HET WOUDWie mint het heerlijk statig woud,—Het rijzig woud, het groene bosch,—Zijn grootsche koepel, hoog en stout,—Omlaag het weeke zwellend mos,—Van rondom, ’t juichend vogellied,In al die duizend wijzen, niet!O bloeiend takje, lisp’lend blad!O zwellend knopje, rozerood!In windselen van groen gevat,Door de eerste morgenstraal genood!—Wat spreidt ge uw stille pracht ten toon,Wat zijt gij eenig, heerlijk schoon!
Wie mint het heerlijk statig woud,—Het rijzig woud, het groene bosch,—Zijn grootsche koepel, hoog en stout,—Omlaag het weeke zwellend mos,—Van rondom, ’t juichend vogellied,In al die duizend wijzen, niet!
O bloeiend takje, lisp’lend blad!O zwellend knopje, rozerood!In windselen van groen gevat,Door de eerste morgenstraal genood!—Wat spreidt ge uw stille pracht ten toon,Wat zijt gij eenig, heerlijk schoon!