NOORD-AMERIKANieuwe Wereld, Land der toekomst!Land van geestdrift, land van jeugd;Bloeiend in uw volste schoonheid,Dat pas enkele eeuwen heugt!Land van pracht’ge reuzenstroomen;Land der grootste meren, die—Groot als koningrijken, golven,Langs het rollend land: «Prairie!»Millioenen, die nog hunk’ren,Naar U, land van overvloed,Naar uw Paradijs vol zegen,Zenden u vooruit hun groet.Ja, ’t beloofde land Europa!Is voor u het verre West,Waar de geest der vrijheid zetelt!’t Eenig schoon Gemeenebest.Waar voor ieder, die niet vadzig,Onverschillig is, of slecht,—Armen, handen maar wil roeren—Voor diegene is weggelegd,Wat hem toch in de oude wereld,Op een menschwaardig bestaan,Nooit deed hopen, maar ’t hem wenkte,Ginder over de oceaan.Waar hem ’t blokhuis, dat hij bouwt er,Zij ’t ook nog zoo primitief—Daar op eigen grond hij ’t stichtte,Hem weldra wordt dier en lief;Waar hij met de tooverroede,«Vlijt», de klei in tweëen splitst,En dra gouden tarwe wiegelt.Neen! de zwartste Pessimist,Moet tot andre meening komen,Als hij weldra ’t ruischend goud,Topzwaar neigen ziet ter aarde,Schoon, als nergens ooit aanschouwd.’t Werd een «Nieuwe Wereld» werklijk,In den volsten zin van ’t woord,Hem, den Emigrant van ’t Oosten,Die hem weldra toebehoort,Met zijn denken, met zijn hopen,Met zijn arbeid, met zijn vlijt,En er weldra ingeburgerd,Wordt daar Zoon van zijnen tijd.Merkt gij dat Europa’s akker,Niet in ’t eind, verlangt naar braak?’t Vruchtenmoede u luide predikt,Maak u op van hier: ontwaak!Want merk op! aan gindsche zijde,Bij des zonlichts ondergang,Wacht de zegenrijke bodem,Op ontginning, sedert lang.En met honderdvoudige oogsten,Ziet ge uw noeste vlijt beloond,En rijk zijt ge als eene koning,Als ge er op uw «Eigen» troont.Ja «Nieuwleven» zal ’t u worden,In het nieuwe vaderland:Loon voor arbeid, loon voor zorgen!Toekomst, die de zorgen bant!Zeg, het afgeleefde Europa,—Met zijn ziek’lijk «als van ouds»,Met zijn staatkunde er vermoordend.Volk en ras elkaâr, om gouds,—Dat gij ’t eind’lijk moede, moede,Moede werd, om have en goed,Kracht en arbeid, vlijt en zwoegen,Langer te offren, zelfs uw bloed!Scheur u los beklagenswaarden;—Paria’s der maatschappij,Van het zoo doodkranke Europa,—Waar gij slechts in naam zijt vrij.—Waar in andren vorm gegoten,—Hoe ’t ook te betit’len zij,Het een nieuwe variatie,Is, op ’t Thema «Slavernij!»Waar geen deel aan ’s Heeren tafel,—Ook voor U door Hem gedekt,—U vergund wordt, aan te zitten,Wijl de handen uitgestrekt—Naar hetgeen u rechtens toekomt,Krachtens menschelijke wet,Men bij de algemeene feestdisch,U eenvoudig buiten zet.—Och! wat kan uw voet weêrhouden?Wat u binden aan dien grond,Waar, na jaren wroeten, zweeten,Steenen slechts voor brood gij vondt?En het woord «Vaderlandsliefde,»U van kindsbeen voorgelegd,Bleef tot hier eene ijd’le leuze:Komt dáár eind’lijk tot zijn recht.Want waar nood of zorg of kommer,Met den honger in ’t gevolg,Het laatste uitzicht op verbeet’ring,Met zijn veerkracht ’t al verzwolg,—Daar, daar zijn het holle klanken,Waar men ooit van vaderland,—Als het hoogste en allerschoonste,—Sprak, van ’t allerdierbaarst pand.—Zulks past in ’t verouderd stelsel.—Naar Europa, levensmoê,Wenkt, als ’t licht der Nieuwe Wereld,’t Jong Amerika, U toe!
Nieuwe Wereld, Land der toekomst!Land van geestdrift, land van jeugd;Bloeiend in uw volste schoonheid,Dat pas enkele eeuwen heugt!Land van pracht’ge reuzenstroomen;Land der grootste meren, die—Groot als koningrijken, golven,Langs het rollend land: «Prairie!»Millioenen, die nog hunk’ren,Naar U, land van overvloed,Naar uw Paradijs vol zegen,Zenden u vooruit hun groet.Ja, ’t beloofde land Europa!Is voor u het verre West,Waar de geest der vrijheid zetelt!’t Eenig schoon Gemeenebest.Waar voor ieder, die niet vadzig,Onverschillig is, of slecht,—Armen, handen maar wil roeren—Voor diegene is weggelegd,Wat hem toch in de oude wereld,Op een menschwaardig bestaan,Nooit deed hopen, maar ’t hem wenkte,Ginder over de oceaan.Waar hem ’t blokhuis, dat hij bouwt er,Zij ’t ook nog zoo primitief—Daar op eigen grond hij ’t stichtte,Hem weldra wordt dier en lief;Waar hij met de tooverroede,«Vlijt», de klei in tweëen splitst,En dra gouden tarwe wiegelt.Neen! de zwartste Pessimist,Moet tot andre meening komen,Als hij weldra ’t ruischend goud,Topzwaar neigen ziet ter aarde,Schoon, als nergens ooit aanschouwd.
’t Werd een «Nieuwe Wereld» werklijk,In den volsten zin van ’t woord,Hem, den Emigrant van ’t Oosten,Die hem weldra toebehoort,Met zijn denken, met zijn hopen,Met zijn arbeid, met zijn vlijt,En er weldra ingeburgerd,Wordt daar Zoon van zijnen tijd.
Merkt gij dat Europa’s akker,Niet in ’t eind, verlangt naar braak?’t Vruchtenmoede u luide predikt,Maak u op van hier: ontwaak!Want merk op! aan gindsche zijde,Bij des zonlichts ondergang,Wacht de zegenrijke bodem,Op ontginning, sedert lang.En met honderdvoudige oogsten,Ziet ge uw noeste vlijt beloond,En rijk zijt ge als eene koning,Als ge er op uw «Eigen» troont.Ja «Nieuwleven» zal ’t u worden,In het nieuwe vaderland:Loon voor arbeid, loon voor zorgen!Toekomst, die de zorgen bant!
Zeg, het afgeleefde Europa,—Met zijn ziek’lijk «als van ouds»,Met zijn staatkunde er vermoordend.Volk en ras elkaâr, om gouds,—Dat gij ’t eind’lijk moede, moede,Moede werd, om have en goed,Kracht en arbeid, vlijt en zwoegen,Langer te offren, zelfs uw bloed!Scheur u los beklagenswaarden;—Paria’s der maatschappij,Van het zoo doodkranke Europa,—Waar gij slechts in naam zijt vrij.—Waar in andren vorm gegoten,—Hoe ’t ook te betit’len zij,Het een nieuwe variatie,Is, op ’t Thema «Slavernij!»Waar geen deel aan ’s Heeren tafel,—Ook voor U door Hem gedekt,—U vergund wordt, aan te zitten,Wijl de handen uitgestrekt—Naar hetgeen u rechtens toekomt,Krachtens menschelijke wet,Men bij de algemeene feestdisch,U eenvoudig buiten zet.—Och! wat kan uw voet weêrhouden?Wat u binden aan dien grond,Waar, na jaren wroeten, zweeten,Steenen slechts voor brood gij vondt?
En het woord «Vaderlandsliefde,»U van kindsbeen voorgelegd,Bleef tot hier eene ijd’le leuze:Komt dáár eind’lijk tot zijn recht.Want waar nood of zorg of kommer,Met den honger in ’t gevolg,Het laatste uitzicht op verbeet’ring,Met zijn veerkracht ’t al verzwolg,—Daar, daar zijn het holle klanken,Waar men ooit van vaderland,—Als het hoogste en allerschoonste,—Sprak, van ’t allerdierbaarst pand.—Zulks past in ’t verouderd stelsel.—Naar Europa, levensmoê,Wenkt, als ’t licht der Nieuwe Wereld,’t Jong Amerika, U toe!