NOOD en HOOP’t Kan stormen op de levenszee,Met wild verbolgen winden,Aleer het harte rust en vreê,Aan eene stille kalme reê,Ten lange lest kan vinden.—’t Kan zijn zelfs, dat de hooge vloed,Bij springtij tot de lippen,Het zilte water rijzen doet;En zelfs het allerstugst gemoed,Een angstkreet doet ontglippen.Er kan zooveel te torschen zijn,Zooveel, op aard te dragen;Zooveel van smart, van nood en pijn,Van kommer, leed, alsof het schijn’,Dat nooit weer hoop zal dagen.Zooveel, dat in die zwarte nacht,Geen licht dreigt weer te schijnen;—Maar nooit vergeefs gehoopt, gewacht,Maar nooit vergeefs gebeên, getracht,De Heer kent wel de Zijnen.—Hij richt door storm en onweer heen,De levenshulk ter reede,Die nimmer te gewinnen scheen.—En Hij verhoorde, Hij alleen:Hij hoorde zucht en bede.
’t Kan stormen op de levenszee,Met wild verbolgen winden,Aleer het harte rust en vreê,Aan eene stille kalme reê,Ten lange lest kan vinden.—
’t Kan zijn zelfs, dat de hooge vloed,Bij springtij tot de lippen,Het zilte water rijzen doet;En zelfs het allerstugst gemoed,Een angstkreet doet ontglippen.
Er kan zooveel te torschen zijn,Zooveel, op aard te dragen;Zooveel van smart, van nood en pijn,Van kommer, leed, alsof het schijn’,Dat nooit weer hoop zal dagen.
Zooveel, dat in die zwarte nacht,Geen licht dreigt weer te schijnen;—Maar nooit vergeefs gehoopt, gewacht,Maar nooit vergeefs gebeên, getracht,De Heer kent wel de Zijnen.—
Hij richt door storm en onweer heen,De levenshulk ter reede,Die nimmer te gewinnen scheen.—En Hij verhoorde, Hij alleen:Hij hoorde zucht en bede.