HET LAAGLANDIk min de vrije horizon!De witte duinen, groene dijken!Van waar ik eerst als kind begon,Mijn groene wereld te bekijken:Van toen als vereenzelvigd reeds,Met mijn bestaan en dat bleef steeds.O ongeplante Bloemtuin, die,Op groengrond mij een Eden toovert!Die door zijn eigen Poëzie,Mijn hart en zinnen heeft veroverd,Mijn Gosen, rijk gezegend Land,Aan ’s aardrijks uiterst noorderstrand!Om mij heen moet de vlakte zich,Haar stille heerlijkheid ontvouwen,Die, wijl ik uit mijn venster lig,Nooit moede ik word van te beschouwen:Haar moet ik steeds weer gadeslaan,Zoo trekt haar majesteit mij aan.De ruime vlakte is mij zoo lief!Zijn Puszta mocht Petöfi prijzen,Die in zijn zang hij hoog verhief;En Long-fellow op een’ge wijzen,Zong ’t eigen schoon van zijn Prairie,De nooit volprezen Poëzie!Bederf mijn klein geluk mij niet,Daar ik dat stukje grond kan minnen!Dat wat zijn eigen schoon mij biedt,Bij zooveel ligt het niet kan winnen,Als men Arkadië soms roemt,’t Naast Emmens dal niet wordt genoemd.’k Heb Landje u even lief er om!Door Noord- en Zuiderzee omstrengeld,Waar grillig plas en kreek rondom,Van land en eiland, ligt doormengeld;En vormend zoo een schoon geheel,Een ongeêvenaard tafreel.Gij blijft mijn vreugde, gij mijn lust,Diep Landje, ver en afgelegen;Waar ge achter aan der Wadden kust,Uit meer en schor eens opgestegen,Door Molens wieken reuzenkracht,Tot weide werd omhoog gebracht.Ik zie hen staan, als kostlijk merk,Echt Vaderlandsch het landschap sieren;Gedenkteekens der vadren werk!In ’t breede majestueuse zwierenDer wieken, met hun trotsche vlucht,Zich wentlend door de noordsche lucht!Het is eenig grootsch gezicht,De wind, zich leenend, om de wat’ren,Wier peil tot Meters dieper ligt,In ’t vlakland te doen bruischen, klaat’ren;En zulks door ’t vaderlandsch genie,Ja daarin ligt ook poëzie!Roem gij op woeste waterval,Die Zwitsers dreigt van uwe bergen,Of op uw karig rotsendal,Dat altijd door, uw vlijt blijft vergen:Hier bogen wij op vette wei,Waar ’t water men aan banden lei!Ik ken geen schooner veldgezicht,Dan waar de trotsche Molens prijken!Waar de eene rust, één draait, één zwicht,Aan meerzoom, op de groene dijken:Rijkmakers der landbouwerstand,Die koningen van ’t Polderland!Schoon Landschap! met een «Molenzicht»!Waar «Veldlust» in zijn krans van boomen,Een «Waterblik» aan ’t meertje ligt;Waar langs de golfjes rimplend stroomen,Omgord door breeden zoom van riet,Daar ’t zonlicht tinten overgiet!Waar schilderacht’ge groepen vee,Zich tusschen leeg’ren in de weiden:En over dijk en duin, in zee,Het Driemastschip men ’t zeil ziet breiden,Door avondrood het al getint:’k Heb Landje u niet om niets bemind!Het Laagland is mijn Vaderland!Het land der vlakte en dat der meren,Door eenen gordel dijk omspand:’k Blijf het als Vaders erf waardeeren;’k Heb daar aan Moeders hart gerust!Daar is mijn al, mijn vreugd! mijn lust!
Ik min de vrije horizon!De witte duinen, groene dijken!Van waar ik eerst als kind begon,Mijn groene wereld te bekijken:Van toen als vereenzelvigd reeds,Met mijn bestaan en dat bleef steeds.
O ongeplante Bloemtuin, die,Op groengrond mij een Eden toovert!Die door zijn eigen Poëzie,Mijn hart en zinnen heeft veroverd,Mijn Gosen, rijk gezegend Land,Aan ’s aardrijks uiterst noorderstrand!
Om mij heen moet de vlakte zich,Haar stille heerlijkheid ontvouwen,Die, wijl ik uit mijn venster lig,Nooit moede ik word van te beschouwen:Haar moet ik steeds weer gadeslaan,Zoo trekt haar majesteit mij aan.
De ruime vlakte is mij zoo lief!Zijn Puszta mocht Petöfi prijzen,Die in zijn zang hij hoog verhief;En Long-fellow op een’ge wijzen,Zong ’t eigen schoon van zijn Prairie,De nooit volprezen Poëzie!
Bederf mijn klein geluk mij niet,Daar ik dat stukje grond kan minnen!Dat wat zijn eigen schoon mij biedt,Bij zooveel ligt het niet kan winnen,Als men Arkadië soms roemt,’t Naast Emmens dal niet wordt genoemd.
’k Heb Landje u even lief er om!Door Noord- en Zuiderzee omstrengeld,Waar grillig plas en kreek rondom,Van land en eiland, ligt doormengeld;En vormend zoo een schoon geheel,Een ongeêvenaard tafreel.
Gij blijft mijn vreugde, gij mijn lust,Diep Landje, ver en afgelegen;Waar ge achter aan der Wadden kust,Uit meer en schor eens opgestegen,Door Molens wieken reuzenkracht,Tot weide werd omhoog gebracht.
Ik zie hen staan, als kostlijk merk,Echt Vaderlandsch het landschap sieren;Gedenkteekens der vadren werk!In ’t breede majestueuse zwierenDer wieken, met hun trotsche vlucht,Zich wentlend door de noordsche lucht!
Het is eenig grootsch gezicht,De wind, zich leenend, om de wat’ren,Wier peil tot Meters dieper ligt,In ’t vlakland te doen bruischen, klaat’ren;En zulks door ’t vaderlandsch genie,Ja daarin ligt ook poëzie!
Roem gij op woeste waterval,Die Zwitsers dreigt van uwe bergen,Of op uw karig rotsendal,Dat altijd door, uw vlijt blijft vergen:Hier bogen wij op vette wei,Waar ’t water men aan banden lei!
Ik ken geen schooner veldgezicht,Dan waar de trotsche Molens prijken!Waar de eene rust, één draait, één zwicht,Aan meerzoom, op de groene dijken:Rijkmakers der landbouwerstand,Die koningen van ’t Polderland!
Schoon Landschap! met een «Molenzicht»!Waar «Veldlust» in zijn krans van boomen,Een «Waterblik» aan ’t meertje ligt;Waar langs de golfjes rimplend stroomen,Omgord door breeden zoom van riet,Daar ’t zonlicht tinten overgiet!
Waar schilderacht’ge groepen vee,Zich tusschen leeg’ren in de weiden:En over dijk en duin, in zee,Het Driemastschip men ’t zeil ziet breiden,Door avondrood het al getint:’k Heb Landje u niet om niets bemind!
Het Laagland is mijn Vaderland!Het land der vlakte en dat der meren,Door eenen gordel dijk omspand:’k Blijf het als Vaders erf waardeeren;’k Heb daar aan Moeders hart gerust!Daar is mijn al, mijn vreugd! mijn lust!