Hij nam ook de gewoonte aan, elken dag, ookop zijn werk, een witte boord te dragen, en hij liet zijn haar groeien en machinaal streken af en toe zijn vingers in krullende beweging op zijn bovenlip, waar zich een donzig snorretje begon te ontwikkelen. In enkele weken tijds was Fonske zóó veranderd, dat de menschen hem niet meer herkenden.In de stad had het kringetje zijner kennissen zich ook langzaam uitgebreid. Zijn verkochte schilderijtjes waren, met werk van andere jonge schilders, in een klein zaaltje ten toon gesteld geweest, en enkele menschen waren hem komen aanspreken, hadden hem komplimentjes gemaakt. Zelfs had een locaal kunstblaadje waardeerend over zijn arbeid geschreven. Meer en meer ontwikkelde hij zich tot bewuste zelfstandigheid en voelde hij hoeveel ruimer de wereld en het leven waren, buiten het nauwe kringetje, dat totnogtoe zijn blik omgrensde. De regeerende kasteelen van zijn nederig dorpje schenen hem niet langer de eenige, bestaande wereldmachten; meneer de graaf, meneer de baron, meneer Gaëtan of jonkvrouw Elvire de eenige voorname en superieure wezens: hij zelf nu voelde zich dagelijks ontwikkelen en stijgen en naarmate hij steeg kwam het hem voor of de traditioneele afgoden daalden en of hij meer en meer met hen op een gelijk plan kwam te staan.Hij sprak nu tamelijk goed Fransch, hij kon een Fransch gesprek volgen en er min of meer deel aan nemen, hij had reeds eenmaal, vrij voldoende, een franschen brief beantwoord. En, wat wel teekenend was voor zijn ontwikkeling: hij begon ook in andere kunst-uitingen belang te stellen: hij las boeken, ’s avonds, als hij tijd had en meer dan eens was ’t reeds gebeurd, dat hij ook na de teekenacademie in de stad bleef, ergens, met vrienden, in een eenvoudig restaurantje lunchte en daarna een muzikale of theatrale matinee bijwoonde.Ongeloofelijk-sterk werkte aldus de wrijving van gedachten, het kritisch aanhooren, aanschouwen en genieten van verschillende kunst op hem in. Hij kon het lang niet alles in zich opnemen en verwerken; ’t was ineens veel te rijk-en-afwisselend, maar dat loste zich dan langzaam-bezinkend in hem op gedurende de vele rustig-stille dagen van de arbeidsweek en voortdurend verrijkt in levenskennis en ervaring kwam hij bij het reeds verkregene en begrepene nieuwe schatten oogsten.

Die dag van het bezoek zijner vrienden teekende een ommekeer in Fonske’s leven. Hij was niet langer ’t schuwe mannetje, dat vreesachtig-eerbiedig opzag tegen al wat boven hem stond; ’t gelukte hem althans iets van de overgeërfde slaafsche onderworpenheid van zich af te schudden.

Hij voelde zich opeens rijker geworden; niet alleen door het verdiende geld, maar rijker van gemoed. Hij kon meer, hij durfde meer, hij mocht meer. Er kwam iets mannelijks in hem, hij hield het hoofd op, zijn oogen keken recht en frank de menschen en de dingen aan, zijn stap werd vlugger, veerkrachtiger. Er lag een helder doel voor hem in het verschiet, waaraan veel ander heil verbonden was en waar hij flink op afstuurde.

Hij wilde kunstenaar worden, hij wàs kunstenaar, hij zou er zijn brood mee verdienen!

Het eerste wat hij deed was op beleefden, doch vasten toon aan Van Belleghem te gaan zeggen, dat hij voortaan nog wel binnenhuis-versiering en decoratie-geschilder, maar geen kladpotters-facade-werk meer wenschte te verrichten. Zoo iets beviel Van Belleghem maar half en even zette hij een norsch gezicht; maar Fonske hield vol, vertelde van de vier verkochte schilderijen en Van Belleghem lei zich uit nooddwang bij den toestand neer. Trouwens, ’t was of het zoo wezen moest: nog denzelfden dag ontving Van Belleghem een aanvraag tot wandversiering van een nieuwe, bij het station gebouwde herberg en Fonske werd de als van zelf aangewezen persoon om het werk uit te voeren. De condities waren mooi, hij ging met Van Belleghem kijken. Zij kregen accoord en er werd besloten dat Fonske de vier herbergwanden met waterverf-tafereelen zou beschilderen: een hertenjacht in groene bosschen, een wolvenjacht op de sneeuw en verder ’t kasteel van meneer den graaf en ’t kasteel van meneer den baron, ieder op zijn heuvel, met de rivier en de weilanden vol grazend vee er onder. Te vergeefs had Fons gepoogd, uit een begrip van logisch verband, dewolvenjacht te doen vervangen door een ander tafereel, b. v. door het kerkje en het oude molentje, aangezien er misschien nog wel herten, maar zeer zeker geen wolven in den omtrek meer bestonden. Doch de bierbaas had absoluut op de wolven aangedrongen en Fonske moest, met tegenzin, wel toestemmen. Het ging niet zonder eenige moeite. Sylvain en Florimond hadden met hem wel eens gesproken over wat zij noemden “hun artistiek geweten”, dat hun slechts toeliet die werken uit te voeren, welke met hun esthetische opvatting strookten. Nooit weken zij van dit hardnekkig-vastgehouden beginsel af en Fonske vroeg zich even af, of het nu ook zijn artistieke plicht niet was onwankelbaar zijn meening te verdedigen. Hij deed het echter niet. Voor ditmaal gaf hij toe, vast besloten, later, als hij nog wat sterker in zijn schoenen stond, geen enkele concessie meer te doen.

Toen kwam iets anders aan de beurt. Een artiest mocht wel eigenaardig, maar niet schunnig gekleed loopen. Een artiest toch was een heer, en, als zoodanig, diende hij zich netjes voor te doen. Met een deel van de drie honderd vijf en zeventig frank, kocht Fonske zich nieuwe kleeren. Hij nam ook de gewoonte aan, elken dag, ookop zijn werk, een witte boord te dragen, en hij liet zijn haar groeien en machinaal streken af en toe zijn vingers in krullende beweging op zijn bovenlip, waar zich een donzig snorretje begon te ontwikkelen. In enkele weken tijds was Fonske zóó veranderd, dat de menschen hem niet meer herkenden.

In de stad had het kringetje zijner kennissen zich ook langzaam uitgebreid. Zijn verkochte schilderijtjes waren, met werk van andere jonge schilders, in een klein zaaltje ten toon gesteld geweest, en enkele menschen waren hem komen aanspreken, hadden hem komplimentjes gemaakt. Zelfs had een locaal kunstblaadje waardeerend over zijn arbeid geschreven. Meer en meer ontwikkelde hij zich tot bewuste zelfstandigheid en voelde hij hoeveel ruimer de wereld en het leven waren, buiten het nauwe kringetje, dat totnogtoe zijn blik omgrensde. De regeerende kasteelen van zijn nederig dorpje schenen hem niet langer de eenige, bestaande wereldmachten; meneer de graaf, meneer de baron, meneer Gaëtan of jonkvrouw Elvire de eenige voorname en superieure wezens: hij zelf nu voelde zich dagelijks ontwikkelen en stijgen en naarmate hij steeg kwam het hem voor of de traditioneele afgoden daalden en of hij meer en meer met hen op een gelijk plan kwam te staan.

Hij sprak nu tamelijk goed Fransch, hij kon een Fransch gesprek volgen en er min of meer deel aan nemen, hij had reeds eenmaal, vrij voldoende, een franschen brief beantwoord. En, wat wel teekenend was voor zijn ontwikkeling: hij begon ook in andere kunst-uitingen belang te stellen: hij las boeken, ’s avonds, als hij tijd had en meer dan eens was ’t reeds gebeurd, dat hij ook na de teekenacademie in de stad bleef, ergens, met vrienden, in een eenvoudig restaurantje lunchte en daarna een muzikale of theatrale matinee bijwoonde.

Ongeloofelijk-sterk werkte aldus de wrijving van gedachten, het kritisch aanhooren, aanschouwen en genieten van verschillende kunst op hem in. Hij kon het lang niet alles in zich opnemen en verwerken; ’t was ineens veel te rijk-en-afwisselend, maar dat loste zich dan langzaam-bezinkend in hem op gedurende de vele rustig-stille dagen van de arbeidsweek en voortdurend verrijkt in levenskennis en ervaring kwam hij bij het reeds verkregene en begrepene nieuwe schatten oogsten.

XVII.Zoo maakte hij ook eens, door tusschenkomst van Florimond en Sylvain, wier relaties zich vrij breed vertakten, kennis met een personage en een wereld waar hij vroeger wel eens van gehoord had, maar die steeds, door de dorps-autoriteiten afgeschilderd werden als het snoodste en slechtste dat er kon bestaan. Eens, op een kleine tentoonstelling, waar hij weer iets ingezonden, en zeer gelukkig verkocht had, werd hij voorgesteld aan Kappuijns, het alombekende, verafschuwde, of verafgoodde, kopstuk der sociale volkspartij.Fons herinnerde zich, dat meneer de pastoor meer dan eens, in zijn sermoenen, tegen Kappuijns en zijn verderfelijken invloed had gepredikt. Geen mensch, op ’t dorp, zou het gewaagd hebben met zulk een man ook maar even om te gaan en nustond Fonske vóór hem, vóór dat levend zinnebeeld van snoodheid en van zonde, alsof het niets was.Hij beefde ervan en sloeg eerst, als duizelig, de oogen neer. Hij kon den doorpriemenden blik van dien man niet verdragen. Dat was nu ook een heerscher, maar van een gansch ander soort dan de heeren der regeerende kasteelen. Als eenvoudig werkman was hij de kamp om het bestaan begonnen, hij had geleden en gestreden, hij had zelfs maanden doorgebracht in de gevangenis voor zijn te kras-geuite meeningen; en nu stond hij daar, ongebroken en krachtiger dan ooit, man van het woord en vooral man van de daad, sterk als een rots tegen de aanranding, gevreesd en zelfs geëerd door velen, die destijds gepoogd hadden hem dood te drukken. Hij was een groote macht geworden door zijn taaie werkkracht en knappe volharding, hij had de menschen overwonnen en naar zijn eigen, sterken wil gekneed en daarbij was hij zuiver en eerlijk gebleven, verre verheven boven ’t lage ideaal van geld en weelde, dat voor zoovelen het hoogste, maar voor hem slechts een ondergeschikt deel was van wat hij had willen en kunnen bereiken.Hij sprak met Fonske over de beteekenis der kunst en onder ’t spreken had hij die knedende bewegingen der handen die hem eigen waren enwaarmede hij zijn argumenten om zoo te zeggen tot concreet-voelbare bewijsstukken scheen te verwerken. Wat speet het hem, dat hij zelf geen kunstenaar was! Wat was er nog veel, oneindig veel te scheppen en hoe zou hij die wereld van gewaarwordingen en ervaringen, waar hij vol van was, die bij hem overborrelde, met aangrijpende kracht uitgebeeld hebben! Hij keek naar Fonske’s schilderijen en vond er wel veel goeds in, maar wat was er nog oneindig veel meer en grooters en diepers te verwezenlijken! Het gansche lijden van het proletariaat was nog in duizenden en duizenden schakeeringen te beelden, en ’t moest en ’t zou geschieden door de krachtige jongens uit het volk, die des volks ellende hadden meegeleefd en meegestreden. Waarom een droomerig, arcadisch landschap uitgeschilderd, terwijl er in dat landschap mannen zwoegden, dag aan dag, van den ochtend tot den avond, hun gansche leven lang, in afbeulende verstomping, voor een ellendig stuk brood! Wat was, van uit een menschlievend en zelfs gewoon-menschelijk standpunt beschouwd, aangrijpender: een lichtekooi of rijke dame met prachtsieraden in een luxe-koets, of een arm fabrieksmeisje dat, in lompen neergehurkt, tegen den barren muur dier fabriek, van afgematheidzit te hijgen! En waarom, als schilders conterfeitsels van den oorlog wilden scheppen, waarom moesten het telkens schitterende uniformen zijn, en steigerende paarden, en wapperende vlaggen en trofeeën; en niet de gruwelijke, anonieme, vuile en triestige doodsellende van één enkel, onschuldig, afgemarteld wezen: het simpel soldaatje, één en miljoenenvoudig, deMenschheidzelve, die voor de grillen of belangen van slechts enkele machtigen vermoord wordt? Ja, de leelijkheid, de vuilheid, de gore, vieze, triestige, stinkende vuilheid en niet het valsche klatergoud van den oorlog, wie zou dát eindelijk eens schilderen?Hij wond zich op, hij liet zich gaan, hij kneedde zijn woorden als ballen, weldra, als hield hij een publieke voordracht, door een schaar van gretige toehoorders omringd; en de twee estheten, die het heelemaal niet met hem eens waren, en zelfs voor een man van zijn groote beteekenis niet de minste deferentie toonden, schreeuwden hem namen in ’t gezicht: Millet! Géricault! Delacroix! terwijl Fonske voor het geweld van ’t twistgesprek achteruitdeinsde, als door schrik bevangen. Maar nieuwe horizonnen gingen meteen voor hem open; wat die man, wat die geweldige Kappuijns bereikt had, konden ook anderen in een andere lijn bereiken:men moest vooral willen en durven, hartstochtelijk, fanatiek, met nooit-vermoeide werkkracht, de oogen steeds halsstarrig-strak gevestigd op zijn ideaal. Kappuijns’ blakende woorden waren als een stroom van ontembare energie over Fons heen gevloeid; ’t werd in hem als een plotselinge openbaring van nog nooit vermoede, eigen kracht; die sterke man had, in enkele minuten tijds, als ’t ware een nieuwe wereld voor het nuchter buitenkind geopend.

Zoo maakte hij ook eens, door tusschenkomst van Florimond en Sylvain, wier relaties zich vrij breed vertakten, kennis met een personage en een wereld waar hij vroeger wel eens van gehoord had, maar die steeds, door de dorps-autoriteiten afgeschilderd werden als het snoodste en slechtste dat er kon bestaan. Eens, op een kleine tentoonstelling, waar hij weer iets ingezonden, en zeer gelukkig verkocht had, werd hij voorgesteld aan Kappuijns, het alombekende, verafschuwde, of verafgoodde, kopstuk der sociale volkspartij.

Fons herinnerde zich, dat meneer de pastoor meer dan eens, in zijn sermoenen, tegen Kappuijns en zijn verderfelijken invloed had gepredikt. Geen mensch, op ’t dorp, zou het gewaagd hebben met zulk een man ook maar even om te gaan en nustond Fonske vóór hem, vóór dat levend zinnebeeld van snoodheid en van zonde, alsof het niets was.

Hij beefde ervan en sloeg eerst, als duizelig, de oogen neer. Hij kon den doorpriemenden blik van dien man niet verdragen. Dat was nu ook een heerscher, maar van een gansch ander soort dan de heeren der regeerende kasteelen. Als eenvoudig werkman was hij de kamp om het bestaan begonnen, hij had geleden en gestreden, hij had zelfs maanden doorgebracht in de gevangenis voor zijn te kras-geuite meeningen; en nu stond hij daar, ongebroken en krachtiger dan ooit, man van het woord en vooral man van de daad, sterk als een rots tegen de aanranding, gevreesd en zelfs geëerd door velen, die destijds gepoogd hadden hem dood te drukken. Hij was een groote macht geworden door zijn taaie werkkracht en knappe volharding, hij had de menschen overwonnen en naar zijn eigen, sterken wil gekneed en daarbij was hij zuiver en eerlijk gebleven, verre verheven boven ’t lage ideaal van geld en weelde, dat voor zoovelen het hoogste, maar voor hem slechts een ondergeschikt deel was van wat hij had willen en kunnen bereiken.

Hij sprak met Fonske over de beteekenis der kunst en onder ’t spreken had hij die knedende bewegingen der handen die hem eigen waren enwaarmede hij zijn argumenten om zoo te zeggen tot concreet-voelbare bewijsstukken scheen te verwerken. Wat speet het hem, dat hij zelf geen kunstenaar was! Wat was er nog veel, oneindig veel te scheppen en hoe zou hij die wereld van gewaarwordingen en ervaringen, waar hij vol van was, die bij hem overborrelde, met aangrijpende kracht uitgebeeld hebben! Hij keek naar Fonske’s schilderijen en vond er wel veel goeds in, maar wat was er nog oneindig veel meer en grooters en diepers te verwezenlijken! Het gansche lijden van het proletariaat was nog in duizenden en duizenden schakeeringen te beelden, en ’t moest en ’t zou geschieden door de krachtige jongens uit het volk, die des volks ellende hadden meegeleefd en meegestreden. Waarom een droomerig, arcadisch landschap uitgeschilderd, terwijl er in dat landschap mannen zwoegden, dag aan dag, van den ochtend tot den avond, hun gansche leven lang, in afbeulende verstomping, voor een ellendig stuk brood! Wat was, van uit een menschlievend en zelfs gewoon-menschelijk standpunt beschouwd, aangrijpender: een lichtekooi of rijke dame met prachtsieraden in een luxe-koets, of een arm fabrieksmeisje dat, in lompen neergehurkt, tegen den barren muur dier fabriek, van afgematheidzit te hijgen! En waarom, als schilders conterfeitsels van den oorlog wilden scheppen, waarom moesten het telkens schitterende uniformen zijn, en steigerende paarden, en wapperende vlaggen en trofeeën; en niet de gruwelijke, anonieme, vuile en triestige doodsellende van één enkel, onschuldig, afgemarteld wezen: het simpel soldaatje, één en miljoenenvoudig, deMenschheidzelve, die voor de grillen of belangen van slechts enkele machtigen vermoord wordt? Ja, de leelijkheid, de vuilheid, de gore, vieze, triestige, stinkende vuilheid en niet het valsche klatergoud van den oorlog, wie zou dát eindelijk eens schilderen?

Hij wond zich op, hij liet zich gaan, hij kneedde zijn woorden als ballen, weldra, als hield hij een publieke voordracht, door een schaar van gretige toehoorders omringd; en de twee estheten, die het heelemaal niet met hem eens waren, en zelfs voor een man van zijn groote beteekenis niet de minste deferentie toonden, schreeuwden hem namen in ’t gezicht: Millet! Géricault! Delacroix! terwijl Fonske voor het geweld van ’t twistgesprek achteruitdeinsde, als door schrik bevangen. Maar nieuwe horizonnen gingen meteen voor hem open; wat die man, wat die geweldige Kappuijns bereikt had, konden ook anderen in een andere lijn bereiken:men moest vooral willen en durven, hartstochtelijk, fanatiek, met nooit-vermoeide werkkracht, de oogen steeds halsstarrig-strak gevestigd op zijn ideaal. Kappuijns’ blakende woorden waren als een stroom van ontembare energie over Fons heen gevloeid; ’t werd in hem als een plotselinge openbaring van nog nooit vermoede, eigen kracht; die sterke man had, in enkele minuten tijds, als ’t ware een nieuwe wereld voor het nuchter buitenkind geopend.

XVIII.Hij had hem ook bovenal,—en voor het eerst, en heel wat sterker dan totnogtoe de woorden van zijn vrienden deden, zijn volle waardigheid als onafhankelijk mensch doen voelen en beseffen.Hij was zooveel waard als een ander mensch: zooveel als meneer de graaf, zooveel als meneer de baron, zooveel als meneer Gaëtan, ondanks het verschil van maatschappelijken stand en fortuin. Hij mocht verliefd zijn op de jonkvrouw, evenals hij mocht verliefd wezen op Lisatje; dat maakte geen verschil: de eene was niet meer dan de andere. En hij had zelfs het recht verliefd te zijn op alle twee; het was geen schande, zooveel groote kunstenaars—dat had hij immers herhaaldelijk van Florimond en van Sylvain en ook van vele anderen gehoord—zooveel groote kunstenaarswaren te gelijkertijd op meer dan ééne vrouw verliefd geweest, werden door meer dan ééne vrouw in hun voortreffelijkste werkgeïnspireerd.Wàs hij nu eigenlijk verliefd op de jonkvrouw? Ja, hij dorst het ten slotte aan zichzelf bekennen: hij wàs verliefd op haar!Hij was verliefd op haar, als op het hoogste en schoonste, dat hij kende; verliefd op haar als op een beeld van inspiratie, dat men in een idealen droom aanbidt. Zij was dè Schoonheid zelve, de schoonheid van alles voor hem, en zijn aanbidding, die hij in zijn eigen diepste binnenste toch als iets gruwelijk-gewaagds, als iets misdadigs en bijna als iets wandadigs verborg, had feitelijk de naïeve, frissche reinheid van een kinderlijke poëzie. Hij waande zich groot-menschelijk, bijna tyrannisch-menschelijk in zijn dweepende liefde, en had hij haar maar één enkele maal die vereerende liefde in woorden mogen uitdrukken en éénmaal van haar hooren, dat zij hem ook zoo beminde, nooit zou hij iets anders of iets meer gewenscht en gevraagd hebben. ’t Was de romantische aanbidding van een herdertje voor zijn koningin!Vreemd: van op een afstand, terwijl hij met zijn vrienden in de stad over haar sprak, scheen hem, wat hij als de verwezenlijking zijner liefde beschouwde,oneindig veel gemakkelijker te bereiken, dan wanneer hij dichter in haar nabijheid was. Zoo op een afstand stond ze meer in nuchtere realiteit, als gewoon mensch, als vrouw voor hem. De kameraadjes hielden hem graag een beetje voor den mal met zijn voorname liefde, en hij kon het nu best velen en ook even meelachen, gelukkig zelfs dat het gesprek zoo ongegeneerd over haar liep. Maar in het dorpje, onder de aristocratische bescherming der regeerende kasteelen, werd zij dadelijk weer de ongenaakbare godin, waarnaar hij zelfs niet op dorst kijken. Hij moest haar maar even van verre zien aankomen; hij moest slechts haar vader, haar moeder, of zelfs haar gouvernante zien, terstond gaapte de afstand, die anders niet meer bestond, hem als een afgrond aan en weer voelde hij zich het jongetje van niemendal, het koewachtertje, het slaafje, dat van haar weldaden leefde. En hij begreep heel goed dat alleen iemand uit haar eigen stand, zooals meneer Gaëtan, ooit op haar kon aanspraak maken.Nog steeds werd er in ’t dorp verteld, dat die twee zeer zeker met elkander zouden trouwen. Men zag ze altijd samen, zij groeiden samen op, het kon bijna niet anders. Wel kwamen er ook dikwijls andere jongelui en jonge meisjes op detwee kasteelen, doch dat was maar tijdelijk: die bleven een poosje en verdwenen, terwijl de jonker en de jonkvrouw aldoor samen bleven. Fonske wist dat zoo goed als iedereen en soms dacht hij daaraan met stillen weemoed en liet zich in zijn droomen en gepeinzen gaan. Als hij nu eens meneer Gaëtan was in plaats van Fonske Vermaere! Rijkdom kon hem weinig schelen, maar jonkvrouw Elvire!.... O, wat zou hij gelukkig zijn! En hij aanzag meneer Gaëtan als een soort halve God op aarde, die wellicht den omvang van zijn eigen groot geluk niet eens kende. Langdurig kon hij den jonker staan nakijken, waar hij hem in het veld zag wandelen of door de straat zag gaan; hij ontleedde gansch zijn houding, kleeding en manieren; hij spande zich in om te begrijpen welke bekoring wel van zulk een man mocht uitgaan, en vergeleek dan met zichzelf en hoe hij er wel zou uitzien als hij zulke kleeren en manieren had als meneer Gaëtan. Het werd een imitatie: Fonske kocht zich een hoed en een das zooals meneer Gaëtan er droeg en eens, op een vroegen zondag-ochtend, vond zijn moeder hem in het slaapkamertje bezig met zich achter op het hoofd een “boulevard” te kammen.—Ha moar jongen, wa peist-e gij! Ge kamtou lijk menier Gaëtan! riep de vrouw verbaasd.Fonske kreeg een heete kleur van schaamte en antwoordde kregel, haastig weer zijn haren platstrijkend.—Och, moeder, zij-je nie wijs; ’t es omda ’k ’n beetse brand hé op mijn achterheufd.—Ha joa joa, zei de vrouw gerustgesteld. ’k Miende dat-e menier Gaëtan wildet noardoen. Ge ’n zoedt nie meugen, jongen, ze zoên ’t ons kwoalijk nemen op ’t kastiel.—Kwoalijk nemen! Kwoalijk nemen! Ne meinsch mag hem toch wel kammen lijk of hij wilt, pruttelde Fonske misnoegd.De moeder ging daar maar liever niet verder op door.

Hij had hem ook bovenal,—en voor het eerst, en heel wat sterker dan totnogtoe de woorden van zijn vrienden deden, zijn volle waardigheid als onafhankelijk mensch doen voelen en beseffen.

Hij was zooveel waard als een ander mensch: zooveel als meneer de graaf, zooveel als meneer de baron, zooveel als meneer Gaëtan, ondanks het verschil van maatschappelijken stand en fortuin. Hij mocht verliefd zijn op de jonkvrouw, evenals hij mocht verliefd wezen op Lisatje; dat maakte geen verschil: de eene was niet meer dan de andere. En hij had zelfs het recht verliefd te zijn op alle twee; het was geen schande, zooveel groote kunstenaars—dat had hij immers herhaaldelijk van Florimond en van Sylvain en ook van vele anderen gehoord—zooveel groote kunstenaarswaren te gelijkertijd op meer dan ééne vrouw verliefd geweest, werden door meer dan ééne vrouw in hun voortreffelijkste werkgeïnspireerd.

Wàs hij nu eigenlijk verliefd op de jonkvrouw? Ja, hij dorst het ten slotte aan zichzelf bekennen: hij wàs verliefd op haar!

Hij was verliefd op haar, als op het hoogste en schoonste, dat hij kende; verliefd op haar als op een beeld van inspiratie, dat men in een idealen droom aanbidt. Zij was dè Schoonheid zelve, de schoonheid van alles voor hem, en zijn aanbidding, die hij in zijn eigen diepste binnenste toch als iets gruwelijk-gewaagds, als iets misdadigs en bijna als iets wandadigs verborg, had feitelijk de naïeve, frissche reinheid van een kinderlijke poëzie. Hij waande zich groot-menschelijk, bijna tyrannisch-menschelijk in zijn dweepende liefde, en had hij haar maar één enkele maal die vereerende liefde in woorden mogen uitdrukken en éénmaal van haar hooren, dat zij hem ook zoo beminde, nooit zou hij iets anders of iets meer gewenscht en gevraagd hebben. ’t Was de romantische aanbidding van een herdertje voor zijn koningin!

Vreemd: van op een afstand, terwijl hij met zijn vrienden in de stad over haar sprak, scheen hem, wat hij als de verwezenlijking zijner liefde beschouwde,oneindig veel gemakkelijker te bereiken, dan wanneer hij dichter in haar nabijheid was. Zoo op een afstand stond ze meer in nuchtere realiteit, als gewoon mensch, als vrouw voor hem. De kameraadjes hielden hem graag een beetje voor den mal met zijn voorname liefde, en hij kon het nu best velen en ook even meelachen, gelukkig zelfs dat het gesprek zoo ongegeneerd over haar liep. Maar in het dorpje, onder de aristocratische bescherming der regeerende kasteelen, werd zij dadelijk weer de ongenaakbare godin, waarnaar hij zelfs niet op dorst kijken. Hij moest haar maar even van verre zien aankomen; hij moest slechts haar vader, haar moeder, of zelfs haar gouvernante zien, terstond gaapte de afstand, die anders niet meer bestond, hem als een afgrond aan en weer voelde hij zich het jongetje van niemendal, het koewachtertje, het slaafje, dat van haar weldaden leefde. En hij begreep heel goed dat alleen iemand uit haar eigen stand, zooals meneer Gaëtan, ooit op haar kon aanspraak maken.

Nog steeds werd er in ’t dorp verteld, dat die twee zeer zeker met elkander zouden trouwen. Men zag ze altijd samen, zij groeiden samen op, het kon bijna niet anders. Wel kwamen er ook dikwijls andere jongelui en jonge meisjes op detwee kasteelen, doch dat was maar tijdelijk: die bleven een poosje en verdwenen, terwijl de jonker en de jonkvrouw aldoor samen bleven. Fonske wist dat zoo goed als iedereen en soms dacht hij daaraan met stillen weemoed en liet zich in zijn droomen en gepeinzen gaan. Als hij nu eens meneer Gaëtan was in plaats van Fonske Vermaere! Rijkdom kon hem weinig schelen, maar jonkvrouw Elvire!.... O, wat zou hij gelukkig zijn! En hij aanzag meneer Gaëtan als een soort halve God op aarde, die wellicht den omvang van zijn eigen groot geluk niet eens kende. Langdurig kon hij den jonker staan nakijken, waar hij hem in het veld zag wandelen of door de straat zag gaan; hij ontleedde gansch zijn houding, kleeding en manieren; hij spande zich in om te begrijpen welke bekoring wel van zulk een man mocht uitgaan, en vergeleek dan met zichzelf en hoe hij er wel zou uitzien als hij zulke kleeren en manieren had als meneer Gaëtan. Het werd een imitatie: Fonske kocht zich een hoed en een das zooals meneer Gaëtan er droeg en eens, op een vroegen zondag-ochtend, vond zijn moeder hem in het slaapkamertje bezig met zich achter op het hoofd een “boulevard” te kammen.

—Ha moar jongen, wa peist-e gij! Ge kamtou lijk menier Gaëtan! riep de vrouw verbaasd.

Fonske kreeg een heete kleur van schaamte en antwoordde kregel, haastig weer zijn haren platstrijkend.

—Och, moeder, zij-je nie wijs; ’t es omda ’k ’n beetse brand hé op mijn achterheufd.

—Ha joa joa, zei de vrouw gerustgesteld. ’k Miende dat-e menier Gaëtan wildet noardoen. Ge ’n zoedt nie meugen, jongen, ze zoên ’t ons kwoalijk nemen op ’t kastiel.

—Kwoalijk nemen! Kwoalijk nemen! Ne meinsch mag hem toch wel kammen lijk of hij wilt, pruttelde Fonske misnoegd.

De moeder ging daar maar liever niet verder op door.

XIX.Ondertusschen had zich althans één vast voornemen, ontstaan uit zijn ontwaakte waardigheidsgevoel als mensch, in hem als ’t ware vastgeschroefd. Hij wilde niet langer geldelijk door de jonkvrouw of haar ouders ondersteund worden. Hij had het ook niet meer noodig; hij verdiende nu langzamerhand genoeg om heel netjes in zijn onderhoud en in dat van zijn moeder te voorzien; hij wachtte zelfs maar op een gelegenheid om met haar op een deftiger stand te gaan wonen; en hij besloot, vóór het wintervertrek naar de stad, aan de jonkvrouw een brief van dank te schrijven en haar daarbij nog eens een van zijn beste schilderijtjes als geschenk aan te bieden.Hij oordeelde, dat hij nu ook wel genoeg Fransch kende, om zijn brief in die taal te schrijven. Datstelde hem alweer op meer gelijken voet met haar; hij ging maar dadelijk aan ’t werk, en toen hij er, na groote inspanning, mee klaar was, liet hij hem den volgenden zondag lezen aan Florimond en aan Sylvain, om er, zoo noodig, nog de fouten uit te halen.De twee estheten trokken eerst erg hun neus op. Zij vonden het een laffe zwakheid van Fons, dat hij haar in ’t Fransch wilde schrijven. Juist tegenover zulke lui, die de waardigheid van hun nationaliteitsbewustzijn heelemaal verloren hadden, diende men dit gevoel in zichzelf krachtig en scherp-levendig op te houden. Fons had zijn brief in het nederlandsch moeten schrijven. Doch zij kregen ten slotte medelijden met hem en ondanks zijn weerzin haalde Florimond de fouten uit het epistel, die talrijk waren.Thuis gekomen schreef Fonske den brief op mooi papier zorgvuldig over. Dan koos hij uit, wat hem het mooiste van zijn schilderijen leek: het dorpje onder sneeuw, met de ontbloeiende lichtjes bij invallenden avond, en vroeg den dorpsveldwachter of hij dat naar het kasteel wou brengen. Eerst had hij gedacht er zijn moeder mee te zenden, maar toen voelde hij als ’t ware iets vernederends voor zichzelf in die opdracht. Beterging het door den veldwachter. Zoo had het iets gewichtigers, iets meer officiëel, iets dat paste bij de plechtigheid van den franschen brief. De veldwachter, trouwens, vroeg niets beters. Zijn dikke borrelneus bewoog van de pret, toen Fonske hem een frank gaf om onderweg een paar “dreupelkes” te drinken.Twee dagen later kwam het antwoord. Fonske, die van zenuwachtige ontroering tweemaal vier en twintig uur bijna niet at noch sliep, zag den derden dag tegen den avond een der lakeien van ’t kasteel, buigend onder ’t lage deurtje, moeders huisje binnenstappen. Hij liep hem na, ontving den brief uit zijn handen.Reeds het adres was een emotie:Monsieur Alphonse Vermaereartiste-peintreMeulegem.Voorzichtig, met trillende vingers, trok Fons den omslag open.Monsieur,Quelle agréable et double surprise vous me faites en m’envoyant une lettre écrite français et en y ajoutant le charmant effet de neige! J’ignoraistotalement que vous connussiez le français et surtout que vous l’écriviez si bien. Je vous en fais mon compliment le plus sinçère et suis heureuse de constater qu’il ne vous manque plus rien maintenant pour devenir un grand artiste. L’oeuvre que vous y ajoutez du reste le prouve et je suis très contente de la posséder et vous remercie sinçèrement.A mon tour je vous réserve une surprise, probablement pour le printemps prochain. J’en ai dejà parlé à mes parents, qui sont d’accord avec moi. En attendant, continuez à bien travailler et à faire des progrès dans votre art.Veuillez croire à l’assurance de mes sentiments distingués.Cesse E. d’Assonville.Fons vouwde ’t briefje dicht en stopte ’t in zijn zak. Hij zag heel bleek en sterk beefden zijn handen. Hij had niet elk woord begrepen, maar wel de zinnen in hun geheel en hij moest dat nu maar kalmpjes, in de eenzaamheid, laten bezinken en in zich verwerken.—Es mejonkvreiwe kontent? vroeg glimlachend de moeder.—O, joa z’ zilde, antwoordde Fonske verstrooid,en voegde er bij, dat hij nu spoedig weer naar zijn werk moest.In plaats van naar zijn werk te gaan beklom hij stiekum den Molenberg en ging er zich op een eenzaam plekje rondom in het kreupelhout verschuilen.Daar haalde hij den brief weer uit zijn zak.Hij rook er even aan, doch proefde geen bizondere lucht. In den linkerhoek stond een licht-lila kroontje met een wapen en daar streek hij even met zijn vingers overheen en voelde ’t hard relief der ingeperste stempeling. Toen las hij hem heel langzaam, woord voor woord, weer over.“Connussiez”; die verbuiging kende hij niet, maar ’t leek hem heel knap en heel mooi en hij begreep toch. “Constater” begreep hij niet, heelemaal niet. Dat woord had Florimond hem nooit geleerd. Maar ’t deed er niets toe, hij verstond den zin en voelde zich gloeien van geluk en trots. Maar wat hem trillen deed, wat hem onuitsprekelijk ontstelde en geheel van streek bracht waren de laatste zinnen: “A mon tour je vous réserve une surprise, probablement pour le printemps prochain”.Wat mocht ze daar wel mee bedoelen? Welke verrassing hield ze voor hem in bewaring tegen de volgende lente: een verrassing waar haarouders reeds van af wisten en die zij goedkeurden! Hield zij wellicht ook van hem? Vermocht de kunst den afgrond tusschen hen te dempen? Zag zij de mogelijkheid in, met hem... och, ’t was onzinnig, en toch, welke verrassing—een verrassing die hem zou gelukkig maken—kon het anders wel wezen?.... Het suisde in hem en ’t nevelde vóór zijn oogen: hij voelde zich eensklaps door een groote, weeke teederheid bevangen en zijn blik werd vochtig.Het plekje waar hij zat was als een droom van stille poëzie. Hij zat te midden van bloeiende hei, met om zich heen een dichten kring van struikgewas in gouden najaarspracht. Door een opening ontwaarde hij het vreedzaam dorpje in de diepte en verder het smaragden kleed der weilanden, waarop de koeien graasden, en achter ’t zilver-kronkellint van de rivier, den weg-wazenden overheuvel, met de torens en de tuinen van het grafelijk kasteel. Wat was het alles mooi en vreedzaam, wat baadde alles om hem heen in zacht en kalm geluk! De wereld leek zoo groot en zoo ruim en zoo mild van daar uit, er scheen zoo oneindig veel rustige plaats voor het geluk en voor de weelde van een ieder. En die weelde voelde hij in zich doordringen, als iets dat hemgegeven werd en niet meer zou ontnomen worden. Het was slechts een illuzie, maar een illuzie zoo zoet en rein en rijk en wellicht rijker dan een tastbare werkelijkheid; en op dat oogenblik verlangde Fonske niets meer, niets dan het heerlijk woekeren en ontbloeien van den schat, van al de menigvuldige schatten, waarmede hij zich nu begenadigd voelde.Toen hij den volgenden zondag den brief aan zijn makkers liet lezen, hadden dezen maar één roep:—Ça y est!Ze wil mee ou treiwen!Fonske liet hen dat zeggen: voorloopig had hij genoeg aan de gelukkigmakende verrassing, die zij hem tegen de volgende lente bewaarde.

Ondertusschen had zich althans één vast voornemen, ontstaan uit zijn ontwaakte waardigheidsgevoel als mensch, in hem als ’t ware vastgeschroefd. Hij wilde niet langer geldelijk door de jonkvrouw of haar ouders ondersteund worden. Hij had het ook niet meer noodig; hij verdiende nu langzamerhand genoeg om heel netjes in zijn onderhoud en in dat van zijn moeder te voorzien; hij wachtte zelfs maar op een gelegenheid om met haar op een deftiger stand te gaan wonen; en hij besloot, vóór het wintervertrek naar de stad, aan de jonkvrouw een brief van dank te schrijven en haar daarbij nog eens een van zijn beste schilderijtjes als geschenk aan te bieden.

Hij oordeelde, dat hij nu ook wel genoeg Fransch kende, om zijn brief in die taal te schrijven. Datstelde hem alweer op meer gelijken voet met haar; hij ging maar dadelijk aan ’t werk, en toen hij er, na groote inspanning, mee klaar was, liet hij hem den volgenden zondag lezen aan Florimond en aan Sylvain, om er, zoo noodig, nog de fouten uit te halen.

De twee estheten trokken eerst erg hun neus op. Zij vonden het een laffe zwakheid van Fons, dat hij haar in ’t Fransch wilde schrijven. Juist tegenover zulke lui, die de waardigheid van hun nationaliteitsbewustzijn heelemaal verloren hadden, diende men dit gevoel in zichzelf krachtig en scherp-levendig op te houden. Fons had zijn brief in het nederlandsch moeten schrijven. Doch zij kregen ten slotte medelijden met hem en ondanks zijn weerzin haalde Florimond de fouten uit het epistel, die talrijk waren.

Thuis gekomen schreef Fonske den brief op mooi papier zorgvuldig over. Dan koos hij uit, wat hem het mooiste van zijn schilderijen leek: het dorpje onder sneeuw, met de ontbloeiende lichtjes bij invallenden avond, en vroeg den dorpsveldwachter of hij dat naar het kasteel wou brengen. Eerst had hij gedacht er zijn moeder mee te zenden, maar toen voelde hij als ’t ware iets vernederends voor zichzelf in die opdracht. Beterging het door den veldwachter. Zoo had het iets gewichtigers, iets meer officiëel, iets dat paste bij de plechtigheid van den franschen brief. De veldwachter, trouwens, vroeg niets beters. Zijn dikke borrelneus bewoog van de pret, toen Fonske hem een frank gaf om onderweg een paar “dreupelkes” te drinken.

Twee dagen later kwam het antwoord. Fonske, die van zenuwachtige ontroering tweemaal vier en twintig uur bijna niet at noch sliep, zag den derden dag tegen den avond een der lakeien van ’t kasteel, buigend onder ’t lage deurtje, moeders huisje binnenstappen. Hij liep hem na, ontving den brief uit zijn handen.

Reeds het adres was een emotie:

Monsieur Alphonse Vermaereartiste-peintreMeulegem.

Monsieur Alphonse Vermaereartiste-peintreMeulegem.

Voorzichtig, met trillende vingers, trok Fons den omslag open.

Monsieur,Quelle agréable et double surprise vous me faites en m’envoyant une lettre écrite français et en y ajoutant le charmant effet de neige! J’ignoraistotalement que vous connussiez le français et surtout que vous l’écriviez si bien. Je vous en fais mon compliment le plus sinçère et suis heureuse de constater qu’il ne vous manque plus rien maintenant pour devenir un grand artiste. L’oeuvre que vous y ajoutez du reste le prouve et je suis très contente de la posséder et vous remercie sinçèrement.A mon tour je vous réserve une surprise, probablement pour le printemps prochain. J’en ai dejà parlé à mes parents, qui sont d’accord avec moi. En attendant, continuez à bien travailler et à faire des progrès dans votre art.Veuillez croire à l’assurance de mes sentiments distingués.Cesse E. d’Assonville.

Monsieur,

Quelle agréable et double surprise vous me faites en m’envoyant une lettre écrite français et en y ajoutant le charmant effet de neige! J’ignoraistotalement que vous connussiez le français et surtout que vous l’écriviez si bien. Je vous en fais mon compliment le plus sinçère et suis heureuse de constater qu’il ne vous manque plus rien maintenant pour devenir un grand artiste. L’oeuvre que vous y ajoutez du reste le prouve et je suis très contente de la posséder et vous remercie sinçèrement.

A mon tour je vous réserve une surprise, probablement pour le printemps prochain. J’en ai dejà parlé à mes parents, qui sont d’accord avec moi. En attendant, continuez à bien travailler et à faire des progrès dans votre art.

Veuillez croire à l’assurance de mes sentiments distingués.

Cesse E. d’Assonville.

Fons vouwde ’t briefje dicht en stopte ’t in zijn zak. Hij zag heel bleek en sterk beefden zijn handen. Hij had niet elk woord begrepen, maar wel de zinnen in hun geheel en hij moest dat nu maar kalmpjes, in de eenzaamheid, laten bezinken en in zich verwerken.

—Es mejonkvreiwe kontent? vroeg glimlachend de moeder.

—O, joa z’ zilde, antwoordde Fonske verstrooid,en voegde er bij, dat hij nu spoedig weer naar zijn werk moest.

In plaats van naar zijn werk te gaan beklom hij stiekum den Molenberg en ging er zich op een eenzaam plekje rondom in het kreupelhout verschuilen.

Daar haalde hij den brief weer uit zijn zak.

Hij rook er even aan, doch proefde geen bizondere lucht. In den linkerhoek stond een licht-lila kroontje met een wapen en daar streek hij even met zijn vingers overheen en voelde ’t hard relief der ingeperste stempeling. Toen las hij hem heel langzaam, woord voor woord, weer over.

“Connussiez”; die verbuiging kende hij niet, maar ’t leek hem heel knap en heel mooi en hij begreep toch. “Constater” begreep hij niet, heelemaal niet. Dat woord had Florimond hem nooit geleerd. Maar ’t deed er niets toe, hij verstond den zin en voelde zich gloeien van geluk en trots. Maar wat hem trillen deed, wat hem onuitsprekelijk ontstelde en geheel van streek bracht waren de laatste zinnen: “A mon tour je vous réserve une surprise, probablement pour le printemps prochain”.

Wat mocht ze daar wel mee bedoelen? Welke verrassing hield ze voor hem in bewaring tegen de volgende lente: een verrassing waar haarouders reeds van af wisten en die zij goedkeurden! Hield zij wellicht ook van hem? Vermocht de kunst den afgrond tusschen hen te dempen? Zag zij de mogelijkheid in, met hem... och, ’t was onzinnig, en toch, welke verrassing—een verrassing die hem zou gelukkig maken—kon het anders wel wezen?.... Het suisde in hem en ’t nevelde vóór zijn oogen: hij voelde zich eensklaps door een groote, weeke teederheid bevangen en zijn blik werd vochtig.

Het plekje waar hij zat was als een droom van stille poëzie. Hij zat te midden van bloeiende hei, met om zich heen een dichten kring van struikgewas in gouden najaarspracht. Door een opening ontwaarde hij het vreedzaam dorpje in de diepte en verder het smaragden kleed der weilanden, waarop de koeien graasden, en achter ’t zilver-kronkellint van de rivier, den weg-wazenden overheuvel, met de torens en de tuinen van het grafelijk kasteel. Wat was het alles mooi en vreedzaam, wat baadde alles om hem heen in zacht en kalm geluk! De wereld leek zoo groot en zoo ruim en zoo mild van daar uit, er scheen zoo oneindig veel rustige plaats voor het geluk en voor de weelde van een ieder. En die weelde voelde hij in zich doordringen, als iets dat hemgegeven werd en niet meer zou ontnomen worden. Het was slechts een illuzie, maar een illuzie zoo zoet en rein en rijk en wellicht rijker dan een tastbare werkelijkheid; en op dat oogenblik verlangde Fonske niets meer, niets dan het heerlijk woekeren en ontbloeien van den schat, van al de menigvuldige schatten, waarmede hij zich nu begenadigd voelde.

Toen hij den volgenden zondag den brief aan zijn makkers liet lezen, hadden dezen maar één roep:

—Ça y est!Ze wil mee ou treiwen!

Fonske liet hen dat zeggen: voorloopig had hij genoeg aan de gelukkigmakende verrassing, die zij hem tegen de volgende lente bewaarde.

XX.Het was een heerlijke winter voor Fonske. Alles scheen samen te werken om hem nu aanhoudend tot zijn volle, zelfstandige kracht te ontwikkelen en in hem de ontvangst van het volmaakt geluk als ’t ware voor te bereiden. De decoratie-schildering, die hij voor Van Belleghem in de nieuwgebouwde herberg bij het station had uitgevoerd, had zoo de aandacht getrokken en viel zoozeer in den smaak, dat hij nu ten allen kante werd gevraagd en er al spoedig over denken mocht om voor eigen rekening te beginnen; en ook zijn zuiver kunstwerk, zijn landschappen en figuren vonden vast hun plaats in kleinere tentoonstellingen en werden vlot verkocht tegen prijzen, die niet onder deden voor wat Sylvain en andere jonge schilders voor hun doeken kregen. Af en toe voelde Fonske wel, dat er opkunstgebiednog hoogere ambities waren; doch dat kwelde hem niet; hij was al heel veel verder dan hij ooit gehoopt had; hij telde mee onder de jonge schilders van zijn tijd en was zich reeds een beetje trotsche waardigheid als kunstenaar bewust.Dat was al merkbaar aan zijn uiterlijk, aan zijn houding en manieren. Hij deed niet zoo, dat hij zijn vroegere dorpsmakkers aanstoot of ergernis gaf, maar toch voelde hij zeer goed den afstand die nu lag tusschen hem en Rietje Koarelkes of Feelke Brouwers, evenals hij nog wel goed den socialen afstand voelde die bleef gapen tusschen hem en meneer Gaëtan. Hij had ook meer ’t besef van vrijheid en van onafhankelijkheid gekregen. Als hij nu soms geen lust had om te werken, dan ging hij ook niet werken; en als hij daarentegen zin had om, al was het ook midden in de week, eens naar de stad te gaan, dan ging hij naar de stad. Sinds lang had hij zijn moeder genoopt zich deftiger te kleeden en een hulp in huis te nemen; en tegen Kerstdag deed zich een kansje voor, dat hij niet liet ontsnappen: door sterfgeval kwam een net huisje leeg, juist onder aan den Molenberg: hij huurde het per brief van den baron, aan wien het toebehoorde; en in enkele weken tijds was’t keurig door hem ingericht, met vriendelijk-bemuurschilderde kamertjes en een ruim en luchtig atelier in ’t noorden, op de mansarde-verdieping. Nu was hij heelemaal een schilder, de commercieele decoratie-schildering werd hem bijna te min; hij voelde zich zeer een heer geworden, bijna een soort kasteelheertje, niet zoo héél verre meer beneden den voornamen stand der twee regeerende kasteelen. Het huisje kreeg van buiten een zeer liefelijke roze kleur met groene-en-witte luikjes; en op het tuinhekje schilderde hij zelf den naam, dien hij er aan geven wou in harmonie met het karakter van den Molenberg, die daar vlak achter lag:“Villa du Moulin”.Hij dacht wel, hoe Florimond en Sylvain zouden verontwaardigd zijn, omdat hij ’t niet een vlaamschen naam gaf, maar hij was al zooverre, dat hij zelfs hùn afkeuring durfde trotseeren, als hij daardoor maar ietwat nader kwam tot zijn voorname illusie, tot de jonkvrouw van ’t kasteel en de gelukzalige verrassing, die zij voor hem in bewaring hield.In die illusie, en ook in de hoop op deszelfs verwezenlijking, werd hij trouwens meer en meer door zijn beide vrienden gesterkt. Die vonden er zelfshoegenaamd niets buitengewoons aan, die kwamen telkens weer aanzetten met hun voorbeelden van groote kunstenaars die door prinsessen werden bemind en geïnspireerd; en zij zelven, trouwens, bij gebrek aan voorradige prinsessen, lieten zich gul genoeg inspireeren door jonge dames van wat minder soort, met wie zij lief en leed, vooral het eerste, deelden. ’t Was iets waarvan ’t eenvoudig buitenjongetje maar niet bekwam. Nu eens waren zij met deze, dan met gene, telkens zoo warm-intiem alsof ’t voor eeuwig was en een week daarna weer van elkaar gescheiden, als hadden zij elkander nooit gezien. Het waren meestal meisjes met plat-gestreken bandeaux en gedecolleteerden hals en Florimond en Sylvain betitelden haar met den pronknaam van estheten-vrouwen: vrouwen, die de superieure kunstuitingen voelden en, vrijgevochten van elk wereldsch vooroordeel, feitelijk de eenige waren, die werkelijk de artiesten-ziel begrepen.Bijna elk jong meisje, uit de nog niet geheel verdorven volksklasse, was trouwens, volgens de twee vrienden, geschikt om, onder leiding van een artiest, tot estheten-vrouw ontwikkeld te worden; en daarom ook konden zij Fons niet genoeg aanraden de opvoeding van Lisatje Van Belleghem onder dat opzicht te voltooien. Deed hij het niet, dan zoueen ander hem wel gauw genoeg in die zeer aangename taak vervangen, of, erger nog, het meisje zou door een gewonen plebeër verleid worden en voor de kunst verloren gaan. Eigenlijk had Fons haar al lang in hun artistiek stadsmilieu moeten binnenleiden en hij mocht meer dan dom heeten als hij ’t nog nu niet zoo spoedig mogelijk deed.Dat alles, gepaard met het ontwaken van Fonske’s zinnen, wekte geweldige prikkeling en opwinding in hem. Het vertroebelde de reine eerlijkheid van zijn gemoed en het begrip van goed en kwaad werd duister en verward in hem. Hij kwam er van lieverlede toe Lisatje te beschouwen als iets waar hij in ieder geval recht op had, als iets dat zijn persoonlijk bezit was, een bezit dat hij zich enkel nog uit vrees, ontzag en liefde voor de kasteeljonkvrouw niet openlijk dorst toe te eigenen, zooals Sylvain en Florimond hem ’t voorbeeld gaven. Maar hij lei toch al vast de bakens voor de toekomst; hij nam veel meer dan vroeger notitie van Lisatje, en ’t aardig kind, dat lang onder zijn onverschilligheid geleden had, zag nu, in argeloos-gelukkig-zijn, blijde dagen te gemoet.

Het was een heerlijke winter voor Fonske. Alles scheen samen te werken om hem nu aanhoudend tot zijn volle, zelfstandige kracht te ontwikkelen en in hem de ontvangst van het volmaakt geluk als ’t ware voor te bereiden. De decoratie-schildering, die hij voor Van Belleghem in de nieuwgebouwde herberg bij het station had uitgevoerd, had zoo de aandacht getrokken en viel zoozeer in den smaak, dat hij nu ten allen kante werd gevraagd en er al spoedig over denken mocht om voor eigen rekening te beginnen; en ook zijn zuiver kunstwerk, zijn landschappen en figuren vonden vast hun plaats in kleinere tentoonstellingen en werden vlot verkocht tegen prijzen, die niet onder deden voor wat Sylvain en andere jonge schilders voor hun doeken kregen. Af en toe voelde Fonske wel, dat er opkunstgebiednog hoogere ambities waren; doch dat kwelde hem niet; hij was al heel veel verder dan hij ooit gehoopt had; hij telde mee onder de jonge schilders van zijn tijd en was zich reeds een beetje trotsche waardigheid als kunstenaar bewust.

Dat was al merkbaar aan zijn uiterlijk, aan zijn houding en manieren. Hij deed niet zoo, dat hij zijn vroegere dorpsmakkers aanstoot of ergernis gaf, maar toch voelde hij zeer goed den afstand die nu lag tusschen hem en Rietje Koarelkes of Feelke Brouwers, evenals hij nog wel goed den socialen afstand voelde die bleef gapen tusschen hem en meneer Gaëtan. Hij had ook meer ’t besef van vrijheid en van onafhankelijkheid gekregen. Als hij nu soms geen lust had om te werken, dan ging hij ook niet werken; en als hij daarentegen zin had om, al was het ook midden in de week, eens naar de stad te gaan, dan ging hij naar de stad. Sinds lang had hij zijn moeder genoopt zich deftiger te kleeden en een hulp in huis te nemen; en tegen Kerstdag deed zich een kansje voor, dat hij niet liet ontsnappen: door sterfgeval kwam een net huisje leeg, juist onder aan den Molenberg: hij huurde het per brief van den baron, aan wien het toebehoorde; en in enkele weken tijds was’t keurig door hem ingericht, met vriendelijk-bemuurschilderde kamertjes en een ruim en luchtig atelier in ’t noorden, op de mansarde-verdieping. Nu was hij heelemaal een schilder, de commercieele decoratie-schildering werd hem bijna te min; hij voelde zich zeer een heer geworden, bijna een soort kasteelheertje, niet zoo héél verre meer beneden den voornamen stand der twee regeerende kasteelen. Het huisje kreeg van buiten een zeer liefelijke roze kleur met groene-en-witte luikjes; en op het tuinhekje schilderde hij zelf den naam, dien hij er aan geven wou in harmonie met het karakter van den Molenberg, die daar vlak achter lag:

“Villa du Moulin”.

“Villa du Moulin”.

Hij dacht wel, hoe Florimond en Sylvain zouden verontwaardigd zijn, omdat hij ’t niet een vlaamschen naam gaf, maar hij was al zooverre, dat hij zelfs hùn afkeuring durfde trotseeren, als hij daardoor maar ietwat nader kwam tot zijn voorname illusie, tot de jonkvrouw van ’t kasteel en de gelukzalige verrassing, die zij voor hem in bewaring hield.

In die illusie, en ook in de hoop op deszelfs verwezenlijking, werd hij trouwens meer en meer door zijn beide vrienden gesterkt. Die vonden er zelfshoegenaamd niets buitengewoons aan, die kwamen telkens weer aanzetten met hun voorbeelden van groote kunstenaars die door prinsessen werden bemind en geïnspireerd; en zij zelven, trouwens, bij gebrek aan voorradige prinsessen, lieten zich gul genoeg inspireeren door jonge dames van wat minder soort, met wie zij lief en leed, vooral het eerste, deelden. ’t Was iets waarvan ’t eenvoudig buitenjongetje maar niet bekwam. Nu eens waren zij met deze, dan met gene, telkens zoo warm-intiem alsof ’t voor eeuwig was en een week daarna weer van elkaar gescheiden, als hadden zij elkander nooit gezien. Het waren meestal meisjes met plat-gestreken bandeaux en gedecolleteerden hals en Florimond en Sylvain betitelden haar met den pronknaam van estheten-vrouwen: vrouwen, die de superieure kunstuitingen voelden en, vrijgevochten van elk wereldsch vooroordeel, feitelijk de eenige waren, die werkelijk de artiesten-ziel begrepen.

Bijna elk jong meisje, uit de nog niet geheel verdorven volksklasse, was trouwens, volgens de twee vrienden, geschikt om, onder leiding van een artiest, tot estheten-vrouw ontwikkeld te worden; en daarom ook konden zij Fons niet genoeg aanraden de opvoeding van Lisatje Van Belleghem onder dat opzicht te voltooien. Deed hij het niet, dan zoueen ander hem wel gauw genoeg in die zeer aangename taak vervangen, of, erger nog, het meisje zou door een gewonen plebeër verleid worden en voor de kunst verloren gaan. Eigenlijk had Fons haar al lang in hun artistiek stadsmilieu moeten binnenleiden en hij mocht meer dan dom heeten als hij ’t nog nu niet zoo spoedig mogelijk deed.

Dat alles, gepaard met het ontwaken van Fonske’s zinnen, wekte geweldige prikkeling en opwinding in hem. Het vertroebelde de reine eerlijkheid van zijn gemoed en het begrip van goed en kwaad werd duister en verward in hem. Hij kwam er van lieverlede toe Lisatje te beschouwen als iets waar hij in ieder geval recht op had, als iets dat zijn persoonlijk bezit was, een bezit dat hij zich enkel nog uit vrees, ontzag en liefde voor de kasteeljonkvrouw niet openlijk dorst toe te eigenen, zooals Sylvain en Florimond hem ’t voorbeeld gaven. Maar hij lei toch al vast de bakens voor de toekomst; hij nam veel meer dan vroeger notitie van Lisatje, en ’t aardig kind, dat lang onder zijn onverschilligheid geleden had, zag nu, in argeloos-gelukkig-zijn, blijde dagen te gemoet.

XXI.Ondertusschen was de lieve lente alweer in aantocht. Langen tijd hadden alleen de lijstertjes gejubeld en gezongen in de nog winternaakte kruinen, maar nu kwamen ook de andere lentevogeltjes en ’t was alsof hun onverpoosd en opwekkend gezang eindelijk de zoo lang sluimerende bloempjes en de blaadjes deed ontwaken. De lage heesters kregen doorschijnend-groene, kanten hemdjes, de lijsterbes bloeide alom op ’t molen-heuveltje in witte, bedwelmend-zoetgeurende trosjes, en plat tegen den groenen grond blonken de blauwe oogen der viooltjes en schitterden de witte kelkjes van de lelietjes-van-dalen, terwijl alom de gele tuilen der bloeiende brem verblindend opvonkten, alsof een reuzenhand, met óvermild gebaar, daar gouden schatten had in ’t rond gestrooid.De zon, die gansche dagen door het blauw uitspansel reisde, ging ’s avonds slapen in een wonderschoonen toovertuin vol wazige oranje glorie, en toen kwam ’t maantje kijken, een beetje blikkerig-kil in zijn rijken, donkerblauwen hof vol twinkelende sterren; en het gezang der nachtegalen galmde onverpoosd, plechtig-verliefd in de heilige stilte.En Fonske, hoofd en hart vol van de naderende verrassing, waarvan de nachtelijke zangers hem in zijn slapelooze uren als ’t ware de blijde komst aankondigden, wist wel dat het nu niet lang meer duren kon vóór het werkelijkheid zou worden. Reeds waren de regeerende kasteelen uit hun winterslaap ontwaakt; zij keken herlevend naar elkaar uit hun wijd-open ramen en deuren, als blij elkaar weer op hun oude plaats terug te vinden, en in de wei joelden de jolige koewachtertjes hun vrije blijdschap uit te midden van het jonge vee, dat lentedronken na de eindelooze winteropsluiting, eerst al zijn dolle kuren bot moest vieren, vooraleer het, kalm-en-wijs-plichtmatig, met den snoet in ’t malsche groen aan ’t grazen ging.En op een middag waren zij daar eindelijk ook weer, de twee families, zooals zij elken zomer kwamen, met de vogels en de bloemen, en ’t gansche dorpje was vervuld van die jaarlijks verwachteen toch telkens weer nieuwe gebeurtenis. De wisselende gang van de seizoenen, ’t uitsterven van een jaar en het geboren worden van een nieuw jaar, waren mindere gebeurtenissen in het leven van de dorpelingen dan het jaarlijks gaan en komen der regeerende families; er kwam al dadelijk een andere toon in de gemeenschap; ’t was of een stille sluier alles dempte en wie een tijdlang los en vrij en zonder vrees rechtop geloopen had, keek al gauw weer gedwee naar den grond en ging zijn gangen met dat eigenaardig gangetje, dat aan andere dorpsbewoners, waar geen kasteelen waren, ietwat minachtend-spottend zeggen deed:“Dat is de gang van Meulegem.”En hoe Fonske, in zijn vrijere ontwikkeling, daar ook tegen streed, onweerstaanbaar voelde hij, telkens en telkens weer, die benauwende drukking, even sterk als vroeger en als alle andere bewoners.Zij waren er, en Fonske wachtte, vol schuchtere emotie, wat nu komen zou. Het duurde lang; zij waren er al dagen, al weken, en er gebeurde niets. Zou zij haar belofte, waarop hij den ganschen winter geteerd had,vergeten hebben? Hij had haar reeds een paar maal gezien,—wat was zemooi en groot geworden, een echte jonge dame nu, in ’t vol bewustzijn van haar rijke schoonheid!—hij had haar diep gegroet en ook van haar een vriendelijken groet terug ontvangen, maar dat was alles. Verder ging het leven zijn gewonen gang, met ’t zelfde heen en weer geloop tusschen de twee kasteelen; en Fonske begon gansch te wanhopen, toen hij eindelijk, op een morgen, het zoolang verwacht verzoek ontving, of hij dien middag tegen drie uur op het kasteel wilde komen.Het sloeg hem van ontroering als een zwakheid in de beenen. De kleur trok van zijn wangen weg, zijn hart klopte geweldig en zijn adem hijgde. Met zwakke stem vroeg hij zijn moeder of zij al zijn beste kleeren wilde uitleggen.Hij kon in het geheel niets eten. Vruchteloos drong moeder aan, dat hij toch zijn bordje soep zou ledigen: hij moest het half vol laten staan.Om half drie trok hij ’t weiland in. Hij had een hoog boord, een bonte das, manchetten, een zwart hoedje en verlakte schoenen aan; hij zag er uit als een jong heertje. Hij droeg zelfs een paar bruine handschoenen tusschen zijn vingers en zijn klein, blond snorretje had hij met een ijzer opgekruld. Eerst had hij nog even gedacht er heen te rijden op het heel mooi rijwiel, dathij zich onlangs had aangeschaft; maar na overweging vond hij het te voet toch passender.De koewachtertjes, die hem zoo deftig door de weide zagen stappen, staakten hun spelletjes om naar hem te komen kijken.—’t Es Fons, hij goa noar ’t kastiel, fluisterden zij met een soort eerbied.Maar Fons keek hen nauwelijks aan. Wat was hij dat ontgroeid in al die jaren!Hij liet zich overzetten bij boerke Floncke, wisselde daar verstrooid een heel kort praatje met de lui en sloeg de deftige kasteellaan in.Bij het monumentaal ingangshek hield hij even stil om aan den portier te vragen of de jonkvrouw wel op het kasteel was. Hij kreeg een bevestigend hoofdknikje tot antwoord en stapte de bochtige, breede grintlaan, tusschen de bloeiende heesters in.Zijn hart bonsde geweldig. Hij had moeite om den stijgenden weg te beklimmen. Bij den zwanenvijver, die op ’t vlakke lag, kalmeerde dat eenigszins. ’t Was of de breede vijver, begroeid met waterlelies en de statig-stille zwanen hem die kalmte gaven. Vrij onbevangen schreed hij over de brug en ’t pleintje dat er achter lag, klom op de stoep en belde aan.Een gegaloneerde lakei kwam de glazen deur openen. Fons werd in de ruime, door planten en bloemen versierde vestibule gebracht en verzocht op een der rieten stoelen plaats te nemen. De lakei verdween langs den breeden trap met zachten looper.Fons nam eens vluchtig alles op: mooie, geïncrusteerde tafeltjes, hooge, antieke kasten rechts en links, een prachtklok met speelwerk in een hoek. ’t Sloeg juist drie uur en de klok speelde, nobelvoornaam in zwaren toon, als uit een verren beiaardtoren. De hall liep in de gansche breedte der benedenverdieping van bordes tot bordes door en Fonske zag hoe mooi het van daar uit was aan de beide kanten: aan den voorkant de rivier, de weilanden, den heuvel waarop ’t kasteel van den baron stond en het oude molentje; en aan den anderen kant een schitterenden bloementuin, met als achtergrond een majestatisch eikenbosch, hoog en ondoordringbaar als een donkergroene muur.Binnen in ’t kasteel, in de hoogte van het trappenhuis en achter de gesloten deuren, scheen een voorname stemming te heerschen. Fons hoorde slechts vage, verdoofde geluiden, alsof alles wat er daar gebeurde heel héél verre van hem af lag.’t Scheen wel of wat daar leefde en gebeurde niet tot hem kon komen. Maar ergens boven ging eensklaps een deur open en weer dicht en het kwam Fonske voor of hij gesmoord gestommel en gegichel hoorde.Hij rees op en keek naar boven.Hij zag eerst twee en dan nog eens twee voeten langs den looper afdalen. Toen zag hij den onderrand van een donkerblauwen rok en vlak daarnaast twee grijze broekspijpen. Enkele seconden later stond hij vóór jonkvrouw Elvire en meneer Gaëtan, die hem glimlachend te gemoet traden.Vreemd deed het hem aan toen hij ze zoo samen vóór zich zag. ’t Was hem te moede alsof er iets gebeurde wat niet mocht. Het was alsof zij hem bedrogen hadden zonder hem te waarschuwen. En hij schrikte, hij schrikte geweldig en voelde ’t in zijn binnenste ijskil worden, toen hij merkte, dat zij hand in hand beneden kwamen. Jonkvrouw Elvire, trouwens, maakte de hare dadelijk los en stak die met haar vriendelijksten glimlach naar Fonske toe, zeggend:—Dag menier Alfons. Hoe goat ’t mee u?—Heel goed, mejonkvreiwe, merci, antwoordde Fonske bevend; en hij kreeg ook de hand van meneer Gaëtan, die hem met zijn gewonen, donkeren,sardonischen grijnslach begroette. Toen keken zij elkander aan en er was eventjes een oogenblik als van gegeneerde stilte.De jonkvrouw en meneer Gaëtan wisselden een blik en ’t was de eerste, die met eenige inspanning begon:—Menier Alfons,....Maar zij bleef stokken, en iets van onuitsprekelijke teederheid en vrouwelijke gratie, kwam als een schuchterheid zacht over haar, en deed haar wangen kleuren. ’t Was week en teeder als de liefdesglimlach van een overwonnen vrouw, die zich wil geven, en zij keek Fonske aan met oogen, die als ’t ware om verontschuldiging vroegen, terwijl een kort, zwak lachje van haar mooie lippen gleed.—Meneer Alfons, hernam zij eindelijk, haar bedeesdheid overwinnend,of da ge ’t gij nu weet of morgen, dat es ’t zelfde: meneer Gaëtan en ik goan samen treiwen en meneer Gaëtan komt hier op ’t kasteel inweunen. We willen onz’ appartementen deur u loaten decoreeren en dàt es de surprise, woar da ’k u verleden joar van gesproken hè. Wilt-e gij ne keer mee ons meekomen; we zullen u de koamers loate zien?Fons wist zich bijna goed te houden. Evenduizelde ’t zóó overweldigend vóór zijn oogen, dat hij niets meer zag, noch hoorde, noch voelde; maar ’t oogenblik daarna werd hij als ’t ware wakker en zag ze schemerig vóór zich staan, hand in hand, zij met haar zachten, lieven glimlach, hij met zijn donkeren, sardonischen grijnslach en beiden naar hem starend, op zijn antwoord wachtend.—Dat ’n hét-e zeker nie gepeisd, hè? vroeg nog de jonkvrouw, met iets gelukzalig-triomfeerends in haar toon en houding.En Fonske had den moed te antwoorden:—Nien ik, mejonkvreiwe, dàt ’n he ’k zeker nie gepeisd. Proficiat, mejonkvreiwe. Proficiat, menier Gaëtan.—Merci, glimlachten zij beiden. En de jonkvrouw, reeds naar de trap omgekeerd:—Wilt-e nou moar meekomen, meneer Alfons?—Joajik, mejonkvreiwe, antwoordde Fonske toonloos, de verloofden volgend.—Il a l’air un peu maboul, ton protégé, grinnikte halfluid meneer Gaëtan onder het trappen-klimmen.—Tais-toi, fluisterde zij, kleurend,il comprend le français.Fonske beet zich op de lippen en een bloedgulp golfde naar zijn aangezicht. Hij had wel niet precies begrepen, maar toch genoeg om te gissenwaarover ze ’t hadden. O, kon hij nu maar wegvluchten; kon hij nu maar ergens alleen zijn om zijn droefheid en ellende hardop uit te snikken! Maar hij moest mee, als een slachtoffer: hij strompelde de treden op, de gangen door, de kamers in en uit.De jonkvrouw expliceerde hem wat zij verlangde: hier, in dit vertrek, dat hun slaapkamer zou zijn, alles pervenche en wit. Deuren en kasten ivoor, met een pervenche biesje, en diezelfde kleur als rand onder ’t plafond en als plint boven den vloer. Dat zou dus alles zeer eenvoudig zijn, maar in haar boudoirtje daarnaast wenschte zij wandschilderingen van hem. Zij verlangde er twee: tegen den linkermuur het panorama van rivier en weiland, met den molenheuvel, het dorpje en het kasteel van den baron als achtergrond; en, aan den rechterwand, juist het tegenovergestelde panorama: ook weer de weilanden en de rivier, maar met den anderen heuvel en het kasteel van haar ouders tot achtergrond. Zag meneer Alfons wel kans om dat heel mooi te maken?Fons knikte, wezenloos. Ja, hij zou het wel kunnen maken, wanneer men hem althans den tijd daarvoor liet. Hij vroeg met heesche stem of er ook koeien in het weiland moesten loopen; en de jonkvrouwantwoordde dat zij daar juist bizonder op gesteld was: jawel, koeien, veel koeien, en ook koewachtertjes, zooals hij vroeger zelf daar liep, glimlachte zij.Fonske sidderde. Weer steeg een bloedgolf naar zijn wangen, maar zij merkten ’t niet, namen hem mee door de gang, naar het vertrek, dat meneer Gaëtan’s werkkamer en fumoir zou worden. En ook meneer Gaëtan verlangde muurschilderingen, maar geheel andere dan jonkvrouw Elvire.—Ge weet wel, meneer Alfons, sprak hij eenigszins uit de hoogte, ik ’n ben niet veur die geweldige couleuren gelijk mejonkvreiwe. Mijn koamer wordt in ’t iekenheit gesteken en ik zoe geern ’n beetsen donkere schilderijen hén. Gien bleiwe beumen en gien lileiwe koeien veur mij. Zoe-de gij keunen ’n wilde-zwijnenjacht schilderen?—’K peis ’t toch wel, menier Gaëtan.—En nen automobiel?—Euk wel, menier Gaëtan.—Mais, Gaëtan, est-ce que tu ne vas pas regretter ça?vroeg zij, zacht-afkeurend.—Mais non, ma chère, tu sais bien ce que j’aime, antwoordde hij, even ongeduldig wenkbrauwfronsend, alsof daarover reeds meer tusschen hen gedebatteerd was. En dan weer tot Fons, opden toon waarmee hij een schotel in een restaurant zou bestellen:—Hawèl, menier Alfons, veur mij op deze muur ’n wildezwijnenjacht ne woar? in nen donkeren bosch mee veel kreupelheit en dikke, bruine beumstammen; en, op den anderen muur mijnen automobiel, mee ik aan de volant en de chauffeur nevens mij, binst da we de dreve van ’t kastiel oprijen. Hedde ’t goe verstoan?—Joajik, menier Gaëtan, antwoordde Fonske toonloos.Zij gingen even bij een raam staan, schenen daar iets zeer gewichtigs onder elkaar te fluisteren, terwijl Fons een oogenblikje midden in ’t vertrek alleen bleef. De jonkvrouw kleurde, met een uitdrukking als van spijt en bedeesdheid op haar lief gezicht; en ’t was ten slotte ook meneer Gaëtan, die weer naar Fonske toe kwam en hem vroeg:—Enne.... en.... de prijs, menier Alfons, keunt-e gij ons à peu près zeggen hoevele dat dat al te goare moe kosten?Fons rechtte, als in plotselingen trots, zijn nederige gestalte op. Als een zoete wraak lag het hem op de tong om uit te roepen, dat hij het hier alles gratis gaf. Maar hij durfde niet, uit liefde en eerbied voor de jonkvrouw. Toch was het op eentoon, die hem even in zijn eigen achting weer verhief, dat hij kon antwoorden:—O, menier Gaëtan, mejonkvreiw Elvire hè vroeger zeuvele veur mij gedoan dat ’t alles goed es ’t gien da ge mij wil geven, en al gaaft ge mij zelfs hoegenaamd niets, dat ’t eug nog goed zoe zijn.—Vois-tu bien! zei ’t meisje zacht tot haar verloofde; en zij keek Fonske minzaam, met een soort verteedering aan.Fons dankte haar met een ontroerden blik. Voor een seconde voelde hij zich haar gelijke. Zij had gegeven, hij gaf terug; hij kende ineens, ofschoon in bitterheid en smart, zijn waardigheid als mensch. Krampachtig wilde hij dàt althans vasthouden. Maar hoe kon hij! Het was een illusie, een glimpje in de duisternis, en meer niet. Zijn antwoord had hen tevreden gesteld, en, omdat zij tevreden waren, hadden zij ook geen behoefte verder in die richting door te gaan. De maatschappelijke kloof, die even tusschen hen was overbrugd geweest, lag alweer gapend open; en eensklaps voelde Fonske zich alleen staan, terwijl hij zich nog bij hen waande. Hun houding, hun laatste woorden, hun glimlach, hun beleefdheid zelve, alles zei hem óverduidelijk dat het onderhoud geëindigd was en hij nu heen mocht gaan. Niets begrepen zij van zijn lijden ensmachtend verlangen; zijzelve, die zoo lief en aardig voor hem was, begreep ook in de verste verte niet dat hij één enkel oogenblik gelukkig was geweest en dat eenig moment met schrijnende hartstocht in zich wilde vasthouden; zij knikte en glimlachte hem banaal-vriendelijk toe, nog eens herhalend dat hij tijdig bericht zou ontvangen wanneer hij met het werk mocht beginnen; en eerst toen zij ten slotte zelve met haar aanstaande naar een deur week, begreep Fonske, dat het afgeloopen was en dat hij gaan kon.Hij ging, de beenen flauw, het hoofd gebukt, als een slaapwandelaar in een naren droom. De zon daalde naar ’t westen in oranje glorie en wierp in lange, dwarsche schim zijn droeve schaduw over ’t gouden-groene gras wijd vóór hem uit. De lustige koewachtertjes, die reeds hun kudden samendreven, kwamen weer naar hem toegeloopen, om hem nu ook bij zijn terugkomst van ’t kasteel nieuwsgierig te bekijken. En Fonske wenschte in zichzelf, dat hij ook nooit anders dan koewachter en veldarbeider was geworden. Al zijn makkertjes van vroeger: Feelke Brouwers, Rietje Koarelkes, Mielke Katoor, Dolfke van de Wiele, waar hij reeds maatschappelijk zooverre boven stond, lekenhem nu allen toch zoo oneindig veel gelukkiger dan hijzelf was. Die dachten niet aan kasteeljonkvrouwen, die kenden geen andere ambitie dan door hun dagelijkschen arbeid aan den dagelijkschen kost te komen en waren gelukkig met de meisjes van hun stand, met Mietje Pruime, met Emeranske Casteel, met Elodie Vermaele en Pharaïlde Van Rompu.Wat zouden ze gebulderd hebben van het spotlachen, als ze ook maar eventjes vermoed hadden, dat Fons verliefd was op de jonkvrouw van ’t kasteel en dat hij ongelukkig was omdat ze met een ander trouwde!Toen Fons over het water en al spoedig weer in ’t dorpje was, voelde hij een onoverkomelijken afkeer om naar huis te gaan. ’t Idee dat hij gewoonweg met zijn moeder nu zou moeten praten, dat zij hem zou uitvragen over zijn bezoek in het kasteel, of dat ze zijn onsteltenis zou merken en naar de oorzaak daarvan vorschen, ’t was hem alles zóó onuitstaanbaar, dat hij maar dadelijk besloot vooreerst nog niet naar huis te gaan en liever in zijn eenzaamheid om ’t even waar te dwalen.Hij liep achter het kerkje om en sloeg een zandweg in, die naar de bosschen leidde. Weldra was hij in ’t midden van de dennenwouden. De naglansvan de zon, die nu gansch onder was, brandde nog in het verschiet met een dofrooden gloed tusschen de verre stammen en reeds spanden de lichtschommelende kruinen, die soms zuchtten onder een nauw-voelbaar briesje, zich tot een ondoordringbaar-somber nachtgewelf ineen. Die somberheid en stilte kalmeerden even ’t heftige van Fonske’s lijden. Een bittere weemoed kwam in hem op, en daar, in de heimvolle eenzaamheid, ontlastte hij zijn smart in tranen. O, wat voelde hij zich week, en zwak, en klein, tegenover de gebeurtenis die daar nu voor hem oprees als een muur, als een rots, als een onoverkomelijke almacht! Wat was hij gek en dom geweest; wat had hij zich onnoozel laten beetnemen door het ellendig gepraat en gezwets van zijn twee steedsche vrienden, die hem de ongerijmdste en onmogelijkste der hersenschimmen als een bereikbare werkelijkheid hadden voor oogen getooverd! Ellendelingen waren zij, en ellendeling was hij zelf, die ooit zoo iets onzinnigs als ernst had kunnen opnemen! Het arm koewachtertje van vroeger, dat was hij en dat bleef hij, en nooit, wat er ook gebeurde, kon het anders worden. Waarom had hij zelfs ooit geprobeerd om te schilderen? Waarom had ze zich ooit met hem bemoeid en getracht in hem een ambitie te ontwikkelen,die toch fataal op een mislukking moest uitloopen? Want mislukt was hij, dat voelde hij eerst nu, definitief, in al zijn schrijnende wreedheid. Dàt wat hij ook eens, tijdens een bezoek in het museum van oude schilderijen vóór het werk der groote meesters zoo scherp gevoeld had: zijn eigen onmacht, zijn eigen onvolmaaktheid, het vlijmend besef van alles wat hem nog, op zoo velerlei gebied, ontbrak, den afgrond, onoverschrijdbaar, die hem van die genieën scheidde; hij voelde ’t nu nog oneindig veel scherper, hij voelde ’t in zich als de ijzig-koude dood van al wat in hem groot en schoon en sterk was, omdat hem eensklaps ’t eenige ontnomen werd, de grondslag, de basis, de lavende, heerlijke, opbeurende en hartstochtwekkende bron: de liefde, waaruit alles voort moest spruiten. Nu kon hij eensklaps niets meer, alles wat hij ooit beproefd had was mislukt, in verloren tijd en moeite; en die gedachte was het droevigste van alles: het deed hem plotseling in wanhoop vluchten, met walg en afschuw voor zichzelf, bijna als een misdadiger.Hij verliet de benauwde stilte der bosschen, kwam weer in ’t open veld, dwaalde daar doelloos rond, nauwelijks wetend waar hij liep.De maan kwam op, groot, rond, dof-oranje overhet zwartgroen der bosschen, als een zeldzaam wezen vol nieuwsgierigheid en droefheid, die met verlegen aangezicht schuchter komt kijken. Haar stille komst was in weemoedige harmonie met Fonske’s lijden, en hij ging met haar mee als ’t ware, stil loopend langs de stille wegen, waar nu haar twijfellicht zijn vage schaduw wierp.Zoo kwam hij langs een grooten omweg bij het dorpje weer. Hij was er vóór hij ’t bewust werd, en schrikte dat hij er reeds was.Neen, niet weer naar huis nu, ondanks zijn moeder die wellicht vol angst op hem te wachten zat. Hij kòn niet, hij zou er gek geworden zijn, hij zou er hardop zijn lijden hebben uitgesnikt. Hij keerde zich om en besteeg machinaal den Molenberg, in wanhoop stug-besloten daar ergens onder den molen of tusschen de heesters den nacht door te brengen.Hijgend en afgemat kwam hij door ’t kreupelhout langs steile kronkelpaadjes op den zandigen top. Hij zonk er zuchtend neer in ’t heidekruid en sloot een lange wijl zijn moede oogen. Iets dofs kwam over hem, alsof hij droevig in zou sluimeren. Maar zijn geest werkte, zijn lijden werkte en weer gingen zijn oogen triestig open.Daar lag vóór hem, en onder hem, de nuchterewerkelijkheid. De maan was hoog en hel gerezen in den somberblauwen, tintelenden sterrenhemel en haar koud, blank licht bescheen het nederig dorpje met hier en daar een schamel lichtje achter de gesloten luiken, en, sterk en trotsch, elk op zijn heuvel, de twee machtige, regeerende kasteelen, helder en als ’t ware feestelijk glanzend door al hun verlichte ramen, die elkaar over de wijde vlakte der weilanden heen jubelend schenen toe te lachen.Ja, zij jubelden en lachten! Zij glinsterden en tintelden elkander van verre victorieus te gemoet, om feest te vieren over de gelukkige gebeurtenis, die morgen algemeen bekend zou zijn!Fonske klauwde zijn beide handen in den grond waarop hij zat. Zijn geest verslond den afstand, zijn oogen drongen in de rijke zalen, hij zag de jonkvrouw, zoo wonderlief en schoon, in de armen van haar verloofde. Hij haatte hem, had hem kunnen slaan, hem van haar kunnen wegrukken. Hij zag zijn donkeren, sardonischen lach, zijn zegelach van wreedheid en van valschheid en ’t schreeuwde in hem op als tegen een wandaad, die niet mocht gebeuren.Maar plots was ’t of hij door een slag werd overeind gezweept. Ginds verre, bij ’t grafelijk kasteel,was in den nacht een vuurpijl opgegaan, die hoog in de lucht tot een veelkleurigen lichttuil openbloeide, en een schot knalde, door het gesmoord, lang-aangehouden “aaah!” eener onzichtbare menigte begroet. Fonske begreep, dat nu reeds de verloving bekend was en gevierd werd; en, terwijl nog meer vuurpijlen in de hoogte openknalden, vlogen in het stille dorp de deuren open, kwamen de menschen opgewonden in de straat en holden joelend naar ’t kasteel toe. In enkele oogenblikken waren de huizen leeg en weer zonk Fonske in zijn heibed op den zandheuvel, onder den ouden, houten molen, die als beschermend het geraamte van zijn breed-gekruiste, naakte wieken over hem uitspreidde, neer.Nu mocht hij wel hardop zijn leed uitsnikken als hij wilde: geen mensch meer zou hem hooren. Hij voelde zich verlaten alsof hij gansch alleen was op de wereld; en in die absolute eenzaamheid koesterde hij een soort bittere troost: de triestige berusting van hem wien geen geluk meer wacht op aarde. Hij was negentien jaar oud en voelde in zich de ontgoochelde levensmoeheid van een grijsaard. Niets leek hem meer de moeite waard, alles scheen hem nu voor altijd uitgebloeid en dood; hij voelde zich zoo oud en afgeleefdals het geraamte van den molen die al zooveel ervaren had en in bespiegelende onverschilligheid ook dit schouwspel nog bijwoonde. ’t Was als een óveroude, grijze wijsaard, die daar stond; hij scheen te droomen in sereene rust, zoo eindeloos hoog en verre boven alles wat daarginds gebeurde; en de glinsterende sterren, die zich in den donkerblauwen hemel, door zijn naakte wieken spijkerden, waren als zoovele, tot flonkerend juweel versteende tranen van lang-verleden en vergane wee.En in de groote rust, die van dat wonder wezen uitging, kwam ook in Fons weldra een trieste stilling van gelatenheid. Hij hoorde nog slechts ais in een droom de verre hoezee-kreten en ’t geknal der schoten; de jubelende lichtgloed der regeerende kasteelen week al verder en al verder van hem weg; en hij had slechts één smachtend verlangen meer: daar nu in zijn volle eenzaamheid op den heuvel in te slapen en er nooit meer te ontwaken.Zijn oogen vielen dicht en de tranen die heel zacht tusschen zijn dichte wimpers vloden, deden nu geen pijn meer. Niets meer deed pijn, alles was dof en stil, hij rustte, hij sluimerde, hij was moe, doodmoe; hij zou weldra voor goed inslapen.Dat duurde zoo een heele lange poos, in stillend-zachten dof vergeten. Toen kromp zijn aangezicht tot een plooi van smart en ’t kwam hem voor alsof zijn naam werd uitgeroepen. Hij luisterde en trok zijn oogen open.Drommen menschen kwamen weer in ’t dorpje, daar beneden aan den heuvel en in ’t verschiet over de weilanden waren de lichten der regeerende kasteelen bijna allen uitgedoofd. Het feest was afgeloopen en de menschen keerden stommelend en pratend huiswaarts; en nu hoorde hij ook werkelijk en duidelijk zijn naam uitspreken: men zocht hem, zijn moeder liep in angst van huis tot huis, en geen mensch had hem gezien: men begon voor een ongeluk te vreezen.Onder den gruwelgreep der werkelijkheid stond Fonske overeind. Nu moest hij eindelijk wel, nu moest hij weer onder de menschen komen. Hij walgde en sidderde ervan, al het afschuwelijke van zijn lijden stormde even ontembaar weer in hem op; het bruisde in hem tot een opstand; maar meteen wist hij dat hij niet kón ontsnappen; en, op een schreienden kreet van zijn moeder, die als gek den Molenberg kwam opgerend, gaf hij eindelijk antwoord, met een stem zoo droef en schor, dat hij er zelf van schrikte:—Hier ben ik!Een gejaagd geritsel door de blaren, een hijgend geloop langs het paadje en zij stond vóór hem, door een andere vrouw vergezeld.—O, jongen toch! O, jongen toch! al vier uur lank da ’k ou zoeke! Wa schilt er toch! Wa hè-je gij toch gedoan! snikte zij.—’K ben ziek, ’k heb heufpijne, antwoordde hij dof. En meteen herkende hij, in ’t manelicht, de vrouw die met zijn moeder was: Lisatje Van Belleghem.Dat ontroerde hem. Hij vond daar ineens iets heel liefs en zachts in, dat Lisatje zijn moeder vergezeld had. ’t Was als een streelende troost in zijn verdriet en even keek hij ’t meisje dankbaar aan. Zij zag bleek in den maneschijn, met groote, donkere, angstig-starende oogen; en haar ovaal gezichtje leek heel klein onder den zwart-wollen sjaal, dien zij tegen de avondkoelte over haar hoofd geslagen had en met de linker hand onder haar kin dichthield. De angststem van zijn moeder leidde weer zijn aandacht af:—O, jongen, we mienden dat er ou ’n ongeluk overkomen was. Wa schilt er toch?—Heufpijne, ’k voele mij ziek, ’k lag hier ’n beetsen uit te rusten, herhaalde Fons neerslachtig.—Kom mee noar huis, jongen, en eet watte,of legt ou in ou bedde, drong zacht de moeder aan.Weet ge ’t greut nieuws al? Weet ge da mejonkvreiw Elvire mee menier Gaëtan goa treiwen?—Joajik, beet hij schor, kortaf, als in een toornkreet.De beide vrouwen schrikten.—Kom mee, herhaalde zachter zijn moeder.—Och, loat mij hier moar, antwoordde hij ongeduldig.—Och, nien, os ’t ou b’lieft, Fons,.... begon de moeder dadelijk weer te schreien.—Kom, Fons, smeekte nu ook heel zacht, nauwelijks hoorbaar, Lisatje.Hij liet zich meenemen. Zij sloegen den zandigen, kronkelenden karreweg in tusschen het kreupelhout, volop beschenen door de maan. De moeder strompelde voorop. Fons en Lisatje volgden. Zij liepen benauwend-zwijgend, alle drie. De holle weg lag lichtend-blond als zwavel, tusschen het donker der begroeide bermen. Sommige struiken verkronkelden tot vreemd-wanstaltig vormen, als gefolterde wezens die krampachtig de armen en handen wrongen; en hun grillig door elkaar gestengelde, reeds ietwat ontbladerde hoogste twijgen vlochten een donker, sprietig kantwerk op de helle maneschijf. Ondanks zijn groote droefheid voelde Fons het mooi-sereene en stemmigsvolle van den avond.O, wat had hij willen wandelen in zulke nachten, met haar die hem begrijpen kon en liefhad! Hij zuchtte en schudde ’t hoofd.Een zucht, zwak als een echo naast hem, deed hem verwonderd opkijken. Was dat wel Lisatje, die ook in stilte had gezucht? Schuchter keek hij haar van terzijde aan en in den helderen maneglans zag hij strakke tranen blinken in haar lieve oogen.Fons schrikte. ’t Was om hem, hij voelde ’t, dat Lisatje schreide. Zij schreide om hem, zooals hij zelf geschreid had om de jonkvrouw, beiden smachtend naar een ideaal, dat niet bereikt kon worden. Kón het werkelijk niet? Waren zij beiden niet het slachtoffer van een vergissing, waar hij alleen de schuld aan had?Nog eens keek hij Lisatje van terzijde aan, terwijl zij naast elkaar, achter de moeder, ’t maneglanzend pad afdaalden en een diepe, zachte emotie woelde even vol verteedering in hem op.—Lisatje,.... hij prevelde haar naam zoet in zichzelf, Lisatje.... als een liefkoesterend zonnestraaltje, als een troost vol teedere verzoening in zijn verder, pas beginnend leven! Was hij niet al die jaren dom en blind geweest? Had hij niet het echt geluk verwaarloosd om een hersenschim na tejagen? Iets trilde in hem, van angst en van geluk, dat hij bijna de kans verkeken had, maar dat het toch nog niet te laat was. Een frisch geluk van toekomst bloeide eensklaps in de verte voor hem open: wie weet of zij de vrouw niet worden kon die hem tot het hoogste in zijn kunst zoude bezielen; zij de lang en te vergeefs gezochte, ’t eenvoudig, onbedorven buitenmeisje, dat jarenlang, als in stil-nederig bewustzijn van een plicht, gedwee op hem gewacht had?Zij waren aan zijn huisje en ’t speet hem, dat zij er reeds waren. Maar Lisatje kon niet alleen naar huis zoo laat in den avond en zijn moeder zelve zond hem met haar mee.Eerst spraken zij geen enkel woord. ’t Was of ’t verlangde alleen-zijn hem nu plotseling verlamde. Al het andere stormde ook nog even als een woeste deining in hem op. Maar eensklaps nam hij moed en vroeg, heel zacht, met een stem die eventjes hikte:—Lisatje,.... woarveuren hè-je doar geschriemd?Zij gaf geen antwoord. Haar voetjes klonken zenuwachtig-gejaagd in de nachtelijke stilte op de harde keien van den steenweg. ’t Was of ze vluchten wilde.—Wilt ge ’t mij nie zeggen? Zie-je mij nie geirne? vroeg hij eensklaps abrupt.Zij schrikte ervan. Hij zei ineens te veel. Hij zei ineens álles. Het duizelde in haar.—O, Fons, zuchtte zij.Hij nam haar hand. En zijn arm sloeg hij zacht om haar middel.—O, dat er ons iemand moest zien! sidderde zij.Hij sloot haar dicht tegen zich aan, hield haar stil, gaf haar zijn eersten zoen.—Lisatje, ’k zie ou geirne, zuchtte hij.—De jonkvreiwe zie-je geirne, antwoordde zij, zich loswringend.Dat beet hem als een gift; hij liet haar los.—Ge’n meugt da nie zeggen! riep hij barsch.Zij zweeg. Weer liepen zij een poosje sprakeloos naast elkaar, tusschen de eerste huizen. Het bonsde in hem, onstuimig. Hij voelde zich verkleind, vernederd, en wilde groot en sterk zijn. Hij dacht er aan om plotseling weer af te breken, om haar geen blik meer te gunnen.’t Was of ze ’t voelde. Eensklaps nam zij zelve weer zijn hand, heel zacht, heel teeder, legde haar hoofd op zijn schouder en smolt zuchtend weg in tranen.—’K zie ou toch al zeu langegeirne, snikte zij dof.Zij stonden vóór haar ouder’s woning. Er wasnog licht achter de gesloten blinden en boven de deur stond leesbaar als bij klaarlichten dag het opschrift van het uithangbord:Xaveer Van Belleghem,huisschilder en tapissier.Fonske gaf haar een stillen, langen zoen.—Nie schriemen, Lisatje, nie schriemen, suste hij fluisterend. En hij droogde zelf, met zijn zakdoek, haar tranen af.—Wanneer zie ’k ou weere? vroeg ze fluisterend.—Morgen, antwoordde hij op denzelfden toon. O, Lisatje, mijn Lisatje, we goan nou toch alle twieë zeu gelukkig worden. ’K hè ou toch zéúvele te zeggen, veur loater, veur de toekomste.—Watte? vroeg zij, met plotseling opgewekte, vrouwelijke nieuwsgierigheid.—Morgen, zei hij, morgen, nou es ’t te loate.Een gestommel daarbinnen deed hen haastig van elkander scheiden. De portaaldeur ging open en Van Belleghem verscheen op den drempel, breed en zwaar in ’t schijnsel van den lichtkring.—Ha! zij-je doar eindelijk! ’K miende da ge ginder ging blijve sloapen! lachte hij vettig.Fonske wou, ondanks Van Belleghem’s aandringen,niet binnenkomen. Hij wenschte vluchtig goe nacht en haastte zich weg.Hij liep naar huis toe, gejaagd, met groote schreden, zijn gansche wezen overweldigd van emoties. Maar vóór zijn hekje bleef hij even staan, en, na een korte aarzeling, besteeg hij voor de tweede maal, sluipend als een dief, den zandigen Molenberg.Hij kón zoo maar niet dadelijk gaan slapen. Het was tè bruisend-vol in hem; hij moest dat eerst laten bezinken en bedaren.Hij kwam op den top van den heuvel, in de beschermende schaduw van den ouden molen. Een zacht, frisch windje blies er suizelend door de naakte wieken en streelde heerlijk-kalmeerend zijn gespannen hoofd en zijn gloeiende wangen. Wat was ’t daar alles schoon en grootsch in stil-heldere maneklaarte! Wat lag het dorpje kalm-gelukkig daar beneden rond zijn kerkje en hoe sereen wond de rivier haar zilveren slingerlint omheen de sluimerende weilanden!Zijn oogen schitterden en hij strekte de handen uit, als wou hij al die zachte weelde omvatten. Dat alles was van hem, hij voelde ’t ineens als een overheerlijke bron, waaruit hij schatten en wonderen zou putten. Alles wat hij totnogtoe gedaanhad was niets dan zoeken en dwalen van vergissing in vergissing; zijn leven begon pas; zijn leven, zijn rijke, mooie, milde, echte leven lag daar vóór hem open als een tooverwereld, verheerlijkt door ’t geluk der liefde, glanzend en glinsterend als ’t ware van de kunst waarmee hij ’t zou bezielen.Nu was hij man ineens, een fiere, sterke, trotsche man, in vol bewustzijn van zijn kracht en waardigheid. Niets meer was in hem over van het schamel koeiertje van vroeger jaren, en gansch ’t verleden scheen reeds verre weggeweken, als in een vagen droom.Hij keek over de weilanden, en door den grijsachtigen sluier dien het manelicht tusschen de verten spreidde, zag hij de donkere silhouet der twee regeerende kasteelen, die met nog slechts één enkel weifelend lichtje elkander melancholisch schenen aan te kijken. Ook alles wat daar nog zoo kort geleden was gebeurd en hem zoo zwaar doen lijden had, scheen reeds heel verre van hem af te liggen. Zijn geest was er al vreemd geworden; zijn blik kon er zich niet meer aan boeien en zacht kwam hij terug naar ’t nederig huisje onder aan den heuvel, het laag, manegeel huisje met de geslotene, grijsblauwe luiken, waar nu ook LisatjeVan Belleghem van hun zoo lang door hem verwaarloosde geluk te droomen lag.Zoo had het moeten zijn; en zoo was het ook goed, o, zeer goed, na veel strijd en vergissing.Nu mocht het leven beginnen.Einde van het Eerste Levensboek.

Ondertusschen was de lieve lente alweer in aantocht. Langen tijd hadden alleen de lijstertjes gejubeld en gezongen in de nog winternaakte kruinen, maar nu kwamen ook de andere lentevogeltjes en ’t was alsof hun onverpoosd en opwekkend gezang eindelijk de zoo lang sluimerende bloempjes en de blaadjes deed ontwaken. De lage heesters kregen doorschijnend-groene, kanten hemdjes, de lijsterbes bloeide alom op ’t molen-heuveltje in witte, bedwelmend-zoetgeurende trosjes, en plat tegen den groenen grond blonken de blauwe oogen der viooltjes en schitterden de witte kelkjes van de lelietjes-van-dalen, terwijl alom de gele tuilen der bloeiende brem verblindend opvonkten, alsof een reuzenhand, met óvermild gebaar, daar gouden schatten had in ’t rond gestrooid.De zon, die gansche dagen door het blauw uitspansel reisde, ging ’s avonds slapen in een wonderschoonen toovertuin vol wazige oranje glorie, en toen kwam ’t maantje kijken, een beetje blikkerig-kil in zijn rijken, donkerblauwen hof vol twinkelende sterren; en het gezang der nachtegalen galmde onverpoosd, plechtig-verliefd in de heilige stilte.

En Fonske, hoofd en hart vol van de naderende verrassing, waarvan de nachtelijke zangers hem in zijn slapelooze uren als ’t ware de blijde komst aankondigden, wist wel dat het nu niet lang meer duren kon vóór het werkelijkheid zou worden. Reeds waren de regeerende kasteelen uit hun winterslaap ontwaakt; zij keken herlevend naar elkaar uit hun wijd-open ramen en deuren, als blij elkaar weer op hun oude plaats terug te vinden, en in de wei joelden de jolige koewachtertjes hun vrije blijdschap uit te midden van het jonge vee, dat lentedronken na de eindelooze winteropsluiting, eerst al zijn dolle kuren bot moest vieren, vooraleer het, kalm-en-wijs-plichtmatig, met den snoet in ’t malsche groen aan ’t grazen ging.

En op een middag waren zij daar eindelijk ook weer, de twee families, zooals zij elken zomer kwamen, met de vogels en de bloemen, en ’t gansche dorpje was vervuld van die jaarlijks verwachteen toch telkens weer nieuwe gebeurtenis. De wisselende gang van de seizoenen, ’t uitsterven van een jaar en het geboren worden van een nieuw jaar, waren mindere gebeurtenissen in het leven van de dorpelingen dan het jaarlijks gaan en komen der regeerende families; er kwam al dadelijk een andere toon in de gemeenschap; ’t was of een stille sluier alles dempte en wie een tijdlang los en vrij en zonder vrees rechtop geloopen had, keek al gauw weer gedwee naar den grond en ging zijn gangen met dat eigenaardig gangetje, dat aan andere dorpsbewoners, waar geen kasteelen waren, ietwat minachtend-spottend zeggen deed:

“Dat is de gang van Meulegem.”

En hoe Fonske, in zijn vrijere ontwikkeling, daar ook tegen streed, onweerstaanbaar voelde hij, telkens en telkens weer, die benauwende drukking, even sterk als vroeger en als alle andere bewoners.

Zij waren er, en Fonske wachtte, vol schuchtere emotie, wat nu komen zou. Het duurde lang; zij waren er al dagen, al weken, en er gebeurde niets. Zou zij haar belofte, waarop hij den ganschen winter geteerd had,vergeten hebben? Hij had haar reeds een paar maal gezien,—wat was zemooi en groot geworden, een echte jonge dame nu, in ’t vol bewustzijn van haar rijke schoonheid!—hij had haar diep gegroet en ook van haar een vriendelijken groet terug ontvangen, maar dat was alles. Verder ging het leven zijn gewonen gang, met ’t zelfde heen en weer geloop tusschen de twee kasteelen; en Fonske begon gansch te wanhopen, toen hij eindelijk, op een morgen, het zoolang verwacht verzoek ontving, of hij dien middag tegen drie uur op het kasteel wilde komen.

Het sloeg hem van ontroering als een zwakheid in de beenen. De kleur trok van zijn wangen weg, zijn hart klopte geweldig en zijn adem hijgde. Met zwakke stem vroeg hij zijn moeder of zij al zijn beste kleeren wilde uitleggen.

Hij kon in het geheel niets eten. Vruchteloos drong moeder aan, dat hij toch zijn bordje soep zou ledigen: hij moest het half vol laten staan.

Om half drie trok hij ’t weiland in. Hij had een hoog boord, een bonte das, manchetten, een zwart hoedje en verlakte schoenen aan; hij zag er uit als een jong heertje. Hij droeg zelfs een paar bruine handschoenen tusschen zijn vingers en zijn klein, blond snorretje had hij met een ijzer opgekruld. Eerst had hij nog even gedacht er heen te rijden op het heel mooi rijwiel, dathij zich onlangs had aangeschaft; maar na overweging vond hij het te voet toch passender.

De koewachtertjes, die hem zoo deftig door de weide zagen stappen, staakten hun spelletjes om naar hem te komen kijken.

—’t Es Fons, hij goa noar ’t kastiel, fluisterden zij met een soort eerbied.

Maar Fons keek hen nauwelijks aan. Wat was hij dat ontgroeid in al die jaren!

Hij liet zich overzetten bij boerke Floncke, wisselde daar verstrooid een heel kort praatje met de lui en sloeg de deftige kasteellaan in.

Bij het monumentaal ingangshek hield hij even stil om aan den portier te vragen of de jonkvrouw wel op het kasteel was. Hij kreeg een bevestigend hoofdknikje tot antwoord en stapte de bochtige, breede grintlaan, tusschen de bloeiende heesters in.

Zijn hart bonsde geweldig. Hij had moeite om den stijgenden weg te beklimmen. Bij den zwanenvijver, die op ’t vlakke lag, kalmeerde dat eenigszins. ’t Was of de breede vijver, begroeid met waterlelies en de statig-stille zwanen hem die kalmte gaven. Vrij onbevangen schreed hij over de brug en ’t pleintje dat er achter lag, klom op de stoep en belde aan.

Een gegaloneerde lakei kwam de glazen deur openen. Fons werd in de ruime, door planten en bloemen versierde vestibule gebracht en verzocht op een der rieten stoelen plaats te nemen. De lakei verdween langs den breeden trap met zachten looper.

Fons nam eens vluchtig alles op: mooie, geïncrusteerde tafeltjes, hooge, antieke kasten rechts en links, een prachtklok met speelwerk in een hoek. ’t Sloeg juist drie uur en de klok speelde, nobelvoornaam in zwaren toon, als uit een verren beiaardtoren. De hall liep in de gansche breedte der benedenverdieping van bordes tot bordes door en Fonske zag hoe mooi het van daar uit was aan de beide kanten: aan den voorkant de rivier, de weilanden, den heuvel waarop ’t kasteel van den baron stond en het oude molentje; en aan den anderen kant een schitterenden bloementuin, met als achtergrond een majestatisch eikenbosch, hoog en ondoordringbaar als een donkergroene muur.

Binnen in ’t kasteel, in de hoogte van het trappenhuis en achter de gesloten deuren, scheen een voorname stemming te heerschen. Fons hoorde slechts vage, verdoofde geluiden, alsof alles wat er daar gebeurde heel héél verre van hem af lag.’t Scheen wel of wat daar leefde en gebeurde niet tot hem kon komen. Maar ergens boven ging eensklaps een deur open en weer dicht en het kwam Fonske voor of hij gesmoord gestommel en gegichel hoorde.

Hij rees op en keek naar boven.

Hij zag eerst twee en dan nog eens twee voeten langs den looper afdalen. Toen zag hij den onderrand van een donkerblauwen rok en vlak daarnaast twee grijze broekspijpen. Enkele seconden later stond hij vóór jonkvrouw Elvire en meneer Gaëtan, die hem glimlachend te gemoet traden.

Vreemd deed het hem aan toen hij ze zoo samen vóór zich zag. ’t Was hem te moede alsof er iets gebeurde wat niet mocht. Het was alsof zij hem bedrogen hadden zonder hem te waarschuwen. En hij schrikte, hij schrikte geweldig en voelde ’t in zijn binnenste ijskil worden, toen hij merkte, dat zij hand in hand beneden kwamen. Jonkvrouw Elvire, trouwens, maakte de hare dadelijk los en stak die met haar vriendelijksten glimlach naar Fonske toe, zeggend:

—Dag menier Alfons. Hoe goat ’t mee u?

—Heel goed, mejonkvreiwe, merci, antwoordde Fonske bevend; en hij kreeg ook de hand van meneer Gaëtan, die hem met zijn gewonen, donkeren,sardonischen grijnslach begroette. Toen keken zij elkander aan en er was eventjes een oogenblik als van gegeneerde stilte.

De jonkvrouw en meneer Gaëtan wisselden een blik en ’t was de eerste, die met eenige inspanning begon:

—Menier Alfons,....

Maar zij bleef stokken, en iets van onuitsprekelijke teederheid en vrouwelijke gratie, kwam als een schuchterheid zacht over haar, en deed haar wangen kleuren. ’t Was week en teeder als de liefdesglimlach van een overwonnen vrouw, die zich wil geven, en zij keek Fonske aan met oogen, die als ’t ware om verontschuldiging vroegen, terwijl een kort, zwak lachje van haar mooie lippen gleed.

—Meneer Alfons, hernam zij eindelijk, haar bedeesdheid overwinnend,of da ge ’t gij nu weet of morgen, dat es ’t zelfde: meneer Gaëtan en ik goan samen treiwen en meneer Gaëtan komt hier op ’t kasteel inweunen. We willen onz’ appartementen deur u loaten decoreeren en dàt es de surprise, woar da ’k u verleden joar van gesproken hè. Wilt-e gij ne keer mee ons meekomen; we zullen u de koamers loate zien?

Fons wist zich bijna goed te houden. Evenduizelde ’t zóó overweldigend vóór zijn oogen, dat hij niets meer zag, noch hoorde, noch voelde; maar ’t oogenblik daarna werd hij als ’t ware wakker en zag ze schemerig vóór zich staan, hand in hand, zij met haar zachten, lieven glimlach, hij met zijn donkeren, sardonischen grijnslach en beiden naar hem starend, op zijn antwoord wachtend.

—Dat ’n hét-e zeker nie gepeisd, hè? vroeg nog de jonkvrouw, met iets gelukzalig-triomfeerends in haar toon en houding.

En Fonske had den moed te antwoorden:

—Nien ik, mejonkvreiwe, dàt ’n he ’k zeker nie gepeisd. Proficiat, mejonkvreiwe. Proficiat, menier Gaëtan.

—Merci, glimlachten zij beiden. En de jonkvrouw, reeds naar de trap omgekeerd:

—Wilt-e nou moar meekomen, meneer Alfons?

—Joajik, mejonkvreiwe, antwoordde Fonske toonloos, de verloofden volgend.

—Il a l’air un peu maboul, ton protégé, grinnikte halfluid meneer Gaëtan onder het trappen-klimmen.

—Tais-toi, fluisterde zij, kleurend,il comprend le français.

Fonske beet zich op de lippen en een bloedgulp golfde naar zijn aangezicht. Hij had wel niet precies begrepen, maar toch genoeg om te gissenwaarover ze ’t hadden. O, kon hij nu maar wegvluchten; kon hij nu maar ergens alleen zijn om zijn droefheid en ellende hardop uit te snikken! Maar hij moest mee, als een slachtoffer: hij strompelde de treden op, de gangen door, de kamers in en uit.

De jonkvrouw expliceerde hem wat zij verlangde: hier, in dit vertrek, dat hun slaapkamer zou zijn, alles pervenche en wit. Deuren en kasten ivoor, met een pervenche biesje, en diezelfde kleur als rand onder ’t plafond en als plint boven den vloer. Dat zou dus alles zeer eenvoudig zijn, maar in haar boudoirtje daarnaast wenschte zij wandschilderingen van hem. Zij verlangde er twee: tegen den linkermuur het panorama van rivier en weiland, met den molenheuvel, het dorpje en het kasteel van den baron als achtergrond; en, aan den rechterwand, juist het tegenovergestelde panorama: ook weer de weilanden en de rivier, maar met den anderen heuvel en het kasteel van haar ouders tot achtergrond. Zag meneer Alfons wel kans om dat heel mooi te maken?

Fons knikte, wezenloos. Ja, hij zou het wel kunnen maken, wanneer men hem althans den tijd daarvoor liet. Hij vroeg met heesche stem of er ook koeien in het weiland moesten loopen; en de jonkvrouwantwoordde dat zij daar juist bizonder op gesteld was: jawel, koeien, veel koeien, en ook koewachtertjes, zooals hij vroeger zelf daar liep, glimlachte zij.

Fonske sidderde. Weer steeg een bloedgolf naar zijn wangen, maar zij merkten ’t niet, namen hem mee door de gang, naar het vertrek, dat meneer Gaëtan’s werkkamer en fumoir zou worden. En ook meneer Gaëtan verlangde muurschilderingen, maar geheel andere dan jonkvrouw Elvire.

—Ge weet wel, meneer Alfons, sprak hij eenigszins uit de hoogte, ik ’n ben niet veur die geweldige couleuren gelijk mejonkvreiwe. Mijn koamer wordt in ’t iekenheit gesteken en ik zoe geern ’n beetsen donkere schilderijen hén. Gien bleiwe beumen en gien lileiwe koeien veur mij. Zoe-de gij keunen ’n wilde-zwijnenjacht schilderen?

—’K peis ’t toch wel, menier Gaëtan.

—En nen automobiel?

—Euk wel, menier Gaëtan.

—Mais, Gaëtan, est-ce que tu ne vas pas regretter ça?vroeg zij, zacht-afkeurend.

—Mais non, ma chère, tu sais bien ce que j’aime, antwoordde hij, even ongeduldig wenkbrauwfronsend, alsof daarover reeds meer tusschen hen gedebatteerd was. En dan weer tot Fons, opden toon waarmee hij een schotel in een restaurant zou bestellen:

—Hawèl, menier Alfons, veur mij op deze muur ’n wildezwijnenjacht ne woar? in nen donkeren bosch mee veel kreupelheit en dikke, bruine beumstammen; en, op den anderen muur mijnen automobiel, mee ik aan de volant en de chauffeur nevens mij, binst da we de dreve van ’t kastiel oprijen. Hedde ’t goe verstoan?

—Joajik, menier Gaëtan, antwoordde Fonske toonloos.

Zij gingen even bij een raam staan, schenen daar iets zeer gewichtigs onder elkaar te fluisteren, terwijl Fons een oogenblikje midden in ’t vertrek alleen bleef. De jonkvrouw kleurde, met een uitdrukking als van spijt en bedeesdheid op haar lief gezicht; en ’t was ten slotte ook meneer Gaëtan, die weer naar Fonske toe kwam en hem vroeg:

—Enne.... en.... de prijs, menier Alfons, keunt-e gij ons à peu près zeggen hoevele dat dat al te goare moe kosten?

Fons rechtte, als in plotselingen trots, zijn nederige gestalte op. Als een zoete wraak lag het hem op de tong om uit te roepen, dat hij het hier alles gratis gaf. Maar hij durfde niet, uit liefde en eerbied voor de jonkvrouw. Toch was het op eentoon, die hem even in zijn eigen achting weer verhief, dat hij kon antwoorden:

—O, menier Gaëtan, mejonkvreiw Elvire hè vroeger zeuvele veur mij gedoan dat ’t alles goed es ’t gien da ge mij wil geven, en al gaaft ge mij zelfs hoegenaamd niets, dat ’t eug nog goed zoe zijn.

—Vois-tu bien! zei ’t meisje zacht tot haar verloofde; en zij keek Fonske minzaam, met een soort verteedering aan.

Fons dankte haar met een ontroerden blik. Voor een seconde voelde hij zich haar gelijke. Zij had gegeven, hij gaf terug; hij kende ineens, ofschoon in bitterheid en smart, zijn waardigheid als mensch. Krampachtig wilde hij dàt althans vasthouden. Maar hoe kon hij! Het was een illusie, een glimpje in de duisternis, en meer niet. Zijn antwoord had hen tevreden gesteld, en, omdat zij tevreden waren, hadden zij ook geen behoefte verder in die richting door te gaan. De maatschappelijke kloof, die even tusschen hen was overbrugd geweest, lag alweer gapend open; en eensklaps voelde Fonske zich alleen staan, terwijl hij zich nog bij hen waande. Hun houding, hun laatste woorden, hun glimlach, hun beleefdheid zelve, alles zei hem óverduidelijk dat het onderhoud geëindigd was en hij nu heen mocht gaan. Niets begrepen zij van zijn lijden ensmachtend verlangen; zijzelve, die zoo lief en aardig voor hem was, begreep ook in de verste verte niet dat hij één enkel oogenblik gelukkig was geweest en dat eenig moment met schrijnende hartstocht in zich wilde vasthouden; zij knikte en glimlachte hem banaal-vriendelijk toe, nog eens herhalend dat hij tijdig bericht zou ontvangen wanneer hij met het werk mocht beginnen; en eerst toen zij ten slotte zelve met haar aanstaande naar een deur week, begreep Fonske, dat het afgeloopen was en dat hij gaan kon.

Hij ging, de beenen flauw, het hoofd gebukt, als een slaapwandelaar in een naren droom. De zon daalde naar ’t westen in oranje glorie en wierp in lange, dwarsche schim zijn droeve schaduw over ’t gouden-groene gras wijd vóór hem uit. De lustige koewachtertjes, die reeds hun kudden samendreven, kwamen weer naar hem toegeloopen, om hem nu ook bij zijn terugkomst van ’t kasteel nieuwsgierig te bekijken. En Fonske wenschte in zichzelf, dat hij ook nooit anders dan koewachter en veldarbeider was geworden. Al zijn makkertjes van vroeger: Feelke Brouwers, Rietje Koarelkes, Mielke Katoor, Dolfke van de Wiele, waar hij reeds maatschappelijk zooverre boven stond, lekenhem nu allen toch zoo oneindig veel gelukkiger dan hijzelf was. Die dachten niet aan kasteeljonkvrouwen, die kenden geen andere ambitie dan door hun dagelijkschen arbeid aan den dagelijkschen kost te komen en waren gelukkig met de meisjes van hun stand, met Mietje Pruime, met Emeranske Casteel, met Elodie Vermaele en Pharaïlde Van Rompu.

Wat zouden ze gebulderd hebben van het spotlachen, als ze ook maar eventjes vermoed hadden, dat Fons verliefd was op de jonkvrouw van ’t kasteel en dat hij ongelukkig was omdat ze met een ander trouwde!

Toen Fons over het water en al spoedig weer in ’t dorpje was, voelde hij een onoverkomelijken afkeer om naar huis te gaan. ’t Idee dat hij gewoonweg met zijn moeder nu zou moeten praten, dat zij hem zou uitvragen over zijn bezoek in het kasteel, of dat ze zijn onsteltenis zou merken en naar de oorzaak daarvan vorschen, ’t was hem alles zóó onuitstaanbaar, dat hij maar dadelijk besloot vooreerst nog niet naar huis te gaan en liever in zijn eenzaamheid om ’t even waar te dwalen.

Hij liep achter het kerkje om en sloeg een zandweg in, die naar de bosschen leidde. Weldra was hij in ’t midden van de dennenwouden. De naglansvan de zon, die nu gansch onder was, brandde nog in het verschiet met een dofrooden gloed tusschen de verre stammen en reeds spanden de lichtschommelende kruinen, die soms zuchtten onder een nauw-voelbaar briesje, zich tot een ondoordringbaar-somber nachtgewelf ineen. Die somberheid en stilte kalmeerden even ’t heftige van Fonske’s lijden. Een bittere weemoed kwam in hem op, en daar, in de heimvolle eenzaamheid, ontlastte hij zijn smart in tranen. O, wat voelde hij zich week, en zwak, en klein, tegenover de gebeurtenis die daar nu voor hem oprees als een muur, als een rots, als een onoverkomelijke almacht! Wat was hij gek en dom geweest; wat had hij zich onnoozel laten beetnemen door het ellendig gepraat en gezwets van zijn twee steedsche vrienden, die hem de ongerijmdste en onmogelijkste der hersenschimmen als een bereikbare werkelijkheid hadden voor oogen getooverd! Ellendelingen waren zij, en ellendeling was hij zelf, die ooit zoo iets onzinnigs als ernst had kunnen opnemen! Het arm koewachtertje van vroeger, dat was hij en dat bleef hij, en nooit, wat er ook gebeurde, kon het anders worden. Waarom had hij zelfs ooit geprobeerd om te schilderen? Waarom had ze zich ooit met hem bemoeid en getracht in hem een ambitie te ontwikkelen,die toch fataal op een mislukking moest uitloopen? Want mislukt was hij, dat voelde hij eerst nu, definitief, in al zijn schrijnende wreedheid. Dàt wat hij ook eens, tijdens een bezoek in het museum van oude schilderijen vóór het werk der groote meesters zoo scherp gevoeld had: zijn eigen onmacht, zijn eigen onvolmaaktheid, het vlijmend besef van alles wat hem nog, op zoo velerlei gebied, ontbrak, den afgrond, onoverschrijdbaar, die hem van die genieën scheidde; hij voelde ’t nu nog oneindig veel scherper, hij voelde ’t in zich als de ijzig-koude dood van al wat in hem groot en schoon en sterk was, omdat hem eensklaps ’t eenige ontnomen werd, de grondslag, de basis, de lavende, heerlijke, opbeurende en hartstochtwekkende bron: de liefde, waaruit alles voort moest spruiten. Nu kon hij eensklaps niets meer, alles wat hij ooit beproefd had was mislukt, in verloren tijd en moeite; en die gedachte was het droevigste van alles: het deed hem plotseling in wanhoop vluchten, met walg en afschuw voor zichzelf, bijna als een misdadiger.

Hij verliet de benauwde stilte der bosschen, kwam weer in ’t open veld, dwaalde daar doelloos rond, nauwelijks wetend waar hij liep.

De maan kwam op, groot, rond, dof-oranje overhet zwartgroen der bosschen, als een zeldzaam wezen vol nieuwsgierigheid en droefheid, die met verlegen aangezicht schuchter komt kijken. Haar stille komst was in weemoedige harmonie met Fonske’s lijden, en hij ging met haar mee als ’t ware, stil loopend langs de stille wegen, waar nu haar twijfellicht zijn vage schaduw wierp.

Zoo kwam hij langs een grooten omweg bij het dorpje weer. Hij was er vóór hij ’t bewust werd, en schrikte dat hij er reeds was.

Neen, niet weer naar huis nu, ondanks zijn moeder die wellicht vol angst op hem te wachten zat. Hij kòn niet, hij zou er gek geworden zijn, hij zou er hardop zijn lijden hebben uitgesnikt. Hij keerde zich om en besteeg machinaal den Molenberg, in wanhoop stug-besloten daar ergens onder den molen of tusschen de heesters den nacht door te brengen.

Hijgend en afgemat kwam hij door ’t kreupelhout langs steile kronkelpaadjes op den zandigen top. Hij zonk er zuchtend neer in ’t heidekruid en sloot een lange wijl zijn moede oogen. Iets dofs kwam over hem, alsof hij droevig in zou sluimeren. Maar zijn geest werkte, zijn lijden werkte en weer gingen zijn oogen triestig open.

Daar lag vóór hem, en onder hem, de nuchterewerkelijkheid. De maan was hoog en hel gerezen in den somberblauwen, tintelenden sterrenhemel en haar koud, blank licht bescheen het nederig dorpje met hier en daar een schamel lichtje achter de gesloten luiken, en, sterk en trotsch, elk op zijn heuvel, de twee machtige, regeerende kasteelen, helder en als ’t ware feestelijk glanzend door al hun verlichte ramen, die elkaar over de wijde vlakte der weilanden heen jubelend schenen toe te lachen.

Ja, zij jubelden en lachten! Zij glinsterden en tintelden elkander van verre victorieus te gemoet, om feest te vieren over de gelukkige gebeurtenis, die morgen algemeen bekend zou zijn!

Fonske klauwde zijn beide handen in den grond waarop hij zat. Zijn geest verslond den afstand, zijn oogen drongen in de rijke zalen, hij zag de jonkvrouw, zoo wonderlief en schoon, in de armen van haar verloofde. Hij haatte hem, had hem kunnen slaan, hem van haar kunnen wegrukken. Hij zag zijn donkeren, sardonischen lach, zijn zegelach van wreedheid en van valschheid en ’t schreeuwde in hem op als tegen een wandaad, die niet mocht gebeuren.

Maar plots was ’t of hij door een slag werd overeind gezweept. Ginds verre, bij ’t grafelijk kasteel,was in den nacht een vuurpijl opgegaan, die hoog in de lucht tot een veelkleurigen lichttuil openbloeide, en een schot knalde, door het gesmoord, lang-aangehouden “aaah!” eener onzichtbare menigte begroet. Fonske begreep, dat nu reeds de verloving bekend was en gevierd werd; en, terwijl nog meer vuurpijlen in de hoogte openknalden, vlogen in het stille dorp de deuren open, kwamen de menschen opgewonden in de straat en holden joelend naar ’t kasteel toe. In enkele oogenblikken waren de huizen leeg en weer zonk Fonske in zijn heibed op den zandheuvel, onder den ouden, houten molen, die als beschermend het geraamte van zijn breed-gekruiste, naakte wieken over hem uitspreidde, neer.

Nu mocht hij wel hardop zijn leed uitsnikken als hij wilde: geen mensch meer zou hem hooren. Hij voelde zich verlaten alsof hij gansch alleen was op de wereld; en in die absolute eenzaamheid koesterde hij een soort bittere troost: de triestige berusting van hem wien geen geluk meer wacht op aarde. Hij was negentien jaar oud en voelde in zich de ontgoochelde levensmoeheid van een grijsaard. Niets leek hem meer de moeite waard, alles scheen hem nu voor altijd uitgebloeid en dood; hij voelde zich zoo oud en afgeleefdals het geraamte van den molen die al zooveel ervaren had en in bespiegelende onverschilligheid ook dit schouwspel nog bijwoonde. ’t Was als een óveroude, grijze wijsaard, die daar stond; hij scheen te droomen in sereene rust, zoo eindeloos hoog en verre boven alles wat daarginds gebeurde; en de glinsterende sterren, die zich in den donkerblauwen hemel, door zijn naakte wieken spijkerden, waren als zoovele, tot flonkerend juweel versteende tranen van lang-verleden en vergane wee.

En in de groote rust, die van dat wonder wezen uitging, kwam ook in Fons weldra een trieste stilling van gelatenheid. Hij hoorde nog slechts ais in een droom de verre hoezee-kreten en ’t geknal der schoten; de jubelende lichtgloed der regeerende kasteelen week al verder en al verder van hem weg; en hij had slechts één smachtend verlangen meer: daar nu in zijn volle eenzaamheid op den heuvel in te slapen en er nooit meer te ontwaken.

Zijn oogen vielen dicht en de tranen die heel zacht tusschen zijn dichte wimpers vloden, deden nu geen pijn meer. Niets meer deed pijn, alles was dof en stil, hij rustte, hij sluimerde, hij was moe, doodmoe; hij zou weldra voor goed inslapen.

Dat duurde zoo een heele lange poos, in stillend-zachten dof vergeten. Toen kromp zijn aangezicht tot een plooi van smart en ’t kwam hem voor alsof zijn naam werd uitgeroepen. Hij luisterde en trok zijn oogen open.

Drommen menschen kwamen weer in ’t dorpje, daar beneden aan den heuvel en in ’t verschiet over de weilanden waren de lichten der regeerende kasteelen bijna allen uitgedoofd. Het feest was afgeloopen en de menschen keerden stommelend en pratend huiswaarts; en nu hoorde hij ook werkelijk en duidelijk zijn naam uitspreken: men zocht hem, zijn moeder liep in angst van huis tot huis, en geen mensch had hem gezien: men begon voor een ongeluk te vreezen.

Onder den gruwelgreep der werkelijkheid stond Fonske overeind. Nu moest hij eindelijk wel, nu moest hij weer onder de menschen komen. Hij walgde en sidderde ervan, al het afschuwelijke van zijn lijden stormde even ontembaar weer in hem op; het bruisde in hem tot een opstand; maar meteen wist hij dat hij niet kón ontsnappen; en, op een schreienden kreet van zijn moeder, die als gek den Molenberg kwam opgerend, gaf hij eindelijk antwoord, met een stem zoo droef en schor, dat hij er zelf van schrikte:

—Hier ben ik!

Een gejaagd geritsel door de blaren, een hijgend geloop langs het paadje en zij stond vóór hem, door een andere vrouw vergezeld.

—O, jongen toch! O, jongen toch! al vier uur lank da ’k ou zoeke! Wa schilt er toch! Wa hè-je gij toch gedoan! snikte zij.

—’K ben ziek, ’k heb heufpijne, antwoordde hij dof. En meteen herkende hij, in ’t manelicht, de vrouw die met zijn moeder was: Lisatje Van Belleghem.

Dat ontroerde hem. Hij vond daar ineens iets heel liefs en zachts in, dat Lisatje zijn moeder vergezeld had. ’t Was als een streelende troost in zijn verdriet en even keek hij ’t meisje dankbaar aan. Zij zag bleek in den maneschijn, met groote, donkere, angstig-starende oogen; en haar ovaal gezichtje leek heel klein onder den zwart-wollen sjaal, dien zij tegen de avondkoelte over haar hoofd geslagen had en met de linker hand onder haar kin dichthield. De angststem van zijn moeder leidde weer zijn aandacht af:

—O, jongen, we mienden dat er ou ’n ongeluk overkomen was. Wa schilt er toch?

—Heufpijne, ’k voele mij ziek, ’k lag hier ’n beetsen uit te rusten, herhaalde Fons neerslachtig.

—Kom mee noar huis, jongen, en eet watte,of legt ou in ou bedde, drong zacht de moeder aan.Weet ge ’t greut nieuws al? Weet ge da mejonkvreiw Elvire mee menier Gaëtan goa treiwen?

—Joajik, beet hij schor, kortaf, als in een toornkreet.

De beide vrouwen schrikten.

—Kom mee, herhaalde zachter zijn moeder.

—Och, loat mij hier moar, antwoordde hij ongeduldig.

—Och, nien, os ’t ou b’lieft, Fons,.... begon de moeder dadelijk weer te schreien.

—Kom, Fons, smeekte nu ook heel zacht, nauwelijks hoorbaar, Lisatje.

Hij liet zich meenemen. Zij sloegen den zandigen, kronkelenden karreweg in tusschen het kreupelhout, volop beschenen door de maan. De moeder strompelde voorop. Fons en Lisatje volgden. Zij liepen benauwend-zwijgend, alle drie. De holle weg lag lichtend-blond als zwavel, tusschen het donker der begroeide bermen. Sommige struiken verkronkelden tot vreemd-wanstaltig vormen, als gefolterde wezens die krampachtig de armen en handen wrongen; en hun grillig door elkaar gestengelde, reeds ietwat ontbladerde hoogste twijgen vlochten een donker, sprietig kantwerk op de helle maneschijf. Ondanks zijn groote droefheid voelde Fons het mooi-sereene en stemmigsvolle van den avond.

O, wat had hij willen wandelen in zulke nachten, met haar die hem begrijpen kon en liefhad! Hij zuchtte en schudde ’t hoofd.

Een zucht, zwak als een echo naast hem, deed hem verwonderd opkijken. Was dat wel Lisatje, die ook in stilte had gezucht? Schuchter keek hij haar van terzijde aan en in den helderen maneglans zag hij strakke tranen blinken in haar lieve oogen.

Fons schrikte. ’t Was om hem, hij voelde ’t, dat Lisatje schreide. Zij schreide om hem, zooals hij zelf geschreid had om de jonkvrouw, beiden smachtend naar een ideaal, dat niet bereikt kon worden. Kón het werkelijk niet? Waren zij beiden niet het slachtoffer van een vergissing, waar hij alleen de schuld aan had?

Nog eens keek hij Lisatje van terzijde aan, terwijl zij naast elkaar, achter de moeder, ’t maneglanzend pad afdaalden en een diepe, zachte emotie woelde even vol verteedering in hem op.

—Lisatje,.... hij prevelde haar naam zoet in zichzelf, Lisatje.... als een liefkoesterend zonnestraaltje, als een troost vol teedere verzoening in zijn verder, pas beginnend leven! Was hij niet al die jaren dom en blind geweest? Had hij niet het echt geluk verwaarloosd om een hersenschim na tejagen? Iets trilde in hem, van angst en van geluk, dat hij bijna de kans verkeken had, maar dat het toch nog niet te laat was. Een frisch geluk van toekomst bloeide eensklaps in de verte voor hem open: wie weet of zij de vrouw niet worden kon die hem tot het hoogste in zijn kunst zoude bezielen; zij de lang en te vergeefs gezochte, ’t eenvoudig, onbedorven buitenmeisje, dat jarenlang, als in stil-nederig bewustzijn van een plicht, gedwee op hem gewacht had?

Zij waren aan zijn huisje en ’t speet hem, dat zij er reeds waren. Maar Lisatje kon niet alleen naar huis zoo laat in den avond en zijn moeder zelve zond hem met haar mee.

Eerst spraken zij geen enkel woord. ’t Was of ’t verlangde alleen-zijn hem nu plotseling verlamde. Al het andere stormde ook nog even als een woeste deining in hem op. Maar eensklaps nam hij moed en vroeg, heel zacht, met een stem die eventjes hikte:

—Lisatje,.... woarveuren hè-je doar geschriemd?

Zij gaf geen antwoord. Haar voetjes klonken zenuwachtig-gejaagd in de nachtelijke stilte op de harde keien van den steenweg. ’t Was of ze vluchten wilde.

—Wilt ge ’t mij nie zeggen? Zie-je mij nie geirne? vroeg hij eensklaps abrupt.

Zij schrikte ervan. Hij zei ineens te veel. Hij zei ineens álles. Het duizelde in haar.

—O, Fons, zuchtte zij.

Hij nam haar hand. En zijn arm sloeg hij zacht om haar middel.

—O, dat er ons iemand moest zien! sidderde zij.

Hij sloot haar dicht tegen zich aan, hield haar stil, gaf haar zijn eersten zoen.

—Lisatje, ’k zie ou geirne, zuchtte hij.

—De jonkvreiwe zie-je geirne, antwoordde zij, zich loswringend.

Dat beet hem als een gift; hij liet haar los.

—Ge’n meugt da nie zeggen! riep hij barsch.

Zij zweeg. Weer liepen zij een poosje sprakeloos naast elkaar, tusschen de eerste huizen. Het bonsde in hem, onstuimig. Hij voelde zich verkleind, vernederd, en wilde groot en sterk zijn. Hij dacht er aan om plotseling weer af te breken, om haar geen blik meer te gunnen.

’t Was of ze ’t voelde. Eensklaps nam zij zelve weer zijn hand, heel zacht, heel teeder, legde haar hoofd op zijn schouder en smolt zuchtend weg in tranen.

—’K zie ou toch al zeu langegeirne, snikte zij dof.

Zij stonden vóór haar ouder’s woning. Er wasnog licht achter de gesloten blinden en boven de deur stond leesbaar als bij klaarlichten dag het opschrift van het uithangbord:

Xaveer Van Belleghem,huisschilder en tapissier.

Xaveer Van Belleghem,huisschilder en tapissier.

Fonske gaf haar een stillen, langen zoen.

—Nie schriemen, Lisatje, nie schriemen, suste hij fluisterend. En hij droogde zelf, met zijn zakdoek, haar tranen af.

—Wanneer zie ’k ou weere? vroeg ze fluisterend.

—Morgen, antwoordde hij op denzelfden toon. O, Lisatje, mijn Lisatje, we goan nou toch alle twieë zeu gelukkig worden. ’K hè ou toch zéúvele te zeggen, veur loater, veur de toekomste.

—Watte? vroeg zij, met plotseling opgewekte, vrouwelijke nieuwsgierigheid.

—Morgen, zei hij, morgen, nou es ’t te loate.

Een gestommel daarbinnen deed hen haastig van elkander scheiden. De portaaldeur ging open en Van Belleghem verscheen op den drempel, breed en zwaar in ’t schijnsel van den lichtkring.

—Ha! zij-je doar eindelijk! ’K miende da ge ginder ging blijve sloapen! lachte hij vettig.

Fonske wou, ondanks Van Belleghem’s aandringen,niet binnenkomen. Hij wenschte vluchtig goe nacht en haastte zich weg.

Hij liep naar huis toe, gejaagd, met groote schreden, zijn gansche wezen overweldigd van emoties. Maar vóór zijn hekje bleef hij even staan, en, na een korte aarzeling, besteeg hij voor de tweede maal, sluipend als een dief, den zandigen Molenberg.

Hij kón zoo maar niet dadelijk gaan slapen. Het was tè bruisend-vol in hem; hij moest dat eerst laten bezinken en bedaren.

Hij kwam op den top van den heuvel, in de beschermende schaduw van den ouden molen. Een zacht, frisch windje blies er suizelend door de naakte wieken en streelde heerlijk-kalmeerend zijn gespannen hoofd en zijn gloeiende wangen. Wat was ’t daar alles schoon en grootsch in stil-heldere maneklaarte! Wat lag het dorpje kalm-gelukkig daar beneden rond zijn kerkje en hoe sereen wond de rivier haar zilveren slingerlint omheen de sluimerende weilanden!

Zijn oogen schitterden en hij strekte de handen uit, als wou hij al die zachte weelde omvatten. Dat alles was van hem, hij voelde ’t ineens als een overheerlijke bron, waaruit hij schatten en wonderen zou putten. Alles wat hij totnogtoe gedaanhad was niets dan zoeken en dwalen van vergissing in vergissing; zijn leven begon pas; zijn leven, zijn rijke, mooie, milde, echte leven lag daar vóór hem open als een tooverwereld, verheerlijkt door ’t geluk der liefde, glanzend en glinsterend als ’t ware van de kunst waarmee hij ’t zou bezielen.

Nu was hij man ineens, een fiere, sterke, trotsche man, in vol bewustzijn van zijn kracht en waardigheid. Niets meer was in hem over van het schamel koeiertje van vroeger jaren, en gansch ’t verleden scheen reeds verre weggeweken, als in een vagen droom.

Hij keek over de weilanden, en door den grijsachtigen sluier dien het manelicht tusschen de verten spreidde, zag hij de donkere silhouet der twee regeerende kasteelen, die met nog slechts één enkel weifelend lichtje elkander melancholisch schenen aan te kijken. Ook alles wat daar nog zoo kort geleden was gebeurd en hem zoo zwaar doen lijden had, scheen reeds heel verre van hem af te liggen. Zijn geest was er al vreemd geworden; zijn blik kon er zich niet meer aan boeien en zacht kwam hij terug naar ’t nederig huisje onder aan den heuvel, het laag, manegeel huisje met de geslotene, grijsblauwe luiken, waar nu ook LisatjeVan Belleghem van hun zoo lang door hem verwaarloosde geluk te droomen lag.

Zoo had het moeten zijn; en zoo was het ook goed, o, zeer goed, na veel strijd en vergissing.

Nu mocht het leven beginnen.

Einde van het Eerste Levensboek.


Back to IndexNext