BEGRAAF MIJ IN MIJN EIGEN GRAF

BEGRAAF MIJ IN MIJN EIGEN GRAFIk ben vergrijsd van baard en haren;Daarvoor tel ik ook tachtig jaren;En diende er zeven van het land,Ingekwartierd aan Brabants rand,Op eersten Willems hoog bevel.—Mijn beste jaren waren ’t wel,Aldus van mijne jeugd verloren.Niets goeds werd mij er uit geboren:’t Minst bij ’t Miljoenen staatsbudget,Werd op den ex-soldaat gelet.—Die zeven zijn zoo heên gedreven,Als nutt’loos voor mijn later leven,Voor mij den armen landbouwknecht:Dus de gelegenheid ontzegd,—In jaren, daartoe dubbel waard,—Mij, om den huisselijken haard,—Voor vrouw en kinderen te gronden:’k Werd ledig weêr naar huis gezonden,Door dierbaar Vaderland en Vorst,Met platte beurs en leêge borst.En in ’t bewustzijn, geene Belgen,Geholpen hebben te verdelgen,—Met de gedachte «’t land gered,»—Werd nutt’loos ik aan kant gezet;Kwam ’k bij de mijnen weêr terug;De ransel haastig van den rug,Om zonder morren, zonder dralen,De schade weder in te halen,Der zeven jaren, kost’bre tijd,Door zuinigheid en noeste vlijt.Den zwaren gang van ’t daag’lijks ploegen,—Het «voorwaarts» bij het eindloos zwoegen,In ’t maaien van het gras en graan,—Liet mij geen blik naar achtren slaan.Desniettemin, die zeven jaar,Zij bleven weg, maar al te waar!Zij waren niet terug te winnen,Al trachtte ik het met blijde zinnen;En ’k steeds door onverdroten vlijt,Bleef woekeren, met mijnen tijd.Nu stierven in dien tijd mijne Ouders,Hunne ouderdom had op mijn schouders,Nog nooit een enklen last gelegd.En Vader had mij eens gezegd:«Wij laten u volstrekt niets na,Dan eene zeis, een hark, een spâ;Geloof! wij laten niets van waarde,Bij ons versterven meer op aarde:Daarmede loopt heel ’t erfschap af,Behalve een overtollig graf.»—«Mijn’ ouders bleven van hun slaven,Niets dan een drietal leêge graven;Twee zult gij daarvan gauw misschien,Zich oop’nen voor uwe Ouders zien.En ’t derde blijv’ voor u bewaard,Als ouderserf, als eigene aard:Opdat, slaat eenmaal ook uwe ure,Men u geen armengraf dan hure,Wanneer men u ter aard’ bestelt:—Dit is uw erfdeel:goed en geld.»De Bouwknecht sprak: «wil zorg gij dragen,Tot aan het einde mijner dagen,Mijn Zoon!Wat mij, Arme overbleef,Men nimmer aan een ander geef;Daar ik zelf half gestorven, enVoor heel de wereld dood reeds ben.»En ongeschonden bleef in waarde,Dat graf, des Grijsaards eigene aarde:En weldra rustte hij er in,Naar zijn verlangen, naar zijn zin.

Ik ben vergrijsd van baard en haren;Daarvoor tel ik ook tachtig jaren;En diende er zeven van het land,Ingekwartierd aan Brabants rand,Op eersten Willems hoog bevel.—Mijn beste jaren waren ’t wel,Aldus van mijne jeugd verloren.Niets goeds werd mij er uit geboren:’t Minst bij ’t Miljoenen staatsbudget,Werd op den ex-soldaat gelet.—

Die zeven zijn zoo heên gedreven,Als nutt’loos voor mijn later leven,Voor mij den armen landbouwknecht:Dus de gelegenheid ontzegd,—In jaren, daartoe dubbel waard,—Mij, om den huisselijken haard,—Voor vrouw en kinderen te gronden:’k Werd ledig weêr naar huis gezonden,Door dierbaar Vaderland en Vorst,Met platte beurs en leêge borst.

En in ’t bewustzijn, geene Belgen,Geholpen hebben te verdelgen,—Met de gedachte «’t land gered,»—Werd nutt’loos ik aan kant gezet;Kwam ’k bij de mijnen weêr terug;De ransel haastig van den rug,Om zonder morren, zonder dralen,De schade weder in te halen,Der zeven jaren, kost’bre tijd,Door zuinigheid en noeste vlijt.

Den zwaren gang van ’t daag’lijks ploegen,—Het «voorwaarts» bij het eindloos zwoegen,In ’t maaien van het gras en graan,—Liet mij geen blik naar achtren slaan.Desniettemin, die zeven jaar,Zij bleven weg, maar al te waar!Zij waren niet terug te winnen,Al trachtte ik het met blijde zinnen;En ’k steeds door onverdroten vlijt,Bleef woekeren, met mijnen tijd.

Nu stierven in dien tijd mijne Ouders,Hunne ouderdom had op mijn schouders,Nog nooit een enklen last gelegd.En Vader had mij eens gezegd:«Wij laten u volstrekt niets na,Dan eene zeis, een hark, een spâ;Geloof! wij laten niets van waarde,Bij ons versterven meer op aarde:Daarmede loopt heel ’t erfschap af,Behalve een overtollig graf.»—

«Mijn’ ouders bleven van hun slaven,Niets dan een drietal leêge graven;Twee zult gij daarvan gauw misschien,Zich oop’nen voor uwe Ouders zien.En ’t derde blijv’ voor u bewaard,Als ouderserf, als eigene aard:Opdat, slaat eenmaal ook uwe ure,Men u geen armengraf dan hure,Wanneer men u ter aard’ bestelt:—Dit is uw erfdeel:goed en geld.»

De Bouwknecht sprak: «wil zorg gij dragen,Tot aan het einde mijner dagen,Mijn Zoon!Wat mij, Arme overbleef,Men nimmer aan een ander geef;Daar ik zelf half gestorven, enVoor heel de wereld dood reeds ben.»En ongeschonden bleef in waarde,Dat graf, des Grijsaards eigene aarde:En weldra rustte hij er in,Naar zijn verlangen, naar zijn zin.


Back to IndexNext