Chapter 2

Schoone wereld waar zij leerde

Wat zij zelf niet had geweten

Dat zij de eeuwen lang begeerde.

(Vergeten Liedjes)

NACHT-STILTE

Stil, wees stil: op zilvren voeten

Schrijdt de stilte door den nacht,

Stilte die der goden groeten

Overbrengt naar lage wacht ...

Wat niet ziel tot ziel kon spreken

Door der dagen ijl gegons,

Spreekt uit overluchtsche streken,

Klaar als ster in licht zoû breken,

Zonder smet van taal of teeken

God in elk van ons.

(Vergeten Liedjes)

STERRENHEMEL

Nu kunt gij veilig slapen gaan,

Nu al de heemlen openstaan:

Ziel, wier verlangen eiken donkren wand

In ster aan ster doorzichtig brandt,

En in de schoonheid van dit tijdlijk land

Al minnen moet uw eeuwig lot,

Daar uw verrukking uitziet tot

Den troon van God.

(Vergeten Liedjes)

NIETS BINDT ZOO ONGELIJKEN

Niets bindt zoo ongelijken,

Blijden en droeven,

Armen, en rijken,

Als dit gedeeld behoeven,

Dit, onbewust van geven,

Aldoor ontvangen

Tot alle leven

Verging in één verlangen

Dat niet meer zijn kan zonder

Zijn alle dagen

Vernieuwde wonder

Van zegen niet te dragen

En zoo verlicht ontstijgen

Aan elkander

Dat het moet neigen

In deernis naar den ander

Die leek omlaaggebleven,

Maar rijst ons tegen

In blind ontzweven

Naar ongekende wegen.

(Lente-maan)

ALLE HEEMLEN VULT DE ZOETE ROKE

Alle heemlen vult de zoete roke

Van een nooit in bloesem uitgebroken

Knoppenzwellende geheimenis:

Zon en regen van de lage luchten

Voelen wij haar wekken en bevruchten

Uit haar beidende bezwijmenis.

Door het licht-en-donkere verglijden

Dezer doelloos wisslende getijden

Streeft een nieuw en vast seizoen;

Achter branden van nabije zonnen

Is de groote dageraad begonnen

Van een andren, blinden noen.

En de ziel in elk besterft tot luistren

Naar het heimlijk lenteluwe fluistren

Van een vreemde stem die lokt en vleit:

Die het liefste met elkander deelen,

Rijzen stil als bloemen op haar stelen

In gescheidene verzonkenheid.

Tot hun oogen straks weêr samenneigen

En de spiegel van hun eenzaam zwijgen

Voor het voorgevoel bezwijkt

Dat een nieuwe meester in 't beminnen

Ieders hart afzonderlijk komt winnen,

En in 't eind dezelfde blijkt.

(Lente-maan)

AAN DE SCHOONHEID

Kom niet, Schoonheid, eer we u zijn bereid

In ons huis, in ons te ontvangen;

Kom niet vóór de Wereld openleit

Breede bedding uwer heerlijkheid;

Kom niet eerder: ons verlangen

Is sterker dan de tijd!

Niet zoolang aan aardes blonde brood

Wij ons vloek en smaadheid eten;

Niet zoolang met maat van veler nood

De overvloed der enklen wordt gemeten;

Niet vóórdat ons aller jeugd den dood

Om het blijde leven kan vergeten!

Als een zuivre zelfverlichte

Zegenzware wolkkolon

Doemt gij in de diepe vergezichten

Achter zeeën maan en zon:

Geen gedachte die met felste schichten

Ooit uw glans bereiken kon,

Maar geen hart dat zich naar simple blijdschap richtte

En uw milden dauw niet won!

Van al templen u gebouwd

Uit de marmeren gedachten

Van de schooner levende geslachten,

Is er géén die u besloten houdt:

Als voor steen en goud

U de volkren offer brachten,

Vond en zong u 't eenzaam smachten

Van een kind in lentewoud!

Alwier oogen smartverklaard

Aan den einder hunner dagen

Uw bestendig weêrlicht zagen,

Vreugdes morgen over schemeraard,

Hebben vrij en onbezwaard

't Donker menschenhart gedragen:—

Al hun lijden is melodisch klagen

Dat gij niet voor allen waart.

Bidden niet en handenwringen

Lokt de goôn;—

Waar een hart het uit moet zingen,

Daalt het ongebeden loon,

Neigt de naaste van de hemelingen

Zich tot haar bestemde woon.

O wij weten wel wat lentedag

Al de stille sneeuw die gadert,

Van uw bergen dooien moet;

Dat zijn uur door de eeuwen nadert,

Dat geen hart ontbreken mag

Tot zijn gloed!

Vochte koelte zoeft door 't bruine riet;

Sappen gisten in het dor geraamte—

Overval ons niet in onze schaamte:

Schoonheid, kom nog niet!

(Stemmen)

LETHE

"Hoe over 't brandend blind bazalt

Vind ik den weg naar Lethe?—

O alles te vergeten

Eer de avond valt!

"Ik weet dat dood en donker komen

Als dit schel daglicht is gebluscht,

Maar ik wil diepe klare rust

En zonder droomen.

"Voor wie als ik van kind tot knaap,

Van man tot grijsaard derven,

Voor die is dood en sterven

Maar verontruste slaap....

"De zoete macht tot lach of traan

Gaf mij en nam mij 't leven.

Alleen mijn oogen bleven

Kijken, mijn voeten gaan.

"Hoe vaak sindsdien waar 'k zat en ging,

Is langs mijn wakende oogen

De lange trein getogen

Van aller lust herinnering.

"Wat moet ik aldoor zien wat 'k weet?

Al 't reddeloos volbrachte,

Al 't reddeloos gedachte:

Gelijk is wat ik liet en deed!

"O eer de dood mijn leden bind'

En hen voor eeuwig bedde,—

Wat zal mijn oogen redden

Van dezen droom die immer nieuw begint?:

"O blanke ziel, o roode bloed,

O hart verdwaald daartusschen,—

Wie zal in slaap u sussen

Tezamen en voorgoed?

"Mijn voet kan vóor den avondval

Nog vele mijlen reizen,

Wil één den weg mij wijzen

Naar Lethe's dal.

"Wie over 't brandend blind bazalt

Brengt mij naar Lethe?—

O alles te vergeten

Eer de avond valt!"

(Stemmen)

LIEFDES UUR

Hoe laat is 't aan den tijd?

Het is de blanke dageraad:

De diepe wei waar nog geen maaier gaat,

Staat van bedauwde bloemen wit en geel;

De zilvren stroom leidt als een zuivre straat

Weg in het nevellicht azuur;

En morgens zingend hart, de leeuwrik, slaat

Uit zijn verdwaasde keel

Wijsheid die geen betracht en elk verstaat,

Vreugd zonder maat,

Vreugd zonder duur....

Hoe laat is 't aan den tijd?

't Is liefdes uur.

Hoe laat is 't aan den tijd?

De zon genaakt de middagsteê:

In diepte van doorgloede luchtezee

Smoort de akker onder 't bare goud;

De vonken sikkel snerpt door 't droge graan;

De schaduw krimpt terug in 't hout;

In hemel-en in waterbaan

Geen wolken gaan;

Alleen de wit-doorzichte maan

Blijft louter in het blauwe hemelvuur ...

Hoe laat is 't aan den tijd?

't Is liefdes uur.

Hoe laat is 't aan den tijd?

't Is de avond: in zijn rosse goud

Wordt schoon en oud

Der wereld dagehel gezicht;

Snel aan den hemel valt het water van het licht;

En al de windestemmen komen vrij;

De laatste wagen wankelt naar de schuur;

De dooden wenken aan den duistren Oostermuur;

En boven glansbeloopen

Westersche schans in groene hemelwei

Straalt Venus' gouden aster open

Zoo plotseling en puur ...

Hoe laat is 't aan den tijd?

't Is liefdes uur.

LEEUWERIK

Blijft gij nooit éen blanken uchtend,

Leeuwrik, zingen hier beneên,

Die uw nachtlijk nest ontvluchtend

Door de zilvren neevlen heen

Vleuglings vindt de gouden wegen

Waar uw aadmen juichen wordt,

Tot uw zang in vuren regen

Naar de koele vore stort;

Zingt gij nooit de roode smarten

Van den duistren aardenacht,

Wordt het bloeden onzer harten

Wel gestelpt, maar nooit verklacht?...

In het ijle blauw verloren

Volgt mijn oog niet meer uw vlucht,

Maar uw antwoord dwaast mijn ooren

Met zijn zaligend gerucht:

Steeds, uit vreugd of smart gerezen,

Heeft de ziel uw vreugd verstaan,


Back to IndexNext