Uw u liefhebbende oud-leeraar,R. J. W. RUDOLPH.P.S. Den dichter uit Sassenheim mijn diepgevoelden dank.*)Eigenlijk geeft de Heere geen enkele verklaring van Zijn doen met Job. Zijn wegen zijn hooger dan onze wegen, Zijn gedachten dan onze gedachten. Hij geeft aan nietig stof geen rekenschap van Zijne daden. God alléén is groot, en wij begrijpen Hem niet, maar daarom aanbidden wij Hem.Amersfoort, 7 April 1914.Geliefde gemeente!Ook thans poog ik een schrijven aan u saam te stellen.Het roemend, zoowel als 't klagend hart heeft zoo gaarne een luisterend oor. Dit biedt ge mij steeds. Nooit behoef ik in mijn „Gethsémané” te zeggen: „Kunt gij dan niet één uur met mij waken?” Uwe belangstelling is beschamend! Daarom span ik mij gaarne wat in om u, geliefde gemeente, te melden waarnaar gij verlangend uitziet.31 Maart ben ik dan aan de keel geopereerd geworden.De bedoeling dezer operatie was om een buis aan te leggen in de keel, den loop der adem daardoor vrij te maken tegenover de verdikking van de tong en tegenover de slijmvorming in den mond, en mij op deze wijze nachtrust te bezorgen. Het is dus wat de geneesheeren noemen, een palliatieve, een verlichtende operatie.Met 't uitzicht daarop liet ik mij met vroolijken moed naar de operatiekamer voeren. In dezen ben ik mijzelven een raadsel. Evenals alle menschen ben ik steeds met operatievrees bezet geweest. De Heere heeft die vrees echter geheel weggenomen.In de dagen vóór de operatie sterkte ik mij maar weer in den 91en psalm: „Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduwe des Almachtigen.”Gelukkig, er is voor Gods volk een schuilplaats in allen nood. Zie 't in Noachs historie! In Davids leven! In 't leven van heel de kerk!En wat is die schuilplaats veilig!Ze is de schuilplaats des Allerhoogsten!Gods gemeente is met Christus in den hemel gezet. In beginsel is zij met Paulus opgetrokken in den derden hemel.O wat voelde ik mij daar volkomen veilig! Ik was volkomen verzekerd, dat geen kwaad mij kon overkomen.En hoe was ik daar gekomen, in die schuilplaats!O wonder, o wonder, o wonder van genade! De Heere heeft naar mij willen omzien, en mij in Jezus aangezien. Ach wie ben ik altijd geweest! De Heere is de eerste geweest om mij te trekken, om mij met 't geloof te begaven, om mij te rechtvaardigen, om mij te heiligen, om mij te verlossenen mij een schuilplaats te geven. De overdenking daarvan vervulde mijn hart met aanbidding van Gods heerlijke, vrije genade.„Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduwe des Almachtigen.” Den nacht zijner beproeving zal hij doorbrengen in de onmiddellijke tegenwoordigheid van den Almachtige, Die kan en wil helpen.Dit heb ik bij deze operatie weer ondervonden.'s Middags te drie uur werd ik naar de operatiekamergebracht, waar vier doctoren en drie pleegzusters mij wachtten. Ik werd gelukkig niet weggemaakt. Dit geschiedt bij deze operatie, geloof ik, nooit. Het is ook niet noodig. Het gevoel, dat men aan uw keel kerft, nu en dan wat weeë pijn, dit moge u wat aangrijpen; maar dat is ook alles. Ongelukkig was de buis wat groot, en 't gat te klein gemaakt. Daardoor moest men opnieuw aan 't snijden en knippen. Ik maakte mij echter allerminst onrustig. Ik nam gedurende de heele operatie de toevlucht tot Jezus' lijden, en stelde mij voor oogen, wat Hij heeft geleden om onze zonden. O onvergetelijke ure! Hij sterkte mij krachtig. Vroolijk had ik mij neergelegd. Vroolijk mocht ik oprijzen, nadat de operatie, die ruim een half uur duurde, was afgeloopen.Het doel, dat er mee beoogd werd, is volkomen bereikt.De verlichting is groot.O, heerlijke nachten van verkwikkenden slaap, die ik nu mag genieten!Soli Deo Gloria!Gode alleen zij de eere!Meer schrijf ik thans niet.Ik moet vanmiddag weer verbonden worden. Ook dit is zeer pijnlijk, en ik moet daarvoor mijn krachten sparen.Hartelijk gegroet, geliefde gemeente! Weest allen den Heere bevolen dooruw u liefhebbenden oud-leeraar,R. J. W. RUDOLPH.Amersfoort, 15 April 1914.Geliefde gemeente!Het is met eenige moeite, dat ik thans de pen gebruik. De dagen van 31 Maart, den dag mijner operatie, tot heden, waren eenerzijds dagen van groote verkwikking; maar ook aan den anderen kant dagen van veel lijden.Ik ben thans een dubbele invalide. Ik werd om den anderen dag verbonden; dit veroorzaakte mij telkens veel pijn. Daarbij komt de dagelijksche kwelling mijner kwaal. Dit alles heeft mij zeer verzwakt.Gelukkig vielen in dezen moeilijken tijd de plechtige stille week en de heerlijke Paaschdagen.In de stille week volgde ik in mijne gedachten 't lijden van den Heiland.Vooral op den Goeden Vrijdag was ik daarmede bezig. Ik stelde mij voor oogen, hoe het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt, door de moordenaren op de slachtbank werd geworpen, hoe zij de knie op zijn borst zetten, om Hem aan 't vloekhout vast te binden. Ik hoorde in den geest de hamerslagen. Ik zag als voor oogen, dat 't kruis werd opgericht. Mijn ziel trilde van diepe ontroering, toen ik daarna dacht aan 't eerste kruiswoord: „Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen”. Ik dacht aan Zijn verder lijden. Aan Zijn zielelijden, door de uitbarstingen van haat tegenover zooveel liefde, door het dragen van den last onzer zonden en den toorn van God, door de verlating Gods. Eindelijk is 't lijden volleden. De Heere spreekt Zijn laatste woorden: „Het is volbracht!” Het hoofd buigende geeft Hij den geest. En bij vernieuwing zinkt mijne ziel met al haar zonde en schuld op dit heerlijke volbrachte werk van Christus. In mijn binnenste jubelt 't, wat Paulus schreef:„Dien die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt,opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem!”Daarop volgden de heerlijke Paaschdagen met hun blijde klanken.Hoe rijk is de beteekenis van 't Paaschfeest voor den lijder, die in Christus een erfdeel heeft gekregen onder de geheiligden in 't licht.Rondom hem zingt alles van ontwakend natuurleven; zijn lijden is daarmede in schril contrast. Treffende bevestiging van 't woord der Schrift:„Alle vleesch is als gras en alle heerlijkheid des menschen is als een bloem van het gras. Het gras verdort. De bloem valt af.”Telkens en telkens wordt dit weer gezien. Een wandelaar komt in een heerlijk lustoord. Liefelijke bosschaadjes wisselen af met blinkende watervallen; slingerpaden voeren langs sierlijke perken. In 't midden van dit schoon geheel staat een kasteel, dat een tooverpaleis schijnt. Vol bewondering laat de wandelaar zijn oog over dit alles gaan. Daar wordt de deur van 't kasteel geopend. Een dame, zwaar in den rouw, treedt naar buiten, en wandelt met gebogen hoofd op 't terras op en neer. Zij heeft een zwaar verlies geleden, en al haarheerlijkheidheeft haar waarde voor haar verloren.Zóó zit ieder in dit tranendal éénmaal op de puinhoopen van zijn verwoest geluk. Ieder menschenleven wordt eenmaal weggenomen door den dood. Ach, hoe treurig is 't dan met hem, die zijn deel alleen in dit leven heeft gezocht. Alles is voor hem voorbij. Het gericht wacht.Hoe geheel anders is 't echter met dengene, die Jezus kent! Al sterft heel de wereld voor hem weg, hij houdt Jezus over; Jezus, Die dood is geweest, maar Die eeuwig leeft; Jezus, de geestelijke mensch, de Heere der heerlijkheid, die den Zijnen de welgegronde hope der zaligheid en heerlijkheid schenkt in de onzienlijke wereld.Er is tweeërlei wereld; een zienlijke en een onzienlijke. De zienlijke wereld gaat voorbij; de onzienlijke blijft. Ook de zienlijke wereld heeft hare beteekenis. Al 't vergankelijke is gelijkenis; en al de heerlijkheid der zienlijke wereld wijst naar die der onzienlijke wereld heen, waar de palmen wuiven en de kristallijnen wateren stroomen.Mogen wij ons verzekerd houden van de wezenlijkheid dezer onzienlijke wereld?Daarop geeft de Paaschdag het antwoord. Jezus heefthet leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht.Wij hebben geen dooden, maar een levenden Zaligmaker, die den Zijnen dit zalige, heerlijke, eeuwige leven schenkt.Zietdaar, geliefden, mijne Paaschoverdenking.Zij bracht mij rijke vertroosting.Zij deed mij stille zijn in mijn beproeving.Zij deed mij innerlijk juichen bij de gedachte van sterven.O, hoe goed is de Heere voor mij!Hier eindig ik. Weest allen dien God en Zaligmaker bevolen dooruw u liefhebbenden oud-leeraar,R. J. W. RUDOLPH.Amersfoort, 22 April 1914.Geliefde gemeente!Het is nu bijna drie weken geleden, dat ik geopereerd werd, en nog steeds blijft mijn toestand stationair. Wat zal de toekomst brengen? Zal de verdikking der tong toenemen, of zal haar dikte terugloopen? Zal ik nu spoedig worden weggenomen, of zal de Heere nog jaren tot mijne levensdagen toevoegen? Ik weet het niet, en onderwerp mij geheel en al aan des Heeren souverein, alléén-wijs, heilig, en—goed bestel.Gelukkig leven!.... Gelukkig leven, dat leven der onderwerping aan des Heeren souvereinen wil.De volstrekte souvereiniteit Gods, zij is de grootste allergedachten. Door Zijn volstrekte souvereiniteit is God alleen waarachtig God.Diep is deze gedachte aan de gemeente ingeprent door Israëls profeten.„Mijn raad zal bestaan, Ik zal al Mijn welbehagen doen,” is 't woord, dat de Heere door de profeten predikt. Toen Job de gedachte dezer volstrekte souvereiniteit Gods vatte, riep hij met vreugde uit: „Met het gehoor des oors heb ik U gehoord;maar nu ziet U mijn oog!” Paulus heeft deze gedachte steeds in zijn brieven ontwikkeld. „Hij is de pottebakker, en wij zijn het leem,” is de grondgedachte van zijn geheiligd denken. En 't is de groote genade en eere der Gereformeerde Theologie, dat zij deze grootste aller gedachten steeds op den voorgrond heeft gesteld.Wij hebben dan ook nooit iets anders te doen, dan ons ter beschikking van Gods souverein welbehagen te stellen. Roept Hij ons tot een hooge plaats, dan hebben wij te volgen, al is 't, dat er doornen zijn in den krans, dien Hij om de slapen vlecht. Roept Hij ons midden uit onzen arbeid, en werpt Hij ons op 't bed der smarten neer, ook daar hebben wij ons ter beschikking van Zijn volstrekte souvereiniteit te stellen.O gelukkig leven, wanneer wij dit mogen doen. Dan zijn wij ook geheel en al voor des Heeren rekening. Hij zorgt voor Zijne Daniels. Hij beschaamt nooit, wie Hem verwachten; maar verrast hen zoo, dat zij in 't midden der zwaarste beproevingen met David mogen zingen:„De Heere is mijn Herder,Mij zal niets ontbreken.Hij doet mij nederliggenIn grazige weiden;Hij voert mij zachtkensAan zeer stille wateren.Hij verkwikt mijne ziele;Hij leidt mijIn 't spoor der gerechtigheidOm Zijns Naams wil.Al ging ik ookIn een dal der schaduwe des doods,Ik zoude geen kwaad vreezen;Want Gij zijt met mij;Uw stok en Uw staf,Die vertroosten mij.Gij richt de tafel toeVoor mijn aangezicht,Gij maakt mijn hoofd vet met olie,Tegenover mijn tegenpartijders;Mijn beker is overvloeiende!Immers zullen mijHet goede en de weldadigheid volgenAlle dagen mijns levens;En ik zal in het Huis des Heeren blijvenTot in lengte van dagen.”O, wonder van vertroosting!Is 't leven van buiten een woestijn, van binnen is 't een paradijs.Gaat het hoofd toch een wijle onder kommer en zorg gebogen, dan fluistert de Heere ons in, wat in onderstaand vers zoo liefelijk staat uitgedrukt.Kind, dat ik liefheb, leun óp Mij, leun sterk!Laat meer het wicht der zorgen, die u kwellen,Mij voelen; 'k weet uw last, want kind Mijn werk,Mijn maaksel zijn de smarten, die u kwellen;Ik telde ze af, en heb met eigen hand,Die naar ùw kracht en naar Mijn macht gewogen.Toen Mijne hand ze u toezond uit den hooge,Sprak Ik: Ik zal als Helper bij hem zijn;Naar mate hij Mij deel geeft in zijn pijnZal ik, niet hij, het wicht zijns kruises dragen.Zóó wil ik u, Mijn kind, als gij gelooft,Omsluiten met Mijn arm. O leg uw hoofdAan Mijne borst, gij moogt stoutmoedig vragen.Of zou Mijn arm, die de eeuwen schiep en schraagt,Te kort zijn, waar Mijn uitverkoorne klaagt?Leun sterker steeds! Hoe meer gij aan Mijn schootDe smart vertrouwt van uwer zorgen nood,Hoe meer uw hart zelf binnen u zal roemen:„Te leunen op mijn God, is Hem mijn Helper noemen”.Geliefden, laat die God ook uw toevlucht en sterkte zijn. Nooit kan eenig kwaad u dan werkelijk kwaad doen.Weest allen dien God en Zaligmaker bevolen dooruw u liefhebbenden oud-leeraar,R. J. W. RUDOLPH.Amersfoort, 29 April 1914.Geliefde gemeente!Helaas moet ik beginnen te schrijven, dat ik elken dag achteruit ga. Eergister had ik een hoestbui, waarvan ik dacht, dat ik er in blijven zou. Elke week, elke brief kan de laatste zijn. Daarom wil ik u thans schrijven over 't liefelijkste aller onderwerpen: over 't plaatsbekleedend lijden en sterven en over de voorbede van Jezus.Reeds de naam Jezus is enkel zoetigheid. Sinds Zijn veschijning klinkt aan 't einde van elke eeuw Zijn Naam als een vraag en een antwoord. Meer nog, Zijn Naam is een vraag en een antwoord voor elk arm zondaarshart. Waar zou ik heengaan zonder Hem, wanneer de eeuwigheidmij in de stervende oogen ziet? Waarheen zou ik vluchten zonder Hem, wanneer de angsten van het geweten mij achtervolgen?Reeds vóór Zijn vleeschwording is Zijn plaatsbekleedend lijden aangekondigd in de offeranden der Wet. Steeds moest de Israëliet met een offer voor 't altaar verschijnen. Dit offer werd door den priester gekeurd. De offeraar lei zijn hand op 't offerdier als symbool van de overdracht zijner zonden. Dan werd 't geslacht en verbrand. De opstijgende rook kondigde 't herstel der gemeenschap met God aan.Nu wist de recht-geloovige Israëliet wel, dat 't bloed van stieren en bokken niet zoude reinigen. Maar Jesaja 53 sprak van een ander offer. Daarop zag de geloovige. Hij werd gerechtvaardigd in den Christus, die komenzou, gelijk wij gerechtvaardigd worden in den Christus, die gekomenis.In zijn plaatsbekleedend lijden heeft Jezus alles volbracht wat van Hem is voorzegd. Na Zijn opstanding zit Hij als onze Voorbidder bij den Vader.En hier houd ik even stil!Hoe is er een betrekking gekomen tusschen Hem en mij?Was ik een Obadja, een Jozef?Helaas neen.De dwaasheid was in het hart van den knaap gebonden.Indien de Heere naar mij niet had omgezien, ik had naar Hem niet omgezien. Ik zocht naar God, maar naar een God van eigen maaksel.Met liefelijke trekkingen heeft de Heere mij getrokken, maar ik sloeg de verzenen tegen de prikkelen.Het was een kruisweg op mijn leven.Mijn vrienden kozen m.i. in de studie den verkeerden weg.Ik koos den anderen.De Heere kwam voor mij staan: „Wilt ook gij niet heengaan?”Ik antwoordde: „Neen, Heere, bij U zijn de woorden des eeuwigen levens.” Dit was de eerste besliste keuze.Ik zat als jong predikant in de kerk. Vooraan. Als een Farizeër. Met een gulden in mijn zak voor de diaconie. Wat zou de diaken respect voor dien dominé hebben!De dominé preekte over Zacharia 3. Hij schetste den Farizeër.Ik wilde wel onder de bank wegkruipen.Hij teekende den tollenaar.Ik herleefde. De tollenaar had immers berouw van zijne zonde.Daarna sprak Hij van den Voorspraak.„De Heere schelde u, gij Satan! Is deze mij niet als een vuurbrand uit het vuur gerukt?”Ja, zoo was 't.Indien iets waar was, dan was ik door den Heere als een vuurbrand uit het vuur gerukt!Die tekst is mij altijd bijgebleven.Ik lag in de zonde.De Heere kwam als met uitgebreide armen tot mij, en zeide: „Nu zal ik voor u zorgen!”Hij heeft dit gedaan op de liefelijkste wijze.O, wonderdoende Zaligmaker!O, wonderzoete Jezus!Gij zijt mijn Eén en mijn Alles.Eens eeuwig bij U te zijn, is mijn zaligheid en heerlijkheid.Kom, Heere Jezus. Ja, kom haastelijk!En komt de ure aan des doods:Jezus, Uw verzoenend stervenBlijft het rustpunt van mijn hart,Als wij alles, alles derven,Blijft Uw liefd' ons bij in smart.Och, wanneer mijn oog eens breekt,'t Angstig doodzweet van mij leekt,Dat Uw bloed, mijn hoop dan wekke,En mijn schuld voor God bedekke.Dien heerlijken Naam bevolen dooruw u liefhebbenden oud-leeraar,R. J. W. RUDOLPH.
Uw u liefhebbende oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
P.S. Den dichter uit Sassenheim mijn diepgevoelden dank.
*)Eigenlijk geeft de Heere geen enkele verklaring van Zijn doen met Job. Zijn wegen zijn hooger dan onze wegen, Zijn gedachten dan onze gedachten. Hij geeft aan nietig stof geen rekenschap van Zijne daden. God alléén is groot, en wij begrijpen Hem niet, maar daarom aanbidden wij Hem.
*)Eigenlijk geeft de Heere geen enkele verklaring van Zijn doen met Job. Zijn wegen zijn hooger dan onze wegen, Zijn gedachten dan onze gedachten. Hij geeft aan nietig stof geen rekenschap van Zijne daden. God alléén is groot, en wij begrijpen Hem niet, maar daarom aanbidden wij Hem.
Amersfoort, 7 April 1914.
Geliefde gemeente!
Ook thans poog ik een schrijven aan u saam te stellen.
Het roemend, zoowel als 't klagend hart heeft zoo gaarne een luisterend oor. Dit biedt ge mij steeds. Nooit behoef ik in mijn „Gethsémané” te zeggen: „Kunt gij dan niet één uur met mij waken?” Uwe belangstelling is beschamend! Daarom span ik mij gaarne wat in om u, geliefde gemeente, te melden waarnaar gij verlangend uitziet.
31 Maart ben ik dan aan de keel geopereerd geworden.
De bedoeling dezer operatie was om een buis aan te leggen in de keel, den loop der adem daardoor vrij te maken tegenover de verdikking van de tong en tegenover de slijmvorming in den mond, en mij op deze wijze nachtrust te bezorgen. Het is dus wat de geneesheeren noemen, een palliatieve, een verlichtende operatie.
Met 't uitzicht daarop liet ik mij met vroolijken moed naar de operatiekamer voeren. In dezen ben ik mijzelven een raadsel. Evenals alle menschen ben ik steeds met operatievrees bezet geweest. De Heere heeft die vrees echter geheel weggenomen.
In de dagen vóór de operatie sterkte ik mij maar weer in den 91en psalm: „Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduwe des Almachtigen.”
Gelukkig, er is voor Gods volk een schuilplaats in allen nood. Zie 't in Noachs historie! In Davids leven! In 't leven van heel de kerk!
En wat is die schuilplaats veilig!Ze is de schuilplaats des Allerhoogsten!Gods gemeente is met Christus in den hemel gezet. In beginsel is zij met Paulus opgetrokken in den derden hemel.
O wat voelde ik mij daar volkomen veilig! Ik was volkomen verzekerd, dat geen kwaad mij kon overkomen.
En hoe was ik daar gekomen, in die schuilplaats!
O wonder, o wonder, o wonder van genade! De Heere heeft naar mij willen omzien, en mij in Jezus aangezien. Ach wie ben ik altijd geweest! De Heere is de eerste geweest om mij te trekken, om mij met 't geloof te begaven, om mij te rechtvaardigen, om mij te heiligen, om mij te verlossenen mij een schuilplaats te geven. De overdenking daarvan vervulde mijn hart met aanbidding van Gods heerlijke, vrije genade.
„Die in de schuilplaats des Allerhoogsten is gezeten, die zal vernachten in de schaduwe des Almachtigen.” Den nacht zijner beproeving zal hij doorbrengen in de onmiddellijke tegenwoordigheid van den Almachtige, Die kan en wil helpen.
Dit heb ik bij deze operatie weer ondervonden.
's Middags te drie uur werd ik naar de operatiekamergebracht, waar vier doctoren en drie pleegzusters mij wachtten. Ik werd gelukkig niet weggemaakt. Dit geschiedt bij deze operatie, geloof ik, nooit. Het is ook niet noodig. Het gevoel, dat men aan uw keel kerft, nu en dan wat weeë pijn, dit moge u wat aangrijpen; maar dat is ook alles. Ongelukkig was de buis wat groot, en 't gat te klein gemaakt. Daardoor moest men opnieuw aan 't snijden en knippen. Ik maakte mij echter allerminst onrustig. Ik nam gedurende de heele operatie de toevlucht tot Jezus' lijden, en stelde mij voor oogen, wat Hij heeft geleden om onze zonden. O onvergetelijke ure! Hij sterkte mij krachtig. Vroolijk had ik mij neergelegd. Vroolijk mocht ik oprijzen, nadat de operatie, die ruim een half uur duurde, was afgeloopen.
Het doel, dat er mee beoogd werd, is volkomen bereikt.
De verlichting is groot.
O, heerlijke nachten van verkwikkenden slaap, die ik nu mag genieten!
Soli Deo Gloria!Gode alleen zij de eere!
Meer schrijf ik thans niet.
Ik moet vanmiddag weer verbonden worden. Ook dit is zeer pijnlijk, en ik moet daarvoor mijn krachten sparen.
Hartelijk gegroet, geliefde gemeente! Weest allen den Heere bevolen door
uw u liefhebbenden oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Amersfoort, 15 April 1914.
Geliefde gemeente!
Het is met eenige moeite, dat ik thans de pen gebruik. De dagen van 31 Maart, den dag mijner operatie, tot heden, waren eenerzijds dagen van groote verkwikking; maar ook aan den anderen kant dagen van veel lijden.Ik ben thans een dubbele invalide. Ik werd om den anderen dag verbonden; dit veroorzaakte mij telkens veel pijn. Daarbij komt de dagelijksche kwelling mijner kwaal. Dit alles heeft mij zeer verzwakt.
Gelukkig vielen in dezen moeilijken tijd de plechtige stille week en de heerlijke Paaschdagen.
In de stille week volgde ik in mijne gedachten 't lijden van den Heiland.
Vooral op den Goeden Vrijdag was ik daarmede bezig. Ik stelde mij voor oogen, hoe het Lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt, door de moordenaren op de slachtbank werd geworpen, hoe zij de knie op zijn borst zetten, om Hem aan 't vloekhout vast te binden. Ik hoorde in den geest de hamerslagen. Ik zag als voor oogen, dat 't kruis werd opgericht. Mijn ziel trilde van diepe ontroering, toen ik daarna dacht aan 't eerste kruiswoord: „Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen”. Ik dacht aan Zijn verder lijden. Aan Zijn zielelijden, door de uitbarstingen van haat tegenover zooveel liefde, door het dragen van den last onzer zonden en den toorn van God, door de verlating Gods. Eindelijk is 't lijden volleden. De Heere spreekt Zijn laatste woorden: „Het is volbracht!” Het hoofd buigende geeft Hij den geest. En bij vernieuwing zinkt mijne ziel met al haar zonde en schuld op dit heerlijke volbrachte werk van Christus. In mijn binnenste jubelt 't, wat Paulus schreef:
„Dien die geen zonde gekend heeft, heeft Hij zonde voor ons gemaakt,opdat wij zouden worden rechtvaardigheid Gods in Hem!”
Daarop volgden de heerlijke Paaschdagen met hun blijde klanken.
Hoe rijk is de beteekenis van 't Paaschfeest voor den lijder, die in Christus een erfdeel heeft gekregen onder de geheiligden in 't licht.
Rondom hem zingt alles van ontwakend natuurleven; zijn lijden is daarmede in schril contrast. Treffende bevestiging van 't woord der Schrift:
„Alle vleesch is als gras en alle heerlijkheid des menschen is als een bloem van het gras. Het gras verdort. De bloem valt af.”
Telkens en telkens wordt dit weer gezien. Een wandelaar komt in een heerlijk lustoord. Liefelijke bosschaadjes wisselen af met blinkende watervallen; slingerpaden voeren langs sierlijke perken. In 't midden van dit schoon geheel staat een kasteel, dat een tooverpaleis schijnt. Vol bewondering laat de wandelaar zijn oog over dit alles gaan. Daar wordt de deur van 't kasteel geopend. Een dame, zwaar in den rouw, treedt naar buiten, en wandelt met gebogen hoofd op 't terras op en neer. Zij heeft een zwaar verlies geleden, en al haarheerlijkheidheeft haar waarde voor haar verloren.
Zóó zit ieder in dit tranendal éénmaal op de puinhoopen van zijn verwoest geluk. Ieder menschenleven wordt eenmaal weggenomen door den dood. Ach, hoe treurig is 't dan met hem, die zijn deel alleen in dit leven heeft gezocht. Alles is voor hem voorbij. Het gericht wacht.
Hoe geheel anders is 't echter met dengene, die Jezus kent! Al sterft heel de wereld voor hem weg, hij houdt Jezus over; Jezus, Die dood is geweest, maar Die eeuwig leeft; Jezus, de geestelijke mensch, de Heere der heerlijkheid, die den Zijnen de welgegronde hope der zaligheid en heerlijkheid schenkt in de onzienlijke wereld.
Er is tweeërlei wereld; een zienlijke en een onzienlijke. De zienlijke wereld gaat voorbij; de onzienlijke blijft. Ook de zienlijke wereld heeft hare beteekenis. Al 't vergankelijke is gelijkenis; en al de heerlijkheid der zienlijke wereld wijst naar die der onzienlijke wereld heen, waar de palmen wuiven en de kristallijnen wateren stroomen.
Mogen wij ons verzekerd houden van de wezenlijkheid dezer onzienlijke wereld?
Daarop geeft de Paaschdag het antwoord. Jezus heefthet leven en de onverderfelijkheid aan het licht gebracht.
Wij hebben geen dooden, maar een levenden Zaligmaker, die den Zijnen dit zalige, heerlijke, eeuwige leven schenkt.
Zietdaar, geliefden, mijne Paaschoverdenking.
Zij bracht mij rijke vertroosting.
Zij deed mij stille zijn in mijn beproeving.
Zij deed mij innerlijk juichen bij de gedachte van sterven.
O, hoe goed is de Heere voor mij!
Hier eindig ik. Weest allen dien God en Zaligmaker bevolen door
uw u liefhebbenden oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Amersfoort, 22 April 1914.
Geliefde gemeente!
Het is nu bijna drie weken geleden, dat ik geopereerd werd, en nog steeds blijft mijn toestand stationair. Wat zal de toekomst brengen? Zal de verdikking der tong toenemen, of zal haar dikte terugloopen? Zal ik nu spoedig worden weggenomen, of zal de Heere nog jaren tot mijne levensdagen toevoegen? Ik weet het niet, en onderwerp mij geheel en al aan des Heeren souverein, alléén-wijs, heilig, en—goed bestel.
Gelukkig leven!.... Gelukkig leven, dat leven der onderwerping aan des Heeren souvereinen wil.
De volstrekte souvereiniteit Gods, zij is de grootste allergedachten. Door Zijn volstrekte souvereiniteit is God alleen waarachtig God.
Diep is deze gedachte aan de gemeente ingeprent door Israëls profeten.„Mijn raad zal bestaan, Ik zal al Mijn welbehagen doen,” is 't woord, dat de Heere door de profeten predikt. Toen Job de gedachte dezer volstrekte souvereiniteit Gods vatte, riep hij met vreugde uit: „Met het gehoor des oors heb ik U gehoord;maar nu ziet U mijn oog!” Paulus heeft deze gedachte steeds in zijn brieven ontwikkeld. „Hij is de pottebakker, en wij zijn het leem,” is de grondgedachte van zijn geheiligd denken. En 't is de groote genade en eere der Gereformeerde Theologie, dat zij deze grootste aller gedachten steeds op den voorgrond heeft gesteld.
Wij hebben dan ook nooit iets anders te doen, dan ons ter beschikking van Gods souverein welbehagen te stellen. Roept Hij ons tot een hooge plaats, dan hebben wij te volgen, al is 't, dat er doornen zijn in den krans, dien Hij om de slapen vlecht. Roept Hij ons midden uit onzen arbeid, en werpt Hij ons op 't bed der smarten neer, ook daar hebben wij ons ter beschikking van Zijn volstrekte souvereiniteit te stellen.
O gelukkig leven, wanneer wij dit mogen doen. Dan zijn wij ook geheel en al voor des Heeren rekening. Hij zorgt voor Zijne Daniels. Hij beschaamt nooit, wie Hem verwachten; maar verrast hen zoo, dat zij in 't midden der zwaarste beproevingen met David mogen zingen:
„De Heere is mijn Herder,Mij zal niets ontbreken.Hij doet mij nederliggenIn grazige weiden;Hij voert mij zachtkensAan zeer stille wateren.Hij verkwikt mijne ziele;Hij leidt mijIn 't spoor der gerechtigheidOm Zijns Naams wil.Al ging ik ookIn een dal der schaduwe des doods,Ik zoude geen kwaad vreezen;Want Gij zijt met mij;Uw stok en Uw staf,Die vertroosten mij.Gij richt de tafel toeVoor mijn aangezicht,Gij maakt mijn hoofd vet met olie,Tegenover mijn tegenpartijders;Mijn beker is overvloeiende!Immers zullen mijHet goede en de weldadigheid volgenAlle dagen mijns levens;En ik zal in het Huis des Heeren blijvenTot in lengte van dagen.”
„De Heere is mijn Herder,Mij zal niets ontbreken.Hij doet mij nederliggenIn grazige weiden;Hij voert mij zachtkensAan zeer stille wateren.Hij verkwikt mijne ziele;Hij leidt mijIn 't spoor der gerechtigheidOm Zijns Naams wil.Al ging ik ookIn een dal der schaduwe des doods,Ik zoude geen kwaad vreezen;Want Gij zijt met mij;Uw stok en Uw staf,Die vertroosten mij.Gij richt de tafel toeVoor mijn aangezicht,Gij maakt mijn hoofd vet met olie,Tegenover mijn tegenpartijders;Mijn beker is overvloeiende!Immers zullen mijHet goede en de weldadigheid volgenAlle dagen mijns levens;En ik zal in het Huis des Heeren blijvenTot in lengte van dagen.”
O, wonder van vertroosting!
Is 't leven van buiten een woestijn, van binnen is 't een paradijs.
Gaat het hoofd toch een wijle onder kommer en zorg gebogen, dan fluistert de Heere ons in, wat in onderstaand vers zoo liefelijk staat uitgedrukt.
Kind, dat ik liefheb, leun óp Mij, leun sterk!Laat meer het wicht der zorgen, die u kwellen,Mij voelen; 'k weet uw last, want kind Mijn werk,Mijn maaksel zijn de smarten, die u kwellen;Ik telde ze af, en heb met eigen hand,Die naar ùw kracht en naar Mijn macht gewogen.Toen Mijne hand ze u toezond uit den hooge,Sprak Ik: Ik zal als Helper bij hem zijn;Naar mate hij Mij deel geeft in zijn pijnZal ik, niet hij, het wicht zijns kruises dragen.Zóó wil ik u, Mijn kind, als gij gelooft,Omsluiten met Mijn arm. O leg uw hoofdAan Mijne borst, gij moogt stoutmoedig vragen.Of zou Mijn arm, die de eeuwen schiep en schraagt,Te kort zijn, waar Mijn uitverkoorne klaagt?Leun sterker steeds! Hoe meer gij aan Mijn schootDe smart vertrouwt van uwer zorgen nood,Hoe meer uw hart zelf binnen u zal roemen:„Te leunen op mijn God, is Hem mijn Helper noemen”.
Kind, dat ik liefheb, leun óp Mij, leun sterk!Laat meer het wicht der zorgen, die u kwellen,Mij voelen; 'k weet uw last, want kind Mijn werk,Mijn maaksel zijn de smarten, die u kwellen;Ik telde ze af, en heb met eigen hand,Die naar ùw kracht en naar Mijn macht gewogen.Toen Mijne hand ze u toezond uit den hooge,Sprak Ik: Ik zal als Helper bij hem zijn;Naar mate hij Mij deel geeft in zijn pijnZal ik, niet hij, het wicht zijns kruises dragen.Zóó wil ik u, Mijn kind, als gij gelooft,Omsluiten met Mijn arm. O leg uw hoofdAan Mijne borst, gij moogt stoutmoedig vragen.Of zou Mijn arm, die de eeuwen schiep en schraagt,Te kort zijn, waar Mijn uitverkoorne klaagt?Leun sterker steeds! Hoe meer gij aan Mijn schootDe smart vertrouwt van uwer zorgen nood,Hoe meer uw hart zelf binnen u zal roemen:„Te leunen op mijn God, is Hem mijn Helper noemen”.
Geliefden, laat die God ook uw toevlucht en sterkte zijn. Nooit kan eenig kwaad u dan werkelijk kwaad doen.
Weest allen dien God en Zaligmaker bevolen door
uw u liefhebbenden oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.
Amersfoort, 29 April 1914.
Geliefde gemeente!
Helaas moet ik beginnen te schrijven, dat ik elken dag achteruit ga. Eergister had ik een hoestbui, waarvan ik dacht, dat ik er in blijven zou. Elke week, elke brief kan de laatste zijn. Daarom wil ik u thans schrijven over 't liefelijkste aller onderwerpen: over 't plaatsbekleedend lijden en sterven en over de voorbede van Jezus.
Reeds de naam Jezus is enkel zoetigheid. Sinds Zijn veschijning klinkt aan 't einde van elke eeuw Zijn Naam als een vraag en een antwoord. Meer nog, Zijn Naam is een vraag en een antwoord voor elk arm zondaarshart. Waar zou ik heengaan zonder Hem, wanneer de eeuwigheidmij in de stervende oogen ziet? Waarheen zou ik vluchten zonder Hem, wanneer de angsten van het geweten mij achtervolgen?
Reeds vóór Zijn vleeschwording is Zijn plaatsbekleedend lijden aangekondigd in de offeranden der Wet. Steeds moest de Israëliet met een offer voor 't altaar verschijnen. Dit offer werd door den priester gekeurd. De offeraar lei zijn hand op 't offerdier als symbool van de overdracht zijner zonden. Dan werd 't geslacht en verbrand. De opstijgende rook kondigde 't herstel der gemeenschap met God aan.
Nu wist de recht-geloovige Israëliet wel, dat 't bloed van stieren en bokken niet zoude reinigen. Maar Jesaja 53 sprak van een ander offer. Daarop zag de geloovige. Hij werd gerechtvaardigd in den Christus, die komenzou, gelijk wij gerechtvaardigd worden in den Christus, die gekomenis.
In zijn plaatsbekleedend lijden heeft Jezus alles volbracht wat van Hem is voorzegd. Na Zijn opstanding zit Hij als onze Voorbidder bij den Vader.
En hier houd ik even stil!
Hoe is er een betrekking gekomen tusschen Hem en mij?
Was ik een Obadja, een Jozef?
Helaas neen.
De dwaasheid was in het hart van den knaap gebonden.
Indien de Heere naar mij niet had omgezien, ik had naar Hem niet omgezien. Ik zocht naar God, maar naar een God van eigen maaksel.
Met liefelijke trekkingen heeft de Heere mij getrokken, maar ik sloeg de verzenen tegen de prikkelen.
Het was een kruisweg op mijn leven.
Mijn vrienden kozen m.i. in de studie den verkeerden weg.
Ik koos den anderen.
De Heere kwam voor mij staan: „Wilt ook gij niet heengaan?”
Ik antwoordde: „Neen, Heere, bij U zijn de woorden des eeuwigen levens.” Dit was de eerste besliste keuze.
Ik zat als jong predikant in de kerk. Vooraan. Als een Farizeër. Met een gulden in mijn zak voor de diaconie. Wat zou de diaken respect voor dien dominé hebben!
De dominé preekte over Zacharia 3. Hij schetste den Farizeër.
Ik wilde wel onder de bank wegkruipen.
Hij teekende den tollenaar.
Ik herleefde. De tollenaar had immers berouw van zijne zonde.
Daarna sprak Hij van den Voorspraak.
„De Heere schelde u, gij Satan! Is deze mij niet als een vuurbrand uit het vuur gerukt?”
Ja, zoo was 't.
Indien iets waar was, dan was ik door den Heere als een vuurbrand uit het vuur gerukt!
Die tekst is mij altijd bijgebleven.
Ik lag in de zonde.
De Heere kwam als met uitgebreide armen tot mij, en zeide: „Nu zal ik voor u zorgen!”
Hij heeft dit gedaan op de liefelijkste wijze.
O, wonderdoende Zaligmaker!
O, wonderzoete Jezus!
Gij zijt mijn Eén en mijn Alles.
Eens eeuwig bij U te zijn, is mijn zaligheid en heerlijkheid.
Kom, Heere Jezus. Ja, kom haastelijk!
En komt de ure aan des doods:
Jezus, Uw verzoenend stervenBlijft het rustpunt van mijn hart,Als wij alles, alles derven,Blijft Uw liefd' ons bij in smart.Och, wanneer mijn oog eens breekt,'t Angstig doodzweet van mij leekt,Dat Uw bloed, mijn hoop dan wekke,En mijn schuld voor God bedekke.
Jezus, Uw verzoenend stervenBlijft het rustpunt van mijn hart,Als wij alles, alles derven,Blijft Uw liefd' ons bij in smart.Och, wanneer mijn oog eens breekt,'t Angstig doodzweet van mij leekt,Dat Uw bloed, mijn hoop dan wekke,En mijn schuld voor God bedekke.
Dien heerlijken Naam bevolen door
uw u liefhebbenden oud-leeraar,
R. J. W. RUDOLPH.