ZondagmorgenNu is het rondom Sabbathsrust:Natuur, al waar’ zij zich ’t bewust,Staat daar in gouden feestkleedij,Thans van zesdaagschen arbeid vrij.Ja! men gevoelt meer dan men ’t ziet:’t Is of een lisp’lend Zondagslied,—Dat hoog uit gouden wolken ruischt,—De stem van ’t woud en velden kruist.Het is een reine melodie,Die vol der schoonste harmonie,Zich oplost, lieflijk samensmelt,In ’t lied van ’t luchtruim en van ’t veld.Het is of de omtrek zich vergroot,Voor klokke’s toon, die kerkwaarts noodt:Opdat, zoo verre moog’lijk, ’t klinkt,En tot de verste verte, dringt.En van rondomme roepen luid:Van Oost en West, van Noord en Zuid—Als werden zij het maar niet moe,—Elkaâr: »’t is Sabbathmorgen» toe!
Nu is het rondom Sabbathsrust:Natuur, al waar’ zij zich ’t bewust,Staat daar in gouden feestkleedij,Thans van zesdaagschen arbeid vrij.
Ja! men gevoelt meer dan men ’t ziet:’t Is of een lisp’lend Zondagslied,—Dat hoog uit gouden wolken ruischt,—De stem van ’t woud en velden kruist.
Het is een reine melodie,Die vol der schoonste harmonie,Zich oplost, lieflijk samensmelt,In ’t lied van ’t luchtruim en van ’t veld.
Het is of de omtrek zich vergroot,Voor klokke’s toon, die kerkwaarts noodt:Opdat, zoo verre moog’lijk, ’t klinkt,En tot de verste verte, dringt.
En van rondomme roepen luid:Van Oost en West, van Noord en Zuid—Als werden zij het maar niet moe,—Elkaâr: »’t is Sabbathmorgen» toe!