Chapter 10

(103)Ook in de branche die het derde deel vanMÉONopent, komt hetzelfde denkbeeld, hoewel gewijzigd, voor.(104)R. F., pag. CXXXII.(105)Boven,bl. XXXVII.(106)Boven,bl. XXXVIII.(107)Verg.ROTHE, l. l., pag. 122.(108)Verg.GRIMM,R. F., pag. LXXIV.(109)Het gebeurde met den wolf, vs. 10157–10166, houd ik voor een jonger toevoegsel, dat niet veel beteekent; ik kan dit niet metGRIMM,R. F., pag. CXXXIX, onder de „treffenden zügen” rekenen.(110)Rijmkronijk van Vlaenderen, uitg. doorKAUSLER, vs. 3384.(111)Zie de aangehaaldeRijmkronijk, pag. 137 volg.(112)Verg. Dr.C. HOFMAN,Ueber ein Fragment desGuillaume d'Orange, pag. 42.(113)Zoo b.v. branche 20b, vs. 11607:Dou poing li done tel bufet,Del cul li fet saillir un pet.(114)Verg.GRIMM,R. F., pag. LXXIV–LXXV.(115)Dat de 9ebranche eene omwerking is blijkt vs. 3260, waar het heet:Si con nos trovons en l'estoire.(116)Vs.1498echter, waarin gezegd wordt dat menWaende dat die duvel ware,herinnert bepaaldelijk aan de fransche branche. Het vastbinden aan het klokkenzeel herinnert aan de 28ebranche, waar Reinaert hetzelfde met Tibert doet.(117)In de 28ebranche zegt R., vs. 20504:Ge vois ou bois deveneroi,dat is, zoo alsROTHE(p. 217) terecht zegt: „aunaie, lieu planté d'aunes, autrefois appelésvernes.” Zou onsVermendoisook aan eene verwisseling metveneroikunnen doen denken? Ik acht dit noch aannemelijk noch waarschijnlijk.(118)Les Romans du Renard, pag. 137.(119)De 9–10ebranche heeft zeer merkwaardige punten van overeenkomst met 20a. Zij schijnt in Artois geschreven (vs. 3827), de dichter zweert bijle cuer bé, vs. 4641, 4573. Intusschen heet de wolf daar nietYsengrin, maarPrimaut. Dat in het oudere stuk, waarop vs. 3260 verwezen wordt, echter Ysengrin de hoofdrol vervulde, is zeer waarschijnlijk. Nog in de omwerking, vs. 3545, noemt Primaut Hersentma fame, waarmeêROTHE(pag. 134) geen weg wist. Zeer duidelijk blijkt de waarschijnlijkheid onzer stelling ook nog uit eene andere plaats. Vs. 4555 heet het bijMÉON:Vers la forez s'en vale cors:de daarop volgende regel,Si a trouvé Renartle rous,leert dat het eerste rijmwoord moet zijn nietle cors, maarli cous; en dit is de gewone bijnaam van Ysengrin, die op Primaut niet van toepassing is. Ook in branche 23 (18) zegt de wolvin, vs. 13321:Sire Ysengrin............Or te pués vengier de ton pié,en dit is juist eene toespeling op een verhaal uit de 9–10ebranche. Merkwaardig is het intusschen, dat ook hier de naam Primaut met dien van Ysengrin verwisseld wordt, b.v. vs. 13287, 13366, 13375. Dat er ook overeenkomst in andere uitdrukkingen tusschen beide branches is zagen wij boven (bl. LXVI).(120)R. F., pag. CLIX–CLX.(121)Zie de plaatsen bijMÉON, tom. I, pag. V, en bijGRIMMR. F., pag. CXCVII–CXCVIII.(122)BijGRIMM,R. F., pag. CXCVIII.(123)R. F., pag. CXXXIX.(124)Reinaert,Inleiding, bl. XL.(125)Hist. Litt. de la France, tom. XXII, pag. 907.(126)Paulin paris,Les Manuscrits françois, tom. III, pag. 95–96.(127)ZieHist. Litt. de la France, tom. XV, pag. 100.(128)Les Manuscrits françois, tom. III, pag. 102.(129)L. l., pag. 107.(130)Verg. mijneGeschied. der Mnl. Dichtk., II Dl., bl. 427–432.(131)Onmogelijk kandeAlexandereerst tusschen 1180 en 1184 geschreven zijn, zoo als dit heet in deHist. Litt. de la France, tom. XV, pag. 121, 122, 163. Als met deIsabella, die in dat gedicht een verciersel voor Alexanders tent borduurt, gelijk men meent werkelijk de dochter van Boudewijn van Henegouwen bedoeld is, die in 1180 met den franschen koning Filips-Augustus huwde, dan schijnt dit latere omwerking of interpolatie te verraden.(132)Les Manuscrits françois, tom. III, pag. 101.(133)Aangehaald bijGRIMM,R. F., pag. CXCVII.(134)Grimmnoemt de 5e(3e) branche terecht „vortreflich erzählt,” (R. F., pag. CXXII), en ik begrijp niet hoeROTHEkon zeggen (pag. 127): „Le récit est un peu traînant.”(135)Les Romans du Renard, pag. 140.(136)Supplément au Roman de Renart, pag. 1; verg.ROTHE, pag. 150.(137)R. F., pag. CXXXIX.(138)Hist. Litt. de la France, tom. XXII, pag. 908, 909, 910, 911.(139)R. F., pag. CXLI.(140)Zie mijnGuillaume d'Orange, tom. II, pag. 178.(141)T. a. p., pag. 160.(142)Daar heet het, vs. 892, bijHOFFMANN,Ueber ein fragment des Guillaume d'Orange, s. 36:Loeys fu à Paris sa maison:Là se deduist à guise de bricon.N'ot aveuc lui ne conte ne baron,Ne duc ne prince, chevalier ne garsonQui le [Que l'en?] prisast valissant un bouton.........................Les frans linages ot arrière boutés,Et de sa terre et de sa cort osté,Et des estranges ot-il fait ses privés:Malvais conseil li ont tous jors doné,Et son avoir et tolu et emblé;Et si baron l'ont trestout adossé,Que nus ne'l sert à Pasques n'à Noel,Et sor tout chou li est mal encontré.(143)Ook in deChanson d'Herviz de Metzkomt dezelfde uitdrukking voor, zieHist. Litt. de la France, tom. XXII, pag. 596.(144)Guillaume d'Orange, tom. II, pag. 185.(145)Verg.GRIMM,R. F., pag. CXLI.(146)Von raumer,Gesch. der Hohenstaufen, II, pag. 319.(147)Meyerus,Annal. Flandriae, Lib. VII, pag. 60.(148)Reinaert, Inleiding, pag. XVI.(149)Gesch. der Mnl. Dichtk., I Dl., bl. 192–198.(150)Reinaert, Inleiding, pag. XXXIII–XXXIV.(151)Gesch. der Letterk. in het Graefschap Vlaenderen, pag. 143.(152)Aanteekening op vs. 2957, pag. 120 zijner uitgave.(153)ZieGRIMM,R. F., pag. CLIX.(154)Aanteekening op vs. 2737, pag. 111 zijner uitgave.(155)T. l. a. pl.(156)R. F., pag. CLIX.(157)Reinaert, Inleiding, pag. XXXV.(158)Zie overigensGRIMM,R. F., pag. CLX.(159)Reinaert, Inleiding, pag. XXXVI–XXXVII.(160)Gesch. der Mnl. Dichtk., I Dl., bl. 193 vlg.(161)Gesch. der Letterk. in het Graefschap Vlaenderen, pag. 142.(162)Zie mijneGeschied. der Mnl. Dichtk., I Dl., bl. 193, noot 2.(163)Corpus Chronicorum Flandriae, tom. I, pag. 709.(164)L. l., pag. 709.(165)Zie het verlof daartoe in mijneGeschied. der Mnl. Dichtk., I Dl., bl. 194, noot 1.(166)Werkelijk ontbrak het toen in Vlaanderen niet aan valsche munters.Meyerusverhaalt, hoe Boudewijn Hapkin in 1111 allerlei misdadigers strafte, onder anderen ook „adolescens quidam nobilis,” die beesten gestolen had; „hunc arreptum una cumduobus falsis monetariisin ferventem tinctoris lebetem dedit praecipitem.”(167)Reinaert, Inleiding, bl. XXXV–XXXVI. Verg. mijneGeschied. der Mnl. Dichtk., I Dl., bl. 192–193.(168)Geschied. der Letterk. in het Graefschap Vlaenderen, pag. 141.(169)Warnkönig,Histoire de la Flandre, tom. I, pag. 203–204.(170)Reinaert, Inleiding, pag. XXXIX; verg. mijneGeschied. der Mnl. Dichtk., I Dl., bl. 194.(171)Gesch. der Letterk. in het Graefschap Vlaenderen, pag. 143.(172)Trouvères Artésiens, pag. 150 en 154.(173)Een enkel, maar doorslaand bewijs. In hetzelfde werk, pag. 293–299, schrijft hij, op voorgang vanBARBAZANenLE GRAND D'AUSSY, acht gedichten toe aan zekerenJEHAN DE BOVES, die, volgens den tekst van een dier gedichten zelf, er blijkbaar de schrijvernietvan was.In het fableldes deux Chevaux, bijBARBAZAN-MÉON, tom. III, pag. 197, lezen wij:Cil qui trova de Morteruel,Et del mort vilain de Bailleul,en dan volgt de verdere opsomming der stukken aanJEHAN DE BOVEStoegekend, waarop het dan verder heet:(Cil)D'un autre fablel s'entremet,Qu'il ne cuida jà entreprendre;Ne por mestre Jehan reprendreDe Boves, qui dist bien et bel,N'entreprent-il pas cest fablel,Quar assez sont si dit resnable;Mès qui de fablel fet grant fableN'a pas de trover sens legier.Dit kan nu wel niets anders beteekenen dan dit: „Hij, die de acht opgenoemde stukken geschreven heeft, waagt zich aan een ander gedicht, dat bij nooit gedacht had te zullen maken. Hij doet dit niet om het meesterJEHAN DE BOVESte verbeteren (die dus blijkbaar hetzelfde onderwerp reeds behandeld had), want zijne sproken (dit) zijn vol pit; maar die zich op dichten toelegt kan niet altijd eene nieuwe stof vinden (trover).”Dinauxhaalt alleen de vier eerste verzen aan (pag. 295), en wel om te bewijzen, dat de dichter „lui-même se rend assez ingénûment justice”! Buitendien vergeet hij zelfs van het vijfde der in die inleiding vermelde gedichten te gewagen.Wie nu de schrijver dier stukken is, weten wij niet, daar zijn naam met voordacht uit den codex doorMÉONgevolgd schijnt te zijn weggelaten, zoo als blijkt uit den aanhef van het stukDou lou et de l'oue, l. l., pag. 55, en evenzeer uit dien vanBrunain la vache au prestre, l. l., pag. 25.Dinaux'geheele redeneering op bl. 150 is ook eenvoudig maar uitLE GRAND D'AUSSYovergenomen,Fabliaux ou Contes, 3 éd., tom. IV, pag. 256, en wel met overhaasting.Le grandzegt van de vrouw des priesters: „Dans le fabliaudu curé qui mangea des mûres, il a été fait mention aussi de ces femmes de prêtres. Celle dont il s'agit ici (in denConstant du Hamel), quelques vers plus bas, est nomméela prêtresse.”Dinauxzegt: „Ce n'est point seulement dans ce fabliau qu'il est question des femmes des prêtres de cette époque; dans celui intitulé,le curé qui mangea des mûres, cette même singularité se représente,et comme ici, la femme du prêtre est appelée prêtresse.” Intusschen komt in 't stukdu Curéetc., in deChoix et extraitsachterLE GRANDSeerste deel, pag. 26, de uitdrukking niet voor. Dit is eene kleinigheid, maar men leert er de slordigheid van dat werk uit kennen.(174)BijBARBAZAN-MÉON, tom. III, pag. 296–326.(175)Zie boven,bl. LXVI.(176)Boven,bl. XLIV.(177)Daar heet de priester dien naam te dragen, maar de plaats schijnt niet geheel zuiver, en waarschijnlijk is er de vilain meê bedoeld. Dezelfde dichter kende ook den naamGombert, die in de 19een 20ebranche vanRenartvoorkomt, zie boven,pag. LXXXVI.(178)R. F., pag. CXLV.(179)Les Trouvères Artésiens, pag. 149.(180)Het is duidelijk onsham, bijKILIAEN:domus, habitatio, maar dat ook, even als het franschehameau, de beteekenis van dorp of gehucht gekregen heeft; verg.NOORDEWIER,Regtsoudheden, bl. 210.(181)Zie mijneGeschied. der Mnl. Dichtk., III Dl., bl. 9–10.(182)R. F., pag. CCLVIII.(183)Verg.WARNKÖNIG,Hist. de la Flandre, tom. I, pag. 240.(184)R. F., pag. CLVI.(185)Reinaert, 2edruk, Nabericht, bl. 356.(186)Vroet, vs. 1899, verklaart hij doorverwoed,dol; maar hoe zulk eene verklaring hier in den samenhang past, is mij volstrekt onbegrijpelijk.(187)Grimmmeende,R. F., pag. CLVII, ten onrechte, datSTOKE, II Dl., pag. 229, 238, 249, dezelfde plaatsBarselenoemde: de hollandsche schrijver heeft blijkbaarBorselenop 't oog.

(103)Ook in de branche die het derde deel vanMÉONopent, komt hetzelfde denkbeeld, hoewel gewijzigd, voor.

(104)R. F., pag. CXXXII.

(105)Boven,bl. XXXVII.

(106)Boven,bl. XXXVIII.

(107)Verg.ROTHE, l. l., pag. 122.

(108)Verg.GRIMM,R. F., pag. LXXIV.

(109)Het gebeurde met den wolf, vs. 10157–10166, houd ik voor een jonger toevoegsel, dat niet veel beteekent; ik kan dit niet metGRIMM,R. F., pag. CXXXIX, onder de „treffenden zügen” rekenen.

(110)Rijmkronijk van Vlaenderen, uitg. doorKAUSLER, vs. 3384.

(111)Zie de aangehaaldeRijmkronijk, pag. 137 volg.

(112)Verg. Dr.C. HOFMAN,Ueber ein Fragment desGuillaume d'Orange, pag. 42.

(113)Zoo b.v. branche 20b, vs. 11607:Dou poing li done tel bufet,Del cul li fet saillir un pet.

Dou poing li done tel bufet,Del cul li fet saillir un pet.

Dou poing li done tel bufet,Del cul li fet saillir un pet.

(114)Verg.GRIMM,R. F., pag. LXXIV–LXXV.

(115)Dat de 9ebranche eene omwerking is blijkt vs. 3260, waar het heet:Si con nos trovons en l'estoire.

Si con nos trovons en l'estoire.

Si con nos trovons en l'estoire.

(116)Vs.1498echter, waarin gezegd wordt dat menWaende dat die duvel ware,herinnert bepaaldelijk aan de fransche branche. Het vastbinden aan het klokkenzeel herinnert aan de 28ebranche, waar Reinaert hetzelfde met Tibert doet.

Waende dat die duvel ware,

Waende dat die duvel ware,

herinnert bepaaldelijk aan de fransche branche. Het vastbinden aan het klokkenzeel herinnert aan de 28ebranche, waar Reinaert hetzelfde met Tibert doet.

(117)In de 28ebranche zegt R., vs. 20504:Ge vois ou bois deveneroi,dat is, zoo alsROTHE(p. 217) terecht zegt: „aunaie, lieu planté d'aunes, autrefois appelésvernes.” Zou onsVermendoisook aan eene verwisseling metveneroikunnen doen denken? Ik acht dit noch aannemelijk noch waarschijnlijk.

Ge vois ou bois deveneroi,

Ge vois ou bois deveneroi,

dat is, zoo alsROTHE(p. 217) terecht zegt: „aunaie, lieu planté d'aunes, autrefois appelésvernes.” Zou onsVermendoisook aan eene verwisseling metveneroikunnen doen denken? Ik acht dit noch aannemelijk noch waarschijnlijk.

(118)Les Romans du Renard, pag. 137.

(119)De 9–10ebranche heeft zeer merkwaardige punten van overeenkomst met 20a. Zij schijnt in Artois geschreven (vs. 3827), de dichter zweert bijle cuer bé, vs. 4641, 4573. Intusschen heet de wolf daar nietYsengrin, maarPrimaut. Dat in het oudere stuk, waarop vs. 3260 verwezen wordt, echter Ysengrin de hoofdrol vervulde, is zeer waarschijnlijk. Nog in de omwerking, vs. 3545, noemt Primaut Hersentma fame, waarmeêROTHE(pag. 134) geen weg wist. Zeer duidelijk blijkt de waarschijnlijkheid onzer stelling ook nog uit eene andere plaats. Vs. 4555 heet het bijMÉON:Vers la forez s'en vale cors:de daarop volgende regel,Si a trouvé Renartle rous,leert dat het eerste rijmwoord moet zijn nietle cors, maarli cous; en dit is de gewone bijnaam van Ysengrin, die op Primaut niet van toepassing is. Ook in branche 23 (18) zegt de wolvin, vs. 13321:Sire Ysengrin............Or te pués vengier de ton pié,en dit is juist eene toespeling op een verhaal uit de 9–10ebranche. Merkwaardig is het intusschen, dat ook hier de naam Primaut met dien van Ysengrin verwisseld wordt, b.v. vs. 13287, 13366, 13375. Dat er ook overeenkomst in andere uitdrukkingen tusschen beide branches is zagen wij boven (bl. LXVI).

Vers la forez s'en vale cors:

Vers la forez s'en vale cors:

de daarop volgende regel,

Si a trouvé Renartle rous,

Si a trouvé Renartle rous,

leert dat het eerste rijmwoord moet zijn nietle cors, maarli cous; en dit is de gewone bijnaam van Ysengrin, die op Primaut niet van toepassing is. Ook in branche 23 (18) zegt de wolvin, vs. 13321:

Sire Ysengrin............Or te pués vengier de ton pié,

Sire Ysengrin............Or te pués vengier de ton pié,

en dit is juist eene toespeling op een verhaal uit de 9–10ebranche. Merkwaardig is het intusschen, dat ook hier de naam Primaut met dien van Ysengrin verwisseld wordt, b.v. vs. 13287, 13366, 13375. Dat er ook overeenkomst in andere uitdrukkingen tusschen beide branches is zagen wij boven (bl. LXVI).

(120)R. F., pag. CLIX–CLX.

(121)Zie de plaatsen bijMÉON, tom. I, pag. V, en bijGRIMMR. F., pag. CXCVII–CXCVIII.

(122)BijGRIMM,R. F., pag. CXCVIII.

(123)R. F., pag. CXXXIX.

(124)Reinaert,Inleiding, bl. XL.

(125)Hist. Litt. de la France, tom. XXII, pag. 907.

(126)Paulin paris,Les Manuscrits françois, tom. III, pag. 95–96.

(127)ZieHist. Litt. de la France, tom. XV, pag. 100.

(128)Les Manuscrits françois, tom. III, pag. 102.

(129)L. l., pag. 107.

(130)Verg. mijneGeschied. der Mnl. Dichtk., II Dl., bl. 427–432.

(131)Onmogelijk kandeAlexandereerst tusschen 1180 en 1184 geschreven zijn, zoo als dit heet in deHist. Litt. de la France, tom. XV, pag. 121, 122, 163. Als met deIsabella, die in dat gedicht een verciersel voor Alexanders tent borduurt, gelijk men meent werkelijk de dochter van Boudewijn van Henegouwen bedoeld is, die in 1180 met den franschen koning Filips-Augustus huwde, dan schijnt dit latere omwerking of interpolatie te verraden.

(132)Les Manuscrits françois, tom. III, pag. 101.

(133)Aangehaald bijGRIMM,R. F., pag. CXCVII.

(134)Grimmnoemt de 5e(3e) branche terecht „vortreflich erzählt,” (R. F., pag. CXXII), en ik begrijp niet hoeROTHEkon zeggen (pag. 127): „Le récit est un peu traînant.”

(135)Les Romans du Renard, pag. 140.

(136)Supplément au Roman de Renart, pag. 1; verg.ROTHE, pag. 150.

(137)R. F., pag. CXXXIX.

(138)Hist. Litt. de la France, tom. XXII, pag. 908, 909, 910, 911.

(139)R. F., pag. CXLI.

(140)Zie mijnGuillaume d'Orange, tom. II, pag. 178.

(141)T. a. p., pag. 160.

(142)Daar heet het, vs. 892, bijHOFFMANN,Ueber ein fragment des Guillaume d'Orange, s. 36:Loeys fu à Paris sa maison:Là se deduist à guise de bricon.N'ot aveuc lui ne conte ne baron,Ne duc ne prince, chevalier ne garsonQui le [Que l'en?] prisast valissant un bouton.........................Les frans linages ot arrière boutés,Et de sa terre et de sa cort osté,Et des estranges ot-il fait ses privés:Malvais conseil li ont tous jors doné,Et son avoir et tolu et emblé;Et si baron l'ont trestout adossé,Que nus ne'l sert à Pasques n'à Noel,Et sor tout chou li est mal encontré.

Loeys fu à Paris sa maison:Là se deduist à guise de bricon.N'ot aveuc lui ne conte ne baron,Ne duc ne prince, chevalier ne garsonQui le [Que l'en?] prisast valissant un bouton.........................Les frans linages ot arrière boutés,Et de sa terre et de sa cort osté,Et des estranges ot-il fait ses privés:Malvais conseil li ont tous jors doné,Et son avoir et tolu et emblé;Et si baron l'ont trestout adossé,Que nus ne'l sert à Pasques n'à Noel,Et sor tout chou li est mal encontré.

Loeys fu à Paris sa maison:Là se deduist à guise de bricon.N'ot aveuc lui ne conte ne baron,Ne duc ne prince, chevalier ne garsonQui le [Que l'en?] prisast valissant un bouton.........................Les frans linages ot arrière boutés,Et de sa terre et de sa cort osté,Et des estranges ot-il fait ses privés:Malvais conseil li ont tous jors doné,Et son avoir et tolu et emblé;Et si baron l'ont trestout adossé,Que nus ne'l sert à Pasques n'à Noel,Et sor tout chou li est mal encontré.

(143)Ook in deChanson d'Herviz de Metzkomt dezelfde uitdrukking voor, zieHist. Litt. de la France, tom. XXII, pag. 596.

(144)Guillaume d'Orange, tom. II, pag. 185.

(145)Verg.GRIMM,R. F., pag. CXLI.

(146)Von raumer,Gesch. der Hohenstaufen, II, pag. 319.

(147)Meyerus,Annal. Flandriae, Lib. VII, pag. 60.

(148)Reinaert, Inleiding, pag. XVI.

(149)Gesch. der Mnl. Dichtk., I Dl., bl. 192–198.

(150)Reinaert, Inleiding, pag. XXXIII–XXXIV.

(151)Gesch. der Letterk. in het Graefschap Vlaenderen, pag. 143.

(152)Aanteekening op vs. 2957, pag. 120 zijner uitgave.

(153)ZieGRIMM,R. F., pag. CLIX.

(154)Aanteekening op vs. 2737, pag. 111 zijner uitgave.

(155)T. l. a. pl.

(156)R. F., pag. CLIX.

(157)Reinaert, Inleiding, pag. XXXV.

(158)Zie overigensGRIMM,R. F., pag. CLX.

(159)Reinaert, Inleiding, pag. XXXVI–XXXVII.

(160)Gesch. der Mnl. Dichtk., I Dl., bl. 193 vlg.

(161)Gesch. der Letterk. in het Graefschap Vlaenderen, pag. 142.

(162)Zie mijneGeschied. der Mnl. Dichtk., I Dl., bl. 193, noot 2.

(163)Corpus Chronicorum Flandriae, tom. I, pag. 709.

(164)L. l., pag. 709.

(165)Zie het verlof daartoe in mijneGeschied. der Mnl. Dichtk., I Dl., bl. 194, noot 1.

(166)Werkelijk ontbrak het toen in Vlaanderen niet aan valsche munters.Meyerusverhaalt, hoe Boudewijn Hapkin in 1111 allerlei misdadigers strafte, onder anderen ook „adolescens quidam nobilis,” die beesten gestolen had; „hunc arreptum una cumduobus falsis monetariisin ferventem tinctoris lebetem dedit praecipitem.”

(167)Reinaert, Inleiding, bl. XXXV–XXXVI. Verg. mijneGeschied. der Mnl. Dichtk., I Dl., bl. 192–193.

(168)Geschied. der Letterk. in het Graefschap Vlaenderen, pag. 141.

(169)Warnkönig,Histoire de la Flandre, tom. I, pag. 203–204.

(170)Reinaert, Inleiding, pag. XXXIX; verg. mijneGeschied. der Mnl. Dichtk., I Dl., bl. 194.

(171)Gesch. der Letterk. in het Graefschap Vlaenderen, pag. 143.

(172)Trouvères Artésiens, pag. 150 en 154.

(173)Een enkel, maar doorslaand bewijs. In hetzelfde werk, pag. 293–299, schrijft hij, op voorgang vanBARBAZANenLE GRAND D'AUSSY, acht gedichten toe aan zekerenJEHAN DE BOVES, die, volgens den tekst van een dier gedichten zelf, er blijkbaar de schrijvernietvan was.In het fableldes deux Chevaux, bijBARBAZAN-MÉON, tom. III, pag. 197, lezen wij:Cil qui trova de Morteruel,Et del mort vilain de Bailleul,en dan volgt de verdere opsomming der stukken aanJEHAN DE BOVEStoegekend, waarop het dan verder heet:(Cil)D'un autre fablel s'entremet,Qu'il ne cuida jà entreprendre;Ne por mestre Jehan reprendreDe Boves, qui dist bien et bel,N'entreprent-il pas cest fablel,Quar assez sont si dit resnable;Mès qui de fablel fet grant fableN'a pas de trover sens legier.Dit kan nu wel niets anders beteekenen dan dit: „Hij, die de acht opgenoemde stukken geschreven heeft, waagt zich aan een ander gedicht, dat bij nooit gedacht had te zullen maken. Hij doet dit niet om het meesterJEHAN DE BOVESte verbeteren (die dus blijkbaar hetzelfde onderwerp reeds behandeld had), want zijne sproken (dit) zijn vol pit; maar die zich op dichten toelegt kan niet altijd eene nieuwe stof vinden (trover).”Dinauxhaalt alleen de vier eerste verzen aan (pag. 295), en wel om te bewijzen, dat de dichter „lui-même se rend assez ingénûment justice”! Buitendien vergeet hij zelfs van het vijfde der in die inleiding vermelde gedichten te gewagen.Wie nu de schrijver dier stukken is, weten wij niet, daar zijn naam met voordacht uit den codex doorMÉONgevolgd schijnt te zijn weggelaten, zoo als blijkt uit den aanhef van het stukDou lou et de l'oue, l. l., pag. 55, en evenzeer uit dien vanBrunain la vache au prestre, l. l., pag. 25.Dinaux'geheele redeneering op bl. 150 is ook eenvoudig maar uitLE GRAND D'AUSSYovergenomen,Fabliaux ou Contes, 3 éd., tom. IV, pag. 256, en wel met overhaasting.Le grandzegt van de vrouw des priesters: „Dans le fabliaudu curé qui mangea des mûres, il a été fait mention aussi de ces femmes de prêtres. Celle dont il s'agit ici (in denConstant du Hamel), quelques vers plus bas, est nomméela prêtresse.”Dinauxzegt: „Ce n'est point seulement dans ce fabliau qu'il est question des femmes des prêtres de cette époque; dans celui intitulé,le curé qui mangea des mûres, cette même singularité se représente,et comme ici, la femme du prêtre est appelée prêtresse.” Intusschen komt in 't stukdu Curéetc., in deChoix et extraitsachterLE GRANDSeerste deel, pag. 26, de uitdrukking niet voor. Dit is eene kleinigheid, maar men leert er de slordigheid van dat werk uit kennen.

In het fableldes deux Chevaux, bijBARBAZAN-MÉON, tom. III, pag. 197, lezen wij:

Cil qui trova de Morteruel,Et del mort vilain de Bailleul,

Cil qui trova de Morteruel,Et del mort vilain de Bailleul,

en dan volgt de verdere opsomming der stukken aanJEHAN DE BOVEStoegekend, waarop het dan verder heet:

(Cil)D'un autre fablel s'entremet,Qu'il ne cuida jà entreprendre;Ne por mestre Jehan reprendreDe Boves, qui dist bien et bel,N'entreprent-il pas cest fablel,Quar assez sont si dit resnable;Mès qui de fablel fet grant fableN'a pas de trover sens legier.

(Cil)D'un autre fablel s'entremet,Qu'il ne cuida jà entreprendre;Ne por mestre Jehan reprendreDe Boves, qui dist bien et bel,N'entreprent-il pas cest fablel,Quar assez sont si dit resnable;Mès qui de fablel fet grant fableN'a pas de trover sens legier.

Dit kan nu wel niets anders beteekenen dan dit: „Hij, die de acht opgenoemde stukken geschreven heeft, waagt zich aan een ander gedicht, dat bij nooit gedacht had te zullen maken. Hij doet dit niet om het meesterJEHAN DE BOVESte verbeteren (die dus blijkbaar hetzelfde onderwerp reeds behandeld had), want zijne sproken (dit) zijn vol pit; maar die zich op dichten toelegt kan niet altijd eene nieuwe stof vinden (trover).”

Dinauxhaalt alleen de vier eerste verzen aan (pag. 295), en wel om te bewijzen, dat de dichter „lui-même se rend assez ingénûment justice”! Buitendien vergeet hij zelfs van het vijfde der in die inleiding vermelde gedichten te gewagen.

Wie nu de schrijver dier stukken is, weten wij niet, daar zijn naam met voordacht uit den codex doorMÉONgevolgd schijnt te zijn weggelaten, zoo als blijkt uit den aanhef van het stukDou lou et de l'oue, l. l., pag. 55, en evenzeer uit dien vanBrunain la vache au prestre, l. l., pag. 25.

Dinaux'geheele redeneering op bl. 150 is ook eenvoudig maar uitLE GRAND D'AUSSYovergenomen,Fabliaux ou Contes, 3 éd., tom. IV, pag. 256, en wel met overhaasting.Le grandzegt van de vrouw des priesters: „Dans le fabliaudu curé qui mangea des mûres, il a été fait mention aussi de ces femmes de prêtres. Celle dont il s'agit ici (in denConstant du Hamel), quelques vers plus bas, est nomméela prêtresse.”Dinauxzegt: „Ce n'est point seulement dans ce fabliau qu'il est question des femmes des prêtres de cette époque; dans celui intitulé,le curé qui mangea des mûres, cette même singularité se représente,et comme ici, la femme du prêtre est appelée prêtresse.” Intusschen komt in 't stukdu Curéetc., in deChoix et extraitsachterLE GRANDSeerste deel, pag. 26, de uitdrukking niet voor. Dit is eene kleinigheid, maar men leert er de slordigheid van dat werk uit kennen.

(174)BijBARBAZAN-MÉON, tom. III, pag. 296–326.

(175)Zie boven,bl. LXVI.

(176)Boven,bl. XLIV.

(177)Daar heet de priester dien naam te dragen, maar de plaats schijnt niet geheel zuiver, en waarschijnlijk is er de vilain meê bedoeld. Dezelfde dichter kende ook den naamGombert, die in de 19een 20ebranche vanRenartvoorkomt, zie boven,pag. LXXXVI.

(178)R. F., pag. CXLV.

(179)Les Trouvères Artésiens, pag. 149.

(180)Het is duidelijk onsham, bijKILIAEN:domus, habitatio, maar dat ook, even als het franschehameau, de beteekenis van dorp of gehucht gekregen heeft; verg.NOORDEWIER,Regtsoudheden, bl. 210.

(181)Zie mijneGeschied. der Mnl. Dichtk., III Dl., bl. 9–10.

(182)R. F., pag. CCLVIII.

(183)Verg.WARNKÖNIG,Hist. de la Flandre, tom. I, pag. 240.

(184)R. F., pag. CLVI.

(185)Reinaert, 2edruk, Nabericht, bl. 356.

(186)Vroet, vs. 1899, verklaart hij doorverwoed,dol; maar hoe zulk eene verklaring hier in den samenhang past, is mij volstrekt onbegrijpelijk.

(187)Grimmmeende,R. F., pag. CLVII, ten onrechte, datSTOKE, II Dl., pag. 229, 238, 249, dezelfde plaatsBarselenoemde: de hollandsche schrijver heeft blijkbaarBorselenop 't oog.


Back to IndexNext