LOF DER SCHEPPINGJa gij zijt eenig schoon Natuur!Wanneer op Avasaxa’s transen,Te middernacht de stralen glanzen,Der middernachtzon in dat uur,Als Noordkaap zich in purper baadt;Als IJszee’s kille golven dansen,In avondrood en dageraad,Op ’t zelfde uur; als gouden kransen,Zich hechten op het ijsgebergt’,Welks hoofd de zomerwarmte tergt,Ten trots der wekenlange dagen;—Hier zou men zich af mogen vragen,Is zulk een nacht wel minder schoon?Dan wanneer Mei zijn bloemenkroon,In veld en bosch en hof doet geuren?—Of als een herfstdag zijne kleuren,In mengeling, van bruin en goud,Doet blinken over ’t eikenwoud?—Is ’t niet, daar in het zwijgend Noorden—Bij middernachtzonlicht beschouwd—Een lied, een hymne, zonder woorden?Ja dat verkondigt U o Heer!Gij riept de zon en het werd Lente;’t Werd Zomer; zij ging niet meer nêer,Beneden in haar watertente;En langer, langer, toeft zij steeds,Tot ze eindelijk, bij korter dralen,Niet meer zich toont, en de IJszee reedsZich sluit, ’t Blijft nacht. Daar stralen,Laag uit het donk’re Noorden op,De bundels licht naar ’s hemels top,Van uit een vuurgloed aan de kimmen;De hooge sneeuwgebergten glimmen,Waarvan de zachte stralengloed,Heel ’t zwijgend landschap schitt’ren doet;’t Ontplooit zich als tot bundels pijlen;Van ’t Westen en van ’t Oosten ijlen,Dáár garven vuur, dáár wolken licht,Waarvoor der starren schitt’ren zwicht.’t Is, of van duizend regenbogen,—Door een magneet als voortbewogen,—Het fonkelende kleurenschoon.Zich vormt, zich opbouwt tot een kroon.En rust’loos vloeit van alle kanten,—Van hyacint, van diamanten,En van saffier en van smaragd,De mengelende kleurenpracht—Zich tot een koepeldak opbouwend,In ’t Zenith hare glans ontvouwend,—Een heerlijk, eenig schoon geheel!Wat goddelijk natuurtaf’reel!De mensch staat stom, staat opgetogen,Gods heerlijkheid gaat voor zijne oogen,Aan zijn verbaasden blik voorbij,En thans aanbidt, bewondert hij!Hij huivert niet, gelijk voor dezen,Met schrikkelijken angst en vreezen;Hij ziet, wanneer daar straal bij straal,Naar boven schiet, geen vlammend staal;Hij ziet daar in de gouden kleuren,—Met rozeroode tint doorgloeid,—Die statig zich ten hemel beuren,—Wier gloed verschijnt, wier gloed vervloeit—Geen vuur, geen bloed, geen scherpe dolken,Daar in die kleur’ge wolkenschicht,Die helderder dan and’ren licht;Geen rookkolommen in die wolken,Als krijgden boven daar de volken,Voor heel des werelds aangezicht.Het zijn geen legers, geene benden,Die heden keeren, straks weer wenden,Of die hun vuur’ge paarden menden,Als een verwoede legerschaar,—Die zuilen, bundels, koepels, daar.—Geen visioenen, geen gezichten,Die dreigend zich naar de aarde richten,En bloedig over de aarde lichten,Langs de gekleurde hemelzee,Als boden van een naam’loos wee,Die heel het menschdom met hun plagen,Schrik en ontzetting straks aanjagen,Of pest in hunne vaandels dragen,’t Bericht van oorlog deelen meê!—Ligt nog »’t van waar,» steeds in het duister,Brak niet de wetenschap de kluister,Van »’t hoe»: des Scheppers pracht en luister,Blinkt eenig, ongeëvenaard,Als ’t poollicht langs den Hemel vaart.Hoe groot zijn uwe werken Heer!Zij galmen ’t uit; geeft, geeft Hem de eer,Van af het kale en ijzig Noorden,Tot aan de zegenrijke boorden,Van ’s werelds bloemrijk paradijs;Hem juicht het toe, Hem steeds ten prijs!Naar ’t zuiderstrand, van ’t eeuwig ijs,In duizenden van lofaccoorden,Wier lied ten hoogen hemel ruischt!’t Zij, waar aan welige oosterstranden,—Dier paradijsachtige landen,Bij ’t heete middagzonnebranden,In palmenkronen ’t koeltje huist!Dat enkel dáár nog droomend suist!Of waar van onbewolkte transen,Loodrecht de zonnestralen glanzen,Op Baöbabs gewelfde kruin,—Een wolk van groen, een mollig duin,—De schoonste trots dier Zuidertuin.—U prijst de stemme van die wouden,—Die zich, U Heer, daar temp’len bouwden,Zooals geen oogen meer aanschouwden!—U! noemt ze als op de aâm van de orkaan,Eensklaps beginnen aan te slaan,De Eölusharpen, forsch bewogen,Langs Teifoens vreeselijke baan,—Als ’t dreunt en davert door den hoogen,Wijl ’t bliksemlicht verblindt straks de oogen,—En bij die grootsche melodie,De diepe bas der harmonie,—Uit duizenden bazuinenmonden,Onmiddellijk als van nabij,Van achter, onder, van ter zij,Als tot een vrees’lijk koor verbonden—Rolt, wentelt, in die bange stonden,—Terwijl met vreeselijken knal,Der wouden reuzen, in hun val,—Al stonden zij ook eeuwen pal,—Geheele rijen, honderdtallen,Als stengels riet, ter neder vallen,Bij ’t splijten, kneuzen, daav’ren, schallen,Terwijl hun kruin zich boog ter aard’—En door die breede top bezwaard—’t Al dreunende ten bodem vaart.En eind’lijk heeft der winden stoet,Ten lange lest weer uitgewoed;De laatste wolken vliên als schimmen,In rag en weefsel, naar de kimmen;En rein, als smetteloos kristal,—Waarin der sterren vlammen glimmen,—Ligt nu het zeevlak. ’t Grootsch heelal,Daarboven is een zee van luister,—Waardoor des Melkwegs pad van licht,Hel schitt’rend over ’s aard’rijks duister,Den blik verbaasd naar boven richt,—Wijl ’t Zuiderkruis als sterrenkroon,Zijn heerlijkheid ginds spreidt ten toon.Ook in den stormwind waart gij Heere!Hij was Uw dienaar, U ter eere,Verkondigde hij Uwe macht;Hij droeg Uw orders op zijn vlerken,Hij predikte U in Uwe werken,Hij predikte Uwer werken kracht.—En in der Palmen hooge twijgen,—Nu er alle and’re tonen zwijgen,—Gaat Gij voorbij, Heer der natuur!In ’t zachte ruischen van die palmen,Is of het lief’lijk ruischt van Psalmen,In Tropens middernacht’lijk uur.—De pracht der Leliën is de Uwe,Heer, Gij, Die ze in hun reinheid schiept,Nadat het Noorden zwijgt van ’t ruwe,Het Zuiden ze oproept in het luwe,—Heer! Gij zijt het, die hen weêr riept,—Opdat het strekk’ U Heer! ten prijze,Opdat het Uwen lof vermeld’!—Hun heerlijkheid, den Koning-Wijze,Van Isrel, in de schaduw stelt.—Neen! al de glans der vorstenkronen,De luister, macht en majesteit,Die uitgaat van der macht’gen tronen,Is naast uw werk, Heer! ijdelheid!Wat kan de schoonheid evenaren,Van wat Gij schiept, God der Natuur?Dat heugt van langer levensduur,Als toen nog de eerste scheps’len waren,—Waar ’t grootsche aan schoonheid zich komt paren:Wien grijpt het niet, met heilig vuur,Wien grijpt het niet bij Staffa’s zuilen,In ’t wonder »Fingalsgrot», gebaard,—Bewond’rend aan, waar zij geschaard,Als eerstgeboor’nen dezer aard’,Eens opgerezen uit de kuilen,Des oceaans, bij stormwinds huilen,—Als met hunne evenknie gepaard,—Die Reuzendam, wiens reeks van wond’ren,Des Scheppers grootheid luid verkondt,Nog onvergank’lijk sinds die stond,—Hoe ook de orkanen hem steeds plond’ren,—Toen hij omhoog rees onder ’t dond’ren,Der wording van het wereldrond.—Wie bouwde in ’s aardrijks ingewanden,Die schitterende zalen op?Waar dropsteen als met toov’naarshanden,Gewelf en boog en zilv’ren wanden,Optrokken tot des tempels top?En wie groepeerde en stalacmiten,Bevallig hier, en stalactiten,Weer ginder? tot een vingerschaar,Heenwijzend, naar beneên, naar boven,Om ’s Scheppers luister ook te loven,In ’t ingewand des aardrijks, daar;Of tot een orgel, dat reusachtig,Op de achtergrond verrijst, en krachtig,Van achter steunsel en pilaarZich opbouwde, edel, grootsch en machtig;Terwijl ’t al gloeit van diamant,Van al de luister der juweelen,Omhoog, omlaag, naar allen kant,Waar zij in duizend prisma’s spelen,Zich samenbinden, zich verdeelen;Als sterren flonk’ren, of als zon,Als aller stralen kleurenbron,—In duizenden van regenbogen,De blikken houden opgetogen,Door nooit geziene wonderpracht,—In ’s aardrijks diepe zwarte nacht.Wie denkt aan Biels- en Baumans holen,Niet! waar hun schoon, zoo lang verholen,Door toeval werd aan ’t licht gebracht!Of waar het schoonste der gordijnen,Waarin des dropsteens paarlen schijnen,Van de Adelsberger toovergrot,Met kunst van menschenhanden spot?Mississipi, »der stroomen vader»,Wie, wie ontsloot eenmaal uwe ader?Die als »Geweldige» ten lest’,Waar gij allengs de zee treedt nader,—Als Opperstroom van »’t verre West»—Een reuzenslang wel der Prairieën,—Daar gij tot ééne bond van drieën,—Missouri en Ohio prest,Met Legio’s, waar één, wiens wellen,—In ’t schoonst natuurpark zijn geplant,U, Vader komt in de armen snellen,Om u al ’t heerlijks te vertellen,Van Jellowstones wonderland,—Of in wier bruisen wij nog wanen,Een strijdmarsch wel van Indianen,Een Sage of eene oorlogskreet,Of misschien Long-fellows akkoorden,Langs met Prairie omzoomde boorden—Te kunnen onderscheiden. Breed,Met koninklijken zwier en luister,Stroomt gij, getoomd door boei, noch kluister,—Door zonnige Prairie, door ’t duister,Van ’t ongerepte maagd’lijk woud,—Wiens vorstelijke broeder, ginder,De zon voorbij, U even stout,En even grootsch en schoon niet minder,—Op ’t Westhalfrond gezelschap houdt.—Wijl aan den uitgang van de »Meren,»Wat »Meren?» Zeëen! waar de naam,Sint Laurent, allen oproept, saâm,Om allen zich naar hem te keeren;Om op te bouwen, allen, al,Een Niagara’s waterval:Opdat het »Waterwonder» rijze!Opdat de waterdroppel prijzeHem! de Almacht! Die op deze wijze,Zijn wond’ren werkt. Die, drop bij drop,Miljoenen maal, miljoenen malen,Maal millioenen, stapelt op,Van rots tot rots, tot bergen, dalen;—Zijn schuim en neev’len, saam vergaardTot wolken; middlerwijl de waat’ren,Onafgebroken, dondren, schaat’renEn nederstorten, zoodat de aard’,Als ware ’t door dien val vervaard,—In hare voegen staat te beven!Terwijl zich regenbogen weven,Op ’t rookend schuim, omhoog gedreven,Als eerepoorten daar omhoog,Hem opgericht, Wiens werk zijn schoonheid,Voor ’s menschen oogen zich ten toon spreidt.—Gij zijt het Heer! die langs zijn boordenDen Nijl doet »wand’len,» uit het Zuid,—Waar niemand nog »’t van waar» ontsluit,Steeds uit die geheimzinnige oorden,Met staat’gen loop, naar ’t verre Noorden.—Gij zijt het, Die Zambesie’s val,Wiens »Rook raast hier,» doet brullend dond’ren,Geperst in zijnen rotsenwal,Die ons Natuur in hare wond’ren,Als de openbaring van Gods macht,Dus doet aanschouwen in haar pracht.—Gij wandelt over de Andesketen;Op Chimborasso drukt Gij Heer!Uw voet, als scheps’len God, ter neêr,Waar winter is ten troon gezeten;Waar Cotopaxi’s vuurhaard brandt.—Uw oog reikt tot zijn ingewand:En Himalaya’s reuzenbergen,»Sneeuwwoning» zoomen de overkant,Der stille Zuidzee. Wijl zij tergen,De wolkenlegers, en hen vergen,De schatting van hun kost’lijk nat:Den rijkdom hunner regenschat.—Mount-Everest, gij! die van de aarde,—Die ’t eerst uit haren schoot u baarde,Doorluchtige! als bergen Hoogst’!—Den lof van de bewond’ring oogst,—Ook u mijn groet, als bergenkoning!In uwe vlekk’loos reine woning,Met uwe gletscherpracht tot kroning,Uw schoud’ren onder hermelijn!Gij deed hem rijzen, deed hem worden,Uw machtwoord Heer, Gij riept hem op!Uit de afgrond, tot zijn hoogsten top;Gij deedt met sneeuw zijn lend’nen gorden,En vormdet sneeuw- en regendrop,Tot gletschers, die als lichtgewaden,In ’t avondzonnelicht zich baden,Als »Alpengloeiën» ’t menschelijk oog,Bewonderend trekt naar omhoog!Hebt gij misschien ooit in uw leven,Gevoeld dat vreemd, dat trillend beven,Beangstigend, aan uwen voet?Alsof de grond schijnt weg te zweven;Een onderaardsche kracht hem doet,Op licht bewogen baren schomm’len,Waartusschen verre donders romm’len,—Terwijl Natuur in diepe rust,Als ware het, schijnt weg te domm’len;Zij, schijnbaar zich, het onbewust,Hoe ’t kookt, hoe ’t borrelt, ziedt, hoe ’t brandt,Diep in des aard’rijks ingewand.Hebt gij ooit de aard’ zien golven, zwoegen?Als onder naam’loos barensweeZich rekken, krimpen, splijten, ploegen,Als scheurde de aard uit hare voegen,Bij ’t dond’rend kraken, als in twee?—’t Beeld van een fel bewogen zee!—Zaagt gij de bergen ooit verwrikken?Als ’t ware elkander tegenknikken,Hun hoofden neigen tot elkaar?Hun kraters oop’nen, met een knal,Die davert over berg en dal,Met de echo als bazuingeschal,—Wijl tot de verst gelegen plaatsen,—En lucht en aard ’t elkaar toekaatsen!Bemerktet gij dat sterker woelen?Wat was ’t, den eersten schok te voelenDie sidderend door de aarde schoot?En rookkolom, bij rookkolommen,Uit ’s aardrijks schoot omhoog geklommen,Diepzwart den hemel overgoot!Terwijl ’t steeds meer en zwarter rookte,En lava’s gloed, die binnen kookte,Op ’t wolkenzwart dier rookwolk spookte,In zwavelgeel en bloedig rood!Die Hieroglyphen op hen teekent,Met vuurtong, vlam; wijl bliksems, brekend’,Uit zwang’ren zwarten wolkenschoot,—Er tusschen schrijven: Wee en dood!En uit de diepste bergravijnen,Des afgronds van de lavamijnen,Naar rechts, naar links, het kokend vuurZich wentelt over ’s kraters muur.Hebt gij ’t aanschouwd, hoe spleet bij spleten,In de aard gescheurd, hoe reet bij reten,Eensklaps tot zwarten afgrond wordt?Waarin paleis en hut zich stort;Waar ’t heerlijkst landschap nog voor kort,Zich tooide met des Zomers luister;Waarover thans, om middag, ’t duister,Bij asch- en puimsteenregen trekt,—Dat dra als lijkkleed ’t leven dekt?—Dit slechts als voorspel. Als de klokkenVan stad en dorp, bij ’t vreess’lijk schokken,Door ’t »heen en weêr» van zelf geluid,—(Dat ’s levens doodsnik galmend uit,—)De grond eensklaps vaneen getrokken,—Zich opent, onder bosch en veld,—Vaneen scheurt, onder dorp en steden,—Met al wat ademde op dat heden,—Doet zinken als welkome buit,In zijn wijd opgesperde muilen,Terwijl steeds de elementen huilen,(Niet meer als ware het gestuit,)—Bij ’t dalen in des afgronds kuilen;—Die zich nu weder eensklaps sluit.Wat is van straks nog, waar ’t gebleven?Het heerlijk landschap, zoo vol leven,Dat gisteren, neen, nog zooeven,In ’t midden zijne trotsche stad,Als zijnen roem en trots bezat?Masoleum, Triomfboog, wondrenDer wereld, temp’len, hoe vermaard!—Een trilling slechts trok hen naar ond’ren;Een graf in ’s aardrijks ingewanden,Waaruit nog vlammen lekken, branden,Omsluit het al, wat leven had,In veld en hut, paleis en stad.—Pompeji’s noodlot rijst voor de oogen;Voor de oogen, als in vreess’lijk woord:Vergaan, vernietigd, ’t prachtig oord!Diep wordt het hart er door bewogen:Begraven, levend, alles, al,In naamloos onbekend getal.—Maar boven daalt reeds van den Hoogen,Door asch- en rookwolk, zachtkens weêr,Bemoedigend een straal ter neer:Een blik van Hem, Die dood en levenIn zijne hand houdt; Hij Wiens macht,Der elementen woede en kracht,Thans weder heeft teruggedreven,En ’t al tot rust heraad’men doet.—Ja wat verand’re wat verkeere,Toch de Alpha en Omega, Heere!Blijft Gij, al werd de Hemel bloed.—
Ja gij zijt eenig schoon Natuur!Wanneer op Avasaxa’s transen,Te middernacht de stralen glanzen,Der middernachtzon in dat uur,Als Noordkaap zich in purper baadt;Als IJszee’s kille golven dansen,In avondrood en dageraad,Op ’t zelfde uur; als gouden kransen,Zich hechten op het ijsgebergt’,Welks hoofd de zomerwarmte tergt,Ten trots der wekenlange dagen;—Hier zou men zich af mogen vragen,Is zulk een nacht wel minder schoon?Dan wanneer Mei zijn bloemenkroon,In veld en bosch en hof doet geuren?—Of als een herfstdag zijne kleuren,In mengeling, van bruin en goud,Doet blinken over ’t eikenwoud?—Is ’t niet, daar in het zwijgend Noorden—Bij middernachtzonlicht beschouwd—Een lied, een hymne, zonder woorden?
Ja dat verkondigt U o Heer!Gij riept de zon en het werd Lente;’t Werd Zomer; zij ging niet meer nêer,Beneden in haar watertente;En langer, langer, toeft zij steeds,Tot ze eindelijk, bij korter dralen,Niet meer zich toont, en de IJszee reedsZich sluit, ’t Blijft nacht. Daar stralen,Laag uit het donk’re Noorden op,De bundels licht naar ’s hemels top,Van uit een vuurgloed aan de kimmen;De hooge sneeuwgebergten glimmen,Waarvan de zachte stralengloed,Heel ’t zwijgend landschap schitt’ren doet;’t Ontplooit zich als tot bundels pijlen;Van ’t Westen en van ’t Oosten ijlen,Dáár garven vuur, dáár wolken licht,Waarvoor der starren schitt’ren zwicht.’t Is, of van duizend regenbogen,—Door een magneet als voortbewogen,—Het fonkelende kleurenschoon.Zich vormt, zich opbouwt tot een kroon.En rust’loos vloeit van alle kanten,—Van hyacint, van diamanten,En van saffier en van smaragd,De mengelende kleurenpracht—Zich tot een koepeldak opbouwend,In ’t Zenith hare glans ontvouwend,—Een heerlijk, eenig schoon geheel!Wat goddelijk natuurtaf’reel!De mensch staat stom, staat opgetogen,Gods heerlijkheid gaat voor zijne oogen,Aan zijn verbaasden blik voorbij,En thans aanbidt, bewondert hij!
Hij huivert niet, gelijk voor dezen,Met schrikkelijken angst en vreezen;Hij ziet, wanneer daar straal bij straal,Naar boven schiet, geen vlammend staal;Hij ziet daar in de gouden kleuren,—Met rozeroode tint doorgloeid,—Die statig zich ten hemel beuren,—Wier gloed verschijnt, wier gloed vervloeit—Geen vuur, geen bloed, geen scherpe dolken,Daar in die kleur’ge wolkenschicht,Die helderder dan and’ren licht;Geen rookkolommen in die wolken,Als krijgden boven daar de volken,Voor heel des werelds aangezicht.Het zijn geen legers, geene benden,Die heden keeren, straks weer wenden,Of die hun vuur’ge paarden menden,Als een verwoede legerschaar,—Die zuilen, bundels, koepels, daar.—Geen visioenen, geen gezichten,Die dreigend zich naar de aarde richten,En bloedig over de aarde lichten,Langs de gekleurde hemelzee,Als boden van een naam’loos wee,Die heel het menschdom met hun plagen,Schrik en ontzetting straks aanjagen,Of pest in hunne vaandels dragen,’t Bericht van oorlog deelen meê!—
Ligt nog »’t van waar,» steeds in het duister,Brak niet de wetenschap de kluister,Van »’t hoe»: des Scheppers pracht en luister,Blinkt eenig, ongeëvenaard,Als ’t poollicht langs den Hemel vaart.
Hoe groot zijn uwe werken Heer!Zij galmen ’t uit; geeft, geeft Hem de eer,Van af het kale en ijzig Noorden,Tot aan de zegenrijke boorden,Van ’s werelds bloemrijk paradijs;Hem juicht het toe, Hem steeds ten prijs!Naar ’t zuiderstrand, van ’t eeuwig ijs,In duizenden van lofaccoorden,Wier lied ten hoogen hemel ruischt!’t Zij, waar aan welige oosterstranden,—Dier paradijsachtige landen,Bij ’t heete middagzonnebranden,In palmenkronen ’t koeltje huist!Dat enkel dáár nog droomend suist!Of waar van onbewolkte transen,Loodrecht de zonnestralen glanzen,Op Baöbabs gewelfde kruin,—Een wolk van groen, een mollig duin,—De schoonste trots dier Zuidertuin.—U prijst de stemme van die wouden,—Die zich, U Heer, daar temp’len bouwden,Zooals geen oogen meer aanschouwden!—U! noemt ze als op de aâm van de orkaan,Eensklaps beginnen aan te slaan,De Eölusharpen, forsch bewogen,Langs Teifoens vreeselijke baan,—Als ’t dreunt en davert door den hoogen,Wijl ’t bliksemlicht verblindt straks de oogen,—En bij die grootsche melodie,De diepe bas der harmonie,—Uit duizenden bazuinenmonden,Onmiddellijk als van nabij,Van achter, onder, van ter zij,Als tot een vrees’lijk koor verbonden—Rolt, wentelt, in die bange stonden,—Terwijl met vreeselijken knal,Der wouden reuzen, in hun val,—Al stonden zij ook eeuwen pal,—Geheele rijen, honderdtallen,Als stengels riet, ter neder vallen,Bij ’t splijten, kneuzen, daav’ren, schallen,Terwijl hun kruin zich boog ter aard’—En door die breede top bezwaard—’t Al dreunende ten bodem vaart.
En eind’lijk heeft der winden stoet,Ten lange lest weer uitgewoed;De laatste wolken vliên als schimmen,In rag en weefsel, naar de kimmen;En rein, als smetteloos kristal,—Waarin der sterren vlammen glimmen,—Ligt nu het zeevlak. ’t Grootsch heelal,Daarboven is een zee van luister,—Waardoor des Melkwegs pad van licht,Hel schitt’rend over ’s aard’rijks duister,Den blik verbaasd naar boven richt,—Wijl ’t Zuiderkruis als sterrenkroon,Zijn heerlijkheid ginds spreidt ten toon.
Ook in den stormwind waart gij Heere!Hij was Uw dienaar, U ter eere,Verkondigde hij Uwe macht;Hij droeg Uw orders op zijn vlerken,Hij predikte U in Uwe werken,Hij predikte Uwer werken kracht.—En in der Palmen hooge twijgen,—Nu er alle and’re tonen zwijgen,—Gaat Gij voorbij, Heer der natuur!In ’t zachte ruischen van die palmen,Is of het lief’lijk ruischt van Psalmen,In Tropens middernacht’lijk uur.—
De pracht der Leliën is de Uwe,Heer, Gij, Die ze in hun reinheid schiept,Nadat het Noorden zwijgt van ’t ruwe,Het Zuiden ze oproept in het luwe,—Heer! Gij zijt het, die hen weêr riept,—Opdat het strekk’ U Heer! ten prijze,Opdat het Uwen lof vermeld’!—Hun heerlijkheid, den Koning-Wijze,Van Isrel, in de schaduw stelt.—Neen! al de glans der vorstenkronen,De luister, macht en majesteit,Die uitgaat van der macht’gen tronen,Is naast uw werk, Heer! ijdelheid!Wat kan de schoonheid evenaren,Van wat Gij schiept, God der Natuur?Dat heugt van langer levensduur,Als toen nog de eerste scheps’len waren,—Waar ’t grootsche aan schoonheid zich komt paren:Wien grijpt het niet, met heilig vuur,Wien grijpt het niet bij Staffa’s zuilen,In ’t wonder »Fingalsgrot», gebaard,—Bewond’rend aan, waar zij geschaard,Als eerstgeboor’nen dezer aard’,Eens opgerezen uit de kuilen,Des oceaans, bij stormwinds huilen,—Als met hunne evenknie gepaard,—Die Reuzendam, wiens reeks van wond’ren,Des Scheppers grootheid luid verkondt,Nog onvergank’lijk sinds die stond,—Hoe ook de orkanen hem steeds plond’ren,—Toen hij omhoog rees onder ’t dond’ren,Der wording van het wereldrond.—
Wie bouwde in ’s aardrijks ingewanden,Die schitterende zalen op?Waar dropsteen als met toov’naarshanden,Gewelf en boog en zilv’ren wanden,Optrokken tot des tempels top?En wie groepeerde en stalacmiten,Bevallig hier, en stalactiten,Weer ginder? tot een vingerschaar,Heenwijzend, naar beneên, naar boven,Om ’s Scheppers luister ook te loven,In ’t ingewand des aardrijks, daar;Of tot een orgel, dat reusachtig,Op de achtergrond verrijst, en krachtig,Van achter steunsel en pilaarZich opbouwde, edel, grootsch en machtig;Terwijl ’t al gloeit van diamant,Van al de luister der juweelen,Omhoog, omlaag, naar allen kant,Waar zij in duizend prisma’s spelen,Zich samenbinden, zich verdeelen;Als sterren flonk’ren, of als zon,Als aller stralen kleurenbron,—In duizenden van regenbogen,De blikken houden opgetogen,Door nooit geziene wonderpracht,—In ’s aardrijks diepe zwarte nacht.Wie denkt aan Biels- en Baumans holen,Niet! waar hun schoon, zoo lang verholen,Door toeval werd aan ’t licht gebracht!Of waar het schoonste der gordijnen,Waarin des dropsteens paarlen schijnen,Van de Adelsberger toovergrot,Met kunst van menschenhanden spot?
Mississipi, »der stroomen vader»,Wie, wie ontsloot eenmaal uwe ader?Die als »Geweldige» ten lest’,Waar gij allengs de zee treedt nader,—Als Opperstroom van »’t verre West»—Een reuzenslang wel der Prairieën,—Daar gij tot ééne bond van drieën,—Missouri en Ohio prest,Met Legio’s, waar één, wiens wellen,—In ’t schoonst natuurpark zijn geplant,U, Vader komt in de armen snellen,Om u al ’t heerlijks te vertellen,Van Jellowstones wonderland,—Of in wier bruisen wij nog wanen,Een strijdmarsch wel van Indianen,Een Sage of eene oorlogskreet,Of misschien Long-fellows akkoorden,Langs met Prairie omzoomde boorden—Te kunnen onderscheiden. Breed,Met koninklijken zwier en luister,Stroomt gij, getoomd door boei, noch kluister,—Door zonnige Prairie, door ’t duister,Van ’t ongerepte maagd’lijk woud,—Wiens vorstelijke broeder, ginder,De zon voorbij, U even stout,En even grootsch en schoon niet minder,—Op ’t Westhalfrond gezelschap houdt.—Wijl aan den uitgang van de »Meren,»Wat »Meren?» Zeëen! waar de naam,Sint Laurent, allen oproept, saâm,Om allen zich naar hem te keeren;Om op te bouwen, allen, al,Een Niagara’s waterval:Opdat het »Waterwonder» rijze!Opdat de waterdroppel prijzeHem! de Almacht! Die op deze wijze,Zijn wond’ren werkt. Die, drop bij drop,Miljoenen maal, miljoenen malen,Maal millioenen, stapelt op,Van rots tot rots, tot bergen, dalen;—Zijn schuim en neev’len, saam vergaardTot wolken; middlerwijl de waat’ren,Onafgebroken, dondren, schaat’renEn nederstorten, zoodat de aard’,Als ware ’t door dien val vervaard,—In hare voegen staat te beven!Terwijl zich regenbogen weven,Op ’t rookend schuim, omhoog gedreven,Als eerepoorten daar omhoog,Hem opgericht, Wiens werk zijn schoonheid,Voor ’s menschen oogen zich ten toon spreidt.—
Gij zijt het Heer! die langs zijn boordenDen Nijl doet »wand’len,» uit het Zuid,—Waar niemand nog »’t van waar» ontsluit,Steeds uit die geheimzinnige oorden,Met staat’gen loop, naar ’t verre Noorden.—Gij zijt het, Die Zambesie’s val,Wiens »Rook raast hier,» doet brullend dond’ren,Geperst in zijnen rotsenwal,Die ons Natuur in hare wond’ren,Als de openbaring van Gods macht,Dus doet aanschouwen in haar pracht.—
Gij wandelt over de Andesketen;Op Chimborasso drukt Gij Heer!Uw voet, als scheps’len God, ter neêr,Waar winter is ten troon gezeten;Waar Cotopaxi’s vuurhaard brandt.—Uw oog reikt tot zijn ingewand:En Himalaya’s reuzenbergen,»Sneeuwwoning» zoomen de overkant,Der stille Zuidzee. Wijl zij tergen,De wolkenlegers, en hen vergen,De schatting van hun kost’lijk nat:Den rijkdom hunner regenschat.—Mount-Everest, gij! die van de aarde,—Die ’t eerst uit haren schoot u baarde,Doorluchtige! als bergen Hoogst’!—Den lof van de bewond’ring oogst,—Ook u mijn groet, als bergenkoning!In uwe vlekk’loos reine woning,Met uwe gletscherpracht tot kroning,Uw schoud’ren onder hermelijn!Gij deed hem rijzen, deed hem worden,Uw machtwoord Heer, Gij riept hem op!Uit de afgrond, tot zijn hoogsten top;Gij deedt met sneeuw zijn lend’nen gorden,En vormdet sneeuw- en regendrop,Tot gletschers, die als lichtgewaden,In ’t avondzonnelicht zich baden,Als »Alpengloeiën» ’t menschelijk oog,Bewonderend trekt naar omhoog!
Hebt gij misschien ooit in uw leven,Gevoeld dat vreemd, dat trillend beven,Beangstigend, aan uwen voet?Alsof de grond schijnt weg te zweven;Een onderaardsche kracht hem doet,Op licht bewogen baren schomm’len,Waartusschen verre donders romm’len,—Terwijl Natuur in diepe rust,Als ware het, schijnt weg te domm’len;Zij, schijnbaar zich, het onbewust,Hoe ’t kookt, hoe ’t borrelt, ziedt, hoe ’t brandt,Diep in des aard’rijks ingewand.
Hebt gij ooit de aard’ zien golven, zwoegen?Als onder naam’loos barensweeZich rekken, krimpen, splijten, ploegen,Als scheurde de aard uit hare voegen,Bij ’t dond’rend kraken, als in twee?—’t Beeld van een fel bewogen zee!—Zaagt gij de bergen ooit verwrikken?Als ’t ware elkander tegenknikken,Hun hoofden neigen tot elkaar?Hun kraters oop’nen, met een knal,Die davert over berg en dal,Met de echo als bazuingeschal,—Wijl tot de verst gelegen plaatsen,—En lucht en aard ’t elkaar toekaatsen!
Bemerktet gij dat sterker woelen?Wat was ’t, den eersten schok te voelenDie sidderend door de aarde schoot?En rookkolom, bij rookkolommen,Uit ’s aardrijks schoot omhoog geklommen,Diepzwart den hemel overgoot!Terwijl ’t steeds meer en zwarter rookte,En lava’s gloed, die binnen kookte,Op ’t wolkenzwart dier rookwolk spookte,In zwavelgeel en bloedig rood!Die Hieroglyphen op hen teekent,Met vuurtong, vlam; wijl bliksems, brekend’,Uit zwang’ren zwarten wolkenschoot,—Er tusschen schrijven: Wee en dood!En uit de diepste bergravijnen,Des afgronds van de lavamijnen,Naar rechts, naar links, het kokend vuurZich wentelt over ’s kraters muur.
Hebt gij ’t aanschouwd, hoe spleet bij spleten,In de aard gescheurd, hoe reet bij reten,Eensklaps tot zwarten afgrond wordt?Waarin paleis en hut zich stort;Waar ’t heerlijkst landschap nog voor kort,Zich tooide met des Zomers luister;Waarover thans, om middag, ’t duister,Bij asch- en puimsteenregen trekt,—Dat dra als lijkkleed ’t leven dekt?—Dit slechts als voorspel. Als de klokkenVan stad en dorp, bij ’t vreess’lijk schokken,Door ’t »heen en weêr» van zelf geluid,—(Dat ’s levens doodsnik galmend uit,—)De grond eensklaps vaneen getrokken,—Zich opent, onder bosch en veld,—Vaneen scheurt, onder dorp en steden,—Met al wat ademde op dat heden,—Doet zinken als welkome buit,In zijn wijd opgesperde muilen,Terwijl steeds de elementen huilen,(Niet meer als ware het gestuit,)—Bij ’t dalen in des afgronds kuilen;—Die zich nu weder eensklaps sluit.
Wat is van straks nog, waar ’t gebleven?Het heerlijk landschap, zoo vol leven,Dat gisteren, neen, nog zooeven,In ’t midden zijne trotsche stad,Als zijnen roem en trots bezat?Masoleum, Triomfboog, wondrenDer wereld, temp’len, hoe vermaard!—Een trilling slechts trok hen naar ond’ren;Een graf in ’s aardrijks ingewanden,Waaruit nog vlammen lekken, branden,Omsluit het al, wat leven had,In veld en hut, paleis en stad.—
Pompeji’s noodlot rijst voor de oogen;Voor de oogen, als in vreess’lijk woord:Vergaan, vernietigd, ’t prachtig oord!Diep wordt het hart er door bewogen:Begraven, levend, alles, al,In naamloos onbekend getal.—Maar boven daalt reeds van den Hoogen,Door asch- en rookwolk, zachtkens weêr,Bemoedigend een straal ter neer:Een blik van Hem, Die dood en levenIn zijne hand houdt; Hij Wiens macht,Der elementen woede en kracht,Thans weder heeft teruggedreven,En ’t al tot rust heraad’men doet.—Ja wat verand’re wat verkeere,Toch de Alpha en Omega, Heere!Blijft Gij, al werd de Hemel bloed.—