uw u liefhebbenden oud-leeraar,R. J. W. RUDOLPH.Heidelberg, 20 Januari 1914.Geliefde gemeente!Kwam mijn voorgaand schrijven te laat voor de Kerkbode, waarschijnlijk geschiedde dit door vertraging van de post. Ter voorkoming van dergelijke ongevallen zend ik mijn brieven voortaan zoo mogelijk een dag vroeger af, en doe dit reeds met dezen, die dan tegelijk met mijn voorgaanden kan worden geplaatst.Trouwens deze brief is een vervolg op den voorafgaanden.Ik had reeds beloofd iets te zullen schrijven over de zendingspreek, die ik 11 Januari in de kapel van 't Diaconessenhuis alhier mocht hooren.Die Zondag was door de kerkelijke overheid der gansche Badensche landskerk tot eenZendingsdag bestemd.Ds.Kammerer, de pastor van 't Diaconessenhuis, nam tot tekst Matth. 24: 14: „En dit Evangelie des Koninkrijks zal in de geheele wereld gepredikt worden tot een getuigenis allen volken; en dan zal het einde komen.”Hij begon met de opmerking, dat ook in Duitschland de tijden zeer zijn veranderd. In 1848 was in 't naburige Hessen alle openbare arbeid voor de Zending streng verboden. Verbeeldt u! Thans wordt vanwege de kerkelijke overheid in Baden een algemeene Zendingsdag uitgeschreven.Zóó gaat 't goed! Zoo komen we op den rechten weg!Niemand minder dan de Heiland zelf zegt: „En dit Evangelie des Koninkrijkszalin de geheele wereld gepredikt worden.” Nòg staat Hij alleen. Maar Hij spreekt toch als Koning van 't Godsrijk. Zooals Hij zeide is 't geschied, en moet 't verder geschieden.Doch nu taste men niet mis in 't eigenlijke wezen van den Zendingsarbeid.Is 't Zendingswerk het brengen der Christelijke cultuur?Bestaat 't in de bevordering van het schoolonderwijs onder de onbeschaafde volken?Moet 't bovenal gericht zijn op de wegneming van sociale misstanden en de verbetering van 't maatschappelijk leven onder de heidenen?Dit alles is bijzaak, bijwerk, of ook vrucht der Zending.Het eigenlijke wezen van het werk der Zending is 't niet.De eigenlijke hoofdzaak van 't Zendingswerk is de prediking van het Evangelie des Koninkrijks. Vandaar en daardoor alleen wordt de eenige troost voor leven en sterven onder de volken verkondigd.En wat moet men zich als hoofddoel voorstellen van het Zendingswerk?Dat heel de heidensche maatschappij gekerstend worde?Het ware heerlijk, wanneer dit doel bereikt werd.Maar stellen we ons deze illusie niet voor.Hoofddoel is, dat 't Evangeliehun tot een getuigenisonder de volken wordt gepredikt.De één neemt 't Evangelie aan. De ander verwerpt 't. Christus is ook tot een oordeel in de wereld gekomen.De strijd tusschen vrouwen- en slangenzaad blijft tot den jongsten dag.En wanneer het Evangelie over de heele wereld gepredikt wordt, en over heel de wereld die twee tegenover elkander staan, dan zal 't einde zijn.Het zendingswerk is dus geen bijzaak, maar hoofdzaak. Het staat in onmiddellijk verband met Christus' wederkomst.Wij danken dan ook den Heere, dat wij ons met 't Zendingswerk weder in goede richting bewegen.Ge begrijpt, geliefden, dat ik de prediking met hartelijke instemming heb aangehoord.Ge begrijpt ook, dat ik de mededeeling omtrent devroegere Duitsche toestanden op Zendingsgebied met eenige verbazing vernam.Bij eenig nadenken is evenwel mijn verwondering verdwenen.Was 't vroeger bij ons ook niet ongeveer alzoo?Neen, er was geen verbod om zendingswerk te doen. Maar men liet 't over aan zendingsvrienden, en beschouwde 't een liefhebberijzaak van deze menschen.Tot voor korten tijd stonden we precies evenzoo tegenover den evangelisatiearbeid. Wat is in onze dagen meer noodig dan 't zendingswerk in onze naaste omgeving? Toch werd deze plicht door de Kerk nog slechts weinig gevoeld.En in werkelijkheid staan de meesten nog zoo tegenover den arbeid, dien ik in des Heeren Naam en kracht ondernam, den arbeid onder voogdij- en regeeringskinderen, onder zwervers, ontslagen gevangenen en drankzuchtigen. Men vindt 't wel goed, dat ook die arbeid wordt aangevat; maar men voelt er niet veel voor. En ziedaar juist 't gebrek! Voor zulk werk moet worden gevoeld, anders kan 't niet slagen; want er is reuzeninspanning voor noodig om het te volbrengen. Van alle zijden moet hulp in voorbede en geldelijke bijdrage, worden geboden; anders komt 't niet tot stand.En wie maar even nadenkt, zal dadelijk moeten toestemmen, dat geen werk meer noodig is dan dit werk. Er is een werk, dat bij voorkeur den naam draagt vanChristelijk werk. Daartoe behooren 't uit- en inwendig zendingswerk, de arbeid onder al 't verlorene, 't gaan in de heggen, en sloppen, 't bezoeken der gevangenen, enz. Wanneer een gemeente deze werken niet heeft, zegt de Heiland van haar: „Gij hebt den naam, dat gij leeft; maar gij zijt dood!”'t Spreekt vanzelf, dat de zuiverheid der leer bij dit practisch werk niet mag worden verwaarloosd. Hoe zullen weop dit gebied ons hoofdwerk goed doen, 't brengen van het Evangelie aan de schare, indien we 't niet zuiver bewaren?Bovenal moet bij dezen arbeid 't eigen, inwendig leven zorgvuldig worden verpleegd. Alleen omdat de liefde van Christus hem drong, kon Paulus alle bezwaren overwinnen in zijn moeilijk werk.Maar wanneer 't vuur van binnen brandt, is 't ook zulk een heerlijk werk.Hoe verlangt mijn ziel naar 't oogenblik, dat ik dezen arbeid zal mogen aanvatten!Ik verheug mij, dat ik u in dezen opzichte wederom gunstige berichten mag doen toekomen. Inplaats van 20 minuten word ik om den anderen dag geregeld 40 minuten bestraald met Röntgen-belichting. 15 en 16 Januari werd ik met radium behandeld. Vandaag kreeg ik nog een extra-behandeling met kool-radium, weer een nieuw soort. Duurt de gewone radium wel 2000 jaren, deze kool-radium houdt slechts twee dagen zijn kracht. Maar 't doet eveneens een krachtige werking. Ondanks een kleine katarrh verdraagt mijn gestel alles met het grootste gemak. Ik ga in gewicht nog zelfs iets vooruit en voel mijn krachten herleven.O wonder van goedheid, dat de Heere aan mij doet!Dien alléénzaligen God beveelt ook u, geliefde gemeente, van ganscher harteUw u liefhebbende oud-leeraar,R. J. W. RUDOLPH.Heidelberg, 28 Januari 1914.Geliefde gemeente!Gelijk ik uit de couranten bemerk, is ook ten uwent evenals hier gister de dooi onverwacht ingetreden. Deplasregen van den morgen werd echter gevolgd door sneeuw, en thans wordt ons oog bekoord door den schoonen glans der witte bergen.Ondanks regen en sneeuw werd de dag van gister hier met groote vreugde gevierd. Het was de verjaardag van den Keizer, een dag van beteekenis onder de vierdagen des volks; en de wijze, waarop deze dag hier geëerd wordt, moet elk Christelijk burger tot groote blijdschap stemmen.Er is geen plaats in 't heele Duitsche rijk, of er is althans één kerkgebouw geopend, waar 's morgens bede- en dankstond voor keizer en rijk wordt gehouden. En overal klinkt uit Duitsche monden 't krachtig gezang:Vater, kröne du mit SegenUnsern Kaiser und sein Haus,Führ durch Ihn auf deinen WegenHerrlich deinen Ratschlusz aus!Deiner Kirche sei er Schutz,Deinen Feinden biet' er Trutz.Dat is:Vader, kroon met uwen zegenOnzen Keizer en zijn huis,Voer door hem op uwe wegenHeerlijk uwen raadslag uit!Uwe Kerk zij hij ten schild,Uwen vijand bied' hij tegenweer.Op zulk een dag krijgt men den indruk, dat 't Duitsche rijk nog een machtige eenheid is, die, door vroed beleid bestuurd, een hooge en schoone roeping in 't hedendaagsch wereldgebeuren vervult.Wie 't Duitsche volksleven echter van naderbij beziet, wordt helaas met sombere gedachten voor Duitschlands toekomst bestormd. In den hoogen blos der schijnbare volksgezondheid, ziet hij dra 't rood der tering; in al 'tvreugdegetril hoort hij reeds 't rochelen van den dood.Ik wijd niet breedvoerig uit over hetgeen ik hier hoor en zie. Ik deel u slechts den korten inhoud mede van een schoone predikatie, die ik Zondag voor acht dagen in de kapel van 't Diaconessenhuis hoorde, en knoop aan deze preek enkele beschouwingen vast.Ds.Kammerersprak uit Lukas 2: 41: „En Zijne ouders, reisden alle jaar naar Jeruzalem, op het feest van Pascha.” In zijn rede stelde hij de heilige familie in tweeledig opzicht als voorbeeld voor het Christelijk huisgezin, namelijk, 1e in haar vasthouden aan heilige, van God gewilde tradities, en 2e, in haar volkomen eenstemmigheid te dezen aanzien.Had de Heere reeds voor Oud-Israël ingezet, dat het volk minstens éénmaal 's jaars voor Zijn aangezicht te Jeruzalem moest verschijnen, hoe moeielijk voor Jozef en Maria de onderhouding van dit gebod ook ware, elk jaar togen zij met Paaschfeest naar Jeruzalem.Ook ons heeft de Heere Zijne inzettingen gegeven, zooals 't lezen der Schrift, het huiselijk gebed, en het kerkbezoek op den Zondag.Zijn wij als Jozef en Maria getrouw in 't houden dezer inzettingen? Helaas, de mannen laten de onderlinge bijeenkomsten na. Alléén de vrouwen komen tamelijk geregeld op, en hier en daar een enkele man. „Vrouwen, waar zijn uwe mannen! Moeders, waar zijn uwe zonen?” vroeg de predikant met ontroerde stem.Helaas, er is geen overeenstemming tusschen man en vrouw in 't eene noodige! Hoe geheel anders is dit bij Jozef en Maria! Zij gaan altijd samen op. Bij hen is te dezen aanzien een volkomen eenstemmigheid.En deze moet er bovenal zijn, wil 't familieleven gelukkig en gezegend zijn.Door den Heere wordt deze eenstemmigheid ten hoogstegewaardeerd. Ziet, dit is de eere, die Hij aan deze armeechtgenootengeeft, dat zij de pleegouders mogen zijn van Zijn Eeniggeboren Zoon.Wanneer de Duitsche Keizer de opvoeding van den Kroonprins aan twee arme, hoewel godzalige, echtgenooten had toevertrouwd, zou hij duizend jaren later om deze domheid nog zijn bespot. Maar ziet hier de ironie der Goddelijke wijsheid. Zij lacht om aardsche heerlijkheid! Hóóg houdt zij 't ware schoon! Daartoe behoort allereerst de overeenstemming van man en vrouw in den dienst des Heeren! Zie hier, hoe hoog deze door den Heere wordt gesteld!O Selig Haus, wo Mann und Weib in einer,In deiner Liebe eines Geistes sind,Als beide eines Heils gewürdigt, keinerIm Glaubensgrunde anders ist gesinnt;Wo beide unzertrennbar an dir hangenIn Lieb und Leid, Gemach und Ungemach,Und nur bei dir zu bleiben stets verlangenAn jedem guten wie am bösen Tag!Dat is:O zalig huis, waar man en vrouw in eene,In uwe liefde éénes geestes zijn,Waar beiden van één heil bezitters zijn en geeneIn gronden des geloofs een andere gezindheid heeft.Waar beiden onafscheidelijk aan u hangen,In lief en leed, gemak en ongemak,En slechts bij u te blijven steeds verlangen,Zoowel op iederen goeden als op iederen boozen dag.Van zoodanige heerlijke eenstemmigheid merkt men echter in Duitschland betrekkelijk weinig. De Duitsche vrouw bleef tot op heden tamelijk wel haarGretchen-natuur getrouw; ze is nog steeds in de kerk te vinden.De Duitsche man handhaaft daartegenover zijn treurigFaust-karakter; hij hoort de evangelieboodschap wel, maar gelooft haar niet.De Duitsche vrouw was dan ook tot hiertoe de zon in het Duitsche huis, en 't Duitsche huisgezin was de hoeksteen van het Duitsche rijk.Helaas, thans begint ook deze zon te verdonkeren, begint deze hoeksteen te wankelen.Aangrijpend toch is wat de Duitsche bisschoppen voor enkele weken in hun herderlijk schrijven aan de Duitsche natie hebben medegedeeld.Volgens 't schrijven dezer bisschoppen kwamen er in 1876 42 geboorten voor op de 1000 inwoners, in 1911 daarentegen slechts 29 op de 1000. Dit beteekent 65000 kinderen minder voor het geheele rijk. Altijd sneller gaat 't getal der geboorten in Duitschland nog achteruit. Duitschland streeft op treurige wijze Frankrijk en België in dezen voorbij. Spoedig zullen in Duitschland jaarlijks meer lijkkisten dan wiegen zijn.Vreeselijk!Met cynisch welbehagen schreef kort geleden dan ook een Fransch blad: „Het Fransche volk kan rustig zijn, in Berlijn doen ongeloof, ontucht en echtbreuk even goed hun werk als in Parijs.” Het blad raadt dan ook aan, Duitschland niet met kanonnen te bedreigen, maar met zedelooze romans te overladen.Wie huivert niet voor de toekomst van 't Duitsche volk, wanneer men van deze dingen kennisneemt? Hoe schoon het heden ook lijke, er is weinig zienersgevoel noodig om aan den horizon de donkere koppen te zien, die 't dreigend gericht voorspellen.Ik denk op dit oogenblik aan hetgeen ik kort geleden vanLasserrelas over den bekenden Franschen schrijverErnst Hello. DezeHellois met recht genoemd dePascalder 18e eeuw. Hij heeft een schitterend werk geschreven, getiteld: „l'Homme”; „de mensch”.Lasserregeeft bij dit werk een inleiding, en deelt daarin de volgende passage mede.Het was in één der jaren vóór 1870, tijdens de tentoonstelling te Parijs. In de zoogenaamde dolle jaren dus. Men smeet met het geld. Men droomde van wereldvrede. Het was een der meest rotte tijden uit de geschiedenis. Uitwendig scheen alles in groei en bloei. Inwendig was 't volksleven geheel vermolmd.De Pruisen hadden 't grootste stalen kanon tentoongesteld, dat totnogtoe gegoten was.Men lachte om dit ding.Trouwens, oppervlakkigheid en lichtzinnigheid was één der voornaamste kenmerken van dien tijd. Vlak vóór den oorlog beweerde de Regeering in de Kamer:„Alles is voor den oorlog gereed, geen knoop ontbreekt aan de slobkous!”Op één dier dagen vóór '70 wandeldeLasserreop de tentoonstelling. In de verte komtHelloaanwandelen. Hij komt naarLasserre, en zegt: „Ik verwonder mij, mijn vriend!” „Waarom?” voertLasserrehem tegemoet. „Ik kwam langs de Tuilerieën, en verwonder mij, dat zij niet in vlammen staan!”Die man is krankzinnig, zegt een ander totLasserre.Nog slechts korten tijd, en de Pruisen staan voor Parijs. De Tuilerieën gaan in vlammen op.Vreeselijk, wanneer een dergelijk lot Duitschland moest treffen!Nòg heeft 't Duitsche volk veel voor boven 't Fransche. Nòg heeft Duitschland vele profeten, die het volk getrouw waarschuwen. Moge 't naar dezen nog luisteren!Toen ik gisteren, aan den avond van des keizers verjaardag, de sneeuw zag liggen op de bergen, dacht ik onwillekeurigaan 't woord van Jesaja tot Juda: „Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de Heere; al waren uwe zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw”.Hoore 't Duitsche volk nog naar dit woord van God! Ook voor de toekomst van ons volk zal dit van de grootste beteekenis zijn.Onwillekeurig heb ik nu mijn maat al vol geschreven. Laat ik u nog even mededeelen, hoe 't mij gaat. Ik ben overgelukkig, dat ik u kan berichten, dat 't mij zeer wel gaat. Deze derde kuur schijnt mij de gezegendste, die ik gemaakt heb. O wat zal ik gelukkig zijn, wanneer ik weer aan 't openbare leven kan deelnemen!Verheerlijke de Heere daartoe de wonderen Zijner goedheid en almacht aan mij, onwaardige, en verhoore Hij uwe en onze gebeden!Weest allen tezamen den Heere bevolen dooruw u liefhebbenden oud-leeraar,R. J. W. RUDOLPH.Heidelberg, 4 Februari 1914.Geliefde gemeente!Van 9 Januari tot heden, 4 Februari, heb ik wederom in Heidelberg vertoefd; terwijl ik mij gereed maak om te vertrekken, zie ik terug op de dagen, die achter mij liggen, en dankbaarheid aan den Heere doet mijn hart met snelle vreugdeslagen kloppen.Het is vandaag een schoone dag hier; een lentedag in den winter; er is een heldere lucht, een vriendelijk zonnetje. Er waait geen windje. „Ueber allen Gipfeln ist Ruh!” Boven op de bergen, overal is 't heerlijke stilte in de natuur. Heerlijk symbool van wat op dezen dag mijn hart vervult.De Heere heeft alles wederom zoo wel gemaakt. Hij heeft mij beloofd, voor mij te zullen zorgen, en geen tittel of jota van dat woord is ter aarde gevallen. Integendeel, de uitkomst heeft een klemtoonteeken geplaatst boven de rijke belofte Gods. Hij heeft vriendelijke handen gegeven, die voor ons wilden zorgen, en die ik in gedachte zegen. Hij heeft mij thans weer gesterkt gedurende een sterk aangrijpende kuur. Behalve de dagelijksche inspuitingen heb ik 14 Röntgen-bestralingen gehad; dit is zelfs één boven 't maximum, dat hier wordt toegediend. Daarbij heb ik zes radium-bestralingen ontvangen, elk van vijf uren. Reeds de dagelijksche inspuitingen grijpen 't gestel zóó aan, dat alle patiënten er tegen opzien. Nochtans heb ik alles zonder eenig bezwaar mogen doorstaan. In geen maanden hebben zich bloedingen vertoond. Mijn gewicht bleef gedurende de kuur hetzelfde, mijn krachten zijn weer aanmerkelijk toegenomen. En terwijl wij vertrekken, gloort de hope op een algeheele genezing mij als 't licht van een nieuwen levensmorgen tegen. Het is een lentedag in den winter, en al wat in mij is, jubelt den Gever van alle goede gaven tegemoet, om Hem te danken voor zooveel gunst aan een onwaardige en ellendige bewezen.Hoeveel de Heere ook geeft, ik heb evenwel nog meer te vragen. En vooral twee wenschen kiemen thans op in mijn hart, één voor 't „Jenseit”, één voor 't „Diesseit”, één voor 't geestelijke, één voor 't tijdelijke leven.De Heere geeft mij een langzaam, een gestadig herstel. Behaagt 't Hem mij volkomen te genezen, dan heb ik voor 't geestelijke leven den innigen wensch, dat de Heere mij en mijn huis steeds nader tot Hem brenge. Alleen de ware levensheiliging geeft ware levensvreugde; waar de heiligmaking is, bloeit de hoogste vreugde, zelfs in dagen van zware krankheid, zelfs inkerkerholen, zelfs in de zevenmaal heeter gestookte ovens.Met de oude mystieken ging ik te rade, wat de beste middelen zijn om de vervulling van dezen wensch te verkrijgen, en met hen kwam ik tot 't besluit, dat demeditatieof deoverdenking, deoratieof 'tgebed, decontemplatieof deinwendige geestelijke aanschouwingde voortreffelijkste wegen zijn, die leiden tot 't voorgestelde doel.Tweemaal lezen wij in Lukas 2 van Maria, dat zij de dingen, die haar omtrent Jezus gezegd werden, bewaarde in haar hart; éénmaal, dat zij die tezamen bij zichzelve overlegde. Mariamediteerdeover hetgeen de herders, een Simeon, een Hanna haar zeiden. We kunnen veilig aannemen, dat vooral 't woord van Simeon haar als lood op de ziel heeft gewogen, en dat zij er veel en zwaar over heeft nagedacht. Wat was de vrucht daarvan? Dat haar in de donkerste ure van haar leven, toen zij bij 't Kruis stond, 't lichtdaaroveropging, en juist dit licht behoedde haar toen voor algeheele vertwijfeling. Het mediteeren over 't Woord Gods, de wegen Gods, de leidingen Gods, is als de hamerslag, die de nagelen van het Woord steeds vaster slaat in onze ziel. Dit mediteeren ontsteekt de witte vlam der heilige wijsheid in onzen geest; deze wijsheid is als 't oog der ziel; dit oog ziet 't perspectief der hope, waar anderen in dikke duisternis rondtasten.Aan dit rustig mediteeren hebben we vooral tegenwoordig zulk een groote behoefte. De zaken, die wij dagelijks moeten doen, zijn zoo groot en zoo vele, en de dagen zijn zoo kort. We hebben altijd zulk een haast. Dit is niet goed. Op deze wijze loopt onze geest ledig, en wij moeten hem vullen. Wij nemen er den tijd af voor allerlei dingen. Laten wij er ook den tijd afnemen voor de godvruchtige meditatie. Deze doet ons als Mozes te midden van devele drukten van 't leven nabij den Heere leven, en verhoogt 't gewicht en de kracht van ons bestaan.In de tweede plaats noemde ik als middel om nabij den Heere te leven deoratieof 'tgebed.Te mogen bidden, te mogen spreken met den Koning der koningen, welk een eere! Te kunnen bidden, welk een verlichting in de ure der benauwdheid! Het klagend hart heeft zoo gaarne een luisterend oor. Welk een troost, wanneer wij in tijden van diepe droefenis met de psalmisten 't boordevolle hart mogen uitstorten voor Hem, die Zich wendt tot het gebed desgenen, die gansch ontbloot is. Van den troost en de kracht van 't gebed staat zooveel in 't Woord van God geschreven, dat ik er niet breed over wil uitweiden.Alleen op één sprekend voorbeeld wil ik nog wijzen. Jeruzalem wordt door Sanherib belegerd, en ongeveer op dienzelfden tijd is Hiskia doodelijk krank. En 't ergste is, het volk is door zijn zondig verleden rijp voor 't gericht. Welk een hachelijke toestand! Hiskia wendt zich in dezen hoogen nood weenend tot den Heere. De Heere hoort. De koning wordt door een wonder genezen. Het Assyrisch leger van honderd vijf en tachtig duizend man wordt in één nacht geveld. De stad wordt verlost. De ongerechtigheid wordt vergeven. Welk een overweldigende rijkdom van zegen op 't gebed van één man! Broeders en zusters, laat 't gebed de kracht van ons leven zijn, zoo zal er zeker kracht van ons uitgaan.Als derde hulpmiddel voor de bevordering van 't gemeenschapsleven met den Heere, noemde ik decontemplatieof deinnerlijke geestelijke aanschouwing.Wanneer een onzer verwanten een ongeluk treft, bij een spoorwegongeval omkomt, of te water valt en verdrinkt, stellen wij ons telkens de ramp voor oogen. Het is, of wij den geliefde door de rails zien verbrijzelen, ofwij hem in de golven zien wegzinken. Het is ons, of wij zijn laatste angstkreten hooren. Een oogenblik staan wij op om hem ter hulp te snellen. Zóó krachtig werkt 't voorstellingsvermogen in den mensch. Het werkt in zulke gevallen zoo krachtig door de liefde, die wij voor den getroffene gevoelen.Alzoo is de liefde ook de drijfkracht in de innerlijke, geestelijke aanschouwing. Zij dringt ons, om ons den Heiland voor oogen te stellen, zooals Hij lag in de kribbe, zooals Hij rondwandelde door Kanaän, zooals Hij worstelde in Gethsémané, zooals Hij leed voor Kájafas, Pilatus, Herodes en aan het kruis, zooals Hij na Zijn opstanding verscheen aan Zijn jongeren, zooals Hij opvoer ten hemel, en zooals Hij nu naar de heerlijke beschrijving van Johannes is gezeten ter rechterhand van den Vader. Zijn wij recht levendig in deze aanschouwing werkzaam, dan is 't ons, of zij ons een wijle buiten ons zelven brengt.Heerlijk is de vrucht dezer contemplatie.Zij vereenigt ons op 't allernauwst met den Heere, zij doodt den zinnelijken lust, zij vervult de ziel met 't hemelsch ideaal, zij doet ons als Henoch wandelen met God, zij brengt een heerlijken glans op ons leven. Blonk het aangezicht van Mozes, toen hij van den berg kwam, waar hij met den Heere had verkeerd, ook op ons gansche zijn komt de gouden glans van den hemel.Alzoo beleven wij waarlijk, wat Paulus schrijft, 2 Cor. 3: 18: „Wij dan, de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest.”O heerlijk, o gelukkig, o gezegend leven!Behaagt 't den Heere nog jaren tot mijn levensdagen toe te voegen, 't behage Hem dan ook, dit leven mij te schenken, opdat ik reeds op aarde den hemel mag beginnen,en volkomen mag zijn voor de taak, die mij wacht.Over mijn tweeden wensch hoop ik U een volgende maal te schrijven.'t Bovenstaande schreef ik 's morgens vóór mijn vertrek uit Heidelberg. 2.19 stapten we te Heidelberg in den trein. We hadden een voorspoedige reis; precies op tijd liep 's avonds even over tien onze trein 't station te Amersfoort binnen. Onze beide jongens waren aan den trein, en ge begrijpt de vreugde van 't wederzien. Den Heere zij lof en dank voor alles.Ontvangt van mijn vrouw en huisgenooten de hartelijke groeten.Weest allen tezamen den Heere bevolen dooruw u liefhebbenden oud-leeraar,R. J. W. RUDOLPH.Amersfoort, 10 Februari 1914.Geliefde gemeente!In mijn vorig schrijven heb ik U reeds onze behouden aankomst in Amersfoort gemeld. Zoo spoedig mogelijk ben ik hier naar mijn huisdokter gegaan, om mij wederom te laten onderzoeken. Hij was buitengewoon tevreden over de in- en uitwendige resultaten der kuur.Alzoo ga ik dan, den Heere zij daarvoor lof en prijs, langzaam maar gestadig vooruit. Natuurlijk zou ik liever zien, dat mijn genezing grootere sprongen maakte. Maar wij weten niet, wat wij moeten begeeren. In Heidelberg is men van oordeel, dat een langzame maar steeds doorgaande genezing beter is dan een plotselinge, omdat zich bij de snelle genezingen de meeste terugvallen voordoen, terwijl een langzame maar gestadige voortgangder genezing de meeste kans biedt, dat men voorgoed van de kwaal wordt bevrijd.Hoe dit zij, ik geef 't over aan den Heere, die mij beloofd heeft voor mij te zorgen. Dezer dagen wilde Hij mij wederom nog zoo krachtig vertroosten met de woorden van Ps. 91: 1, „Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduwe des Almachtigen”. Wat zal ik nog meer wenschen? Wat anders dan dat heel deze weg mij maar altijd nader brenge tot den Heere, mij altijd inniger Zijn gemeenschap doe smaken. Dit is 't Hoogste en Zoetste. Daarvan zing ik met Tersteegen in zijn overschoon lied: „De vereeniging met God”.Ich bin im dunklen Heiligtum,Ich bete an und bleibe stumm;O ehrfurchtfolles Schweigen!Der beste Redner sagt mir nicht,was man hier ohne Reden spricht,durch Lieben und durch Beugen.Hier ist die stille Ewigkeitein immerwahrend selges Heut,dies Nun kann alles geben.Die Zeit vergeht mir süsz un sacht;Ich möchte beten Tag und Nacht,bei Gott im Geiste leben.Hier ist mein wahres Element,ein Friedensland, weit ohne End,von Milch und Honig flieszend,Hier quilt im Grund ein Balsenflusz,durch alle Kräfte des Genusz,So sänftiglich ergieszend.Dat is:Ik ben in 't donker heiligdom;Aanbiddend, blijf ik stom;o diep eerbiedig zwijgen!De beste spreker zegt mij nietwat men hier zonder woorden spreekt,doorLievenen doorBuigen.Hier is de stille eeuwigheid,eenaltijddurendzalig heden;dit „nu” kan alles geven.De tijd gaat voorbij zoet en zacht;Ik wilde wel bidden dag en nacht,Om in den geest bij God te leven.Hier is mijn ware element,een vredes-land zonder end,van melk en honig vloeiend.Hier ontspringt een balsembron,die 't genot in alle zielekrachtenzoo zoetelijk doet stroomen.Behaagt 't den Heere, mij te herstellen, dan heb ik natuurlijk ook nog een tweede begeerte, n.l. spoedig te mogen ingaan tot den arbeid, die zoo geheel de liefde van mijn hart heeft, den arbeid onder voogdij- en regeeringskinderen, onder ontslagen gevangenen, drankzuchtigen en zwervers.Volgens sommigen is deze arbeid wel nutteloos; zij beschouwen eigenlijk alleen dan een bekeering als echt, wanneer iemand van zijn jeugd af als een kind des verbonds heeft geleefd. „Wacht u voor bekeerde Joden, voor bekeerde hoeren, voor bekeerde bandieten! Een vos verliest wel zijn haren, maar niet zijn streken.” Ziedaar hun standpunt!Er is zeker weinig betoogkracht noodig om dadelijkte doen zien, dat dit standpunt onhoudbaar is.Het strijdt met de Schrift. De eerste Christelijke gemeente is uit bekeerde Joden als evenzoovele levende steenen opgebouwd, en hoeveel goeds wordt in de Schrift van haar gezegd. Een moordenaar volgde den Heiland in 't paradijs. Hoeveel liefde bewees de vrouw, aan wie veel vergeven was!De feiten werpen ook dit heele standpunt omver. Denkt slechts aan een Da Costa, een Neander, eenJohn Bunyan, eenRowland Hill.De ervaring bewijst juist, dat menschen met een zwarte jeugd, wanneer zij waarlijk bekeerd worden, zich na hun bekeering zoo ver mogelijk van dit zwarte punt zoeken te verwijderen, en als Maria Magdalena zoo dicht mogelijk bij den Heere zoeken te zijn.O, ik brand dan ook van verlangen, om dien arbeid te beginnen onder deze ellendigen en verlorenen.In de stichting voor voogdij- en regeeringskinderen zullen we in den regel wel alleen degenen krijgen, die voor de gezinsverpleging ongeschikt zijn. Dit is dus 't minste soort. Maar o, wat lokt 't mij aan, deze zwarte schapen hun weg voor oogen te stellen, en hun te doen zien, hoe deze weg hen ten ondergang voert! Hoe lokt 't mij aan, hun tegelijk den oneindigen rijkdom van Christus' zoekende liefde te prediken, en hun den weg te wijzen, die leidt tot een eeuwig behoud!Ook van de opleiding voor maatschappelijken arbeid stel ik mij veel goeds voor. Terecht heeft de Regeering ingezien, dat zij voor heel de opvoeding van dergelijke kinderen de krachten van 't particulier initiatief moet te hulp roepen. Vooral in de particuliere stichtingen kan de Christelijke liefde haar werk doen. Met dwang alleen komt men trouwens in 't werk der opvoeding niet veelverder. Laat de plantagehouder zijn slaven op den akker zenden, laat hij den man met de zweep medezenden; 's avonds keeren de slaven wel terug met de vruchten van hun arbeid, maar ook met een hart vol haat tegen den meester en tegen den arbeid. Liefde tot den arbeid moet den kinderen worden ingeprent. Daartoe moeten dwingend gezag en Christelijke liefde samenwerken.De andere arbeid, onder ontslagen gevangenen, drankzuchtigen en zwervers, is van niet minder belang.In den regel stellen wij ons voor, dat de gevangene in zijn kerker vurig naar de vrijheid verlangt. En dit is ook zoo. Toch is er iets, dat hem al 't genot der vrijheid geheel vergalt. De gevangene weet, dat hij in zijn gezin de eereplaats kwijt is. Werk krijgt hij niet gemakkelijk meer. Wie wil iemand hebben, die gezeten heeft? Velen vallen na hun ontslag uit de gevangenis in de misdaad terug, en zij gaan hun verder leven van de gevangenis in de maatschappij, van de maatschappij in de gevangenis. Dit moet voorkomen worden. Deze menschen moeten geholpen worden. „Peccator est, comprime; homo est, miserere!” „Hij is een misdadiger, bestraf hem; hij is een mensch, heb medelijden met hem!”Ook voor de drankzuchtigen moet er eenretraite(rustplaats) zijn, waar hun verstoord zenuwleven hersteld wordt, en waar zij onder de bearbeiding der Christelijke liefde tot den strijd tegen de drinkgewoonte worden gesterkt.Het moeilijkst te behandelen zijn de zwervers, de arbeidsschuwen; die leven van bedelarij en diefstal. Maar de Heere kan ook uit deze steenen kinderen Abrahams verwekken.O geve mij de Heere dezen arbeid te mogen beginnen!Geliefden, houdt aan in 't gebed voor mij! Verblijdeons de Hoorder der gebeden nog door Zijn groote daden!Uw u liefhebbende oud-leeraar,R. J. W. RUDOLPH.Amersfoort, 19 Februari 1914.Geliefde gemeente!Tot mijn leedwezen kan ik u thans geen uitvoerig schrijven doen toekomen. Ik lig met een lichte maagkatarrh te bed, en kan dus niet schrijven.Gedenkt onzer, en weest den Heere bevolendoor uwen u liefhebbenden oud-leeraar,R. J. W. RUDOLPH.Amersfoort, 25 Februari 1914.Geliefde gemeente!Het speet mij zeer, dat ik u een vorig maal door een lichte maagkatarrh, die mij een paar dagen aan 't bed bond, geen uitvoerig schrijven kon doen toekomen. Van deze kleine ongesteldheid ben ik thans, den Heere zij dank, geheel hersteld.Wat de eigenlijke kwaal aangaat, behoudt 't proces zijn gewoon verloop. Den éénen dag gevoel ik me eens wat beter dan den anderen dag; maar over het geheel genomen ga ik toch langzaam vooruit.Ik zal echter lang moeten wachten, voordat ik geheel hersteld zal zijn, wanneer 't den Heere althans behaagt mij te genezen. Dit lange wachten valt weleens moeilijk.Toch zou ik mij zeer bezondigen, wanneer ik klaagde. De Heere maakt 't gedurende dezen wachttijd in alle opzichten zoo boven bidden en denken wel.Ik denk in deze dagen veel aan Mozes' beproeving in Midian.Door Gods allerbijzonderst voorzienig bestel is hij door de hand eener prinses uit 't water getogen, en door haar zorg met de wijsheid van Egypte als overgoten. Temidden dezer heidensche opvoeding bevestigt de Heere nochtans aan Mozes Zijn verbond, dat Hij met Abraham heeft opgericht, en door deze heerlijke genadedaad Gods kiest Mozes in zijn hart den smaad van 't onderdrukt slavenvolk boven alles wat 't heidensch Egypte hem kan bieden. Een heerlijk levensideaal teekent zich af voor Mozes' oog. Hij voelt zich de providentiëel aangewezen verlosser van zijn arme volk, en hij trilt van verlangen om als zoodanig te mogen optreden. Hij is nu veertig jaar geworden. Hij gaat zijn volk bezoeken. Hij ziet een Egyptenaar een Israëliet mishandelen. Hij grijpt den verdrukker en velt hem neer.... Dit zal 't sein worden tot den algemeenen opstand van 't vertrapte slavenvolk! Nu zal de geweldige strijd beginnen!.... Droef verstoorde illusie!. Den volgenden dag treedt een Israëliet als verrader tegen Mozes op. Wel een bewijs, dat dit volk allerminst rijp is voor de groote worsteling. Het zal nog zwaarderverdruktmoeten worden, voordat de Israëlietische heldenziel ontwaakt. Mozes' eigen leven raakt in gevaar. Hij vlucht de woestijn in, totdat hij in Midian een veilig toevluchtsoord gevonden heeft bij Réhuël, den priester-sjeik, die den jongen man niet alleen in zijn huis maar ook in zijn familie opneemt. Hier vertoeft Mozes veertig jaren, van week tot week, van maand tot maand, van jaar tot jaar de kudde weidend van zijn schoonvader Réhuël.Welk een domme zaak voor 't oppervlakkig oog! De Heere formeert Mozes tot een verlosser voor zijn volk, en op 't oogenblik dat deze man Gods als zoodanig wil optreden, breekt de Heere Zijn eigen werk af. In plaats vanIsraël aan te voeren in den strijd tegen Egypte, moet hij veertig jaren achtereen 't vee van Réhuël weiden in de woestijn. Ossen en schapen hoeden kan iedereen; voor de verlossing van een volk is een allerbijzonderste zalving van noode; aan Mozes is de zalving gegeven, en zie, daar wordt de kostelijke middelmoot van 't leven van dien man, van zijn 40e tot zijn 80e jaar, als waardeloos in de woestijn weggeworpen. De geweldige leeuw wordt voor een zandkarretje gespannen, en moet zoo veertig jaren achtereen zijn reuzenkracht verbruiken in nietig werk. Welk een beproeving voor Mozes!Zeer juist! Maar evenals alle beproeving is deze weg voor Mozes de meest gezegende; deze lange omweg is de rechte weg, waarin zijn opvoeding tot verlosser des volks moet worden voltooid. Neen, de man, die daar kersversch uit de Egyptische omgeving kwam, was nog niet de rechte man voor de groote taak, die hem wachtte. Zeker, hij is vol van geloof; maar ook vol van eigenwaan. Met welk een illusie gaat hij naar de broeders. Hij zal zwaardwettende krijgszangen slingeren in de gemoederen van die martelaren, wien hij hulpe heeft toegezegd.... bij Mozes, den man Gods. De Heere zal aan de spitse treden, en door des Heeren zegen zal onder Mozes' leiding het verdrukte slavenvolk tot een heldenvolk worden, dat zich aan den greep der Egyptische onderdrukking ontworstelt. Welk een held is die Mozes! Maar in eigen oog! Ternauwernood is zijn eerste verlossingsdaad verraden, of...., hij slaat dadelijk op de vlucht. Er moet nog iets meer aan hem gebeuren, als hij werkelijk is de man Gods, die zich vasthoudt aan den Heere als ziende den Onzienlijke, en die daarom tegenover Faraö pal staat als Sinaï's rots. Dat groote werk wordt nu aan Mozes gewrocht in Réhuëls huis en in de woestijn! Daar leert hij, wat hij in Egypte niet had kunnen leeren. Midian is dehoogeschool, die Mozes eerst nog moest doorloopen, voordat hij bekwaam was voor zijn hooge taak. Ongetwijfeld heeft ook Mozes dit later alles ingezien, en er den Heere voor gedankt.Op soortgelijke wijze als voor Mozes heeft de Heere aanvankelijk de beproeving ook voor mij gezegend.Zeker, het kruis is hard, zwaar, drukkend. Niemand mag 't begeeren. Dit ware tegen de ordening Gods. Ieder verdrukte mag en moet, mits met ootmoedige en eerbiedige onderwerping van eigen wil aan des Heeren souvereinen, wijzen, ook heiligen wil, bidden om wegneming van 't kruis.En toch, wanneer 't den Heere behaagt, 't kruis op te leggen, en den druk aan hart en leven te heiligen, is er niets meer zegenrijk dan 't kruis.Dan wordt 't bevestigd:hoe grooter kruis, hoe dichter bij den Heere. Nooit vergeet ik 't oogenblik, toen mij gezegd werd, dat ik de bekende, vreeselijke ziekte had. Daar stond ik, vlak voor den dood, vlak voor de eeuwigheid, vlak voor den Heere. Rijk was de genade, die de Heere toen schonk. Het was mij om 't even, wat de Heere met mij deed, indien ik slechts nabij Hem mocht zijn. Ook ik gevoelde levendig en voortdurend, wat Tersteegen in verheven dichtwoorden zingt:Luft, die alles füllet, drin wir immer schweben,aller Dinge Grund und Leben;Meer, ohne Grund und Ende, Wunder aller Wunder:Ich senk mich in Dich herunter.Ich in Dir, Du in mir;lasz mich ganz verschwinden,Dich nur sehn und finden.Dat is:Lucht, die alles vult, waarin wij altijd zweven,aller dingen Grond en Leven;Zee, zonder grond en eind, wonder aller wonderen:Ik zink in U ten onderen.Ik in U, Gij in mij:laat mij geheel verdwijnen,U slechts zien en vinden.O, gezegend kruis, dat zulk een heil mij bracht!Hoe grooter kruis, hoe sterker geloof.Waar alles wordt afgesneden, hecht zich 't geloof steeds vaster aan Hem, Die een afgesneden zaak op aarde doet, en Die Zich wendt tot het gebed desgenen, die gansch ontbloot is. Wie beschrijft den troost, dien dit geloof medebrengt? Dit geloof onderwerpt zich volkomen aan Gods soevereinen, wijzen en heiligen wil; maar 't blijft tegelijk hopen, waar allen wanhopen.Hoe grooter kruis, hoe vuriger liefde.De verdrukking is de stormwind, die 't liefdevuur hooger en hooger doet oplaaien. Het „God heb ik lief!” van den 116en psalm ruischt inniglijk op uit den diepen bodem des harten. Die liefde is het leven, dat den dood niet vreest, maar met den dood eerst tot zijn rechte uiting komt. Zou ik dan 't kruis niet kussen, dat zulken zegen brengt?Hoe grooter kruis, hoe schooner kroon.
uw u liefhebbenden oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Heidelberg, 20 Januari 1914.
Geliefde gemeente!
Kwam mijn voorgaand schrijven te laat voor de Kerkbode, waarschijnlijk geschiedde dit door vertraging van de post. Ter voorkoming van dergelijke ongevallen zend ik mijn brieven voortaan zoo mogelijk een dag vroeger af, en doe dit reeds met dezen, die dan tegelijk met mijn voorgaanden kan worden geplaatst.
Trouwens deze brief is een vervolg op den voorafgaanden.
Ik had reeds beloofd iets te zullen schrijven over de zendingspreek, die ik 11 Januari in de kapel van 't Diaconessenhuis alhier mocht hooren.
Die Zondag was door de kerkelijke overheid der gansche Badensche landskerk tot eenZendingsdag bestemd.
Ds.Kammerer, de pastor van 't Diaconessenhuis, nam tot tekst Matth. 24: 14: „En dit Evangelie des Koninkrijks zal in de geheele wereld gepredikt worden tot een getuigenis allen volken; en dan zal het einde komen.”
Hij begon met de opmerking, dat ook in Duitschland de tijden zeer zijn veranderd. In 1848 was in 't naburige Hessen alle openbare arbeid voor de Zending streng verboden. Verbeeldt u! Thans wordt vanwege de kerkelijke overheid in Baden een algemeene Zendingsdag uitgeschreven.
Zóó gaat 't goed! Zoo komen we op den rechten weg!
Niemand minder dan de Heiland zelf zegt: „En dit Evangelie des Koninkrijkszalin de geheele wereld gepredikt worden.” Nòg staat Hij alleen. Maar Hij spreekt toch als Koning van 't Godsrijk. Zooals Hij zeide is 't geschied, en moet 't verder geschieden.
Doch nu taste men niet mis in 't eigenlijke wezen van den Zendingsarbeid.
Is 't Zendingswerk het brengen der Christelijke cultuur?
Bestaat 't in de bevordering van het schoolonderwijs onder de onbeschaafde volken?
Moet 't bovenal gericht zijn op de wegneming van sociale misstanden en de verbetering van 't maatschappelijk leven onder de heidenen?
Dit alles is bijzaak, bijwerk, of ook vrucht der Zending.
Het eigenlijke wezen van het werk der Zending is 't niet.
De eigenlijke hoofdzaak van 't Zendingswerk is de prediking van het Evangelie des Koninkrijks. Vandaar en daardoor alleen wordt de eenige troost voor leven en sterven onder de volken verkondigd.
En wat moet men zich als hoofddoel voorstellen van het Zendingswerk?
Dat heel de heidensche maatschappij gekerstend worde?
Het ware heerlijk, wanneer dit doel bereikt werd.
Maar stellen we ons deze illusie niet voor.
Hoofddoel is, dat 't Evangeliehun tot een getuigenisonder de volken wordt gepredikt.
De één neemt 't Evangelie aan. De ander verwerpt 't. Christus is ook tot een oordeel in de wereld gekomen.
De strijd tusschen vrouwen- en slangenzaad blijft tot den jongsten dag.
En wanneer het Evangelie over de heele wereld gepredikt wordt, en over heel de wereld die twee tegenover elkander staan, dan zal 't einde zijn.
Het zendingswerk is dus geen bijzaak, maar hoofdzaak. Het staat in onmiddellijk verband met Christus' wederkomst.
Wij danken dan ook den Heere, dat wij ons met 't Zendingswerk weder in goede richting bewegen.
Ge begrijpt, geliefden, dat ik de prediking met hartelijke instemming heb aangehoord.
Ge begrijpt ook, dat ik de mededeeling omtrent devroegere Duitsche toestanden op Zendingsgebied met eenige verbazing vernam.
Bij eenig nadenken is evenwel mijn verwondering verdwenen.
Was 't vroeger bij ons ook niet ongeveer alzoo?
Neen, er was geen verbod om zendingswerk te doen. Maar men liet 't over aan zendingsvrienden, en beschouwde 't een liefhebberijzaak van deze menschen.
Tot voor korten tijd stonden we precies evenzoo tegenover den evangelisatiearbeid. Wat is in onze dagen meer noodig dan 't zendingswerk in onze naaste omgeving? Toch werd deze plicht door de Kerk nog slechts weinig gevoeld.
En in werkelijkheid staan de meesten nog zoo tegenover den arbeid, dien ik in des Heeren Naam en kracht ondernam, den arbeid onder voogdij- en regeeringskinderen, onder zwervers, ontslagen gevangenen en drankzuchtigen. Men vindt 't wel goed, dat ook die arbeid wordt aangevat; maar men voelt er niet veel voor. En ziedaar juist 't gebrek! Voor zulk werk moet worden gevoeld, anders kan 't niet slagen; want er is reuzeninspanning voor noodig om het te volbrengen. Van alle zijden moet hulp in voorbede en geldelijke bijdrage, worden geboden; anders komt 't niet tot stand.
En wie maar even nadenkt, zal dadelijk moeten toestemmen, dat geen werk meer noodig is dan dit werk. Er is een werk, dat bij voorkeur den naam draagt vanChristelijk werk. Daartoe behooren 't uit- en inwendig zendingswerk, de arbeid onder al 't verlorene, 't gaan in de heggen, en sloppen, 't bezoeken der gevangenen, enz. Wanneer een gemeente deze werken niet heeft, zegt de Heiland van haar: „Gij hebt den naam, dat gij leeft; maar gij zijt dood!”
't Spreekt vanzelf, dat de zuiverheid der leer bij dit practisch werk niet mag worden verwaarloosd. Hoe zullen weop dit gebied ons hoofdwerk goed doen, 't brengen van het Evangelie aan de schare, indien we 't niet zuiver bewaren?
Bovenal moet bij dezen arbeid 't eigen, inwendig leven zorgvuldig worden verpleegd. Alleen omdat de liefde van Christus hem drong, kon Paulus alle bezwaren overwinnen in zijn moeilijk werk.
Maar wanneer 't vuur van binnen brandt, is 't ook zulk een heerlijk werk.
Hoe verlangt mijn ziel naar 't oogenblik, dat ik dezen arbeid zal mogen aanvatten!
Ik verheug mij, dat ik u in dezen opzichte wederom gunstige berichten mag doen toekomen. Inplaats van 20 minuten word ik om den anderen dag geregeld 40 minuten bestraald met Röntgen-belichting. 15 en 16 Januari werd ik met radium behandeld. Vandaag kreeg ik nog een extra-behandeling met kool-radium, weer een nieuw soort. Duurt de gewone radium wel 2000 jaren, deze kool-radium houdt slechts twee dagen zijn kracht. Maar 't doet eveneens een krachtige werking. Ondanks een kleine katarrh verdraagt mijn gestel alles met het grootste gemak. Ik ga in gewicht nog zelfs iets vooruit en voel mijn krachten herleven.
O wonder van goedheid, dat de Heere aan mij doet!
Dien alléénzaligen God beveelt ook u, geliefde gemeente, van ganscher harte
Uw u liefhebbende oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Heidelberg, 28 Januari 1914.
Geliefde gemeente!
Gelijk ik uit de couranten bemerk, is ook ten uwent evenals hier gister de dooi onverwacht ingetreden. Deplasregen van den morgen werd echter gevolgd door sneeuw, en thans wordt ons oog bekoord door den schoonen glans der witte bergen.
Ondanks regen en sneeuw werd de dag van gister hier met groote vreugde gevierd. Het was de verjaardag van den Keizer, een dag van beteekenis onder de vierdagen des volks; en de wijze, waarop deze dag hier geëerd wordt, moet elk Christelijk burger tot groote blijdschap stemmen.
Er is geen plaats in 't heele Duitsche rijk, of er is althans één kerkgebouw geopend, waar 's morgens bede- en dankstond voor keizer en rijk wordt gehouden. En overal klinkt uit Duitsche monden 't krachtig gezang:
Vater, kröne du mit SegenUnsern Kaiser und sein Haus,Führ durch Ihn auf deinen WegenHerrlich deinen Ratschlusz aus!Deiner Kirche sei er Schutz,Deinen Feinden biet' er Trutz.
Vater, kröne du mit SegenUnsern Kaiser und sein Haus,Führ durch Ihn auf deinen WegenHerrlich deinen Ratschlusz aus!Deiner Kirche sei er Schutz,Deinen Feinden biet' er Trutz.
Dat is:
Vader, kroon met uwen zegenOnzen Keizer en zijn huis,Voer door hem op uwe wegenHeerlijk uwen raadslag uit!Uwe Kerk zij hij ten schild,Uwen vijand bied' hij tegenweer.
Vader, kroon met uwen zegenOnzen Keizer en zijn huis,Voer door hem op uwe wegenHeerlijk uwen raadslag uit!Uwe Kerk zij hij ten schild,Uwen vijand bied' hij tegenweer.
Op zulk een dag krijgt men den indruk, dat 't Duitsche rijk nog een machtige eenheid is, die, door vroed beleid bestuurd, een hooge en schoone roeping in 't hedendaagsch wereldgebeuren vervult.
Wie 't Duitsche volksleven echter van naderbij beziet, wordt helaas met sombere gedachten voor Duitschlands toekomst bestormd. In den hoogen blos der schijnbare volksgezondheid, ziet hij dra 't rood der tering; in al 'tvreugdegetril hoort hij reeds 't rochelen van den dood.
Ik wijd niet breedvoerig uit over hetgeen ik hier hoor en zie. Ik deel u slechts den korten inhoud mede van een schoone predikatie, die ik Zondag voor acht dagen in de kapel van 't Diaconessenhuis hoorde, en knoop aan deze preek enkele beschouwingen vast.
Ds.Kammerersprak uit Lukas 2: 41: „En Zijne ouders, reisden alle jaar naar Jeruzalem, op het feest van Pascha.” In zijn rede stelde hij de heilige familie in tweeledig opzicht als voorbeeld voor het Christelijk huisgezin, namelijk, 1e in haar vasthouden aan heilige, van God gewilde tradities, en 2e, in haar volkomen eenstemmigheid te dezen aanzien.
Had de Heere reeds voor Oud-Israël ingezet, dat het volk minstens éénmaal 's jaars voor Zijn aangezicht te Jeruzalem moest verschijnen, hoe moeielijk voor Jozef en Maria de onderhouding van dit gebod ook ware, elk jaar togen zij met Paaschfeest naar Jeruzalem.
Ook ons heeft de Heere Zijne inzettingen gegeven, zooals 't lezen der Schrift, het huiselijk gebed, en het kerkbezoek op den Zondag.
Zijn wij als Jozef en Maria getrouw in 't houden dezer inzettingen? Helaas, de mannen laten de onderlinge bijeenkomsten na. Alléén de vrouwen komen tamelijk geregeld op, en hier en daar een enkele man. „Vrouwen, waar zijn uwe mannen! Moeders, waar zijn uwe zonen?” vroeg de predikant met ontroerde stem.
Helaas, er is geen overeenstemming tusschen man en vrouw in 't eene noodige! Hoe geheel anders is dit bij Jozef en Maria! Zij gaan altijd samen op. Bij hen is te dezen aanzien een volkomen eenstemmigheid.
En deze moet er bovenal zijn, wil 't familieleven gelukkig en gezegend zijn.
Door den Heere wordt deze eenstemmigheid ten hoogstegewaardeerd. Ziet, dit is de eere, die Hij aan deze armeechtgenootengeeft, dat zij de pleegouders mogen zijn van Zijn Eeniggeboren Zoon.
Wanneer de Duitsche Keizer de opvoeding van den Kroonprins aan twee arme, hoewel godzalige, echtgenooten had toevertrouwd, zou hij duizend jaren later om deze domheid nog zijn bespot. Maar ziet hier de ironie der Goddelijke wijsheid. Zij lacht om aardsche heerlijkheid! Hóóg houdt zij 't ware schoon! Daartoe behoort allereerst de overeenstemming van man en vrouw in den dienst des Heeren! Zie hier, hoe hoog deze door den Heere wordt gesteld!
O Selig Haus, wo Mann und Weib in einer,In deiner Liebe eines Geistes sind,Als beide eines Heils gewürdigt, keinerIm Glaubensgrunde anders ist gesinnt;Wo beide unzertrennbar an dir hangenIn Lieb und Leid, Gemach und Ungemach,Und nur bei dir zu bleiben stets verlangenAn jedem guten wie am bösen Tag!
O Selig Haus, wo Mann und Weib in einer,In deiner Liebe eines Geistes sind,Als beide eines Heils gewürdigt, keinerIm Glaubensgrunde anders ist gesinnt;Wo beide unzertrennbar an dir hangenIn Lieb und Leid, Gemach und Ungemach,Und nur bei dir zu bleiben stets verlangenAn jedem guten wie am bösen Tag!
Dat is:
O zalig huis, waar man en vrouw in eene,In uwe liefde éénes geestes zijn,Waar beiden van één heil bezitters zijn en geeneIn gronden des geloofs een andere gezindheid heeft.Waar beiden onafscheidelijk aan u hangen,In lief en leed, gemak en ongemak,En slechts bij u te blijven steeds verlangen,Zoowel op iederen goeden als op iederen boozen dag.
O zalig huis, waar man en vrouw in eene,In uwe liefde éénes geestes zijn,Waar beiden van één heil bezitters zijn en geeneIn gronden des geloofs een andere gezindheid heeft.Waar beiden onafscheidelijk aan u hangen,In lief en leed, gemak en ongemak,En slechts bij u te blijven steeds verlangen,Zoowel op iederen goeden als op iederen boozen dag.
Van zoodanige heerlijke eenstemmigheid merkt men echter in Duitschland betrekkelijk weinig. De Duitsche vrouw bleef tot op heden tamelijk wel haarGretchen-natuur getrouw; ze is nog steeds in de kerk te vinden.De Duitsche man handhaaft daartegenover zijn treurigFaust-karakter; hij hoort de evangelieboodschap wel, maar gelooft haar niet.
De Duitsche vrouw was dan ook tot hiertoe de zon in het Duitsche huis, en 't Duitsche huisgezin was de hoeksteen van het Duitsche rijk.
Helaas, thans begint ook deze zon te verdonkeren, begint deze hoeksteen te wankelen.
Aangrijpend toch is wat de Duitsche bisschoppen voor enkele weken in hun herderlijk schrijven aan de Duitsche natie hebben medegedeeld.
Volgens 't schrijven dezer bisschoppen kwamen er in 1876 42 geboorten voor op de 1000 inwoners, in 1911 daarentegen slechts 29 op de 1000. Dit beteekent 65000 kinderen minder voor het geheele rijk. Altijd sneller gaat 't getal der geboorten in Duitschland nog achteruit. Duitschland streeft op treurige wijze Frankrijk en België in dezen voorbij. Spoedig zullen in Duitschland jaarlijks meer lijkkisten dan wiegen zijn.
Vreeselijk!
Met cynisch welbehagen schreef kort geleden dan ook een Fransch blad: „Het Fransche volk kan rustig zijn, in Berlijn doen ongeloof, ontucht en echtbreuk even goed hun werk als in Parijs.” Het blad raadt dan ook aan, Duitschland niet met kanonnen te bedreigen, maar met zedelooze romans te overladen.
Wie huivert niet voor de toekomst van 't Duitsche volk, wanneer men van deze dingen kennisneemt? Hoe schoon het heden ook lijke, er is weinig zienersgevoel noodig om aan den horizon de donkere koppen te zien, die 't dreigend gericht voorspellen.
Ik denk op dit oogenblik aan hetgeen ik kort geleden vanLasserrelas over den bekenden Franschen schrijverErnst Hello. DezeHellois met recht genoemd dePascalder 18e eeuw. Hij heeft een schitterend werk geschreven, getiteld: „l'Homme”; „de mensch”.
Lasserregeeft bij dit werk een inleiding, en deelt daarin de volgende passage mede.
Het was in één der jaren vóór 1870, tijdens de tentoonstelling te Parijs. In de zoogenaamde dolle jaren dus. Men smeet met het geld. Men droomde van wereldvrede. Het was een der meest rotte tijden uit de geschiedenis. Uitwendig scheen alles in groei en bloei. Inwendig was 't volksleven geheel vermolmd.
De Pruisen hadden 't grootste stalen kanon tentoongesteld, dat totnogtoe gegoten was.
Men lachte om dit ding.
Trouwens, oppervlakkigheid en lichtzinnigheid was één der voornaamste kenmerken van dien tijd. Vlak vóór den oorlog beweerde de Regeering in de Kamer:
„Alles is voor den oorlog gereed, geen knoop ontbreekt aan de slobkous!”
Op één dier dagen vóór '70 wandeldeLasserreop de tentoonstelling. In de verte komtHelloaanwandelen. Hij komt naarLasserre, en zegt: „Ik verwonder mij, mijn vriend!” „Waarom?” voertLasserrehem tegemoet. „Ik kwam langs de Tuilerieën, en verwonder mij, dat zij niet in vlammen staan!”
Die man is krankzinnig, zegt een ander totLasserre.
Nog slechts korten tijd, en de Pruisen staan voor Parijs. De Tuilerieën gaan in vlammen op.
Vreeselijk, wanneer een dergelijk lot Duitschland moest treffen!
Nòg heeft 't Duitsche volk veel voor boven 't Fransche. Nòg heeft Duitschland vele profeten, die het volk getrouw waarschuwen. Moge 't naar dezen nog luisteren!
Toen ik gisteren, aan den avond van des keizers verjaardag, de sneeuw zag liggen op de bergen, dacht ik onwillekeurigaan 't woord van Jesaja tot Juda: „Komt dan, en laat ons samen rechten, zegt de Heere; al waren uwe zonden als scharlaken, zij zullen wit worden als sneeuw”.
Hoore 't Duitsche volk nog naar dit woord van God! Ook voor de toekomst van ons volk zal dit van de grootste beteekenis zijn.
Onwillekeurig heb ik nu mijn maat al vol geschreven. Laat ik u nog even mededeelen, hoe 't mij gaat. Ik ben overgelukkig, dat ik u kan berichten, dat 't mij zeer wel gaat. Deze derde kuur schijnt mij de gezegendste, die ik gemaakt heb. O wat zal ik gelukkig zijn, wanneer ik weer aan 't openbare leven kan deelnemen!
Verheerlijke de Heere daartoe de wonderen Zijner goedheid en almacht aan mij, onwaardige, en verhoore Hij uwe en onze gebeden!
Weest allen tezamen den Heere bevolen door
uw u liefhebbenden oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Heidelberg, 4 Februari 1914.
Geliefde gemeente!
Van 9 Januari tot heden, 4 Februari, heb ik wederom in Heidelberg vertoefd; terwijl ik mij gereed maak om te vertrekken, zie ik terug op de dagen, die achter mij liggen, en dankbaarheid aan den Heere doet mijn hart met snelle vreugdeslagen kloppen.
Het is vandaag een schoone dag hier; een lentedag in den winter; er is een heldere lucht, een vriendelijk zonnetje. Er waait geen windje. „Ueber allen Gipfeln ist Ruh!” Boven op de bergen, overal is 't heerlijke stilte in de natuur. Heerlijk symbool van wat op dezen dag mijn hart vervult.
De Heere heeft alles wederom zoo wel gemaakt. Hij heeft mij beloofd, voor mij te zullen zorgen, en geen tittel of jota van dat woord is ter aarde gevallen. Integendeel, de uitkomst heeft een klemtoonteeken geplaatst boven de rijke belofte Gods. Hij heeft vriendelijke handen gegeven, die voor ons wilden zorgen, en die ik in gedachte zegen. Hij heeft mij thans weer gesterkt gedurende een sterk aangrijpende kuur. Behalve de dagelijksche inspuitingen heb ik 14 Röntgen-bestralingen gehad; dit is zelfs één boven 't maximum, dat hier wordt toegediend. Daarbij heb ik zes radium-bestralingen ontvangen, elk van vijf uren. Reeds de dagelijksche inspuitingen grijpen 't gestel zóó aan, dat alle patiënten er tegen opzien. Nochtans heb ik alles zonder eenig bezwaar mogen doorstaan. In geen maanden hebben zich bloedingen vertoond. Mijn gewicht bleef gedurende de kuur hetzelfde, mijn krachten zijn weer aanmerkelijk toegenomen. En terwijl wij vertrekken, gloort de hope op een algeheele genezing mij als 't licht van een nieuwen levensmorgen tegen. Het is een lentedag in den winter, en al wat in mij is, jubelt den Gever van alle goede gaven tegemoet, om Hem te danken voor zooveel gunst aan een onwaardige en ellendige bewezen.
Hoeveel de Heere ook geeft, ik heb evenwel nog meer te vragen. En vooral twee wenschen kiemen thans op in mijn hart, één voor 't „Jenseit”, één voor 't „Diesseit”, één voor 't geestelijke, één voor 't tijdelijke leven.
De Heere geeft mij een langzaam, een gestadig herstel. Behaagt 't Hem mij volkomen te genezen, dan heb ik voor 't geestelijke leven den innigen wensch, dat de Heere mij en mijn huis steeds nader tot Hem brenge. Alleen de ware levensheiliging geeft ware levensvreugde; waar de heiligmaking is, bloeit de hoogste vreugde, zelfs in dagen van zware krankheid, zelfs inkerkerholen, zelfs in de zevenmaal heeter gestookte ovens.
Met de oude mystieken ging ik te rade, wat de beste middelen zijn om de vervulling van dezen wensch te verkrijgen, en met hen kwam ik tot 't besluit, dat demeditatieof deoverdenking, deoratieof 'tgebed, decontemplatieof deinwendige geestelijke aanschouwingde voortreffelijkste wegen zijn, die leiden tot 't voorgestelde doel.
Tweemaal lezen wij in Lukas 2 van Maria, dat zij de dingen, die haar omtrent Jezus gezegd werden, bewaarde in haar hart; éénmaal, dat zij die tezamen bij zichzelve overlegde. Mariamediteerdeover hetgeen de herders, een Simeon, een Hanna haar zeiden. We kunnen veilig aannemen, dat vooral 't woord van Simeon haar als lood op de ziel heeft gewogen, en dat zij er veel en zwaar over heeft nagedacht. Wat was de vrucht daarvan? Dat haar in de donkerste ure van haar leven, toen zij bij 't Kruis stond, 't lichtdaaroveropging, en juist dit licht behoedde haar toen voor algeheele vertwijfeling. Het mediteeren over 't Woord Gods, de wegen Gods, de leidingen Gods, is als de hamerslag, die de nagelen van het Woord steeds vaster slaat in onze ziel. Dit mediteeren ontsteekt de witte vlam der heilige wijsheid in onzen geest; deze wijsheid is als 't oog der ziel; dit oog ziet 't perspectief der hope, waar anderen in dikke duisternis rondtasten.
Aan dit rustig mediteeren hebben we vooral tegenwoordig zulk een groote behoefte. De zaken, die wij dagelijks moeten doen, zijn zoo groot en zoo vele, en de dagen zijn zoo kort. We hebben altijd zulk een haast. Dit is niet goed. Op deze wijze loopt onze geest ledig, en wij moeten hem vullen. Wij nemen er den tijd af voor allerlei dingen. Laten wij er ook den tijd afnemen voor de godvruchtige meditatie. Deze doet ons als Mozes te midden van devele drukten van 't leven nabij den Heere leven, en verhoogt 't gewicht en de kracht van ons bestaan.
In de tweede plaats noemde ik als middel om nabij den Heere te leven deoratieof 'tgebed.
Te mogen bidden, te mogen spreken met den Koning der koningen, welk een eere! Te kunnen bidden, welk een verlichting in de ure der benauwdheid! Het klagend hart heeft zoo gaarne een luisterend oor. Welk een troost, wanneer wij in tijden van diepe droefenis met de psalmisten 't boordevolle hart mogen uitstorten voor Hem, die Zich wendt tot het gebed desgenen, die gansch ontbloot is. Van den troost en de kracht van 't gebed staat zooveel in 't Woord van God geschreven, dat ik er niet breed over wil uitweiden.
Alleen op één sprekend voorbeeld wil ik nog wijzen. Jeruzalem wordt door Sanherib belegerd, en ongeveer op dienzelfden tijd is Hiskia doodelijk krank. En 't ergste is, het volk is door zijn zondig verleden rijp voor 't gericht. Welk een hachelijke toestand! Hiskia wendt zich in dezen hoogen nood weenend tot den Heere. De Heere hoort. De koning wordt door een wonder genezen. Het Assyrisch leger van honderd vijf en tachtig duizend man wordt in één nacht geveld. De stad wordt verlost. De ongerechtigheid wordt vergeven. Welk een overweldigende rijkdom van zegen op 't gebed van één man! Broeders en zusters, laat 't gebed de kracht van ons leven zijn, zoo zal er zeker kracht van ons uitgaan.
Als derde hulpmiddel voor de bevordering van 't gemeenschapsleven met den Heere, noemde ik decontemplatieof deinnerlijke geestelijke aanschouwing.
Wanneer een onzer verwanten een ongeluk treft, bij een spoorwegongeval omkomt, of te water valt en verdrinkt, stellen wij ons telkens de ramp voor oogen. Het is, of wij den geliefde door de rails zien verbrijzelen, ofwij hem in de golven zien wegzinken. Het is ons, of wij zijn laatste angstkreten hooren. Een oogenblik staan wij op om hem ter hulp te snellen. Zóó krachtig werkt 't voorstellingsvermogen in den mensch. Het werkt in zulke gevallen zoo krachtig door de liefde, die wij voor den getroffene gevoelen.
Alzoo is de liefde ook de drijfkracht in de innerlijke, geestelijke aanschouwing. Zij dringt ons, om ons den Heiland voor oogen te stellen, zooals Hij lag in de kribbe, zooals Hij rondwandelde door Kanaän, zooals Hij worstelde in Gethsémané, zooals Hij leed voor Kájafas, Pilatus, Herodes en aan het kruis, zooals Hij na Zijn opstanding verscheen aan Zijn jongeren, zooals Hij opvoer ten hemel, en zooals Hij nu naar de heerlijke beschrijving van Johannes is gezeten ter rechterhand van den Vader. Zijn wij recht levendig in deze aanschouwing werkzaam, dan is 't ons, of zij ons een wijle buiten ons zelven brengt.
Heerlijk is de vrucht dezer contemplatie.
Zij vereenigt ons op 't allernauwst met den Heere, zij doodt den zinnelijken lust, zij vervult de ziel met 't hemelsch ideaal, zij doet ons als Henoch wandelen met God, zij brengt een heerlijken glans op ons leven. Blonk het aangezicht van Mozes, toen hij van den berg kwam, waar hij met den Heere had verkeerd, ook op ons gansche zijn komt de gouden glans van den hemel.
Alzoo beleven wij waarlijk, wat Paulus schrijft, 2 Cor. 3: 18: „Wij dan, de heerlijkheid des Heeren als in een spiegel aanschouwende, worden naar hetzelfde beeld in gedaante veranderd, van heerlijkheid tot heerlijkheid, als van des Heeren Geest.”
O heerlijk, o gelukkig, o gezegend leven!
Behaagt 't den Heere nog jaren tot mijn levensdagen toe te voegen, 't behage Hem dan ook, dit leven mij te schenken, opdat ik reeds op aarde den hemel mag beginnen,en volkomen mag zijn voor de taak, die mij wacht.
Over mijn tweeden wensch hoop ik U een volgende maal te schrijven.
't Bovenstaande schreef ik 's morgens vóór mijn vertrek uit Heidelberg. 2.19 stapten we te Heidelberg in den trein. We hadden een voorspoedige reis; precies op tijd liep 's avonds even over tien onze trein 't station te Amersfoort binnen. Onze beide jongens waren aan den trein, en ge begrijpt de vreugde van 't wederzien. Den Heere zij lof en dank voor alles.
Ontvangt van mijn vrouw en huisgenooten de hartelijke groeten.
Weest allen tezamen den Heere bevolen door
uw u liefhebbenden oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Amersfoort, 10 Februari 1914.
Geliefde gemeente!
In mijn vorig schrijven heb ik U reeds onze behouden aankomst in Amersfoort gemeld. Zoo spoedig mogelijk ben ik hier naar mijn huisdokter gegaan, om mij wederom te laten onderzoeken. Hij was buitengewoon tevreden over de in- en uitwendige resultaten der kuur.
Alzoo ga ik dan, den Heere zij daarvoor lof en prijs, langzaam maar gestadig vooruit. Natuurlijk zou ik liever zien, dat mijn genezing grootere sprongen maakte. Maar wij weten niet, wat wij moeten begeeren. In Heidelberg is men van oordeel, dat een langzame maar steeds doorgaande genezing beter is dan een plotselinge, omdat zich bij de snelle genezingen de meeste terugvallen voordoen, terwijl een langzame maar gestadige voortgangder genezing de meeste kans biedt, dat men voorgoed van de kwaal wordt bevrijd.
Hoe dit zij, ik geef 't over aan den Heere, die mij beloofd heeft voor mij te zorgen. Dezer dagen wilde Hij mij wederom nog zoo krachtig vertroosten met de woorden van Ps. 91: 1, „Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduwe des Almachtigen”. Wat zal ik nog meer wenschen? Wat anders dan dat heel deze weg mij maar altijd nader brenge tot den Heere, mij altijd inniger Zijn gemeenschap doe smaken. Dit is 't Hoogste en Zoetste. Daarvan zing ik met Tersteegen in zijn overschoon lied: „De vereeniging met God”.
Ich bin im dunklen Heiligtum,Ich bete an und bleibe stumm;O ehrfurchtfolles Schweigen!Der beste Redner sagt mir nicht,was man hier ohne Reden spricht,durch Lieben und durch Beugen.Hier ist die stille Ewigkeitein immerwahrend selges Heut,dies Nun kann alles geben.Die Zeit vergeht mir süsz un sacht;Ich möchte beten Tag und Nacht,bei Gott im Geiste leben.Hier ist mein wahres Element,ein Friedensland, weit ohne End,von Milch und Honig flieszend,Hier quilt im Grund ein Balsenflusz,durch alle Kräfte des Genusz,So sänftiglich ergieszend.
Ich bin im dunklen Heiligtum,Ich bete an und bleibe stumm;O ehrfurchtfolles Schweigen!Der beste Redner sagt mir nicht,was man hier ohne Reden spricht,durch Lieben und durch Beugen.
Hier ist die stille Ewigkeitein immerwahrend selges Heut,dies Nun kann alles geben.Die Zeit vergeht mir süsz un sacht;Ich möchte beten Tag und Nacht,bei Gott im Geiste leben.
Hier ist mein wahres Element,ein Friedensland, weit ohne End,von Milch und Honig flieszend,Hier quilt im Grund ein Balsenflusz,durch alle Kräfte des Genusz,So sänftiglich ergieszend.
Dat is:
Ik ben in 't donker heiligdom;Aanbiddend, blijf ik stom;o diep eerbiedig zwijgen!De beste spreker zegt mij nietwat men hier zonder woorden spreekt,doorLievenen doorBuigen.Hier is de stille eeuwigheid,eenaltijddurendzalig heden;dit „nu” kan alles geven.De tijd gaat voorbij zoet en zacht;Ik wilde wel bidden dag en nacht,Om in den geest bij God te leven.Hier is mijn ware element,een vredes-land zonder end,van melk en honig vloeiend.Hier ontspringt een balsembron,die 't genot in alle zielekrachtenzoo zoetelijk doet stroomen.
Ik ben in 't donker heiligdom;Aanbiddend, blijf ik stom;o diep eerbiedig zwijgen!De beste spreker zegt mij nietwat men hier zonder woorden spreekt,doorLievenen doorBuigen.
Hier is de stille eeuwigheid,eenaltijddurendzalig heden;dit „nu” kan alles geven.De tijd gaat voorbij zoet en zacht;Ik wilde wel bidden dag en nacht,Om in den geest bij God te leven.
Hier is mijn ware element,een vredes-land zonder end,van melk en honig vloeiend.Hier ontspringt een balsembron,die 't genot in alle zielekrachtenzoo zoetelijk doet stroomen.
Behaagt 't den Heere, mij te herstellen, dan heb ik natuurlijk ook nog een tweede begeerte, n.l. spoedig te mogen ingaan tot den arbeid, die zoo geheel de liefde van mijn hart heeft, den arbeid onder voogdij- en regeeringskinderen, onder ontslagen gevangenen, drankzuchtigen en zwervers.
Volgens sommigen is deze arbeid wel nutteloos; zij beschouwen eigenlijk alleen dan een bekeering als echt, wanneer iemand van zijn jeugd af als een kind des verbonds heeft geleefd. „Wacht u voor bekeerde Joden, voor bekeerde hoeren, voor bekeerde bandieten! Een vos verliest wel zijn haren, maar niet zijn streken.” Ziedaar hun standpunt!
Er is zeker weinig betoogkracht noodig om dadelijkte doen zien, dat dit standpunt onhoudbaar is.
Het strijdt met de Schrift. De eerste Christelijke gemeente is uit bekeerde Joden als evenzoovele levende steenen opgebouwd, en hoeveel goeds wordt in de Schrift van haar gezegd. Een moordenaar volgde den Heiland in 't paradijs. Hoeveel liefde bewees de vrouw, aan wie veel vergeven was!
De feiten werpen ook dit heele standpunt omver. Denkt slechts aan een Da Costa, een Neander, eenJohn Bunyan, eenRowland Hill.
De ervaring bewijst juist, dat menschen met een zwarte jeugd, wanneer zij waarlijk bekeerd worden, zich na hun bekeering zoo ver mogelijk van dit zwarte punt zoeken te verwijderen, en als Maria Magdalena zoo dicht mogelijk bij den Heere zoeken te zijn.
O, ik brand dan ook van verlangen, om dien arbeid te beginnen onder deze ellendigen en verlorenen.
In de stichting voor voogdij- en regeeringskinderen zullen we in den regel wel alleen degenen krijgen, die voor de gezinsverpleging ongeschikt zijn. Dit is dus 't minste soort. Maar o, wat lokt 't mij aan, deze zwarte schapen hun weg voor oogen te stellen, en hun te doen zien, hoe deze weg hen ten ondergang voert! Hoe lokt 't mij aan, hun tegelijk den oneindigen rijkdom van Christus' zoekende liefde te prediken, en hun den weg te wijzen, die leidt tot een eeuwig behoud!
Ook van de opleiding voor maatschappelijken arbeid stel ik mij veel goeds voor. Terecht heeft de Regeering ingezien, dat zij voor heel de opvoeding van dergelijke kinderen de krachten van 't particulier initiatief moet te hulp roepen. Vooral in de particuliere stichtingen kan de Christelijke liefde haar werk doen. Met dwang alleen komt men trouwens in 't werk der opvoeding niet veelverder. Laat de plantagehouder zijn slaven op den akker zenden, laat hij den man met de zweep medezenden; 's avonds keeren de slaven wel terug met de vruchten van hun arbeid, maar ook met een hart vol haat tegen den meester en tegen den arbeid. Liefde tot den arbeid moet den kinderen worden ingeprent. Daartoe moeten dwingend gezag en Christelijke liefde samenwerken.
De andere arbeid, onder ontslagen gevangenen, drankzuchtigen en zwervers, is van niet minder belang.
In den regel stellen wij ons voor, dat de gevangene in zijn kerker vurig naar de vrijheid verlangt. En dit is ook zoo. Toch is er iets, dat hem al 't genot der vrijheid geheel vergalt. De gevangene weet, dat hij in zijn gezin de eereplaats kwijt is. Werk krijgt hij niet gemakkelijk meer. Wie wil iemand hebben, die gezeten heeft? Velen vallen na hun ontslag uit de gevangenis in de misdaad terug, en zij gaan hun verder leven van de gevangenis in de maatschappij, van de maatschappij in de gevangenis. Dit moet voorkomen worden. Deze menschen moeten geholpen worden. „Peccator est, comprime; homo est, miserere!” „Hij is een misdadiger, bestraf hem; hij is een mensch, heb medelijden met hem!”
Ook voor de drankzuchtigen moet er eenretraite(rustplaats) zijn, waar hun verstoord zenuwleven hersteld wordt, en waar zij onder de bearbeiding der Christelijke liefde tot den strijd tegen de drinkgewoonte worden gesterkt.
Het moeilijkst te behandelen zijn de zwervers, de arbeidsschuwen; die leven van bedelarij en diefstal. Maar de Heere kan ook uit deze steenen kinderen Abrahams verwekken.
O geve mij de Heere dezen arbeid te mogen beginnen!
Geliefden, houdt aan in 't gebed voor mij! Verblijdeons de Hoorder der gebeden nog door Zijn groote daden!
Uw u liefhebbende oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Amersfoort, 19 Februari 1914.
Geliefde gemeente!
Tot mijn leedwezen kan ik u thans geen uitvoerig schrijven doen toekomen. Ik lig met een lichte maagkatarrh te bed, en kan dus niet schrijven.
Gedenkt onzer, en weest den Heere bevolen
door uwen u liefhebbenden oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Amersfoort, 25 Februari 1914.
Geliefde gemeente!
Het speet mij zeer, dat ik u een vorig maal door een lichte maagkatarrh, die mij een paar dagen aan 't bed bond, geen uitvoerig schrijven kon doen toekomen. Van deze kleine ongesteldheid ben ik thans, den Heere zij dank, geheel hersteld.
Wat de eigenlijke kwaal aangaat, behoudt 't proces zijn gewoon verloop. Den éénen dag gevoel ik me eens wat beter dan den anderen dag; maar over het geheel genomen ga ik toch langzaam vooruit.
Ik zal echter lang moeten wachten, voordat ik geheel hersteld zal zijn, wanneer 't den Heere althans behaagt mij te genezen. Dit lange wachten valt weleens moeilijk.
Toch zou ik mij zeer bezondigen, wanneer ik klaagde. De Heere maakt 't gedurende dezen wachttijd in alle opzichten zoo boven bidden en denken wel.
Ik denk in deze dagen veel aan Mozes' beproeving in Midian.
Door Gods allerbijzonderst voorzienig bestel is hij door de hand eener prinses uit 't water getogen, en door haar zorg met de wijsheid van Egypte als overgoten. Temidden dezer heidensche opvoeding bevestigt de Heere nochtans aan Mozes Zijn verbond, dat Hij met Abraham heeft opgericht, en door deze heerlijke genadedaad Gods kiest Mozes in zijn hart den smaad van 't onderdrukt slavenvolk boven alles wat 't heidensch Egypte hem kan bieden. Een heerlijk levensideaal teekent zich af voor Mozes' oog. Hij voelt zich de providentiëel aangewezen verlosser van zijn arme volk, en hij trilt van verlangen om als zoodanig te mogen optreden. Hij is nu veertig jaar geworden. Hij gaat zijn volk bezoeken. Hij ziet een Egyptenaar een Israëliet mishandelen. Hij grijpt den verdrukker en velt hem neer.... Dit zal 't sein worden tot den algemeenen opstand van 't vertrapte slavenvolk! Nu zal de geweldige strijd beginnen!.... Droef verstoorde illusie!. Den volgenden dag treedt een Israëliet als verrader tegen Mozes op. Wel een bewijs, dat dit volk allerminst rijp is voor de groote worsteling. Het zal nog zwaarderverdruktmoeten worden, voordat de Israëlietische heldenziel ontwaakt. Mozes' eigen leven raakt in gevaar. Hij vlucht de woestijn in, totdat hij in Midian een veilig toevluchtsoord gevonden heeft bij Réhuël, den priester-sjeik, die den jongen man niet alleen in zijn huis maar ook in zijn familie opneemt. Hier vertoeft Mozes veertig jaren, van week tot week, van maand tot maand, van jaar tot jaar de kudde weidend van zijn schoonvader Réhuël.
Welk een domme zaak voor 't oppervlakkig oog! De Heere formeert Mozes tot een verlosser voor zijn volk, en op 't oogenblik dat deze man Gods als zoodanig wil optreden, breekt de Heere Zijn eigen werk af. In plaats vanIsraël aan te voeren in den strijd tegen Egypte, moet hij veertig jaren achtereen 't vee van Réhuël weiden in de woestijn. Ossen en schapen hoeden kan iedereen; voor de verlossing van een volk is een allerbijzonderste zalving van noode; aan Mozes is de zalving gegeven, en zie, daar wordt de kostelijke middelmoot van 't leven van dien man, van zijn 40e tot zijn 80e jaar, als waardeloos in de woestijn weggeworpen. De geweldige leeuw wordt voor een zandkarretje gespannen, en moet zoo veertig jaren achtereen zijn reuzenkracht verbruiken in nietig werk. Welk een beproeving voor Mozes!
Zeer juist! Maar evenals alle beproeving is deze weg voor Mozes de meest gezegende; deze lange omweg is de rechte weg, waarin zijn opvoeding tot verlosser des volks moet worden voltooid. Neen, de man, die daar kersversch uit de Egyptische omgeving kwam, was nog niet de rechte man voor de groote taak, die hem wachtte. Zeker, hij is vol van geloof; maar ook vol van eigenwaan. Met welk een illusie gaat hij naar de broeders. Hij zal zwaardwettende krijgszangen slingeren in de gemoederen van die martelaren, wien hij hulpe heeft toegezegd.... bij Mozes, den man Gods. De Heere zal aan de spitse treden, en door des Heeren zegen zal onder Mozes' leiding het verdrukte slavenvolk tot een heldenvolk worden, dat zich aan den greep der Egyptische onderdrukking ontworstelt. Welk een held is die Mozes! Maar in eigen oog! Ternauwernood is zijn eerste verlossingsdaad verraden, of...., hij slaat dadelijk op de vlucht. Er moet nog iets meer aan hem gebeuren, als hij werkelijk is de man Gods, die zich vasthoudt aan den Heere als ziende den Onzienlijke, en die daarom tegenover Faraö pal staat als Sinaï's rots. Dat groote werk wordt nu aan Mozes gewrocht in Réhuëls huis en in de woestijn! Daar leert hij, wat hij in Egypte niet had kunnen leeren. Midian is dehoogeschool, die Mozes eerst nog moest doorloopen, voordat hij bekwaam was voor zijn hooge taak. Ongetwijfeld heeft ook Mozes dit later alles ingezien, en er den Heere voor gedankt.
Op soortgelijke wijze als voor Mozes heeft de Heere aanvankelijk de beproeving ook voor mij gezegend.
Zeker, het kruis is hard, zwaar, drukkend. Niemand mag 't begeeren. Dit ware tegen de ordening Gods. Ieder verdrukte mag en moet, mits met ootmoedige en eerbiedige onderwerping van eigen wil aan des Heeren souvereinen, wijzen, ook heiligen wil, bidden om wegneming van 't kruis.
En toch, wanneer 't den Heere behaagt, 't kruis op te leggen, en den druk aan hart en leven te heiligen, is er niets meer zegenrijk dan 't kruis.
Dan wordt 't bevestigd:hoe grooter kruis, hoe dichter bij den Heere. Nooit vergeet ik 't oogenblik, toen mij gezegd werd, dat ik de bekende, vreeselijke ziekte had. Daar stond ik, vlak voor den dood, vlak voor de eeuwigheid, vlak voor den Heere. Rijk was de genade, die de Heere toen schonk. Het was mij om 't even, wat de Heere met mij deed, indien ik slechts nabij Hem mocht zijn. Ook ik gevoelde levendig en voortdurend, wat Tersteegen in verheven dichtwoorden zingt:
Luft, die alles füllet, drin wir immer schweben,aller Dinge Grund und Leben;Meer, ohne Grund und Ende, Wunder aller Wunder:Ich senk mich in Dich herunter.Ich in Dir, Du in mir;lasz mich ganz verschwinden,Dich nur sehn und finden.
Luft, die alles füllet, drin wir immer schweben,aller Dinge Grund und Leben;Meer, ohne Grund und Ende, Wunder aller Wunder:Ich senk mich in Dich herunter.Ich in Dir, Du in mir;lasz mich ganz verschwinden,Dich nur sehn und finden.
Dat is:
Lucht, die alles vult, waarin wij altijd zweven,aller dingen Grond en Leven;Zee, zonder grond en eind, wonder aller wonderen:Ik zink in U ten onderen.Ik in U, Gij in mij:laat mij geheel verdwijnen,U slechts zien en vinden.
Lucht, die alles vult, waarin wij altijd zweven,aller dingen Grond en Leven;Zee, zonder grond en eind, wonder aller wonderen:Ik zink in U ten onderen.Ik in U, Gij in mij:laat mij geheel verdwijnen,U slechts zien en vinden.
O, gezegend kruis, dat zulk een heil mij bracht!
Hoe grooter kruis, hoe sterker geloof.Waar alles wordt afgesneden, hecht zich 't geloof steeds vaster aan Hem, Die een afgesneden zaak op aarde doet, en Die Zich wendt tot het gebed desgenen, die gansch ontbloot is. Wie beschrijft den troost, dien dit geloof medebrengt? Dit geloof onderwerpt zich volkomen aan Gods soevereinen, wijzen en heiligen wil; maar 't blijft tegelijk hopen, waar allen wanhopen.
Hoe grooter kruis, hoe vuriger liefde.De verdrukking is de stormwind, die 't liefdevuur hooger en hooger doet oplaaien. Het „God heb ik lief!” van den 116en psalm ruischt inniglijk op uit den diepen bodem des harten. Die liefde is het leven, dat den dood niet vreest, maar met den dood eerst tot zijn rechte uiting komt. Zou ik dan 't kruis niet kussen, dat zulken zegen brengt?
Hoe grooter kruis, hoe schooner kroon.